Hoofdstuk VI.Geschiedenis der Edmondsons.Milly Edmondson is eene bejaarde vrouw, van diep in de zeventig. Zij heeft het slaven-erfdeel van volslagen onwetendheid ontvangen. Zij kan geen brief of boek lezen, noch haar eigen naam zetten; maar de schrijfster moet bekennen, dat zij nooit zoo getroffen is geworden door eenige voorstelling van de Christelijke godsdienst, als door die haar gedaan werd in de taal en met het voorkomen dezer vrouw tijdens de weinige keeren dat zij haar ontmoette. De bijzonderheden dezer ontmoetingen zullen in den loop van het verhaal aan het licht gebragt worden.Milly is iets meer dan van middelmatige grootte, en breed en gezet van omvang. Zij gaat met de grootste zorgvuldigheid, tot op netheid af, gekleed. Een eenvoudige Methodistische halsdoek is haar dwars over de borst gespeld. Een goed onderhouden stoffen japon en helder wit voorschoot, met een witten zakdoek op zijde er aan vastgehecht, voltooit den inventaris van het costuum waarin de schrijfster haar gewoonlijk zag. Zij is eene mulattin en moet eens zeer schoon zijn geweest. Hare oogen en glimlach zijn nog ongemeen schoon, maar er liggen diepe voren van geduldige lijdenssmart en afmattende lijdzaamheid op haar gelaat, die verraden dat deze beminnelijke en edelaardige vrouw haar leven lang slavin is geweest.Milly Edmondson werd door hare eigenaars in dienst gehouden en het was haar vergund bij haar man te wonen, onder uitdrukkelijk beding en voorwaarde, dat hare dienst en waarde bestaan zou in het opkweeken harer eigene kinderen, om deze op de slavenmarkt te doen verkoopen. Hare wettige eigenares was eene ongehuwde dame van bekrompen geestvermogens, die door een vonnis van de regtbank voor onbekwaam was verklaard om hare eigene zaken te besturen.De bezitting—dat wil zeggen Milly Edmondson en hare kinderen—was aan de zorg van een voogd toevertrouwd. Het schijnt, dat Milly’s arme, zwakke meesteres zeer veel van haar hield en dat Milly vrij wat overwigt op haar bezat,zoo als een krachtige geest meestal eene magt over een zwakkeren uitoefent. Milly’s echtgenoot, Paul Edmondson, was een vrij man. Wij zullen nu een weinig van hare geschiedenis, zoo als zij die aan de schrijfster mededeelde, met hare eigene woorden laten volgen.„Hare meesteres,” zeide zij, „was altijd vriendelijk jegens haar, het arme schepsel!” maar zij had geen moed om voor haar-zelve te spreken, en hare vrienden wilden niet dat zij haar eigen weg ging. „Het lag mij altijd op het hart,” zeide zij, „dat ik eene slavin was. Toen ik even veertien jaar oud was, was Missis op zekeren dag met iets bezig, dat zij meende mij niet te kunnen toevertrouwen, en zeide zij tot mij: „Milly, nu ziet gij dat ik slavin ben en gij niet.” Ik antwoordde haar, „Ach, Missis! ik ben met dat al toch maar eene arme slavin.” Ik was later bedroefd, dat ik dit gezegd had, want het kwam mij voor dat het haar gevoel scheen te kwetsen.„Toen ik een poos later met Paul verbonden werd, hield ik zeer veel van Paul; maar ik dacht, dat het niet goed was kinderen ter wereld te brengen om slaven te zijn, en ik zeide tot de onzen, dat ik nooit zou trouwen, schoon ik veel van Paul hield. Maar dat werd mij niet veroorloofd,” zeide zij met een geheimzinnig voorkomen.„Wat bedoelt gij?” vroeg ik.„Wel, zij zeiden mij dat ik moest trouwen, of dat ik anders buiten de kerk zou worden gesloten,—dat was het;” voegde zij er met een beteekenisvollen knik met het hoofd bij. „Nu dan, Paul en ik, wij trouwden, en wij waren gelukkig genoeg, als het daarom niet geweest was; maar toen ons eerste kind geboren was, zeide ik tot hem: „Daar hebt gij ’t nu, Paul; onze ellende heeft een aanvang genomen; dit kind is ons kind niet.” En met ieder kind dat ik kreeg, werd het hoe langer hoe erger. „O, Paul!” zeide ik, „wat is het toch een vreeselijk ding kinderen te hebben, die niet de onze zijn!” Paul zeide tot mij: „Mijn beste Milly, als het kinderen van God zijn, doet het er weinig toe of zij al of niet zijn van ons; zij kunnen daarom toch erfgenamen van het Koningrijk zijn, Milly.”Wel, toen Paul’s meesteres stierf, gaf zij hem de vrijheid, en hij kreeg voor zich een klein plaatsje, omstreeks veertien mijlenvan Washington; en zij lieten mij daar met hem wonen, en ik nam mijn werk meê naar huis; want zij stelden dat vertrouwen in mij, daar zij altijd wisten, dat, wat ik zeide te zullen doen, even goed gedaan was alsof zij het hadden zien doen. Ik had doorgaans naaiwerk: soms een geheel hemd op een dag te maken—gij weet het was grof,—of een paar lakens of iets van dien aard; maar wat het ook was, ik kreeg het altijd gedaan. Dan had ik nog al mijn huiswerk te doen en voor de kleinen te zorgen; en dikwijls heb ik na tienen, de kleederen van mijne kinderen genomen en ze gewasschen en gestreken laat in den nacht, omdat ik niet dulden kon dat mijne kinderen er slordig uitzagen,—altijd wilde ik dat ze helder en schoon voor den dag kwamen, en ik bragt hen groot en leerde hen zoo goed ik maar kon. Maar niemand kan nagaan wat ik leed; ik zag nooit een blanke op de plaats komen of ik dacht: kijk, die komt om naar mijne kinderen te zien; en wanneer ik een blanke voorbij zag gaan, heb ik mijne kinderen naar binnen geroepen en ze weggestopt, uit vrees dat hij ze zou zien en willen koopen. O mevrouw, ik heb zoo veel, o zoo veel uitgestaan! Ik heb dit zware kruis jaren lang gedragen!”„Maar,” zeide ik, „de Heer is met u geweest.”Zij antwoordde met grooten nadruk: „Mevrouw, als de Heer mij niet ondersteund had, zou ik op dit oogenblik niet meer in leven zijn. O, mijn hart is dikwijls zoo bezwaard geweest, dat het scheen alsof ikmoeststerven; en dan heb ik mij voor den troon der genade geworpen, en als ik daarvoor geheel mijn hart had uitgestort, brak er hetlichtin door, en gevoelde ik, dat ik nog een beetje langer leven kon!”Dit zijn hare eigene woorden. Zij had dikwijls eene krachtige en bijzonder fraaije manier om zich uit te drukken, waardoor alles wat zij zeide een sterken indruk naliet.Paul en Milly Edmondson bezochten beide getrouw de Methodische Bisschoppelijke kerk te Washington, en allen die hen kenden getuigen eenparig van hen, dat zij een vlekkeloos leven leidden en innig godsdienstig waren. In hunne eenvoudige hut, door netheid en orde opgeluisterd, en des morgens en avonds door het gebed geheiligd, bragten zij, naar hun beste vermogen hunne kinderen op, in de kennis en vereering van den Heer, om op de slavenmarkt verkocht te worden.Zij achtten zich slechts al te gelukkig, als het een na het ander den ouderdom bereikte om verkocht te worden, dat zij aan familiën in de nabijheid verhuurd werden, en niet in handen vielen van den handelaar, om naar de zuidelijke markt gedreven te worden.De moeder, die met gestadigen maar onderdrukten angst den bitteren last der slavernij, die op haar lag, gevoelde, was gewoon om, zoo als zij aan de schrijfster verhaalde, hare dochters op deze wijze te waarschuwen:„Nu, meisjes, zorgt dat gij nooit de smart kent die ik lijd. Trouwt nooit voor dat gij in vrijheid zijt. Trouwt nooit om moeders te worden vankinderen die de uwe niet zijn.”Als een gevolg van deze opvoeding, bragten enkele van hare oudste dochters, in vereeniging met de jonge mannen, waarmede zij verbonden waren, de noodige gelden bijeen om zich vrij te koopen eer zij gehuwd waren. Eene dezer jonge vrouwen was, op het oogenblik dat zij het geld voor hare vrijheid betaalde, van zulk een zwakke gezondheid, dat de doctor haar zeide, dat ze nog maar enkele maanden te leven had, en ried haar aan, haar geld te behouden en het aan te wenden om het zich zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Zij antwoordde:„Al had ik nog maar twee uren te leven, zou ik het betalen om vrij te sterven.”Indien dit een buitensporige waarde aan vrijheid hechten was, zoo behoeft dit toch daarom door geen Amerikaan gezegd te worden.Al de zonen en dochteren van dit gezin onderscheidden zich zoo wel door hunne ligchamelijke als zedelijke ontwikkeling, en golden dus buitengemeen hoog op de markt. De geheele familie, berekend naar de marktprijzen die er voor enkele leden van besteed waren, kon op eene waarde van 15,000 dollars geschat worden. Zij kenmerkten zich door verstand, eerlijkheid en getrouwheid, maar bovenal door eene innige gehechtheid aan elkander. Deze kinderen, zoo vol bevatting, werden alle als slaven gehouden in de stad Washington, de hoofdstad waar ons nationaal bestuur is gevestigd. De hooge waarde die hunne eigene moeder hen in de vrijheid leerde stellen, moest natuurlijk aangewakkerd en versterkt worden door allerhande aanspraken, plegtigheden en redevoeringen, die,gelijk bekend is, gedurig bij deze en gene gelegenheid in onze nationale hoofdstad gehouden worden.Op den 13den April kwam de kleine schoenerde Parel, onder bevel van Daniel Drayton, in de Potomak-rivier te Washington voor anker.De tijding van eene omwenteling in Frankrijk, en de vestiging eener democratische regering was juist aangekomen en geheel Washington was in rep en roer om de zegepraal der Vrijheid te vieren.Tusschen de boomen in de allée waren fantastische veelkleurige lantaarnen gehangen; de trommels werden geroerd, de muziekcorpsen lieten zich hooren, de woningen van den President en andere hooge staatsbeambten waren verlicht, en mannen, vrouwen en kinderen waren allen op de been om den optogt te zien en deel te nemen aan het gejubel der vrijheid, waar de lucht van weergalmde. Al de slaven van de stad, levendig, fantastisch, gevoelig en ligt opgewonden als ze zijn door muziek en verblindende schouwspelen, luisterden, keken en verlustigden zich natuurlijk overal vol onwetende blijdschap. Al de hoofden van de departementen, senatoren, vertegenwoordigers en grootwaardigheidbekleeders van allerhanden aard, togen in optogt naar een opengebleven plek vanPennsylvaniaAvenue, en hielden daar toespraken vol gelukwenschingen over den voortgang der algemeene vrijheid. Met ongehoorde onvoorzigtigheid ontboezemden daar de krachtigste verdedigers van de instelling der slavernij voor de luisterende menigte, zoowel zwarten als blanken, lijfeigenen als vrijen, de oproerigste en meest ophitsende gevoelens. Zulke bij voorbeeld, als de volgende taal van den honorable Frederik P. Stanton van Tennessee:„Wij planten inderdaad onze beginselen niet voort door middel van het zwaard; maar in éénen zin zijn wij propagandisten. Het is niet onze schuld, dat wij zoo bestaan. Ons voorbeeld is besmettelijk. In de afdeeling van dit groote land, waar ik woon, aan de oevers van den magtigen Mississippi, bezitten wij het ware zinnebeeld van den boom der vrijheid. Daar ziet gij hoe het reusachtige katoenbosch zijne takken naar al de hemelstreken uitspreidt. Somtijds woelt de stroom zijne wortels bloot, en gij ziet hoe hij zever in de rondte uitstrekt en ze tot eene onmetelijke diepte in den grond laat binnendringen. Wanneer de tijd der rijpheid gekomen is, is de lucht met vezelen vervuld, die naar iedere rigting henenstuiven, en op hare ligte wieken de levende zaden van den magtigen boom met zich voeren. Aldus zijn de zaden der vrijheid uit den boom onzer vrijheden voortgesproten; zij vervullen de lucht; zij zijn naar alle deelen van den bewoonden aardbodem verspreid; en zelfs zijn zij bestemd om in de barre zandwoestijnen der dwingelandij wortel te schieten. De boom der vrijheid zal alom opwassen en de volkeren zullen zich in zijne schaduw ter ruste leggen.”Senator Foote, van Mississippi, gebruikte eveneens de volgende woorden:„Zoodanig is de buitengewone loop der gebeurtenissen in Frankrijk en Europa, gedurende de beide laatste maanden geweest, dat, hoe oplettender wij het tooneel overzien, hetwelk zich voor onze blikken uitbreidt, en hoe strenger wij het gedrag van de acteurs die er optreden onderzoeken, des te vaster onze overtuiging gegrondvest wordt, dat het niet falen kan of hetroemvolle werk, hetwelk zoo heerlijk is aangevangen, moet even heerlijk voleindigd worden; dat de tijd derDWINGELANDEN EN DER SLAVERNIJhaastig ten einde spoedt; en dat het gelukkige tijdperk, hetwelk door dealgemeene bevrijding der menschenuit deketens der burgerlijke verdrukking, en de erkenningin alle landenvan de groote beginselen dervolks-souvereiniteit, gelijkheid enBROEDERSCHAP, gekenmerkt wordt, blijkbaar is aangebroken.”Kan het iemand na dit alles verwonderen, dat zeven en zeventig der verstandigste jonge slaven, zoo mannen als vrouwen, in de stad Washington, den heer Foote en zijne medesenatoren eerlijk bij hun woord houdende, en geloovende dat de tijd van dwingelandij en slavernij ten einde spoedde, zich vereenigden en eene poging aanwendden om hun deel te erlangen in dit rijk van algemeene broederschap?De schoenerde Parellag in de haven en men bevond, dat kapitein Drayton een menschelijk hart bezat. Misschien hadook hij de redevoeringen inPennsylvaniaAvenue aangehoord en in de onschuld van zijn hart geloofd, dat iemand, die werkelijk ietsdeedom algemeene gelijkheid te bevorderen, niet slechter was dan zij die er enkel redevoeringen over hielden.Drayton was er toe overgehaald om dezen zeven en zeventig slaven te vergunnen, zich in het ruim van zijn vaartuig te verbergen, en onder deze bevonden zich zes kinderen van Paul en Milly Edmondson.Wat er verder geschiedde zal nu worden medegedeeld volgens het verhaal van Mary en Emily Edmondson, door de dame bij wier familie de schrijfster haar ter opvoeding geplaatst had.Eenige voorafgaande inlichtingen zullen echter noodig zijn tot goed begrip van het verhaal.Een achtingswaardige kleurling, Daniel Bell genaamd, die zich-zelf had vrij gekocht, woonde te Washington. Zijne vrouw en hare acht kinderen waren door haar meester op zijn doodbed in vrijheid gesteld. De erfgenamen trachtten het testament te verbreken, op grond dat hij, op het oogenblik toen het gemaakt werd, niet bij zijn volle verstand was. De overheidspersoon, voor wien het was verleden, was echter door zijne persoonlijke bekendheid met den toestand van den man op dat tijdstip, in staat hun voornemen te verijdelen; het huisgezin leefde dus eenige jaren in volkomene vrijheid. Bij den dood van dezen overheidspersoon, bragten de erfgenamen de zaak op nieuw voor het geregtshof, en daar het scheen dat de zaak ten nadeele van het gezin zou worden uitgewezen, zoo besloten zij, zich van hun wettig regt te verzekeren door de vlugt, en bestelden plaatsen aan boord van kapitein Drayton’s vaartuig. Een aantal hunner makkers en vrienden, waarschijnlijk aangespoord door de plaats gehad hebbende demonstratiën ten voordeele der vrijheid, vroegen verlof hen op hunne vlugt te vergezellen. De zaden van het katoenbosch verspreidden zich overal, en ontloken in aller harten; zoodat in den aan gebeurtenissen rijken avond van den 15den April 1848, niet minder dan zeven en zeventig mannen, vrouwen en kinderen met kloppende harten, en in het diepste geheim, zich verscholen in het ruim van den kleinen schoener, en kapitein Drayton was zoo goddeloos, dat hij, al ware er zijn leven meê gemoeid, tot niemand hunner „neen” kon zeggen.Richard Edmondson had reeds lang getracht zich vrij te koopen; had er van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat voor gearbeid, maar de daarvoor gestelde prijs was zoo hoog, dat hij wanhoopte dien ooit te zullen verwerven. Dezen avond meenden hij en zijne drie broeders, dat, als het rijk van algemeene broederschap aangevangen, en dat der tirannen en der slavernij geëindigd was, zij voor zich en hunne zusters dat heilige geschenk der vrijheid konden aannemen, waarvan aan geheel Washington, twee avonden te voren, was verkondigd, dat het de bijzondere bestemming van Amerika was, het aan alle natiën te verschaffen. Hunne beide zusters, zestien en veertien jaar oud, waren aan familiën in de stad verhuurd. Dezen avond begaf zich Samuel Edmondson naar het huis waar Emily woonde, en deelde haar het voorgenomen plan mede.„Maar wat zal moeder wel denken?” zeide Emily.„Houd u niet op met aan haar te denken; zij zal veel liever zien dat wij vrij zijn, dan dat wij tijd verspillen met er haar over te spreken.”„Nu dan, als Mary wil, wil ik ook.”De meisjes geven als eene reden van haar verlangen om te vlugten, op, dat, ofschoon zij nooit mishandelingen ondergaan hadden of onvriendelijk behandeld waren, het haar echter bekend was, dat zij den een of anderen dag tot harde slavernij konden verkocht en gescheiden worden van al wat haar lief was.Zij begaven zich dus allen aan boord vande Parel, die op eenigen afstand van de plaats, waar de schepen gewoonlijk aanleggen, geankerd lag. Daar troffen zij een gezelschap van slaven, zeven en zeventig in getal, aan. ’s Nachts ten twaalf ure werden de zeilen van den kleinen schoener in stilte geheschen en gleed het vaartuig, met zijne vreesachtige en geheimzinnige vracht, den stroom af. Eene frissche koelte verhief zich en ten elf ure van den volgenden nacht, was men twee honderd mijlen ver van Washington verwijderd en begon men te gelooven dat men de vrijheid verkregen had.Zij ankerden in een plaats, Cornfield-Harbour geheeten, met het voornemen, om het aanbreken van den morgen af te wachten. Allen lagen vredig en wel te rusten, door het geschommel van het vaartuig en het gekabbel van het water, in slaap gewiegd.Maar ’s nachts ten twee ure werden zij gewekt door een geweldig geschermutsel, geschreeuw, gevloek en gesteun op het dek. Een stoomboot was hen nagezonden en had hen ingehaald, en de kleine schoener was door een woedenden hoop gewapenden aan boord geklampt.In één oogenblik waren de kapitein, de stuurman en al het volk gegrepen en gekneveld, onder de vreeselijkste vloeken en bedreigingen. Toen zij, razende en vloekende de luiken van de weêrlooze gevangenen beneden openrukten, trad Richard Edmondson naar voren, en sprak hun op een bedaarden toon toe: „Mijne heeren, maakt geen ongelukken; wij zijn allen hier.” Allen onder de slaven, uitgezonderd deze, waren zoo stil als de wanhoop hen maar maken kon; er werd door niemand hunner een enkel woord geuit. De mannen werden allen gebonden en op het stoomschip overgebragt, de vrouwen werden aan boord van den schoener gelaten, die op sleeptouw werd genomen.De aanleiding tot hunne gevangenneming werd op de volgende wijze verklaard.—Den morgen nadat zij waren uitgezeild, misten een aantal familiën in Washington hunne slaven, en dit voorval verwekte niet minder opschudding, dan twee dagen vroeger de bevrijding van Frankrijk had te weeg gebragt. Dien tijd hadden zij op de vriendelijkste wijze geluisterd naar de verdediging, dat het rijk der slavernij ten einde spoedde, omdat zij niet het geringste denkbeeld hadden, dat die taal iets te beteekenen had; en zij waren ten sterkste getroffen door de practische toepassing er van. Over de honderd mannen stegen te paard, om in den omtrek deze nieuwe leerlingen van het leerstelsel der algemeene emancipatie na te zetten. Maar een kleurling, Judson Diggs geheeten, verried den geheelen aanleg. Hij was toornig geworden, omdat, toen hij eene arme vrouw met haar goed naar de boot had gebragt, zij niet in staat was geweest hem de vijf en twintig centen te betalen, die hij geëischt had. Daarom verhaalde hij deze bewonderaars van algemeene broederschap, dat zij niet naar buiten behoefden te rijden, daar hunne slaven de rivier waren afgezakt, en op dit oogenblik toch ver genoeg waren. Terstond werd een stoomboot met twee honderd soldaten bemand en uitgezonden om hen na te zetten.Toen het schip met de gevangen slaven aan wal kwam, greep er eene geweldige opschudding in de stad plaats. De mannen werden, twee aan twee gebonden, door de stad gedreven. Van alle kanten werden zij bespot, beschimpt en uitgejouwd. Iemand vroeg aan een van de meisjes: „of zij het niet prettig vond om gevat te worden als zij was weggeloopen?” en een ander vroeg haar: „of het haar niet speet?” Zij antwoordde: „Neen, als ik het morgen weêr doen kon, zou ik hetzelfde doen.” De man keerde zich tot een der omstanders en zeide: „Heeft ze geen courage?”Maar het meest was men op Drayton en Sayres gebeten, den kapitein en den stuurman van het vaartuig. Booswichten met dolken en pistolen gewapend, schoolden rondom hen bijeen en braakten de hevigste bedreigingen uit. Een van hen drong zoo digt bij Drayton, dat hij hem in het oor sneed, hetwelk Emily zag dat bloedde. Intusschen mengden zich onder de menigte een aantal betrekkingen der gevangenen, die, daar zij hen als zoo vele veroordeelde slagtoffers beschouwden, over hen weenden en jammerden. Een schoonbroeder der Edmondsons werd zoo van smart overweldigd toen hij ze ontwaarde, dat hij op de straat in zwijm viel en bewusteloos naar huis werd gedragen. Het droevige nieuws drong tot de hut van Paul en Milly Edmondson door, en wetende dat al hunne kinderen nu waarschijnlijk voor de zuidelijke markt zouden bestemd worden, lieten zij den vrijen teugel aan hunne smart. „O, welk een dag was dat!” zeide de oude moeder, toen zij dat tooneel voor de schrijfster beschreef. „Ik kon geen enkele bete meer over mijne lippen brengen. Paul en ik, wij vastten en riepen den Heer nacht en dag aan, om den wille onzer arme kinderen!”De algemeene opinie van de stad sloeg tot de innigste verontwaardiging over. Het ging van mond tot mond, dat zij zacht waren behandeld en nooit eene mishandeling ondergaan hadden; en wat kon er hen toe gebragt hebben, om te trachten hunne vrijheid te erlangen? Alles wat de heer Stanton gezegd had van den langzaam voortgaanden invloed dor Amerikaansche instellingen en al zijne aardige vergelijkingen van de zaden der katoenbosschen, schenen geheel en al aan het geheugen der burgers ontsnapt te zijn, en zij konden in de poging van dit volk om zich te bevrijden, niets anders dande verregaandste snoodheid zien. Een aantal raadde hunne eigenaren aan dat zij hun geen vergiffenis schenken zouden—dat er geen genade moest bewezen worden, maar dat zij op staanden voet moesten worden overgegeven in handen der handelaars, om naar de zuidelijke markt te worden gebragt—dat Siberië der onverantwoordelijke dwingelanden van Amerika. Toen al de gevangenen in de gevangenis waren geworpen, kwamen de eigenaars derwaarts, om onder eede te verklaren dat zijn hun eigendom waren, en de eigendom werd ook opgeroepen om onder eede te verklaren, wie hunne meesters waren. Met hen kwamen ook de gehuwde zusters van Mary en Emily; maar het werd haar niet toegestaan een voet in de gevangenis te zetten. De meisjes gluurden door de ijzeren traliën der vensters van de derde verdieping en zagen hare zusters beneden, die op de plaats stonden te weenen.De voogd der Edmondsons, die voor den wettigen eigenaar optrad, oogenschijnlijk door hunne smart getroffen, beloofde hunne familie en vrienden, die, zoo mogelijk, hen wenschten te koopen, dat zij den volgenden morgen daartoe gelegenheid zouden hebben. Misschien was hij op dat oogenblik voornemens ze hem te geven; maar, toen Bruin en Hill, de houders van het groote slavenkoophuis in Alexandria, hen vier duizend vijf honderd dollars voor de zes kinderen boden, waren zij onherroepelijk vóór den volgenden morgen verkocht. Bruin wilde naar geene voorslagen hooren, door eenige hunner vrienden gedaan. De dame, bij wie Mary gewoond had, bood duizend dollars voor haar, maar Bruin sloeg het aanbod af, zeggende: dat hij het dubbel van die som op de markt van New-Orleans van haar maken kon. Hij zeide, dat hij al twaalf jaar lang het oog op die familie gehad had, en beloofd had ze te zullen koopen, als ze maar te koop kwamen.Terwijl de meisjes in de gevangenis waren, hadden zij bedden noch stoelen, en slechts ieder een deken, schoon de nachten verstijvend waren; maar vernemende dat de vertrekken beneden, waar hare broeders waren opgesloten, nog kouder waren, en dat men hun daar geen dekens gegeven had, zonden zij er de hare heen. Des morgens werd het haar vergund eenige oogenblikken op de plaats te wandelen, en van dat oogenblik maakten zij gebruik om naar het venstervan het vertrek harer broeders te snellen, hun goeden morgen te wenschen en door de traliën heen te kussen.Donderdag avond ten tien ure deed men hare broeders handboeijen aan, en werden zij met hunne zusters door hunne nieuwe eigenaars op wagens geplaatst, naar Alexandria vervoerd en in eene gevangenis, een „Georgia Pen” genaamd, geworpen. De meisjes werden alleen in een groot vertrek gelaten, waar eene volslagene duisternis heerschte, zonder bed of deken, waar zij den nacht weenende en zuchtende doorbragten, in volslagene onbekendheid met het lot harer broeders. ’s Morgens ten acht ure werden zij geroepen om te ontbijten, toen zij tot hare groote vertroosting ontdekten, dat hare vier broeders met haar in deze zelfde gevangenis waren opgesloten.Hier bleven zij ongeveer vier weken, terwijl het haar doorgaans vergund werd over dag bij hare broeders te verblijven en des nachts naar haar eigen vertrek terug te keeren. Hare broeders waren ten hoogste bezorgd over haar, daar zij bevreesd waren, dat zij in het Zuiden zouden worden verkocht. Samuel vooral was zeer neêrgedrukt, daar hij de hoofdbewerker van haar ongeluk was. Hij zeide menigmalen, dat hij met blijdschap voor haar wilde sterven, als dit haar redden kon van het lot, dat hij duchtte. Hij weende bijna den ganschen tijd, schoon hij in hare tegenwoordigheid zijne tranen zocht te bedwingen.Inmiddels werden zij in de gevangenis gebezigd om voor dertien man te wasschen, ofschoon hare broeders een groot deel van haar werk op zich namen. Eer zij de gevangenis verlieten, werden zij gemeten en hun signalement opgemaakt door hunne eigenaars. Eindelijk werden zij naar buiten gebragt, den broeders de handboeijen aangedaan, en alle aan boord van een stoomboot gebragt, waarop zich ongeveer veertig slaven, meest mannen, bevonden, die naar Baltimore werden vervoerd. De reis duurde een etmaal. Toen zij te Baltimore aankwamen, werden zij in een slaven-schuthok geworpen dat aan een compagnon van Bruin en Hill toebehoorde. Hij was een ruwe, lompe kerel, die gewoonlijk de goddeloosste taal uitsloeg, en verschrikkelijk gemeen en beleedigend in zijne aanmerkingen omtrent vrouwen was. Hier werd het hun verboden met elkander te bidden, zooals zij tot nutoe waren gewoon geweest. Maar door des morgens zeer vroeg op te staan, maakten zij zich een oogenblik ten nutte, waarin zij hunne gewoonte ongestoord konden opvolgen. Zij, en vier of vijf andere vrouwen, in de gevangenis, kwamen voor het aanbreken van den dag bij elkander om hare harten uit te storten voor de Toevlugt van iederen bedrukte van ziel; en in deze gebeden gedacht men de hardvochtige slavenhandelaars iederen dag. De broeders van Mary en Emily gedroegen zich zeer lief en hartelijk jegens hunne zusters, hetgeen een grooten invloed uitoefende op de andere mannen die met hen waren.In deze plaats werden zij bekend met Tante Rachel, eene zeer godvreezende vrouw van middelbaren leeftijd, die men van haar man gescheiden, verkocht en in de gevangenis geworpen had. Haar echtgenoot kwam menigmalen naar de gevangenis en den handelaar smeeken haar aanzijnemeesters te verkoopen, die hij meende dat genegen waren haar te koopen, als de prijs niet al te hoog was. Maar hij werd met vreeselijke bedreigingen en vloeken weggejaagd. Zij bleven ongeveer drie weken in Baltimore.De vrienden in Washington, ofschoon tot nog toe niet geslaagd in hunne pogingen om het gezin te bevrijden, waren nog altijd ten hunnen behoeve werkzaam; en op zekeren avond werd er een berigt met de telegraaf overgebragt, inhoudende, dat den volgenden morgen met den spoortrein iemand zou komen om een bod te doen voor het gezin en dat een gedeelte van het geld gereed lag. Maar de handelaar was onverbiddelijk; en den volgenden morgen, één uur vóór de aankomst van den trein, werden zij allen ingescheept aan boord van de brikde Unie, die onder zeil lag naar New-Orleans. De bode kwam en bragt negen honderd dollars in klinkende specie mede, het geschenk van een kleinzoon van John Jacob Astor. Deze som was bepaaldelijk bestemd voor den aankoop van Richard Edmondson, daar zijne vrouw en kinderen in Washington ziek lagen; en de handelaar wilde de meisjes op geenerhande voorwaarde verkoopen, ja wilde zelfs niet dulden, dat Richard van de brik werd teruggebragt, die nog voor anker lag. De koop was evenwel gesloten en het geld in Baltimore gedeponeerd.Op deze brik werden de elf vrouwen in een zeer eng verblijfgeplaatst en de dertig of veertig mannen in een daaraan grenzend. Emily was gedurende den geheelen overtogt geweldig zeeziek en hare broeders vreesden dat zij bezwijken zou. Zij droegen haar gewoonlijk naar boven en naar onder, kochten eenige kleine versnaperingen voor hare zusters en droegen alle mogelijke zorg voor haar.Aanhoudende tegenwinden voerden hen gedurig terug; en in hunne bijeenkomsten tot het gebed, die zij iederen avond hielden, waren zij gewoon te bidden, dat de tegenwinden hen naar New-York mogten wederbrengen, en een van de matrozen verklaarde, dat indien zij tot op honderd mijlen afstands van New-York konden komen, en de slaven hen wilden bijstaan, hij den kapitein van kant zou maken, en hen in New-York-zelve binnen brengen.Toen zij digt bij Key West kwamen, seinden zij om een loods, daar de kapitein bevreesd was voor de blinde klippen van die plaats en hij niet wist hoe ze te ontkomen. Toen de loodsboot naderde, werden al de slaven beneden opgesloten en een zwaar zeildoek over het groote luik gespannen, waardoor zij van alle lucht verstoken werden, en bijna stikten. De kapitein en de loods onderhandelden een geruimen tijd over den prijs en er volgde eenig krakeel, daar de kapitein ongeneigd was de door den loods gevraagde som te geven; gedurende al dien tijd was het lijden beneden ondragelijk. De vrouwen geraakten zoo uitgeput, dat zij meest allen buiten kennis waren, en de toestand der mannen was niet veel beter, schoon zij beproefden met een stuk hout eenige gaten aan hunnen kant in het zeildoek te maken, ten einde eenige lucht in te laten, maar slechts een paar van de sterksten mogt het gelukken hierin te slagen. Eenigen hunner schreeuwden om hulp zoo lang hunne krachten het toelieten; en eindelijk, na hetgeen hun een schier eindelooze zamenkomst toescheen, vertrok de loods, die weigerde hen bij te staan; het zeildoek werd weggenomen, en de brik verpligt te wenden en een anderen koers te nemen. Daarop kroop de een na den ander, toen hij weder was bijgekomen en genoegzame kracht had, op het dek. Mary en Emily werden door hare broeders zoo spoedig zij daartoe maar in staat waren, naar boven gedragen.Kort hierop begon de voorraad van levensmiddelen te verminderen,en kwam er gebrek aan water, zoodat de slaven op rantsoen van een maatje daags werden gesteld. De matrozen kregen ieder een kwart en gaven dikwijls een pint er van aan de Edmondsons voor hunne zusters, die het met de andere vrouwen deelden, zoo als zij altijd met iedere kleinigheid deden, welke zij op dergelijke wijze ontvingen.Den dag toen zij aan den mond van den Mississippi kwamen, stak er een geweldige storm op en verhieven zich de golven bergenhoog, zoodat, toen de loodsboot naderde, het nu en dan was of zij door den afgrond verzwolgen en dan weder opgeworpen werd om op nieuw door de diepte verslonden te worden. Eindelijk werden zij in en op de rivier door eene stoomboot geboegseerd en zagen daar voor het eerst katoenplantages, waarin geheele troepen slaven aan den arbeid waren.Zij kwamen in den nacht te New-Orleans aan, en omstreeks tien ure van den volgenden morgen werden zij ontscheept en moesten zij zich naar de zoogenaamde uitstalkamers begeven; op de plaats komende, vonden zij daar een aantal mannen en vrouwen in de rondte zitten met zulke droevige gezigten, dat Emily weldra begon te schreijen, waarop een opzigter haar te gemoet trad en haar onder de kin streek en haar verzocht „met huilen op te houden, of dat hij haar anders iets geven zou waarom zij huilen kon.” Vervolgens haar naar iets heen wijzende, zeide hij „dat daar de Calaboos was, waar diegenen die zich niet goed gedroegen gegeeseld werden.” Niet zoo ras was hij verdwenen of een slavin kwam naar haar toe en ried haar een vrolijk gezigt te zetten, als zij het maar eenigzins kon, daar dit verre weg het beste voor haar zijn zou. Spoedig kwam een van hare broeders haar vragen wat de vrouw haar gezegd had, en toen zij het hem had verhaald, ried hij Emily aan, haren raad op te volgen, en wenschte hij er zelf voordeel mede te doen.Dien eigen avond werd het hair der vier broeders kort geknipt, hunne knevels afgeschoren, en hunne gewone kleeding verwisseld met een blaauwe buis en broek, door al hetwelk zij zulk eene verandering ondergingen, dat hunne zusters hen op dat gezigt niet herkenden. Daarop werden zij drie achtereenvolgende dagen genoodzaakt zich in een open portaal voor aan de straat te vertoonen, om door de voorbijgangers teworden opgemerkt; uitgenomen als er een afgemat was, wanneer zij voor een poosje naar binnen mogten gaan, en een ander hunne plaats innemen. Wanneer er echter koopers kwamen, werd zij in de verkoopzaal op rijen ten toon gesteld en aan ruwe scherts en schimp prijs gegeven. Als iemand gading had in een of ander meisje uit den hoop, riep hij haar tot zich, pakte hij haar beet, deed haar mond open, bezag hare tanden en betastte haar op eene ruwe wijze, terwijl hij over het algemeen smerige aanmerkingen maakte; en zij moest ze aanhooren en verduren zonder den minsten tegenstand. Mary en Emily beklaagden zich bij hare broeders, dat zij zich aan zulk eene behandeling niet konden onderwerpen. Zij spraken er met Wilson over, een der compagnons van Bruin en Hill, die met het opzigt over de slaven in deze gevangenis belast waren. Zij werden hierop met meer kieschheid behandeld.Een ander broeder der meisjes, Hamilton genaamd, was slaaf geweest in of bij New Orleans en had zich juist voor duizend dollars vrijgekocht; dat geld had hij reeds vroeger eens voor zich verdiend, maar men had het hem toen afgenomen. Daar Richard nu werkelijk vrij was dewijl het losgeld voor hem in Baltimore was gedeponeerd, vond hij hem daags na hunne aankomst te New-Orleans uit en bragt hem naar de gevangenis om zijne broeders en zusters te bezoeken. De ontmoeting was boven alle beschrijving aandoenlijk.Hij had zijne zuster Emily vroeger nooit gezien, daar hij voor hare geboorte uit het huis zijner ouders verkocht was.In het verblijf der meisjes bevonden zich ’s nachts tusschen de twintig en dertig vrouwen, die allen op den blooten vloer sliepen, ieder slechts met een deken. Eenige dagen later kwam er tijding (dieeigenlijkonjuist was) dat de helft van het geld wasbijeengebragtom Mary en Emily vrij te koopen. Daarop werd het haar, op dringend verzoek harer broeders, vergund, naar het huis harer vrije broeders te gaan, om den nacht door te brengen, en des morgens terug te keeren, daar zij veel van de moskieten en andere insecten geleden hadden en hare voeten gezwollen en vol builen waren.Terwijl zij in deze gevangenis vertoefden, vernamen zij een aantal voorvallen van vreeselijke wreedheid, ja vielen er zelfs onder hunne oogen voor. Twee slaven, een vrouw en een jongen, werden, terwijl zij er in waren, dood gegeeseld,ofschoon zij niet in hetzelfde schuthok waren, of aan denzelfden handelaar als zij toebehoorden.Niemand van de slaven was het vergund, op den dag een oog te luiken, en somtijds werden kleine kinderen die den geheelen dag ledig zaten of stonden, zoo slaperig, dat zij hunne oogen niet konden openhouden; maar als de opzigter hen daarop betrapte, werden zij onbarmhartig geslagen. Mary en Emily hielden hen gewoonlijk in het oog, en lieten hen slapen tot dat zij de opzigters hoorden aankomen, en dan maakten zij ze wakker en deden hen in een oogenblik overeind springen.Eene jonge vrouw, die door de handelaars tot het ergste doel verkocht was, was teruggekeerd, daar zij niet gelukkig genoeg was geweest haar kooper te bevallen; en, gelijk in dergelijke gevallen de gewoonte is, werd zij zoo gruwelijk gegeeseld—dat er versterving in een gedeelte van haar vleesch ontstond, en men aan haar leven wanhoopte. Toen Mary en Emily voor het eerst te New-Orleans aankwamen, zagen en spraken zij haar. Zij was toen juist begonnen op te zitten, zag er zeer tenger en mooi uit, met fraai regt hair, dat eertijds lang was geweest, maar door hare onbeschofte pijnigers was afgesneden.De opzigter, die haar gegeeseld had, zeide, ten hunne aanhooren, dat hij een ander meisje nooit zoo geeselen zou, want het was te veel voor iemand om te zeggen. Zij veronderstelden, dat de reden waarom hij dit beloofde, daarin gelegen was, dat hij verpligt was haar op te passen en daardoor getuige was van haar lijden. Zij was van Alexandria, maar zij hadden haar naam vergeten.Een jonge man en vrouw, die met hen in de gevangenis waren, en die met elkander verbonden waren om te trouwen, en aan verschillende meesters verkocht werden, waren zoo ter neêrgeslagen bij hunne scheiding, dat zij niet goed werkten of konden werken, en de jonge man werd spoedig teruggezonden met de klagt, dat hij niet aan het doel beantwoordde. Natuurlijk moest het geld teruggegeven en hij gegeeseld worden. Hij werd veroordeeld om een week lang iederen avond te worden gegeeseld, en, nadat hij twee honderd slagen van den opzigter had ontvangen, werd ieder der mannelijke slaven die in de gevangenis waren, gedwongen om hem uit al zijne magt vijf slagen toe te brengen, op straffe van zelf te wordengegeeseld. De jonge vrouw werd eveneens teruggezonden met een briefje van hare nieuwe meesteres, waarin zij verzocht, dat haar een zeker getal slagen zou worden toegediend, en tevens het geld was gesloten, dat daarvoor stond; aan welk verzoek op staanden voet voldaan werd.Terwijl zij in New Orleans waren, zagen zij reeksen van aan elkander geketende vrouwen de straten schoonmaken, waarvan sommige een zwaren ijzeren kogel aan haar keten medesleepten; eene soort van straf, over het algemeen in zwang voor werkmeiden, die hare meesteressen mishaagd hadden.Hamilton Edmondson, de broeder die zich-zelf had vrijgekocht, wendde alle mogelijke pogingen aan om zijne broeders en zusters in New Orleans een goed huis te bezorgen, zoodat zij niet ver van elkander behoefden gescheiden te worden. Op zekeren dag nam Mr. Wilson, de opzigter, Samuel met zich mede in een rijtuig en keerde zonder hem terug. De broeders en zusters bemerkten spoedig, dat hij verkocht en de Hemel wist waarheen gegaan was; maar het was hem op straffe van zware kastijding verboden te weenen, of zelfs een droevig gezigt te vertoonen. Tot hunne groote vreugde kwam hij echter den volgenden dag bij hen in de gevangenis, en verhaalde hun, dat hij een goed huis in de stad bij een Engelschman had gekregen, die duizend dollars voor hem besteed had.Nadat zij drie weken in deze gevangenis hadden doorgebragt, deelde men de Edmondsons mede, dat door het toenemen van de gele koorts in de stad, en doordien zij nog niet geacclimateerd waren, het voor hen gevaarlijk werd om hier langer te blijven; en dat daarenboven door dit alles de koopers weinig lust hadden om hooge prijzen te besteden. Sommige slaven in het schuthok waren reeds ziek; eenige hunner oud, arm en morsig, en daardoor grootelijks vatbaar voor ziekte. Richard Edmondson was reeds vrijgekocht en moest dus worden teruggezonden, en alles wel bezien oordeelde men het best om zonder dralen een troep te maken en naar Baltimore te zenden.De Edmondsons ontvingen dit berigt met groote blijdschap, want het was hun niet onbekend gebleven dat het geld, hetwelk bijeen gebragt werd om hen vrij te koopen, al vrij wat geklommen was. Hun broeder, die in vrijheid was, voorzag hen van menig gemak voor dezen togt, zoo als een matras, dekens,lakens en allerhande soort van eet- en drinkwaren; en, door hunne vrienden naar het schip uitgeleide gedaan, werden zij juist met den avond aan boord van de brikde Unieingescheept en buiten de rivier geboegseerd. De brik had bijna een volle lading van katoen, siroop, suiker, enz. in, en derhalve was de ruimte voor de slaven al zeer beperkt. De plek, die der vrouwen was toebedeeld, was een klein, naauw, smerig vertrek, misschien acht of tien voet in het vierkant, van binnen opgepropt met katoen, dat op twee of drie voet van den zolder reikte, met uitzondering van de plek, die vlak onder het luik was. Richard Edmondson hield zijne zusters bij zich op het dek, hoewel zij daar zonder eenige beschutting waren: bereidde hun eten zelf, maakte hun bed boven op de katoenbalen, of waar hij slechts een plekje vinden kon, en legde zich dan nevens haar te slapen. Somtijds als er een storm opstak in het holle van den nacht, sprong hij op en wekte haar, en haar bed en beddegoed opnemende, geleidde hij haar naar een kleine soort van voorraadkast, waar zij juist alle drie in staan konden tot de storm over was. Somtijds wist hij hun uit stukken van planken of iets anders op het dek een tijdelijke beschutting te bezorgen.Na eene reis van zestien dagen, kwamen zij te Baltimore aan, in de zekere verwachting dat de dagen hunner slavernij waren geteld. Hier werden zij weder naar dezelfde oude gevangenis gebragt, waaruit zij eenige weken geleden genomen waren, ofschoon zij veronderstelden dat het slechts voor een uur of wat wezen zou. Mr. Bigelow, van Washington, kwam terstond om Richard. Toen de meisjes ontwaarden dat ook zij niet in vrijheid gesteld werden, was hunne smart en teleurstelling onuitsprekelijk. Maar zij werdengescheiden—Richard om naar zijn huis, zijne vrouw en kinderen te gaan, en zij om in de slavengevangenis achter te blijven. Er verliepen allerverdrietigste dagen en nachten. Des morgens waren zij genoodzaakt om de plaats op de muziek van vedels, banjoes, enz. in het rond te loopen; op den dag waschten en streken zij voor de mannelijke slaven, en versliepen of bragten het overige gedeelte met weenen door. Na eenige weken kwam haar vader haar bezoeken, vergezeld door hare zuster.Het was gedeeltelijk zijn doel om zich te vergewissen wat de laagste prijs was waarvoor hun eigenaar de meisjes zouwillen verkoopen, daar hij eene flaauwe hoop koesterde, dat op de eene of andere wijze het geld zou worden bijeen gebragt, als men er den noodigen tijd maar voor liet. De handelaar verklaarde, dat hij ze spoedig naar eene andere slavenmarkt zenden zou, maar dat hij twee weken wilde wachten en, als de vrienden in dien tijd het geld konden magtig worden, zij haar zouden hebben.Den nacht, dien haar vader en zuster met haar in de gevangenis doorbragten, lag hij in het vertrek boven haar; en zij konden hem den ganschen nacht hooren kermen; terwijl hare zuster aan hare zijde zat te weenen. Geen hunner kon dien nacht een oog luiken.Den volgenden morgen begon op nieuw de verdrietelijke routine van de slavengevangenis. De oude Paul wandelde bedaard over de plaats, en zette zich neder om de arme slaven, die daar rondliepen, te beschouwen. Hij had zijne dochters vroeger nooit in zulk een toestand gezien, en hij werd door zijn gevoel overweldigd. De plaats was niet groot, en de meisjes, als zij langs hem henen wandelden, raakten hem bijna met hare kleederen aan, en konden hem in zich-zelven hooren jammeren. „O mijne kinderen, mijne kinderen!”Na het ontbijt, hetwelk geen van haar in staat was te nuttigen, scheidden zij van elkander, terwijl de vader den handelaar smeekte, om haar naar New Orleans te zenden, als het geld niet kon worden bijeengebragt, dewijl hare broeders haar daar misschien goede meesters konden bezorgen.Twee of drie weken later bezochten Bruin en Hill de gevangenis, ontbonden hunne compagnieschap met den handelaar, sloten de rekening met elkander en namen de Edmondsons op nieuw in hun bezit.De meisjes werden ’s nachts ten elf ure, toen zij pas in slaap waren geraakt, gewekt en gelast zich terstond gereed te maken om naar huis te gaan. Zij hadden geleerd, dat het woord van een slavenhouder niet te vertrouwen is, en vreesden dat zij naar Richmond of Virginia zouden gezonden worden, omdat zij daarvan hadden hooren praten. Zij waren spoedig met den spoortrein op weg met Bruin, en kwamen een weinig na middernacht te Washington aan.Hare harten klopten van vreugde, toen zij, na deze maanden-lange bittere gevangenschap, zich weder in dezelfdestad bevonden, waar hare broeders, zusters en bloedverwanten woonden. Maar het werd haar niet toegestaan iemand der haren te zien; zij werden in een rijtuig geplaatst en terstond naar de slavengevangenis van Alexandria overgebragt, waar zij, omstreeks twee uren in den nacht, zich op nieuw in hetzelfde ellendige oude vertrek geworpen zagen, waar haar gevangenis-tijdperk een aanvang had genomen.Dit gebeurde op het einde van Augustus. Andermaal werden zij gebezigd om over dag te wasschen, te strijken en te naaijen, terwijl zij des nachts werden opgesloten. Nu en dan werd het haar toegestaan in het huis van Bruin te naaijen en er zelfs te eten. Toen zij een week of drie in Alexandria geweest waren, kwam hare oudste gehuwde zuster, die sedert geruimen tijd niets van haar gehoord had, bij Bruin, om zoo mogelijk iets van haar te vernemen, en hare verrassing en vreugde waren niet gering, toen zij haar nog eens en zelfs daar zag. Eenige weken later kwam haar oude vader haar op nieuw bezoeken. Hoe hopeloos het denkbeeld van hare bevrijding ook mogt schijnen, toch bleef hij er aan vasthouden. Hij had eenige aanmoediging en bijstand te Washington ontvangen, en was voornemens naar het Noorden te gaan om te zien of hij daar iets kon gedaan krijgen; en hij verlangde vurig van Bruin te hooren, wat wel de laagst mogelijke prijs was, waarvoor hij zijne dochters kon inkoopen. Bruin stelde zijne voorwaarden op in het volgende document, hetwelk wij hier laten volgen:Alexandria, (Virginia) 5 Sept. 1848.Houder dezes is Paul Edmondson, de vader van twee meisjes, Mary Jane en Emily Catharina Edmondson. Deze meisjes zijn door ons gekocht en ééns naar de zuidelijke markt gezonden, en op de stellige verzekering dat het geld voor haar zou zijn bijeen gebragt, als zij terug gevoerd werden, waren zij terug gekeerd. Naar het schijnt is in dit opzigt tot nog toe niets door hen, die het beloofden, verrigt, en wij zijn op het punt om haar andermaal naar de zuidelijke markt te zenden, en wij verklaren het opregtelijk, dat, als zij er weder heengaan, wij niet het minste acht zullen slaan op beloften, die in betrekking tot haar mogten gedaan worden. De vader wenscht het geld, datvoor haar betaald moet worden, bijeen te brengen, en is voornemens een beroep te doen op de milddadigheid van de menschlievenden en goeden om hem bij te staan, en heeft ons verzochtde voorwaarden, waarop wij zijne dochters willen verkoopen, in schrift te stellen.Wij zijn voornemens onze bedienden binnen weinige dagen naar het Zuiden te zenden. Als de som van twaalf honderd (1200) dollars binnen veertien dagen aan ons wordt ter hand gesteld, of wij zekerheid voor dit bedrag ontvangen hebben, zullen wij haar nog vijf en twintig dagen langer ophouden, om gelegenheid te geven tot het verkrijgen der andere duizend en vijftig (1050) dollars, anders zullen wij genoodzaakt zijn haar met onze andere bedienden te verzenden.Bruin en Hill.Paul nam zijne papieren en scheidde met een beklemd gemoed van zijne dochters. Van dat oogenblik af leefden zij in de grootste onzekerheid. Gedurig zagen zij naar een brief of een bode uit en baden God, dat Hij haar ergens een bevrijder mogt verwekken. Maar dag op dag en week op week ging voorbij, en de gevreesde tijd kwam al nader en nader. De voorbereidende werkzaamheden tot het gereed maken van een troep voor Zuid-Carolina namen een aanvang. Kleurig katoen werd voor haar gekocht om er pronkkleederen van te vervaardigen, waarin zij ten verkoop zouden worden aangeboden. Zij maakten ze met vrij wat bitterder smart op dan waarmede zij hare eigene doodshemden zouden vervaardigd hebben. De hoop was bijna in haar binnenste gestorven. Eenige dagen voor dat de troep zou worden afgezonden, bragt hare zuster haar een droevig afscheidsbezoek. Zij vermengden hare gebeden en tranen met elkander, en de meisjes maakten kleinesouveniers, die zij als afscheidsgeschenken aan hare broeders en zusters en haar bejaarde vader en moeder zonden, en met een vaarwel, veel smartelijker dan dat van een sterfbed, scheidden de zusters.De avond, voor dat de troep vertrekken zou, naderde. Mary en Emily begaven zich naar het huis om afscheid van Bruins familie te nemen. Bruin had een dochtertje dat een speelpopje en lievelinge van de meisjes geweest was. Zijklemde zich aan haar vast, huilde en bad, dat men haar niet zou laten vertrekken. Emily zeide haar, dat als zij wilde dat zij zouden blijven, zij het aan haar vader moest gaan vragen. Vervuld met hare boodschap, huppelde de kleine pleitster henen, en plaagde hem zoo geducht en hield zoo sterk aan, dat hij, om haar te vrede te stellen, er in bewilligde om haar te laten blijven, als zijn compagnon Hill er in toestemde. Op dit oogenblik ging Bruin, die Mary overluid in de gevangenis hoorde kermen, naar haar toe. Met al de kracht der wanhoop deed zij een laatste beroep op zijn hart. Zij smeekte hem, zich in hare plaats te stellen, te denken aan zijne eigene kleine dochter; zij stelde hem voor wat het zijn zou, als zij werd ontrukt aan alles wat zij op aarde bezat, en alle hoop van bevrijding voor haar verloren ging, op het eigen oogenblik, dat zij de vrijheid verwachtte! Bruin was niet bepaald van steen, en dit vreeselijke beroep bragt hem de tranen in de oogen. Hij gaf haar eenige hoop, dat, als Hill er in wilde toestemmen, zij niet met den troep zou worden verzonden. Een slapelooze, in tranen, gebeden en zuchten doorgebragte nacht volgde. Eindelijk brak de morgen aan, en, overeenkomstig de bevelen die zij den vorigen dag ontvangen hadden, maakten zij zich gereed om te vertrekken, zetten zelfs hare mutsen op, sloegen hare doeken om en stonden te wachten tot het sein zou worden gegeven. Toen de laatste traan der hoop was gedroogd en zij naar buiten waren gekomen om zich bij den troep te voegen, werd Bruins hart tot zachtheid geneigd. Hij riep haar tot zich, en zeide haar dat zij mogten blijven! O! wat werden hare harten hierdoor verblijd, daar zijnueen weinig langer mogten hopen! Of de smeekingen van de kleine Martha òf Mary’s aandrang, hadden de overwinning behaald.Spoedig vertrok de troep te voet; mannen, vrouwen en kinderen, twee aan twee, de mannen allen met handboeijen aan elkander vastgehecht, de regtervuist van den een tegen de linkervuist van den ander, terwijl een keten, die tusschen de handboeijen doorliep, het eene paar aan het andere verbond.De vrouwen en kinderen liepen aldaar op dezelfde wijze, met handboeijen of ketens aan. Drijvers liepen vooraan enop zijde, om diegenen op te nemen, die ziek of gebrekkig waren; zij waren verpligt zichzingendein beweging te stellen! begeleid door vedels en banjoes!