Hoofdstuk V.

Hoofdstuk V.Voorvallen uit een wettigen tak van handel, of waarheid die vreemder klinkt dan verdichting.Het afschuwelijke en heiligschennende gebruik om menschelijke wezens ten verkoop aan te fokken en als vee ter markt te verkoopen, maakt op de ziel niet dien diepen indruk dien het behoorde te maken, omdat het zich in veel te algemeenen vorm voordoet.’t Is er mede als met het berigt van een grooten veldslag, waarvan wij in ronde getallen vernemen, dat tien duizend man gedood en gewond zijn, waarop wij het nieuwsblad, zonder er verder iets bij te denken, ter zijde werpen.Evenzoo, als wij lezen, dat zestig of tachtig duizend menschelijke wezens jaarlijks worden aangekweekt en op de markt verkocht, gaat ons dit door het hoofd zonder een bepaalden indruk na te laten.Sterne zegt, dat, toen hij zich de jammeren der kerkerstraf wilde voorstellen, hij zijne gedachten moest afwenden van de honderdduizenden die in kerkerholen verkwijnen, en zich bepaaldelijk één verlaten gevangene, neêrgezeten in zijne cel, moest voorstellen. Daarom kunnen wij ook geen denkbeeld geven van de verschrikkelijke, wreede en demoraliserende werking van dezen handel, zonder de feiten in bijzonderheden voor te stellen, en elk feit te geven als een staaltje van eene bepaalde klasse.Als een proefje van het gevoel en de soort van zedelijkheid, die dit stelsel van aanfokken en opkweeken zoo bij slaven als eigenaren te weeg brengt, deelt schrijfster dezes de onderstaande uittreksels mede van een brief, onlangs aan haar gerigt door eene vriendin in een der zuidelijke Staten.Lieve Mevrouw.De zwarte godin, die over onze bedden en waschtafels het toezigt houdt, is zulk een wonderlijk staaltje van haar ras, dat ik wenschte, dat gij haar zien kondt. Haar geheele voorkomen, als zij daar zoo schaterend en neigend rondtrippelt, is in den hoogsten graad lachverwekkend en zou een vreemde al ligt op het denkbeeld brengen, dat het haar aan het verstand haperde. Dit is echter in geenen deele het geval. Gedurende de twee maanden, dat wij met haar bekend zijn, hebben wij verscheidene blijken van gezond verstand bij haar waargenomen, die zelfs lof zouden verdienen bij een blanke die tienmaal meer voorregten had dan zij.Zij is zeer spraakzaam en schijnt te gevoelen, dat zij aanspraak heeft op onze belangstelling, alleen reeds omdat wij uit het Noorden komen, en wij zouden ongetwijfeldgeene geringe kennis van de „fraaije instelling” opdoen, zoo wij het raadzaam oordeelden, eenigzins lange gesprekken met haar te houden. Dit zou ons echter een bezoek van de overheden op den hals halen en eene aanmaning om de stad met den eerstvolgenden trein te verlaten. Wij moeten ons dus vergenoegen met, onder den schijn van zeer onverschillig te wezen, nu en dan iets op te vangen, en er een einde aan maken door haar om eene of andere kleinigheid uit te zenden; wij zorgen echter, hare eigenaardige uitdrukkingen ten papiere te brengen zoodra zij zich verwijderd heeft. Ik heb gedacht, dat eene copie daarvan u aangenaam zou wezen, vooral wegens de daarin voorkomende merkwaardige bijzonderheden aangaande de instelling des huwelijks, een noodwendig gevolg van het in zwang zijnde stelsel.„Eene dame uit het Zuiden, welke vermeent dat het gevoel van den neger in deNegerhutwat al te hoog opgevijzeld is, verzekert ons, dat de gehechtheid niet zeer sterk kan zijn bij een man die twee of drie vrouwen en gezinnen op even zoo vele plantagiën heeft (!). En de meesteres van ons hotel berigt ons, dat hare keukenmeid met de volmaaktste onverschilligheid de tijding van haar man ontvangen heeft, dat hij eene andere vrouw bezit en zij een ander man mag nemen; zij had eenvoudig het voornemen te kennen gegeven „om er voor het oogenblik geen te nemen, daar zij in de volgende maand aan haar eigenaar in Georgia moest teruggezonden worden en het vertrek haar dan moeijelijker zou vallen.” En toch zijn beide die dames Godsdienstig en achten zich beleedigd door het minste vermoeden, dat de zedelijkheid hunner slaven niet hooger zou zijn dan die van de vrije negers in het Noorden.Bij de geschiedenis van Violet zal ik ook die voegen van een onzer oppassers, waarin gij zeker wel belang zult stellen.Violet’s vader en moeder stierven beiden, zoo als zij zegt, „vóór ik eenig begrip had,””—elf kinderen nalatende, die overal verstrooid waren. „Al kon ik er schatten meê winnen, Missis, zou ik niet kunnen zeggen waar een van allen is. Massa woont te Charleston. Mijn eerste echtgenoot was een knap man; hij had zeven kinderen;toen werd hij verkocht naar Florida; ik heb nooit meer van hem gehoord. De ouders sterven; o, dat is het verschrikkelijkste; als die dood zijn worden wij overal heen verstrooid. Ik werd in deze streken verkocht; nu heb ik een ander man en vier kinderen. Ik leefde heel genoegelijk met mijn eersten man en wij kregen vele kinderen. Maar hier is het schraal. Massa wil niet toelaten, dat wij iets hebben, geen varken, geen geit, geen hond; ja hij geeft ons zelfs geen weinigje koorn.Wij moeten maar rondkomen zoo als wij kunnen.Het eenige wat wij krijgen, zijn twee eigengeweven kleedjes.„Ik kan niet naar demeetinggaan, omdat Missis te veel werk te doen heeft. ’s Zomers ga ik elken Zondagavond; maar bij deze korte dagen is de dag te snel om. Ik ga meestal naar de Doopsgezinde kerk.”„Gaan de uwen daar gewoonlijk?”„Zij zijn van drie soorten: Methodisten, Doopsgezinden en Episcopalen. Verleden zomer hebben wij Zondags avonds heel dikwijlsmeetingsin onzen „yard” gehad. Massa Johnson preêkte voor ons. Maar toen zeî hij, dat hij niet tweemaal preken kon: wij moesten maar naar de kerk komen.”„Waarom?”„Dat weet de hemel. Ik ga gaarne naar demeeting, vooral als er mooi gepreêkt wordt. Ik hoor het gaarne, als de menschen goed tot mij spreken. Ook ben ik blij als men mij voorleest. Waarom zou dat ook niet, al behoor ik niet tot de Kerk?”„Laat uw meester toe, dat anderen u voorlezen?”„Hij zal het mij niet beletten; ik behoef hem niet te vertellen, dat een ander mij voorleest. Ik moetmijneziel, hij dezijnetrachten te behouden. Onze eigenaars willen niet een paar minuten besteden om ons voor te lezen; dat zou eene te groote eer voor ons zijn; zij behandelen ons zeer hard. Sommige predikanten spreken ons wel eens vriendelijk toe en bidden met ons, envoor zichzelven heel wat er bij.”„Ik heb zoo even een groot geschil gehad met Dinah in de keuken en haar gezegd: „Dinah, de weg dien gij opgaat, bederft den goeden naam van de vrouwen.” Zijantwoordde, dat zij er zich niet om bekreunde en dat zij zou doen wat haar goeddacht. Dinah is van haar eersten man weggeloopen en heeft een kind gehad bij Sambo (die aan Massa D. behoort), zoodat zij en haar eerste man van elkander afgeraakt zijn. De mannen, Missis, zien zulke dingen nooit met een goed oog aan.„Gij weet, Missis, als wij van iets houden, willen wij niet dat een ander het hebben zal. Zoo iets, Missis, al laat men ’t niet merken, foltert iemand dood. Als mijn man mij op die wijze wilde ontloopen, Missis, ’k zou er bij zijn.Ikzou ook zoo niet handelen met mijn man. Al kan ik het hier verbergen, voor God zal het geopenbaard worden en de heele wereld zal het vernemen.„Dinah’s tweede man zeî, dat het hem niets aanging, hoe zij met haar eersten man gehandeld had. Zoo denktmijnman er niet over. Hij zegt, dat hij niet doen zou wat Daniel doet; hij zou geen speelgoed koopen voor de andere kinderen; wiens ze waren, mogt dat doen. Nu, hoe het zij, Dinah’s eerste man komt, zoo dikwijls hij kan, over, om zijne kinderen te zien, en Sambo komt ook omzijnkind te zien, en geeft daarvoor aan Dinah snuisterijen.„Massa had geene slaven dan een geel meisje, toen hij mij en mijne vier kinderen kocht. Nu wilde Massa kinderen van mij hebben; dus zeî hij: „Violet, gij moet een of anderen neger hier te G. nemen.”Daarop antwoordde ik: „Neen, Massa, ik kan er hier geen nemen.”—„Gijmoet, Violet,” hernam hij. Gij ziet, hij verlangde dat ik ook slaven zou opkweeken, en daarom zei hij, dat hier een overvloed van jonge kerels was, maar ik hervatte, dat ik geen van allen kon nemen. Nu dan, Missis, toen ging hij naar Virginia en bragt twee negers mede, reeds vrij oude lieden, en Missis zeî: „Een daarvan is voor u, Violet;” maar ik zeî: „Neen, Missis, ik kan geen van beiden nemen, omdat ik niet van hen houd, en ik kan niemand nemen, dien ik niet bemin.” Toen riep Massa: „Gijmoet een van dezen nemen,—of, zoo gij hem niet lief kunt hebben, danmoet gij iemand anders vinden dien gij bemint.” Ik zeî: „O neen, Massa, dat kan ik niet doen,—ik kan niet elken dag een anderennemen.” Na eenigen tijd kocht Massa er nog drie bij en toen zei Missis: „Nu, Violet, een daarvan is voor u.” Ik herhaalde: „Ik kan niet; misschien bemin ik van hen ook geen;” maar zij antwoordde: „Gijmoeteen van dezen nemen.” Zoo dan leefden Sam en ik twee jaren; hij ging mijne gangen na en ik de zijne.„Eindelijk, op een avond, stonden wij zamen bij den houtstapel, en de maan scheen zeer helder, en hoe het kwam weet ik niet, Missis, maar hij zeî mij, dat hij eene vrouw wenschte te hebben, doch niet wist waar eene te krijgen. Ik antwoordde, dat er knappe meisjes genoeg in G. waren. „Ja,” zeî hij, „maar ik vind er misschien niet ééne, die mij zoo wel bevalt als gij.” Ik zei hem toen dat ik hem misschien zou tegenvallen, want dat ik reeds oud begon te worden, en dat ik vier kinderen van mijn eersten man had; en dat iemand, die mij trouwde, zoo goed voor de kinderen moest wezen als voor mij; dat ik hem anders niet kon lief hebben. Toen zei hij: „al ware het ook dat eene vrouw kinderen had (let op, dat hijmijniet noemde) zoo zou hij toch zoo vriendelijk zijn voor de kinderen als voor de moeder, en dat zou er veel van afhangen hoe zij hem behandelde.” Zoo kwamen wij van het eene ding op het andere, tot wij eindelijk verklaarden dat wij elkander namen, en zoo hebben wij sedert geleefd, en ik heb vier kinderen bij hem, en hij ontloopt mij nooit noch ik hem.”„Hoe trouwt gij in uw „yard”?”„Wel, wij vragen de blanken verlof en dannemenwij elkander. Sommigen worden met het boek getrouwd, maar waar dient het toe? Daar hebt ge mijn eersten man: wij zijn met het boek getrouwd, en toch werdhijnaar Florida verkocht enikben hier. Men doet met ons wat men wil, en zoo bevalt het hun niet dat wij voor vast getrouwd zijn. Het kan hun niet schelen wat wij doen, als wij maar geld voor hen verdienen.„Mijn eerste man was jong en zeer vriendelijk voor mij, o Missis,inderdaad zeer vriendelijk. Hij werkte nacht en dag om mij gemakken te bezorgen. o Het ging ons zeer goed zoo lang ik hem had; maar hij werd naar Florida verkocht, en sedert, Missis, ben ik dezelfde niet meer.Deze blanken hier vergunnen ons niets, in het geheel niets; zij geven ons eten en twee kleedjes in een jaar, een breede streep en een smalle streep; ik zal ze u eens laten zien, Missis.”En wij hebben ze gezien; want Violet bragt mij de „breede streep” met verzoek dat ik het voor haar maken zou. Er was juist genoeg om haar te bedekken, maar geene haken of oogen, geen garen, geene voering, dat moest zij zelve maar zien te krijgen; en toch ontvangt haar meester van onzen kastelein acht dollars ’s maands voor hare diensten. Wij vroegen hoe zij dan hare kleedjes gemaakt kreeg.„o Missis, mijn man werkt nu buiten de hoeve, zoodat hij vier pond spek en eene hoeveelheid meel iedere week krijgt; hij zuinigt het zoo uit, dat hij mij de vier pond spek geeft om de onkosten voor mijn kleedje uit te vinden. (Eene vraag: Zijn er ook echtgenooten in de beschaafde kringen die meer zouden doen dan deze man?)Toen Violet ons eens alle drie druk aan het schrijven vond, stond zij eenige oogenblikken in stilte de geheimzinnige bewegingen onzer pennen aan te staren, en zeide toen op den toon der diepste droefheid:„o Wat is dat toch een groote troost, Missis. Gij kunt aan uwe vrienden alles schrijven en ook aan u laten schrijven. Ons volk kan dit niet. Of zij levend of dood zijn, kunnen wij nimmer vernemen;soms, ja, hooren wij dat zij dood zijn.”Kon er krachtiger aanmerking gemaakt worden op de wreede wetten, die den slaaf verbieden te leeren schrijven?De geschiedenis van den oppasser luidt aldus:George’s vader en moeder behoorden aan iemand in Florida. Gedurende den oorlog gingen twee oudere zusters aan boord van een Engelsch schip en kwamen te Halifax. Zijne moeder zou gaarne met haar geheele gezin medegegaan zijn, doch haar man haalde haar over, om te wachten tot het volgende schip zou zeilen, als wanneer hij ook meende te zullen kunnen gaan. Door dit uitstel ging de gelegenheid van ontvlugting verloren en het geheele gezinwerd kort daarna voor schuld verkocht. George, eene zuster en zijne moeder werden door éénzelfden persoon gekocht. Hij zegt: „Mijn oude meester was buiten zichzelven toen moeder stierf en zeî dat hij liever duizend dollars had willen verliezen. Zij was half eene Indiaansche met hair zoo regt als het uwe, en zij was blank als die peluw.”George huwde eene vrouw van eene andere plantage. Hij gaf daarvoor de volgende reden op: „Als een man zijne vrouw ziet mishandelen, trekt hij het zich onwillekeurig aan. Als hijhoortdat zijne vrouw mishandeld is, is het nog niet hetzelfde als wanneer hij hetziet. Zoo kon ik beter voor haar zorgen, dan wanneer zij op mijne plantage was. Deze vrouw nu werd hooger op verkocht, doch werd na eenige jaren lam en ziek en kon niet veel doen; daarom gaf Massa haar verlof en betaalde hare vracht tot G.” (Gij weet, voor de zieken en gebrekkigen wordt altijd gezorgd.) „Ik had haar in drie jaren niet gezien,” zeide George, „maar zoodra ik het hoorde, haalde ik haar terstond af, huurde een huisje en nam iemand omop haarte passen, en ging haar zoo dikwijls zien als ik kon.” Hij is een ambachtsman en werkte dikwijls nachten door ten einde dit alles te bekostigen. Zijn meester vraagt twintig dollars per maand voor zijne diensten en legt hem wekelijks vijftig cents toe voor kleederen en andere benoodigdheden. George zegt dat als hij, door ’s nachts ook te werken, maar geld genoeg bijeen kon zamelen om zich vrij te maken, hij wel iemand zou weten te vinden dien hij vertrouwen kon om hem te koopen. „Dan zou ik zoo hard als ooit werken om mijne kinderen los te koopen en van hier weg te komen.”