Hoofdstuk I.De drukpers.DeNew-York Courier and Enquirervan den 5denNovember bevatte een artikel, dat voor de schrijfster van zeer veel belang was, omdat het kort, klaar en duidelijk de voornaamste tegenwerpingen opsomde, die tegende Negerhutkonden ingebragt worden. Wij willen dat artikel hier in zijn geheel inlasschen, omdat het den grondslag uitmaakt der opmerkingen in de volgende bladzijden vervat.De schrijfster derNegerhut, wordt in dat artikel gezegd, heeft tegen duizenden en millioenen harer medemenschen valsche getuigenis afgelegd.„Zij heeft dit gedaan door hun, als slavenhouders, in het oog der wereld, de schuld te geven van de misbruiken eener instelling, waaraan zij ten eenemale onschuldig zijn. Haar werk is zoodanig ingerigt, dat het slechts drie schaduwzijden der slavernij bloot geeft: vooreerst, dewreede behandelingder slaven; ten tweede, descheiding van huisgezinnen; en ten derde, hetgemis aan godsdienstig onderwijsvoor slaven.Om het eerste aan te toonen, laat zij eene belooning uitloven voor het terugbrengen „dood of levend” van een weggeloopen slaaf, hoewel men nog nooit van eene belooning met zulk een alternatief gehoord heeft of heeft kunnen hooren ten zuiden der lijn van Mason en Dixon, en het herhaaldelijk door de Zuidelijke geregtshoven is uitgemaakt, „dat een slaaf, die slechts weggeloopen is, niet mag gedood worden.” Zij legt woorden als deze in den mond van een harer personen: „De eigenaar, die het ergste doet, handelt nog slechts binnen de perken der magt, die de wet hem toekent;” terwijl integendeel het Burgerlijk Wetboek van den Staat waarin de schrijfster zulk een bewering doet uiten—Louisiana—bepaalt, dat:„De slaaf geheel ondergeschikt is aan den wil van zijn meester, die hem mag kastijden en straffen,maar niet met overdreven gestrengheid, of zoodanig dat verlamming of verminking er het gevolg van kan zijn, of zijn leven in gevaar wordt gesteld of zijn dood veroorzaakt.”Terwijl dat wetboek eene geregtelijke verkooping vaststelt: „Wanneer de bewijzen aanwezig zijn, dat de eigenaar zijne slaven heeft mishandeld en de regter het oorbaar keurt, behalve het opleggen der voor dat geval vastgestelde straf, ook het in het openbaar verkoopen van den slaaf te bevelen,ten einde dezen buiten het bereik te stellen der magt, waarvan de eigenaar misbruik heeft gemaakt.”„Indien iemand, wie ook, willens en wetens zijn slaaf of den slaaf van een ander doodt, zal hij, wanneer zijne daad bewezen is, overeenkomstig de wetten worden behandeld en gestraft.”In het vorige jaar werd door het Hoog Geregtshof in Virginia aangenomen, in het regtsgeding van Souther tegen den Staat, dat het dooden van een slaaf door zijn meester en eigenaar, ten gevolge van zweepslagen op diens last en met overdreven gestrengheid gegeven, moord is,al mogt ook het oogmerk van den meester en eigenaar niet geweest zijn den slaaf te dooden! En het is nog geen zes maanden geleden, dat de Gouverneur van Virginia, Johnston, een slaaf vrijsprak, die zijn meester, welke hem wreed had mishandeld, had gedood.En toch, ondanks zulke wetten en uitspraken, doet Mevrouw Stowe eene lange reeks van mishandelingen jegens de zwarten veronderstellen, door haar voorbeeldeloozen held Tom in Louisiana letterlijk te laten dood geeselen door zijn meester Legree; en deze feiten, die de wet als misdadig erkent en als zoodanig straft, beschrijft zij gedurig met de meestafschrikwekkendekleuren, om de instelling der slavernij te doen kennen!Evenzoo handelt zij ten opzigte van het wegnemen van kinderen van hunne ouders. Een groot deel der intrigue berust op het verkoopen, in Louisiana, van een kind van Eliza „acht of negen jaar oud” zonder zijne moeder. Had de schrijfster het wetboek van Louisiana opgeslagen, zij zou daar het volgende hebben gevonden:„Een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders te verkoopenkinderen, die den vollen ouderdom van tien jaren nog niet hebben bereikt.”„Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meer slavenkinderen,onder den leeftijd van tien jaarverkoopen,zonder gezegd kind of gezegde kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moederverkoopen, zullen die persoon of personen veroordeeld worden tot eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene gevangenisstraf voor een tijd van zes tot twaalf maanden.”Het gemis aan godsdienstig onderwijs, zoo als Mevrouw Stowe het voorstelt, is inderdaad ten eenemale ongegrond. De talrijkste kerkelijke gemeenten in de Vereenigde Staten bestaan geheel uit slaven. De eerste Afrikaansche kerken te Louisville en te Augusta, die vijftien honderd en dertien honderd leden tellen, kunnen daarvan ten bewijze strekken. Onder de groote gemeenten op de uitgestrektste plantages in de verschillende Staten van het Zuiden, worden de voorschriften van het Evangelie even goed in stand gehouden door erkende geestelijken als in andere gemeenten in het Noorden of Zuiden. Overal is de verhouding tusschen hen die ledematen en die geene ledematen zijn voor de slaven veel gunstiger dan voor de blanken. Iedere godsdienstige bijeenkomst in het Zuiden, in de steden en op het land, bestaat in den regel voor het meerendeel uit zwarten; terwijl in de kerken in het Noorden onder de vijftig personen naauwelijks één kleurling gevonden wordt.Het gansche werk is met de waarheid in strijd, omdat de schrijfster juist die gevallen, die òf hoogst zeldzaam voorkomen òf onmogelijk kunnen plaats hebben, ter kenschetsing van het stelsel bezigt. Op dezelfde wijze, waarop zij te werk is gegaan, zou het niet moeijelijk zijn een geducht argument zamen te stellen tegen de betrekking tusschen echtgenooten onderling, of tusschen ouders en hunne kinderen, of voogden en pupillen; want duizende vrouwen en kinderen en pupillen zijn mishandeld ja zelfs vermoord geworden. Het is slecht, onverschoonbaar slecht, om aan eenige maatschappelijke betrekking die buitensporigheden ten laste te leggen, dieslechts het gevolg zijn van de diepste verdorvenheid der menschelijke natuur. De geheele roman draagt van het begin tot het eind de kenmerken van eene belagchelijk overdreven zucht om alles te generaliseren. De Oom Tom der schrijfster is een volmaakte engel en hare zwarten zijn over het algemeen halve engelen; haar Simon Legree is een volmaakte duivel, en hare blanken zijn over het algemeen halve duivels. Zij heeft ook een zekeren wrevel tegen de geestelijkheid; en onder de velen, die zij op verschillende plaatsen op het tapijt brengt, zijn allen, op één onbeduidend persoon na, farizeën of huichelaars. Iemand, die de Vereenigde Staten en zijne bewoners niet anders kende dan uit hetgeen hij uitde Negerhutmogt bijeenzamelen, zou het voor de eene of andere streek op de grenzen van het Rijk der Duisternis moeten houden. Wij zeggen niet, dat Mevrouw Stowe door kwade drijfveren tot het schrijven van haar werk werd aangespoord, maar wij houden het er voor, dat zij een kwaad heeft gedaan, dat geene onkunde kan verontschuldigen en geen berouw kan goed maken.Van een zeer geacht correspondent teRichmond, Virginia, ontving de schrijfster het volgende:Ik wil dezen morgen u eenige weinige opmerkingen mededeelen, die bij mij zijn ontstaan met betrekking tot volgende uitgaven van uw werk„de Negerhut,” dat, naar ik hoop, al den invloed zal uitoefenen, waartoe het, dank zij uw talent, in staat is, niet enkelbuitenmaar ookinden kring der slavernij zelven, waaruit het tot nog toe wordt geweerd. Het beantwoordt wel door zijne schoonheden aan de vereischten der kunst, en doet het menschelijk gevoel eer aan, maar het zou, met opzigt tot de naauwkeurigheid der feiten, die er in worden aangetroffen, kunnen verbeterd worden, zonder dat het werk daardoor zou lijden. Zoo doet gij, bij voorbeeld, het grootste onregt aan de stellige wetten der Zuidelijke Staten, wanneer gij meer vertrouwt dan noodig is dat het menschelijk gevoel van het publiek of van bijzondere personen het kwaad zal verzachten, dat de wet veroorlooft.Ik sluit hierin het volgende uittreksel uit een onzer zuidelijke dagbladen:„Dat zal ik wel beschikken. Zij zijn nog jong in het vak,en zullen wel begrijpen, dat zij goedkoop moeten werken,” antwoordde Marks, terwijl hij stil voortlas. „Drie ervan zijn gemakkelijke karreweijen, want al wat zij te doen hebben is ze dood te schieten, of te zweren dat zij doodgeschoten zijn; en daar kunnen zij natuurlijk niet veel voor rekenen.”De lezer ziet dat in dit kostelijk gesprek twee aantijgingen tegen het Zuiden liggen opgesloten;—vooreerst, de gewoonte der slavenhouders in het zuiden om voor het terugbrengen van gevlugte slaven, „dood of levend” eene belooning uit te loven; en ten andere, dat de vervolgers in den regel hen doodschieten. En daar dit dan ook de gemakkelijkste wijze is om de belooning te verwerven, zouden wij ook wel geneigd zijn te gelooven, dat het doodschieten in die gevallen de meest gebruikelijke is. Maar wanneer een slavenhouder in het zuiden eene premie uitlooft voor zijn weggeloopen slaaf, doet hij dit, omdat hij een zeker gedeelte van zijne bezitting, vertegenwoordigd door den neger, dien hij wenscht terug te bekomen, verloren heeft. Welke man uit Vermont, wiens os of ezel is weggeloopen, zou terstond de halve waarde van het dier uitloven, niet voor het doode ligchaam, dat nog tot eenig nuttig doel zou zijn aan te wenden, maar tot voldoening zijner wraakzucht? En toch staan die twee gevallen volkomen gelijk. Wat aangaat de bewering, dat het in het Zuiden geoorloofd is met geweren met twee loopen uit te gaan, om op gevlugte negers te schieten, liever dan hen te vangen, wij kunnen alleen zeggen, dat dit even slecht en baldadig als belagchelijk zou zijn. Er kunnen deugnieten geweest zijn als Marks en Loker, die op zulk eene baldadige wijze negers hebben gedood; maar zoo zij aan de galg zijn ontkomen, zal men hen waarschijnlijk moeten zoeken in onze tuchthuizen, waar op staatskosten behoorlijk voor hen gezorgd wordt. De wetten der Staten van het Zuiden, die, even als bij alle wel geordende Staten, de bescherming van personen en eigendommen ten doel hebben, zijn niet zoo onoordeelkundig ontworpen, dat zij haar doel missen daar waar persoon en eigendom één zijn.„De wet betreffende het dooden van weggeloopen slaven is met zooveel helderheid en juistheid uitgelegd door een regter in Zuid-Carolina, dat wij niet kunnen nalaten zijne uitspraak, die hier juist ter snede komt, mede te deelen. In de zaak van Witsell tegen Earnest en Parker, drukte deregter Colcock volgenderwijze het oordeel van het Hof uit:„Volgens de wet van 1740 mag de blanke zijn slaaf kastijden of in ligten graad straffen, wanneer hij wordt aangetroffen buiten de plantage, waarop hij werkzaam is; en indien de slaaf den blanke aanvalt, mag hij hem dooden; maar een slaaf, die slechts gevlugt is, mag niet gedood worden. Wanneer wij den neger als persoon beschouwen, hebben de beschuldigden ook de gewone wet tegen zich; want zij worden door die wet niet gemagtigd hem als een misdadiger te behandelen, en zonder die magt mogen zij hem het leven niet ontnemen.”Verder leest men in den Roman:„Men denkt gewoonlijk dat het eigenbelang in zulke gevallen een voldoende waarborg is. Wanneer iemand verkiest zijne eigene bezittingen te vernielen, weet ik niet wat er aan te doen is. Het schijnt dat die arme vrouw eene diefegge en aan den drank was, en dus kan men niet hopen, dat men iemand zal kunnen bewegen om zich aan haar te laten gelegen liggen.”„Het is ontzettend—het is afschuwelijk, Augustine! Het zal zeker eens oordeel over u brengen.”„Lieve Nicht, ik heb het niet gedaan en ik kan het niet verhelpen; ik zou wel willen, als ik maar kon. Als gemeene, ruwe kerels, naar hunnen aard willen handelen, wat zal ik er dan aan doen. Zij hebben onbeperkte magt; zij zijn onverantwoordelijke despoten. Het zou niet baten zich met hen te willen bemoeijen; er is geene wet, die in zulk een geval van wezenlijke hulp is. Het beste, dat wij kunnen doen, is oogen en ooren sluiten, en het maar zoo te laten. Dat is het eenige wat ons overschiet.”En verder zegt St. Clare in hetzelfde gesprek.„Uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn, uit vrouwen geboren en geene wilde dieren, willen velen van ons niet, durven velen van ons niet—achten wij ons te goed, om de volle magt te gebruiken, die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij, die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate de magt, die de wet hem geeft.”Mevrouw Stowe zegt ons door den mond van St. Clare; dat er geen wet is die in zulke gevallen voorziet, en dat hij,die hetverste gaat en het ergste doet—dat is hem een oog of een ligchaamsdeel of zelfs het leven ontneemt,—nog maar de magt gebruikt die de wet hem geeft. Dit is eene schrikkelijke, eene vreeselijke beschuldiging, die ligtvaardig en zonder bewijzen daar neer geworpen, op hem, die ze uitspreekt, eene groote verantwoordelijkheid doet rusten. Gaan wij na hoe het Wetboek van Louisiana over dit punt spreekt. Wanneer de lezer het Burgerlijke Wetboek van dien Staat inziet, zal hij in het derde hoofdstuk, art. 173, deze algemeene verklaring vinden:„De slaaf is geheel ondergeschikt aan den wil van zijn meester, die hem mag kastijden en straffen,maar niet met overdreven gestrengheid, of zoodanig, dat verlamming of verminking er het gevolg van kan zijn, of zijn leven in gevaar wordt gesteld of zijn dood veroorzaakt.”Op eene volgende bladzijde van hetzelfde deel en hoofdstuk, onder art. 192, vinden wij een maatregel tot bescherming van den slaaf tegen mishandelingen van zijn meester, in de bepaling welke een van de twee gevallen aangeeft, waarin een eigenaar gedwongen kan worden zijn slaaf te verkoopen. Daar staat:„Wanneer de bewijzen aanwezig zijn, dat de eigenaar zijne slaven heeft mishandeld en de regter het oorbaar keurt, behalve het opleggen der voor die gevallen vastgestelde straf, ook het in het openbaar verkoopen van den slaaf te bevelenten einde dezen buiten het bereik te stellen der magt, waarvan de eigenaar misbruik heeft gemaakt.”Eene wet, welke op die wijze waakt voor de veiligheid van lijf en leven des negers beperkt zich niet tot loutere voorschriften, maar spreekt ook straffen uit voor het geval, dat daarop inbreuk wordt gemaakt. In denCode Noirvan Louisiana, wordt, onder het hoofdstuk misdaden en misdrijven, no. 55, § XVI gezegd:„Indien iemand, wie ook, willens en wetens zijn slaaf of den slaaf van een ander doodt, zal hij, wanneer zijne daad bewezen is, overeenkomstig de wet worden behandeld en gestraft.„En omdat een neger niet als getuige voor de Regtbank kan optreden, en het bewijs van zulke misdaden dus moeijelijk zou te leveren zijn, is verder bepaald, dat:„Indien een slaaf verminkt, geslagen of mishandeld is, instrijd met de bedoeling van deze wet, zonder dat daarbij eenige getuige aanwezig is, zal in dat geval de eigenaar, of ieder ander persoon, die over den aldus verminkten slaaf gesteld was, verantwoordelijk voor en schuldig aan die daad verklaard worden en zonder verder bewijs worden veroordeeld, tenzij gezegde eigenaar of persoon voornoemd, het tegendeel kan aantoonen door middel van een goed en deugdelijk bewijs, of zich zelven van de beschuldiging kan zuiveren door eenen eed, welken eed elke Regtbank, die met het onderzoek en de behandeling van zulk eene misdaad belast is, door deze wet gemagtigd wordt af te nemen.”Dit zij genoeg om de valschheid der stelling te bewijzen, die de schrijfster St. Clare in den mond legt, dat wreede meesters onverantwoordelijke dwingelanden zijn; althans in Louisiana. Het zou ons overzigt te uitgebreid maken, indien wij ons ten taak stelden al de wetten mede te deelen, die in elk der Zuidelijke Staten met betrekking tot het dooden van slaven bestaan. Die misdaad is zeldzaam en het is dan ook slechts bij uitzondering dat men in de dagbladen daarvan vindt melding gemaakt. Wij kunnen echter van twee gevallen spreken. In de zaak van Fields tegen den StaatTennesseewas de appellant door de regtbank van Maury beschuldigd van moord op een negerslaaf; ofschoon hij de misdaad ontkend had, was hij schuldig verklaard aan het opzettelijk en misdadig dooden van den slaaf. Van dit vonnis was hij in appel gekomen, maar het appel werd verworpen en het Hof bekrachtigde het vonnis in eersten aanleg gewezen. De uitspraak van het Hof, bij monde van den regter Peek, getuigt voor den verlichten geest en het menschelijk gevoel des regters. De conclusie luidt aldus:„Zeer juist heeft een der regters in Noord-Carolina gezegd, dat de eigenaar het regt heeft om door zijn slaaf meer arbeid te doen verrigten, en de slaaf geen regt heeft zich daartegen te verzetten; maar dit geeft den meester geen regt over het leven van den slaaf. Bij de uitspraak van dien regter voeg ik nog dit, dat de wet, die zegt: „gij zult niet doodslaan”, ook den slaaf beschermt en hij door de letter zelve gedekt wordt. De wet, de rede, de Christelijke leer, en de menschelijkheid stemmen hierin allen overeen.”Door het Hoog Geregtshof van Virginia werd in 1851, in de zaak van Souther tegen den Staat, uitgewezen, dat hetdooden van een slaaf, door opzettelijk en wreedaardig geeselen, manslag is,al mogt het oogmerk van den eigenaar ook niet geweest zijn den slaaf te dooden.”De schrijfster legt dus volstrekte onkunde met de wet en de contracten in het Zuiden, die over slaven handelen, aan den dag, wanneer zij George door zijnen meester uit de fabriek doet nemen, zonder de toestemming van den eigenaar. George is, krachtens het contract waarbij hij is verhuurd, het eigendom geworden van den eigenaar voor den bij het contract bepaalden tijd, en zijn meester kan hem evenmin met geweld terugnemen als de eigenaar van een huis in Massachusetts den huurder daaruit kan doen zetten uit louter willekeur of grilligheid. Er is geene regtbank in Kentucky, die de regten van den huurder niet in dit opzigt zou handhaven.Nog lezen wij:„Neen. Mijn vader kocht haar eens, toen hij te Nieuw-Orleans was, en bragt haar mede als een presentje voor mijne moeder. Zij was toen omtrent acht of negen jaar oud. Vader wilde moeder nooit zeggen, wat hij voor haar gaf; maar toen ik later zijne oude papieren nazag, vond ik den koopbrief. Hij had inderdaad eene buitensporige som voor haar betaald, waarschijnlijk om hare ongemeene schoonheid.”„George zat met zijn rug naar Cassy en lette niet op de vurige belangstelling, die haar gelaat uitdrukte, toen hij deze bijzonderheden vermeldde.„Nu stiet zij hem aan den arm en zeide, bleek van aandoening en angstige spanning: „Weet gij ook van wien hij haar kocht?”„Een man die Simmons heette was, geloof ik, de principaal bij den verkoop, ten minste dat was, als ik mij wel bedenk, de naam die onder den koopbrief stond.”