—„Want zij, die ons als gevangenen wegvoerden, eischten van ons een lied, en zij, die ons aan de ellende prijs gaven, eischten vrolijkheid van ons.” En dit is een tooneel dat men dagelijks kan zien in een Christelijk land!—en verkondigers van Christus zeggen, dat het regt om zulke dingen te bedrijven,door God zelven gegeven is!!Intusschen trok Paul Edmondson naar het Noorden om daar hulp in te roepen. Iemand die in die dagen met den spoortrein reisde, moet er een eerwaardigen zwarten man in hebben aangetroffen, wiens geheele voorkomen en houding den geduldigsten ootmoed verried en die een zwaren last van verpletterend lijden met zich scheen om te dragen, als iemand die lang de smart had gekend. Die man was Paul Edmondson.Alleen, zonder vrienden, onbekend, en wat nog het ergste van allen is, zwart van huid, kwam hij in de uitgestrekte, woelige stad New York, om te zien, of er ook iemand zijn mogt, die hem vijf en twintig honderd dollars kon geven, om daarmede zijne dochters vrij te koopen. Kan iemand beschrijven wat een arm man gevoelt, die, met dat doel, eene bedrijvige, rijke stad, alleen en onbekend, binnentreedt? De schrijfster bezit nu in den brief eens slavenvaders en echtgenoot, die naar Portland was gekomen met een dergelijke boodschap, eene roerende uitdrukking van dat gevoel:—Ik liep den ganschen dag, tot dat ik uitgeput van vermoeijenis en ontmoedigd was. O! mevrouw S.—als ik zoo veel menschen zie, die zoo veel meer dingen schijnen te bezitten dan zij noodig hebben, of weten wat zij er meê doen zullen, en dan indenk, dat ik tot boven mijn veertigste jaar, mijn geheele leven door hard gewerkt heb, en zelfs mijne eigene vrouw en kinderen niet tot mijn eigendom kan maken, voel ik mij, o, zoo krank en neêrslagtig!Zoo krank van ziel en terneêrgeslagen gevoelde zich Paul Edmondson. Hij begaf zich naar het anti-slavernij-kantoor, en zeide wat er hem henen dreef. Het was zulk een groote som en ze scheen zoo geweldig hoog, dat, ofschoon men denarmen vader beklaagde, men den moed niet had, om te trachten die bij elkaâr te krijgen. De beambten schreven naar Washington, om zich van de waarheid van onderscheidene punten te overtuigen, en schreven aan Bruin en Hill, om te beproeven of zij niet iets van den prijs wilden laten vallen. Intusschen ging de arme oude man van den eenen raadsman naar den ander. Men had hem aanbevolen naar den eerwaarden H. W. Beecher te gaan, en dien zijne geschiedenis te verhalen. Hij vroeg den weg naar zijn huis—klom de trappen van het bordes op om aan te schellen, maar zijn hart ontzonk hem—hij bleef schreijende op de trappen zitten.Daar werd hij door Mr. Beecher gevonden. Hij nam hem met zich naar binnen, en vroeg hem naar zijne geschiedenis. Dien avond zou er een openbare vergadering zijn ter inzameling van gelden. De rampzalige vader smeekte hem er heen te gaan en de zaak zijner kinderen te bepleiten. Hij ging er heen en sprak, alsof hij voor zijn eigen vader en zusters sprak. Andere geestelijken gingen op dezelfde wijze met spreken voort,—de vergadering werd enthousiastisch, en het geld werd op de plek ingezameld, en de arme Paul legde dien avond zijn hoofd tot dankbaarheid neêr op zijn kussen—niet om te slapen, maar om te danken!Inmiddels hadden de meisjes vreeselijk lange dagen in de gevangenis doorgebragt. Daar werden zij gebezigd om voor Bruin’s huisgezin te naaijen, terwijl ze nu eens in de gevangenis en dan weder in het huis werkten.Het verdient vermeld te worden dat Mr. Bruin van geheel anderen aard is dan een aantal mannen van zijn beroep. Hij is iemand dien men nooit onder de slavenhandelaars zou hebben aangetroffen, indien niet het achtingswaardigste gedeelte der maatschappij het regt verdedigd had, om te koopen en te verkoopen, als eene instelling van God zelven. Waar is het, dat Mr. Bruin een van de eerste inteekenaars op deNational Erain het district Columbia was, en toen een zeker iemand zich daar in groot gevaar bragt, door het bijstaan van slaven in hunne vlugt, en er niemand te vinden was die voor hem wilde borg blijven, kwam Mr. Bruin te voorschijn en was zoo vriendelijk zich borg te stellen.Terwijl wij het afschuwelijke stelsel en dien afschuwelijkenhandel met geheel ons hart verfoeijen, gelooven wij, dat er geen kwaad in gelegen is, te wenschen, dat zoo iemand een beter bedrijf had om uit te oefenen. Toch kunnen wij niet nalaten al de zoodanigen te herinneren, dat, wanneer wij voor den regterstoel van Christus geroepen worden, iedereenvoor zich-zelf alleenzal verantwoorden, en dat Christus niet als eene verontschuldiging der zonde, de woorden van al de geestelijken en al de synoden des lands zal aannemen. Hij heeft ons de schoone les geschonken: „Wacht u voor de valsche profeten;” en als de menschen er zich niet voor willen wachten, komt hun bloed over hunne eigene hoofden.Terwijl de meisjes onder Mr. Bruin’s bewaring waren, werden zij met zoo veel vriendelijkheid en onderscheiding behandeld, als maar bij eenige mogelijkheid bestaan kon, met het voornemen om ze te verkoopen. Het valt niet te betwijfelen, of Bruin voor zich, behandelde haar vriendelijk, en wenschte opregtelijk dat zij mogten worden vrij gekocht; maar dan zag hij geen reden om twee duizend vijf honderd dollars te verliezen. Hij was, met betrekking tot dit punt, juist in dezelfde moeijelijkheid geplaatst als sommige leden van verschillende kerken te New York, toen hun slaven als onderpand voor gelden, die men in het Zuiden schuldig was, waren toebedeeld. Het speet hem om harent wille en hij wenschte wel en hoopte, dat de Voorzienigheid voor haar zoude zorgen, wanneer zij verkocht waren, maar toch kon hij er niet toe overgaan om zijn geld te verliezen, en zoo lang zulke lieden ouderlingen en avondmaalgangers in kerken van New York blijven, moeten wij ons niet verwonderen dat er in Alexandria slavenhandelaars blijven bestaan.Het is een der groote kunstgrepen van den vijand der zielen menschen te verlokken om hunne deelneming in ééne soort van zonde te vergoeden, door hun godvreezende afschuw van eene andere soort. De slavenhandelaar is de algemeene zondebok, waarop al de partijen hare verontwaardiging geladen hebben, terwijl zij van hem kochten of aan hem overdeden.In den vijftigsten Psalm wordt eene geduchte waarschuwing gegeven aan allen, die met woorden hun geloof hebben beleden, maar wier daden getuigen, dat zij de ongeregtigheidgoedkeuren, en waar Christus wordt voorgesteld als hen van Zijnen regterstoel aldus toesprekende:—„Wat hebtgijmijne inzettingen te vertellen en neemt mijn verbond in uwen mond, dewijl gij de kastijding haat, en mijne woorden achter u henenwerpt? Indien gij eenen dief ziet, zoo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.”Één ding is zeker, dat al degenen die deze dingen, hetzij openlijk, hetzij in het geheim bedrijven, ten laatste hunne rekening moeten vereffenen met een regter die geen aannemer des persoons is, en die even spoedig een ouderling van de kerk zal veroordeelen wegens slavenhandel als een slavenhandelaar van beroep; ja hij zal het verdragelijker maken voor het Sodom en Gomorra der slavenhandels, dan voor hen;—want men kan veilig aannemen dat de handelaar, als hij de middelen der genade gekend had zoo als zij, er reeds lang berouw over zoude gehad hebben.Maar keeren wij tot onze geschiedenis terug. De meisjes zaten voor het open raam van haar kamertje te naaijen, toen Emily tot Mary zeide: „Zie eens, Mary, daar hebt ge dien blanken man, dien wij uit het Noorden hebben zien komen.” Zij zagen beiden naar buiten en een oogenblik later ontwaarden zij haar eigen dierbaren vader. Zij sprongen en vlogen door het huis en het kantoor de straat op, en huppelden terwijl zij liepen, gevolgd door Bruin, die zeide op dat oogenblik gemeend te hebben dat de meisjes krankzinnig waren. In één oogenblik lagen zij in haars vaders armen, maar bemerkten dat hij ongemeen beefde en zijne stem zwak was. Zij vroegen hem daarbij of hij het losgeld voor haar gekregen had. Bevreesd om al te spoedig hare verwachtingen op te wekken eer de papieren van hare vrijverklaring geteekend waren, zeide hij dat hij weldra met haar hoopte te spreken, en begaf zich in het kantoor met Mr. Bruin en Mr. Chaplin. Mr. Bruin verklaarde dat hij innig verheugd was, zoo als hij ook inderdaad was, dat zij het geld hadden meêgebragt; maar scheen zeer getroffen over de wijze, waarop de eerwaarde H. W. Beecher van hem had gesproken op de „liberation meeting” te New-York, daar hij het hard oordeelde, dat er geen onderscheid werd gemaakt tusschen hem en andere handelaars, daar hij zich zooveel inschikkelijker en menschlievender had getoond dan het grootste deel onder hen.Hij telde echter het geld na, teekende de papieren van ganscher harte en nam er voor elk van de meisjes een goud vijf dollarsstuk af tot een afscheidsgeschenk.De zaak duurde langer dan zij zich hadden voorgesteld en de tijd scheen de arme meisjes eene eeuw toe, die in de grootste onrust nu eens naar binnen dan weder naar buiten liepen, in het onzekere welk lot haar boven het hoofd hing. Zou haar vader het geld hebben gebragt? Waarom beefde hij zoo? Zou hij het geld toch niet gekregen hebben? Of zou hare moeder ook soms gestorven zijn, want zij hadden gehoord dat zij zeer ziek was!!Eindelijk kwam er een bode die haar toeriep:„Gij zijt vrij, gij zijt vrij!” Emily gelooft dat zij bijna tot aan den zolder sprong. Zij danste, klapte in de handen, lachte en schreide overluid. Weldra kwam haar vader bij haar, omhelsde haar en beproefde haar tot bedaren te brengen en zeide dat zij zich gereed moesten maken om naar hare moeder te gaan. Dit deden zij, zonder zelve te weten hoe, maar trouw geholpen door het geheele gezin, dat van ganscher harte in hare blijdschap scheen deel te nemen. Haar vader liet een rijtuig komen om haar naar de werf te brengen, en met eene vreugde die alle beschrijving te boven gaat, namen zij een allerteederst afscheid van geheel het huisgezin en gingen daarin zelfs Bruin niet voorbij. Het goede dat in de menschelijke natuur is, had in een oogenblik de overhand en allen waren tot tranen van deelnemende blijdschap geroerd. Haar vader, die zijne vreugde zelf geweld aandeed, wendde al het mogelijke aan, om hare opgewondenheid tot bedaren te brengen, en ten langen laatste gelukte hem dit gedeeltelijk. Toen zij te Washington aankwamen stond er een wagen gereed om haar naar het huis harer zuster te brengen. Lieden van allerlei rang en stand liepen te hoop om haar te zien. Hare broeders namen haar in hunne armen en liepen met haar rond, bijna krankzinnig van blijdschap. Hare bejaarde en eerbiedwaardige moeder, van hare ziekte bevrijd door den tegenprikkel van het blijde nieuws, was daar en weende en dankte den Almagtige. Ververschingen werden in het huis harer zuster gereed gemaakt voor die haar kwamen bezoeken, en onder gegroet en gejuich, tranen en blijdschap, gebeden en dankzeggingen, maar zonder den minsten slaap, werd denacht gesleten, en de morgen van den 4den November 1848 lichtte over haar als over vrijen en gelukkigen.Met de vorige lente en wel in de maand Mei, zoo als de schrijfster reeds heeft te kennen gegeven, kwam de bejaarde moeder der Edmondsonsche familie te New York, en de reden van hare komst kan kortelijk worden medegedeeld. Zij had nog eene dochter, de steun en de hulp van hare grijsheid, of, zoo als zij zich in hare eigenaardige taal uitdrukte „de laatste droppel bloed in haar hart.” Zij had ook nog den zoon van een en twintig jaren, die nog slaaf was op eene naburige plantage. Men hield het er voor, dat de ziekelijke vrouw, in wier naam de bezitting werd beheerd, haar einde nabij was, en de arme ouders waren door de vrees beklemd, dat wanneer zij stierf, hunne beide overblijvende kinderen bij de scheiding van den boedel verkocht en dus naar de gevreesde zuidelijke markt zouden gezonden worden. Niemand kan het beschrijven welk een altoosdurende vrees de slavengevangenissen en de slavenhandelaars aan al de ongelukkige familiën in den omtrek inboezemen. Alles waarvan andere ouders op hunne kinderen met vreugde en trots neêrzien, is voor deze arme schepsels eene bron van onrust en verdriet, omdat het het kind slechts zoo veel te meer tot een verkoopbaar artikel maakt. Het is dus geen wonder, dat het licht in Paul’s en Milly’s hut door het verschrikkelijke denkbeeld verduisterd werd.Zij die over deze kinderen gesteld waren, hadden haar vader een schriftelijke belofte gegeven, dat zij ze hem voor eene zekere som zouden verkoopen, en door langdurig smeeken hadden zij honderd dollars laten zakken van de twaalf honderd die hij behoefde. Maar hij was nu door ziekte aan zijn bed gebonden. Na een vurig gebed te hebben opgezonden, tot den Helper der hulpeloozen, zeide Milly op zekeren dag tot Paul: „Ik zal u eens wat zeggen, Paul; ik zal zelf naar New York gaan, om te zien of ik dat geld niet kan oploopen.”Paul antwoordde: „Maar beste Milly, hoe zoudt gij dat kunnen? Gij moet eigenlijk in bed blijven, en gij zijt nog nooit van uw leven op den spoortrein geweest?”„Wees maar niet bang, Paul,” zeide ik: „ik zal gaan vol vertrouwen op den Heer; en de Heer zal mij in Zijne hoede nemen en Hij zal mij geleiden, dat weet ik.”Ik ging dus naar den trein en nam een blanke aan, die mij er inhielp en, waarlijk, daar vond ik twee Bethel-predikers, en de een zat hier en de andere daar naast mij den geheelen weg over; en zij zorgden voor mijn briefjes en goed en zagen alles voor mij na, en deden alles voor mij. Den geheelen weg over gebeurde er niets niet mij. Somtijds als ik afstapte in de koffijkamers, zagen de menschen mij aan en schoven met zulk een verachtelijken blik op! Wel, dacht ik, ik hoop dat de Heer u tot betere gedachten brengen zal.”Emily en Mary, die ergens in New York naar school waren gezonden, kwamen in de stad om hare moeder te bezoeken en zij bragten haar terstond naar het huis van den eerwaarden Henry W. Beecher, waar de schrijfster zich toen juist bevond. Schrijfster dezes stelt zich het tooneel nog levendig voor den geest, toen zij het eerst deze moeder en dochters ontmoette. Het dient vermeld te worden, dat zij elkander toen in geen vier jaren gezien hadden. Zij zaten aan weêrskanten van hare moeder, ieder met een harer handen in de hare, en de blik van trots en liefde, waarmede zij haar aan de schrijfster voorstelden, was roerend om te zien. Nadat zij was voorgesteld aan de schrijfster, ging zij op nieuw tusschen haar zitten, nam eene hand van ieder, en sloeg eerst op de eene en toen op de andere een ernstigen blik, en opziende, zeide zij met een glimlach:„O, die kinderen! hoe zij ons aan het harte liggen!”Zij beschreef toen aan de schrijfster al haar kommer en angst omtrent hare jongste kinderen. „Nu, mevrouw,” zeide zij, „die man door wien het groote handelshuis te Alexandria gehouden wordt,die man,” en zij drukte hierop met innige verontwaardiging, „heeft laten vernemen of er nog meer kinderen van me waren, die verkocht konden worden. Die man zeide dat hijmijverlangde te zien. Ja, mevrouw, hij heeft gezegd twintig dollars te willen geven om mij te zien. Ik zou hem niet willen zien, al gaf hij er mij honderd. Hij heeft mij laten vragen om bij hem te komen en hem te zien, toen hij mijne dochters in zijne gevangenis had opgesloten. Ik wilde niet gaan om hem te zien; en ik had geen behoefte om haar daar te zien.”Hare beide dochters Emily en Mary werden hierop zeer boos en uitten eene zeer natuurlijke maar bittere taal jegensalle slavenhouders. „Stil kinderen! gij moet uwe vijanden vergeven,” zeide zij. „Maar zij zijn zoo goddeloos,” zeiden de meisjes. „Ach kinderen dezondemoet gij haten, maar denzondaarliefhebben.” „Nu, moeder,” zeide een van de meisjes, „als ik op nieuw eene slavin moest worden, zou ik mij van kant maken.” „Dat geloof ik niet, kind; dat zou goddeloos zijn.” „Maar moeder, ik zou hettochdoen; ik weet dat ik het nooit meer zou kunnen verdragen.” „Draag het, mijn kind!” was haar antwoord, „want de heerlijkheid zal hiernamaals des te grooter zijn, naarmate men hier meer heeft verdragen.”Terwijl zij deze woorden sprak, was er iets onbeschrijfelijk gevoeligs in hare stem en voorkomen, eene plegtigheid en kracht, maar gepaard met zachtheid, die nooit uit mijn geheugen zullen worden gewischt.Deze arme slavenmoeder, wier geheele leven eene lange beleediging van hare heiligste gevoelens geweest was; wie men de gelegenheid ontnomen had om Gods Woord te lezen; wier edele pelgrimstogt door de ongeregtigheid eener Christelijke natie tot een dag van ellende gemaakt was; zij had toch geleerd het grootste raadsel der Christelijke zedeleer op te lossen en te doen wat zoo weinig hervormers doen kunnen—dezondete haten, maar denzondaarlief te hebben!Door deze geschiedenis was eene groote belangstelling onder de dames in Brooklyn ontstaan. Er werden verscheidene groote meetings in verschillende salons gehouden, waarin de oude moeder hare geschiedenis met groote eenvoudigheid en diep gevoel mededeelde, en spoedig werd er eene inteekening geopend tot loskooping van de twee overgeblevenen harer familie. Het zal misschien niet zonder belangstelling vernomen worden, dat aan het hoofd der inteekenlijst de naam prijkte van de beminnelijke en weldadige Jenny Lind Goldsmidt.Eenige dames, die deze roerende geschiedenis hoorden verhalen, stelden zooveel belang in miss Edmondson-zelve, dat zij verlangden eene daguerreotype van haar te laten maken, opdat zij zoo wel gesterkt mogten worden door haar rustig gelaat als de schoonheid van waarachtige deugd, die daarvan afstraalde, er in te bewonderen. Overeenkomstig dat verlangen vergezelde zij haar naar het atelier, met al den eenvoudvan een klein kind. „O,” zeide zij tot eene der dames, „gij kunt niet nagaan hoe gelukkig ik ben, dat ik hier ben gekomen, waar iedereenzoo vriendelijkjegens mij is!” Toen ik den vorigen avond naar huis ging, was ik zoo gelukkig, dat ik er niet van slapen kon. Ik moest het gedurig aan mijn Heiland zeggen, hoe gelukkig ik was.”Eene dame sprak met haar om dit of dat te lezen. „God zegene u, mijn liefje! Ik kan geen letter lezen.”„Hoe hebt gij dan,” vroeg haar eene andere dame, „zooveel van God en van de hemelsche dingen geleerd?”„Wel, het gelijkt eenegiftvan boven.”„Kan men den Bijbel dan voor u lezen?”„Wel zeker, Paul kan een beetje lezen; maar hij heeft over dag zoo veel te werken, en als hij laat in den avond t’huis komt, is hij zoo vermoeid! en zijne oogen zijn slecht. Maar dan onderwijst mij deGeest.”„Gaat gij dikwijls naar de kerk?”„Niet zeer veel; wij wonen zoo ver af. ’s Winters kan ik het nooit. Maar o! hoe dikwijls ben ik als ’t ware ter kerk geweest, en heb ik gebeden—en had ik gemeenschap met mijn Zaligmaker!” Nooit zal ik den glimlach vergeten die haar onder het uiten dezer woorden om den mond speelde. Een klein meisje van eene der dames maakte een paar allerscherpste aanmerkingen over iets in het atelier van den daguerreotypist en werd daarover door hare moeder bestraft.De oude vrouw zag haar met haar rustigen glimlach aan.„Dat herinnert me,” zeide zij, „wat ik eens een predikant hoorde zeggen. „Vrienden,” zeide hij, „als gij dit of dat weet, hetwelk het hart van uwen broeder kan verheugen,haast u dan om het te zeggen; maar als het iets is dat hem slechts een zucht zal kosten, houdt het dan voor u! houdt het dan voor u!” O, wat heb ik mijne kinderen dikwijls gezegd: „Houdt het voor u, houdt het voor u!””Toen schrijfster dezes van de oude vrouw afscheid nam, zeide zij tot haar. „Nu, vaarwel, mijne waarde vriendin; blijf mijner gedenken en bid voor mij.”„Voorubidden!” zeide zij op ernstigen toon. „Zeker zal ik dat, ik kan het niet helpen.” En haar vinger opheffende zeide zij op een nadrukkelijken toon, bijzonder eigen aanouden van haar stam: „Ik zal u wat zeggen, wij hebben zelf nooit goed brood totdat wij beginnen het eerstvoor onze broeders te vragen.”De schrijfster maakt van deze gelegenheid gebruik om al de vrienden dezer vrouw, in verschillende County’s, die zoo bereidwillig en edelmoedig iets hebben bijgedragen tot de bevrijding dezer kinderen, te berigten, dat zijeindelijk zijn vrijgekocht.Het volgende uittreksel uit den brief eener dame in Washington zal door hen gewis niet zonder belangstelling worden gelezen.Ik heb de oude lieden Edmondson—Paul en zijne vrouw Milly—gezien. Ik heb devrijeEdmondsons gezien—moeder, zoon, dochter—den eigen dag nadat het groote tijdperk van hunne vrijheid was begonnen, terwijl zij nog onder den indruk daarvan waren, en het gelaat der moeder enkel licht en liefde was, het oog des vaders nat en glinsterende van tranen, de zoon rustig en vol mannelijke bewustheid van de verantwoordelijkheid die er op hem rustte, de dochter (als ik mij niet bedrieg naauwelijks boven de vijftien jaar) vol zoete waardering van de vreugde van het tegenwoordige, en vol hoop op de toekomst, die zoo eensklaps en geheel en al voor haar oprees.Wij hebben verslag gedaan van het lot van eene der familiën, die aan boord vande Parelgevat waren. Wij hebben nog eene andere geschiedenis te verhalen, waarvan wij niet durven beloven, dat het einde zoo gelukkig wezen zal.
Hoofdstuk VI.Geschiedenis der Edmondsons.Milly Edmondson is eene bejaarde vrouw, van diep in de zeventig. Zij heeft het slaven-erfdeel van volslagen onwetendheid ontvangen. Zij kan geen brief of boek lezen, noch haar eigen naam zetten; maar de schrijfster moet bekennen, dat zij nooit zoo getroffen is geworden door eenige voorstelling van de Christelijke godsdienst, als door die haar gedaan werd in de taal en met het voorkomen dezer vrouw tijdens de weinige keeren dat zij haar ontmoette. De bijzonderheden dezer ontmoetingen zullen in den loop van het verhaal aan het licht gebragt worden.Milly is iets meer dan van middelmatige grootte, en breed en gezet van omvang. Zij gaat met de grootste zorgvuldigheid, tot op netheid af, gekleed. Een eenvoudige Methodistische halsdoek is haar dwars over de borst gespeld. Een goed onderhouden stoffen japon en helder wit voorschoot, met een witten zakdoek op zijde er aan vastgehecht, voltooit den inventaris van het costuum waarin de schrijfster haar gewoonlijk zag. Zij is eene mulattin en moet eens zeer schoon zijn geweest. Hare oogen en glimlach zijn nog ongemeen schoon, maar er liggen diepe voren van geduldige lijdenssmart en afmattende lijdzaamheid op haar gelaat, die verraden dat deze beminnelijke en edelaardige vrouw haar leven lang slavin is geweest.Milly Edmondson werd door hare eigenaars in dienst gehouden en het was haar vergund bij haar man te wonen, onder uitdrukkelijk beding en voorwaarde, dat hare dienst en waarde bestaan zou in het opkweeken harer eigene kinderen, om deze op de slavenmarkt te doen verkoopen. Hare wettige eigenares was eene ongehuwde dame van bekrompen geestvermogens, die door een vonnis van de regtbank voor onbekwaam was verklaard om hare eigene zaken te besturen.De bezitting—dat wil zeggen Milly Edmondson en hare kinderen—was aan de zorg van een voogd toevertrouwd. Het schijnt, dat Milly’s arme, zwakke meesteres zeer veel van haar hield en dat Milly vrij wat overwigt op haar bezat,zoo als een krachtige geest meestal eene magt over een zwakkeren uitoefent. Milly’s echtgenoot, Paul Edmondson, was een vrij man. Wij zullen nu een weinig van hare geschiedenis, zoo als zij die aan de schrijfster mededeelde, met hare eigene woorden laten volgen.„Hare meesteres,” zeide zij, „was altijd vriendelijk jegens haar, het arme schepsel!” maar zij had geen moed om voor haar-zelve te spreken, en hare vrienden wilden niet dat zij haar eigen weg ging. „Het lag mij altijd op het hart,” zeide zij, „dat ik eene slavin was. Toen ik even veertien jaar oud was, was Missis op zekeren dag met iets bezig, dat zij meende mij niet te kunnen toevertrouwen, en zeide zij tot mij: „Milly, nu ziet gij dat ik slavin ben en gij niet.” Ik antwoordde haar, „Ach, Missis! ik ben met dat al toch maar eene arme slavin.” Ik was later bedroefd, dat ik dit gezegd had, want het kwam mij voor dat het haar gevoel scheen te kwetsen.„Toen ik een poos later met Paul verbonden werd, hield ik zeer veel van Paul; maar ik dacht, dat het niet goed was kinderen ter wereld te brengen om slaven te zijn, en ik zeide tot de onzen, dat ik nooit zou trouwen, schoon ik veel van Paul hield. Maar dat werd mij niet veroorloofd,” zeide zij met een geheimzinnig voorkomen.„Wat bedoelt gij?” vroeg ik.„Wel, zij zeiden mij dat ik moest trouwen, of dat ik anders buiten de kerk zou worden gesloten,—dat was het;” voegde zij er met een beteekenisvollen knik met het hoofd bij. „Nu dan, Paul en ik, wij trouwden, en wij waren gelukkig genoeg, als het daarom niet geweest was; maar toen ons eerste kind geboren was, zeide ik tot hem: „Daar hebt gij ’t nu, Paul; onze ellende heeft een aanvang genomen; dit kind is ons kind niet.” En met ieder kind dat ik kreeg, werd het hoe langer hoe erger. „O, Paul!” zeide ik, „wat is het toch een vreeselijk ding kinderen te hebben, die niet de onze zijn!” Paul zeide tot mij: „Mijn beste Milly, als het kinderen van God zijn, doet het er weinig toe of zij al of niet zijn van ons; zij kunnen daarom toch erfgenamen van het Koningrijk zijn, Milly.”Wel, toen Paul’s meesteres stierf, gaf zij hem de vrijheid, en hij kreeg voor zich een klein plaatsje, omstreeks veertien mijlenvan Washington; en zij lieten mij daar met hem wonen, en ik nam mijn werk meê naar huis; want zij stelden dat vertrouwen in mij, daar zij altijd wisten, dat, wat ik zeide te zullen doen, even goed gedaan was alsof zij het hadden zien doen. Ik had doorgaans naaiwerk: soms een geheel hemd op een dag te maken—gij weet het was grof,—of een paar lakens of iets van dien aard; maar wat het ook was, ik kreeg het altijd gedaan. Dan had ik nog al mijn huiswerk te doen en voor de kleinen te zorgen; en dikwijls heb ik na tienen, de kleederen van mijne kinderen genomen en ze gewasschen en gestreken laat in den nacht, omdat ik niet dulden kon dat mijne kinderen er slordig uitzagen,—altijd wilde ik dat ze helder en schoon voor den dag kwamen, en ik bragt hen groot en leerde hen zoo goed ik maar kon. Maar niemand kan nagaan wat ik leed; ik zag nooit een blanke op de plaats komen of ik dacht: kijk, die komt om naar mijne kinderen te zien; en wanneer ik een blanke voorbij zag gaan, heb ik mijne kinderen naar binnen geroepen en ze weggestopt, uit vrees dat hij ze zou zien en willen koopen. O mevrouw, ik heb zoo veel, o zoo veel uitgestaan! Ik heb dit zware kruis jaren lang gedragen!”„Maar,” zeide ik, „de Heer is met u geweest.”Zij antwoordde met grooten nadruk: „Mevrouw, als de Heer mij niet ondersteund had, zou ik op dit oogenblik niet meer in leven zijn. O, mijn hart is dikwijls zoo bezwaard geweest, dat het scheen alsof ikmoeststerven; en dan heb ik mij voor den troon der genade geworpen, en als ik daarvoor geheel mijn hart had uitgestort, brak er hetlichtin door, en gevoelde ik, dat ik nog een beetje langer leven kon!”Dit zijn hare eigene woorden. Zij had dikwijls eene krachtige en bijzonder fraaije manier om zich uit te drukken, waardoor alles wat zij zeide een sterken indruk naliet.Paul en Milly Edmondson bezochten beide getrouw de Methodische Bisschoppelijke kerk te Washington, en allen die hen kenden getuigen eenparig van hen, dat zij een vlekkeloos leven leidden en innig godsdienstig waren. In hunne eenvoudige hut, door netheid en orde opgeluisterd, en des morgens en avonds door het gebed geheiligd, bragten zij, naar hun beste vermogen hunne kinderen op, in de kennis en vereering van den Heer, om op de slavenmarkt verkocht te worden.Zij achtten zich slechts al te gelukkig, als het een na het ander den ouderdom bereikte om verkocht te worden, dat zij aan familiën in de nabijheid verhuurd werden, en niet in handen vielen van den handelaar, om naar de zuidelijke markt gedreven te worden.De moeder, die met gestadigen maar onderdrukten angst den bitteren last der slavernij, die op haar lag, gevoelde, was gewoon om, zoo als zij aan de schrijfster verhaalde, hare dochters op deze wijze te waarschuwen:„Nu, meisjes, zorgt dat gij nooit de smart kent die ik lijd. Trouwt nooit voor dat gij in vrijheid zijt. Trouwt nooit om moeders te worden vankinderen die de uwe niet zijn.”Als een gevolg van deze opvoeding, bragten enkele van hare oudste dochters, in vereeniging met de jonge mannen, waarmede zij verbonden waren, de noodige gelden bijeen om zich vrij te koopen eer zij gehuwd waren. Eene dezer jonge vrouwen was, op het oogenblik dat zij het geld voor hare vrijheid betaalde, van zulk een zwakke gezondheid, dat de doctor haar zeide, dat ze nog maar enkele maanden te leven had, en ried haar aan, haar geld te behouden en het aan te wenden om het zich zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Zij antwoordde:„Al had ik nog maar twee uren te leven, zou ik het betalen om vrij te sterven.”Indien dit een buitensporige waarde aan vrijheid hechten was, zoo behoeft dit toch daarom door geen Amerikaan gezegd te worden.Al de zonen en dochteren van dit gezin onderscheidden zich zoo wel door hunne ligchamelijke als zedelijke ontwikkeling, en golden dus buitengemeen hoog op de markt. De geheele familie, berekend naar de marktprijzen die er voor enkele leden van besteed waren, kon op eene waarde van 15,000 dollars geschat worden. Zij kenmerkten zich door verstand, eerlijkheid en getrouwheid, maar bovenal door eene innige gehechtheid aan elkander. Deze kinderen, zoo vol bevatting, werden alle als slaven gehouden in de stad Washington, de hoofdstad waar ons nationaal bestuur is gevestigd. De hooge waarde die hunne eigene moeder hen in de vrijheid leerde stellen, moest natuurlijk aangewakkerd en versterkt worden door allerhande aanspraken, plegtigheden en redevoeringen, die,gelijk bekend is, gedurig bij deze en gene gelegenheid in onze nationale hoofdstad gehouden worden.Op den 13den April kwam de kleine schoenerde Parel, onder bevel van Daniel Drayton, in de Potomak-rivier te Washington voor anker.De tijding van eene omwenteling in Frankrijk, en de vestiging eener democratische regering was juist aangekomen en geheel Washington was in rep en roer om de zegepraal der Vrijheid te vieren.Tusschen de boomen in de allée waren fantastische veelkleurige lantaarnen gehangen; de trommels werden geroerd, de muziekcorpsen lieten zich hooren, de woningen van den President en andere hooge staatsbeambten waren verlicht, en mannen, vrouwen en kinderen waren allen op de been om den optogt te zien en deel te nemen aan het gejubel der vrijheid, waar de lucht van weergalmde. Al de slaven van de stad, levendig, fantastisch, gevoelig en ligt opgewonden als ze zijn door muziek en verblindende schouwspelen, luisterden, keken en verlustigden zich natuurlijk overal vol onwetende blijdschap. Al de hoofden van de departementen, senatoren, vertegenwoordigers en grootwaardigheidbekleeders van allerhanden aard, togen in optogt naar een opengebleven plek vanPennsylvaniaAvenue, en hielden daar toespraken vol gelukwenschingen over den voortgang der algemeene vrijheid. Met ongehoorde onvoorzigtigheid ontboezemden daar de krachtigste verdedigers van de instelling der slavernij voor de luisterende menigte, zoowel zwarten als blanken, lijfeigenen als vrijen, de oproerigste en meest ophitsende gevoelens. Zulke bij voorbeeld, als de volgende taal van den honorable Frederik P. Stanton van Tennessee:„Wij planten inderdaad onze beginselen niet voort door middel van het zwaard; maar in éénen zin zijn wij propagandisten. Het is niet onze schuld, dat wij zoo bestaan. Ons voorbeeld is besmettelijk. In de afdeeling van dit groote land, waar ik woon, aan de oevers van den magtigen Mississippi, bezitten wij het ware zinnebeeld van den boom der vrijheid. Daar ziet gij hoe het reusachtige katoenbosch zijne takken naar al de hemelstreken uitspreidt. Somtijds woelt de stroom zijne wortels bloot, en gij ziet hoe hij zever in de rondte uitstrekt en ze tot eene onmetelijke diepte in den grond laat binnendringen. Wanneer de tijd der rijpheid gekomen is, is de lucht met vezelen vervuld, die naar iedere rigting henenstuiven, en op hare ligte wieken de levende zaden van den magtigen boom met zich voeren. Aldus zijn de zaden der vrijheid uit den boom onzer vrijheden voortgesproten; zij vervullen de lucht; zij zijn naar alle deelen van den bewoonden aardbodem verspreid; en zelfs zijn zij bestemd om in de barre zandwoestijnen der dwingelandij wortel te schieten. De boom der vrijheid zal alom opwassen en de volkeren zullen zich in zijne schaduw ter ruste leggen.”Senator Foote, van Mississippi, gebruikte eveneens de volgende woorden:„Zoodanig is de buitengewone loop der gebeurtenissen in Frankrijk en Europa, gedurende de beide laatste maanden geweest, dat, hoe oplettender wij het tooneel overzien, hetwelk zich voor onze blikken uitbreidt, en hoe strenger wij het gedrag van de acteurs die er optreden onderzoeken, des te vaster onze overtuiging gegrondvest wordt, dat het niet falen kan of hetroemvolle werk, hetwelk zoo heerlijk is aangevangen, moet even heerlijk voleindigd worden; dat de tijd derDWINGELANDEN EN DER SLAVERNIJhaastig ten einde spoedt; en dat het gelukkige tijdperk, hetwelk door dealgemeene bevrijding der menschenuit deketens der burgerlijke verdrukking, en de erkenningin alle landenvan de groote beginselen dervolks-souvereiniteit, gelijkheid enBROEDERSCHAP, gekenmerkt wordt, blijkbaar is aangebroken.”Kan het iemand na dit alles verwonderen, dat zeven en zeventig der verstandigste jonge slaven, zoo mannen als vrouwen, in de stad Washington, den heer Foote en zijne medesenatoren eerlijk bij hun woord houdende, en geloovende dat de tijd van dwingelandij en slavernij ten einde spoedde, zich vereenigden en eene poging aanwendden om hun deel te erlangen in dit rijk van algemeene broederschap?De schoenerde Parellag in de haven en men bevond, dat kapitein Drayton een menschelijk hart bezat. Misschien hadook hij de redevoeringen inPennsylvaniaAvenue aangehoord en in de onschuld van zijn hart geloofd, dat iemand, die werkelijk ietsdeedom algemeene gelijkheid te bevorderen, niet slechter was dan zij die er enkel redevoeringen over hielden.Drayton was er toe overgehaald om dezen zeven en zeventig slaven te vergunnen, zich in het ruim van zijn vaartuig te verbergen, en onder deze bevonden zich zes kinderen van Paul en Milly Edmondson.Wat er verder geschiedde zal nu worden medegedeeld volgens het verhaal van Mary en Emily Edmondson, door de dame bij wier familie de schrijfster haar ter opvoeding geplaatst had.Eenige voorafgaande inlichtingen zullen echter noodig zijn tot goed begrip van het verhaal.Een achtingswaardige kleurling, Daniel Bell genaamd, die zich-zelf had vrij gekocht, woonde te Washington. Zijne vrouw en hare acht kinderen waren door haar meester op zijn doodbed in vrijheid gesteld. De erfgenamen trachtten het testament te verbreken, op grond dat hij, op het oogenblik toen het gemaakt werd, niet bij zijn volle verstand was. De overheidspersoon, voor wien het was verleden, was echter door zijne persoonlijke bekendheid met den toestand van den man op dat tijdstip, in staat hun voornemen te verijdelen; het huisgezin leefde dus eenige jaren in volkomene vrijheid. Bij den dood van dezen overheidspersoon, bragten de erfgenamen de zaak op nieuw voor het geregtshof, en daar het scheen dat de zaak ten nadeele van het gezin zou worden uitgewezen, zoo besloten zij, zich van hun wettig regt te verzekeren door de vlugt, en bestelden plaatsen aan boord van kapitein Drayton’s vaartuig. Een aantal hunner makkers en vrienden, waarschijnlijk aangespoord door de plaats gehad hebbende demonstratiën ten voordeele der vrijheid, vroegen verlof hen op hunne vlugt te vergezellen. De zaden van het katoenbosch verspreidden zich overal, en ontloken in aller harten; zoodat in den aan gebeurtenissen rijken avond van den 15den April 1848, niet minder dan zeven en zeventig mannen, vrouwen en kinderen met kloppende harten, en in het diepste geheim, zich verscholen in het ruim van den kleinen schoener, en kapitein Drayton was zoo goddeloos, dat hij, al ware er zijn leven meê gemoeid, tot niemand hunner „neen” kon zeggen.Richard Edmondson had reeds lang getracht zich vrij te koopen; had er van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat voor gearbeid, maar de daarvoor gestelde prijs was zoo hoog, dat hij wanhoopte dien ooit te zullen verwerven. Dezen avond meenden hij en zijne drie broeders, dat, als het rijk van algemeene broederschap aangevangen, en dat der tirannen en der slavernij geëindigd was, zij voor zich en hunne zusters dat heilige geschenk der vrijheid konden aannemen, waarvan aan geheel Washington, twee avonden te voren, was verkondigd, dat het de bijzondere bestemming van Amerika was, het aan alle natiën te verschaffen. Hunne beide zusters, zestien en veertien jaar oud, waren aan familiën in de stad verhuurd. Dezen avond begaf zich Samuel Edmondson naar het huis waar Emily woonde, en deelde haar het voorgenomen plan mede.„Maar wat zal moeder wel denken?” zeide Emily.„Houd u niet op met aan haar te denken; zij zal veel liever zien dat wij vrij zijn, dan dat wij tijd verspillen met er haar over te spreken.”„Nu dan, als Mary wil, wil ik ook.”De meisjes geven als eene reden van haar verlangen om te vlugten, op, dat, ofschoon zij nooit mishandelingen ondergaan hadden of onvriendelijk behandeld waren, het haar echter bekend was, dat zij den een of anderen dag tot harde slavernij konden verkocht en gescheiden worden van al wat haar lief was.Zij begaven zich dus allen aan boord vande Parel, die op eenigen afstand van de plaats, waar de schepen gewoonlijk aanleggen, geankerd lag. Daar troffen zij een gezelschap van slaven, zeven en zeventig in getal, aan. ’s Nachts ten twaalf ure werden de zeilen van den kleinen schoener in stilte geheschen en gleed het vaartuig, met zijne vreesachtige en geheimzinnige vracht, den stroom af. Eene frissche koelte verhief zich en ten elf ure van den volgenden nacht, was men twee honderd mijlen ver van Washington verwijderd en begon men te gelooven dat men de vrijheid verkregen had.Zij ankerden in een plaats, Cornfield-Harbour geheeten, met het voornemen, om het aanbreken van den morgen af te wachten. Allen lagen vredig en wel te rusten, door het geschommel van het vaartuig en het gekabbel van het water, in slaap gewiegd.Maar ’s nachts ten twee ure werden zij gewekt door een geweldig geschermutsel, geschreeuw, gevloek en gesteun op het dek. Een stoomboot was hen nagezonden en had hen ingehaald, en de kleine schoener was door een woedenden hoop gewapenden aan boord geklampt.In één oogenblik waren de kapitein, de stuurman en al het volk gegrepen en gekneveld, onder de vreeselijkste vloeken en bedreigingen. Toen zij, razende en vloekende de luiken van de weêrlooze gevangenen beneden openrukten, trad Richard Edmondson naar voren, en sprak hun op een bedaarden toon toe: „Mijne heeren, maakt geen ongelukken; wij zijn allen hier.” Allen onder de slaven, uitgezonderd deze, waren zoo stil als de wanhoop hen maar maken kon; er werd door niemand hunner een enkel woord geuit. De mannen werden allen gebonden en op het stoomschip overgebragt, de vrouwen werden aan boord van den schoener gelaten, die op sleeptouw werd genomen.De aanleiding tot hunne gevangenneming werd op de volgende wijze verklaard.