Hoofdstuk V.

Hoofdstuk V.Vervolg.Maar waarom hebben de Apostelen niet tegen de wettige betrekking der slavernij gepredikt, en haar in den Staat zoeken te vernietigen? Men heeft deze vraag dikwijls opgeworpen, alsof de Apostelen zich in denzelfden toestand hadden bevonden als de geestelijkheid der zuidelijke kerken; alsof zij leden van republikeinsche instellingen, alsof zij wetgevers geweest waren, en in het bezit van alle republikeinsche vermogens om de herroeping van onregtvaardige wetten te weeg te brengen.Wel verre daar vandaan, zal eene oppervlakkige lezing van het Nieuwe Testament ons doen zien dat de Apostelen zich bijkans in den toestand van buiten de wet gestelde ballingen bevonden, onder een gestreng en despotisch bestuur, welks geest en wetten zij als onchristelijk afkeurden, en waaraan zijzich onderwierpen even zoo als zij den slaaf tot onderwerping vermaanden, als aan een noodzakelijk kwaad.Men hoore slechts den Apostel Paulus de staatkundige voorregten opsommen, aan het dienaarschap van Christus verbonden. In de gemeente te Corinthe waren valsche leeraars opgestaan, die zijne prediking tegenspraken, terwijl zij verzekerden grootere aanspraken op gezag in de Christelijke bediening te hebben dan hij. Terwijl Paulus nu zijn apostolisch ambt verdedigt, spreekt hij aldus: „Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde,) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal. Van de Joden heb ik veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest, eens ben ik gesteenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, eenen ganschen nacht en dag heb ik in de diepte overgebragt. In het reizen menigmaal, in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren in de zee, in gevaren onder de valsche broeders, in arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid.”Welke opsomming der ongemakken van een Amerikaanschen slaaf kan de ongemakken van den grooten Apostel der Heidenen meer dan evenaren? Hij kwam in geene andere aanraking met de wetten, dan om hare straffen te lijden. Zij waren gemaakt en werden gehandhaafd zonder zich aan hem te bekreunen, en de slaaf had er niets meerder van te lijden dan hij.Het valt in het oog dat de geestelijken van het Zuiden, wanneer zij, in navolging van den Apostel, de burgerlijke betrekking van den slaaf geheel buiten de zaak houden, het groote onderscheid voorbijzien tusschen den toestand van een’ Amerikaansch geestelijke, in een republikeinsch bestuur, waar hij zelf de wetten helpt maken en in stand houden,—en dien van den Apostel, onder een heidensch despotismus, met welks wetten hij niets kon te doen hebben.Een buiten de wet gestelde slaaf kan zeer gevoegelijk tot andere buiten de wet gestelde slaven vermaningen rigten om zich aan een bestuur te onderwerpen, hetwelk hij noch zij eenige de minste magt hebben om te veranderen.In predikatiën, door geestelijken in het Zuiden tot slaven gerigt, lezen wij vermaningen tot onderwerping, en geduld, en ootmoedigheid, in hunnen toestand van slavernij, die uitnemend gepast zouden zijn in den mond van een Apostel, waar hij en de slaven gelijkelijk onder den druk stonden van een despotismus welks wetten zij niet konden veranderen; maar die een geheel ander karakter aannemen, wanneer zij tot den slaaf gerigt worden door de eigen lieden die de wetten maken welke hen in slavernij brengen.Als iemand bij den weg afgezet en van al het zijne beroofd was geworden, zou het zeer gepast en voegzaam zijn wanneer zijn leeraar hem met zijn toestand poogde te verzoenen, als, in zeker opzigt, eene beschikking van de Voorzienigheid; maar zoo de man die hem beroofd had bij hem kwam, en dezelfde vermaningen tot hem rigtte, dan zou hij toch wel van gedachten zijn dat de zaak een geheel ander aanzien kreeg.Een geestelijke van hoogen rang in de Kerk, sprak de negers, in eene predikatie, aldus aan:Het heeft God Almagtig behaagd u hier slaven te doen zijn, en u in deze wereld niets dan arbeid en armoede te beschikken; en gij zijt verpligt u daaraan te onderwerpen, dewijl het Zijn wil is, dat het zoo