„O, mijn God!” zeide Cassy, en zonk bewusteloos op den grond.”Kortom, Eliza blijkt Cassy’s kind te zijn, en wij worden dan ook spoedig getuigen van de ontmoeting der bloedverwanten te Montreal, waar George Harris, vijf of zes jaar na het tijdstip, waarop de roman aanvangt, in ruime omstandigheden leeft.Nu zal het misschien den lezer verwonderen, wanneer hijverneemt, dat het verkoopen van Cassy zonder Eliza, waarop dit verhaal geheel berust, eene gebeurtenis is, die nimmer in Louisiana kon plaats hebben, en dat de verkoop-acte van Eliza de waarde zelfs niet had van het papier, waarop zij geschreven was. En wel om de volgende reden. George Shelby verhaalt, dat Eliza acht of negen jaar oud was, toen zijn vader haar te New-Orleans kocht. Slaan wij nu nogmaals een blik in het wetboek van Louisiana.In denCode Noirvinden wij:„Aan een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders,kinderente verkoopen,die niet den vollen leeftijd van tien jaar bereikt hebben.”En deze menschlievende bepaling wordt nog versterkt door eene wet, waarvan een der bepalingen aldus luidt:„Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meerslavenkinderen onder den leeftijd van tien jaarverkoopen,zonder gezegd kind of kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moeder verkoopen, zal op die persoon of personen de straf van toepassing zijn in de zesde afdeeling van deze wet omschreven.Deze straf bestaat in eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene tuchthuisstraf van zes tot twaalf maanden. Zie Wetten van Louisiana, Iste zitting, 1828, 1829, no. 24, afdeeling XVI.”De schrijfster moet hier eene opmerking invoegen. In alle deelen der Zuidelijken Staten treft men slavenhouders aan, die het alleen in naam zijn. Zij zijn niet met het stelsel ingenomen; zij beschouwen het als ten eenemale verkeerd, en toch houden zij er zich aan, alleen omdat zij nog niet weten op welke wijze zij het best dat stelsel veranderen en den toestand verbeteren kunnen van de slaven, die in hun bezit zijn. De zoodanigen zijn de ijverigste kampvechters voor de vrijmaking der slaven, en de vrienden van al wat, met zuivere bedoelingen geschreven, daartoe strekt. Van deze ontvangt de schrijfster steeds gaarne beoordeelingen van haar arbeid.Zij heeft getracht op de meest volledige wijze alles openbaar te maken wat tegen haar werk kan worden aangevoerd, opdat beide partijen de gelegenheid mogten hebben om door onpartijdigen te worden gehoord.Toen de schrijfster aan haarNegerhutarbeidde, onbewust van het gewigt dat aan hare mededeelingen en denkbeelden zou worden gehecht, trachtte zij, uit liefde voor de waarheid, zich eenige kennis te verwerven van de wetten, betreffende de slavernij. Zij had tot hare dienst denCode Noirvan Louisiana en een overzigt over de slavenwetten in de verschillende Staten, door den regter Stroud van Philadelphia. Dit werk, dat met groote zorg is zamengesteld naar de laatste uitgaven der wetboeken van de verschillende Staten, achtte de schrijfster een voldoende gids bij het schrijven van een roman.Daar evenwel de juistheid van verscheidene mededeelingen, de slavenwetten betreffende, betwist is, heeft de schrijfster zich in een grondiger onderzoek begeven. Onder leiding en bijstand van eenige hooggeplaatste regterlijke ambtenaren, heeft zij de opgaven van Stroud nagegaan met het oog op de bestaande wetten en in verband beschouwd met de regterlijke uitspraken daarop gegrond. De uitslag daarvan is geweest, dat zij nog versterkt is geworden in hare overtuiging, dat de feiten, aan het werk van Stroud ontleend, juist waren, en zij kan slechts de woorden van St. Clare herhalen, als de meest volmaakte uitdrukking van de gevoelens en zienswijze, welke die studie bij haar heeft opgewekt.„Die vervloekte zaak, vervloekt door God en menschen, wat is zij? Ontruk haar alle optooisel, zoek naar haren kern en haren wortel, en wat is zij dan? Wel, omdat mijn broeder Quashy onkundig en zwak is, en ik schrander en sterk ben—omdat ik weet hoe ik dat kan doen en de magt heb—daarom mag ik alles stelen wat hij heeft, het behouden, en hem alleen zooveel geven als mij belieft. Al wat te zwaar, te vuil en te onaangenaam voor mij is, mag ik Quashy laten doen. Omdat ik niet gaarne werk, zal Quashy werken. Omdat de zon mij zengt, zal Quashy in de zon staan. Quashy zal het geld verdienen, en ik zal het verteren. Quashy zal zich in een modderplas leggen, opdat ik er droogvoets kan overstappen. Quashy zal mijn wil doen en niet den zijnen, al de dagen van zijn leven op de aarde, en eindelijk alleen zooveel kans op den hemel hebben, als mij gelegen komt. Dit houd ik ten naastenbij voor hetgeen de slavernijis. Ik tart iedereen uit, om ons slavenwetboek te lezen, gelijk het in onze wetten staat,en er iets anders van te maken. Men praat vanmisbruikender slavernij! Draaijerij! De zaak zelve is een gruwelijk misbruik. En de eenige reden, waarom het land er niet onder verzinkt, gelijk Sodom en Gomorra, is omdat zij oneindig beter wordtgebruiktdan zij is, uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn, uit vrouwen geboren, en geene wilde dieren, willen velen van ons niet, durven velen van ons niet—achten wij ons te goed, om de volle magt te gebruiken, die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij, die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate de magt, die de wet hem geeft.”Nog blijft schrijfster dezes bij hare meening, dat de slavernij zelve als in de wetboeken aangenomen en gehandhaafd door de uitspraak der regtbanken, reedsmisbruik en de aanleiding tot misbruikis; en nog koestert zij de hoop, dat ervelenzijn in het Zuiden, dieoneindigbeter zijn, dan de wetten, waaronder zij leven; en wanneer de lezers al de uittreksels gelezen hebben, welke zij voornemens is te maken, zullen zij ter wille der gansche menschheid hetzelfde hopen. De schrijfster moet hier, ten aanzien van eenige aanhalingen, de verklaring afleggen, dat sommige regtsgedingen haar zoo ongeloofelijk voorkwamen, dat zij ze niet heeft willen aannemen op het gezag van de eene of andere verzameling, maar met eigen hand ze heeft overgeschreven uit de laatste uitgave van het wetboek, waarin zij te vinden waren en nog te vinden zijn.
Hoofdstuk I.De drukpers.DeNew-York Courier and Enquirervan den 5denNovember bevatte een artikel, dat voor de schrijfster van zeer veel belang was, omdat het kort, klaar en duidelijk de voornaamste tegenwerpingen opsomde, die tegende Negerhutkonden ingebragt worden. Wij willen dat artikel hier in zijn geheel inlasschen, omdat het den grondslag uitmaakt der opmerkingen in de volgende bladzijden vervat.De schrijfster derNegerhut, wordt in dat artikel gezegd, heeft tegen duizenden en millioenen harer medemenschen valsche getuigenis afgelegd.„Zij heeft dit gedaan door hun, als slavenhouders, in het oog der wereld, de schuld te geven van de misbruiken eener instelling, waaraan zij ten eenemale onschuldig zijn. Haar werk is zoodanig ingerigt, dat het slechts drie schaduwzijden der slavernij bloot geeft: vooreerst, dewreede behandelingder slaven; ten tweede, descheiding van huisgezinnen; en ten derde, hetgemis aan godsdienstig onderwijsvoor slaven.Om het eerste aan te toonen, laat zij eene belooning uitloven voor het terugbrengen „dood of levend” van een weggeloopen slaaf, hoewel men nog nooit van eene belooning met zulk een alternatief gehoord heeft of heeft kunnen hooren ten zuiden der lijn van Mason en Dixon, en het herhaaldelijk door de Zuidelijke geregtshoven is uitgemaakt, „dat een slaaf, die slechts weggeloopen is, niet mag gedood worden.” Zij legt woorden als deze in den mond van een harer personen: „De eigenaar, die het ergste doet, handelt nog slechts binnen de perken der magt, die de wet hem toekent;” terwijl integendeel het Burgerlijk Wetboek van den Staat waarin de schrijfster zulk een bewering doet uiten—Louisiana—bepaalt, dat:„De slaaf geheel ondergeschikt is aan den wil van zijn meester, die hem mag kastijden en straffen,maar niet met overdreven gestrengheid, of zoodanig dat verlamming of verminking er het gevolg van kan zijn, of zijn leven in gevaar wordt gesteld of zijn dood veroorzaakt.”Terwijl dat wetboek eene geregtelijke verkooping vaststelt: „Wanneer de bewijzen aanwezig zijn, dat de eigenaar zijne slaven heeft mishandeld en de regter het oorbaar keurt, behalve het opleggen der voor dat geval vastgestelde straf, ook het in het openbaar verkoopen van den slaaf te bevelen,ten einde dezen buiten het bereik te stellen der magt, waarvan de eigenaar misbruik heeft gemaakt.”„Indien iemand, wie ook, willens en wetens zijn slaaf of den slaaf van een ander doodt, zal hij, wanneer zijne daad bewezen is, overeenkomstig de wetten worden behandeld en gestraft.”In het vorige jaar werd door het Hoog Geregtshof in Virginia aangenomen, in het regtsgeding van Souther tegen den Staat, dat het dooden van een slaaf door zijn meester en eigenaar, ten gevolge van zweepslagen op diens last en met overdreven gestrengheid gegeven, moord is,al mogt ook het oogmerk van den meester en eigenaar niet geweest zijn den slaaf te dooden! En het is nog geen zes maanden geleden, dat de Gouverneur van Virginia, Johnston, een slaaf vrijsprak, die zijn meester, welke hem wreed had mishandeld, had gedood.En toch, ondanks zulke wetten en uitspraken, doet Mevrouw Stowe eene lange reeks van mishandelingen jegens de zwarten veronderstellen, door haar voorbeeldeloozen held Tom in Louisiana letterlijk te laten dood geeselen door zijn meester Legree; en deze feiten, die de wet als misdadig erkent en als zoodanig straft, beschrijft zij gedurig met de meestafschrikwekkendekleuren, om de instelling der slavernij te doen kennen!Evenzoo handelt zij ten opzigte van het wegnemen van kinderen van hunne ouders. Een groot deel der intrigue berust op het verkoopen, in Louisiana, van een kind van Eliza „acht of negen jaar oud” zonder zijne moeder. Had de schrijfster het wetboek van Louisiana opgeslagen, zij zou daar het volgende hebben gevonden:„Een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders te verkoopenkinderen, die den vollen ouderdom van tien jaren nog niet hebben bereikt.”„Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meer slavenkinderen,onder den leeftijd van tien jaarverkoopen,zonder gezegd kind of gezegde kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moederverkoopen, zullen die persoon of personen veroordeeld worden tot eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene gevangenisstraf voor een tijd van zes tot twaalf maanden.”Het gemis aan godsdienstig onderwijs, zoo als Mevrouw Stowe het voorstelt, is inderdaad ten eenemale ongegrond. De talrijkste kerkelijke gemeenten in de Vereenigde Staten bestaan geheel uit slaven. De eerste Afrikaansche kerken te Louisville en te Augusta, die vijftien honderd en dertien honderd leden tellen, kunnen daarvan ten bewijze strekken. Onder de groote gemeenten op de uitgestrektste plantages in de verschillende Staten van het Zuiden, worden de voorschriften van het Evangelie even goed in stand gehouden door erkende geestelijken als in andere gemeenten in het Noorden of Zuiden. Overal is de verhouding tusschen hen die ledematen en die geene ledematen zijn voor de slaven veel gunstiger dan voor de blanken. Iedere godsdienstige bijeenkomst in het Zuiden, in de steden en op het land, bestaat in den regel voor het meerendeel uit zwarten; terwijl in de kerken in het Noorden onder de vijftig personen naauwelijks één kleurling gevonden wordt.Het gansche werk is met de waarheid in strijd, omdat de schrijfster juist die gevallen, die òf hoogst zeldzaam voorkomen òf onmogelijk kunnen plaats hebben, ter kenschetsing van het stelsel bezigt. Op dezelfde wijze, waarop zij te werk is gegaan, zou het niet moeijelijk zijn een geducht argument zamen te stellen tegen de betrekking tusschen echtgenooten onderling, of tusschen ouders en hunne kinderen, of voogden en pupillen; want duizende vrouwen en kinderen en pupillen zijn mishandeld ja zelfs vermoord geworden. Het is slecht, onverschoonbaar slecht, om aan eenige maatschappelijke betrekking die buitensporigheden ten laste te leggen, dieslechts het gevolg zijn van de diepste verdorvenheid der menschelijke natuur. De geheele roman draagt van het begin tot het eind de kenmerken van eene belagchelijk overdreven zucht om alles te generaliseren. De Oom Tom der schrijfster is een volmaakte engel en hare zwarten zijn over het algemeen halve engelen; haar Simon Legree is een volmaakte duivel, en hare blanken zijn over het algemeen halve duivels. Zij heeft ook een zekeren wrevel tegen de geestelijkheid; en onder de velen, die zij op verschillende plaatsen op het tapijt brengt, zijn allen, op één onbeduidend persoon na, farizeën of huichelaars. Iemand, die de Vereenigde Staten en zijne bewoners niet anders kende dan uit hetgeen hij uitde Negerhutmogt bijeenzamelen, zou het voor de eene of andere streek op de grenzen van het Rijk der Duisternis moeten houden. Wij zeggen niet, dat Mevrouw Stowe door kwade drijfveren tot het schrijven van haar werk werd aangespoord, maar wij houden het er voor, dat zij een kwaad heeft gedaan, dat geene onkunde kan verontschuldigen en geen berouw kan goed maken.Van een zeer geacht correspondent teRichmond, Virginia, ontving de schrijfster het volgende:Ik wil dezen morgen u eenige weinige opmerkingen mededeelen, die bij mij zijn ontstaan met betrekking tot volgende uitgaven van uw werk„de Negerhut,” dat, naar ik hoop, al den invloed zal uitoefenen, waartoe het, dank zij uw talent, in staat is, niet enkelbuitenmaar ookinden kring der slavernij zelven, waaruit het tot nog toe wordt geweerd. Het beantwoordt wel door zijne schoonheden aan de vereischten der kunst, en doet het menschelijk gevoel eer aan, maar het zou, met opzigt tot de naauwkeurigheid der feiten, die er in worden aangetroffen, kunnen verbeterd worden, zonder dat het werk daardoor zou lijden. Zoo doet gij, bij voorbeeld, het grootste onregt aan de stellige wetten der Zuidelijke Staten, wanneer gij meer vertrouwt dan noodig is dat het menschelijk gevoel van het publiek of van bijzondere personen het kwaad zal verzachten, dat de wet veroorlooft.Ik sluit hierin het volgende uittreksel uit een onzer zuidelijke dagbladen:„Dat zal ik wel beschikken. Zij zijn nog jong in het vak,en zullen wel begrijpen, dat zij goedkoop moeten werken,” antwoordde Marks, terwijl hij stil voortlas. „Drie ervan zijn gemakkelijke karreweijen, want al wat zij te doen hebben is ze dood te schieten, of te zweren dat zij doodgeschoten zijn; en daar kunnen zij natuurlijk niet veel voor rekenen.”De lezer ziet dat in dit kostelijk gesprek twee aantijgingen tegen het Zuiden liggen opgesloten;—vooreerst, de gewoonte der slavenhouders in het zuiden om voor het terugbrengen van gevlugte slaven, „dood of levend” eene belooning uit te loven; en ten andere, dat de vervolgers in den regel hen doodschieten. En daar dit dan ook de gemakkelijkste wijze is om de belooning te verwerven, zouden wij ook wel geneigd zijn te gelooven, dat het doodschieten in die gevallen de meest gebruikelijke is. Maar wanneer een slavenhouder in het zuiden eene premie uitlooft voor zijn weggeloopen slaaf, doet hij dit, omdat hij een zeker gedeelte van zijne bezitting, vertegenwoordigd door den neger, dien hij wenscht terug te bekomen, verloren heeft. Welke man uit Vermont, wiens os of ezel is weggeloopen, zou terstond de halve waarde van het dier uitloven, niet voor het doode ligchaam, dat nog tot eenig nuttig doel zou zijn aan te wenden, maar tot voldoening zijner wraakzucht? En toch staan die twee gevallen volkomen gelijk. Wat aangaat de bewering, dat het in het Zuiden geoorloofd is met geweren met twee loopen uit te gaan, om op gevlugte negers te schieten, liever dan hen te vangen, wij kunnen alleen zeggen, dat dit even slecht en baldadig als belagchelijk zou zijn. Er kunnen deugnieten geweest zijn als Marks en Loker, die op zulk eene baldadige wijze negers hebben gedood; maar zoo zij aan de galg zijn ontkomen, zal men hen waarschijnlijk moeten zoeken in onze tuchthuizen, waar op staatskosten behoorlijk voor hen gezorgd wordt. De wetten der Staten van het Zuiden, die, even als bij alle wel geordende Staten, de bescherming van personen en eigendommen ten doel hebben, zijn niet zoo onoordeelkundig ontworpen, dat zij haar doel missen daar waar persoon en eigendom één zijn.„De wet betreffende het dooden van weggeloopen slaven is met zooveel helderheid en juistheid uitgelegd door een regter in Zuid-Carolina, dat wij niet kunnen nalaten zijne uitspraak, die hier juist ter snede komt, mede te deelen. In de zaak van Witsell tegen Earnest en Parker, drukte deregter Colcock volgenderwijze het oordeel van het Hof uit:„Volgens de wet van 1740 mag de blanke zijn slaaf kastijden of in ligten graad straffen, wanneer hij wordt aangetroffen buiten de plantage, waarop hij werkzaam is; en indien de slaaf den blanke aanvalt, mag hij hem dooden; maar een slaaf, die slechts gevlugt is, mag niet gedood worden. Wanneer wij den neger als persoon beschouwen, hebben de beschuldigden ook de gewone wet tegen zich; want zij worden door die wet niet gemagtigd hem als een misdadiger te behandelen, en zonder die magt mogen zij hem het leven niet ontnemen.”Verder leest men in den Roman:„Men denkt gewoonlijk dat het eigenbelang in zulke gevallen een voldoende waarborg is. Wanneer iemand verkiest zijne eigene bezittingen te vernielen, weet ik niet wat er aan te doen is. Het schijnt dat die arme vrouw eene diefegge en aan den drank was, en dus kan men niet hopen, dat men iemand zal kunnen bewegen om zich aan haar te laten gelegen liggen.”„Het is ontzettend—het is afschuwelijk, Augustine! Het zal zeker eens oordeel over u brengen.”„Lieve Nicht, ik heb het niet gedaan en ik kan het niet verhelpen; ik zou wel willen, als ik maar kon. Als gemeene, ruwe kerels, naar hunnen aard willen handelen, wat zal ik er dan aan doen. Zij hebben onbeperkte magt; zij zijn onverantwoordelijke despoten. Het zou niet baten zich met hen te willen bemoeijen; er is geene wet, die in zulk een geval van wezenlijke hulp is. Het beste, dat wij kunnen doen, is oogen en ooren sluiten, en het maar zoo te laten. Dat is het eenige wat ons overschiet.”En verder zegt St. Clare in hetzelfde gesprek.„Uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn, uit vrouwen geboren en geene wilde dieren, willen velen van ons niet, durven velen van ons niet—achten wij ons te goed, om de volle magt te gebruiken, die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij, die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate de magt, die de wet hem geeft.”Mevrouw Stowe zegt ons door den mond van St. Clare; dat er geen wet is die in zulke gevallen voorziet, en dat hij,die hetverste gaat en het ergste doet—dat is hem een oog of een ligchaamsdeel of zelfs het leven ontneemt,—nog maar de magt gebruikt die de wet hem geeft. Dit is eene schrikkelijke, eene vreeselijke beschuldiging, die ligtvaardig en zonder bewijzen daar neer geworpen, op hem, die ze uitspreekt, eene groote verantwoordelijkheid doet rusten. Gaan wij na hoe het Wetboek van Louisiana over dit punt spreekt. Wanneer de lezer het Burgerlijke Wetboek van dien Staat inziet, zal hij in het derde hoofdstuk, art. 173, deze algemeene verklaring vinden:„De slaaf is geheel ondergeschikt aan den wil van zijn meester, die hem mag kastijden en straffen,maar niet met overdreven gestrengheid, of zoodanig, dat verlamming of verminking er het gevolg van kan zijn, of zijn leven in gevaar wordt gesteld of zijn dood veroorzaakt.”Op eene volgende bladzijde van hetzelfde deel en hoofdstuk, onder art. 192, vinden wij een maatregel tot bescherming van den slaaf tegen mishandelingen van zijn meester, in de bepaling welke een van de twee gevallen aangeeft, waarin een eigenaar gedwongen kan worden zijn slaaf te verkoopen. Daar staat:„Wanneer de bewijzen aanwezig zijn, dat de eigenaar zijne slaven heeft mishandeld en de regter het oorbaar keurt, behalve het opleggen der voor die gevallen vastgestelde straf, ook het in het openbaar verkoopen van den slaaf te bevelenten einde dezen buiten het bereik te stellen der magt, waarvan de eigenaar misbruik heeft gemaakt.”Eene wet, welke op die wijze waakt voor de veiligheid van lijf en leven des negers beperkt zich niet tot loutere voorschriften, maar spreekt ook straffen uit voor het geval, dat daarop inbreuk wordt gemaakt. In denCode Noirvan Louisiana, wordt, onder het hoofdstuk misdaden en misdrijven, no. 55, § XVI gezegd:„Indien iemand, wie ook, willens en wetens zijn slaaf of den slaaf van een ander doodt, zal hij, wanneer zijne daad bewezen is, overeenkomstig de wet worden behandeld en gestraft.„En omdat een neger niet als getuige voor de Regtbank kan optreden, en het bewijs van zulke misdaden dus moeijelijk zou te leveren zijn, is verder bepaald, dat:„Indien een slaaf verminkt, geslagen of mishandeld is, instrijd met de bedoeling van deze wet, zonder dat daarbij eenige getuige aanwezig is, zal in dat geval de eigenaar, of ieder ander persoon, die over den aldus verminkten slaaf gesteld was, verantwoordelijk voor en schuldig aan die daad verklaard worden en zonder verder bewijs worden veroordeeld, tenzij gezegde eigenaar of persoon voornoemd, het tegendeel kan aantoonen door middel van een goed en deugdelijk bewijs, of zich zelven van de beschuldiging kan zuiveren door eenen eed, welken eed elke Regtbank, die met het onderzoek en de behandeling van zulk eene misdaad belast is, door deze wet gemagtigd wordt af te nemen.”Dit zij genoeg om de valschheid der stelling te bewijzen, die de schrijfster St. Clare in den mond legt, dat wreede meesters onverantwoordelijke dwingelanden zijn; althans in Louisiana. Het zou ons overzigt te uitgebreid maken, indien wij ons ten taak stelden al de wetten mede te deelen, die in elk der Zuidelijke Staten met betrekking tot het dooden van slaven bestaan. Die misdaad is zeldzaam en het is dan ook slechts bij uitzondering dat men in de dagbladen daarvan vindt melding gemaakt. Wij kunnen echter van twee gevallen spreken. In de zaak van Fields tegen den StaatTennesseewas de appellant door de regtbank van Maury beschuldigd van moord op een negerslaaf; ofschoon hij de misdaad ontkend had, was hij schuldig verklaard aan het opzettelijk en misdadig dooden van den slaaf. Van dit vonnis was hij in appel gekomen, maar het appel werd verworpen en het Hof bekrachtigde het vonnis in eersten aanleg gewezen. De uitspraak van het Hof, bij monde van den regter Peek, getuigt voor den verlichten geest en het menschelijk gevoel des regters. De conclusie luidt aldus:„Zeer juist heeft een der regters in Noord-Carolina gezegd, dat de eigenaar het regt heeft om door zijn slaaf meer arbeid te doen verrigten, en de slaaf geen regt heeft zich daartegen te verzetten; maar dit geeft den meester geen regt over het leven van den slaaf. Bij de uitspraak van dien regter voeg ik nog dit, dat de wet, die zegt: „gij zult niet doodslaan”, ook den slaaf beschermt en hij door de letter zelve gedekt wordt. De wet, de rede, de Christelijke leer, en de menschelijkheid stemmen hierin allen overeen.”Door het Hoog Geregtshof van Virginia werd in 1851, in de zaak van Souther tegen den Staat, uitgewezen, dat hetdooden van een slaaf, door opzettelijk en wreedaardig geeselen, manslag is,al mogt het oogmerk van den eigenaar ook niet geweest zijn den slaaf te dooden.”De schrijfster legt dus volstrekte onkunde met de wet en de contracten in het Zuiden, die over slaven handelen, aan den dag, wanneer zij George door zijnen meester uit de fabriek doet nemen, zonder de toestemming van den eigenaar. George is, krachtens het contract waarbij hij is verhuurd, het eigendom geworden van den eigenaar voor den bij het contract bepaalden tijd, en zijn meester kan hem evenmin met geweld terugnemen als de eigenaar van een huis in Massachusetts den huurder daaruit kan doen zetten uit louter willekeur of grilligheid. Er is geene regtbank in Kentucky, die de regten van den huurder niet in dit opzigt zou handhaven.Nog lezen wij:„Neen. Mijn vader kocht haar eens, toen hij te Nieuw-Orleans was, en bragt haar mede als een presentje voor mijne moeder. Zij was toen omtrent acht of negen jaar oud. Vader wilde moeder nooit zeggen, wat hij voor haar gaf; maar toen ik later zijne oude papieren nazag, vond ik den koopbrief. Hij had inderdaad eene buitensporige som voor haar betaald, waarschijnlijk om hare ongemeene schoonheid.”„George zat met zijn rug naar Cassy en lette niet op de vurige belangstelling, die haar gelaat uitdrukte, toen hij deze bijzonderheden vermeldde.„Nu stiet zij hem aan den arm en zeide, bleek van aandoening en angstige spanning: „Weet gij ook van wien hij haar kocht?”„Een man die Simmons heette was, geloof ik, de principaal bij den verkoop, ten minste dat was, als ik mij wel bedenk, de naam die onder den koopbrief stond.”„O, mijn God!” zeide Cassy, en zonk bewusteloos op den grond.”Kortom, Eliza blijkt Cassy’s kind te zijn, en wij worden dan ook spoedig getuigen van de ontmoeting der bloedverwanten te Montreal, waar George Harris, vijf of zes jaar na het tijdstip, waarop de roman aanvangt, in ruime omstandigheden leeft.Nu zal het misschien den lezer verwonderen, wanneer hijverneemt, dat het verkoopen van Cassy zonder Eliza, waarop dit verhaal geheel berust, eene gebeurtenis is, die nimmer in Louisiana kon plaats hebben, en dat de verkoop-acte van Eliza de waarde zelfs niet had van het papier, waarop zij geschreven was. En wel om de volgende reden. George Shelby verhaalt, dat Eliza acht of negen jaar oud was, toen zijn vader haar te New-Orleans kocht. Slaan wij nu nogmaals een blik in het wetboek van Louisiana.In denCode Noirvinden wij:„Aan een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders,kinderente verkoopen,die niet den vollen leeftijd van tien jaar bereikt hebben.”En deze menschlievende bepaling wordt nog versterkt door eene wet, waarvan een der bepalingen aldus luidt:„Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meerslavenkinderen onder den leeftijd van tien jaarverkoopen,zonder gezegd kind of kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moeder verkoopen, zal op die persoon of personen de straf van toepassing zijn in de zesde afdeeling van deze wet omschreven.Deze straf bestaat in eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene tuchthuisstraf van zes tot twaalf maanden. Zie Wetten van Louisiana, Iste zitting, 1828, 1829, no. 24, afdeeling XVI.”De schrijfster moet hier eene opmerking invoegen. In alle deelen der Zuidelijken Staten treft men slavenhouders aan, die het alleen in naam zijn. Zij zijn niet met het stelsel ingenomen; zij beschouwen het als ten eenemale verkeerd, en toch houden zij er zich aan, alleen omdat zij nog niet weten op welke wijze zij het best dat stelsel veranderen en den toestand verbeteren kunnen van de slaven, die in hun bezit zijn. De zoodanigen zijn de ijverigste kampvechters voor de vrijmaking der slaven, en de vrienden van al wat, met zuivere bedoelingen geschreven, daartoe strekt. Van deze ontvangt de schrijfster steeds gaarne beoordeelingen van haar arbeid.Zij heeft getracht op de meest volledige wijze alles openbaar te maken wat tegen haar werk kan worden aangevoerd, opdat beide partijen de gelegenheid mogten hebben om door onpartijdigen te worden gehoord.Toen de schrijfster aan haarNegerhutarbeidde, onbewust van het gewigt dat aan hare mededeelingen en denkbeelden zou worden gehecht, trachtte zij, uit liefde voor de waarheid, zich eenige kennis te verwerven van de wetten, betreffende de slavernij. Zij had tot hare dienst denCode Noirvan Louisiana en een overzigt over de slavenwetten in de verschillende Staten, door den regter Stroud van Philadelphia. Dit werk, dat met groote zorg is zamengesteld naar de laatste uitgaven der wetboeken van de verschillende Staten, achtte de schrijfster een voldoende gids bij het schrijven van een roman.Daar evenwel de juistheid van verscheidene mededeelingen, de slavenwetten betreffende, betwist is, heeft de schrijfster zich in een grondiger onderzoek begeven. Onder leiding en bijstand van eenige hooggeplaatste regterlijke ambtenaren, heeft zij de opgaven van Stroud nagegaan met het oog op de bestaande wetten en in verband beschouwd met de regterlijke uitspraken daarop gegrond. De uitslag daarvan is geweest, dat zij nog versterkt is geworden in hare overtuiging, dat de feiten, aan het werk van Stroud ontleend, juist waren, en zij kan slechts de woorden van St. Clare herhalen, als de meest volmaakte uitdrukking van de gevoelens en zienswijze, welke die studie bij haar heeft opgewekt.„Die vervloekte zaak, vervloekt door God en menschen, wat is zij? Ontruk haar alle optooisel, zoek naar haren kern en haren wortel, en wat is zij dan? Wel, omdat mijn broeder Quashy onkundig en zwak is, en ik schrander en sterk ben—omdat ik weet hoe ik dat kan doen en de magt heb—daarom mag ik alles stelen wat hij heeft, het behouden, en hem alleen zooveel geven als mij belieft. Al wat te zwaar, te vuil en te onaangenaam voor mij is, mag ik Quashy laten doen. Omdat ik niet gaarne werk, zal Quashy werken. Omdat de zon mij zengt, zal Quashy in de zon staan. Quashy zal het geld verdienen, en ik zal het verteren. Quashy zal zich in een modderplas leggen, opdat ik er droogvoets kan overstappen. Quashy zal mijn wil doen en niet den zijnen, al de dagen van zijn leven op de aarde, en eindelijk alleen zooveel kans op den hemel hebben, als mij gelegen komt. Dit houd ik ten naastenbij voor hetgeen de slavernijis. Ik tart iedereen uit, om ons slavenwetboek te lezen, gelijk het in onze wetten staat,en er iets anders van te maken. Men praat vanmisbruikender slavernij! Draaijerij! De zaak zelve is een gruwelijk misbruik. En de eenige reden, waarom het land er niet onder verzinkt, gelijk Sodom en Gomorra, is omdat zij oneindig beter wordtgebruiktdan zij is, uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn, uit vrouwen geboren, en geene wilde dieren, willen velen van ons niet, durven velen van ons niet—achten wij ons te goed, om de volle magt te gebruiken, die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij, die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate de magt, die de wet hem geeft.”Nog blijft schrijfster dezes bij hare meening, dat de slavernij zelve als in de wetboeken aangenomen en gehandhaafd door de uitspraak der regtbanken, reedsmisbruik en de aanleiding tot misbruikis; en nog koestert zij de hoop, dat ervelenzijn in het Zuiden, dieoneindigbeter zijn, dan de wetten, waaronder zij leven; en wanneer de lezers al de uittreksels gelezen hebben, welke zij voornemens is te maken, zullen zij ter wille der gansche menschheid hetzelfde hopen. De schrijfster moet hier, ten aanzien van eenige aanhalingen, de verklaring afleggen, dat sommige regtsgedingen haar zoo ongeloofelijk voorkwamen, dat zij ze niet heeft willen aannemen op het gezag van de eene of andere verzameling, maar met eigen hand ze heeft overgeschreven uit de laatste uitgave van het wetboek, waarin zij te vinden waren en nog te vinden zijn.
Hoofdstuk I.De drukpers.DeNew-York Courier and Enquirervan den 5denNovember bevatte een artikel, dat voor de schrijfster van zeer veel belang was, omdat het kort, klaar en duidelijk de voornaamste tegenwerpingen opsomde, die tegende Negerhutkonden ingebragt worden. Wij willen dat artikel hier in zijn geheel inlasschen, omdat het den grondslag uitmaakt der opmerkingen in de volgende bladzijden vervat.De schrijfster derNegerhut, wordt in dat artikel gezegd, heeft tegen duizenden en millioenen harer medemenschen valsche getuigenis afgelegd.„Zij heeft dit gedaan door hun, als slavenhouders, in het oog der wereld, de schuld te geven van de misbruiken eener instelling, waaraan zij ten eenemale onschuldig zijn. Haar werk is zoodanig ingerigt, dat het slechts drie schaduwzijden der slavernij bloot geeft: vooreerst, dewreede behandelingder slaven; ten tweede, descheiding van huisgezinnen; en ten derde, hetgemis aan godsdienstig onderwijsvoor slaven.Om het eerste aan te toonen, laat zij eene belooning uitloven voor het terugbrengen „dood of levend” van een weggeloopen slaaf, hoewel men nog nooit van eene belooning met zulk een alternatief gehoord heeft of heeft kunnen hooren ten zuiden der lijn van Mason en Dixon, en het herhaaldelijk door de Zuidelijke geregtshoven is uitgemaakt, „dat een slaaf, die slechts weggeloopen is, niet mag gedood worden.” Zij legt woorden als deze in den mond van een harer personen: „De eigenaar, die het ergste doet, handelt nog slechts binnen de perken der magt, die de wet hem toekent;” terwijl integendeel het Burgerlijk Wetboek van den Staat waarin de schrijfster zulk een bewering doet uiten—Louisiana—bepaalt, dat:„De slaaf geheel ondergeschikt is aan den wil van zijn meester, die hem mag kastijden en straffen,maar niet met overdreven gestrengheid, of zoodanig dat verlamming of verminking er het gevolg van kan zijn, of zijn leven in gevaar wordt gesteld of zijn dood veroorzaakt.”Terwijl dat wetboek eene geregtelijke verkooping vaststelt: „Wanneer de bewijzen aanwezig zijn, dat de eigenaar zijne slaven heeft mishandeld en de regter het oorbaar keurt, behalve het opleggen der voor dat geval vastgestelde straf, ook het in het openbaar verkoopen van den slaaf te bevelen,ten einde dezen buiten het bereik te stellen der magt, waarvan de eigenaar misbruik heeft gemaakt.”„Indien iemand, wie ook, willens en wetens zijn slaaf of den slaaf van een ander doodt, zal hij, wanneer zijne daad bewezen is, overeenkomstig de wetten worden behandeld en gestraft.”In het vorige jaar werd door het Hoog Geregtshof in Virginia aangenomen, in het regtsgeding van Souther tegen den Staat, dat het dooden van een slaaf door zijn meester en eigenaar, ten gevolge van zweepslagen op diens last en met overdreven gestrengheid gegeven, moord is,al mogt ook het oogmerk van den meester en eigenaar niet geweest zijn den slaaf te dooden! En het is nog geen zes maanden geleden, dat de Gouverneur van Virginia, Johnston, een slaaf vrijsprak, die zijn meester, welke hem wreed had mishandeld, had gedood.En toch, ondanks zulke wetten en uitspraken, doet Mevrouw Stowe eene lange reeks van mishandelingen jegens de zwarten veronderstellen, door haar voorbeeldeloozen held Tom in Louisiana letterlijk te laten dood geeselen door zijn meester Legree; en deze feiten, die de wet als misdadig erkent en als zoodanig straft, beschrijft zij gedurig met de meestafschrikwekkendekleuren, om de instelling der slavernij te doen kennen!Evenzoo handelt zij ten opzigte van het wegnemen van kinderen van hunne ouders. Een groot deel der intrigue berust op het verkoopen, in Louisiana, van een kind van Eliza „acht of negen jaar oud” zonder zijne moeder. Had de schrijfster het wetboek van Louisiana opgeslagen, zij zou daar het volgende hebben gevonden:„Een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders te verkoopenkinderen, die den vollen ouderdom van tien jaren nog niet hebben bereikt.”„Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meer slavenkinderen,onder den leeftijd van tien jaarverkoopen,zonder gezegd kind of gezegde kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moederverkoopen, zullen die persoon of personen veroordeeld worden tot eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene gevangenisstraf voor een tijd van zes tot twaalf maanden.”Het gemis aan godsdienstig onderwijs, zoo als Mevrouw Stowe het voorstelt, is inderdaad ten eenemale ongegrond. De talrijkste kerkelijke gemeenten in de Vereenigde Staten bestaan geheel uit slaven. De eerste Afrikaansche kerken te Louisville en te Augusta, die vijftien honderd en dertien honderd leden tellen, kunnen daarvan ten bewijze strekken. Onder de groote gemeenten op de uitgestrektste plantages in de verschillende Staten van het Zuiden, worden de voorschriften van het Evangelie even goed in stand gehouden door erkende geestelijken als in andere gemeenten in het Noorden of Zuiden. Overal is de verhouding tusschen hen die ledematen en die geene ledematen zijn voor de slaven veel gunstiger dan voor de blanken. Iedere godsdienstige bijeenkomst in het Zuiden, in de steden en op het land, bestaat in den regel voor het meerendeel uit zwarten; terwijl in de kerken in het Noorden onder de vijftig personen naauwelijks één kleurling gevonden wordt.Het gansche werk is met de waarheid in strijd, omdat de schrijfster juist die gevallen, die òf hoogst zeldzaam voorkomen òf onmogelijk kunnen plaats hebben, ter kenschetsing van het stelsel bezigt. Op dezelfde wijze, waarop zij te werk is gegaan, zou het niet moeijelijk zijn een geducht argument zamen te stellen tegen de betrekking tusschen echtgenooten onderling, of tusschen ouders en hunne kinderen, of voogden en pupillen; want duizende vrouwen en kinderen en pupillen zijn mishandeld ja zelfs vermoord geworden. Het is slecht, onverschoonbaar slecht, om aan eenige maatschappelijke betrekking die buitensporigheden ten laste te leggen, dieslechts het gevolg zijn van de diepste verdorvenheid der menschelijke natuur. De geheele roman draagt van het begin tot het eind de kenmerken van eene belagchelijk overdreven zucht om alles te generaliseren. De Oom Tom der schrijfster is een volmaakte engel en hare zwarten zijn over het algemeen halve engelen; haar Simon Legree is een volmaakte duivel, en hare blanken zijn over het algemeen halve duivels. Zij heeft ook een zekeren wrevel tegen de geestelijkheid; en onder de velen, die zij op verschillende plaatsen op het tapijt brengt, zijn allen, op één onbeduidend persoon na, farizeën of huichelaars. Iemand, die de Vereenigde Staten en zijne bewoners niet anders kende dan uit hetgeen hij uitde Negerhutmogt bijeenzamelen, zou het voor de eene of andere streek op de grenzen van het Rijk der Duisternis moeten houden. Wij zeggen niet, dat Mevrouw Stowe door kwade drijfveren tot het schrijven van haar werk werd aangespoord, maar wij houden het er voor, dat zij een kwaad heeft gedaan, dat geene onkunde kan verontschuldigen en geen berouw kan goed maken.Van een zeer geacht correspondent teRichmond, Virginia, ontving de schrijfster het volgende:Ik wil dezen morgen u eenige weinige opmerkingen mededeelen, die bij mij zijn ontstaan met betrekking tot volgende uitgaven van uw werk„de Negerhut,” dat, naar ik hoop, al den invloed zal uitoefenen, waartoe het, dank zij uw talent, in staat is, niet enkelbuitenmaar ookinden kring der slavernij zelven, waaruit het tot nog toe wordt geweerd. Het beantwoordt wel door zijne schoonheden aan de vereischten der kunst, en doet het menschelijk gevoel eer aan, maar het zou, met opzigt tot de naauwkeurigheid der feiten, die er in worden aangetroffen, kunnen verbeterd worden, zonder dat het werk daardoor zou lijden. Zoo doet gij, bij voorbeeld, het grootste onregt aan de stellige wetten der Zuidelijke Staten, wanneer gij meer vertrouwt dan noodig is dat het menschelijk gevoel van het publiek of van bijzondere personen het kwaad zal verzachten, dat de wet veroorlooft.Ik sluit hierin het volgende uittreksel uit een onzer zuidelijke dagbladen:„Dat zal ik wel beschikken. Zij zijn nog jong in het vak,en zullen wel begrijpen, dat zij goedkoop moeten werken,” antwoordde Marks, terwijl hij stil voortlas. „Drie ervan zijn gemakkelijke karreweijen, want al wat zij te doen hebben is ze dood te schieten, of te zweren dat zij doodgeschoten zijn; en daar kunnen zij natuurlijk niet veel voor rekenen.”De lezer ziet dat in dit kostelijk gesprek twee aantijgingen tegen het Zuiden liggen opgesloten;—vooreerst, de gewoonte der slavenhouders in het zuiden om voor het terugbrengen van gevlugte slaven, „dood of levend” eene belooning uit te loven; en ten andere, dat de vervolgers in den regel hen doodschieten. En daar dit dan ook de gemakkelijkste wijze is om de belooning te verwerven, zouden wij ook wel geneigd zijn te gelooven, dat het doodschieten in die gevallen de meest gebruikelijke is. Maar wanneer een slavenhouder in het zuiden eene premie uitlooft voor zijn weggeloopen slaaf, doet hij dit, omdat hij een zeker gedeelte van zijne bezitting, vertegenwoordigd door den neger, dien hij wenscht terug te bekomen, verloren heeft. Welke man uit Vermont, wiens os of ezel is weggeloopen, zou terstond de halve waarde van het dier uitloven, niet voor het doode ligchaam, dat nog tot eenig nuttig doel zou zijn aan te wenden, maar tot voldoening zijner wraakzucht? En toch staan die twee gevallen volkomen gelijk. Wat aangaat de bewering, dat het in het Zuiden geoorloofd is met geweren met twee loopen uit te gaan, om op gevlugte negers te schieten, liever dan hen te vangen, wij kunnen alleen zeggen, dat dit even slecht en baldadig als belagchelijk zou zijn. Er kunnen deugnieten geweest zijn als Marks en Loker, die op zulk eene baldadige wijze negers hebben gedood; maar zoo zij aan de galg zijn ontkomen, zal men hen waarschijnlijk moeten zoeken in onze tuchthuizen, waar op staatskosten behoorlijk voor hen gezorgd wordt. De wetten der Staten van het Zuiden, die, even als bij alle wel geordende Staten, de bescherming van personen en eigendommen ten doel hebben, zijn niet zoo onoordeelkundig ontworpen, dat zij haar doel missen daar waar persoon en eigendom één zijn.„De wet betreffende het dooden van weggeloopen slaven is met zooveel helderheid en juistheid uitgelegd door een regter in Zuid-Carolina, dat wij niet kunnen nalaten zijne uitspraak, die hier juist ter snede komt, mede te deelen. In de zaak van Witsell tegen Earnest en Parker, drukte deregter Colcock volgenderwijze het oordeel van het Hof uit:„Volgens de wet van 1740 mag de blanke zijn slaaf kastijden of in ligten graad straffen, wanneer hij wordt aangetroffen buiten de plantage, waarop hij werkzaam is; en indien de slaaf den blanke aanvalt, mag hij hem dooden; maar een slaaf, die slechts gevlugt is, mag niet gedood worden. Wanneer wij den neger als persoon beschouwen, hebben de beschuldigden ook de gewone wet tegen zich; want zij worden door die wet niet gemagtigd hem als een misdadiger te behandelen, en zonder die magt mogen zij hem het leven niet ontnemen.”Verder leest men in den Roman:„Men denkt gewoonlijk dat het eigenbelang in zulke gevallen een voldoende waarborg is. Wanneer iemand verkiest zijne eigene bezittingen te vernielen, weet ik niet wat er aan te doen is. Het schijnt dat die arme vrouw eene diefegge en aan den drank was, en dus kan men niet hopen, dat men iemand zal kunnen bewegen om zich aan haar te laten gelegen liggen.”„Het is ontzettend—het is afschuwelijk, Augustine! Het zal zeker eens oordeel over u brengen.”„Lieve Nicht, ik heb het niet gedaan en ik kan het niet verhelpen; ik zou wel willen, als ik maar kon. Als gemeene, ruwe kerels, naar hunnen aard willen handelen, wat zal ik er dan aan doen. Zij hebben onbeperkte magt; zij zijn onverantwoordelijke despoten. Het zou niet baten zich met hen te willen bemoeijen; er is geene wet, die in zulk een geval van wezenlijke hulp is. Het beste, dat wij kunnen doen, is oogen en ooren sluiten, en het maar zoo te laten. Dat is het eenige wat ons overschiet.”En verder zegt St. Clare in hetzelfde gesprek.„Uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn, uit vrouwen geboren en geene wilde dieren, willen velen van ons niet, durven velen van ons niet—achten wij ons te goed, om de volle magt te gebruiken, die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij, die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate de magt, die de wet hem geeft.”Mevrouw Stowe zegt ons door den mond van St. Clare; dat er geen wet is die in zulke gevallen voorziet, en dat hij,die hetverste gaat en het ergste doet—dat is hem een oog of een ligchaamsdeel of zelfs het leven ontneemt,—nog maar de magt gebruikt die de wet hem geeft. Dit is eene schrikkelijke, eene vreeselijke beschuldiging, die ligtvaardig en zonder bewijzen daar neer geworpen, op hem, die ze uitspreekt, eene groote verantwoordelijkheid doet rusten. Gaan wij na hoe het Wetboek van Louisiana over dit punt spreekt. Wanneer de lezer het Burgerlijke Wetboek van dien Staat inziet, zal hij in het derde hoofdstuk, art. 173, deze algemeene verklaring vinden:„De slaaf is geheel ondergeschikt aan den wil van zijn meester, die hem mag kastijden en straffen,maar niet met overdreven gestrengheid, of zoodanig, dat verlamming of verminking er het gevolg van kan zijn, of zijn leven in gevaar wordt gesteld of zijn dood veroorzaakt.”Op eene volgende bladzijde van hetzelfde deel en hoofdstuk, onder art. 192, vinden wij een maatregel tot bescherming van den slaaf tegen mishandelingen van zijn meester, in de bepaling welke een van de twee gevallen aangeeft, waarin een eigenaar gedwongen kan worden zijn slaaf te verkoopen. Daar staat:„Wanneer de bewijzen aanwezig zijn, dat de eigenaar zijne slaven heeft mishandeld en de regter het oorbaar keurt, behalve het opleggen der voor die gevallen vastgestelde straf, ook het in het openbaar verkoopen van den slaaf te bevelenten einde dezen buiten het bereik te stellen der magt, waarvan de eigenaar misbruik heeft gemaakt.”Eene wet, welke op die wijze waakt voor de veiligheid van lijf en leven des negers beperkt zich niet tot loutere voorschriften, maar spreekt ook straffen uit voor het geval, dat daarop inbreuk wordt gemaakt. In denCode Noirvan Louisiana, wordt, onder het hoofdstuk misdaden en misdrijven, no. 55, § XVI gezegd:„Indien iemand, wie ook, willens en wetens zijn slaaf of den slaaf van een ander doodt, zal hij, wanneer zijne daad bewezen is, overeenkomstig de wet worden behandeld en gestraft.„En omdat een neger niet als getuige voor de Regtbank kan optreden, en het bewijs van zulke misdaden dus moeijelijk zou te leveren zijn, is verder bepaald, dat:„Indien een slaaf verminkt, geslagen of mishandeld is, instrijd met de bedoeling van deze wet, zonder dat daarbij eenige getuige aanwezig is, zal in dat geval de eigenaar, of ieder ander persoon, die over den aldus verminkten slaaf gesteld was, verantwoordelijk voor en schuldig aan die daad verklaard worden en zonder verder bewijs worden veroordeeld, tenzij gezegde eigenaar of persoon voornoemd, het tegendeel kan aantoonen door middel van een goed en deugdelijk bewijs, of zich zelven van de beschuldiging kan zuiveren door eenen eed, welken eed elke Regtbank, die met het onderzoek en de behandeling van zulk eene misdaad belast is, door deze wet gemagtigd wordt af te nemen.”Dit zij genoeg om de valschheid der stelling te bewijzen, die de schrijfster St. Clare in den mond legt, dat wreede meesters onverantwoordelijke dwingelanden zijn; althans in Louisiana. Het zou ons overzigt te uitgebreid maken, indien wij ons ten taak stelden al de wetten mede te deelen, die in elk der Zuidelijke Staten met betrekking tot het dooden van slaven bestaan. Die misdaad is zeldzaam en het is dan ook slechts bij uitzondering dat men in de dagbladen daarvan vindt melding gemaakt. Wij kunnen echter van twee gevallen spreken. In de zaak van Fields tegen den StaatTennesseewas de appellant door de regtbank van Maury beschuldigd van moord op een negerslaaf; ofschoon hij de misdaad ontkend had, was hij schuldig verklaard aan het opzettelijk en misdadig dooden van den slaaf. Van dit vonnis was hij in appel gekomen, maar het appel werd verworpen en het Hof bekrachtigde het vonnis in eersten aanleg gewezen. De uitspraak van het Hof, bij monde van den regter Peek, getuigt voor den verlichten geest en het menschelijk gevoel des regters. De conclusie luidt aldus:„Zeer juist heeft een der regters in Noord-Carolina gezegd, dat de eigenaar het regt heeft om door zijn slaaf meer arbeid te doen verrigten, en de slaaf geen regt heeft zich daartegen te verzetten; maar dit geeft den meester geen regt over het leven van den slaaf. Bij de uitspraak van dien regter voeg ik nog dit, dat de wet, die zegt: „gij zult niet doodslaan”, ook den slaaf beschermt en hij door de letter zelve gedekt wordt. De wet, de rede, de Christelijke leer, en de menschelijkheid stemmen hierin allen overeen.”Door het Hoog Geregtshof van Virginia werd in 1851, in de zaak van Souther tegen den Staat, uitgewezen, dat hetdooden van een slaaf, door opzettelijk en wreedaardig geeselen, manslag is,al mogt het oogmerk van den eigenaar ook niet geweest zijn den slaaf te dooden.”De schrijfster legt dus volstrekte onkunde met de wet en de contracten in het Zuiden, die over slaven handelen, aan den dag, wanneer zij George door zijnen meester uit de fabriek doet nemen, zonder de toestemming van den eigenaar. George is, krachtens het contract waarbij hij is verhuurd, het eigendom geworden van den eigenaar voor den bij het contract bepaalden tijd, en zijn meester kan hem evenmin met geweld terugnemen als de eigenaar van een huis in Massachusetts den huurder daaruit kan doen zetten uit louter willekeur of grilligheid. Er is geene regtbank in Kentucky, die de regten van den huurder niet in dit opzigt zou handhaven.Nog lezen wij:„Neen. Mijn vader kocht haar eens, toen hij te Nieuw-Orleans was, en bragt haar mede als een presentje voor mijne moeder. Zij was toen omtrent acht of negen jaar oud. Vader wilde moeder nooit zeggen, wat hij voor haar gaf; maar toen ik later zijne oude papieren nazag, vond ik den koopbrief. Hij had inderdaad eene buitensporige som voor haar betaald, waarschijnlijk om hare ongemeene schoonheid.”„George zat met zijn rug naar Cassy en lette niet op de vurige belangstelling, die haar gelaat uitdrukte, toen hij deze bijzonderheden vermeldde.„Nu stiet zij hem aan den arm en zeide, bleek van aandoening en angstige spanning: „Weet gij ook van wien hij haar kocht?”„Een man die Simmons heette was, geloof ik, de principaal bij den verkoop, ten minste dat was, als ik mij wel bedenk, de naam die onder den koopbrief stond.”„O, mijn God!” zeide Cassy, en zonk bewusteloos op den grond.”Kortom, Eliza blijkt Cassy’s kind te zijn, en wij worden dan ook spoedig getuigen van de ontmoeting der bloedverwanten te Montreal, waar George Harris, vijf of zes jaar na het tijdstip, waarop de roman aanvangt, in ruime omstandigheden leeft.Nu zal het misschien den lezer verwonderen, wanneer hijverneemt, dat het verkoopen van Cassy zonder Eliza, waarop dit verhaal geheel berust, eene gebeurtenis is, die nimmer in Louisiana kon plaats hebben, en dat de verkoop-acte van Eliza de waarde zelfs niet had van het papier, waarop zij geschreven was. En wel om de volgende reden. George Shelby verhaalt, dat Eliza acht of negen jaar oud was, toen zijn vader haar te New-Orleans kocht. Slaan wij nu nogmaals een blik in het wetboek van Louisiana.In denCode Noirvinden wij:„Aan een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders,kinderente verkoopen,die niet den vollen leeftijd van tien jaar bereikt hebben.”En deze menschlievende bepaling wordt nog versterkt door eene wet, waarvan een der bepalingen aldus luidt:„Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meerslavenkinderen onder den leeftijd van tien jaarverkoopen,zonder gezegd kind of kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moeder verkoopen, zal op die persoon of personen de straf van toepassing zijn in de zesde afdeeling van deze wet omschreven.Deze straf bestaat in eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene tuchthuisstraf van zes tot twaalf maanden. Zie Wetten van Louisiana, Iste zitting, 1828, 1829, no. 24, afdeeling XVI.”De schrijfster moet hier eene opmerking invoegen. In alle deelen der Zuidelijken Staten treft men slavenhouders aan, die het alleen in naam zijn. Zij zijn niet met het stelsel ingenomen; zij beschouwen het als ten eenemale verkeerd, en toch houden zij er zich aan, alleen omdat zij nog niet weten op welke wijze zij het best dat stelsel veranderen en den toestand verbeteren kunnen van de slaven, die in hun bezit zijn. De zoodanigen zijn de ijverigste kampvechters voor de vrijmaking der slaven, en de vrienden van al wat, met zuivere bedoelingen geschreven, daartoe strekt. Van deze ontvangt de schrijfster steeds gaarne beoordeelingen van haar arbeid.Zij heeft getracht op de meest volledige wijze alles openbaar te maken wat tegen haar werk kan worden aangevoerd, opdat beide partijen de gelegenheid mogten hebben om door onpartijdigen te worden gehoord.Toen de schrijfster aan haarNegerhutarbeidde, onbewust van het gewigt dat aan hare mededeelingen en denkbeelden zou worden gehecht, trachtte zij, uit liefde voor de waarheid, zich eenige kennis te verwerven van de wetten, betreffende de slavernij. Zij had tot hare dienst denCode Noirvan Louisiana en een overzigt over de slavenwetten in de verschillende Staten, door den regter Stroud van Philadelphia. Dit werk, dat met groote zorg is zamengesteld naar de laatste uitgaven der wetboeken van de verschillende Staten, achtte de schrijfster een voldoende gids bij het schrijven van een roman.Daar evenwel de juistheid van verscheidene mededeelingen, de slavenwetten betreffende, betwist is, heeft de schrijfster zich in een grondiger onderzoek begeven. Onder leiding en bijstand van eenige hooggeplaatste regterlijke ambtenaren, heeft zij de opgaven van Stroud nagegaan met het oog op de bestaande wetten en in verband beschouwd met de regterlijke uitspraken daarop gegrond. De uitslag daarvan is geweest, dat zij nog versterkt is geworden in hare overtuiging, dat de feiten, aan het werk van Stroud ontleend, juist waren, en zij kan slechts de woorden van St. Clare herhalen, als de meest volmaakte uitdrukking van de gevoelens en zienswijze, welke die studie bij haar heeft opgewekt.„Die vervloekte zaak, vervloekt door God en menschen, wat is zij? Ontruk haar alle optooisel, zoek naar haren kern en haren wortel, en wat is zij dan? Wel, omdat mijn broeder Quashy onkundig en zwak is, en ik schrander en sterk ben—omdat ik weet hoe ik dat kan doen en de magt heb—daarom mag ik alles stelen wat hij heeft, het behouden, en hem alleen zooveel geven als mij belieft. Al wat te zwaar, te vuil en te onaangenaam voor mij is, mag ik Quashy laten doen. Omdat ik niet gaarne werk, zal Quashy werken. Omdat de zon mij zengt, zal Quashy in de zon staan. Quashy zal het geld verdienen, en ik zal het verteren. Quashy zal zich in een modderplas leggen, opdat ik er droogvoets kan overstappen. Quashy zal mijn wil doen en niet den zijnen, al de dagen van zijn leven op de aarde, en eindelijk alleen zooveel kans op den hemel hebben, als mij gelegen komt. Dit houd ik ten naastenbij voor hetgeen de slavernijis. Ik tart iedereen uit, om ons slavenwetboek te lezen, gelijk het in onze wetten staat,en er iets anders van te maken. Men praat vanmisbruikender slavernij! Draaijerij! De zaak zelve is een gruwelijk misbruik. En de eenige reden, waarom het land er niet onder verzinkt, gelijk Sodom en Gomorra, is omdat zij oneindig beter wordtgebruiktdan zij is, uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn, uit vrouwen geboren, en geene wilde dieren, willen velen van ons niet, durven velen van ons niet—achten wij ons te goed, om de volle magt te gebruiken, die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij, die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate de magt, die de wet hem geeft.”Nog blijft schrijfster dezes bij hare meening, dat de slavernij zelve als in de wetboeken aangenomen en gehandhaafd door de uitspraak der regtbanken, reedsmisbruik en de aanleiding tot misbruikis; en nog koestert zij de hoop, dat ervelenzijn in het Zuiden, dieoneindigbeter zijn, dan de wetten, waaronder zij leven; en wanneer de lezers al de uittreksels gelezen hebben, welke zij voornemens is te maken, zullen zij ter wille der gansche menschheid hetzelfde hopen. De schrijfster moet hier, ten aanzien van eenige aanhalingen, de verklaring afleggen, dat sommige regtsgedingen haar zoo ongeloofelijk voorkwamen, dat zij ze niet heeft willen aannemen op het gezag van de eene of andere verzameling, maar met eigen hand ze heeft overgeschreven uit de laatste uitgave van het wetboek, waarin zij te vinden waren en nog te vinden zijn.