—Den morgen nadat zij waren uitgezeild, misten een aantal familiën in Washington hunne slaven, en dit voorval verwekte niet minder opschudding, dan twee dagen vroeger de bevrijding van Frankrijk had te weeg gebragt. Dien tijd hadden zij op de vriendelijkste wijze geluisterd naar de verdediging, dat het rijk der slavernij ten einde spoedde, omdat zij niet het geringste denkbeeld hadden, dat die taal iets te beteekenen had; en zij waren ten sterkste getroffen door de practische toepassing er van. Over de honderd mannen stegen te paard, om in den omtrek deze nieuwe leerlingen van het leerstelsel der algemeene emancipatie na te zetten. Maar een kleurling, Judson Diggs geheeten, verried den geheelen aanleg. Hij was toornig geworden, omdat, toen hij eene arme vrouw met haar goed naar de boot had gebragt, zij niet in staat was geweest hem de vijf en twintig centen te betalen, die hij geëischt had. Daarom verhaalde hij deze bewonderaars van algemeene broederschap, dat zij niet naar buiten behoefden te rijden, daar hunne slaven de rivier waren afgezakt, en op dit oogenblik toch ver genoeg waren. Terstond werd een stoomboot met twee honderd soldaten bemand en uitgezonden om hen na te zetten.Toen het schip met de gevangen slaven aan wal kwam, greep er eene geweldige opschudding in de stad plaats. De mannen werden, twee aan twee gebonden, door de stad gedreven. Van alle kanten werden zij bespot, beschimpt en uitgejouwd. Iemand vroeg aan een van de meisjes: „of zij het niet prettig vond om gevat te worden als zij was weggeloopen?” en een ander vroeg haar: „of het haar niet speet?” Zij antwoordde: „Neen, als ik het morgen weêr doen kon, zou ik hetzelfde doen.” De man keerde zich tot een der omstanders en zeide: „Heeft ze geen courage?”Maar het meest was men op Drayton en Sayres gebeten, den kapitein en den stuurman van het vaartuig. Booswichten met dolken en pistolen gewapend, schoolden rondom hen bijeen en braakten de hevigste bedreigingen uit. Een van hen drong zoo digt bij Drayton, dat hij hem in het oor sneed, hetwelk Emily zag dat bloedde. Intusschen mengden zich onder de menigte een aantal betrekkingen der gevangenen, die, daar zij hen als zoo vele veroordeelde slagtoffers beschouwden, over hen weenden en jammerden. Een schoonbroeder der Edmondsons werd zoo van smart overweldigd toen hij ze ontwaarde, dat hij op de straat in zwijm viel en bewusteloos naar huis werd gedragen. Het droevige nieuws drong tot de hut van Paul en Milly Edmondson door, en wetende dat al hunne kinderen nu waarschijnlijk voor de zuidelijke markt zouden bestemd worden, lieten zij den vrijen teugel aan hunne smart. „O, welk een dag was dat!” zeide de oude moeder, toen zij dat tooneel voor de schrijfster beschreef. „Ik kon geen enkele bete meer over mijne lippen brengen. Paul en ik, wij vastten en riepen den Heer nacht en dag aan, om den wille onzer arme kinderen!”De algemeene opinie van de stad sloeg tot de innigste verontwaardiging over. Het ging van mond tot mond, dat zij zacht waren behandeld en nooit eene mishandeling ondergaan hadden; en wat kon er hen toe gebragt hebben, om te trachten hunne vrijheid te erlangen? Alles wat de heer Stanton gezegd had van den langzaam voortgaanden invloed dor Amerikaansche instellingen en al zijne aardige vergelijkingen van de zaden der katoenbosschen, schenen geheel en al aan het geheugen der burgers ontsnapt te zijn, en zij konden in de poging van dit volk om zich te bevrijden, niets anders dande verregaandste snoodheid zien. Een aantal raadde hunne eigenaren aan dat zij hun geen vergiffenis schenken zouden—dat er geen genade moest bewezen worden, maar dat zij op staanden voet moesten worden overgegeven in handen der handelaars, om naar de zuidelijke markt te worden gebragt—dat Siberië der onverantwoordelijke dwingelanden van Amerika. Toen al de gevangenen in de gevangenis waren geworpen, kwamen de eigenaars derwaarts, om onder eede te verklaren dat zijn hun eigendom waren, en de eigendom werd ook opgeroepen om onder eede te verklaren, wie hunne meesters waren. Met hen kwamen ook de gehuwde zusters van Mary en Emily; maar het werd haar niet toegestaan een voet in de gevangenis te zetten. De meisjes gluurden door de ijzeren traliën der vensters van de derde verdieping en zagen hare zusters beneden, die op de plaats stonden te weenen.De voogd der Edmondsons, die voor den wettigen eigenaar optrad, oogenschijnlijk door hunne smart getroffen, beloofde hunne familie en vrienden, die, zoo mogelijk, hen wenschten te koopen, dat zij den volgenden morgen daartoe gelegenheid zouden hebben. Misschien was hij op dat oogenblik voornemens ze hem te geven; maar, toen Bruin en Hill, de houders van het groote slavenkoophuis in Alexandria, hen vier duizend vijf honderd dollars voor de zes kinderen boden, waren zij onherroepelijk vóór den volgenden morgen verkocht. Bruin wilde naar geene voorslagen hooren, door eenige hunner vrienden gedaan. De dame, bij wie Mary gewoond had, bood duizend dollars voor haar, maar Bruin sloeg het aanbod af, zeggende: dat hij het dubbel van die som op de markt van New-Orleans van haar maken kon. Hij zeide, dat hij al twaalf jaar lang het oog op die familie gehad had, en beloofd had ze te zullen koopen, als ze maar te koop kwamen.Terwijl de meisjes in de gevangenis waren, hadden zij bedden noch stoelen, en slechts ieder een deken, schoon de nachten verstijvend waren; maar vernemende dat de vertrekken beneden, waar hare broeders waren opgesloten, nog kouder waren, en dat men hun daar geen dekens gegeven had, zonden zij er de hare heen. Des morgens werd het haar vergund eenige oogenblikken op de plaats te wandelen, en van dat oogenblik maakten zij gebruik om naar het venstervan het vertrek harer broeders te snellen, hun goeden morgen te wenschen en door de traliën heen te kussen.Donderdag avond ten tien ure deed men hare broeders handboeijen aan, en werden zij met hunne zusters door hunne nieuwe eigenaars op wagens geplaatst, naar Alexandria vervoerd en in eene gevangenis, een „Georgia Pen” genaamd, geworpen. De meisjes werden alleen in een groot vertrek gelaten, waar eene volslagene duisternis heerschte, zonder bed of deken, waar zij den nacht weenende en zuchtende doorbragten, in volslagene onbekendheid met het lot harer broeders. ’s Morgens ten acht ure werden zij geroepen om te ontbijten, toen zij tot hare groote vertroosting ontdekten, dat hare vier broeders met haar in deze zelfde gevangenis waren opgesloten.Hier bleven zij ongeveer vier weken, terwijl het haar doorgaans vergund werd over dag bij hare broeders te verblijven en des nachts naar haar eigen vertrek terug te keeren. Hare broeders waren ten hoogste bezorgd over haar, daar zij bevreesd waren, dat zij in het Zuiden zouden worden verkocht. Samuel vooral was zeer neêrgedrukt, daar hij de hoofdbewerker van haar ongeluk was. Hij zeide menigmalen, dat hij met blijdschap voor haar wilde sterven, als dit haar redden kon van het lot, dat hij duchtte. Hij weende bijna den ganschen tijd, schoon hij in hare tegenwoordigheid zijne tranen zocht te bedwingen.Inmiddels werden zij in de gevangenis gebezigd om voor dertien man te wasschen, ofschoon hare broeders een groot deel van haar werk op zich namen. Eer zij de gevangenis verlieten, werden zij gemeten en hun signalement opgemaakt door hunne eigenaars. Eindelijk werden zij naar buiten gebragt, den broeders de handboeijen aangedaan, en alle aan boord van een stoomboot gebragt, waarop zich ongeveer veertig slaven, meest mannen, bevonden, die naar Baltimore werden vervoerd. De reis duurde een etmaal. Toen zij te Baltimore aankwamen, werden zij in een slaven-schuthok geworpen dat aan een compagnon van Bruin en Hill toebehoorde. Hij was een ruwe, lompe kerel, die gewoonlijk de goddeloosste taal uitsloeg, en verschrikkelijk gemeen en beleedigend in zijne aanmerkingen omtrent vrouwen was. Hier werd het hun verboden met elkander te bidden, zooals zij tot nutoe waren gewoon geweest. Maar door des morgens zeer vroeg op te staan, maakten zij zich een oogenblik ten nutte, waarin zij hunne gewoonte ongestoord konden opvolgen. Zij, en vier of vijf andere vrouwen, in de gevangenis, kwamen voor het aanbreken van den dag bij elkander om hare harten uit te storten voor de Toevlugt van iederen bedrukte van ziel; en in deze gebeden gedacht men de hardvochtige slavenhandelaars iederen dag. De broeders van Mary en Emily gedroegen zich zeer lief en hartelijk jegens hunne zusters, hetgeen een grooten invloed uitoefende op de andere mannen die met hen waren.In deze plaats werden zij bekend met Tante Rachel, eene zeer godvreezende vrouw van middelbaren leeftijd, die men van haar man gescheiden, verkocht en in de gevangenis geworpen had. Haar echtgenoot kwam menigmalen naar de gevangenis en den handelaar smeeken haar aanzijnemeesters te verkoopen, die hij meende dat genegen waren haar te koopen, als de prijs niet al te hoog was. Maar hij werd met vreeselijke bedreigingen en vloeken weggejaagd. Zij bleven ongeveer drie weken in Baltimore.De vrienden in Washington, ofschoon tot nog toe niet geslaagd in hunne pogingen om het gezin te bevrijden, waren nog altijd ten hunnen behoeve werkzaam; en op zekeren avond werd er een berigt met de telegraaf overgebragt, inhoudende, dat den volgenden morgen met den spoortrein iemand zou komen om een bod te doen voor het gezin en dat een gedeelte van het geld gereed lag. Maar de handelaar was onverbiddelijk; en den volgenden morgen, één uur vóór de aankomst van den trein, werden zij allen ingescheept aan boord van de brikde Unie, die onder zeil lag naar New-Orleans. De bode kwam en bragt negen honderd dollars in klinkende specie mede, het geschenk van een kleinzoon van John Jacob Astor. Deze som was bepaaldelijk bestemd voor den aankoop van Richard Edmondson, daar zijne vrouw en kinderen in Washington ziek lagen; en de handelaar wilde de meisjes op geenerhande voorwaarde verkoopen, ja wilde zelfs niet dulden, dat Richard van de brik werd teruggebragt, die nog voor anker lag. De koop was evenwel gesloten en het geld in Baltimore gedeponeerd.Op deze brik werden de elf vrouwen in een zeer eng verblijfgeplaatst en de dertig of veertig mannen in een daaraan grenzend. Emily was gedurende den geheelen overtogt geweldig zeeziek en hare broeders vreesden dat zij bezwijken zou. Zij droegen haar gewoonlijk naar boven en naar onder, kochten eenige kleine versnaperingen voor hare zusters en droegen alle mogelijke zorg voor haar.Aanhoudende tegenwinden voerden hen gedurig terug; en in hunne bijeenkomsten tot het gebed, die zij iederen avond hielden, waren zij gewoon te bidden, dat de tegenwinden hen naar New-York mogten wederbrengen, en een van de matrozen verklaarde, dat indien zij tot op honderd mijlen afstands van New-York konden komen, en de slaven hen wilden bijstaan, hij den kapitein van kant zou maken, en hen in New-York-zelve binnen brengen.Toen zij digt bij Key West kwamen, seinden zij om een loods, daar de kapitein bevreesd was voor de blinde klippen van die plaats en hij niet wist hoe ze te ontkomen. Toen de loodsboot naderde, werden al de slaven beneden opgesloten en een zwaar zeildoek over het groote luik gespannen, waardoor zij van alle lucht verstoken werden, en bijna stikten. De kapitein en de loods onderhandelden een geruimen tijd over den prijs en er volgde eenig krakeel, daar de kapitein ongeneigd was de door den loods gevraagde som te geven; gedurende al dien tijd was het lijden beneden ondragelijk. De vrouwen geraakten zoo uitgeput, dat zij meest allen buiten kennis waren, en de toestand der mannen was niet veel beter, schoon zij beproefden met een stuk hout eenige gaten aan hunnen kant in het zeildoek te maken, ten einde eenige lucht in te laten, maar slechts een paar van de sterksten mogt het gelukken hierin te slagen. Eenigen hunner schreeuwden om hulp zoo lang hunne krachten het toelieten; en eindelijk, na hetgeen hun een schier eindelooze zamenkomst toescheen, vertrok de loods, die weigerde hen bij te staan; het zeildoek werd weggenomen, en de brik verpligt te wenden en een anderen koers te nemen. Daarop kroop de een na den ander, toen hij weder was bijgekomen en genoegzame kracht had, op het dek. Mary en Emily werden door hare broeders zoo spoedig zij daartoe maar in staat waren, naar boven gedragen.Kort hierop begon de voorraad van levensmiddelen te verminderen,en kwam er gebrek aan water, zoodat de slaven op rantsoen van een maatje daags werden gesteld. De matrozen kregen ieder een kwart en gaven dikwijls een pint er van aan de Edmondsons voor hunne zusters, die het met de andere vrouwen deelden, zoo als zij altijd met iedere kleinigheid deden, welke zij op dergelijke wijze ontvingen.Den dag toen zij aan den mond van den Mississippi kwamen, stak er een geweldige storm op en verhieven zich de golven bergenhoog, zoodat, toen de loodsboot naderde, het nu en dan was of zij door den afgrond verzwolgen en dan weder opgeworpen werd om op nieuw door de diepte verslonden te worden. Eindelijk werden zij in en op de rivier door eene stoomboot geboegseerd en zagen daar voor het eerst katoenplantages, waarin geheele troepen slaven aan den arbeid waren.Zij kwamen in den nacht te New-Orleans aan, en omstreeks tien ure van den volgenden morgen werden zij ontscheept en moesten zij zich naar de zoogenaamde uitstalkamers begeven; op de plaats komende, vonden zij daar een aantal mannen en vrouwen in de rondte zitten met zulke droevige gezigten, dat Emily weldra begon te schreijen, waarop een opzigter haar te gemoet trad en haar onder de kin streek en haar verzocht „met huilen op te houden, of dat hij haar anders iets geven zou waarom zij huilen kon.” Vervolgens haar naar iets heen wijzende, zeide hij „dat daar de Calaboos was, waar diegenen die zich niet goed gedroegen gegeeseld werden.” Niet zoo ras was hij verdwenen of een slavin kwam naar haar toe en ried haar een vrolijk gezigt te zetten, als zij het maar eenigzins kon, daar dit verre weg het beste voor haar zijn zou. Spoedig kwam een van hare broeders haar vragen wat de vrouw haar gezegd had, en toen zij het hem had verhaald, ried hij Emily aan, haren raad op te volgen, en wenschte hij er zelf voordeel mede te doen.Dien eigen avond werd het hair der vier broeders kort geknipt, hunne knevels afgeschoren, en hunne gewone kleeding verwisseld met een blaauwe buis en broek, door al hetwelk zij zulk eene verandering ondergingen, dat hunne zusters hen op dat gezigt niet herkenden. Daarop werden zij drie achtereenvolgende dagen genoodzaakt zich in een open portaal voor aan de straat te vertoonen, om door de voorbijgangers teworden opgemerkt; uitgenomen als er een afgemat was, wanneer zij voor een poosje naar binnen mogten gaan, en een ander hunne plaats innemen. Wanneer er echter koopers kwamen, werd zij in de verkoopzaal op rijen ten toon gesteld en aan ruwe scherts en schimp prijs gegeven. Als iemand gading had in een of ander meisje uit den hoop, riep hij haar tot zich, pakte hij haar beet, deed haar mond open, bezag hare tanden en betastte haar op eene ruwe wijze, terwijl hij over het algemeen smerige aanmerkingen maakte; en zij moest ze aanhooren en verduren zonder den minsten tegenstand. Mary en Emily beklaagden zich bij hare broeders, dat zij zich aan zulk eene behandeling niet konden onderwerpen. Zij spraken er met Wilson over, een der compagnons van Bruin en Hill, die met het opzigt over de slaven in deze gevangenis belast waren. Zij werden hierop met meer kieschheid behandeld.Een ander broeder der meisjes, Hamilton genaamd, was slaaf geweest in of bij New Orleans en had zich juist voor duizend dollars vrijgekocht; dat geld had hij reeds vroeger eens voor zich verdiend, maar men had het hem toen afgenomen. Daar Richard nu werkelijk vrij was dewijl het losgeld voor hem in Baltimore was gedeponeerd, vond hij hem daags na hunne aankomst te New-Orleans uit en bragt hem naar de gevangenis om zijne broeders en zusters te bezoeken. De ontmoeting was boven alle beschrijving aandoenlijk.Hij had zijne zuster Emily vroeger nooit gezien, daar hij voor hare geboorte uit het huis zijner ouders verkocht was.In het verblijf der meisjes bevonden zich ’s nachts tusschen de twintig en dertig vrouwen, die allen op den blooten vloer sliepen, ieder slechts met een deken. Eenige dagen later kwam er tijding (dieeigenlijkonjuist was) dat de helft van het geld wasbijeengebragtom Mary en Emily vrij te koopen. Daarop werd het haar, op dringend verzoek harer broeders, vergund, naar het huis harer vrije broeders te gaan, om den nacht door te brengen, en des morgens terug te keeren, daar zij veel van de moskieten en andere insecten geleden hadden en hare voeten gezwollen en vol builen waren.Terwijl zij in deze gevangenis vertoefden, vernamen zij een aantal voorvallen van vreeselijke wreedheid, ja vielen er zelfs onder hunne oogen voor. Twee slaven, een vrouw en een jongen, werden, terwijl zij er in waren, dood gegeeseld,ofschoon zij niet in hetzelfde schuthok waren, of aan denzelfden handelaar als zij toebehoorden.Niemand van de slaven was het vergund, op den dag een oog te luiken, en somtijds werden kleine kinderen die den geheelen dag ledig zaten of stonden, zoo slaperig, dat zij hunne oogen niet konden openhouden; maar als de opzigter hen daarop betrapte, werden zij onbarmhartig geslagen. Mary en Emily hielden hen gewoonlijk in het oog, en lieten hen slapen tot dat zij de opzigters hoorden aankomen, en dan maakten zij ze wakker en deden hen in een oogenblik overeind springen.Eene jonge vrouw, die door de handelaars tot het ergste doel verkocht was, was teruggekeerd, daar zij niet gelukkig genoeg was geweest haar kooper te bevallen; en, gelijk in dergelijke gevallen de gewoonte is, werd zij zoo gruwelijk gegeeseld—dat er versterving in een gedeelte van haar vleesch ontstond, en men aan haar leven wanhoopte. Toen Mary en Emily voor het eerst te New-Orleans aankwamen, zagen en spraken zij haar. Zij was toen juist begonnen op te zitten, zag er zeer tenger en mooi uit, met fraai regt hair, dat eertijds lang was geweest, maar door hare onbeschofte pijnigers was afgesneden.De opzigter, die haar gegeeseld had, zeide, ten hunne aanhooren, dat hij een ander meisje nooit zoo geeselen zou, want het was te veel voor iemand om te zeggen. Zij veronderstelden, dat de reden waarom hij dit beloofde, daarin gelegen was, dat hij verpligt was haar op te passen en daardoor getuige was van haar lijden. Zij was van Alexandria, maar zij hadden haar naam vergeten.Een jonge man en vrouw, die met hen in de gevangenis waren, en die met elkander verbonden waren om te trouwen, en aan verschillende meesters verkocht werden, waren zoo ter neêrgeslagen bij hunne scheiding, dat zij niet goed werkten of konden werken, en de jonge man werd spoedig teruggezonden met de klagt, dat hij niet aan het doel beantwoordde. Natuurlijk moest het geld teruggegeven en hij gegeeseld worden. Hij werd veroordeeld om een week lang iederen avond te worden gegeeseld, en, nadat hij twee honderd slagen van den opzigter had ontvangen, werd ieder der mannelijke slaven die in de gevangenis waren, gedwongen om hem uit al zijne magt vijf slagen toe te brengen, op straffe van zelf te wordengegeeseld. De jonge vrouw werd eveneens teruggezonden met een briefje van hare nieuwe meesteres, waarin zij verzocht, dat haar een zeker getal slagen zou worden toegediend, en tevens het geld was gesloten, dat daarvoor stond; aan welk verzoek op staanden voet voldaan werd.Terwijl zij in New Orleans waren, zagen zij reeksen van aan elkander geketende vrouwen de straten schoonmaken, waarvan sommige een zwaren ijzeren kogel aan haar keten medesleepten; eene soort van straf, over het algemeen in zwang voor werkmeiden, die hare meesteressen mishaagd hadden.Hamilton Edmondson, de broeder die zich-zelf had vrijgekocht, wendde alle mogelijke pogingen aan om zijne broeders en zusters in New Orleans een goed huis te bezorgen, zoodat zij niet ver van elkander behoefden gescheiden te worden. Op zekeren dag nam Mr. Wilson, de opzigter, Samuel met zich mede in een rijtuig en keerde zonder hem terug. De broeders en zusters bemerkten spoedig, dat hij verkocht en de Hemel wist waarheen gegaan was; maar het was hem op straffe van zware kastijding verboden te weenen, of zelfs een droevig gezigt te vertoonen. Tot hunne groote vreugde kwam hij echter den volgenden dag bij hen in de gevangenis, en verhaalde hun, dat hij een goed huis in de stad bij een Engelschman had gekregen, die duizend dollars voor hem besteed had.Nadat zij drie weken in deze gevangenis hadden doorgebragt, deelde men de Edmondsons mede, dat door het toenemen van de gele koorts in de stad, en doordien zij nog niet geacclimateerd waren, het voor hen gevaarlijk werd om hier langer te blijven; en dat daarenboven door dit alles de koopers weinig lust hadden om hooge prijzen te besteden. Sommige slaven in het schuthok waren reeds ziek; eenige hunner oud, arm en morsig, en daardoor grootelijks vatbaar voor ziekte. Richard Edmondson was reeds vrijgekocht en moest dus worden teruggezonden, en alles wel bezien oordeelde men het best om zonder dralen een troep te maken en naar Baltimore te zenden.De Edmondsons ontvingen dit berigt met groote blijdschap, want het was hun niet onbekend gebleven dat het geld, hetwelk bijeen gebragt werd om hen vrij te koopen, al vrij wat geklommen was. Hun broeder, die in vrijheid was, voorzag hen van menig gemak voor dezen togt, zoo als een matras, dekens,lakens en allerhande soort van eet- en drinkwaren; en, door hunne vrienden naar het schip uitgeleide gedaan, werden zij juist met den avond aan boord van de brikde Unieingescheept en buiten de rivier geboegseerd. De brik had bijna een volle lading van katoen, siroop, suiker, enz. in, en derhalve was de ruimte voor de slaven al zeer beperkt. De plek, die der vrouwen was toebedeeld, was een klein, naauw, smerig vertrek, misschien acht of tien voet in het vierkant, van binnen opgepropt met katoen, dat op twee of drie voet van den zolder reikte, met uitzondering van de plek, die vlak onder het luik was. Richard Edmondson hield zijne zusters bij zich op het dek, hoewel zij daar zonder eenige beschutting waren: bereidde hun eten zelf, maakte hun bed boven op de katoenbalen, of waar hij slechts een plekje vinden kon, en legde zich dan nevens haar te slapen. Somtijds als er een storm opstak in het holle van den nacht, sprong hij op en wekte haar, en haar bed en beddegoed opnemende, geleidde hij haar naar een kleine soort van voorraadkast, waar zij juist alle drie in staan konden tot de storm over was. Somtijds wist hij hun uit stukken van planken of iets anders op het dek een tijdelijke beschutting te bezorgen.Na eene reis van zestien dagen, kwamen zij te Baltimore aan, in de zekere verwachting dat de dagen hunner slavernij waren geteld. Hier werden zij weder naar dezelfde oude gevangenis gebragt, waaruit zij eenige weken geleden genomen waren, ofschoon zij veronderstelden dat het slechts voor een uur of wat wezen zou. Mr. Bigelow, van Washington, kwam terstond om Richard. Toen de meisjes ontwaarden dat ook zij niet in vrijheid gesteld werden, was hunne smart en teleurstelling onuitsprekelijk. Maar zij werdengescheiden—Richard om naar zijn huis, zijne vrouw en kinderen te gaan, en zij om in de slavengevangenis achter te blijven. Er verliepen allerverdrietigste dagen en nachten. Des morgens waren zij genoodzaakt om de plaats op de muziek van vedels, banjoes, enz. in het rond te loopen; op den dag waschten en streken zij voor de mannelijke slaven, en versliepen of bragten het overige gedeelte met weenen door. Na eenige weken kwam haar vader haar bezoeken, vergezeld door hare zuster.Het was gedeeltelijk zijn doel om zich te vergewissen wat de laagste prijs was waarvoor hun eigenaar de meisjes zouwillen verkoopen, daar hij eene flaauwe hoop koesterde, dat op de eene of andere wijze het geld zou worden bijeen gebragt, als men er den noodigen tijd maar voor liet. De handelaar verklaarde, dat hij ze spoedig naar eene andere slavenmarkt zenden zou, maar dat hij twee weken wilde wachten en, als de vrienden in dien tijd het geld konden magtig worden, zij haar zouden hebben.Den nacht, dien haar vader en zuster met haar in de gevangenis doorbragten, lag hij in het vertrek boven haar; en zij konden hem den ganschen nacht hooren kermen; terwijl hare zuster aan hare zijde zat te weenen. Geen hunner kon dien nacht een oog luiken.Den volgenden morgen begon op nieuw de verdrietelijke routine van de slavengevangenis. De oude Paul wandelde bedaard over de plaats, en zette zich neder om de arme slaven, die daar rondliepen, te beschouwen. Hij had zijne dochters vroeger nooit in zulk een toestand gezien, en hij werd door zijn gevoel overweldigd. De plaats was niet groot, en de meisjes, als zij langs hem henen wandelden, raakten hem bijna met hare kleederen aan, en konden hem in zich-zelven hooren jammeren. „O mijne kinderen, mijne kinderen!”Na het ontbijt, hetwelk geen van haar in staat was te nuttigen, scheidden zij van elkander, terwijl de vader den handelaar smeekte, om haar naar New Orleans te zenden, als het geld niet kon worden bijeengebragt, dewijl hare broeders haar daar misschien goede meesters konden bezorgen.Twee of drie weken later bezochten Bruin en Hill de gevangenis, ontbonden hunne compagnieschap met den handelaar, sloten de rekening met elkander en namen de Edmondsons op nieuw in hun bezit.De meisjes werden ’s nachts ten elf ure, toen zij pas in slaap waren geraakt, gewekt en gelast zich terstond gereed te maken om naar huis te gaan. Zij hadden geleerd, dat het woord van een slavenhouder niet te vertrouwen is, en vreesden dat zij naar Richmond of Virginia zouden gezonden worden, omdat zij daarvan hadden hooren praten. Zij waren spoedig met den spoortrein op weg met Bruin, en kwamen een weinig na middernacht te Washington aan.Hare harten klopten van vreugde, toen zij, na deze maanden-lange bittere gevangenschap, zich weder in dezelfdestad bevonden, waar hare broeders, zusters en bloedverwanten woonden. Maar het werd haar niet toegestaan iemand der haren te zien; zij werden in een rijtuig geplaatst en terstond naar de slavengevangenis van Alexandria overgebragt, waar zij, omstreeks twee uren in den nacht, zich op nieuw in hetzelfde ellendige oude vertrek geworpen zagen, waar haar gevangenis-tijdperk een aanvang had genomen.Dit gebeurde op het einde van Augustus. Andermaal werden zij gebezigd om over dag te wasschen, te strijken en te naaijen, terwijl zij des nachts werden opgesloten. Nu en dan werd het haar toegestaan in het huis van Bruin te naaijen en er zelfs te eten. Toen zij een week of drie in Alexandria geweest waren, kwam hare oudste gehuwde zuster, die sedert geruimen tijd niets van haar gehoord had, bij Bruin, om zoo mogelijk iets van haar te vernemen, en hare verrassing en vreugde waren niet gering, toen zij haar nog eens en zelfs daar zag. Eenige weken later kwam haar oude vader haar op nieuw bezoeken. Hoe hopeloos het denkbeeld van hare bevrijding ook mogt schijnen, toch bleef hij er aan vasthouden. Hij had eenige aanmoediging en bijstand te Washington ontvangen, en was voornemens naar het Noorden te gaan om te zien of hij daar iets kon gedaan krijgen; en hij verlangde vurig van Bruin te hooren, wat wel de laagst mogelijke prijs was, waarvoor hij zijne dochters kon inkoopen. Bruin stelde zijne voorwaarden op in het volgende document, hetwelk wij hier laten volgen:Alexandria, (Virginia) 5 Sept. 1848.Houder dezes is Paul Edmondson, de vader van twee meisjes, Mary Jane en Emily Catharina Edmondson. Deze meisjes zijn door ons gekocht en ééns naar de zuidelijke markt gezonden, en op de stellige verzekering dat het geld voor haar zou zijn bijeen gebragt, als zij terug gevoerd werden, waren zij terug gekeerd. Naar het schijnt is in dit opzigt tot nog toe niets door hen, die het beloofden, verrigt, en wij zijn op het punt om haar andermaal naar de zuidelijke markt te zenden, en wij verklaren het opregtelijk, dat, als zij er weder heengaan, wij niet het minste acht zullen slaan op beloften, die in betrekking tot haar mogten gedaan worden. De vader wenscht het geld, datvoor haar betaald moet worden, bijeen te brengen, en is voornemens een beroep te doen op de milddadigheid van de menschlievenden en goeden om hem bij te staan, en heeft ons verzochtde voorwaarden, waarop wij zijne dochters willen verkoopen, in schrift te stellen.Wij zijn voornemens onze bedienden binnen weinige dagen naar het Zuiden te zenden. Als de som van twaalf honderd (1200) dollars binnen veertien dagen aan ons wordt ter hand gesteld, of wij zekerheid voor dit bedrag ontvangen hebben, zullen wij haar nog vijf en twintig dagen langer ophouden, om gelegenheid te geven tot het verkrijgen der andere duizend en vijftig (1050) dollars, anders zullen wij genoodzaakt zijn haar met onze andere bedienden te verzenden.Bruin en Hill.Paul nam zijne papieren en scheidde met een beklemd gemoed van zijne dochters. Van dat oogenblik af leefden zij in de grootste onzekerheid. Gedurig zagen zij naar een brief of een bode uit en baden God, dat Hij haar ergens een bevrijder mogt verwekken. Maar dag op dag en week op week ging voorbij, en de gevreesde tijd kwam al nader en nader. De voorbereidende werkzaamheden tot het gereed maken van een troep voor Zuid-Carolina namen een aanvang. Kleurig katoen werd voor haar gekocht om er pronkkleederen van te vervaardigen, waarin zij ten verkoop zouden worden aangeboden. Zij maakten ze met vrij wat bitterder smart op dan waarmede zij hare eigene doodshemden zouden vervaardigd hebben. De hoop was bijna in haar binnenste gestorven. Eenige dagen voor dat de troep zou worden afgezonden, bragt hare zuster haar een droevig afscheidsbezoek. Zij vermengden hare gebeden en tranen met elkander, en de meisjes maakten kleinesouveniers, die zij als afscheidsgeschenken aan hare broeders en zusters en haar bejaarde vader en moeder zonden, en met een vaarwel, veel smartelijker dan dat van een sterfbed, scheidden de zusters.De avond, voor dat de troep vertrekken zou, naderde. Mary en Emily begaven zich naar het huis om afscheid van Bruins familie te nemen. Bruin had een dochtertje dat een speelpopje en lievelinge van de meisjes geweest was. Zijklemde zich aan haar vast, huilde en bad, dat men haar niet zou laten vertrekken. Emily zeide haar, dat als zij wilde dat zij zouden blijven, zij het aan haar vader moest gaan vragen. Vervuld met hare boodschap, huppelde de kleine pleitster henen, en plaagde hem zoo geducht en hield zoo sterk aan, dat hij, om haar te vrede te stellen, er in bewilligde om haar te laten blijven, als zijn compagnon Hill er in toestemde. Op dit oogenblik ging Bruin, die Mary overluid in de gevangenis hoorde kermen, naar haar toe. Met al de kracht der wanhoop deed zij een laatste beroep op zijn hart. Zij smeekte hem, zich in hare plaats te stellen, te denken aan zijne eigene kleine dochter; zij stelde hem voor wat het zijn zou, als zij werd ontrukt aan alles wat zij op aarde bezat, en alle hoop van bevrijding voor haar verloren ging, op het eigen oogenblik, dat zij de vrijheid verwachtte! Bruin was niet bepaald van steen, en dit vreeselijke beroep bragt hem de tranen in de oogen. Hij gaf haar eenige hoop, dat, als Hill er in wilde toestemmen, zij niet met den troep zou worden verzonden. Een slapelooze, in tranen, gebeden en zuchten doorgebragte nacht volgde. Eindelijk brak de morgen aan, en, overeenkomstig de bevelen die zij den vorigen dag ontvangen hadden, maakten zij zich gereed om te vertrekken, zetten zelfs hare mutsen op, sloegen hare doeken om en stonden te wachten tot het sein zou worden gegeven. Toen de laatste traan der hoop was gedroogd en zij naar buiten waren gekomen om zich bij den troep te voegen, werd Bruins hart tot zachtheid geneigd. Hij riep haar tot zich, en zeide haar dat zij mogten blijven! O! wat werden hare harten hierdoor verblijd, daar zijnueen weinig langer mogten hopen! Of de smeekingen van de kleine Martha òf Mary’s aandrang, hadden de overwinning behaald.Spoedig vertrok de troep te voet; mannen, vrouwen en kinderen, twee aan twee, de mannen allen met handboeijen aan elkander vastgehecht, de regtervuist van den een tegen de linkervuist van den ander, terwijl een keten, die tusschen de handboeijen doorliep, het eene paar aan het andere verbond.De vrouwen en kinderen liepen aldaar op dezelfde wijze, met handboeijen of ketens aan. Drijvers liepen vooraan enop zijde, om diegenen op te nemen, die ziek of gebrekkig waren; zij waren verpligt zichzingendein beweging te stellen! begeleid door vedels en banjoes!—„Want zij, die ons als gevangenen wegvoerden, eischten van ons een lied, en zij, die ons aan de ellende prijs gaven, eischten vrolijkheid van ons.” En dit is een tooneel dat men dagelijks kan zien in een Christelijk land!—en verkondigers van Christus zeggen, dat het regt om zulke dingen te bedrijven,door God zelven gegeven is!!Intusschen trok Paul Edmondson naar het Noorden om daar hulp in te roepen. Iemand die in die dagen met den spoortrein reisde, moet er een eerwaardigen zwarten man in hebben aangetroffen, wiens geheele voorkomen en houding den geduldigsten ootmoed verried en die een zwaren last van verpletterend lijden met zich scheen om te dragen, als iemand die lang de smart had gekend. Die man was Paul Edmondson.Alleen, zonder vrienden, onbekend, en wat nog het ergste van allen is, zwart van huid, kwam hij in de uitgestrekte, woelige stad New York, om te zien, of er ook iemand zijn mogt, die hem vijf en twintig honderd dollars kon geven, om daarmede zijne dochters vrij te koopen. Kan iemand beschrijven wat een arm man gevoelt, die, met dat doel, eene bedrijvige, rijke stad, alleen en onbekend, binnentreedt? De schrijfster bezit nu in den brief eens slavenvaders en echtgenoot, die naar Portland was gekomen met een dergelijke boodschap, eene roerende uitdrukking van dat gevoel:—Ik liep den ganschen dag, tot dat ik uitgeput van vermoeijenis en ontmoedigd was. O! mevrouw S.—als ik zoo veel menschen zie, die zoo veel meer dingen schijnen te bezitten dan zij noodig hebben, of weten wat zij er meê doen zullen, en dan indenk, dat ik tot boven mijn veertigste jaar, mijn geheele leven door hard gewerkt heb, en zelfs mijne eigene vrouw en kinderen niet tot mijn eigendom kan maken, voel ik mij, o, zoo krank en neêrslagtig!Zoo krank van ziel en terneêrgeslagen gevoelde zich Paul Edmondson. Hij begaf zich naar het anti-slavernij-kantoor, en zeide wat er hem henen dreef. Het was zulk een groote som en ze scheen zoo geweldig hoog, dat, ofschoon men denarmen vader beklaagde, men den moed niet had, om te trachten die bij elkaâr te krijgen. De beambten schreven naar Washington, om zich van de waarheid van onderscheidene punten te overtuigen, en schreven aan Bruin en Hill, om te beproeven of zij niet iets van den prijs wilden laten vallen. Intusschen ging de arme oude man van den eenen raadsman naar den ander. Men had hem aanbevolen naar den eerwaarden H. W. Beecher te gaan, en dien zijne geschiedenis te verhalen. Hij vroeg den weg naar zijn huis—klom de trappen van het bordes op om aan te schellen, maar zijn hart ontzonk hem—hij bleef schreijende op de trappen zitten.Daar werd hij door Mr. Beecher gevonden. Hij nam hem met zich naar binnen, en vroeg hem naar zijne geschiedenis. Dien avond zou er een openbare vergadering zijn ter inzameling van gelden. De rampzalige vader smeekte hem er heen te gaan en de zaak zijner kinderen te bepleiten. Hij ging er heen en sprak, alsof hij voor zijn eigen vader en zusters sprak. Andere geestelijken gingen op dezelfde wijze met spreken voort,—de vergadering werd enthousiastisch, en het geld werd op de plek ingezameld, en de arme Paul legde dien avond zijn hoofd tot dankbaarheid neêr op zijn kussen—niet om te slapen, maar om te danken!Inmiddels hadden de meisjes vreeselijk lange dagen in de gevangenis doorgebragt. Daar werden zij gebezigd om voor Bruin’s huisgezin te naaijen, terwijl ze nu eens in de gevangenis en dan weder in het huis werkten.Het verdient vermeld te worden dat Mr. Bruin van geheel anderen aard is dan een aantal mannen van zijn beroep. Hij is iemand dien men nooit onder de slavenhandelaars zou hebben aangetroffen, indien niet het achtingswaardigste gedeelte der maatschappij het regt verdedigd had, om te koopen en te verkoopen, als eene instelling van God zelven. Waar is het, dat Mr. Bruin een van de eerste inteekenaars op deNational Erain het district Columbia was, en toen een zeker iemand zich daar in groot gevaar bragt, door het bijstaan van slaven in hunne vlugt, en er niemand te vinden was die voor hem wilde borg blijven, kwam Mr. Bruin te voorschijn en was zoo vriendelijk zich borg te stellen.Terwijl wij het afschuwelijke stelsel en dien afschuwelijkenhandel met geheel ons hart verfoeijen, gelooven wij, dat er geen kwaad in gelegen is, te wenschen, dat zoo iemand een beter bedrijf had om uit te oefenen. Toch kunnen wij niet nalaten al de zoodanigen te herinneren, dat, wanneer wij voor den regterstoel van Christus geroepen worden, iedereenvoor zich-zelf alleenzal verantwoorden, en dat Christus niet als eene verontschuldiging der zonde, de woorden van al de geestelijken en al de synoden des lands zal aannemen. Hij heeft ons de schoone les geschonken: „Wacht u voor de valsche profeten;” en als de menschen er zich niet voor willen wachten, komt hun bloed over hunne eigene hoofden.Terwijl de meisjes onder Mr. Bruin’s bewaring waren, werden zij met zoo veel vriendelijkheid en onderscheiding behandeld, als maar bij eenige mogelijkheid bestaan kon, met het voornemen om ze te verkoopen. Het valt niet te betwijfelen, of Bruin voor zich, behandelde haar vriendelijk, en wenschte opregtelijk dat zij mogten worden vrij gekocht; maar dan zag hij geen reden om twee duizend vijf honderd dollars te verliezen. Hij was, met betrekking tot dit punt, juist in dezelfde moeijelijkheid geplaatst als sommige leden van verschillende kerken te New York, toen hun slaven als onderpand voor gelden, die men in het Zuiden schuldig was, waren toebedeeld. Het speet hem om harent wille en hij wenschte wel en hoopte, dat de Voorzienigheid voor haar zoude zorgen, wanneer zij verkocht waren, maar toch kon hij er niet toe overgaan om zijn geld te verliezen, en zoo lang zulke lieden ouderlingen en avondmaalgangers in kerken van New York blijven, moeten wij ons niet verwonderen dat er in Alexandria slavenhandelaars blijven bestaan.Het is een der groote kunstgrepen van den vijand der zielen menschen te verlokken om hunne deelneming in ééne soort van zonde te vergoeden, door hun godvreezende afschuw van eene andere soort. De slavenhandelaar is de algemeene zondebok, waarop al de partijen hare verontwaardiging geladen hebben, terwijl zij van hem kochten of aan hem overdeden.In den vijftigsten Psalm wordt eene geduchte waarschuwing gegeven aan allen, die met woorden hun geloof hebben beleden, maar wier daden getuigen, dat zij de ongeregtigheidgoedkeuren, en waar Christus wordt voorgesteld als hen van Zijnen regterstoel aldus toesprekende:—„Wat hebtgijmijne inzettingen te vertellen en neemt mijn verbond in uwen mond, dewijl gij de kastijding haat, en mijne woorden achter u henenwerpt? Indien gij eenen dief ziet, zoo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.”Één ding is zeker, dat al degenen die deze dingen, hetzij openlijk, hetzij in het geheim bedrijven, ten laatste hunne rekening moeten vereffenen met een regter die geen aannemer des persoons is, en die even spoedig een ouderling van de kerk zal veroordeelen wegens slavenhandel als een slavenhandelaar van beroep; ja hij zal het verdragelijker maken voor het Sodom en Gomorra der slavenhandels, dan voor hen;—want men kan veilig aannemen dat de handelaar, als hij de middelen der genade gekend had zoo als zij, er reeds lang berouw over zoude gehad hebben.Maar keeren wij tot onze geschiedenis terug. De meisjes zaten voor het open raam van haar kamertje te naaijen, toen Emily tot Mary zeide: „Zie eens, Mary, daar hebt ge dien blanken man, dien wij uit het Noorden hebben zien komen.” Zij zagen beiden naar buiten en een oogenblik later ontwaarden zij haar eigen dierbaren vader. Zij sprongen en vlogen door het huis en het kantoor de straat op, en huppelden terwijl zij liepen, gevolgd door Bruin, die zeide op dat oogenblik gemeend te hebben dat de meisjes krankzinnig waren. In één oogenblik lagen zij in haars vaders armen, maar bemerkten dat hij ongemeen beefde en zijne stem zwak was. Zij vroegen hem daarbij of hij het losgeld voor haar gekregen had. Bevreesd om al te spoedig hare verwachtingen op te wekken eer de papieren van hare vrijverklaring geteekend waren, zeide hij dat hij weldra met haar hoopte te spreken, en begaf zich in het kantoor met Mr. Bruin en Mr. Chaplin. Mr. Bruin verklaarde dat hij innig verheugd was, zoo als hij ook inderdaad was, dat zij het geld hadden meêgebragt; maar scheen zeer getroffen over de wijze, waarop de eerwaarde H. W. Beecher van hem had gesproken op de „liberation meeting” te New-York, daar hij het hard oordeelde, dat er geen onderscheid werd gemaakt tusschen hem en andere handelaars, daar hij zich zooveel inschikkelijker en menschlievender had getoond dan het grootste deel onder hen.Hij telde echter het geld na, teekende de papieren van ganscher harte en nam er voor elk van de meisjes een goud vijf dollarsstuk af tot een afscheidsgeschenk.De zaak duurde langer dan zij zich hadden voorgesteld en de tijd scheen de arme meisjes eene eeuw toe, die in de grootste onrust nu eens naar binnen dan weder naar buiten liepen, in het onzekere welk lot haar boven het hoofd hing. Zou haar vader het geld hebben gebragt? Waarom beefde hij zoo? Zou hij het geld toch niet gekregen hebben? Of zou hare moeder ook soms gestorven zijn, want zij hadden gehoord dat zij zeer ziek was!!Eindelijk kwam er een bode die haar toeriep:„Gij zijt vrij, gij zijt vrij!” Emily gelooft dat zij bijna tot aan den zolder sprong. Zij danste, klapte in de handen, lachte en schreide overluid. Weldra kwam haar vader bij haar, omhelsde haar en beproefde haar tot bedaren te brengen en zeide dat zij zich gereed moesten maken om naar hare moeder te gaan. Dit deden zij, zonder zelve te weten hoe, maar trouw geholpen door het geheele gezin, dat van ganscher harte in hare blijdschap scheen deel te nemen. Haar vader liet een rijtuig komen om haar naar de werf te brengen, en met eene vreugde die alle beschrijving te boven gaat, namen zij een allerteederst afscheid van geheel het huisgezin en gingen daarin zelfs Bruin niet voorbij. Het goede dat in de menschelijke natuur is, had in een oogenblik de overhand en allen waren tot tranen van deelnemende blijdschap geroerd. Haar vader, die zijne vreugde zelf geweld aandeed, wendde al het mogelijke aan, om hare opgewondenheid tot bedaren te brengen, en ten langen laatste gelukte hem dit gedeeltelijk. Toen zij te Washington aankwamen stond er een wagen gereed om haar naar het huis harer zuster te brengen. Lieden van allerlei rang en stand liepen te hoop om haar te zien. Hare broeders namen haar in hunne armen en liepen met haar rond, bijna krankzinnig van blijdschap. Hare bejaarde en eerbiedwaardige moeder, van hare ziekte bevrijd door den tegenprikkel van het blijde nieuws, was daar en weende en dankte den Almagtige. Ververschingen werden in het huis harer zuster gereed gemaakt voor die haar kwamen bezoeken, en onder gegroet en gejuich, tranen en blijdschap, gebeden en dankzeggingen, maar zonder den minsten slaap, werd denacht gesleten, en de morgen van den 4den November 1848 lichtte over haar als over vrijen en gelukkigen.Met de vorige lente en wel in de maand Mei, zoo als de schrijfster reeds heeft te kennen gegeven, kwam de bejaarde moeder der Edmondsonsche familie te New York, en de reden van hare komst kan kortelijk worden medegedeeld. Zij had nog eene dochter, de steun en de hulp van hare grijsheid, of, zoo als zij zich in hare eigenaardige taal uitdrukte „de laatste droppel bloed in haar hart.” Zij had ook nog den zoon van een en twintig jaren, die nog slaaf was op eene naburige plantage. Men hield het er voor, dat de ziekelijke vrouw, in wier naam de bezitting werd beheerd, haar einde nabij was, en de arme ouders waren door de vrees beklemd, dat wanneer zij stierf, hunne beide overblijvende kinderen bij de scheiding van den boedel verkocht en dus naar de gevreesde zuidelijke markt zouden gezonden worden. Niemand kan het beschrijven welk een altoosdurende vrees de slavengevangenissen en de slavenhandelaars aan al de ongelukkige familiën in den omtrek inboezemen. Alles waarvan andere ouders op hunne kinderen met vreugde en trots neêrzien, is voor deze arme schepsels eene bron van onrust en verdriet, omdat het het kind slechts zoo veel te meer tot een verkoopbaar artikel maakt. Het is dus geen wonder, dat het licht in Paul’s en Milly’s hut door het verschrikkelijke denkbeeld verduisterd werd.Zij die over deze kinderen gesteld waren, hadden haar vader een schriftelijke belofte gegeven, dat zij ze hem voor eene zekere som zouden verkoopen, en door langdurig smeeken hadden zij honderd dollars laten zakken van de twaalf honderd die hij behoefde. Maar hij was nu door ziekte aan zijn bed gebonden. Na een vurig gebed te hebben opgezonden, tot den Helper der hulpeloozen, zeide Milly op zekeren dag tot Paul: „Ik zal u eens wat zeggen, Paul; ik zal zelf naar New York gaan, om te zien of ik dat geld niet kan oploopen.”Paul antwoordde: „Maar beste Milly, hoe zoudt gij dat kunnen? Gij moet eigenlijk in bed blijven, en gij zijt nog nooit van uw leven op den spoortrein geweest?”„Wees maar niet bang, Paul,” zeide ik: „ik zal gaan vol vertrouwen op den Heer; en de Heer zal mij in Zijne hoede nemen en Hij zal mij geleiden, dat weet ik.”Ik ging dus naar den trein en nam een blanke aan, die mij er inhielp en, waarlijk, daar vond ik twee Bethel-predikers, en de een zat hier en de andere daar naast mij den geheelen weg over; en zij zorgden voor mijn briefjes en goed en zagen alles voor mij na, en deden alles voor mij. Den geheelen weg over gebeurde er niets niet mij. Somtijds als ik afstapte in de koffijkamers, zagen de menschen mij aan en schoven met zulk een verachtelijken blik op! Wel, dacht ik, ik hoop dat de Heer u tot betere gedachten brengen zal.”Emily en Mary, die ergens in New York naar school waren gezonden, kwamen in de stad om hare moeder te bezoeken en zij bragten haar terstond naar het huis van den eerwaarden Henry W. Beecher, waar de schrijfster zich toen juist bevond. Schrijfster dezes stelt zich het tooneel nog levendig voor den geest, toen zij het eerst deze moeder en dochters ontmoette. Het dient vermeld te worden, dat zij elkander toen in geen vier jaren gezien hadden. Zij zaten aan weêrskanten van hare moeder, ieder met een harer handen in de hare, en de blik van trots en liefde, waarmede zij haar aan de schrijfster voorstelden, was roerend om te zien. Nadat zij was voorgesteld aan de schrijfster, ging zij op nieuw tusschen haar zitten, nam eene hand van ieder, en sloeg eerst op de eene en toen op de andere een ernstigen blik, en opziende, zeide zij met een glimlach:„O, die kinderen! hoe zij ons aan het harte liggen!”Zij beschreef toen aan de schrijfster al haar kommer en angst omtrent hare jongste kinderen. „Nu, mevrouw,” zeide zij, „die man door wien het groote handelshuis te Alexandria gehouden wordt,die man,” en zij drukte hierop met innige verontwaardiging, „heeft laten vernemen of er nog meer kinderen van me waren, die verkocht konden worden. Die man zeide dat hijmijverlangde te zien. Ja, mevrouw, hij heeft gezegd twintig dollars te willen geven om mij te zien. Ik zou hem niet willen zien, al gaf hij er mij honderd. Hij heeft mij laten vragen om bij hem te komen en hem te zien, toen hij mijne dochters in zijne gevangenis had opgesloten. Ik wilde niet gaan om hem te zien; en ik had geen behoefte om haar daar te zien.”Hare beide dochters Emily en Mary werden hierop zeer boos en uitten eene zeer natuurlijke maar bittere taal jegensalle slavenhouders. „Stil kinderen! gij moet uwe vijanden vergeven,” zeide zij. „Maar zij zijn zoo goddeloos,” zeiden de meisjes. „Ach kinderen dezondemoet gij haten, maar denzondaarliefhebben.” „Nu, moeder,” zeide een van de meisjes, „als ik op nieuw eene slavin moest worden, zou ik mij van kant maken.” „Dat geloof ik niet, kind; dat zou goddeloos zijn.” „Maar moeder, ik zou hettochdoen; ik weet dat ik het nooit meer zou kunnen verdragen.” „Draag het, mijn kind!” was haar antwoord, „want de heerlijkheid zal hiernamaals des te grooter zijn, naarmate men hier meer heeft verdragen.”Terwijl zij deze woorden sprak, was er iets onbeschrijfelijk gevoeligs in hare stem en voorkomen, eene plegtigheid en kracht, maar gepaard met zachtheid, die nooit uit mijn geheugen zullen worden gewischt.Deze arme slavenmoeder, wier geheele leven eene lange beleediging van hare heiligste gevoelens geweest was; wie men de gelegenheid ontnomen had om Gods Woord te lezen; wier edele pelgrimstogt door de ongeregtigheid eener Christelijke natie tot een dag van ellende gemaakt was; zij had toch geleerd het grootste raadsel der Christelijke zedeleer op te lossen en te doen wat zoo weinig hervormers doen kunnen—dezondete haten, maar denzondaarlief te hebben!Door deze geschiedenis was eene groote belangstelling onder de dames in Brooklyn ontstaan. Er werden verscheidene groote meetings in verschillende salons gehouden, waarin de oude moeder hare geschiedenis met groote eenvoudigheid en diep gevoel mededeelde, en spoedig werd er eene inteekening geopend tot loskooping van de twee overgeblevenen harer familie. Het zal misschien niet zonder belangstelling vernomen worden, dat aan het hoofd der inteekenlijst de naam prijkte van de beminnelijke en weldadige Jenny Lind Goldsmidt.Eenige dames, die deze roerende geschiedenis hoorden verhalen, stelden zooveel belang in miss Edmondson-zelve, dat zij verlangden eene daguerreotype van haar te laten maken, opdat zij zoo wel gesterkt mogten worden door haar rustig gelaat als de schoonheid van waarachtige deugd, die daarvan afstraalde, er in te bewonderen. Overeenkomstig dat verlangen vergezelde zij haar naar het atelier, met al den eenvoudvan een klein kind. „O,” zeide zij tot eene der dames, „gij kunt niet nagaan hoe gelukkig ik ben, dat ik hier ben gekomen, waar iedereenzoo vriendelijkjegens mij is!” Toen ik den vorigen avond naar huis ging, was ik zoo gelukkig, dat ik er niet van slapen kon. Ik moest het gedurig aan mijn Heiland zeggen, hoe gelukkig ik was.”Eene dame sprak met haar om dit of dat te lezen. „God zegene u, mijn liefje! Ik kan geen letter lezen.”„Hoe hebt gij dan,” vroeg haar eene andere dame, „zooveel van God en van de hemelsche dingen geleerd?”„Wel, het gelijkt eenegiftvan boven.”„Kan men den Bijbel dan voor u lezen?”„Wel zeker, Paul kan een beetje lezen; maar hij heeft over dag zoo veel te werken, en als hij laat in den avond t’huis komt, is hij zoo vermoeid! en zijne oogen zijn slecht. Maar dan onderwijst mij deGeest.”„Gaat gij dikwijls naar de kerk?”„Niet zeer veel; wij wonen zoo ver af. ’s Winters kan ik het nooit. Maar o! hoe dikwijls ben ik als ’t ware ter kerk geweest, en heb ik gebeden—en had ik gemeenschap met mijn Zaligmaker!” Nooit zal ik den glimlach vergeten die haar onder het uiten dezer woorden om den mond speelde. Een klein meisje van eene der dames maakte een paar allerscherpste aanmerkingen over iets in het atelier van den daguerreotypist en werd daarover door hare moeder bestraft.De oude vrouw zag haar met haar rustigen glimlach aan.„Dat herinnert me,” zeide zij, „wat ik eens een predikant hoorde zeggen. „Vrienden,” zeide hij, „als gij dit of dat weet, hetwelk het hart van uwen broeder kan verheugen,haast u dan om het te zeggen; maar als het iets is dat hem slechts een zucht zal kosten, houdt het dan voor u! houdt het dan voor u!” O, wat heb ik mijne kinderen dikwijls gezegd: „Houdt het voor u, houdt het voor u!””Toen schrijfster dezes van de oude vrouw afscheid nam, zeide zij tot haar. „Nu, vaarwel, mijne waarde vriendin; blijf mijner gedenken en bid voor mij.”„Voorubidden!” zeide zij op ernstigen toon. „Zeker zal ik dat, ik kan het niet helpen.” En haar vinger opheffende zeide zij op een nadrukkelijken toon, bijzonder eigen aanouden van haar stam: „Ik zal u wat zeggen, wij hebben zelf nooit goed brood totdat wij beginnen het eerstvoor onze broeders te vragen.”De schrijfster maakt van deze gelegenheid gebruik om al de vrienden dezer vrouw, in verschillende County’s, die zoo bereidwillig en edelmoedig iets hebben bijgedragen tot de bevrijding dezer kinderen, te berigten, dat zijeindelijk zijn vrijgekocht.Het volgende uittreksel uit den brief eener dame in Washington zal door hen gewis niet zonder belangstelling worden gelezen.Ik heb de oude lieden Edmondson—Paul en zijne vrouw Milly—gezien. Ik heb devrijeEdmondsons gezien—moeder, zoon, dochter—den eigen dag nadat het groote tijdperk van hunne vrijheid was begonnen, terwijl zij nog onder den indruk daarvan waren, en het gelaat der moeder enkel licht en liefde was, het oog des vaders nat en glinsterende van tranen, de zoon rustig en vol mannelijke bewustheid van de verantwoordelijkheid die er op hem rustte, de dochter (als ik mij niet bedrieg naauwelijks boven de vijftien jaar) vol zoete waardering van de vreugde van het tegenwoordige, en vol hoop op de toekomst, die zoo eensklaps en geheel en al voor haar oprees.Wij hebben verslag gedaan van het lot van eene der familiën, die aan boord vande Parelgevat waren. Wij hebben nog eene andere geschiedenis te verhalen, waarvan wij niet durven beloven, dat het einde zoo gelukkig wezen zal.
