Hoofdstuk I.Wordt de slaaf door de openbare meening beschermd?De volstrekte ontoereikendheid van de wet, om den slaaf in eenig opzigt te beschermen, hebben wij in het licht gesteld.Men zegt evenwel, dat, juist dewijl de wet den slaaf geene bescherming verleent, de openbare meening des te krachtiger in zijn voordeel spreekt.Bij het doorloopen van de verhandelingen der geregtshoven in de slavenhoudende Staten, treft niets veelvuldiger het oog, dan bewijzen van het verregaande onvermogen der wet, om de onbillijkheid jegens dat rampzalige geslacht te lenigen, gepaard aan lofspraken over dien prijzenswaardigen staat van het gevoel des algemeens, dat die erkende onvolledigheid der wet geheel moet aanvullen.Te dezen opzigte is het welligt genoegzaam, zoo wij den lezer, hetzij hij wone in het Noorden of in het Zuiden, verzoeken, bij zich-zelven de geregtelijke documenten na te gaan die wij bijgebragt hebben, en zich af te vragen, welk gevolg, met betrekking tot den staat van dat gevoel des algemeens, getrokken moet worden uit de aangevoerde stukken, uit de pleidooijen der regtsgeleerden, de uitspraken der regters, de door getuigen bezworene feiten en den algemeenen loop en geest van de geregtelijke verhandelingen.Ten einde dit des te beter te kunnen waarderen, willen wij een geding in een vrijen Staatvergelijken met een ander in een slavenhoudenden Staat.In den vrijen Staat Massachusetts bragt een man van aanzien, geleerdheid en voorname betrekkingen een ander man om het leven. Hij martelde hem niet, maar zond hem met één slag de eeuwigheid in. De moordenaar had elk denkbaar voordeel van stand en vrienden; ja, men kan zeggen, dathij de sympathie van ons geheele Gemeenebest bezat; en toch, hoe kalm, met welk eene onverstoorbare en ontzagwekkende bedaardheid, werd het geregtelijk onderzoek voortgezet! De moordenaar werd ter dood veroordeeld—ontroering kwam over het Land! Zelfs souvereine Staten traden op als smeekelingen ten zijnen behoeve.Er verhief zich van Maine tot New-Orleans eene stem om genade. Er werden vertoogen geopperd, bedreigingen geuit; en evenwel, hoe vastberaden, maar zonder hartstogt, vervolgde de wrekende geregtigheid haar weg! Ofschoon de mannen, die de uitvoerders waren van hare bevelen, aangedaan waren en van barmhartigheid bewogen, moesten zij zich toch zwijgend buigen voor haar hoogeren wil. In weêrwil van al wat invloed en rijkdom vermogen, onderging een beschaafd en verstandig man dezelfde straf, welke ieder ander moest treffen, die de heiligheid des levens zou durven aanranden.Stel hier nu tegenover een regtsgeding in een slavenhoudenden Staat. In Virginia heeft iemand, dien wij Souther zullen noemen, ook een mensch vermoord; doch hij bragt hem niet om het leven door één genadeslag, maar door twaalf uren van eene zoo vreeselijke marteling, dat weinig lezers de loutere beschrijving zouden kunnen verduren. Het was eene wijze van sterven, die, om de woorden te gebruiken, welke Cicero in zijn tijd op de kruisiging toepaste, „voor altijd diende verwijderd te worden uit het gehoor, het gezigt, ja zelfs uit de gedachten van het menschdom.” En van dit afgrijselijk tooneel waren twee blanken getuigen geweest!Let nu wel op de wijze waarop beide gevallen behandeld werden en de mate van aandacht die zij trokken. Hoor de advocaten, in de zaak van Souther, koeltjes bespreken of hier zelfs wel aan eene misdaad te denken viel. Hoor de uitspraak van de regtbank van eersten aanleg, dat het moord is met verzachtende omstandigheden, waarop eene gevangenisstraf van vijf jaren moet toegepast worden. Geef acht, hoe de menschenslagter met de houding van een verongelijkt man voor het hoog geregtshof verschijnt! Het proces wordt in de dagbladen eenvoudig vermeld als dat van „Souther contra de Republiek:” en nu willen wij vragen aan elk verstandigman, in het Noorden of in het Zuiden, welk gevoel het algemeen voor zulk eene zaak aan den dag legt?Blijkt er het geloof uit, dat een neger een mensch is? Bewijst het niet bepaaldelijk, dat hijnietbeschouwd wordt als een mensch? Let eens verder op het afgrijselijke beginsel, hetwelk, in dit geval weder bevestigd, de wet is van Virginia:Met opzigt tot de verhouding tusschen meester en slaaf, en ten einde voor eene behoorlijke ondergeschiktheid van de zijde van dezen laatste te zorgen, is de strekking der wet, den meester te beschermen tegen vervolging in alle zoodanige gevallen, zelfs indien de geeseling en bestraffing kwaadwillig, wreed en overdreven geweest is!Wanneer de beschaafdste en verstandigste mannen in den Staat, bepaald en bedaard en schijnbaar zonder te bemerken dat zij iets onmenschelijks zeggen, zulk eene verbazingwekkende uitspraak doen, watmoetmen dan daarvan denken? Indien zijditniet als wreedaardig beschouwen, wat is dan wreedaardig? En, indien hun gevoel zoo verstompt is, dat zij in zulk eene uitspraak geene wreedheid zien, welke hoop kan men dan nog koesteren op eenigerhande bescherming voor den slaaf?Deze wet is eene onbewimpelde en duidelijke vergunning voor zulke ellendelingen als Souther, om den hulpeloozen slaaf elke pijniging te doen ondergaan, die zij goedvinden, zonder blootgesteld te zijn aan eene beschuldiging van misdaad. Zij verklaart hem, en de blanken die van zijne daad getuigen waren en elke andere lage ziel, dat de strekking der wet is, hem te handhaven in de toepassing van zijne kwaadwillige, wreede en overdrevene straffen.Welke opleiding geven de verstandige en beschaafde mannen van een Staat daardoor aan de lagere en minder beschaafde klasse? Veronderstel, dat in Massachusetts plegtig wordt afgekondigd, met opzigt tot de vrije arbeiders of leerjongens, dat, om de ondergeschiktheid te bevorderen, de wet de strekking heeft om den meester te beschermen wanneer hij straf toepast, hoe kwaadwillig, wreed en overdreven dan ook, mits de dood er maar niet op volge. Wij kunnen ons de openbaarmaking van zulk een beginsel niet voorstellen, zonder een opstand en eene uitbarsting van volkswoede, waarbij die van Bunkers Hill onbeduidend zou schijnen;doch, gesteld, de Staat Massachusetts ware zoo ontzenuwd, dat zulk een besluit kon doorgaan zonder tegenstand van de zijde der arbeidende klasse,—gesteld, het ging door en werd eene tastbare wezenlijkheid, welk een invloed zou het hebben op de volksopvoeding in het Gemeenebest? Welke schatting van de arbeidende klasse zou het aanduiden in de gemoederen van hen, die de wet maken en uitvoeren?Hoezeer zou eene dergelijke wet, blijkbaar opgesteld om de menschen in hunne wreedheid te stijven, onmiddellijk ruimen teugel geven aan laagheid en woestheid! Bezitten de menschen niet reeds wreedheid genoeg, zonder dat de majesteit der wet noodig zij om haar te bekrachtigen en eervol te maken?En zoo men ter verdediging van zulk eene wet wilde zeggen: „O! natuurlijk zal nimmer eenig achtenswaardig of menschelijk man er zich van bedienen!” zouden wij dan den ouden Staat Massachusetts niet zeer diep gezonken moeten achten, dat zij in haar wetboek regtstreeksche verzekeringen van bescherming opgenomen had voor daden, die geen man van eer immer zou willen bedrijven?En wanneer deze stuitende vergunning ter toetse gebragt zal worden voor den regterstoel van Christus, en de ontzaggelijke regter aan hare ontwerpers, uitvoerders en verdedigers zal vragen: „Waar is uw broeder?”—wanneer al de zielen, die van onder het altaar hebben geroepen: „Hoe lang, o Heerscher, oordeelt en wreekt gij ons bloed niet,” zich rondom dien regterstoel zullen scharen als eene wolke van getuigen, en het oordeel wordt aangevangen en het boek geopend,—welk antwoord zal dan kunnen gegeven worden voor wetten en uitspraken als deze?Zal men den grooten Regter te gemoet voeren, dat zij noodig waren om de slavernij in stand te houden,—dat deze anders niet had kunnen gehandhaafd worden?Zal men, met zulk eene bekentenis op de lippen, die oogen durven ontmoeten, die als vuurvlammen flonkeren?Zal Hij dan niet, als met eene stemme des donders, antwoorden: „Gij hebt den arme en den nooddruftige omgebragt, en vergeten dat de Heer zijn toeverlaat was”?De doodzonde der slavernij is, dat zij de menschelijkheid verloochent. Dit is de zonde geweest, die der verdrukkingdoor alle tijden heen aankleefde. Het vertreden, schenden en verbrijzelen van Gods beeld in den persoon der armen en geringen is de groote zonde der menschen geweest sinds de grondlegging der wereld. Tegen deze zonde hebben al de profeten van den ouden tijd zich met krachtige stem verheven. Nog sterker getuigenis werd tegen deze zonde ingebragt, toen God in Jezus Christus de menschelijke natuur aannam en elk menschelijk wezen tot een broeder des Heeren maakte. Doch de laatste en meest verhevene getuigenis zal worden geleverd ten dage als eenmenschde geheele aarde zal oordeelen,—een Mensch, die den geringsten slaaf, evenzeer als den fiersten meester, als broeder zal erkennen.In hoogst merkwaardige en treffende bewoordingen wordt in den Bijbel gemeld, dat de Vader het geheele oordeel heeft opgedragen aan den Zoon,omdat deze de Zoon des Menschen is. Die menschelijke natuur, welke, in den persoon van den armen slaaf, is veracht en verworpen, bespot en verguisd, gegeeseld en gemarteld, zal te dien dage verheerlijkt worden; en het zal de vreeselijkste zonde blijken te zijn, zoo men ligtvaardig heeft gehandeld ten aanzien van het geheiligde karakter der menschheid, gelijk deze slavenwetten en instellingen hebben gedaan; want het geheele stelsel der wetgeving, in zake van slavernij, de praktijk van het slavenhouden, en de denkbeelden, welke zich dienaangaande bij het algemeen vormen,—dit alles berust op de grootste der ketterijen,de verloochening van het begrip dat alle menschen broeders zijn. Een geheel geslacht is uit de rij van het menschdom geworpen, zijne onsterfelijkheid voorbijgezien;—hunne waardigheid als kinderen Gods wordt bespot, hunne betrekking als broeders van Christus voor eene fabel gehouden; wet en openbare meening en praktijk ten hunnen aanzien zijn zoodanig, dat men het alleen zou kunnen begrijpen indien zij een ras van redelooze dieren waren.En juist omdat de neger beschouwd wordt als een redeloos dier en geener betere behandeling waardig, houdt men de gedragslijn, die ten zijnen opzigte gevolgd wordt en de behandeling, die hem ten deel valt, voor menschelijk.Neem eene klasse van blanken, hoe onbeschaafd ook, plaats hen onder hetzelfde stelsel van wetten en maak hun civielen toestand in alles gelijk aan dien van den neger: zoudit niet als het toppunt van de onverantwoordelijkste wreedheid beschouwd worden?Stel, bijv., dat de slaven-wetten in ons land van toepassing werden gemaakt op al de Ieren en dat zij verklaard werden tot eigendom van ieder, die geld genoeg had om hen te koopen. Stel dat hun regt om te stemmen, om regtsgedingen in te stellen, om getuigenis in regtszaken af te leggen, om een wettig huwelijk te sluiten, om eigendommen te bezitten of overeenkomsten van allen aard aan te gaan, door ééne pennestreek werd uitgeschrapt. Onderstel al verder, dat het verboden ware hun lezen en schrijven te leeren, en dat hunne kinderen gedoemd waren om tot in de lengte der dagen zonder kennis te blijven voortleven. Onderstel, dat in de geregtszaal verklaard werd, dat hetenkel slaanvan een Ier, „zonder gepaard te gaan met wreedheid of met eenigerhande toeleg om een moord te plegen,” geene overtreding kan geheeten worden. Onderstel, dat er verklaard werd, dat, tot bevordering van de ondergeschiktheid bij hen, de wet den meester zou beschermen, al bleek het ook dat de straf, die hij uitgeoefend had, kwaadwillig, wreed of overdreven was geweest; en onderstel, dat monsters, gelijk Souther, van die vergunning gebruik makende, nu en dan Ieren doodmartelden, doch dat dit van niet genoegzaam belang gerekend werd om den meester eenigen dwang op te leggen. Onderstel dat men koeltjes zeide: „O ja, wij weten wel, dat Ieren wel eens worden doodgemarteld, doch dit is geendoorgaande regel; niemand, van eenigen stand in de maatschappij, zou het doen, en zoo dergelijke gevallen zich voordoen, wekken zij algemeene verontwaardiging.”Onderstel, dat als reden waarom de wet, die de magt van den meester afbakent, niet strenger kan gemaakt worden, werd opgegeven, dat het algemeene stelsel niet in stand kan gehouden worden, zonder die ruimte van magt aan den meester te verleenen.Onderstel, dat, wanneer men al de Ieren in dit land tot dien toestand gebragt had, deze verzekerden, dat het algemeen gevoel van menschelijkheid ten hunnen opzigte zich zoo krachtig deed kennen, dat het ruimschoots opwoog tegen het gemis van alle wettelijke regten en hun toestand over het geheel gelukkiger maakte dan wanneer zij vrij waren. Zoudenwij niet moeten zeggen, dat een „algemeen gevoel”, hetwelk geene wreedheid zag in het ontnemen aan een geheel geslacht van alle regten, die der menschheid dierbaar zijn, dan niets als wreed kan beschouwen en bewezen had geheel onbevoegd te zijn om over dit onderwerp eenig oordeel uit te spreken? Wie zou niet liever zijne kinderen in het graf dan in slavernij zien? Wie, zoo hij morgen ontwaakte als Amerikaansch slaaf, zou zich niet op de rustplaats der dooden wenschen? En toch gaan alle verdedigers van de slavernij uit van de stelling, dat deze wettelijke toestandop zich-zelfgeene wreedheid is! Zij zouden het voor zich of voor eenigen blanke als de uiterste grenspaal van wreedheid beschouwen; waarom beschouwen zij het dan in het geheel als geene wreedheid, wanneer het een neger geldt?De schrijver, die de slavernij inFraser’s Magazineverdedigt, poogt deze ontzetting van eene geheele klasse van hare wettige regten te regtvaardigen door de bewering: „dat het goede, dat in den menschelijken aard ligt, aan de gebreken van de menschelijke wetgeving zal te gemoet komen.” Deze opmerking is een veelbeteekenende maatstaf van den staat der begrippen, die zelfs in een edelaardig gemoed door het slavernij-stelsel te weeg gebragt worden. Die schrijver denkt dat het goede, hetwelk in den menschelijken aard ligt, voorzien zal in het gemis van wettige regten bij duizenden en millioenen menschelijke wezens. Hij zou niet aarzelen hun ligchaam en hunne ziel toe te vertrouwen aan het goede, dat in den menschelijken aard ligt; maar toch zou diezelfde man geen bankbiljet van vijftig dollars in een onverzegelden omslag en vertrouwende op „het goede, dat in den menschelijken aard ligt”, over den post willen verzenden.Zou die man zijne kinderen in den toestand van slaven geplaatst willen zien en hen overlaten aan „het goede, dat in den menschelijken aard ligt?”Zou hij van den achtenswaardigsten zijner vrienden een huis of een landgoed koopen, zonder wettige bewijsstukken op te maken, zich alleen verlatende op „het goede, dat in den menschelijken aard ligt?” En zoo „het goede dat in den menschelijken aard ligt” niet alles-afdoende is voor hem en zijne kinderen, hoe zal het dan genoegzaam zijn voor zijn broeder en zijns broeders kinderen? Iszijngeluk in de oogenvan God van zooveel hooger waarde dan dat zijns broeders, dat het zijne moet verzekerd worden door wettige banden, sloten en grendels, en dat van zijn broeder zoo maar kan worden overgelaten aan „het goede, dat in den menschelijken aard ligt?” Nooit gevoelen wij zoo diep de volslagene ongenoegzaamheid van het algemeen gevoel om den slaaf te beschermen, dan wanneer wij zulke stellingen hooren verkondigen door menschen, die van nature edel en gevoelig zijn.De eerwaarde C. C. Jones, een onvermoeid arbeider voor de slaven, laat zich als volgt uit over de waardij van ééne ziel onder die ongelukkigen:Ware het ons geopenbaard, dat het uitgebreidste stelsel van onderwijs, hetwelk wij bedenken kunnen, al vorderde het een reusachtigen en eeuwen lang voortgezetten arbeid, onder de genadige ontferming van onzen Heer zou uitloopen op de behoudenis vanéén armen Afrikaan, wij zouden er aanleiding in vinden, om, tot welken prijs en met welke opofferingen ook, met blijmoedigheid die taak aan te vangen.Welk een edele en verheven ziel spreekt uit deze woorden! Duiden zij niet een geest aan, die tot de hoogste dingen in staat is?En toch, zoo wij al zijne werken doorloopen, zullen wij er met smart uit ontwaren, hoe het zedelijk gevoel van de reinste ziel verstompt kan worden door voortdurende aanraking met zulk een stelsel.Wij vinden van hem eene raadgeving aan de meesters om hunne slavenmondelingte doen onderrigten in de Godsdienst. Op vele plaatsen spreekt hij van het mondeling onderrigt als een onbetwistbaar gebrekkig onderwijs, verre staande beneden datgeen, hetwelk voortvloeit uit het persoonlijk lezen en onderzoeken van Gods Woord. Hij zegt ergens, dat dit, om nut te stichten, vroeg begonnen moet worden, daar menschen van gevorderde jaren het er zelden ver in brengen; en toch geeft hij als zijne bepaalde meening te kennen, dat de slavernij eene aangelegenheid is, waarin geen Christen zich behoeft te mengen.Volgens zijne eigene aanwijzing