Hoofdstuk VII.Het Christendom heeft de slavernij feitelijk afgeschaft.Maar heeft het Christendom de slavernij feitelijk afgeschaft? Wij antwoorden, ja.Laat ons een blik werpen op den stand van zaken. ToenChristus op aarde verscheen, strekte de slavernij zich uit over de geheele beschaafde wereld. De krijgsgevangenen werden steeds tot slavernij gedoemd; daar de oorlogen zeer veelvuldig waren, kregen de gelederen der slaven voortdurend nieuwen toevoer; en dewijl de slavernij erfelijk en eindeloos was, bestond er alle reden om te gelooven, dat het getal der slaven onbegrensd zou hebben toegenomen, zoo niet deze of gene invloed er eene grens aan gesteld had. Dit is één feit.Vestigen wij thans den blik op een tweede. Ten tijde van de Hervorming had de eigenlijke slavernij, waarbij de slaven gekocht en verkocht konden worden, in alle beschaafde landen der wereld geheel opgehouden. Niet door eenig bijzonder edict, door geene bepaalde emancipatie-wetten, maar door den voortgaanden invloed eener langzaam werkende, onzigtbare magt, was dit geheele uitgebreide systeem weggesmolten als sneeuw voor de lente-zonnestralen.Zoo deze beide feiten toegegeven zijn, rijst de vraag: Wat bragt die verandering te weeg? Indien wij tot de overtuiging komen dat de magtigste instelling van de beschaafde wereld ten dien tijde, een stelsel van maatregelen uitvoerde, welke de regtstreeksche strekking hadden om zulk een uitslag voort te brengen, dan moeten wij het natuurlijk aan die instelling toeschrijven.De Spaansche schrijver Balmes wijdt in zijn werk, dat getiteld is:Het Protestantismus vergeleken met het Catholicismus, een hoofdstuk aan het tegen de slavernij gerigte streven der Kerk, waarin hij al de maatregelen uiteenzet, welke de Kerk te dien aanzien in het werk stelde, en naar volgorde al de daartoe betrekkelijke decreten der Conciliën aanhaalt. Die decreten zelve, geeft hij in een Aanhangsel voluit in hun oorspronkelijk Latijn. Wij moeten onze sympathie uitdrukken voor den edelen geest waarin hij dat gewigtige onderwerp behandeld heeft, en voor de hooge gedachten die wij ons daardoor vormen kunnen van den verheven en eerbiedwekkenden aard van het Christendom. Het is het geschrift van een man van verlichten en edelaardigen geest, in staat om zulke inzigten te waarderen,—een achtbaar, ernstig en innig Godsdienstig man, ofschoon blijkbaar ten diepste overtuigd van de waarheid van zijne eigene, bijzondere belijdenis.Uit het werk van Balmes zullen wij een kort overzigt geven van het streven der Kerk in de eerste tijden. Men zal wel doen, daarbij het bijzondere karakter van die tijden in het oog te houden.Zij begon haar arbeid in het onstuimige en verwarde tijdperk van de maatschappij, dat op de ineenstorting van het Romeinsche rijk volgde. Alle gebruiken waren toen ruw en barbaarsch. Ofschoon het Christendom, als stelsel, in naam zeer algemeen omhelsd werd, drong het echter niet, gelijk bij de eerste bekeerlingen, tot het hart door, noch deed hen eene andere natuur aannemen. Geweldoefening was aan de orde van den dag; en het Christendom van de woeste Noordsche volken, die omstreeks dezen tijd de meesters van Europa werden, was verontreinigd met de barbaarschheden van hun voormalig heidensch geloof. De instelling der slavernij in zulk een maatschappelijken toestand uit te roeijen, vereischte natuurlijk geheel andere middelen dan noodig zouden zijn bij de meerdere verlichting der nieuwere tijden.Geene magt dan welke van dien aard was als de Christelijke Kerk toen bezat, zou in dezen iets hebben kunnen uitwerken. Wel verre van vervolgd en geminacht te worden, gelijk in de tijden der Apostelen, was de Kerk thans een ligchaam van groot vermogen,—een vermogen, dat bijzonder geschikt was voor die ruwe en onbeschaafde eeuwen. Zij beschikte over al die elementen van vrees, geheimzinnigheid en bijgeloof, welke evenzeer de meeste kracht hebben in barbaarsche tijden, als tegenover barbaarsche personen, en zij wreekte de overtreding van hare geboden door straffen, die te meer gevreesd werden, omdat zij betrekking hadden op eene schrikwekkende toekomst, die zooveel verborgens bevatte en slechts onvolkomen begrepen werd.Toen de Kerk de slavernij aantastte, begon zij niet met het afkondigen van eene algemeene emancipatie, omdat zij den barbaarschen en ongevestigden staat der maatschappij, de gewelddadigheden en de verdeeldheid niet wilde vermeerderen door de toevoeging van dit nieuwe element. Zelfs verbood een zeker Concilie, onder bedreiging van kerkelijke straffen, het prediken dat de slaven terstond hunne meesters moesten verlaten.De Kerk begon met de beperking van de magt des meestersen met het beschermen van den slaaf. Het Concilie van Orleans, schonk in 549 den slaaf, die met straf bedreigd werd, het voorregt om de vlugt te mogen nemen in eene kerk, en verbood den meester hem daaruit te halen, zoo hij niet een plegtigen eed aflegde, dat hij hem geen leed zou doen; en zoo hij den geest van dien eed schond, werd hij verstoken van de gemeenschap der Kerk en van de Sacramenten,—eene straf, welke in die dagen met zulk een bijgeloovigen schrik werd beschouwd, dat de meest barbaarschen zich daaraan te naauwernood durfden blootstellen. Later voerde men het gebruik in, om bij zulke gevallen een eed te vorderen, niet alleen dat de slaaf vrij zou zijn van ligchaamsstraf, maar tevens dat hij niet gestraft zou worden door het opleggen van meerderen arbeid of door eenig schandeteeken. Toen hierover klagten rezen, als zijnde dit eene te groote gunst voor den slaaf, was het uiterste wat men van de Kerk bij wege van inschikkelijkheid kon verwerven, dat in gevallen van zeerafschuwelijke misdrijven, de meester niet verpligt zou zijn, de beide laatste beloften af te leggen.Er was onder de Gothen eene straf in zwang, die erger gevreesd werd dan de dood. Zij bestond in het afscheren van het hoofdhaar. Dit werd als eene eeuwigdurende schande beschouwd. Was eenen Goth eenmaal het haar afgeschoren, dan was voor hem alles voorbij. De 15decanon van het Concilie van Merida, in 666 gehouden, verbood den geestelijken hunne slaven deze straf aan te doen, alsmede de uitoefening van elke andere soort van geweld; er werd bij bepaald, dat, zoo een slaaf zich misdroeg, hij niet blootgesteld zou zijn aan bijzondere wraakneming, maar overgeleverd zou worden aan den wereldlijken regter, en dat de bisschoppen hun invloed alleen zouden aanwenden, om eene verzachting van de straf te verwerven. Hier werd de openbare regtspraak in de plaats gesteld van persoonlijke regtverschaffing,—inderdaad, eene belangrijke schrede voorwaarts. De Kerk bepaalde verder, in twee Conciliën, dat de meester, die op eigen gezag zijn slaaf van het leven beroofde, twee jaren lang verstoken zou blijven van alle gemeenschap met de Kerk,—eene straf, welke in de schatting van die tijden een mensch aan de ijselijkste gevaren blootstelde, daar zij hem in het oog der maatschappij van al wat heilig was verwijderd hield, en hem aan zich-zelvenen aan anderen deed voorkomen als met de ontzettendste zonde beladen.Behalve de bescherming voor lijf en leven, die de Kerk verleende, strekte zij haar behoedend schild ook over de familie-betrekking van den slaaf uit. Volgens de oude Romeinsche wet kon de slaaf geen wettig, onverbreekbaar huwelijk aangaan. De Kerk van die tijden bediende zich, tot bestrijding van dat heidensche denkbeeld, van de Catholijke stelling, dat het huwelijk een sacrament is. Paus Adriaan I zeide: „Daar wij, overeenkomstig de woorden van den Apostel, in Jezus Christus, noch slaaf noch vrijman, verstoken mogen laten van de sacramenten der Kerk, zoo is het in geen opzigt geoorloofd, het huwelijk der slaven te beletten; en zoo zij hun huwelijk hebben aangegaantrots den weêrstand en het misnoegen hunner meesters, behoort het tochniet ontbondente worden.” De H. Thomas was van dezelfde zienswijze, want hij houdt openlijk vol, dat slaven, met opzigt tot het aangaan van een huwelijk,niet verpligt zijnhunnen meesters te gehoorzamen.’t Valt gemakkelijk, in te zien, welk eene werking dit moest doen, toen de veiligheid van den slaaf en van zijne familie-betrekking aldus geheiligd was door een gezag, hetwelk geen mensch durfde betwisten. Het plaatste den slaaf in de oogen zijns meesters hooger, verwekte hoop en achting voor zich-zelven in zijn eigen boezem en droeg krachtig bij om hem geschikt te maken tot het ontvangen van die vrijheid, tot welke de Kerk, langs verschillende wegen, hem steeds had trachten te voeren.Een ander middel waarvan de Kerk gebruik maakte, om de emancipatie te bevorderen, was eene naijverige zorg voor de vrijheid van degenen, die reeds vrij waren.Ieder weet hoe in onze zuidelijke Staten de grenzen der slavernij zich voortdurend uitbreiden bij ontstentenis van eene magt, die daar dezelfde menschlievende taak op zich kan nemen. Wanneer de vrijgelatene zonder zijne papieren reist, verkeert hij in blijvend gevaar van opgepakt, in de gevangenis geworpen en tot voldoening der gevangeniskosten verkocht te worden. Hij heeft geen bisschop om hem uit zijne ongelegenheid te redden. Geene Kerk levert hem eene vrijplaats. Honderden en duizenden hulpelooze mannen en vrouwen worden jaarlijks op deze wijze in slavernij gedompeld.De Kerk nam in hare tijden van magt de vrijgelatene slaven onder hare bijzondere hoede. De vrijlating werd plegtig in de Kerk verrigt; en dan nam de Kerk den nieuwelings vrije onder hare beschutting en zorgde met hare geestelijke wapenen voor zijne nieuw verworven regten. Het eerste Concilie te Orange, in 441, stelde vast in zijn 7dencanon, dat kerkelijke straffen zouden toegepast worden op hen, die geëmancipeerde slaven weder in slavernij zouden willen dompelen. Eene eeuw daarna werd hetzelfde gebod herhaald in den 7dencanon van het vijfde Concilie te Orleans, in 549. De bescherming, welke de Kerk aan vrijgelatenen verleende, was zoo openbaar en zoo algemeen bekend, dat de gewoonte werd ingevoerd om hen, nog bij het leven of anders bij testament, in hare hoede aan te bevelen. Het Concilie te Agde, in Languedoc, nam een besluit, waarbij de Kerk gelast werd, om des noodig, de verdediging op zich te nemen van diegenen, aan wie hunne meesters op wettige wijze de vrijheid geschonken hadden.Een andere tegen de slavernij gerigte maatregel, welken de Kerk met ijver bevorderde, had de strekking, omde uitbreiding der slavernij tegen te gaan. Dit was het loskoopen van gevangenen. Daar de krijgsgevangenen, tenzij er rantsoen betaald werd, tot slaven gemaakt werden en de oorlogen, bij den ongewissen toestand der maatschappij, talrijk waren, zou de slavernij nog tot in het oneindige hebben kunnen voortduren, hadde de Kerk zich in dat opzigt niet de grootste inspanning getroost. Het loskoopen van slaven bekleedde toenmaals in de aandacht der vromen dezelfde plaats, welke thans de bekeering der heidenen inneemt. Aanzienlijke Christenen verkochten dikwijls in hun overmatigen ijver zich-zelven, om anderen vrij te maken. Chateaubriand spreekt van een priester in Frankrijk, die zich gewillig in slavernij begaf, om een Christen-soldaat te bevrijden, en aldus een echtgenoot aan eene ontroostbare vrouw en een vader aan drie rampzalige kinderen teruggaf. Door zulke daden verwierf men toenmaals de heiligverklaring. Dat was ook de geschiedenis van den H. Zacharias, welke tranen aan menig oog ontlokte en menigeen bewoog, om zulk eene verhevene Christelijke liefde na te volgen. Zij volgden hierin slechts den geest der eerste Christenen; want de apostolische Clemens zegt: „Wij weten hoevelen onzer zich in slavernij begeven hebben, opdat zij er anderen uit mogten bevrijden”(Eerste Brief aan de Corinthiërs, § 55,ofHoofdstuk XXI, vs. 20). Een der lofwaardigste van de Frankische bisschoppen was St. Eligius (St. Eloi). Aanvankelijk was hij een zeer bekwaam goudsmid en won door zijne regtschapenheid de bijzondere achting en het vertrouwen van koning Clotarius I, aan wiens hof hij in hoog aanzien stond. Van hem spreekt Neander als volgt: „De zaak des Evangelies was hem het dierbaarste, waaraan hij al het overige ondergeschikt maakte. Terwijl hij zijn beroeps-arbeid verrigtte, had hij altijd een opengeslagen Bijbel voor zich liggen. De overvloedige winst van zijn bedrijf besteedde hij tot Godsdienstige doeleinden en aan daden der liefde. Wanneer hij van slaven hoorde, welke in die dagendikwijls in troepen voorbijgedreven werden, gelijk slaven, die bij opbod verkocht moesten worden, haastte hij zich daarheen en betaalde hun prijs.” Helaas voor onze slaven-karavanen! Zulke bisschoppen zijn er niet meer! „Door zijn toedoen verkregen soms honderd slaven te gelijk, mannen en vrouwen, hunne vrijheid. Alsdan liet hij het aan hunne keuze om naar hunne haardsteden terug te keeren, of als vrije Christenbroeders met hem te leven, of monniken te worden. In het eerste geval gaf hij hun reisgeld; in het laatste, dat hem het meest verheugde, trachtte hij hun eene goede ontvangst in een of ander klooster te verschaffen.”Zoo groot was de ijver der Kerk voor het loskoopen van ongelukkige gevangenen, dat zelfs de sieraden en heilige vaten der Kerken verkocht werden, om het geld bijeen te krijgen; Uit den 5dencanon van het in 585 te Macon gehouden Concilie blijkt, dat de priesters kerkegoederen tot dat doel aanwendden. Het Concilie van Rheims, van 625, bedreigt de straf van schorsing tegen den bisschop, die de heilige vaten zal verduisterd hebbenmet eenig ander doel dan het loskoopen van gevangenen; en uit den 12dencanon van het Concilie van Verneuil, in 844 gehouden, zien wij, dat de kerkegoederen nog steeds voor dat weldadig doel gebruikt werden.Wanneer de Kerk aldus den gevangene gelost had, bleef zij hem nog verder hare bijzondere bescherming verleenen en gaf hem aanbevelings-brieven, die zijne vrijheid tegen alle aanranding moesten waarborgen. Het Concilie van Lyon, van 583, schrijft voor, dat de bisschoppen in de aanbevelings-brieven,die zij aan de vrijgekochte slaven uitreiken, de koopsom en den dag hunner bevrijding zullen opteekenen. De ijver was zoo groot, dat sommige geestelijken