Hoofdstuk VIII.

Hoofdstuk VIII.Is de slavernij met het Evangelie overeen te brengen?Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is.Uit hetgeen in het vorige hoofdstuk gezegd is gelooven wij, dat blijken zal, dat de Christelijke Kerk in Amerika tot de slavernij geenszins in die verhouding staat, als waarin de Apostelen, of de Kerk in de eerste tijden, tot haar stonden.Hoe men de taal der Apostelen ook verkieze uit te leggen, onbetwistbaar is het, dat de kerkelijke inrigting, welke na die heilige vermaningen verrees, de afschaffing der slavernij op het oog had en ook verwezenlijkte.Maar wij willen nog eens stil blijven staan bij een denkbeeld, dat dikwijls op den voorgrond wordt gesteld door degenen, die de Amerikaansche slavernij verdedigen; dit namelijk: dat de instelling niet uit zich-zelve zondig is, en dat de eenige zonde bestaat in de veronachtzaming van de daartoe betrekkelijke verpligtingen. Al wat noodig is, zeggen zij, is die instelling overeen te brengen met de voorschriften van het Evangelie; en zij geven toe, dat geene slavernij te verdedigen is, die niet aldus is geregeld.Indien het dan blijkt, dat de Amerikaansche slavenwettenniet zijn overeen te brengenmet de voorschriften van het Evangelie, ten minste zonder zulke veranderingen, die het geheele stelsel den bodem inslaan, dan zal daaruit blijken, dat het eene onchristelijke instelling is, tegen welke ieder Christen moet opkomen en waaraan hij zich geheel moet onttrekken.De Romeinsche slavenwet was opgesteld door heidenen,—bovendien door een geslacht, welks barschheid en gevoelloosheid tot een spreekwoord geworden is. Zij werd vervaardigd in de donkerste eeuwen, eer de dageraad van het Evangelie aangebroken was. Het Christendom schafte haar trapsgewijze maar zonder falen af. Eenige eeuwen later gaat eene bende Christenen naar het vaste land van Afrika, stookt daar oorlogen aan, zaait verdeeldheid, zet met duivelenwoede den eenen stam tegen den anderen op, steekt dorpen in brand en rooft en vervoert te midden van al die verwarring, van tijd tot tijd, honderden en duizenden beklagenswaardige gevangenen. Zij, die niet van ontzetting, smart, verstikking, koorts of andere afgrijselijkheden sterven, worden op de kusten van Amerika gebragt. Zij zijn hier. En nu komt eene schare Christelijke wetgevers bijeen om voor deze rampzaligen een wettelijk stelsel van slavernij te maken, dat later beschouwd moet worden als eene Christelijke instelling.Om eenige geldige aanspraak op zulk een naam te hebben, moet die instelling natuurlijk bestuurd worden door de beginselen, die Christus en Zijne Apostelen gesteld hebben voor degenen, die met de betrekking van meesters bekleed worden. Het Nieuwe Testament legt die beginselen in eene enkele zinsnede neder: „Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is.”Doch, daar er altijd eenige verwarring van begrippen bestaat ten opzigte van hetgeen voor onzen buurman regt en billijk is, heeft de Heer ons nog deze aanwijzing gegeven, waardoor wij tot onfeilbare zekerheid kunnen komen: „Wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen.”Het is dus blijkbaar, dat indien Christelijke wetgevers een Christelijk stelsel van dienstbaarheid willen invoeren, zij het gronden moeten op deze beide voorschriften, van welke het eene de bepaalde verduidelijking is van het andere.Laten wij nu eens eenige bijzondere punten nagaan van het wetboek, dat zij opgesteld hebben, en zien of het dit karakter draagt.Vooreerst beginnen zij met te verklaren, dat hun broeder niet langer zal beschouwd worden als een mensch, maar gewaardeerd, verkocht, afgeleverd en te boek gesteld als een roerend goed.—Dit is „regt en billijk!”Uit dezen grondslag van het stelsel vloeijen de hieronder beschreven gevolgen voort:1. Dat hij geen regt zal hebben om eenigen eigendom hoegenaamd te bezitten.—Regt en billijk!2. Dat hij geen regt zal hebben om een wettig huwelijk aan te gaan, noch om eenige vrouw in het bijzonder als zijne echtgenoote aan te merken.—Regt en billijk!3. Dat hij geen regt zal hebben om zijne kinderen te beschermen, te straffen, voor te lichten of op te voeden.—Regt en billijk!4. Dat de magt van den meester over hem, eenevolstrekte magtzal wezen, zonder mogelijkheid van beroep of herstel wegens eenige mishandeling, hoe ook genaamd.Om hiervoor goed te zorgen, hebben zij bepaald, dat hij onbevoegd is om eenig regtsgeding, van welken aard ook, aanhangig te maken.—Regt en billijk!Dat hij geene getuigenis mag afleggen voor de regtbank, wanneer een blanke in de zaak betrokken is.—Regt en billijk!Dat de eigenaar van een slaaf niet vervolgd kan worden „wegens het baldadig, wreedaardig en overdreven slaan van dien slaaf.”—Regt en billijk!Verder is bepaald, dat geen slaaf door eene zijdelingsche wijze van procederen, bijv. door een voogd, vergoeding voor mishandeling kan verkrijgen (Proces van Dorothea contra Coquillonc. s., 9 Martin La., Rep. 350).—Regt en billijk!5. Er is bepaald, dat de slaaf niet alleen op den weg van regten geen verhaal heeft op zijn meester wegens mishandelingen, die hij van dezen heeft ondergaan, maar dat hij evenmin regt zal verkrijgen voor die, welke een ander persoon hem heeft aangedaan, tenzij hierdoor zijne waarde als verhandelbaar artikel is verminderd.—Regt en billijk!Onder die rubriek staat duidelijk het volgende te lezen:„Het eenvoudig slaan van een slaaf, zonder daarmede gepaard gaande wreedheid of poging tot moord, is geen vergrijp tegen de rust van den staat. De rust van den staat wordt daardoor niet verstoord.” (De StaatcontraManer, 2 Hill’s Rep. S. C.).—Regt en billijk!Indien een slaaf een blanke slaat moet hij ter dood veroordeeld worden; doch indien een meester zijn slaaf doorpijnigingen doodt, terwijl geene blanke getuigen aanwezig zijn geweest, kan hij zich door zijn eigen eed zuiveren (In Louisiana).—Regt en billijk!De wet bedreigt boete en gevangenisstraf tegen dengeen, die eens anders slaaf bevrijdt van de straf van den ijzeren halsboei. (Louisiana).—Regt en billijk!Zij bedreigt eene veel geringere boete, zonder gevangenzetting, tegen den man, die zijn slaaf met gloeijende ijzers gepijnigd, de tong uitgesneden, de oogen uitgestoken, hem verschroeid of lam geslagen zal hebben. (Louisiana).—Regt en billijk!Zij bedreigt dezelfde straf tegen dengeen die hem leert schrijven, als tegen dengeen die hem de oogen uitsteekt.—Regt en billijk!Daar het te begrijpen is, dat alleen zeer domme en onbeschaafde menschen in zulk een toestand gehouden kunnen worden, vooral in een land waar ieder boek en nieuwsblad overkropt is met vertoogen over de regten van den mensch, zoo beveelt de wet, dat hij noch zijne kinderen, door alle geslachten heen, zullen mogen leeren lezen noch schrijven.—Regt en billijk!En daar de slaven, wanneer zij tot het houden van Godsdienst-oefeningen bijeen mogten komen, plannen zouden kunnen smeden om te ontvlugten of om herstel van grieven te vorderen, zoo zegt de wet: „Geene negers mogen, onder voorwendsel van de Godsdienst, bijeenkomsten houden; elke slaaf, op zulke vergaderingen aangetroffen, zalzonder proces, terstond gecorrigeerd worden met vijf en twintig zweep- of bullepeesslagen op den blooten rug.” (Wet van Georgia, Prince’sDigest, blz. 447.)—Regt en billijk!Ofschoon de dienstbare aldus in onwetendheid wordt gehouden, wordt hij voor gelijke misdrijven zwaarder gestraft dan de vrije.—Regt en billijk!Bij maniere van bescherming tegen overmatig werk bepalen zij, dat hij hoogstens vijf uren langer mag arbeiden dan de tot dwangarbeid veroordeelden!Ook schrijven zij voor, dat de meester of opzigter, niet hij-zelf, beslissen zullen wanneer hij te ziek is om te werken.