zijn zoude. En gaat eens bij u-zelven na, hoe verschrikkelijk het zijn zoude, wanneer gij, na al uwen arbeid en lijden in dit leven, in het volgende leven ter helle verwezen wierd; en, na uwe ligchamen hier in dienstbaarheid te hebben afgesleten, in eene nog veel ergere slavernij te geraken, wanneer uwe arme zielen in het bezit des duivels zouden worden overgegeven, om voor eeuwig zijne slaven te blijven, zonder de minste hoop van bevrijding. Wanneer gij, derhalve, Gods vrije lieden in den hemel zijn wilt, dan moet gij trachten goed te zijn, en Hem hier op aarde te dienen. Uwe ligchamen, zoo als gij weet, zijn niet uwe eigene; zij staan ter beschikking van hen, aan wien gij toebehoort; doch uwe kostelijke zielen zijn altoos de uwe, en niets dan uwe eigene schuld kan haar u ontrooven. Overweegt dus wel, dat zoo gij door hier een lui en zondig leven te leiden, uwe zielen doet verloren gaan, gij er in deze wereld niets mede wint, en in de toekomendealles door verliest; want uwe luiheid en verkeerdheid komt, over het algemeen, aan den dag, en uwe ligchamen moeten er hier voor lijden; en, wat nog veel erger is, zoo gij geene boete doet en u bekeert, zullen uwe ongelukkige zielen er hiernamaals voor lijden.Welnu, deze geestelijke was ontwijfelbaar ter goeder trouw. Hij had het Nieuwe Testament gelezen, en opgemerkt dat Paulus aan de slaven van zijnen tijd gelijksoortige vermaningen voorhoudt.Maar hij vergat geheel te bedenken, dat Paulus de regten niet had van een republikeinsch geestelijke; dat hij de wetten, die de slaven in hunnen toenmaligen toestand bragten, gemaakt had noch verdedigde, maar slechts een deelgenoot van hun lijden was. Een voorbeeld zou deze stelling aan onzen geestelijke kunnen ophelderen. Neem eens dat hij langs den grooten weg reisde, met al zijne wereldsche bezittingen, in den vorm van banknoten, bij zich. Hij wordt door eene bende struikroovers aangevallen, aan een boom gebonden, en van al zijne bezittingen beroofd. Deze struikroovers zouden voor dit bedrijf juist hetzelfde regt kunnen aanvoeren, als dat van den geestelijke en zijne republikeinsche broeders, om al de verdiensten en bezittingen hunner slaven tot zich te nemen. Het eigendom zou aan de struikroovers uit krachte van juist denzelfden regtstitel toebehooren: niet omdat zij het gewonnen of verdiend, maar eenvoudig omdat zij het genomen hebben, en in staat zijn om het te behouden.De hoofdman der bende, eenig misnoegen op het gelaat van den geestelijke bespeurende, begint hem eene godsdienstige vermaning tot geduld en onderwerping voor te houden, nagenoeg in dezelfde bewoordingen waarmede hij voorheen de slaven had toegesproken. „Het heeft God Almagtig behaagd, u uwe gansche bezitting te ontnemen, en u in deze wereld niets dan arbeid en armoede te geven, waaraan gij u behoort te onderwerpen, dewijl het Zijn wil is dat het zoo zijn zoude. Gaat nu eens bij u-zelven na, hoe verschrikkelijk het zijn zoude, wanneer gij, na het verlies van al uwe wereldsche bezittingen, nog daarenboven, door murmureerzucht en gebrek aan onderwerping, uwe ziel moest verliezen; en, na hier beneden van al uwe bezittingen beroofd te zijn, uwe arme ziel in het bezitdes duivels zoudt moeten zien overgaan, om voor altoos zijn eigendom in de hel te worden, zonder eenige hoop van bevrijding. Uw eigendom is thans niet langer het uwe; wij hebben er bezit van genomen; doch uwe kostelijke ziel is nog altoos de uwe, en niets dan uwe eigene schuld kan haar u ontrooven. Overweeg dus wel, dat, zoo gij door opstand en murmurering tegen deze beschikking der Voorzienigheid, uwe ziel doet verloren gaan, gij er in deze wereld niets mede wint, en in de toekomende alles door verliest.”En als nu deze geestelijke, zoo als zeer waarschijnlijk is, tot de roovers zeggen zoude: „Er bestaat geene noodzaak, dat ik in deze wereld arm zou moeten zijn, zoo gij mij slechts mijn eigendom terug wildet geven, dat gij mij ontnomen hebt,” dan zegt hij juist datgeen, wat de slaven tot welken hij gepredikt heeft, tot hem en zijne mede-republikeinen zouden kunnen zeggen.