zelfs gevangenen aanspoorden om de vlugt te nemen. Een in Ierland gehouden Concilie, genaamd het Concilie van St. Patrick, gispt deze overdrijving en verklaart, dat de geestelijke, die gevangenen wenscht te bevrijden, zulks moet doen met zijn eigen geld, daar anders oneer over de Kerk gebragt wordt. De onbaatzuchtigheid der Kerk in dit opzigt blijkt uit de omstandigheid, dat, wanneer zij hare beschikbare gelden had uitgegeven tot rantsoenering van gevangenen, zij nooit eenige terugbetaling vorderde, al waren de bevrijden daartoe ook bij magte. De H. Gregorius geeft in zijne brieven geruststellende verzekeringen aan eenige personen, die door de Kerk waren losgekocht en nu vreesden, dat zij zouden aangesproken worden tot terugbetaling van het geld, dat voor hen uitgegeven was. De paus beveelt, dat niemand hen of hunne erfgenamen zal moeijen, vermits de canons het gebruik der kerkegoederen tot bevrijding van gevangenen veroorloven (L. 7, Ep. 14). Ten einde nog meer te waken tegen de vermeerdering van het getal slaven, excommunieerde het Concilie van Lyon, in 566, allen, die vrije personen onregtmatig in slavernij hielden.Indien er zulke wetten in de zuidelijke Staten bestonden en allen geëxcommunieerd werden, die dit doen, dan zou er eene voorbeeldelooze sensatie verwekt worden, gelijk eenige onlangs gedane ontdekkingen bewijzen.In 625 bedreigde het Concilie van Rheims met excommunicatie allen, die aan vrije personen lagen legden, ten einde hen in slavernij te brengen. De 27stecanon van het Concilie van Londen, gehouden in 1102, verbood het barbaarsche gebruik, om in menschen koopmanschap te drijven, gelijk in dieren; en de 7decanon van het Concilie van Coblentz, in 922, verklaart dengeen, die een Christen wegrooft om hem te verkoopen, aan manslag schuldig. Het Concilie, in 616 te Verneuil gehouden, stelde vast, dat de personen, die wegens armoede of schuld als slaven verkocht waren, hunne vrijheid zouden terug erlangen door het betalen van den voor hen gegeven prijs. Men zal gereedelijk inzien, dat dit een ruim veld opende tot herkrijging der vrijheid in een tijd, toen een zoo onbeperkte Christelijke ijver blaakte voor het lossen vanslaven, daar de Christenen zich verdienstelijk maakten door het vereischte rantsoen bijeen te zamelen.In die eeuwen besloegen de Joden eene zeer bijzondere plaats onder de natiën. De handel werd schier uitsluitend aan hen overgelaten, het grootste gedeelte van den rijkdom was in hunne handen, en, natuurlijk, ook vele slaven. De bepalingen, welke de Kerk maakte ten opzigte der slaven van de Joden, strekten nog meer om het beginsel der vrijheid in kracht te doen winnen. Zij verboden den Joden, Christen-slaven te dwingen tot dingen, die met de Godsdienst van dezen in strijd waren, en veroorloofden, dat Christen-slaven, die eene schuilplaats zochten in de Kerk, losgekocht werden door den voor hen gegeven prijs te betalen.Dit had zeer gunstige gevolgen voor de zaak der vrijheid, daar de Christen-slaven hierdoor gelegenheid kregen, om naar de Kerken te vlugten en daar de liefdadigheid van hunne broederen in den geloove in te roepen. Er werd ook bepaald, dat een Jood, die een Christen-slaaf afvallig maakte, al zijne overige slaven zou verliezen. Dit was een nieuwe steun voor het geweten van den slaaf en eene nieuwe gelegenheid om bevrijd te worden. Eenigen tijd later werd den Joden verboden, Christen-slaven te hebben, en die, welke in hun bezit waren, konden voor twaalfsouslosgekocht worden. Daar de Joden onder de grootste slavenhandelaars van dien tijd behoorden, was dit verbod eene reuzenschrede naar eenealgemeeneemancipatie.Een ander middel om de gelederen der slavernij te dunnen werd aan de hand gegeven door een decreet, aangenomen in een Concilie te Rome, in 595, hetwelk voorgezeten werd door paus Gregorius den Groote. Daarbij werd de vrijheid aangeboden aan allen, die monniken wilden worden. Men zegt, dat dit decreet tot groote ongeregeldheden aanleiding heeft gegeven, daar de slaven in grooten getale de huizen hunner meesters ontvlugtten en eene schuilplaats in de kloosters zochten.Nog bepaalde de Kerk, dat ieder slaaf, die neiging gevoelde om priester te worden en daartoe de noodige geschiktheid scheen te bezitten, vrijelijk zijne roeping moest volgen; en zij gelastte zijn meester, hem vrij te laten, vermits de Kerk niet kon veroorloven, dat hare dienaren het juk der slavernij droegen. Het vroeger door ons aangehaalde voorbeeld van een predikant,met twee teenen afgesneden en een brandmerk op de borst, in de nieuwspapieren als vlugteling geadverteerd, zou niet wel bestaanbaar zijn geweest met het Christendom van dien tijd.Het kan ons dus geene verwondering baren, dat er documenten bestaan, door den heer Balmes aangehaald, die, als gevolgen van deze bepalingen, het navolgende aantoonen: „Vooreerst, dat het aantal der aldus bevrijde slaven zeer groot was, aangezien er algemeen over geklaagd werd. Ten tweede, dat er bij voortduring geklaagd werd, dat de bisschoppenaltijd in het belang der slaven waren, daar zij hunne bescherming zeer verre uitstrekten en op alle wijze de stelling, dat alle menschen gelijk zijn, poogden te verwezenlijken; en uit de bedoelde documenten blijkt de klagt, dat er schier geen bisschop was, die niet beschuldigd kon worden van berispelijke oogluiking ten gevalle van de slaven, en dat de slaven bewust waren van dien geest van bescherming en steeds gereed stonden hunne ketenen af te werpen en eene toevlugt te zoeken in den boezem der Kerk.”Het is onnoodig over dit onderwerp verder uit te weiden. Het is zoo duidelijk, werwaarts zulk een streven zich rigt, als waarheen de Amerikaansche geestelijkheid in de zuidelijke Staten streeft. Wij verwonderen ons niet, dat bij den weg, die aan den eenen kant ingeslagen werd, het aantal slaven allengs verminderde, tot dat er in het nieuwere Europa geene meer gevonden werden. Evenmin verwondert het ons, dat bij de handelwijze, die men in het andere geval gevolgd heeft, hun getal is aangewassen, tot dat er, gelijk thans, drie millioen in Amerika zijn.De arme slaaf! Welke Kerk is zijn vriend? Welk bedehuis is hem eene vrijplaats? Welke heilige mannen staan op om hunne afkeuring uit te spreken over de booze wet, die hem een wettig huwelijk ontzegt? Welke vrome bisschoppen wenden zich tot de slaven-karavanen, om mannen, vrouwen en kinderen in vrijheid te stellen? In welke Kerken hoort men vurige vermaningen om rampzalige gevangenen los te koopen? Wanneer zijn kerksieraden verkocht en de avondmaals-bekers gesmolten, om slaven te bevrijden? Waar zijn de van Jezus’ liefde bezielde herders, die zich-zelven in slavernij begeven hebben, om gescheidene gezinnen te hereenigen? Waar zijndie klagten der wereld, eene eerekroon voor de betrokkenen, dat de Kerk altijd aan de zijde is van de verdrukten? Dat de slaven het kloppen van haar edelmoedig hart hooren, en reikhalzen, om zich in hare armen te werpen? Broedermin, heilig menschelijk gevoel, liefde van Jezus,—waar zijt gij? Zijt ge voor eeuwig heengevloden?
Hoofdstuk VII.Het Christendom heeft de slavernij feitelijk afgeschaft.Maar heeft het Christendom de slavernij feitelijk afgeschaft? Wij antwoorden, ja.Laat ons een blik werpen op den stand van zaken. ToenChristus op aarde verscheen, strekte de slavernij zich uit over de geheele beschaafde wereld. De krijgsgevangenen werden steeds tot slavernij gedoemd; daar de oorlogen zeer veelvuldig waren, kregen de gelederen der slaven voortdurend nieuwen toevoer; en dewijl de slavernij erfelijk en eindeloos was, bestond er alle reden om te gelooven, dat het getal der slaven onbegrensd zou hebben toegenomen, zoo niet deze of gene invloed er eene grens aan gesteld had. Dit is één feit.Vestigen wij thans den blik op een tweede. Ten tijde van de Hervorming had de eigenlijke slavernij, waarbij de slaven gekocht en verkocht konden worden, in alle beschaafde landen der wereld geheel opgehouden. Niet door eenig bijzonder edict, door geene bepaalde emancipatie-wetten, maar door den voortgaanden invloed eener langzaam werkende, onzigtbare magt, was dit geheele uitgebreide systeem weggesmolten als sneeuw voor de lente-zonnestralen.Zoo deze beide feiten toegegeven zijn, rijst de vraag: Wat bragt die verandering te weeg? Indien wij tot de overtuiging komen dat de magtigste instelling van de beschaafde wereld ten dien tijde, een stelsel van maatregelen uitvoerde, welke de regtstreeksche strekking hadden om zulk een uitslag voort te brengen, dan moeten wij het natuurlijk aan die instelling toeschrijven.De Spaansche schrijver Balmes wijdt in zijn werk, dat getiteld is:Het Protestantismus vergeleken met het Catholicismus, een hoofdstuk aan het tegen de slavernij gerigte streven der Kerk, waarin hij al de maatregelen uiteenzet, welke de Kerk te dien aanzien in het werk stelde, en naar volgorde al de daartoe betrekkelijke decreten der Conciliën aanhaalt. Die decreten zelve, geeft hij in een Aanhangsel voluit in hun oorspronkelijk Latijn. Wij moeten onze sympathie uitdrukken voor den edelen geest waarin hij dat gewigtige onderwerp behandeld heeft, en voor de hooge gedachten die wij ons daardoor vormen kunnen van den verheven en eerbiedwekkenden aard van het Christendom. Het is het geschrift van een man van verlichten en edelaardigen geest, in staat om zulke inzigten te waarderen,—een achtbaar, ernstig en innig Godsdienstig man, ofschoon blijkbaar ten diepste overtuigd van de waarheid van zijne eigene, bijzondere belijdenis.Uit het werk van Balmes zullen wij een kort overzigt geven van het streven der Kerk in de eerste tijden. Men zal wel doen, daarbij het bijzondere karakter van die tijden in het oog te houden.Zij begon haar arbeid in het onstuimige en verwarde tijdperk van de maatschappij, dat op de ineenstorting van het Romeinsche rijk volgde. Alle gebruiken waren toen ruw en barbaarsch. Ofschoon het Christendom, als stelsel, in naam zeer algemeen omhelsd werd, drong het echter niet, gelijk bij de eerste bekeerlingen, tot het hart door, noch deed hen eene andere natuur aannemen. Geweldoefening was aan de orde van den dag; en het Christendom van de woeste Noordsche volken, die omstreeks dezen tijd de meesters van Europa werden, was verontreinigd met de barbaarschheden van hun voormalig heidensch geloof. De instelling der slavernij in zulk een maatschappelijken toestand uit te roeijen, vereischte natuurlijk geheel andere middelen dan noodig zouden zijn bij de meerdere verlichting der nieuwere tijden.Geene magt dan welke van dien aard was als de Christelijke Kerk toen bezat, zou in dezen iets hebben kunnen uitwerken. Wel verre van vervolgd en geminacht te worden, gelijk in de tijden der Apostelen, was de Kerk thans een ligchaam van groot vermogen,—een vermogen, dat bijzonder geschikt was voor die ruwe en onbeschaafde eeuwen. Zij beschikte over al die elementen van vrees, geheimzinnigheid en bijgeloof, welke evenzeer de meeste kracht hebben in barbaarsche tijden, als tegenover barbaarsche personen, en zij wreekte de overtreding van hare geboden door straffen, die te meer gevreesd werden, omdat zij betrekking hadden op eene schrikwekkende toekomst, die zooveel verborgens bevatte en slechts onvolkomen begrepen werd.Toen de Kerk de slavernij aantastte, begon zij niet met het afkondigen van eene algemeene emancipatie, omdat zij den barbaarschen en ongevestigden staat der maatschappij, de gewelddadigheden en de verdeeldheid niet wilde vermeerderen door de toevoeging van dit nieuwe element. Zelfs verbood een zeker Concilie, onder bedreiging van kerkelijke straffen, het prediken dat de slaven terstond hunne meesters moesten verlaten.De Kerk begon met de beperking van de magt des meestersen met het beschermen van den slaaf. Het Concilie van Orleans, schonk in 549 den slaaf, die met straf bedreigd werd, het voorregt om de vlugt te mogen nemen in eene kerk, en verbood den meester hem daaruit te halen, zoo hij niet een plegtigen eed aflegde, dat hij hem geen leed zou doen; en zoo hij den geest van dien eed schond, werd hij verstoken van de gemeenschap der Kerk en van de Sacramenten,—eene straf, welke in die dagen met zulk een bijgeloovigen schrik werd beschouwd, dat de meest barbaarschen zich daaraan te naauwernood durfden blootstellen. Later voerde men het gebruik in, om bij zulke gevallen een eed te vorderen, niet alleen dat de slaaf vrij zou zijn van ligchaamsstraf, maar tevens dat hij niet gestraft zou worden door het opleggen van meerderen arbeid of door eenig schandeteeken. Toen hierover klagten rezen, als zijnde dit eene te groote gunst voor den slaaf, was het uiterste wat men van de Kerk bij wege van inschikkelijkheid kon verwerven, dat in gevallen van zeerafschuwelijke misdrijven, de meester niet verpligt zou zijn, de beide laatste beloften af te leggen.Er was onder de Gothen eene straf in zwang, die erger gevreesd werd dan de dood. Zij bestond in het afscheren van het hoofdhaar. Dit werd als eene eeuwigdurende schande beschouwd. Was eenen Goth eenmaal het haar afgeschoren, dan was voor hem alles voorbij. De 15decanon van het Concilie van Merida, in 666 gehouden, verbood den geestelijken hunne slaven deze straf aan te doen, alsmede de uitoefening van elke andere soort van geweld; er werd bij bepaald, dat, zoo een slaaf zich misdroeg, hij niet blootgesteld zou zijn aan bijzondere wraakneming, maar overgeleverd zou worden aan den wereldlijken regter, en dat de bisschoppen hun invloed alleen zouden aanwenden, om eene verzachting van de straf te verwerven. Hier werd de openbare regtspraak in de plaats gesteld van persoonlijke regtverschaffing,—inderdaad, eene belangrijke schrede voorwaarts. De Kerk bepaalde verder, in twee Conciliën, dat de meester, die op eigen gezag zijn slaaf van het leven beroofde, twee jaren lang verstoken zou blijven van alle gemeenschap met de Kerk,—eene straf, welke in de schatting van die tijden een mensch aan de ijselijkste gevaren blootstelde, daar zij hem in het oog der maatschappij van al wat heilig was verwijderd hield, en hem aan zich-zelvenen aan anderen deed voorkomen als met de ontzettendste