„Waarheen?”„O, naar Philadelphia, New-York of ergens anders in het Noorden.”„Wel, daar zoudt gij doodvriezen!”„O neen, Missis, ik kan de koude wel verdragen.Maar ik heb behoefte om mij-zelven toe te behoorenen te doen wat ik noodig reken.”De volgende mededeeling is aan de schrijfster gedaan door den heer Austin Bearse, koopvaardij-kapitein te Boston engeboortig van Barnstable aan Cape Cod. Hij is wel bekend bij de burgers en kooplieden van Boston.Ik ben afkomstig uit den StaatMassachusetts.Tusschen 1818 en 1830 voer ik als stuurman aan boord van verschillende schepen, die de kustvaart aan de stranden van Zuid-Carolina dreven.Het is bekend, dat vele schepen van Nieuw-Engeland de gewoonte hebben om den winter aan de zuidelijke kust met deze bezigheid door te brengen. Onze schepen plagten de rivier op te varen om de ruwe rijst en katoen van de plantages te halen, die wij dan naar Charleston bragten.Wij voerden dikwijls troepen negers naar de plantagiën, wier eigenaren hen ontboden hadden. Deze slaven waren door de slavenhandelaren doorgaans bijeen gezocht uit de slavenmagazijnen te Charleston, alwaar zij door verschillende oorzaken heengebragt waren, zooals door den dood hunner eigenaren of door boedelscheiding die hen deed verkoopen. Sommigen waren er heen gezonden tot straffe voor ongehoorzaamheid, of doordien het aantal slaven te groot was, of omdat personen die naar het Noorden of Westen verhuisden liever hunne slaven verkochten dan zich met de moeite te belasten van ze mede te nemen. Van tijd tot tijd hadden wij die slaven in aanzienlijke getallen aan boord, soms slechts twee of drie, maar soms ook wel zeventig of tachtig. Zij waren van hunne gezinnen en betrekkingen gescheiden met even weinig omslag, als men in acht neemt bij het uitzoeken van eene partij varkens of schapen.Onze schepen lagen gewoonlijk op eene plek genaamd Arme Mans Kreek, niet ver van de stad. Wij plagten de betrekkingen en vrienden van de slaven verlof te geven, om aan boord te komen en den geheelen nacht bij hunne vrienden te blijven, eer het schip onder zeil ging. Des morgens was het mijne taak de luiken open te doen en hen te waarschuwen, dat de tijd van scheiden was gekomen, en op zulk een oogenblik waren de gillen en hartverscheurende kreten genoegzaam om iemand de bezinning schier te doen verliezen.In het jaar 1828, toen ik stuurman was op de brikMiltonvan Boston, bestemd naar New-Orleans, vond hetvolgende plaats, dat mij nimmer uit het geheugen zal gaan: De slavenhandelaars bragten aan boord vier quarterons, met handboeijen voorzien, en die naar New-Orleans vervoerd moesten worden. Eene oude negerin, gewis meer dan tachtig jaren oud, liep hen handenwringend na, uitroepende: „Mijn zoon, o mijn zoon, mijn zoon!” Zij scheen bijna uitzinnig en toen wij reeds eene mijl buiten de haven waren konden wij haar gillen nog hooren.Toen wij in zee waren ging ik naar de vier mannen en ontdeed hen van hunne handboeijen. Zij waren vastberadene kerels en zeiden mij, dat ik zien zou, dat zij nimmer levend te New-Orleans slaven zouden zijn. Een hunner was timmerman, een ander smid. Wij bragten hen te New-Orleans aan en leverden hen uit aan den agent. Later verhaalde deze aan den kapitein, dat zij allen binnen acht en veertig uren na hunne aankomst te New-Orleans dood waren. Zij hadden zich allen omgebragt, zoo als zij gedreigd hadden. Een hunner weet ik, werd voor stoker op de stoombootPost Boygekocht; doch hij sprong over boord en verdronk. Van de anderen werd een verkocht aan een smid en een aan een timmerman. De bijzonderheden van hun dood zijn mij niet ter oore gekomen.Achter Charleston, te Coosahatchie, lag eene plantage, welke aan eene weduwe behoorde, die tachtig negers hield. Zij ontbood van Charleston een jonge quarteronne voor haar zoon; het meisje was nagenoeg geheel blank. Wij voerden haar derwaarts. Daar zij veel delicater was dan de andere slaven, werd zij niet bij hen, maar in de kajuit geplaatst.Ik ben op de rijstplantagiën aan de rivier geweest en heb daar den rijstbouw gezien. In het najaar werken al de plantage-arbeiders, zoo mannen als vrouwen, in de rijstgreppels met het water tot boven de knieën en trekken het gras uit, om den grond voor het zaaijen van de rijst geschikt te maken. De slaven, die hier uit de stad gebragt worden, vinden dit een bijna ondoenlijken arbeid, daar zij meestal tot huiswerk zijn opgeleid. Het verblijf op de plantagiën is zoo doodelijk, dat de blanken daar in zomertijd niet vertoeven kunnen dan met gevaar van hun leven. De eigenaars en hunne familiën bevinden zich daar alleen’s winters en de slaven zijn zomers geheel aan de opzigters overgelaten. Ik heb gezien, dat die opzieners meestal een brutaal slag van menschen zijn, die zich aan dronkenschap en dobbelspel overgeven.In den loop mijner togten heb ik de slavernij in bijna alle landen der wereld gezien. Ik ben in Algiers geweest en heb daar de slavernij aanschouwd. Ik heb de slavernij te Smirna gezien, bij de Turken. Het was te Smirna, toen onze Amerikaansche consul een schoon Grieksch meisje vrijkocht. Ik zag haar aan boord van de brikSuffolkkomen, toen zij naar Amerika overgevoerd werd om hare opvoeding te erlangen. Ik heb de slavernij gezien in de Spaansche en Turksche havens, ofschoon ik daar niet op de plantagiën geweest ben.Mijn gevoelen is, dat de Amerikaansche slavernij, gelijk ik die gezien heb bij den binnenlandschen slavenhandel, op de rijst- en suiker-plantagiën en in de stad New-Orleans,ten volle een slechtis als in eenig land ter wereld, heidensch of Christelijk. Menschen, die voor bezoeken of vermaak de zuidelijke Staten doorreizen, kunnen onmogelijk die dingen te weten komen, die door varensgezellen gezien worden, welke de rivieren opzeilen naar de ver achter af gelegene plantagiën en die de slaven en de producten der plantagiën vervoeren.In mijne jonge dagen werd over de slavernij niet veel gesproken. Ik zag haar even als anderen, zonder mij er aan gelegen te laten liggen. Doch daar ik het niet meer voor goed houd, die dingen in stilte aan te zien, vaar ik tegenwoordig niet meer op de zuidelijke Staten.Het volgende verslag is aan de schrijfster gegeven door Lewis Hayden, een slaaf, die uit Kentucky ontsnapte door de medewerking van eene jonge dame, geheeten Delia Webster, en een man, genaamd Calvin Fairbanks. Beiden hebben er voor gevangen gezeten. Lewis Hayden heeft zich een geachten naam verworven als vrij burger van Boston, waar vele personen bereid zijn, nopens hem de gunstigste getuigenis af te leggen.Ik behoorde aan den eerwaarden heer Adam Runkin, een Presbyteriaansch predikant te Lexington in Kentucky.Mijne moeder was van gemengd bloed,—blank en Indiaansch. Zij huwde mijn vader, toen hij in eene naburige fabriek werkte. Na eenigen tijd verhuisde mijns vaders eigenaar en nam hem mede, hetwelk het huwelijk verbrak. Zij was eene schoone vrouw. Mijn meester hield een groot melkhuis en daar was zij de melkster. Lexington was in die dagen een klein plaatje en het melkhuis lag in de stad. Achter de school was de vrijmetselaarsloge. Een man, die tot de loge behoorde, zag mijne moeder terwijl zij aan haar werk was. Hij deed haar oneerlijke voorslagen. Toen zij hem niet te woord wilde staan, voegde hij haar toe, dat zij geen hoogen toon moest voeren, want dat hij haar zou hebben indien zij voor geld te krijgen was. Mijne moeder vertelde het aan de oude mevrouw en smeekte dat de meester haar toch niet zou verkoopen. Desniettemin verkocht hij haar. Mijne moeder was hooghartig, hetgeen zij aan haar Indiaansch bloed te danken had. Zij verkoos met dien man niet te leven zoo als hij wenschte, waarop hij haar naar de gevangenis zond, haar liet geeselen en haar op zoo onderscheidene wijzen strafte, dat zij vlagen van krankzinnigheid kreeg. Toen ik inde Negerhutvan Cassy las, kwam al het gebeurde met mijne moeder mij weêr voor den geest en wilde ik het mevrouw Stowe melden. Verscheidene malen beproefde zij, zich om het leven te brengen, eens met een mes en eens door ophanging. Zij had lang, regt hair, dat na deze voorvallen grijs werd, als of zij eene oude vrouw ware. In hare vlagen sprak zij altijd van hare kinderen. De houder van het gevangenhuis bragt haar eigenaar onder het oog, dat zij misschien herstellen zou, zoo hij haar bij hare kinderen liet. Men liet haar dus eens uit en zij kwam op de plaats waar wij waren. Ik was welligt zeven of acht jaren oud, ofschoon ik het juiste er niet van weet. Ik was van huis toen zij verscheen. Toen ik terug kwam vond ik haar in eene der hutten nabij de keuken. Zij sprong op, greep mij bij mijne armen als of zij die breken wilde en riep uit: „Ik zal u zoo toetakelen, dat zij nooit iets aan u zullen hebben!” Ik schreeuwde, want ik dacht dat zij mij wilde vermoorden, waarop personen binnenkwamen, die mij wegbragten. Men bond haar en voerde haar weg. Soms,als zij bij hare zinnen was, verhaalde zij mij het kwaad, dat men haar had aangedaan. Eindelijk verkocht haar eigenaar haar voor eene geringe som aan iemand, met name Lackey. Daar gaf men haar een anderen man en kreeg zij verscheidene kinderen. Na eene poos stierf deze man of werd hij verkocht,—het regte herinner ik mij niet meer. Lackey verkocht haar daarop aan zekeren Bryant. De eigenaar van mijn eigen vader vestigde zich nu in de nabijheid van dien man, en bragt mijne moeder weder bij hem. Mijn vader had op de plaats, waar hij vertoefd had, weder eene andere vrouw en een aantal kinderen gehad. Hij en mijne moeder kwamen dus nu weder bijeen en bragten hunne dagen met elkander ten einde. In de laatste tijden had mijne moeder haar verstand nagenoeg weder geheel teruggekregen.Ik heb in Kentucky nooit eenig blijk gezien, dat de bedienaren of leeraren der Godsdienst het voor iets ergers beschouwden, dat men slaven, dan dat men dieren van elkander scheidde. Er kunnen leeraren zijn die het voor ongeoorloofd houden, maar ik ben nooit met dezulken in aanraking geweest. Mijn meester was een predikant, en toch verkocht hij mijne moeder, gelijk ik verhaald heb. Toen hij uit Kentucky naar Pennsylvania vertrok, verkocht hij al mijne broeders en zusters bij veiling. Ik stond er bij en zag hen verkoopen. Toen ik ook ter tafel gebragt zou worden, verruilde hij mij tegen een paar koetspaarden. Ik zag met zonderlinge gevoelens die paarden aan. Ik had de hoop gekoesterd, dat mijn meester mij zou medenemen naar Pennsylvania, en dat ik daar de vrijheid zou erlangen. Wat zag ik die paarden aan en wandelde er rond, overdenkende, datiktegen die beesten geruild was!De spraak ging, dat mijn meester op den predikstoel gezegd had, dat er even weinig kwaad in stak, een gezin van slaven, als een nest biggen te scheiden. Ik voor mij heb het hem niet hooren zeggen, en kan dus niet verzekeren of het al dan niet waar is.Hoe zonderling het schijne, is het toch waar, dat ik, bij mijne pogingen om tot de vrijheid te geraken, meer medewerking en goeden raad ondervond van dobbelaars enzulk soort van menschen, dan van Christenen. Sommigen hunner bejegenden mij zelfs buitengemeen vriendelijk.Ik heb nog nooit een slavenhandelaar gezien, die niet in den grond zijns harten overtuigd scheen te wezen, dat het een slecht bedrijf was. Ik heb er velen gekend, als b. v. Neal, McAnn, Cobb, Stone, Pulliam en Davis, enz. Zij waren gelijk Haley,—zij hadden het voornemen om zich te bekeeren als zij goed af waren.Over het algemeen voelden de kleurlingen van mijne kennisniet de geringste mate van gerustheid, met opzigt tot hunne familiebetrekkingen. Wel is waar, meenden sommigen, die tot rijke familiën behoorden, eenigzins gerust te kunnen zijn; doch diegenen onzer, die dieper doorzagen en wisten, hoevelen niet zoo rijk waren als zij schenen, als ook, hoe snel het geld door de vingers druipt, waren altijd zeer ellendig. De handelaar sloop altijd rond, de slavenmagazijnen waren in de nabijheid en wij wisten niet wanneer iemand onzer er soms in kon geraken. Dan waren er nog de rijstmoerassen en de suiker- en katoen-plantagiën; ons leven lang werden zij ons door onze meesters en meesteressen als schrikbeelden voorgehouden. Wij wisten daar alles van; en als een vriend werd weggevoerd, wel nu, dat was zoo goed als zijn dood, want wij konden hem niet schrijven, noch van hem hooren, en verwachtten niet hem immer terug te zien.Ik heb een kind gehad, dat in Kentucky begraven ligt, en het doet mij genoegen aan dat graf te denken. Ik heb er nog een gehad, dat verkocht is zonder dat iemand weet waarheen, en waaraan ik niet denken kan zonder het grievendste hartzeer.De volgende geschiedenis is lang en een gedeelte er van is openbaar bekend geworden.In dat verhaal is het geheele verslag vervat van de gedenkwaardige aanhouding van dePearl, welke ten jare 1848 zulk eene sensatie te Washington verwekte. De schrijfster zal er echter eene korte historie aan vooraf doen gaan van eene slavin van welke zes kinderen betrokken waren in die noodlottige onderneming.