Hoofdstuk I.De drukpers.
DeNew-York Courier and Enquirervan den 5denNovember bevatte een artikel, dat voor de schrijfster van zeer veel belang was, omdat het kort, klaar en duidelijk de voornaamste tegenwerpingen opsomde, die tegende Negerhutkonden ingebragt worden. Wij willen dat artikel hier in zijn geheel inlasschen, omdat het den grondslag uitmaakt der opmerkingen in de volgende bladzijden vervat.De schrijfster derNegerhut, wordt in dat artikel gezegd, heeft tegen duizenden en millioenen harer medemenschen valsche getuigenis afgelegd.„Zij heeft dit gedaan door hun, als slavenhouders, in het oog der wereld, de schuld te geven van de misbruiken eener instelling, waaraan zij ten eenemale onschuldig zijn. Haar werk is zoodanig ingerigt, dat het slechts drie schaduwzijden der slavernij bloot geeft: vooreerst, dewreede behandelingder slaven; ten tweede, descheiding van huisgezinnen; en ten derde, hetgemis aan godsdienstig onderwijsvoor slaven.Om het eerste aan te toonen, laat zij eene belooning uitloven voor het terugbrengen „dood of levend” van een weggeloopen slaaf, hoewel men nog nooit van eene belooning met zulk een alternatief gehoord heeft of heeft kunnen hooren ten zuiden der lijn van Mason en Dixon, en het herhaaldelijk door de Zuidelijke geregtshoven is uitgemaakt, „dat een slaaf, die slechts weggeloopen is, niet mag gedood worden.” Zij legt woorden als deze in den mond van een harer personen: „De eigenaar, die het ergste doet, handelt nog slechts binnen de perken der magt, die de wet hem toekent;” terwijl integendeel het Burgerlijk Wetboek van den Staat waarin de schrijfster zulk een bewering doet uiten—Louisiana—bepaalt, dat:„De slaaf geheel ondergeschikt is aan den wil van zijn meester, die hem mag kastijden en straffen,maar niet met overdreven gestrengheid, of zoodanig dat verlamming of verminking er het gevolg van kan zijn, of zijn leven in gevaar wordt gesteld of zijn dood veroorzaakt.”Terwijl dat wetboek eene geregtelijke verkooping vaststelt: „Wanneer de bewijzen aanwezig zijn, dat de eigenaar zijne slaven heeft mishandeld en de regter het oorbaar keurt, behalve het opleggen der voor dat geval vastgestelde straf, ook het in het openbaar verkoopen van den slaaf te bevelen,ten einde dezen buiten het bereik te stellen der magt, waarvan de eigenaar misbruik heeft gemaakt.”„Indien iemand, wie ook, willens en wetens zijn slaaf of den slaaf van een ander doodt, zal hij, wanneer zijne daad bewezen is, overeenkomstig de wetten worden behandeld en gestraft.”In het vorige jaar werd door het Hoog Geregtshof in Virginia aangenomen, in het regtsgeding van Souther tegen den Staat, dat het dooden van een slaaf door zijn meester en eigenaar, ten gevolge van zweepslagen op diens last en met overdreven gestrengheid gegeven, moord is,al mogt ook het oogmerk van den meester en eigenaar niet geweest zijn den slaaf te dooden! En het is nog geen zes maanden geleden, dat de Gouverneur van Virginia, Johnston, een slaaf vrijsprak, die zijn meester, welke hem wreed had mishandeld, had gedood.En toch, ondanks zulke wetten en uitspraken, doet Mevrouw Stowe eene lange reeks van mishandelingen jegens de zwarten veronderstellen, door haar voorbeeldeloozen held Tom in Louisiana letterlijk te laten dood geeselen door zijn meester Legree; en deze feiten, die de wet als misdadig erkent en als zoodanig straft, beschrijft zij gedurig met de meestafschrikwekkendekleuren, om de instelling der slavernij te doen kennen!Evenzoo handelt zij ten opzigte van het wegnemen van kinderen van hunne ouders. Een groot deel der intrigue berust op het verkoopen, in Louisiana, van een kind van Eliza „acht of negen jaar oud” zonder zijne moeder. Had de schrijfster het wetboek van Louisiana opgeslagen, zij zou daar het volgende hebben gevonden:„Een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders te verkoopenkinderen, die den vollen ouderdom van tien jaren nog niet hebben bereikt.”„Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meer slavenkinderen,onder den leeftijd van tien jaarverkoopen,zonder gezegd kind of gezegde kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moederverkoopen, zullen die persoon of personen veroordeeld worden tot eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene gevangenisstraf voor een tijd van zes tot twaalf maanden.”Het gemis aan godsdienstig onderwijs, zoo als Mevrouw Stowe het voorstelt, is inderdaad ten eenemale ongegrond. De talrijkste kerkelijke gemeenten in de Vereenigde Staten bestaan geheel uit slaven. De eerste Afrikaansche kerken te Louisville en te Augusta, die vijftien honderd en dertien honderd leden tellen, kunnen daarvan ten bewijze strekken. Onder de groote gemeenten op de uitgestrektste plantages in de verschillende Staten van het Zuiden, worden de voorschriften van het Evangelie even goed in stand gehouden door erkende geestelijken als in andere gemeenten in het Noorden of Zuiden. Overal is de verhouding tusschen hen die ledematen en die geene ledematen zijn voor de slaven veel gunstiger dan voor de blanken. Iedere godsdienstige bijeenkomst in het Zuiden, in de steden en op het land, bestaat in den regel voor het meerendeel uit zwarten; terwijl in de kerken in het Noorden onder de vijftig personen naauwelijks één kleurling gevonden wordt.Het gansche werk is met de waarheid in strijd, omdat de schrijfster juist die gevallen, die òf hoogst zeldzaam voorkomen òf onmogelijk kunnen plaats hebben, ter kenschetsing van het stelsel bezigt. Op dezelfde wijze, waarop zij te werk is gegaan, zou het niet moeijelijk zijn een geducht argument zamen te stellen tegen de betrekking tusschen echtgenooten onderling, of tusschen ouders en hunne kinderen, of voogden en pupillen; want duizende vrouwen en kinderen en pupillen zijn mishandeld ja zelfs vermoord geworden. Het is slecht, onverschoonbaar slecht, om aan eenige maatschappelijke betrekking die buitensporigheden ten laste te leggen, dieslechts het gevolg zijn van de diepste verdorvenheid der menschelijke natuur. De geheele roman draagt van het begin tot het eind de kenmerken van eene belagchelijk overdreven zucht om alles te generaliseren. De Oom Tom der schrijfster is een volmaakte engel en hare zwarten zijn over het algemeen halve engelen; haar Simon Legree is een volmaakte duivel, en hare blanken zijn over het algemeen halve duivels. Zij heeft ook een zekeren wrevel tegen de geestelijkheid; en onder de velen, die zij op verschillende plaatsen op het tapijt brengt, zijn allen, op één onbeduidend persoon na, farizeën of huichelaars. Iemand, die de Vereenigde Staten en zijne bewoners niet anders kende dan uit hetgeen hij uitde Negerhutmogt bijeenzamelen, zou het voor de eene of andere streek op de grenzen van het Rijk der Duisternis moeten houden. Wij zeggen niet, dat Mevrouw Stowe door kwade drijfveren tot het schrijven van haar werk werd aangespoord, maar wij houden het er voor, dat zij een kwaad heeft gedaan, dat geene onkunde kan verontschuldigen en geen berouw kan goed maken.Van een zeer geacht correspondent teRichmond, Virginia, ontving de schrijfster het volgende:Ik wil dezen morgen u eenige weinige opmerkingen mededeelen, die bij mij zijn ontstaan met betrekking tot volgende uitgaven van uw werk„de Negerhut,” dat, naar ik hoop, al den invloed zal uitoefenen, waartoe het, dank zij uw talent, in staat is, niet enkelbuitenmaar ookinden kring der slavernij zelven, waaruit het tot nog toe wordt geweerd. Het beantwoordt wel door zijne schoonheden aan de vereischten der kunst, en doet het menschelijk gevoel eer aan, maar het zou, met opzigt tot de naauwkeurigheid der feiten, die er in worden aangetroffen, kunnen verbeterd worden, zonder dat het werk daardoor zou lijden. Zoo doet gij, bij voorbeeld, het grootste onregt aan de stellige wetten der Zuidelijke Staten, wanneer gij meer vertrouwt dan noodig is dat het menschelijk gevoel van het publiek of van bijzondere personen het kwaad zal verzachten, dat de wet veroorlooft.Ik sluit hierin het volgende uittreksel uit een onzer zuidelijke dagbladen:„Dat zal ik wel beschikken. Zij zijn nog jong in het vak,en zullen wel begrijpen, dat zij goedkoop moeten werken,” antwoordde Marks, terwijl hij stil voortlas. „Drie ervan zijn gemakkelijke karreweijen, want al wat zij te doen hebben is ze dood te schieten, of te zweren dat zij doodgeschoten zijn; en daar kunnen zij natuurlijk niet veel voor rekenen.”De lezer ziet dat in dit kostelijk gesprek twee aantijgingen tegen het Zuiden liggen opgesloten;—vooreerst, de gewoonte der slavenhouders in het zuiden om voor het terugbrengen van gevlugte slaven, „dood of levend” eene belooning uit te loven; en ten andere, dat de vervolgers in den regel hen doodschieten. En daar dit dan ook de gemakkelijkste wijze is om de belooning te verwerven, zouden wij ook wel geneigd zijn te gelooven, dat het doodschieten in die gevallen de meest gebruikelijke is. Maar wanneer een slavenhouder in het zuiden eene premie uitlooft voor zijn weggeloopen slaaf, doet hij dit, omdat hij een zeker gedeelte van zijne bezitting, vertegenwoordigd door den neger, dien hij wenscht terug te bekomen, verloren heeft. Welke man uit Vermont, wiens os of ezel is weggeloopen, zou terstond de halve waarde van het dier uitloven, niet voor het doode ligchaam, dat nog tot eenig nuttig doel zou zijn aan te wenden, maar tot voldoening zijner wraakzucht? En toch staan die twee gevallen volkomen gelijk. Wat aangaat de bewering, dat het in het Zuiden geoorloofd is met geweren met twee loopen uit te gaan, om op gevlugte negers te schieten, liever dan hen te vangen, wij kunnen alleen zeggen, dat dit even slecht en baldadig als belagchelijk zou zijn. Er kunnen deugnieten geweest zijn als Marks en Loker, die op zulk eene baldadige wijze negers hebben gedood; maar zoo zij aan de galg zijn ontkomen, zal men hen waarschijnlijk moeten zoeken in onze tuchthuizen, waar op staatskosten behoorlijk voor hen gezorgd wordt. De wetten der Staten van het Zuiden, die, even als bij alle wel geordende Staten, de bescherming van personen en eigendommen ten doel hebben, zijn niet zoo onoordeelkundig ontworpen, dat zij haar doel missen daar waar persoon en eigendom één zijn.„De wet betreffende het dooden van weggeloopen slaven is met zooveel helderheid en juistheid uitgelegd door een regter in Zuid-Carolina, dat wij niet kunnen nalaten zijne uitspraak, die hier juist ter snede komt, mede te deelen. In de zaak van Witsell tegen Earnest en Parker, drukte deregter Colcock volgenderwijze het oordeel van het Hof uit:„Volgens de wet van 1740 mag de blanke zijn slaaf kastijden of in ligten graad straffen, wanneer hij wordt aangetroffen buiten de plantage, waarop hij werkzaam is; en indien de slaaf den blanke aanvalt, mag hij hem dooden; maar een slaaf, die slechts gevlugt is, mag niet gedood worden. Wanneer wij den neger als persoon beschouwen, hebben de beschuldigden ook de gewone wet tegen zich; want zij worden door die wet niet gemagtigd hem als een misdadiger te behandelen, en zonder die magt mogen zij hem het leven niet ontnemen.”Verder leest men in den Roman:„Men denkt gewoonlijk dat het eigenbelang in zulke gevallen een voldoende waarborg is. Wanneer iemand verkiest zijne eigene bezittingen te vernielen, weet ik niet wat er aan te doen is. Het schijnt dat die arme vrouw eene diefegge en aan den drank was, en dus kan men niet hopen, dat men iemand zal kunnen bewegen om zich aan haar te laten gelegen liggen.”„Het is ontzettend—het is afschuwelijk, Augustine! Het zal zeker eens oordeel over u brengen.”„Lieve Nicht, ik heb het niet gedaan en ik kan het niet verhelpen; ik zou wel willen, als ik maar kon. Als gemeene, ruwe kerels, naar hunnen aard willen handelen, wat zal ik er dan aan doen. Zij hebben onbeperkte magt; zij zijn onverantwoordelijke despoten. Het zou niet baten zich met hen te willen bemoeijen; er is geene wet, die in zulk een geval van wezenlijke hulp is. Het beste, dat wij kunnen doen, is oogen en ooren sluiten, en het maar zoo te laten. Dat is het eenige wat ons overschiet.”En verder zegt St. Clare in hetzelfde gesprek.„Uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn, uit vrouwen geboren en geene wilde dieren, willen velen van ons niet, durven velen van ons niet—achten wij ons te goed, om de volle magt te gebruiken, die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij, die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate de magt, die de wet hem geeft.”Mevrouw Stowe zegt ons door den mond van St. Clare; dat er geen wet is die in zulke gevallen voorziet, en dat hij,die hetverste gaat en het ergste doet—dat is hem een oog of een ligchaamsdeel of zelfs het leven ontneemt,—nog maar de magt gebruikt die de wet hem geeft. Dit is eene schrikkelijke, eene vreeselijke beschuldiging, die ligtvaardig en zonder bewijzen daar neer geworpen, op hem, die ze uitspreekt, eene groote verantwoordelijkheid doet rusten. Gaan wij na hoe het Wetboek van Louisiana over dit punt spreekt. Wanneer de lezer het Burgerlijke Wetboek van dien Staat inziet, zal hij in het derde hoofdstuk, art. 173, deze algemeene verklaring vinden:„De slaaf is geheel ondergeschikt aan den wil van zijn meester, die hem mag kastijden en straffen,maar niet met overdreven gestrengheid, of zoodanig, dat verlamming of verminking er het gevolg van kan zijn, of zijn leven in gevaar wordt gesteld of zijn dood veroorzaakt.”Op eene volgende bladzijde van hetzelfde deel en hoofdstuk, onder art. 192, vinden wij een maatregel tot bescherming van den slaaf tegen mishandelingen van zijn meester, in de bepaling welke een van de twee gevallen aangeeft, waarin een eigenaar gedwongen kan worden zijn slaaf te verkoopen. Daar staat:„Wanneer de bewijzen aanwezig zijn, dat de eigenaar zijne slaven heeft mishandeld en de regter het oorbaar keurt, behalve het opleggen der voor die gevallen vastgestelde straf, ook het in het openbaar verkoopen van den slaaf te bevelenten einde dezen buiten het bereik te stellen der magt, waarvan de eigenaar misbruik heeft gemaakt.”Eene wet, welke op die wijze waakt voor de veiligheid van lijf en leven des negers beperkt zich niet tot loutere voorschriften, maar spreekt ook straffen uit voor het geval, dat daarop inbreuk wordt gemaakt. In denCode Noirvan Louisiana, wordt, onder het hoofdstuk misdaden en misdrijven, no. 55, § XVI gezegd:„Indien iemand, wie ook, willens en wetens zijn slaaf of den slaaf van een ander doodt, zal hij, wanneer zijne daad bewezen is, overeenkomstig de wet worden behandeld en gestraft.„En omdat een neger niet als getuige voor de Regtbank kan optreden, en het bewijs van zulke misdaden dus moeijelijk zou te leveren zijn, is verder bepaald, dat:„Indien een slaaf verminkt, geslagen of mishandeld is, instrijd met de bedoeling van deze wet, zonder dat daarbij eenige getuige aanwezig is, zal in dat geval de eigenaar, of ieder ander persoon, die over den aldus verminkten slaaf gesteld was, verantwoordelijk voor en schuldig aan die daad verklaard worden en zonder verder bewijs worden veroordeeld, tenzij gezegde eigenaar of persoon voornoemd, het tegendeel kan aantoonen door middel van een goed en deugdelijk bewijs, of zich zelven van de beschuldiging kan zuiveren door eenen eed, welken eed elke Regtbank, die met het onderzoek en de behandeling van zulk eene misdaad belast is, door deze wet gemagtigd wordt af te nemen.”Dit zij genoeg om de valschheid der stelling te bewijzen, die de schrijfster St. Clare in den mond legt, dat wreede meesters onverantwoordelijke dwingelanden zijn; althans in Louisiana. Het zou ons overzigt te uitgebreid maken, indien wij ons ten taak stelden al de wetten mede te deelen, die in elk der Zuidelijke Staten met betrekking tot het dooden van slaven bestaan. Die misdaad is zeldzaam en het is dan ook slechts bij uitzondering dat men in de dagbladen daarvan vindt melding gemaakt. Wij kunnen echter van twee gevallen spreken. In de zaak van Fields tegen den StaatTennesseewas de appellant door de regtbank van Maury beschuldigd van moord op een negerslaaf; ofschoon hij de misdaad ontkend had, was hij schuldig verklaard aan het opzettelijk en misdadig dooden van den slaaf. Van dit vonnis was hij in appel gekomen, maar het appel werd verworpen en het Hof bekrachtigde het vonnis in eersten aanleg gewezen. De uitspraak van het Hof, bij monde van den regter Peek, getuigt voor den verlichten geest en het menschelijk gevoel des regters. De conclusie luidt aldus:„Zeer juist heeft een der regters in Noord-Carolina gezegd, dat de eigenaar het regt heeft om door zijn slaaf meer arbeid te doen verrigten, en de slaaf geen regt heeft zich daartegen te verzetten; maar dit geeft den meester geen regt over het leven van den slaaf. Bij de uitspraak van dien regter voeg ik nog dit, dat de wet, die zegt: „gij zult niet doodslaan”, ook den slaaf beschermt en hij door de letter zelve gedekt wordt. De wet, de rede, de Christelijke leer, en de menschelijkheid stemmen hierin allen overeen.”Door het Hoog Geregtshof van Virginia werd in 1851, in de zaak van Souther tegen den Staat, uitgewezen, dat hetdooden van een slaaf, door opzettelijk en wreedaardig geeselen, manslag is,al mogt het oogmerk van den eigenaar ook niet geweest zijn den slaaf te dooden.”De schrijfster legt dus volstrekte onkunde met de wet en de contracten in het Zuiden, die over slaven handelen, aan den dag, wanneer zij George door zijnen meester uit de fabriek doet nemen, zonder de toestemming van den eigenaar. George is, krachtens het contract waarbij hij is verhuurd, het eigendom geworden van den eigenaar voor den bij het contract bepaalden tijd, en zijn meester kan hem evenmin met geweld terugnemen als de eigenaar van een huis in Massachusetts den huurder daaruit kan doen zetten uit louter willekeur of grilligheid. Er is geene regtbank in Kentucky, die de regten van den huurder niet in dit opzigt zou handhaven.Nog lezen wij:„Neen. Mijn vader kocht haar eens, toen hij te Nieuw-Orleans was, en bragt haar mede als een presentje voor mijne moeder. Zij was toen omtrent acht of negen jaar oud. Vader wilde moeder nooit zeggen, wat hij voor haar gaf; maar toen ik later zijne oude papieren nazag, vond ik den koopbrief. Hij had inderdaad eene buitensporige som voor haar betaald, waarschijnlijk om hare ongemeene schoonheid.”