wordt den slaven het beste middel tot behoudenis hunner zielen benomen en beperkt menhen tot een van verreweg mindere hoedanigheid. Deze beperking maakt hunne zielen tot het verkrijgen van geestelijk voedsel even afhankelijk van anderen, als een mensch zonder handen van anderen afhankelijk is voor stoffelijk voedsel. Hij erkent—hetgeen zijne eigene ondervinding hem ook moet geleerd hebben—dat de slaaf elk oogenblik kan overgaan in handen van personen, die de moeite niet zullen nemen om hem aldus van geestelijk voedsel te voorzien; ja, zoo wij dit gevolg mogen trekken uit zijn dringend beroep op de meesters, dan heeft hij velen gezien, die, in geestelijken zin de handen hunner slaven afgesneden hebbende, thans weigeren hun het voedsel toe te dienen. Hij ontwaart, dat duizenden geplaatst zijn in omstandigheden, waar de ziel schier onvermijdelijk moet verloren gaan, en toch zegt hij, zich niet geroepen te gevoelen om zich in het minst met hun civielen toestand in te laten!Doch, indien de ziel van iederen armen Afrikaan van die onschatbare waarde is, welke de heer Jones er aan toekent, volgt daaruit dan niet, dat hem het beste middel moet verschaft worden om den hemel in te gaan? En verkeert hij, die den Bijbel zelf kan lezen, niet in een beteren toestand dan degeen, die afhankelijk is van het voorlezen van een ander? Zoo men zegt, dat zulk onderwijs niet kan verleend worden, omdat de slaven dan geene veilige bezitting meer zouden zijn, behoorde dan niet een geestelijke als de heer Jones, van wien wij zoo even zulke treffende woorden hebben aangehaald, den meesters onder het oog te brengen dat het hun beter ware, alle wereldsch goed te verliezen, dan zich bloot te stellen aan het gevaar van eenig verderf te brengen over die zielen? Al de beweeggronden, welke de heer Jones zoo welsprekend heeft aangevoerd om de meesters te overreden, dat zij hunne slaven mondeling onderrigt zouden geven, pleiten met dubbele kracht voor hunne verpligting om den slaaf in staat te stellen, persoonlijk den Bijbel te lezen.Verder hooren wij den heer Jones gewagen van de magt, die de meesters hebben over de zielen hunner ondergeschikten, waaromtrent hij zich aldus uitlaat:Wij kunnen, krachtens de in onze handen gestelde magt, Godsdienstige bijeenkomsten en Godsdienstig onderrigt oponze eigene plantagiën verbieden; wij kunnen onze onderhoorigen geheel verbieden ter kerk te gaan, of hun bevelen alleen die kerken te bezoeken, die wij voor hen kiezen zullen. Letterlijk kunnen wij het Koningrijk der Hemelen voor menschen sluiten en hen, die op den drempel staan, het binnentreden beletten.En wanneer wij den heer Jones dit alles hooren zeggen, en daarbij in aanmerking nemen, dat hij moet weten en gezien hebben, dat deze ontzaggelijke magt dikwijls berust in handen van menschen zonder Godsdienst, in handen van menschen van het verwerpelijkste karakter, dan kunnen wij zijne goedkeuring van zulk een stelsel alleen toeschrijven aan den verblindenden en verdoovenden invloed, dien de gewoonte der slavernij op de achtenswaardigste karakters uitoefent.Noch de heer Jones noch eenig ander Christenleeraar zou het behoorlijk achten, dat de eeuwige gelukzaligheid zijner eigene kinderen aldus gesteld werd in de magt van iemand, die geld zou hebben om hen te betalen. Hoe kunnen zij het dan regtvaardig rekenen, dat die magt verleend worde waar het hun Afrikaanschen broeder betreft?Bewijst dit alles niet, dat, zelfs bij de meest menschelijk en Christelijk-gezinde lieden, die theoretisch gelooven aan de gelijkheid van alle zielen voor God, eene voortdurende aanraking met de slavernij eene practische ontrouw in dit opzigt te weeg brengt; zoodat zij hunne toestemming schenken aan wetten, die in werkelijkheid verklaren dat de behoudenis der ziel van den dienaar van minder gewigt is dan het behoud van den eigendom?Men houde ons niet voor afgunstig of liefdeloos, wanneer wij zeggen, dat, waar de slavernij bestaat, zoovele oorzaken noodwendig zamenloopen om de openbare meening met opzigt tot den slaaf te verstompen, dat zelfs de edelaardigste gemoederen dikwerf aan het dwalen geraken. In de noordelijke en vrije Staten was de openbare meening (en is zij nog heden) rampzalig bezoedeld door den invloed van het vroegere en de nabijheid van het tegenwoordige slavernij-stelsel. Van daar de onregtvaardigheid waarmede de neger in menigen onzer Staten behandeld wordt. Van daar ook die verdediging der slavernij, waarmede de drukpers in het Noorden zich soms belast,ja welke men daar zelfs wel van den predikstoel hoort. Indien de overblijfselen der slavernij de openbare meening zelfs in het Noorden zoo kunnen bederven, hoeveel te meer moet dit dan niet het geval zijn ter plaatse waar die instelling nog in volle kracht aanwezig is!In zekere mate is het gevoel van de geheele Amerikaansche natie op dit punt verstompt. Een heidensch schrijver zeide, dat de Goden ons een schrikwekkend vermogen geschonken hadden, toen zij ons de gave verleenden om aan iets gewoon te worden. Met volle regt kan dit op Amerika toegepast worden. Wij hebben ons gewend aan dingen, die in staat zouden zijn de dooden uit hunne graven te doen verrijzen.Toen slechts een gering gedeelte van hetgeen hier dagelijks voorvalt, in Engeland en Frankrijk en Italië en Duitschland bekend werd, ging een algemeene kreet van verontwaardiging op. Amerika alleen blijft koel en vraagt: „Wat is er gaande?”Europa antwoordt: „Wat? wij hebben gehoord, dat de menschen gelijk vee in uw landverkochtworden.”„Natuurlijk geschiedt dat,” zegt Amerika; „maar wat verder?”„Wij hebben vernomen,” zegt Europa, „dat het millioenen menschen in uw land verboden is te leeren lezen en schrijven.”„Dat weten wij wel,” hervat Amerika: „maar wat beteekent nu dit wraakgeroep?”„Nog hebben wij vernomen,” zegt Europa, „dat Christenmeisjes op uwe markten verkocht en zoo aan de schande ter prooije geleverd worden!”„Dat is niet geheel zoo als ’t behoort,” geeft Amerika ten antwoord: „maar nog eens, waarvoor zoo veel beweging gemaakt?”„Wij hooren dat drie millioenen onder u geen wettig huwelijk kunnen aangaan,” roept Europa terug.„Zeer waar,” is het antwoord van Amerika: „maar gij verhieft zulk een kreet, dat wij dachten dat gij eene of andere gruweldaad hadt zien begaan.”„En gij beweert een vrij land te zijn!” roept Europa in verontwaardiging uit.„Wij zijn ook inderdaad het meest vrije en verlichte land ter wereld. Waar maakt gij u toch moeijelijk over?” herneemt Amerika weder.„Gij vaardigt uwe zendelingen af om ons tot Christenen te maken,” zegt Turkije: „enonzegodsdienst heeft evenwel dat afschuwelijke stelsel afgeschaft.”„Wat gaat het u aan? Gij zijt maar heidenen!” zoo besluit Amerika.Menigeen schijnt inderdaad gedacht te hebben, dat alleen verschrikkelijke overdrijving van het slavernij-stelsel de sensatie kon hebben te weeg gebragt, die zich in geheel Europa onlangs heeft doen gevoelen. Zij weten niet, dat de zaak waar aan zij gewend geraakt zijn en die zij met zooveel onverschilligheid bij allerlei gelegenheden behandeld hebben, aan andere volkeren als het toppunt van laaghartigheid voorkomt. Terwijl het nieuwere Europa de oogen opent en een blik werpt op de wettelijke theorie van het slavernij-stelsel en op de wetten en wetsuitlegging waardoor deze zaak geregeld wordt, voegt het met de woorden van den verontwaardigden Othello aan Amerika toe: „Zoo gij iets dergelijks wilt regtvaardigen,Bid dan niet meer, laat wat u wroeging baardeSlechts varen; hoop met onvermoeide hand,Meer euvlen nog den berg op van de schandEn gruwzaamheên; pleeg daden, waarvan de aardeVerbaasd staat en waarom de hemel schreit;Want gij kunt deez verdoemnis niet verzwaren,Die reeds zoo zwaar is door de onmenschelijkheid.”Er bestaat een vreeselijke toestand van gemeenzaamheid met het kwade, hetwelk de Apostel noemt, „dood zijn in overtredingen en zonde,” een toestand waarin men aan de waarheid weêrstand geboden en het kwade hardnekkig verdedigd heeft, waarin men de toespraak des gewetens heeft gesmoord en voor de stem van Gods Heiligen Geest de ooren gesloten. Er bestaat eene vreeselijke ontzenuwing van het zedelijk gevoel, bij welke de meest goddelooze handelingen en de ontzettendste misdaden den geringsten indruk falen te maken. Die ontzenuwing, die steeds een vreeselijke voorbode is van den dood en de ontbinding der natiën, is eene dubbel gevaarlijke kwaal in een Gemeenebest, welks eenige magt gelegen is in doorzigt, geregtigheid en deugd.
Hoofdstuk I.Wordt de slaaf door de openbare meening beschermd?De volstrekte ontoereikendheid van de wet, om den slaaf in eenig opzigt te beschermen, hebben wij in het licht gesteld.Men zegt evenwel, dat, juist dewijl de wet den slaaf geene bescherming verleent, de openbare meening des te krachtiger in zijn voordeel spreekt.Bij het doorloopen van de verhandelingen der geregtshoven in de slavenhoudende Staten, treft niets veelvuldiger het oog, dan bewijzen van het verregaande onvermogen der wet, om de onbillijkheid jegens dat rampzalige geslacht te lenigen, gepaard aan lofspraken over dien prijzenswaardigen staat van het gevoel des algemeens, dat die erkende onvolledigheid der wet geheel moet aanvullen.Te dezen opzigte is het welligt genoegzaam, zoo wij den lezer, hetzij hij wone in het Noorden of in het Zuiden, verzoeken, bij zich-zelven de geregtelijke documenten na te gaan die wij bijgebragt hebben, en zich af te vragen, welk gevolg, met betrekking tot den staat van dat gevoel des algemeens, getrokken moet worden uit de aangevoerde stukken, uit de pleidooijen der regtsgeleerden, de uitspraken der regters, de door getuigen bezworene feiten en den algemeenen loop en geest van de geregtelijke verhandelingen.Ten einde dit des te beter te kunnen waarderen, willen wij een geding in een vrijen Staatvergelijken met een ander in een slavenhoudenden Staat.In den vrijen Staat Massachusetts bragt een man van aanzien, geleerdheid en voorname betrekkingen een ander man om het leven. Hij martelde hem niet, maar zond hem met één slag de eeuwigheid in. De moordenaar had elk denkbaar voordeel van stand en vrienden; ja, men kan zeggen, dathij de sympathie van ons geheele Gemeenebest bezat; en toch, hoe kalm, met welk eene onverstoorbare en ontzagwekkende bedaardheid, werd het geregtelijk onderzoek voortgezet! De moordenaar werd ter dood veroordeeld—ontroering kwam over het Land! Zelfs souvereine Staten traden op als smeekelingen ten zijnen behoeve.Er verhief zich van Maine tot New-Orleans eene stem om genade. Er werden vertoogen geopperd, bedreigingen geuit; en evenwel, hoe vastberaden, maar zonder hartstogt, vervolgde de wrekende geregtigheid haar weg! Ofschoon de mannen, die de uitvoerders waren van hare bevelen, aangedaan waren en van barmhartigheid bewogen, moesten zij zich toch zwijgend buigen voor haar hoogeren wil. In weêrwil van al wat invloed en rijkdom vermogen, onderging een beschaafd en verstandig man dezelfde straf, welke ieder ander moest treffen, die de heiligheid des levens zou durven aanranden.Stel hier nu tegenover een regtsgeding in een slavenhoudenden Staat. In Virginia heeft iemand, dien wij Souther zullen noemen, ook een mensch vermoord; doch hij bragt hem niet om het leven door één genadeslag, maar door twaalf uren van eene zoo vreeselijke marteling, dat weinig lezers de loutere beschrijving zouden kunnen verduren. Het was eene wijze van sterven, die, om de woorden te gebruiken, welke Cicero in zijn tijd op de kruisiging toepaste, „voor altijd diende verwijderd te worden uit het gehoor, het gezigt, ja zelfs uit de gedachten van het menschdom.” En van dit afgrijselijk tooneel waren twee blanken getuigen geweest!Let nu wel op de wijze waarop beide gevallen behandeld werden en de mate van aandacht die zij trokken. Hoor de advocaten, in de zaak van Souther, koeltjes bespreken of hier zelfs wel aan eene misdaad te denken viel. Hoor de uitspraak van de regtbank van eersten aanleg, dat het moord is met verzachtende omstandigheden, waarop eene gevangenisstraf van vijf jaren moet toegepast worden. Geef acht, hoe de menschenslagter met de houding van een verongelijkt man voor het hoog geregtshof verschijnt! Het proces wordt in de dagbladen eenvoudig vermeld als dat van „Souther contra de Republiek:” en nu willen wij vragen aan elk verstandigman, in het Noorden of in het Zuiden, welk gevoel het algemeen voor zulk eene zaak aan den dag legt?Blijkt er het geloof uit, dat een neger een mensch is? Bewijst het niet bepaaldelijk, dat hijnietbeschouwd wordt als een mensch? Let eens verder op het afgrijselijke beginsel, hetwelk, in dit geval weder bevestigd, de wet is van Virginia:Met opzigt tot de verhouding tusschen meester en slaaf, en ten einde voor eene behoorlijke ondergeschiktheid van de zijde van dezen laatste te zorgen, is de strekking der wet, den meester te beschermen tegen vervolging in alle zoodanige gevallen, zelfs indien de geeseling en bestraffing kwaadwillig, wreed en overdreven geweest is!Wanneer de beschaafdste en verstandigste mannen in den Staat, bepaald en bedaard en schijnbaar zonder te bemerken dat zij iets onmenschelijks zeggen, zulk eene verbazingwekkende uitspraak doen, watmoetmen dan daarvan denken? Indien zijditniet als wreedaardig beschouwen, wat is dan wreedaardig? En, indien hun gevoel zoo verstompt is, dat zij in zulk eene uitspraak geene wreedheid zien, welke hoop kan men dan nog koesteren op eenigerhande bescherming voor den slaaf?Deze wet is eene onbewimpelde en duidelijke vergunning voor zulke ellendelingen als Souther, om den hulpeloozen slaaf elke pijniging te doen ondergaan, die zij goedvinden, zonder blootgesteld te zijn aan eene beschuldiging van misdaad. Zij verklaart hem, en de blanken die van zijne daad getuigen waren en elke andere lage ziel, dat de strekking der wet is, hem te handhaven in de toepassing van zijne kwaadwillige, wreede en overdrevene straffen.Welke opleiding geven de verstandige en beschaafde mannen van een Staat daardoor aan de lagere en minder beschaafde klasse? Veronderstel, dat in Massachusetts plegtig wordt afgekondigd, met opzigt tot de vrije arbeiders of leerjongens, dat, om de ondergeschiktheid te bevorderen, de wet de strekking heeft om den meester te beschermen wanneer hij straf toepast, hoe kwaadwillig, wreed en overdreven dan ook, mits de dood er maar niet op volge. Wij kunnen ons de openbaarmaking van zulk een beginsel niet voorstellen, zonder een opstand en eene uitbarsting van volkswoede, waarbij die van Bunkers Hill onbeduidend zou schijnen;doch, gesteld, de Staat Massachusetts ware zoo ontzenuwd, dat zulk een besluit kon doorgaan zonder tegenstand van de zijde der arbeidende klasse,—gesteld, het ging door en werd eene tastbare wezenlijkheid, welk een invloed zou het hebben op de volksopvoeding in het Gemeenebest? Welke schatting van de arbeidende klasse zou het aanduiden in de gemoederen van hen, die de wet maken en uitvoeren?Hoezeer zou eene dergelijke wet, blijkbaar opgesteld om de menschen in hunne wreedheid te stijven, onmiddellijk ruimen teugel geven aan laagheid en woestheid! Bezitten de menschen niet reeds wreedheid genoeg, zonder dat de majesteit der wet noodig zij om haar te bekrachtigen en eervol te maken?En zoo men ter verdediging van zulk eene wet wilde zeggen: „O! natuurlijk zal nimmer eenig achtenswaardig of menschelijk man er zich van bedienen!” zouden wij dan den ouden Staat Massachusetts niet zeer diep gezonken moeten achten, dat zij in haar wetboek regtstreeksche verzekeringen van bescherming opgenomen had voor daden, die geen man van eer immer zou willen bedrijven?En wanneer deze stuitende vergunning ter toetse gebragt zal worden voor den regterstoel van Christus, en de ontzaggelijke regter aan hare ontwerpers, uitvoerders en verdedigers zal vragen: „Waar is uw broeder?”