Hoofdstuk V.Voorvallen uit een wettigen tak van handel, of waarheid die vreemder klinkt dan verdichting.Het afschuwelijke en heiligschennende gebruik om menschelijke wezens ten verkoop aan te fokken en als vee ter markt te verkoopen, maakt op de ziel niet dien diepen indruk dien het behoorde te maken, omdat het zich in veel te algemeenen vorm voordoet.’t Is er mede als met het berigt van een grooten veldslag, waarvan wij in ronde getallen vernemen, dat tien duizend man gedood en gewond zijn, waarop wij het nieuwsblad, zonder er verder iets bij te denken, ter zijde werpen.Evenzoo, als wij lezen, dat zestig of tachtig duizend menschelijke wezens jaarlijks worden aangekweekt en op de markt verkocht, gaat ons dit door het hoofd zonder een bepaalden indruk na te laten.Sterne zegt, dat, toen hij zich de jammeren der kerkerstraf wilde voorstellen, hij zijne gedachten moest afwenden van de honderdduizenden die in kerkerholen verkwijnen, en zich bepaaldelijk één verlaten gevangene, neêrgezeten in zijne cel, moest voorstellen. Daarom kunnen wij ook geen denkbeeld geven van de verschrikkelijke, wreede en demoraliserende werking van dezen handel, zonder de feiten in bijzonderheden voor te stellen, en elk feit te geven als een staaltje van eene bepaalde klasse.Als een proefje van het gevoel en de soort van zedelijkheid, die dit stelsel van aanfokken en opkweeken zoo bij slaven als eigenaren te weeg brengt, deelt schrijfster dezes de onderstaande uittreksels mede van een brief, onlangs aan haar gerigt door eene vriendin in een der zuidelijke Staten.Lieve Mevrouw.De zwarte godin, die over onze bedden en waschtafels het toezigt houdt, is zulk een wonderlijk staaltje van haar ras, dat ik wenschte, dat gij haar zien kondt. Haar geheele voorkomen, als zij daar zoo schaterend en neigend rondtrippelt, is in den hoogsten graad lachverwekkend en zou een vreemde al ligt op het denkbeeld brengen, dat het haar aan het verstand haperde. Dit is echter in geenen deele het geval. Gedurende de twee maanden, dat wij met haar bekend zijn, hebben wij verscheidene blijken van gezond verstand bij haar waargenomen, die zelfs lof zouden verdienen bij een blanke die tienmaal meer voorregten had dan zij.Zij is zeer spraakzaam en schijnt te gevoelen, dat zij aanspraak heeft op onze belangstelling, alleen reeds omdat wij uit het Noorden komen, en wij zouden ongetwijfeldgeene geringe kennis van de „fraaije instelling” opdoen, zoo wij het raadzaam oordeelden, eenigzins lange gesprekken met haar te houden. Dit zou ons echter een bezoek van de overheden op den hals halen en eene aanmaning om de stad met den eerstvolgenden trein te verlaten. Wij moeten ons dus vergenoegen met, onder den schijn van zeer onverschillig te wezen, nu en dan iets op te vangen, en er een einde aan maken door haar om eene of andere kleinigheid uit te zenden; wij zorgen echter, hare eigenaardige uitdrukkingen ten papiere te brengen zoodra zij zich verwijderd heeft. Ik heb gedacht, dat eene copie daarvan u aangenaam zou wezen, vooral wegens de daarin voorkomende merkwaardige bijzonderheden aangaande de instelling des huwelijks, een noodwendig gevolg van het in zwang zijnde stelsel.„Eene dame uit het Zuiden, welke vermeent dat het gevoel van den neger in deNegerhutwat al te hoog opgevijzeld is, verzekert ons, dat de gehechtheid niet zeer sterk kan zijn bij een man die twee of drie vrouwen en gezinnen op even zoo vele plantagiën heeft (!). En de meesteres van ons hotel berigt ons, dat hare keukenmeid met de volmaaktste onverschilligheid de tijding van haar man ontvangen heeft, dat hij eene andere vrouw bezit en zij een ander man mag nemen; zij had eenvoudig het voornemen te kennen gegeven „om er voor het oogenblik geen te nemen, daar zij in de volgende maand aan haar eigenaar in Georgia moest teruggezonden worden en het vertrek haar dan moeijelijker zou vallen.” En toch zijn beide die dames Godsdienstig en achten zich beleedigd door het minste vermoeden, dat de zedelijkheid hunner slaven niet hooger zou zijn dan die van de vrije negers in het Noorden.Bij de geschiedenis van Violet zal ik ook die voegen van een onzer oppassers, waarin gij zeker wel belang zult stellen.Violet’s vader en moeder stierven beiden, zoo als zij zegt, „vóór ik eenig begrip had,””—elf kinderen nalatende, die overal verstrooid waren. „Al kon ik er schatten meê winnen, Missis, zou ik niet kunnen zeggen waar een van allen is. Massa woont te Charleston. Mijn eerste echtgenoot was een knap man; hij had zeven kinderen;toen werd hij verkocht naar Florida; ik heb nooit meer van hem gehoord. De ouders sterven; o, dat is het verschrikkelijkste; als die dood zijn worden wij overal heen verstrooid. Ik werd in deze streken verkocht; nu heb ik een ander man en vier kinderen. Ik leefde heel genoegelijk met mijn eersten man en wij kregen vele kinderen. Maar hier is het schraal. Massa wil niet toelaten, dat wij iets hebben, geen varken, geen geit, geen hond; ja hij geeft ons zelfs geen weinigje koorn.Wij moeten maar rondkomen zoo als wij kunnen.Het eenige wat wij krijgen, zijn twee eigengeweven kleedjes.„Ik kan niet naar demeetinggaan, omdat Missis te veel werk te doen heeft. ’s Zomers ga ik elken Zondagavond; maar bij deze korte dagen is de dag te snel om. Ik ga meestal naar de Doopsgezinde kerk.”„Gaan de uwen daar gewoonlijk?”„Zij zijn van drie soorten: Methodisten, Doopsgezinden en Episcopalen. Verleden zomer hebben wij Zondags avonds heel dikwijlsmeetingsin onzen „yard” gehad. Massa Johnson preêkte voor ons. Maar toen zeî hij, dat hij niet tweemaal preken kon: wij moesten maar naar de kerk komen.”„Waarom?”„Dat weet de hemel. Ik ga gaarne naar demeeting, vooral als er mooi gepreêkt wordt. Ik hoor het gaarne, als de menschen goed tot mij spreken. Ook ben ik blij als men mij voorleest. Waarom zou dat ook niet, al behoor ik niet tot de Kerk?”„Laat uw meester toe, dat anderen u voorlezen?”„Hij zal het mij niet beletten; ik behoef hem niet te vertellen, dat een ander mij voorleest. Ik moetmijneziel, hij dezijnetrachten te behouden. Onze eigenaars willen niet een paar minuten besteden om ons voor te lezen; dat zou eene te groote eer voor ons zijn; zij behandelen ons zeer hard. Sommige predikanten spreken ons wel eens vriendelijk toe en bidden met ons, envoor zichzelven heel wat er bij.”„Ik heb zoo even een groot geschil gehad met Dinah in de keuken en haar gezegd: „Dinah, de weg dien gij opgaat, bederft den goeden naam van de vrouwen.” Zijantwoordde, dat zij er zich niet om bekreunde en dat zij zou doen wat haar goeddacht. Dinah is van haar eersten man weggeloopen en heeft een kind gehad bij Sambo (die aan Massa D. behoort), zoodat zij en haar eerste man van elkander afgeraakt zijn. De mannen, Missis, zien zulke dingen nooit met een goed oog aan.„Gij weet, Missis, als wij van iets houden, willen wij niet dat een ander het hebben zal. Zoo iets, Missis, al laat men ’t niet merken, foltert iemand dood. Als mijn man mij op die wijze wilde ontloopen, Missis, ’k zou er bij zijn.Ikzou ook zoo niet handelen met mijn man. Al kan ik het hier verbergen, voor God zal het geopenbaard worden en de heele wereld zal het vernemen.„Dinah’s tweede man zeî, dat het hem niets aanging, hoe zij met haar eersten man gehandeld had. Zoo denktmijnman er niet over. Hij zegt, dat hij niet doen zou wat Daniel doet; hij zou geen speelgoed koopen voor de andere kinderen; wiens ze waren, mogt dat doen. Nu, hoe het zij, Dinah’s eerste man komt, zoo dikwijls hij kan, over, om zijne kinderen te zien, en Sambo komt ook omzijnkind te zien, en geeft daarvoor aan Dinah snuisterijen.„Massa had geene slaven dan een geel meisje, toen hij mij en mijne vier kinderen kocht. Nu wilde Massa kinderen van mij hebben; dus zeî hij: „Violet, gij moet een of anderen neger hier te G. nemen.”Daarop antwoordde ik: „Neen, Massa, ik kan er hier geen nemen.”—„Gijmoet, Violet,” hernam hij. Gij ziet, hij verlangde dat ik ook slaven zou opkweeken, en daarom zei hij, dat hier een overvloed van jonge kerels was, maar ik hervatte, dat ik geen van allen kon nemen. Nu dan, Missis, toen ging hij naar Virginia en bragt twee negers mede, reeds vrij oude lieden, en Missis zeî: „Een daarvan is voor u, Violet;” maar ik zeî: „Neen, Missis, ik kan geen van beiden nemen, omdat ik niet van hen houd, en ik kan niemand nemen, dien ik niet bemin.” Toen riep Massa: „Gijmoet een van dezen nemen,—of, zoo gij hem niet lief kunt hebben, danmoet gij iemand anders vinden dien gij bemint.” Ik zeî: „O neen, Massa, dat kan ik niet doen,—ik kan niet elken dag een anderennemen.” Na eenigen tijd kocht Massa er nog drie bij en toen zei Missis: „Nu, Violet, een daarvan is voor u.” Ik herhaalde: „Ik kan niet; misschien bemin ik van hen ook geen;” maar zij antwoordde: „Gijmoeteen van dezen nemen.” Zoo dan leefden Sam en ik twee jaren; hij ging mijne gangen na en ik de zijne.„Eindelijk, op een avond, stonden wij zamen bij den houtstapel, en de maan scheen zeer helder, en hoe het kwam weet ik niet, Missis, maar hij zeî mij, dat hij eene vrouw wenschte te hebben, doch niet wist waar eene te krijgen. Ik antwoordde, dat er knappe meisjes genoeg in G. waren. „Ja,” zeî hij, „maar ik vind er misschien niet ééne, die mij zoo wel bevalt als gij.” Ik zei hem toen dat ik hem misschien zou tegenvallen, want dat ik reeds oud begon te worden, en dat ik vier kinderen van mijn eersten man had; en dat iemand, die mij trouwde, zoo goed voor de kinderen moest wezen als voor mij; dat ik hem anders niet kon lief hebben. Toen zei hij: „al ware het ook dat eene vrouw kinderen had (let op, dat hijmijniet noemde) zoo zou hij toch zoo vriendelijk zijn voor de kinderen als voor de moeder, en dat zou er veel van afhangen hoe zij hem behandelde.” Zoo kwamen wij van het eene ding op het andere, tot wij eindelijk verklaarden dat wij elkander namen, en zoo hebben wij sedert geleefd, en ik heb vier kinderen bij hem, en hij ontloopt mij nooit noch ik hem.”„Hoe trouwt gij in uw „yard”?”„Wel, wij vragen de blanken verlof en dannemenwij elkander. Sommigen worden met het boek getrouwd, maar waar dient het toe? Daar hebt ge mijn eersten man: wij zijn met het boek getrouwd, en toch werdhijnaar Florida verkocht enikben hier. Men doet met ons wat men wil, en zoo bevalt het hun niet dat wij voor vast getrouwd zijn. Het kan hun niet schelen wat wij doen, als wij maar geld voor hen verdienen.„Mijn eerste man was jong en zeer vriendelijk voor mij, o Missis,inderdaad zeer vriendelijk. Hij werkte nacht en dag om mij gemakken te bezorgen. o Het ging ons zeer goed zoo lang ik hem had; maar hij werd naar Florida verkocht, en sedert, Missis, ben ik dezelfde niet meer.Deze blanken hier vergunnen ons niets, in het geheel niets; zij geven ons eten en twee kleedjes in een jaar, een breede streep en een smalle streep; ik zal ze u eens laten zien, Missis.”En wij hebben ze gezien; want Violet bragt mij de „breede streep” met verzoek dat ik het voor haar maken zou. Er was juist genoeg om haar te bedekken, maar geene haken of oogen, geen garen, geene voering, dat moest zij zelve maar zien te krijgen; en toch ontvangt haar meester van onzen kastelein acht dollars ’s maands voor hare diensten. Wij vroegen hoe zij dan hare kleedjes gemaakt kreeg.„o Missis, mijn man werkt nu buiten de hoeve, zoodat hij vier pond spek en eene hoeveelheid meel iedere week krijgt; hij zuinigt het zoo uit, dat hij mij de vier pond spek geeft om de onkosten voor mijn kleedje uit te vinden. (Eene vraag: Zijn er ook echtgenooten in de beschaafde kringen die meer zouden doen dan deze man?)Toen Violet ons eens alle drie druk aan het schrijven vond, stond zij eenige oogenblikken in stilte de geheimzinnige bewegingen onzer pennen aan te staren, en zeide toen op den toon der diepste droefheid:„o Wat is dat toch een groote troost, Missis. Gij kunt aan uwe vrienden alles schrijven en ook aan u laten schrijven. Ons volk kan dit niet. Of zij levend of dood zijn, kunnen wij nimmer vernemen;soms, ja, hooren wij dat zij dood zijn.”Kon er krachtiger aanmerking gemaakt worden op de wreede wetten, die den slaaf verbieden te leeren schrijven?De geschiedenis van den oppasser luidt aldus:George’s vader en moeder behoorden aan iemand in Florida. Gedurende den oorlog gingen twee oudere zusters aan boord van een Engelsch schip en kwamen te Halifax. Zijne moeder zou gaarne met haar geheele gezin medegegaan zijn, doch haar man haalde haar over, om te wachten tot het volgende schip zou zeilen, als wanneer hij ook meende te zullen kunnen gaan. Door dit uitstel ging de gelegenheid van ontvlugting verloren en het geheele gezinwerd kort daarna voor schuld verkocht. George, eene zuster en zijne moeder werden door éénzelfden persoon gekocht. Hij zegt: „Mijn oude meester was buiten zichzelven toen moeder stierf en zeî dat hij liever duizend dollars had willen verliezen. Zij was half eene Indiaansche met hair zoo regt als het uwe, en zij was blank als die peluw.”George huwde eene vrouw van eene andere plantage. Hij gaf daarvoor de volgende reden op: „Als een man zijne vrouw ziet mishandelen, trekt hij het zich onwillekeurig aan. Als hijhoortdat zijne vrouw mishandeld is, is het nog niet hetzelfde als wanneer hij hetziet. Zoo kon ik beter voor haar zorgen, dan wanneer zij op mijne plantage was. Deze vrouw nu werd hooger op verkocht, doch werd na eenige jaren lam en ziek en kon niet veel doen; daarom gaf Massa haar verlof en betaalde hare vracht tot G.” (Gij weet, voor de zieken en gebrekkigen wordt altijd gezorgd.) „Ik had haar in drie jaren niet gezien,” zeide George, „maar zoodra ik het hoorde, haalde ik haar terstond af, huurde een huisje en nam iemand omop haarte passen, en ging haar zoo dikwijls zien als ik kon.” Hij is een ambachtsman en werkte dikwijls nachten door ten einde dit alles te bekostigen. Zijn meester vraagt twintig dollars per maand voor zijne diensten en legt hem wekelijks vijftig cents toe voor kleederen en andere benoodigdheden. George zegt dat als hij, door ’s nachts ook te werken, maar geld genoeg bijeen kon zamelen om zich vrij te maken, hij wel iemand zou weten te vinden dien hij vertrouwen kon om hem te koopen. „Dan zou ik zoo hard als ooit werken om mijne kinderen los te koopen en van hier weg te komen.”„Waarheen?”„O, naar Philadelphia, New-York of ergens anders in het Noorden.”„Wel, daar zoudt gij doodvriezen!”„O neen, Missis, ik kan de koude wel verdragen.Maar ik heb behoefte om mij-zelven toe te behoorenen te doen wat ik noodig reken.”De volgende mededeeling is aan de schrijfster gedaan door den heer Austin Bearse, koopvaardij-kapitein te Boston engeboortig van Barnstable aan Cape Cod. Hij is wel bekend bij de burgers en kooplieden van Boston.Ik ben afkomstig uit den StaatMassachusetts.Tusschen 1818 en 1830 voer ik als stuurman aan boord van verschillende schepen, die de kustvaart aan de stranden van Zuid-Carolina dreven.Het is bekend, dat vele schepen van Nieuw-Engeland de gewoonte hebben om den winter aan de zuidelijke kust met deze bezigheid door te brengen. Onze schepen plagten de rivier op te varen om de ruwe rijst en katoen van de plantages te halen, die wij dan naar Charleston bragten.Wij voerden dikwijls troepen negers naar de plantagiën, wier eigenaren hen ontboden hadden. Deze slaven waren door de slavenhandelaren doorgaans bijeen gezocht uit de slavenmagazijnen te Charleston, alwaar zij door verschillende oorzaken heengebragt waren, zooals door den dood hunner eigenaren of door boedelscheiding die hen deed verkoopen. Sommigen waren er heen gezonden tot straffe voor ongehoorzaamheid, of doordien het aantal slaven te groot was, of omdat personen die naar het Noorden of Westen verhuisden liever hunne slaven verkochten dan zich met de moeite te belasten van ze mede te nemen. Van tijd tot tijd hadden wij die slaven in aanzienlijke getallen aan boord, soms slechts twee of drie, maar soms ook wel zeventig of tachtig. Zij waren van hunne gezinnen en betrekkingen gescheiden met even weinig omslag, als men in acht neemt bij het uitzoeken van eene partij varkens of schapen.Onze schepen lagen gewoonlijk op eene plek genaamd Arme Mans Kreek, niet ver van de stad. Wij plagten de betrekkingen en vrienden van de slaven verlof te geven, om aan boord te komen en den geheelen nacht bij hunne vrienden te blijven, eer het schip onder zeil ging. Des morgens was het mijne taak de luiken open te doen en hen te waarschuwen, dat de tijd van scheiden was gekomen, en op zulk een oogenblik waren de gillen en hartverscheurende kreten genoegzaam om iemand de bezinning schier te doen verliezen.In het jaar 1828, toen ik stuurman was op de brikMiltonvan Boston, bestemd naar New-Orleans, vond hetvolgende plaats, dat mij nimmer uit het geheugen zal gaan: De slavenhandelaars bragten aan boord vier quarterons, met handboeijen voorzien, en die naar New-Orleans vervoerd moesten worden. Eene oude negerin, gewis meer dan tachtig jaren oud, liep hen handenwringend na, uitroepende: „Mijn zoon, o mijn zoon, mijn zoon!” Zij scheen bijna uitzinnig en toen wij reeds eene mijl buiten de haven waren konden wij haar gillen nog hooren.Toen wij in zee waren ging ik naar de vier mannen en ontdeed hen van hunne handboeijen. Zij waren vastberadene kerels en zeiden mij, dat ik zien zou, dat zij nimmer levend te New-Orleans slaven zouden zijn. Een hunner was timmerman, een ander smid. Wij bragten hen te New-Orleans aan en leverden hen uit aan den agent. Later verhaalde deze aan den kapitein, dat zij allen binnen acht en veertig uren na hunne aankomst te New-Orleans dood waren. Zij hadden zich allen omgebragt, zoo als zij gedreigd hadden. Een hunner weet ik, werd voor stoker op de stoombootPost Boygekocht; doch hij sprong over boord en verdronk. Van de anderen werd een verkocht aan een smid en een aan een timmerman. De bijzonderheden van hun dood zijn mij niet ter oore gekomen.Achter Charleston, te Coosahatchie, lag eene plantage, welke aan eene weduwe behoorde, die tachtig negers hield. Zij ontbood van Charleston een jonge quarteronne voor haar zoon; het meisje was nagenoeg geheel blank. Wij voerden haar derwaarts. Daar zij veel delicater was dan de andere slaven, werd zij niet bij hen, maar in de kajuit geplaatst.Ik ben op de rijstplantagiën aan de rivier geweest en heb daar den rijstbouw gezien. In het najaar werken al de plantage-arbeiders, zoo mannen als vrouwen, in de rijstgreppels met het water tot boven de knieën en trekken het gras uit, om den grond voor het zaaijen van de rijst geschikt te maken. De slaven, die hier uit de stad gebragt worden, vinden dit een bijna ondoenlijken arbeid, daar zij meestal tot huiswerk zijn opgeleid. Het verblijf op de plantagiën is zoo doodelijk, dat de blanken daar in zomertijd niet vertoeven kunnen dan met gevaar van hun leven. De eigenaars en hunne familiën bevinden zich daar alleen’s winters en de slaven zijn zomers geheel aan de opzigters overgelaten. Ik heb gezien, dat die opzieners meestal een brutaal slag van menschen zijn, die zich aan dronkenschap en dobbelspel overgeven.In den loop mijner togten heb ik de slavernij in bijna alle landen der wereld gezien. Ik ben in Algiers geweest en heb daar de slavernij aanschouwd. Ik heb de slavernij te Smirna gezien, bij de Turken. Het was te Smirna, toen onze Amerikaansche consul een schoon Grieksch meisje vrijkocht. Ik zag haar aan boord van de brikSuffolkkomen, toen zij naar Amerika overgevoerd werd om hare opvoeding te erlangen. Ik heb de slavernij gezien in de Spaansche en Turksche havens, ofschoon ik daar niet op de plantagiën geweest ben.Mijn gevoelen is, dat de Amerikaansche slavernij, gelijk ik die gezien heb bij den binnenlandschen slavenhandel, op de rijst- en suiker-plantagiën en in de stad New-Orleans,ten volle een slechtis als in eenig land ter wereld, heidensch of Christelijk. Menschen, die voor bezoeken of vermaak de zuidelijke Staten doorreizen, kunnen onmogelijk die dingen te weten komen, die door varensgezellen gezien worden, welke de rivieren opzeilen naar de ver achter af gelegene plantagiën en die de slaven en de producten der plantagiën vervoeren.In mijne jonge dagen werd over de slavernij niet veel gesproken. Ik zag haar even als anderen, zonder mij er aan gelegen te laten liggen. Doch daar ik het niet meer voor goed houd, die dingen in stilte aan te zien, vaar ik tegenwoordig niet meer op de zuidelijke Staten.Het volgende verslag is aan de schrijfster gegeven door Lewis Hayden, een slaaf, die uit Kentucky ontsnapte door de medewerking van eene jonge dame, geheeten Delia Webster, en een man, genaamd Calvin Fairbanks. Beiden hebben er voor gevangen gezeten. Lewis Hayden heeft zich een geachten naam verworven als vrij burger van Boston, waar vele personen bereid zijn, nopens hem de gunstigste getuigenis af te leggen.Ik behoorde aan den eerwaarden heer Adam Runkin, een Presbyteriaansch predikant te Lexington in Kentucky.Mijne moeder was van gemengd bloed,—blank en Indiaansch. Zij huwde mijn vader, toen hij in eene naburige fabriek werkte. Na eenigen tijd verhuisde mijns vaders eigenaar en nam hem mede, hetwelk het huwelijk verbrak. Zij was eene schoone vrouw. Mijn meester hield een groot melkhuis en daar was zij de melkster. Lexington was in die dagen een klein plaatje en het melkhuis lag in de stad. Achter de school was de vrijmetselaarsloge. Een man, die tot de loge behoorde, zag mijne moeder terwijl zij aan haar werk was. Hij deed haar oneerlijke voorslagen. Toen zij hem niet te woord wilde staan, voegde hij haar toe, dat zij geen hoogen toon moest voeren, want dat hij haar zou hebben indien zij voor geld te krijgen was. Mijne moeder vertelde het aan de oude mevrouw en smeekte dat de meester haar toch niet zou verkoopen. Desniettemin verkocht hij haar. Mijne moeder was hooghartig, hetgeen zij aan haar Indiaansch bloed te danken had. Zij verkoos met dien man niet te leven zoo als hij wenschte, waarop hij haar naar de gevangenis zond, haar liet geeselen en haar op zoo onderscheidene wijzen strafte, dat zij vlagen van krankzinnigheid kreeg. Toen ik inde Negerhutvan Cassy las, kwam al het gebeurde met mijne moeder mij weêr voor den geest en wilde ik het mevrouw Stowe melden. Verscheidene malen beproefde zij, zich om het leven te brengen, eens met een mes en eens door ophanging. Zij had lang, regt hair, dat na deze voorvallen grijs werd, als of zij eene oude vrouw ware. In hare vlagen sprak zij altijd van hare kinderen. De houder van het gevangenhuis bragt haar eigenaar onder het oog, dat zij misschien herstellen zou, zoo hij haar bij hare kinderen liet. Men liet haar dus eens uit en zij kwam op de plaats waar wij waren. Ik was welligt zeven of acht jaren oud, ofschoon ik het juiste er niet van weet. Ik was van huis toen zij verscheen. Toen ik terug kwam vond ik haar in eene der hutten nabij de keuken. Zij sprong op, greep mij bij mijne armen als of zij die breken wilde en riep uit: „Ik zal u zoo toetakelen, dat zij nooit iets aan u zullen hebben!” Ik schreeuwde, want ik dacht dat zij mij wilde vermoorden, waarop personen binnenkwamen, die mij wegbragten. Men bond haar en voerde haar weg. Soms,als zij bij hare zinnen was, verhaalde zij mij het kwaad, dat men haar had aangedaan. Eindelijk verkocht haar eigenaar haar voor eene geringe som aan iemand, met name Lackey. Daar gaf men haar een anderen man en kreeg zij verscheidene kinderen. Na eene poos stierf deze man of werd hij verkocht,—het regte herinner ik mij niet meer. Lackey verkocht haar daarop aan zekeren Bryant. De eigenaar van mijn eigen vader vestigde zich nu in de nabijheid van dien man, en bragt mijne moeder weder bij hem. Mijn vader had op de plaats, waar hij vertoefd had, weder eene andere vrouw en een aantal kinderen gehad. Hij en mijne moeder kwamen dus nu weder bijeen en bragten hunne dagen met elkander ten einde. In de laatste tijden had mijne moeder haar verstand nagenoeg weder geheel teruggekregen.Ik heb in Kentucky nooit eenig blijk gezien, dat de bedienaren of leeraren der Godsdienst het voor iets ergers beschouwden, dat men slaven, dan dat men dieren van elkander scheidde. Er kunnen leeraren zijn die het voor ongeoorloofd houden, maar ik ben nooit met dezulken in aanraking geweest. Mijn meester was een predikant, en toch verkocht hij mijne moeder, gelijk ik verhaald heb. Toen hij uit Kentucky naar Pennsylvania vertrok, verkocht hij al mijne broeders en zusters bij veiling. Ik stond er bij en zag hen verkoopen. Toen ik ook ter tafel gebragt zou worden, verruilde hij mij tegen een paar koetspaarden. Ik zag met zonderlinge gevoelens die paarden aan. Ik had de hoop gekoesterd, dat mijn meester mij zou medenemen naar Pennsylvania, en dat ik daar de vrijheid zou erlangen. Wat zag ik die paarden aan en wandelde er rond, overdenkende, datiktegen die beesten geruild was!De spraak ging, dat mijn meester op den predikstoel gezegd had, dat er even weinig kwaad in stak, een gezin van slaven, als een nest biggen te scheiden. Ik voor mij heb het hem niet hooren zeggen, en kan dus niet verzekeren of het al dan niet waar is.Hoe zonderling het schijne, is het toch waar, dat ik, bij mijne pogingen om tot de vrijheid te geraken, meer medewerking en goeden raad ondervond van dobbelaars enzulk soort van menschen, dan van Christenen. Sommigen hunner bejegenden mij zelfs buitengemeen vriendelijk.Ik heb nog nooit een slavenhandelaar gezien, die niet in den grond zijns harten overtuigd scheen te wezen, dat het een slecht bedrijf was. Ik heb er velen gekend, als b. v. Neal, McAnn, Cobb, Stone, Pulliam en Davis, enz. Zij waren gelijk Haley,—zij hadden het voornemen om zich te bekeeren als zij goed af waren.Over het algemeen voelden de kleurlingen van mijne kennisniet de geringste mate van gerustheid, met opzigt tot hunne familiebetrekkingen. Wel is waar, meenden sommigen, die tot rijke familiën behoorden, eenigzins gerust te kunnen zijn; doch diegenen onzer, die dieper doorzagen en wisten, hoevelen niet zoo rijk waren als zij schenen, als ook, hoe snel het geld door de vingers druipt, waren altijd zeer ellendig. De handelaar sloop altijd rond, de slavenmagazijnen waren in de nabijheid en wij wisten niet wanneer iemand onzer er soms in kon geraken. Dan waren er nog de rijstmoerassen en de suiker- en katoen-plantagiën; ons leven lang werden zij ons door onze meesters en meesteressen als schrikbeelden voorgehouden. Wij wisten daar alles van; en als een vriend werd weggevoerd, wel nu, dat was zoo goed als zijn dood, want wij konden hem niet schrijven, noch van hem hooren, en verwachtten niet hem immer terug te zien.Ik heb een kind gehad, dat in Kentucky begraven ligt, en het doet mij genoegen aan dat graf te denken. Ik heb er nog een gehad, dat verkocht is zonder dat iemand weet waarheen, en waaraan ik niet denken kan zonder het grievendste hartzeer.De volgende geschiedenis is lang en een gedeelte er van is openbaar bekend geworden.In dat verhaal is het geheele verslag vervat van de gedenkwaardige aanhouding van dePearl, welke ten jare 1848 zulk eene sensatie te Washington verwekte. De schrijfster zal er echter eene korte historie aan vooraf doen gaan van eene slavin van welke zes kinderen betrokken waren in die noodlottige onderneming.

