Hoofdstuk VI.

Hoofdstuk VI.Hoe werkte het Christelijk beginsel op de slavernij?Maar nog altijd kan men zeggen, dat de Apostelen de meesters, die Christenen waren, hadden kunnen bevelen om in allen gevalle tot eene wettige emancipatie over te gaan. Gewisselijk hadden zij hetkunnendoen, en dat zij het niet gedaanhebbenis blijkbaar.De geloovige Christen uit den eersten tijd beschouwde en behandelde zijn slaaf als een broeder; doch in het oog der wet bleef deze altijd zijn eigendom; hij was een voorwerp, maar geen mensch. Waarom bragten de Apostelen dan geen schok toe aan dien wettelijken stand van zaken? Waarom bevalen zij niet ieder Christen, dien band te verbreken? In antwoord daarop mogen wij doen opmerken, dat elke hervorming, die van God uitgaat, onveranderlijk dezen weg volgt: eerst doodt zij dengeestvan een misbruik, en laat alsdan denvormvan-zelven vervallen; zij ontdoet den giftigen boom van zijn bast en laat hem dan op zijn eigen tijd sterven.Deze wijze om misbruiken uit den weg te ruimen heeft dit voordeel, dat zij stelselmatig en algemeen werkt en doeltreffend is in alle tijden en onder alle omstandigheden. Indien de Apostel in dien tijd van uiterlijkheden en geweld eenvoudig de wettelijke betrekking had aangetast, dan ware het bedorven en zelfzuchtige beginsel welligt overgegaan in andere even slechte vormen van verdrukking en weggescholen achter het voorwendsel dat het van de wettelijke slavernij afstand had gedaan. Daarom bragt God een doodelijker slag toe aan het monster, door juist de plek te kiezen waar zijn hart klopte en Zijnen Apostelen te bevelen: „Slaat dáár!”In stede dus van den slavenhouder toe te voegen: „Laat uw slaaf vrij,” zeide het Christendom tot hem: „Behandel hem als uw broeder,” het overlatende aan het geweten van den slavenhouder om uit te vinden hoe veel in dit gebod opgesloten lag.Uit de voorschriften, die Paulus omtrent de slavernij geeft, is het duidelijk, dat hij de wettelijke betrekking met evenveel onverschilligheid aanzag als een tuinman gevoelt ten aanzien van een onoogelijk stuk bast, dat hij een jongen boom op het punt ziet door de ontwikkeling zijner groeikracht af te werpen. Hij beschouwde het als een deel van een verouderd heidensch stelsel en behoorende tot een stel wetten en gebruiken, die eerlang zouden verdwijnen.Er is een schoonschijnend argument, dat men in deze zaak menigmaal gebruikt heeft, namelijk dat de Apostelen de slavernij beschouwden als eene der wettige betrekkingen des levens, gelijk die van ouders en kind, van man en vrouw.Men wil het argument versterken door te zeggen: de Apostelen vonden alle betrekkingen des levens zeer bezoedeld door verschillende misbruiken.Zij tastten debetrekkingenniet aan maar verwijderden demisbruiken, en bragten dus alles tot een gezonden toestand terug.De vergissing schuilt daarin, dat men de slavernij als eene wettige betrekking aanneemt. Zij is de ontaarding van eene wettige betrekking. De wettige betrekking is dedienstbaarheid, en de slavernij is deverbasteringvan de dienstbaarheid.Toen de Apostelen optraden waren alle betrekkingen des levens in het Romeinsche rijk doortrokken met den geest derslavernij. De verhouding van het kind tot de ouders was slavernij. De verhouding van de vrouw tot haar man was slavernij. De verhouding van den dienaar tot den meester was slavernij.De magt van den vader over den zoon, volgens de Romeinsche wet, was nagenoeg dezelfde als die van den meester over den