—Regt en billijk!Indien een meester, medelijden hebbende met het lot vanden slaaf, daarin verbetering wil brengen, ontneemt de wet hem daartoe het vermogen door de volgende bepalingen:1. Dat al zijne verdiensten aan zijn meester zullen behooren, niettegenstaande zijns meesters beloften ter contrarie; zoodat hij aansprakelijk wordt voor de schulden van zijn meester.—Regt en billijk!2. Dat, indien zijn meester hem veroorlooft vee te houden voor zijn eigen gebruik, iedereen dit weg zal mogen nemen en de helft van het in beslag genomene zal genieten.—Regt en billijk.3. Indien zijn meester hem op vrije voeten stelt, zal hij opgepakt en weder verkocht worden.—Regt en billijk!Indien een man of vrouw aan dezen toestand ontvlugt en na indaging niet terugkeert, kunnen twee vrederegters hem of haar buiten de wet stellen, en dan staat het ieder in de gemeente vrij de vlugteling te dooden op de wijze die men zal goedvinden.—Regt en billijk!Zoodanig zijn de wetten van dat slavenstelsel, hetwelk laat in den Christelijken tijd opgemaakt is door Christelijke meesters, en thans verdedigd wordt door Christenleeraars als eene bijzonder weldadig werkende instelling.Aldus hebben Christelijke wetgevers doen blijken, dat zij den tekst verstaan: „Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is;” als ook dezen: „Wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen.”Er blijken voorzeker de meest ongewone begrippen van regt en billijkheid uit en het is de merkwaardigste verwezenlijking van het beginsel om aan anderen te doen wat wij wenschen dat ons geschiede, hetwelk de beschaafde wereld ooit het genoegen heeft gehad te aanschouwen. Als dit nu deinstellingis, dan ga ieder na wat haremisbruikenmoeten zijn; want eerwaarde predikanten betuigen ons met een ernstig gelaat, dat zij zich niet geroepen achten om zich met hetstelselte bemoeijen, maar alleen met zijne misbruiken. Wij zouden wel eens willen weten welk misbruik men kan aanwijzen, dat niet bij de wet voorzien en uitdrukkelijk door haar in bescherming genomen is.En toch beweren Christelijke republikeinen (die, ofschoon de magt hebbende om die wetten in te trekken, haar elken dag handhaven), dat er geen kwaad in de slavernij ligt, indien mendie instelling regelt naar de voorschriften der Apostelen en den onderhoorigen geeft wat regt en billijk is. Denken zij dan, dat, indien de Christen-meesters van Rome en Corinthe zulk een stel van regelen gemaakt hadden voor het bestuur hunner slaven, Paulus die zou erkend hebben als eene juiste toepassing van hetgeen hij met regt en billijk bedoelt?Maar de Presbyterijen van Zuid-Carolina en alle andere Godsdienstige genootschappen van het Zuiden zeggen, dat de Kerk van onzen Heer Jezus Christus geen regt heeft om zich met burgerlijke instellingen te bemoeijen. Wat is die Kerk van onzen Heer Jezus Christus, waarvan zij spreken? Is zij niet eene vereeniging van republikeinen, die de constitutioneele magt hebben om die wetten te veranderen, wier pligt het is ze te veranderen, en die aan de voorschriften van den Apostel ongehoorzaam zijn elken dag wanneer zij er geene wijziging in brengen? Elk predikant in het Zuiden is stemgeregtigde zoowel als predikant; elk lidmaat is stemgeregtigde zoowel als lidmaat; en predikanten en ledematen behooren onder de meesters die dit afgrijselijke stelsel in stand houden, terwijl zij de volle magt hebben om het te veranderen: en nog durven zij er van spreken, hunnen dienstknechten te geven wat regt en billijk is! Indien zij hunnen onderhoorigen willen geven wat regt en billijk is, dat zij hun dan hunne menschenwaarde terugschenken; zij zijn de wettenmakers en kunnen het doen. Laten zij den slaaf het regt geven om iets in eigendom te bezitten, om een wettig huwelijk aan te gaan, om Gods woord te lezen, en om zulk eene opvoeding te erlangen dat zijn verstand en zedelijk gevoel er volkomen door ontwikkeld worde; het regt van gewetensvrijheid en van vrije eeredienst; het regt om zaken voor de regtbanken te kunnen aanbrengen en getuigenis te mogen afleggen; het regt om eenige stem te hebben in het bestuur, waardoor zijne belangen behartigd worden. Dit zal meer gelijken naar het geven van hetgeen „regt en billijk” is.De eerwaarde Smylie, van Mississippi, zegt, dat de planters van Louisiana en Mississippi, terwijl zij twintig à vijf en twintig dollars voor een vaatje spek betalen, hunnen slaven drie à vier pond spek per week toeleggen; en geeft daarbij te verstaan, dat, indien dit de menschen niet overtuigt dat er regt en billijk gehandeld wordt, hij niet meer weet hoe hij het hun aan het verstand zal brengen.De heer C. C. Jones, na op verschillende plaatsen te kennen gegeven te hebben dat hij niet voornemens is zich immer met den civielen toestand van de slaven te bemoeijen, brengt den negers in zijn Katechismus onder het oog, dat de meester zijnen dienaar geeft wat regt en billijk is, wanneer hij hem voorziet van goede huisvesting, goede kleeding, voedsel, oppassing en Godsdienstig onderrigt.Dit is even als een man, die eene erfenis verduisterd heeft, welke aan weezen toebehoort. Uit zijne rijke inkomsten verschaft hij den weezen voedsel, kleederen enz., terwijl hij het overige voor zijn eigen gebruik houdt en verklaart dat hij hun geeft wat regt en billijk is.Indien de wetten op het stuk van slavernij gemaakt waren door een despotisch vorst, op wiens handelingen de meesters geen invloed konden uitoefenen, dan kon deze handelwijze misschien regt en billijk genoemd worden; maar daar zij gemaakt zijn en in werking gehouden worden door die Christelijke meesters, die predikanten en die ledematen, in vereeniging met menschen die dat niet zijn, zoo onthoudt ieder zijnen slaven wat regt en billijk is, zoo lang hij niet streeft naar de intrekking dier wetten; en indien zij die afschaffing niet kunnen verwerven, is het hun pligt de slaven daaraan te ontrukken, daar die wetten met zulk eene duivelsche arglistigheid zijn zamengesteld, dat zij al wat de meester tot verheffing en welzijn van zijne slaven beproeft, volkomen krachteloos maken.Niemand zou begeeren zijne eigene kinderen als slaven onder de magt te laten van den zachtzinnigsten meester die ooit het levenslicht aanschouwde; en wat hij zijnen eigenen kinderen niet aangedaan zou wenschen te zien, behoorde hij ook niet te doen aan de kinderen van anderen.Maar men zal zeggen, dat het der Christelijke Kerk niet past, zich in staatszaken te mengen. Nogmaals vragen wij: wat is de Christelijke Kerk? Is zij niet eene vereeniging van republikeinsche burgers, van welke ieder zijne regten en pligten als wettig stemgeregtigde heeft?Stel eens, dat eene wet werd aangenomen, die de waarde van de katoen of de suiker met drie cents per pond verminderde; zouden deze menschen de omstandigheid dat zij ledematen zijn, dan beschouwen als eene reden om niet aan te dringen op de intrekking van die wet? Gewis niet. Zulkeene wet zou weggevaagd worden als een spinneweb, schier eer zij nog bestond. Iedere wet waarmede de meerderheid der burgers niet instemt, is in dit land terstond vernietigd.Waarom blijft dit monsterachtig stelsel dan van eeuw tot eeuw voortduren? Omdat de meerderheid der burgerser in toestemt. Door hunne stilzwijgende goedkeuringvernieuwenzij die wetten elken dag.Het rijk van onzen Heer Jezus Christus is niet van deze wereld, zeggen de Presbyterijen in Zuid-Carolina; daarom heeft de Kerk geen regt om zich met eenigerhande burgerlijke instelling te bemoeijen; maar toch is de geheele geestelijkheid van Charlestonen corpsopgekomen om hare goedkeuring te hechten aan de handelingen van het groote „Vigilance Committee.” Zij kon niet voegzaam den minsten invloed uitoefenentegende slavernij, maar wel al het gewigt van haar invloed in de schaal werpenter gunstedaarvan.Maakt men door het voorstaan van den verdrukker, het rijk van onzen Heer Jezus Christus niet evenzeer van deze wereld, als door het beschermen van den verdrukte?