—wanneer al de zielen, die van onder het altaar hebben geroepen: „Hoe lang, o Heerscher, oordeelt en wreekt gij ons bloed niet,” zich rondom dien regterstoel zullen scharen als eene wolke van getuigen, en het oordeel wordt aangevangen en het boek geopend,—welk antwoord zal dan kunnen gegeven worden voor wetten en uitspraken als deze?Zal men den grooten Regter te gemoet voeren, dat zij noodig waren om de slavernij in stand te houden,—dat deze anders niet had kunnen gehandhaafd worden?Zal men, met zulk eene bekentenis op de lippen, die oogen durven ontmoeten, die als vuurvlammen flonkeren?Zal Hij dan niet, als met eene stemme des donders, antwoorden: „Gij hebt den arme en den nooddruftige omgebragt, en vergeten dat de Heer zijn toeverlaat was”?De doodzonde der slavernij is, dat zij de menschelijkheid verloochent. Dit is de zonde geweest, die der verdrukkingdoor alle tijden heen aankleefde. Het vertreden, schenden en verbrijzelen van Gods beeld in den persoon der armen en geringen is de groote zonde der menschen geweest sinds de grondlegging der wereld. Tegen deze zonde hebben al de profeten van den ouden tijd zich met krachtige stem verheven. Nog sterker getuigenis werd tegen deze zonde ingebragt, toen God in Jezus Christus de menschelijke natuur aannam en elk menschelijk wezen tot een broeder des Heeren maakte. Doch de laatste en meest verhevene getuigenis zal worden geleverd ten dage als eenmenschde geheele aarde zal oordeelen,—een Mensch, die den geringsten slaaf, evenzeer als den fiersten meester, als broeder zal erkennen.In hoogst merkwaardige en treffende bewoordingen wordt in den Bijbel gemeld, dat de Vader het geheele oordeel heeft opgedragen aan den Zoon,omdat deze de Zoon des Menschen is. Die menschelijke natuur, welke, in den persoon van den armen slaaf, is veracht en verworpen, bespot en verguisd, gegeeseld en gemarteld, zal te dien dage verheerlijkt worden; en het zal de vreeselijkste zonde blijken te zijn, zoo men ligtvaardig heeft gehandeld ten aanzien van het geheiligde karakter der menschheid, gelijk deze slavenwetten en instellingen hebben gedaan; want het geheele stelsel der wetgeving, in zake van slavernij, de praktijk van het slavenhouden, en de denkbeelden, welke zich dienaangaande bij het algemeen vormen,—dit alles berust op de grootste der ketterijen,de verloochening van het begrip dat alle menschen broeders zijn. Een geheel geslacht is uit de rij van het menschdom geworpen, zijne onsterfelijkheid voorbijgezien;—hunne waardigheid als kinderen Gods wordt bespot, hunne betrekking als broeders van Christus voor eene fabel gehouden; wet en openbare meening en praktijk ten hunnen aanzien zijn zoodanig, dat men het alleen zou kunnen begrijpen indien zij een ras van redelooze dieren waren.En juist omdat de neger beschouwd wordt als een redeloos dier en geener betere behandeling waardig, houdt men de gedragslijn, die ten zijnen opzigte gevolgd wordt en de behandeling, die hem ten deel valt, voor menschelijk.Neem eene klasse van blanken, hoe onbeschaafd ook, plaats hen onder hetzelfde stelsel van wetten en maak hun civielen toestand in alles gelijk aan dien van den neger: zoudit niet als het toppunt van de onverantwoordelijkste wreedheid beschouwd worden?Stel, bijv., dat de slaven-wetten in ons land van toepassing werden gemaakt op al de Ieren en dat zij verklaard werden tot eigendom van ieder, die geld genoeg had om hen te koopen. Stel dat hun regt om te stemmen, om regtsgedingen in te stellen, om getuigenis in regtszaken af te leggen, om een wettig huwelijk te sluiten, om eigendommen te bezitten of overeenkomsten van allen aard aan te gaan, door ééne pennestreek werd uitgeschrapt. Onderstel al verder, dat het verboden ware hun lezen en schrijven te leeren, en dat hunne kinderen gedoemd waren om tot in de lengte der dagen zonder kennis te blijven voortleven. Onderstel, dat in de geregtszaal verklaard werd, dat hetenkel slaanvan een Ier, „zonder gepaard te gaan met wreedheid of met eenigerhande toeleg om een moord te plegen,” geene overtreding kan geheeten worden. Onderstel, dat er verklaard werd, dat, tot bevordering van de ondergeschiktheid bij hen, de wet den meester zou beschermen, al bleek het ook dat de straf, die hij uitgeoefend had, kwaadwillig, wreed of overdreven was geweest; en onderstel, dat monsters, gelijk Souther, van die vergunning gebruik makende, nu en dan Ieren doodmartelden, doch dat dit van niet genoegzaam belang gerekend werd om den meester eenigen dwang op te leggen. Onderstel dat men koeltjes zeide: „O ja, wij weten wel, dat Ieren wel eens worden doodgemarteld, doch dit is geendoorgaande regel; niemand, van eenigen stand in de maatschappij, zou het doen, en zoo dergelijke gevallen zich voordoen, wekken zij algemeene verontwaardiging.”Onderstel, dat als reden waarom de wet, die de magt van den meester afbakent, niet strenger kan gemaakt worden, werd opgegeven, dat het algemeene stelsel niet in stand kan gehouden worden, zonder die ruimte van magt aan den meester te verleenen.Onderstel, dat, wanneer men al de Ieren in dit land tot dien toestand gebragt had, deze verzekerden, dat het algemeen gevoel van menschelijkheid ten hunnen opzigte zich zoo krachtig deed kennen, dat het ruimschoots opwoog tegen het gemis van alle wettelijke regten en hun toestand over het geheel gelukkiger maakte dan wanneer zij vrij waren. Zoudenwij niet moeten zeggen, dat een „algemeen gevoel”, hetwelk geene wreedheid zag in het ontnemen aan een geheel geslacht van alle regten, die der menschheid dierbaar zijn, dan niets als wreed kan beschouwen en bewezen had geheel onbevoegd te zijn om over dit onderwerp eenig oordeel uit te spreken? Wie zou niet liever zijne kinderen in het graf dan in slavernij zien? Wie, zoo hij morgen ontwaakte als Amerikaansch slaaf, zou zich niet op de rustplaats der dooden wenschen? En toch gaan alle verdedigers van de slavernij uit van de stelling, dat deze wettelijke toestandop zich-zelfgeene wreedheid is! Zij zouden het voor zich of voor eenigen blanke als de uiterste grenspaal van wreedheid beschouwen; waarom beschouwen zij het dan in het geheel als geene wreedheid, wanneer het een neger geldt?De schrijver, die de slavernij inFraser’s Magazineverdedigt, poogt deze ontzetting van eene geheele klasse van hare wettige regten te regtvaardigen door de bewering: „dat het goede, dat in den menschelijken aard ligt, aan de gebreken van de menschelijke wetgeving zal te gemoet komen.” Deze opmerking is een veelbeteekenende maatstaf van den staat der begrippen, die zelfs in een edelaardig gemoed door het slavernij-stelsel te weeg gebragt worden. Die schrijver denkt dat het goede, hetwelk in den menschelijken aard ligt, voorzien zal in het gemis van wettige regten bij duizenden en millioenen menschelijke wezens. Hij zou niet aarzelen hun ligchaam en hunne ziel toe te vertrouwen aan het goede, dat in den menschelijken aard ligt; maar toch zou diezelfde man geen bankbiljet van vijftig dollars in een onverzegelden omslag en vertrouwende op „het goede, dat in den menschelijken aard ligt”, over den post willen verzenden.Zou die man zijne kinderen in den toestand van slaven geplaatst willen zien en hen overlaten aan „het goede, dat in den menschelijken aard ligt?”Zou hij van den achtenswaardigsten zijner vrienden een huis of een landgoed koopen, zonder wettige bewijsstukken op te maken, zich alleen verlatende op „het goede, dat in den menschelijken aard ligt?” En zoo „het goede dat in den menschelijken aard ligt” niet alles-afdoende is voor hem en zijne kinderen, hoe zal het dan genoegzaam zijn voor zijn broeder en zijns broeders kinderen? Iszijngeluk in de oogenvan God van zooveel hooger waarde dan dat zijns broeders, dat het zijne moet verzekerd worden door wettige banden, sloten en grendels, en dat van zijn broeder zoo maar kan worden overgelaten aan „het goede, dat in den menschelijken aard ligt?” Nooit gevoelen wij zoo diep de volslagene ongenoegzaamheid van het algemeen gevoel om den slaaf te beschermen, dan wanneer wij zulke stellingen hooren verkondigen door menschen, die van nature edel en gevoelig zijn.De eerwaarde C. C. Jones, een onvermoeid arbeider voor de slaven, laat zich als volgt uit over de waardij van ééne ziel onder die ongelukkigen:Ware het ons geopenbaard, dat het uitgebreidste stelsel van onderwijs, hetwelk wij bedenken kunnen, al vorderde het een reusachtigen en eeuwen lang voortgezetten arbeid, onder de genadige ontferming van onzen Heer zou uitloopen op de behoudenis vanéén armen Afrikaan, wij zouden er aanleiding in vinden, om, tot welken prijs en met welke opofferingen ook, met blijmoedigheid die taak aan te vangen.Welk een edele en verheven ziel spreekt uit deze woorden! Duiden zij niet een geest aan, die tot de hoogste dingen in staat is?En toch, zoo wij al zijne werken doorloopen, zullen wij er met smart uit ontwaren, hoe het zedelijk gevoel van de reinste ziel verstompt kan worden door voortdurende aanraking met zulk een stelsel.Wij vinden van hem eene raadgeving aan de meesters om hunne slavenmondelingte doen onderrigten in de Godsdienst. Op vele plaatsen spreekt hij van het mondeling onderrigt als een onbetwistbaar gebrekkig onderwijs, verre staande beneden datgeen, hetwelk voortvloeit uit het persoonlijk lezen en onderzoeken van Gods Woord. Hij zegt ergens, dat dit, om nut te stichten, vroeg begonnen moet worden, daar menschen van gevorderde jaren het er zelden ver in brengen; en toch geeft hij als zijne bepaalde meening te kennen, dat de slavernij eene aangelegenheid is, waarin geen Christen zich behoeft te mengen.Volgens zijne eigene aanwijzing wordt den slaven het beste middel tot behoudenis hunner zielen benomen en beperkt menhen tot een van verreweg mindere hoedanigheid. Deze beperking maakt hunne zielen tot het verkrijgen van geestelijk voedsel even afhankelijk van anderen, als een mensch zonder handen van anderen afhankelijk is voor stoffelijk voedsel. Hij erkent—hetgeen zijne eigene ondervinding hem ook moet geleerd hebben—dat de slaaf elk oogenblik kan overgaan in handen van personen, die de moeite niet zullen nemen om hem aldus van geestelijk voedsel te voorzien; ja, zoo wij dit gevolg mogen trekken uit zijn dringend beroep op de meesters, dan heeft hij velen gezien, die, in geestelijken zin de handen hunner slaven afgesneden hebbende, thans weigeren hun het voedsel toe te dienen. Hij ontwaart, dat duizenden geplaatst zijn in omstandigheden, waar de ziel schier onvermijdelijk moet verloren gaan, en toch zegt hij, zich niet geroepen te gevoelen om zich in het minst met hun civielen toestand in te laten!Doch, indien de ziel van iederen armen Afrikaan van die onschatbare waarde is, welke de heer Jones er aan toekent, volgt daaruit dan niet, dat hem het beste middel moet verschaft worden om den hemel in te gaan? En verkeert hij, die den Bijbel zelf kan lezen, niet in een beteren toestand dan degeen, die afhankelijk is van het voorlezen van een ander? Zoo men zegt, dat zulk onderwijs niet kan verleend worden, omdat de slaven dan geene veilige bezitting meer zouden zijn, behoorde dan niet een geestelijke als de heer Jones, van wien wij zoo even zulke treffende woorden hebben aangehaald, den meesters onder het oog te brengen dat het hun beter ware, alle wereldsch goed te verliezen, dan zich bloot te stellen aan het gevaar van eenig verderf te brengen over die zielen? Al de beweeggronden, welke de heer Jones zoo welsprekend heeft aangevoerd om de meesters te overreden, dat zij hunne slaven mondeling onderrigt zouden geven, pleiten met dubbele kracht voor hunne verpligting om den slaaf in staat te stellen, persoonlijk den Bijbel te lezen.Verder hooren wij den heer Jones gewagen van de magt, die de meesters hebben over de zielen hunner ondergeschikten, waaromtrent hij zich aldus uitlaat:Wij kunnen, krachtens de in onze handen gestelde magt, Godsdienstige bijeenkomsten en Godsdienstig onderrigt oponze eigene plantagiën verbieden; wij kunnen onze onderhoorigen geheel verbieden ter kerk te gaan, of hun bevelen alleen die kerken te bezoeken, die wij voor hen kiezen zullen. Letterlijk kunnen wij het Koningrijk der Hemelen voor menschen sluiten en hen, die op den drempel staan, het binnentreden beletten.En wanneer wij den heer Jones dit alles hooren zeggen, en daarbij in aanmerking nemen, dat hij moet weten en gezien hebben, dat deze ontzaggelijke magt dikwijls berust in handen van menschen zonder Godsdienst, in handen van menschen van het verwerpelijkste karakter, dan kunnen wij zijne goedkeuring van zulk een stelsel alleen toeschrijven aan den verblindenden en verdoovenden invloed, dien de gewoonte der slavernij op de achtenswaardigste karakters uitoefent.Noch de heer Jones noch eenig ander Christenleeraar zou het behoorlijk achten, dat de eeuwige gelukzaligheid zijner eigene kinderen aldus gesteld werd in de magt van iemand, die geld zou hebben om hen te betalen. Hoe kunnen zij het dan regtvaardig rekenen, dat die magt verleend worde waar het hun Afrikaanschen broeder betreft?Bewijst dit alles niet, dat, zelfs bij de meest menschelijk en Christelijk-gezinde lieden, die theoretisch gelooven aan de gelijkheid van alle zielen voor God, eene voortdurende aanraking met de slavernij eene practische ontrouw in dit opzigt te weeg brengt; zoodat zij hunne toestemming schenken aan wetten, die in werkelijkheid verklaren dat de behoudenis der ziel van den dienaar van minder gewigt is dan het behoud van den eigendom?Men houde ons niet voor afgunstig of liefdeloos, wanneer wij zeggen, dat, waar de slavernij bestaat, zoovele oorzaken noodwendig zamenloopen om de openbare meening met opzigt tot den slaaf te verstompen, dat zelfs de edelaardigste gemoederen dikwerf aan het dwalen geraken. In de noordelijke en vrije Staten was de openbare meening (en is zij nog heden) rampzalig bezoedeld door den invloed van het vroegere en de nabijheid van het tegenwoordige slavernij-stelsel. Van daar de onregtvaardigheid waarmede de neger in menigen onzer Staten behandeld wordt. Van daar ook die verdediging der slavernij, waarmede de drukpers in het Noorden zich soms belast,ja welke men daar zelfs wel van den predikstoel hoort. Indien de overblijfselen der slavernij de openbare meening zelfs in het Noorden zoo kunnen bederven, hoeveel te meer moet dit dan niet het geval zijn ter plaatse waar die instelling nog in volle kracht aanwezig is!In zekere mate is het gevoel van de geheele Amerikaansche natie op dit punt verstompt. Een heidensch schrijver zeide, dat de Goden ons een schrikwekkend vermogen geschonken hadden, toen zij ons de gave verleenden om aan iets gewoon te worden. Met volle regt kan dit op Amerika toegepast worden. Wij hebben ons gewend aan dingen, die in staat zouden zijn de dooden uit hunne graven te doen verrijzen.Toen slechts een gering gedeelte van hetgeen hier dagelijks voorvalt, in Engeland en Frankrijk en Italië en Duitschland bekend werd, ging een algemeene kreet van verontwaardiging op. Amerika alleen blijft koel en vraagt: „Wat is er gaande?”Europa antwoordt: „Wat? wij hebben gehoord, dat de menschen gelijk vee in uw landverkochtworden.”„Natuurlijk geschiedt dat,” zegt Amerika; „maar wat verder?”„Wij hebben vernomen,” zegt Europa, „dat het millioenen menschen in uw land verboden is te leeren lezen en schrijven.”„Dat weten wij wel,” hervat Amerika: „maar wat beteekent nu dit wraakgeroep?”„Nog hebben wij vernomen,” zegt Europa, „dat Christenmeisjes op uwe markten verkocht en zoo aan de schande ter prooije geleverd worden!”„Dat is niet geheel zoo als ’t behoort,” geeft Amerika ten antwoord: „maar nog eens, waarvoor zoo veel beweging gemaakt?”„Wij hooren dat drie millioenen onder u geen wettig huwelijk kunnen aangaan,” roept Europa terug.„Zeer waar,” is het antwoord van Amerika: „maar gij verhieft zulk een kreet, dat wij dachten dat gij eene of andere gruweldaad hadt zien begaan.”„En gij beweert een vrij land te zijn!” roept Europa in verontwaardiging uit.„Wij zijn ook inderdaad het meest vrije en verlichte land ter wereld. Waar maakt gij u toch moeijelijk over?” herneemt Amerika weder.„Gij vaardigt uwe zendelingen af om ons tot Christenen te maken,” zegt Turkije: „enonzegodsdienst heeft evenwel dat afschuwelijke stelsel afgeschaft.”„Wat gaat het u aan? Gij zijt maar heidenen!” zoo besluit Amerika.Menigeen schijnt inderdaad gedacht te hebben, dat alleen verschrikkelijke overdrijving van het slavernij-stelsel de sensatie kon hebben te weeg gebragt, die zich in geheel Europa onlangs heeft doen gevoelen. Zij weten niet, dat de zaak waar aan zij gewend geraakt zijn en die zij met zooveel onverschilligheid bij allerlei gelegenheden behandeld hebben, aan andere volkeren als het toppunt van laaghartigheid voorkomt. Terwijl het nieuwere Europa de oogen opent en een blik werpt op de wettelijke theorie van het slavernij-stelsel en op de wetten en wetsuitlegging waardoor deze zaak geregeld wordt, voegt het met de woorden van den verontwaardigden Othello aan Amerika toe: „Zoo gij iets dergelijks wilt regtvaardigen,Bid dan niet meer, laat wat u wroeging baardeSlechts varen; hoop met onvermoeide hand,Meer euvlen nog den berg op van de schandEn gruwzaamheên; pleeg daden, waarvan de aardeVerbaasd staat en waarom de hemel schreit;Want gij kunt deez verdoemnis niet verzwaren,Die reeds zoo zwaar is door de onmenschelijkheid.”Er bestaat een vreeselijke toestand van gemeenzaamheid met het kwade, hetwelk de Apostel noemt, „dood zijn in overtredingen en zonde,” een toestand waarin men aan de waarheid weêrstand geboden en het kwade hardnekkig verdedigd heeft, waarin men de toespraak des gewetens heeft gesmoord en voor de stem van Gods Heiligen Geest de ooren gesloten. Er bestaat eene vreeselijke ontzenuwing van het zedelijk gevoel, bij welke de meest goddelooze handelingen en de ontzettendste misdaden den geringsten indruk falen te maken. Die ontzenuwing, die steeds een vreeselijke voorbode is van den dood en de ontbinding der natiën, is eene dubbel gevaarlijke kwaal in een Gemeenebest, welks eenige magt gelegen is in doorzigt, geregtigheid en deugd.