slaaf. Hij kon hem naar zijn welbehagen doen geeselen, gevangen zetten of ter dood brengen. De zoon kon niets bezitten dan hetgeen de eigendom zijns vaders was; en deze onbeperkte magt bleef gedurende het geheele leven des vaders voortduren, tenzij hij zijn zoon uitdrukkelijk vrij maakte door eene driemaal herhaalde acte van manumissie, terwijl dit tot vrijmaking van den slaaf slechts eenmaal behoefde te geschieden. Er bestond echter geene wet, die den vader tot manumissie verpligtte; zoo hij het goed vond kon hij zijne magt levenslang behouden.De toestand der Romeinsche vrouw was ongeveer dezelfde. Werd zij van eenigerhande misdrijf beschuldigd, dan riep de echtgenoot een raad van hare betrekkingen bijeen en velde vonnis in hunne tegenwoordigheid, waarbij hij de straf uitsprak die hij verdiend achtte.Wegens ontrouw of wegens het drinken van wijn mogt haar echtgenoot, volgens het door Romulus gegeven verlof, haar ter dood brengen. De toestand der vrouw verschilde daarin van dien des zoons, dat zij nooit kon gemanumitteerd worden; daarvoor behelsde de wet geene bepalingen.Dezelfde geest van gewelddadigheid en slavernij heerschte in de betrekking van meester en dienaar en deed die strenge slavenwetten ontstaan, die het Christelijke Amerika, na er nog eenige trekken van wreedheid bijgevoegd te hebben, in de negentiende eeuw heeft doen herleven.Ten aanzien nu van al deze ontaardingen van wettige betrekkingen volgde het Evangelie eene zelfde en onveranderde handelwijze. Het beval den Christenvader niet, zijn zoon volgens de wet te emanciperen; maar het bragt zulk een Goddelijken geest in de vaderlijke betrekking door die te vergelijken niet de betrekking van den hemelschen Vader, dat de Christelijke Romein het gebruik van zijne barbaarsche, doch wettelijke magt als geheel onbestaanbaar met zijne Christelijke belijdenis beschouwd zou hebben. Zoo veredelde het ook dehuwelijksbetrekking door die te vergelijken bij de betrekking tusschen Christus en Zijne Kerk, en den echtgenoot te gebieden zijne vrouw te beminnen, even als Christus Zijne Kerk beminde en er zich-zelven voor ten offer bragt. Het riep hem toe: „Niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar onderhoudt het en heeft het lief gelijk de Heer de Kerk;”—„ieder moet zijne vrouw beminnen, gelijk zichzelven.” Niet de minste toespeling wordt gemaakt op de barbaarsche en onregtvaardige magt die de wet den man verleende. Men begreep, dat een Christelijk gemaal zich er niet van bedienen kon zonder de voorschriften van het Evangelie te schenden.Op dezelfde wijze werden de Christen-meesters vermaand hunnen knechten te geven wat regt was, en, wel verre van hen door geweld tot den arbeid te dwingen, zich zelfs van bedreigingen te onthouden. Den Christen-meester werd bevolen zijn gedoopten slaaf te ontvangen, „voortaan niet als een dienstknecht maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder;” en in dit geval even als in de andere werd niets gezegd van de barbaarsche magt, die de Romeinsche wet hem schonk, daar men duidelijk inzag dat hij hem niet te gelijker tijd kon behandelen als een beminden broeder en als een slaaf in den zin der Romeinsche wet.Wanneer dus gevraagd wordt waarom de Apostelen de afschaffing der slavernij niet beoogden, geven wij ten antwoord, dat zij die werkelijk beoogden. Zij streefden er naar langs den zekersten, kortsten en meest regtstreekschen weg, die bij mogelijkheid had kunnen ingeslagen worden.