Hoofdstuk VI.Geschiedenis der Edmondsons.Milly Edmondson is eene bejaarde vrouw, van diep in de zeventig. Zij heeft het slaven-erfdeel van volslagen onwetendheid ontvangen. Zij kan geen brief of boek lezen, noch haar eigen naam zetten; maar de schrijfster moet bekennen, dat zij nooit zoo getroffen is geworden door eenige voorstelling van de Christelijke godsdienst, als door die haar gedaan werd in de taal en met het voorkomen dezer vrouw tijdens de weinige keeren dat zij haar ontmoette. De bijzonderheden dezer ontmoetingen zullen in den loop van het verhaal aan het licht gebragt worden.Milly is iets meer dan van middelmatige grootte, en breed en gezet van omvang. Zij gaat met de grootste zorgvuldigheid, tot op netheid af, gekleed. Een eenvoudige Methodistische halsdoek is haar dwars over de borst gespeld. Een goed onderhouden stoffen japon en helder wit voorschoot, met een witten zakdoek op zijde er aan vastgehecht, voltooit den inventaris van het costuum waarin de schrijfster haar gewoonlijk zag. Zij is eene mulattin en moet eens zeer schoon zijn geweest. Hare oogen en glimlach zijn nog ongemeen schoon, maar er liggen diepe voren van geduldige lijdenssmart en afmattende lijdzaamheid op haar gelaat, die verraden dat deze beminnelijke en edelaardige vrouw haar leven lang slavin is geweest.Milly Edmondson werd door hare eigenaars in dienst gehouden en het was haar vergund bij haar man te wonen, onder uitdrukkelijk beding en voorwaarde, dat hare dienst en waarde bestaan zou in het opkweeken harer eigene kinderen, om deze op de slavenmarkt te doen verkoopen. Hare wettige eigenares was eene ongehuwde dame van bekrompen geestvermogens, die door een vonnis van de regtbank voor onbekwaam was verklaard om hare eigene zaken te besturen.De bezitting—dat wil zeggen Milly Edmondson en hare kinderen—was aan de zorg van een voogd toevertrouwd. Het schijnt, dat Milly’s arme, zwakke meesteres zeer veel van haar hield en dat Milly vrij wat overwigt op haar bezat,zoo als een krachtige geest meestal eene magt over een zwakkeren uitoefent. Milly’s echtgenoot, Paul Edmondson, was een vrij man. Wij zullen nu een weinig van hare geschiedenis, zoo als zij die aan de schrijfster mededeelde, met hare eigene woorden laten volgen.„Hare meesteres,” zeide zij, „was altijd vriendelijk jegens haar, het arme schepsel!” maar zij had geen moed om voor haar-zelve te spreken, en hare vrienden wilden niet dat zij haar eigen weg ging. „Het lag mij altijd op het hart,” zeide zij, „dat ik eene slavin was. Toen ik even veertien jaar oud was, was Missis op zekeren dag met iets bezig, dat zij meende mij niet te kunnen toevertrouwen, en zeide zij tot mij: „Milly, nu ziet gij dat ik slavin ben en gij niet.” Ik antwoordde haar, „Ach, Missis! ik ben met dat al toch maar eene arme slavin.” Ik was later bedroefd, dat ik dit gezegd had, want het kwam mij voor dat het haar gevoel scheen te kwetsen.„Toen ik een poos later met Paul verbonden werd, hield ik zeer veel van Paul; maar ik dacht, dat het niet goed was kinderen ter wereld te brengen om slaven te zijn, en ik zeide tot de onzen, dat ik nooit zou trouwen, schoon ik veel van Paul hield. Maar dat werd mij niet veroorloofd,” zeide zij met een geheimzinnig voorkomen.„Wat bedoelt gij?” vroeg ik.„Wel, zij zeiden mij dat ik moest trouwen, of dat ik anders buiten de kerk zou worden gesloten,—dat was het;” voegde zij er met een beteekenisvollen knik met het hoofd bij. „Nu dan, Paul en ik, wij trouwden, en wij waren gelukkig genoeg, als het daarom niet geweest was; maar toen ons eerste kind geboren was, zeide ik tot hem: „Daar hebt gij ’t nu, Paul; onze ellende heeft een aanvang genomen; dit kind is ons kind niet.” En met ieder kind dat ik kreeg, werd het hoe langer hoe erger. „O, Paul!” zeide ik, „wat is het toch een vreeselijk ding kinderen te hebben, die niet de onze zijn!” Paul zeide tot mij: „Mijn beste Milly, als het kinderen van God zijn, doet het er weinig toe of zij al of niet zijn van ons; zij kunnen daarom toch erfgenamen van het Koningrijk zijn, Milly.”Wel, toen Paul’s meesteres stierf, gaf zij hem de vrijheid, en hij kreeg voor zich een klein plaatsje, omstreeks veertien mijlenvan Washington; en zij lieten mij daar met hem wonen, en ik nam mijn werk meê naar huis; want zij stelden dat vertrouwen in mij, daar zij altijd wisten, dat, wat ik zeide te zullen doen, even goed gedaan was alsof zij het hadden zien doen. Ik had doorgaans naaiwerk: soms een geheel hemd op een dag te maken—gij weet het was grof,—of een paar lakens of iets van dien aard; maar wat het ook was, ik kreeg het altijd gedaan. Dan had ik nog al mijn huiswerk te doen en voor de kleinen te zorgen; en dikwijls heb ik na tienen, de kleederen van mijne kinderen genomen en ze gewasschen en gestreken laat in den nacht, omdat ik niet dulden kon dat mijne kinderen er slordig uitzagen,—altijd wilde ik dat ze helder en schoon voor den dag kwamen, en ik bragt hen groot en leerde hen zoo goed ik maar kon. Maar niemand kan nagaan wat ik leed; ik zag nooit een blanke op de plaats komen of ik dacht: kijk, die komt om naar mijne kinderen te zien; en wanneer ik een blanke voorbij zag gaan, heb ik mijne kinderen naar binnen geroepen en ze weggestopt, uit vrees dat hij ze zou zien en willen koopen. O mevrouw, ik heb zoo veel, o zoo veel uitgestaan! Ik heb dit zware kruis jaren lang gedragen!”„Maar,” zeide ik, „de Heer is met u geweest.”Zij antwoordde met grooten nadruk: „Mevrouw, als de Heer mij niet ondersteund had, zou ik op dit oogenblik niet meer in leven zijn. O, mijn hart is dikwijls zoo bezwaard geweest, dat het scheen alsof ikmoeststerven; en dan heb ik mij voor den troon der genade geworpen, en als ik daarvoor geheel mijn hart had uitgestort, brak er hetlichtin door, en gevoelde ik, dat ik nog een beetje langer leven kon!”Dit zijn hare eigene woorden. Zij had dikwijls eene krachtige en bijzonder fraaije manier om zich uit te drukken, waardoor alles wat zij zeide een sterken indruk naliet.Paul en Milly Edmondson bezochten beide getrouw de Methodische Bisschoppelijke kerk te Washington, en allen die hen kenden getuigen eenparig van hen, dat zij een vlekkeloos leven leidden en innig godsdienstig waren. In hunne eenvoudige hut, door netheid en orde opgeluisterd, en des morgens en avonds door het gebed geheiligd, bragten zij, naar hun beste vermogen hunne kinderen op, in de kennis en vereering van den Heer, om op de slavenmarkt verkocht te worden.Zij achtten zich slechts al te gelukkig, als het een na het ander den ouderdom bereikte om verkocht te worden, dat zij aan familiën in de nabijheid verhuurd werden, en niet in handen vielen van den handelaar, om naar de zuidelijke markt gedreven te worden.De moeder, die met gestadigen maar onderdrukten angst den bitteren last der slavernij, die op haar lag, gevoelde, was gewoon om, zoo als zij aan de schrijfster verhaalde, hare dochters op deze wijze te waarschuwen:„Nu, meisjes, zorgt dat gij nooit de smart kent die ik lijd. Trouwt nooit voor dat gij in vrijheid zijt. Trouwt nooit om moeders te worden vankinderen die de uwe niet zijn.”Als een gevolg van deze opvoeding, bragten enkele van hare oudste dochters, in vereeniging met de jonge mannen, waarmede zij verbonden waren, de noodige gelden bijeen om zich vrij te koopen eer zij gehuwd waren. Eene dezer jonge vrouwen was, op het oogenblik dat zij het geld voor hare vrijheid betaalde, van zulk een zwakke gezondheid, dat de doctor haar zeide, dat ze nog maar enkele maanden te leven had, en ried haar aan, haar geld te behouden en het aan te wenden om het zich zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Zij antwoordde:„Al had ik nog maar twee uren te leven, zou ik het betalen om vrij te sterven.”Indien dit een buitensporige waarde aan vrijheid hechten was, zoo behoeft dit toch daarom door geen Amerikaan gezegd te worden.Al de zonen en dochteren van dit gezin onderscheidden zich zoo wel door hunne ligchamelijke als zedelijke ontwikkeling, en golden dus buitengemeen hoog op de markt. De geheele familie, berekend naar de marktprijzen die er voor enkele leden van besteed waren, kon op eene waarde van 15,000 dollars geschat worden. Zij kenmerkten zich door verstand, eerlijkheid en getrouwheid, maar bovenal door eene innige gehechtheid aan elkander. Deze kinderen, zoo vol bevatting, werden alle als slaven gehouden in de stad Washington, de hoofdstad waar ons nationaal bestuur is gevestigd. De hooge waarde die hunne eigene moeder hen in de vrijheid leerde stellen, moest natuurlijk aangewakkerd en versterkt worden door allerhande aanspraken, plegtigheden en redevoeringen, die,gelijk bekend is, gedurig bij deze en gene gelegenheid in onze nationale hoofdstad gehouden worden.Op den 13den April kwam de kleine schoenerde Parel, onder bevel van Daniel Drayton, in de Potomak-rivier te Washington voor anker.De tijding van eene omwenteling in Frankrijk, en de vestiging eener democratische regering was juist aangekomen en geheel Washington was in rep en roer om de zegepraal der Vrijheid te vieren.Tusschen de boomen in de allée waren fantastische veelkleurige lantaarnen gehangen; de trommels werden geroerd, de muziekcorpsen lieten zich hooren, de woningen van den President en andere hooge staatsbeambten waren verlicht, en mannen, vrouwen en kinderen waren allen op de been om den optogt te zien en deel te nemen aan het gejubel der vrijheid, waar de lucht van weergalmde. Al de slaven van de stad, levendig, fantastisch, gevoelig en ligt opgewonden als ze zijn door muziek en verblindende schouwspelen, luisterden, keken en verlustigden zich natuurlijk overal vol onwetende blijdschap. Al de hoofden van de departementen, senatoren, vertegenwoordigers en grootwaardigheidbekleeders van allerhanden aard, togen in optogt naar een opengebleven plek vanPennsylvaniaAvenue, en hielden daar toespraken vol gelukwenschingen over den voortgang der algemeene vrijheid. Met ongehoorde onvoorzigtigheid ontboezemden daar de krachtigste verdedigers van de instelling der slavernij voor de luisterende menigte, zoowel zwarten als blanken, lijfeigenen als vrijen, de oproerigste en meest ophitsende gevoelens. Zulke bij voorbeeld, als de volgende taal van den honorable Frederik P. Stanton van Tennessee:„Wij planten inderdaad onze beginselen niet voort door middel van het zwaard; maar in éénen zin zijn wij propagandisten. Het is niet onze schuld, dat wij zoo bestaan. Ons voorbeeld is besmettelijk. In de afdeeling van dit groote land, waar ik woon, aan de oevers van den magtigen Mississippi, bezitten wij het ware zinnebeeld van den boom der vrijheid. Daar ziet gij hoe het reusachtige katoenbosch zijne takken naar al de hemelstreken uitspreidt. Somtijds woelt de stroom zijne wortels bloot, en gij ziet hoe hij zever in de rondte uitstrekt en ze tot eene onmetelijke diepte in den grond laat binnendringen. Wanneer de tijd der rijpheid gekomen is, is de lucht met vezelen vervuld, die naar iedere rigting henenstuiven, en op hare ligte wieken de levende zaden van den magtigen boom met zich voeren. Aldus zijn de zaden der vrijheid uit den boom onzer vrijheden voortgesproten; zij vervullen de lucht; zij zijn naar alle deelen van den bewoonden aardbodem verspreid; en zelfs zijn zij bestemd om in de barre zandwoestijnen der dwingelandij wortel te schieten. De boom der vrijheid zal alom opwassen en de volkeren zullen zich in zijne schaduw ter ruste leggen.”Senator Foote, van Mississippi, gebruikte eveneens de volgende woorden:„Zoodanig is de buitengewone loop der gebeurtenissen in Frankrijk en Europa, gedurende de beide laatste maanden geweest, dat, hoe oplettender wij het tooneel overzien, hetwelk zich voor onze blikken uitbreidt, en hoe strenger wij het gedrag van de acteurs die er optreden onderzoeken, des te vaster onze overtuiging gegrondvest wordt, dat het niet falen kan of hetroemvolle werk, hetwelk zoo heerlijk is aangevangen, moet even heerlijk voleindigd worden; dat de tijd derDWINGELANDEN EN DER SLAVERNIJhaastig ten einde spoedt; en dat het gelukkige tijdperk, hetwelk door dealgemeene bevrijding der menschenuit deketens der burgerlijke verdrukking, en de erkenningin alle landenvan de groote beginselen dervolks-souvereiniteit, gelijkheid enBROEDERSCHAP, gekenmerkt wordt, blijkbaar is aangebroken.”Kan het iemand na dit alles verwonderen, dat zeven en zeventig der verstandigste jonge slaven, zoo mannen als vrouwen, in de stad Washington, den heer Foote en zijne medesenatoren eerlijk bij hun woord houdende, en geloovende dat de tijd van dwingelandij en slavernij ten einde spoedde, zich vereenigden en eene poging aanwendden om hun deel te erlangen in dit rijk van algemeene broederschap?De schoenerde Parellag in de haven en men bevond, dat kapitein Drayton een menschelijk hart bezat. Misschien hadook hij de redevoeringen inPennsylvaniaAvenue aangehoord en in de onschuld van zijn hart geloofd, dat iemand, die werkelijk ietsdeedom algemeene gelijkheid te bevorderen, niet slechter was dan zij die er enkel redevoeringen over hielden.Drayton was er toe overgehaald om dezen zeven en zeventig slaven te vergunnen, zich in het ruim van zijn vaartuig te verbergen, en onder deze bevonden zich zes kinderen van Paul en Milly Edmondson.Wat er verder geschiedde zal nu worden medegedeeld volgens het verhaal van Mary en Emily Edmondson, door de dame bij wier familie de schrijfster haar ter opvoeding geplaatst had.Eenige voorafgaande inlichtingen zullen echter noodig zijn tot goed begrip van het verhaal.Een achtingswaardige kleurling, Daniel Bell genaamd, die zich-zelf had vrij gekocht, woonde te Washington. Zijne vrouw en hare acht kinderen waren door haar meester op zijn doodbed in vrijheid gesteld. De erfgenamen trachtten het testament te verbreken, op grond dat hij, op het oogenblik toen het gemaakt werd, niet bij zijn volle verstand was. De overheidspersoon, voor wien het was verleden, was echter door zijne persoonlijke bekendheid met den toestand van den man op dat tijdstip, in staat hun voornemen te verijdelen; het huisgezin leefde dus eenige jaren in volkomene vrijheid. Bij den dood van dezen overheidspersoon, bragten de erfgenamen de zaak op nieuw voor het geregtshof, en daar het scheen dat de zaak ten nadeele van het gezin zou worden uitgewezen, zoo besloten zij, zich van hun wettig regt te verzekeren door de vlugt, en bestelden plaatsen aan boord van kapitein Drayton’s vaartuig. Een aantal hunner makkers en vrienden, waarschijnlijk aangespoord door de plaats gehad hebbende demonstratiën ten voordeele der vrijheid, vroegen verlof hen op hunne vlugt te vergezellen. De zaden van het katoenbosch verspreidden zich overal, en ontloken in aller harten; zoodat in den aan gebeurtenissen rijken avond van den 15den April 1848, niet minder dan zeven en zeventig mannen, vrouwen en kinderen met kloppende harten, en in het diepste geheim, zich verscholen in het ruim van den kleinen schoener, en kapitein Drayton was zoo goddeloos, dat hij, al ware er zijn leven meê gemoeid, tot niemand hunner „neen” kon zeggen.Richard Edmondson had reeds lang getracht zich vrij te koopen; had er van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat voor gearbeid, maar de daarvoor gestelde prijs was zoo hoog, dat hij wanhoopte dien ooit te zullen verwerven. Dezen avond meenden hij en zijne drie broeders, dat, als het rijk van algemeene broederschap aangevangen, en dat der tirannen en der slavernij geëindigd was, zij voor zich en hunne zusters dat heilige geschenk der vrijheid konden aannemen, waarvan aan geheel Washington, twee avonden te voren, was verkondigd, dat het de bijzondere bestemming van Amerika was, het aan alle natiën te verschaffen. Hunne beide zusters, zestien en veertien jaar oud, waren aan familiën in de stad verhuurd. Dezen avond begaf zich Samuel Edmondson naar het huis waar Emily woonde, en deelde haar het voorgenomen plan mede.„Maar wat zal moeder wel denken?” zeide Emily.„Houd u niet op met aan haar te denken; zij zal veel liever zien dat wij vrij zijn, dan dat wij tijd verspillen met er haar over te spreken.”„Nu dan, als Mary wil, wil ik ook.”De meisjes geven als eene reden van haar verlangen om te vlugten, op, dat, ofschoon zij nooit mishandelingen ondergaan hadden of onvriendelijk behandeld waren, het haar echter bekend was, dat zij den een of anderen dag tot harde slavernij konden verkocht en gescheiden worden van al wat haar lief was.Zij begaven zich dus allen aan boord vande Parel, die op eenigen afstand van de plaats, waar de schepen gewoonlijk aanleggen, geankerd lag. Daar troffen zij een gezelschap van slaven, zeven en zeventig in getal, aan. ’s Nachts ten twaalf ure werden de zeilen van den kleinen schoener in stilte geheschen en gleed het vaartuig, met zijne vreesachtige en geheimzinnige vracht, den stroom af. Eene frissche koelte verhief zich en ten elf ure van den volgenden nacht, was men twee honderd mijlen ver van Washington verwijderd en begon men te gelooven dat men de vrijheid verkregen had.Zij ankerden in een plaats, Cornfield-Harbour geheeten, met het voornemen, om het aanbreken van den morgen af te wachten. Allen lagen vredig en wel te rusten, door het geschommel van het vaartuig en het gekabbel van het water, in slaap gewiegd.Maar ’s nachts ten twee ure werden zij gewekt door een geweldig geschermutsel, geschreeuw, gevloek en gesteun op het dek. Een stoomboot was hen nagezonden en had hen ingehaald, en de kleine schoener was door een woedenden hoop gewapenden aan boord geklampt.In één oogenblik waren de kapitein, de stuurman en al het volk gegrepen en gekneveld, onder de vreeselijkste vloeken en bedreigingen. Toen zij, razende en vloekende de luiken van de weêrlooze gevangenen beneden openrukten, trad Richard Edmondson naar voren, en sprak hun op een bedaarden toon toe: „Mijne heeren, maakt geen ongelukken; wij zijn allen hier.” Allen onder de slaven, uitgezonderd deze, waren zoo stil als de wanhoop hen maar maken kon; er werd door niemand hunner een enkel woord geuit. De mannen werden allen gebonden en op het stoomschip overgebragt, de vrouwen werden aan boord van den schoener gelaten, die op sleeptouw werd genomen.De aanleiding tot hunne gevangenneming werd op de volgende wijze verklaard.—Den morgen nadat zij waren uitgezeild, misten een aantal familiën in Washington hunne slaven, en dit voorval verwekte niet minder opschudding, dan twee dagen vroeger de bevrijding van Frankrijk had te weeg gebragt. Dien tijd hadden zij op de vriendelijkste wijze geluisterd naar de verdediging, dat het rijk der slavernij ten einde spoedde, omdat zij niet het geringste denkbeeld hadden, dat die taal iets te beteekenen had; en zij waren ten sterkste getroffen door de practische toepassing er van. Over de honderd mannen stegen te paard, om in den omtrek deze nieuwe leerlingen van het leerstelsel der algemeene emancipatie na te zetten. Maar een kleurling, Judson Diggs geheeten, verried den geheelen aanleg. Hij was toornig geworden, omdat, toen hij eene arme vrouw met haar goed naar de boot had gebragt, zij niet in staat was geweest hem de vijf en twintig centen te betalen, die hij geëischt had. Daarom verhaalde hij deze bewonderaars van algemeene broederschap, dat zij niet naar buiten behoefden te rijden, daar hunne slaven de rivier waren afgezakt, en op dit oogenblik toch ver genoeg waren. Terstond werd een stoomboot met twee honderd soldaten bemand en uitgezonden om hen na te zetten.Toen het schip met de gevangen slaven aan wal kwam, greep er eene geweldige opschudding in de stad plaats. De mannen werden, twee aan twee gebonden, door de stad gedreven. Van alle kanten werden zij bespot, beschimpt en uitgejouwd. Iemand vroeg aan een van de meisjes: „of zij het niet prettig vond om gevat te worden als zij was weggeloopen?” en een ander vroeg haar: „of het haar niet speet?” Zij antwoordde: „Neen, als ik het morgen weêr doen kon, zou ik hetzelfde doen.” De man keerde zich tot een der omstanders en zeide: „Heeft ze geen courage?”Maar het meest was men op Drayton en Sayres gebeten, den kapitein en den stuurman van het vaartuig. Booswichten met dolken en pistolen gewapend, schoolden rondom hen bijeen en braakten de hevigste bedreigingen uit. Een van hen drong zoo digt bij Drayton, dat hij hem in het oor sneed, hetwelk Emily zag dat bloedde. Intusschen mengden zich onder de menigte een aantal betrekkingen der gevangenen, die, daar zij hen als zoo vele veroordeelde slagtoffers beschouwden, over hen weenden en jammerden. Een schoonbroeder der Edmondsons werd zoo van smart overweldigd toen hij ze ontwaarde, dat hij op de straat in zwijm viel en bewusteloos naar huis werd gedragen. Het droevige nieuws drong tot de hut van Paul en Milly Edmondson door, en wetende dat al hunne kinderen nu waarschijnlijk voor de zuidelijke markt zouden bestemd worden, lieten zij den vrijen teugel aan hunne smart. „O, welk een dag was dat!” zeide de oude moeder, toen zij dat tooneel voor de schrijfster beschreef. „Ik kon geen enkele bete meer over mijne lippen brengen. Paul en ik, wij vastten en riepen den Heer nacht en dag aan, om den wille onzer arme kinderen!”De algemeene opinie van de stad sloeg tot de innigste verontwaardiging over. Het ging van mond tot mond, dat zij zacht waren behandeld en nooit eene mishandeling ondergaan hadden; en wat kon er hen toe gebragt hebben, om te trachten hunne vrijheid te erlangen? Alles wat de heer Stanton gezegd had van den langzaam voortgaanden invloed dor Amerikaansche instellingen en al zijne aardige vergelijkingen van de zaden der katoenbosschen, schenen geheel en al aan het geheugen der burgers ontsnapt te zijn, en zij konden in de poging van dit volk om zich te bevrijden, niets anders dande verregaandste snoodheid zien. Een aantal raadde hunne eigenaren aan dat zij hun geen vergiffenis schenken zouden—dat er geen genade moest bewezen worden, maar dat zij op staanden voet moesten worden overgegeven in handen der handelaars, om naar de zuidelijke markt te worden gebragt—dat Siberië der onverantwoordelijke dwingelanden van Amerika. Toen al de gevangenen in de gevangenis waren geworpen, kwamen de eigenaars derwaarts, om onder eede te verklaren dat zijn hun eigendom waren, en de eigendom werd ook opgeroepen om onder eede te verklaren, wie hunne meesters waren. Met hen kwamen ook de gehuwde zusters van Mary en Emily; maar het werd haar niet toegestaan een voet in de gevangenis te zetten. De meisjes gluurden door de ijzeren traliën der vensters van de derde verdieping en zagen hare zusters beneden, die op de plaats stonden te weenen.De voogd der Edmondsons, die voor den wettigen eigenaar optrad, oogenschijnlijk door hunne smart getroffen, beloofde hunne familie en vrienden, die, zoo mogelijk, hen wenschten te koopen, dat zij den volgenden morgen daartoe gelegenheid zouden hebben. Misschien was hij op dat oogenblik voornemens ze hem te geven; maar, toen Bruin en Hill, de houders van het groote slavenkoophuis in Alexandria, hen vier duizend vijf honderd dollars voor de zes kinderen boden, waren zij onherroepelijk vóór den volgenden morgen verkocht. Bruin wilde naar geene voorslagen hooren, door eenige hunner vrienden gedaan. De dame, bij wie Mary gewoond had, bood duizend dollars voor haar, maar Bruin sloeg het aanbod af, zeggende: dat hij het dubbel van die som op de markt van New-Orleans van haar maken kon. Hij zeide, dat hij al twaalf jaar lang het oog op die familie gehad had, en beloofd had ze te zullen koopen, als ze maar te koop kwamen.Terwijl de meisjes in de gevangenis waren, hadden zij bedden noch stoelen, en slechts ieder een deken, schoon de nachten verstijvend waren; maar vernemende dat de vertrekken beneden, waar hare broeders waren opgesloten, nog kouder waren, en dat men hun daar geen dekens gegeven had, zonden zij er de hare heen. Des morgens werd het haar vergund eenige oogenblikken op de plaats te wandelen, en van dat oogenblik maakten zij gebruik om naar het venstervan het vertrek harer broeders te snellen, hun goeden morgen te wenschen en door de traliën heen te kussen.Donderdag avond ten tien ure deed men hare broeders handboeijen aan, en werden zij met hunne zusters door hunne nieuwe eigenaars op wagens geplaatst, naar Alexandria vervoerd en in eene gevangenis, een „Georgia Pen” genaamd, geworpen. De meisjes werden alleen in een groot vertrek gelaten, waar eene volslagene duisternis heerschte, zonder bed of deken, waar zij den nacht weenende en zuchtende doorbragten, in volslagene onbekendheid met het lot harer broeders. ’s Morgens ten acht ure werden zij geroepen om te ontbijten, toen zij tot hare groote vertroosting ontdekten, dat hare vier broeders met haar in deze zelfde gevangenis waren opgesloten.Hier bleven zij ongeveer vier weken, terwijl het haar doorgaans vergund werd over dag bij hare broeders te verblijven en des nachts naar haar eigen vertrek terug te keeren. Hare broeders waren ten hoogste bezorgd over haar, daar zij bevreesd waren, dat zij in het Zuiden zouden worden verkocht. Samuel vooral was zeer neêrgedrukt, daar hij de hoofdbewerker van haar ongeluk was. Hij zeide menigmalen, dat hij met blijdschap voor haar wilde sterven, als dit haar redden kon van het lot, dat hij duchtte. Hij weende bijna den ganschen tijd, schoon hij in hare tegenwoordigheid zijne tranen zocht te bedwingen.Inmiddels werden zij in de gevangenis gebezigd om voor dertien man te wasschen, ofschoon hare broeders een groot deel van haar werk op zich namen. Eer zij de gevangenis verlieten, werden zij gemeten en hun signalement opgemaakt door hunne eigenaars. Eindelijk werden zij naar buiten gebragt, den broeders de handboeijen aangedaan, en alle aan boord van een stoomboot gebragt, waarop zich ongeveer veertig slaven, meest mannen, bevonden, die naar Baltimore werden vervoerd. De reis duurde een etmaal. Toen zij te Baltimore aankwamen, werden zij in een slaven-schuthok geworpen dat aan een compagnon van Bruin en Hill toebehoorde. Hij was een ruwe, lompe kerel, die gewoonlijk de goddeloosste taal uitsloeg, en verschrikkelijk gemeen en beleedigend in zijne aanmerkingen omtrent vrouwen was. Hier werd het hun verboden met elkander te bidden, zooals zij tot nutoe waren gewoon geweest. Maar door des morgens zeer vroeg op te staan, maakten zij zich een oogenblik ten nutte, waarin zij hunne gewoonte ongestoord konden opvolgen. Zij, en vier of vijf andere vrouwen, in de gevangenis, kwamen voor het aanbreken van den dag bij elkander om hare harten uit te storten voor de Toevlugt van iederen bedrukte van ziel; en in deze gebeden gedacht men de hardvochtige slavenhandelaars iederen dag. De broeders van Mary en Emily gedroegen zich zeer lief en hartelijk jegens hunne zusters, hetgeen een grooten invloed uitoefende op de andere mannen die met hen waren.In deze plaats werden zij bekend met Tante Rachel, eene zeer godvreezende vrouw van middelbaren leeftijd, die men van haar man gescheiden, verkocht en in de gevangenis geworpen had. Haar echtgenoot kwam menigmalen naar de gevangenis en den handelaar smeeken haar aanzijnemeesters te verkoopen, die hij meende dat genegen waren haar te koopen, als de prijs niet al te hoog was. Maar hij werd met vreeselijke bedreigingen en vloeken weggejaagd. Zij bleven ongeveer drie weken in Baltimore.De vrienden in Washington, ofschoon tot nog toe niet geslaagd in hunne pogingen om het gezin te bevrijden, waren nog altijd ten hunnen behoeve werkzaam; en op zekeren avond werd er een berigt met de telegraaf overgebragt, inhoudende, dat den volgenden morgen met den spoortrein iemand zou komen om een bod te doen voor het gezin en dat een gedeelte van het geld gereed lag. Maar de handelaar was onverbiddelijk; en den volgenden morgen, één uur vóór de aankomst van den trein, werden zij allen ingescheept aan boord van de brikde Unie, die onder zeil lag naar New-Orleans. De bode kwam en bragt negen honderd dollars in klinkende specie mede, het geschenk van een kleinzoon van John Jacob Astor. Deze som was bepaaldelijk bestemd voor den aankoop van Richard Edmondson, daar zijne vrouw en kinderen in Washington ziek lagen; en de handelaar wilde de meisjes op geenerhande voorwaarde verkoopen, ja wilde zelfs niet dulden, dat Richard van de brik werd teruggebragt, die nog voor anker lag. De koop was evenwel gesloten en het geld in Baltimore gedeponeerd.Op deze brik werden de elf vrouwen in een zeer eng verblijfgeplaatst en de dertig of veertig mannen in een daaraan grenzend. Emily was gedurende den geheelen overtogt geweldig zeeziek en hare broeders vreesden dat zij bezwijken zou. Zij droegen haar gewoonlijk naar boven en naar onder, kochten eenige kleine versnaperingen voor hare zusters en droegen alle mogelijke zorg voor haar.Aanhoudende tegenwinden voerden hen gedurig terug; en in hunne bijeenkomsten tot het gebed, die zij iederen avond hielden, waren zij gewoon te bidden, dat de tegenwinden hen naar New-York mogten wederbrengen, en een van de matrozen verklaarde, dat indien zij tot op honderd mijlen afstands van New-York konden komen, en de slaven hen wilden bijstaan, hij den kapitein van kant zou maken, en hen in New-York-zelve binnen brengen.Toen zij digt bij Key West kwamen, seinden zij om een loods, daar de kapitein bevreesd was voor de blinde klippen van die plaats en hij niet wist hoe ze te ontkomen. Toen de loodsboot naderde, werden al de slaven beneden opgesloten en een zwaar zeildoek over het groote luik gespannen, waardoor zij van alle lucht verstoken werden, en bijna stikten. De kapitein en de loods onderhandelden een geruimen tijd over den prijs en er volgde eenig krakeel, daar de kapitein ongeneigd was de door den loods gevraagde som te geven; gedurende al dien tijd was het lijden beneden ondragelijk. De vrouwen geraakten zoo uitgeput, dat zij meest allen buiten kennis waren, en de toestand der mannen was niet veel beter, schoon zij beproefden met een stuk hout eenige gaten aan hunnen kant in het zeildoek te maken, ten einde eenige lucht in te laten, maar slechts een paar van de sterksten mogt het gelukken hierin te slagen. Eenigen hunner schreeuwden om hulp zoo lang hunne krachten het toelieten; en eindelijk, na hetgeen hun een schier eindelooze zamenkomst toescheen, vertrok de loods, die weigerde hen bij te staan; het zeildoek werd weggenomen, en de brik verpligt te wenden en een anderen koers te nemen. Daarop kroop de een na den ander, toen hij weder was bijgekomen en genoegzame kracht had, op het dek. Mary en Emily werden door hare broeders zoo spoedig zij daartoe maar in staat waren, naar boven gedragen.Kort hierop begon de voorraad van levensmiddelen te verminderen,en kwam er gebrek aan water, zoodat de slaven op rantsoen van een maatje daags werden gesteld. De matrozen kregen ieder een kwart en gaven dikwijls een pint er van aan de Edmondsons voor hunne zusters, die het met de andere vrouwen deelden, zoo als zij altijd met iedere kleinigheid deden, welke zij op dergelijke wijze ontvingen.Den dag toen zij aan den mond van den Mississippi kwamen, stak er een geweldige storm op en verhieven zich de golven bergenhoog, zoodat, toen de loodsboot naderde, het nu en dan was of zij door den afgrond verzwolgen en dan weder opgeworpen werd om op nieuw door de diepte verslonden te worden. Eindelijk werden zij in en op de rivier door eene stoomboot geboegseerd en zagen daar voor het eerst katoenplantages, waarin geheele troepen slaven aan den arbeid waren.Zij kwamen in den nacht te New-Orleans aan, en omstreeks tien ure van den volgenden morgen werden zij ontscheept en moesten zij zich naar de zoogenaamde uitstalkamers begeven; op de plaats komende, vonden zij daar een aantal mannen en vrouwen in de rondte zitten met zulke droevige gezigten, dat Emily weldra begon te schreijen, waarop een opzigter haar te gemoet trad en haar onder de kin streek en haar verzocht „met huilen op te houden, of dat hij haar anders iets geven zou waarom zij huilen kon.” Vervolgens haar naar iets heen wijzende, zeide hij „dat daar de Calaboos was, waar diegenen die zich niet goed gedroegen gegeeseld werden.” Niet zoo ras was hij verdwenen of een slavin kwam naar haar toe en ried haar een vrolijk gezigt te zetten, als zij het maar eenigzins kon, daar dit verre weg het beste voor haar zijn zou. Spoedig kwam een van hare broeders haar vragen wat de vrouw haar gezegd had, en toen zij het hem had verhaald, ried hij Emily aan, haren raad op te volgen, en wenschte hij er zelf voordeel mede te doen.Dien eigen avond werd het hair der vier broeders kort geknipt, hunne knevels afgeschoren, en hunne gewone kleeding verwisseld met een blaauwe buis en broek, door al hetwelk zij zulk eene verandering ondergingen, dat hunne zusters hen op dat gezigt niet herkenden. Daarop werden zij drie achtereenvolgende dagen genoodzaakt zich in een open portaal voor aan de straat te vertoonen, om door de voorbijgangers teworden opgemerkt; uitgenomen als er een afgemat was, wanneer zij voor een poosje naar binnen mogten gaan, en een ander hunne plaats innemen. Wanneer er echter koopers kwamen, werd zij in de verkoopzaal op rijen ten toon gesteld en aan ruwe scherts en schimp prijs gegeven. Als iemand gading had in een of ander meisje uit den hoop, riep hij haar tot zich, pakte hij haar beet, deed haar mond open, bezag hare tanden en betastte haar op eene ruwe wijze, terwijl hij over het algemeen smerige aanmerkingen maakte; en zij moest ze aanhooren en verduren zonder den minsten tegenstand. Mary en Emily beklaagden zich bij hare broeders, dat zij zich aan zulk eene behandeling niet konden onderwerpen. Zij spraken er met Wilson over, een der compagnons van Bruin en Hill, die met het opzigt over de slaven in deze gevangenis belast waren. Zij werden hierop met meer kieschheid behandeld.Een ander broeder der meisjes, Hamilton genaamd, was slaaf geweest in of bij New Orleans en had zich juist voor duizend dollars vrijgekocht; dat geld had hij reeds vroeger eens voor zich verdiend, maar men had het hem toen afgenomen. Daar Richard nu werkelijk vrij was dewijl het losgeld voor hem in Baltimore was gedeponeerd, vond hij hem daags na hunne aankomst te New-Orleans uit en bragt hem naar de gevangenis om zijne broeders en zusters te bezoeken. De ontmoeting was boven alle beschrijving aandoenlijk.Hij had zijne zuster Emily vroeger nooit gezien, daar hij voor hare geboorte uit het huis zijner ouders verkocht was.In het verblijf der meisjes bevonden zich ’s nachts tusschen de twintig en dertig vrouwen, die allen op den blooten vloer sliepen, ieder slechts met een deken. Eenige dagen later kwam er tijding (dieeigenlijkonjuist was) dat de helft van het geld wasbijeengebragtom Mary en Emily vrij te koopen. Daarop werd het haar, op dringend verzoek harer broeders, vergund, naar het huis harer vrije broeders te gaan, om den nacht door te brengen, en des morgens terug te keeren, daar zij veel van de moskieten en andere insecten geleden hadden en hare voeten gezwollen en vol builen waren.Terwijl zij in deze gevangenis vertoefden, vernamen zij een aantal voorvallen van vreeselijke wreedheid, ja vielen er zelfs onder hunne oogen voor. Twee slaven, een vrouw en een jongen, werden, terwijl zij er in waren, dood gegeeseld,ofschoon zij niet in hetzelfde schuthok waren, of aan denzelfden handelaar als zij toebehoorden.Niemand van de slaven was het vergund, op den dag een oog te luiken, en somtijds werden kleine kinderen die den geheelen dag ledig zaten of stonden, zoo slaperig, dat zij hunne oogen niet konden openhouden; maar als de opzigter hen daarop betrapte, werden zij onbarmhartig geslagen. Mary en Emily hielden hen gewoonlijk in het oog, en lieten hen slapen tot dat zij de opzigters hoorden aankomen, en dan maakten zij ze wakker en deden hen in een oogenblik overeind springen.Eene jonge vrouw, die door de handelaars tot het ergste doel verkocht was, was teruggekeerd, daar zij niet gelukkig genoeg was geweest haar kooper te bevallen; en, gelijk in dergelijke gevallen de gewoonte is, werd zij zoo gruwelijk gegeeseld—dat er versterving in een gedeelte