Hoofdstuk V.Voorvallen uit een wettigen tak van handel, of waarheid die vreemder klinkt dan verdichting.Het afschuwelijke en heiligschennende gebruik om menschelijke wezens ten verkoop aan te fokken en als vee ter markt te verkoopen, maakt op de ziel niet dien diepen indruk dien het behoorde te maken, omdat het zich in veel te algemeenen vorm voordoet.’t Is er mede als met het berigt van een grooten veldslag, waarvan wij in ronde getallen vernemen, dat tien duizend man gedood en gewond zijn, waarop wij het nieuwsblad, zonder er verder iets bij te denken, ter zijde werpen.Evenzoo, als wij lezen, dat zestig of tachtig duizend menschelijke wezens jaarlijks worden aangekweekt en op de markt verkocht, gaat ons dit door het hoofd zonder een bepaalden indruk na te laten.Sterne zegt, dat, toen hij zich de jammeren der kerkerstraf wilde voorstellen, hij zijne gedachten moest afwenden van de honderdduizenden die in kerkerholen verkwijnen, en zich bepaaldelijk één verlaten gevangene, neêrgezeten in zijne cel, moest voorstellen. Daarom kunnen wij ook geen denkbeeld geven van de verschrikkelijke, wreede en demoraliserende werking van dezen handel, zonder de feiten in bijzonderheden voor te stellen, en elk feit te geven als een staaltje van eene bepaalde klasse.Als een proefje van het gevoel en de soort van zedelijkheid, die dit stelsel van aanfokken en opkweeken zoo bij slaven als eigenaren te weeg brengt, deelt schrijfster dezes de onderstaande uittreksels mede van een brief, onlangs aan haar gerigt door eene vriendin in een der zuidelijke Staten.Lieve Mevrouw.De zwarte godin, die over onze bedden en waschtafels het toezigt houdt, is zulk een wonderlijk staaltje van haar ras, dat ik wenschte, dat gij haar zien kondt. Haar geheele voorkomen, als zij daar zoo schaterend en neigend rondtrippelt, is in den hoogsten graad lachverwekkend en zou een vreemde al ligt op het denkbeeld brengen, dat het haar aan het verstand haperde. Dit is echter in geenen deele het geval. Gedurende de twee maanden, dat wij met haar bekend zijn, hebben wij verscheidene blijken van gezond verstand bij haar waargenomen, die zelfs lof zouden verdienen bij een blanke die tienmaal meer voorregten had dan zij.Zij is zeer spraakzaam en schijnt te gevoelen, dat zij aanspraak heeft op onze belangstelling, alleen reeds omdat wij uit het Noorden komen, en wij zouden ongetwijfeldgeene geringe kennis van de „fraaije instelling” opdoen, zoo wij het raadzaam oordeelden, eenigzins lange gesprekken met haar te houden. Dit zou ons echter een bezoek van de overheden op den hals halen en eene aanmaning om de stad met den eerstvolgenden trein te verlaten. Wij moeten ons dus vergenoegen met, onder den schijn van zeer onverschillig te wezen, nu en dan iets op te vangen, en er een einde aan maken door haar om eene of andere kleinigheid uit te zenden; wij zorgen echter, hare eigenaardige uitdrukkingen ten papiere te brengen zoodra zij zich verwijderd heeft. Ik heb gedacht, dat eene copie daarvan u aangenaam zou wezen, vooral wegens de daarin voorkomende merkwaardige bijzonderheden aangaande de instelling des huwelijks, een noodwendig gevolg van het in zwang zijnde stelsel.„Eene dame uit het Zuiden, welke vermeent dat het gevoel van den neger in deNegerhutwat al te hoog opgevijzeld is, verzekert ons, dat de gehechtheid niet zeer sterk kan zijn bij een man die twee of drie vrouwen en gezinnen op even zoo vele plantagiën heeft (!). En de meesteres van ons hotel berigt ons, dat hare keukenmeid met de volmaaktste onverschilligheid de tijding van haar man ontvangen heeft, dat hij eene andere vrouw bezit en zij een ander man mag nemen; zij had eenvoudig het voornemen te kennen gegeven „om er voor het oogenblik geen te nemen, daar zij in de volgende maand aan haar eigenaar in Georgia moest teruggezonden worden en het vertrek haar dan moeijelijker zou vallen.” En toch zijn beide die dames Godsdienstig en achten zich beleedigd door het minste vermoeden, dat de zedelijkheid hunner slaven niet hooger zou zijn dan die van de vrije negers in het Noorden.Bij de geschiedenis van Violet zal ik ook die voegen van een onzer oppassers, waarin gij zeker wel belang zult stellen.Violet’s vader en moeder stierven beiden, zoo als zij zegt, „vóór ik eenig begrip had,””—elf kinderen nalatende, die overal verstrooid waren. „Al kon ik er schatten meê winnen, Missis, zou ik niet kunnen zeggen waar een van allen is. Massa woont te Charleston. Mijn eerste echtgenoot was een knap man; hij had zeven kinderen;toen werd hij verkocht naar Florida; ik heb nooit meer van hem gehoord. De ouders sterven; o, dat is het verschrikkelijkste; als die dood zijn worden wij overal heen verstrooid. Ik werd in deze streken verkocht; nu heb ik een ander man en vier kinderen. Ik leefde heel genoegelijk met mijn eersten man en wij kregen vele kinderen. Maar hier is het schraal. Massa wil niet toelaten, dat wij iets hebben, geen varken, geen geit, geen hond; ja hij geeft ons zelfs geen weinigje koorn.Wij moeten maar rondkomen zoo als wij kunnen.Het eenige wat wij krijgen, zijn twee eigengeweven kleedjes.„Ik kan niet naar demeetinggaan, omdat Missis te veel werk te doen heeft. ’s Zomers ga ik elken Zondagavond; maar bij deze korte dagen is de dag te snel om. Ik ga meestal naar de Doopsgezinde kerk.”„Gaan de uwen daar gewoonlijk?”„Zij zijn van drie soorten: Methodisten, Doopsgezinden en Episcopalen. Verleden zomer hebben wij Zondags avonds heel dikwijlsmeetingsin onzen „yard” gehad. Massa Johnson preêkte voor ons. Maar toen zeî hij, dat hij niet tweemaal preken kon: wij moesten maar naar de kerk komen.”„Waarom?”„Dat weet de hemel. Ik ga gaarne naar demeeting, vooral als er mooi gepreêkt wordt. Ik hoor het gaarne, als de menschen goed tot mij spreken. Ook ben ik blij als men mij voorleest. Waarom zou dat ook niet, al behoor ik niet tot de Kerk?”„Laat uw meester toe, dat anderen u voorlezen?”„Hij zal het mij niet beletten; ik behoef hem niet te vertellen, dat een ander mij voorleest. Ik moetmijneziel, hij dezijnetrachten te behouden. Onze eigenaars willen niet een paar minuten besteden om ons voor te lezen; dat zou eene te groote eer voor ons zijn; zij behandelen ons zeer hard. Sommige predikanten spreken ons wel eens vriendelijk toe en bidden met ons, envoor zichzelven heel wat er bij.”„Ik heb zoo even een groot geschil gehad met Dinah in de keuken en haar gezegd: „Dinah, de weg dien gij opgaat, bederft den goeden naam van de vrouwen.” Zijantwoordde, dat zij er zich niet om bekreunde en dat zij zou doen wat haar goeddacht. Dinah is van haar eersten man weggeloopen en heeft een kind gehad bij Sambo (die aan Massa D. behoort), zoodat zij en haar eerste man van elkander afgeraakt zijn. De mannen, Missis, zien zulke dingen nooit met een goed oog aan.„Gij weet, Missis, als wij van iets houden, willen wij niet dat een ander het hebben zal. Zoo iets, Missis, al laat men ’t niet merken, foltert iemand dood. Als mijn man mij op die wijze wilde ontloopen, Missis, ’k zou er bij zijn.Ikzou ook zoo niet handelen met mijn man. Al kan ik het hier verbergen, voor God zal het geopenbaard worden en de heele wereld zal het vernemen.„Dinah’s tweede man zeî, dat het hem niets aanging, hoe zij met haar eersten man gehandeld had. Zoo denktmijnman er niet over. Hij zegt, dat hij niet doen zou wat Daniel doet; hij zou geen speelgoed koopen voor de andere kinderen; wiens ze waren, mogt dat doen. Nu, hoe het zij, Dinah’s eerste man komt, zoo dikwijls hij kan, over, om zijne kinderen te zien, en Sambo komt ook omzijnkind te zien, en geeft daarvoor aan Dinah snuisterijen.„Massa had geene slaven dan een geel meisje, toen hij mij en mijne vier kinderen kocht. Nu wilde Massa kinderen van mij hebben; dus zeî hij: „Violet, gij moet een of anderen neger hier te G. nemen.”Daarop antwoordde ik: „Neen, Massa, ik kan er hier geen nemen.”—„Gijmoet, Violet,” hernam hij. Gij ziet, hij verlangde dat ik ook slaven zou opkweeken, en daarom zei hij, dat hier een overvloed van jonge kerels was, maar ik hervatte, dat ik geen van allen kon nemen. Nu dan, Missis, toen ging hij naar Virginia en bragt twee negers mede, reeds vrij oude lieden, en Missis zeî: „Een daarvan is voor u, Violet;” maar ik zeî: „Neen, Missis, ik kan geen van beiden nemen, omdat ik niet van hen houd, en ik kan niemand nemen, dien ik niet bemin.” Toen riep Massa: „Gijmoet een van dezen nemen,—of, zoo gij hem niet lief kunt hebben, danmoet gij iemand anders vinden dien gij bemint.” Ik zeî: „O neen, Massa, dat kan ik niet doen,—ik kan niet elken dag een anderennemen.” Na eenigen tijd kocht Massa er nog drie bij en toen zei Missis: „Nu, Violet, een daarvan is voor u.” Ik herhaalde: „Ik kan niet; misschien bemin ik van hen ook geen;” maar zij antwoordde: „Gijmoeteen van dezen nemen.” Zoo dan leefden Sam en ik twee jaren; hij ging mijne gangen na en ik de zijne.„Eindelijk, op een avond, stonden wij zamen bij den houtstapel, en de maan scheen zeer helder, en hoe het kwam weet ik niet, Missis, maar hij zeî mij, dat hij eene vrouw wenschte te hebben, doch niet wist waar eene te krijgen. Ik antwoordde, dat er knappe meisjes genoeg in G. waren. „Ja,” zeî hij, „maar ik vind er misschien niet ééne, die mij zoo wel bevalt als gij.” Ik zei hem toen dat ik hem misschien zou tegenvallen, want dat ik reeds oud begon te worden, en dat ik vier kinderen van mijn eersten man had; en dat iemand, die mij trouwde, zoo goed voor de kinderen moest wezen als voor mij; dat ik hem anders niet kon lief hebben. Toen zei hij: „al ware het ook dat eene vrouw kinderen had (let op, dat hijmijniet noemde) zoo zou hij toch zoo vriendelijk zijn voor de kinderen als voor de moeder, en dat zou er veel van afhangen hoe zij hem behandelde.” Zoo kwamen wij van het eene ding op het andere, tot wij eindelijk verklaarden dat wij elkander namen, en zoo hebben wij sedert geleefd, en ik heb vier kinderen bij hem, en hij ontloopt mij nooit noch ik hem.”„Hoe trouwt gij in uw „yard”?”„Wel, wij vragen de blanken verlof en dannemenwij elkander. Sommigen worden met het boek getrouwd, maar waar dient het toe? Daar hebt ge mijn eersten man: wij zijn met het boek getrouwd, en toch werdhijnaar Florida verkocht enikben hier. Men doet met ons wat men wil, en zoo bevalt het hun niet dat wij voor vast getrouwd zijn. Het kan hun niet schelen wat wij doen, als wij maar geld voor hen verdienen.„Mijn eerste man was jong en zeer vriendelijk voor mij, o Missis,inderdaad zeer vriendelijk. Hij werkte nacht en dag om mij gemakken te bezorgen. o Het ging ons zeer goed zoo lang ik hem had; maar hij werd naar Florida verkocht, en sedert, Missis, ben ik dezelfde niet meer.Deze blanken hier vergunnen ons niets, in het geheel niets; zij geven ons eten en twee kleedjes in een jaar, een breede streep en een smalle streep; ik zal ze u eens laten zien, Missis.”En wij hebben ze gezien; want Violet bragt mij de „breede streep” met verzoek dat ik het voor haar maken zou. Er was juist genoeg om haar te bedekken, maar geene haken of oogen, geen garen, geene voering, dat moest zij zelve maar zien te krijgen; en toch ontvangt haar meester van onzen kastelein acht dollars ’s maands voor hare diensten. Wij vroegen hoe zij dan hare kleedjes gemaakt kreeg.„o Missis, mijn man werkt nu buiten de hoeve, zoodat hij vier pond spek en eene hoeveelheid meel iedere week krijgt; hij zuinigt het zoo uit, dat hij mij de vier pond spek geeft om de onkosten voor mijn kleedje uit te vinden. (Eene vraag: Zijn er ook echtgenooten in de beschaafde kringen die meer zouden doen dan deze man?)Toen Violet ons eens alle drie druk aan het schrijven vond, stond zij eenige oogenblikken in stilte de geheimzinnige bewegingen onzer pennen aan te staren, en zeide toen op den toon der diepste droefheid:„o Wat is dat toch een groote troost, Missis. Gij kunt aan uwe vrienden alles schrijven en ook aan u laten schrijven. Ons volk kan dit niet. Of zij levend of dood zijn, kunnen wij nimmer vernemen;soms, ja, hooren wij dat zij dood zijn.”Kon er krachtiger aanmerking gemaakt worden op de wreede wetten, die den slaaf verbieden te leeren schrijven?De geschiedenis van den oppasser luidt aldus:George’s vader en moeder behoorden aan iemand in Florida. Gedurende den oorlog gingen twee oudere zusters aan boord van een Engelsch schip en kwamen te Halifax. Zijne moeder zou gaarne met haar geheele gezin medegegaan zijn, doch haar man haalde haar over, om te wachten tot het volgende schip zou zeilen, als wanneer hij ook meende te zullen kunnen gaan. Door dit uitstel ging de gelegenheid van ontvlugting verloren en het geheele gezinwerd kort daarna voor schuld verkocht. George, eene zuster en zijne moeder werden door éénzelfden persoon gekocht. Hij zegt: „Mijn oude meester was buiten zichzelven toen moeder stierf en zeî dat hij liever duizend dollars had willen verliezen. Zij was half eene Indiaansche met hair zoo regt als het uwe, en zij was blank als die peluw.”George huwde eene vrouw van eene andere plantage. Hij gaf daarvoor de volgende reden op: „Als een man zijne vrouw ziet mishandelen, trekt hij het zich onwillekeurig aan. Als hijhoortdat zijne vrouw mishandeld is, is het nog niet hetzelfde als wanneer hij hetziet. Zoo kon ik beter voor haar zorgen, dan wanneer zij op mijne plantage was. Deze vrouw nu werd hooger op verkocht, doch werd na eenige jaren lam en ziek en kon niet veel doen; daarom gaf Massa haar verlof en betaalde hare vracht tot G.” (Gij weet, voor de zieken en gebrekkigen wordt altijd gezorgd.) „Ik had haar in drie jaren niet gezien,” zeide George, „maar zoodra ik het hoorde, haalde ik haar terstond af, huurde een huisje en nam iemand omop haarte passen, en ging haar zoo dikwijls zien als ik kon.” Hij is een ambachtsman en werkte dikwijls nachten door ten einde dit alles te bekostigen. Zijn meester vraagt twintig dollars per maand voor zijne diensten en legt hem wekelijks vijftig cents toe voor kleederen en andere benoodigdheden. George zegt dat als hij, door ’s nachts ook te werken, maar geld genoeg bijeen kon zamelen om zich vrij te maken, hij wel iemand zou weten te vinden dien hij vertrouwen kon om hem te koopen. „Dan zou ik zoo hard als ooit werken om mijne kinderen los te koopen en van hier weg te komen.”„Waarheen?”„O, naar Philadelphia, New-York of ergens anders in het Noorden.”„Wel, daar zoudt gij doodvriezen!”„O neen, Missis, ik kan de koude wel verdragen.Maar ik heb behoefte om mij-zelven toe te behoorenen te doen wat ik noodig reken.”De volgende mededeeling is aan de schrijfster gedaan door den heer Austin Bearse, koopvaardij-kapitein te Boston engeboortig van Barnstable aan Cape Cod. Hij is wel bekend bij de burgers en kooplieden van Boston.Ik ben afkomstig uit den StaatMassachusetts.Tusschen 1818 en 1830 voer ik als stuurman aan boord van verschillende schepen, die de kustvaart aan de stranden van Zuid-Carolina dreven.Het is bekend, dat vele schepen van Nieuw-Engeland de gewoonte hebben om den winter aan de zuidelijke kust met deze bezigheid door te brengen. Onze schepen plagten de rivier op te varen om de ruwe rijst en katoen van de plantages te halen, die wij dan naar Charleston bragten.Wij voerden dikwijls troepen negers naar de plantagiën, wier eigenaren hen ontboden hadden. Deze slaven waren door de slavenhandelaren doorgaans bijeen gezocht uit de slavenmagazijnen te Charleston, alwaar zij door verschillende oorzaken heengebragt waren, zooals door den dood hunner eigenaren of door boedelscheiding die hen deed verkoopen. Sommigen waren er heen gezonden tot straffe voor ongehoorzaamheid, of doordien het aantal slaven te groot was, of omdat personen die naar het Noorden of Westen verhuisden liever hunne slaven verkochten dan zich met de moeite te belasten van ze mede te nemen. Van tijd tot tijd hadden wij die slaven in aanzienlijke getallen aan boord, soms slechts twee of drie, maar soms ook wel zeventig of tachtig. Zij waren van hunne gezinnen en betrekkingen gescheiden met even weinig omslag, als men in acht neemt bij het uitzoeken van eene partij varkens of schapen.Onze schepen lagen gewoonlijk op eene plek genaamd Arme Mans Kreek, niet ver van de stad. Wij plagten de betrekkingen en vrienden van de slaven verlof te geven, om aan boord te komen en den geheelen nacht bij hunne vrienden te blijven, eer het schip onder zeil ging. Des morgens was het mijne taak de luiken open te doen en hen te waarschuwen, dat de tijd van scheiden was gekomen, en op zulk een oogenblik waren de gillen en hartverscheurende kreten genoegzaam om iemand de bezinning schier te doen verliezen.In het jaar 1828, toen ik stuurman was op de brikMiltonvan Boston, bestemd naar New-Orleans, vond hetvolgende plaats, dat mij nimmer uit het geheugen zal gaan: De slavenhandelaars bragten aan boord vier quarterons, met handboeijen voorzien, en die naar New-Orleans vervoerd moesten worden. Eene oude negerin, gewis meer dan tachtig jaren oud, liep hen handenwringend na, uitroepende: „Mijn zoon, o mijn zoon, mijn zoon!” Zij scheen bijna uitzinnig en toen wij reeds eene mijl buiten de haven waren konden wij haar gillen nog hooren.Toen wij in zee waren ging ik naar de vier mannen en ontdeed hen van hunne handboeijen. Zij waren vastberadene kerels en zeiden mij, dat ik zien zou, dat zij nimmer levend te New-Orleans slaven zouden zijn. Een hunner was timmerman, een ander smid. Wij bragten hen te New-Orleans aan en leverden hen uit aan den agent. Later verhaalde deze aan den kapitein, dat zij allen binnen acht en veertig uren na hunne aankomst te New-Orleans dood waren. Zij hadden zich allen omgebragt, zoo als zij gedreigd hadden. Een hunner weet ik, werd voor stoker op de stoombootPost Boygekocht; doch hij sprong over boord en verdronk. Van de anderen werd een verkocht aan een smid en een aan een timmerman. De bijzonderheden van hun dood zijn mij niet ter oore gekomen.Achter Charleston, te Coosahatchie, lag eene plantage, welke aan eene weduwe behoorde, die tachtig negers hield. Zij ontbood van Charleston een jonge quarteronne voor haar zoon; het meisje was nagenoeg geheel blank. Wij voerden haar derwaarts. Daar zij veel delicater was dan de andere slaven, werd zij niet bij hen, maar in de kajuit geplaatst.Ik ben op de rijstplantagiën aan de rivier geweest en heb daar den rijstbouw gezien. In het najaar werken al de plantage-arbeiders, zoo mannen als vrouwen, in de rijstgreppels met het water tot boven de knieën en trekken het gras uit, om den grond voor het zaaijen van de rijst geschikt te maken. De slaven, die hier uit de stad gebragt worden, vinden dit een bijna ondoenlijken arbeid, daar zij meestal tot huiswerk zijn opgeleid. Het verblijf op de plantagiën is zoo doodelijk, dat de blanken daar in zomertijd niet vertoeven kunnen dan met gevaar van hun leven. De eigenaars en hunne familiën bevinden zich daar alleen’s winters en de slaven zijn zomers geheel aan de opzigters overgelaten. Ik heb gezien, dat die opzieners meestal een brutaal slag van menschen zijn, die zich aan dronkenschap en dobbelspel overgeven.In den loop mijner togten heb ik de slavernij in bijna alle landen der wereld gezien. Ik ben in Algiers geweest en heb daar de slavernij aanschouwd. Ik heb de slavernij te Smirna gezien, bij de Turken. Het was te Smirna, toen onze Amerikaansche consul een schoon Grieksch meisje vrijkocht. Ik zag haar aan boord van de brikSuffolkkomen, toen zij naar Amerika overgevoerd werd om hare opvoeding te erlangen. Ik heb de slavernij gezien in de Spaansche en Turksche havens, ofschoon ik daar niet op de plantagiën geweest ben.Mijn gevoelen is, dat de Amerikaansche slavernij, gelijk ik die gezien heb bij den binnenlandschen slavenhandel, op de rijst- en suiker-plantagiën en in de stad New-Orleans,ten volle een slechtis als in eenig land ter wereld, heidensch of Christelijk. Menschen, die voor bezoeken of vermaak de zuidelijke Staten doorreizen, kunnen onmogelijk die dingen te weten komen, die door varensgezellen gezien worden, welke de rivieren opzeilen naar de ver achter af gelegene plantagiën en die de slaven en de producten der plantagiën vervoeren.In mijne jonge dagen werd over de slavernij niet veel gesproken. Ik zag haar even als anderen, zonder mij er aan gelegen te laten liggen. Doch daar ik het niet meer voor goed houd, die dingen in stilte aan te zien, vaar ik tegenwoordig niet meer op de zuidelijke Staten.Het volgende verslag is aan de schrijfster gegeven door Lewis Hayden, een slaaf, die uit Kentucky ontsnapte door de medewerking van eene jonge dame, geheeten Delia Webster, en een man, genaamd Calvin Fairbanks. Beiden hebben er voor gevangen gezeten. Lewis Hayden heeft zich een geachten naam verworven als vrij burger van Boston, waar vele personen bereid zijn, nopens hem de gunstigste getuigenis af te leggen.Ik behoorde aan den eerwaarden heer Adam Runkin, een Presbyteriaansch predikant te Lexington in Kentucky.Mijne moeder was van gemengd bloed,—blank en Indiaansch. Zij huwde mijn vader, toen hij in eene naburige fabriek werkte. Na eenigen tijd verhuisde mijns vaders eigenaar en nam hem mede, hetwelk het huwelijk verbrak. Zij was eene schoone vrouw. Mijn meester hield een groot melkhuis en daar was zij de melkster. Lexington was in die dagen een klein plaatje en het melkhuis lag in de stad. Achter de school was de vrijmetselaarsloge. Een man, die tot de loge behoorde, zag mijne moeder terwijl zij aan haar werk was. Hij deed haar oneerlijke voorslagen. Toen zij hem niet te woord wilde staan, voegde hij haar toe, dat zij geen hoogen toon moest voeren, want dat hij haar zou hebben indien zij voor geld te krijgen was. Mijne moeder vertelde het aan de oude mevrouw en smeekte dat de meester haar toch niet zou verkoopen. Desniettemin verkocht hij haar. Mijne moeder was hooghartig, hetgeen zij aan haar Indiaansch bloed te danken had. Zij verkoos met dien man niet te leven zoo als hij wenschte, waarop hij haar naar de gevangenis zond, haar liet geeselen en haar op zoo onderscheidene wijzen strafte, dat zij vlagen van krankzinnigheid kreeg. Toen ik inde Negerhutvan Cassy las, kwam al het gebeurde met mijne moeder mij weêr voor den geest en wilde ik het mevrouw Stowe melden. Verscheidene malen beproefde zij, zich om het leven te brengen, eens met een mes en eens door ophanging. Zij had lang, regt hair, dat na deze voorvallen grijs werd, als of zij eene oude vrouw ware. In hare vlagen sprak zij altijd van hare kinderen. De houder van het gevangenhuis bragt haar eigenaar onder het oog, dat zij misschien herstellen zou, zoo hij haar bij hare kinderen liet. Men liet haar dus eens uit en zij kwam op de plaats waar wij waren. Ik was welligt zeven of acht jaren oud, ofschoon ik het juiste er niet van weet. Ik was van huis toen zij verscheen. Toen ik terug kwam vond ik haar in eene der hutten nabij de keuken. Zij sprong op, greep mij bij mijne armen als of zij die breken wilde en riep uit: „Ik zal u zoo toetakelen, dat zij nooit iets aan u zullen hebben!” Ik schreeuwde, want ik dacht dat zij mij wilde vermoorden, waarop personen binnenkwamen, die mij wegbragten. Men bond haar en voerde haar weg. Soms,als zij bij hare zinnen was, verhaalde zij mij het kwaad, dat men haar had aangedaan. Eindelijk verkocht haar eigenaar haar voor eene geringe som aan iemand, met name Lackey. Daar gaf men haar een anderen man en kreeg zij verscheidene kinderen. Na eene poos stierf deze man of werd hij verkocht,—het regte herinner ik mij niet meer. Lackey verkocht haar daarop aan zekeren Bryant. De eigenaar van mijn eigen vader vestigde zich nu in de nabijheid van dien man, en bragt mijne moeder weder bij hem. Mijn vader had op de plaats, waar hij vertoefd had, weder eene andere vrouw en een aantal kinderen gehad. Hij en mijne moeder kwamen dus nu weder bijeen en bragten hunne dagen met elkander ten einde. In de laatste tijden had mijne moeder haar verstand nagenoeg weder geheel teruggekregen.Ik heb in Kentucky nooit eenig blijk gezien, dat de bedienaren of leeraren der Godsdienst het voor iets ergers beschouwden, dat men slaven, dan dat men dieren van elkander scheidde. Er kunnen leeraren zijn die het voor ongeoorloofd houden, maar ik ben nooit met dezulken in aanraking geweest. Mijn meester was een predikant, en toch verkocht hij mijne moeder, gelijk ik verhaald heb. Toen hij uit Kentucky naar Pennsylvania vertrok, verkocht hij al mijne broeders en zusters bij veiling. Ik stond er bij en zag hen verkoopen. Toen ik ook ter tafel gebragt zou worden, verruilde hij mij tegen een paar koetspaarden. Ik zag met zonderlinge gevoelens die paarden aan. Ik had de hoop gekoesterd, dat mijn meester mij zou medenemen naar Pennsylvania, en dat ik daar de vrijheid zou erlangen. Wat zag ik die paarden aan en wandelde er rond, overdenkende, datiktegen die beesten geruild was!De spraak ging, dat mijn meester op den predikstoel gezegd had, dat er even weinig kwaad in stak, een gezin van slaven, als een nest biggen te scheiden. Ik voor mij heb het hem niet hooren zeggen, en kan dus niet verzekeren of het al dan niet waar is.Hoe zonderling het schijne, is het toch waar, dat ik, bij mijne pogingen om tot de vrijheid te geraken, meer medewerking en goeden raad ondervond van dobbelaars enzulk soort van menschen, dan van Christenen. Sommigen hunner bejegenden mij zelfs buitengemeen vriendelijk.Ik heb nog nooit een slavenhandelaar gezien, die niet in den grond zijns harten overtuigd scheen te wezen, dat het een slecht bedrijf was. Ik heb er velen gekend, als b. v. Neal, McAnn, Cobb, Stone, Pulliam en Davis, enz. Zij waren gelijk Haley,—zij hadden het voornemen om zich te bekeeren als zij goed af waren.Over het algemeen voelden de kleurlingen van mijne kennisniet de geringste mate van gerustheid, met opzigt tot hunne familiebetrekkingen. Wel is waar, meenden sommigen, die tot rijke familiën behoorden, eenigzins gerust te kunnen zijn; doch diegenen onzer, die dieper doorzagen en wisten, hoevelen niet zoo rijk waren als zij schenen, als ook, hoe snel het geld door de vingers druipt, waren altijd zeer ellendig. De handelaar sloop altijd rond, de slavenmagazijnen waren in de nabijheid en wij wisten niet wanneer iemand onzer er soms in kon geraken. Dan waren er nog de rijstmoerassen en de suiker- en katoen-plantagiën; ons leven lang werden zij ons door onze meesters en meesteressen als schrikbeelden voorgehouden. Wij wisten daar alles van; en als een vriend werd weggevoerd, wel nu, dat was zoo goed als zijn dood, want wij konden hem niet schrijven, noch van hem hooren, en verwachtten niet hem immer terug te zien.Ik heb een kind gehad, dat in Kentucky begraven ligt, en het doet mij genoegen aan dat graf te denken. Ik heb er nog een gehad, dat verkocht is zonder dat iemand weet waarheen, en waaraan ik niet denken kan zonder het grievendste hartzeer.De volgende geschiedenis is lang en een gedeelte er van is openbaar bekend geworden.In dat verhaal is het geheele verslag vervat van de gedenkwaardige aanhouding van dePearl, welke ten jare 1848 zulk eene sensatie te Washington verwekte. De schrijfster zal er echter eene korte historie aan vooraf doen gaan van eene slavin van welke zes kinderen betrokken waren in die noodlottige onderneming.