Hoofdstuk I.Wordt de slaaf door de openbare meening beschermd?De volstrekte ontoereikendheid van de wet, om den slaaf in eenig opzigt te beschermen, hebben wij in het licht gesteld.Men zegt evenwel, dat, juist dewijl de wet den slaaf geene bescherming verleent, de openbare meening des te krachtiger in zijn voordeel spreekt.Bij het doorloopen van de verhandelingen der geregtshoven in de slavenhoudende Staten, treft niets veelvuldiger het oog, dan bewijzen van het verregaande onvermogen der wet, om de onbillijkheid jegens dat rampzalige geslacht te lenigen, gepaard aan lofspraken over dien prijzenswaardigen staat van het gevoel des algemeens, dat die erkende onvolledigheid der wet geheel moet aanvullen.Te dezen opzigte is het welligt genoegzaam, zoo wij den lezer, hetzij hij wone in het Noorden of in het Zuiden, verzoeken, bij zich-zelven de geregtelijke documenten na te gaan die wij bijgebragt hebben, en zich af te vragen, welk gevolg, met betrekking tot den staat van dat gevoel des algemeens, getrokken moet worden uit de aangevoerde stukken, uit de pleidooijen der regtsgeleerden, de uitspraken der regters, de door getuigen bezworene feiten en den algemeenen loop en geest van de geregtelijke verhandelingen.Ten einde dit des te beter te kunnen waarderen, willen wij een geding in een vrijen Staatvergelijken met een ander in een slavenhoudenden Staat.In den vrijen Staat Massachusetts bragt een man van aanzien, geleerdheid en voorname betrekkingen een ander man om het leven. Hij martelde hem niet, maar zond hem met één slag de eeuwigheid in. De moordenaar had elk denkbaar voordeel van stand en vrienden; ja, men kan zeggen, dathij de sympathie van ons geheele Gemeenebest bezat; en toch, hoe kalm, met welk eene onverstoorbare en ontzagwekkende bedaardheid, werd het geregtelijk onderzoek voortgezet! De moordenaar werd ter dood veroordeeld—ontroering kwam over het Land! Zelfs souvereine Staten traden op als smeekelingen ten zijnen behoeve.Er verhief zich van Maine tot New-Orleans eene stem om genade. Er werden vertoogen geopperd, bedreigingen geuit; en evenwel, hoe vastberaden, maar zonder hartstogt, vervolgde de wrekende geregtigheid haar weg! Ofschoon de mannen, die de uitvoerders waren van hare bevelen, aangedaan waren en van barmhartigheid bewogen, moesten zij zich toch zwijgend buigen voor haar hoogeren wil. In weêrwil van al wat invloed en rijkdom vermogen, onderging een beschaafd en verstandig man dezelfde straf, welke ieder ander moest treffen, die de heiligheid des levens zou durven aanranden.Stel hier nu tegenover een regtsgeding in een slavenhoudenden Staat. In Virginia heeft iemand, dien wij Souther zullen noemen, ook een mensch vermoord; doch hij bragt hem niet om het leven door één genadeslag, maar door twaalf uren van eene zoo vreeselijke marteling, dat weinig lezers de loutere beschrijving zouden kunnen verduren. Het was eene wijze van sterven, die, om de woorden te gebruiken, welke Cicero in zijn tijd op de kruisiging toepaste, „voor altijd diende verwijderd te worden uit het gehoor, het gezigt, ja zelfs uit de gedachten van het menschdom.” En van dit afgrijselijk tooneel waren twee blanken getuigen geweest!Let nu wel op de wijze waarop beide gevallen behandeld werden en de mate van aandacht die zij trokken. Hoor de advocaten, in de zaak van Souther, koeltjes bespreken of hier zelfs wel aan eene misdaad te denken viel. Hoor de uitspraak van de regtbank van eersten aanleg, dat het moord is met verzachtende omstandigheden, waarop eene gevangenisstraf van vijf jaren moet toegepast worden. Geef acht, hoe de menschenslagter met de houding van een verongelijkt man voor het hoog geregtshof verschijnt! Het proces wordt in de dagbladen eenvoudig vermeld als dat van „Souther contra de Republiek:” en nu willen wij vragen aan elk verstandigman, in het Noorden of in het Zuiden, welk gevoel het algemeen voor zulk eene zaak aan den dag legt?Blijkt er het geloof uit, dat een neger een mensch is? Bewijst het niet bepaaldelijk, dat hijnietbeschouwd wordt als een mensch? Let eens verder op het afgrijselijke beginsel, hetwelk, in dit geval weder bevestigd, de wet is van Virginia:Met opzigt tot de verhouding tusschen meester en slaaf, en ten einde voor eene behoorlijke ondergeschiktheid van de zijde van dezen laatste te zorgen, is de strekking der wet, den meester te beschermen tegen vervolging in alle zoodanige gevallen, zelfs indien de geeseling en bestraffing kwaadwillig, wreed en overdreven geweest is!Wanneer de beschaafdste en verstandigste mannen in den Staat, bepaald en bedaard en schijnbaar zonder te bemerken dat zij iets onmenschelijks zeggen, zulk eene verbazingwekkende uitspraak doen, watmoetmen dan daarvan denken? Indien zijditniet als wreedaardig beschouwen, wat is dan wreedaardig? En, indien hun gevoel zoo verstompt is, dat zij in zulk eene uitspraak geene wreedheid zien, welke hoop kan men dan nog koesteren op eenigerhande bescherming voor den slaaf?Deze wet is eene onbewimpelde en duidelijke vergunning voor zulke ellendelingen als Souther, om den hulpeloozen slaaf elke pijniging te doen ondergaan, die zij goedvinden, zonder blootgesteld te zijn aan eene beschuldiging van misdaad. Zij verklaart hem, en de blanken die van zijne daad getuigen waren en elke andere lage ziel, dat de strekking der wet is, hem te handhaven in de toepassing van zijne kwaadwillige, wreede en overdrevene straffen.Welke opleiding geven de verstandige en beschaafde mannen van een Staat daardoor aan de lagere en minder beschaafde klasse? Veronderstel, dat in Massachusetts plegtig wordt afgekondigd, met opzigt tot de vrije arbeiders of leerjongens, dat, om de ondergeschiktheid te bevorderen, de wet de strekking heeft om den meester te beschermen wanneer hij straf toepast, hoe kwaadwillig, wreed en overdreven dan ook, mits de dood er maar niet op volge. Wij kunnen ons de openbaarmaking van zulk een beginsel niet voorstellen, zonder een opstand en eene uitbarsting van volkswoede, waarbij die van Bunkers Hill onbeduidend zou schijnen;doch, gesteld, de Staat Massachusetts ware zoo ontzenuwd, dat zulk een besluit kon doorgaan zonder tegenstand van de zijde der arbeidende klasse,—gesteld, het ging door en werd eene tastbare wezenlijkheid, welk een invloed zou het hebben op de volksopvoeding in het Gemeenebest? Welke schatting van de arbeidende klasse zou het aanduiden in de gemoederen van hen, die de wet maken en uitvoeren?Hoezeer zou eene dergelijke wet, blijkbaar opgesteld om de menschen in hunne wreedheid te stijven, onmiddellijk ruimen teugel geven aan laagheid en woestheid! Bezitten de menschen niet reeds wreedheid genoeg, zonder dat de majesteit der wet noodig zij om haar te bekrachtigen en eervol te maken?En zoo men ter verdediging van zulk eene wet wilde zeggen: „O! natuurlijk zal nimmer eenig achtenswaardig of menschelijk man er zich van bedienen!” zouden wij dan den ouden Staat Massachusetts niet zeer diep gezonken moeten achten, dat zij in haar wetboek regtstreeksche verzekeringen van bescherming opgenomen had voor daden, die geen man van eer immer zou willen bedrijven?En wanneer deze stuitende vergunning ter toetse gebragt zal worden voor den regterstoel van Christus, en de ontzaggelijke regter aan hare ontwerpers, uitvoerders en verdedigers zal vragen: „Waar is uw broeder?”—wanneer al de zielen, die van onder het altaar hebben geroepen: „Hoe lang, o Heerscher, oordeelt en wreekt gij ons bloed niet,” zich rondom dien regterstoel zullen scharen als eene wolke van getuigen, en het oordeel wordt aangevangen en het boek geopend,—welk antwoord zal dan kunnen gegeven worden voor wetten en uitspraken als deze?Zal men den grooten Regter te gemoet voeren, dat zij noodig waren om de slavernij in stand te houden,—dat deze anders niet had kunnen gehandhaafd worden?Zal men, met zulk eene bekentenis op de lippen, die oogen durven ontmoeten, die als vuurvlammen flonkeren?Zal Hij dan niet, als met eene stemme des donders, antwoorden: „Gij hebt den arme en den nooddruftige omgebragt, en vergeten dat de Heer zijn toeverlaat was”?De doodzonde der slavernij is, dat zij de menschelijkheid verloochent. Dit is de zonde geweest, die der verdrukkingdoor alle tijden heen aankleefde. Het vertreden, schenden en verbrijzelen van Gods beeld in den persoon der armen en geringen is de groote zonde der menschen geweest sinds de grondlegging der wereld. Tegen deze zonde hebben al de profeten van den ouden tijd zich met krachtige stem verheven. Nog sterker getuigenis werd tegen deze zonde ingebragt, toen God in Jezus Christus de menschelijke natuur aannam en elk menschelijk wezen tot een broeder des Heeren maakte. Doch de laatste en meest verhevene getuigenis zal worden geleverd ten dage als eenmenschde geheele aarde zal oordeelen,—een Mensch, die den geringsten slaaf, evenzeer als den fiersten meester, als broeder zal erkennen.In hoogst merkwaardige en treffende bewoordingen wordt in den Bijbel gemeld, dat de Vader het geheele oordeel heeft opgedragen aan den Zoon,omdat deze de Zoon des Menschen is. Die menschelijke natuur, welke, in den persoon van den armen slaaf, is veracht en verworpen, bespot en verguisd, gegeeseld en gemarteld, zal te dien dage verheerlijkt worden; en het zal de vreeselijkste zonde blijken te zijn, zoo men ligtvaardig heeft gehandeld ten aanzien van het geheiligde karakter der menschheid, gelijk deze slavenwetten en instellingen hebben gedaan; want het geheele stelsel der wetgeving, in zake van slavernij, de praktijk van het slavenhouden, en de denkbeelden, welke zich dienaangaande bij het algemeen vormen,—dit alles berust op de grootste der ketterijen,de verloochening van het begrip dat alle menschen broeders zijn. Een geheel geslacht is uit de rij van het menschdom geworpen, zijne onsterfelijkheid voorbijgezien;—hunne waardigheid als kinderen Gods wordt bespot, hunne betrekking als broeders van Christus voor eene fabel gehouden; wet en openbare meening en praktijk ten hunnen aanzien zijn zoodanig, dat men het alleen zou kunnen begrijpen indien zij een ras van redelooze dieren waren.En juist omdat de neger beschouwd wordt als een redeloos dier en geener betere behandeling waardig, houdt men de gedragslijn, die ten zijnen opzigte gevolgd wordt en de behandeling, die hem ten deel valt, voor menschelijk.Neem eene klasse van blanken, hoe onbeschaafd ook, plaats hen onder hetzelfde stelsel van wetten en maak hun civielen toestand in alles gelijk aan dien van den neger: zoudit niet als het toppunt van de onverantwoordelijkste wreedheid beschouwd worden?Stel, bijv., dat de slaven-wetten in ons land van toepassing werden gemaakt op al de Ieren en dat zij verklaard werden tot eigendom van ieder, die geld genoeg had om hen te koopen. Stel dat hun regt om te stemmen, om regtsgedingen in te stellen, om getuigenis in regtszaken af te leggen, om een wettig huwelijk te sluiten, om eigendommen te bezitten of overeenkomsten van allen aard aan te gaan, door ééne pennestreek werd uitgeschrapt. Onderstel al verder, dat het verboden ware hun lezen en schrijven te leeren, en dat hunne kinderen gedoemd waren om tot in de lengte der dagen zonder kennis te blijven voortleven. Onderstel, dat in de geregtszaal verklaard werd, dat hetenkel slaanvan een Ier, „zonder gepaard te gaan met wreedheid of met eenigerhande toeleg om een moord te plegen,” geene overtreding kan geheeten worden. Onderstel, dat er verklaard werd, dat, tot bevordering van de ondergeschiktheid bij hen, de wet den meester zou beschermen, al bleek het ook dat de straf, die hij uitgeoefend had, kwaadwillig, wreed of overdreven was geweest; en onderstel, dat monsters, gelijk Souther, van die vergunning gebruik makende, nu en dan Ieren doodmartelden, doch dat dit van niet genoegzaam belang gerekend werd om den meester eenigen dwang op te leggen. Onderstel dat men koeltjes zeide: „O ja, wij weten wel, dat Ieren wel eens worden doodgemarteld, doch dit is geendoorgaande regel; niemand, van eenigen stand in de maatschappij, zou het doen, en zoo dergelijke gevallen zich voordoen, wekken zij algemeene verontwaardiging.”Onderstel, dat als reden waarom de wet, die de magt van den meester afbakent, niet strenger kan gemaakt worden, werd opgegeven, dat het algemeene stelsel niet in stand kan gehouden worden, zonder die ruimte van magt aan den meester te verleenen.Onderstel, dat, wanneer men al de Ieren in dit land tot dien toestand gebragt had, deze verzekerden, dat het algemeen gevoel van menschelijkheid ten hunnen opzigte zich zoo krachtig deed kennen, dat het ruimschoots opwoog tegen het gemis van alle wettelijke regten en hun toestand over het geheel gelukkiger maakte dan wanneer zij vrij waren. Zoudenwij niet moeten zeggen, dat een „algemeen