zonde beladen.Behalve de bescherming voor lijf en leven, die de Kerk verleende, strekte zij haar behoedend schild ook over de familie-betrekking van den slaaf uit. Volgens de oude Romeinsche wet kon de slaaf geen wettig, onverbreekbaar huwelijk aangaan. De Kerk van die tijden bediende zich, tot bestrijding van dat heidensche denkbeeld, van de Catholijke stelling, dat het huwelijk een sacrament is. Paus Adriaan I zeide: „Daar wij, overeenkomstig de woorden van den Apostel, in Jezus Christus, noch slaaf noch vrijman, verstoken mogen laten van de sacramenten der Kerk, zoo is het in geen opzigt geoorloofd, het huwelijk der slaven te beletten; en zoo zij hun huwelijk hebben aangegaantrots den weêrstand en het misnoegen hunner meesters, behoort het tochniet ontbondente worden.” De H. Thomas was van dezelfde zienswijze, want hij houdt openlijk vol, dat slaven, met opzigt tot het aangaan van een huwelijk,niet verpligt zijnhunnen meesters te gehoorzamen.’t Valt gemakkelijk, in te zien, welk eene werking dit moest doen, toen de veiligheid van den slaaf en van zijne familie-betrekking aldus geheiligd was door een gezag, hetwelk geen mensch durfde betwisten. Het plaatste den slaaf in de oogen zijns meesters hooger, verwekte hoop en achting voor zich-zelven in zijn eigen boezem en droeg krachtig bij om hem geschikt te maken tot het ontvangen van die vrijheid, tot welke de Kerk, langs verschillende wegen, hem steeds had trachten te voeren.Een ander middel waarvan de Kerk gebruik maakte, om de emancipatie te bevorderen, was eene naijverige zorg voor de vrijheid van degenen, die reeds vrij waren.Ieder weet hoe in onze zuidelijke Staten de grenzen der slavernij zich voortdurend uitbreiden bij ontstentenis van eene magt, die daar dezelfde menschlievende taak op zich kan nemen. Wanneer de vrijgelatene zonder zijne papieren reist, verkeert hij in blijvend gevaar van opgepakt, in de gevangenis geworpen en tot voldoening der gevangeniskosten verkocht te worden. Hij heeft geen bisschop om hem uit zijne ongelegenheid te redden. Geene Kerk levert hem eene vrijplaats. Honderden en duizenden hulpelooze mannen en vrouwen worden jaarlijks op deze wijze in slavernij gedompeld.De Kerk nam in hare tijden van magt de vrijgelatene slaven onder hare bijzondere hoede. De vrijlating werd plegtig in de Kerk verrigt; en dan nam de Kerk den nieuwelings vrije onder hare beschutting en zorgde met hare geestelijke wapenen voor zijne nieuw verworven regten. Het eerste Concilie te Orange, in 441, stelde vast in zijn 7dencanon, dat kerkelijke straffen zouden toegepast worden op hen, die geëmancipeerde slaven weder in slavernij zouden willen dompelen. Eene eeuw daarna werd hetzelfde gebod herhaald in den 7dencanon van het vijfde Concilie te Orleans, in 549. De bescherming, welke de Kerk aan vrijgelatenen verleende, was zoo openbaar en zoo algemeen bekend, dat de gewoonte werd ingevoerd om hen, nog bij het leven of anders bij testament, in hare hoede aan te bevelen. Het Concilie te Agde, in Languedoc, nam een besluit, waarbij de Kerk gelast werd, om des noodig, de verdediging op zich te nemen van diegenen, aan wie hunne meesters op wettige wijze de vrijheid geschonken hadden.Een andere tegen de slavernij gerigte maatregel, welken de Kerk met ijver bevorderde, had de strekking, omde uitbreiding der slavernij tegen te gaan. Dit was het loskoopen van gevangenen. Daar de krijgsgevangenen, tenzij er rantsoen betaald werd, tot slaven gemaakt werden en de oorlogen, bij den ongewissen toestand der maatschappij, talrijk waren, zou de slavernij nog tot in het oneindige hebben kunnen voortduren, hadde de Kerk zich in dat opzigt niet de grootste inspanning getroost. Het loskoopen van slaven bekleedde toenmaals in de aandacht der vromen dezelfde plaats, welke thans de bekeering der heidenen inneemt. Aanzienlijke Christenen verkochten dikwijls in hun overmatigen ijver zich-zelven, om anderen vrij te maken. Chateaubriand spreekt van een priester in Frankrijk, die zich gewillig in slavernij begaf, om een Christen-soldaat te bevrijden, en aldus een echtgenoot aan eene ontroostbare vrouw en een vader aan drie rampzalige kinderen teruggaf. Door zulke daden verwierf men toenmaals de heiligverklaring. Dat was ook de geschiedenis van den H. Zacharias, welke tranen aan menig oog ontlokte en menigeen bewoog, om zulk eene verhevene Christelijke liefde na te volgen. Zij volgden hierin slechts den geest der eerste Christenen; want de apostolische Clemens zegt: „Wij weten hoevelen onzer zich in slavernij begeven hebben, opdat zij er anderen uit mogten bevrijden”(Eerste Brief aan de Corinthiërs, § 55,ofHoofdstuk XXI, vs. 20). Een der lofwaardigste van de Frankische bisschoppen was St. Eligius (St. Eloi). Aanvankelijk was hij een zeer bekwaam goudsmid en won door zijne regtschapenheid de bijzondere achting en het vertrouwen van koning Clotarius I, aan wiens hof hij in hoog aanzien stond. Van hem spreekt Neander als volgt: „De zaak des Evangelies was hem het dierbaarste, waaraan hij al het overige ondergeschikt maakte. Terwijl hij zijn beroeps-arbeid verrigtte, had hij altijd een opengeslagen Bijbel voor zich liggen. De overvloedige winst van zijn bedrijf besteedde hij tot Godsdienstige doeleinden en aan daden der liefde. Wanneer hij van slaven hoorde, welke in die dagendikwijls in troepen voorbijgedreven werden, gelijk slaven, die bij opbod verkocht moesten worden, haastte hij zich daarheen en betaalde hun prijs.” Helaas voor onze slaven-karavanen! Zulke bisschoppen zijn er niet meer! „Door zijn toedoen verkregen soms honderd slaven te gelijk, mannen en vrouwen, hunne vrijheid. Alsdan liet hij het aan hunne keuze om naar hunne haardsteden terug te keeren, of als vrije Christenbroeders met hem te leven, of monniken te worden. In het eerste geval gaf hij hun reisgeld; in het laatste, dat hem het meest verheugde, trachtte hij hun eene goede ontvangst in een of ander klooster te verschaffen.”Zoo groot was de ijver der Kerk voor het loskoopen van ongelukkige gevangenen, dat zelfs de sieraden en heilige vaten der Kerken verkocht werden, om het geld bijeen te krijgen; Uit den 5dencanon van het in 585 te Macon gehouden Concilie blijkt, dat de priesters kerkegoederen tot dat doel aanwendden. Het Concilie van Rheims, van 625, bedreigt de straf van schorsing tegen den bisschop, die de heilige vaten zal verduisterd hebbenmet eenig ander doel dan het loskoopen van gevangenen; en uit den 12dencanon van het Concilie van Verneuil, in 844 gehouden, zien wij, dat de kerkegoederen nog steeds voor dat weldadig doel gebruikt werden.Wanneer de Kerk aldus den gevangene gelost had, bleef zij hem nog verder hare bijzondere bescherming verleenen en gaf hem aanbevelings-brieven, die zijne vrijheid tegen alle aanranding moesten waarborgen. Het Concilie van Lyon, van 583, schrijft voor, dat de bisschoppen in de aanbevelings-brieven,die zij aan de vrijgekochte slaven uitreiken, de koopsom en den dag hunner bevrijding zullen opteekenen. De ijver was zoo groot, dat sommige geestelijken zelfs gevangenen aanspoorden om de vlugt te nemen. Een in Ierland gehouden Concilie, genaamd het Concilie van St. Patrick, gispt deze overdrijving en verklaart, dat de geestelijke, die gevangenen wenscht te bevrijden, zulks moet doen met zijn eigen geld, daar anders oneer over de Kerk gebragt wordt. De onbaatzuchtigheid der Kerk in dit opzigt blijkt uit de omstandigheid, dat, wanneer zij hare beschikbare gelden had uitgegeven tot rantsoenering van gevangenen, zij nooit eenige terugbetaling vorderde, al waren de bevrijden daartoe ook bij magte. De H. Gregorius geeft in zijne brieven geruststellende verzekeringen aan eenige personen, die door de Kerk waren losgekocht en nu vreesden, dat zij zouden aangesproken worden tot terugbetaling van het geld, dat voor hen uitgegeven was. De paus beveelt, dat niemand hen of hunne erfgenamen zal moeijen, vermits de canons het gebruik der kerkegoederen tot bevrijding van gevangenen veroorloven (L. 7, Ep. 14). Ten einde nog meer te waken tegen de vermeerdering van het getal slaven, excommunieerde het Concilie van Lyon, in 566, allen, die vrije personen onregtmatig in slavernij hielden.Indien er zulke wetten in de zuidelijke Staten bestonden en allen geëxcommunieerd werden, die dit doen, dan zou er eene voorbeeldelooze sensatie verwekt worden, gelijk eenige onlangs gedane ontdekkingen bewijzen.In 625 bedreigde het Concilie van Rheims met excommunicatie allen, die aan vrije personen lagen legden, ten einde hen in slavernij te brengen. De 27stecanon van het Concilie van Londen, gehouden in 1102, verbood het barbaarsche gebruik, om in menschen koopmanschap te drijven, gelijk in dieren; en de 7decanon van het Concilie van Coblentz, in 922, verklaart dengeen, die een Christen wegrooft om hem te verkoopen, aan manslag schuldig. Het Concilie, in 616 te Verneuil gehouden, stelde vast, dat de personen, die wegens armoede of schuld als slaven verkocht waren, hunne vrijheid zouden terug erlangen door het betalen van den voor hen gegeven prijs. Men zal gereedelijk inzien, dat dit een ruim veld opende tot herkrijging der vrijheid in een tijd, toen een zoo onbeperkte Christelijke ijver blaakte voor het lossen vanslaven, daar de Christenen zich verdienstelijk maakten door het vereischte rantsoen bijeen te zamelen.In die eeuwen besloegen de Joden eene zeer bijzondere plaats onder de natiën. De handel werd schier uitsluitend aan hen overgelaten, het grootste gedeelte van den rijkdom was in hunne handen, en, natuurlijk, ook vele slaven. De bepalingen, welke de Kerk maakte ten opzigte der slaven van de Joden, strekten nog meer om het beginsel der vrijheid in kracht te doen winnen. Zij verboden den Joden, Christen-slaven te dwingen tot dingen, die met de Godsdienst van dezen in strijd waren, en veroorloofden, dat Christen-slaven, die eene schuilplaats zochten in de Kerk, losgekocht werden door den voor hen gegeven prijs te betalen.Dit had zeer gunstige gevolgen voor de zaak der vrijheid, daar de Christen-slaven hierdoor gelegenheid kregen, om naar de Kerken te vlugten en daar de liefdadigheid van hunne broederen in den geloove in te roepen. Er werd ook bepaald, dat een Jood, die een Christen-slaaf afvallig maakte, al zijne overige slaven zou verliezen. Dit was een nieuwe steun voor het geweten van den slaaf en eene nieuwe gelegenheid om bevrijd te worden. Eenigen tijd later werd den Joden verboden, Christen-slaven te hebben, en die, welke in hun bezit waren, konden voor twaalfsouslosgekocht worden. Daar de Joden onder de grootste slavenhandelaars van dien tijd behoorden, was dit verbod eene reuzenschrede naar eenealgemeeneemancipatie.Een ander middel om de gelederen der slavernij te dunnen werd aan de hand gegeven door een decreet, aangenomen in een Concilie te Rome, in 595, hetwelk voorgezeten werd door paus Gregorius den Groote. Daarbij werd de vrijheid aangeboden aan allen, die monniken wilden worden. Men zegt, dat dit decreet tot groote ongeregeldheden aanleiding heeft gegeven, daar de slaven in grooten getale de huizen hunner meesters ontvlugtten en eene schuilplaats in de kloosters zochten.Nog bepaalde de Kerk, dat ieder slaaf, die neiging gevoelde om priester te worden en daartoe de noodige geschiktheid scheen te bezitten, vrijelijk zijne roeping moest volgen; en zij gelastte zijn meester, hem vrij te laten, vermits de Kerk niet kon veroorloven, dat hare dienaren het juk der slavernij droegen. Het vroeger door ons aangehaalde voorbeeld van een predikant,met twee teenen afgesneden en een brandmerk op de borst, in de nieuwspapieren als vlugteling geadverteerd, zou niet wel bestaanbaar zijn geweest met het Christendom van dien tijd.Het kan ons dus geene verwondering baren, dat er documenten bestaan, door den heer Balmes aangehaald, die, als gevolgen van deze bepalingen, het navolgende aantoonen: „Vooreerst, dat het aantal der aldus bevrijde slaven zeer groot was, aangezien er algemeen over geklaagd werd. Ten tweede, dat er bij voortduring geklaagd werd, dat de bisschoppenaltijd in het belang der slaven waren, daar zij hunne bescherming zeer verre uitstrekten en op alle wijze de stelling, dat alle menschen gelijk zijn, poogden te verwezenlijken; en uit de bedoelde documenten blijkt de klagt, dat er schier geen bisschop was, die niet beschuldigd kon worden van berispelijke oogluiking ten gevalle van de slaven, en dat de slaven bewust waren van dien geest van bescherming en steeds gereed stonden hunne ketenen af te werpen en eene toevlugt te zoeken in den boezem der Kerk.”Het is onnoodig over dit onderwerp verder uit te weiden. Het is zoo duidelijk, werwaarts zulk een streven zich rigt, als waarheen de Amerikaansche geestelijkheid in de zuidelijke Staten streeft. Wij verwonderen ons niet, dat bij den weg, die aan den eenen kant ingeslagen werd, het aantal slaven allengs verminderde, tot dat er in het nieuwere Europa geene meer gevonden werden. Evenmin verwondert het ons, dat bij de handelwijze, die men in het andere geval gevolgd heeft, hun getal is aangewassen, tot dat er, gelijk thans, drie millioen in Amerika zijn.De arme slaaf! Welke Kerk is zijn vriend? Welk bedehuis is hem eene vrijplaats? Welke heilige mannen staan op om hunne afkeuring uit te spreken over de booze wet, die hem een wettig huwelijk ontzegt? Welke vrome bisschoppen wenden zich tot de slaven-karavanen, om mannen, vrouwen en kinderen in vrijheid te stellen? In welke Kerken hoort men vurige vermaningen om rampzalige gevangenen los te koopen? Wanneer zijn kerksieraden verkocht en de avondmaals-bekers gesmolten, om slaven te bevrijden? Waar zijn de van Jezus’ liefde bezielde herders, die zich-zelven in slavernij begeven hebben, om gescheidene gezinnen te hereenigen? Waar zijndie klagten der wereld, eene eerekroon voor de betrokkenen, dat de Kerk altijd aan de zijde is van de verdrukten? Dat de slaven het kloppen van haar edelmoedig hart hooren, en reikhalzen, om zich in hare armen te werpen? Broedermin, heilig menschelijk gevoel, liefde van Jezus,—waar zijt gij? Zijt ge voor eeuwig heengevloden?