van haar vleesch ontstond, en men aan haar leven wanhoopte. Toen Mary en Emily voor het eerst te New-Orleans aankwamen, zagen en spraken zij haar. Zij was toen juist begonnen op te zitten, zag er zeer tenger en mooi uit, met fraai regt hair, dat eertijds lang was geweest, maar door hare onbeschofte pijnigers was afgesneden.De opzigter, die haar gegeeseld had, zeide, ten hunne aanhooren, dat hij een ander meisje nooit zoo geeselen zou, want het was te veel voor iemand om te zeggen. Zij veronderstelden, dat de reden waarom hij dit beloofde, daarin gelegen was, dat hij verpligt was haar op te passen en daardoor getuige was van haar lijden. Zij was van Alexandria, maar zij hadden haar naam vergeten.Een jonge man en vrouw, die met hen in de gevangenis waren, en die met elkander verbonden waren om te trouwen, en aan verschillende meesters verkocht werden, waren zoo ter neêrgeslagen bij hunne scheiding, dat zij niet goed werkten of konden werken, en de jonge man werd spoedig teruggezonden met de klagt, dat hij niet aan het doel beantwoordde. Natuurlijk moest het geld teruggegeven en hij gegeeseld worden. Hij werd veroordeeld om een week lang iederen avond te worden gegeeseld, en, nadat hij twee honderd slagen van den opzigter had ontvangen, werd ieder der mannelijke slaven die in de gevangenis waren, gedwongen om hem uit al zijne magt vijf slagen toe te brengen, op straffe van zelf te wordengegeeseld. De jonge vrouw werd eveneens teruggezonden met een briefje van hare nieuwe meesteres, waarin zij verzocht, dat haar een zeker getal slagen zou worden toegediend, en tevens het geld was gesloten, dat daarvoor stond; aan welk verzoek op staanden voet voldaan werd.Terwijl zij in New Orleans waren, zagen zij reeksen van aan elkander geketende vrouwen de straten schoonmaken, waarvan sommige een zwaren ijzeren kogel aan haar keten medesleepten; eene soort van straf, over het algemeen in zwang voor werkmeiden, die hare meesteressen mishaagd hadden.Hamilton Edmondson, de broeder die zich-zelf had vrijgekocht, wendde alle mogelijke pogingen aan om zijne broeders en zusters in New Orleans een goed huis te bezorgen, zoodat zij niet ver van elkander behoefden gescheiden te worden. Op zekeren dag nam Mr. Wilson, de opzigter, Samuel met zich mede in een rijtuig en keerde zonder hem terug. De broeders en zusters bemerkten spoedig, dat hij verkocht en de Hemel wist waarheen gegaan was; maar het was hem op straffe van zware kastijding verboden te weenen, of zelfs een droevig gezigt te vertoonen. Tot hunne groote vreugde kwam hij echter den volgenden dag bij hen in de gevangenis, en verhaalde hun, dat hij een goed huis in de stad bij een Engelschman had gekregen, die duizend dollars voor hem besteed had.Nadat zij drie weken in deze gevangenis hadden doorgebragt, deelde men de Edmondsons mede, dat door het toenemen van de gele koorts in de stad, en doordien zij nog niet geacclimateerd waren, het voor hen gevaarlijk werd om hier langer te blijven; en dat daarenboven door dit alles de koopers weinig lust hadden om hooge prijzen te besteden. Sommige slaven in het schuthok waren reeds ziek; eenige hunner oud, arm en morsig, en daardoor grootelijks vatbaar voor ziekte. Richard Edmondson was reeds vrijgekocht en moest dus worden teruggezonden, en alles wel bezien oordeelde men het best om zonder dralen een troep te maken en naar Baltimore te zenden.De Edmondsons ontvingen dit berigt met groote blijdschap, want het was hun niet onbekend gebleven dat het geld, hetwelk bijeen gebragt werd om hen vrij te koopen, al vrij wat geklommen was. Hun broeder, die in vrijheid was, voorzag hen van menig gemak voor dezen togt, zoo als een matras, dekens,lakens en allerhande soort van eet- en drinkwaren; en, door hunne vrienden naar het schip uitgeleide gedaan, werden zij juist met den avond aan boord van de brikde Unieingescheept en buiten de rivier geboegseerd. De brik had bijna een volle lading van katoen, siroop, suiker, enz. in, en derhalve was de ruimte voor de slaven al zeer beperkt. De plek, die der vrouwen was toebedeeld, was een klein, naauw, smerig vertrek, misschien acht of tien voet in het vierkant, van binnen opgepropt met katoen, dat op twee of drie voet van den zolder reikte, met uitzondering van de plek, die vlak onder het luik was. Richard Edmondson hield zijne zusters bij zich op het dek, hoewel zij daar zonder eenige beschutting waren: bereidde hun eten zelf, maakte hun bed boven op de katoenbalen, of waar hij slechts een plekje vinden kon, en legde zich dan nevens haar te slapen. Somtijds als er een storm opstak in het holle van den nacht, sprong hij op en wekte haar, en haar bed en beddegoed opnemende, geleidde hij haar naar een kleine soort van voorraadkast, waar zij juist alle drie in staan konden tot de storm over was. Somtijds wist hij hun uit stukken van planken of iets anders op het dek een tijdelijke beschutting te bezorgen.Na eene reis van zestien dagen, kwamen zij te Baltimore aan, in de zekere verwachting dat de dagen hunner slavernij waren geteld. Hier werden zij weder naar dezelfde oude gevangenis gebragt, waaruit zij eenige weken geleden genomen waren, ofschoon zij veronderstelden dat het slechts voor een uur of wat wezen zou. Mr. Bigelow, van Washington, kwam terstond om Richard. Toen de meisjes ontwaarden dat ook zij niet in vrijheid gesteld werden, was hunne smart en teleurstelling onuitsprekelijk. Maar zij werdengescheiden—Richard om naar zijn huis, zijne vrouw en kinderen te gaan, en zij om in de slavengevangenis achter te blijven. Er verliepen allerverdrietigste dagen en nachten. Des morgens waren zij genoodzaakt om de plaats op de muziek van vedels, banjoes, enz. in het rond te loopen; op den dag waschten en streken zij voor de mannelijke slaven, en versliepen of bragten het overige gedeelte met weenen door. Na eenige weken kwam haar vader haar bezoeken, vergezeld door hare zuster.Het was gedeeltelijk zijn doel om zich te vergewissen wat de laagste prijs was waarvoor hun eigenaar de meisjes zouwillen verkoopen, daar hij eene flaauwe hoop koesterde, dat op de eene of andere wijze het geld zou worden bijeen gebragt, als men er den noodigen tijd maar voor liet. De handelaar verklaarde, dat hij ze spoedig naar eene andere slavenmarkt zenden zou, maar dat hij twee weken wilde wachten en, als de vrienden in dien tijd het geld konden magtig worden, zij haar zouden hebben.Den nacht, dien haar vader en zuster met haar in de gevangenis doorbragten, lag hij in het vertrek boven haar; en zij konden hem den ganschen nacht hooren kermen; terwijl hare zuster aan hare zijde zat te weenen. Geen hunner kon dien nacht een oog luiken.Den volgenden morgen begon op nieuw de verdrietelijke routine van de slavengevangenis. De oude Paul wandelde bedaard over de plaats, en zette zich neder om de arme slaven, die daar rondliepen, te beschouwen. Hij had zijne dochters vroeger nooit in zulk een toestand gezien, en hij werd door zijn gevoel overweldigd. De plaats was niet groot, en de meisjes, als zij langs hem henen wandelden, raakten hem bijna met hare kleederen aan, en konden hem in zich-zelven hooren jammeren. „O mijne kinderen, mijne kinderen!”Na het ontbijt, hetwelk geen van haar in staat was te nuttigen, scheidden zij van elkander, terwijl de vader den handelaar smeekte, om haar naar New Orleans te zenden, als het geld niet kon worden bijeengebragt, dewijl hare broeders haar daar misschien goede meesters konden bezorgen.Twee of drie weken later bezochten Bruin en Hill de gevangenis, ontbonden hunne compagnieschap met den handelaar, sloten de rekening met elkander en namen de Edmondsons op nieuw in hun bezit.De meisjes werden ’s nachts ten elf ure, toen zij pas in slaap waren geraakt, gewekt en gelast zich terstond gereed te maken om naar huis te gaan. Zij hadden geleerd, dat het woord van een slavenhouder niet te vertrouwen is, en vreesden dat zij naar Richmond of Virginia zouden gezonden worden, omdat zij daarvan hadden hooren praten. Zij waren spoedig met den spoortrein op weg met Bruin, en kwamen een weinig na middernacht te Washington aan.Hare harten klopten van vreugde, toen zij, na deze maanden-lange bittere gevangenschap, zich weder in dezelfdestad bevonden, waar hare broeders, zusters en bloedverwanten woonden. Maar het werd haar niet toegestaan iemand der haren te zien; zij werden in een rijtuig geplaatst en terstond naar de slavengevangenis van Alexandria overgebragt, waar zij, omstreeks twee uren in den nacht, zich op nieuw in hetzelfde ellendige oude vertrek geworpen zagen, waar haar gevangenis-tijdperk een aanvang had genomen.Dit gebeurde op het einde van Augustus. Andermaal werden zij gebezigd om over dag te wasschen, te strijken en te naaijen, terwijl zij des nachts werden opgesloten. Nu en dan werd het haar toegestaan in het huis van Bruin te naaijen en er zelfs te eten. Toen zij een week of drie in Alexandria geweest waren, kwam hare oudste gehuwde zuster, die sedert geruimen tijd niets van haar gehoord had, bij Bruin, om zoo mogelijk iets van haar te vernemen, en hare verrassing en vreugde waren niet gering, toen zij haar nog eens en zelfs daar zag. Eenige weken later kwam haar oude vader haar op nieuw bezoeken. Hoe hopeloos het denkbeeld van hare bevrijding ook mogt schijnen, toch bleef hij er aan vasthouden. Hij had eenige aanmoediging en bijstand te Washington ontvangen, en was voornemens naar het Noorden te gaan om te zien of hij daar iets kon gedaan krijgen; en hij verlangde vurig van Bruin te hooren, wat wel de laagst mogelijke prijs was, waarvoor hij zijne dochters kon inkoopen. Bruin stelde zijne voorwaarden op in het volgende document, hetwelk wij hier laten volgen:Alexandria, (Virginia) 5 Sept. 1848.Houder dezes is Paul Edmondson, de vader van twee meisjes, Mary Jane en Emily Catharina Edmondson. Deze meisjes zijn door ons gekocht en ééns naar de zuidelijke markt gezonden, en op de stellige verzekering dat het geld voor haar zou zijn bijeen gebragt, als zij terug gevoerd werden, waren zij terug gekeerd. Naar het schijnt is in dit opzigt tot nog toe niets door hen, die het beloofden, verrigt, en wij zijn op het punt om haar andermaal naar de zuidelijke markt te zenden, en wij verklaren het opregtelijk, dat, als zij er weder heengaan, wij niet het minste acht zullen slaan op beloften, die in betrekking tot haar mogten gedaan worden. De vader wenscht het geld, datvoor haar betaald moet worden, bijeen te brengen, en is voornemens een beroep te doen op de milddadigheid van de menschlievenden en goeden om hem bij te staan, en heeft ons verzochtde voorwaarden, waarop wij zijne dochters willen verkoopen, in schrift te stellen.Wij zijn voornemens onze bedienden binnen weinige dagen naar het Zuiden te zenden. Als de som van twaalf honderd (1200) dollars binnen veertien dagen aan ons wordt ter hand gesteld, of wij zekerheid voor dit bedrag ontvangen hebben, zullen wij haar nog vijf en twintig dagen langer ophouden, om gelegenheid te geven tot het verkrijgen der andere duizend en vijftig (1050) dollars, anders zullen wij genoodzaakt zijn haar met onze andere bedienden te verzenden.Bruin en Hill.Paul nam zijne papieren en scheidde met een beklemd gemoed van zijne dochters. Van dat oogenblik af leefden zij in de grootste onzekerheid. Gedurig zagen zij naar een brief of een bode uit en baden God, dat Hij haar ergens een bevrijder mogt verwekken. Maar dag op dag en week op week ging voorbij, en de gevreesde tijd kwam al nader en nader. De voorbereidende werkzaamheden tot het gereed maken van een troep voor Zuid-Carolina namen een aanvang. Kleurig katoen werd voor haar gekocht om er pronkkleederen van te vervaardigen, waarin zij ten verkoop zouden worden aangeboden. Zij maakten ze met vrij wat bitterder smart op dan waarmede zij hare eigene doodshemden zouden vervaardigd hebben. De hoop was bijna in haar binnenste gestorven. Eenige dagen voor dat de troep zou worden afgezonden, bragt hare zuster haar een droevig afscheidsbezoek. Zij vermengden hare gebeden en tranen met elkander, en de meisjes maakten kleinesouveniers, die zij als afscheidsgeschenken aan hare broeders en zusters en haar bejaarde vader en moeder zonden, en met een vaarwel, veel smartelijker dan dat van een sterfbed, scheidden de zusters.De avond, voor dat de troep vertrekken zou, naderde. Mary en Emily begaven zich naar het huis om afscheid van Bruins familie te nemen. Bruin had een dochtertje dat een speelpopje en lievelinge van de meisjes geweest was. Zijklemde zich aan haar vast, huilde en bad, dat men haar niet zou laten vertrekken. Emily zeide haar, dat als zij wilde dat zij zouden blijven, zij het aan haar vader moest gaan vragen. Vervuld met hare boodschap, huppelde de kleine pleitster henen, en plaagde hem zoo geducht en hield zoo sterk aan, dat hij, om haar te vrede te stellen, er in bewilligde om haar te laten blijven, als zijn compagnon Hill er in toestemde. Op dit oogenblik ging Bruin, die Mary overluid in de gevangenis hoorde kermen, naar haar toe. Met al de kracht der wanhoop deed zij een laatste beroep op zijn hart. Zij smeekte hem, zich in hare plaats te stellen, te denken aan zijne eigene kleine dochter; zij stelde hem voor wat het zijn zou, als zij werd ontrukt aan alles wat zij op aarde bezat, en alle hoop van bevrijding voor haar verloren ging, op het eigen oogenblik, dat zij de vrijheid verwachtte! Bruin was niet bepaald van steen, en dit vreeselijke beroep bragt hem de tranen in de oogen. Hij gaf haar eenige hoop, dat, als Hill er in wilde toestemmen, zij niet met den troep zou worden verzonden. Een slapelooze, in tranen, gebeden en zuchten doorgebragte nacht volgde. Eindelijk brak de morgen aan, en, overeenkomstig de bevelen die zij den vorigen dag ontvangen hadden, maakten zij zich gereed om te vertrekken, zetten zelfs hare mutsen op, sloegen hare doeken om en stonden te wachten tot het sein zou worden gegeven. Toen de laatste traan der hoop was gedroogd en zij naar buiten waren gekomen om zich bij den troep te voegen, werd Bruins hart tot zachtheid geneigd. Hij riep haar tot zich, en zeide haar dat zij mogten blijven! O! wat werden hare harten hierdoor verblijd, daar zijnueen weinig langer mogten hopen! Of de smeekingen van de kleine Martha òf Mary’s aandrang, hadden de overwinning behaald.Spoedig vertrok de troep te voet; mannen, vrouwen en kinderen, twee aan twee, de mannen allen met handboeijen aan elkander vastgehecht, de regtervuist van den een tegen de linkervuist van den ander, terwijl een keten, die tusschen de handboeijen doorliep, het eene paar aan het andere verbond.De vrouwen en kinderen liepen aldaar op dezelfde wijze, met handboeijen of ketens aan. Drijvers liepen vooraan enop zijde, om diegenen op te nemen, die ziek of gebrekkig waren; zij waren verpligt zichzingendein beweging te stellen! begeleid door vedels en banjoes!—„Want zij, die ons als gevangenen wegvoerden, eischten van ons een lied, en zij, die ons aan de ellende prijs gaven, eischten vrolijkheid van ons.” En dit is een tooneel dat men dagelijks kan zien in een Christelijk land!—en verkondigers van Christus zeggen, dat het regt om zulke dingen te bedrijven,door God zelven gegeven is!!Intusschen trok Paul Edmondson naar het Noorden om daar hulp in te roepen. Iemand die in die dagen met den spoortrein reisde, moet er een eerwaardigen zwarten man in hebben aangetroffen, wiens geheele voorkomen en houding den geduldigsten ootmoed verried en die een zwaren last van verpletterend lijden met zich scheen om te dragen, als iemand die lang de smart had gekend. Die man was Paul Edmondson.Alleen, zonder vrienden, onbekend, en wat nog het ergste van allen is, zwart van huid, kwam hij in de uitgestrekte, woelige stad New York, om te zien, of er ook iemand zijn mogt, die hem vijf en twintig honderd dollars kon geven, om daarmede zijne dochters vrij te koopen. Kan iemand beschrijven wat een arm man gevoelt, die, met dat doel, eene bedrijvige, rijke stad, alleen en onbekend, binnentreedt? De schrijfster bezit nu in den brief eens slavenvaders en echtgenoot, die naar Portland was gekomen met een dergelijke boodschap, eene roerende uitdrukking van dat gevoel:—Ik liep den ganschen dag, tot dat ik uitgeput van vermoeijenis en ontmoedigd was. O! mevrouw S.—als ik zoo veel menschen zie, die zoo veel meer dingen schijnen te bezitten dan zij noodig hebben, of weten wat zij er meê doen zullen, en dan indenk, dat ik tot boven mijn veertigste jaar, mijn geheele leven door hard gewerkt heb, en zelfs mijne eigene vrouw en kinderen niet tot mijn eigendom kan maken, voel ik mij, o, zoo krank en neêrslagtig!Zoo krank van ziel en terneêrgeslagen gevoelde zich Paul Edmondson. Hij begaf zich naar het anti-slavernij-kantoor, en zeide wat er hem henen dreef. Het was zulk een groote som en ze scheen zoo geweldig hoog, dat, ofschoon men denarmen vader beklaagde, men den moed niet had, om te trachten die bij elkaâr te krijgen. De beambten schreven naar Washington, om zich van de waarheid van onderscheidene punten te overtuigen, en schreven aan Bruin en Hill, om te beproeven of zij niet iets van den prijs wilden laten vallen. Intusschen ging de arme oude man van den eenen raadsman naar den ander. Men had hem aanbevolen naar den eerwaarden H. W. Beecher te gaan, en dien zijne geschiedenis te verhalen. Hij vroeg den weg naar zijn huis—klom de trappen van het bordes op om aan te schellen, maar zijn hart ontzonk hem—hij bleef schreijende op de trappen zitten.Daar werd hij door Mr. Beecher gevonden. Hij nam hem met zich naar binnen, en vroeg hem naar zijne geschiedenis. Dien avond zou er een openbare vergadering zijn ter inzameling van gelden. De rampzalige vader smeekte hem er heen te gaan en de zaak zijner kinderen te bepleiten. Hij ging er heen en sprak, alsof hij voor zijn eigen vader en zusters sprak. Andere geestelijken gingen op dezelfde wijze met spreken voort,—de vergadering werd enthousiastisch, en het geld werd op de plek ingezameld, en de arme Paul legde dien avond zijn hoofd tot dankbaarheid neêr op zijn kussen—niet om te slapen, maar om te danken!Inmiddels hadden de meisjes vreeselijk lange dagen in de gevangenis doorgebragt. Daar werden zij gebezigd om voor Bruin’s huisgezin te naaijen, terwijl ze nu eens in de gevangenis en dan weder in het huis werkten.Het verdient vermeld te worden dat Mr. Bruin van geheel anderen aard is dan een aantal mannen van zijn beroep. Hij is iemand dien men nooit onder de slavenhandelaars zou hebben aangetroffen, indien niet het achtingswaardigste gedeelte der maatschappij het regt verdedigd had, om te koopen en te verkoopen, als eene instelling van God zelven. Waar is het, dat Mr. Bruin een van de eerste inteekenaars op deNational Erain het district Columbia was, en toen een zeker iemand zich daar in groot gevaar bragt, door het bijstaan van slaven in hunne vlugt, en er niemand te vinden was die voor hem wilde borg blijven, kwam Mr. Bruin te voorschijn en was zoo vriendelijk zich borg te stellen.Terwijl wij het afschuwelijke stelsel en dien afschuwelijkenhandel met geheel ons hart verfoeijen, gelooven wij, dat er geen kwaad in gelegen is, te wenschen, dat zoo iemand een beter bedrijf had om uit te oefenen. Toch kunnen wij niet nalaten al de zoodanigen te herinneren, dat, wanneer wij voor den regterstoel van Christus geroepen worden, iedereenvoor zich-zelf alleenzal verantwoorden, en dat Christus niet als eene verontschuldiging der zonde, de woorden van al de geestelijken en al de synoden des lands zal aannemen. Hij heeft ons de schoone les geschonken: „Wacht u voor de valsche profeten;” en als de menschen er zich niet voor willen wachten, komt hun bloed over hunne eigene hoofden.Terwijl de meisjes onder Mr. Bruin’s bewaring waren, werden zij met zoo veel vriendelijkheid en onderscheiding behandeld, als maar bij eenige mogelijkheid bestaan kon, met het voornemen om ze te verkoopen. Het valt niet te betwijfelen, of Bruin voor zich, behandelde haar vriendelijk, en wenschte opregtelijk dat zij mogten worden vrij gekocht; maar dan zag hij geen reden om twee duizend vijf honderd dollars te verliezen. Hij was, met betrekking tot dit punt, juist in dezelfde moeijelijkheid geplaatst als sommige leden van verschillende kerken te New York, toen hun slaven als onderpand voor gelden, die men in het Zuiden schuldig was, waren toebedeeld. Het speet hem om harent wille en hij wenschte wel en hoopte, dat de Voorzienigheid voor haar zoude zorgen, wanneer zij verkocht waren, maar toch kon hij er niet toe overgaan om zijn geld te verliezen, en zoo lang zulke lieden ouderlingen en avondmaalgangers in kerken van New York blijven, moeten wij ons niet verwonderen dat er in Alexandria slavenhandelaars blijven bestaan.Het is een der groote kunstgrepen van den vijand der zielen menschen te verlokken om hunne deelneming in ééne soort van zonde te vergoeden, door hun godvreezende afschuw van eene andere soort. De slavenhandelaar is de algemeene zondebok, waarop al de partijen hare verontwaardiging geladen hebben, terwijl zij van hem kochten of aan hem overdeden.In den vijftigsten Psalm wordt eene geduchte waarschuwing gegeven aan allen, die met woorden hun geloof hebben beleden, maar wier daden getuigen, dat zij de ongeregtigheidgoedkeuren, en waar Christus wordt voorgesteld als hen van Zijnen regterstoel aldus toesprekende:—„Wat hebtgijmijne inzettingen te vertellen en neemt mijn verbond in uwen mond, dewijl gij de kastijding haat, en mijne woorden achter u henenwerpt? Indien gij eenen dief ziet, zoo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.”Één ding is zeker, dat al degenen die deze dingen, hetzij openlijk, hetzij in het geheim bedrijven, ten laatste hunne rekening moeten vereffenen met een regter die geen aannemer des persoons is, en die even spoedig een ouderling van de kerk zal veroordeelen wegens slavenhandel als een slavenhandelaar van beroep; ja hij zal het verdragelijker maken voor het Sodom en Gomorra der slavenhandels, dan voor hen;—want men kan veilig aannemen dat de handelaar, als hij de middelen der genade gekend had zoo als zij, er reeds lang berouw over zoude gehad hebben.Maar keeren wij tot onze geschiedenis terug. De meisjes zaten voor het open raam van haar kamertje te naaijen, toen Emily tot Mary zeide: „Zie eens, Mary, daar hebt ge dien blanken man, dien wij uit het Noorden hebben zien komen.” Zij zagen beiden naar buiten en een oogenblik later ontwaarden zij haar eigen dierbaren vader. Zij sprongen en vlogen door het huis en het kantoor de straat op, en huppelden terwijl zij liepen, gevolgd door Bruin, die zeide op dat oogenblik gemeend te hebben dat de meisjes krankzinnig waren. In één oogenblik lagen zij in haars vaders armen, maar bemerkten dat hij ongemeen beefde en zijne stem zwak was. Zij vroegen hem daarbij of hij het losgeld voor haar gekregen had. Bevreesd om al te spoedig hare verwachtingen op te wekken eer de papieren van hare vrijverklaring geteekend waren, zeide hij dat hij weldra met haar hoopte te spreken, en begaf zich in het kantoor met Mr. Bruin en Mr. Chaplin. Mr. Bruin verklaarde dat hij innig verheugd was, zoo als hij ook inderdaad was, dat zij het geld hadden meêgebragt; maar scheen zeer getroffen over de wijze, waarop de eerwaarde H. W. Beecher van hem had gesproken op de „liberation meeting” te New-York, daar hij het hard oordeelde, dat er geen onderscheid werd gemaakt tusschen hem en andere handelaars, daar hij zich zooveel inschikkelijker en menschlievender had getoond dan het grootste deel onder hen.Hij telde echter het geld na, teekende de papieren van ganscher harte en nam er voor elk van de meisjes een goud vijf dollarsstuk af tot een afscheidsgeschenk.De zaak duurde langer dan zij zich hadden voorgesteld en de tijd scheen de arme meisjes eene eeuw toe, die in de grootste onrust nu eens naar binnen dan weder naar buiten liepen, in het onzekere welk lot haar boven het hoofd hing. Zou haar vader het geld hebben gebragt? Waarom beefde hij zoo? Zou hij het geld toch niet gekregen hebben? Of zou hare moeder ook soms gestorven zijn, want zij hadden gehoord dat zij zeer ziek was!!Eindelijk kwam er een bode die haar toeriep:„Gij zijt vrij, gij zijt vrij!” Emily gelooft dat zij bijna tot aan den zolder sprong. Zij danste, klapte in de handen, lachte en schreide overluid. Weldra kwam haar vader bij haar, omhelsde haar en beproefde haar tot bedaren te brengen en zeide dat zij zich gereed moesten maken om naar hare moeder te gaan. Dit deden zij, zonder zelve te weten hoe, maar trouw geholpen door het geheele gezin, dat van ganscher harte in hare blijdschap scheen deel te nemen. Haar vader liet een rijtuig komen om haar naar de werf te brengen, en met eene vreugde die alle beschrijving te boven gaat, namen zij een allerteederst afscheid van geheel het huisgezin en gingen daarin zelfs Bruin niet voorbij. Het goede dat in de menschelijke natuur is, had in een oogenblik de overhand en allen waren tot tranen van deelnemende blijdschap geroerd. Haar vader, die zijne vreugde zelf geweld aandeed, wendde al het mogelijke aan, om hare opgewondenheid tot bedaren te brengen, en ten langen laatste gelukte hem dit gedeeltelijk. Toen zij te Washington aankwamen stond er een wagen gereed om haar naar het huis harer zuster te brengen. Lieden van allerlei rang en stand liepen te hoop om haar te zien. Hare broeders namen haar in hunne armen en liepen met haar rond, bijna krankzinnig van blijdschap. Hare bejaarde en eerbiedwaardige moeder, van hare ziekte bevrijd door den tegenprikkel van het blijde nieuws, was daar en weende en dankte den Almagtige. Ververschingen werden in het huis harer zuster gereed gemaakt voor die haar kwamen bezoeken, en onder gegroet en gejuich, tranen en blijdschap, gebeden en dankzeggingen, maar zonder den minsten slaap, werd denacht gesleten, en de morgen van den 4den November 1848 lichtte over haar als over vrijen en gelukkigen.Met de vorige lente en wel in de maand Mei, zoo als de schrijfster reeds heeft te kennen gegeven, kwam de bejaarde moeder der Edmondsonsche familie te New York, en de reden van hare komst kan kortelijk worden medegedeeld. Zij had nog eene dochter, de steun en de hulp van hare grijsheid, of, zoo als zij zich in hare eigenaardige taal uitdrukte „de laatste droppel bloed in haar hart.” Zij had ook nog den zoon van een en twintig jaren, die nog slaaf was op eene naburige plantage. Men hield het er voor, dat de ziekelijke vrouw, in wier naam de bezitting werd beheerd, haar einde nabij was, en de arme ouders waren door de vrees beklemd, dat wanneer zij stierf, hunne beide overblijvende kinderen bij de scheiding van den boedel verkocht en dus naar de gevreesde zuidelijke markt zouden gezonden worden. Niemand kan het beschrijven welk een altoosdurende vrees de slavengevangenissen en de slavenhandelaars aan al de ongelukkige familiën in den omtrek inboezemen. Alles waarvan andere ouders op hunne kinderen met vreugde en trots neêrzien, is voor deze arme schepsels eene bron van onrust en verdriet, omdat het het kind slechts zoo veel te meer tot een verkoopbaar artikel maakt. Het is dus geen wonder, dat het licht in Paul’s en Milly’s hut door het verschrikkelijke denkbeeld verduisterd werd.Zij die over deze kinderen gesteld waren, hadden haar vader een schriftelijke belofte gegeven, dat zij ze hem voor eene zekere som zouden verkoopen, en door langdurig smeeken hadden zij honderd dollars laten zakken van de twaalf honderd die hij behoefde. Maar hij was nu door ziekte aan zijn bed gebonden. Na een vurig gebed te hebben opgezonden, tot den Helper der hulpeloozen, zeide Milly op zekeren dag tot Paul: „Ik zal u eens wat zeggen, Paul; ik zal zelf naar New York gaan, om te zien of ik dat geld niet kan oploopen.”Paul antwoordde: „Maar beste Milly, hoe zoudt gij dat kunnen? Gij moet eigenlijk in bed blijven, en gij zijt nog nooit van uw leven op den spoortrein geweest?”„Wees maar niet bang, Paul,” zeide ik: „ik zal gaan vol vertrouwen op den Heer; en de Heer zal mij in Zijne hoede nemen en Hij zal mij geleiden, dat weet ik.”Ik ging dus naar den trein en nam een blanke aan, die mij er inhielp en, waarlijk, daar vond ik twee Bethel-predikers, en de een zat hier en de andere daar naast mij den geheelen weg over; en zij zorgden voor mijn briefjes en goed en zagen alles voor mij na, en deden alles voor mij. Den geheelen weg over gebeurde er niets niet mij. Somtijds als ik afstapte in de koffijkamers, zagen de menschen mij aan en schoven met zulk een verachtelijken blik op! Wel, dacht ik, ik hoop dat de Heer u tot betere gedachten brengen zal.”Emily en Mary, die ergens in New York naar school waren gezonden, kwamen in de stad om hare moeder te bezoeken en zij bragten haar terstond naar het huis van den eerwaarden Henry W. Beecher, waar de schrijfster zich toen juist bevond. Schrijfster dezes stelt zich het tooneel nog levendig voor den geest, toen zij het eerst deze moeder en dochters ontmoette. Het dient vermeld te worden, dat zij elkander toen in geen vier jaren gezien hadden. Zij zaten aan weêrskanten van hare moeder, ieder met een harer handen in de hare, en de blik van trots en liefde, waarmede zij haar aan de schrijfster voorstelden, was roerend om te zien. Nadat zij was voorgesteld aan de schrijfster, ging zij op nieuw tusschen haar zitten, nam eene hand van ieder, en sloeg eerst op de eene en toen op de andere een ernstigen blik, en opziende, zeide zij met een glimlach:„O, die kinderen! hoe zij ons aan het harte liggen!”Zij beschreef toen aan de schrijfster al haar kommer en angst omtrent hare jongste kinderen. „Nu, mevrouw,” zeide zij, „die man door wien het groote handelshuis te Alexandria gehouden wordt,die man,” en zij drukte hierop met innige verontwaardiging, „heeft laten vernemen of er nog meer kinderen van me waren, die verkocht konden worden. Die man zeide dat hijmijverlangde te zien. Ja, mevrouw, hij heeft gezegd twintig dollars te willen geven om mij te zien. Ik zou hem niet willen zien, al gaf hij er mij honderd. Hij heeft mij laten vragen om bij hem te komen en hem te zien, toen hij mijne dochters in zijne gevangenis had opgesloten. Ik wilde niet gaan om hem te zien; en ik had geen behoefte om haar daar te zien.”Hare beide dochters Emily en Mary werden hierop zeer boos en uitten eene zeer natuurlijke maar bittere taal jegensalle slavenhouders. „Stil kinderen! gij moet uwe vijanden vergeven,” zeide zij. „Maar zij zijn zoo goddeloos,” zeiden de meisjes. „Ach kinderen dezondemoet gij haten, maar denzondaarliefhebben.” „Nu, moeder,” zeide een van de meisjes, „als ik op nieuw eene slavin moest worden, zou ik mij van kant maken.” „Dat geloof ik niet, kind; dat zou goddeloos zijn.” „Maar moeder, ik zou hettochdoen; ik weet dat ik het nooit meer zou kunnen verdragen.” „Draag het, mijn kind!” was haar antwoord, „want de heerlijkheid zal hiernamaals des te grooter zijn, naarmate men hier meer heeft verdragen.”Terwijl zij deze woorden sprak, was er iets onbeschrijfelijk gevoeligs in hare stem en voorkomen, eene plegtigheid en kracht, maar gepaard met zachtheid, die nooit uit mijn geheugen zullen worden gewischt.Deze arme slavenmoeder, wier geheele leven eene lange beleediging van hare heiligste gevoelens geweest was; wie men de gelegenheid ontnomen had om Gods Woord te lezen; wier edele pelgrimstogt door de ongeregtigheid eener Christelijke natie tot een dag van ellende gemaakt was; zij had toch geleerd het grootste raadsel der Christelijke zedeleer op te lossen en te doen wat zoo weinig hervormers doen kunnen—dezondete haten, maar denzondaarlief te hebben!Door deze geschiedenis was eene groote belangstelling onder de dames in Brooklyn ontstaan. Er werden verscheidene groote meetings in verschillende salons gehouden, waarin de oude moeder hare geschiedenis met groote eenvoudigheid en diep gevoel mededeelde, en spoedig werd er eene inteekening geopend tot loskooping van de twee overgeblevenen harer familie. Het zal misschien niet zonder belangstelling vernomen worden, dat aan het hoofd der inteekenlijst de naam prijkte van de beminnelijke en weldadige Jenny Lind Goldsmidt.Eenige dames, die deze roerende geschiedenis hoorden verhalen, stelden zooveel belang in miss Edmondson-zelve, dat zij verlangden eene daguerreotype van haar te laten maken, opdat zij zoo wel gesterkt mogten worden door haar rustig gelaat als de schoonheid van waarachtige deugd, die daarvan afstraalde, er in te bewonderen. Overeenkomstig dat verlangen vergezelde zij haar naar het atelier, met al den eenvoudvan een klein kind. „O,” zeide zij tot eene der dames, „gij kunt niet nagaan hoe gelukkig ik ben, dat ik hier ben gekomen, waar iedereenzoo vriendelijkjegens mij is!” Toen ik den vorigen avond naar huis ging, was ik zoo gelukkig, dat ik er niet van slapen kon. Ik moest het gedurig aan mijn Heiland zeggen, hoe gelukkig ik was.”Eene dame sprak met haar om dit of dat te lezen. „God zegene u, mijn liefje! Ik kan geen letter lezen.”„Hoe hebt gij dan,” vroeg haar eene andere dame, „zooveel van God en van de hemelsche dingen geleerd?”„Wel, het gelijkt eenegiftvan boven.”„Kan men den Bijbel dan voor u lezen?”„Wel zeker, Paul kan een beetje lezen; maar hij heeft over dag zoo veel te werken, en als hij laat in den avond t’huis komt, is hij zoo vermoeid! en zijne oogen zijn slecht. Maar dan onderwijst mij deGeest.”„Gaat gij dikwijls naar de kerk?”„Niet zeer veel; wij wonen zoo ver af. ’s Winters kan ik het nooit. Maar o! hoe dikwijls ben ik als ’t ware ter kerk geweest, en heb ik gebeden—en had ik gemeenschap met mijn Zaligmaker!” Nooit zal ik den glimlach vergeten die haar onder het uiten dezer woorden om den mond speelde. Een klein meisje van eene der dames maakte een paar allerscherpste aanmerkingen over iets in het atelier van den daguerreotypist en werd daarover door hare moeder bestraft.De oude vrouw zag haar met haar rustigen glimlach aan.„Dat herinnert me,” zeide zij, „wat ik eens een predikant hoorde zeggen. „Vrienden,” zeide hij, „als gij dit of dat weet, hetwelk het hart van uwen broeder kan verheugen,haast u dan om het te zeggen; maar als het iets is dat hem slechts een zucht zal kosten, houdt het dan voor u! houdt het dan voor u!” O, wat heb ik mijne kinderen dikwijls gezegd: „Houdt het voor u, houdt het voor u!””Toen schrijfster dezes van de oude vrouw afscheid nam, zeide zij tot haar. „Nu, vaarwel, mijne waarde vriendin; blijf mijner gedenken en bid voor mij.”„Voorubidden!” zeide zij op ernstigen toon. „Zeker zal ik dat, ik kan het niet helpen.” En haar vinger opheffende zeide zij op een nadrukkelijken toon, bijzonder eigen aanouden van haar stam: „Ik zal u wat zeggen, wij hebben zelf nooit goed brood totdat wij beginnen het eerstvoor onze broeders te vragen.”De schrijfster maakt van deze gelegenheid gebruik om al de vrienden dezer vrouw, in verschillende County’s, die zoo bereidwillig en edelmoedig iets hebben bijgedragen tot de bevrijding dezer kinderen, te berigten, dat zijeindelijk zijn vrijgekocht.Het volgende uittreksel uit den brief eener dame in Washington zal door hen gewis niet zonder belangstelling worden gelezen.Ik heb de oude lieden Edmondson—Paul en zijne vrouw Milly—gezien. Ik heb devrijeEdmondsons gezien—moeder, zoon, dochter—den eigen dag nadat het groote tijdperk van hunne vrijheid was begonnen, terwijl zij nog onder den indruk daarvan waren, en het gelaat der moeder enkel licht en liefde was, het oog des vaders nat en glinsterende van tranen, de zoon rustig en vol mannelijke bewustheid van de verantwoordelijkheid die er op hem rustte, de dochter (als ik mij niet bedrieg naauwelijks boven de vijftien jaar) vol zoete waardering van de vreugde van het tegenwoordige, en vol hoop op de toekomst, die zoo eensklaps en geheel en al voor haar oprees.Wij hebben verslag gedaan van het lot van eene der familiën, die aan boord vande Parelgevat waren. Wij hebben nog eene andere geschiedenis te verhalen, waarvan wij niet durven beloven, dat het einde zoo gelukkig wezen zal.
Hoofdstuk VI.Geschiedenis der Edmondsons.