Hoofdstuk VI.Hoe werkte het Christelijk beginsel op de slavernij?Maar nog altijd kan men zeggen, dat de Apostelen de meesters, die Christenen waren, hadden kunnen bevelen om in allen gevalle tot eene wettige emancipatie over te gaan. Gewisselijk hadden zij hetkunnendoen, en dat zij het niet gedaanhebbenis blijkbaar.De geloovige Christen uit den eersten tijd beschouwde en behandelde zijn slaaf als een broeder; doch in het oog der wet bleef deze altijd zijn eigendom; hij was een voorwerp, maar geen mensch. Waarom bragten de Apostelen dan geen schok toe aan dien wettelijken stand van zaken? Waarom bevalen zij niet ieder Christen, dien band te verbreken? In antwoord daarop mogen wij doen opmerken, dat elke hervorming, die van God uitgaat, onveranderlijk dezen weg volgt: eerst doodt zij dengeestvan een misbruik, en laat alsdan denvormvan-zelven vervallen; zij ontdoet den giftigen boom van zijn bast en laat hem dan op zijn eigen tijd sterven.Deze wijze om misbruiken uit den weg te ruimen heeft dit voordeel, dat zij stelselmatig en algemeen werkt en doeltreffend is in alle tijden en onder alle omstandigheden. Indien de Apostel in dien tijd van uiterlijkheden en geweld eenvoudig de wettelijke betrekking had aangetast, dan ware het bedorven en zelfzuchtige beginsel welligt overgegaan in andere even slechte vormen van verdrukking en weggescholen achter het voorwendsel dat het van de wettelijke slavernij afstand had gedaan. Daarom bragt God een doodelijker slag toe aan het monster, door juist de plek te kiezen waar zijn hart klopte en Zijnen Apostelen te bevelen: „Slaat dáár!”In stede dus van den slavenhouder toe te voegen: „Laat uw slaaf vrij,” zeide het Christendom tot hem: „Behandel hem als uw broeder,” het overlatende aan het geweten van den slavenhouder om uit te vinden hoe veel in dit gebod opgesloten lag.Uit de voorschriften, die Paulus omtrent de slavernij geeft, is het duidelijk, dat hij de wettelijke betrekking met evenveel onverschilligheid aanzag als een tuinman gevoelt ten aanzien van een onoogelijk stuk bast, dat hij een jongen boom op het punt ziet door de ontwikkeling zijner groeikracht af te werpen. Hij beschouwde het als een deel van een verouderd heidensch stelsel en behoorende tot een stel wetten en gebruiken, die eerlang zouden verdwijnen.Er is een schoonschijnend argument, dat men in deze zaak menigmaal gebruikt heeft, namelijk dat de Apostelen de slavernij beschouwden als eene der wettige betrekkingen des levens, gelijk die van ouders en kind, van man en vrouw.Men wil het argument versterken door te zeggen: de Apostelen vonden alle betrekkingen des levens zeer bezoedeld door verschillende misbruiken.Zij tastten debetrekkingenniet aan maar verwijderden demisbruiken, en bragten dus alles tot een gezonden toestand terug.De vergissing schuilt daarin, dat men de slavernij als eene wettige betrekking aanneemt. Zij is de ontaarding van eene wettige betrekking. De wettige betrekking is dedienstbaarheid, en de slavernij is deverbasteringvan de dienstbaarheid.Toen de Apostelen optraden waren alle betrekkingen des levens in het Romeinsche rijk doortrokken met den geest derslavernij. De verhouding van het kind tot de ouders was slavernij. De verhouding van de vrouw tot haar man was slavernij. De verhouding van den dienaar tot den meester was slavernij.De magt van den vader over den zoon, volgens de Romeinsche wet, was nagenoeg dezelfde als die van den meester over den slaaf. Hij kon hem naar zijn welbehagen doen geeselen, gevangen zetten of ter dood brengen. De zoon kon niets bezitten dan hetgeen de eigendom zijns vaders was; en deze onbeperkte magt bleef gedurende het geheele leven des vaders voortduren, tenzij hij zijn zoon uitdrukkelijk vrij maakte door eene driemaal herhaalde acte van manumissie, terwijl dit tot vrijmaking van den slaaf slechts eenmaal behoefde te geschieden. Er bestond echter geene wet, die den vader tot manumissie verpligtte; zoo hij het goed vond kon hij zijne magt levenslang behouden.De toestand der Romeinsche vrouw was ongeveer dezelfde. Werd zij van eenigerhande misdrijf beschuldigd, dan riep de echtgenoot een raad van hare betrekkingen bijeen en velde vonnis in hunne tegenwoordigheid, waarbij hij de straf uitsprak die hij verdiend achtte.Wegens ontrouw of wegens het drinken van wijn mogt haar echtgenoot, volgens het door Romulus gegeven verlof, haar ter dood brengen. De toestand der vrouw verschilde daarin van dien des zoons, dat zij nooit kon gemanumitteerd worden; daarvoor behelsde de wet geene bepalingen.Dezelfde geest van gewelddadigheid en slavernij heerschte in de betrekking van meester en dienaar en deed die strenge slavenwetten ontstaan, die het Christelijke Amerika, na er nog eenige trekken van wreedheid bijgevoegd te hebben, in de negentiende eeuw heeft doen herleven.Ten aanzien nu van al deze ontaardingen van wettige betrekkingen volgde het Evangelie eene zelfde en onveranderde handelwijze. Het beval den Christenvader niet, zijn zoon volgens de wet te emanciperen; maar het bragt zulk een Goddelijken geest in de vaderlijke betrekking door die te vergelijken niet de betrekking van den hemelschen Vader, dat de Christelijke Romein het gebruik van zijne barbaarsche, doch wettelijke magt als geheel onbestaanbaar met zijne Christelijke belijdenis beschouwd zou hebben. Zoo veredelde het ook dehuwelijksbetrekking door die te vergelijken bij de betrekking tusschen Christus en Zijne Kerk, en den echtgenoot te gebieden zijne vrouw te beminnen, even als Christus Zijne Kerk beminde en er zich-zelven voor ten offer bragt. Het riep hem toe: „Niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar onderhoudt het en heeft het lief gelijk de Heer de Kerk;”—„ieder moet zijne vrouw beminnen, gelijk zichzelven.” Niet de minste toespeling wordt gemaakt op de barbaarsche en onregtvaardige magt die de wet den man verleende. Men begreep, dat een Christelijk gemaal zich er niet van bedienen kon zonder de voorschriften van het Evangelie te schenden.Op dezelfde wijze werden de Christen-meesters vermaand hunnen knechten te geven wat regt was, en, wel verre van hen door geweld tot den arbeid te dwingen, zich zelfs van bedreigingen te onthouden. Den Christen-meester werd bevolen zijn gedoopten slaaf te ontvangen, „voortaan niet als een dienstknecht maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder;” en in dit geval even als in de andere werd niets gezegd van de barbaarsche magt, die de Romeinsche wet hem schonk, daar men duidelijk inzag dat hij hem niet te gelijker tijd kon behandelen als een beminden broeder en als een slaaf in den zin der Romeinsche wet.Wanneer dus gevraagd wordt waarom de Apostelen de afschaffing der slavernij niet beoogden, geven wij ten antwoord, dat zij die werkelijk beoogden. Zij streefden er naar langs den zekersten, kortsten en meest regtstreekschen weg, die bij mogelijkheid had kunnen ingeslagen worden.