Hoofdstuk VIII.Is de slavernij met het Evangelie overeen te brengen?Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is.Uit hetgeen in het vorige hoofdstuk gezegd is gelooven wij, dat blijken zal, dat de Christelijke Kerk in Amerika tot de slavernij geenszins in die verhouding staat, als waarin de Apostelen, of de Kerk in de eerste tijden, tot haar stonden.Hoe men de taal der Apostelen ook verkieze uit te leggen, onbetwistbaar is het, dat de kerkelijke inrigting, welke na die heilige vermaningen verrees, de afschaffing der slavernij op het oog had en ook verwezenlijkte.Maar wij willen nog eens stil blijven staan bij een denkbeeld, dat dikwijls op den voorgrond wordt gesteld door degenen, die de Amerikaansche slavernij verdedigen; dit namelijk: dat de instelling niet uit zich-zelve zondig is, en dat de eenige zonde bestaat in de veronachtzaming van de daartoe betrekkelijke verpligtingen. Al wat noodig is, zeggen zij, is die instelling overeen te brengen met de voorschriften van het Evangelie; en zij geven toe, dat geene slavernij te verdedigen is, die niet aldus is geregeld.Indien het dan blijkt, dat de Amerikaansche slavenwettenniet zijn overeen te brengenmet de voorschriften van het Evangelie, ten minste zonder zulke veranderingen, die het geheele stelsel den bodem inslaan, dan zal daaruit blijken, dat het eene onchristelijke instelling is, tegen welke ieder Christen moet opkomen en waaraan hij zich geheel moet onttrekken.De Romeinsche slavenwet was opgesteld door heidenen,—bovendien door een geslacht, welks barschheid en gevoelloosheid tot een spreekwoord geworden is. Zij werd vervaardigd in de donkerste eeuwen, eer de dageraad van het Evangelie aangebroken was. Het Christendom schafte haar trapsgewijze maar zonder falen af. Eenige eeuwen later gaat eene bende Christenen naar het vaste land van Afrika, stookt daar oorlogen aan, zaait verdeeldheid, zet met duivelenwoede den eenen stam tegen den anderen op, steekt dorpen in brand en rooft en vervoert te midden van al die verwarring, van tijd tot tijd, honderden en duizenden beklagenswaardige gevangenen. Zij, die niet van ontzetting, smart, verstikking, koorts of andere afgrijselijkheden sterven, worden op de kusten van Amerika gebragt. Zij zijn hier. En nu komt eene schare Christelijke wetgevers bijeen om voor deze rampzaligen een wettelijk stelsel van slavernij te maken, dat later beschouwd moet worden als eene Christelijke instelling.Om eenige geldige aanspraak op zulk een naam te hebben, moet die instelling natuurlijk bestuurd worden door de beginselen, die Christus en Zijne Apostelen gesteld hebben voor degenen, die met de betrekking van meesters bekleed worden. Het Nieuwe Testament legt die beginselen in eene enkele zinsnede neder: „Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is.”Doch, daar er altijd eenige verwarring van begrippen bestaat ten opzigte van hetgeen voor onzen buurman regt en billijk is, heeft de Heer ons nog deze aanwijzing gegeven, waardoor wij tot onfeilbare zekerheid kunnen komen: „Wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen.”Het is dus blijkbaar, dat indien Christelijke wetgevers een Christelijk stelsel van dienstbaarheid willen invoeren, zij het gronden moeten op deze beide voorschriften, van welke het eene de bepaalde verduidelijking is van het andere.Laten wij nu eens eenige bijzondere punten nagaan van het wetboek, dat zij opgesteld hebben, en zien of het dit karakter draagt.Vooreerst beginnen zij met te verklaren, dat hun broeder niet langer zal beschouwd worden als een mensch, maar gewaardeerd, verkocht, afgeleverd en te boek gesteld als een roerend goed.—Dit is „regt en billijk!”Uit dezen grondslag van het stelsel vloeijen de hieronder beschreven gevolgen voort:1. Dat hij geen regt zal hebben om eenigen eigendom hoegenaamd te bezitten.—Regt en billijk!2. Dat hij geen regt zal hebben om een wettig huwelijk aan te gaan, noch om eenige vrouw in het bijzonder als zijne echtgenoote aan te merken.—Regt en billijk!3. Dat hij geen regt zal hebben om zijne kinderen te beschermen, te straffen, voor te lichten of op te voeden.—Regt en billijk!4. Dat de magt van den meester over hem, eenevolstrekte magtzal wezen, zonder mogelijkheid van beroep of herstel wegens eenige mishandeling, hoe ook genaamd.Om hiervoor goed te zorgen, hebben zij bepaald, dat hij onbevoegd is om eenig regtsgeding, van welken aard ook, aanhangig te maken.—Regt en billijk!Dat hij geene getuigenis mag afleggen voor de regtbank, wanneer een blanke in de zaak betrokken is.—Regt en billijk!Dat de eigenaar van een slaaf niet vervolgd kan worden „wegens het baldadig, wreedaardig en overdreven slaan van dien slaaf.”—Regt en billijk!Verder is bepaald, dat geen slaaf door eene zijdelingsche wijze van procederen, bijv. door een voogd, vergoeding voor mishandeling kan verkrijgen (Proces van Dorothea contra Coquillonc. s., 9 Martin La., Rep. 350).—Regt en billijk!5. Er is bepaald, dat de slaaf niet alleen op den weg van regten geen verhaal heeft op zijn meester wegens mishandelingen, die hij van dezen heeft ondergaan, maar dat hij evenmin regt zal verkrijgen voor die, welke een ander persoon hem heeft aangedaan, tenzij hierdoor zijne waarde als verhandelbaar artikel is verminderd.—Regt en billijk!Onder die rubriek staat duidelijk het volgende te lezen:„Het eenvoudig slaan van een slaaf, zonder daarmede gepaard gaande wreedheid of poging tot moord, is geen vergrijp tegen de rust van den staat. De rust van den staat wordt daardoor niet verstoord.” (De StaatcontraManer, 2 Hill’s Rep. S. C.).—Regt en billijk!Indien een slaaf een blanke slaat moet hij ter dood veroordeeld worden; doch indien een meester zijn slaaf doorpijnigingen doodt, terwijl geene blanke getuigen aanwezig zijn geweest, kan hij zich door zijn eigen eed zuiveren (In Louisiana).—Regt en billijk!De wet bedreigt boete en gevangenisstraf tegen dengeen, die eens anders slaaf bevrijdt van de straf van den ijzeren halsboei. (Louisiana).—Regt en billijk!Zij bedreigt eene veel geringere boete, zonder gevangenzetting, tegen den man, die zijn slaaf met gloeijende ijzers gepijnigd, de tong uitgesneden, de oogen uitgestoken, hem verschroeid of lam geslagen zal hebben. (Louisiana).—Regt en billijk!Zij bedreigt dezelfde straf tegen dengeen die hem leert schrijven, als tegen dengeen die hem de oogen uitsteekt.—Regt en billijk!Daar het te begrijpen is, dat alleen zeer domme en onbeschaafde menschen in zulk een toestand gehouden kunnen worden, vooral in een land waar ieder boek en nieuwsblad overkropt is met vertoogen over de regten van den mensch, zoo beveelt de wet, dat hij noch zijne kinderen, door alle geslachten heen, zullen mogen leeren lezen noch schrijven.—Regt en billijk!En daar de slaven, wanneer zij tot het houden van Godsdienst-oefeningen bijeen mogten komen, plannen zouden kunnen smeden om te ontvlugten of om herstel van grieven te vorderen, zoo zegt de wet: „Geene negers mogen, onder voorwendsel van de Godsdienst, bijeenkomsten houden; elke slaaf, op zulke vergaderingen aangetroffen, zalzonder proces, terstond gecorrigeerd worden met vijf en twintig zweep- of bullepeesslagen op den blooten rug.” (Wet van Georgia, Prince’sDigest, blz. 447.)—Regt en billijk!Ofschoon de dienstbare aldus in onwetendheid wordt gehouden, wordt hij voor gelijke misdrijven zwaarder gestraft dan de vrije.—Regt en billijk!Bij maniere van bescherming tegen overmatig werk bepalen zij, dat hij hoogstens vijf uren langer mag arbeiden dan de tot dwangarbeid veroordeelden!Ook schrijven zij voor, dat de meester of opzigter, niet hij-zelf, beslissen zullen wanneer hij te ziek is om te werken.—Regt en billijk!Indien een meester, medelijden hebbende met het lot vanden slaaf, daarin verbetering wil brengen, ontneemt de wet hem daartoe het vermogen door de volgende bepalingen:1. Dat al zijne verdiensten aan zijn meester zullen behooren, niettegenstaande zijns meesters beloften ter contrarie; zoodat hij aansprakelijk wordt voor de schulden van zijn meester.—Regt en billijk!2. Dat, indien zijn meester hem veroorlooft vee te houden voor zijn eigen gebruik, iedereen dit weg zal mogen nemen en de helft van het in beslag genomene zal genieten.—Regt en billijk.3. Indien zijn meester hem op vrije voeten stelt, zal hij opgepakt en weder verkocht worden.—Regt en billijk!Indien een man of vrouw aan dezen toestand ontvlugt en na indaging niet terugkeert, kunnen twee vrederegters hem of haar buiten de wet stellen, en dan staat het ieder in de gemeente vrij de vlugteling te dooden op de wijze die men zal goedvinden.—Regt en billijk!Zoodanig zijn de wetten van dat slavenstelsel, hetwelk laat in den Christelijken tijd opgemaakt is door Christelijke meesters, en thans verdedigd wordt door Christenleeraars als eene bijzonder weldadig werkende instelling.Aldus hebben Christelijke wetgevers doen blijken, dat zij den tekst verstaan: „Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is;” als ook dezen: „Wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen.”Er blijken voorzeker de meest ongewone begrippen van regt en billijkheid uit en het is de merkwaardigste verwezenlijking van het beginsel om aan anderen te doen wat wij wenschen dat ons geschiede, hetwelk de beschaafde wereld ooit het genoegen heeft gehad te aanschouwen. Als dit nu deinstellingis, dan ga ieder na wat haremisbruikenmoeten zijn; want eerwaarde predikanten betuigen ons met een ernstig gelaat, dat zij zich niet geroepen achten om zich met hetstelselte bemoeijen, maar alleen met zijne misbruiken. Wij zouden wel eens willen weten welk misbruik men kan aanwijzen, dat niet bij de wet voorzien en uitdrukkelijk door haar in bescherming genomen is.En toch beweren Christelijke republikeinen (die, ofschoon de magt hebbende om die wetten in te trekken, haar elken dag handhaven), dat er geen kwaad in de slavernij ligt, indien mendie instelling regelt naar de voorschriften der Apostelen en den onderhoorigen geeft wat regt en billijk is. Denken zij dan, dat, indien de Christen-meesters van Rome en Corinthe zulk een stel van regelen gemaakt hadden voor het bestuur hunner slaven, Paulus die zou erkend hebben als eene juiste toepassing van hetgeen hij met regt en billijk bedoelt?Maar de Presbyterijen van Zuid-Carolina en alle andere Godsdienstige genootschappen van het Zuiden zeggen, dat de Kerk van onzen Heer Jezus Christus geen regt heeft om zich met burgerlijke instellingen te bemoeijen. Wat is die Kerk van onzen Heer Jezus Christus, waarvan zij spreken? Is zij niet eene vereeniging van republikeinen, die de constitutioneele magt hebben om die wetten te veranderen, wier pligt het is ze te veranderen, en die aan de voorschriften van den Apostel ongehoorzaam zijn elken dag wanneer zij er geene wijziging in brengen? Elk predikant in het Zuiden is stemgeregtigde zoowel als predikant; elk lidmaat is stemgeregtigde zoowel als lidmaat; en predikanten en ledematen behooren onder de meesters die dit afgrijselijke stelsel in stand houden, terwijl zij de volle magt hebben om het te veranderen: en nog durven zij er van spreken, hunnen dienstknechten te geven wat regt en billijk is! Indien zij hunnen onderhoorigen willen geven wat regt en billijk is, dat zij hun dan hunne menschenwaarde terugschenken; zij zijn de wettenmakers en kunnen het doen. Laten zij den slaaf het regt geven om iets in eigendom te bezitten, om een wettig huwelijk aan te gaan, om Gods woord te lezen, en om zulk eene opvoeding te erlangen dat zijn verstand en zedelijk gevoel er volkomen door ontwikkeld worde; het regt van gewetensvrijheid en van vrije eeredienst; het regt om zaken voor de regtbanken te kunnen aanbrengen en getuigenis te mogen afleggen; het regt om eenige stem te hebben in het bestuur, waardoor zijne belangen behartigd worden. Dit zal meer gelijken naar het geven van hetgeen „regt en billijk” is.De eerwaarde Smylie, van Mississippi, zegt, dat de planters van Louisiana en Mississippi, terwijl zij twintig à vijf en twintig dollars voor een vaatje spek betalen, hunnen slaven drie à vier pond spek per week toeleggen; en geeft daarbij te verstaan, dat, indien dit de menschen niet overtuigt dat er regt en billijk gehandeld wordt, hij niet meer weet hoe hij het hun aan het verstand zal brengen.De heer C. C. Jones, na op verschillende plaatsen te kennen gegeven te hebben dat hij niet voornemens is zich immer met den civielen toestand van de slaven te bemoeijen, brengt den negers in zijn Katechismus onder het oog, dat de meester zijnen dienaar geeft wat regt en billijk is, wanneer hij hem voorziet van goede huisvesting, goede kleeding, voedsel, oppassing en Godsdienstig onderrigt.Dit is even als een man, die eene erfenis verduisterd heeft, welke aan weezen toebehoort. Uit zijne rijke inkomsten verschaft hij den weezen voedsel, kleederen enz., terwijl hij het overige voor zijn eigen gebruik houdt en verklaart dat hij hun geeft wat regt en billijk is.Indien de wetten op het stuk van slavernij gemaakt waren door een despotisch vorst, op wiens handelingen de meesters geen invloed konden uitoefenen, dan kon deze handelwijze misschien regt en billijk genoemd worden; maar daar zij gemaakt zijn en in werking gehouden worden door die Christelijke meesters, die predikanten en die ledematen, in vereeniging met menschen die dat niet zijn, zoo onthoudt ieder zijnen slaven wat regt en billijk is, zoo lang hij niet streeft naar de intrekking dier wetten; en indien zij die afschaffing niet kunnen verwerven, is het hun pligt de slaven daaraan te ontrukken, daar die wetten met zulk eene duivelsche arglistigheid zijn zamengesteld, dat zij al wat de meester tot verheffing en welzijn van zijne slaven beproeft, volkomen krachteloos maken.Niemand zou begeeren zijne eigene kinderen als slaven onder de magt te laten van den zachtzinnigsten meester die ooit het levenslicht aanschouwde; en wat hij zijnen eigenen kinderen niet aangedaan zou wenschen te zien, behoorde hij ook niet te doen aan de kinderen van anderen.Maar men zal zeggen, dat het der Christelijke Kerk niet past, zich in staatszaken te mengen. Nogmaals vragen wij: wat is de Christelijke Kerk? Is zij niet eene vereeniging van republikeinsche burgers, van welke ieder zijne regten en pligten als wettig stemgeregtigde heeft?Stel eens, dat eene wet werd aangenomen, die de waarde van de katoen of de suiker met drie cents per pond verminderde; zouden deze menschen de omstandigheid dat zij ledematen zijn, dan beschouwen als eene reden om niet aan te dringen op de intrekking van die wet? Gewis niet. Zulkeene wet zou weggevaagd worden als een spinneweb, schier eer zij nog bestond. Iedere wet waarmede de meerderheid der burgers niet instemt, is in dit land terstond vernietigd.Waarom blijft dit monsterachtig stelsel dan van eeuw tot eeuw voortduren? Omdat de meerderheid der burgerser in toestemt. Door hunne stilzwijgende goedkeuringvernieuwenzij die wetten elken dag.Het rijk van onzen Heer Jezus Christus is niet van deze wereld, zeggen de Presbyterijen in Zuid-Carolina; daarom heeft de Kerk geen regt om zich met eenigerhande burgerlijke instelling te bemoeijen; maar toch is de geheele geestelijkheid van Charlestonen corpsopgekomen om hare goedkeuring te hechten aan de handelingen van het groote „Vigilance Committee.” Zij kon niet voegzaam den minsten invloed uitoefenentegende slavernij, maar wel al het gewigt van haar invloed in de schaal werpenter gunstedaarvan.Maakt men door het voorstaan van den verdrukker, het rijk van onzen Heer Jezus Christus niet evenzeer van deze wereld, als door het beschermen van den verdrukte?