Milly Edmondson is eene bejaarde vrouw, van diep in de zeventig. Zij heeft het slaven-erfdeel van volslagen onwetendheid ontvangen. Zij kan geen brief of boek lezen, noch haar eigen naam zetten; maar de schrijfster moet bekennen, dat zij nooit zoo getroffen is geworden door eenige voorstelling van de Christelijke godsdienst, als door die haar gedaan werd in de taal en met het voorkomen dezer vrouw tijdens de weinige keeren dat zij haar ontmoette. De bijzonderheden dezer ontmoetingen zullen in den loop van het verhaal aan het licht gebragt worden.Milly is iets meer dan van middelmatige grootte, en breed en gezet van omvang. Zij gaat met de grootste zorgvuldigheid, tot op netheid af, gekleed. Een eenvoudige Methodistische halsdoek is haar dwars over de borst gespeld. Een goed onderhouden stoffen japon en helder wit voorschoot, met een witten zakdoek op zijde er aan vastgehecht, voltooit den inventaris van het costuum waarin de schrijfster haar gewoonlijk zag. Zij is eene mulattin en moet eens zeer schoon zijn geweest. Hare oogen en glimlach zijn nog ongemeen schoon, maar er liggen diepe voren van geduldige lijdenssmart en afmattende lijdzaamheid op haar gelaat, die verraden dat deze beminnelijke en edelaardige vrouw haar leven lang slavin is geweest.Milly Edmondson werd door hare eigenaars in dienst gehouden en het was haar vergund bij haar man te wonen, onder uitdrukkelijk beding en voorwaarde, dat hare dienst en waarde bestaan zou in het opkweeken harer eigene kinderen, om deze op de slavenmarkt te doen verkoopen. Hare wettige eigenares was eene ongehuwde dame van bekrompen geestvermogens, die door een vonnis van de regtbank voor onbekwaam was verklaard om hare eigene zaken te besturen.De bezitting—dat wil zeggen Milly Edmondson en hare kinderen—was aan de zorg van een voogd toevertrouwd. Het schijnt, dat Milly’s arme, zwakke meesteres zeer veel van haar hield en dat Milly vrij wat overwigt op haar bezat,zoo als een krachtige geest meestal eene magt over een zwakkeren uitoefent. Milly’s echtgenoot, Paul Edmondson, was een vrij man. Wij zullen nu een weinig van hare geschiedenis, zoo als zij die aan de schrijfster mededeelde, met hare eigene woorden laten volgen.„Hare meesteres,” zeide zij, „was altijd vriendelijk jegens haar, het arme schepsel!” maar zij had geen moed om voor haar-zelve te spreken, en hare vrienden wilden niet dat zij haar eigen weg ging. „Het lag mij altijd op het hart,” zeide zij, „dat ik eene slavin was. Toen ik even veertien jaar oud was, was Missis op zekeren dag met iets bezig, dat zij meende mij niet te kunnen toevertrouwen, en zeide zij tot mij: „Milly, nu ziet gij dat ik slavin ben en gij niet.” Ik antwoordde haar, „Ach, Missis! ik ben met dat al toch maar eene arme slavin.” Ik was later bedroefd, dat ik dit gezegd had, want het kwam mij voor dat het haar gevoel scheen te kwetsen.„Toen ik een poos later met Paul verbonden werd, hield ik zeer veel van Paul; maar ik dacht, dat het niet goed was kinderen ter wereld te brengen om slaven te zijn, en ik zeide tot de onzen, dat ik nooit zou trouwen, schoon ik veel van Paul hield. Maar dat werd mij niet veroorloofd,” zeide zij met een geheimzinnig voorkomen.„Wat bedoelt gij?” vroeg ik.„Wel, zij zeiden mij dat ik moest trouwen, of dat ik anders buiten de kerk zou worden gesloten,—dat was het;” voegde zij er met een beteekenisvollen knik met het hoofd bij. „Nu dan, Paul en ik, wij trouwden, en wij waren gelukkig genoeg, als het daarom niet geweest was; maar toen ons eerste kind geboren was, zeide ik tot hem: „Daar hebt gij ’t nu, Paul; onze ellende heeft een aanvang genomen; dit kind is ons kind niet.” En met ieder kind dat ik kreeg, werd het hoe langer hoe erger. „O, Paul!” zeide ik, „wat is het toch een vreeselijk ding kinderen te hebben, die niet de onze zijn!” Paul zeide tot mij: „Mijn beste Milly, als het kinderen van God zijn, doet het er weinig toe of zij al of niet zijn van ons; zij kunnen daarom toch erfgenamen van het Koningrijk zijn, Milly.”Wel, toen Paul’s meesteres stierf, gaf zij hem de vrijheid, en hij kreeg voor zich een klein plaatsje, omstreeks veertien mijlenvan Washington; en zij lieten mij daar met hem wonen, en ik nam mijn werk meê naar huis; want zij stelden dat vertrouwen in mij, daar zij altijd wisten, dat, wat ik zeide te zullen doen, even goed gedaan was alsof zij het hadden zien doen. Ik had doorgaans naaiwerk: soms een geheel hemd op een dag te maken—gij weet het was grof,—of een paar lakens of iets van dien aard; maar wat het ook was, ik kreeg het altijd gedaan. Dan had ik nog al mijn huiswerk te doen en voor de kleinen te zorgen; en dikwijls heb ik na tienen, de kleederen van mijne kinderen genomen en ze gewasschen en gestreken laat in den nacht, omdat ik niet dulden kon dat mijne kinderen er slordig uitzagen,—altijd wilde ik dat ze helder en schoon voor den dag kwamen, en ik bragt hen groot en leerde hen zoo goed ik maar kon. Maar niemand kan nagaan wat ik leed; ik zag nooit een blanke op de plaats komen of ik dacht: kijk, die komt om naar mijne kinderen te zien; en wanneer ik een blanke voorbij zag gaan, heb ik mijne kinderen naar binnen geroepen en ze weggestopt, uit vrees dat hij ze zou zien en willen koopen. O mevrouw, ik heb zoo veel, o zoo veel uitgestaan! Ik heb dit zware kruis jaren lang gedragen!”„Maar,” zeide ik, „de Heer is met u geweest.”Zij antwoordde met grooten nadruk: „Mevrouw, als de Heer mij niet ondersteund had, zou ik op dit oogenblik niet meer in leven zijn. O, mijn hart is dikwijls zoo bezwaard geweest, dat het scheen alsof ikmoeststerven; en dan heb ik mij voor den troon der genade geworpen, en als ik daarvoor geheel mijn hart had uitgestort, brak er hetlichtin door, en gevoelde ik, dat ik nog een beetje langer leven kon!”Dit zijn hare eigene woorden. Zij had dikwijls eene krachtige en bijzonder fraaije manier om zich uit te drukken, waardoor alles wat zij zeide een sterken indruk naliet.Paul en Milly Edmondson bezochten beide getrouw de Methodische Bisschoppelijke kerk te Washington, en allen die hen kenden getuigen eenparig van hen, dat zij een vlekkeloos leven leidden en innig godsdienstig waren. In hunne eenvoudige hut, door netheid en orde opgeluisterd, en des morgens en avonds door het gebed geheiligd, bragten zij, naar hun beste vermogen hunne kinderen op, in de kennis en vereering van den Heer, om op de slavenmarkt verkocht te worden.Zij achtten zich slechts al te gelukkig, als het een na het ander den ouderdom bereikte om verkocht te worden, dat zij aan familiën in de nabijheid verhuurd werden, en niet in handen vielen van den handelaar, om naar de zuidelijke markt gedreven te worden.De moeder, die met gestadigen maar onderdrukten angst den bitteren last der slavernij, die op haar lag, gevoelde, was gewoon om, zoo als zij aan de schrijfster verhaalde, hare dochters op deze wijze te waarschuwen:„Nu, meisjes, zorgt dat gij nooit de smart kent die ik lijd. Trouwt nooit voor dat gij in vrijheid zijt. Trouwt nooit om moeders te worden vankinderen die de uwe niet zijn.”Als een gevolg van deze opvoeding, bragten enkele van hare oudste dochters, in vereeniging met de jonge mannen, waarmede zij verbonden waren, de noodige gelden bijeen om zich vrij te koopen eer zij gehuwd waren. Eene dezer jonge vrouwen was, op het oogenblik dat zij het geld voor hare vrijheid betaalde, van zulk een zwakke gezondheid, dat de doctor haar zeide, dat ze nog maar enkele maanden te leven had, en ried haar aan, haar geld te behouden en het aan te wenden om het zich zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Zij antwoordde:„Al had ik nog maar twee uren te leven, zou ik het betalen om vrij te sterven.”Indien dit een buitensporige waarde aan vrijheid hechten was, zoo behoeft dit toch daarom door geen Amerikaan gezegd te worden.Al de zonen en dochteren van dit gezin onderscheidden zich zoo wel door hunne ligchamelijke als zedelijke ontwikkeling, en golden dus buitengemeen hoog op de markt. De geheele familie, berekend naar de marktprijzen die er voor enkele leden van besteed waren, kon op eene waarde van 15,000 dollars geschat worden. Zij kenmerkten zich door verstand, eerlijkheid en getrouwheid, maar bovenal door eene innige gehechtheid aan elkander. Deze kinderen, zoo vol bevatting, werden alle als slaven gehouden in de stad Washington, de hoofdstad waar ons nationaal bestuur is gevestigd. De hooge waarde die hunne eigene moeder hen in de vrijheid leerde stellen, moest natuurlijk aangewakkerd en versterkt worden door allerhande aanspraken, plegtigheden en redevoeringen, die,gelijk bekend is, gedurig bij deze en gene gelegenheid in onze nationale hoofdstad gehouden worden.Op den 13den April kwam de kleine schoenerde Parel, onder bevel van Daniel Drayton, in de Potomak-rivier te Washington voor anker.De tijding van eene omwenteling in Frankrijk, en de vestiging eener democratische regering was juist aangekomen en geheel Washington was in rep en roer om de zegepraal der Vrijheid te vieren.Tusschen de boomen in de allée waren fantastische veelkleurige lantaarnen gehangen; de trommels werden geroerd, de muziekcorpsen lieten zich hooren, de woningen van den President en andere hooge staatsbeambten waren verlicht, en mannen, vrouwen en kinderen waren allen op de been om den optogt te zien en deel te nemen aan het gejubel der vrijheid, waar de lucht van weergalmde. Al de slaven van de stad, levendig, fantastisch, gevoelig en ligt opgewonden als ze zijn door muziek en verblindende schouwspelen, luisterden, keken en verlustigden zich natuurlijk overal vol onwetende blijdschap. Al de hoofden van de departementen, senatoren, vertegenwoordigers en grootwaardigheidbekleeders van allerhanden aard, togen in optogt naar een opengebleven plek vanPennsylvaniaAvenue, en hielden daar toespraken vol gelukwenschingen over den voortgang der algemeene vrijheid. Met ongehoorde onvoorzigtigheid ontboezemden daar de krachtigste verdedigers van de instelling der slavernij voor de luisterende menigte, zoowel zwarten als blanken, lijfeigenen als vrijen, de oproerigste en meest ophitsende gevoelens. Zulke bij voorbeeld, als de volgende taal van den honorable Frederik P. Stanton van Tennessee:„Wij planten inderdaad onze beginselen niet voort door middel van het zwaard; maar in éénen zin zijn wij propagandisten. Het is niet onze schuld, dat wij zoo bestaan. Ons voorbeeld is besmettelijk. In de afdeeling van dit groote land, waar ik woon, aan de oevers van den magtigen Mississippi, bezitten wij het ware zinnebeeld van den boom der vrijheid. Daar ziet gij hoe het reusachtige katoenbosch zijne takken naar al de hemelstreken uitspreidt. Somtijds woelt de stroom zijne wortels bloot, en gij ziet hoe hij zever in de rondte uitstrekt en ze tot eene onmetelijke diepte in den grond laat binnendringen. Wanneer de tijd der rijpheid gekomen is, is de lucht met vezelen vervuld, die naar iedere rigting henenstuiven, en op hare ligte wieken de levende zaden van den magtigen boom met zich voeren. Aldus zijn de zaden der vrijheid uit den boom onzer vrijheden voortgesproten; zij vervullen de lucht; zij zijn naar alle deelen van den bewoonden aardbodem verspreid; en zelfs zijn zij bestemd om in de barre zandwoestijnen der dwingelandij wortel te schieten. De boom der vrijheid zal alom opwassen en de volkeren zullen zich in zijne schaduw ter ruste leggen.”Senator Foote, van Mississippi, gebruikte eveneens de volgende woorden:„Zoodanig is de buitengewone loop der gebeurtenissen in Frankrijk en Europa, gedurende de beide laatste maanden geweest, dat, hoe oplettender wij het tooneel overzien, hetwelk zich voor onze blikken uitbreidt, en hoe strenger wij het gedrag van de acteurs die er optreden onderzoeken, des te vaster onze overtuiging gegrondvest wordt, dat het niet falen kan of hetroemvolle werk, hetwelk zoo heerlijk is aangevangen, moet even heerlijk voleindigd worden; dat de tijd derDWINGELANDEN EN DER SLAVERNIJhaastig ten einde spoedt; en dat het gelukkige tijdperk, hetwelk door dealgemeene bevrijding der menschenuit deketens der burgerlijke verdrukking, en de erkenningin alle landenvan de groote beginselen dervolks-souvereiniteit, gelijkheid enBROEDERSCHAP, gekenmerkt wordt, blijkbaar is aangebroken.”Kan het iemand na dit alles verwonderen, dat zeven en zeventig der verstandigste jonge slaven, zoo mannen als vrouwen, in de stad Washington, den heer Foote en zijne medesenatoren eerlijk bij hun woord houdende, en geloovende dat de tijd van dwingelandij en slavernij ten einde spoedde, zich vereenigden en eene poging aanwendden om hun deel te erlangen in dit rijk van algemeene broederschap?De schoenerde Parellag in de haven en men bevond, dat kapitein Drayton een menschelijk hart bezat. Misschien hadook hij de redevoeringen inPennsylvaniaAvenue aangehoord en in de onschuld van zijn hart geloofd, dat iemand, die werkelijk ietsdeedom algemeene gelijkheid te bevorderen, niet slechter was dan zij die er enkel redevoeringen over hielden.Drayton was er toe overgehaald om dezen zeven en zeventig slaven te vergunnen, zich in het ruim van zijn vaartuig te verbergen, en onder deze bevonden zich zes kinderen van Paul en Milly Edmondson.Wat er verder geschiedde zal nu worden medegedeeld volgens het verhaal van Mary en Emily Edmondson, door de dame bij wier familie de schrijfster haar ter opvoeding geplaatst had.Eenige voorafgaande inlichtingen zullen echter noodig zijn tot goed begrip van het verhaal.Een achtingswaardige kleurling, Daniel Bell genaamd, die zich-zelf had vrij gekocht, woonde te Washington. Zijne vrouw en hare acht kinderen waren door haar meester op zijn doodbed in vrijheid gesteld. De erfgenamen trachtten het testament te verbreken, op grond dat hij, op het oogenblik toen het gemaakt werd, niet bij zijn volle verstand was. De overheidspersoon, voor wien het was verleden, was echter door zijne persoonlijke bekendheid met den toestand van den man op dat tijdstip, in staat hun voornemen te verijdelen; het huisgezin leefde dus eenige jaren in volkomene vrijheid. Bij den dood van dezen overheidspersoon, bragten de erfgenamen de zaak op nieuw voor het geregtshof, en daar het scheen dat de zaak ten nadeele van het gezin zou worden uitgewezen, zoo besloten zij, zich van hun wettig regt te verzekeren door de vlugt, en bestelden plaatsen aan boord van kapitein Drayton’s vaartuig. Een aantal hunner makkers en vrienden, waarschijnlijk aangespoord door de plaats gehad hebbende demonstratiën ten voordeele der vrijheid, vroegen verlof hen op hunne vlugt te vergezellen. De zaden van het katoenbosch verspreidden zich overal, en ontloken in aller harten; zoodat in den aan gebeurtenissen rijken avond van den 15den April 1848, niet minder dan zeven en zeventig mannen, vrouwen en kinderen met kloppende harten, en in het diepste geheim, zich verscholen in het ruim van den kleinen schoener, en kapitein Drayton was zoo goddeloos, dat hij, al ware er zijn leven meê gemoeid, tot niemand hunner „neen” kon zeggen.Richard Edmondson had reeds lang getracht zich vrij te koopen; had er van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat voor gearbeid, maar de daarvoor gestelde prijs was zoo hoog, dat hij wanhoopte dien ooit te zullen verwerven. Dezen avond meenden hij en zijne drie broeders, dat, als het rijk van algemeene broederschap aangevangen, en dat der tirannen en der slavernij geëindigd was, zij voor zich en hunne zusters dat heilige geschenk der vrijheid konden aannemen, waarvan aan geheel Washington, twee avonden te voren, was verkondigd, dat het de bijzondere bestemming van Amerika was, het aan alle natiën te verschaffen. Hunne beide zusters, zestien en veertien jaar oud, waren aan familiën in de stad verhuurd. Dezen avond begaf zich Samuel Edmondson naar het huis waar Emily woonde, en deelde haar het voorgenomen plan mede.„Maar wat zal moeder wel denken?” zeide Emily.„Houd u niet op met aan haar te denken; zij zal veel liever zien dat wij vrij zijn, dan dat wij tijd verspillen met er haar over te spreken.”„Nu dan, als Mary wil, wil ik ook.”De meisjes geven als eene reden van haar verlangen om te vlugten, op, dat, ofschoon zij nooit mishandelingen ondergaan hadden of onvriendelijk behandeld waren, het haar echter bekend was, dat zij den een of anderen dag tot harde slavernij konden verkocht en gescheiden worden van al wat haar lief was.Zij begaven zich dus allen aan boord vande Parel, die op eenigen afstand van de plaats, waar de schepen gewoonlijk aanleggen, geankerd lag. Daar troffen zij een gezelschap van slaven, zeven en zeventig in getal, aan. ’s Nachts ten twaalf ure werden de zeilen van den kleinen schoener in stilte geheschen en gleed het vaartuig, met zijne vreesachtige en geheimzinnige vracht, den stroom af. Eene frissche koelte verhief zich en ten elf ure van den volgenden nacht, was men twee honderd mijlen ver van Washington verwijderd en begon men te gelooven dat men de vrijheid verkregen had.Zij ankerden in een plaats, Cornfield-Harbour geheeten, met het voornemen, om het aanbreken van den morgen af te wachten. Allen lagen vredig en wel te rusten, door het geschommel van het vaartuig en het gekabbel van het water, in slaap gewiegd.Maar ’s nachts ten twee ure werden zij gewekt door een geweldig geschermutsel, geschreeuw, gevloek en gesteun op het dek. Een stoomboot was hen nagezonden en had hen ingehaald, en de kleine schoener was door een woedenden hoop gewapenden aan boord geklampt.In één oogenblik waren de kapitein, de stuurman en al het volk gegrepen en gekneveld, onder de vreeselijkste vloeken en bedreigingen. Toen zij, razende en vloekende de luiken van de weêrlooze gevangenen beneden openrukten, trad Richard Edmondson naar voren, en sprak hun op een bedaarden toon toe: „Mijne heeren, maakt geen ongelukken; wij zijn allen hier.” Allen onder de slaven, uitgezonderd deze, waren zoo stil als de wanhoop hen maar maken kon; er werd door niemand hunner een enkel woord geuit. De mannen werden allen gebonden en op het stoomschip overgebragt, de vrouwen werden aan boord van den schoener gelaten, die op sleeptouw werd genomen.De aanleiding tot hunne gevangenneming werd op de volgende wijze verklaard.—Den morgen nadat zij waren uitgezeild, misten een aantal familiën in Washington hunne slaven, en dit voorval verwekte niet minder opschudding, dan twee dagen vroeger de bevrijding van Frankrijk had te weeg gebragt. Dien tijd hadden zij op de vriendelijkste wijze geluisterd naar de verdediging, dat het rijk der slavernij ten einde spoedde, omdat zij niet het geringste denkbeeld hadden, dat die taal iets te beteekenen had; en zij waren ten sterkste getroffen door de practische toepassing er van. Over de honderd mannen stegen te paard, om in den omtrek deze nieuwe leerlingen van het leerstelsel der algemeene emancipatie na te zetten. Maar een kleurling, Judson Diggs geheeten, verried den geheelen aanleg. Hij was toornig geworden, omdat, toen hij eene arme vrouw met haar goed naar de boot had gebragt, zij niet in staat was geweest hem de vijf en twintig centen te betalen, die hij geëischt had. Daarom verhaalde hij deze bewonderaars van algemeene broederschap, dat zij niet naar buiten behoefden te rijden, daar hunne slaven de rivier waren afgezakt, en op dit oogenblik toch ver genoeg waren. Terstond werd een stoomboot met twee honderd soldaten bemand en uitgezonden om hen na te zetten.Toen het schip met de gevangen slaven aan wal kwam, greep er eene geweldige opschudding in de stad plaats. De mannen werden, twee aan twee gebonden, door de stad gedreven. Van alle kanten werden zij bespot, beschimpt en uitgejouwd. Iemand vroeg aan een van de meisjes: „of zij het niet prettig vond om gevat te worden als zij was weggeloopen?” en een ander vroeg haar: „of het haar niet speet?” Zij antwoordde: „Neen, als ik het morgen weêr doen kon, zou ik hetzelfde doen.” De man keerde zich tot een der omstanders en zeide: „Heeft ze geen courage?”Maar het meest was men op Drayton en Sayres gebeten, den kapitein en den stuurman van het vaartuig. Booswichten met dolken en pistolen gewapend, schoolden rondom hen bijeen en braakten de hevigste bedreigingen uit. Een van hen drong zoo digt bij Drayton, dat hij hem in het oor sneed, hetwelk Emily zag dat bloedde. Intusschen mengden zich onder de menigte een aantal betrekkingen der gevangenen, die, daar zij hen als zoo vele veroordeelde slagtoffers beschouwden, over hen weenden en jammerden. Een schoonbroeder der Edmondsons werd zoo van smart overweldigd toen hij ze ontwaarde, dat hij op de straat in zwijm viel en bewusteloos naar huis werd gedragen. Het droevige nieuws drong tot de hut van Paul en Milly Edmondson door, en wetende dat al hunne kinderen nu waarschijnlijk voor de zuidelijke markt zouden bestemd worden, lieten zij den vrijen teugel aan hunne smart. „O, welk een dag was dat!” zeide de oude moeder, toen zij dat tooneel voor de schrijfster beschreef. „Ik kon geen enkele bete meer over mijne lippen brengen. Paul en ik, wij vastten en riepen den Heer nacht en dag aan, om den wille onzer arme kinderen!”De algemeene opinie van de stad sloeg tot de innigste verontwaardiging over. Het ging van mond tot mond, dat zij zacht waren behandeld en nooit eene mishandeling ondergaan hadden; en wat kon er hen toe gebragt hebben, om te trachten hunne vrijheid te erlangen? Alles wat de heer Stanton gezegd had van den langzaam voortgaanden invloed dor Amerikaansche instellingen en al zijne aardige vergelijkingen van de zaden der katoenbosschen, schenen geheel en al aan het geheugen der burgers ontsnapt te zijn, en zij konden in de poging van dit volk om zich te bevrijden, niets anders dande verregaandste snoodheid zien. Een aantal raadde hunne eigenaren aan dat zij hun geen vergiffenis schenken zouden—dat er geen genade moest bewezen worden, maar dat zij op staanden voet moesten worden overgegeven in handen der handelaars, om naar de zuidelijke markt te worden gebragt—dat Siberië der onverantwoordelijke dwingelanden van Amerika. Toen al de gevangenen in de gevangenis waren geworpen, kwamen de eigenaars derwaarts, om onder eede te verklaren dat zijn hun eigendom waren, en de eigendom werd ook opgeroepen om onder eede te verklaren, wie hunne meesters waren. Met hen kwamen ook de gehuwde zusters van Mary en Emily; maar het werd haar niet toegestaan een voet in de gevangenis te zetten. De meisjes gluurden door de ijzeren traliën der vensters van de derde verdieping en zagen hare zusters beneden, die op de plaats stonden te weenen.De voogd der Edmondsons, die voor den wettigen eigenaar optrad, oogenschijnlijk door hunne smart getroffen, beloofde hunne familie en vrienden, die, zoo mogelijk, hen wenschten te koopen, dat zij den volgenden morgen daartoe gelegenheid zouden hebben. Misschien was hij op dat oogenblik voornemens ze hem te geven; maar, toen Bruin en Hill, de houders van het groote slavenkoophuis in Alexandria, hen vier duizend vijf honderd dollars voor de zes kinderen boden, waren zij onherroepelijk vóór den volgenden morgen verkocht. Bruin wilde naar geene voorslagen hooren, door eenige hunner vrienden gedaan. De dame, bij wie Mary gewoond had, bood duizend dollars voor haar, maar Bruin sloeg het aanbod af, zeggende: dat hij het dubbel van die som op de markt van New-Orleans van haar maken kon. Hij zeide, dat hij al twaalf jaar lang het oog op die familie gehad had, en beloofd had ze te zullen koopen, als ze maar te koop kwamen.Terwijl de meisjes in de gevangenis waren, hadden zij bedden noch stoelen, en slechts ieder een deken, schoon de nachten verstijvend waren; maar vernemende dat de vertrekken beneden, waar hare broeders waren opgesloten, nog kouder waren, en dat men hun daar geen dekens gegeven had, zonden zij er de hare heen. Des morgens werd het haar vergund eenige oogenblikken op de plaats te wandelen, en van dat oogenblik maakten zij gebruik om naar het venstervan het vertrek harer broeders te snellen, hun goeden morgen te wenschen en door de traliën heen te kussen.Donderdag avond ten tien ure deed men hare broeders handboeijen aan, en werden zij met hunne zusters door hunne nieuwe eigenaars op wagens geplaatst, naar Alexandria vervoerd en in eene gevangenis, een „Georgia Pen” genaamd, geworpen. De meisjes werden alleen in een groot vertrek gelaten, waar eene volslagene duisternis heerschte, zonder bed of deken, waar zij den nacht weenende en zuchtende doorbragten, in volslagene onbekendheid met het lot harer broeders. ’s Morgens ten acht ure werden zij geroepen om te ontbijten, toen zij tot hare groote vertroosting ontdekten, dat hare vier broeders met haar in deze zelfde gevangenis waren opgesloten.Hier bleven zij ongeveer vier weken, terwijl het haar doorgaans vergund werd over dag bij hare broeders te verblijven en des nachts naar haar eigen vertrek terug te keeren. Hare broeders waren ten hoogste bezorgd over haar, daar zij bevreesd waren, dat zij in het Zuiden zouden worden verkocht. Samuel vooral was zeer neêrgedrukt, daar hij de hoofdbewerker van haar ongeluk was. Hij zeide menigmalen, dat hij met blijdschap voor haar wilde sterven, als dit haar redden kon van het lot, dat hij duchtte. Hij weende bijna den ganschen tijd, schoon hij in hare tegenwoordigheid zijne tranen zocht te bedwingen.Inmiddels werden zij in de gevangenis gebezigd om voor dertien man te wasschen, ofschoon hare broeders een groot deel van haar werk op zich namen. Eer zij de gevangenis verlieten, werden zij gemeten en hun signalement opgemaakt door hunne eigenaars. Eindelijk werden zij naar buiten gebragt, den broeders de handboeijen aangedaan, en alle aan boord van een stoomboot gebragt, waarop zich ongeveer veertig slaven, meest mannen, bevonden, die naar Baltimore werden vervoerd. De reis duurde een etmaal. Toen zij te Baltimore aankwamen, werden zij in een slaven-schuthok geworpen dat aan een compagnon van Bruin en Hill toebehoorde. Hij was een ruwe, lompe kerel, die gewoonlijk de goddeloosste taal uitsloeg, en verschrikkelijk gemeen en beleedigend in zijne aanmerkingen omtrent vrouwen was. Hier werd het hun verboden met elkander te bidden, zooals zij tot nutoe waren gewoon geweest. Maar door des morgens zeer vroeg op te staan, maakten zij zich een oogenblik ten nutte, waarin zij hunne gewoonte ongestoord konden opvolgen. Zij, en vier of vijf andere vrouwen, in de gevangenis, kwamen voor het aanbreken van den dag bij elkander om hare harten uit te storten voor de Toevlugt van iederen bedrukte van ziel; en in deze gebeden gedacht men de hardvochtige slavenhandelaars iederen dag. De broeders van Mary en Emily gedroegen zich zeer lief en hartelijk jegens hunne zusters, hetgeen een grooten invloed uitoefende op de andere mannen die met hen waren.In deze plaats werden zij bekend met Tante Rachel, eene zeer godvreezende vrouw van middelbaren leeftijd, die men van haar man gescheiden, verkocht en in de gevangenis geworpen had. Haar echtgenoot kwam menigmalen naar de gevangenis en den handelaar smeeken haar aanzijnemeesters te verkoopen, die hij meende dat genegen waren haar te koopen, als de prijs niet al te hoog was. Maar hij werd met vreeselijke bedreigingen en vloeken weggejaagd. Zij bleven ongeveer drie weken in Baltimore.De vrienden in Washington, ofschoon tot nog toe niet geslaagd in hunne pogingen om het gezin te bevrijden, waren nog altijd ten hunnen behoeve werkzaam; en op zekeren avond werd er een berigt met de telegraaf overgebragt, inhoudende, dat den volgenden morgen met den spoortrein iemand zou komen om een bod te doen voor het gezin en dat een gedeelte van het geld gereed lag. Maar de handelaar was onverbiddelijk; en den volgenden morgen, één uur vóór de aankomst van den trein, werden zij allen ingescheept aan boord van de brikde Unie, die onder zeil lag naar New-Orleans. De bode kwam en bragt negen honderd dollars in klinkende specie mede, het geschenk van een kleinzoon van John Jacob Astor. Deze som was bepaaldelijk bestemd voor den aankoop van Richard Edmondson, daar zijne vrouw en kinderen in Washington ziek lagen; en de handelaar wilde de meisjes op geenerhande voorwaarde verkoopen, ja wilde zelfs niet dulden, dat Richard van de brik werd teruggebragt, die nog voor anker lag. De koop was evenwel gesloten en het geld in Baltimore gedeponeerd.Op deze brik werden de elf vrouwen in een zeer eng verblijfgeplaatst en de dertig of veertig mannen in een daaraan grenzend. Emily was gedurende den geheelen overtogt geweldig zeeziek en hare broeders vreesden dat zij bezwijken zou. Zij droegen haar gewoonlijk naar boven en naar onder, kochten eenige kleine versnaperingen voor hare zusters en droegen alle mogelijke zorg voor haar.Aanhoudende tegenwinden voerden hen gedurig terug; en in hunne bijeenkomsten tot het gebed, die zij iederen avond hielden, waren zij gewoon te bidden, dat de tegenwinden hen naar New-York mogten wederbrengen, en een van de matrozen verklaarde, dat indien zij tot op honderd mijlen afstands van New-York konden komen, en de slaven hen wilden bijstaan, hij den kapitein van kant zou maken, en hen in New-York-zelve binnen brengen.Toen zij digt bij Key West kwamen, seinden zij om een loods, daar de kapitein bevreesd was voor de blinde klippen van die plaats en hij niet wist hoe ze te ontkomen. Toen de loodsboot naderde, werden al de slaven beneden opgesloten en een zwaar zeildoek over het groote luik gespannen, waardoor zij van alle lucht verstoken werden, en bijna stikten. De kapitein en de loods onderhandelden een geruimen tijd over den prijs en er volgde eenig krakeel, daar de kapitein ongeneigd was de door den loods gevraagde som te geven; gedurende al dien tijd was het lijden beneden ondragelijk. De vrouwen geraakten zoo uitgeput, dat zij meest allen buiten kennis waren, en de toestand der mannen was niet veel beter, schoon zij beproefden met een stuk hout eenige gaten aan hunnen kant in het zeildoek te maken, ten einde eenige lucht in te laten, maar slechts een paar van de sterksten mogt het gelukken hierin te slagen. Eenigen hunner schreeuwden om hulp zoo lang hunne krachten het toelieten; en eindelijk, na hetgeen hun een schier eindelooze zamenkomst toescheen, vertrok de loods, die weigerde hen bij te staan; het zeildoek werd weggenomen, en de brik verpligt te wenden en een anderen koers te nemen. Daarop kroop de een na den ander, toen hij weder was bijgekomen en genoegzame kracht had, op het dek. Mary en Emily werden door hare broeders zoo spoedig zij daartoe maar in staat waren, naar boven gedragen.Kort hierop begon de voorraad van levensmiddelen te verminderen,en kwam er gebrek aan water, zoodat de slaven op rantsoen van een maatje daags werden gesteld. De matrozen kregen ieder een kwart en gaven dikwijls een pint er van aan de Edmondsons voor hunne zusters, die het met de andere vrouwen deelden, zoo als zij altijd met iedere kleinigheid deden, welke zij op dergelijke wijze ontvingen.Den dag toen zij aan den mond van den Mississippi kwamen, stak er een geweldige storm op en verhieven zich de golven bergenhoog, zoodat, toen de loodsboot naderde, het nu en dan was of zij door den afgrond verzwolgen en dan weder opgeworpen werd om op nieuw door de diepte verslonden te worden. Eindelijk werden zij in en op de rivier door eene stoomboot geboegseerd en zagen daar voor het eerst katoenplantages, waarin geheele troepen slaven aan den arbeid waren.Zij kwamen in den nacht te New-Orleans aan, en omstreeks tien ure van den volgenden morgen werden zij ontscheept en moesten zij zich naar de zoogenaamde uitstalkamers begeven; op de plaats komende, vonden zij daar een aantal mannen en vrouwen in de rondte zitten met zulke droevige gezigten, dat Emily weldra begon te schreijen, waarop een opzigter haar te gemoet trad en haar onder de kin streek en haar verzocht „met huilen op te houden, of dat hij haar anders iets geven zou waarom zij huilen kon.” Vervolgens haar naar iets heen wijzende, zeide hij „dat daar de Calaboos was, waar diegenen die zich niet goed gedroegen gegeeseld werden.” Niet zoo ras was hij verdwenen of een slavin kwam naar haar toe en ried haar een vrolijk gezigt te zetten, als zij het maar eenigzins kon, daar dit verre weg het beste voor haar zijn zou. Spoedig kwam een van hare broeders haar vragen wat de vrouw haar gezegd had, en toen zij het hem had verhaald, ried hij Emily aan, haren raad op te volgen, en wenschte hij er zelf voordeel mede te doen.Dien eigen avond werd het hair der vier broeders kort geknipt, hunne knevels afgeschoren, en hunne gewone kleeding verwisseld met een blaauwe buis en broek, door al hetwelk zij zulk eene verandering ondergingen, dat hunne zusters hen op dat gezigt niet herkenden. Daarop werden zij drie achtereenvolgende dagen genoodzaakt zich in een open portaal voor aan de straat te vertoonen, om door de voorbijgangers teworden opgemerkt; uitgenomen als er een afgemat was, wanneer zij voor een poosje naar binnen mogten gaan, en een ander hunne plaats innemen. Wanneer er echter koopers kwamen, werd zij in de verkoopzaal op rijen ten toon gesteld en aan ruwe scherts en schimp prijs gegeven. Als iemand gading had in een of ander meisje uit den hoop, riep hij haar tot zich, pakte hij haar beet, deed haar mond open, bezag hare tanden en betastte haar op eene ruwe wijze, terwijl hij over het algemeen smerige aanmerkingen maakte; en zij moest ze aanhooren en verduren zonder den minsten tegenstand. Mary en Emily beklaagden zich bij hare broeders, dat zij zich aan zulk eene behandeling niet konden onderwerpen. Zij spraken er met Wilson over, een der compagnons van Bruin en Hill, die met het opzigt over de slaven in deze gevangenis belast waren. Zij werden hierop met meer kieschheid behandeld.Een ander broeder der meisjes, Hamilton genaamd, was slaaf geweest in of bij New Orleans en had zich juist voor duizend dollars vrijgekocht; dat geld had hij reeds vroeger eens voor zich verdiend, maar men had het hem toen afgenomen. Daar Richard nu werkelijk vrij was dewijl het losgeld voor hem in Baltimore was gedeponeerd, vond hij hem daags na hunne aankomst te New-Orleans uit en bragt hem naar de gevangenis om zijne broeders en zusters te bezoeken. De ontmoeting was boven alle beschrijving aandoenlijk.Hij had zijne zuster Emily vroeger nooit gezien, daar hij voor hare geboorte uit het huis zijner ouders verkocht was.In het verblijf der meisjes bevonden zich ’s nachts tusschen de twintig en dertig vrouwen, die allen op den blooten vloer sliepen, ieder slechts met een deken. Eenige dagen later kwam er tijding (dieeigenlijkonjuist was) dat de helft van het geld wasbijeengebragtom Mary en Emily vrij te koopen. Daarop werd het haar, op dringend verzoek harer broeders, vergund, naar het huis harer vrije broeders te gaan, om den nacht door te brengen, en des morgens terug te keeren, daar zij veel van de moskieten en andere insecten geleden hadden en hare voeten gezwollen en vol builen waren.Terwijl zij in deze gevangenis vertoefden, vernamen zij een aantal voorvallen van vreeselijke wreedheid, ja vielen er zelfs onder hunne oogen voor. Twee slaven, een vrouw en een jongen, werden, terwijl zij er in waren, dood gegeeseld,ofschoon zij niet in hetzelfde schuthok waren, of aan denzelfden handelaar als zij toebehoorden.Niemand van de slaven was het vergund, op den dag een oog te luiken, en somtijds werden kleine kinderen die den geheelen dag ledig zaten of stonden, zoo slaperig, dat zij hunne oogen niet konden openhouden; maar als de opzigter hen daarop betrapte, werden zij onbarmhartig geslagen. Mary en Emily hielden hen gewoonlijk in het oog, en lieten hen slapen tot dat zij de opzigters hoorden aankomen, en dan maakten zij ze wakker en deden hen in een oogenblik overeind springen.Eene jonge vrouw, die door de handelaars tot het ergste doel verkocht was, was teruggekeerd, daar zij niet gelukkig genoeg was geweest haar kooper te bevallen; en, gelijk in dergelijke gevallen de gewoonte is, werd zij zoo gruwelijk gegeeseld—dat er versterving in een gedeelte van haar vleesch ontstond, en men aan haar leven wanhoopte. Toen Mary en Emily voor het eerst te New-Orleans aankwamen, zagen en spraken zij haar. Zij was toen juist begonnen op te zitten, zag er zeer tenger en mooi uit, met fraai regt hair, dat eertijds lang was geweest, maar door hare onbeschofte pijnigers was afgesneden.De opzigter, die haar gegeeseld had, zeide, ten hunne aanhooren, dat hij een ander meisje nooit zoo geeselen zou, want het was te veel voor iemand om te zeggen. Zij veronderstelden, dat de reden waarom hij dit beloofde, daarin gelegen was, dat hij verpligt was haar op te passen en daardoor getuige was van haar lijden. Zij was van Alexandria, maar zij hadden haar naam vergeten.Een jonge man en vrouw, die met hen in de gevangenis waren, en die met elkander verbonden waren om te trouwen, en aan verschillende meesters verkocht werden, waren zoo ter neêrgeslagen bij hunne scheiding, dat zij niet goed werkten of konden werken, en de jonge man werd spoedig teruggezonden met de klagt, dat hij niet aan het doel beantwoordde. Natuurlijk moest het geld teruggegeven en hij gegeeseld worden. Hij werd veroordeeld om een week lang iederen avond te worden gegeeseld, en, nadat hij twee honderd slagen van den opzigter had ontvangen, werd ieder der mannelijke slaven die in de gevangenis waren, gedwongen om hem uit al zijne magt vijf slagen toe te brengen, op straffe van zelf te wordengegeeseld. De jonge vrouw werd eveneens teruggezonden met een briefje van hare nieuwe meesteres, waarin zij verzocht, dat haar een zeker getal slagen zou worden toegediend, en tevens het geld was gesloten, dat daarvoor stond; aan welk verzoek op staanden voet voldaan werd.Terwijl zij in New Orleans waren, zagen zij reeksen van aan elkander geketende vrouwen de straten schoonmaken, waarvan sommige een zwaren ijzeren kogel aan haar keten medesleepten; eene soort van straf, over het algemeen in zwang voor werkmeiden, die hare meesteressen mishaagd hadden.Hamilton Edmondson, de broeder die zich-zelf had vrijgekocht, wendde alle mogelijke pogingen aan om zijne broeders en zusters in New Orleans een goed huis te bezorgen, zoodat zij niet ver van elkander behoefden gescheiden te worden. Op zekeren dag nam Mr. Wilson, de opzigter, Samuel met zich mede in een rijtuig en keerde zonder hem terug. De broeders en zusters bemerkten spoedig, dat hij verkocht en de Hemel wist waarheen gegaan was; maar het was hem op straffe van zware kastijding verboden te weenen, of zelfs een droevig gezigt te vertoonen. Tot hunne groote vreugde kwam hij echter den volgenden dag bij hen in de gevangenis, en verhaalde hun, dat hij een goed huis in de stad bij een Engelschman had gekregen, die duizend dollars voor hem besteed had.Nadat zij drie weken in deze gevangenis hadden doorgebragt, deelde men de Edmondsons mede, dat door het toenemen van de gele koorts in de stad, en doordien zij nog niet geacclimateerd waren, het voor hen gevaarlijk werd om hier langer te blijven; en dat daarenboven door dit alles de koopers weinig lust hadden om hooge prijzen te besteden. Sommige slaven in het schuthok waren reeds ziek; eenige hunner oud, arm en morsig, en daardoor grootelijks vatbaar voor ziekte. Richard Edmondson was reeds vrijgekocht en moest dus worden teruggezonden, en alles wel bezien oordeelde men het best om zonder dralen een troep te maken en naar Baltimore te zenden.De Edmondsons ontvingen dit berigt met groote blijdschap, want het was hun niet onbekend gebleven dat het geld, hetwelk bijeen gebragt werd om hen vrij te koopen, al vrij wat geklommen was. Hun broeder, die in vrijheid was, voorzag hen van menig gemak voor dezen togt, zoo als een matras, dekens,lakens en allerhande soort van eet- en drinkwaren; en, door hunne vrienden naar het schip uitgeleide gedaan, werden zij juist met den avond aan boord van de brikde Unieingescheept en buiten de rivier geboegseerd. De brik had bijna een volle lading van katoen, siroop, suiker, enz. in, en derhalve was de ruimte voor de slaven al zeer beperkt. De plek, die der vrouwen was toebedeeld, was een klein, naauw, smerig vertrek, misschien acht of tien voet in het vierkant, van binnen opgepropt met katoen, dat op twee of drie voet van den zolder reikte, met uitzondering van de plek, die vlak onder het luik was. Richard Edmondson hield zijne zusters bij zich op het dek, hoewel zij daar zonder eenige beschutting waren: bereidde hun eten zelf, maakte hun bed boven op de katoenbalen, of waar hij slechts een plekje vinden kon, en legde zich dan nevens haar te slapen. Somtijds als er een storm opstak in het holle van den nacht, sprong hij op en wekte haar, en haar bed en beddegoed opnemende, geleidde hij haar naar een kleine soort van voorraadkast, waar zij juist alle drie in staan konden tot de storm over was. Somtijds wist hij hun uit stukken van planken of iets anders op het dek een tijdelijke beschutting te bezorgen.Na eene reis van zestien dagen, kwamen zij te Baltimore aan, in de zekere verwachting dat de dagen hunner slavernij waren geteld. Hier werden zij weder naar dezelfde oude gevangenis gebragt, waaruit zij eenige weken geleden genomen waren, ofschoon zij veronderstelden dat het slechts voor een uur of wat wezen zou. Mr. Bigelow, van Washington, kwam terstond om Richard. Toen de meisjes ontwaarden dat ook zij niet in vrijheid gesteld werden, was hunne smart en teleurstelling onuitsprekelijk. Maar zij werdengescheiden—Richard om naar zijn huis, zijne vrouw en kinderen te gaan, en zij om in de slavengevangenis achter te blijven. Er verliepen allerverdrietigste dagen en nachten. Des morgens waren zij genoodzaakt om de plaats op de muziek van vedels, banjoes, enz. in het rond te loopen; op den dag waschten en streken zij voor de mannelijke slaven, en versliepen of bragten het overige gedeelte met weenen door. Na eenige weken kwam haar vader haar bezoeken, vergezeld door hare zuster.Het was gedeeltelijk zijn doel om zich te vergewissen wat de laagste prijs was waarvoor hun eigenaar de meisjes zouwillen verkoopen, daar hij eene flaauwe hoop koesterde, dat op de eene of andere wijze het geld zou worden bijeen gebragt, als men er den noodigen tijd maar voor liet. De handelaar verklaarde, dat hij ze spoedig naar eene andere slavenmarkt zenden zou, maar dat hij twee weken wilde wachten en, als de vrienden in dien tijd het geld konden magtig worden, zij haar zouden hebben.Den nacht, dien haar vader en zuster met haar in de gevangenis doorbragten, lag hij in het vertrek boven haar; en zij konden hem den ganschen nacht hooren kermen; terwijl hare zuster aan hare zijde zat te weenen. Geen hunner kon dien nacht een oog luiken.Den volgenden morgen begon op nieuw de verdrietelijke routine van de slavengevangenis. De oude Paul wandelde bedaard over de plaats, en zette zich neder om de arme slaven, die daar rondliepen, te beschouwen. Hij had zijne dochters vroeger nooit in zulk een toestand gezien, en hij werd door zijn gevoel overweldigd. De plaats was niet groot, en de meisjes, als zij langs hem henen wandelden, raakten hem bijna met hare kleederen aan, en konden hem in zich-zelven hooren jammeren. „O mijne kinderen, mijne kinderen!”Na het ontbijt, hetwelk geen van haar in staat was te nuttigen, scheidden zij van elkander, terwijl de vader den handelaar smeekte, om haar naar New Orleans te zenden, als het geld niet kon worden bijeengebragt, dewijl hare broeders haar daar misschien goede meesters konden bezorgen.Twee of drie weken later bezochten Bruin en Hill de gevangenis, ontbonden hunne compagnieschap met den handelaar, sloten de rekening met elkander en namen de Edmondsons op nieuw in hun bezit.De meisjes werden ’s nachts ten elf ure, toen zij pas in slaap waren geraakt, gewekt en gelast zich terstond gereed te maken om naar huis te gaan. Zij hadden geleerd, dat het woord van een slavenhouder niet te vertrouwen is, en vreesden dat zij naar Richmond of Virginia zouden gezonden worden, omdat zij daarvan hadden hooren praten. Zij waren spoedig met den spoortrein op weg met Bruin, en kwamen een weinig na middernacht te Washington aan.Hare harten klopten van vreugde, toen zij, na deze maanden-lange bittere gevangenschap, zich weder in dezelfdestad bevonden, waar hare broeders, zusters en bloedverwanten woonden. Maar het werd haar niet toegestaan iemand der haren te zien; zij werden in een rijtuig geplaatst en terstond naar de slavengevangenis van Alexandria overgebragt, waar zij, omstreeks twee uren in den nacht, zich op nieuw in hetzelfde ellendige oude vertrek geworpen zagen, waar haar gevangenis-tijdperk een aanvang had genomen.Dit gebeurde op het einde van Augustus. Andermaal werden zij gebezigd om over dag te wasschen, te strijken en te naaijen, terwijl zij des nachts werden opgesloten. Nu en dan werd het haar toegestaan in het huis van Bruin te naaijen en er zelfs te eten. Toen zij een week of drie in Alexandria geweest waren, kwam hare oudste gehuwde zuster, die sedert geruimen tijd niets van haar gehoord had, bij Bruin, om zoo mogelijk iets van haar te vernemen, en hare verrassing en vreugde waren niet gering, toen zij haar nog eens en zelfs daar zag. Eenige weken later kwam haar oude vader haar op nieuw bezoeken. Hoe hopeloos het denkbeeld van hare bevrijding ook mogt schijnen, toch bleef hij er aan vasthouden. Hij had eenige aanmoediging en bijstand te Washington ontvangen, en was voornemens naar het Noorden te gaan om te zien of hij daar iets kon gedaan krijgen; en hij verlangde vurig van Bruin te hooren, wat wel de laagst mogelijke prijs was, waarvoor hij zijne dochters kon inkoopen. Bruin stelde zijne voorwaarden op in het volgende document, hetwelk wij hier laten volgen:Alexandria, (Virginia) 5 Sept. 1848.Houder dezes is Paul Edmondson, de vader van twee meisjes, Mary Jane en Emily Catharina Edmondson. Deze meisjes zijn door ons gekocht en ééns naar de zuidelijke markt gezonden, en op de stellige verzekering dat het geld voor haar zou zijn bijeen gebragt, als zij terug gevoerd werden, waren zij terug gekeerd. Naar het schijnt is in dit opzigt tot nog toe niets door hen, die het beloofden, verrigt, en wij zijn op het punt om haar andermaal naar de zuidelijke markt te zenden, en wij verklaren het opregtelijk, dat, als zij er weder heengaan, wij niet het minste acht zullen slaan op beloften, die in betrekking tot haar mogten gedaan worden. De vader wenscht het geld, datvoor haar betaald moet worden, bijeen te brengen, en is voornemens een beroep te doen op de milddadigheid van de menschlievenden en goeden om hem bij te staan, en heeft ons verzochtde voorwaarden, waarop wij zijne dochters willen verkoopen, in schrift te stellen.Wij zijn voornemens onze bedienden binnen weinige dagen naar het Zuiden te zenden. Als de som van twaalf honderd (1200) dollars binnen veertien dagen aan ons wordt ter hand gesteld, of wij zekerheid voor dit bedrag ontvangen hebben, zullen wij haar nog vijf en twintig dagen langer ophouden, om gelegenheid te geven tot het verkrijgen der andere duizend en vijftig (1050) dollars, anders zullen wij genoodzaakt zijn haar met onze andere bedienden te verzenden.Bruin en Hill.Paul nam zijne papieren en scheidde met een beklemd gemoed van zijne dochters. Van dat oogenblik af leefden zij in de grootste onzekerheid. Gedurig zagen zij naar een brief of een bode uit en baden God, dat Hij haar ergens een bevrijder mogt verwekken. Maar dag op dag en week op week ging voorbij, en de gevreesde tijd kwam al nader en nader. De voorbereidende werkzaamheden tot het gereed maken van een troep voor Zuid-Carolina namen een aanvang. Kleurig katoen werd voor haar gekocht om er pronkkleederen van te vervaardigen, waarin zij ten verkoop zouden worden aangeboden. Zij maakten ze met vrij wat bitterder smart op dan waarmede zij hare eigene doodshemden zouden vervaardigd hebben. De hoop was bijna in haar binnenste gestorven. Eenige dagen voor dat de troep zou worden afgezonden, bragt hare zuster haar een droevig afscheidsbezoek. Zij vermengden hare gebeden en tranen met elkander, en de meisjes maakten kleinesouveniers, die zij als afscheidsgeschenken aan hare broeders en zusters en haar bejaarde vader en moeder zonden, en met een vaarwel, veel smartelijker dan dat van een sterfbed, scheidden de zusters.De avond, voor dat de troep vertrekken zou, naderde. Mary en Emily begaven zich naar het huis om afscheid van Bruins familie te nemen. Bruin had een dochtertje dat een speelpopje en lievelinge van de meisjes geweest was. Zijklemde zich aan haar vast, huilde en bad, dat men haar niet zou laten vertrekken. Emily zeide haar, dat als zij wilde dat zij zouden blijven, zij het aan haar vader moest gaan vragen. Vervuld met hare boodschap, huppelde de kleine pleitster henen, en plaagde hem zoo geducht en hield zoo sterk aan, dat hij, om haar te vrede te stellen, er in bewilligde om haar te laten blijven, als zijn compagnon Hill er in toestemde. Op dit oogenblik ging Bruin, die Mary overluid in de gevangenis hoorde kermen, naar haar toe. Met al de kracht der wanhoop deed zij een laatste beroep op zijn hart. Zij smeekte hem, zich in hare plaats te stellen, te denken aan zijne eigene kleine dochter; zij stelde hem voor wat het zijn zou, als zij werd ontrukt aan alles wat zij op aarde bezat, en alle hoop van bevrijding voor haar verloren ging, op het eigen oogenblik, dat zij de vrijheid verwachtte! Bruin was niet bepaald van steen, en dit vreeselijke beroep bragt hem de tranen in de oogen. Hij gaf haar eenige hoop, dat, als Hill er in wilde toestemmen, zij niet met den troep zou worden verzonden. Een slapelooze, in tranen, gebeden en zuchten doorgebragte nacht volgde. Eindelijk brak de morgen aan, en, overeenkomstig de bevelen die zij den vorigen dag ontvangen hadden, maakten zij zich gereed om te vertrekken, zetten zelfs hare mutsen op, sloegen hare doeken om en stonden te wachten tot het sein zou worden gegeven. Toen de laatste traan der hoop was gedroogd en zij naar buiten waren gekomen om zich bij den troep te voegen, werd Bruins hart tot zachtheid geneigd. Hij riep haar tot zich, en zeide haar dat zij mogten blijven! O! wat werden hare harten hierdoor verblijd, daar zijnueen weinig langer mogten hopen! Of de smeekingen van de kleine Martha òf Mary’s aandrang, hadden de overwinning behaald.Spoedig vertrok de troep te voet; mannen, vrouwen en kinderen, twee aan twee, de mannen allen met handboeijen aan elkander vastgehecht, de regtervuist van den een tegen de linkervuist van den ander, terwijl een keten, die tusschen de handboeijen doorliep, het eene paar aan het andere verbond.De vrouwen en kinderen liepen aldaar op dezelfde wijze, met handboeijen of ketens aan. Drijvers liepen vooraan enop zijde, om diegenen op te nemen, die ziek of gebrekkig waren; zij waren verpligt zichzingendein beweging te stellen! begeleid door vedels en banjoes!—„Want zij, die ons als gevangenen wegvoerden, eischten van ons een lied, en zij, die ons aan de ellende prijs gaven, eischten vrolijkheid van ons.” En dit is een tooneel dat men dagelijks kan zien in een Christelijk land!