Hoofdstuk VI.Hoe werkte het Christelijk beginsel op de slavernij?Maar nog altijd kan men zeggen, dat de Apostelen de meesters, die Christenen waren, hadden kunnen bevelen om in allen gevalle tot eene wettige emancipatie over te gaan. Gewisselijk hadden zij hetkunnendoen, en dat zij het niet gedaanhebbenis blijkbaar.De geloovige Christen uit den eersten tijd beschouwde en behandelde zijn slaaf als een broeder; doch in het oog der wet bleef deze altijd zijn eigendom; hij was een voorwerp, maar geen mensch. Waarom bragten de Apostelen dan geen schok toe aan dien wettelijken stand van zaken? Waarom bevalen zij niet ieder Christen, dien band te verbreken? In antwoord daarop mogen wij doen opmerken, dat elke hervorming, die van God uitgaat, onveranderlijk dezen weg volgt: eerst doodt zij dengeestvan een misbruik, en laat alsdan denvormvan-zelven vervallen; zij ontdoet den giftigen boom van zijn bast en laat hem dan op zijn eigen tijd sterven.Deze wijze om misbruiken uit den weg te ruimen heeft dit voordeel, dat zij stelselmatig en algemeen werkt en doeltreffend is in alle tijden en onder alle omstandigheden. Indien de Apostel in dien tijd van uiterlijkheden en geweld eenvoudig de wettelijke betrekking had aangetast, dan ware het bedorven en zelfzuchtige beginsel welligt overgegaan in andere even slechte vormen van verdrukking en weggescholen achter het voorwendsel dat het van de wettelijke slavernij afstand had gedaan. Daarom bragt God een doodelijker slag toe aan het monster, door juist de plek te kiezen waar zijn hart klopte en Zijnen Apostelen te bevelen: „Slaat dáár!”In stede dus van den slavenhouder toe te voegen: „Laat uw slaaf vrij,” zeide het Christendom tot hem: „Behandel hem als uw broeder,” het overlatende aan het geweten van den slavenhouder om uit te vinden hoe veel in dit gebod opgesloten lag.Uit de voorschriften, die Paulus omtrent de slavernij geeft, is het duidelijk, dat hij de wettelijke betrekking met evenveel onverschilligheid aanzag als een tuinman gevoelt ten aanzien van een onoogelijk stuk bast, dat hij een jongen boom op het punt ziet door de ontwikkeling zijner groeikracht af te werpen. Hij beschouwde het als een deel van een verouderd heidensch stelsel en behoorende tot een stel wetten en gebruiken, die eerlang zouden verdwijnen.Er is een schoonschijnend argument, dat men in deze zaak menigmaal gebruikt heeft, namelijk dat de Apostelen de slavernij beschouwden als eene der wettige betrekkingen des levens, gelijk die van ouders en kind, van man en vrouw.Men wil het argument versterken door te zeggen: de Apostelen vonden alle betrekkingen des levens zeer bezoedeld door verschillende misbruiken.Zij tastten debetrekkingenniet aan maar verwijderden demisbruiken, en bragten dus alles tot een gezonden toestand terug.De vergissing schuilt daarin, dat men de slavernij als eene wettige betrekking aanneemt. Zij is de ontaarding van eene wettige betrekking. De wettige betrekking is dedienstbaarheid, en de slavernij is deverbasteringvan de dienstbaarheid.Toen de Apostelen optraden waren alle betrekkingen des levens in het Romeinsche rijk doortrokken met den geest derslavernij. De verhouding van het kind tot de ouders was slavernij. De verhouding van de vrouw tot haar man was slavernij. De verhouding van den dienaar tot den meester was slavernij.De magt van den vader over den zoon, volgens de Romeinsche wet, was nagenoeg dezelfde als die van den meester over den slaaf. Hij kon hem naar zijn welbehagen doen geeselen, gevangen zetten of ter dood brengen. De zoon kon niets bezitten dan hetgeen de eigendom zijns vaders was; en deze onbeperkte magt bleef gedurende het geheele leven des vaders voortduren, tenzij hij zijn zoon uitdrukkelijk vrij maakte door eene driemaal herhaalde acte van manumissie, terwijl dit tot vrijmaking van den slaaf slechts eenmaal behoefde te geschieden. Er bestond echter geene wet, die den vader tot manumissie verpligtte; zoo hij het goed vond kon hij zijne magt levenslang behouden.De toestand der Romeinsche vrouw was ongeveer dezelfde. Werd zij van eenigerhande misdrijf beschuldigd, dan riep de echtgenoot een raad van hare betrekkingen bijeen en velde vonnis in hunne tegenwoordigheid, waarbij hij de straf uitsprak die hij verdiend achtte.Wegens ontrouw of wegens het drinken van wijn mogt haar echtgenoot, volgens het door Romulus gegeven verlof, haar ter dood brengen. De toestand der vrouw verschilde daarin van dien des zoons, dat zij nooit kon gemanumitteerd worden; daarvoor behelsde de wet geene bepalingen.Dezelfde geest van gewelddadigheid en slavernij heerschte in de betrekking van meester en dienaar en deed die strenge slavenwetten ontstaan, die het Christelijke Amerika, na er nog eenige trekken van wreedheid bijgevoegd te hebben, in de negentiende eeuw heeft doen herleven.Ten aanzien nu van al deze ontaardingen van wettige betrekkingen volgde het Evangelie eene zelfde en onveranderde handelwijze. Het beval den Christenvader niet, zijn zoon volgens de wet te emanciperen; maar het bragt zulk een Goddelijken geest in de vaderlijke betrekking door die te vergelijken niet de betrekking van den hemelschen Vader, dat de Christelijke Romein het gebruik van zijne barbaarsche, doch wettelijke magt als geheel onbestaanbaar met zijne Christelijke belijdenis beschouwd zou hebben. Zoo veredelde het ook dehuwelijksbetrekking door die te vergelijken bij de betrekking tusschen Christus en Zijne Kerk, en den echtgenoot te gebieden zijne vrouw te beminnen, even als Christus Zijne Kerk beminde en er zich-zelven voor ten offer bragt. Het riep hem toe: „Niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar onderhoudt het en heeft het lief gelijk de Heer de Kerk;”—„ieder moet zijne vrouw beminnen, gelijk zichzelven.” Niet de minste toespeling wordt gemaakt op de barbaarsche en onregtvaardige magt die de wet den man verleende. Men begreep, dat een Christelijk gemaal zich er niet van bedienen kon zonder de voorschriften van het Evangelie te schenden.Op dezelfde wijze werden de Christen-meesters vermaand hunnen knechten te geven wat regt was, en, wel verre van hen door geweld tot den arbeid te dwingen, zich zelfs van bedreigingen te onthouden. Den Christen-meester werd bevolen zijn gedoopten slaaf te ontvangen, „voortaan niet als een dienstknecht maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder;” en in dit geval even als in de andere werd niets gezegd van de barbaarsche magt, die de Romeinsche wet hem schonk, daar men duidelijk inzag dat hij hem niet te gelijker tijd kon behandelen als een beminden broeder en als een slaaf in den zin der Romeinsche wet.Wanneer dus gevraagd wordt waarom de Apostelen de afschaffing der slavernij niet beoogden, geven wij ten antwoord, dat zij die werkelijk beoogden. Zij streefden er naar langs den zekersten, kortsten en meest regtstreekschen weg, die bij mogelijkheid had kunnen ingeslagen worden.