Hoofdstuk VIII.Is de slavernij met het Evangelie overeen te brengen?Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is.Uit hetgeen in het vorige hoofdstuk gezegd is gelooven wij, dat blijken zal, dat de Christelijke Kerk in Amerika tot de slavernij geenszins in die verhouding staat, als waarin de Apostelen, of de Kerk in de eerste tijden, tot haar stonden.Hoe men de taal der Apostelen ook verkieze uit te leggen, onbetwistbaar is het, dat de kerkelijke inrigting, welke na die heilige vermaningen verrees, de afschaffing der slavernij op het oog had en ook verwezenlijkte.Maar wij willen nog eens stil blijven staan bij een denkbeeld, dat dikwijls op den voorgrond wordt gesteld door degenen, die de Amerikaansche slavernij verdedigen; dit namelijk: dat de instelling niet uit zich-zelve zondig is, en dat de eenige zonde bestaat in de veronachtzaming van de daartoe betrekkelijke verpligtingen. Al wat noodig is, zeggen zij, is die instelling overeen te brengen met de voorschriften van het Evangelie; en zij geven toe, dat geene slavernij te verdedigen is, die niet aldus is geregeld.Indien het dan blijkt, dat de Amerikaansche slavenwettenniet zijn overeen te brengenmet de voorschriften van het Evangelie, ten minste zonder zulke veranderingen, die het geheele stelsel den bodem inslaan, dan zal daaruit blijken, dat het eene onchristelijke instelling is, tegen welke ieder Christen moet opkomen en waaraan hij zich geheel moet onttrekken.De Romeinsche slavenwet was opgesteld door heidenen,—bovendien door een geslacht, welks barschheid en gevoelloosheid tot een spreekwoord geworden is. Zij werd vervaardigd in de donkerste eeuwen, eer de dageraad van het Evangelie aangebroken was. Het Christendom schafte haar trapsgewijze maar zonder falen af. Eenige eeuwen later gaat eene bende Christenen naar het vaste land van Afrika, stookt daar oorlogen aan, zaait verdeeldheid, zet met duivelenwoede den eenen stam tegen den anderen op, steekt dorpen in brand en rooft en vervoert te midden van al die verwarring, van tijd tot tijd, honderden en duizenden beklagenswaardige gevangenen. Zij, die niet van ontzetting, smart, verstikking, koorts of andere afgrijselijkheden sterven, worden op de kusten van Amerika gebragt. Zij zijn hier. En nu komt eene schare Christelijke wetgevers bijeen om voor deze rampzaligen een wettelijk stelsel van slavernij te maken, dat later beschouwd moet worden als eene Christelijke instelling.Om eenige geldige aanspraak op zulk een naam te hebben, moet die instelling natuurlijk bestuurd worden door de beginselen, die Christus en Zijne Apostelen gesteld hebben voor degenen, die met de betrekking van meesters bekleed worden. Het Nieuwe Testament legt die beginselen in eene enkele zinsnede neder: „Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is.”Doch, daar er altijd eenige verwarring van begrippen bestaat ten opzigte van hetgeen voor onzen buurman regt en billijk is, heeft de Heer ons nog deze aanwijzing gegeven, waardoor wij tot onfeilbare zekerheid kunnen komen: „Wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen.”Het is dus blijkbaar, dat indien Christelijke wetgevers een Christelijk stelsel van dienstbaarheid willen invoeren, zij het gronden moeten op deze beide voorschriften, van welke het eene de bepaalde verduidelijking is van het andere.Laten wij nu eens eenige bijzondere punten nagaan van het wetboek, dat zij opgesteld hebben, en zien of het dit karakter draagt.Vooreerst beginnen zij met te verklaren, dat hun broeder niet langer zal beschouwd worden als een mensch, maar gewaardeerd, verkocht, afgeleverd en te boek gesteld als een roerend goed.—Dit is „regt en billijk!”Uit dezen grondslag van het stelsel vloeijen de hieronder beschreven gevolgen voort:1. Dat hij geen regt zal hebben om eenigen eigendom hoegenaamd te bezitten.—Regt en billijk!2. Dat hij geen regt zal hebben om een wettig huwelijk aan te gaan, noch om eenige vrouw in het bijzonder als zijne echtgenoote aan te merken.—Regt en billijk!3. Dat hij geen regt zal hebben om zijne kinderen te beschermen, te straffen, voor te lichten of op te voeden.—Regt en billijk!4. Dat de magt van den meester over hem, eenevolstrekte magtzal wezen, zonder mogelijkheid van beroep of herstel wegens eenige mishandeling, hoe ook genaamd.Om hiervoor goed te zorgen, hebben zij bepaald, dat hij onbevoegd is om eenig regtsgeding, van welken aard ook, aanhangig te maken.—Regt en billijk!Dat hij geene getuigenis mag afleggen voor de regtbank, wanneer een blanke in de zaak betrokken is.—Regt en billijk!Dat de eigenaar van een slaaf niet vervolgd kan worden „wegens het baldadig, wreedaardig en overdreven slaan van dien slaaf.”—Regt en billijk!Verder is bepaald, dat geen slaaf door eene zijdelingsche wijze van procederen, bijv. door een voogd, vergoeding voor mishandeling kan verkrijgen (Proces van Dorothea contra Coquillonc. s., 9 Martin La., Rep. 350).—Regt en billijk!5. Er is bepaald, dat de slaaf niet alleen op den weg van regten geen verhaal heeft op zijn meester wegens mishandelingen, die hij van dezen heeft ondergaan, maar dat hij evenmin regt zal verkrijgen voor die, welke een ander persoon hem heeft aangedaan, tenzij hierdoor zijne waarde als verhandelbaar artikel is verminderd.—Regt en billijk!Onder die rubriek staat duidelijk het volgende te lezen:„Het eenvoudig slaan van een slaaf, zonder daarmede gepaard gaande wreedheid of poging tot moord, is geen vergrijp tegen de rust van den staat. De rust van den staat wordt daardoor niet verstoord.” (De StaatcontraManer, 2 Hill’s Rep. S. C.).—Regt en billijk!Indien een slaaf een blanke slaat moet hij ter dood veroordeeld worden; doch indien een meester zijn slaaf doorpijnigingen doodt, terwijl geene blanke getuigen aanwezig zijn geweest, kan hij zich door zijn eigen eed zuiveren (In Louisiana).—Regt en billijk!De wet bedreigt boete en gevangenisstraf tegen dengeen, die eens anders slaaf bevrijdt van de straf van den ijzeren halsboei. (Louisiana).—Regt en billijk!Zij bedreigt eene veel geringere boete, zonder gevangenzetting, tegen den man, die zijn slaaf met gloeijende ijzers gepijnigd, de tong uitgesneden, de oogen uitgestoken, hem verschroeid of lam geslagen zal hebben. (Louisiana).—Regt en billijk!Zij bedreigt dezelfde straf tegen dengeen die hem leert schrijven, als tegen dengeen die hem de oogen uitsteekt.—Regt en billijk!Daar het te begrijpen is, dat alleen zeer domme en onbeschaafde menschen in zulk een toestand gehouden kunnen worden, vooral in een land waar ieder boek en nieuwsblad overkropt is met vertoogen over de regten van den mensch, zoo beveelt de wet, dat hij noch zijne kinderen, door alle geslachten heen, zullen mogen leeren lezen noch schrijven.—Regt en billijk!En daar de slaven, wanneer zij tot het houden van Godsdienst-oefeningen bijeen mogten komen, plannen zouden kunnen smeden om te ontvlugten of om herstel van grieven te vorderen, zoo zegt de wet: „Geene negers mogen, onder voorwendsel van de Godsdienst, bijeenkomsten houden; elke slaaf, op zulke vergaderingen aangetroffen, zalzonder proces, terstond gecorrigeerd worden met vijf en twintig zweep- of bullepeesslagen op den blooten rug.” (Wet van Georgia, Prince’sDigest, blz. 447.)—Regt en billijk!Ofschoon de dienstbare aldus in onwetendheid wordt gehouden, wordt hij voor gelijke misdrijven zwaarder gestraft dan de vrije.—Regt en billijk!Bij maniere van bescherming tegen overmatig werk bepalen zij, dat hij hoogstens vijf uren langer mag arbeiden dan de tot dwangarbeid veroordeelden!Ook schrijven zij voor, dat de meester of opzigter, niet hij-zelf, beslissen zullen wanneer hij te ziek is om te werken.—Regt en billijk!Indien een meester, medelijden hebbende met het lot vanden slaaf, daarin verbetering wil brengen, ontneemt de wet hem daartoe het vermogen door de volgende bepalingen:1. Dat al zijne verdiensten aan zijn meester zullen behooren, niettegenstaande zijns meesters beloften ter contrarie; zoodat hij aansprakelijk wordt voor de schulden van zijn meester.—Regt en billijk!2. Dat, indien zijn meester hem veroorlooft vee te houden voor zijn eigen gebruik, iedereen dit weg zal mogen nemen en de helft van het in beslag genomene zal genieten.—Regt en billijk.3. Indien zijn meester hem op vrije voeten stelt, zal hij opgepakt en weder verkocht worden.—Regt en billijk!Indien een man of vrouw aan dezen toestand ontvlugt en na indaging niet terugkeert, kunnen twee vrederegters hem of haar buiten de wet stellen, en dan staat het ieder in de gemeente vrij de vlugteling te dooden op de wijze die men zal goedvinden.—Regt en billijk!Zoodanig zijn de wetten van dat slavenstelsel, hetwelk laat in den Christelijken tijd opgemaakt is door Christelijke meesters, en thans verdedigd wordt door Christenleeraars als eene bijzonder weldadig werkende instelling.Aldus hebben Christelijke wetgevers doen blijken, dat zij den tekst verstaan: „Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is;” als ook dezen: „Wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen.”Er blijken voorzeker de meest ongewone begrippen van regt en billijkheid uit en het is de merkwaardigste verwezenlijking van het beginsel om aan anderen te doen wat wij wenschen dat ons geschiede, hetwelk de beschaafde wereld ooit het genoegen heeft gehad te aanschouwen. Als dit nu deinstellingis, dan ga ieder na wat haremisbruikenmoeten zijn; want eerwaarde predikanten betuigen ons met een ernstig gelaat, dat zij zich niet geroepen achten om zich met hetstelselte bemoeijen, maar alleen met zijne misbruiken. Wij zouden wel eens willen weten welk misbruik men kan aanwijzen, dat niet bij de wet voorzien en uitdrukkelijk door haar in bescherming genomen is.En toch beweren Christelijke republikeinen (die, ofschoon de magt hebbende om die wetten in te trekken, haar elken dag handhaven), dat er geen kwaad in de slavernij ligt, indien mendie instelling regelt naar de voorschriften der Apostelen en den onderhoorigen geeft wat regt en billijk is. Denken zij dan, dat, indien de Christen-meesters van Rome en Corinthe zulk een stel van regelen gemaakt hadden voor het bestuur hunner slaven, Paulus die zou erkend hebben als eene juiste toepassing van hetgeen hij met regt en billijk bedoelt?Maar de Presbyterijen van Zuid-Carolina en alle andere Godsdienstige genootschappen van het Zuiden zeggen, dat de Kerk van onzen Heer Jezus Christus geen regt heeft om zich met burgerlijke instellingen te bemoeijen. Wat is die Kerk van onzen Heer Jezus Christus, waarvan zij spreken? Is zij niet eene vereeniging van republikeinen, die de constitutioneele magt hebben om die wetten te veranderen, wier pligt het is ze te veranderen, en die aan de voorschriften van den Apostel ongehoorzaam zijn elken dag wanneer zij er geene wijziging in brengen? Elk predikant in het Zuiden is stemgeregtigde zoowel als predikant; elk lidmaat is stemgeregtigde zoowel als lidmaat; en predikanten en ledematen behooren onder de meesters die dit afgrijselijke stelsel in stand houden, terwijl zij de volle magt hebben om het te veranderen: en nog durven zij er van spreken, hunnen dienstknechten te geven wat regt en billijk is! Indien zij hunnen onderhoorigen willen geven wat regt en billijk is, dat zij hun dan hunne menschenwaarde terugschenken; zij zijn de wettenmakers en kunnen het doen. Laten zij den slaaf het regt geven om iets in eigendom te bezitten, om een wettig huwelijk aan te gaan, om Gods woord te lezen, en om zulk eene opvoeding te erlangen dat zijn verstand en zedelijk gevoel er volkomen door ontwikkeld worde; het regt van gewetensvrijheid en van vrije eeredienst; het regt om zaken voor de regtbanken te kunnen aanbrengen en getuigenis te mogen afleggen; het regt om eenige stem te hebben in het bestuur, waardoor zijne belangen behartigd worden. Dit zal meer gelijken naar het geven van hetgeen „regt en billijk” is.De eerwaarde Smylie, van Mississippi, zegt, dat de planters van Louisiana en Mississippi, terwijl zij twintig à vijf en twintig dollars voor een vaatje spek betalen, hunnen slaven drie à vier pond spek per week toeleggen; en geeft daarbij te verstaan, dat, indien dit de menschen niet overtuigt dat er regt en billijk gehandeld wordt, hij niet meer weet hoe hij het hun aan het verstand zal brengen.De heer C. C. Jones, na op verschillende plaatsen te kennen gegeven te hebben dat hij niet voornemens is zich immer met den civielen toestand van de slaven te bemoeijen, brengt den negers in zijn Katechismus onder het oog, dat de meester zijnen dienaar geeft wat regt en billijk is, wanneer hij hem voorziet van goede huisvesting, goede kleeding, voedsel, oppassing en Godsdienstig onderrigt.Dit is even als een man, die eene erfenis verduisterd heeft, welke aan weezen toebehoort. Uit zijne rijke inkomsten verschaft hij den weezen voedsel, kleederen enz., terwijl hij het overige voor zijn eigen gebruik houdt en verklaart dat hij hun geeft wat regt en billijk is.Indien de wetten op het stuk van slavernij gemaakt waren door een despotisch vorst, op wiens handelingen de meesters geen invloed konden uitoefenen, dan kon deze handelwijze misschien regt en billijk genoemd worden; maar daar zij gemaakt zijn en in werking gehouden worden door die Christelijke meesters, die predikanten en die ledematen, in vereeniging met menschen die dat niet zijn, zoo onthoudt ieder zijnen slaven wat regt en billijk is, zoo lang hij niet streeft naar de intrekking dier wetten; en indien zij die afschaffing niet kunnen verwerven, is het hun pligt de slaven daaraan te ontrukken, daar die wetten met zulk eene duivelsche arglistigheid zijn zamengesteld, dat zij al wat de meester tot verheffing en welzijn van zijne slaven beproeft, volkomen krachteloos maken.Niemand zou begeeren zijne eigene kinderen als slaven onder de magt te laten van den zachtzinnigsten meester die ooit het levenslicht aanschouwde; en wat hij zijnen eigenen kinderen niet aangedaan zou wenschen te zien, behoorde hij ook niet te doen aan de kinderen van anderen.Maar men zal zeggen, dat het der Christelijke Kerk niet past, zich in staatszaken te mengen. Nogmaals vragen wij: wat is de Christelijke Kerk? Is zij niet eene vereeniging van republikeinsche burgers, van welke ieder zijne regten en pligten als wettig stemgeregtigde heeft?Stel eens, dat eene wet werd aangenomen, die de waarde van de katoen of de suiker met drie cents per pond verminderde; zouden deze menschen de omstandigheid dat zij ledematen zijn, dan beschouwen als eene reden om niet aan te dringen op de intrekking van die wet? Gewis niet. Zulkeene wet zou weggevaagd worden als een spinneweb, schier eer zij nog bestond. Iedere wet waarmede de meerderheid der burgers niet instemt, is in dit land terstond vernietigd.Waarom blijft dit monsterachtig stelsel dan van eeuw tot eeuw voortduren? Omdat de meerderheid der burgerser in toestemt. Door hunne stilzwijgende goedkeuringvernieuwenzij die wetten elken dag.Het rijk van onzen Heer Jezus Christus is niet van deze wereld, zeggen de Presbyterijen in Zuid-Carolina; daarom heeft de Kerk geen regt om zich met eenigerhande burgerlijke instelling te bemoeijen; maar toch is de geheele geestelijkheid van Charlestonen corpsopgekomen om hare goedkeuring te hechten aan de handelingen van het groote „Vigilance Committee.” Zij kon niet voegzaam den minsten invloed uitoefenentegende slavernij, maar wel al het gewigt van haar invloed in de schaal werpenter gunstedaarvan.Maakt men door het voorstaan van den verdrukker, het rijk van onzen Heer Jezus Christus niet evenzeer van deze wereld, als door het beschermen van den verdrukte?