gevoel”, hetwelk geene wreedheid zag in het ontnemen aan een geheel geslacht van alle regten, die der menschheid dierbaar zijn, dan niets als wreed kan beschouwen en bewezen had geheel onbevoegd te zijn om over dit onderwerp eenig oordeel uit te spreken? Wie zou niet liever zijne kinderen in het graf dan in slavernij zien? Wie, zoo hij morgen ontwaakte als Amerikaansch slaaf, zou zich niet op de rustplaats der dooden wenschen? En toch gaan alle verdedigers van de slavernij uit van de stelling, dat deze wettelijke toestandop zich-zelfgeene wreedheid is! Zij zouden het voor zich of voor eenigen blanke als de uiterste grenspaal van wreedheid beschouwen; waarom beschouwen zij het dan in het geheel als geene wreedheid, wanneer het een neger geldt?De schrijver, die de slavernij inFraser’s Magazineverdedigt, poogt deze ontzetting van eene geheele klasse van hare wettige regten te regtvaardigen door de bewering: „dat het goede, dat in den menschelijken aard ligt, aan de gebreken van de menschelijke wetgeving zal te gemoet komen.” Deze opmerking is een veelbeteekenende maatstaf van den staat der begrippen, die zelfs in een edelaardig gemoed door het slavernij-stelsel te weeg gebragt worden. Die schrijver denkt dat het goede, hetwelk in den menschelijken aard ligt, voorzien zal in het gemis van wettige regten bij duizenden en millioenen menschelijke wezens. Hij zou niet aarzelen hun ligchaam en hunne ziel toe te vertrouwen aan het goede, dat in den menschelijken aard ligt; maar toch zou diezelfde man geen bankbiljet van vijftig dollars in een onverzegelden omslag en vertrouwende op „het goede, dat in den menschelijken aard ligt”, over den post willen verzenden.Zou die man zijne kinderen in den toestand van slaven geplaatst willen zien en hen overlaten aan „het goede, dat in den menschelijken aard ligt?”Zou hij van den achtenswaardigsten zijner vrienden een huis of een landgoed koopen, zonder wettige bewijsstukken op te maken, zich alleen verlatende op „het goede, dat in den menschelijken aard ligt?” En zoo „het goede dat in den menschelijken aard ligt” niet alles-afdoende is voor hem en zijne kinderen, hoe zal het dan genoegzaam zijn voor zijn broeder en zijns broeders kinderen? Iszijngeluk in de oogenvan God van zooveel hooger waarde dan dat zijns broeders, dat het zijne moet verzekerd worden door wettige banden, sloten en grendels, en dat van zijn broeder zoo maar kan worden overgelaten aan „het goede, dat in den menschelijken aard ligt?” Nooit gevoelen wij zoo diep de volslagene ongenoegzaamheid van het algemeen gevoel om den slaaf te beschermen, dan wanneer wij zulke stellingen hooren verkondigen door menschen, die van nature edel en gevoelig zijn.De eerwaarde C. C. Jones, een onvermoeid arbeider voor de slaven, laat zich als volgt uit over de waardij van ééne ziel onder die ongelukkigen:Ware het ons geopenbaard, dat het uitgebreidste stelsel van onderwijs, hetwelk wij bedenken kunnen, al vorderde het een reusachtigen en eeuwen lang voortgezetten arbeid, onder de genadige ontferming van onzen Heer zou uitloopen op de behoudenis vanéén armen Afrikaan, wij zouden er aanleiding in vinden, om, tot welken prijs en met welke opofferingen ook, met blijmoedigheid die taak aan te vangen.Welk een edele en verheven ziel spreekt uit deze woorden! Duiden zij niet een geest aan, die tot de hoogste dingen in staat is?En toch, zoo wij al zijne werken doorloopen, zullen wij er met smart uit ontwaren, hoe het zedelijk gevoel van de reinste ziel verstompt kan worden door voortdurende aanraking met zulk een stelsel.Wij vinden van hem eene raadgeving aan de meesters om hunne slavenmondelingte doen onderrigten in de Godsdienst. Op vele plaatsen spreekt hij van het mondeling onderrigt als een onbetwistbaar gebrekkig onderwijs, verre staande beneden datgeen, hetwelk voortvloeit uit het persoonlijk lezen en onderzoeken van Gods Woord. Hij zegt ergens, dat dit, om nut te stichten, vroeg begonnen moet worden, daar menschen van gevorderde jaren het er zelden ver in brengen; en toch geeft hij als zijne bepaalde meening te kennen, dat de slavernij eene aangelegenheid is, waarin geen Christen zich behoeft te mengen.Volgens zijne eigene aanwijzing wordt den slaven het beste middel tot behoudenis hunner zielen benomen en beperkt menhen tot een van verreweg mindere hoedanigheid. Deze beperking maakt hunne zielen tot het verkrijgen van geestelijk voedsel even afhankelijk van anderen, als een mensch zonder handen van anderen afhankelijk is voor stoffelijk voedsel. Hij erkent—hetgeen zijne eigene ondervinding hem ook moet geleerd hebben—dat de slaaf elk oogenblik kan overgaan in handen van personen, die de moeite niet zullen nemen om hem aldus van geestelijk voedsel te voorzien; ja, zoo wij dit gevolg mogen trekken uit zijn dringend beroep op de meesters, dan heeft hij velen gezien, die, in geestelijken zin de handen hunner slaven afgesneden hebbende, thans weigeren hun het voedsel toe te dienen. Hij ontwaart, dat duizenden geplaatst zijn in omstandigheden, waar de ziel schier onvermijdelijk moet verloren gaan, en toch zegt hij, zich niet geroepen te gevoelen om zich in het minst met hun civielen toestand in te laten!Doch, indien de ziel van iederen armen Afrikaan van die onschatbare waarde is, welke de heer Jones er aan toekent, volgt daaruit dan niet, dat hem het beste middel moet verschaft worden om den hemel in te gaan? En verkeert hij, die den Bijbel zelf kan lezen, niet in een beteren toestand dan degeen, die afhankelijk is van het voorlezen van een ander? Zoo men zegt, dat zulk onderwijs niet kan verleend worden, omdat de slaven dan geene veilige bezitting meer zouden zijn, behoorde dan niet een geestelijke als de heer Jones, van wien wij zoo even zulke treffende woorden hebben aangehaald, den meesters onder het oog te brengen dat het hun beter ware, alle wereldsch goed te verliezen, dan zich bloot te stellen aan het gevaar van eenig verderf te brengen over die zielen? Al de beweeggronden, welke de heer Jones zoo welsprekend heeft aangevoerd om de meesters te overreden, dat zij hunne slaven mondeling onderrigt zouden geven, pleiten met dubbele kracht voor hunne verpligting om den slaaf in staat te stellen, persoonlijk den Bijbel te lezen.Verder hooren wij den heer Jones gewagen van de magt, die de meesters hebben over de zielen hunner ondergeschikten, waaromtrent hij zich aldus uitlaat:Wij kunnen, krachtens de in onze handen gestelde magt, Godsdienstige bijeenkomsten en Godsdienstig onderrigt oponze eigene plantagiën verbieden; wij kunnen onze onderhoorigen geheel verbieden ter kerk te gaan, of hun bevelen alleen die kerken te bezoeken, die wij voor hen kiezen zullen. Letterlijk kunnen wij het Koningrijk der Hemelen voor menschen sluiten en hen, die op den drempel staan, het binnentreden beletten.En wanneer wij den heer Jones dit alles hooren zeggen, en daarbij in aanmerking nemen, dat hij moet weten en gezien hebben, dat deze ontzaggelijke magt dikwijls berust in handen van menschen zonder Godsdienst, in handen van menschen van het verwerpelijkste karakter, dan kunnen wij zijne goedkeuring van zulk een stelsel alleen toeschrijven aan den verblindenden en verdoovenden invloed, dien de gewoonte der slavernij op de achtenswaardigste karakters uitoefent.Noch de heer Jones noch eenig ander Christenleeraar zou het behoorlijk achten, dat de eeuwige gelukzaligheid zijner eigene kinderen aldus gesteld werd in de magt van iemand, die geld zou hebben om hen te betalen. Hoe kunnen zij het dan regtvaardig rekenen, dat die magt verleend worde waar het hun Afrikaanschen broeder betreft?Bewijst dit alles niet, dat, zelfs bij de meest menschelijk en Christelijk-gezinde lieden, die theoretisch gelooven aan de gelijkheid van alle zielen voor God, eene voortdurende aanraking met de slavernij eene practische ontrouw in dit opzigt te weeg brengt; zoodat zij hunne toestemming schenken aan wetten, die in werkelijkheid verklaren dat de behoudenis der ziel van den dienaar van minder gewigt is dan het behoud van den eigendom?Men houde ons niet voor afgunstig of liefdeloos, wanneer wij zeggen, dat, waar de slavernij bestaat, zoovele oorzaken noodwendig zamenloopen om de openbare meening met opzigt tot den slaaf te verstompen, dat zelfs de edelaardigste gemoederen dikwerf aan het dwalen geraken. In de noordelijke en vrije Staten was de openbare meening (en is zij nog heden) rampzalig bezoedeld door den invloed van het vroegere en de nabijheid van het tegenwoordige slavernij-stelsel. Van daar de onregtvaardigheid waarmede de neger in menigen onzer Staten behandeld wordt. Van daar ook die verdediging der slavernij, waarmede de drukpers in het Noorden zich soms belast,ja welke men daar zelfs wel van den predikstoel hoort. Indien de overblijfselen der slavernij de openbare meening zelfs in het Noorden zoo kunnen bederven, hoeveel te meer moet dit dan niet het geval zijn ter plaatse waar die instelling nog in volle kracht aanwezig is!In zekere mate is het gevoel van de geheele Amerikaansche natie op dit punt verstompt. Een heidensch schrijver zeide, dat de Goden ons een schrikwekkend vermogen geschonken hadden, toen zij ons de gave verleenden om aan iets gewoon te worden. Met volle regt kan dit op Amerika toegepast worden. Wij hebben ons gewend aan dingen, die in staat zouden zijn de dooden uit hunne graven te doen verrijzen.Toen slechts een gering gedeelte van hetgeen hier dagelijks voorvalt, in Engeland en Frankrijk en Italië en Duitschland bekend werd, ging een algemeene kreet van verontwaardiging op. Amerika alleen blijft koel en vraagt: „Wat is er gaande?”Europa antwoordt: „Wat? wij hebben gehoord, dat de menschen gelijk vee in uw landverkochtworden.”„Natuurlijk geschiedt dat,” zegt Amerika; „maar wat verder?”„Wij hebben vernomen,” zegt Europa, „dat het millioenen menschen in uw land verboden is te leeren lezen en schrijven.”„Dat weten wij wel,” hervat Amerika: „maar wat beteekent nu dit wraakgeroep?”„Nog hebben wij vernomen,” zegt Europa, „dat Christenmeisjes op uwe markten verkocht en zoo aan de schande ter prooije geleverd worden!”„Dat is niet geheel zoo als ’t behoort,” geeft Amerika ten antwoord: „maar nog eens, waarvoor zoo veel beweging gemaakt?”„Wij hooren dat drie millioenen onder u geen wettig huwelijk kunnen aangaan,” roept Europa terug.„Zeer waar,” is het antwoord van Amerika: „maar gij verhieft zulk een kreet, dat wij dachten dat gij eene of andere gruweldaad hadt zien begaan.”„En gij beweert een vrij land te zijn!” roept Europa in verontwaardiging uit.„Wij zijn ook inderdaad het meest vrije en verlichte land ter wereld. Waar maakt gij u toch moeijelijk over?” herneemt Amerika weder.„Gij vaardigt uwe zendelingen af om ons tot Christenen te maken,” zegt Turkije: „enonzegodsdienst heeft evenwel dat afschuwelijke stelsel afgeschaft.”„Wat gaat het u aan? Gij zijt maar heidenen!” zoo besluit Amerika.Menigeen schijnt inderdaad gedacht te hebben, dat alleen verschrikkelijke overdrijving van het slavernij-stelsel de sensatie kon hebben te weeg gebragt, die zich in geheel Europa onlangs heeft doen gevoelen. Zij weten niet, dat de zaak waar aan zij gewend geraakt zijn en die zij met zooveel onverschilligheid bij allerlei gelegenheden behandeld hebben, aan andere volkeren als het toppunt van laaghartigheid voorkomt. Terwijl het nieuwere Europa de oogen opent en een blik werpt op de wettelijke theorie van het slavernij-stelsel en op de wetten en wetsuitlegging waardoor deze zaak geregeld wordt, voegt het met de woorden van den verontwaardigden Othello aan Amerika toe: „Zoo gij iets dergelijks wilt regtvaardigen,Bid dan niet meer, laat wat u wroeging baardeSlechts varen; hoop met onvermoeide hand,Meer euvlen nog den berg op van de schandEn gruwzaamheên; pleeg daden, waarvan de aardeVerbaasd staat en waarom de hemel schreit;Want gij kunt deez verdoemnis niet verzwaren,Die reeds zoo zwaar is door de onmenschelijkheid.”Er bestaat een vreeselijke toestand van gemeenzaamheid met het kwade, hetwelk de Apostel noemt, „dood zijn in overtredingen en zonde,” een toestand waarin men aan de waarheid weêrstand geboden en het kwade hardnekkig verdedigd heeft, waarin men de toespraak des gewetens heeft gesmoord en voor de stem van Gods Heiligen Geest de ooren gesloten. Er bestaat eene vreeselijke ontzenuwing van het zedelijk gevoel, bij welke de meest goddelooze handelingen en de ontzettendste misdaden den geringsten indruk falen te maken. Die ontzenuwing, die steeds een vreeselijke voorbode is van den dood en de ontbinding der natiën, is eene dubbel gevaarlijke kwaal in een Gemeenebest, welks eenige magt gelegen is in doorzigt, geregtigheid en deugd.
Hoofdstuk I.Wordt de slaaf door de openbare meening beschermd?