Hoofdstuk VI.Hoe werkte het Christelijk beginsel op de slavernij?

Maar nog altijd kan men zeggen, dat de Apostelen de meesters, die Christenen waren, hadden kunnen bevelen om in allen gevalle tot eene wettige emancipatie over te gaan. Gewisselijk hadden zij hetkunnendoen, en dat zij het niet gedaanhebbenis blijkbaar.De geloovige Christen uit den eersten tijd beschouwde en behandelde zijn slaaf als een broeder; doch in het oog der wet bleef deze altijd zijn eigendom; hij was een voorwerp, maar geen mensch. Waarom bragten de Apostelen dan geen schok toe aan dien wettelijken stand van zaken? Waarom bevalen zij niet ieder Christen, dien band te verbreken? In antwoord daarop mogen wij doen opmerken, dat elke hervorming, die van God uitgaat, onveranderlijk dezen weg volgt: eerst doodt zij dengeestvan een misbruik, en laat alsdan denvormvan-zelven vervallen; zij ontdoet den giftigen boom van zijn bast en laat hem dan op zijn eigen tijd sterven.Deze wijze om misbruiken uit den weg te ruimen heeft dit voordeel, dat zij stelselmatig en algemeen werkt en doeltreffend is in alle tijden en onder alle omstandigheden. Indien de Apostel in dien tijd van uiterlijkheden en geweld eenvoudig de wettelijke betrekking had aangetast, dan ware het bedorven en zelfzuchtige beginsel welligt overgegaan in andere even slechte vormen van verdrukking en weggescholen achter het voorwendsel dat het van de wettelijke slavernij afstand had gedaan. Daarom bragt God een doodelijker slag toe aan het monster, door juist de plek te kiezen waar zijn hart klopte en Zijnen Apostelen te bevelen: „Slaat dáár!”In stede dus van den slavenhouder toe te voegen: „Laat uw slaaf vrij,” zeide het Christendom tot hem: „Behandel hem als uw broeder,” het overlatende aan het geweten van den slavenhouder om uit te vinden hoe veel in dit gebod opgesloten lag.Uit de voorschriften, die Paulus omtrent de slavernij geeft, is het duidelijk, dat hij de wettelijke betrekking met evenveel onverschilligheid aanzag als een tuinman gevoelt ten aanzien van een onoogelijk stuk bast, dat hij een jongen boom op het punt ziet door de ontwikkeling zijner groeikracht af te werpen. Hij beschouwde het als een deel van een verouderd heidensch stelsel en behoorende tot een stel wetten en gebruiken, die eerlang zouden verdwijnen.Er is een schoonschijnend argument, dat men in deze zaak menigmaal gebruikt heeft, namelijk dat de Apostelen de slavernij beschouwden als eene der wettige betrekkingen des levens, gelijk die van ouders en kind, van man en vrouw.Men wil het argument versterken door te zeggen: de Apostelen vonden alle betrekkingen des levens zeer bezoedeld door verschillende misbruiken.Zij tastten debetrekkingenniet aan maar verwijderden demisbruiken, en bragten dus alles tot een gezonden toestand terug.De vergissing schuilt daarin, dat men de slavernij als eene wettige betrekking aanneemt. Zij is de ontaarding van eene wettige betrekking. De wettige betrekking is dedienstbaarheid, en de slavernij is deverbasteringvan de dienstbaarheid.Toen de Apostelen optraden waren alle betrekkingen des levens in het Romeinsche rijk doortrokken met den geest derslavernij. De verhouding van het kind tot de ouders was slavernij. De verhouding van de vrouw tot haar man was slavernij. De verhouding van den dienaar tot den meester was slavernij.De magt van den vader over den zoon, volgens de Romeinsche wet, was nagenoeg dezelfde als die van den meester over den slaaf. Hij