Hoofdstuk VII.Het Christendom heeft de slavernij feitelijk afgeschaft.Maar heeft het Christendom de slavernij feitelijk afgeschaft? Wij antwoorden, ja.Laat ons een blik werpen op den stand van zaken. ToenChristus op aarde verscheen, strekte de slavernij zich uit over de geheele beschaafde wereld. De krijgsgevangenen werden steeds tot slavernij gedoemd; daar de oorlogen zeer veelvuldig waren, kregen de gelederen der slaven voortdurend nieuwen toevoer; en dewijl de slavernij erfelijk en eindeloos was, bestond er alle reden om te gelooven, dat het getal der slaven onbegrensd zou hebben toegenomen, zoo niet deze of gene invloed er eene grens aan gesteld had. Dit is één feit.Vestigen wij thans den blik op een tweede. Ten tijde van de Hervorming had de eigenlijke slavernij, waarbij de slaven gekocht en verkocht konden worden, in alle beschaafde landen der wereld geheel opgehouden. Niet door eenig bijzonder edict, door geene bepaalde emancipatie-wetten, maar door den voortgaanden invloed eener langzaam werkende, onzigtbare magt, was dit geheele uitgebreide systeem weggesmolten als sneeuw voor de lente-zonnestralen.Zoo deze beide feiten toegegeven zijn, rijst de vraag: Wat bragt die verandering te weeg? Indien wij tot de overtuiging komen dat de magtigste instelling van de beschaafde wereld ten dien tijde, een stelsel van maatregelen uitvoerde, welke de regtstreeksche strekking hadden om zulk een uitslag voort te brengen, dan moeten wij het natuurlijk aan die instelling toeschrijven.De Spaansche schrijver Balmes wijdt in zijn werk, dat getiteld is:Het Protestantismus vergeleken met het Catholicismus, een hoofdstuk aan het tegen de slavernij gerigte streven der Kerk, waarin hij al de maatregelen uiteenzet, welke de Kerk te dien aanzien in het werk stelde, en naar volgorde al de daartoe betrekkelijke decreten der Conciliën aanhaalt. Die decreten zelve, geeft hij in een Aanhangsel voluit in hun oorspronkelijk Latijn. Wij moeten onze sympathie uitdrukken voor den edelen geest waarin hij dat gewigtige onderwerp behandeld heeft, en voor de hooge gedachten die wij ons daardoor vormen kunnen van den verheven en eerbiedwekkenden aard van het Christendom. Het is het geschrift van een man van verlichten en edelaardigen geest, in staat om zulke inzigten te waarderen,—een achtbaar, ernstig en innig Godsdienstig man, ofschoon blijkbaar ten diepste overtuigd van de waarheid van zijne eigene, bijzondere belijdenis.Uit het werk van Balmes zullen wij een kort overzigt geven van het streven der Kerk in de eerste tijden. Men zal wel doen, daarbij het bijzondere karakter van die tijden in het oog te houden.Zij begon haar arbeid in het onstuimige en verwarde tijdperk van de maatschappij, dat op de ineenstorting van het Romeinsche rijk volgde. Alle gebruiken waren toen ruw en barbaarsch. Ofschoon het Christendom, als stelsel, in naam zeer algemeen omhelsd werd, drong het echter niet, gelijk bij de eerste bekeerlingen, tot het hart door, noch deed hen eene andere natuur aannemen. Geweldoefening was aan de orde van den dag; en het Christendom van de woeste Noordsche volken, die omstreeks dezen tijd de meesters van Europa werden, was verontreinigd met de barbaarschheden van hun voormalig heidensch geloof. De instelling der slavernij in zulk een maatschappelijken toestand uit te roeijen, vereischte natuurlijk geheel andere middelen dan noodig zouden zijn bij de meerdere verlichting der nieuwere tijden.Geene magt dan welke van dien aard was als de Christelijke Kerk toen bezat, zou in dezen iets hebben kunnen uitwerken. Wel verre van vervolgd en geminacht te worden, gelijk in de tijden der Apostelen, was de Kerk thans een ligchaam van groot vermogen,—een vermogen, dat bijzonder geschikt was voor die ruwe en onbeschaafde eeuwen. Zij beschikte over al die elementen van vrees, geheimzinnigheid en bijgeloof, welke evenzeer de meeste kracht hebben in barbaarsche tijden, als tegenover barbaarsche personen, en zij wreekte de overtreding van hare geboden door straffen, die te meer gevreesd werden, omdat zij betrekking hadden op eene schrikwekkende toekomst, die zooveel verborgens bevatte en slechts onvolkomen begrepen werd.Toen de Kerk de slavernij aantastte, begon zij niet met het afkondigen van eene algemeene emancipatie, omdat zij den barbaarschen en ongevestigden staat der maatschappij, de gewelddadigheden en de verdeeldheid niet wilde vermeerderen door de toevoeging van dit nieuwe element. Zelfs verbood een zeker Concilie, onder bedreiging van kerkelijke straffen, het prediken dat de slaven terstond hunne meesters moesten verlaten.De Kerk begon met de beperking van de magt des meestersen met het beschermen van den slaaf. Het Concilie van Orleans, schonk in 549 den slaaf, die met straf bedreigd werd, het voorregt om de vlugt te mogen nemen in eene kerk, en verbood den meester hem daaruit te halen, zoo hij niet een plegtigen eed aflegde, dat hij hem geen leed zou doen; en zoo hij den geest van dien eed schond, werd hij verstoken van de gemeenschap der Kerk en van de Sacramenten,—eene straf, welke in die dagen met zulk een bijgeloovigen schrik werd beschouwd, dat de meest barbaarschen zich daaraan te naauwernood durfden blootstellen. Later voerde men het gebruik in, om bij zulke gevallen een eed te vorderen, niet alleen dat de slaaf vrij zou zijn van ligchaamsstraf, maar tevens dat hij niet gestraft zou worden door het opleggen van meerderen arbeid of door eenig schandeteeken. Toen hierover klagten rezen, als zijnde dit eene te groote gunst voor den slaaf, was het uiterste wat men van de Kerk bij wege van inschikkelijkheid kon verwerven, dat in gevallen van zeerafschuwelijke misdrijven, de meester niet verpligt zou zijn, de beide laatste beloften af te leggen.Er was onder de Gothen eene straf in zwang, die erger gevreesd werd dan de dood. Zij bestond in het afscheren van het hoofdhaar. Dit werd als eene eeuwigdurende schande beschouwd. Was eenen Goth eenmaal het haar afgeschoren, dan was voor hem alles voorbij. De 15decanon van het Concilie van Merida, in 666 gehouden, verbood den geestelijken hunne slaven deze straf aan te doen, alsmede de uitoefening van elke andere soort van geweld; er werd bij bepaald, dat, zoo een slaaf zich misdroeg, hij niet blootgesteld zou zijn aan bijzondere wraakneming, maar overgeleverd zou worden aan den wereldlijken regter, en dat de bisschoppen hun invloed alleen zouden aanwenden, om eene verzachting van de straf te verwerven. Hier werd de openbare regtspraak in de plaats gesteld van persoonlijke regtverschaffing,—inderdaad, eene belangrijke schrede voorwaarts. De Kerk bepaalde verder, in twee Conciliën, dat de meester, die op eigen gezag zijn slaaf van het leven beroofde, twee jaren lang verstoken zou blijven van alle gemeenschap met de Kerk,—eene straf, welke in de schatting van die tijden een mensch aan de ijselijkste gevaren blootstelde, daar zij hem in het oog der maatschappij van al wat heilig was verwijderd hield, en hem aan zich-zelvenen aan anderen deed voorkomen als met de ontzettendste zonde beladen.Behalve de bescherming voor lijf en leven, die de Kerk verleende, strekte zij haar behoedend schild ook over de familie-betrekking van den slaaf uit. Volgens de oude Romeinsche wet kon de slaaf geen wettig, onverbreekbaar huwelijk aangaan. De Kerk van die tijden bediende zich, tot bestrijding van dat heidensche denkbeeld, van de Catholijke stelling, dat het huwelijk een sacrament is. Paus Adriaan I zeide: „Daar wij, overeenkomstig de woorden van den Apostel, in Jezus Christus, noch slaaf noch vrijman, verstoken mogen laten van de sacramenten der Kerk, zoo is het in geen opzigt geoorloofd, het huwelijk der slaven te beletten; en zoo zij hun huwelijk hebben aangegaantrots den weêrstand en het misnoegen hunner meesters, behoort het tochniet ontbondente worden.” De H. Thomas was van dezelfde zienswijze, want hij houdt openlijk vol, dat slaven, met opzigt tot het aangaan van een huwelijk,niet verpligt zijnhunnen meesters te gehoorzamen.’t Valt gemakkelijk, in te zien, welk eene werking dit moest doen, toen de veiligheid van den slaaf en van zijne familie-betrekking aldus geheiligd was door een gezag, hetwelk geen mensch durfde betwisten. Het plaatste den slaaf in de oogen zijns meesters hooger, verwekte hoop en achting voor zich-zelven in zijn eigen boezem en droeg krachtig bij om hem geschikt te maken tot het ontvangen van die vrijheid, tot welke de Kerk, langs verschillende wegen, hem steeds had trachten te voeren.Een ander middel waarvan de Kerk gebruik maakte, om de emancipatie te bevorderen, was eene naijverige zorg voor de vrijheid van degenen, die reeds vrij waren.Ieder weet hoe in onze zuidelijke Staten de grenzen der slavernij zich voortdurend uitbreiden bij ontstentenis van eene magt, die daar dezelfde menschlievende taak op zich kan nemen. Wanneer de vrijgelatene zonder zijne papieren reist, verkeert hij in blijvend gevaar van opgepakt, in de gevangenis geworpen en tot voldoening der gevangeniskosten verkocht te worden. Hij heeft geen bisschop om hem uit zijne ongelegenheid te redden. Geene Kerk levert hem eene vrijplaats. Honderden en duizenden hulpelooze mannen en vrouwen worden jaarlijks op deze wijze in slavernij gedompeld.De Kerk nam in hare tijden van magt de vrijgelatene slaven onder hare bijzondere hoede. De vrijlating werd plegtig in de Kerk verrigt; en dan nam de Kerk den nieuwelings vrije onder hare beschutting en zorgde met hare geestelijke wapenen voor zijne nieuw verworven regten. Het eerste Concilie te Orange, in 441, stelde vast in zijn 7dencanon, dat kerkelijke straffen zouden toegepast worden op hen, die geëmancipeerde slaven weder in slavernij zouden willen dompelen. Eene eeuw daarna werd hetzelfde gebod herhaald in den 7dencanon van het vijfde Concilie te Orleans, in 549. De bescherming, welke de Kerk aan vrijgelatenen verleende, was zoo openbaar en zoo algemeen bekend, dat de gewoonte werd ingevoerd om hen, nog bij het leven of anders bij testament, in hare hoede aan te bevelen. Het Concilie te Agde, in Languedoc, nam een besluit, waarbij de Kerk gelast werd, om des noodig, de verdediging op zich te nemen van diegenen, aan wie hunne meesters op wettige wijze de vrijheid geschonken hadden.Een andere tegen de slavernij gerigte maatregel, welken de Kerk met ijver bevorderde, had de strekking, omde uitbreiding der slavernij tegen te gaan. Dit was het loskoopen van gevangenen. Daar de krijgsgevangenen, tenzij er rantsoen betaald werd, tot slaven gemaakt werden en de oorlogen, bij den ongewissen toestand der maatschappij, talrijk waren, zou