Hoofdstuk VIII.Is de slavernij met het Evangelie overeen te brengen?Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is.

Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is.

Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is.

Uit hetgeen in het vorige hoofdstuk gezegd is gelooven wij, dat blijken zal, dat de Christelijke Kerk in Amerika tot de slavernij geenszins in die verhouding staat, als waarin de Apostelen, of de Kerk in de eerste tijden, tot haar stonden.Hoe men de taal der Apostelen ook verkieze uit te leggen, onbetwistbaar is het, dat de kerkelijke inrigting, welke na die heilige vermaningen verrees, de afschaffing der slavernij op het oog had en ook verwezenlijkte.Maar wij willen nog eens stil blijven staan bij een denkbeeld, dat dikwijls op den voorgrond wordt gesteld door degenen, die de Amerikaansche slavernij verdedigen; dit namelijk: dat de instelling niet uit zich-zelve zondig is, en dat de eenige zonde bestaat in de veronachtzaming van de daartoe betrekkelijke verpligtingen. Al wat noodig is, zeggen zij, is die instelling overeen te brengen met de voorschriften van het Evangelie; en zij geven toe, dat geene slavernij te verdedigen is, die niet aldus is geregeld.Indien het dan blijkt, dat de Amerikaansche slavenwettenniet zijn overeen te brengenmet de voorschriften van het Evangelie, ten minste zonder zulke veranderingen, die het geheele stelsel den bodem inslaan, dan zal daaruit blijken, dat het eene onchristelijke instelling is, tegen welke ieder Christen moet opkomen en waaraan hij zich geheel moet onttrekken.De Romeinsche slavenwet was opgesteld door heidenen,—bovendien door een geslacht, welks barschheid en gevoelloosheid tot een spreekwoord geworden is. Zij werd vervaardigd in de donkerste eeuwen, eer de dageraad van het Evangelie aangebroken was. Het Christendom schafte haar trapsgewijze maar zonder falen af. Eenige eeuwen later gaat eene bende Christenen naar het vaste land van Afrika, stookt daar oorlogen aan, zaait verdeeldheid, zet met duivelenwoede den eenen stam tegen den anderen op, steekt dorpen in brand en rooft en vervoert te midden van al die verwarring, van tijd tot tijd, honderden en duizenden beklagenswaardige gevangenen. Zij, die niet van ontzetting, smart, verstikking, koorts of andere afgrijselijkheden sterven, worden op de kusten van Amerika gebragt. Zij zijn hier. En nu komt eene schare Christelijke wetgevers bijeen om voor deze rampzaligen een wettelijk stelsel van slavernij te maken, dat later beschouwd moet worden als eene Christelijke instelling.Om eenige geldige aanspraak op zulk een naam te hebben, moet die instelling natuurlijk bestuurd worden door de beginselen, die Christus en Zijne Apostelen gesteld hebben voor degenen, die met de betrekking van meesters bekleed worden. Het Nieuwe Testament legt die beginselen in eene enkele zinsnede neder: „Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is.”Doch, daar er altijd eenige verwarring van begrippen bestaat ten opzigte van hetgeen voor onzen buurman regt en billijk is, heeft de Heer ons nog deze aanwijzing gegeven, waardoor wij tot onfeilbare zekerheid kunnen komen: „Wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen.”Het is dus blijkbaar, dat indien Christelijke wetgevers een Christelijk stelsel van dienstbaarheid willen invoeren, zij het gronden moeten op deze beide voorschriften, van welke het eene de bepaalde verduidelijking is van het andere.Laten wij nu eens eenige bijzondere punten nagaan van het wetboek, dat zij opgesteld hebben, en zien of het dit karakter draagt.Vooreerst beginnen zij met te verklaren, dat hun broeder niet langer zal beschouwd worden als een mensch, maar gewaardeerd, verkocht, afgeleverd en te boek gesteld als een roerend goed.—Dit is „regt en billijk!”Uit dezen grondslag van het stelsel vloeijen de hieronder beschreven gevolgen voort:1. Dat hij geen regt zal hebben om eenigen eigendom hoegenaamd te bezitten.—Regt en billijk!2. Dat hij geen regt zal hebben om een wettig huwelijk aan te gaan, noch om eenige vrouw in het bijzonder als zijne echtgenoote aan te merken.—Regt en billijk!3. Dat hij geen regt zal hebben om zijne kinderen te beschermen, te straffen, voor te lichten of op te voeden.—Regt en billijk!4. Dat de magt van den meester over hem, eenevolstrekte magtzal wezen, zonder mogelijkheid van beroep of herstel wegens eenige mishandeling, hoe ook genaamd.Om hiervoor goed te zorgen, hebben zij bepaald, dat hij onbevoegd is om eenig regtsgeding, van welken aard ook, aanhangig te maken.—Regt en billijk!Dat hij geene getuigenis mag afleggen voor de regtbank, wanneer een blanke in de zaak betrokken is.—Regt en billijk!Dat de eigenaar van een slaaf niet vervolgd kan worden „wegens het baldadig, wreedaardig en overdreven slaan van dien slaaf.”—Regt en billijk!Verder is bepaald, dat geen slaaf door eene zijdelingsche wijze van procederen, bijv. door een voogd, vergoeding voor mishandeling kan verkrijgen (Proces van Dorothea contra Coquillonc. s., 9 Martin La., Rep. 350).—Regt en billijk!5. Er is bepaald, dat de slaaf niet alleen op den weg van regten geen verhaal heeft op zijn meester wegens mishandelingen, die hij van dezen heeft ondergaan, maar dat hij evenmin regt zal verkrijgen voor die, welke een ander persoon hem heeft aangedaan, tenzij hierdoor zijne waarde als verhandelbaar artikel is verminderd.—Regt en billijk!Onder die rubriek staat duidelijk het volgende te lezen:„Het eenvoudig slaan van een slaaf, zonder daarmede gepaard gaande wreedheid of poging tot moord, is geen vergrijp tegen de rust van den staat. De rust van den staat wordt daardoor niet verstoord.” (De StaatcontraManer, 2 Hill’s Rep. S. C.).—Regt en billijk!Indien een slaaf een blanke slaat moet hij ter dood veroordeeld worden; doch indien een meester zijn slaaf doorpijnigingen doodt, terwijl geene blanke getuigen aanwezig zijn geweest, kan hij zich door zijn eigen eed zuiveren (In Louisiana).—Regt en billijk!De wet bedreigt boete en gevangenisstraf tegen dengeen, die eens anders slaaf bevrijdt van de straf van den ijzeren halsboei. (Louisiana).—Regt en billijk!Zij bedreigt eene veel geringere boete, zonder gevangenzetting, tegen den man, die zijn slaaf met gloeijende ijzers gepijnigd, de tong uitgesneden, de oogen uitgestoken, hem verschroeid of lam geslagen zal hebben. (Louisiana).—Regt en billijk!Zij bedreigt dezelfde straf tegen dengeen die hem leert schrijven, als tegen dengeen die hem de oogen uitsteekt.—Regt en billijk!Daar het te begrijpen is, dat alleen zeer domme en onbeschaafde menschen in zulk een toestand gehouden kunnen worden, vooral in een land waar ieder boek en nieuwsblad overkropt is met vertoogen over de regten van den mensch, zoo beveelt de wet, dat hij noch zijne kinderen, door alle geslachten heen, zullen mogen leeren lezen noch schrijven.—Regt en billijk!En daar de slaven, wanneer zij tot het houden van Godsdienst-oefeningen bijeen mogten komen, plannen zouden kunnen smeden om te ontvlugten of om herstel van grieven te vorderen, zoo zegt de wet: „Geene negers mogen, onder voorwendsel van de Godsdienst, bijeenkomsten houden; elke slaaf, op zulke vergaderingen aangetroffen, zalzonder proces, terstond gecorrigeerd worden met vijf en twintig zweep- of bullepeesslagen op den blooten rug.” (Wet van Georgia, Prince’sDigest, blz. 447.)—Regt en billijk!Ofschoon de dienstbare aldus in onwetendheid wordt gehouden, wordt hij voor gelijke misdrijven zwaarder gestraft dan de vrije.—Regt en billijk!Bij maniere van bescherming tegen overmatig werk bepalen zij, dat hij hoogstens vijf uren langer mag arbeiden dan de tot dwangarbeid veroordeelden!Ook schrijven zij voor, dat de meester of opzigter, niet hij-zelf, beslissen zullen wanneer hij te ziek is om te werken.