Hoofdstuk V.Voorvallen uit een wettigen tak van handel, of waarheid die vreemder klinkt dan verdichting.

Het afschuwelijke en heiligschennende gebruik om menschelijke wezens ten verkoop aan te fokken en als vee ter markt te verkoopen, maakt op de ziel niet dien diepen indruk dien het behoorde te maken, omdat het zich in veel te algemeenen vorm voordoet.’t Is er mede als met het berigt van een grooten veldslag, waarvan wij in ronde getallen vernemen, dat tien duizend man gedood en gewond zijn, waarop wij het nieuwsblad, zonder er verder iets bij te denken, ter zijde werpen.Evenzoo, als wij lezen, dat zestig of tachtig duizend menschelijke wezens jaarlijks worden aangekweekt en op de markt verkocht, gaat ons dit door het hoofd zonder een bepaalden indruk na te laten.Sterne zegt, dat, toen hij zich de jammeren der kerkerstraf wilde voorstellen, hij zijne gedachten moest afwenden van de honderdduizenden die in kerkerholen verkwijnen, en zich bepaaldelijk één verlaten gevangene, neêrgezeten in zijne cel, moest voorstellen. Daarom kunnen wij ook geen denkbeeld geven van de verschrikkelijke, wreede en demoraliserende werking van dezen handel, zonder de feiten in bijzonderheden voor te stellen, en elk feit te geven als een staaltje van eene bepaalde klasse.Als een proefje van het gevoel en de soort van zedelijkheid, die dit stelsel van aanfokken en opkweeken zoo bij slaven als eigenaren te weeg brengt, deelt schrijfster dezes de onderstaande uittreksels mede van een brief, onlangs aan haar gerigt door eene vriendin in een der zuidelijke Staten.Lieve Mevrouw.De zwarte godin, die over onze bedden en waschtafels het toezigt houdt, is zulk een wonderlijk staaltje van haar ras, dat ik wenschte, dat gij haar zien kondt. Haar geheele voorkomen, als zij daar zoo schaterend en neigend rondtrippelt, is in den hoogsten graad lachverwekkend en zou een vreemde al ligt op het denkbeeld brengen, dat het haar aan het verstand haperde. Dit is echter in geenen deele het geval. Gedurende de twee maanden, dat wij met haar bekend zijn, hebben wij verscheidene blijken van gezond verstand bij haar waargenomen, die zelfs lof zouden verdienen bij een blanke die tienmaal meer voorregten had dan zij.Zij is zeer spraakzaam en schijnt te gevoelen, dat zij aanspraak heeft op onze belangstelling, alleen reeds omdat wij uit het Noorden komen, en wij zouden ongetwijfeldgeene geringe kennis van de „fraaije instelling” opdoen, zoo wij het raadzaam oordeelden, eenigzins lange gesprekken met haar te houden. Dit zou ons echter een bezoek van de overheden op den hals halen en eene aanmaning om de stad met den eerstvolgenden trein te verlaten. Wij moeten ons dus vergenoegen met, onder den schijn van zeer onverschillig te wezen, nu en dan iets op te vangen, en er een einde aan maken door haar om eene of andere kleinigheid uit te zenden; wij zorgen echter, hare eigenaardige uitdrukkingen ten papiere te brengen zoodra zij zich verwijderd heeft. Ik heb gedacht, dat eene copie daarvan u aangenaam zou wezen, vooral wegens de daarin voorkomende merkwaardige bijzonderheden aangaande de instelling des huwelijks, een noodwendig gevolg van het in zwang zijnde stelsel.„Eene dame uit het Zuiden, welke vermeent dat het gevoel van den neger in deNegerhutwat al te hoog opgevijzeld is, verzekert ons, dat de gehechtheid niet zeer sterk kan zijn bij een man die twee of drie vrouwen en gezinnen op even zoo vele plantagiën heeft (!). En de meesteres van ons hotel berigt ons, dat hare keukenmeid met de volmaaktste onverschilligheid de tijding van haar man ontvangen heeft, dat hij eene andere vrouw bezit en zij een ander man mag nemen; zij had eenvoudig het voornemen te kennen gegeven „om er voor het oogenblik geen te nemen, daar zij in de volgende maand aan haar eigenaar in Georgia moest teruggezonden worden en het vertrek haar dan moeijelijker zou vallen.” En toch zijn beide die dames Godsdienstig en achten zich beleedigd door het minste vermoeden, dat de zedelijkheid hunner slaven niet hooger zou zijn dan die van de vrije negers in het Noorden.Bij de geschiedenis van Violet zal ik ook die voegen van een onzer oppassers, waarin gij zeker wel belang zult stellen.Violet’s vader en moeder stierven beiden, zoo als zij zegt, „vóór ik eenig begrip had,””—elf kinderen nalatende, die overal verstrooid waren. „Al kon ik er schatten meê winnen, Missis, zou ik niet kunnen zeggen waar een van allen is. Massa woont te Charleston. Mijn eerste echtgenoot was een knap man; hij had zeven kinderen;toen werd hij verkocht naar Florida; ik heb nooit meer van hem gehoord. De ouders sterven; o, dat is het verschrikkelijkste; als die dood zijn worden wij overal heen verstrooid. Ik werd in deze streken verkocht; nu heb ik een ander man en vier kinderen. Ik leefde heel genoegelijk met mijn eersten man en wij kregen vele kinderen. Maar hier is het schraal. Massa wil niet toelaten, dat wij iets hebben, geen varken, geen geit, geen hond; ja hij geeft ons zelfs geen weinigje koorn.Wij moeten maar rondkomen zoo als wij kunnen.Het eenige wat wij krijgen, zijn twee eigengeweven kleedjes.„Ik kan niet naar demeetinggaan, omdat Missis te veel werk te doen heeft. ’s Zomers ga ik elken Zondagavond; maar bij deze korte dagen is de dag te snel om. Ik ga meestal naar de Doopsgezinde kerk.”„Gaan de uwen daar gewoonlijk?”„Zij zijn van drie soorten: Methodisten, Doopsgezinden en Episcopalen. Verleden zomer hebben wij Zondags avonds heel dikwijlsmeetingsin onzen „yard” gehad. Massa Johnson preêkte voor ons. Maar toen zeî hij, dat hij niet tweemaal preken kon: wij moesten maar naar de kerk komen.”„Waarom?”„Dat weet de hemel. Ik ga gaarne naar demeeting, vooral als er mooi gepreêkt wordt. Ik hoor het gaarne, als de menschen goed tot mij spreken. Ook ben ik blij als men mij voorleest. Waarom zou dat ook niet, al behoor ik niet tot de Kerk?”„Laat uw meester toe, dat anderen u voorlezen?”„Hij zal het mij niet beletten; ik behoef hem niet te vertellen, dat een ander mij voorleest. Ik moetmijneziel, hij dezijnetrachten te behouden. Onze eigenaars willen niet een paar minuten besteden om ons voor te lezen; dat zou eene te groote eer voor ons zijn; zij behandelen ons zeer hard. Sommige predikanten spreken ons wel eens vriendelijk toe en bidden met ons, envoor zichzelven heel wat er bij.”„Ik heb zoo even een groot geschil gehad met Dinah in de keuken en haar gezegd: „Dinah, de weg dien gij opgaat, bederft den goeden naam van de vrouwen.” Zijantwoordde, dat zij er zich niet om bekreunde en dat zij zou doen wat haar goeddacht. Dinah is van haar eersten man weggeloopen en heeft een kind gehad bij Sambo (die aan Massa D. behoort), zoodat zij en haar eerste man van elkander afgeraakt zijn. De mannen, Missis, zien zulke dingen nooit met een goed oog aan.„Gij weet, Missis, als wij van iets houden, willen wij niet dat een ander het hebben zal. Zoo iets, Missis, al laat men ’t niet merken, foltert iemand dood. Als mijn man mij op die wijze wilde ontloopen, Missis, ’k zou er bij zijn.Ikzou ook zoo niet handelen met mijn man. Al kan ik het hier verbergen, voor God zal het geopenbaard worden en de heele wereld zal het vernemen.„Dinah’s tweede man zeî, dat het hem niets aanging, hoe zij met haar eersten man gehandeld had. Zoo denktmijnman er niet over. Hij zegt, dat hij niet doen zou wat Daniel doet; hij zou geen speelgoed koopen voor de andere kinderen; wiens ze waren, mogt dat doen. Nu, hoe het zij, Dinah’s eerste man komt, zoo dikwijls hij kan, over, om zijne kinderen te zien, en Sambo komt ook omzijnkind te zien, en geeft daarvoor aan Dinah snuisterijen.„Massa had geene slaven dan een geel meisje, toen hij mij en mijne vier kinderen kocht. Nu wilde Massa kinderen van mij hebben; dus zeî hij: „Violet, gij moet een of anderen neger hier te G. nemen.”Daarop antwoordde ik: „Neen, Massa, ik kan er hier geen nemen.”—„Gijmoet, Violet,” hernam hij. Gij ziet, hij verlangde dat ik ook slaven zou opkweeken, en daarom zei hij, dat hier een overvloed van jonge kerels was, maar ik hervatte, dat ik geen van allen kon nemen. Nu dan, Missis, toen ging hij naar Virginia en bragt twee negers mede, reeds vrij oude lieden, en Missis zeî: „Een daarvan is voor u, Violet;” maar ik zeî: „Neen, Missis, ik kan geen van beiden nemen, omdat ik niet van hen houd, en ik kan niemand nemen, dien ik niet bemin.” Toen riep Massa: „Gijmoet een van dezen nemen,—of, zoo gij hem niet lief kunt hebben, danmoet gij iemand anders vinden dien gij bemint.” Ik zeî: „O neen, Massa, dat kan ik niet doen,—ik kan niet elken dag een anderennemen.” Na eenigen tijd kocht Massa er nog drie bij en toen zei Missis: „Nu, Violet, een daarvan is voor u.” Ik herhaalde: „Ik kan niet; misschien bemin ik van hen ook geen;” maar zij antwoordde: „Gijmoeteen van dezen nemen.” Zoo dan leefden Sam en ik twee jaren; hij ging mijne gangen na en ik de zijne.„Eindelijk, op een avond, stonden wij zamen bij den houtstapel, en de maan scheen zeer helder, en hoe het kwam weet ik niet, Missis, maar hij zeî mij, dat hij eene vrouw wenschte te hebben, doch niet wist waar eene te krijgen. Ik antwoordde, dat er knappe meisjes genoeg in G. waren. „Ja,” zeî hij, „maar ik vind er misschien niet ééne, die mij zoo wel bevalt als gij.” Ik zei hem toen dat ik hem misschien zou tegenvallen, want dat ik reeds oud begon te worden, en dat ik vier kinderen van mijn eersten man had; en dat iemand, die mij trouwde, zoo goed voor de kinderen moest wezen als voor mij; dat ik hem anders niet kon lief hebben. Toen zei hij: „al ware het ook dat eene vrouw kinderen had (let op, dat hijmijniet noemde) zoo zou hij toch zoo vriendelijk zijn voor de kinderen als voor de moeder, en dat zou er veel van afhangen hoe zij hem behandelde.” Zoo kwamen wij van het eene ding op het andere, tot wij eindelijk verklaarden dat wij elkander namen, en zoo hebben wij sedert geleefd, en ik heb vier kinderen bij hem, en hij ontloopt mij nooit noch ik hem.”„Hoe trouwt gij in uw „yard”?”„Wel, wij vragen de blanken verlof en dannemenwij elkander. Sommigen worden met het boek getrouwd, maar waar dient het toe? Daar hebt ge mijn eersten man: wij zijn met het boek getrouwd, en toch werdhijnaar Florida verkocht enikben hier. Men doet met ons wat men wil, en zoo bevalt het hun niet dat wij voor vast getrouwd zijn. Het kan hun niet schelen wat wij doen, als wij maar geld voor hen verdienen.„Mijn eerste man was jong en zeer vriendelijk voor mij, o Missis,inderdaad zeer vriendelijk. Hij werkte nacht en dag om mij gemakken te bezorgen. o Het ging ons zeer goed zoo lang ik hem had; maar hij werd naar Florida verkocht, en sedert, Missis, ben ik dezelfde niet meer.Deze blanken hier vergunnen ons niets, in het geheel niets; zij geven ons eten en twee kleedjes in een jaar, een breede streep en een smalle streep; ik zal ze u eens laten zien, Missis.”En wij hebben ze gezien; want Violet bragt mij de „breede streep” met verzoek dat ik het voor haar maken zou. Er was juist genoeg om haar te bedekken, maar geene haken of oogen, geen garen, geene voering, dat moest zij zelve maar zien te krijgen; en toch ontvangt haar meester van onzen kastelein acht dollars ’s maands voor hare diensten. Wij vroegen hoe zij dan hare kleedjes gemaakt kreeg.„o Missis, mijn man werkt nu buiten de hoeve, zoodat hij vier pond spek en eene hoeveelheid meel iedere week krijgt; hij zuinigt het zoo uit, dat hij mij de vier pond spek geeft om de onkosten voor mijn kleedje uit te vinden. (Eene vraag: Zijn er ook echtgenooten in de beschaafde kringen die meer zouden doen dan deze man?)Toen Violet ons eens alle drie druk aan het schrijven vond, stond zij eenige oogenblikken in stilte de geheimzinnige bewegingen onzer pennen aan te staren, en zeide toen op den toon der diepste droefheid:„o Wat is dat toch een groote troost, Missis. Gij kunt aan uwe vrienden alles schrijven en ook aan u laten schrijven. Ons volk kan dit niet. Of zij levend of dood zijn, kunnen wij nimmer vernemen;soms, ja, hooren wij dat zij dood zijn.”Kon er krachtiger aanmerking gemaakt worden op de wreede wetten, die den slaaf verbieden te leeren schrijven?De geschiedenis van den oppasser luidt aldus:George’s vader en moeder behoorden aan iemand in Florida. Gedurende den oorlog gingen twee oudere zusters aan boord van een Engelsch schip en kwamen te Halifax. Zijne moeder zou gaarne met haar geheele gezin medegegaan zijn, doch haar man haalde haar over, om te wachten tot het volgende schip zou zeilen, als wanneer hij ook meende te zullen kunnen gaan. Door dit uitstel ging de gelegenheid van ontvlugting verloren en het geheele gezinwerd kort daarna voor schuld verkocht. George, eene zuster en zijne moeder werden door éénzelfden persoon gekocht. Hij zegt: „Mijn oude meester was buiten zichzelven toen moeder stierf en zeî dat hij liever duizend dollars had willen verliezen. Zij was half eene Indiaansche met hair zoo regt als het uwe, en zij was blank als die peluw.”George huwde eene vrouw van eene andere plantage. Hij gaf daarvoor de volgende reden op: „Als een man zijne vrouw ziet mishandelen, trekt hij het zich onwillekeurig aan. Als hijhoortdat zijne vrouw mishandeld is, is het nog niet hetzelfde als wanneer hij hetziet. Zoo kon ik beter voor haar zorgen, dan wanneer zij op mijne plantage was. Deze vrouw nu werd hooger op verkocht, doch werd na eenige jaren lam en ziek en kon niet veel doen; daarom gaf Massa haar verlof en betaalde hare vracht tot G.” (Gij weet, voor de zieken en gebrekkigen wordt altijd gezorgd.) „Ik had haar in drie jaren niet gezien,” zeide George, „maar zoodra ik het hoorde, haalde ik haar terstond af, huurde een huisje en nam iemand omop haarte passen, en ging haar zoo dikwijls zien als ik kon.” Hij is een ambachtsman en werkte dikwijls nachten door ten einde dit alles te bekostigen. Zijn meester vraagt twintig dollars per maand voor zijne diensten en legt hem wekelijks vijftig cents toe voor kleederen en andere benoodigdheden. George zegt dat als hij, door ’s nachts ook te werken, maar geld genoeg bijeen kon zamelen om zich vrij te maken, hij wel iemand zou weten te vinden dien hij vertrouwen kon om hem te koopen. „Dan zou ik zoo hard als ooit werken om mijne kinderen los te koopen en van hier weg te komen.”„Waarheen?”„O, naar Philadelphia, New-York of ergens anders in het Noorden.”„Wel, daar zoudt gij doodvriezen!”„O neen, Missis, ik kan de koude wel verdragen.Maar ik heb behoefte om mij-zelven toe te behoorenen te doen wat ik noodig reken.”De volgende mededeeling is aan de schrijfster gedaan door den heer Austin Bearse, koopvaardij-kapitein te Boston engeboortig van Barnstable aan Cape Cod. Hij is wel bekend bij de burgers en kooplieden van Boston.Ik ben afkomstig uit den StaatMassachusetts.Tusschen 1818 en 1830 voer ik als stuurman aan boord van verschillende schepen, die de kustvaart aan de stranden van Zuid-Carolina dreven.Het is bekend, dat vele schepen van Nieuw-Engeland de gewoonte hebben om den winter aan de zuidelijke kust met deze bezigheid door te brengen. Onze schepen plagten de rivier op te varen om de ruwe rijst en katoen van de plantages te halen, die wij dan naar Charleston bragten.Wij voerden dikwijls troepen negers naar de plantagiën, wier eigenaren hen ontboden hadden. Deze slaven waren door de slavenhandelaren doorgaans bijeen gezocht uit de slavenmagazijnen te Charleston, alwaar zij door verschillende oorzaken heengebragt waren, zooals door den dood hunner eigenaren of door boedelscheiding die hen deed verkoopen. Sommigen waren er heen gezonden tot straffe voor ongehoorzaamheid, of doordien het aantal slaven te groot was, of omdat personen die naar het Noorden of Westen verhuisden liever hunne slaven verkochten dan zich met de moeite te belasten van ze mede te nemen. Van tijd tot tijd hadden wij die slaven in aanzienlijke getallen aan boord, soms slechts twee of drie, maar soms ook wel zeventig of tachtig. Zij waren van hunne gezinnen en betrekkingen gescheiden met even weinig omslag, als men in acht neemt bij het uitzoeken van eene partij varkens of schapen.Onze schepen lagen gewoonlijk op eene plek genaamd Arme Mans Kreek, niet ver van de stad. Wij plagten de betrekkingen en vrienden van de slaven verlof te geven, om aan boord te komen en den geheelen nacht bij hunne vrienden te blijven, eer het schip onder zeil ging. Des morgens was het mijne taak de luiken open te doen en hen te waarschuwen, dat de tijd van scheiden was gekomen, en op zulk een oogenblik waren de gillen en hartverscheurende kreten genoegzaam om iemand de bezinning schier te doen verliezen.In het jaar 1828, toen ik stuurman was op de brikMiltonvan Boston, bestemd naar New-Orleans, vond hetvolgende plaats, dat mij nimmer uit het geheugen zal gaan: De slavenhandelaars bragten aan boord vier quarterons, met handboeijen voorzien, en die naar New-Orleans vervoerd moesten worden. Eene oude negerin, gewis meer dan tachtig jaren oud, liep hen handenwringend na, uitroepende: „Mijn zoon, o mijn zoon, mijn zoon!” Zij scheen bijna uitzinnig en toen wij reeds eene mijl buiten de haven waren konden wij haar gillen nog hooren.Toen wij in zee waren ging ik naar de vier mannen en ontdeed hen van hunne handboeijen. Zij waren vastberadene kerels en zeiden mij, dat ik zien zou, dat zij nimmer levend te New-Orleans slaven zouden zijn. Een hunner was timmerman, een ander smid. Wij bragten hen te New-Orleans aan en leverden hen uit aan den agent. Later verhaalde deze aan den kapitein, dat zij allen binnen acht en veertig uren na hunne aankomst te New-Orleans dood waren. Zij hadden zich allen omgebragt, zoo als zij gedreigd hadden. Een hunner weet ik, werd voor stoker op de stoombootPost Boygekocht; doch hij sprong over boord en verdronk. Van de anderen werd een verkocht aan een smid en een aan een timmerman. De bijzonderheden van hun dood zijn mij niet ter oore gekomen.Achter Charleston, te Coosahatchie, lag eene plantage, welke aan eene weduwe behoorde, die tachtig negers hield. Zij ontbood van Charleston een jonge quarteronne voor haar zoon; het meisje was nagenoeg geheel blank. Wij voerden haar derwaarts. Daar zij veel delicater was dan de andere slaven, werd zij niet bij hen, maar in de kajuit geplaatst.Ik ben op de rijstplantagiën aan de rivier geweest en heb daar den rijstbouw gezien. In het najaar werken al de plantage-arbeiders, zoo mannen als vrouwen, in de rijstgreppels met het water tot boven de knieën en trekken het gras uit, om den grond voor het zaaijen van de rijst geschikt te maken. De slaven, die hier uit de stad gebragt worden, vinden dit een bijna ondoenlijken arbeid, daar zij meestal tot huiswerk zijn opgeleid. Het verblijf op de plantagiën is zoo doodelijk, dat de blanken daar in zomertijd niet vertoeven kunnen dan met gevaar van hun leven. De eigenaars en hunne familiën bevinden zich daar alleen’s winters en de slaven zijn zomers geheel aan de opzigters overgelaten. Ik heb gezien, dat die opzieners meestal een brutaal slag van menschen zijn, die zich aan dronkenschap en dobbelspel overgeven.In den loop mijner togten heb ik de slavernij in bijna alle landen der wereld gezien. Ik ben in Algiers geweest en heb daar de slavernij aanschouwd. Ik heb de slavernij te Smirna gezien, bij de Turken. Het was te Smirna, toen onze Amerikaansche consul een schoon Grieksch meisje vrijkocht. Ik zag haar aan boord van de brikSuffolkkomen, toen zij naar Amerika overgevoerd werd om hare opvoeding te erlangen. Ik heb de slavernij gezien in de Spaansche en Turksche havens, ofschoon ik daar niet op de plantagiën geweest ben.Mijn gevoelen is, dat de Amerikaansche slavernij, gelijk ik die gezien heb bij den binnenlandschen slavenhandel, op de rijst- en suiker-plantagiën en in de stad New-Orleans,ten volle een slechtis als in eenig land ter wereld, heidensch of Christelijk. Menschen, die voor bezoeken of vermaak de zuidelijke Staten doorreizen, kunnen onmogelijk die dingen te weten komen, die door varensgezellen gezien worden, welke de rivieren opzeilen naar de ver achter af gelegene plantagiën en die de slaven en de producten der plantagiën vervoeren.In mijne jonge dagen werd over de slavernij niet veel gesproken. Ik zag haar even als anderen, zonder mij er aan gelegen te laten liggen. Doch daar ik het niet meer voor goed houd, die dingen in stilte aan te zien, vaar ik tegenwoordig niet meer op de zuidelijke Staten.Het volgende verslag is aan de schrijfster gegeven door Lewis Hayden, een slaaf, die uit Kentucky ontsnapte door de medewerking van eene jonge dame, geheeten Delia Webster, en een man, genaamd Calvin Fairbanks. Beiden hebben er voor gevangen gezeten. Lewis Hayden heeft zich een geachten naam verworven als vrij burger van Boston, waar vele personen bereid zijn, nopens hem de gunstigste getuigenis af te leggen.Ik behoorde aan den eerwaarden heer Adam Runkin, een Presbyteriaansch predikant te Lexington in Kentucky.Mijne moeder was van gemengd bloed,—blank en Indiaansch. Zij huwde mijn vader, toen hij in eene naburige fabriek werkte. Na eenigen tijd verhuisde mijns vaders eigenaar en nam hem mede, hetwelk het huwelijk verbrak. Zij was eene schoone vrouw. Mijn meester hield een groot melkhuis en daar was zij de melkster. Lexington was in die dagen een klein plaatje en het melkhuis lag in de stad. Achter de school was de vrijmetselaarsloge. Een man, die tot de loge behoorde, zag mijne moeder terwijl zij aan haar werk was. Hij deed haar oneerlijke voorslagen. Toen zij hem niet te woord wilde staan, voegde hij haar toe, dat zij geen hoogen toon moest voeren, want dat hij haar zou hebben indien zij voor geld te krijgen was. Mijne moeder vertelde het aan de oude mevrouw en smeekte dat de meester haar toch niet zou verkoopen. Desniettemin verkocht hij haar. Mijne moeder was hooghartig, hetgeen zij aan haar Indiaansch bloed te danken had. Zij verkoos met dien man niet te leven zoo als hij wenschte, waarop hij haar naar de gevangenis zond, haar liet geeselen en haar op zoo onderscheidene wijzen strafte, dat zij vlagen van krankzinnigheid kreeg. Toen ik inde Negerhutvan Cassy las, kwam al het gebeurde met mijne moeder mij weêr voor den geest en wilde ik het mevrouw Stowe melden. Verscheidene malen beproefde zij, zich om het leven te brengen, eens met een mes en eens door ophanging. Zij had lang, regt hair, dat na deze voorvallen grijs werd, als of zij eene oude vrouw ware. In hare vlagen sprak zij altijd van hare kinderen. De houder van het gevangenhuis bragt haar eigenaar onder het oog, dat zij misschien herstellen zou, zoo hij haar bij hare kinderen liet. Men liet haar dus eens uit en zij kwam op de plaats waar wij waren. Ik was welligt zeven of acht jaren oud, ofschoon ik het juiste er niet van weet. Ik was van huis toen zij verscheen. Toen ik terug kwam vond ik haar in eene der hutten nabij de keuken. Zij sprong op, greep mij bij mijne armen als of zij die breken wilde en riep uit: „Ik zal u zoo toetakelen, dat zij nooit iets aan u zullen hebben!” Ik schreeuwde, want ik dacht dat zij mij wilde vermoorden, waarop personen binnenkwamen, die mij wegbragten. Men bond haar en voerde haar weg. Soms,als zij bij hare zinnen was, verhaalde zij mij het kwaad, dat men haar had aangedaan. Eindelijk verkocht haar eigenaar haar voor eene geringe som aan iemand, met name Lackey. Daar gaf men haar een anderen man en kreeg zij verscheidene kinderen. Na eene poos stierf deze man of werd hij verkocht,—het regte herinner ik mij niet meer. Lackey verkocht haar daarop aan zekeren Bryant. De eigenaar van mijn eigen vader vestigde zich nu in de nabijheid van dien man, en bragt mijne moeder weder bij hem. Mijn vader had op de plaats, waar hij vertoefd had, weder eene andere vrouw en een aantal kinderen gehad. Hij en mijne moeder kwamen dus nu weder bijeen en bragten hunne dagen met elkander ten einde. In de laatste tijden had mijne moeder haar verstand nagenoeg weder geheel teruggekregen.Ik heb in Kentucky nooit eenig blijk gezien, dat de bedienaren of leeraren der Godsdienst het voor iets ergers beschouwden, dat men slaven, dan dat men dieren van elkander scheidde. Er kunnen leeraren zijn die het voor ongeoorloofd houden, maar ik ben nooit met dezulken in aanraking geweest. Mijn meester was een predikant, en toch verkocht hij mijne moeder, gelijk ik verhaald heb. Toen hij uit Kentucky naar Pennsylvania vertrok, verkocht hij al mijne broeders en zusters bij veiling. Ik stond er bij en zag hen verkoopen. Toen ik ook ter tafel gebragt zou worden, verruilde hij mij tegen een paar koetspaarden. Ik zag met zonderlinge gevoelens die paarden aan. Ik had de hoop gekoesterd, dat mijn meester mij zou medenemen naar Pennsylvania, en dat ik daar de vrijheid zou erlangen. Wat zag ik die paarden aan en wandelde er rond, overdenkende, datiktegen die beesten geruild was!De spraak ging, dat mijn meester op den predikstoel gezegd had, dat er even weinig kwaad in stak, een gezin van slaven, als een nest biggen te scheiden. Ik voor mij heb het hem niet hooren zeggen, en kan dus niet verzekeren of het al dan niet waar is.Hoe zonderling het schijne, is het toch waar, dat ik, bij mijne pogingen om tot de vrijheid te geraken, meer medewerking en goeden raad ondervond van dobbelaars enzulk soort van menschen, dan van Christenen. Sommigen hunner bejegenden mij zelfs buitengemeen vriendelijk.Ik heb nog nooit een slavenhandelaar gezien, die niet in den grond zijns harten overtuigd scheen te wezen, dat het een slecht bedrijf was. Ik heb er velen gekend, als b. v. Neal, McAnn, Cobb, Stone, Pulliam en Davis, enz. Zij waren gelijk Haley,—zij hadden het voornemen om zich te bekeeren als zij goed af waren.Over het algemeen voelden de kleurlingen van mijne kennisniet de geringste mate van gerustheid, met opzigt tot hunne familiebetrekkingen. Wel is waar, meenden sommigen, die tot rijke familiën behoorden, eenigzins gerust te kunnen zijn; doch diegenen onzer, die dieper doorzagen en wisten, hoevelen niet zoo rijk waren als zij schenen, als ook, hoe snel het geld door de vingers druipt, waren altijd zeer ellendig. De handelaar sloop altijd rond, de slavenmagazijnen waren in de nabijheid en wij wisten niet wanneer iemand onzer er soms in kon geraken. Dan waren er nog de rijstmoerassen en de suiker- en katoen-plantagiën; ons leven lang werden zij ons door onze meesters en meesteressen als schrikbeelden voorgehouden. Wij wisten daar alles van; en als een vriend werd weggevoerd, wel nu, dat was zoo goed als zijn dood, want wij konden hem niet schrijven, noch van hem hooren, en verwachtten niet hem immer terug te zien.Ik heb een kind gehad, dat in Kentucky begraven ligt, en het doet mij genoegen aan dat graf te denken. Ik heb er nog een gehad, dat verkocht is zonder dat iemand weet waarheen, en waaraan ik niet denken kan zonder het grievendste hartzeer.De volgende geschiedenis is lang en een gedeelte er van is openbaar bekend geworden.In dat verhaal is het geheele verslag vervat van de gedenkwaardige aanhouding van dePearl, welke ten jare 1848 zulk eene sensatie te Washington verwekte. De schrijfster zal er echter eene korte historie aan vooraf doen gaan van eene slavin van welke zes kinderen betrokken waren in die noodlottige onderneming.