kon hem naar zijn welbehagen doen geeselen, gevangen zetten of ter dood brengen. De zoon kon niets bezitten dan hetgeen de eigendom zijns vaders was; en deze onbeperkte magt bleef gedurende het geheele leven des vaders voortduren, tenzij hij zijn zoon uitdrukkelijk vrij maakte door eene driemaal herhaalde acte van manumissie, terwijl dit tot vrijmaking van den slaaf slechts eenmaal behoefde te geschieden. Er bestond echter geene wet, die den vader tot manumissie verpligtte; zoo hij het goed vond kon hij zijne magt levenslang behouden.De toestand der Romeinsche vrouw was ongeveer dezelfde. Werd zij van eenigerhande misdrijf beschuldigd, dan riep de echtgenoot een raad van hare betrekkingen bijeen en velde vonnis in hunne tegenwoordigheid, waarbij hij de straf uitsprak die hij verdiend achtte.Wegens ontrouw of wegens het drinken van wijn mogt haar echtgenoot, volgens het door Romulus gegeven verlof, haar ter dood brengen. De toestand der vrouw verschilde daarin van dien des zoons, dat zij nooit kon gemanumitteerd worden; daarvoor behelsde de wet geene bepalingen.Dezelfde geest van gewelddadigheid en slavernij heerschte in de betrekking van meester en dienaar en deed die strenge slavenwetten ontstaan, die het Christelijke Amerika, na er nog eenige trekken van wreedheid bijgevoegd te hebben, in de negentiende eeuw heeft doen herleven.Ten aanzien nu van al deze ontaardingen van wettige betrekkingen volgde het Evangelie eene zelfde en onveranderde handelwijze. Het beval den Christenvader niet, zijn zoon volgens de wet te emanciperen; maar het bragt zulk een Goddelijken geest in de vaderlijke betrekking door die te vergelijken niet de betrekking van den hemelschen Vader, dat de Christelijke Romein het gebruik van zijne barbaarsche, doch wettelijke magt als geheel onbestaanbaar met zijne Christelijke belijdenis beschouwd zou hebben. Zoo veredelde het ook dehuwelijksbetrekking door die te vergelijken bij de betrekking tusschen Christus en Zijne Kerk, en den echtgenoot te gebieden zijne vrouw te beminnen, even als Christus Zijne Kerk beminde en er zich-zelven voor ten offer bragt. Het riep hem toe: „Niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar onderhoudt het en heeft het lief gelijk de Heer de Kerk;”—„ieder moet zijne vrouw beminnen, gelijk zichzelven.” Niet de minste toespeling wordt gemaakt op de barbaarsche en onregtvaardige magt die de wet den man verleende. Men begreep, dat een Christelijk gemaal zich er niet van bedienen kon zonder de voorschriften van het Evangelie te schenden.Op dezelfde wijze werden de Christen-meesters vermaand hunnen knechten te geven wat regt was, en, wel verre van hen door geweld tot den arbeid te dwingen, zich zelfs van bedreigingen te onthouden. Den Christen-meester werd bevolen zijn gedoopten slaaf te ontvangen, „voortaan niet als een dienstknecht maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder;” en in dit geval even als in de andere werd niets gezegd van de barbaarsche magt, die de Romeinsche wet hem schonk, daar men duidelijk inzag dat hij hem niet te gelijker tijd kon behandelen als een beminden broeder en als een slaaf in den zin der Romeinsche wet.Wanneer dus gevraagd wordt waarom de Apostelen de afschaffing der slavernij niet beoogden, geven wij ten antwoord, dat zij die werkelijk beoogden. Zij streefden er naar langs den zekersten, kortsten en meest regtstreekschen weg, die bij mogelijkheid had kunnen ingeslagen worden.