de slavernij nog tot in het oneindige hebben kunnen voortduren, hadde de Kerk zich in dat opzigt niet de grootste inspanning getroost. Het loskoopen van slaven bekleedde toenmaals in de aandacht der vromen dezelfde plaats, welke thans de bekeering der heidenen inneemt. Aanzienlijke Christenen verkochten dikwijls in hun overmatigen ijver zich-zelven, om anderen vrij te maken. Chateaubriand spreekt van een priester in Frankrijk, die zich gewillig in slavernij begaf, om een Christen-soldaat te bevrijden, en aldus een echtgenoot aan eene ontroostbare vrouw en een vader aan drie rampzalige kinderen teruggaf. Door zulke daden verwierf men toenmaals de heiligverklaring. Dat was ook de geschiedenis van den H. Zacharias, welke tranen aan menig oog ontlokte en menigeen bewoog, om zulk eene verhevene Christelijke liefde na te volgen. Zij volgden hierin slechts den geest der eerste Christenen; want de apostolische Clemens zegt: „Wij weten hoevelen onzer zich in slavernij begeven hebben, opdat zij er anderen uit mogten bevrijden”(Eerste Brief aan de Corinthiërs, § 55,ofHoofdstuk XXI, vs. 20). Een der lofwaardigste van de Frankische bisschoppen was St. Eligius (St. Eloi). Aanvankelijk was hij een zeer bekwaam goudsmid en won door zijne regtschapenheid de bijzondere achting en het vertrouwen van koning Clotarius I, aan wiens hof hij in hoog aanzien stond. Van hem spreekt Neander als volgt: „De zaak des Evangelies was hem het dierbaarste, waaraan hij al het overige ondergeschikt maakte. Terwijl hij zijn beroeps-arbeid verrigtte, had hij altijd een opengeslagen Bijbel voor zich liggen. De overvloedige winst van zijn bedrijf besteedde hij tot Godsdienstige doeleinden en aan daden der liefde. Wanneer hij van slaven hoorde, welke in die dagendikwijls in troepen voorbijgedreven werden, gelijk slaven, die bij opbod verkocht moesten worden, haastte hij zich daarheen en betaalde hun prijs.” Helaas voor onze slaven-karavanen! Zulke bisschoppen zijn er niet meer! „Door zijn toedoen verkregen soms honderd slaven te gelijk, mannen en vrouwen, hunne vrijheid. Alsdan liet hij het aan hunne keuze om naar hunne haardsteden terug te keeren, of als vrije Christenbroeders met hem te leven, of monniken te worden. In het eerste geval gaf hij hun reisgeld; in het laatste, dat hem het meest verheugde, trachtte hij hun eene goede ontvangst in een of ander klooster te verschaffen.”Zoo groot was de ijver der Kerk voor het loskoopen van ongelukkige gevangenen, dat zelfs de sieraden en heilige vaten der Kerken verkocht werden, om het geld bijeen te krijgen; Uit den 5dencanon van het in 585 te Macon gehouden Concilie blijkt, dat de priesters kerkegoederen tot dat doel aanwendden. Het Concilie van Rheims, van 625, bedreigt de straf van schorsing tegen den bisschop, die de heilige vaten zal verduisterd hebbenmet eenig ander doel dan het loskoopen van gevangenen; en uit den 12dencanon van het Concilie van Verneuil, in 844 gehouden, zien wij, dat de kerkegoederen nog steeds voor dat weldadig doel gebruikt werden.Wanneer de Kerk aldus den gevangene gelost had, bleef zij hem nog verder hare bijzondere bescherming verleenen en gaf hem aanbevelings-brieven, die zijne vrijheid tegen alle aanranding moesten waarborgen. Het Concilie van Lyon, van 583, schrijft voor, dat de bisschoppen in de aanbevelings-brieven,die zij aan de vrijgekochte slaven uitreiken, de koopsom en den dag hunner bevrijding zullen opteekenen. De ijver was zoo groot, dat sommige geestelijken zelfs gevangenen aanspoorden om de vlugt te nemen. Een in Ierland gehouden Concilie, genaamd het Concilie van St. Patrick, gispt deze overdrijving en verklaart, dat de geestelijke, die gevangenen wenscht te bevrijden, zulks moet doen met zijn eigen geld, daar anders oneer over de Kerk gebragt wordt. De onbaatzuchtigheid der Kerk in dit opzigt blijkt uit de omstandigheid, dat, wanneer zij hare beschikbare gelden had uitgegeven tot rantsoenering van gevangenen, zij nooit eenige terugbetaling vorderde, al waren de bevrijden daartoe ook bij magte. De H. Gregorius geeft in zijne brieven geruststellende verzekeringen aan eenige personen, die door de Kerk waren losgekocht en nu vreesden, dat zij zouden aangesproken worden tot terugbetaling van het geld, dat voor hen uitgegeven was. De paus beveelt, dat niemand hen of hunne erfgenamen zal moeijen, vermits de canons het gebruik der kerkegoederen tot bevrijding van gevangenen veroorloven (L. 7, Ep. 14). Ten einde nog meer te waken tegen de vermeerdering van het getal slaven, excommunieerde het Concilie van Lyon, in 566, allen, die vrije personen onregtmatig in slavernij hielden.Indien er zulke wetten in de zuidelijke Staten bestonden en allen geëxcommunieerd werden, die dit doen, dan zou er eene voorbeeldelooze sensatie verwekt worden, gelijk eenige onlangs gedane ontdekkingen bewijzen.In 625 bedreigde het Concilie van Rheims met excommunicatie allen, die aan vrije personen lagen legden, ten einde hen in slavernij te brengen. De 27stecanon van het Concilie van Londen, gehouden in 1102, verbood het barbaarsche gebruik, om in menschen koopmanschap te drijven, gelijk in dieren; en de 7decanon van het Concilie van Coblentz, in 922, verklaart dengeen, die een Christen wegrooft om hem te verkoopen, aan manslag schuldig. Het Concilie, in 616 te Verneuil gehouden, stelde vast, dat de personen, die wegens armoede of schuld als slaven verkocht waren, hunne vrijheid zouden terug erlangen door het betalen van den voor hen gegeven prijs. Men zal gereedelijk inzien, dat dit een ruim veld opende tot herkrijging der vrijheid in een tijd, toen een zoo onbeperkte Christelijke ijver blaakte voor het lossen vanslaven, daar de Christenen zich verdienstelijk maakten door het vereischte rantsoen bijeen te zamelen.In die eeuwen besloegen de Joden eene zeer bijzondere plaats onder de natiën. De handel werd schier uitsluitend aan hen overgelaten, het grootste gedeelte van den rijkdom was in hunne handen, en, natuurlijk, ook vele slaven. De bepalingen, welke de Kerk maakte ten opzigte der slaven van de Joden, strekten nog meer om het beginsel der vrijheid in kracht te doen winnen. Zij verboden den Joden, Christen-slaven te dwingen tot dingen, die met de Godsdienst van dezen in strijd waren, en veroorloofden, dat Christen-slaven, die eene schuilplaats zochten in de Kerk, losgekocht werden door den voor hen gegeven prijs te betalen.Dit had zeer gunstige gevolgen voor de zaak der vrijheid, daar de Christen-slaven hierdoor gelegenheid kregen, om naar de Kerken te vlugten en daar de liefdadigheid van hunne broederen in den geloove in te roepen. Er werd ook bepaald, dat een Jood, die een Christen-slaaf afvallig maakte, al zijne overige slaven zou verliezen. Dit was een nieuwe steun voor het geweten van den slaaf en eene nieuwe gelegenheid om bevrijd te worden. Eenigen tijd later werd den Joden verboden, Christen-slaven te hebben, en die, welke in hun bezit waren, konden voor twaalfsouslosgekocht worden. Daar de Joden onder de grootste slavenhandelaars van dien tijd behoorden, was dit verbod eene reuzenschrede naar eenealgemeeneemancipatie.Een ander middel om de gelederen der slavernij te dunnen werd aan de hand gegeven door een decreet, aangenomen in een Concilie te Rome, in 595, hetwelk voorgezeten werd door paus Gregorius den Groote. Daarbij werd de vrijheid aangeboden aan allen, die monniken wilden worden. Men zegt, dat dit decreet tot groote ongeregeldheden aanleiding heeft gegeven, daar de slaven in grooten getale de huizen hunner meesters ontvlugtten en eene schuilplaats in de kloosters zochten.Nog bepaalde de Kerk, dat ieder slaaf, die neiging gevoelde om priester te worden en daartoe de noodige geschiktheid scheen te bezitten, vrijelijk zijne roeping moest volgen; en zij gelastte zijn meester, hem vrij te laten, vermits de Kerk niet kon veroorloven, dat hare dienaren het juk der slavernij droegen. Het vroeger door ons aangehaalde voorbeeld van een predikant,met twee teenen afgesneden en een brandmerk op de borst, in de nieuwspapieren als vlugteling geadverteerd, zou niet wel bestaanbaar zijn geweest met het Christendom van dien tijd.Het kan ons dus geene verwondering baren, dat er documenten bestaan, door den heer Balmes aangehaald, die, als gevolgen van deze bepalingen, het navolgende aantoonen: „Vooreerst, dat het aantal der aldus bevrijde slaven zeer groot was, aangezien er algemeen over geklaagd werd. Ten tweede, dat er bij voortduring geklaagd werd, dat de bisschoppenaltijd in het belang der slaven waren, daar zij hunne bescherming zeer verre uitstrekten en op alle wijze de stelling, dat alle menschen gelijk zijn, poogden te verwezenlijken; en uit de bedoelde documenten blijkt de klagt, dat er schier geen bisschop was, die niet beschuldigd kon worden van berispelijke oogluiking ten gevalle van de slaven, en dat de slaven bewust waren van dien geest van bescherming en steeds gereed stonden hunne ketenen af te werpen en eene toevlugt te zoeken in den boezem der Kerk.”Het is onnoodig over dit onderwerp verder uit te weiden. Het is zoo duidelijk, werwaarts zulk een streven zich rigt, als waarheen de Amerikaansche geestelijkheid in de zuidelijke Staten streeft. Wij verwonderen ons niet, dat bij den weg, die aan den eenen kant ingeslagen werd, het aantal slaven allengs verminderde, tot dat er in het nieuwere Europa geene meer gevonden werden. Evenmin verwondert het ons, dat bij de handelwijze, die men in het andere geval gevolgd heeft, hun getal is aangewassen, tot dat er, gelijk thans, drie millioen in Amerika zijn.De arme slaaf! Welke Kerk is zijn vriend? Welk bedehuis is hem eene vrijplaats? Welke heilige mannen staan op om hunne afkeuring uit te spreken over de booze wet, die hem een wettig huwelijk ontzegt? Welke vrome bisschoppen wenden zich tot de slaven-karavanen, om mannen, vrouwen en kinderen in vrijheid te stellen? In welke Kerken hoort men vurige vermaningen om rampzalige gevangenen los te koopen? Wanneer zijn kerksieraden verkocht en de avondmaals-bekers gesmolten, om slaven te bevrijden? Waar zijn de van Jezus’ liefde bezielde herders, die zich-zelven in slavernij begeven hebben, om gescheidene gezinnen te hereenigen? Waar zijndie klagten der wereld, eene eerekroon voor de betrokkenen, dat de Kerk altijd aan de zijde is van de verdrukten? Dat de slaven het kloppen van haar edelmoedig hart hooren, en reikhalzen, om zich in hare armen te werpen? Broedermin, heilig menschelijk gevoel, liefde van Jezus,—waar zijt gij? Zijt ge voor eeuwig heengevloden?
Hoofdstuk VII.Het Christendom heeft de slavernij feitelijk afgeschaft.