Het afschuwelijke en heiligschennende gebruik om menschelijke wezens ten verkoop aan te fokken en als vee ter markt te verkoopen, maakt op de ziel niet dien diepen indruk dien het behoorde te maken, omdat het zich in veel te algemeenen vorm voordoet.

’t Is er mede als met het berigt van een grooten veldslag, waarvan wij in ronde getallen vernemen, dat tien duizend man gedood en gewond zijn, waarop wij het nieuwsblad, zonder er verder iets bij te denken, ter zijde werpen.

Evenzoo, als wij lezen, dat zestig of tachtig duizend menschelijke wezens jaarlijks worden aangekweekt en op de markt verkocht, gaat ons dit door het hoofd zonder een bepaalden indruk na te laten.

Sterne zegt, dat, toen hij zich de jammeren der kerkerstraf wilde voorstellen, hij zijne gedachten moest afwenden van de honderdduizenden die in kerkerholen verkwijnen, en zich bepaaldelijk één verlaten gevangene, neêrgezeten in zijne cel, moest voorstellen. Daarom kunnen wij ook geen denkbeeld geven van de verschrikkelijke, wreede en demoraliserende werking van dezen handel, zonder de feiten in bijzonderheden voor te stellen, en elk feit te geven als een staaltje van eene bepaalde klasse.

Als een proefje van het gevoel en de soort van zedelijkheid, die dit stelsel van aanfokken en opkweeken zoo bij slaven als eigenaren te weeg brengt, deelt schrijfster dezes de onderstaande uittreksels mede van een brief, onlangs aan haar gerigt door eene vriendin in een der zuidelijke Staten.

Lieve Mevrouw.De zwarte godin, die over onze bedden en waschtafels het toezigt houdt, is zulk een wonderlijk staaltje van haar ras, dat ik wenschte, dat gij haar zien kondt. Haar geheele voorkomen, als zij daar zoo schaterend en neigend rondtrippelt, is in den hoogsten graad lachverwekkend en zou een vreemde al ligt op het denkbeeld brengen, dat het haar aan het verstand haperde. Dit is echter in geenen deele het geval. Gedurende de twee maanden, dat wij met haar bekend zijn, hebben wij verscheidene blijken van gezond verstand bij haar waargenomen, die zelfs lof zouden verdienen bij een blanke die tienmaal meer voorregten had dan zij.Zij is zeer spraakzaam en schijnt te gevoelen, dat zij aanspraak heeft op onze belangstelling, alleen reeds omdat wij uit het Noorden komen, en wij zouden ongetwijfeldgeene geringe kennis van de „fraaije instelling” opdoen, zoo wij het raadzaam oordeelden, eenigzins lange gesprekken met haar te houden. Dit zou ons echter een bezoek van de overheden op den hals halen en eene aanmaning om de stad met den eerstvolgenden trein te verlaten. Wij moeten ons dus vergenoegen met, onder den schijn van zeer onverschillig te wezen, nu en dan iets op te vangen, en er een einde aan maken door haar om eene of andere kleinigheid uit te zenden; wij zorgen echter, hare eigenaardige uitdrukkingen ten papiere te brengen zoodra zij zich verwijderd heeft. Ik heb gedacht, dat eene copie daarvan u aangenaam zou wezen, vooral wegens de daarin voorkomende merkwaardige bijzonderheden aangaande de instelling des huwelijks, een noodwendig gevolg van het in zwang zijnde stelsel.„Eene dame uit het Zuiden, welke vermeent dat het gevoel van den neger in deNegerhutwat al te hoog opgevijzeld is, verzekert ons, dat de gehechtheid niet zeer sterk kan zijn bij een man die twee of drie vrouwen en gezinnen op even zoo vele plantagiën heeft (!). En de meesteres van ons hotel berigt ons, dat hare keukenmeid met de volmaaktste onverschilligheid de tijding van haar man ontvangen heeft, dat hij eene andere vrouw bezit en zij een ander man mag nemen; zij had eenvoudig het voornemen te kennen gegeven „om er voor het oogenblik geen te nemen, daar zij in de volgende maand aan haar eigenaar in Georgia moest teruggezonden worden en het vertrek haar dan moeijelijker zou vallen.” En toch zijn beide die dames Godsdienstig en achten zich beleedigd door het minste vermoeden, dat de zedelijkheid hunner slaven niet hooger zou zijn dan die van de vrije negers in het Noorden.Bij de geschiedenis van Violet zal ik ook die voegen van een onzer oppassers, waarin gij zeker wel belang zult stellen.Violet’s vader en moeder stierven beiden, zoo als zij zegt, „vóór ik eenig begrip had,””—elf kinderen nalatende, die overal verstrooid waren. „Al kon ik er schatten meê winnen, Missis, zou ik niet kunnen zeggen waar een van allen is. Massa woont te Charleston. Mijn eerste echtgenoot was een knap man; hij had zeven kinderen;toen werd hij verkocht naar Florida; ik heb nooit meer van hem gehoord. De ouders sterven; o, dat is het verschrikkelijkste; als die dood zijn worden wij overal heen verstrooid. Ik werd in deze streken verkocht; nu heb ik een ander man en vier kinderen. Ik leefde heel genoegelijk met mijn eersten man en wij kregen vele kinderen. Maar hier is het schraal. Massa wil niet toelaten, dat wij iets hebben, geen varken, geen geit, geen hond; ja hij geeft ons zelfs geen weinigje koorn.Wij moeten maar rondkomen zoo als wij kunnen.Het eenige wat wij krijgen, zijn twee eigengeweven kleedjes.„Ik kan niet naar demeetinggaan, omdat Missis te veel werk te doen heeft. ’s Zomers ga ik elken Zondagavond; maar bij deze korte dagen is de dag te snel om. Ik ga meestal naar de Doopsgezinde kerk.”„Gaan de uwen daar gewoonlijk?”„Zij zijn van drie soorten: Methodisten, Doopsgezinden en Episcopalen. Verleden zomer hebben wij Zondags avonds heel dikwijlsmeetingsin onzen „yard” gehad. Massa Johnson preêkte voor ons. Maar toen zeî hij, dat hij niet tweemaal preken kon: wij moesten maar naar de kerk komen.”„Waarom?”„Dat weet de hemel. Ik ga gaarne naar demeeting, vooral als er mooi gepreêkt wordt. Ik hoor het gaarne, als de menschen goed tot mij spreken. Ook ben ik blij als men mij voorleest. Waarom zou dat ook niet, al behoor ik niet tot de Kerk?”„Laat uw meester toe, dat anderen u voorlezen?”„Hij zal het mij niet beletten; ik behoef hem niet te vertellen, dat een ander mij voorleest. Ik moetmijneziel, hij dezijnetrachten te behouden. Onze eigenaars willen niet een paar minuten besteden om ons voor te lezen; dat zou eene te groote eer voor ons zijn; zij behandelen ons zeer hard. Sommige predikanten spreken ons wel eens vriendelijk toe en bidden met ons, envoor zichzelven heel wat er bij.”„Ik heb zoo even een groot geschil gehad met Dinah in de keuken en haar gezegd: „Dinah, de weg dien gij opgaat, bederft den goeden naam van de vrouwen.” Zijantwoordde, dat zij er zich niet om bekreunde en dat zij zou doen wat haar goeddacht. Dinah is van haar eersten man weggeloopen en heeft een kind gehad bij Sambo (die aan Massa D. behoort), zoodat zij en haar eerste man van elkander afgeraakt zijn. De mannen, Missis, zien zulke dingen nooit met een goed oog aan.„Gij weet, Missis, als wij van iets houden, willen wij niet dat een ander het hebben zal. Zoo iets, Missis, al laat men ’t niet merken, foltert iemand dood. Als mijn man mij op die wijze wilde ontloopen, Missis, ’k zou er bij zijn.Ikzou ook zoo niet handelen met mijn man. Al kan ik het hier verbergen, voor God zal het geopenbaard worden en de heele wereld zal het vernemen.„Dinah’s tweede man zeî, dat het hem niets aanging, hoe zij met haar eersten man gehandeld had. Zoo denktmijnman er niet over. Hij zegt, dat hij niet doen zou wat Daniel doet; hij zou geen speelgoed koopen voor de andere kinderen; wiens ze waren, mogt dat doen. Nu, hoe het zij, Dinah’s eerste man komt, zoo dikwijls hij kan, over, om zijne kinderen te zien, en Sambo komt ook omzijnkind te zien, en geeft daarvoor aan Dinah snuisterijen.„Massa had geene slaven dan een geel meisje, toen hij mij en mijne vier kinderen kocht. Nu wilde Massa kinderen van mij hebben; dus zeî hij: „Violet, gij moet een of anderen neger hier te G. nemen.”Daarop antwoordde ik: „Neen, Massa, ik kan er hier geen nemen.”—„Gijmoet, Violet,” hernam hij. Gij ziet, hij verlangde dat ik ook slaven zou opkweeken, en daarom zei hij, dat hier een overvloed van jonge kerels was, maar ik hervatte, dat ik geen van allen kon nemen. Nu dan, Missis, toen ging hij naar Virginia en bragt twee negers mede, reeds vrij oude lieden, en Missis zeî: „Een daarvan is voor u, Violet;” maar ik zeî: „Neen, Missis, ik kan geen van beiden nemen, omdat ik niet van hen houd, en ik kan niemand nemen, dien ik niet bemin.” Toen riep Massa: „Gijmoet een van dezen nemen,—of, zoo gij hem niet lief kunt hebben, danmoet gij iemand anders vinden dien gij bemint.” Ik zeî: „O neen, Massa, dat kan ik niet doen,—ik kan niet elken dag een anderennemen.” Na eenigen tijd kocht Massa er nog drie bij en toen zei Missis: „Nu, Violet, een daarvan is voor u.” Ik herhaalde: „Ik kan niet; misschien bemin ik van hen ook geen;” maar zij antwoordde: „Gijmoeteen van dezen nemen.” Zoo dan leefden Sam en ik twee jaren; hij ging mijne gangen na en ik de zijne.„Eindelijk, op een avond, stonden wij zamen bij den houtstapel, en de maan scheen zeer helder, en hoe het kwam weet ik niet, Missis, maar hij zeî mij, dat hij eene vrouw wenschte te hebben, doch niet wist waar eene te krijgen. Ik antwoordde, dat er knappe meisjes genoeg in G. waren. „Ja,” zeî hij, „maar ik vind er misschien niet ééne, die mij zoo wel bevalt als gij.” Ik zei hem toen dat ik hem misschien zou tegenvallen, want dat ik reeds oud begon te worden, en dat ik vier kinderen van mijn eersten man had; en dat iemand, die mij trouwde, zoo goed voor de kinderen moest wezen als voor mij; dat ik hem anders niet kon lief hebben. Toen zei hij: „al ware het ook dat eene vrouw kinderen had (let op, dat hijmijniet noemde) zoo zou hij toch zoo vriendelijk zijn voor de kinderen als voor de moeder, en dat zou er veel van afhangen hoe zij hem behandelde.” Zoo kwamen wij van het eene ding op het andere, tot wij eindelijk verklaarden dat wij elkander namen, en zoo hebben wij sedert geleefd, en ik heb vier kinderen bij hem, en hij ontloopt mij nooit noch ik hem.”„Hoe trouwt gij in uw „yard”?”„Wel, wij vragen de blanken verlof en dannemenwij elkander. Sommigen worden met het boek getrouwd, maar waar dient het toe? Daar hebt ge mijn eersten man: wij zijn met het boek getrouwd, en toch werdhijnaar Florida verkocht enikben hier. Men doet met ons wat men wil, en zoo bevalt het hun niet dat wij voor vast getrouwd zijn. Het kan hun niet schelen wat wij doen, als wij maar geld voor hen verdienen.„Mijn eerste man was jong en zeer vriendelijk voor mij, o Missis,inderdaad zeer vriendelijk. Hij werkte nacht en dag om mij gemakken te bezorgen. o Het ging ons zeer goed zoo lang ik hem had; maar hij werd naar Florida verkocht, en sedert, Missis, ben ik dezelfde niet meer.Deze blanken hier vergunnen ons niets, in het geheel niets; zij geven ons eten en twee kleedjes in een jaar, een breede streep en een smalle streep; ik zal ze u eens laten zien, Missis.”En wij hebben ze gezien; want Violet bragt mij de „breede streep” met verzoek dat ik het voor haar maken zou. Er was juist genoeg om haar te bedekken, maar geene haken of oogen, geen garen, geene voering, dat moest zij zelve maar zien te krijgen; en toch ontvangt haar meester van onzen kastelein acht dollars ’s maands voor hare diensten. Wij vroegen hoe zij dan hare kleedjes gemaakt kreeg.„o Missis, mijn man werkt nu buiten de hoeve, zoodat hij vier pond spek en eene hoeveelheid meel iedere week krijgt; hij zuinigt het zoo uit, dat hij mij de vier pond spek geeft om de onkosten voor mijn kleedje uit te vinden. (Eene vraag: Zijn er ook echtgenooten in de beschaafde kringen die meer zouden doen dan deze man?)Toen Violet ons eens alle drie druk aan het schrijven vond, stond zij eenige oogenblikken in stilte de geheimzinnige bewegingen onzer pennen aan te staren, en zeide toen op den toon der diepste droefheid:„o Wat is dat toch een groote troost, Missis. Gij kunt aan uwe vrienden alles schrijven en ook aan u laten schrijven. Ons volk kan dit niet. Of zij levend of dood zijn, kunnen wij nimmer vernemen;soms, ja, hooren wij dat zij dood zijn.”