Maar nog altijd kan men zeggen, dat de Apostelen de meesters, die Christenen waren, hadden kunnen bevelen om in allen gevalle tot eene wettige emancipatie over te gaan. Gewisselijk hadden zij hetkunnendoen, en dat zij het niet gedaanhebbenis blijkbaar.

De geloovige Christen uit den eersten tijd beschouwde en behandelde zijn slaaf als een broeder; doch in het oog der wet bleef deze altijd zijn eigendom; hij was een voorwerp, maar geen mensch. Waarom bragten de Apostelen dan geen schok toe aan dien wettelijken stand van zaken? Waarom bevalen zij niet ieder Christen, dien band te verbreken? In antwoord daarop mogen wij doen opmerken, dat elke hervorming, die van God uitgaat, onveranderlijk dezen weg volgt: eerst doodt zij dengeestvan een misbruik, en laat alsdan denvormvan-zelven vervallen; zij ontdoet den giftigen boom van zijn bast en laat hem dan op zijn eigen tijd sterven.

Deze wijze om misbruiken uit den weg te ruimen heeft dit voordeel, dat zij stelselmatig en algemeen werkt en doeltreffend is in alle tijden en onder alle omstandigheden. Indien de Apostel in dien tijd van uiterlijkheden en geweld eenvoudig de wettelijke betrekking had aangetast, dan ware het bedorven en zelfzuchtige beginsel welligt overgegaan in andere even slechte vormen van verdrukking en weggescholen achter het voorwendsel dat het van de wettelijke slavernij afstand had gedaan. Daarom bragt God een doodelijker slag toe aan het monster, door juist de plek te kiezen waar zijn hart klopte en Zijnen Apostelen te bevelen: „Slaat dáár!”

In stede dus van den slavenhouder toe te voegen: „Laat uw slaaf vrij,” zeide het Christendom tot hem: „Behandel hem als uw broeder,” het overlatende aan het geweten van den slavenhouder om uit te vinden hoe veel in dit gebod opgesloten lag.

Uit de voorschriften, die Paulus omtrent de slavernij geeft, is het duidelijk, dat hij de wettelijke betrekking met evenveel onverschilligheid aanzag als een tuinman gevoelt ten aanzien van een onoogelijk stuk bast, dat hij een jongen boom op het punt ziet door de ontwikkeling zijner groeikracht af te werpen. Hij beschouwde het als een deel van een verouderd heidensch stelsel en behoorende tot een stel wetten en gebruiken, die eerlang zouden verdwijnen.

Er is een schoonschijnend argument, dat men in deze zaak menigmaal gebruikt heeft, namelijk dat de Apostelen de slavernij beschouwden als eene der wettige betrekkingen des levens, gelijk die van ouders en kind, van man en vrouw.