„George zat met zijn rug naar Cassy en lette niet op de vurige belangstelling, die haar gelaat uitdrukte, toen hij deze bijzonderheden vermeldde.„Nu stiet zij hem aan den arm en zeide, bleek van aandoening en angstige spanning: „Weet gij ook van wien hij haar kocht?”„Een man die Simmons heette was, geloof ik, de principaal bij den verkoop, ten minste dat was, als ik mij wel bedenk, de naam die onder den koopbrief stond.”„O, mijn God!” zeide Cassy, en zonk bewusteloos op den grond.”Kortom, Eliza blijkt Cassy’s kind te zijn, en wij worden dan ook spoedig getuigen van de ontmoeting der bloedverwanten te Montreal, waar George Harris, vijf of zes jaar na het tijdstip, waarop de roman aanvangt, in ruime omstandigheden leeft.Nu zal het misschien den lezer verwonderen, wanneer hijverneemt, dat het verkoopen van Cassy zonder Eliza, waarop dit verhaal geheel berust, eene gebeurtenis is, die nimmer in Louisiana kon plaats hebben, en dat de verkoop-acte van Eliza de waarde zelfs niet had van het papier, waarop zij geschreven was. En wel om de volgende reden. George Shelby verhaalt, dat Eliza acht of negen jaar oud was, toen zijn vader haar te New-Orleans kocht. Slaan wij nu nogmaals een blik in het wetboek van Louisiana.In denCode Noirvinden wij:„Aan een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders,kinderente verkoopen,die niet den vollen leeftijd van tien jaar bereikt hebben.”En deze menschlievende bepaling wordt nog versterkt door eene wet, waarvan een der bepalingen aldus luidt:„Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meerslavenkinderen onder den leeftijd van tien jaarverkoopen,zonder gezegd kind of kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moeder verkoopen, zal op die persoon of personen de straf van toepassing zijn in de zesde afdeeling van deze wet omschreven.Deze straf bestaat in eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene tuchthuisstraf van zes tot twaalf maanden. Zie Wetten van Louisiana, Iste zitting, 1828, 1829, no. 24, afdeeling XVI.”De schrijfster moet hier eene opmerking invoegen. In alle deelen der Zuidelijken Staten treft men slavenhouders aan, die het alleen in naam zijn. Zij zijn niet met het stelsel ingenomen; zij beschouwen het als ten eenemale verkeerd, en toch houden zij er zich aan, alleen omdat zij nog niet weten op welke wijze zij het best dat stelsel veranderen en den toestand verbeteren kunnen van de slaven, die in hun bezit zijn. De zoodanigen zijn de ijverigste kampvechters voor de vrijmaking der slaven, en de vrienden van al wat, met zuivere bedoelingen geschreven, daartoe strekt. Van deze ontvangt de schrijfster steeds gaarne beoordeelingen van haar arbeid.Zij heeft getracht op de meest volledige wijze alles openbaar te maken wat tegen haar werk kan worden aangevoerd, opdat beide partijen de gelegenheid mogten hebben om door onpartijdigen te worden gehoord.Toen de schrijfster aan haarNegerhutarbeidde, onbewust van het gewigt dat aan hare mededeelingen en denkbeelden zou worden gehecht, trachtte zij, uit liefde voor de waarheid, zich eenige kennis te verwerven van de wetten, betreffende de slavernij. Zij had tot hare dienst denCode Noirvan Louisiana en een overzigt over de slavenwetten in de verschillende Staten, door den regter Stroud van Philadelphia. Dit werk, dat met groote zorg is zamengesteld naar de laatste uitgaven der wetboeken van de verschillende Staten, achtte de schrijfster een voldoende gids bij het schrijven van een roman.Daar evenwel de juistheid van verscheidene mededeelingen, de slavenwetten betreffende, betwist is, heeft de schrijfster zich in een grondiger onderzoek begeven. Onder leiding en bijstand van eenige hooggeplaatste regterlijke ambtenaren, heeft zij de opgaven van Stroud nagegaan met het oog op de bestaande wetten en in verband beschouwd met de regterlijke uitspraken daarop gegrond. De uitslag daarvan is geweest, dat zij nog versterkt is geworden in hare overtuiging, dat de feiten, aan het werk van Stroud ontleend, juist waren, en zij kan slechts de woorden van St. Clare herhalen, als de meest volmaakte uitdrukking van de gevoelens en zienswijze, welke die studie bij haar heeft opgewekt.„Die vervloekte zaak, vervloekt door God en menschen, wat is zij? Ontruk haar alle optooisel, zoek naar haren kern en haren wortel, en wat is zij dan? Wel, omdat mijn broeder Quashy onkundig en zwak is, en ik schrander en sterk ben—omdat ik weet hoe ik dat kan doen en de magt heb—daarom mag ik alles stelen wat hij heeft, het behouden, en hem alleen zooveel geven als mij belieft. Al wat te zwaar, te vuil en te onaangenaam voor mij is, mag ik Quashy laten doen. Omdat ik niet gaarne werk, zal Quashy werken. Omdat de zon mij zengt, zal Quashy in de zon staan. Quashy zal het geld verdienen, en ik zal het verteren. Quashy zal zich in een modderplas leggen, opdat ik er droogvoets kan overstappen. Quashy zal mijn wil doen en niet den zijnen, al de dagen van zijn leven op de aarde, en eindelijk alleen zooveel kans op den hemel hebben, als mij gelegen komt. Dit houd ik ten naastenbij voor hetgeen de slavernijis. Ik tart iedereen uit, om ons slavenwetboek te lezen, gelijk het in onze wetten staat,en er iets anders van te maken. Men praat vanmisbruikender slavernij! Draaijerij! De zaak zelve is een gruwelijk misbruik. En de eenige reden, waarom het land er niet onder verzinkt, gelijk Sodom en Gomorra, is omdat zij oneindig beter wordtgebruiktdan zij is, uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn, uit vrouwen geboren, en geene wilde dieren, willen velen van ons niet, durven velen van ons niet—achten wij ons te goed, om de volle magt te gebruiken, die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij, die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate de magt, die de wet hem geeft.”Nog blijft schrijfster dezes bij hare meening, dat de slavernij zelve als in de wetboeken aangenomen en gehandhaafd door de uitspraak der regtbanken, reedsmisbruik en de aanleiding tot misbruikis; en nog koestert zij de hoop, dat ervelenzijn in het Zuiden, dieoneindigbeter zijn, dan de wetten, waaronder zij leven; en wanneer de lezers al de uittreksels gelezen hebben, welke zij voornemens is te maken, zullen zij ter wille der gansche menschheid hetzelfde hopen. De schrijfster moet hier, ten aanzien van eenige aanhalingen, de verklaring afleggen, dat sommige regtsgedingen haar zoo ongeloofelijk voorkwamen, dat zij ze niet heeft willen aannemen op het gezag van de eene of andere verzameling, maar met eigen hand ze heeft overgeschreven uit de laatste uitgave van het wetboek, waarin zij te vinden waren en nog te vinden zijn.
DeNew-York Courier and Enquirervan den 5denNovember bevatte een artikel, dat voor de schrijfster van zeer veel belang was, omdat het kort, klaar en duidelijk de voornaamste tegenwerpingen opsomde, die tegende Negerhutkonden ingebragt worden. Wij willen dat artikel hier in zijn geheel inlasschen, omdat het den grondslag uitmaakt der opmerkingen in de volgende bladzijden vervat.
De schrijfster derNegerhut, wordt in dat artikel gezegd, heeft tegen duizenden en millioenen harer medemenschen valsche getuigenis afgelegd.
„Zij heeft dit gedaan door hun, als slavenhouders, in het oog der wereld, de schuld te geven van de misbruiken eener instelling, waaraan zij ten eenemale onschuldig zijn. Haar werk is zoodanig ingerigt, dat het slechts drie schaduwzijden der slavernij bloot geeft: vooreerst, dewreede behandelingder slaven; ten tweede, descheiding van huisgezinnen; en ten derde, hetgemis aan godsdienstig onderwijsvoor slaven.Om het eerste aan te toonen, laat zij eene belooning uitloven voor het terugbrengen „dood of levend” van een weggeloopen slaaf, hoewel men nog nooit van eene belooning met zulk een alternatief gehoord heeft of heeft kunnen hooren ten zuiden der lijn van Mason en Dixon, en het herhaaldelijk door de Zuidelijke geregtshoven is uitgemaakt, „dat een slaaf, die slechts weggeloopen is, niet mag gedood worden.” Zij legt woorden als deze in den mond van een harer personen: „De eigenaar, die het ergste doet, handelt nog slechts binnen de perken der magt, die de wet hem toekent;” terwijl integendeel het Burgerlijk Wetboek van den Staat waarin de schrijfster zulk een bewering doet uiten—Louisiana—bepaalt, dat:„De slaaf geheel ondergeschikt is aan den wil van zijn meester, die hem mag kastijden en straffen,maar niet met overdreven gestrengheid, of zoodanig dat verlamming of verminking er het gevolg van kan zijn, of zijn leven in gevaar wordt gesteld of zijn dood veroorzaakt.”Terwijl dat wetboek eene geregtelijke verkooping vaststelt: „Wanneer de bewijzen aanwezig zijn, dat de eigenaar zijne slaven heeft mishandeld en de regter het oorbaar keurt, behalve het opleggen der voor dat geval vastgestelde straf, ook het in het openbaar verkoopen van den slaaf te bevelen,ten einde dezen buiten het bereik te stellen der magt, waarvan de eigenaar misbruik heeft gemaakt.”„Indien iemand, wie ook, willens en wetens zijn slaaf of den slaaf van een ander doodt, zal hij, wanneer zijne daad bewezen is, overeenkomstig de wetten worden behandeld en gestraft.”In het vorige jaar werd door het Hoog Geregtshof in Virginia aangenomen, in het regtsgeding van Souther tegen den Staat, dat het dooden van een slaaf door zijn meester en eigenaar, ten gevolge van zweepslagen op diens last en met overdreven gestrengheid gegeven, moord is,al mogt ook het oogmerk van den meester en eigenaar niet geweest zijn den slaaf te dooden! En het is nog geen zes maanden geleden, dat de Gouverneur van Virginia, Johnston, een slaaf vrijsprak, die zijn meester, welke hem wreed had mishandeld, had gedood.En toch, ondanks zulke wetten en uitspraken, doet Mevrouw Stowe eene lange reeks van mishandelingen jegens de zwarten veronderstellen, door haar voorbeeldeloozen held Tom in Louisiana letterlijk te laten dood geeselen door zijn meester Legree; en deze feiten, die de wet als misdadig erkent en als zoodanig straft, beschrijft zij gedurig met de meestafschrikwekkendekleuren, om de instelling der slavernij te doen kennen!Evenzoo handelt zij ten opzigte van het wegnemen van kinderen van hunne ouders. Een groot deel der intrigue berust op het verkoopen, in Louisiana, van een kind van Eliza „acht of negen jaar oud” zonder zijne moeder. Had de schrijfster het wetboek van Louisiana opgeslagen, zij zou daar het volgende hebben gevonden:„Een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders te verkoopenkinderen, die den vollen ouderdom van tien jaren nog niet hebben bereikt.”„Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meer slavenkinderen,onder den leeftijd van tien jaarverkoopen,zonder gezegd kind of gezegde kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moederverkoopen, zullen die persoon of personen veroordeeld worden tot eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene gevangenisstraf voor een tijd van zes tot twaalf maanden.”Het gemis aan godsdienstig onderwijs, zoo als Mevrouw Stowe het voorstelt, is inderdaad ten eenemale ongegrond. De talrijkste kerkelijke gemeenten in de Vereenigde Staten bestaan geheel uit slaven. De eerste Afrikaansche kerken te Louisville en te Augusta, die vijftien honderd en dertien honderd leden tellen, kunnen daarvan ten bewijze strekken. Onder de groote gemeenten op de uitgestrektste plantages in de verschillende Staten van het Zuiden, worden de voorschriften van het Evangelie even goed in stand gehouden door erkende geestelijken als in andere gemeenten in het Noorden of Zuiden. Overal is de verhouding tusschen hen die ledematen en die geene ledematen zijn voor de slaven veel gunstiger dan voor de blanken. Iedere godsdienstige bijeenkomst in het Zuiden, in de steden en op het land, bestaat in den regel voor het meerendeel uit zwarten; terwijl in de kerken in het Noorden onder de vijftig personen naauwelijks één kleurling gevonden wordt.Het gansche werk is met de waarheid in strijd, omdat de schrijfster juist die gevallen, die òf hoogst zeldzaam voorkomen òf onmogelijk kunnen plaats hebben, ter kenschetsing van het stelsel bezigt. Op dezelfde wijze, waarop zij te werk is gegaan, zou het niet moeijelijk zijn een geducht argument zamen te stellen tegen de betrekking tusschen echtgenooten onderling, of tusschen ouders en hunne kinderen, of voogden en pupillen; want duizende vrouwen en kinderen en pupillen zijn mishandeld ja zelfs vermoord geworden. Het is slecht, onverschoonbaar slecht, om aan eenige maatschappelijke betrekking die buitensporigheden ten laste te leggen, dieslechts het gevolg zijn van de diepste verdorvenheid der menschelijke natuur. De geheele roman draagt van het begin tot het eind de kenmerken van eene belagchelijk overdreven zucht om alles te generaliseren. De Oom Tom der schrijfster is een volmaakte engel en hare zwarten zijn over het algemeen halve engelen; haar Simon Legree is een volmaakte duivel, en hare blanken zijn over het algemeen halve duivels. Zij heeft ook een zekeren wrevel tegen de geestelijkheid; en onder de velen, die zij op verschillende plaatsen op het tapijt brengt, zijn allen, op één onbeduidend persoon na, farizeën of huichelaars. Iemand, die de Vereenigde Staten en zijne bewoners niet anders kende dan uit hetgeen hij uitde Negerhutmogt bijeenzamelen, zou het voor de eene of andere streek op de grenzen van het Rijk der Duisternis moeten houden. Wij zeggen niet, dat Mevrouw Stowe door kwade drijfveren tot het schrijven van haar werk werd aangespoord, maar wij houden het er voor, dat zij een kwaad heeft gedaan, dat geene onkunde kan verontschuldigen en geen berouw kan goed maken.
„Zij heeft dit gedaan door hun, als slavenhouders, in het oog der wereld, de schuld te geven van de misbruiken eener instelling, waaraan zij ten eenemale onschuldig zijn. Haar werk is zoodanig ingerigt, dat het slechts drie schaduwzijden der slavernij bloot geeft: vooreerst, dewreede behandelingder slaven; ten tweede, descheiding van huisgezinnen; en ten derde, hetgemis aan godsdienstig onderwijsvoor slaven.
Om het eerste aan te toonen, laat zij eene belooning uitloven voor het terugbrengen „dood of levend” van een weggeloopen slaaf, hoewel men nog nooit van eene belooning met zulk een alternatief gehoord heeft of heeft kunnen hooren ten zuiden der lijn van Mason en Dixon, en het herhaaldelijk door de Zuidelijke geregtshoven is uitgemaakt, „dat een slaaf, die slechts weggeloopen is, niet mag gedood worden.” Zij legt woorden als deze in den mond van een harer personen: „De eigenaar, die het ergste doet, handelt nog slechts binnen de perken der magt, die de wet hem toekent;” terwijl integendeel het Burgerlijk Wetboek van den Staat waarin de schrijfster zulk een bewering doet uiten—Louisiana—bepaalt, dat:
„De slaaf geheel ondergeschikt is aan den wil van zijn meester, die hem mag kastijden en straffen,maar niet met overdreven gestrengheid, of zoodanig dat verlamming of verminking er het gevolg van kan zijn, of zijn leven in gevaar wordt gesteld of zijn dood veroorzaakt.”
Terwijl dat wetboek eene geregtelijke verkooping vaststelt: „Wanneer de bewijzen aanwezig zijn, dat de eigenaar zijne slaven heeft mishandeld en de regter het oorbaar keurt, behalve het opleggen der voor dat geval vastgestelde straf, ook het in het openbaar verkoopen van den slaaf te bevelen,ten einde dezen buiten het bereik te stellen der magt, waarvan de eigenaar misbruik heeft gemaakt.”
„Indien iemand, wie ook, willens en wetens zijn slaaf of den slaaf van een ander doodt, zal hij, wanneer zijne daad bewezen is, overeenkomstig de wetten worden behandeld en gestraft.”
In het vorige jaar werd door het Hoog Geregtshof in Virginia aangenomen, in het regtsgeding van Souther tegen den Staat, dat het dooden van een slaaf door zijn meester en eigenaar, ten gevolge van zweepslagen op diens last en met overdreven gestrengheid gegeven, moord is,al mogt ook het oogmerk van den meester en eigenaar niet geweest zijn den slaaf te dooden! En het is nog geen zes maanden geleden, dat de Gouverneur van Virginia, Johnston, een slaaf vrijsprak, die zijn meester, welke hem wreed had mishandeld, had gedood.
En toch, ondanks zulke wetten en uitspraken, doet Mevrouw Stowe eene lange reeks van mishandelingen jegens de zwarten veronderstellen, door haar voorbeeldeloozen held Tom in Louisiana letterlijk te laten dood geeselen door zijn meester Legree; en deze feiten, die de wet als misdadig erkent en als zoodanig straft, beschrijft zij gedurig met de meestafschrikwekkendekleuren, om de instelling der slavernij te doen kennen!
Evenzoo handelt zij ten opzigte van het wegnemen van kinderen van hunne ouders. Een groot deel der intrigue berust op het verkoopen, in Louisiana, van een kind van Eliza „acht of negen jaar oud” zonder zijne moeder. Had de schrijfster het wetboek van Louisiana opgeslagen, zij zou daar het volgende hebben gevonden:
„Een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders te verkoopenkinderen, die den vollen ouderdom van tien jaren nog niet hebben bereikt.”
„Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meer slavenkinderen,onder den leeftijd van tien jaarverkoopen,zonder gezegd kind of gezegde kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moederverkoopen, zullen die persoon of personen veroordeeld worden tot eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene gevangenisstraf voor een tijd van zes tot twaalf maanden.”
Het gemis aan godsdienstig onderwijs, zoo als Mevrouw Stowe het voorstelt, is inderdaad ten eenemale ongegrond. De talrijkste kerkelijke gemeenten in de Vereenigde Staten bestaan geheel uit slaven. De eerste Afrikaansche kerken te Louisville en te Augusta, die vijftien honderd en dertien honderd leden tellen, kunnen daarvan ten bewijze strekken. Onder de groote gemeenten op de uitgestrektste plantages in de verschillende Staten van het Zuiden, worden de voorschriften van het Evangelie even goed in stand gehouden door erkende geestelijken als in andere gemeenten in het Noorden of Zuiden. Overal is de verhouding tusschen hen die ledematen en die geene ledematen zijn voor de slaven veel gunstiger dan voor de blanken. Iedere godsdienstige bijeenkomst in het Zuiden, in de steden en op het land, bestaat in den regel voor het meerendeel uit zwarten; terwijl in de kerken in het Noorden onder de vijftig personen naauwelijks één kleurling gevonden wordt.