—en verkondigers van Christus zeggen, dat het regt om zulke dingen te bedrijven,door God zelven gegeven is!!Intusschen trok Paul Edmondson naar het Noorden om daar hulp in te roepen. Iemand die in die dagen met den spoortrein reisde, moet er een eerwaardigen zwarten man in hebben aangetroffen, wiens geheele voorkomen en houding den geduldigsten ootmoed verried en die een zwaren last van verpletterend lijden met zich scheen om te dragen, als iemand die lang de smart had gekend. Die man was Paul Edmondson.Alleen, zonder vrienden, onbekend, en wat nog het ergste van allen is, zwart van huid, kwam hij in de uitgestrekte, woelige stad New York, om te zien, of er ook iemand zijn mogt, die hem vijf en twintig honderd dollars kon geven, om daarmede zijne dochters vrij te koopen. Kan iemand beschrijven wat een arm man gevoelt, die, met dat doel, eene bedrijvige, rijke stad, alleen en onbekend, binnentreedt? De schrijfster bezit nu in den brief eens slavenvaders en echtgenoot, die naar Portland was gekomen met een dergelijke boodschap, eene roerende uitdrukking van dat gevoel:—Ik liep den ganschen dag, tot dat ik uitgeput van vermoeijenis en ontmoedigd was. O! mevrouw S.—als ik zoo veel menschen zie, die zoo veel meer dingen schijnen te bezitten dan zij noodig hebben, of weten wat zij er meê doen zullen, en dan indenk, dat ik tot boven mijn veertigste jaar, mijn geheele leven door hard gewerkt heb, en zelfs mijne eigene vrouw en kinderen niet tot mijn eigendom kan maken, voel ik mij, o, zoo krank en neêrslagtig!Zoo krank van ziel en terneêrgeslagen gevoelde zich Paul Edmondson. Hij begaf zich naar het anti-slavernij-kantoor, en zeide wat er hem henen dreef. Het was zulk een groote som en ze scheen zoo geweldig hoog, dat, ofschoon men denarmen vader beklaagde, men den moed niet had, om te trachten die bij elkaâr te krijgen. De beambten schreven naar Washington, om zich van de waarheid van onderscheidene punten te overtuigen, en schreven aan Bruin en Hill, om te beproeven of zij niet iets van den prijs wilden laten vallen. Intusschen ging de arme oude man van den eenen raadsman naar den ander. Men had hem aanbevolen naar den eerwaarden H. W. Beecher te gaan, en dien zijne geschiedenis te verhalen. Hij vroeg den weg naar zijn huis—klom de trappen van het bordes op om aan te schellen, maar zijn hart ontzonk hem—hij bleef schreijende op de trappen zitten.Daar werd hij door Mr. Beecher gevonden. Hij nam hem met zich naar binnen, en vroeg hem naar zijne geschiedenis. Dien avond zou er een openbare vergadering zijn ter inzameling van gelden. De rampzalige vader smeekte hem er heen te gaan en de zaak zijner kinderen te bepleiten. Hij ging er heen en sprak, alsof hij voor zijn eigen vader en zusters sprak. Andere geestelijken gingen op dezelfde wijze met spreken voort,—de vergadering werd enthousiastisch, en het geld werd op de plek ingezameld, en de arme Paul legde dien avond zijn hoofd tot dankbaarheid neêr op zijn kussen—niet om te slapen, maar om te danken!Inmiddels hadden de meisjes vreeselijk lange dagen in de gevangenis doorgebragt. Daar werden zij gebezigd om voor Bruin’s huisgezin te naaijen, terwijl ze nu eens in de gevangenis en dan weder in het huis werkten.Het verdient vermeld te worden dat Mr. Bruin van geheel anderen aard is dan een aantal mannen van zijn beroep. Hij is iemand dien men nooit onder de slavenhandelaars zou hebben aangetroffen, indien niet het achtingswaardigste gedeelte der maatschappij het regt verdedigd had, om te koopen en te verkoopen, als eene instelling van God zelven. Waar is het, dat Mr. Bruin een van de eerste inteekenaars op deNational Erain het district Columbia was, en toen een zeker iemand zich daar in groot gevaar bragt, door het bijstaan van slaven in hunne vlugt, en er niemand te vinden was die voor hem wilde borg blijven, kwam Mr. Bruin te voorschijn en was zoo vriendelijk zich borg te stellen.Terwijl wij het afschuwelijke stelsel en dien afschuwelijkenhandel met geheel ons hart verfoeijen, gelooven wij, dat er geen kwaad in gelegen is, te wenschen, dat zoo iemand een beter bedrijf had om uit te oefenen. Toch kunnen wij niet nalaten al de zoodanigen te herinneren, dat, wanneer wij voor den regterstoel van Christus geroepen worden, iedereenvoor zich-zelf alleenzal verantwoorden, en dat Christus niet als eene verontschuldiging der zonde, de woorden van al de geestelijken en al de synoden des lands zal aannemen. Hij heeft ons de schoone les geschonken: „Wacht u voor de valsche profeten;” en als de menschen er zich niet voor willen wachten, komt hun bloed over hunne eigene hoofden.Terwijl de meisjes onder Mr. Bruin’s bewaring waren, werden zij met zoo veel vriendelijkheid en onderscheiding behandeld, als maar bij eenige mogelijkheid bestaan kon, met het voornemen om ze te verkoopen. Het valt niet te betwijfelen, of Bruin voor zich, behandelde haar vriendelijk, en wenschte opregtelijk dat zij mogten worden vrij gekocht; maar dan zag hij geen reden om twee duizend vijf honderd dollars te verliezen. Hij was, met betrekking tot dit punt, juist in dezelfde moeijelijkheid geplaatst als sommige leden van verschillende kerken te New York, toen hun slaven als onderpand voor gelden, die men in het Zuiden schuldig was, waren toebedeeld. Het speet hem om harent wille en hij wenschte wel en hoopte, dat de Voorzienigheid voor haar zoude zorgen, wanneer zij verkocht waren, maar toch kon hij er niet toe overgaan om zijn geld te verliezen, en zoo lang zulke lieden ouderlingen en avondmaalgangers in kerken van New York blijven, moeten wij ons niet verwonderen dat er in Alexandria slavenhandelaars blijven bestaan.Het is een der groote kunstgrepen van den vijand der zielen menschen te verlokken om hunne deelneming in ééne soort van zonde te vergoeden, door hun godvreezende afschuw van eene andere soort. De slavenhandelaar is de algemeene zondebok, waarop al de partijen hare verontwaardiging geladen hebben, terwijl zij van hem kochten of aan hem overdeden.In den vijftigsten Psalm wordt eene geduchte waarschuwing gegeven aan allen, die met woorden hun geloof hebben beleden, maar wier daden getuigen, dat zij de ongeregtigheidgoedkeuren, en waar Christus wordt voorgesteld als hen van Zijnen regterstoel aldus toesprekende:—„Wat hebtgijmijne inzettingen te vertellen en neemt mijn verbond in uwen mond, dewijl gij de kastijding haat, en mijne woorden achter u henenwerpt? Indien gij eenen dief ziet, zoo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.”Één ding is zeker, dat al degenen die deze dingen, hetzij openlijk, hetzij in het geheim bedrijven, ten laatste hunne rekening moeten vereffenen met een regter die geen aannemer des persoons is, en die even spoedig een ouderling van de kerk zal veroordeelen wegens slavenhandel als een slavenhandelaar van beroep; ja hij zal het verdragelijker maken voor het Sodom en Gomorra der slavenhandels, dan voor hen;—want men kan veilig aannemen dat de handelaar, als hij de middelen der genade gekend had zoo als zij, er reeds lang berouw over zoude gehad hebben.Maar keeren wij tot onze geschiedenis terug. De meisjes zaten voor het open raam van haar kamertje te naaijen, toen Emily tot Mary zeide: „Zie eens, Mary, daar hebt ge dien blanken man, dien wij uit het Noorden hebben zien komen.” Zij zagen beiden naar buiten en een oogenblik later ontwaarden zij haar eigen dierbaren vader. Zij sprongen en vlogen door het huis en het kantoor de straat op, en huppelden terwijl zij liepen, gevolgd door Bruin, die zeide op dat oogenblik gemeend te hebben dat de meisjes krankzinnig waren. In één oogenblik lagen zij in haars vaders armen, maar bemerkten dat hij ongemeen beefde en zijne stem zwak was. Zij vroegen hem daarbij of hij het losgeld voor haar gekregen had. Bevreesd om al te spoedig hare verwachtingen op te wekken eer de papieren van hare vrijverklaring geteekend waren, zeide hij dat hij weldra met haar hoopte te spreken, en begaf zich in het kantoor met Mr. Bruin en Mr. Chaplin. Mr. Bruin verklaarde dat hij innig verheugd was, zoo als hij ook inderdaad was, dat zij het geld hadden meêgebragt; maar scheen zeer getroffen over de wijze, waarop de eerwaarde H. W. Beecher van hem had gesproken op de „liberation meeting” te New-York, daar hij het hard oordeelde, dat er geen onderscheid werd gemaakt tusschen hem en andere handelaars, daar hij zich zooveel inschikkelijker en menschlievender had getoond dan het grootste deel onder hen.Hij telde echter het geld na, teekende de papieren van ganscher harte en nam er voor elk van de meisjes een goud vijf dollarsstuk af tot een afscheidsgeschenk.De zaak duurde langer dan zij zich hadden voorgesteld en de tijd scheen de arme meisjes eene eeuw toe, die in de grootste onrust nu eens naar binnen dan weder naar buiten liepen, in het onzekere welk lot haar boven het hoofd hing. Zou haar vader het geld hebben gebragt? Waarom beefde hij zoo? Zou hij het geld toch niet gekregen hebben? Of zou hare moeder ook soms gestorven zijn, want zij hadden gehoord dat zij zeer ziek was!!Eindelijk kwam er een bode die haar toeriep:„Gij zijt vrij, gij zijt vrij!” Emily gelooft dat zij bijna tot aan den zolder sprong. Zij danste, klapte in de handen, lachte en schreide overluid. Weldra kwam haar vader bij haar, omhelsde haar en beproefde haar tot bedaren te brengen en zeide dat zij zich gereed moesten maken om naar hare moeder te gaan. Dit deden zij, zonder zelve te weten hoe, maar trouw geholpen door het geheele gezin, dat van ganscher harte in hare blijdschap scheen deel te nemen. Haar vader liet een rijtuig komen om haar naar de werf te brengen, en met eene vreugde die alle beschrijving te boven gaat, namen zij een allerteederst afscheid van geheel het huisgezin en gingen daarin zelfs Bruin niet voorbij. Het goede dat in de menschelijke natuur is, had in een oogenblik de overhand en allen waren tot tranen van deelnemende blijdschap geroerd. Haar vader, die zijne vreugde zelf geweld aandeed, wendde al het mogelijke aan, om hare opgewondenheid tot bedaren te brengen, en ten langen laatste gelukte hem dit gedeeltelijk. Toen zij te Washington aankwamen stond er een wagen gereed om haar naar het huis harer zuster te brengen. Lieden van allerlei rang en stand liepen te hoop om haar te zien. Hare broeders namen haar in hunne armen en liepen met haar rond, bijna krankzinnig van blijdschap. Hare bejaarde en eerbiedwaardige moeder, van hare ziekte bevrijd door den tegenprikkel van het blijde nieuws, was daar en weende en dankte den Almagtige. Ververschingen werden in het huis harer zuster gereed gemaakt voor die haar kwamen bezoeken, en onder gegroet en gejuich, tranen en blijdschap, gebeden en dankzeggingen, maar zonder den minsten slaap, werd denacht gesleten, en de morgen van den 4den November 1848 lichtte over haar als over vrijen en gelukkigen.Met de vorige lente en wel in de maand Mei, zoo als de schrijfster reeds heeft te kennen gegeven, kwam de bejaarde moeder der Edmondsonsche familie te New York, en de reden van hare komst kan kortelijk worden medegedeeld. Zij had nog eene dochter, de steun en de hulp van hare grijsheid, of, zoo als zij zich in hare eigenaardige taal uitdrukte „de laatste droppel bloed in haar hart.” Zij had ook nog den zoon van een en twintig jaren, die nog slaaf was op eene naburige plantage. Men hield het er voor, dat de ziekelijke vrouw, in wier naam de bezitting werd beheerd, haar einde nabij was, en de arme ouders waren door de vrees beklemd, dat wanneer zij stierf, hunne beide overblijvende kinderen bij de scheiding van den boedel verkocht en dus naar de gevreesde zuidelijke markt zouden gezonden worden. Niemand kan het beschrijven welk een altoosdurende vrees de slavengevangenissen en de slavenhandelaars aan al de ongelukkige familiën in den omtrek inboezemen. Alles waarvan andere ouders op hunne kinderen met vreugde en trots neêrzien, is voor deze arme schepsels eene bron van onrust en verdriet, omdat het het kind slechts zoo veel te meer tot een verkoopbaar artikel maakt. Het is dus geen wonder, dat het licht in Paul’s en Milly’s hut door het verschrikkelijke denkbeeld verduisterd werd.Zij die over deze kinderen gesteld waren, hadden haar vader een schriftelijke belofte gegeven, dat zij ze hem voor eene zekere som zouden verkoopen, en door langdurig smeeken hadden zij honderd dollars laten zakken van de twaalf honderd die hij behoefde. Maar hij was nu door ziekte aan zijn bed gebonden. Na een vurig gebed te hebben opgezonden, tot den Helper der hulpeloozen, zeide Milly op zekeren dag tot Paul: „Ik zal u eens wat zeggen, Paul; ik zal zelf naar New York gaan, om te zien of ik dat geld niet kan oploopen.”Paul antwoordde: „Maar beste Milly, hoe zoudt gij dat kunnen? Gij moet eigenlijk in bed blijven, en gij zijt nog nooit van uw leven op den spoortrein geweest?”„Wees maar niet bang, Paul,” zeide ik: „ik zal gaan vol vertrouwen op den Heer; en de Heer zal mij in Zijne hoede nemen en Hij zal mij geleiden, dat weet ik.”Ik ging dus naar den trein en nam een blanke aan, die mij er inhielp en, waarlijk, daar vond ik twee Bethel-predikers, en de een zat hier en de andere daar naast mij den geheelen weg over; en zij zorgden voor mijn briefjes en goed en zagen alles voor mij na, en deden alles voor mij. Den geheelen weg over gebeurde er niets niet mij. Somtijds als ik afstapte in de koffijkamers, zagen de menschen mij aan en schoven met zulk een verachtelijken blik op! Wel, dacht ik, ik hoop dat de Heer u tot betere gedachten brengen zal.”Emily en Mary, die ergens in New York naar school waren gezonden, kwamen in de stad om hare moeder te bezoeken en zij bragten haar terstond naar het huis van den eerwaarden Henry W. Beecher, waar de schrijfster zich toen juist bevond. Schrijfster dezes stelt zich het tooneel nog levendig voor den geest, toen zij het eerst deze moeder en dochters ontmoette. Het dient vermeld te worden, dat zij elkander toen in geen vier jaren gezien hadden. Zij zaten aan weêrskanten van hare moeder, ieder met een harer handen in de hare, en de blik van trots en liefde, waarmede zij haar aan de schrijfster voorstelden, was roerend om te zien. Nadat zij was voorgesteld aan de schrijfster, ging zij op nieuw tusschen haar zitten, nam eene hand van ieder, en sloeg eerst op de eene en toen op de andere een ernstigen blik, en opziende, zeide zij met een glimlach:„O, die kinderen! hoe zij ons aan het harte liggen!”Zij beschreef toen aan de schrijfster al haar kommer en angst omtrent hare jongste kinderen. „Nu, mevrouw,” zeide zij, „die man door wien het groote handelshuis te Alexandria gehouden wordt,die man,” en zij drukte hierop met innige verontwaardiging, „heeft laten vernemen of er nog meer kinderen van me waren, die verkocht konden worden. Die man zeide dat hijmijverlangde te zien. Ja, mevrouw, hij heeft gezegd twintig dollars te willen geven om mij te zien. Ik zou hem niet willen zien, al gaf hij er mij honderd. Hij heeft mij laten vragen om bij hem te komen en hem te zien, toen hij mijne dochters in zijne gevangenis had opgesloten. Ik wilde niet gaan om hem te zien; en ik had geen behoefte om haar daar te zien.”Hare beide dochters Emily en Mary werden hierop zeer boos en uitten eene zeer natuurlijke maar bittere taal jegensalle slavenhouders. „Stil kinderen! gij moet uwe vijanden vergeven,” zeide zij. „Maar zij zijn zoo goddeloos,” zeiden de meisjes. „Ach kinderen dezondemoet gij haten, maar denzondaarliefhebben.” „Nu, moeder,” zeide een van de meisjes, „als ik op nieuw eene slavin moest worden, zou ik mij van kant maken.” „Dat geloof ik niet, kind; dat zou goddeloos zijn.” „Maar moeder, ik zou hettochdoen; ik weet dat ik het nooit meer zou kunnen verdragen.” „Draag het, mijn kind!” was haar antwoord, „want de heerlijkheid zal hiernamaals des te grooter zijn, naarmate men hier meer heeft verdragen.”Terwijl zij deze woorden sprak, was er iets onbeschrijfelijk gevoeligs in hare stem en voorkomen, eene plegtigheid en kracht, maar gepaard met zachtheid, die nooit uit mijn geheugen zullen worden gewischt.Deze arme slavenmoeder, wier geheele leven eene lange beleediging van hare heiligste gevoelens geweest was; wie men de gelegenheid ontnomen had om Gods Woord te lezen; wier edele pelgrimstogt door de ongeregtigheid eener Christelijke natie tot een dag van ellende gemaakt was; zij had toch geleerd het grootste raadsel der Christelijke zedeleer op te lossen en te doen wat zoo weinig hervormers doen kunnen—dezondete haten, maar denzondaarlief te hebben!Door deze geschiedenis was eene groote belangstelling onder de dames in Brooklyn ontstaan. Er werden verscheidene groote meetings in verschillende salons gehouden, waarin de oude moeder hare geschiedenis met groote eenvoudigheid en diep gevoel mededeelde, en spoedig werd er eene inteekening geopend tot loskooping van de twee overgeblevenen harer familie. Het zal misschien niet zonder belangstelling vernomen worden, dat aan het hoofd der inteekenlijst de naam prijkte van de beminnelijke en weldadige Jenny Lind Goldsmidt.Eenige dames, die deze roerende geschiedenis hoorden verhalen, stelden zooveel belang in miss Edmondson-zelve, dat zij verlangden eene daguerreotype van haar te laten maken, opdat zij zoo wel gesterkt mogten worden door haar rustig gelaat als de schoonheid van waarachtige deugd, die daarvan afstraalde, er in te bewonderen. Overeenkomstig dat verlangen vergezelde zij haar naar het atelier, met al den eenvoudvan een klein kind. „O,” zeide zij tot eene der dames, „gij kunt niet nagaan hoe gelukkig ik ben, dat ik hier ben gekomen, waar iedereenzoo vriendelijkjegens mij is!” Toen ik den vorigen avond naar huis ging, was ik zoo gelukkig, dat ik er niet van slapen kon. Ik moest het gedurig aan mijn Heiland zeggen, hoe gelukkig ik was.”Eene dame sprak met haar om dit of dat te lezen. „God zegene u, mijn liefje! Ik kan geen letter lezen.”„Hoe hebt gij dan,” vroeg haar eene andere dame, „zooveel van God en van de hemelsche dingen geleerd?”„Wel, het gelijkt eenegiftvan boven.”„Kan men den Bijbel dan voor u lezen?”„Wel zeker, Paul kan een beetje lezen; maar hij heeft over dag zoo veel te werken, en als hij laat in den avond t’huis komt, is hij zoo vermoeid! en zijne oogen zijn slecht. Maar dan onderwijst mij deGeest.”„Gaat gij dikwijls naar de kerk?”„Niet zeer veel; wij wonen zoo ver af. ’s Winters kan ik het nooit. Maar o! hoe dikwijls ben ik als ’t ware ter kerk geweest, en heb ik gebeden—en had ik gemeenschap met mijn Zaligmaker!” Nooit zal ik den glimlach vergeten die haar onder het uiten dezer woorden om den mond speelde. Een klein meisje van eene der dames maakte een paar allerscherpste aanmerkingen over iets in het atelier van den daguerreotypist en werd daarover door hare moeder bestraft.De oude vrouw zag haar met haar rustigen glimlach aan.„Dat herinnert me,” zeide zij, „wat ik eens een predikant hoorde zeggen. „Vrienden,” zeide hij, „als gij dit of dat weet, hetwelk het hart van uwen broeder kan verheugen,haast u dan om het te zeggen; maar als het iets is dat hem slechts een zucht zal kosten, houdt het dan voor u! houdt het dan voor u!” O, wat heb ik mijne kinderen dikwijls gezegd: „Houdt het voor u, houdt het voor u!””Toen schrijfster dezes van de oude vrouw afscheid nam, zeide zij tot haar. „Nu, vaarwel, mijne waarde vriendin; blijf mijner gedenken en bid voor mij.”„Voorubidden!” zeide zij op ernstigen toon. „Zeker zal ik dat, ik kan het niet helpen.” En haar vinger opheffende zeide zij op een nadrukkelijken toon, bijzonder eigen aanouden van haar stam: „Ik zal u wat zeggen, wij hebben zelf nooit goed brood totdat wij beginnen het eerstvoor onze broeders te vragen.”De schrijfster maakt van deze gelegenheid gebruik om al de vrienden dezer vrouw, in verschillende County’s, die zoo bereidwillig en edelmoedig iets hebben bijgedragen tot de bevrijding dezer kinderen, te berigten, dat zijeindelijk zijn vrijgekocht.Het volgende uittreksel uit den brief eener dame in Washington zal door hen gewis niet zonder belangstelling worden gelezen.Ik heb de oude lieden Edmondson—Paul en zijne vrouw Milly—gezien. Ik heb devrijeEdmondsons gezien—moeder, zoon, dochter—den eigen dag nadat het groote tijdperk van hunne vrijheid was begonnen, terwijl zij nog onder den indruk daarvan waren, en het gelaat der moeder enkel licht en liefde was, het oog des vaders nat en glinsterende van tranen, de zoon rustig en vol mannelijke bewustheid van de verantwoordelijkheid die er op hem rustte, de dochter (als ik mij niet bedrieg naauwelijks boven de vijftien jaar) vol zoete waardering van de vreugde van het tegenwoordige, en vol hoop op de toekomst, die zoo eensklaps en geheel en al voor haar oprees.Wij hebben verslag gedaan van het lot van eene der familiën, die aan boord vande Parelgevat waren. Wij hebben nog eene andere geschiedenis te verhalen, waarvan wij niet durven beloven, dat het einde zoo gelukkig wezen zal.
Milly Edmondson is eene bejaarde vrouw, van diep in de zeventig. Zij heeft het slaven-erfdeel van volslagen onwetendheid ontvangen. Zij kan geen brief of boek lezen, noch haar eigen naam zetten; maar de schrijfster moet bekennen, dat zij nooit zoo getroffen is geworden door eenige voorstelling van de Christelijke godsdienst, als door die haar gedaan werd in de taal en met het voorkomen dezer vrouw tijdens de weinige keeren dat zij haar ontmoette. De bijzonderheden dezer ontmoetingen zullen in den loop van het verhaal aan het licht gebragt worden.
Milly is iets meer dan van middelmatige grootte, en breed en gezet van omvang. Zij gaat met de grootste zorgvuldigheid, tot op netheid af, gekleed. Een eenvoudige Methodistische halsdoek is haar dwars over de borst gespeld. Een goed onderhouden stoffen japon en helder wit voorschoot, met een witten zakdoek op zijde er aan vastgehecht, voltooit den inventaris van het costuum waarin de schrijfster haar gewoonlijk zag. Zij is eene mulattin en moet eens zeer schoon zijn geweest. Hare oogen en glimlach zijn nog ongemeen schoon, maar er liggen diepe voren van geduldige lijdenssmart en afmattende lijdzaamheid op haar gelaat, die verraden dat deze beminnelijke en edelaardige vrouw haar leven lang slavin is geweest.
Milly Edmondson werd door hare eigenaars in dienst gehouden en het was haar vergund bij haar man te wonen, onder uitdrukkelijk beding en voorwaarde, dat hare dienst en waarde bestaan zou in het opkweeken harer eigene kinderen, om deze op de slavenmarkt te doen verkoopen. Hare wettige eigenares was eene ongehuwde dame van bekrompen geestvermogens, die door een vonnis van de regtbank voor onbekwaam was verklaard om hare eigene zaken te besturen.
De bezitting—dat wil zeggen Milly Edmondson en hare kinderen—was aan de zorg van een voogd toevertrouwd. Het schijnt, dat Milly’s arme, zwakke meesteres zeer veel van haar hield en dat Milly vrij wat overwigt op haar bezat,zoo als een krachtige geest meestal eene magt over een zwakkeren uitoefent. Milly’s echtgenoot, Paul Edmondson, was een vrij man. Wij zullen nu een weinig van hare geschiedenis, zoo als zij die aan de schrijfster mededeelde, met hare eigene woorden laten volgen.
„Hare meesteres,” zeide zij, „was altijd vriendelijk jegens haar, het arme schepsel!” maar zij had geen moed om voor haar-zelve te spreken, en hare vrienden wilden niet dat zij haar eigen weg ging. „Het lag mij altijd op het hart,” zeide zij, „dat ik eene slavin was. Toen ik even veertien jaar oud was, was Missis op zekeren dag met iets bezig, dat zij meende mij niet te kunnen toevertrouwen, en zeide zij tot mij: „Milly, nu ziet gij dat ik slavin ben en gij niet.” Ik antwoordde haar, „Ach, Missis! ik ben met dat al toch maar eene arme slavin.” Ik was later bedroefd, dat ik dit gezegd had, want het kwam mij voor dat het haar gevoel scheen te kwetsen.
„Toen ik een poos later met Paul verbonden werd, hield ik zeer veel van Paul; maar ik dacht, dat het niet goed was kinderen ter wereld te brengen om slaven te zijn, en ik zeide tot de onzen, dat ik nooit zou trouwen, schoon ik veel van Paul hield. Maar dat werd mij niet veroorloofd,” zeide zij met een geheimzinnig voorkomen.
„Wat bedoelt gij?” vroeg ik.
„Wel, zij zeiden mij dat ik moest trouwen, of dat ik anders buiten de kerk zou worden gesloten,—dat was het;” voegde zij er met een beteekenisvollen knik met het hoofd bij. „Nu dan, Paul en ik, wij trouwden, en wij waren gelukkig genoeg, als het daarom niet geweest was; maar toen ons eerste kind geboren was, zeide ik tot hem: „Daar hebt gij ’t nu, Paul; onze ellende heeft een aanvang genomen; dit kind is ons kind niet.” En met ieder kind dat ik kreeg, werd het hoe langer hoe erger. „O, Paul!” zeide ik, „wat is het toch een vreeselijk ding kinderen te hebben, die niet de onze zijn!” Paul zeide tot mij: „Mijn beste Milly, als het kinderen van God zijn, doet het er weinig toe of zij al of niet zijn van ons; zij kunnen daarom toch erfgenamen van het Koningrijk zijn, Milly.”Wel, toen Paul’s meesteres stierf, gaf zij hem de vrijheid, en hij kreeg voor zich een klein plaatsje, omstreeks veertien mijlenvan Washington; en zij lieten mij daar met hem wonen, en ik nam mijn werk meê naar huis; want zij stelden dat vertrouwen in mij, daar zij altijd wisten, dat, wat ik zeide te zullen doen, even goed gedaan was alsof zij het hadden zien doen. Ik had doorgaans naaiwerk: soms een geheel hemd op een dag te maken—gij weet het was grof,—of een paar lakens of iets van dien aard; maar wat het ook was, ik kreeg het altijd gedaan. Dan had ik nog al mijn huiswerk te doen en voor de kleinen te zorgen; en dikwijls heb ik na tienen, de kleederen van mijne kinderen genomen en ze gewasschen en gestreken laat in den nacht, omdat ik niet dulden kon dat mijne kinderen er slordig uitzagen,—altijd wilde ik dat ze helder en schoon voor den dag kwamen, en ik bragt hen groot en leerde hen zoo goed ik maar kon. Maar niemand kan nagaan wat ik leed; ik zag nooit een blanke op de plaats komen of ik dacht: kijk, die komt om naar mijne kinderen te zien; en wanneer ik een blanke voorbij zag gaan, heb ik mijne kinderen naar binnen geroepen en ze weggestopt, uit vrees dat hij ze zou zien en willen koopen. O mevrouw, ik heb zoo veel, o zoo veel uitgestaan! Ik heb dit zware kruis jaren lang gedragen!”
„Maar,” zeide ik, „de Heer is met u geweest.”
Zij antwoordde met grooten nadruk: „Mevrouw, als de Heer mij niet ondersteund had, zou ik op dit oogenblik niet meer in leven zijn. O, mijn hart is dikwijls zoo bezwaard geweest, dat het scheen alsof ikmoeststerven; en dan heb ik mij voor den troon der genade geworpen, en als ik daarvoor geheel mijn hart had uitgestort, brak er hetlichtin door, en gevoelde ik, dat ik nog een beetje langer leven kon!”
Dit zijn hare eigene woorden. Zij had dikwijls eene krachtige en bijzonder fraaije manier om zich uit te drukken, waardoor alles wat zij zeide een sterken indruk naliet.
Paul en Milly Edmondson bezochten beide getrouw de Methodische Bisschoppelijke kerk te Washington, en allen die hen kenden getuigen eenparig van hen, dat zij een vlekkeloos leven leidden en innig godsdienstig waren. In hunne eenvoudige hut, door netheid en orde opgeluisterd, en des morgens en avonds door het gebed geheiligd, bragten zij, naar hun beste vermogen hunne kinderen op, in de kennis en vereering van den Heer, om op de slavenmarkt verkocht te worden.Zij achtten zich slechts al te gelukkig, als het een na het ander den ouderdom bereikte om verkocht te worden, dat zij aan familiën in de nabijheid verhuurd werden, en niet in handen vielen van den handelaar, om naar de zuidelijke markt gedreven te worden.
De moeder, die met gestadigen maar onderdrukten angst den bitteren last der slavernij, die op haar lag, gevoelde, was gewoon om, zoo als zij aan de schrijfster verhaalde, hare dochters op deze wijze te waarschuwen:
„Nu, meisjes, zorgt dat gij nooit de smart kent die ik lijd. Trouwt nooit voor dat gij in vrijheid zijt. Trouwt nooit om moeders te worden vankinderen die de uwe niet zijn.”
Als een gevolg van deze opvoeding, bragten enkele van hare oudste dochters, in vereeniging met de jonge mannen, waarmede zij verbonden waren, de noodige gelden bijeen om zich vrij te koopen eer zij gehuwd waren. Eene dezer jonge vrouwen was, op het oogenblik dat zij het geld voor hare vrijheid betaalde, van zulk een zwakke gezondheid, dat de doctor haar zeide, dat ze nog maar enkele maanden te leven had, en ried haar aan, haar geld te behouden en het aan te wenden om het zich zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Zij antwoordde:
„Al had ik nog maar twee uren te leven, zou ik het betalen om vrij te sterven.”
Indien dit een buitensporige waarde aan vrijheid hechten was, zoo behoeft dit toch daarom door geen Amerikaan gezegd te worden.
Al de zonen en dochteren van dit gezin onderscheidden zich zoo wel door hunne ligchamelijke als zedelijke ontwikkeling, en golden dus buitengemeen hoog op de markt. De geheele familie, berekend naar de marktprijzen die er voor enkele leden van besteed waren, kon op eene waarde van 15,000 dollars geschat worden. Zij kenmerkten zich door verstand, eerlijkheid en getrouwheid, maar bovenal door eene innige gehechtheid aan elkander. Deze kinderen, zoo vol bevatting, werden alle als slaven gehouden in de stad Washington, de hoofdstad waar ons nationaal bestuur is gevestigd. De hooge waarde die hunne eigene moeder hen in de vrijheid leerde stellen, moest natuurlijk aangewakkerd en versterkt worden door allerhande aanspraken, plegtigheden en redevoeringen, die,gelijk bekend is, gedurig bij deze en gene gelegenheid in onze nationale hoofdstad gehouden worden.
Op den 13den April kwam de kleine schoenerde Parel, onder bevel van Daniel Drayton, in de Potomak-rivier te Washington voor anker.
De tijding van eene omwenteling in Frankrijk, en de vestiging eener democratische regering was juist aangekomen en geheel Washington was in rep en roer om de zegepraal der Vrijheid te vieren.
Tusschen de boomen in de allée waren fantastische veelkleurige lantaarnen gehangen; de trommels werden geroerd, de muziekcorpsen lieten zich hooren, de woningen van den President en andere hooge staatsbeambten waren verlicht, en mannen, vrouwen en kinderen waren allen op de been om den optogt te zien en deel te nemen aan het gejubel der vrijheid, waar de lucht van weergalmde. Al de slaven van de stad, levendig, fantastisch, gevoelig en ligt opgewonden als ze zijn door muziek en verblindende schouwspelen, luisterden, keken en verlustigden zich natuurlijk overal vol onwetende blijdschap. Al de hoofden van de departementen, senatoren, vertegenwoordigers en grootwaardigheidbekleeders van allerhanden aard, togen in optogt naar een opengebleven plek vanPennsylvaniaAvenue, en hielden daar toespraken vol gelukwenschingen over den voortgang der algemeene vrijheid. Met ongehoorde onvoorzigtigheid ontboezemden daar de krachtigste verdedigers van de instelling der slavernij voor de luisterende menigte, zoowel zwarten als blanken, lijfeigenen als vrijen, de oproerigste en meest ophitsende gevoelens. Zulke bij voorbeeld, als de volgende taal van den honorable Frederik P. Stanton van Tennessee:
„Wij planten inderdaad onze beginselen niet voort door middel van het zwaard; maar in éénen zin zijn wij propagandisten. Het is niet onze schuld, dat wij zoo bestaan. Ons voorbeeld is besmettelijk. In de afdeeling van dit groote land, waar ik woon, aan de oevers van den magtigen Mississippi, bezitten wij het ware zinnebeeld van den boom der vrijheid. Daar ziet gij hoe het reusachtige katoenbosch zijne takken naar al de hemelstreken uitspreidt. Somtijds woelt de stroom zijne wortels bloot, en gij ziet hoe hij zever in de rondte uitstrekt en ze tot eene onmetelijke diepte in den grond laat binnendringen. Wanneer de tijd der rijpheid gekomen is, is de lucht met vezelen vervuld, die naar iedere rigting henenstuiven, en op hare ligte wieken de levende zaden van den magtigen boom met zich voeren. Aldus zijn de zaden der vrijheid uit den boom onzer vrijheden voortgesproten; zij vervullen de lucht; zij zijn naar alle deelen van den bewoonden aardbodem verspreid; en zelfs zijn zij bestemd om in de barre zandwoestijnen der dwingelandij wortel te schieten. De boom der vrijheid zal alom opwassen en de volkeren zullen zich in zijne schaduw ter ruste leggen.”
„Wij planten inderdaad onze beginselen niet voort door middel van het zwaard; maar in éénen zin zijn wij propagandisten. Het is niet onze schuld, dat wij zoo bestaan. Ons voorbeeld is besmettelijk. In de afdeeling van dit groote land, waar ik woon, aan de oevers van den magtigen Mississippi, bezitten wij het ware zinnebeeld van den boom der vrijheid. Daar ziet gij hoe het reusachtige katoenbosch zijne takken naar al de hemelstreken uitspreidt. Somtijds woelt de stroom zijne wortels bloot, en gij ziet hoe hij zever in de rondte uitstrekt en ze tot eene onmetelijke diepte in den grond laat binnendringen. Wanneer de tijd der rijpheid gekomen is, is de lucht met vezelen vervuld, die naar iedere rigting henenstuiven, en op hare ligte wieken de levende zaden van den magtigen boom met zich voeren. Aldus zijn de zaden der vrijheid uit den boom onzer vrijheden voortgesproten; zij vervullen de lucht; zij zijn naar alle deelen van den bewoonden aardbodem verspreid; en zelfs zijn zij bestemd om in de barre zandwoestijnen der dwingelandij wortel te schieten. De boom der vrijheid zal alom opwassen en de volkeren zullen zich in zijne schaduw ter ruste leggen.”
Senator Foote, van Mississippi, gebruikte eveneens de volgende woorden:
„Zoodanig is de buitengewone loop der gebeurtenissen in Frankrijk en Europa, gedurende de beide laatste maanden geweest, dat, hoe oplettender wij het tooneel overzien, hetwelk zich voor onze blikken uitbreidt, en hoe strenger wij het gedrag van de acteurs die er optreden onderzoeken, des te vaster onze overtuiging gegrondvest wordt, dat het niet falen kan of hetroemvolle werk, hetwelk zoo heerlijk is aangevangen, moet even heerlijk voleindigd worden; dat de tijd derDWINGELANDEN EN DER SLAVERNIJhaastig ten einde spoedt; en dat het gelukkige tijdperk, hetwelk door dealgemeene bevrijding der menschenuit deketens der burgerlijke verdrukking, en de erkenningin alle landenvan de groote beginselen dervolks-souvereiniteit, gelijkheid enBROEDERSCHAP, gekenmerkt wordt, blijkbaar is aangebroken.”
„Zoodanig is de buitengewone loop der gebeurtenissen in Frankrijk en Europa, gedurende de beide laatste maanden geweest, dat, hoe oplettender wij het tooneel overzien, hetwelk zich voor onze blikken uitbreidt, en hoe strenger wij het gedrag van de acteurs die er optreden onderzoeken, des te vaster onze overtuiging gegrondvest wordt, dat het niet falen kan of hetroemvolle werk, hetwelk zoo heerlijk is aangevangen, moet even heerlijk voleindigd worden; dat de tijd derDWINGELANDEN EN DER SLAVERNIJhaastig ten einde spoedt; en dat het gelukkige tijdperk, hetwelk door dealgemeene bevrijding der menschenuit deketens der burgerlijke verdrukking, en de erkenningin alle landenvan de groote beginselen dervolks-souvereiniteit, gelijkheid enBROEDERSCHAP, gekenmerkt wordt, blijkbaar is aangebroken.”
Kan het iemand na dit alles verwonderen, dat zeven en zeventig der verstandigste jonge slaven, zoo mannen als vrouwen, in de stad Washington, den heer Foote en zijne medesenatoren eerlijk bij hun woord houdende, en geloovende dat de tijd van dwingelandij en slavernij ten einde spoedde, zich vereenigden en eene poging aanwendden om hun deel te erlangen in dit rijk van algemeene broederschap?
De schoenerde Parellag in de haven en men bevond, dat kapitein Drayton een menschelijk hart bezat. Misschien hadook hij de redevoeringen inPennsylvaniaAvenue aangehoord en in de onschuld van zijn hart geloofd, dat iemand, die werkelijk ietsdeedom algemeene gelijkheid te bevorderen, niet slechter was dan zij die er enkel redevoeringen over hielden.
Drayton was er toe overgehaald om dezen zeven en zeventig slaven te vergunnen, zich in het ruim van zijn vaartuig te verbergen, en onder deze bevonden zich zes kinderen van Paul en Milly Edmondson.
Wat er verder geschiedde zal nu worden medegedeeld volgens het verhaal van Mary en Emily Edmondson, door de dame bij wier familie de schrijfster haar ter opvoeding geplaatst had.
Eenige voorafgaande inlichtingen zullen echter noodig zijn tot goed begrip van het verhaal.
Een achtingswaardige kleurling, Daniel Bell genaamd, die zich-zelf had vrij gekocht, woonde te Washington. Zijne vrouw en hare acht kinderen waren door haar meester op zijn doodbed in vrijheid gesteld. De erfgenamen trachtten het testament te verbreken, op grond dat hij, op het oogenblik toen het gemaakt werd, niet bij zijn volle verstand was. De overheidspersoon, voor wien het was verleden, was echter door zijne persoonlijke bekendheid met den toestand van den man op dat tijdstip, in staat hun voornemen te verijdelen; het huisgezin leefde dus eenige jaren in volkomene vrijheid. Bij den dood van dezen overheidspersoon, bragten de erfgenamen de zaak op nieuw voor het geregtshof, en daar het scheen dat de zaak ten nadeele van het gezin zou worden uitgewezen, zoo besloten zij, zich van hun wettig regt te verzekeren door de vlugt, en bestelden plaatsen aan boord van kapitein Drayton’s vaartuig. Een aantal hunner makkers en vrienden, waarschijnlijk aangespoord door de plaats gehad hebbende demonstratiën ten voordeele der vrijheid, vroegen verlof hen op hunne vlugt te vergezellen. De zaden van het katoenbosch verspreidden zich overal, en ontloken in aller harten; zoodat in den aan gebeurtenissen rijken avond van den 15den April 1848, niet minder dan zeven en zeventig mannen, vrouwen en kinderen met kloppende harten, en in het diepste geheim, zich verscholen in het ruim van den kleinen schoener, en kapitein Drayton was zoo goddeloos, dat hij, al ware er zijn leven meê gemoeid, tot niemand hunner „neen” kon zeggen.
Richard Edmondson had reeds lang getracht zich vrij te koopen; had er van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat voor gearbeid, maar de daarvoor gestelde prijs was zoo hoog, dat hij wanhoopte dien ooit te zullen verwerven. Dezen avond meenden hij en zijne drie broeders, dat, als het rijk van algemeene broederschap aangevangen, en dat der tirannen en der slavernij geëindigd was, zij voor zich en hunne zusters dat heilige geschenk der vrijheid konden aannemen, waarvan aan geheel Washington, twee avonden te voren, was verkondigd, dat het de bijzondere bestemming van Amerika was, het aan alle natiën te verschaffen. Hunne beide zusters, zestien en veertien jaar oud, waren aan familiën in de stad verhuurd. Dezen avond begaf zich Samuel Edmondson naar het huis waar Emily woonde, en deelde haar het voorgenomen plan mede.
„Maar wat zal moeder wel denken?” zeide Emily.
„Houd u niet op met aan haar te denken; zij zal veel liever zien dat wij vrij zijn, dan dat wij tijd verspillen met er haar over te spreken.”
„Nu dan, als Mary wil, wil ik ook.”
De meisjes geven als eene reden van haar verlangen om te vlugten, op, dat, ofschoon zij nooit mishandelingen ondergaan hadden of onvriendelijk behandeld waren, het haar echter bekend was, dat zij den een of anderen dag tot harde slavernij konden verkocht en gescheiden worden van al wat haar lief was.
Zij begaven zich dus allen aan boord vande Parel, die op eenigen afstand van de plaats, waar de schepen gewoonlijk aanleggen, geankerd lag. Daar troffen zij een gezelschap van slaven, zeven en zeventig in getal, aan. ’s Nachts ten twaalf ure werden de zeilen van den kleinen schoener in stilte geheschen en gleed het vaartuig, met zijne vreesachtige en geheimzinnige vracht, den stroom af. Eene frissche koelte verhief zich en ten elf ure van den volgenden nacht, was men twee honderd mijlen ver van Washington verwijderd en begon men te gelooven dat men de vrijheid verkregen had.
Zij ankerden in een plaats, Cornfield-Harbour geheeten, met het voornemen, om het aanbreken van den morgen af te wachten. Allen lagen vredig en wel te rusten, door het geschommel van het vaartuig en het gekabbel van het water, in slaap gewiegd.
Maar ’s nachts ten twee ure werden zij gewekt door een geweldig geschermutsel, geschreeuw, gevloek en gesteun op het dek. Een stoomboot was hen nagezonden en had hen ingehaald, en de kleine schoener was door een woedenden hoop gewapenden aan boord geklampt.
In één oogenblik waren de kapitein, de stuurman en al het volk gegrepen en gekneveld, onder de vreeselijkste vloeken en bedreigingen. Toen zij, razende en vloekende de luiken van de weêrlooze gevangenen beneden openrukten, trad Richard Edmondson naar voren, en sprak hun op een bedaarden toon toe: „Mijne heeren, maakt geen ongelukken; wij zijn allen hier.” Allen onder de slaven, uitgezonderd deze, waren zoo stil als de wanhoop hen maar maken kon; er werd door niemand hunner een enkel woord geuit. De mannen werden allen gebonden en op het stoomschip overgebragt, de vrouwen werden aan boord van den schoener gelaten, die op sleeptouw werd genomen.
De aanleiding tot hunne gevangenneming werd op de volgende wijze verklaard.—Den morgen nadat zij waren uitgezeild, misten een aantal familiën in Washington hunne slaven, en dit voorval verwekte niet minder opschudding, dan twee dagen vroeger de bevrijding van Frankrijk had te weeg gebragt. Dien tijd hadden zij op de vriendelijkste wijze geluisterd naar de verdediging, dat het rijk der slavernij ten einde spoedde, omdat zij niet het geringste denkbeeld hadden, dat die taal iets te beteekenen had; en zij waren ten sterkste getroffen door de practische toepassing er van. Over de honderd mannen stegen te paard, om in den omtrek deze nieuwe leerlingen van het leerstelsel der algemeene emancipatie na te zetten. Maar een kleurling, Judson Diggs geheeten, verried den geheelen aanleg. Hij was toornig geworden, omdat, toen hij eene arme vrouw met haar goed naar de boot had gebragt, zij niet in staat was geweest hem de vijf en twintig centen te betalen, die hij geëischt had. Daarom verhaalde hij deze bewonderaars van algemeene broederschap, dat zij niet naar buiten behoefden te rijden, daar hunne slaven de rivier waren afgezakt, en op dit oogenblik toch ver genoeg waren. Terstond werd een stoomboot met twee honderd soldaten bemand en uitgezonden om hen na te zetten.
Toen het schip met de gevangen slaven aan wal kwam, greep er eene geweldige opschudding in de stad plaats. De mannen werden, twee aan twee gebonden, door de stad gedreven. Van alle kanten werden zij bespot, beschimpt en uitgejouwd. Iemand vroeg aan een van de meisjes: „of zij het niet prettig vond om gevat te worden als zij was weggeloopen?” en een ander vroeg haar: „of het haar niet speet?” Zij antwoordde: „Neen, als ik het morgen weêr doen kon, zou ik hetzelfde doen.” De man keerde zich tot een der omstanders en zeide: „Heeft ze geen courage?”
Maar het meest was men op Drayton en Sayres gebeten, den kapitein en den stuurman van het vaartuig. Booswichten met dolken en pistolen gewapend, schoolden rondom hen bijeen en braakten de hevigste bedreigingen uit. Een van hen drong zoo digt bij Drayton, dat hij hem in het oor sneed, hetwelk Emily zag dat bloedde. Intusschen mengden zich onder de menigte een aantal betrekkingen der gevangenen, die, daar zij hen als zoo vele veroordeelde slagtoffers beschouwden, over hen weenden en jammerden. Een schoonbroeder der Edmondsons werd zoo van smart overweldigd toen hij ze ontwaarde, dat hij op de straat in zwijm viel en bewusteloos naar huis werd gedragen. Het droevige nieuws drong tot de hut van Paul en Milly Edmondson door, en wetende dat al hunne kinderen nu waarschijnlijk voor de zuidelijke markt zouden bestemd worden, lieten zij den vrijen teugel aan hunne smart. „O, welk een dag was dat!” zeide de oude moeder, toen zij dat tooneel voor de schrijfster beschreef. „Ik kon geen enkele bete meer over mijne lippen brengen. Paul en ik, wij vastten en riepen den Heer nacht en dag aan, om den wille onzer arme kinderen!”
De algemeene opinie van de stad sloeg tot de innigste verontwaardiging over. Het ging van mond tot mond, dat zij zacht waren behandeld en nooit eene mishandeling ondergaan hadden; en wat kon er hen toe gebragt hebben, om te trachten hunne vrijheid te erlangen? Alles wat de heer Stanton gezegd had van den langzaam voortgaanden invloed dor Amerikaansche instellingen en al zijne aardige vergelijkingen van de zaden der katoenbosschen, schenen geheel en al aan het geheugen der burgers ontsnapt te zijn, en zij konden in de poging van dit volk om zich te bevrijden, niets anders dande verregaandste snoodheid zien. Een aantal raadde hunne eigenaren aan dat zij hun geen vergiffenis schenken zouden—dat er geen genade moest bewezen worden, maar dat zij op staanden voet moesten worden overgegeven in handen der handelaars, om naar de zuidelijke markt te worden gebragt—dat Siberië der onverantwoordelijke dwingelanden van Amerika. Toen al de gevangenen in de gevangenis waren geworpen, kwamen de eigenaars derwaarts, om onder eede te verklaren dat zijn hun eigendom waren, en de eigendom werd ook opgeroepen om onder eede te verklaren, wie hunne meesters waren. Met hen kwamen ook de gehuwde zusters van Mary en Emily; maar het werd haar niet toegestaan een voet in de gevangenis te zetten. De meisjes gluurden door de ijzeren traliën der vensters van de derde verdieping en zagen hare zusters beneden, die op de plaats stonden te weenen.
De voogd der Edmondsons, die voor den wettigen eigenaar optrad, oogenschijnlijk door hunne smart getroffen, beloofde hunne familie en vrienden, die, zoo mogelijk, hen wenschten te koopen, dat zij den volgenden morgen daartoe gelegenheid zouden hebben. Misschien was hij op dat oogenblik voornemens ze hem te geven; maar, toen Bruin en Hill, de houders van het groote slavenkoophuis in Alexandria, hen vier duizend vijf honderd dollars voor de zes kinderen boden, waren zij onherroepelijk vóór den volgenden morgen verkocht. Bruin wilde naar geene voorslagen hooren, door eenige hunner vrienden gedaan. De dame, bij wie Mary gewoond had, bood duizend dollars voor haar, maar Bruin sloeg het aanbod af, zeggende: dat hij het dubbel van die som op de markt van New-Orleans van haar maken kon. Hij zeide, dat hij al twaalf jaar lang het oog op die familie gehad had, en beloofd had ze te zullen koopen, als ze maar te koop kwamen.
Terwijl de meisjes in de gevangenis waren, hadden zij bedden noch stoelen, en slechts ieder een deken, schoon de nachten verstijvend waren; maar vernemende dat de vertrekken beneden, waar hare broeders waren opgesloten, nog kouder waren, en dat men hun daar geen dekens gegeven had, zonden zij er de hare heen. Des morgens werd het haar vergund eenige oogenblikken op de plaats te wandelen, en van dat oogenblik maakten zij gebruik om naar het venstervan het vertrek harer broeders te snellen, hun goeden morgen te wenschen en door de traliën heen te kussen.
Donderdag avond ten tien ure deed men hare broeders handboeijen aan, en werden zij met hunne zusters door hunne nieuwe eigenaars op wagens geplaatst, naar Alexandria vervoerd en in eene gevangenis, een „Georgia Pen” genaamd, geworpen. De meisjes werden alleen in een groot vertrek gelaten, waar eene volslagene duisternis heerschte, zonder bed of deken, waar zij den nacht weenende en zuchtende doorbragten, in volslagene onbekendheid met het lot harer broeders. ’s Morgens ten acht ure werden zij geroepen om te ontbijten, toen zij tot hare groote vertroosting ontdekten, dat hare vier broeders met haar in deze zelfde gevangenis waren opgesloten.
Hier bleven zij ongeveer vier weken, terwijl het haar doorgaans vergund werd over dag bij hare broeders te verblijven en des nachts naar haar eigen vertrek terug te keeren. Hare broeders waren ten hoogste bezorgd over haar, daar zij bevreesd waren, dat zij in het Zuiden zouden worden verkocht. Samuel vooral was zeer neêrgedrukt, daar hij de hoofdbewerker van haar ongeluk was. Hij zeide menigmalen, dat hij met blijdschap voor haar wilde sterven, als dit haar redden kon van het lot, dat hij duchtte. Hij weende bijna den ganschen tijd, schoon hij in hare tegenwoordigheid zijne tranen zocht te bedwingen.
Inmiddels werden zij in de gevangenis gebezigd om voor dertien man te wasschen, ofschoon hare broeders een groot deel van haar werk op zich namen. Eer zij de gevangenis verlieten, werden zij gemeten en hun signalement opgemaakt door hunne eigenaars. Eindelijk werden zij naar buiten gebragt, den broeders de handboeijen aangedaan, en alle aan boord van een stoomboot gebragt, waarop zich ongeveer veertig slaven, meest mannen, bevonden, die naar Baltimore werden vervoerd. De reis duurde een etmaal. Toen zij te Baltimore aankwamen, werden zij in een slaven-schuthok geworpen dat aan een compagnon van Bruin en Hill toebehoorde. Hij was een ruwe, lompe kerel, die gewoonlijk de goddeloosste taal uitsloeg, en verschrikkelijk gemeen en beleedigend in zijne aanmerkingen omtrent vrouwen was. Hier werd het hun verboden met elkander te bidden, zooals zij tot nutoe waren gewoon geweest. Maar door des morgens zeer vroeg op te staan, maakten zij zich een oogenblik ten nutte, waarin zij hunne gewoonte ongestoord konden opvolgen. Zij, en vier of vijf andere vrouwen, in de gevangenis, kwamen voor het aanbreken van den dag bij elkander om hare harten uit te storten voor de Toevlugt van iederen bedrukte van ziel; en in deze gebeden gedacht men de hardvochtige slavenhandelaars iederen dag. De broeders van Mary en Emily gedroegen zich zeer lief en hartelijk jegens hunne zusters, hetgeen een grooten invloed uitoefende op de andere mannen die met hen waren.
In deze plaats werden zij bekend met Tante Rachel, eene zeer godvreezende vrouw van middelbaren leeftijd, die men van haar man gescheiden, verkocht en in de gevangenis geworpen had. Haar echtgenoot kwam menigmalen naar de gevangenis en den handelaar smeeken haar aanzijnemeesters te verkoopen, die hij meende dat genegen waren haar te koopen, als de prijs niet al te hoog was. Maar hij werd met vreeselijke bedreigingen en vloeken weggejaagd. Zij bleven ongeveer drie weken in Baltimore.
De vrienden in Washington, ofschoon tot nog toe niet geslaagd in hunne pogingen om het gezin te bevrijden, waren nog altijd ten hunnen behoeve werkzaam; en op zekeren avond werd er een berigt met de telegraaf overgebragt, inhoudende, dat den volgenden morgen met den spoortrein iemand zou komen om een bod te doen voor het gezin en dat een gedeelte van het geld gereed lag. Maar de handelaar was onverbiddelijk; en den volgenden morgen, één uur vóór de aankomst van den trein, werden zij allen ingescheept aan boord van de brikde Unie, die onder zeil lag naar New-Orleans. De bode kwam en bragt negen honderd dollars in klinkende specie mede, het geschenk van een kleinzoon van John Jacob Astor. Deze som was bepaaldelijk bestemd voor den aankoop van Richard Edmondson, daar zijne vrouw en kinderen in Washington ziek lagen; en de handelaar wilde de meisjes op geenerhande voorwaarde verkoopen, ja wilde zelfs niet dulden, dat Richard van de brik werd teruggebragt, die nog voor anker lag. De koop was evenwel gesloten en het geld in Baltimore gedeponeerd.
Op deze brik werden de elf vrouwen in een zeer eng verblijfgeplaatst en de dertig of veertig mannen in een daaraan grenzend. Emily was gedurende den geheelen overtogt geweldig zeeziek en hare broeders vreesden dat zij bezwijken zou. Zij droegen haar gewoonlijk naar boven en naar onder, kochten eenige kleine versnaperingen voor hare zusters en droegen alle mogelijke zorg voor haar.
Aanhoudende tegenwinden voerden hen gedurig terug; en in hunne bijeenkomsten tot het gebed, die zij iederen avond hielden, waren zij gewoon te bidden, dat de tegenwinden hen naar New-York mogten wederbrengen, en een van de matrozen verklaarde, dat indien zij tot op honderd mijlen afstands van New-York konden komen, en de slaven hen wilden bijstaan, hij den kapitein van kant zou maken, en hen in New-York-zelve binnen brengen.