De volstrekte ontoereikendheid van de wet, om den slaaf in eenig opzigt te beschermen, hebben wij in het licht gesteld.Men zegt evenwel, dat, juist dewijl de wet den slaaf geene bescherming verleent, de openbare meening des te krachtiger in zijn voordeel spreekt.Bij het doorloopen van de verhandelingen der geregtshoven in de slavenhoudende Staten, treft niets veelvuldiger het oog, dan bewijzen van het verregaande onvermogen der wet, om de onbillijkheid jegens dat rampzalige geslacht te lenigen, gepaard aan lofspraken over dien prijzenswaardigen staat van het gevoel des algemeens, dat die erkende onvolledigheid der wet geheel moet aanvullen.Te dezen opzigte is het welligt genoegzaam, zoo wij den lezer, hetzij hij wone in het Noorden of in het Zuiden, verzoeken, bij zich-zelven de geregtelijke documenten na te gaan die wij bijgebragt hebben, en zich af te vragen, welk gevolg, met betrekking tot den staat van dat gevoel des algemeens, getrokken moet worden uit de aangevoerde stukken, uit de pleidooijen der regtsgeleerden, de uitspraken der regters, de door getuigen bezworene feiten en den algemeenen loop en geest van de geregtelijke verhandelingen.Ten einde dit des te beter te kunnen waarderen, willen wij een geding in een vrijen Staatvergelijken met een ander in een slavenhoudenden Staat.In den vrijen Staat Massachusetts bragt een man van aanzien, geleerdheid en voorname betrekkingen een ander man om het leven. Hij martelde hem niet, maar zond hem met één slag de eeuwigheid in. De moordenaar had elk denkbaar voordeel van stand en vrienden; ja, men kan zeggen, dathij de sympathie van ons geheele Gemeenebest bezat; en toch, hoe kalm, met welk eene onverstoorbare en ontzagwekkende bedaardheid, werd het geregtelijk onderzoek voortgezet! De moordenaar werd ter dood veroordeeld—ontroering kwam over het Land! Zelfs souvereine Staten traden op als smeekelingen ten zijnen behoeve.Er verhief zich van Maine tot New-Orleans eene stem om genade. Er werden vertoogen geopperd, bedreigingen geuit; en evenwel, hoe vastberaden, maar zonder hartstogt, vervolgde de wrekende geregtigheid haar weg! Ofschoon de mannen, die de uitvoerders waren van hare bevelen, aangedaan waren en van barmhartigheid bewogen, moesten zij zich toch zwijgend buigen voor haar hoogeren wil. In weêrwil van al wat invloed en rijkdom vermogen, onderging een beschaafd en verstandig man dezelfde straf, welke ieder ander moest treffen, die de heiligheid des levens zou durven aanranden.Stel hier nu tegenover een regtsgeding in een slavenhoudenden Staat. In Virginia heeft iemand, dien wij Souther zullen noemen, ook een mensch vermoord; doch hij bragt hem niet om het leven door één genadeslag, maar door twaalf uren van eene zoo vreeselijke marteling, dat weinig lezers de loutere beschrijving zouden kunnen verduren. Het was eene wijze van sterven, die, om de woorden te gebruiken, welke Cicero in zijn tijd op de kruisiging toepaste, „voor altijd diende verwijderd te worden uit het gehoor, het gezigt, ja zelfs uit de gedachten van het menschdom.” En van dit afgrijselijk tooneel waren twee blanken getuigen geweest!Let nu wel op de wijze waarop beide gevallen behandeld werden en de mate van aandacht die zij trokken. Hoor de advocaten, in de zaak van Souther, koeltjes bespreken of hier zelfs wel aan eene misdaad te denken viel. Hoor de uitspraak van de regtbank van eersten aanleg, dat het moord is met verzachtende omstandigheden, waarop eene gevangenisstraf van vijf jaren moet toegepast worden. Geef acht, hoe de menschenslagter met de houding van een verongelijkt man voor het hoog geregtshof verschijnt! Het proces wordt in de dagbladen eenvoudig vermeld als dat van „Souther contra de Republiek:” en nu willen wij vragen aan elk verstandigman, in het Noorden of in het Zuiden, welk gevoel het algemeen voor zulk eene zaak aan den dag legt?Blijkt er het geloof uit, dat een neger een mensch is? Bewijst het niet bepaaldelijk, dat hijnietbeschouwd wordt als een mensch? Let eens verder op het afgrijselijke beginsel, hetwelk, in dit geval weder bevestigd, de wet is van Virginia:Met opzigt tot de verhouding tusschen meester en slaaf, en ten einde voor eene behoorlijke ondergeschiktheid van de zijde van dezen laatste te zorgen, is de strekking der wet, den meester te beschermen tegen vervolging in alle zoodanige gevallen, zelfs indien de geeseling en bestraffing kwaadwillig, wreed en overdreven geweest is!Wanneer de beschaafdste en verstandigste mannen in den Staat, bepaald en bedaard en schijnbaar zonder te bemerken dat zij iets onmenschelijks zeggen, zulk eene verbazingwekkende uitspraak doen, watmoetmen dan daarvan denken? Indien zijditniet als wreedaardig beschouwen, wat is dan wreedaardig? En, indien hun gevoel zoo verstompt is, dat zij in zulk eene uitspraak geene wreedheid zien, welke hoop kan men dan nog koesteren op eenigerhande bescherming voor den slaaf?Deze wet is eene onbewimpelde en duidelijke vergunning voor zulke ellendelingen als Souther, om den hulpeloozen slaaf elke pijniging te doen ondergaan, die zij goedvinden, zonder blootgesteld te zijn aan eene beschuldiging van misdaad. Zij verklaart hem, en de blanken die van zijne daad getuigen waren en elke andere lage ziel, dat de strekking der wet is, hem te handhaven in de toepassing van zijne kwaadwillige, wreede en overdrevene straffen.Welke opleiding geven de verstandige en beschaafde mannen van een Staat daardoor aan de lagere en minder beschaafde klasse? Veronderstel, dat in Massachusetts plegtig wordt afgekondigd, met opzigt tot de vrije arbeiders of leerjongens, dat, om de ondergeschiktheid te bevorderen, de wet de strekking heeft om den meester te beschermen wanneer hij straf toepast, hoe kwaadwillig, wreed en overdreven dan ook, mits de dood er maar niet op volge. Wij kunnen ons de openbaarmaking van zulk een beginsel niet voorstellen, zonder een opstand en eene uitbarsting van volkswoede, waarbij die van Bunkers Hill onbeduidend zou schijnen;doch, gesteld, de Staat Massachusetts ware zoo ontzenuwd, dat zulk een besluit kon doorgaan zonder tegenstand van de zijde der arbeidende klasse,—gesteld, het ging door en werd eene tastbare wezenlijkheid, welk een invloed zou het hebben op de volksopvoeding in het Gemeenebest? Welke schatting van de arbeidende klasse zou het aanduiden in de gemoederen van hen, die de wet maken en uitvoeren?Hoezeer zou eene dergelijke wet, blijkbaar opgesteld om de menschen in hunne wreedheid te stijven, onmiddellijk ruimen teugel geven aan laagheid en woestheid! Bezitten de menschen niet reeds wreedheid genoeg, zonder dat de majesteit der wet noodig zij om haar te bekrachtigen en eervol te maken?En zoo men ter verdediging van zulk eene wet wilde zeggen: „O! natuurlijk zal nimmer eenig achtenswaardig of menschelijk man er zich van bedienen!” zouden wij dan den ouden Staat Massachusetts niet zeer diep gezonken moeten achten, dat zij in haar wetboek regtstreeksche verzekeringen van bescherming opgenomen had voor daden, die geen man van eer immer zou willen bedrijven?En wanneer deze stuitende vergunning ter toetse gebragt zal worden voor den regterstoel van Christus, en de ontzaggelijke regter aan hare ontwerpers, uitvoerders en verdedigers zal vragen: „Waar is uw broeder?”—wanneer al de zielen, die van onder het altaar hebben geroepen: „Hoe lang, o Heerscher, oordeelt en wreekt gij ons bloed niet,” zich rondom dien regterstoel zullen scharen als eene wolke van getuigen, en het oordeel wordt aangevangen en het boek geopend,—welk antwoord zal dan kunnen gegeven worden voor wetten en uitspraken als deze?Zal men den grooten Regter te gemoet voeren, dat zij noodig waren om de slavernij in stand te houden,—dat deze anders niet had kunnen gehandhaafd worden?Zal men, met zulk eene bekentenis op de lippen, die oogen durven ontmoeten, die als vuurvlammen flonkeren?Zal Hij dan niet, als met eene stemme des donders, antwoorden: „Gij hebt den arme en den nooddruftige omgebragt, en vergeten dat de Heer zijn toeverlaat was”?De doodzonde der slavernij is, dat zij de menschelijkheid verloochent. Dit is de zonde geweest, die der verdrukkingdoor alle tijden heen aankleefde. Het vertreden, schenden en verbrijzelen van Gods beeld in den persoon der armen en geringen is de groote zonde der menschen geweest sinds de grondlegging der wereld. Tegen deze zonde hebben al de profeten van den ouden tijd zich met krachtige stem verheven. Nog sterker getuigenis werd tegen deze zonde ingebragt, toen God in Jezus Christus de menschelijke natuur aannam en elk menschelijk wezen tot een broeder des Heeren maakte. Doch de laatste en meest verhevene getuigenis zal worden geleverd ten dage als eenmenschde geheele aarde zal oordeelen,—een Mensch, die den geringsten slaaf, evenzeer als den fiersten meester, als broeder zal erkennen.In hoogst merkwaardige en treffende bewoordingen wordt in den Bijbel gemeld, dat de Vader het geheele oordeel heeft opgedragen aan den Zoon,omdat deze de Zoon des Menschen is. Die menschelijke natuur, welke, in den persoon van den armen slaaf, is veracht en verworpen, bespot en verguisd, gegeeseld en gemarteld, zal te dien dage verheerlijkt worden; en het zal de vreeselijkste zonde blijken te zijn, zoo men ligtvaardig heeft gehandeld ten aanzien van het geheiligde karakter der menschheid, gelijk deze slavenwetten en instellingen hebben gedaan; want het geheele stelsel der wetgeving, in zake van slavernij, de praktijk van het slavenhouden, en de denkbeelden, welke zich dienaangaande bij het algemeen vormen,—dit alles berust op de grootste der ketterijen,de verloochening van het begrip dat alle menschen broeders zijn. Een geheel geslacht is uit de rij van het menschdom geworpen, zijne onsterfelijkheid voorbijgezien;—hunne waardigheid als kinderen Gods wordt bespot, hunne betrekking als broeders van Christus voor eene fabel gehouden; wet en openbare meening en praktijk ten hunnen aanzien zijn zoodanig, dat men het alleen zou kunnen begrijpen indien zij een ras van redelooze dieren waren.En juist omdat de neger beschouwd wordt als een redeloos dier en geener betere behandeling waardig, houdt men de gedragslijn, die ten zijnen opzigte gevolgd wordt en de behandeling, die hem ten deel valt, voor menschelijk.Neem eene klasse van blanken, hoe onbeschaafd ook, plaats hen onder hetzelfde stelsel van wetten en maak hun civielen toestand in alles gelijk aan dien van den neger: zoudit niet als het toppunt van de onverantwoordelijkste wreedheid beschouwd worden?Stel, bijv., dat de slaven-wetten in ons land van toepassing werden gemaakt op al de Ieren en dat zij verklaard werden tot eigendom van ieder, die geld genoeg had om hen te koopen. Stel dat hun regt om te stemmen, om regtsgedingen in te stellen, om getuigenis in regtszaken af te leggen, om een wettig huwelijk te sluiten, om eigendommen te bezitten of overeenkomsten van allen aard aan te gaan, door ééne pennestreek werd uitgeschrapt. Onderstel al verder, dat het verboden ware hun lezen en schrijven te leeren, en dat hunne kinderen gedoemd waren om tot in de lengte der dagen zonder kennis te blijven voortleven. Onderstel, dat in de geregtszaal verklaard werd, dat hetenkel slaanvan een Ier, „zonder gepaard te gaan met wreedheid of met eenigerhande toeleg om een moord te plegen,” geene overtreding kan geheeten worden. Onderstel, dat er verklaard werd, dat, tot bevordering van de ondergeschiktheid bij hen, de wet den meester zou beschermen, al bleek het ook dat de straf, die hij uitgeoefend had, kwaadwillig, wreed of overdreven was geweest; en onderstel, dat monsters, gelijk Souther, van die vergunning gebruik makende, nu en dan Ieren doodmartelden, doch dat dit van niet genoegzaam belang gerekend werd om den meester eenigen dwang op te leggen. Onderstel dat men koeltjes zeide: „O ja, wij weten wel, dat Ieren wel eens worden doodgemarteld, doch dit is geendoorgaande regel; niemand, van eenigen stand in de maatschappij, zou het doen, en zoo dergelijke gevallen zich voordoen, wekken zij algemeene verontwaardiging.”Onderstel, dat als reden waarom de wet, die de magt van den meester afbakent, niet strenger kan gemaakt worden, werd opgegeven, dat het algemeene stelsel niet in stand kan gehouden worden, zonder die ruimte van magt aan den meester te verleenen.Onderstel, dat, wanneer men al de Ieren in dit land tot dien toestand gebragt had, deze verzekerden, dat het algemeen gevoel van menschelijkheid ten hunnen opzigte zich zoo krachtig deed kennen, dat het ruimschoots opwoog tegen het gemis van alle wettelijke regten en hun toestand over het geheel gelukkiger maakte dan wanneer zij vrij waren. Zoudenwij niet moeten zeggen, dat een „algemeen gevoel”, hetwelk geene wreedheid zag in het ontnemen aan een geheel geslacht van alle regten, die der menschheid dierbaar zijn, dan niets als wreed kan beschouwen en bewezen had geheel onbevoegd te zijn om over dit onderwerp eenig oordeel uit te spreken? Wie zou niet liever zijne kinderen in het graf dan in slavernij zien? Wie, zoo hij morgen ontwaakte als Amerikaansch slaaf, zou zich niet op de rustplaats der dooden wenschen? En toch gaan alle verdedigers van de slavernij uit van de stelling, dat deze wettelijke toestandop zich-zelfgeene wreedheid is! Zij zouden het voor zich of voor eenigen blanke als de uiterste grenspaal van wreedheid beschouwen; waarom beschouwen zij het dan in het geheel als geene wreedheid, wanneer het een neger geldt?De schrijver, die de slavernij inFraser’s Magazineverdedigt, poogt deze ontzetting van eene geheele klasse van hare wettige regten te regtvaardigen door de bewering: „dat het goede, dat in den menschelijken aard ligt, aan de gebreken van de menschelijke wetgeving zal te gemoet komen.” Deze opmerking is een veelbeteekenende maatstaf van den staat der begrippen, die zelfs in een edelaardig gemoed door het slavernij-stelsel te weeg gebragt worden. Die schrijver denkt dat het goede, hetwelk in den menschelijken aard ligt, voorzien zal in het gemis van wettige regten bij duizenden en millioenen menschelijke wezens. Hij zou niet aarzelen hun ligchaam en hunne ziel toe te vertrouwen aan het goede, dat in den menschelijken aard ligt; maar toch zou diezelfde man geen bankbiljet van vijftig dollars in een onverzegelden omslag en vertrouwende op „het goede, dat in den menschelijken aard ligt”, over den post willen verzenden.Zou die man zijne kinderen in den toestand van slaven geplaatst willen zien en hen overlaten aan „het goede, dat in den menschelijken aard ligt?”Zou hij van den achtenswaardigsten zijner vrienden een huis of een landgoed koopen, zonder wettige bewijsstukken op te maken, zich alleen verlatende op „het goede, dat in den menschelijken aard ligt?” En zoo „het goede dat in den menschelijken aard ligt” niet alles-afdoende is voor hem en zijne kinderen, hoe zal het dan genoegzaam zijn voor zijn broeder en zijns broeders kinderen? Iszijngeluk in de oogenvan God van zooveel hooger waarde dan dat zijns broeders, dat het zijne moet verzekerd worden door wettige banden, sloten en grendels, en dat van zijn broeder zoo maar kan worden overgelaten aan „het goede, dat in den menschelijken aard ligt?” Nooit gevoelen wij zoo diep de volslagene ongenoegzaamheid van het algemeen gevoel om den slaaf te beschermen, dan wanneer wij zulke stellingen hooren verkondigen door menschen, die van nature edel en gevoelig zijn.De eerwaarde C. C. Jones, een onvermoeid arbeider voor de slaven, laat zich als volgt uit over de waardij van ééne ziel onder die ongelukkigen:Ware het ons geopenbaard, dat het uitgebreidste stelsel van onderwijs, hetwelk wij bedenken kunnen, al vorderde het een reusachtigen en eeuwen lang voortgezetten arbeid, onder de genadige ontferming van onzen Heer zou uitloopen op de behoudenis vanéén armen Afrikaan, wij zouden er aanleiding in vinden, om, tot welken prijs en met welke opofferingen ook, met blijmoedigheid die taak aan te vangen.Welk een edele en verheven ziel spreekt uit deze woorden! Duiden zij niet een geest aan, die tot de hoogste dingen in staat is?En toch, zoo wij al zijne werken doorloopen, zullen wij er met smart uit ontwaren, hoe het zedelijk gevoel van de reinste ziel verstompt kan worden door voortdurende aanraking met zulk een stelsel.Wij vinden van hem eene raadgeving aan de meesters om hunne slavenmondelingte doen onderrigten in de Godsdienst. Op vele plaatsen spreekt hij van het mondeling onderrigt als een onbetwistbaar gebrekkig onderwijs, verre staande beneden datgeen, hetwelk voortvloeit uit het persoonlijk lezen en onderzoeken van Gods Woord. Hij zegt ergens, dat dit, om nut te stichten, vroeg begonnen moet worden, daar menschen van gevorderde jaren het er zelden ver in brengen; en toch geeft hij als zijne bepaalde meening te kennen, dat de slavernij eene aangelegenheid is, waarin geen Christen zich behoeft te mengen.Volgens zijne eigene aanwijzing wordt den slaven het beste middel tot behoudenis hunner zielen benomen en beperkt menhen tot een van verreweg mindere hoedanigheid. Deze beperking maakt hunne zielen tot het verkrijgen van geestelijk voedsel even afhankelijk van anderen, als een mensch zonder handen van anderen afhankelijk is voor stoffelijk voedsel. Hij erkent—hetgeen zijne eigene ondervinding hem ook moet geleerd hebben—dat de slaaf elk oogenblik kan overgaan in handen van personen, die de moeite niet zullen nemen om hem aldus van geestelijk voedsel te voorzien; ja, zoo wij dit gevolg mogen trekken uit zijn dringend beroep op de meesters, dan heeft hij velen gezien, die, in geestelijken zin de handen hunner slaven afgesneden hebbende, thans weigeren hun het voedsel toe te dienen. Hij ontwaart, dat duizenden geplaatst zijn in omstandigheden, waar de ziel schier onvermijdelijk moet verloren gaan, en toch zegt hij, zich niet geroepen te gevoelen om zich in het minst met hun civielen toestand in te laten!Doch, indien de ziel van iederen armen Afrikaan van die onschatbare