Maar heeft het Christendom de slavernij feitelijk afgeschaft? Wij antwoorden, ja.Laat ons een blik werpen op den stand van zaken. ToenChristus op aarde verscheen, strekte de slavernij zich uit over de geheele beschaafde wereld. De krijgsgevangenen werden steeds tot slavernij gedoemd; daar de oorlogen zeer veelvuldig waren, kregen de gelederen der slaven voortdurend nieuwen toevoer; en dewijl de slavernij erfelijk en eindeloos was, bestond er alle reden om te gelooven, dat het getal der slaven onbegrensd zou hebben toegenomen, zoo niet deze of gene invloed er eene grens aan gesteld had. Dit is één feit.Vestigen wij thans den blik op een tweede. Ten tijde van de Hervorming had de eigenlijke slavernij, waarbij de slaven gekocht en verkocht konden worden, in alle beschaafde landen der wereld geheel opgehouden. Niet door eenig bijzonder edict, door geene bepaalde emancipatie-wetten, maar door den voortgaanden invloed eener langzaam werkende, onzigtbare magt, was dit geheele uitgebreide systeem weggesmolten als sneeuw voor de lente-zonnestralen.Zoo deze beide feiten toegegeven zijn, rijst de vraag: Wat bragt die verandering te weeg? Indien wij tot de overtuiging komen dat de magtigste instelling van de beschaafde wereld ten dien tijde, een stelsel van maatregelen uitvoerde, welke de regtstreeksche strekking hadden om zulk een uitslag voort te brengen, dan moeten wij het natuurlijk aan die instelling toeschrijven.De Spaansche schrijver Balmes wijdt in zijn werk, dat getiteld is:Het Protestantismus vergeleken met het Catholicismus, een hoofdstuk aan het tegen de slavernij gerigte streven der Kerk, waarin hij al de maatregelen uiteenzet, welke de Kerk te dien aanzien in het werk stelde, en naar volgorde al de daartoe betrekkelijke decreten der Conciliën aanhaalt. Die decreten zelve, geeft hij in een Aanhangsel voluit in hun oorspronkelijk Latijn. Wij moeten onze sympathie uitdrukken voor den edelen geest waarin hij dat gewigtige onderwerp behandeld heeft, en voor de hooge gedachten die wij ons daardoor vormen kunnen van den verheven en eerbiedwekkenden aard van het Christendom. Het is het geschrift van een man van verlichten en edelaardigen geest, in staat om zulke inzigten te waarderen,—een achtbaar, ernstig en innig Godsdienstig man, ofschoon blijkbaar ten diepste overtuigd van de waarheid van zijne eigene, bijzondere belijdenis.Uit het werk van Balmes zullen wij een kort overzigt geven van het streven der Kerk in de eerste tijden. Men zal wel doen, daarbij het bijzondere karakter van die tijden in het oog te houden.Zij begon haar arbeid in het onstuimige en verwarde tijdperk van de maatschappij, dat op de ineenstorting van het Romeinsche rijk volgde. Alle gebruiken waren toen ruw en barbaarsch. Ofschoon het Christendom, als stelsel, in naam zeer algemeen omhelsd werd, drong het echter niet, gelijk bij de eerste bekeerlingen, tot het hart door, noch deed hen eene andere natuur aannemen. Geweldoefening was aan de orde van den dag; en het Christendom van de woeste Noordsche volken, die omstreeks dezen tijd de meesters van Europa werden, was verontreinigd met de barbaarschheden van hun voormalig heidensch geloof. De instelling der slavernij in zulk een maatschappelijken toestand uit te roeijen, vereischte natuurlijk geheel andere middelen dan noodig zouden zijn bij de meerdere verlichting der nieuwere tijden.Geene magt dan welke van dien aard was als de Christelijke Kerk toen bezat, zou in dezen iets hebben kunnen uitwerken. Wel verre van vervolgd en geminacht te worden, gelijk in de tijden der Apostelen, was de Kerk thans een ligchaam van groot vermogen,—een vermogen, dat bijzonder geschikt was voor die ruwe en onbeschaafde eeuwen. Zij beschikte over al die elementen van vrees, geheimzinnigheid en bijgeloof, welke evenzeer de meeste kracht hebben in barbaarsche tijden, als tegenover barbaarsche personen, en zij wreekte de overtreding van hare geboden door straffen, die te meer gevreesd werden, omdat zij betrekking hadden op eene schrikwekkende toekomst, die zooveel verborgens bevatte en slechts onvolkomen begrepen werd.Toen de Kerk de slavernij aantastte, begon zij niet met het afkondigen van eene algemeene emancipatie, omdat zij den barbaarschen en ongevestigden staat der maatschappij, de gewelddadigheden en de verdeeldheid niet wilde vermeerderen door de toevoeging van dit nieuwe element. Zelfs verbood een zeker Concilie, onder bedreiging van kerkelijke straffen, het prediken dat de slaven terstond hunne meesters moesten verlaten.De Kerk begon met de beperking van de magt des meestersen met het beschermen van den slaaf. Het Concilie van Orleans, schonk in 549 den slaaf, die met straf bedreigd werd, het voorregt om de vlugt te mogen nemen in eene kerk, en verbood den meester hem daaruit te halen, zoo hij niet een plegtigen eed aflegde, dat hij hem geen leed zou doen; en zoo hij den geest van dien eed schond, werd hij verstoken van de gemeenschap der Kerk en van de Sacramenten,—eene straf, welke in die dagen met zulk een bijgeloovigen schrik werd beschouwd, dat de meest barbaarschen zich daaraan te naauwernood durfden blootstellen. Later voerde men het gebruik in, om bij zulke gevallen een eed te vorderen, niet alleen dat de slaaf vrij zou zijn van ligchaamsstraf, maar tevens dat hij niet gestraft zou worden door het opleggen van meerderen arbeid of door eenig schandeteeken. Toen hierover klagten rezen, als zijnde dit eene te groote gunst voor den slaaf, was het uiterste wat men van de Kerk bij wege van inschikkelijkheid kon verwerven, dat in gevallen van zeerafschuwelijke misdrijven, de meester niet verpligt zou zijn, de beide laatste beloften af te leggen.Er was onder de Gothen eene straf in zwang, die erger gevreesd werd dan de dood. Zij bestond in het afscheren van het hoofdhaar. Dit werd als eene eeuwigdurende schande beschouwd. Was eenen Goth eenmaal het haar afgeschoren, dan was voor hem alles voorbij. De 15decanon van het Concilie van Merida, in 666 gehouden, verbood den geestelijken hunne slaven deze straf aan te doen, alsmede de uitoefening van elke andere soort van geweld; er werd bij bepaald, dat, zoo een slaaf zich misdroeg, hij niet blootgesteld zou zijn aan bijzondere wraakneming, maar overgeleverd zou worden aan den wereldlijken regter, en dat de bisschoppen hun invloed alleen zouden aanwenden, om eene verzachting van de straf te verwerven. Hier werd de openbare regtspraak in de plaats gesteld van persoonlijke regtverschaffing,—inderdaad, eene belangrijke schrede voorwaarts. De Kerk bepaalde verder, in twee Conciliën, dat de meester, die op eigen gezag zijn slaaf van het leven beroofde, twee jaren lang verstoken zou blijven van alle gemeenschap met de Kerk,—eene straf, welke in de schatting van die tijden een mensch aan de ijselijkste gevaren blootstelde, daar zij hem in het oog der maatschappij van al wat heilig was verwijderd hield, en hem aan zich-zelvenen aan anderen deed voorkomen als met de ontzettendste zonde beladen.Behalve de bescherming voor lijf en leven, die de Kerk verleende, strekte zij haar behoedend schild ook over de familie-betrekking van den slaaf uit. Volgens de oude Romeinsche wet kon de slaaf geen wettig, onverbreekbaar huwelijk aangaan. De Kerk van die tijden bediende zich, tot bestrijding van dat heidensche denkbeeld, van de Catholijke stelling, dat het huwelijk een sacrament is. Paus Adriaan I zeide: „Daar wij, overeenkomstig de woorden van den Apostel, in Jezus Christus, noch slaaf noch vrijman, verstoken mogen laten van de sacramenten der Kerk, zoo is het in geen opzigt geoorloofd, het huwelijk der slaven te beletten; en zoo zij hun huwelijk hebben aangegaantrots den weêrstand en het misnoegen hunner meesters, behoort het tochniet ontbondente worden.” De H. Thomas was van dezelfde zienswijze, want hij houdt openlijk vol, dat slaven, met opzigt tot het aangaan van een huwelijk,niet verpligt zijnhunnen meesters te gehoorzamen.’t Valt gemakkelijk, in te zien, welk eene werking dit moest doen, toen de veiligheid van den slaaf en van zijne familie-betrekking aldus geheiligd was door een gezag, hetwelk geen mensch durfde betwisten. Het plaatste den slaaf in de oogen zijns meesters hooger, verwekte hoop en achting voor zich-zelven in zijn eigen boezem en droeg krachtig bij om hem geschikt te maken tot het ontvangen van die vrijheid, tot welke de Kerk, langs verschillende wegen, hem steeds had trachten te voeren.Een ander middel waarvan de Kerk gebruik maakte, om de emancipatie te bevorderen, was eene naijverige zorg voor de vrijheid van degenen, die reeds vrij waren.Ieder weet hoe in onze zuidelijke Staten de grenzen der slavernij zich voortdurend uitbreiden bij ontstentenis van eene magt, die daar dezelfde menschlievende taak op zich kan nemen. Wanneer de vrijgelatene zonder zijne papieren reist, verkeert hij in blijvend gevaar van opgepakt, in de gevangenis geworpen en tot voldoening der gevangeniskosten verkocht te worden. Hij heeft geen bisschop om hem uit zijne ongelegenheid te redden. Geene Kerk levert hem eene vrijplaats. Honderden en duizenden hulpelooze mannen en vrouwen worden jaarlijks op deze wijze in slavernij gedompeld.De Kerk nam in hare tijden van magt de vrijgelatene slaven onder hare bijzondere hoede. De vrijlating werd plegtig in de Kerk verrigt; en dan nam de Kerk den nieuwelings vrije onder hare beschutting en zorgde met hare geestelijke wapenen voor zijne nieuw verworven regten. Het eerste Concilie te Orange, in 441, stelde vast in zijn 7dencanon, dat kerkelijke straffen zouden toegepast worden op hen, die geëmancipeerde slaven weder in slavernij zouden willen dompelen. Eene eeuw daarna werd hetzelfde gebod herhaald in den 7dencanon van het vijfde Concilie te Orleans, in 549. De bescherming, welke de Kerk aan vrijgelatenen verleende, was zoo openbaar en zoo algemeen bekend, dat de gewoonte werd ingevoerd om hen, nog bij het leven of anders bij testament, in hare hoede aan te bevelen. Het Concilie te Agde, in Languedoc, nam een besluit, waarbij de Kerk gelast werd, om des noodig, de verdediging op zich te nemen van diegenen, aan wie hunne meesters op wettige wijze de vrijheid geschonken hadden.Een andere tegen de slavernij gerigte maatregel, welken de Kerk met ijver bevorderde, had de strekking, omde uitbreiding der slavernij tegen te gaan. Dit was het loskoopen van gevangenen. Daar de krijgsgevangenen, tenzij er rantsoen betaald werd, tot slaven gemaakt werden en de oorlogen, bij den ongewissen toestand der maatschappij, talrijk waren, zou de slavernij nog tot in het oneindige hebben kunnen voortduren, hadde de Kerk zich in dat opzigt niet de grootste inspanning getroost. Het loskoopen van slaven bekleedde toenmaals in de aandacht der vromen dezelfde plaats, welke thans de bekeering der heidenen inneemt. Aanzienlijke Christenen verkochten dikwijls in hun overmatigen ijver zich-zelven, om anderen vrij te maken. Chateaubriand spreekt van een priester in Frankrijk, die zich gewillig in slavernij begaf, om een Christen-soldaat te bevrijden, en aldus een echtgenoot aan eene ontroostbare vrouw en een vader aan drie rampzalige kinderen teruggaf. Door zulke daden verwierf men toenmaals de heiligverklaring. Dat was ook de geschiedenis van den H. Zacharias, welke tranen aan menig oog ontlokte en menigeen bewoog, om zulk eene verhevene Christelijke liefde na te volgen. Zij volgden hierin slechts den geest der eerste Christenen; want de apostolische Clemens zegt: „Wij weten hoevelen onzer zich in slavernij begeven hebben, opdat zij er anderen uit mogten bevrijden”(Eerste Brief aan de Corinthiërs, § 55,ofHoofdstuk XXI, vs. 20). Een der lofwaardigste van de Frankische bisschoppen was St. Eligius (St. Eloi). Aanvankelijk was hij een zeer bekwaam goudsmid en won door zijne regtschapenheid de bijzondere achting en het vertrouwen van koning Clotarius I, aan wiens hof hij in hoog aanzien stond. Van hem spreekt Neander als volgt: „De zaak des Evangelies was hem het dierbaarste, waaraan hij al het overige ondergeschikt maakte. Terwijl hij zijn beroeps-arbeid verrigtte, had hij altijd een opengeslagen Bijbel voor zich liggen. De overvloedige winst van zijn bedrijf besteedde hij tot Godsdienstige doeleinden en aan daden der liefde. Wanneer hij van slaven hoorde, welke in die dagendikwijls in troepen voorbijgedreven werden, gelijk slaven, die bij opbod verkocht moesten worden, haastte hij zich daarheen en betaalde hun prijs.” Helaas voor onze slaven-karavanen! Zulke bisschoppen zijn er niet meer! „Door zijn toedoen verkregen soms honderd slaven te gelijk, mannen en vrouwen, hunne vrijheid. Alsdan liet hij het aan hunne keuze om naar hunne haardsteden terug te keeren, of als vrije Christenbroeders met hem te leven, of monniken te worden. In het eerste geval gaf hij hun reisgeld; in het laatste, dat hem het meest verheugde, trachtte hij hun eene goede ontvangst in een of ander klooster te verschaffen.”Zoo groot was de ijver der Kerk voor het loskoopen van ongelukkige gevangenen, dat zelfs de sieraden en heilige vaten der Kerken verkocht werden, om het geld bijeen te krijgen; Uit den 5dencanon van het in 585 te Macon gehouden Concilie blijkt, dat de priesters kerkegoederen tot dat doel aanwendden. Het Concilie van Rheims, van 625, bedreigt de straf van schorsing tegen den bisschop, die de heilige vaten zal verduisterd hebbenmet eenig ander doel dan het loskoopen van gevangenen; en uit den 12dencanon van het Concilie van Verneuil, in 844 gehouden, zien wij, dat de kerkegoederen nog steeds voor dat weldadig doel gebruikt werden.Wanneer de Kerk aldus den gevangene gelost had, bleef zij hem nog verder hare bijzondere bescherming verleenen en gaf hem aanbevelings-brieven, die zijne vrijheid tegen alle aanranding moesten waarborgen. Het Concilie van Lyon, van 583, schrijft voor, dat de bisschoppen in de aanbevelings-brieven,die zij aan de vrijgekochte slaven uitreiken, de koopsom en den dag hunner bevrijding zullen opteekenen. De ijver was zoo groot, dat sommige geestelijken zelfs gevangenen aanspoorden om de vlugt te nemen. Een in Ierland gehouden Concilie, genaamd het Concilie van St. Patrick, gispt deze overdrijving en verklaart, dat de geestelijke, die gevangenen wenscht te bevrijden, zulks moet doen met zijn eigen geld, daar anders oneer over de Kerk gebragt wordt. De onbaatzuchtigheid der Kerk in dit opzigt blijkt uit de omstandigheid, dat, wanneer zij hare beschikbare gelden had uitgegeven tot rantsoenering van gevangenen, zij nooit eenige