Lieve Mevrouw.

De zwarte godin, die over onze bedden en waschtafels het toezigt houdt, is zulk een wonderlijk staaltje van haar ras, dat ik wenschte, dat gij haar zien kondt. Haar geheele voorkomen, als zij daar zoo schaterend en neigend rondtrippelt, is in den hoogsten graad lachverwekkend en zou een vreemde al ligt op het denkbeeld brengen, dat het haar aan het verstand haperde. Dit is echter in geenen deele het geval. Gedurende de twee maanden, dat wij met haar bekend zijn, hebben wij verscheidene blijken van gezond verstand bij haar waargenomen, die zelfs lof zouden verdienen bij een blanke die tienmaal meer voorregten had dan zij.

Zij is zeer spraakzaam en schijnt te gevoelen, dat zij aanspraak heeft op onze belangstelling, alleen reeds omdat wij uit het Noorden komen, en wij zouden ongetwijfeldgeene geringe kennis van de „fraaije instelling” opdoen, zoo wij het raadzaam oordeelden, eenigzins lange gesprekken met haar te houden. Dit zou ons echter een bezoek van de overheden op den hals halen en eene aanmaning om de stad met den eerstvolgenden trein te verlaten. Wij moeten ons dus vergenoegen met, onder den schijn van zeer onverschillig te wezen, nu en dan iets op te vangen, en er een einde aan maken door haar om eene of andere kleinigheid uit te zenden; wij zorgen echter, hare eigenaardige uitdrukkingen ten papiere te brengen zoodra zij zich verwijderd heeft. Ik heb gedacht, dat eene copie daarvan u aangenaam zou wezen, vooral wegens de daarin voorkomende merkwaardige bijzonderheden aangaande de instelling des huwelijks, een noodwendig gevolg van het in zwang zijnde stelsel.

„Eene dame uit het Zuiden, welke vermeent dat het gevoel van den neger in deNegerhutwat al te hoog opgevijzeld is, verzekert ons, dat de gehechtheid niet zeer sterk kan zijn bij een man die twee of drie vrouwen en gezinnen op even zoo vele plantagiën heeft (!). En de meesteres van ons hotel berigt ons, dat hare keukenmeid met de volmaaktste onverschilligheid de tijding van haar man ontvangen heeft, dat hij eene andere vrouw bezit en zij een ander man mag nemen; zij had eenvoudig het voornemen te kennen gegeven „om er voor het oogenblik geen te nemen, daar zij in de volgende maand aan haar eigenaar in Georgia moest teruggezonden worden en het vertrek haar dan moeijelijker zou vallen.” En toch zijn beide die dames Godsdienstig en achten zich beleedigd door het minste vermoeden, dat de zedelijkheid hunner slaven niet hooger zou zijn dan die van de vrije negers in het Noorden.

Bij de geschiedenis van Violet zal ik ook die voegen van een onzer oppassers, waarin gij zeker wel belang zult stellen.

Violet’s vader en moeder stierven beiden, zoo als zij zegt, „vóór ik eenig begrip had,””—elf kinderen nalatende, die overal verstrooid waren. „Al kon ik er schatten meê winnen, Missis, zou ik niet kunnen zeggen waar een van allen is. Massa woont te Charleston. Mijn eerste echtgenoot was een knap man; hij had zeven kinderen;toen werd hij verkocht naar Florida; ik heb nooit meer van hem gehoord. De ouders sterven; o, dat is het verschrikkelijkste; als die dood zijn worden wij overal heen verstrooid. Ik werd in deze streken verkocht; nu heb ik een ander man en vier kinderen. Ik leefde heel genoegelijk met mijn eersten man en wij kregen vele kinderen. Maar hier is het schraal. Massa wil niet toelaten, dat wij iets hebben, geen varken, geen geit, geen hond; ja hij geeft ons zelfs geen weinigje koorn.Wij moeten maar rondkomen zoo als wij kunnen.Het eenige wat wij krijgen, zijn twee eigengeweven kleedjes.

„Ik kan niet naar demeetinggaan, omdat Missis te veel werk te doen heeft. ’s Zomers ga ik elken Zondagavond; maar bij deze korte dagen is de dag te snel om. Ik ga meestal naar de Doopsgezinde kerk.”

„Gaan de uwen daar gewoonlijk?”

„Zij zijn van drie soorten: Methodisten, Doopsgezinden en Episcopalen. Verleden zomer hebben wij Zondags avonds heel dikwijlsmeetingsin onzen „yard” gehad. Massa Johnson preêkte voor ons. Maar toen zeî hij, dat hij niet tweemaal preken kon: wij moesten maar naar de kerk komen.”

„Waarom?”

„Dat weet de hemel. Ik ga gaarne naar demeeting, vooral als er mooi gepreêkt wordt. Ik hoor het gaarne, als de menschen goed tot mij spreken. Ook ben ik blij als men mij voorleest. Waarom zou dat ook niet, al behoor ik niet tot de Kerk?”

„Laat uw meester toe, dat anderen u voorlezen?”

„Hij zal het mij niet beletten; ik behoef hem niet te vertellen, dat een ander mij voorleest. Ik moetmijneziel, hij dezijnetrachten te behouden. Onze eigenaars willen niet een paar minuten besteden om ons voor te lezen; dat zou eene te groote eer voor ons zijn; zij behandelen ons zeer hard. Sommige predikanten spreken ons wel eens vriendelijk toe en bidden met ons, envoor zichzelven heel wat er bij.”

„Ik heb zoo even een groot geschil gehad met Dinah in de keuken en haar gezegd: „Dinah, de weg dien gij opgaat, bederft den goeden naam van de vrouwen.” Zijantwoordde, dat zij er zich niet om bekreunde en dat zij zou doen wat haar goeddacht. Dinah is van haar eersten man weggeloopen en heeft een kind gehad bij Sambo (die aan Massa D. behoort), zoodat zij en haar eerste man van elkander afgeraakt zijn. De mannen, Missis, zien zulke dingen nooit met een goed oog aan.

„Gij weet, Missis, als wij van iets houden, willen wij niet dat een ander het hebben zal. Zoo iets, Missis, al laat men ’t niet merken, foltert iemand dood. Als mijn man mij op die wijze wilde ontloopen, Missis, ’k zou er bij zijn.Ikzou ook zoo niet handelen met mijn man. Al kan ik het hier verbergen, voor God zal het geopenbaard worden en de heele wereld zal het vernemen.

„Dinah’s tweede man zeî, dat het hem niets aanging, hoe zij met haar eersten man gehandeld had. Zoo denktmijnman er niet over. Hij zegt, dat hij niet doen zou wat Daniel doet; hij zou geen speelgoed koopen voor de andere kinderen; wiens ze waren, mogt dat doen. Nu, hoe het zij, Dinah’s eerste man komt, zoo dikwijls hij kan, over, om zijne kinderen te zien, en Sambo komt ook omzijnkind te zien, en geeft daarvoor aan Dinah snuisterijen.

„Massa had geene slaven dan een geel meisje, toen hij mij en mijne vier kinderen kocht. Nu wilde Massa kinderen van mij hebben; dus zeî hij: „Violet, gij moet een of anderen neger hier te G. nemen.”

Daarop antwoordde ik: „Neen, Massa, ik kan er hier geen nemen.”—„Gijmoet, Violet,” hernam hij. Gij ziet, hij verlangde dat ik ook slaven zou opkweeken, en daarom zei hij, dat hier een overvloed van jonge kerels was, maar ik hervatte, dat ik geen van allen kon nemen. Nu dan, Missis, toen ging hij naar Virginia en bragt twee negers mede, reeds vrij oude lieden, en Missis zeî: „Een daarvan is voor u, Violet;” maar ik zeî: „Neen, Missis, ik kan geen van beiden nemen, omdat ik niet van hen houd, en ik kan niemand nemen, dien ik niet bemin.” Toen riep Massa: „Gijmoet een van dezen nemen,—of, zoo gij hem niet lief kunt hebben, danmoet gij iemand anders vinden dien gij bemint.” Ik zeî: „O neen, Massa, dat kan ik niet doen,—ik kan niet elken dag een anderennemen.” Na eenigen tijd kocht Massa er nog drie bij en toen zei Missis: „Nu, Violet, een daarvan is voor u.” Ik herhaalde: „Ik kan niet; misschien bemin ik van hen ook geen;” maar zij antwoordde: „Gijmoeteen van dezen nemen.” Zoo dan leefden Sam en ik twee jaren; hij ging mijne gangen na en ik de zijne.

„Eindelijk, op een avond, stonden wij zamen bij den houtstapel, en de maan scheen zeer helder, en hoe het kwam weet ik niet, Missis, maar hij zeî mij, dat hij eene vrouw wenschte te hebben, doch niet wist waar eene te krijgen. Ik antwoordde, dat er knappe meisjes genoeg in G. waren. „Ja,” zeî hij, „maar ik vind er misschien niet ééne, die mij zoo wel bevalt als gij.” Ik zei hem toen dat ik hem misschien zou tegenvallen, want dat ik reeds oud begon te worden, en dat ik vier kinderen van mijn eersten man had; en dat iemand, die mij trouwde, zoo goed voor de kinderen moest wezen als voor mij; dat ik hem anders niet kon lief hebben. Toen zei hij: „al ware het ook dat eene vrouw kinderen had (let op, dat hijmijniet noemde) zoo zou hij toch zoo vriendelijk zijn voor de kinderen als voor de moeder, en dat zou er veel van afhangen hoe zij hem behandelde.” Zoo kwamen wij van het eene ding op het andere, tot wij eindelijk verklaarden dat wij elkander namen, en zoo hebben wij sedert geleefd, en ik heb vier kinderen bij hem, en hij ontloopt mij nooit noch ik hem.”

„Hoe trouwt gij in uw „yard”?”

„Wel, wij vragen de blanken verlof en dannemenwij elkander. Sommigen worden met het boek getrouwd, maar waar dient het toe? Daar hebt ge mijn eersten man: wij zijn met het boek getrouwd, en toch werdhijnaar Florida verkocht enikben hier. Men doet met ons wat men wil, en zoo bevalt het hun niet dat wij voor vast getrouwd zijn. Het kan hun niet schelen wat wij doen, als wij maar geld voor hen verdienen.

„Mijn eerste man was jong en zeer vriendelijk voor mij, o Missis,inderdaad zeer vriendelijk. Hij werkte nacht en dag om mij gemakken te bezorgen. o Het ging ons zeer goed zoo lang ik hem had; maar hij werd naar Florida verkocht, en sedert, Missis, ben ik dezelfde niet meer.Deze blanken hier vergunnen ons niets, in het geheel niets; zij geven ons eten en twee kleedjes in een jaar, een breede streep en een smalle streep; ik zal ze u eens laten zien, Missis.”

En wij hebben ze gezien; want Violet bragt mij de „breede streep” met verzoek dat ik het voor haar maken zou. Er was juist genoeg om haar te bedekken, maar geene haken of oogen, geen garen, geene voering, dat moest zij zelve maar zien te krijgen; en toch ontvangt haar meester van onzen kastelein acht dollars ’s maands voor hare diensten. Wij vroegen hoe zij dan hare kleedjes gemaakt kreeg.

„o Missis, mijn man werkt nu buiten de hoeve, zoodat hij vier pond spek en eene hoeveelheid meel iedere week krijgt; hij zuinigt het zoo uit, dat hij mij de vier pond spek geeft om de onkosten voor mijn kleedje uit te vinden. (Eene vraag: Zijn er ook echtgenooten in de beschaafde kringen die meer zouden doen dan deze man?)

Toen Violet ons eens alle drie druk aan het schrijven vond, stond zij eenige oogenblikken in stilte de geheimzinnige bewegingen onzer pennen aan te staren, en zeide toen op den toon der diepste droefheid:

„o Wat is dat toch een groote troost, Missis. Gij kunt aan uwe vrienden alles schrijven en ook aan u laten schrijven. Ons volk kan dit niet. Of zij levend of dood zijn, kunnen wij nimmer vernemen;soms, ja, hooren wij dat zij dood zijn.”

Kon er krachtiger aanmerking gemaakt worden op de wreede wetten, die den slaaf verbieden te leeren schrijven?

De geschiedenis van den oppasser luidt aldus:

George’s vader en moeder behoorden aan iemand in Florida. Gedurende den oorlog gingen twee oudere zusters aan boord van een Engelsch schip en kwamen te Halifax. Zijne moeder zou gaarne met haar geheele gezin medegegaan zijn, doch haar man haalde haar over, om te wachten tot het volgende schip zou zeilen, als wanneer hij ook meende te zullen kunnen gaan. Door dit uitstel ging de gelegenheid van ontvlugting verloren en het geheele gezinwerd kort daarna voor schuld verkocht. George, eene zuster en zijne moeder werden door éénzelfden persoon gekocht. Hij zegt: „Mijn oude meester was buiten zichzelven toen moeder stierf en zeî dat hij liever duizend dollars had willen verliezen. Zij was half eene Indiaansche met hair zoo regt als het uwe, en zij was blank als die peluw.”George huwde eene vrouw van eene andere plantage. Hij gaf daarvoor de volgende reden op: „Als een man zijne vrouw ziet mishandelen, trekt hij het zich onwillekeurig aan. Als hijhoortdat zijne vrouw mishandeld is, is het nog niet hetzelfde als wanneer hij hetziet. Zoo kon ik beter voor haar zorgen, dan wanneer zij op mijne plantage was. Deze vrouw nu werd hooger op verkocht, doch werd na eenige jaren lam en ziek en kon niet veel doen; daarom gaf Massa haar verlof en betaalde hare vracht tot G.” (Gij weet, voor de zieken en gebrekkigen wordt altijd gezorgd.) „Ik had haar in drie jaren niet gezien,” zeide George, „maar zoodra ik het hoorde, haalde ik haar terstond af, huurde een huisje en nam iemand omop haarte passen, en ging haar zoo dikwijls zien als ik kon.” Hij is een ambachtsman en werkte dikwijls nachten door ten einde dit alles te bekostigen. Zijn meester vraagt twintig dollars per maand voor zijne diensten en legt hem wekelijks vijftig cents toe voor kleederen en andere benoodigdheden. George zegt dat als hij, door ’s nachts ook te werken, maar geld genoeg bijeen kon zamelen om zich vrij te maken, hij wel iemand zou weten te vinden dien hij vertrouwen kon om hem te koopen. „Dan zou ik zoo hard als ooit werken om mijne kinderen los te koopen en van hier weg te komen.”„Waarheen?”„O, naar Philadelphia, New-York of ergens anders in het Noorden.”„Wel, daar zoudt gij doodvriezen!”„O neen, Missis, ik kan de koude wel verdragen.Maar ik heb behoefte om mij-zelven toe te behoorenen te doen wat ik noodig reken.”

George’s vader en moeder behoorden aan iemand in Florida. Gedurende den oorlog gingen twee oudere zusters aan boord van een Engelsch schip en kwamen te Halifax. Zijne moeder zou gaarne met haar geheele gezin medegegaan zijn, doch haar man haalde haar over, om te wachten tot het volgende schip zou zeilen, als wanneer hij ook meende te zullen kunnen gaan. Door dit uitstel ging de gelegenheid van ontvlugting verloren en het geheele gezinwerd kort daarna voor schuld verkocht. George, eene zuster en zijne moeder werden door éénzelfden persoon gekocht. Hij zegt: „Mijn oude meester was buiten zichzelven toen moeder stierf en zeî dat hij liever duizend dollars had willen verliezen. Zij was half eene Indiaansche met hair zoo regt als het uwe, en zij was blank als die peluw.”George huwde eene vrouw van eene andere plantage. Hij gaf daarvoor de volgende reden op: „Als een man zijne vrouw ziet mishandelen, trekt hij het zich onwillekeurig aan. Als hijhoortdat zijne vrouw mishandeld is, is het nog niet hetzelfde als wanneer hij hetziet. Zoo kon ik beter voor haar zorgen, dan wanneer zij op mijne plantage was. Deze vrouw nu werd hooger op verkocht, doch werd na eenige jaren lam en ziek en kon niet veel doen; daarom gaf Massa haar verlof en betaalde hare vracht tot G.” (Gij weet, voor de zieken en gebrekkigen wordt altijd gezorgd.) „Ik had haar in drie jaren niet gezien,” zeide George, „maar zoodra ik het hoorde, haalde ik haar terstond af, huurde een huisje en nam iemand omop haarte passen, en ging haar zoo dikwijls zien als ik kon.” Hij is een ambachtsman en werkte dikwijls nachten door ten einde dit alles te bekostigen. Zijn meester vraagt twintig dollars per maand voor zijne diensten en legt hem wekelijks vijftig cents toe voor kleederen en andere benoodigdheden. George zegt dat als hij, door ’s nachts ook te werken, maar geld genoeg bijeen kon zamelen om zich vrij te maken, hij wel iemand zou weten te vinden dien hij vertrouwen kon om hem te koopen. „Dan zou ik zoo hard als ooit werken om mijne kinderen los te koopen en van hier weg te komen.”

„Waarheen?”

„O, naar Philadelphia, New-York of ergens anders in het Noorden.”

„Wel, daar zoudt gij doodvriezen!”

„O neen, Missis, ik kan de koude wel verdragen.Maar ik heb behoefte om mij-zelven toe te behoorenen te doen wat ik noodig reken.”

De volgende mededeeling is aan de schrijfster gedaan door den heer Austin Bearse, koopvaardij-kapitein te Boston engeboortig van Barnstable aan Cape Cod. Hij is wel bekend bij de burgers en kooplieden van Boston.

Ik ben afkomstig uit den StaatMassachusetts.Tusschen 1818 en 1830 voer ik als stuurman aan boord van verschillende schepen, die de kustvaart aan de stranden van Zuid-Carolina dreven.Het is bekend, dat vele schepen van Nieuw-Engeland de gewoonte hebben om den winter aan de zuidelijke kust met deze bezigheid door te brengen. Onze schepen plagten de rivier op te varen om de ruwe rijst en katoen van de plantages te halen, die wij dan naar Charleston bragten.Wij voerden dikwijls troepen negers naar de plantagiën, wier eigenaren hen ontboden hadden. Deze slaven waren door de slavenhandelaren doorgaans bijeen gezocht uit de slavenmagazijnen te Charleston, alwaar zij door verschillende oorzaken heengebragt waren, zooals door den dood hunner eigenaren of door boedelscheiding die hen deed verkoopen. Sommigen waren er heen gezonden tot straffe voor ongehoorzaamheid, of doordien het aantal slaven te groot was, of omdat personen die naar het Noorden of Westen verhuisden liever hunne slaven verkochten dan zich met de moeite te belasten van ze mede te nemen. Van tijd tot tijd hadden wij die slaven in aanzienlijke getallen aan boord, soms slechts twee of drie, maar soms ook wel zeventig of tachtig. Zij waren van hunne gezinnen en betrekkingen gescheiden met even weinig omslag, als men in acht neemt bij het uitzoeken van eene partij varkens of schapen.Onze schepen lagen gewoonlijk op eene plek genaamd Arme Mans Kreek, niet ver van de stad. Wij plagten de betrekkingen en vrienden van de slaven verlof te geven, om aan boord te komen en den geheelen nacht bij hunne vrienden te blijven, eer het schip onder zeil ging. Des morgens was het mijne taak de luiken open te doen en hen te waarschuwen, dat de tijd van scheiden was gekomen, en op zulk een oogenblik waren de gillen en hartverscheurende kreten genoegzaam om iemand de bezinning schier te doen verliezen.In het jaar 1828, toen ik stuurman was op de brikMiltonvan Boston, bestemd naar New-Orleans, vond hetvolgende plaats, dat mij nimmer uit het geheugen zal gaan: De slavenhandelaars bragten aan boord vier quarterons, met handboeijen voorzien, en die naar New-Orleans vervoerd moesten worden. Eene oude negerin, gewis meer dan tachtig jaren oud, liep hen handenwringend na, uitroepende: „Mijn zoon, o mijn zoon, mijn zoon!” Zij scheen bijna uitzinnig en toen wij reeds eene mijl buiten de haven waren konden wij haar gillen nog hooren.Toen wij in zee waren ging ik naar de vier mannen en ontdeed hen van hunne handboeijen. Zij waren vastberadene kerels en zeiden mij, dat ik zien zou, dat zij nimmer levend te New-Orleans slaven zouden zijn. Een hunner was timmerman, een ander smid. Wij bragten hen te New-Orleans aan en leverden hen uit aan den agent. Later verhaalde deze aan den kapitein, dat zij allen binnen acht en veertig uren na hunne aankomst te New-Orleans dood waren. Zij hadden zich allen omgebragt, zoo als zij gedreigd hadden. Een hunner weet ik, werd voor stoker op de stoombootPost Boygekocht; doch hij sprong over boord en verdronk. Van de anderen werd een verkocht aan een smid en een aan een timmerman. De bijzonderheden van hun dood zijn mij niet ter oore gekomen.Achter Charleston, te Coosahatchie, lag eene plantage, welke aan eene weduwe behoorde, die tachtig negers hield. Zij ontbood van Charleston een jonge quarteronne voor haar zoon; het meisje was nagenoeg geheel blank. Wij voerden haar derwaarts. Daar zij veel delicater was dan de andere slaven, werd zij niet bij hen, maar in de kajuit geplaatst.Ik ben op de rijstplantagiën aan de rivier geweest en heb daar den rijstbouw gezien. In het najaar werken al de plantage-arbeiders, zoo mannen als vrouwen, in de rijstgreppels met het water tot boven de knieën en trekken het gras uit, om den grond voor het zaaijen van de rijst geschikt te maken. De slaven, die hier uit de stad gebragt worden, vinden dit een bijna ondoenlijken arbeid, daar zij meestal tot huiswerk zijn opgeleid. Het verblijf op de plantagiën is zoo doodelijk, dat de blanken daar in zomertijd niet vertoeven kunnen dan met gevaar van hun leven. De eigenaars en hunne familiën bevinden zich daar alleen’s winters en de slaven zijn zomers geheel aan de opzigters overgelaten. Ik heb gezien, dat die opzieners meestal een brutaal slag van menschen zijn, die zich aan dronkenschap en dobbelspel overgeven.In den loop mijner togten heb ik de slavernij in bijna alle landen der wereld gezien. Ik ben in Algiers geweest en heb daar de slavernij aanschouwd. Ik heb de slavernij te Smirna gezien, bij de Turken. Het was te Smirna, toen onze Amerikaansche consul een schoon Grieksch meisje vrijkocht. Ik zag haar aan boord van de brikSuffolkkomen, toen zij naar Amerika overgevoerd werd om hare opvoeding te erlangen. Ik heb de slavernij gezien in de Spaansche en Turksche havens, ofschoon ik daar niet op de plantagiën geweest ben.Mijn gevoelen is, dat de Amerikaansche slavernij, gelijk ik die gezien heb bij den binnenlandschen slavenhandel, op de rijst- en suiker-plantagiën en in de stad New-Orleans,ten volle een slechtis als in eenig land ter wereld, heidensch of Christelijk. Menschen, die voor bezoeken of vermaak de zuidelijke Staten doorreizen, kunnen onmogelijk die dingen te weten komen, die door varensgezellen gezien worden, welke de rivieren opzeilen naar de ver achter af gelegene plantagiën en die de slaven en de producten der plantagiën vervoeren.In mijne jonge dagen werd over de slavernij niet veel gesproken. Ik zag haar even als anderen, zonder mij er aan gelegen te laten liggen. Doch daar ik het niet meer voor goed houd, die dingen in stilte aan te zien, vaar ik tegenwoordig niet meer op de zuidelijke Staten.