—Regt en billijk!Indien een meester, medelijden hebbende met het lot vanden slaaf, daarin verbetering wil brengen, ontneemt de wet hem daartoe het vermogen door de volgende bepalingen:1. Dat al zijne verdiensten aan zijn meester zullen behooren, niettegenstaande zijns meesters beloften ter contrarie; zoodat hij aansprakelijk wordt voor de schulden van zijn meester.—Regt en billijk!2. Dat, indien zijn meester hem veroorlooft vee te houden voor zijn eigen gebruik, iedereen dit weg zal mogen nemen en de helft van het in beslag genomene zal genieten.—Regt en billijk.3. Indien zijn meester hem op vrije voeten stelt, zal hij opgepakt en weder verkocht worden.—Regt en billijk!Indien een man of vrouw aan dezen toestand ontvlugt en na indaging niet terugkeert, kunnen twee vrederegters hem of haar buiten de wet stellen, en dan staat het ieder in de gemeente vrij de vlugteling te dooden op de wijze die men zal goedvinden.—Regt en billijk!Zoodanig zijn de wetten van dat slavenstelsel, hetwelk laat in den Christelijken tijd opgemaakt is door Christelijke meesters, en thans verdedigd wordt door Christenleeraars als eene bijzonder weldadig werkende instelling.Aldus hebben Christelijke wetgevers doen blijken, dat zij den tekst verstaan: „Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is;” als ook dezen: „Wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen.”Er blijken voorzeker de meest ongewone begrippen van regt en billijkheid uit en het is de merkwaardigste verwezenlijking van het beginsel om aan anderen te doen wat wij wenschen dat ons geschiede, hetwelk de beschaafde wereld ooit het genoegen heeft gehad te aanschouwen. Als dit nu deinstellingis, dan ga ieder na wat haremisbruikenmoeten zijn; want eerwaarde predikanten betuigen ons met een ernstig gelaat, dat zij zich niet geroepen achten om zich met hetstelselte bemoeijen, maar alleen met zijne misbruiken. Wij zouden wel eens willen weten welk misbruik men kan aanwijzen, dat niet bij de wet voorzien en uitdrukkelijk door haar in bescherming genomen is.En toch beweren Christelijke republikeinen (die, ofschoon de magt hebbende om die wetten in te trekken, haar elken dag handhaven), dat er geen kwaad in de slavernij ligt, indien mendie instelling regelt naar de voorschriften der Apostelen en den onderhoorigen geeft wat regt en billijk is. Denken zij dan, dat, indien de Christen-meesters van Rome en Corinthe zulk een stel van regelen gemaakt hadden voor het bestuur hunner slaven, Paulus die zou erkend hebben als eene juiste toepassing van hetgeen hij met regt en billijk bedoelt?Maar de Presbyterijen van Zuid-Carolina en alle andere Godsdienstige genootschappen van het Zuiden zeggen, dat de Kerk van onzen Heer Jezus Christus geen regt heeft om zich met burgerlijke instellingen te bemoeijen. Wat is die Kerk van onzen Heer Jezus Christus, waarvan zij spreken? Is zij niet eene vereeniging van republikeinen, die de constitutioneele magt hebben om die wetten te veranderen, wier pligt het is ze te veranderen, en die aan de voorschriften van den Apostel ongehoorzaam zijn elken dag wanneer zij er geene wijziging in brengen? Elk predikant in het Zuiden is stemgeregtigde zoowel als predikant; elk lidmaat is stemgeregtigde zoowel als lidmaat; en predikanten en ledematen behooren onder de meesters die dit afgrijselijke stelsel in stand houden, terwijl zij de volle magt hebben om het te veranderen: en nog durven zij er van spreken, hunnen dienstknechten te geven wat regt en billijk is! Indien zij hunnen onderhoorigen willen geven wat regt en billijk is, dat zij hun dan hunne menschenwaarde terugschenken; zij zijn de wettenmakers en kunnen het doen. Laten zij den slaaf het regt geven om iets in eigendom te bezitten, om een wettig huwelijk aan te gaan, om Gods woord te lezen, en om zulk eene opvoeding te erlangen dat zijn verstand en zedelijk gevoel er volkomen door ontwikkeld worde; het regt van gewetensvrijheid en van vrije eeredienst; het regt om zaken voor de regtbanken te kunnen aanbrengen en getuigenis te mogen afleggen; het regt om eenige stem te hebben in het bestuur, waardoor zijne belangen behartigd worden. Dit zal meer gelijken naar het geven van hetgeen „regt en billijk” is.De eerwaarde Smylie, van Mississippi, zegt, dat de planters van Louisiana en Mississippi, terwijl zij twintig à vijf en twintig dollars voor een vaatje spek betalen, hunnen slaven drie à vier pond spek per week toeleggen; en geeft daarbij te verstaan, dat, indien dit de menschen niet overtuigt dat er regt en billijk gehandeld wordt, hij niet meer weet hoe hij het hun aan het verstand zal brengen.De heer C. C. Jones, na op verschillende plaatsen te kennen gegeven te hebben dat hij niet voornemens is zich immer met den civielen toestand van de slaven te bemoeijen, brengt den negers in zijn Katechismus onder het oog, dat de meester zijnen dienaar geeft wat regt en billijk is, wanneer hij hem voorziet van goede huisvesting, goede kleeding, voedsel, oppassing en Godsdienstig onderrigt.Dit is even als een man, die eene erfenis verduisterd heeft, welke aan weezen toebehoort. Uit zijne rijke inkomsten verschaft hij den weezen voedsel, kleederen enz., terwijl hij het overige voor zijn eigen gebruik houdt en verklaart dat hij hun geeft wat regt en billijk is.Indien de wetten op het stuk van slavernij gemaakt waren door een despotisch vorst, op wiens handelingen de meesters geen invloed konden uitoefenen, dan kon deze handelwijze misschien regt en billijk genoemd worden; maar daar zij gemaakt zijn en in werking gehouden worden door die Christelijke meesters, die predikanten en die ledematen, in vereeniging met menschen die dat niet zijn, zoo onthoudt ieder zijnen slaven wat regt en billijk is, zoo lang hij niet streeft naar de intrekking dier wetten; en indien zij die afschaffing niet kunnen verwerven, is het hun pligt de slaven daaraan te ontrukken, daar die wetten met zulk eene duivelsche arglistigheid zijn zamengesteld, dat zij al wat de meester tot verheffing en welzijn van zijne slaven beproeft, volkomen krachteloos maken.Niemand zou begeeren zijne eigene kinderen als slaven onder de magt te laten van den zachtzinnigsten meester die ooit het levenslicht aanschouwde; en wat hij zijnen eigenen kinderen niet aangedaan zou wenschen te zien, behoorde hij ook niet te doen aan de kinderen van anderen.Maar men zal zeggen, dat het der Christelijke Kerk niet past, zich in staatszaken te mengen. Nogmaals vragen wij: wat is de Christelijke Kerk? Is zij niet eene vereeniging van republikeinsche burgers, van welke ieder zijne regten en pligten als wettig stemgeregtigde heeft?Stel eens, dat eene wet werd aangenomen, die de waarde van de katoen of de suiker met drie cents per pond verminderde; zouden deze menschen de omstandigheid dat zij ledematen zijn, dan beschouwen als eene reden om niet aan te dringen op de intrekking van die wet? Gewis niet. Zulkeene wet zou weggevaagd worden als een spinneweb, schier eer zij nog bestond. Iedere wet waarmede de meerderheid der burgers niet instemt, is in dit land terstond vernietigd.Waarom blijft dit monsterachtig stelsel dan van eeuw tot eeuw voortduren? Omdat de meerderheid der burgerser in toestemt. Door hunne stilzwijgende goedkeuringvernieuwenzij die wetten elken dag.Het rijk van onzen Heer Jezus Christus is niet van deze wereld, zeggen de Presbyterijen in Zuid-Carolina; daarom heeft de Kerk geen regt om zich met eenigerhande burgerlijke instelling te bemoeijen; maar toch is de geheele geestelijkheid van Charlestonen corpsopgekomen om hare goedkeuring te hechten aan de handelingen van het groote „Vigilance Committee.” Zij kon niet voegzaam den minsten invloed uitoefenentegende slavernij, maar wel al het gewigt van haar invloed in de schaal werpenter gunstedaarvan.Maakt men door het voorstaan van den verdrukker, het rijk van onzen Heer Jezus Christus niet evenzeer van deze wereld, als door het beschermen van den verdrukte?