terugbetaling vorderde, al waren de bevrijden daartoe ook bij magte. De H. Gregorius geeft in zijne brieven geruststellende verzekeringen aan eenige personen, die door de Kerk waren losgekocht en nu vreesden, dat zij zouden aangesproken worden tot terugbetaling van het geld, dat voor hen uitgegeven was. De paus beveelt, dat niemand hen of hunne erfgenamen zal moeijen, vermits de canons het gebruik der kerkegoederen tot bevrijding van gevangenen veroorloven (L. 7, Ep. 14). Ten einde nog meer te waken tegen de vermeerdering van het getal slaven, excommunieerde het Concilie van Lyon, in 566, allen, die vrije personen onregtmatig in slavernij hielden.Indien er zulke wetten in de zuidelijke Staten bestonden en allen geëxcommunieerd werden, die dit doen, dan zou er eene voorbeeldelooze sensatie verwekt worden, gelijk eenige onlangs gedane ontdekkingen bewijzen.In 625 bedreigde het Concilie van Rheims met excommunicatie allen, die aan vrije personen lagen legden, ten einde hen in slavernij te brengen. De 27stecanon van het Concilie van Londen, gehouden in 1102, verbood het barbaarsche gebruik, om in menschen koopmanschap te drijven, gelijk in dieren; en de 7decanon van het Concilie van Coblentz, in 922, verklaart dengeen, die een Christen wegrooft om hem te verkoopen, aan manslag schuldig. Het Concilie, in 616 te Verneuil gehouden, stelde vast, dat de personen, die wegens armoede of schuld als slaven verkocht waren, hunne vrijheid zouden terug erlangen door het betalen van den voor hen gegeven prijs. Men zal gereedelijk inzien, dat dit een ruim veld opende tot herkrijging der vrijheid in een tijd, toen een zoo onbeperkte Christelijke ijver blaakte voor het lossen vanslaven, daar de Christenen zich verdienstelijk maakten door het vereischte rantsoen bijeen te zamelen.In die eeuwen besloegen de Joden eene zeer bijzondere plaats onder de natiën. De handel werd schier uitsluitend aan hen overgelaten, het grootste gedeelte van den rijkdom was in hunne handen, en, natuurlijk, ook vele slaven. De bepalingen, welke de Kerk maakte ten opzigte der slaven van de Joden, strekten nog meer om het beginsel der vrijheid in kracht te doen winnen. Zij verboden den Joden, Christen-slaven te dwingen tot dingen, die met de Godsdienst van dezen in strijd waren, en veroorloofden, dat Christen-slaven, die eene schuilplaats zochten in de Kerk, losgekocht werden door den voor hen gegeven prijs te betalen.Dit had zeer gunstige gevolgen voor de zaak der vrijheid, daar de Christen-slaven hierdoor gelegenheid kregen, om naar de Kerken te vlugten en daar de liefdadigheid van hunne broederen in den geloove in te roepen. Er werd ook bepaald, dat een Jood, die een Christen-slaaf afvallig maakte, al zijne overige slaven zou verliezen. Dit was een nieuwe steun voor het geweten van den slaaf en eene nieuwe gelegenheid om bevrijd te worden. Eenigen tijd later werd den Joden verboden, Christen-slaven te hebben, en die, welke in hun bezit waren, konden voor twaalfsouslosgekocht worden. Daar de Joden onder de grootste slavenhandelaars van dien tijd behoorden, was dit verbod eene reuzenschrede naar eenealgemeeneemancipatie.Een ander middel om de gelederen der slavernij te dunnen werd aan de hand gegeven door een decreet, aangenomen in een Concilie te Rome, in 595, hetwelk voorgezeten werd door paus Gregorius den Groote. Daarbij werd de vrijheid aangeboden aan allen, die monniken wilden worden. Men zegt, dat dit decreet tot groote ongeregeldheden aanleiding heeft gegeven, daar de slaven in grooten getale de huizen hunner meesters ontvlugtten en eene schuilplaats in de kloosters zochten.Nog bepaalde de Kerk, dat ieder slaaf, die neiging gevoelde om priester te worden en daartoe de noodige geschiktheid scheen te bezitten, vrijelijk zijne roeping moest volgen; en zij gelastte zijn meester, hem vrij te laten, vermits de Kerk niet kon veroorloven, dat hare dienaren het juk der slavernij droegen. Het vroeger door ons aangehaalde voorbeeld van een predikant,met twee teenen afgesneden en een brandmerk op de borst, in de nieuwspapieren als vlugteling geadverteerd, zou niet wel bestaanbaar zijn geweest met het Christendom van dien tijd.Het kan ons dus geene verwondering baren, dat er documenten bestaan, door den heer Balmes aangehaald, die, als gevolgen van deze bepalingen, het navolgende aantoonen: „Vooreerst, dat het aantal der aldus bevrijde slaven zeer groot was, aangezien er algemeen over geklaagd werd. Ten tweede, dat er bij voortduring geklaagd werd, dat de bisschoppenaltijd in het belang der slaven waren, daar zij hunne bescherming zeer verre uitstrekten en op alle wijze de stelling, dat alle menschen gelijk zijn, poogden te verwezenlijken; en uit de bedoelde documenten blijkt de klagt, dat er schier geen bisschop was, die niet beschuldigd kon worden van berispelijke oogluiking ten gevalle van de slaven, en dat de slaven bewust waren van dien geest van bescherming en steeds gereed stonden hunne ketenen af te werpen en eene toevlugt te zoeken in den boezem der Kerk.”Het is onnoodig over dit onderwerp verder uit te weiden. Het is zoo duidelijk, werwaarts zulk een streven zich rigt, als waarheen de Amerikaansche geestelijkheid in de zuidelijke Staten streeft. Wij verwonderen ons niet, dat bij den weg, die aan den eenen kant ingeslagen werd, het aantal slaven allengs verminderde, tot dat er in het nieuwere Europa geene meer gevonden werden. Evenmin verwondert het ons, dat bij de handelwijze, die men in het andere geval gevolgd heeft, hun getal is aangewassen, tot dat er, gelijk thans, drie millioen in Amerika zijn.De arme slaaf! Welke Kerk is zijn vriend? Welk bedehuis is hem eene vrijplaats? Welke heilige mannen staan op om hunne afkeuring uit te spreken over de booze wet, die hem een wettig huwelijk ontzegt? Welke vrome bisschoppen wenden zich tot de slaven-karavanen, om mannen, vrouwen en kinderen in vrijheid te stellen? In welke Kerken hoort men vurige vermaningen om rampzalige gevangenen los te koopen? Wanneer zijn kerksieraden verkocht en de avondmaals-bekers gesmolten, om slaven te bevrijden? Waar zijn de van Jezus’ liefde bezielde herders, die zich-zelven in slavernij begeven hebben, om gescheidene gezinnen te hereenigen? Waar zijndie klagten der wereld, eene eerekroon voor de betrokkenen, dat de Kerk altijd aan de zijde is van de verdrukten? Dat de slaven het kloppen van haar edelmoedig hart hooren, en reikhalzen, om zich in hare armen te werpen? Broedermin, heilig menschelijk gevoel, liefde van Jezus,—waar zijt gij? Zijt ge voor eeuwig heengevloden?
Maar heeft het Christendom de slavernij feitelijk afgeschaft? Wij antwoorden, ja.
Laat ons een blik werpen op den stand van zaken. ToenChristus op aarde verscheen, strekte de slavernij zich uit over de geheele beschaafde wereld. De krijgsgevangenen werden steeds tot slavernij gedoemd; daar de oorlogen zeer veelvuldig waren, kregen de gelederen der slaven voortdurend nieuwen toevoer; en dewijl de slavernij erfelijk en eindeloos was, bestond er alle reden om te gelooven, dat het getal der slaven onbegrensd zou hebben toegenomen, zoo niet deze of gene invloed er eene grens aan gesteld had. Dit is één feit.
Vestigen wij thans den blik op een tweede. Ten tijde van de Hervorming had de eigenlijke slavernij, waarbij de slaven gekocht en verkocht konden worden, in alle beschaafde landen der wereld geheel opgehouden. Niet door eenig bijzonder edict, door geene bepaalde emancipatie-wetten, maar door den voortgaanden invloed eener langzaam werkende, onzigtbare magt, was dit geheele uitgebreide systeem weggesmolten als sneeuw voor de lente-zonnestralen.
Zoo deze beide feiten toegegeven zijn, rijst de vraag: Wat bragt die verandering te weeg? Indien wij tot de overtuiging komen dat de magtigste instelling van de beschaafde wereld ten dien tijde, een stelsel van maatregelen uitvoerde, welke de regtstreeksche strekking hadden om zulk een uitslag voort te brengen, dan moeten wij het natuurlijk aan die instelling toeschrijven.
De Spaansche schrijver Balmes wijdt in zijn werk, dat getiteld is:Het Protestantismus vergeleken met het Catholicismus, een hoofdstuk aan het tegen de slavernij gerigte streven der Kerk, waarin hij al de maatregelen uiteenzet, welke de Kerk te dien aanzien in het werk stelde, en naar volgorde al de daartoe betrekkelijke decreten der Conciliën aanhaalt. Die decreten zelve, geeft hij in een Aanhangsel voluit in hun oorspronkelijk Latijn. Wij moeten onze sympathie uitdrukken voor den edelen geest waarin hij dat gewigtige onderwerp behandeld heeft, en voor de hooge gedachten die wij ons daardoor vormen kunnen van den verheven en eerbiedwekkenden aard van het Christendom. Het is het geschrift van een man van verlichten en edelaardigen geest, in staat om zulke inzigten te waarderen,—een achtbaar, ernstig en innig Godsdienstig man, ofschoon blijkbaar ten diepste overtuigd van de waarheid van zijne eigene, bijzondere belijdenis.
Uit het werk van Balmes zullen wij een kort overzigt geven van het streven der Kerk in de eerste tijden. Men zal wel doen, daarbij het bijzondere karakter van die tijden in het oog te houden.
Zij begon haar arbeid in het onstuimige en verwarde tijdperk van de maatschappij, dat op de ineenstorting van het Romeinsche rijk volgde. Alle gebruiken waren toen ruw en barbaarsch. Ofschoon het Christendom, als stelsel, in naam zeer algemeen omhelsd werd, drong het echter niet, gelijk bij de eerste bekeerlingen, tot het hart door, noch deed hen eene andere natuur aannemen. Geweldoefening was aan de orde van den dag; en het Christendom van de woeste Noordsche volken, die omstreeks dezen tijd de meesters van Europa werden, was verontreinigd met de barbaarschheden van hun voormalig heidensch geloof. De instelling der slavernij in zulk een maatschappelijken toestand uit te roeijen, vereischte natuurlijk geheel andere middelen dan noodig zouden zijn bij de meerdere verlichting der nieuwere tijden.
Geene magt dan welke van dien aard was als de Christelijke Kerk toen bezat, zou in dezen iets hebben kunnen uitwerken. Wel verre van vervolgd en geminacht te worden, gelijk in de tijden der Apostelen, was de Kerk thans een ligchaam van groot vermogen,—een vermogen, dat bijzonder geschikt was voor die ruwe en onbeschaafde eeuwen. Zij beschikte over al die elementen van vrees, geheimzinnigheid en bijgeloof, welke evenzeer de meeste kracht hebben in barbaarsche tijden, als tegenover barbaarsche personen, en zij wreekte de overtreding van hare geboden door straffen, die te meer gevreesd werden, omdat zij betrekking hadden op eene schrikwekkende toekomst, die zooveel verborgens bevatte en slechts onvolkomen begrepen werd.
Toen de Kerk de slavernij aantastte, begon zij niet met het afkondigen van eene algemeene emancipatie, omdat zij den barbaarschen en ongevestigden staat der maatschappij, de gewelddadigheden en de verdeeldheid niet wilde vermeerderen door de toevoeging van dit nieuwe element. Zelfs verbood een zeker Concilie, onder bedreiging van kerkelijke straffen, het prediken dat de slaven terstond hunne meesters moesten verlaten.
De Kerk begon met de beperking van de magt des meestersen met het beschermen van den slaaf. Het Concilie van Orleans, schonk in 549 den slaaf, die met straf bedreigd werd, het voorregt om de vlugt te mogen nemen in eene kerk, en verbood den meester hem daaruit te halen, zoo hij niet een plegtigen eed aflegde, dat hij hem geen leed zou doen; en zoo hij den geest van dien eed schond, werd hij verstoken van de gemeenschap der Kerk en van de Sacramenten,—eene straf, welke in die dagen met zulk een bijgeloovigen schrik werd beschouwd, dat de meest barbaarschen zich daaraan te naauwernood durfden blootstellen. Later voerde men het gebruik in, om bij zulke gevallen een eed te vorderen, niet alleen dat de slaaf vrij zou zijn van ligchaamsstraf, maar tevens dat hij niet gestraft zou worden door het opleggen van meerderen arbeid of door eenig schandeteeken. Toen hierover klagten rezen, als zijnde dit eene te groote gunst voor den slaaf, was het uiterste wat men van de Kerk bij wege van inschikkelijkheid kon verwerven, dat in gevallen van zeerafschuwelijke misdrijven, de meester niet verpligt zou zijn, de beide laatste beloften af te leggen.
Er was onder de Gothen eene straf in zwang, die erger gevreesd werd dan de dood. Zij bestond in het afscheren van het hoofdhaar. Dit werd als eene eeuwigdurende schande beschouwd. Was eenen Goth eenmaal het haar afgeschoren, dan was voor hem alles voorbij. De 15decanon van het Concilie van Merida, in 666 gehouden, verbood den geestelijken hunne slaven deze straf aan te doen, alsmede de uitoefening van elke andere soort van geweld; er werd bij bepaald, dat, zoo een slaaf zich misdroeg, hij niet blootgesteld zou zijn aan bijzondere wraakneming, maar overgeleverd zou worden aan den wereldlijken regter, en dat de bisschoppen hun invloed alleen zouden aanwenden, om eene verzachting van de straf te verwerven. Hier werd de openbare regtspraak in de plaats gesteld van persoonlijke regtverschaffing,—inderdaad, eene belangrijke schrede voorwaarts. De Kerk bepaalde verder, in twee Conciliën, dat de meester, die op eigen gezag zijn slaaf van het leven beroofde, twee jaren lang verstoken zou blijven van alle gemeenschap met de Kerk,—eene straf, welke in de schatting van die tijden een mensch aan de ijselijkste gevaren blootstelde, daar zij hem in het oog der maatschappij van al wat heilig was verwijderd hield, en hem aan zich-zelvenen aan anderen deed voorkomen als met de ontzettendste zonde beladen.
Behalve de bescherming voor lijf en leven, die de Kerk verleende, strekte zij haar behoedend schild ook over de familie-betrekking van den slaaf uit. Volgens de oude Romeinsche wet kon de slaaf geen wettig, onverbreekbaar huwelijk aangaan. De Kerk van die tijden bediende zich, tot bestrijding van dat heidensche denkbeeld, van de Catholijke stelling, dat het huwelijk een sacrament is. Paus Adriaan I zeide: „Daar wij, overeenkomstig de woorden van den Apostel, in Jezus Christus, noch slaaf noch vrijman, verstoken mogen laten van de sacramenten der Kerk, zoo is het in geen opzigt geoorloofd, het huwelijk der slaven te beletten; en zoo zij hun huwelijk hebben aangegaantrots den weêrstand en het misnoegen hunner meesters, behoort het tochniet ontbondente worden.” De H. Thomas was van dezelfde zienswijze, want hij houdt openlijk vol, dat slaven, met opzigt tot het aangaan van een huwelijk,niet verpligt zijnhunnen meesters te gehoorzamen.