Men wil het argument versterken door te zeggen: de Apostelen vonden alle betrekkingen des levens zeer bezoedeld door verschillende misbruiken.

Zij tastten debetrekkingenniet aan maar verwijderden demisbruiken, en bragten dus alles tot een gezonden toestand terug.

De vergissing schuilt daarin, dat men de slavernij als eene wettige betrekking aanneemt. Zij is de ontaarding van eene wettige betrekking. De wettige betrekking is dedienstbaarheid, en de slavernij is deverbasteringvan de dienstbaarheid.

Toen de Apostelen optraden waren alle betrekkingen des levens in het Romeinsche rijk doortrokken met den geest derslavernij. De verhouding van het kind tot de ouders was slavernij. De verhouding van de vrouw tot haar man was slavernij. De verhouding van den dienaar tot den meester was slavernij.

De magt van den vader over den zoon, volgens de Romeinsche wet, was nagenoeg dezelfde als die van den meester over den slaaf. Hij kon hem naar zijn welbehagen doen geeselen, gevangen zetten of ter dood brengen. De zoon kon niets bezitten dan hetgeen de eigendom zijns vaders was; en deze onbeperkte magt bleef gedurende het geheele leven des vaders voortduren, tenzij hij zijn zoon uitdrukkelijk vrij maakte door eene driemaal herhaalde acte van manumissie, terwijl dit tot vrijmaking van den slaaf slechts eenmaal behoefde te geschieden. Er bestond echter geene wet, die den vader tot manumissie verpligtte; zoo hij het goed vond kon hij zijne magt levenslang behouden.

De toestand der Romeinsche vrouw was ongeveer dezelfde. Werd zij van eenigerhande misdrijf beschuldigd, dan riep de echtgenoot een raad van hare betrekkingen bijeen en velde vonnis in hunne tegenwoordigheid, waarbij hij de straf uitsprak die hij verdiend achtte.

Wegens ontrouw of wegens het drinken van wijn mogt haar echtgenoot, volgens het door Romulus gegeven verlof, haar ter dood brengen. De toestand der vrouw verschilde daarin van dien des zoons, dat zij nooit kon gemanumitteerd worden; daarvoor behelsde de wet geene bepalingen.

Dezelfde geest van gewelddadigheid en slavernij heerschte in de betrekking van meester en dienaar en deed die strenge slavenwetten ontstaan, die het Christelijke Amerika, na er nog eenige trekken van wreedheid bijgevoegd te hebben, in de negentiende eeuw heeft doen herleven.

Ten aanzien nu van al deze ontaardingen van wettige betrekkingen volgde het Evangelie eene zelfde en onveranderde handelwijze. Het beval den Christenvader niet, zijn zoon volgens de wet te emanciperen; maar het bragt zulk een Goddelijken geest in de vaderlijke betrekking door die te vergelijken niet de betrekking van den hemelschen Vader, dat de Christelijke Romein het gebruik van zijne barbaarsche, doch wettelijke magt als geheel onbestaanbaar met zijne Christelijke belijdenis beschouwd zou hebben. Zoo veredelde het ook dehuwelijksbetrekking door die te vergelijken bij de betrekking tusschen Christus en Zijne Kerk, en den echtgenoot te gebieden zijne vrouw te beminnen, even als Christus Zijne Kerk beminde en er zich-zelven voor ten offer bragt. Het riep hem toe: „Niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar onderhoudt het en heeft het lief gelijk de Heer de Kerk;”—„ieder moet zijne vrouw beminnen, gelijk zichzelven.” Niet de minste toespeling wordt gemaakt op de barbaarsche en onregtvaardige magt die de wet den man verleende. Men begreep, dat een Christelijk gemaal zich er niet van bedienen kon zonder de voorschriften van het Evangelie te schenden.

Op dezelfde wijze werden de Christen-meesters vermaand hunnen knechten te geven wat regt was, en, wel verre van hen door geweld tot den arbeid te dwingen, zich zelfs van bedreigingen te onthouden. Den Christen-meester werd bevolen zijn gedoopten slaaf te ontvangen, „voortaan niet als een dienstknecht maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder;” en in dit geval even als in de andere werd niets gezegd van de barbaarsche magt, die de Romeinsche wet hem schonk, daar men duidelijk inzag dat hij hem niet te gelijker tijd kon behandelen als een beminden broeder en als een slaaf in den zin der Romeinsche wet.

Wanneer dus gevraagd wordt waarom de Apostelen de afschaffing der slavernij niet beoogden, geven wij ten antwoord, dat zij die werkelijk beoogden. Zij streefden er naar langs den zekersten, kortsten en meest regtstreekschen weg, die bij mogelijkheid had kunnen ingeslagen worden.


Back to IndexNext