Ik ben afkomstig uit den StaatMassachusetts.Tusschen 1818 en 1830 voer ik als stuurman aan boord van verschillende schepen, die de kustvaart aan de stranden van Zuid-Carolina dreven.

Het is bekend, dat vele schepen van Nieuw-Engeland de gewoonte hebben om den winter aan de zuidelijke kust met deze bezigheid door te brengen. Onze schepen plagten de rivier op te varen om de ruwe rijst en katoen van de plantages te halen, die wij dan naar Charleston bragten.

Wij voerden dikwijls troepen negers naar de plantagiën, wier eigenaren hen ontboden hadden. Deze slaven waren door de slavenhandelaren doorgaans bijeen gezocht uit de slavenmagazijnen te Charleston, alwaar zij door verschillende oorzaken heengebragt waren, zooals door den dood hunner eigenaren of door boedelscheiding die hen deed verkoopen. Sommigen waren er heen gezonden tot straffe voor ongehoorzaamheid, of doordien het aantal slaven te groot was, of omdat personen die naar het Noorden of Westen verhuisden liever hunne slaven verkochten dan zich met de moeite te belasten van ze mede te nemen. Van tijd tot tijd hadden wij die slaven in aanzienlijke getallen aan boord, soms slechts twee of drie, maar soms ook wel zeventig of tachtig. Zij waren van hunne gezinnen en betrekkingen gescheiden met even weinig omslag, als men in acht neemt bij het uitzoeken van eene partij varkens of schapen.

Onze schepen lagen gewoonlijk op eene plek genaamd Arme Mans Kreek, niet ver van de stad. Wij plagten de betrekkingen en vrienden van de slaven verlof te geven, om aan boord te komen en den geheelen nacht bij hunne vrienden te blijven, eer het schip onder zeil ging. Des morgens was het mijne taak de luiken open te doen en hen te waarschuwen, dat de tijd van scheiden was gekomen, en op zulk een oogenblik waren de gillen en hartverscheurende kreten genoegzaam om iemand de bezinning schier te doen verliezen.

In het jaar 1828, toen ik stuurman was op de brikMiltonvan Boston, bestemd naar New-Orleans, vond hetvolgende plaats, dat mij nimmer uit het geheugen zal gaan: De slavenhandelaars bragten aan boord vier quarterons, met handboeijen voorzien, en die naar New-Orleans vervoerd moesten worden. Eene oude negerin, gewis meer dan tachtig jaren oud, liep hen handenwringend na, uitroepende: „Mijn zoon, o mijn zoon, mijn zoon!” Zij scheen bijna uitzinnig en toen wij reeds eene mijl buiten de haven waren konden wij haar gillen nog hooren.

Toen wij in zee waren ging ik naar de vier mannen en ontdeed hen van hunne handboeijen. Zij waren vastberadene kerels en zeiden mij, dat ik zien zou, dat zij nimmer levend te New-Orleans slaven zouden zijn. Een hunner was timmerman, een ander smid. Wij bragten hen te New-Orleans aan en leverden hen uit aan den agent. Later verhaalde deze aan den kapitein, dat zij allen binnen acht en veertig uren na hunne aankomst te New-Orleans dood waren. Zij hadden zich allen omgebragt, zoo als zij gedreigd hadden. Een hunner weet ik, werd voor stoker op de stoombootPost Boygekocht; doch hij sprong over boord en verdronk. Van de anderen werd een verkocht aan een smid en een aan een timmerman. De bijzonderheden van hun dood zijn mij niet ter oore gekomen.

Achter Charleston, te Coosahatchie, lag eene plantage, welke aan eene weduwe behoorde, die tachtig negers hield. Zij ontbood van Charleston een jonge quarteronne voor haar zoon; het meisje was nagenoeg geheel blank. Wij voerden haar derwaarts. Daar zij veel delicater was dan de andere slaven, werd zij niet bij hen, maar in de kajuit geplaatst.

Ik ben op de rijstplantagiën aan de rivier geweest en heb daar den rijstbouw gezien. In het najaar werken al de plantage-arbeiders, zoo mannen als vrouwen, in de rijstgreppels met het water tot boven de knieën en trekken het gras uit, om den grond voor het zaaijen van de rijst geschikt te maken. De slaven, die hier uit de stad gebragt worden, vinden dit een bijna ondoenlijken arbeid, daar zij meestal tot huiswerk zijn opgeleid. Het verblijf op de plantagiën is zoo doodelijk, dat de blanken daar in zomertijd niet vertoeven kunnen dan met gevaar van hun leven. De eigenaars en hunne familiën bevinden zich daar alleen’s winters en de slaven zijn zomers geheel aan de opzigters overgelaten. Ik heb gezien, dat die opzieners meestal een brutaal slag van menschen zijn, die zich aan dronkenschap en dobbelspel overgeven.

In den loop mijner togten heb ik de slavernij in bijna alle landen der wereld gezien. Ik ben in Algiers geweest en heb daar de slavernij aanschouwd. Ik heb de slavernij te Smirna gezien, bij de Turken. Het was te Smirna, toen onze Amerikaansche consul een schoon Grieksch meisje vrijkocht. Ik zag haar aan boord van de brikSuffolkkomen, toen zij naar Amerika overgevoerd werd om hare opvoeding te erlangen. Ik heb de slavernij gezien in de Spaansche en Turksche havens, ofschoon ik daar niet op de plantagiën geweest ben.

Mijn gevoelen is, dat de Amerikaansche slavernij, gelijk ik die gezien heb bij den binnenlandschen slavenhandel, op de rijst- en suiker-plantagiën en in de stad New-Orleans,ten volle een slechtis als in eenig land ter wereld, heidensch of Christelijk. Menschen, die voor bezoeken of vermaak de zuidelijke Staten doorreizen, kunnen onmogelijk die dingen te weten komen, die door varensgezellen gezien worden, welke de rivieren opzeilen naar de ver achter af gelegene plantagiën en die de slaven en de producten der plantagiën vervoeren.

In mijne jonge dagen werd over de slavernij niet veel gesproken. Ik zag haar even als anderen, zonder mij er aan gelegen te laten liggen. Doch daar ik het niet meer voor goed houd, die dingen in stilte aan te zien, vaar ik tegenwoordig niet meer op de zuidelijke Staten.

Het volgende verslag is aan de schrijfster gegeven door Lewis Hayden, een slaaf, die uit Kentucky ontsnapte door de medewerking van eene jonge dame, geheeten Delia Webster, en een man, genaamd Calvin Fairbanks. Beiden hebben er voor gevangen gezeten. Lewis Hayden heeft zich een geachten naam verworven als vrij burger van Boston, waar vele personen bereid zijn, nopens hem de gunstigste getuigenis af te leggen.

Ik behoorde aan den eerwaarden heer Adam Runkin, een Presbyteriaansch predikant te Lexington in Kentucky.Mijne moeder was van gemengd bloed,—blank en Indiaansch. Zij huwde mijn vader, toen hij in eene naburige fabriek werkte. Na eenigen tijd verhuisde mijns vaders eigenaar en nam hem mede, hetwelk het huwelijk verbrak. Zij was eene schoone vrouw. Mijn meester hield een groot melkhuis en daar was zij de melkster. Lexington was in die dagen een klein plaatje en het melkhuis lag in de stad. Achter de school was de vrijmetselaarsloge. Een man, die tot de loge behoorde, zag mijne moeder terwijl zij aan haar werk was. Hij deed haar oneerlijke voorslagen. Toen zij hem niet te woord wilde staan, voegde hij haar toe, dat zij geen hoogen toon moest voeren, want dat hij haar zou hebben indien zij voor geld te krijgen was. Mijne moeder vertelde het aan de oude mevrouw en smeekte dat de meester haar toch niet zou verkoopen. Desniettemin verkocht hij haar. Mijne moeder was hooghartig, hetgeen zij aan haar Indiaansch bloed te danken had. Zij verkoos met dien man niet te leven zoo als hij wenschte, waarop hij haar naar de gevangenis zond, haar liet geeselen en haar op zoo onderscheidene wijzen strafte, dat zij vlagen van krankzinnigheid kreeg. Toen ik inde Negerhutvan Cassy las, kwam al het gebeurde met mijne moeder mij weêr voor den geest en wilde ik het mevrouw Stowe melden. Verscheidene malen beproefde zij, zich om het leven te brengen, eens met een mes en eens door ophanging. Zij had lang, regt hair, dat na deze voorvallen grijs werd, als of zij eene oude vrouw ware. In hare vlagen sprak zij altijd van hare kinderen. De houder van het gevangenhuis bragt haar eigenaar onder het oog, dat zij misschien herstellen zou, zoo hij haar bij hare kinderen liet. Men liet haar dus eens uit en zij kwam op de plaats waar wij waren. Ik was welligt zeven of acht jaren oud, ofschoon ik het juiste er niet van weet. Ik was van huis toen zij verscheen. Toen ik terug kwam vond ik haar in eene der hutten nabij de keuken. Zij sprong op, greep mij bij mijne armen als of zij die breken wilde en riep uit: „Ik zal u zoo toetakelen, dat zij nooit iets aan u zullen hebben!” Ik schreeuwde, want ik dacht dat zij mij wilde vermoorden, waarop personen binnenkwamen, die mij wegbragten. Men bond haar en voerde haar weg. Soms,als zij bij hare zinnen was, verhaalde zij mij het kwaad, dat men haar had aangedaan. Eindelijk verkocht haar eigenaar haar voor eene geringe som aan iemand, met name Lackey. Daar gaf men haar een anderen man en kreeg zij verscheidene kinderen. Na eene poos stierf deze man of werd hij verkocht,—het regte herinner ik mij niet meer. Lackey verkocht haar daarop aan zekeren Bryant. De eigenaar van mijn eigen vader vestigde zich nu in de nabijheid van dien man, en bragt mijne moeder weder bij hem. Mijn vader had op de plaats, waar hij vertoefd had, weder eene andere vrouw en een aantal kinderen gehad. Hij en mijne moeder kwamen dus nu weder bijeen en bragten hunne dagen met elkander ten einde. In de laatste tijden had mijne moeder haar verstand nagenoeg weder geheel teruggekregen.Ik heb in Kentucky nooit eenig blijk gezien, dat de bedienaren of leeraren der Godsdienst het voor iets ergers beschouwden, dat men slaven, dan dat men dieren van elkander scheidde. Er kunnen leeraren zijn die het voor ongeoorloofd houden, maar ik ben nooit met dezulken in aanraking geweest. Mijn meester was een predikant, en toch verkocht hij mijne moeder, gelijk ik verhaald heb. Toen hij uit Kentucky naar Pennsylvania vertrok, verkocht hij al mijne broeders en zusters bij veiling. Ik stond er bij en zag hen verkoopen. Toen ik ook ter tafel gebragt zou worden, verruilde hij mij tegen een paar koetspaarden. Ik zag met zonderlinge gevoelens die paarden aan. Ik had de hoop gekoesterd, dat mijn meester mij zou medenemen naar Pennsylvania, en dat ik daar de vrijheid zou erlangen. Wat zag ik die paarden aan en wandelde er rond, overdenkende, datiktegen die beesten geruild was!De spraak ging, dat mijn meester op den predikstoel gezegd had, dat er even weinig kwaad in stak, een gezin van slaven, als een nest biggen te scheiden. Ik voor mij heb het hem niet hooren zeggen, en kan dus niet verzekeren of het al dan niet waar is.Hoe zonderling het schijne, is het toch waar, dat ik, bij mijne pogingen om tot de vrijheid te geraken, meer medewerking en goeden raad ondervond van dobbelaars enzulk soort van menschen, dan van Christenen. Sommigen hunner bejegenden mij zelfs buitengemeen vriendelijk.Ik heb nog nooit een slavenhandelaar gezien, die niet in den grond zijns harten overtuigd scheen te wezen, dat het een slecht bedrijf was. Ik heb er velen gekend, als b. v. Neal, McAnn, Cobb, Stone, Pulliam en Davis, enz. Zij waren gelijk Haley,—zij hadden het voornemen om zich te bekeeren als zij goed af waren.Over het algemeen voelden de kleurlingen van mijne kennisniet de geringste mate van gerustheid, met opzigt tot hunne familiebetrekkingen. Wel is waar, meenden sommigen, die tot rijke familiën behoorden, eenigzins gerust te kunnen zijn; doch diegenen onzer, die dieper doorzagen en wisten, hoevelen niet zoo rijk waren als zij schenen, als ook, hoe snel het geld door de vingers druipt, waren altijd zeer ellendig. De handelaar sloop altijd rond, de slavenmagazijnen waren in de nabijheid en wij wisten niet wanneer iemand onzer er soms in kon geraken. Dan waren er nog de rijstmoerassen en de suiker- en katoen-plantagiën; ons leven lang werden zij ons door onze meesters en meesteressen als schrikbeelden voorgehouden. Wij wisten daar alles van; en als een vriend werd weggevoerd, wel nu, dat was zoo goed als zijn dood, want wij konden hem niet schrijven, noch van hem hooren, en verwachtten niet hem immer terug te zien.Ik heb een kind gehad, dat in Kentucky begraven ligt, en het doet mij genoegen aan dat graf te denken. Ik heb er nog een gehad, dat verkocht is zonder dat iemand weet waarheen, en waaraan ik niet denken kan zonder het grievendste hartzeer.

Ik behoorde aan den eerwaarden heer Adam Runkin, een Presbyteriaansch predikant te Lexington in Kentucky.

Mijne moeder was van gemengd bloed,—blank en Indiaansch. Zij huwde mijn vader, toen hij in eene naburige fabriek werkte. Na eenigen tijd verhuisde mijns vaders eigenaar en nam hem mede, hetwelk het huwelijk verbrak. Zij was eene schoone vrouw. Mijn meester hield een groot melkhuis en daar was zij de melkster. Lexington was in die dagen een klein plaatje en het melkhuis lag in de stad. Achter de school was de vrijmetselaarsloge. Een man, die tot de loge behoorde, zag mijne moeder terwijl zij aan haar werk was. Hij deed haar oneerlijke voorslagen. Toen zij hem niet te woord wilde staan, voegde hij haar toe, dat zij geen hoogen toon moest voeren, want dat hij haar zou hebben indien zij voor geld te krijgen was. Mijne moeder vertelde het aan de oude mevrouw en smeekte dat de meester haar toch niet zou verkoopen. Desniettemin verkocht hij haar. Mijne moeder was hooghartig, hetgeen zij aan haar Indiaansch bloed te danken had. Zij verkoos met dien man niet te leven zoo als hij wenschte, waarop hij haar naar de gevangenis zond, haar liet geeselen en haar op zoo onderscheidene wijzen strafte, dat zij vlagen van krankzinnigheid kreeg. Toen ik inde Negerhutvan Cassy las, kwam al het gebeurde met mijne moeder mij weêr voor den geest en wilde ik het mevrouw Stowe melden. Verscheidene malen beproefde zij, zich om het leven te brengen, eens met een mes en eens door ophanging. Zij had lang, regt hair, dat na deze voorvallen grijs werd, als of zij eene oude vrouw ware. In hare vlagen sprak zij altijd van hare kinderen. De houder van het gevangenhuis bragt haar eigenaar onder het oog, dat zij misschien herstellen zou, zoo hij haar bij hare kinderen liet. Men liet haar dus eens uit en zij kwam op de plaats waar wij waren. Ik was welligt zeven of acht jaren oud, ofschoon ik het juiste er niet van weet. Ik was van huis toen zij verscheen. Toen ik terug kwam vond ik haar in eene der hutten nabij de keuken. Zij sprong op, greep mij bij mijne armen als of zij die breken wilde en riep uit: „Ik zal u zoo toetakelen, dat zij nooit iets aan u zullen hebben!” Ik schreeuwde, want ik dacht dat zij mij wilde vermoorden, waarop personen binnenkwamen, die mij wegbragten. Men bond haar en voerde haar weg. Soms,als zij bij hare zinnen was, verhaalde zij mij het kwaad, dat men haar had aangedaan. Eindelijk verkocht haar eigenaar haar voor eene geringe som aan iemand, met name Lackey. Daar gaf men haar een anderen man en kreeg zij verscheidene kinderen. Na eene poos stierf deze man of werd hij verkocht,—het regte herinner ik mij niet meer. Lackey verkocht haar daarop aan zekeren Bryant. De eigenaar van mijn eigen vader vestigde zich nu in de nabijheid van dien man, en bragt mijne moeder weder bij hem. Mijn vader had op de plaats, waar hij vertoefd had, weder eene andere vrouw en een aantal kinderen gehad. Hij en mijne moeder kwamen dus nu weder bijeen en bragten hunne dagen met elkander ten einde. In de laatste tijden had mijne moeder haar verstand nagenoeg weder geheel teruggekregen.

Ik heb in Kentucky nooit eenig blijk gezien, dat de bedienaren of leeraren der Godsdienst het voor iets ergers beschouwden, dat men slaven, dan dat men dieren van elkander scheidde. Er kunnen leeraren zijn die het voor ongeoorloofd houden, maar ik ben nooit met dezulken in aanraking geweest. Mijn meester was een predikant, en toch verkocht hij mijne moeder, gelijk ik verhaald heb. Toen hij uit Kentucky naar Pennsylvania vertrok, verkocht hij al mijne broeders en zusters bij veiling. Ik stond er bij en zag hen verkoopen. Toen ik ook ter tafel gebragt zou worden, verruilde hij mij tegen een paar koetspaarden. Ik zag met zonderlinge gevoelens die paarden aan. Ik had de hoop gekoesterd, dat mijn meester mij zou medenemen naar Pennsylvania, en dat ik daar de vrijheid zou erlangen. Wat zag ik die paarden aan en wandelde er rond, overdenkende, datiktegen die beesten geruild was!

De spraak ging, dat mijn meester op den predikstoel gezegd had, dat er even weinig kwaad in stak, een gezin van slaven, als een nest biggen te scheiden. Ik voor mij heb het hem niet hooren zeggen, en kan dus niet verzekeren of het al dan niet waar is.

Hoe zonderling het schijne, is het toch waar, dat ik, bij mijne pogingen om tot de vrijheid te geraken, meer medewerking en goeden raad ondervond van dobbelaars enzulk soort van menschen, dan van Christenen. Sommigen hunner bejegenden mij zelfs buitengemeen vriendelijk.

Ik heb nog nooit een slavenhandelaar gezien, die niet in den grond zijns harten overtuigd scheen te wezen, dat het een slecht bedrijf was. Ik heb er velen gekend, als b. v. Neal, McAnn, Cobb, Stone, Pulliam en Davis, enz. Zij waren gelijk Haley,—zij hadden het voornemen om zich te bekeeren als zij goed af waren.

Over het algemeen voelden de kleurlingen van mijne kennisniet de geringste mate van gerustheid, met opzigt tot hunne familiebetrekkingen. Wel is waar, meenden sommigen, die tot rijke familiën behoorden, eenigzins gerust te kunnen zijn; doch diegenen onzer, die dieper doorzagen en wisten, hoevelen niet zoo rijk waren als zij schenen, als ook, hoe snel het geld door de vingers druipt, waren altijd zeer ellendig. De handelaar sloop altijd rond, de slavenmagazijnen waren in de nabijheid en wij wisten niet wanneer iemand onzer er soms in kon geraken. Dan waren er nog de rijstmoerassen en de suiker- en katoen-plantagiën; ons leven lang werden zij ons door onze meesters en meesteressen als schrikbeelden voorgehouden. Wij wisten daar alles van; en als een vriend werd weggevoerd, wel nu, dat was zoo goed als zijn dood, want wij konden hem niet schrijven, noch van hem hooren, en verwachtten niet hem immer terug te zien.

Ik heb een kind gehad, dat in Kentucky begraven ligt, en het doet mij genoegen aan dat graf te denken. Ik heb er nog een gehad, dat verkocht is zonder dat iemand weet waarheen, en waaraan ik niet denken kan zonder het grievendste hartzeer.

De volgende geschiedenis is lang en een gedeelte er van is openbaar bekend geworden.

In dat verhaal is het geheele verslag vervat van de gedenkwaardige aanhouding van dePearl, welke ten jare 1848 zulk eene sensatie te Washington verwekte. De schrijfster zal er echter eene korte historie aan vooraf doen gaan van eene slavin van welke zes kinderen betrokken waren in die noodlottige onderneming.


Back to IndexNext