Het gansche werk is met de waarheid in strijd, omdat de schrijfster juist die gevallen, die òf hoogst zeldzaam voorkomen òf onmogelijk kunnen plaats hebben, ter kenschetsing van het stelsel bezigt. Op dezelfde wijze, waarop zij te werk is gegaan, zou het niet moeijelijk zijn een geducht argument zamen te stellen tegen de betrekking tusschen echtgenooten onderling, of tusschen ouders en hunne kinderen, of voogden en pupillen; want duizende vrouwen en kinderen en pupillen zijn mishandeld ja zelfs vermoord geworden. Het is slecht, onverschoonbaar slecht, om aan eenige maatschappelijke betrekking die buitensporigheden ten laste te leggen, dieslechts het gevolg zijn van de diepste verdorvenheid der menschelijke natuur. De geheele roman draagt van het begin tot het eind de kenmerken van eene belagchelijk overdreven zucht om alles te generaliseren. De Oom Tom der schrijfster is een volmaakte engel en hare zwarten zijn over het algemeen halve engelen; haar Simon Legree is een volmaakte duivel, en hare blanken zijn over het algemeen halve duivels. Zij heeft ook een zekeren wrevel tegen de geestelijkheid; en onder de velen, die zij op verschillende plaatsen op het tapijt brengt, zijn allen, op één onbeduidend persoon na, farizeën of huichelaars. Iemand, die de Vereenigde Staten en zijne bewoners niet anders kende dan uit hetgeen hij uitde Negerhutmogt bijeenzamelen, zou het voor de eene of andere streek op de grenzen van het Rijk der Duisternis moeten houden. Wij zeggen niet, dat Mevrouw Stowe door kwade drijfveren tot het schrijven van haar werk werd aangespoord, maar wij houden het er voor, dat zij een kwaad heeft gedaan, dat geene onkunde kan verontschuldigen en geen berouw kan goed maken.
Van een zeer geacht correspondent teRichmond, Virginia, ontving de schrijfster het volgende:
Ik wil dezen morgen u eenige weinige opmerkingen mededeelen, die bij mij zijn ontstaan met betrekking tot volgende uitgaven van uw werk„de Negerhut,” dat, naar ik hoop, al den invloed zal uitoefenen, waartoe het, dank zij uw talent, in staat is, niet enkelbuitenmaar ookinden kring der slavernij zelven, waaruit het tot nog toe wordt geweerd. Het beantwoordt wel door zijne schoonheden aan de vereischten der kunst, en doet het menschelijk gevoel eer aan, maar het zou, met opzigt tot de naauwkeurigheid der feiten, die er in worden aangetroffen, kunnen verbeterd worden, zonder dat het werk daardoor zou lijden. Zoo doet gij, bij voorbeeld, het grootste onregt aan de stellige wetten der Zuidelijke Staten, wanneer gij meer vertrouwt dan noodig is dat het menschelijk gevoel van het publiek of van bijzondere personen het kwaad zal verzachten, dat de wet veroorlooft.Ik sluit hierin het volgende uittreksel uit een onzer zuidelijke dagbladen:„Dat zal ik wel beschikken. Zij zijn nog jong in het vak,en zullen wel begrijpen, dat zij goedkoop moeten werken,” antwoordde Marks, terwijl hij stil voortlas. „Drie ervan zijn gemakkelijke karreweijen, want al wat zij te doen hebben is ze dood te schieten, of te zweren dat zij doodgeschoten zijn; en daar kunnen zij natuurlijk niet veel voor rekenen.”De lezer ziet dat in dit kostelijk gesprek twee aantijgingen tegen het Zuiden liggen opgesloten;—vooreerst, de gewoonte der slavenhouders in het zuiden om voor het terugbrengen van gevlugte slaven, „dood of levend” eene belooning uit te loven; en ten andere, dat de vervolgers in den regel hen doodschieten. En daar dit dan ook de gemakkelijkste wijze is om de belooning te verwerven, zouden wij ook wel geneigd zijn te gelooven, dat het doodschieten in die gevallen de meest gebruikelijke is. Maar wanneer een slavenhouder in het zuiden eene premie uitlooft voor zijn weggeloopen slaaf, doet hij dit, omdat hij een zeker gedeelte van zijne bezitting, vertegenwoordigd door den neger, dien hij wenscht terug te bekomen, verloren heeft. Welke man uit Vermont, wiens os of ezel is weggeloopen, zou terstond de halve waarde van het dier uitloven, niet voor het doode ligchaam, dat nog tot eenig nuttig doel zou zijn aan te wenden, maar tot voldoening zijner wraakzucht? En toch staan die twee gevallen volkomen gelijk. Wat aangaat de bewering, dat het in het Zuiden geoorloofd is met geweren met twee loopen uit te gaan, om op gevlugte negers te schieten, liever dan hen te vangen, wij kunnen alleen zeggen, dat dit even slecht en baldadig als belagchelijk zou zijn. Er kunnen deugnieten geweest zijn als Marks en Loker, die op zulk eene baldadige wijze negers hebben gedood; maar zoo zij aan de galg zijn ontkomen, zal men hen waarschijnlijk moeten zoeken in onze tuchthuizen, waar op staatskosten behoorlijk voor hen gezorgd wordt. De wetten der Staten van het Zuiden, die, even als bij alle wel geordende Staten, de bescherming van personen en eigendommen ten doel hebben, zijn niet zoo onoordeelkundig ontworpen, dat zij haar doel missen daar waar persoon en eigendom één zijn.„De wet betreffende het dooden van weggeloopen slaven is met zooveel helderheid en juistheid uitgelegd door een regter in Zuid-Carolina, dat wij niet kunnen nalaten zijne uitspraak, die hier juist ter snede komt, mede te deelen. In de zaak van Witsell tegen Earnest en Parker, drukte deregter Colcock volgenderwijze het oordeel van het Hof uit:„Volgens de wet van 1740 mag de blanke zijn slaaf kastijden of in ligten graad straffen, wanneer hij wordt aangetroffen buiten de plantage, waarop hij werkzaam is; en indien de slaaf den blanke aanvalt, mag hij hem dooden; maar een slaaf, die slechts gevlugt is, mag niet gedood worden. Wanneer wij den neger als persoon beschouwen, hebben de beschuldigden ook de gewone wet tegen zich; want zij worden door die wet niet gemagtigd hem als een misdadiger te behandelen, en zonder die magt mogen zij hem het leven niet ontnemen.”Verder leest men in den Roman:„Men denkt gewoonlijk dat het eigenbelang in zulke gevallen een voldoende waarborg is. Wanneer iemand verkiest zijne eigene bezittingen te vernielen, weet ik niet wat er aan te doen is. Het schijnt dat die arme vrouw eene diefegge en aan den drank was, en dus kan men niet hopen, dat men iemand zal kunnen bewegen om zich aan haar te laten gelegen liggen.”„Het is ontzettend—het is afschuwelijk, Augustine! Het zal zeker eens oordeel over u brengen.”„Lieve Nicht, ik heb het niet gedaan en ik kan het niet verhelpen; ik zou wel willen, als ik maar kon. Als gemeene, ruwe kerels, naar hunnen aard willen handelen, wat zal ik er dan aan doen. Zij hebben onbeperkte magt; zij zijn onverantwoordelijke despoten. Het zou niet baten zich met hen te willen bemoeijen; er is geene wet, die in zulk een geval van wezenlijke hulp is. Het beste, dat wij kunnen doen, is oogen en ooren sluiten, en het maar zoo te laten. Dat is het eenige wat ons overschiet.”En verder zegt St. Clare in hetzelfde gesprek.„Uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn, uit vrouwen geboren en geene wilde dieren, willen velen van ons niet, durven velen van ons niet—achten wij ons te goed, om de volle magt te gebruiken, die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij, die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate de magt, die de wet hem geeft.”Mevrouw Stowe zegt ons door den mond van St. Clare; dat er geen wet is die in zulke gevallen voorziet, en dat hij,die hetverste gaat en het ergste doet—dat is hem een oog of een ligchaamsdeel of zelfs het leven ontneemt,—nog maar de magt gebruikt die de wet hem geeft. Dit is eene schrikkelijke, eene vreeselijke beschuldiging, die ligtvaardig en zonder bewijzen daar neer geworpen, op hem, die ze uitspreekt, eene groote verantwoordelijkheid doet rusten. Gaan wij na hoe het Wetboek van Louisiana over dit punt spreekt. Wanneer de lezer het Burgerlijke Wetboek van dien Staat inziet, zal hij in het derde hoofdstuk, art. 173, deze algemeene verklaring vinden:„De slaaf is geheel ondergeschikt aan den wil van zijn meester, die hem mag kastijden en straffen,maar niet met overdreven gestrengheid, of zoodanig, dat verlamming of verminking er het gevolg van kan zijn, of zijn leven in gevaar wordt gesteld of zijn dood veroorzaakt.”Op eene volgende bladzijde van hetzelfde deel en hoofdstuk, onder art. 192, vinden wij een maatregel tot bescherming van den slaaf tegen mishandelingen van zijn meester, in de bepaling welke een van de twee gevallen aangeeft, waarin een eigenaar gedwongen kan worden zijn slaaf te verkoopen. Daar staat:„Wanneer de bewijzen aanwezig zijn, dat de eigenaar zijne slaven heeft mishandeld en de regter het oorbaar keurt, behalve het opleggen der voor die gevallen vastgestelde straf, ook het in het openbaar verkoopen van den slaaf te bevelenten einde dezen buiten het bereik te stellen der magt, waarvan de eigenaar misbruik heeft gemaakt.”Eene wet, welke op die wijze waakt voor de veiligheid van lijf en leven des negers beperkt zich niet tot loutere voorschriften, maar spreekt ook straffen uit voor het geval, dat daarop inbreuk wordt gemaakt. In denCode Noirvan Louisiana, wordt, onder het hoofdstuk misdaden en misdrijven, no. 55, § XVI gezegd:„Indien iemand, wie ook, willens en wetens zijn slaaf of den slaaf van een ander doodt, zal hij, wanneer zijne daad bewezen is, overeenkomstig de wet worden behandeld en gestraft.„En omdat een neger niet als getuige voor de Regtbank kan optreden, en het bewijs van zulke misdaden dus moeijelijk zou te leveren zijn, is verder bepaald, dat:„Indien een slaaf verminkt, geslagen of mishandeld is, instrijd met de bedoeling van deze wet, zonder dat daarbij eenige getuige aanwezig is, zal in dat geval de eigenaar, of ieder ander persoon, die over den aldus verminkten slaaf gesteld was, verantwoordelijk voor en schuldig aan die daad verklaard worden en zonder verder bewijs worden veroordeeld, tenzij gezegde eigenaar of persoon voornoemd, het tegendeel kan aantoonen door middel van een goed en deugdelijk bewijs, of zich zelven van de beschuldiging kan zuiveren door eenen eed, welken eed elke Regtbank, die met het onderzoek en de behandeling van zulk eene misdaad belast is, door deze wet gemagtigd wordt af te nemen.”Dit zij genoeg om de valschheid der stelling te bewijzen, die de schrijfster St. Clare in den mond legt, dat wreede meesters onverantwoordelijke dwingelanden zijn; althans in Louisiana. Het zou ons overzigt te uitgebreid maken, indien wij ons ten taak stelden al de wetten mede te deelen, die in elk der Zuidelijke Staten met betrekking tot het dooden van slaven bestaan. Die misdaad is zeldzaam en het is dan ook slechts bij uitzondering dat men in de dagbladen daarvan vindt melding gemaakt. Wij kunnen echter van twee gevallen spreken. In de zaak van Fields tegen den StaatTennesseewas de appellant door de regtbank van Maury beschuldigd van moord op een negerslaaf; ofschoon hij de misdaad ontkend had, was hij schuldig verklaard aan het opzettelijk en misdadig dooden van den slaaf. Van dit vonnis was hij in appel gekomen, maar het appel werd verworpen en het Hof bekrachtigde het vonnis in eersten aanleg gewezen. De uitspraak van het Hof, bij monde van den regter Peek, getuigt voor den verlichten geest en het menschelijk gevoel des regters. De conclusie luidt aldus:„Zeer juist heeft een der regters in Noord-Carolina gezegd, dat de eigenaar het regt heeft om door zijn slaaf meer arbeid te doen verrigten, en de slaaf geen regt heeft zich daartegen te verzetten; maar dit geeft den meester geen regt over het leven van den slaaf. Bij de uitspraak van dien regter voeg ik nog dit, dat de wet, die zegt: „gij zult niet doodslaan”, ook den slaaf beschermt en hij door de letter zelve gedekt wordt. De wet, de rede, de Christelijke leer, en de menschelijkheid stemmen hierin allen overeen.”Door het Hoog Geregtshof van Virginia werd in 1851, in de zaak van Souther tegen den Staat, uitgewezen, dat hetdooden van een slaaf, door opzettelijk en wreedaardig geeselen, manslag is,al mogt het oogmerk van den eigenaar ook niet geweest zijn den slaaf te dooden.”De schrijfster legt dus volstrekte onkunde met de wet en de contracten in het Zuiden, die over slaven handelen, aan den dag, wanneer zij George door zijnen meester uit de fabriek doet nemen, zonder de toestemming van den eigenaar. George is, krachtens het contract waarbij hij is verhuurd, het eigendom geworden van den eigenaar voor den bij het contract bepaalden tijd, en zijn meester kan hem evenmin met geweld terugnemen als de eigenaar van een huis in Massachusetts den huurder daaruit kan doen zetten uit louter willekeur of grilligheid. Er is geene regtbank in Kentucky, die de regten van den huurder niet in dit opzigt zou handhaven.Nog lezen wij:„Neen. Mijn vader kocht haar eens, toen hij te Nieuw-Orleans was, en bragt haar mede als een presentje voor mijne moeder. Zij was toen omtrent acht of negen jaar oud. Vader wilde moeder nooit zeggen, wat hij voor haar gaf; maar toen ik later zijne oude papieren nazag, vond ik den koopbrief. Hij had inderdaad eene buitensporige som voor haar betaald, waarschijnlijk om hare ongemeene schoonheid.”„George zat met zijn rug naar Cassy en lette niet op de vurige belangstelling, die haar gelaat uitdrukte, toen hij deze bijzonderheden vermeldde.„Nu stiet zij hem aan den arm en zeide, bleek van aandoening en angstige spanning: „Weet gij ook van wien hij haar kocht?”„Een man die Simmons heette was, geloof ik, de principaal bij den verkoop, ten minste dat was, als ik mij wel bedenk, de naam die onder den koopbrief stond.”„O, mijn God!” zeide Cassy, en zonk bewusteloos op den grond.”Kortom, Eliza blijkt Cassy’s kind te zijn, en wij worden dan ook spoedig getuigen van de ontmoeting der bloedverwanten te Montreal, waar George Harris, vijf of zes jaar na het tijdstip, waarop de roman aanvangt, in ruime omstandigheden leeft.Nu zal het misschien den lezer verwonderen, wanneer hijverneemt, dat het verkoopen van Cassy zonder Eliza, waarop dit verhaal geheel berust, eene gebeurtenis is, die nimmer in Louisiana kon plaats hebben, en dat de verkoop-acte van Eliza de waarde zelfs niet had van het papier, waarop zij geschreven was. En wel om de volgende reden. George Shelby verhaalt, dat Eliza acht of negen jaar oud was, toen zijn vader haar te New-Orleans kocht. Slaan wij nu nogmaals een blik in het wetboek van Louisiana.In denCode Noirvinden wij:„Aan een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders,kinderente verkoopen,die niet den vollen leeftijd van tien jaar bereikt hebben.”En deze menschlievende bepaling wordt nog versterkt door eene wet, waarvan een der bepalingen aldus luidt:„Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meerslavenkinderen onder den leeftijd van tien jaarverkoopen,zonder gezegd kind of kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moeder verkoopen, zal op die persoon of personen de straf van toepassing zijn in de zesde afdeeling van deze wet omschreven.Deze straf bestaat in eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene tuchthuisstraf van zes tot twaalf maanden. Zie Wetten van Louisiana, Iste zitting, 1828, 1829, no. 24, afdeeling XVI.”
Ik wil dezen morgen u eenige weinige opmerkingen mededeelen, die bij mij zijn ontstaan met betrekking tot volgende uitgaven van uw werk„de Negerhut,” dat, naar ik hoop, al den invloed zal uitoefenen, waartoe het, dank zij uw talent, in staat is, niet enkelbuitenmaar ookinden kring der slavernij zelven, waaruit het tot nog toe wordt geweerd. Het beantwoordt wel door zijne schoonheden aan de vereischten der kunst, en doet het menschelijk gevoel eer aan, maar het zou, met opzigt tot de naauwkeurigheid der feiten, die er in worden aangetroffen, kunnen verbeterd worden, zonder dat het werk daardoor zou lijden. Zoo doet gij, bij voorbeeld, het grootste onregt aan de stellige wetten der Zuidelijke Staten, wanneer gij meer vertrouwt dan noodig is dat het menschelijk gevoel van het publiek of van bijzondere personen het kwaad zal verzachten, dat de wet veroorlooft.
Ik sluit hierin het volgende uittreksel uit een onzer zuidelijke dagbladen:
„Dat zal ik wel beschikken. Zij zijn nog jong in het vak,en zullen wel begrijpen, dat zij goedkoop moeten werken,” antwoordde Marks, terwijl hij stil voortlas. „Drie ervan zijn gemakkelijke karreweijen, want al wat zij te doen hebben is ze dood te schieten, of te zweren dat zij doodgeschoten zijn; en daar kunnen zij natuurlijk niet veel voor rekenen.”
De lezer ziet dat in dit kostelijk gesprek twee aantijgingen tegen het Zuiden liggen opgesloten;—vooreerst, de gewoonte der slavenhouders in het zuiden om voor het terugbrengen van gevlugte slaven, „dood of levend” eene belooning uit te loven; en ten andere, dat de vervolgers in den regel hen doodschieten. En daar dit dan ook de gemakkelijkste wijze is om de belooning te verwerven, zouden wij ook wel geneigd zijn te gelooven, dat het doodschieten in die gevallen de meest gebruikelijke is. Maar wanneer een slavenhouder in het zuiden eene premie uitlooft voor zijn weggeloopen slaaf, doet hij dit, omdat hij een zeker gedeelte van zijne bezitting, vertegenwoordigd door den neger, dien hij wenscht terug te bekomen, verloren heeft. Welke man uit Vermont, wiens os of ezel is weggeloopen, zou terstond de halve waarde van het dier uitloven, niet voor het doode ligchaam, dat nog tot eenig nuttig doel zou zijn aan te wenden, maar tot voldoening zijner wraakzucht? En toch staan die twee gevallen volkomen gelijk. Wat aangaat de bewering, dat het in het Zuiden geoorloofd is met geweren met twee loopen uit te gaan, om op gevlugte negers te schieten, liever dan hen te vangen, wij kunnen alleen zeggen, dat dit even slecht en baldadig als belagchelijk zou zijn. Er kunnen deugnieten geweest zijn als Marks en Loker, die op zulk eene baldadige wijze negers hebben gedood; maar zoo zij aan de galg zijn ontkomen, zal men hen waarschijnlijk moeten zoeken in onze tuchthuizen, waar op staatskosten behoorlijk voor hen gezorgd wordt. De wetten der Staten van het Zuiden, die, even als bij alle wel geordende Staten, de bescherming van personen en eigendommen ten doel hebben, zijn niet zoo onoordeelkundig ontworpen, dat zij haar doel missen daar waar persoon en eigendom één zijn.