waarde is, welke de heer Jones er aan toekent, volgt daaruit dan niet, dat hem het beste middel moet verschaft worden om den hemel in te gaan? En verkeert hij, die den Bijbel zelf kan lezen, niet in een beteren toestand dan degeen, die afhankelijk is van het voorlezen van een ander? Zoo men zegt, dat zulk onderwijs niet kan verleend worden, omdat de slaven dan geene veilige bezitting meer zouden zijn, behoorde dan niet een geestelijke als de heer Jones, van wien wij zoo even zulke treffende woorden hebben aangehaald, den meesters onder het oog te brengen dat het hun beter ware, alle wereldsch goed te verliezen, dan zich bloot te stellen aan het gevaar van eenig verderf te brengen over die zielen? Al de beweeggronden, welke de heer Jones zoo welsprekend heeft aangevoerd om de meesters te overreden, dat zij hunne slaven mondeling onderrigt zouden geven, pleiten met dubbele kracht voor hunne verpligting om den slaaf in staat te stellen, persoonlijk den Bijbel te lezen.Verder hooren wij den heer Jones gewagen van de magt, die de meesters hebben over de zielen hunner ondergeschikten, waaromtrent hij zich aldus uitlaat:Wij kunnen, krachtens de in onze handen gestelde magt, Godsdienstige bijeenkomsten en Godsdienstig onderrigt oponze eigene plantagiën verbieden; wij kunnen onze onderhoorigen geheel verbieden ter kerk te gaan, of hun bevelen alleen die kerken te bezoeken, die wij voor hen kiezen zullen. Letterlijk kunnen wij het Koningrijk der Hemelen voor menschen sluiten en hen, die op den drempel staan, het binnentreden beletten.En wanneer wij den heer Jones dit alles hooren zeggen, en daarbij in aanmerking nemen, dat hij moet weten en gezien hebben, dat deze ontzaggelijke magt dikwijls berust in handen van menschen zonder Godsdienst, in handen van menschen van het verwerpelijkste karakter, dan kunnen wij zijne goedkeuring van zulk een stelsel alleen toeschrijven aan den verblindenden en verdoovenden invloed, dien de gewoonte der slavernij op de achtenswaardigste karakters uitoefent.Noch de heer Jones noch eenig ander Christenleeraar zou het behoorlijk achten, dat de eeuwige gelukzaligheid zijner eigene kinderen aldus gesteld werd in de magt van iemand, die geld zou hebben om hen te betalen. Hoe kunnen zij het dan regtvaardig rekenen, dat die magt verleend worde waar het hun Afrikaanschen broeder betreft?Bewijst dit alles niet, dat, zelfs bij de meest menschelijk en Christelijk-gezinde lieden, die theoretisch gelooven aan de gelijkheid van alle zielen voor God, eene voortdurende aanraking met de slavernij eene practische ontrouw in dit opzigt te weeg brengt; zoodat zij hunne toestemming schenken aan wetten, die in werkelijkheid verklaren dat de behoudenis der ziel van den dienaar van minder gewigt is dan het behoud van den eigendom?Men houde ons niet voor afgunstig of liefdeloos, wanneer wij zeggen, dat, waar de slavernij bestaat, zoovele oorzaken noodwendig zamenloopen om de openbare meening met opzigt tot den slaaf te verstompen, dat zelfs de edelaardigste gemoederen dikwerf aan het dwalen geraken. In de noordelijke en vrije Staten was de openbare meening (en is zij nog heden) rampzalig bezoedeld door den invloed van het vroegere en de nabijheid van het tegenwoordige slavernij-stelsel. Van daar de onregtvaardigheid waarmede de neger in menigen onzer Staten behandeld wordt. Van daar ook die verdediging der slavernij, waarmede de drukpers in het Noorden zich soms belast,ja welke men daar zelfs wel van den predikstoel hoort. Indien de overblijfselen der slavernij de openbare meening zelfs in het Noorden zoo kunnen bederven, hoeveel te meer moet dit dan niet het geval zijn ter plaatse waar die instelling nog in volle kracht aanwezig is!In zekere mate is het gevoel van de geheele Amerikaansche natie op dit punt verstompt. Een heidensch schrijver zeide, dat de Goden ons een schrikwekkend vermogen geschonken hadden, toen zij ons de gave verleenden om aan iets gewoon te worden. Met volle regt kan dit op Amerika toegepast worden. Wij hebben ons gewend aan dingen, die in staat zouden zijn de dooden uit hunne graven te doen verrijzen.Toen slechts een gering gedeelte van hetgeen hier dagelijks voorvalt, in Engeland en Frankrijk en Italië en Duitschland bekend werd, ging een algemeene kreet van verontwaardiging op. Amerika alleen blijft koel en vraagt: „Wat is er gaande?”Europa antwoordt: „Wat? wij hebben gehoord, dat de menschen gelijk vee in uw landverkochtworden.”„Natuurlijk geschiedt dat,” zegt Amerika; „maar wat verder?”„Wij hebben vernomen,” zegt Europa, „dat het millioenen menschen in uw land verboden is te leeren lezen en schrijven.”„Dat weten wij wel,” hervat Amerika: „maar wat beteekent nu dit wraakgeroep?”„Nog hebben wij vernomen,” zegt Europa, „dat Christenmeisjes op uwe markten verkocht en zoo aan de schande ter prooije geleverd worden!”„Dat is niet geheel zoo als ’t behoort,” geeft Amerika ten antwoord: „maar nog eens, waarvoor zoo veel beweging gemaakt?”„Wij hooren dat drie millioenen onder u geen wettig huwelijk kunnen aangaan,” roept Europa terug.„Zeer waar,” is het antwoord van Amerika: „maar gij verhieft zulk een kreet, dat wij dachten dat gij eene of andere gruweldaad hadt zien begaan.”„En gij beweert een vrij land te zijn!” roept Europa in verontwaardiging uit.„Wij zijn ook inderdaad het meest vrije en verlichte land ter wereld. Waar maakt gij u toch moeijelijk over?” herneemt Amerika weder.„Gij vaardigt uwe zendelingen af om ons tot Christenen te maken,” zegt Turkije: „enonzegodsdienst heeft evenwel dat afschuwelijke stelsel afgeschaft.”„Wat gaat het u aan? Gij zijt maar heidenen!” zoo besluit Amerika.Menigeen schijnt inderdaad gedacht te hebben, dat alleen verschrikkelijke overdrijving van het slavernij-stelsel de sensatie kon hebben te weeg gebragt, die zich in geheel Europa onlangs heeft doen gevoelen. Zij weten niet, dat de zaak waar aan zij gewend geraakt zijn en die zij met zooveel onverschilligheid bij allerlei gelegenheden behandeld hebben, aan andere volkeren als het toppunt van laaghartigheid voorkomt. Terwijl het nieuwere Europa de oogen opent en een blik werpt op de wettelijke theorie van het slavernij-stelsel en op de wetten en wetsuitlegging waardoor deze zaak geregeld wordt, voegt het met de woorden van den verontwaardigden Othello aan Amerika toe: „Zoo gij iets dergelijks wilt regtvaardigen,Bid dan niet meer, laat wat u wroeging baardeSlechts varen; hoop met onvermoeide hand,Meer euvlen nog den berg op van de schandEn gruwzaamheên; pleeg daden, waarvan de aardeVerbaasd staat en waarom de hemel schreit;Want gij kunt deez verdoemnis niet verzwaren,Die reeds zoo zwaar is door de onmenschelijkheid.”Er bestaat een vreeselijke toestand van gemeenzaamheid met het kwade, hetwelk de Apostel noemt, „dood zijn in overtredingen en zonde,” een toestand waarin men aan de waarheid weêrstand geboden en het kwade hardnekkig verdedigd heeft, waarin men de toespraak des gewetens heeft gesmoord en voor de stem van Gods Heiligen Geest de ooren gesloten. Er bestaat eene vreeselijke ontzenuwing van het zedelijk gevoel, bij welke de meest goddelooze handelingen en de ontzettendste misdaden den geringsten indruk falen te maken. Die ontzenuwing, die steeds een vreeselijke voorbode is van den dood en de ontbinding der natiën, is eene dubbel gevaarlijke kwaal in een Gemeenebest, welks eenige magt gelegen is in doorzigt, geregtigheid en deugd.
De volstrekte ontoereikendheid van de wet, om den slaaf in eenig opzigt te beschermen, hebben wij in het licht gesteld.
Men zegt evenwel, dat, juist dewijl de wet den slaaf geene bescherming verleent, de openbare meening des te krachtiger in zijn voordeel spreekt.
Bij het doorloopen van de verhandelingen der geregtshoven in de slavenhoudende Staten, treft niets veelvuldiger het oog, dan bewijzen van het verregaande onvermogen der wet, om de onbillijkheid jegens dat rampzalige geslacht te lenigen, gepaard aan lofspraken over dien prijzenswaardigen staat van het gevoel des algemeens, dat die erkende onvolledigheid der wet geheel moet aanvullen.
Te dezen opzigte is het welligt genoegzaam, zoo wij den lezer, hetzij hij wone in het Noorden of in het Zuiden, verzoeken, bij zich-zelven de geregtelijke documenten na te gaan die wij bijgebragt hebben, en zich af te vragen, welk gevolg, met betrekking tot den staat van dat gevoel des algemeens, getrokken moet worden uit de aangevoerde stukken, uit de pleidooijen der regtsgeleerden, de uitspraken der regters, de door getuigen bezworene feiten en den algemeenen loop en geest van de geregtelijke verhandelingen.
Ten einde dit des te beter te kunnen waarderen, willen wij een geding in een vrijen Staatvergelijken met een ander in een slavenhoudenden Staat.
In den vrijen Staat Massachusetts bragt een man van aanzien, geleerdheid en voorname betrekkingen een ander man om het leven. Hij martelde hem niet, maar zond hem met één slag de eeuwigheid in. De moordenaar had elk denkbaar voordeel van stand en vrienden; ja, men kan zeggen, dathij de sympathie van ons geheele Gemeenebest bezat; en toch, hoe kalm, met welk eene onverstoorbare en ontzagwekkende bedaardheid, werd het geregtelijk onderzoek voortgezet! De moordenaar werd ter dood veroordeeld—ontroering kwam over het Land! Zelfs souvereine Staten traden op als smeekelingen ten zijnen behoeve.
Er verhief zich van Maine tot New-Orleans eene stem om genade. Er werden vertoogen geopperd, bedreigingen geuit; en evenwel, hoe vastberaden, maar zonder hartstogt, vervolgde de wrekende geregtigheid haar weg! Ofschoon de mannen, die de uitvoerders waren van hare bevelen, aangedaan waren en van barmhartigheid bewogen, moesten zij zich toch zwijgend buigen voor haar hoogeren wil. In weêrwil van al wat invloed en rijkdom vermogen, onderging een beschaafd en verstandig man dezelfde straf, welke ieder ander moest treffen, die de heiligheid des levens zou durven aanranden.
Stel hier nu tegenover een regtsgeding in een slavenhoudenden Staat. In Virginia heeft iemand, dien wij Souther zullen noemen, ook een mensch vermoord; doch hij bragt hem niet om het leven door één genadeslag, maar door twaalf uren van eene zoo vreeselijke marteling, dat weinig lezers de loutere beschrijving zouden kunnen verduren. Het was eene wijze van sterven, die, om de woorden te gebruiken, welke Cicero in zijn tijd op de kruisiging toepaste, „voor altijd diende verwijderd te worden uit het gehoor, het gezigt, ja zelfs uit de gedachten van het menschdom.” En van dit afgrijselijk tooneel waren twee blanken getuigen geweest!
Let nu wel op de wijze waarop beide gevallen behandeld werden en de mate van aandacht die zij trokken. Hoor de advocaten, in de zaak van Souther, koeltjes bespreken of hier zelfs wel aan eene misdaad te denken viel. Hoor de uitspraak van de regtbank van eersten aanleg, dat het moord is met verzachtende omstandigheden, waarop eene gevangenisstraf van vijf jaren moet toegepast worden. Geef acht, hoe de menschenslagter met de houding van een verongelijkt man voor het hoog geregtshof verschijnt! Het proces wordt in de dagbladen eenvoudig vermeld als dat van „Souther contra de Republiek:” en nu willen wij vragen aan elk verstandigman, in het Noorden of in het Zuiden, welk gevoel het algemeen voor zulk eene zaak aan den dag legt?
Blijkt er het geloof uit, dat een neger een mensch is? Bewijst het niet bepaaldelijk, dat hijnietbeschouwd wordt als een mensch? Let eens verder op het afgrijselijke beginsel, hetwelk, in dit geval weder bevestigd, de wet is van Virginia:Met opzigt tot de verhouding tusschen meester en slaaf, en ten einde voor eene behoorlijke ondergeschiktheid van de zijde van dezen laatste te zorgen, is de strekking der wet, den meester te beschermen tegen vervolging in alle zoodanige gevallen, zelfs indien de geeseling en bestraffing kwaadwillig, wreed en overdreven geweest is!
Wanneer de beschaafdste en verstandigste mannen in den Staat, bepaald en bedaard en schijnbaar zonder te bemerken dat zij iets onmenschelijks zeggen, zulk eene verbazingwekkende uitspraak doen, watmoetmen dan daarvan denken? Indien zijditniet als wreedaardig beschouwen, wat is dan wreedaardig? En, indien hun gevoel zoo verstompt is, dat zij in zulk eene uitspraak geene wreedheid zien, welke hoop kan men dan nog koesteren op eenigerhande bescherming voor den slaaf?
Deze wet is eene onbewimpelde en duidelijke vergunning voor zulke ellendelingen als Souther, om den hulpeloozen slaaf elke pijniging te doen ondergaan, die zij goedvinden, zonder blootgesteld te zijn aan eene beschuldiging van misdaad. Zij verklaart hem, en de blanken die van zijne daad getuigen waren en elke andere lage ziel, dat de strekking der wet is, hem te handhaven in de toepassing van zijne kwaadwillige, wreede en overdrevene straffen.
Welke opleiding geven de verstandige en beschaafde mannen van een Staat daardoor aan de lagere en minder beschaafde klasse? Veronderstel, dat in Massachusetts plegtig wordt afgekondigd, met opzigt tot de vrije arbeiders of leerjongens, dat, om de ondergeschiktheid te bevorderen, de wet de strekking heeft om den meester te beschermen wanneer hij straf toepast, hoe kwaadwillig, wreed en overdreven dan ook, mits de dood er maar niet op volge. Wij kunnen ons de openbaarmaking van zulk een beginsel niet voorstellen, zonder een opstand en eene uitbarsting van volkswoede, waarbij die van Bunkers Hill onbeduidend zou schijnen;doch, gesteld, de Staat Massachusetts ware zoo ontzenuwd, dat zulk een besluit kon doorgaan zonder tegenstand van de zijde der arbeidende klasse,—gesteld, het ging door en werd eene tastbare wezenlijkheid, welk een invloed zou het hebben op de volksopvoeding in het Gemeenebest? Welke schatting van de arbeidende klasse zou het aanduiden in de gemoederen van hen, die de wet maken en uitvoeren?
Hoezeer zou eene dergelijke wet, blijkbaar opgesteld om de menschen in hunne wreedheid te stijven, onmiddellijk ruimen teugel geven aan laagheid en woestheid! Bezitten de menschen niet reeds wreedheid genoeg, zonder dat de majesteit der wet noodig zij om haar te bekrachtigen en eervol te maken?
En zoo men ter verdediging van zulk eene wet wilde zeggen: „O! natuurlijk zal nimmer eenig achtenswaardig of menschelijk man er zich van bedienen!” zouden wij dan den ouden Staat Massachusetts niet zeer diep gezonken moeten achten, dat zij in haar wetboek regtstreeksche verzekeringen van bescherming opgenomen had voor daden, die geen man van eer immer zou willen bedrijven?
En wanneer deze stuitende vergunning ter toetse gebragt zal worden voor den regterstoel van Christus, en de ontzaggelijke regter aan hare ontwerpers, uitvoerders en verdedigers zal vragen: „Waar is uw broeder?”—wanneer al de zielen, die van onder het altaar hebben geroepen: „Hoe lang, o Heerscher, oordeelt en wreekt gij ons bloed niet,” zich rondom dien regterstoel zullen scharen als eene wolke van getuigen, en het oordeel wordt aangevangen en het boek geopend,—welk antwoord zal dan kunnen gegeven worden voor wetten en uitspraken als deze?
Zal men den grooten Regter te gemoet voeren, dat zij noodig waren om de slavernij in stand te houden,—dat deze anders niet had kunnen gehandhaafd worden?
Zal men, met zulk eene bekentenis op de lippen, die oogen durven ontmoeten, die als vuurvlammen flonkeren?
Zal Hij dan niet, als met eene stemme des donders, antwoorden: „Gij hebt den arme en den nooddruftige omgebragt, en vergeten dat de Heer zijn toeverlaat was”?
De doodzonde der slavernij is, dat zij de menschelijkheid verloochent. Dit is de zonde geweest, die der verdrukkingdoor alle tijden heen aankleefde. Het vertreden, schenden en verbrijzelen van Gods beeld in den persoon der armen en geringen is de groote zonde der menschen geweest sinds de grondlegging der wereld. Tegen deze zonde hebben al de profeten van den ouden tijd zich met krachtige stem verheven. Nog sterker getuigenis werd tegen deze zonde ingebragt, toen God in Jezus Christus de menschelijke natuur aannam en elk menschelijk wezen tot een broeder des Heeren maakte. Doch de laatste en meest verhevene getuigenis zal worden geleverd ten dage als eenmenschde geheele aarde zal oordeelen,—een Mensch, die den geringsten slaaf, evenzeer als den fiersten meester, als broeder zal erkennen.
In hoogst merkwaardige en treffende bewoordingen wordt in den Bijbel gemeld, dat de Vader het geheele oordeel heeft opgedragen aan den Zoon,omdat deze de Zoon des Menschen is. Die menschelijke natuur, welke, in den persoon van den armen slaaf, is veracht en verworpen, bespot en verguisd, gegeeseld en gemarteld, zal te dien dage verheerlijkt worden; en het zal de vreeselijkste zonde blijken te zijn, zoo men ligtvaardig heeft gehandeld ten aanzien van het geheiligde karakter der menschheid, gelijk deze slavenwetten en instellingen hebben gedaan; want het geheele stelsel der wetgeving, in zake van slavernij, de praktijk van het slavenhouden, en de denkbeelden, welke zich dienaangaande bij het algemeen vormen,—dit alles berust op de grootste der ketterijen,de verloochening van het begrip dat alle menschen broeders zijn. Een geheel geslacht is uit de rij van het menschdom geworpen, zijne onsterfelijkheid voorbijgezien;—hunne waardigheid als kinderen Gods wordt bespot, hunne betrekking als broeders van Christus voor eene fabel gehouden; wet en openbare meening en praktijk ten hunnen aanzien zijn zoodanig, dat men het alleen zou kunnen begrijpen indien zij een ras van redelooze dieren waren.
En juist omdat de neger beschouwd wordt als een redeloos dier en geener betere behandeling waardig, houdt men de gedragslijn, die ten zijnen opzigte gevolgd wordt en de behandeling, die hem ten deel valt, voor menschelijk.
Neem eene klasse van blanken, hoe onbeschaafd ook, plaats hen onder hetzelfde stelsel van wetten en maak hun civielen toestand in alles gelijk aan dien van den neger: zoudit niet als het toppunt van de onverantwoordelijkste wreedheid beschouwd worden?