Toen zij digt bij Key West kwamen, seinden zij om een loods, daar de kapitein bevreesd was voor de blinde klippen van die plaats en hij niet wist hoe ze te ontkomen. Toen de loodsboot naderde, werden al de slaven beneden opgesloten en een zwaar zeildoek over het groote luik gespannen, waardoor zij van alle lucht verstoken werden, en bijna stikten. De kapitein en de loods onderhandelden een geruimen tijd over den prijs en er volgde eenig krakeel, daar de kapitein ongeneigd was de door den loods gevraagde som te geven; gedurende al dien tijd was het lijden beneden ondragelijk. De vrouwen geraakten zoo uitgeput, dat zij meest allen buiten kennis waren, en de toestand der mannen was niet veel beter, schoon zij beproefden met een stuk hout eenige gaten aan hunnen kant in het zeildoek te maken, ten einde eenige lucht in te laten, maar slechts een paar van de sterksten mogt het gelukken hierin te slagen. Eenigen hunner schreeuwden om hulp zoo lang hunne krachten het toelieten; en eindelijk, na hetgeen hun een schier eindelooze zamenkomst toescheen, vertrok de loods, die weigerde hen bij te staan; het zeildoek werd weggenomen, en de brik verpligt te wenden en een anderen koers te nemen. Daarop kroop de een na den ander, toen hij weder was bijgekomen en genoegzame kracht had, op het dek. Mary en Emily werden door hare broeders zoo spoedig zij daartoe maar in staat waren, naar boven gedragen.
Kort hierop begon de voorraad van levensmiddelen te verminderen,en kwam er gebrek aan water, zoodat de slaven op rantsoen van een maatje daags werden gesteld. De matrozen kregen ieder een kwart en gaven dikwijls een pint er van aan de Edmondsons voor hunne zusters, die het met de andere vrouwen deelden, zoo als zij altijd met iedere kleinigheid deden, welke zij op dergelijke wijze ontvingen.
Den dag toen zij aan den mond van den Mississippi kwamen, stak er een geweldige storm op en verhieven zich de golven bergenhoog, zoodat, toen de loodsboot naderde, het nu en dan was of zij door den afgrond verzwolgen en dan weder opgeworpen werd om op nieuw door de diepte verslonden te worden. Eindelijk werden zij in en op de rivier door eene stoomboot geboegseerd en zagen daar voor het eerst katoenplantages, waarin geheele troepen slaven aan den arbeid waren.
Zij kwamen in den nacht te New-Orleans aan, en omstreeks tien ure van den volgenden morgen werden zij ontscheept en moesten zij zich naar de zoogenaamde uitstalkamers begeven; op de plaats komende, vonden zij daar een aantal mannen en vrouwen in de rondte zitten met zulke droevige gezigten, dat Emily weldra begon te schreijen, waarop een opzigter haar te gemoet trad en haar onder de kin streek en haar verzocht „met huilen op te houden, of dat hij haar anders iets geven zou waarom zij huilen kon.” Vervolgens haar naar iets heen wijzende, zeide hij „dat daar de Calaboos was, waar diegenen die zich niet goed gedroegen gegeeseld werden.” Niet zoo ras was hij verdwenen of een slavin kwam naar haar toe en ried haar een vrolijk gezigt te zetten, als zij het maar eenigzins kon, daar dit verre weg het beste voor haar zijn zou. Spoedig kwam een van hare broeders haar vragen wat de vrouw haar gezegd had, en toen zij het hem had verhaald, ried hij Emily aan, haren raad op te volgen, en wenschte hij er zelf voordeel mede te doen.
Dien eigen avond werd het hair der vier broeders kort geknipt, hunne knevels afgeschoren, en hunne gewone kleeding verwisseld met een blaauwe buis en broek, door al hetwelk zij zulk eene verandering ondergingen, dat hunne zusters hen op dat gezigt niet herkenden. Daarop werden zij drie achtereenvolgende dagen genoodzaakt zich in een open portaal voor aan de straat te vertoonen, om door de voorbijgangers teworden opgemerkt; uitgenomen als er een afgemat was, wanneer zij voor een poosje naar binnen mogten gaan, en een ander hunne plaats innemen. Wanneer er echter koopers kwamen, werd zij in de verkoopzaal op rijen ten toon gesteld en aan ruwe scherts en schimp prijs gegeven. Als iemand gading had in een of ander meisje uit den hoop, riep hij haar tot zich, pakte hij haar beet, deed haar mond open, bezag hare tanden en betastte haar op eene ruwe wijze, terwijl hij over het algemeen smerige aanmerkingen maakte; en zij moest ze aanhooren en verduren zonder den minsten tegenstand. Mary en Emily beklaagden zich bij hare broeders, dat zij zich aan zulk eene behandeling niet konden onderwerpen. Zij spraken er met Wilson over, een der compagnons van Bruin en Hill, die met het opzigt over de slaven in deze gevangenis belast waren. Zij werden hierop met meer kieschheid behandeld.
Een ander broeder der meisjes, Hamilton genaamd, was slaaf geweest in of bij New Orleans en had zich juist voor duizend dollars vrijgekocht; dat geld had hij reeds vroeger eens voor zich verdiend, maar men had het hem toen afgenomen. Daar Richard nu werkelijk vrij was dewijl het losgeld voor hem in Baltimore was gedeponeerd, vond hij hem daags na hunne aankomst te New-Orleans uit en bragt hem naar de gevangenis om zijne broeders en zusters te bezoeken. De ontmoeting was boven alle beschrijving aandoenlijk.
Hij had zijne zuster Emily vroeger nooit gezien, daar hij voor hare geboorte uit het huis zijner ouders verkocht was.
In het verblijf der meisjes bevonden zich ’s nachts tusschen de twintig en dertig vrouwen, die allen op den blooten vloer sliepen, ieder slechts met een deken. Eenige dagen later kwam er tijding (dieeigenlijkonjuist was) dat de helft van het geld wasbijeengebragtom Mary en Emily vrij te koopen. Daarop werd het haar, op dringend verzoek harer broeders, vergund, naar het huis harer vrije broeders te gaan, om den nacht door te brengen, en des morgens terug te keeren, daar zij veel van de moskieten en andere insecten geleden hadden en hare voeten gezwollen en vol builen waren.
Terwijl zij in deze gevangenis vertoefden, vernamen zij een aantal voorvallen van vreeselijke wreedheid, ja vielen er zelfs onder hunne oogen voor. Twee slaven, een vrouw en een jongen, werden, terwijl zij er in waren, dood gegeeseld,ofschoon zij niet in hetzelfde schuthok waren, of aan denzelfden handelaar als zij toebehoorden.
Niemand van de slaven was het vergund, op den dag een oog te luiken, en somtijds werden kleine kinderen die den geheelen dag ledig zaten of stonden, zoo slaperig, dat zij hunne oogen niet konden openhouden; maar als de opzigter hen daarop betrapte, werden zij onbarmhartig geslagen. Mary en Emily hielden hen gewoonlijk in het oog, en lieten hen slapen tot dat zij de opzigters hoorden aankomen, en dan maakten zij ze wakker en deden hen in een oogenblik overeind springen.
Eene jonge vrouw, die door de handelaars tot het ergste doel verkocht was, was teruggekeerd, daar zij niet gelukkig genoeg was geweest haar kooper te bevallen; en, gelijk in dergelijke gevallen de gewoonte is, werd zij zoo gruwelijk gegeeseld—dat er versterving in een gedeelte van haar vleesch ontstond, en men aan haar leven wanhoopte. Toen Mary en Emily voor het eerst te New-Orleans aankwamen, zagen en spraken zij haar. Zij was toen juist begonnen op te zitten, zag er zeer tenger en mooi uit, met fraai regt hair, dat eertijds lang was geweest, maar door hare onbeschofte pijnigers was afgesneden.
De opzigter, die haar gegeeseld had, zeide, ten hunne aanhooren, dat hij een ander meisje nooit zoo geeselen zou, want het was te veel voor iemand om te zeggen. Zij veronderstelden, dat de reden waarom hij dit beloofde, daarin gelegen was, dat hij verpligt was haar op te passen en daardoor getuige was van haar lijden. Zij was van Alexandria, maar zij hadden haar naam vergeten.
Een jonge man en vrouw, die met hen in de gevangenis waren, en die met elkander verbonden waren om te trouwen, en aan verschillende meesters verkocht werden, waren zoo ter neêrgeslagen bij hunne scheiding, dat zij niet goed werkten of konden werken, en de jonge man werd spoedig teruggezonden met de klagt, dat hij niet aan het doel beantwoordde. Natuurlijk moest het geld teruggegeven en hij gegeeseld worden. Hij werd veroordeeld om een week lang iederen avond te worden gegeeseld, en, nadat hij twee honderd slagen van den opzigter had ontvangen, werd ieder der mannelijke slaven die in de gevangenis waren, gedwongen om hem uit al zijne magt vijf slagen toe te brengen, op straffe van zelf te wordengegeeseld. De jonge vrouw werd eveneens teruggezonden met een briefje van hare nieuwe meesteres, waarin zij verzocht, dat haar een zeker getal slagen zou worden toegediend, en tevens het geld was gesloten, dat daarvoor stond; aan welk verzoek op staanden voet voldaan werd.
Terwijl zij in New Orleans waren, zagen zij reeksen van aan elkander geketende vrouwen de straten schoonmaken, waarvan sommige een zwaren ijzeren kogel aan haar keten medesleepten; eene soort van straf, over het algemeen in zwang voor werkmeiden, die hare meesteressen mishaagd hadden.
Hamilton Edmondson, de broeder die zich-zelf had vrijgekocht, wendde alle mogelijke pogingen aan om zijne broeders en zusters in New Orleans een goed huis te bezorgen, zoodat zij niet ver van elkander behoefden gescheiden te worden. Op zekeren dag nam Mr. Wilson, de opzigter, Samuel met zich mede in een rijtuig en keerde zonder hem terug. De broeders en zusters bemerkten spoedig, dat hij verkocht en de Hemel wist waarheen gegaan was; maar het was hem op straffe van zware kastijding verboden te weenen, of zelfs een droevig gezigt te vertoonen. Tot hunne groote vreugde kwam hij echter den volgenden dag bij hen in de gevangenis, en verhaalde hun, dat hij een goed huis in de stad bij een Engelschman had gekregen, die duizend dollars voor hem besteed had.
Nadat zij drie weken in deze gevangenis hadden doorgebragt, deelde men de Edmondsons mede, dat door het toenemen van de gele koorts in de stad, en doordien zij nog niet geacclimateerd waren, het voor hen gevaarlijk werd om hier langer te blijven; en dat daarenboven door dit alles de koopers weinig lust hadden om hooge prijzen te besteden. Sommige slaven in het schuthok waren reeds ziek; eenige hunner oud, arm en morsig, en daardoor grootelijks vatbaar voor ziekte. Richard Edmondson was reeds vrijgekocht en moest dus worden teruggezonden, en alles wel bezien oordeelde men het best om zonder dralen een troep te maken en naar Baltimore te zenden.
De Edmondsons ontvingen dit berigt met groote blijdschap, want het was hun niet onbekend gebleven dat het geld, hetwelk bijeen gebragt werd om hen vrij te koopen, al vrij wat geklommen was. Hun broeder, die in vrijheid was, voorzag hen van menig gemak voor dezen togt, zoo als een matras, dekens,lakens en allerhande soort van eet- en drinkwaren; en, door hunne vrienden naar het schip uitgeleide gedaan, werden zij juist met den avond aan boord van de brikde Unieingescheept en buiten de rivier geboegseerd. De brik had bijna een volle lading van katoen, siroop, suiker, enz. in, en derhalve was de ruimte voor de slaven al zeer beperkt. De plek, die der vrouwen was toebedeeld, was een klein, naauw, smerig vertrek, misschien acht of tien voet in het vierkant, van binnen opgepropt met katoen, dat op twee of drie voet van den zolder reikte, met uitzondering van de plek, die vlak onder het luik was. Richard Edmondson hield zijne zusters bij zich op het dek, hoewel zij daar zonder eenige beschutting waren: bereidde hun eten zelf, maakte hun bed boven op de katoenbalen, of waar hij slechts een plekje vinden kon, en legde zich dan nevens haar te slapen. Somtijds als er een storm opstak in het holle van den nacht, sprong hij op en wekte haar, en haar bed en beddegoed opnemende, geleidde hij haar naar een kleine soort van voorraadkast, waar zij juist alle drie in staan konden tot de storm over was. Somtijds wist hij hun uit stukken van planken of iets anders op het dek een tijdelijke beschutting te bezorgen.
Na eene reis van zestien dagen, kwamen zij te Baltimore aan, in de zekere verwachting dat de dagen hunner slavernij waren geteld. Hier werden zij weder naar dezelfde oude gevangenis gebragt, waaruit zij eenige weken geleden genomen waren, ofschoon zij veronderstelden dat het slechts voor een uur of wat wezen zou. Mr. Bigelow, van Washington, kwam terstond om Richard. Toen de meisjes ontwaarden dat ook zij niet in vrijheid gesteld werden, was hunne smart en teleurstelling onuitsprekelijk. Maar zij werdengescheiden—Richard om naar zijn huis, zijne vrouw en kinderen te gaan, en zij om in de slavengevangenis achter te blijven. Er verliepen allerverdrietigste dagen en nachten. Des morgens waren zij genoodzaakt om de plaats op de muziek van vedels, banjoes, enz. in het rond te loopen; op den dag waschten en streken zij voor de mannelijke slaven, en versliepen of bragten het overige gedeelte met weenen door. Na eenige weken kwam haar vader haar bezoeken, vergezeld door hare zuster.
Het was gedeeltelijk zijn doel om zich te vergewissen wat de laagste prijs was waarvoor hun eigenaar de meisjes zouwillen verkoopen, daar hij eene flaauwe hoop koesterde, dat op de eene of andere wijze het geld zou worden bijeen gebragt, als men er den noodigen tijd maar voor liet. De handelaar verklaarde, dat hij ze spoedig naar eene andere slavenmarkt zenden zou, maar dat hij twee weken wilde wachten en, als de vrienden in dien tijd het geld konden magtig worden, zij haar zouden hebben.
Den nacht, dien haar vader en zuster met haar in de gevangenis doorbragten, lag hij in het vertrek boven haar; en zij konden hem den ganschen nacht hooren kermen; terwijl hare zuster aan hare zijde zat te weenen. Geen hunner kon dien nacht een oog luiken.
Den volgenden morgen begon op nieuw de verdrietelijke routine van de slavengevangenis. De oude Paul wandelde bedaard over de plaats, en zette zich neder om de arme slaven, die daar rondliepen, te beschouwen. Hij had zijne dochters vroeger nooit in zulk een toestand gezien, en hij werd door zijn gevoel overweldigd. De plaats was niet groot, en de meisjes, als zij langs hem henen wandelden, raakten hem bijna met hare kleederen aan, en konden hem in zich-zelven hooren jammeren. „O mijne kinderen, mijne kinderen!”
Na het ontbijt, hetwelk geen van haar in staat was te nuttigen, scheidden zij van elkander, terwijl de vader den handelaar smeekte, om haar naar New Orleans te zenden, als het geld niet kon worden bijeengebragt, dewijl hare broeders haar daar misschien goede meesters konden bezorgen.
Twee of drie weken later bezochten Bruin en Hill de gevangenis, ontbonden hunne compagnieschap met den handelaar, sloten de rekening met elkander en namen de Edmondsons op nieuw in hun bezit.
De meisjes werden ’s nachts ten elf ure, toen zij pas in slaap waren geraakt, gewekt en gelast zich terstond gereed te maken om naar huis te gaan. Zij hadden geleerd, dat het woord van een slavenhouder niet te vertrouwen is, en vreesden dat zij naar Richmond of Virginia zouden gezonden worden, omdat zij daarvan hadden hooren praten. Zij waren spoedig met den spoortrein op weg met Bruin, en kwamen een weinig na middernacht te Washington aan.
Hare harten klopten van vreugde, toen zij, na deze maanden-lange bittere gevangenschap, zich weder in dezelfdestad bevonden, waar hare broeders, zusters en bloedverwanten woonden. Maar het werd haar niet toegestaan iemand der haren te zien; zij werden in een rijtuig geplaatst en terstond naar de slavengevangenis van Alexandria overgebragt, waar zij, omstreeks twee uren in den nacht, zich op nieuw in hetzelfde ellendige oude vertrek geworpen zagen, waar haar gevangenis-tijdperk een aanvang had genomen.
Dit gebeurde op het einde van Augustus. Andermaal werden zij gebezigd om over dag te wasschen, te strijken en te naaijen, terwijl zij des nachts werden opgesloten. Nu en dan werd het haar toegestaan in het huis van Bruin te naaijen en er zelfs te eten. Toen zij een week of drie in Alexandria geweest waren, kwam hare oudste gehuwde zuster, die sedert geruimen tijd niets van haar gehoord had, bij Bruin, om zoo mogelijk iets van haar te vernemen, en hare verrassing en vreugde waren niet gering, toen zij haar nog eens en zelfs daar zag. Eenige weken later kwam haar oude vader haar op nieuw bezoeken. Hoe hopeloos het denkbeeld van hare bevrijding ook mogt schijnen, toch bleef hij er aan vasthouden. Hij had eenige aanmoediging en bijstand te Washington ontvangen, en was voornemens naar het Noorden te gaan om te zien of hij daar iets kon gedaan krijgen; en hij verlangde vurig van Bruin te hooren, wat wel de laagst mogelijke prijs was, waarvoor hij zijne dochters kon inkoopen. Bruin stelde zijne voorwaarden op in het volgende document, hetwelk wij hier laten volgen:
Alexandria, (Virginia) 5 Sept. 1848.Houder dezes is Paul Edmondson, de vader van twee meisjes, Mary Jane en Emily Catharina Edmondson. Deze meisjes zijn door ons gekocht en ééns naar de zuidelijke markt gezonden, en op de stellige verzekering dat het geld voor haar zou zijn bijeen gebragt, als zij terug gevoerd werden, waren zij terug gekeerd. Naar het schijnt is in dit opzigt tot nog toe niets door hen, die het beloofden, verrigt, en wij zijn op het punt om haar andermaal naar de zuidelijke markt te zenden, en wij verklaren het opregtelijk, dat, als zij er weder heengaan, wij niet het minste acht zullen slaan op beloften, die in betrekking tot haar mogten gedaan worden. De vader wenscht het geld, datvoor haar betaald moet worden, bijeen te brengen, en is voornemens een beroep te doen op de milddadigheid van de menschlievenden en goeden om hem bij te staan, en heeft ons verzochtde voorwaarden, waarop wij zijne dochters willen verkoopen, in schrift te stellen.Wij zijn voornemens onze bedienden binnen weinige dagen naar het Zuiden te zenden. Als de som van twaalf honderd (1200) dollars binnen veertien dagen aan ons wordt ter hand gesteld, of wij zekerheid voor dit bedrag ontvangen hebben, zullen wij haar nog vijf en twintig dagen langer ophouden, om gelegenheid te geven tot het verkrijgen der andere duizend en vijftig (1050) dollars, anders zullen wij genoodzaakt zijn haar met onze andere bedienden te verzenden.Bruin en Hill.
Alexandria, (Virginia) 5 Sept. 1848.
Houder dezes is Paul Edmondson, de vader van twee meisjes, Mary Jane en Emily Catharina Edmondson. Deze meisjes zijn door ons gekocht en ééns naar de zuidelijke markt gezonden, en op de stellige verzekering dat het geld voor haar zou zijn bijeen gebragt, als zij terug gevoerd werden, waren zij terug gekeerd. Naar het schijnt is in dit opzigt tot nog toe niets door hen, die het beloofden, verrigt, en wij zijn op het punt om haar andermaal naar de zuidelijke markt te zenden, en wij verklaren het opregtelijk, dat, als zij er weder heengaan, wij niet het minste acht zullen slaan op beloften, die in betrekking tot haar mogten gedaan worden. De vader wenscht het geld, datvoor haar betaald moet worden, bijeen te brengen, en is voornemens een beroep te doen op de milddadigheid van de menschlievenden en goeden om hem bij te staan, en heeft ons verzochtde voorwaarden, waarop wij zijne dochters willen verkoopen, in schrift te stellen.
Wij zijn voornemens onze bedienden binnen weinige dagen naar het Zuiden te zenden. Als de som van twaalf honderd (1200) dollars binnen veertien dagen aan ons wordt ter hand gesteld, of wij zekerheid voor dit bedrag ontvangen hebben, zullen wij haar nog vijf en twintig dagen langer ophouden, om gelegenheid te geven tot het verkrijgen der andere duizend en vijftig (1050) dollars, anders zullen wij genoodzaakt zijn haar met onze andere bedienden te verzenden.
Bruin en Hill.
Paul nam zijne papieren en scheidde met een beklemd gemoed van zijne dochters. Van dat oogenblik af leefden zij in de grootste onzekerheid. Gedurig zagen zij naar een brief of een bode uit en baden God, dat Hij haar ergens een bevrijder mogt verwekken. Maar dag op dag en week op week ging voorbij, en de gevreesde tijd kwam al nader en nader. De voorbereidende werkzaamheden tot het gereed maken van een troep voor Zuid-Carolina namen een aanvang. Kleurig katoen werd voor haar gekocht om er pronkkleederen van te vervaardigen, waarin zij ten verkoop zouden worden aangeboden. Zij maakten ze met vrij wat bitterder smart op dan waarmede zij hare eigene doodshemden zouden vervaardigd hebben. De hoop was bijna in haar binnenste gestorven. Eenige dagen voor dat de troep zou worden afgezonden, bragt hare zuster haar een droevig afscheidsbezoek. Zij vermengden hare gebeden en tranen met elkander, en de meisjes maakten kleinesouveniers, die zij als afscheidsgeschenken aan hare broeders en zusters en haar bejaarde vader en moeder zonden, en met een vaarwel, veel smartelijker dan dat van een sterfbed, scheidden de zusters.
De avond, voor dat de troep vertrekken zou, naderde. Mary en Emily begaven zich naar het huis om afscheid van Bruins familie te nemen. Bruin had een dochtertje dat een speelpopje en lievelinge van de meisjes geweest was. Zijklemde zich aan haar vast, huilde en bad, dat men haar niet zou laten vertrekken. Emily zeide haar, dat als zij wilde dat zij zouden blijven, zij het aan haar vader moest gaan vragen. Vervuld met hare boodschap, huppelde de kleine pleitster henen, en plaagde hem zoo geducht en hield zoo sterk aan, dat hij, om haar te vrede te stellen, er in bewilligde om haar te laten blijven, als zijn compagnon Hill er in toestemde. Op dit oogenblik ging Bruin, die Mary overluid in de gevangenis hoorde kermen, naar haar toe. Met al de kracht der wanhoop deed zij een laatste beroep op zijn hart. Zij smeekte hem, zich in hare plaats te stellen, te denken aan zijne eigene kleine dochter; zij stelde hem voor wat het zijn zou, als zij werd ontrukt aan alles wat zij op aarde bezat, en alle hoop van bevrijding voor haar verloren ging, op het eigen oogenblik, dat zij de vrijheid verwachtte! Bruin was niet bepaald van steen, en dit vreeselijke beroep bragt hem de tranen in de oogen. Hij gaf haar eenige hoop, dat, als Hill er in wilde toestemmen, zij niet met den troep zou worden verzonden. Een slapelooze, in tranen, gebeden en zuchten doorgebragte nacht volgde. Eindelijk brak de morgen aan, en, overeenkomstig de bevelen die zij den vorigen dag ontvangen hadden, maakten zij zich gereed om te vertrekken, zetten zelfs hare mutsen op, sloegen hare doeken om en stonden te wachten tot het sein zou worden gegeven. Toen de laatste traan der hoop was gedroogd en zij naar buiten waren gekomen om zich bij den troep te voegen, werd Bruins hart tot zachtheid geneigd. Hij riep haar tot zich, en zeide haar dat zij mogten blijven! O! wat werden hare harten hierdoor verblijd, daar zijnueen weinig langer mogten hopen! Of de smeekingen van de kleine Martha òf Mary’s aandrang, hadden de overwinning behaald.
Spoedig vertrok de troep te voet; mannen, vrouwen en kinderen, twee aan twee, de mannen allen met handboeijen aan elkander vastgehecht, de regtervuist van den een tegen de linkervuist van den ander, terwijl een keten, die tusschen de handboeijen doorliep, het eene paar aan het andere verbond.
De vrouwen en kinderen liepen aldaar op dezelfde wijze, met handboeijen of ketens aan. Drijvers liepen vooraan enop zijde, om diegenen op te nemen, die ziek of gebrekkig waren; zij waren verpligt zichzingendein beweging te stellen! begeleid door vedels en banjoes!—„Want zij, die ons als gevangenen wegvoerden, eischten van ons een lied, en zij, die ons aan de ellende prijs gaven, eischten vrolijkheid van ons.” En dit is een tooneel dat men dagelijks kan zien in een Christelijk land!—en verkondigers van Christus zeggen, dat het regt om zulke dingen te bedrijven,door God zelven gegeven is!!
Intusschen trok Paul Edmondson naar het Noorden om daar hulp in te roepen. Iemand die in die dagen met den spoortrein reisde, moet er een eerwaardigen zwarten man in hebben aangetroffen, wiens geheele voorkomen en houding den geduldigsten ootmoed verried en die een zwaren last van verpletterend lijden met zich scheen om te dragen, als iemand die lang de smart had gekend. Die man was Paul Edmondson.
Alleen, zonder vrienden, onbekend, en wat nog het ergste van allen is, zwart van huid, kwam hij in de uitgestrekte, woelige stad New York, om te zien, of er ook iemand zijn mogt, die hem vijf en twintig honderd dollars kon geven, om daarmede zijne dochters vrij te koopen. Kan iemand beschrijven wat een arm man gevoelt, die, met dat doel, eene bedrijvige, rijke stad, alleen en onbekend, binnentreedt? De schrijfster bezit nu in den brief eens slavenvaders en echtgenoot, die naar Portland was gekomen met een dergelijke boodschap, eene roerende uitdrukking van dat gevoel:—
Ik liep den ganschen dag, tot dat ik uitgeput van vermoeijenis en ontmoedigd was. O! mevrouw S.—als ik zoo veel menschen zie, die zoo veel meer dingen schijnen te bezitten dan zij noodig hebben, of weten wat zij er meê doen zullen, en dan indenk, dat ik tot boven mijn veertigste jaar, mijn geheele leven door hard gewerkt heb, en zelfs mijne eigene vrouw en kinderen niet tot mijn eigendom kan maken, voel ik mij, o, zoo krank en neêrslagtig!
Ik liep den ganschen dag, tot dat ik uitgeput van vermoeijenis en ontmoedigd was. O! mevrouw S.—als ik zoo veel menschen zie, die zoo veel meer dingen schijnen te bezitten dan zij noodig hebben, of weten wat zij er meê doen zullen, en dan indenk, dat ik tot boven mijn veertigste jaar, mijn geheele leven door hard gewerkt heb, en zelfs mijne eigene vrouw en kinderen niet tot mijn eigendom kan maken, voel ik mij, o, zoo krank en neêrslagtig!
Zoo krank van ziel en terneêrgeslagen gevoelde zich Paul Edmondson. Hij begaf zich naar het anti-slavernij-kantoor, en zeide wat er hem henen dreef. Het was zulk een groote som en ze scheen zoo geweldig hoog, dat, ofschoon men denarmen vader beklaagde, men den moed niet had, om te trachten die bij elkaâr te krijgen. De beambten schreven naar Washington, om zich van de waarheid van onderscheidene punten te overtuigen, en schreven aan Bruin en Hill, om te beproeven of zij niet iets van den prijs wilden laten vallen. Intusschen ging de arme oude man van den eenen raadsman naar den ander. Men had hem aanbevolen naar den eerwaarden H. W. Beecher te gaan, en dien zijne geschiedenis te verhalen. Hij vroeg den weg naar zijn huis—klom de trappen van het bordes op om aan te schellen, maar zijn hart ontzonk hem—hij bleef schreijende op de trappen zitten.
Daar werd hij door Mr. Beecher gevonden. Hij nam hem met zich naar binnen, en vroeg hem naar zijne geschiedenis. Dien avond zou er een openbare vergadering zijn ter inzameling van gelden. De rampzalige vader smeekte hem er heen te gaan en de zaak zijner kinderen te bepleiten. Hij ging er heen en sprak, alsof hij voor zijn eigen vader en zusters sprak. Andere geestelijken gingen op dezelfde wijze met spreken voort,—de vergadering werd enthousiastisch, en het geld werd op de plek ingezameld, en de arme Paul legde dien avond zijn hoofd tot dankbaarheid neêr op zijn kussen—niet om te slapen, maar om te danken!
Inmiddels hadden de meisjes vreeselijk lange dagen in de gevangenis doorgebragt. Daar werden zij gebezigd om voor Bruin’s huisgezin te naaijen, terwijl ze nu eens in de gevangenis en dan weder in het huis werkten.
Het verdient vermeld te worden dat Mr. Bruin van geheel anderen aard is dan een aantal mannen van zijn beroep. Hij is iemand dien men nooit onder de slavenhandelaars zou hebben aangetroffen, indien niet het achtingswaardigste gedeelte der maatschappij het regt verdedigd had, om te koopen en te verkoopen, als eene instelling van God zelven. Waar is het, dat Mr. Bruin een van de eerste inteekenaars op deNational Erain het district Columbia was, en toen een zeker iemand zich daar in groot gevaar bragt, door het bijstaan van slaven in hunne vlugt, en er niemand te vinden was die voor hem wilde borg blijven, kwam Mr. Bruin te voorschijn en was zoo vriendelijk zich borg te stellen.
Terwijl wij het afschuwelijke stelsel en dien afschuwelijkenhandel met geheel ons hart verfoeijen, gelooven wij, dat er geen kwaad in gelegen is, te wenschen, dat zoo iemand een beter bedrijf had om uit te oefenen. Toch kunnen wij niet nalaten al de zoodanigen te herinneren, dat, wanneer wij voor den regterstoel van Christus geroepen worden, iedereenvoor zich-zelf alleenzal verantwoorden, en dat Christus niet als eene verontschuldiging der zonde, de woorden van al de geestelijken en al de synoden des lands zal aannemen. Hij heeft ons de schoone les geschonken: „Wacht u voor de valsche profeten;” en als de menschen er zich niet voor willen wachten, komt hun bloed over hunne eigene hoofden.
Terwijl de meisjes onder Mr. Bruin’s bewaring waren, werden zij met zoo veel vriendelijkheid en onderscheiding behandeld, als maar bij eenige mogelijkheid bestaan kon, met het voornemen om ze te verkoopen. Het valt niet te betwijfelen, of Bruin voor zich, behandelde haar vriendelijk, en wenschte opregtelijk dat zij mogten worden vrij gekocht; maar dan zag hij geen reden om twee duizend vijf honderd dollars te verliezen. Hij was, met betrekking tot dit punt, juist in dezelfde moeijelijkheid geplaatst als sommige leden van verschillende kerken te New York, toen hun slaven als onderpand voor gelden, die men in het Zuiden schuldig was, waren toebedeeld. Het speet hem om harent wille en hij wenschte wel en hoopte, dat de Voorzienigheid voor haar zoude zorgen, wanneer zij verkocht waren, maar toch kon hij er niet toe overgaan om zijn geld te verliezen, en zoo lang zulke lieden ouderlingen en avondmaalgangers in kerken van New York blijven, moeten wij ons niet verwonderen dat er in Alexandria slavenhandelaars blijven bestaan.
Het is een der groote kunstgrepen van den vijand der zielen menschen te verlokken om hunne deelneming in ééne soort van zonde te vergoeden, door hun godvreezende afschuw van eene andere soort. De slavenhandelaar is de algemeene zondebok, waarop al de partijen hare verontwaardiging geladen hebben, terwijl zij van hem kochten of aan hem overdeden.
In den vijftigsten Psalm wordt eene geduchte waarschuwing gegeven aan allen, die met woorden hun geloof hebben beleden, maar wier daden getuigen, dat zij de ongeregtigheidgoedkeuren, en waar Christus wordt voorgesteld als hen van Zijnen regterstoel aldus toesprekende:—„Wat hebtgijmijne inzettingen te vertellen en neemt mijn verbond in uwen mond, dewijl gij de kastijding haat, en mijne woorden achter u henenwerpt? Indien gij eenen dief ziet, zoo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.”
Één ding is zeker, dat al degenen die deze dingen, hetzij openlijk, hetzij in het geheim bedrijven, ten laatste hunne rekening moeten vereffenen met een regter die geen aannemer des persoons is, en die even spoedig een ouderling van de kerk zal veroordeelen wegens slavenhandel als een slavenhandelaar van beroep; ja hij zal het verdragelijker maken voor het Sodom en Gomorra der slavenhandels, dan voor hen;—want men kan veilig aannemen dat de handelaar, als hij de middelen der genade gekend had zoo als zij, er reeds lang berouw over zoude gehad hebben.
Maar keeren wij tot onze geschiedenis terug. De meisjes zaten voor het open raam van haar kamertje te naaijen, toen Emily tot Mary zeide: „Zie eens, Mary, daar hebt ge dien blanken man, dien wij uit het Noorden hebben zien komen.” Zij zagen beiden naar buiten en een oogenblik later ontwaarden zij haar eigen dierbaren vader. Zij sprongen en vlogen door het huis en het kantoor de straat op, en huppelden terwijl zij liepen, gevolgd door Bruin, die zeide op dat oogenblik gemeend te hebben dat de meisjes krankzinnig waren. In één oogenblik lagen zij in haars vaders armen, maar bemerkten dat hij ongemeen beefde en zijne stem zwak was. Zij vroegen hem daarbij of hij het losgeld voor haar gekregen had. Bevreesd om al te spoedig hare verwachtingen op te wekken eer de papieren van hare vrijverklaring geteekend waren, zeide hij dat hij weldra met haar hoopte te spreken, en begaf zich in het kantoor met Mr. Bruin en Mr. Chaplin. Mr. Bruin verklaarde dat hij innig verheugd was, zoo als hij ook inderdaad was, dat zij het geld hadden meêgebragt; maar scheen zeer getroffen over de wijze, waarop de eerwaarde H. W. Beecher van hem had gesproken op de „liberation meeting” te New-York, daar hij het hard oordeelde, dat er geen onderscheid werd gemaakt tusschen hem en andere handelaars, daar hij zich zooveel inschikkelijker en menschlievender had getoond dan het grootste deel onder hen.Hij telde echter het geld na, teekende de papieren van ganscher harte en nam er voor elk van de meisjes een goud vijf dollarsstuk af tot een afscheidsgeschenk.
De zaak duurde langer dan zij zich hadden voorgesteld en de tijd scheen de arme meisjes eene eeuw toe, die in de grootste onrust nu eens naar binnen dan weder naar buiten liepen, in het onzekere welk lot haar boven het hoofd hing. Zou haar vader het geld hebben gebragt? Waarom beefde hij zoo? Zou hij het geld toch niet gekregen hebben? Of zou hare moeder ook soms gestorven zijn, want zij hadden gehoord dat zij zeer ziek was!!
Eindelijk kwam er een bode die haar toeriep:
„Gij zijt vrij, gij zijt vrij!” Emily gelooft dat zij bijna tot aan den zolder sprong. Zij danste, klapte in de handen, lachte en schreide overluid. Weldra kwam haar vader bij haar, omhelsde haar en beproefde haar tot bedaren te brengen en zeide dat zij zich gereed moesten maken om naar hare moeder te gaan. Dit deden zij, zonder zelve te weten hoe, maar trouw geholpen door het geheele gezin, dat van ganscher harte in hare blijdschap scheen deel te nemen. Haar vader liet een rijtuig komen om haar naar de werf te brengen, en met eene vreugde die alle beschrijving te boven gaat, namen zij een allerteederst afscheid van geheel het huisgezin en gingen daarin zelfs Bruin niet voorbij. Het goede dat in de menschelijke natuur is, had in een oogenblik de overhand en allen waren tot tranen van deelnemende blijdschap geroerd. Haar vader, die zijne vreugde zelf geweld aandeed, wendde al het mogelijke aan, om hare opgewondenheid tot bedaren te brengen, en ten langen laatste gelukte hem dit gedeeltelijk. Toen zij te Washington aankwamen stond er een wagen gereed om haar naar het huis harer zuster te brengen. Lieden van allerlei rang en stand liepen te hoop om haar te zien. Hare broeders namen haar in hunne armen en liepen met haar rond, bijna krankzinnig van blijdschap. Hare bejaarde en eerbiedwaardige moeder, van hare ziekte bevrijd door den tegenprikkel van het blijde nieuws, was daar en weende en dankte den Almagtige. Ververschingen werden in het huis harer zuster gereed gemaakt voor die haar kwamen bezoeken, en onder gegroet en gejuich, tranen en blijdschap, gebeden en dankzeggingen, maar zonder den minsten slaap, werd denacht gesleten, en de morgen van den 4den November 1848 lichtte over haar als over vrijen en gelukkigen.
Met de vorige lente en wel in de maand Mei, zoo als de schrijfster reeds heeft te kennen gegeven, kwam de bejaarde moeder der Edmondsonsche familie te New York, en de reden van hare komst kan kortelijk worden medegedeeld. Zij had nog eene dochter, de steun en de hulp van hare grijsheid, of, zoo als zij zich in hare eigenaardige taal uitdrukte „de laatste droppel bloed in haar hart.” Zij had ook nog den zoon van een en twintig jaren, die nog slaaf was op eene naburige plantage. Men hield het er voor, dat de ziekelijke vrouw, in wier naam de bezitting werd beheerd, haar einde nabij was, en de arme ouders waren door de vrees beklemd, dat wanneer zij stierf, hunne beide overblijvende kinderen bij de scheiding van den boedel verkocht en dus naar de gevreesde zuidelijke markt zouden gezonden worden. Niemand kan het beschrijven welk een altoosdurende vrees de slavengevangenissen en de slavenhandelaars aan al de ongelukkige familiën in den omtrek inboezemen. Alles waarvan andere ouders op hunne kinderen met vreugde en trots neêrzien, is voor deze arme schepsels eene bron van onrust en verdriet, omdat het het kind slechts zoo veel te meer tot een verkoopbaar artikel maakt. Het is dus geen wonder, dat het licht in Paul’s en Milly’s hut door het verschrikkelijke denkbeeld verduisterd werd.
Zij die over deze kinderen gesteld waren, hadden haar vader een schriftelijke belofte gegeven, dat zij ze hem voor eene zekere som zouden verkoopen, en door langdurig smeeken hadden zij honderd dollars laten zakken van de twaalf honderd die hij behoefde. Maar hij was nu door ziekte aan zijn bed gebonden. Na een vurig gebed te hebben opgezonden, tot den Helper der hulpeloozen, zeide Milly op zekeren dag tot Paul: „Ik zal u eens wat zeggen, Paul; ik zal zelf naar New York gaan, om te zien of ik dat geld niet kan oploopen.”
Paul antwoordde: „Maar beste Milly, hoe zoudt gij dat kunnen? Gij moet eigenlijk in bed blijven, en gij zijt nog nooit van uw leven op den spoortrein geweest?”
„Wees maar niet bang, Paul,” zeide ik: „ik zal gaan vol vertrouwen op den Heer; en de Heer zal mij in Zijne hoede nemen en Hij zal mij geleiden, dat weet ik.”
Ik ging dus naar den trein en nam een blanke aan, die mij er inhielp en, waarlijk, daar vond ik twee Bethel-predikers, en de een zat hier en de andere daar naast mij den geheelen weg over; en zij zorgden voor mijn briefjes en goed en zagen alles voor mij na, en deden alles voor mij. Den geheelen weg over gebeurde er niets niet mij. Somtijds als ik afstapte in de koffijkamers, zagen de menschen mij aan en schoven met zulk een verachtelijken blik op! Wel, dacht ik, ik hoop dat de Heer u tot betere gedachten brengen zal.”
Emily en Mary, die ergens in New York naar school waren gezonden, kwamen in de stad om hare moeder te bezoeken en zij bragten haar terstond naar het huis van den eerwaarden Henry W. Beecher, waar de schrijfster zich toen juist bevond. Schrijfster dezes stelt zich het tooneel nog levendig voor den geest, toen zij het eerst deze moeder en dochters ontmoette. Het dient vermeld te worden, dat zij elkander toen in geen vier jaren gezien hadden. Zij zaten aan weêrskanten van hare moeder, ieder met een harer handen in de hare, en de blik van trots en liefde, waarmede zij haar aan de schrijfster voorstelden, was roerend om te zien. Nadat zij was voorgesteld aan de schrijfster, ging zij op nieuw tusschen haar zitten, nam eene hand van ieder, en sloeg eerst op de eene en toen op de andere een ernstigen blik, en opziende, zeide zij met een glimlach:
„O, die kinderen! hoe zij ons aan het harte liggen!”
Zij beschreef toen aan de schrijfster al haar kommer en angst omtrent hare jongste kinderen. „Nu, mevrouw,” zeide zij, „die man door wien het groote handelshuis te Alexandria gehouden wordt,die man,” en zij drukte hierop met innige verontwaardiging, „heeft laten vernemen of er nog meer kinderen van me waren, die verkocht konden worden. Die man zeide dat hijmijverlangde te zien. Ja, mevrouw, hij heeft gezegd twintig dollars te willen geven om mij te zien. Ik zou hem niet willen zien, al gaf hij er mij honderd. Hij heeft mij laten vragen om bij hem te komen en hem te zien, toen hij mijne dochters in zijne gevangenis had opgesloten. Ik wilde niet gaan om hem te zien; en ik had geen behoefte om haar daar te zien.”
Hare beide dochters Emily en Mary werden hierop zeer boos en uitten eene zeer natuurlijke maar bittere taal jegensalle slavenhouders. „Stil kinderen! gij moet uwe vijanden vergeven,” zeide zij. „Maar zij zijn zoo goddeloos,” zeiden de meisjes. „Ach kinderen dezondemoet gij haten, maar denzondaarliefhebben.” „Nu, moeder,” zeide een van de meisjes, „als ik op nieuw eene slavin moest worden, zou ik mij van kant maken.” „Dat geloof ik niet, kind; dat zou goddeloos zijn.” „Maar moeder, ik zou hettochdoen; ik weet dat ik het nooit meer zou kunnen verdragen.” „Draag het, mijn kind!” was haar antwoord, „want de heerlijkheid zal hiernamaals des te grooter zijn, naarmate men hier meer heeft verdragen.”
Terwijl zij deze woorden sprak, was er iets onbeschrijfelijk gevoeligs in hare stem en voorkomen, eene plegtigheid en kracht, maar gepaard met zachtheid, die nooit uit mijn geheugen zullen worden gewischt.
Deze arme slavenmoeder, wier geheele leven eene lange beleediging van hare heiligste gevoelens geweest was; wie men de gelegenheid ontnomen had om Gods Woord te lezen; wier edele pelgrimstogt door de ongeregtigheid eener Christelijke natie tot een dag van ellende gemaakt was; zij had toch geleerd het grootste raadsel der Christelijke zedeleer op te lossen en te doen wat zoo weinig hervormers doen kunnen—dezondete haten, maar denzondaarlief te hebben!
Door deze geschiedenis was eene groote belangstelling onder de dames in Brooklyn ontstaan. Er werden verscheidene groote meetings in verschillende salons gehouden, waarin de oude moeder hare geschiedenis met groote eenvoudigheid en diep gevoel mededeelde, en spoedig werd er eene inteekening geopend tot loskooping van de twee overgeblevenen harer familie. Het zal misschien niet zonder belangstelling vernomen worden, dat aan het hoofd der inteekenlijst de naam prijkte van de beminnelijke en weldadige Jenny Lind Goldsmidt.
Eenige dames, die deze roerende geschiedenis hoorden verhalen, stelden zooveel belang in miss Edmondson-zelve, dat zij verlangden eene daguerreotype van haar te laten maken, opdat zij zoo wel gesterkt mogten worden door haar rustig gelaat als de schoonheid van waarachtige deugd, die daarvan afstraalde, er in te bewonderen. Overeenkomstig dat verlangen vergezelde zij haar naar het atelier, met al den eenvoudvan een klein kind. „O,” zeide zij tot eene der dames, „gij kunt niet nagaan hoe gelukkig ik ben, dat ik hier ben gekomen, waar iedereenzoo vriendelijkjegens mij is!” Toen ik den vorigen avond naar huis ging, was ik zoo gelukkig, dat ik er niet van slapen kon. Ik moest het gedurig aan mijn Heiland zeggen, hoe gelukkig ik was.”
Eene dame sprak met haar om dit of dat te lezen. „God zegene u, mijn liefje! Ik kan geen letter lezen.”
„Hoe hebt gij dan,” vroeg haar eene andere dame, „zooveel van God en van de hemelsche dingen geleerd?”
„Wel, het gelijkt eenegiftvan boven.”
„Kan men den Bijbel dan voor u lezen?”
„Wel zeker, Paul kan een beetje lezen; maar hij heeft over dag zoo veel te werken, en als hij laat in den avond t’huis komt, is hij zoo vermoeid! en zijne oogen zijn slecht. Maar dan onderwijst mij deGeest.”
„Gaat gij dikwijls naar de kerk?”
„Niet zeer veel; wij wonen zoo ver af. ’s Winters kan ik het nooit. Maar o! hoe dikwijls ben ik als ’t ware ter kerk geweest, en heb ik gebeden—en had ik gemeenschap met mijn Zaligmaker!” Nooit zal ik den glimlach vergeten die haar onder het uiten dezer woorden om den mond speelde. Een klein meisje van eene der dames maakte een paar allerscherpste aanmerkingen over iets in het atelier van den daguerreotypist en werd daarover door hare moeder bestraft.
De oude vrouw zag haar met haar rustigen glimlach aan.
„Dat herinnert me,” zeide zij, „wat ik eens een predikant hoorde zeggen. „Vrienden,” zeide hij, „als gij dit of dat weet, hetwelk het hart van uwen broeder kan verheugen,haast u dan om het te zeggen; maar als het iets is dat hem slechts een zucht zal kosten, houdt het dan voor u! houdt het dan voor u!” O, wat heb ik mijne kinderen dikwijls gezegd: „Houdt het voor u, houdt het voor u!””
Toen schrijfster dezes van de oude vrouw afscheid nam, zeide zij tot haar. „Nu, vaarwel, mijne waarde vriendin; blijf mijner gedenken en bid voor mij.”
„Voorubidden!” zeide zij op ernstigen toon. „Zeker zal ik dat, ik kan het niet helpen.” En haar vinger opheffende zeide zij op een nadrukkelijken toon, bijzonder eigen aanouden van haar stam: „Ik zal u wat zeggen, wij hebben zelf nooit goed brood totdat wij beginnen het eerstvoor onze broeders te vragen.”
De schrijfster maakt van deze gelegenheid gebruik om al de vrienden dezer vrouw, in verschillende County’s, die zoo bereidwillig en edelmoedig iets hebben bijgedragen tot de bevrijding dezer kinderen, te berigten, dat zijeindelijk zijn vrijgekocht.
Het volgende uittreksel uit den brief eener dame in Washington zal door hen gewis niet zonder belangstelling worden gelezen.
Ik heb de oude lieden Edmondson—Paul en zijne vrouw Milly—gezien. Ik heb devrijeEdmondsons gezien—moeder, zoon, dochter—den eigen dag nadat het groote tijdperk van hunne vrijheid was begonnen, terwijl zij nog onder den indruk daarvan waren, en het gelaat der moeder enkel licht en liefde was, het oog des vaders nat en glinsterende van tranen, de zoon rustig en vol mannelijke bewustheid van de verantwoordelijkheid die er op hem rustte, de dochter (als ik mij niet bedrieg naauwelijks boven de vijftien jaar) vol zoete waardering van de vreugde van het tegenwoordige, en vol hoop op de toekomst, die zoo eensklaps en geheel en al voor haar oprees.
Ik heb de oude lieden Edmondson—Paul en zijne vrouw Milly—gezien. Ik heb devrijeEdmondsons gezien—moeder, zoon, dochter—den eigen dag nadat het groote tijdperk van hunne vrijheid was begonnen, terwijl zij nog onder den indruk daarvan waren, en het gelaat der moeder enkel licht en liefde was, het oog des vaders nat en glinsterende van tranen, de zoon rustig en vol mannelijke bewustheid van de verantwoordelijkheid die er op hem rustte, de dochter (als ik mij niet bedrieg naauwelijks boven de vijftien jaar) vol zoete waardering van de vreugde van het tegenwoordige, en vol hoop op de toekomst, die zoo eensklaps en geheel en al voor haar oprees.
Wij hebben verslag gedaan van het lot van eene der familiën, die aan boord vande Parelgevat waren. Wij hebben nog eene andere geschiedenis te verhalen, waarvan wij niet durven beloven, dat het einde zoo gelukkig wezen zal.