„De wet betreffende het dooden van weggeloopen slaven is met zooveel helderheid en juistheid uitgelegd door een regter in Zuid-Carolina, dat wij niet kunnen nalaten zijne uitspraak, die hier juist ter snede komt, mede te deelen. In de zaak van Witsell tegen Earnest en Parker, drukte deregter Colcock volgenderwijze het oordeel van het Hof uit:
„Volgens de wet van 1740 mag de blanke zijn slaaf kastijden of in ligten graad straffen, wanneer hij wordt aangetroffen buiten de plantage, waarop hij werkzaam is; en indien de slaaf den blanke aanvalt, mag hij hem dooden; maar een slaaf, die slechts gevlugt is, mag niet gedood worden. Wanneer wij den neger als persoon beschouwen, hebben de beschuldigden ook de gewone wet tegen zich; want zij worden door die wet niet gemagtigd hem als een misdadiger te behandelen, en zonder die magt mogen zij hem het leven niet ontnemen.”
Verder leest men in den Roman:„Men denkt gewoonlijk dat het eigenbelang in zulke gevallen een voldoende waarborg is. Wanneer iemand verkiest zijne eigene bezittingen te vernielen, weet ik niet wat er aan te doen is. Het schijnt dat die arme vrouw eene diefegge en aan den drank was, en dus kan men niet hopen, dat men iemand zal kunnen bewegen om zich aan haar te laten gelegen liggen.”„Het is ontzettend—het is afschuwelijk, Augustine! Het zal zeker eens oordeel over u brengen.”„Lieve Nicht, ik heb het niet gedaan en ik kan het niet verhelpen; ik zou wel willen, als ik maar kon. Als gemeene, ruwe kerels, naar hunnen aard willen handelen, wat zal ik er dan aan doen. Zij hebben onbeperkte magt; zij zijn onverantwoordelijke despoten. Het zou niet baten zich met hen te willen bemoeijen; er is geene wet, die in zulk een geval van wezenlijke hulp is. Het beste, dat wij kunnen doen, is oogen en ooren sluiten, en het maar zoo te laten. Dat is het eenige wat ons overschiet.”En verder zegt St. Clare in hetzelfde gesprek.„Uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn, uit vrouwen geboren en geene wilde dieren, willen velen van ons niet, durven velen van ons niet—achten wij ons te goed, om de volle magt te gebruiken, die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij, die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate de magt, die de wet hem geeft.”
Verder leest men in den Roman:
„Men denkt gewoonlijk dat het eigenbelang in zulke gevallen een voldoende waarborg is. Wanneer iemand verkiest zijne eigene bezittingen te vernielen, weet ik niet wat er aan te doen is. Het schijnt dat die arme vrouw eene diefegge en aan den drank was, en dus kan men niet hopen, dat men iemand zal kunnen bewegen om zich aan haar te laten gelegen liggen.”
„Het is ontzettend—het is afschuwelijk, Augustine! Het zal zeker eens oordeel over u brengen.”
„Lieve Nicht, ik heb het niet gedaan en ik kan het niet verhelpen; ik zou wel willen, als ik maar kon. Als gemeene, ruwe kerels, naar hunnen aard willen handelen, wat zal ik er dan aan doen. Zij hebben onbeperkte magt; zij zijn onverantwoordelijke despoten. Het zou niet baten zich met hen te willen bemoeijen; er is geene wet, die in zulk een geval van wezenlijke hulp is. Het beste, dat wij kunnen doen, is oogen en ooren sluiten, en het maar zoo te laten. Dat is het eenige wat ons overschiet.”
En verder zegt St. Clare in hetzelfde gesprek.
„Uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn, uit vrouwen geboren en geene wilde dieren, willen velen van ons niet, durven velen van ons niet—achten wij ons te goed, om de volle magt te gebruiken, die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij, die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate de magt, die de wet hem geeft.”
Mevrouw Stowe zegt ons door den mond van St. Clare; dat er geen wet is die in zulke gevallen voorziet, en dat hij,die hetverste gaat en het ergste doet—dat is hem een oog of een ligchaamsdeel of zelfs het leven ontneemt,—nog maar de magt gebruikt die de wet hem geeft. Dit is eene schrikkelijke, eene vreeselijke beschuldiging, die ligtvaardig en zonder bewijzen daar neer geworpen, op hem, die ze uitspreekt, eene groote verantwoordelijkheid doet rusten. Gaan wij na hoe het Wetboek van Louisiana over dit punt spreekt. Wanneer de lezer het Burgerlijke Wetboek van dien Staat inziet, zal hij in het derde hoofdstuk, art. 173, deze algemeene verklaring vinden:
„De slaaf is geheel ondergeschikt aan den wil van zijn meester, die hem mag kastijden en straffen,maar niet met overdreven gestrengheid, of zoodanig, dat verlamming of verminking er het gevolg van kan zijn, of zijn leven in gevaar wordt gesteld of zijn dood veroorzaakt.”
Op eene volgende bladzijde van hetzelfde deel en hoofdstuk, onder art. 192, vinden wij een maatregel tot bescherming van den slaaf tegen mishandelingen van zijn meester, in de bepaling welke een van de twee gevallen aangeeft, waarin een eigenaar gedwongen kan worden zijn slaaf te verkoopen. Daar staat:
„Wanneer de bewijzen aanwezig zijn, dat de eigenaar zijne slaven heeft mishandeld en de regter het oorbaar keurt, behalve het opleggen der voor die gevallen vastgestelde straf, ook het in het openbaar verkoopen van den slaaf te bevelenten einde dezen buiten het bereik te stellen der magt, waarvan de eigenaar misbruik heeft gemaakt.”
Eene wet, welke op die wijze waakt voor de veiligheid van lijf en leven des negers beperkt zich niet tot loutere voorschriften, maar spreekt ook straffen uit voor het geval, dat daarop inbreuk wordt gemaakt. In denCode Noirvan Louisiana, wordt, onder het hoofdstuk misdaden en misdrijven, no. 55, § XVI gezegd:
„Indien iemand, wie ook, willens en wetens zijn slaaf of den slaaf van een ander doodt, zal hij, wanneer zijne daad bewezen is, overeenkomstig de wet worden behandeld en gestraft.
„En omdat een neger niet als getuige voor de Regtbank kan optreden, en het bewijs van zulke misdaden dus moeijelijk zou te leveren zijn, is verder bepaald, dat:
„Indien een slaaf verminkt, geslagen of mishandeld is, instrijd met de bedoeling van deze wet, zonder dat daarbij eenige getuige aanwezig is, zal in dat geval de eigenaar, of ieder ander persoon, die over den aldus verminkten slaaf gesteld was, verantwoordelijk voor en schuldig aan die daad verklaard worden en zonder verder bewijs worden veroordeeld, tenzij gezegde eigenaar of persoon voornoemd, het tegendeel kan aantoonen door middel van een goed en deugdelijk bewijs, of zich zelven van de beschuldiging kan zuiveren door eenen eed, welken eed elke Regtbank, die met het onderzoek en de behandeling van zulk eene misdaad belast is, door deze wet gemagtigd wordt af te nemen.”
Dit zij genoeg om de valschheid der stelling te bewijzen, die de schrijfster St. Clare in den mond legt, dat wreede meesters onverantwoordelijke dwingelanden zijn; althans in Louisiana. Het zou ons overzigt te uitgebreid maken, indien wij ons ten taak stelden al de wetten mede te deelen, die in elk der Zuidelijke Staten met betrekking tot het dooden van slaven bestaan. Die misdaad is zeldzaam en het is dan ook slechts bij uitzondering dat men in de dagbladen daarvan vindt melding gemaakt. Wij kunnen echter van twee gevallen spreken. In de zaak van Fields tegen den StaatTennesseewas de appellant door de regtbank van Maury beschuldigd van moord op een negerslaaf; ofschoon hij de misdaad ontkend had, was hij schuldig verklaard aan het opzettelijk en misdadig dooden van den slaaf. Van dit vonnis was hij in appel gekomen, maar het appel werd verworpen en het Hof bekrachtigde het vonnis in eersten aanleg gewezen. De uitspraak van het Hof, bij monde van den regter Peek, getuigt voor den verlichten geest en het menschelijk gevoel des regters. De conclusie luidt aldus:
„Zeer juist heeft een der regters in Noord-Carolina gezegd, dat de eigenaar het regt heeft om door zijn slaaf meer arbeid te doen verrigten, en de slaaf geen regt heeft zich daartegen te verzetten; maar dit geeft den meester geen regt over het leven van den slaaf. Bij de uitspraak van dien regter voeg ik nog dit, dat de wet, die zegt: „gij zult niet doodslaan”, ook den slaaf beschermt en hij door de letter zelve gedekt wordt. De wet, de rede, de Christelijke leer, en de menschelijkheid stemmen hierin allen overeen.”
Door het Hoog Geregtshof van Virginia werd in 1851, in de zaak van Souther tegen den Staat, uitgewezen, dat hetdooden van een slaaf, door opzettelijk en wreedaardig geeselen, manslag is,al mogt het oogmerk van den eigenaar ook niet geweest zijn den slaaf te dooden.”
De schrijfster legt dus volstrekte onkunde met de wet en de contracten in het Zuiden, die over slaven handelen, aan den dag, wanneer zij George door zijnen meester uit de fabriek doet nemen, zonder de toestemming van den eigenaar. George is, krachtens het contract waarbij hij is verhuurd, het eigendom geworden van den eigenaar voor den bij het contract bepaalden tijd, en zijn meester kan hem evenmin met geweld terugnemen als de eigenaar van een huis in Massachusetts den huurder daaruit kan doen zetten uit louter willekeur of grilligheid. Er is geene regtbank in Kentucky, die de regten van den huurder niet in dit opzigt zou handhaven.
Nog lezen wij:„Neen. Mijn vader kocht haar eens, toen hij te Nieuw-Orleans was, en bragt haar mede als een presentje voor mijne moeder. Zij was toen omtrent acht of negen jaar oud. Vader wilde moeder nooit zeggen, wat hij voor haar gaf; maar toen ik later zijne oude papieren nazag, vond ik den koopbrief. Hij had inderdaad eene buitensporige som voor haar betaald, waarschijnlijk om hare ongemeene schoonheid.”„George zat met zijn rug naar Cassy en lette niet op de vurige belangstelling, die haar gelaat uitdrukte, toen hij deze bijzonderheden vermeldde.„Nu stiet zij hem aan den arm en zeide, bleek van aandoening en angstige spanning: „Weet gij ook van wien hij haar kocht?”„Een man die Simmons heette was, geloof ik, de principaal bij den verkoop, ten minste dat was, als ik mij wel bedenk, de naam die onder den koopbrief stond.”„O, mijn God!” zeide Cassy, en zonk bewusteloos op den grond.”
Nog lezen wij:
„Neen. Mijn vader kocht haar eens, toen hij te Nieuw-Orleans was, en bragt haar mede als een presentje voor mijne moeder. Zij was toen omtrent acht of negen jaar oud. Vader wilde moeder nooit zeggen, wat hij voor haar gaf; maar toen ik later zijne oude papieren nazag, vond ik den koopbrief. Hij had inderdaad eene buitensporige som voor haar betaald, waarschijnlijk om hare ongemeene schoonheid.”
„George zat met zijn rug naar Cassy en lette niet op de vurige belangstelling, die haar gelaat uitdrukte, toen hij deze bijzonderheden vermeldde.
„Nu stiet zij hem aan den arm en zeide, bleek van aandoening en angstige spanning: „Weet gij ook van wien hij haar kocht?”
„Een man die Simmons heette was, geloof ik, de principaal bij den verkoop, ten minste dat was, als ik mij wel bedenk, de naam die onder den koopbrief stond.”
„O, mijn God!” zeide Cassy, en zonk bewusteloos op den grond.”
Kortom, Eliza blijkt Cassy’s kind te zijn, en wij worden dan ook spoedig getuigen van de ontmoeting der bloedverwanten te Montreal, waar George Harris, vijf of zes jaar na het tijdstip, waarop de roman aanvangt, in ruime omstandigheden leeft.
Nu zal het misschien den lezer verwonderen, wanneer hijverneemt, dat het verkoopen van Cassy zonder Eliza, waarop dit verhaal geheel berust, eene gebeurtenis is, die nimmer in Louisiana kon plaats hebben, en dat de verkoop-acte van Eliza de waarde zelfs niet had van het papier, waarop zij geschreven was. En wel om de volgende reden. George Shelby verhaalt, dat Eliza acht of negen jaar oud was, toen zijn vader haar te New-Orleans kocht. Slaan wij nu nogmaals een blik in het wetboek van Louisiana.
In denCode Noirvinden wij:
„Aan een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders,kinderente verkoopen,die niet den vollen leeftijd van tien jaar bereikt hebben.”
En deze menschlievende bepaling wordt nog versterkt door eene wet, waarvan een der bepalingen aldus luidt:
„Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meerslavenkinderen onder den leeftijd van tien jaarverkoopen,zonder gezegd kind of kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moeder verkoopen, zal op die persoon of personen de straf van toepassing zijn in de zesde afdeeling van deze wet omschreven.
Deze straf bestaat in eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene tuchthuisstraf van zes tot twaalf maanden. Zie Wetten van Louisiana, Iste zitting, 1828, 1829, no. 24, afdeeling XVI.”
De schrijfster moet hier eene opmerking invoegen. In alle deelen der Zuidelijken Staten treft men slavenhouders aan, die het alleen in naam zijn. Zij zijn niet met het stelsel ingenomen; zij beschouwen het als ten eenemale verkeerd, en toch houden zij er zich aan, alleen omdat zij nog niet weten op welke wijze zij het best dat stelsel veranderen en den toestand verbeteren kunnen van de slaven, die in hun bezit zijn. De zoodanigen zijn de ijverigste kampvechters voor de vrijmaking der slaven, en de vrienden van al wat, met zuivere bedoelingen geschreven, daartoe strekt. Van deze ontvangt de schrijfster steeds gaarne beoordeelingen van haar arbeid.
Zij heeft getracht op de meest volledige wijze alles openbaar te maken wat tegen haar werk kan worden aangevoerd, opdat beide partijen de gelegenheid mogten hebben om door onpartijdigen te worden gehoord.
Toen de schrijfster aan haarNegerhutarbeidde, onbewust van het gewigt dat aan hare mededeelingen en denkbeelden zou worden gehecht, trachtte zij, uit liefde voor de waarheid, zich eenige kennis te verwerven van de wetten, betreffende de slavernij. Zij had tot hare dienst denCode Noirvan Louisiana en een overzigt over de slavenwetten in de verschillende Staten, door den regter Stroud van Philadelphia. Dit werk, dat met groote zorg is zamengesteld naar de laatste uitgaven der wetboeken van de verschillende Staten, achtte de schrijfster een voldoende gids bij het schrijven van een roman.
Daar evenwel de juistheid van verscheidene mededeelingen, de slavenwetten betreffende, betwist is, heeft de schrijfster zich in een grondiger onderzoek begeven. Onder leiding en bijstand van eenige hooggeplaatste regterlijke ambtenaren, heeft zij de opgaven van Stroud nagegaan met het oog op de bestaande wetten en in verband beschouwd met de regterlijke uitspraken daarop gegrond. De uitslag daarvan is geweest, dat zij nog versterkt is geworden in hare overtuiging, dat de feiten, aan het werk van Stroud ontleend, juist waren, en zij kan slechts de woorden van St. Clare herhalen, als de meest volmaakte uitdrukking van de gevoelens en zienswijze, welke die studie bij haar heeft opgewekt.
„Die vervloekte zaak, vervloekt door God en menschen, wat is zij? Ontruk haar alle optooisel, zoek naar haren kern en haren wortel, en wat is zij dan? Wel, omdat mijn broeder Quashy onkundig en zwak is, en ik schrander en sterk ben—omdat ik weet hoe ik dat kan doen en de magt heb—daarom mag ik alles stelen wat hij heeft, het behouden, en hem alleen zooveel geven als mij belieft. Al wat te zwaar, te vuil en te onaangenaam voor mij is, mag ik Quashy laten doen. Omdat ik niet gaarne werk, zal Quashy werken. Omdat de zon mij zengt, zal Quashy in de zon staan. Quashy zal het geld verdienen, en ik zal het verteren. Quashy zal zich in een modderplas leggen, opdat ik er droogvoets kan overstappen. Quashy zal mijn wil doen en niet den zijnen, al de dagen van zijn leven op de aarde, en eindelijk alleen zooveel kans op den hemel hebben, als mij gelegen komt. Dit houd ik ten naastenbij voor hetgeen de slavernijis. Ik tart iedereen uit, om ons slavenwetboek te lezen, gelijk het in onze wetten staat,en er iets anders van te maken. Men praat vanmisbruikender slavernij! Draaijerij! De zaak zelve is een gruwelijk misbruik. En de eenige reden, waarom het land er niet onder verzinkt, gelijk Sodom en Gomorra, is omdat zij oneindig beter wordtgebruiktdan zij is, uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn, uit vrouwen geboren, en geene wilde dieren, willen velen van ons niet, durven velen van ons niet—achten wij ons te goed, om de volle magt te gebruiken, die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij, die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate de magt, die de wet hem geeft.”
„Die vervloekte zaak, vervloekt door God en menschen, wat is zij? Ontruk haar alle optooisel, zoek naar haren kern en haren wortel, en wat is zij dan? Wel, omdat mijn broeder Quashy onkundig en zwak is, en ik schrander en sterk ben—omdat ik weet hoe ik dat kan doen en de magt heb—daarom mag ik alles stelen wat hij heeft, het behouden, en hem alleen zooveel geven als mij belieft. Al wat te zwaar, te vuil en te onaangenaam voor mij is, mag ik Quashy laten doen. Omdat ik niet gaarne werk, zal Quashy werken. Omdat de zon mij zengt, zal Quashy in de zon staan. Quashy zal het geld verdienen, en ik zal het verteren. Quashy zal zich in een modderplas leggen, opdat ik er droogvoets kan overstappen. Quashy zal mijn wil doen en niet den zijnen, al de dagen van zijn leven op de aarde, en eindelijk alleen zooveel kans op den hemel hebben, als mij gelegen komt. Dit houd ik ten naastenbij voor hetgeen de slavernijis. Ik tart iedereen uit, om ons slavenwetboek te lezen, gelijk het in onze wetten staat,en er iets anders van te maken. Men praat vanmisbruikender slavernij! Draaijerij! De zaak zelve is een gruwelijk misbruik. En de eenige reden, waarom het land er niet onder verzinkt, gelijk Sodom en Gomorra, is omdat zij oneindig beter wordtgebruiktdan zij is, uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn, uit vrouwen geboren, en geene wilde dieren, willen velen van ons niet, durven velen van ons niet—achten wij ons te goed, om de volle magt te gebruiken, die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij, die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate de magt, die de wet hem geeft.”
Nog blijft schrijfster dezes bij hare meening, dat de slavernij zelve als in de wetboeken aangenomen en gehandhaafd door de uitspraak der regtbanken, reedsmisbruik en de aanleiding tot misbruikis; en nog koestert zij de hoop, dat ervelenzijn in het Zuiden, dieoneindigbeter zijn, dan de wetten, waaronder zij leven; en wanneer de lezers al de uittreksels gelezen hebben, welke zij voornemens is te maken, zullen zij ter wille der gansche menschheid hetzelfde hopen. De schrijfster moet hier, ten aanzien van eenige aanhalingen, de verklaring afleggen, dat sommige regtsgedingen haar zoo ongeloofelijk voorkwamen, dat zij ze niet heeft willen aannemen op het gezag van de eene of andere verzameling, maar met eigen hand ze heeft overgeschreven uit de laatste uitgave van het wetboek, waarin zij te vinden waren en nog te vinden zijn.