Uit hetgeen in het vorige hoofdstuk gezegd is gelooven wij, dat blijken zal, dat de Christelijke Kerk in Amerika tot de slavernij geenszins in die verhouding staat, als waarin de Apostelen, of de Kerk in de eerste tijden, tot haar stonden.

Hoe men de taal der Apostelen ook verkieze uit te leggen, onbetwistbaar is het, dat de kerkelijke inrigting, welke na die heilige vermaningen verrees, de afschaffing der slavernij op het oog had en ook verwezenlijkte.

Maar wij willen nog eens stil blijven staan bij een denkbeeld, dat dikwijls op den voorgrond wordt gesteld door degenen, die de Amerikaansche slavernij verdedigen; dit namelijk: dat de instelling niet uit zich-zelve zondig is, en dat de eenige zonde bestaat in de veronachtzaming van de daartoe betrekkelijke verpligtingen. Al wat noodig is, zeggen zij, is die instelling overeen te brengen met de voorschriften van het Evangelie; en zij geven toe, dat geene slavernij te verdedigen is, die niet aldus is geregeld.

Indien het dan blijkt, dat de Amerikaansche slavenwettenniet zijn overeen te brengenmet de voorschriften van het Evangelie, ten minste zonder zulke veranderingen, die het geheele stelsel den bodem inslaan, dan zal daaruit blijken, dat het eene onchristelijke instelling is, tegen welke ieder Christen moet opkomen en waaraan hij zich geheel moet onttrekken.

De Romeinsche slavenwet was opgesteld door heidenen,—bovendien door een geslacht, welks barschheid en gevoelloosheid tot een spreekwoord geworden is. Zij werd vervaardigd in de donkerste eeuwen, eer de dageraad van het Evangelie aangebroken was. Het Christendom schafte haar trapsgewijze maar zonder falen af. Eenige eeuwen later gaat eene bende Christenen naar het vaste land van Afrika, stookt daar oorlogen aan, zaait verdeeldheid, zet met duivelenwoede den eenen stam tegen den anderen op, steekt dorpen in brand en rooft en vervoert te midden van al die verwarring, van tijd tot tijd, honderden en duizenden beklagenswaardige gevangenen. Zij, die niet van ontzetting, smart, verstikking, koorts of andere afgrijselijkheden sterven, worden op de kusten van Amerika gebragt. Zij zijn hier. En nu komt eene schare Christelijke wetgevers bijeen om voor deze rampzaligen een wettelijk stelsel van slavernij te maken, dat later beschouwd moet worden als eene Christelijke instelling.

Om eenige geldige aanspraak op zulk een naam te hebben, moet die instelling natuurlijk bestuurd worden door de beginselen, die Christus en Zijne Apostelen gesteld hebben voor degenen, die met de betrekking van meesters bekleed worden. Het Nieuwe Testament legt die beginselen in eene enkele zinsnede neder: „Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is.”

Doch, daar er altijd eenige verwarring van begrippen bestaat ten opzigte van hetgeen voor onzen buurman regt en billijk is, heeft de Heer ons nog deze aanwijzing gegeven, waardoor wij tot onfeilbare zekerheid kunnen komen: „Wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen.”

Het is dus blijkbaar, dat indien Christelijke wetgevers een Christelijk stelsel van dienstbaarheid willen invoeren, zij het gronden moeten op deze beide voorschriften, van welke het eene de bepaalde verduidelijking is van het andere.

Laten wij nu eens eenige bijzondere punten nagaan van het wetboek, dat zij opgesteld hebben, en zien of het dit karakter draagt.

Vooreerst beginnen zij met te verklaren, dat hun broeder niet langer zal beschouwd worden als een mensch, maar gewaardeerd, verkocht, afgeleverd en te boek gesteld als een roerend goed.—Dit is „regt en billijk!”

Uit dezen grondslag van het stelsel vloeijen de hieronder beschreven gevolgen voort:

1. Dat hij geen regt zal hebben om eenigen eigendom hoegenaamd te bezitten.—Regt en billijk!

2. Dat hij geen regt zal hebben om een wettig huwelijk aan te gaan, noch om eenige vrouw in het bijzonder als zijne echtgenoote aan te merken.—Regt en billijk!

3. Dat hij geen regt zal hebben om zijne kinderen te beschermen, te straffen, voor te lichten of op te voeden.—Regt en billijk!

4. Dat de magt van den meester over hem, eenevolstrekte magtzal wezen, zonder mogelijkheid van beroep of herstel wegens eenige mishandeling, hoe ook genaamd.

Om hiervoor goed te zorgen, hebben zij bepaald, dat hij onbevoegd is om eenig regtsgeding, van welken aard ook, aanhangig te maken.—Regt en billijk!

Dat hij geene getuigenis mag afleggen voor de regtbank, wanneer een blanke in de zaak betrokken is.—Regt en billijk!

Dat de eigenaar van een slaaf niet vervolgd kan worden „wegens het baldadig, wreedaardig en overdreven slaan van dien slaaf.”—Regt en billijk!

Verder is bepaald, dat geen slaaf door eene zijdelingsche wijze van procederen, bijv. door een voogd, vergoeding voor mishandeling kan verkrijgen (Proces van Dorothea contra Coquillonc. s., 9 Martin La., Rep. 350).—Regt en billijk!

5. Er is bepaald, dat de slaaf niet alleen op den weg van regten geen verhaal heeft op zijn meester wegens mishandelingen, die hij van dezen heeft ondergaan, maar dat hij evenmin regt zal verkrijgen voor die, welke een ander persoon hem heeft aangedaan, tenzij hierdoor zijne waarde als verhandelbaar artikel is verminderd.—Regt en billijk!

Onder die rubriek staat duidelijk het volgende te lezen:

„Het eenvoudig slaan van een slaaf, zonder daarmede gepaard gaande wreedheid of poging tot moord, is geen vergrijp tegen de rust van den staat. De rust van den staat wordt daardoor niet verstoord.” (De StaatcontraManer, 2 Hill’s Rep. S. C.).—Regt en billijk!

Indien een slaaf een blanke slaat moet hij ter dood veroordeeld worden; doch indien een meester zijn slaaf doorpijnigingen doodt, terwijl geene blanke getuigen aanwezig zijn geweest, kan hij zich door zijn eigen eed zuiveren (In Louisiana).—Regt en billijk!