’t Valt gemakkelijk, in te zien, welk eene werking dit moest doen, toen de veiligheid van den slaaf en van zijne familie-betrekking aldus geheiligd was door een gezag, hetwelk geen mensch durfde betwisten. Het plaatste den slaaf in de oogen zijns meesters hooger, verwekte hoop en achting voor zich-zelven in zijn eigen boezem en droeg krachtig bij om hem geschikt te maken tot het ontvangen van die vrijheid, tot welke de Kerk, langs verschillende wegen, hem steeds had trachten te voeren.
Een ander middel waarvan de Kerk gebruik maakte, om de emancipatie te bevorderen, was eene naijverige zorg voor de vrijheid van degenen, die reeds vrij waren.
Ieder weet hoe in onze zuidelijke Staten de grenzen der slavernij zich voortdurend uitbreiden bij ontstentenis van eene magt, die daar dezelfde menschlievende taak op zich kan nemen. Wanneer de vrijgelatene zonder zijne papieren reist, verkeert hij in blijvend gevaar van opgepakt, in de gevangenis geworpen en tot voldoening der gevangeniskosten verkocht te worden. Hij heeft geen bisschop om hem uit zijne ongelegenheid te redden. Geene Kerk levert hem eene vrijplaats. Honderden en duizenden hulpelooze mannen en vrouwen worden jaarlijks op deze wijze in slavernij gedompeld.
De Kerk nam in hare tijden van magt de vrijgelatene slaven onder hare bijzondere hoede. De vrijlating werd plegtig in de Kerk verrigt; en dan nam de Kerk den nieuwelings vrije onder hare beschutting en zorgde met hare geestelijke wapenen voor zijne nieuw verworven regten. Het eerste Concilie te Orange, in 441, stelde vast in zijn 7dencanon, dat kerkelijke straffen zouden toegepast worden op hen, die geëmancipeerde slaven weder in slavernij zouden willen dompelen. Eene eeuw daarna werd hetzelfde gebod herhaald in den 7dencanon van het vijfde Concilie te Orleans, in 549. De bescherming, welke de Kerk aan vrijgelatenen verleende, was zoo openbaar en zoo algemeen bekend, dat de gewoonte werd ingevoerd om hen, nog bij het leven of anders bij testament, in hare hoede aan te bevelen. Het Concilie te Agde, in Languedoc, nam een besluit, waarbij de Kerk gelast werd, om des noodig, de verdediging op zich te nemen van diegenen, aan wie hunne meesters op wettige wijze de vrijheid geschonken hadden.
Een andere tegen de slavernij gerigte maatregel, welken de Kerk met ijver bevorderde, had de strekking, omde uitbreiding der slavernij tegen te gaan. Dit was het loskoopen van gevangenen. Daar de krijgsgevangenen, tenzij er rantsoen betaald werd, tot slaven gemaakt werden en de oorlogen, bij den ongewissen toestand der maatschappij, talrijk waren, zou de slavernij nog tot in het oneindige hebben kunnen voortduren, hadde de Kerk zich in dat opzigt niet de grootste inspanning getroost. Het loskoopen van slaven bekleedde toenmaals in de aandacht der vromen dezelfde plaats, welke thans de bekeering der heidenen inneemt. Aanzienlijke Christenen verkochten dikwijls in hun overmatigen ijver zich-zelven, om anderen vrij te maken. Chateaubriand spreekt van een priester in Frankrijk, die zich gewillig in slavernij begaf, om een Christen-soldaat te bevrijden, en aldus een echtgenoot aan eene ontroostbare vrouw en een vader aan drie rampzalige kinderen teruggaf. Door zulke daden verwierf men toenmaals de heiligverklaring. Dat was ook de geschiedenis van den H. Zacharias, welke tranen aan menig oog ontlokte en menigeen bewoog, om zulk eene verhevene Christelijke liefde na te volgen. Zij volgden hierin slechts den geest der eerste Christenen; want de apostolische Clemens zegt: „Wij weten hoevelen onzer zich in slavernij begeven hebben, opdat zij er anderen uit mogten bevrijden”(Eerste Brief aan de Corinthiërs, § 55,ofHoofdstuk XXI, vs. 20). Een der lofwaardigste van de Frankische bisschoppen was St. Eligius (St. Eloi). Aanvankelijk was hij een zeer bekwaam goudsmid en won door zijne regtschapenheid de bijzondere achting en het vertrouwen van koning Clotarius I, aan wiens hof hij in hoog aanzien stond. Van hem spreekt Neander als volgt: „De zaak des Evangelies was hem het dierbaarste, waaraan hij al het overige ondergeschikt maakte. Terwijl hij zijn beroeps-arbeid verrigtte, had hij altijd een opengeslagen Bijbel voor zich liggen. De overvloedige winst van zijn bedrijf besteedde hij tot Godsdienstige doeleinden en aan daden der liefde. Wanneer hij van slaven hoorde, welke in die dagendikwijls in troepen voorbijgedreven werden, gelijk slaven, die bij opbod verkocht moesten worden, haastte hij zich daarheen en betaalde hun prijs.” Helaas voor onze slaven-karavanen! Zulke bisschoppen zijn er niet meer! „Door zijn toedoen verkregen soms honderd slaven te gelijk, mannen en vrouwen, hunne vrijheid. Alsdan liet hij het aan hunne keuze om naar hunne haardsteden terug te keeren, of als vrije Christenbroeders met hem te leven, of monniken te worden. In het eerste geval gaf hij hun reisgeld; in het laatste, dat hem het meest verheugde, trachtte hij hun eene goede ontvangst in een of ander klooster te verschaffen.”
Zoo groot was de ijver der Kerk voor het loskoopen van ongelukkige gevangenen, dat zelfs de sieraden en heilige vaten der Kerken verkocht werden, om het geld bijeen te krijgen; Uit den 5dencanon van het in 585 te Macon gehouden Concilie blijkt, dat de priesters kerkegoederen tot dat doel aanwendden. Het Concilie van Rheims, van 625, bedreigt de straf van schorsing tegen den bisschop, die de heilige vaten zal verduisterd hebbenmet eenig ander doel dan het loskoopen van gevangenen; en uit den 12dencanon van het Concilie van Verneuil, in 844 gehouden, zien wij, dat de kerkegoederen nog steeds voor dat weldadig doel gebruikt werden.
Wanneer de Kerk aldus den gevangene gelost had, bleef zij hem nog verder hare bijzondere bescherming verleenen en gaf hem aanbevelings-brieven, die zijne vrijheid tegen alle aanranding moesten waarborgen. Het Concilie van Lyon, van 583, schrijft voor, dat de bisschoppen in de aanbevelings-brieven,die zij aan de vrijgekochte slaven uitreiken, de koopsom en den dag hunner bevrijding zullen opteekenen. De ijver was zoo groot, dat sommige geestelijken zelfs gevangenen aanspoorden om de vlugt te nemen. Een in Ierland gehouden Concilie, genaamd het Concilie van St. Patrick, gispt deze overdrijving en verklaart, dat de geestelijke, die gevangenen wenscht te bevrijden, zulks moet doen met zijn eigen geld, daar anders oneer over de Kerk gebragt wordt. De onbaatzuchtigheid der Kerk in dit opzigt blijkt uit de omstandigheid, dat, wanneer zij hare beschikbare gelden had uitgegeven tot rantsoenering van gevangenen, zij nooit eenige terugbetaling vorderde, al waren de bevrijden daartoe ook bij magte. De H. Gregorius geeft in zijne brieven geruststellende verzekeringen aan eenige personen, die door de Kerk waren losgekocht en nu vreesden, dat zij zouden aangesproken worden tot terugbetaling van het geld, dat voor hen uitgegeven was. De paus beveelt, dat niemand hen of hunne erfgenamen zal moeijen, vermits de canons het gebruik der kerkegoederen tot bevrijding van gevangenen veroorloven (L. 7, Ep. 14). Ten einde nog meer te waken tegen de vermeerdering van het getal slaven, excommunieerde het Concilie van Lyon, in 566, allen, die vrije personen onregtmatig in slavernij hielden.
Indien er zulke wetten in de zuidelijke Staten bestonden en allen geëxcommunieerd werden, die dit doen, dan zou er eene voorbeeldelooze sensatie verwekt worden, gelijk eenige onlangs gedane ontdekkingen bewijzen.
In 625 bedreigde het Concilie van Rheims met excommunicatie allen, die aan vrije personen lagen legden, ten einde hen in slavernij te brengen. De 27stecanon van het Concilie van Londen, gehouden in 1102, verbood het barbaarsche gebruik, om in menschen koopmanschap te drijven, gelijk in dieren; en de 7decanon van het Concilie van Coblentz, in 922, verklaart dengeen, die een Christen wegrooft om hem te verkoopen, aan manslag schuldig. Het Concilie, in 616 te Verneuil gehouden, stelde vast, dat de personen, die wegens armoede of schuld als slaven verkocht waren, hunne vrijheid zouden terug erlangen door het betalen van den voor hen gegeven prijs. Men zal gereedelijk inzien, dat dit een ruim veld opende tot herkrijging der vrijheid in een tijd, toen een zoo onbeperkte Christelijke ijver blaakte voor het lossen vanslaven, daar de Christenen zich verdienstelijk maakten door het vereischte rantsoen bijeen te zamelen.
In die eeuwen besloegen de Joden eene zeer bijzondere plaats onder de natiën. De handel werd schier uitsluitend aan hen overgelaten, het grootste gedeelte van den rijkdom was in hunne handen, en, natuurlijk, ook vele slaven. De bepalingen, welke de Kerk maakte ten opzigte der slaven van de Joden, strekten nog meer om het beginsel der vrijheid in kracht te doen winnen. Zij verboden den Joden, Christen-slaven te dwingen tot dingen, die met de Godsdienst van dezen in strijd waren, en veroorloofden, dat Christen-slaven, die eene schuilplaats zochten in de Kerk, losgekocht werden door den voor hen gegeven prijs te betalen.
Dit had zeer gunstige gevolgen voor de zaak der vrijheid, daar de Christen-slaven hierdoor gelegenheid kregen, om naar de Kerken te vlugten en daar de liefdadigheid van hunne broederen in den geloove in te roepen. Er werd ook bepaald, dat een Jood, die een Christen-slaaf afvallig maakte, al zijne overige slaven zou verliezen. Dit was een nieuwe steun voor het geweten van den slaaf en eene nieuwe gelegenheid om bevrijd te worden. Eenigen tijd later werd den Joden verboden, Christen-slaven te hebben, en die, welke in hun bezit waren, konden voor twaalfsouslosgekocht worden. Daar de Joden onder de grootste slavenhandelaars van dien tijd behoorden, was dit verbod eene reuzenschrede naar eenealgemeeneemancipatie.
Een ander middel om de gelederen der slavernij te dunnen werd aan de hand gegeven door een decreet, aangenomen in een Concilie te Rome, in 595, hetwelk voorgezeten werd door paus Gregorius den Groote. Daarbij werd de vrijheid aangeboden aan allen, die monniken wilden worden. Men zegt, dat dit decreet tot groote ongeregeldheden aanleiding heeft gegeven, daar de slaven in grooten getale de huizen hunner meesters ontvlugtten en eene schuilplaats in de kloosters zochten.
Nog bepaalde de Kerk, dat ieder slaaf, die neiging gevoelde om priester te worden en daartoe de noodige geschiktheid scheen te bezitten, vrijelijk zijne roeping moest volgen; en zij gelastte zijn meester, hem vrij te laten, vermits de Kerk niet kon veroorloven, dat hare dienaren het juk der slavernij droegen. Het vroeger door ons aangehaalde voorbeeld van een predikant,met twee teenen afgesneden en een brandmerk op de borst, in de nieuwspapieren als vlugteling geadverteerd, zou niet wel bestaanbaar zijn geweest met het Christendom van dien tijd.
Het kan ons dus geene verwondering baren, dat er documenten bestaan, door den heer Balmes aangehaald, die, als gevolgen van deze bepalingen, het navolgende aantoonen: „Vooreerst, dat het aantal der aldus bevrijde slaven zeer groot was, aangezien er algemeen over geklaagd werd. Ten tweede, dat er bij voortduring geklaagd werd, dat de bisschoppenaltijd in het belang der slaven waren, daar zij hunne bescherming zeer verre uitstrekten en op alle wijze de stelling, dat alle menschen gelijk zijn, poogden te verwezenlijken; en uit de bedoelde documenten blijkt de klagt, dat er schier geen bisschop was, die niet beschuldigd kon worden van berispelijke oogluiking ten gevalle van de slaven, en dat de slaven bewust waren van dien geest van bescherming en steeds gereed stonden hunne ketenen af te werpen en eene toevlugt te zoeken in den boezem der Kerk.”
Het is onnoodig over dit onderwerp verder uit te weiden. Het is zoo duidelijk, werwaarts zulk een streven zich rigt, als waarheen de Amerikaansche geestelijkheid in de zuidelijke Staten streeft. Wij verwonderen ons niet, dat bij den weg, die aan den eenen kant ingeslagen werd, het aantal slaven allengs verminderde, tot dat er in het nieuwere Europa geene meer gevonden werden. Evenmin verwondert het ons, dat bij de handelwijze, die men in het andere geval gevolgd heeft, hun getal is aangewassen, tot dat er, gelijk thans, drie millioen in Amerika zijn.
De arme slaaf! Welke Kerk is zijn vriend? Welk bedehuis is hem eene vrijplaats? Welke heilige mannen staan op om hunne afkeuring uit te spreken over de booze wet, die hem een wettig huwelijk ontzegt? Welke vrome bisschoppen wenden zich tot de slaven-karavanen, om mannen, vrouwen en kinderen in vrijheid te stellen? In welke Kerken hoort men vurige vermaningen om rampzalige gevangenen los te koopen? Wanneer zijn kerksieraden verkocht en de avondmaals-bekers gesmolten, om slaven te bevrijden? Waar zijn de van Jezus’ liefde bezielde herders, die zich-zelven in slavernij begeven hebben, om gescheidene gezinnen te hereenigen? Waar zijndie klagten der wereld, eene eerekroon voor de betrokkenen, dat de Kerk altijd aan de zijde is van de verdrukten? Dat de slaven het kloppen van haar edelmoedig hart hooren, en reikhalzen, om zich in hare armen te werpen? Broedermin, heilig menschelijk gevoel, liefde van Jezus,—waar zijt gij? Zijt ge voor eeuwig heengevloden?