Stel, bijv., dat de slaven-wetten in ons land van toepassing werden gemaakt op al de Ieren en dat zij verklaard werden tot eigendom van ieder, die geld genoeg had om hen te koopen. Stel dat hun regt om te stemmen, om regtsgedingen in te stellen, om getuigenis in regtszaken af te leggen, om een wettig huwelijk te sluiten, om eigendommen te bezitten of overeenkomsten van allen aard aan te gaan, door ééne pennestreek werd uitgeschrapt. Onderstel al verder, dat het verboden ware hun lezen en schrijven te leeren, en dat hunne kinderen gedoemd waren om tot in de lengte der dagen zonder kennis te blijven voortleven. Onderstel, dat in de geregtszaal verklaard werd, dat hetenkel slaanvan een Ier, „zonder gepaard te gaan met wreedheid of met eenigerhande toeleg om een moord te plegen,” geene overtreding kan geheeten worden. Onderstel, dat er verklaard werd, dat, tot bevordering van de ondergeschiktheid bij hen, de wet den meester zou beschermen, al bleek het ook dat de straf, die hij uitgeoefend had, kwaadwillig, wreed of overdreven was geweest; en onderstel, dat monsters, gelijk Souther, van die vergunning gebruik makende, nu en dan Ieren doodmartelden, doch dat dit van niet genoegzaam belang gerekend werd om den meester eenigen dwang op te leggen. Onderstel dat men koeltjes zeide: „O ja, wij weten wel, dat Ieren wel eens worden doodgemarteld, doch dit is geendoorgaande regel; niemand, van eenigen stand in de maatschappij, zou het doen, en zoo dergelijke gevallen zich voordoen, wekken zij algemeene verontwaardiging.”
Onderstel, dat als reden waarom de wet, die de magt van den meester afbakent, niet strenger kan gemaakt worden, werd opgegeven, dat het algemeene stelsel niet in stand kan gehouden worden, zonder die ruimte van magt aan den meester te verleenen.
Onderstel, dat, wanneer men al de Ieren in dit land tot dien toestand gebragt had, deze verzekerden, dat het algemeen gevoel van menschelijkheid ten hunnen opzigte zich zoo krachtig deed kennen, dat het ruimschoots opwoog tegen het gemis van alle wettelijke regten en hun toestand over het geheel gelukkiger maakte dan wanneer zij vrij waren. Zoudenwij niet moeten zeggen, dat een „algemeen gevoel”, hetwelk geene wreedheid zag in het ontnemen aan een geheel geslacht van alle regten, die der menschheid dierbaar zijn, dan niets als wreed kan beschouwen en bewezen had geheel onbevoegd te zijn om over dit onderwerp eenig oordeel uit te spreken? Wie zou niet liever zijne kinderen in het graf dan in slavernij zien? Wie, zoo hij morgen ontwaakte als Amerikaansch slaaf, zou zich niet op de rustplaats der dooden wenschen? En toch gaan alle verdedigers van de slavernij uit van de stelling, dat deze wettelijke toestandop zich-zelfgeene wreedheid is! Zij zouden het voor zich of voor eenigen blanke als de uiterste grenspaal van wreedheid beschouwen; waarom beschouwen zij het dan in het geheel als geene wreedheid, wanneer het een neger geldt?
De schrijver, die de slavernij inFraser’s Magazineverdedigt, poogt deze ontzetting van eene geheele klasse van hare wettige regten te regtvaardigen door de bewering: „dat het goede, dat in den menschelijken aard ligt, aan de gebreken van de menschelijke wetgeving zal te gemoet komen.” Deze opmerking is een veelbeteekenende maatstaf van den staat der begrippen, die zelfs in een edelaardig gemoed door het slavernij-stelsel te weeg gebragt worden. Die schrijver denkt dat het goede, hetwelk in den menschelijken aard ligt, voorzien zal in het gemis van wettige regten bij duizenden en millioenen menschelijke wezens. Hij zou niet aarzelen hun ligchaam en hunne ziel toe te vertrouwen aan het goede, dat in den menschelijken aard ligt; maar toch zou diezelfde man geen bankbiljet van vijftig dollars in een onverzegelden omslag en vertrouwende op „het goede, dat in den menschelijken aard ligt”, over den post willen verzenden.
Zou die man zijne kinderen in den toestand van slaven geplaatst willen zien en hen overlaten aan „het goede, dat in den menschelijken aard ligt?”
Zou hij van den achtenswaardigsten zijner vrienden een huis of een landgoed koopen, zonder wettige bewijsstukken op te maken, zich alleen verlatende op „het goede, dat in den menschelijken aard ligt?” En zoo „het goede dat in den menschelijken aard ligt” niet alles-afdoende is voor hem en zijne kinderen, hoe zal het dan genoegzaam zijn voor zijn broeder en zijns broeders kinderen? Iszijngeluk in de oogenvan God van zooveel hooger waarde dan dat zijns broeders, dat het zijne moet verzekerd worden door wettige banden, sloten en grendels, en dat van zijn broeder zoo maar kan worden overgelaten aan „het goede, dat in den menschelijken aard ligt?” Nooit gevoelen wij zoo diep de volslagene ongenoegzaamheid van het algemeen gevoel om den slaaf te beschermen, dan wanneer wij zulke stellingen hooren verkondigen door menschen, die van nature edel en gevoelig zijn.
De eerwaarde C. C. Jones, een onvermoeid arbeider voor de slaven, laat zich als volgt uit over de waardij van ééne ziel onder die ongelukkigen:
Ware het ons geopenbaard, dat het uitgebreidste stelsel van onderwijs, hetwelk wij bedenken kunnen, al vorderde het een reusachtigen en eeuwen lang voortgezetten arbeid, onder de genadige ontferming van onzen Heer zou uitloopen op de behoudenis vanéén armen Afrikaan, wij zouden er aanleiding in vinden, om, tot welken prijs en met welke opofferingen ook, met blijmoedigheid die taak aan te vangen.
Ware het ons geopenbaard, dat het uitgebreidste stelsel van onderwijs, hetwelk wij bedenken kunnen, al vorderde het een reusachtigen en eeuwen lang voortgezetten arbeid, onder de genadige ontferming van onzen Heer zou uitloopen op de behoudenis vanéén armen Afrikaan, wij zouden er aanleiding in vinden, om, tot welken prijs en met welke opofferingen ook, met blijmoedigheid die taak aan te vangen.
Welk een edele en verheven ziel spreekt uit deze woorden! Duiden zij niet een geest aan, die tot de hoogste dingen in staat is?
En toch, zoo wij al zijne werken doorloopen, zullen wij er met smart uit ontwaren, hoe het zedelijk gevoel van de reinste ziel verstompt kan worden door voortdurende aanraking met zulk een stelsel.
Wij vinden van hem eene raadgeving aan de meesters om hunne slavenmondelingte doen onderrigten in de Godsdienst. Op vele plaatsen spreekt hij van het mondeling onderrigt als een onbetwistbaar gebrekkig onderwijs, verre staande beneden datgeen, hetwelk voortvloeit uit het persoonlijk lezen en onderzoeken van Gods Woord. Hij zegt ergens, dat dit, om nut te stichten, vroeg begonnen moet worden, daar menschen van gevorderde jaren het er zelden ver in brengen; en toch geeft hij als zijne bepaalde meening te kennen, dat de slavernij eene aangelegenheid is, waarin geen Christen zich behoeft te mengen.
Volgens zijne eigene aanwijzing wordt den slaven het beste middel tot behoudenis hunner zielen benomen en beperkt menhen tot een van verreweg mindere hoedanigheid. Deze beperking maakt hunne zielen tot het verkrijgen van geestelijk voedsel even afhankelijk van anderen, als een mensch zonder handen van anderen afhankelijk is voor stoffelijk voedsel. Hij erkent—hetgeen zijne eigene ondervinding hem ook moet geleerd hebben—dat de slaaf elk oogenblik kan overgaan in handen van personen, die de moeite niet zullen nemen om hem aldus van geestelijk voedsel te voorzien; ja, zoo wij dit gevolg mogen trekken uit zijn dringend beroep op de meesters, dan heeft hij velen gezien, die, in geestelijken zin de handen hunner slaven afgesneden hebbende, thans weigeren hun het voedsel toe te dienen. Hij ontwaart, dat duizenden geplaatst zijn in omstandigheden, waar de ziel schier onvermijdelijk moet verloren gaan, en toch zegt hij, zich niet geroepen te gevoelen om zich in het minst met hun civielen toestand in te laten!
Doch, indien de ziel van iederen armen Afrikaan van die onschatbare waarde is, welke de heer Jones er aan toekent, volgt daaruit dan niet, dat hem het beste middel moet verschaft worden om den hemel in te gaan? En verkeert hij, die den Bijbel zelf kan lezen, niet in een beteren toestand dan degeen, die afhankelijk is van het voorlezen van een ander? Zoo men zegt, dat zulk onderwijs niet kan verleend worden, omdat de slaven dan geene veilige bezitting meer zouden zijn, behoorde dan niet een geestelijke als de heer Jones, van wien wij zoo even zulke treffende woorden hebben aangehaald, den meesters onder het oog te brengen dat het hun beter ware, alle wereldsch goed te verliezen, dan zich bloot te stellen aan het gevaar van eenig verderf te brengen over die zielen? Al de beweeggronden, welke de heer Jones zoo welsprekend heeft aangevoerd om de meesters te overreden, dat zij hunne slaven mondeling onderrigt zouden geven, pleiten met dubbele kracht voor hunne verpligting om den slaaf in staat te stellen, persoonlijk den Bijbel te lezen.
Verder hooren wij den heer Jones gewagen van de magt, die de meesters hebben over de zielen hunner ondergeschikten, waaromtrent hij zich aldus uitlaat:
Wij kunnen, krachtens de in onze handen gestelde magt, Godsdienstige bijeenkomsten en Godsdienstig onderrigt oponze eigene plantagiën verbieden; wij kunnen onze onderhoorigen geheel verbieden ter kerk te gaan, of hun bevelen alleen die kerken te bezoeken, die wij voor hen kiezen zullen. Letterlijk kunnen wij het Koningrijk der Hemelen voor menschen sluiten en hen, die op den drempel staan, het binnentreden beletten.
Wij kunnen, krachtens de in onze handen gestelde magt, Godsdienstige bijeenkomsten en Godsdienstig onderrigt oponze eigene plantagiën verbieden; wij kunnen onze onderhoorigen geheel verbieden ter kerk te gaan, of hun bevelen alleen die kerken te bezoeken, die wij voor hen kiezen zullen. Letterlijk kunnen wij het Koningrijk der Hemelen voor menschen sluiten en hen, die op den drempel staan, het binnentreden beletten.
En wanneer wij den heer Jones dit alles hooren zeggen, en daarbij in aanmerking nemen, dat hij moet weten en gezien hebben, dat deze ontzaggelijke magt dikwijls berust in handen van menschen zonder Godsdienst, in handen van menschen van het verwerpelijkste karakter, dan kunnen wij zijne goedkeuring van zulk een stelsel alleen toeschrijven aan den verblindenden en verdoovenden invloed, dien de gewoonte der slavernij op de achtenswaardigste karakters uitoefent.
Noch de heer Jones noch eenig ander Christenleeraar zou het behoorlijk achten, dat de eeuwige gelukzaligheid zijner eigene kinderen aldus gesteld werd in de magt van iemand, die geld zou hebben om hen te betalen. Hoe kunnen zij het dan regtvaardig rekenen, dat die magt verleend worde waar het hun Afrikaanschen broeder betreft?
Bewijst dit alles niet, dat, zelfs bij de meest menschelijk en Christelijk-gezinde lieden, die theoretisch gelooven aan de gelijkheid van alle zielen voor God, eene voortdurende aanraking met de slavernij eene practische ontrouw in dit opzigt te weeg brengt; zoodat zij hunne toestemming schenken aan wetten, die in werkelijkheid verklaren dat de behoudenis der ziel van den dienaar van minder gewigt is dan het behoud van den eigendom?
Men houde ons niet voor afgunstig of liefdeloos, wanneer wij zeggen, dat, waar de slavernij bestaat, zoovele oorzaken noodwendig zamenloopen om de openbare meening met opzigt tot den slaaf te verstompen, dat zelfs de edelaardigste gemoederen dikwerf aan het dwalen geraken. In de noordelijke en vrije Staten was de openbare meening (en is zij nog heden) rampzalig bezoedeld door den invloed van het vroegere en de nabijheid van het tegenwoordige slavernij-stelsel. Van daar de onregtvaardigheid waarmede de neger in menigen onzer Staten behandeld wordt. Van daar ook die verdediging der slavernij, waarmede de drukpers in het Noorden zich soms belast,ja welke men daar zelfs wel van den predikstoel hoort. Indien de overblijfselen der slavernij de openbare meening zelfs in het Noorden zoo kunnen bederven, hoeveel te meer moet dit dan niet het geval zijn ter plaatse waar die instelling nog in volle kracht aanwezig is!
In zekere mate is het gevoel van de geheele Amerikaansche natie op dit punt verstompt. Een heidensch schrijver zeide, dat de Goden ons een schrikwekkend vermogen geschonken hadden, toen zij ons de gave verleenden om aan iets gewoon te worden. Met volle regt kan dit op Amerika toegepast worden. Wij hebben ons gewend aan dingen, die in staat zouden zijn de dooden uit hunne graven te doen verrijzen.
Toen slechts een gering gedeelte van hetgeen hier dagelijks voorvalt, in Engeland en Frankrijk en Italië en Duitschland bekend werd, ging een algemeene kreet van verontwaardiging op. Amerika alleen blijft koel en vraagt: „Wat is er gaande?”
Europa antwoordt: „Wat? wij hebben gehoord, dat de menschen gelijk vee in uw landverkochtworden.”
„Natuurlijk geschiedt dat,” zegt Amerika; „maar wat verder?”
„Wij hebben vernomen,” zegt Europa, „dat het millioenen menschen in uw land verboden is te leeren lezen en schrijven.”
„Dat weten wij wel,” hervat Amerika: „maar wat beteekent nu dit wraakgeroep?”
„Nog hebben wij vernomen,” zegt Europa, „dat Christenmeisjes op uwe markten verkocht en zoo aan de schande ter prooije geleverd worden!”
„Dat is niet geheel zoo als ’t behoort,” geeft Amerika ten antwoord: „maar nog eens, waarvoor zoo veel beweging gemaakt?”
„Wij hooren dat drie millioenen onder u geen wettig huwelijk kunnen aangaan,” roept Europa terug.
„Zeer waar,” is het antwoord van Amerika: „maar gij verhieft zulk een kreet, dat wij dachten dat gij eene of andere gruweldaad hadt zien begaan.”
„En gij beweert een vrij land te zijn!” roept Europa in verontwaardiging uit.
„Wij zijn ook inderdaad het meest vrije en verlichte land ter wereld. Waar maakt gij u toch moeijelijk over?” herneemt Amerika weder.
„Gij vaardigt uwe zendelingen af om ons tot Christenen te maken,” zegt Turkije: „enonzegodsdienst heeft evenwel dat afschuwelijke stelsel afgeschaft.”
„Wat gaat het u aan? Gij zijt maar heidenen!” zoo besluit Amerika.
Menigeen schijnt inderdaad gedacht te hebben, dat alleen verschrikkelijke overdrijving van het slavernij-stelsel de sensatie kon hebben te weeg gebragt, die zich in geheel Europa onlangs heeft doen gevoelen. Zij weten niet, dat de zaak waar aan zij gewend geraakt zijn en die zij met zooveel onverschilligheid bij allerlei gelegenheden behandeld hebben, aan andere volkeren als het toppunt van laaghartigheid voorkomt. Terwijl het nieuwere Europa de oogen opent en een blik werpt op de wettelijke theorie van het slavernij-stelsel en op de wetten en wetsuitlegging waardoor deze zaak geregeld wordt, voegt het met de woorden van den verontwaardigden Othello aan Amerika toe: „Zoo gij iets dergelijks wilt regtvaardigen,
Bid dan niet meer, laat wat u wroeging baardeSlechts varen; hoop met onvermoeide hand,Meer euvlen nog den berg op van de schandEn gruwzaamheên; pleeg daden, waarvan de aardeVerbaasd staat en waarom de hemel schreit;Want gij kunt deez verdoemnis niet verzwaren,Die reeds zoo zwaar is door de onmenschelijkheid.”
Bid dan niet meer, laat wat u wroeging baarde
Slechts varen; hoop met onvermoeide hand,
Meer euvlen nog den berg op van de schand
En gruwzaamheên; pleeg daden, waarvan de aarde
Verbaasd staat en waarom de hemel schreit;
Want gij kunt deez verdoemnis niet verzwaren,
Die reeds zoo zwaar is door de onmenschelijkheid.”
Er bestaat een vreeselijke toestand van gemeenzaamheid met het kwade, hetwelk de Apostel noemt, „dood zijn in overtredingen en zonde,” een toestand waarin men aan de waarheid weêrstand geboden en het kwade hardnekkig verdedigd heeft, waarin men de toespraak des gewetens heeft gesmoord en voor de stem van Gods Heiligen Geest de ooren gesloten. Er bestaat eene vreeselijke ontzenuwing van het zedelijk gevoel, bij welke de meest goddelooze handelingen en de ontzettendste misdaden den geringsten indruk falen te maken. Die ontzenuwing, die steeds een vreeselijke voorbode is van den dood en de ontbinding der natiën, is eene dubbel gevaarlijke kwaal in een Gemeenebest, welks eenige magt gelegen is in doorzigt, geregtigheid en deugd.