De wet bedreigt boete en gevangenisstraf tegen dengeen, die eens anders slaaf bevrijdt van de straf van den ijzeren halsboei. (Louisiana).—Regt en billijk!

Zij bedreigt eene veel geringere boete, zonder gevangenzetting, tegen den man, die zijn slaaf met gloeijende ijzers gepijnigd, de tong uitgesneden, de oogen uitgestoken, hem verschroeid of lam geslagen zal hebben. (Louisiana).—Regt en billijk!

Zij bedreigt dezelfde straf tegen dengeen die hem leert schrijven, als tegen dengeen die hem de oogen uitsteekt.—Regt en billijk!

Daar het te begrijpen is, dat alleen zeer domme en onbeschaafde menschen in zulk een toestand gehouden kunnen worden, vooral in een land waar ieder boek en nieuwsblad overkropt is met vertoogen over de regten van den mensch, zoo beveelt de wet, dat hij noch zijne kinderen, door alle geslachten heen, zullen mogen leeren lezen noch schrijven.—Regt en billijk!

En daar de slaven, wanneer zij tot het houden van Godsdienst-oefeningen bijeen mogten komen, plannen zouden kunnen smeden om te ontvlugten of om herstel van grieven te vorderen, zoo zegt de wet: „Geene negers mogen, onder voorwendsel van de Godsdienst, bijeenkomsten houden; elke slaaf, op zulke vergaderingen aangetroffen, zalzonder proces, terstond gecorrigeerd worden met vijf en twintig zweep- of bullepeesslagen op den blooten rug.” (Wet van Georgia, Prince’sDigest, blz. 447.)—Regt en billijk!

Ofschoon de dienstbare aldus in onwetendheid wordt gehouden, wordt hij voor gelijke misdrijven zwaarder gestraft dan de vrije.—Regt en billijk!

Bij maniere van bescherming tegen overmatig werk bepalen zij, dat hij hoogstens vijf uren langer mag arbeiden dan de tot dwangarbeid veroordeelden!

Ook schrijven zij voor, dat de meester of opzigter, niet hij-zelf, beslissen zullen wanneer hij te ziek is om te werken.—Regt en billijk!

Indien een meester, medelijden hebbende met het lot vanden slaaf, daarin verbetering wil brengen, ontneemt de wet hem daartoe het vermogen door de volgende bepalingen:

1. Dat al zijne verdiensten aan zijn meester zullen behooren, niettegenstaande zijns meesters beloften ter contrarie; zoodat hij aansprakelijk wordt voor de schulden van zijn meester.—Regt en billijk!

2. Dat, indien zijn meester hem veroorlooft vee te houden voor zijn eigen gebruik, iedereen dit weg zal mogen nemen en de helft van het in beslag genomene zal genieten.—Regt en billijk.

3. Indien zijn meester hem op vrije voeten stelt, zal hij opgepakt en weder verkocht worden.—Regt en billijk!

Indien een man of vrouw aan dezen toestand ontvlugt en na indaging niet terugkeert, kunnen twee vrederegters hem of haar buiten de wet stellen, en dan staat het ieder in de gemeente vrij de vlugteling te dooden op de wijze die men zal goedvinden.—Regt en billijk!

Zoodanig zijn de wetten van dat slavenstelsel, hetwelk laat in den Christelijken tijd opgemaakt is door Christelijke meesters, en thans verdedigd wordt door Christenleeraars als eene bijzonder weldadig werkende instelling.

Aldus hebben Christelijke wetgevers doen blijken, dat zij den tekst verstaan: „Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is;” als ook dezen: „Wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen.”

Er blijken voorzeker de meest ongewone begrippen van regt en billijkheid uit en het is de merkwaardigste verwezenlijking van het beginsel om aan anderen te doen wat wij wenschen dat ons geschiede, hetwelk de beschaafde wereld ooit het genoegen heeft gehad te aanschouwen. Als dit nu deinstellingis, dan ga ieder na wat haremisbruikenmoeten zijn; want eerwaarde predikanten betuigen ons met een ernstig gelaat, dat zij zich niet geroepen achten om zich met hetstelselte bemoeijen, maar alleen met zijne misbruiken. Wij zouden wel eens willen weten welk misbruik men kan aanwijzen, dat niet bij de wet voorzien en uitdrukkelijk door haar in bescherming genomen is.

En toch beweren Christelijke republikeinen (die, ofschoon de magt hebbende om die wetten in te trekken, haar elken dag handhaven), dat er geen kwaad in de slavernij ligt, indien mendie instelling regelt naar de voorschriften der Apostelen en den onderhoorigen geeft wat regt en billijk is. Denken zij dan, dat, indien de Christen-meesters van Rome en Corinthe zulk een stel van regelen gemaakt hadden voor het bestuur hunner slaven, Paulus die zou erkend hebben als eene juiste toepassing van hetgeen hij met regt en billijk bedoelt?

Maar de Presbyterijen van Zuid-Carolina en alle andere Godsdienstige genootschappen van het Zuiden zeggen, dat de Kerk van onzen Heer Jezus Christus geen regt heeft om zich met burgerlijke instellingen te bemoeijen. Wat is die Kerk van onzen Heer Jezus Christus, waarvan zij spreken? Is zij niet eene vereeniging van republikeinen, die de constitutioneele magt hebben om die wetten te veranderen, wier pligt het is ze te veranderen, en die aan de voorschriften van den Apostel ongehoorzaam zijn elken dag wanneer zij er geene wijziging in brengen? Elk predikant in het Zuiden is stemgeregtigde zoowel als predikant; elk lidmaat is stemgeregtigde zoowel als lidmaat; en predikanten en ledematen behooren onder de meesters die dit afgrijselijke stelsel in stand houden, terwijl zij de volle magt hebben om het te veranderen: en nog durven zij er van spreken, hunnen dienstknechten te geven wat regt en billijk is! Indien zij hunnen onderhoorigen willen geven wat regt en billijk is, dat zij hun dan hunne menschenwaarde terugschenken; zij zijn de wettenmakers en kunnen het doen. Laten zij den slaaf het regt geven om iets in eigendom te bezitten, om een wettig huwelijk aan te gaan, om Gods woord te lezen, en om zulk eene opvoeding te erlangen dat zijn verstand en zedelijk gevoel er volkomen door ontwikkeld worde; het regt van gewetensvrijheid en van vrije eeredienst; het regt om zaken voor de regtbanken te kunnen aanbrengen en getuigenis te mogen afleggen; het regt om eenige stem te hebben in het bestuur, waardoor zijne belangen behartigd worden. Dit zal meer gelijken naar het geven van hetgeen „regt en billijk” is.

De eerwaarde Smylie, van Mississippi, zegt, dat de planters van Louisiana en Mississippi, terwijl zij twintig à vijf en twintig dollars voor een vaatje spek betalen, hunnen slaven drie à vier pond spek per week toeleggen; en geeft daarbij te verstaan, dat, indien dit de menschen niet overtuigt dat er regt en billijk gehandeld wordt, hij niet meer weet hoe hij het hun aan het verstand zal brengen.

De heer C. C. Jones, na op verschillende plaatsen te kennen gegeven te hebben dat hij niet voornemens is zich immer met den civielen toestand van de slaven te bemoeijen, brengt den negers in zijn Katechismus onder het oog, dat de meester zijnen dienaar geeft wat regt en billijk is, wanneer hij hem voorziet van goede huisvesting, goede kleeding, voedsel, oppassing en Godsdienstig onderrigt.

Dit is even als een man, die eene erfenis verduisterd heeft, welke aan weezen toebehoort. Uit zijne rijke inkomsten verschaft hij den weezen voedsel, kleederen enz., terwijl hij het overige voor zijn eigen gebruik houdt en verklaart dat hij hun geeft wat regt en billijk is.

Indien de wetten op het stuk van slavernij gemaakt waren door een despotisch vorst, op wiens handelingen de meesters geen invloed konden uitoefenen, dan kon deze handelwijze misschien regt en billijk genoemd worden; maar daar zij gemaakt zijn en in werking gehouden worden door die Christelijke meesters, die predikanten en die ledematen, in vereeniging met menschen die dat niet zijn, zoo onthoudt ieder zijnen slaven wat regt en billijk is, zoo lang hij niet streeft naar de intrekking dier wetten; en indien zij die afschaffing niet kunnen verwerven, is het hun pligt de slaven daaraan te ontrukken, daar die wetten met zulk eene duivelsche arglistigheid zijn zamengesteld, dat zij al wat de meester tot verheffing en welzijn van zijne slaven beproeft, volkomen krachteloos maken.

Niemand zou begeeren zijne eigene kinderen als slaven onder de magt te laten van den zachtzinnigsten meester die ooit het levenslicht aanschouwde; en wat hij zijnen eigenen kinderen niet aangedaan zou wenschen te zien, behoorde hij ook niet te doen aan de kinderen van anderen.

Maar men zal zeggen, dat het der Christelijke Kerk niet past, zich in staatszaken te mengen. Nogmaals vragen wij: wat is de Christelijke Kerk? Is zij niet eene vereeniging van republikeinsche burgers, van welke ieder zijne regten en pligten als wettig stemgeregtigde heeft?

Stel eens, dat eene wet werd aangenomen, die de waarde van de katoen of de suiker met drie cents per pond verminderde; zouden deze menschen de omstandigheid dat zij ledematen zijn, dan beschouwen als eene reden om niet aan te dringen op de intrekking van die wet? Gewis niet. Zulkeene wet zou weggevaagd worden als een spinneweb, schier eer zij nog bestond. Iedere wet waarmede de meerderheid der burgers niet instemt, is in dit land terstond vernietigd.

Waarom blijft dit monsterachtig stelsel dan van eeuw tot eeuw voortduren? Omdat de meerderheid der burgerser in toestemt. Door hunne stilzwijgende goedkeuringvernieuwenzij die wetten elken dag.

Het rijk van onzen Heer Jezus Christus is niet van deze wereld, zeggen de Presbyterijen in Zuid-Carolina; daarom heeft de Kerk geen regt om zich met eenigerhande burgerlijke instelling te bemoeijen; maar toch is de geheele geestelijkheid van Charlestonen corpsopgekomen om hare goedkeuring te hechten aan de handelingen van het groote „Vigilance Committee.” Zij kon niet voegzaam den minsten invloed uitoefenentegende slavernij, maar wel al het gewigt van haar invloed in de schaal werpenter gunstedaarvan.

Maakt men door het voorstaan van den verdrukker, het rijk van onzen Heer Jezus Christus niet evenzeer van deze wereld, als door het beschermen van den verdrukte?


Back to IndexNext