Hoofdstuk V.Vervolg.Maar waarom hebben de Apostelen niet tegen de wettige betrekking der slavernij gepredikt, en haar in den Staat zoeken te vernietigen? Men heeft deze vraag dikwijls opgeworpen, alsof de Apostelen zich in denzelfden toestand hadden bevonden als de geestelijkheid der zuidelijke kerken; alsof zij leden van republikeinsche instellingen, alsof zij wetgevers geweest waren, en in het bezit van alle republikeinsche vermogens om de herroeping van onregtvaardige wetten te weeg te brengen.Wel verre daar vandaan, zal eene oppervlakkige lezing van het Nieuwe Testament ons doen zien dat de Apostelen zich bijkans in den toestand van buiten de wet gestelde ballingen bevonden, onder een gestreng en despotisch bestuur, welks geest en wetten zij als onchristelijk afkeurden, en waaraan zijzich onderwierpen even zoo als zij den slaaf tot onderwerping vermaanden, als aan een noodzakelijk kwaad.Men hoore slechts den Apostel Paulus de staatkundige voorregten opsommen, aan het dienaarschap van Christus verbonden. In de gemeente te Corinthe waren valsche leeraars opgestaan, die zijne prediking tegenspraken, terwijl zij verzekerden grootere aanspraken op gezag in de Christelijke bediening te hebben dan hij. Terwijl Paulus nu zijn apostolisch ambt verdedigt, spreekt hij aldus: „Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde,) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal. Van de Joden heb ik veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest, eens ben ik gesteenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, eenen ganschen nacht en dag heb ik in de diepte overgebragt. In het reizen menigmaal, in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren in de zee, in gevaren onder de valsche broeders, in arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid.”Welke opsomming der ongemakken van een Amerikaanschen slaaf kan de ongemakken van den grooten Apostel der Heidenen meer dan evenaren? Hij kwam in geene andere aanraking met de wetten, dan om hare straffen te lijden. Zij waren gemaakt en werden gehandhaafd zonder zich aan hem te bekreunen, en de slaaf had er niets meerder van te lijden dan hij.Het valt in het oog dat de geestelijken van het Zuiden, wanneer zij, in navolging van den Apostel, de burgerlijke betrekking van den slaaf geheel buiten de zaak houden, het groote onderscheid voorbijzien tusschen den toestand van een’ Amerikaansch geestelijke, in een republikeinsch bestuur, waar hij zelf de wetten helpt maken en in stand houden,—en dien van den Apostel, onder een heidensch despotismus, met welks wetten hij niets kon te doen hebben.Een buiten de wet gestelde slaaf kan zeer gevoegelijk tot andere buiten de wet gestelde slaven vermaningen rigten om zich aan een bestuur te onderwerpen, hetwelk hij noch zij eenige de minste magt hebben om te veranderen.In predikatiën, door geestelijken in het Zuiden tot slaven gerigt, lezen wij vermaningen tot onderwerping, en geduld, en ootmoedigheid, in hunnen toestand van slavernij, die uitnemend gepast zouden zijn in den mond van een Apostel, waar hij en de slaven gelijkelijk onder den druk stonden van een despotismus welks wetten zij niet konden veranderen; maar die een geheel ander karakter aannemen, wanneer zij tot den slaaf gerigt worden door de eigen lieden die de wetten maken welke hen in slavernij brengen.Als iemand bij den weg afgezet en van al het zijne beroofd was geworden, zou het zeer gepast en voegzaam zijn wanneer zijn leeraar hem met zijn toestand poogde te verzoenen, als, in zeker opzigt, eene beschikking van de Voorzienigheid; maar zoo de man die hem beroofd had bij hem kwam, en dezelfde vermaningen tot hem rigtte, dan zou hij toch wel van gedachten zijn dat de zaak een geheel ander aanzien kreeg.Een geestelijke van hoogen rang in de Kerk, sprak de negers, in eene predikatie, aldus aan:Het heeft God Almagtig behaagd u hier slaven te doen zijn, en u in deze wereld niets dan arbeid en armoede te beschikken; en gij zijt verpligt u daaraan te onderwerpen, dewijl het Zijn wil is, dat het zoo zijn zoude. En gaat eens bij u-zelven na, hoe verschrikkelijk het zijn zoude, wanneer gij, na al uwen arbeid en lijden in dit leven, in het volgende leven ter helle verwezen wierd; en, na uwe ligchamen hier in dienstbaarheid te hebben afgesleten, in eene nog veel ergere slavernij te geraken, wanneer uwe arme zielen in het bezit des duivels zouden worden overgegeven, om voor eeuwig zijne slaven te blijven, zonder de minste hoop van bevrijding. Wanneer gij, derhalve, Gods vrije lieden in den hemel zijn wilt, dan moet gij trachten goed te zijn, en Hem hier op aarde te dienen. Uwe ligchamen, zoo als gij weet, zijn niet uwe eigene; zij staan ter beschikking van hen, aan wien gij toebehoort; doch uwe kostelijke zielen zijn altoos de uwe, en niets dan uwe eigene schuld kan haar u ontrooven. Overweegt dus wel, dat zoo gij door hier een lui en zondig leven te leiden, uwe zielen doet verloren gaan, gij er in deze wereld niets mede wint, en in de toekomendealles door verliest; want uwe luiheid en verkeerdheid komt, over het algemeen, aan den dag, en uwe ligchamen moeten er hier voor lijden; en, wat nog veel erger is, zoo gij geene boete doet en u bekeert, zullen uwe ongelukkige zielen er hiernamaals voor lijden.Welnu, deze geestelijke was ontwijfelbaar ter goeder trouw. Hij had het Nieuwe Testament gelezen, en opgemerkt dat Paulus aan de slaven van zijnen tijd gelijksoortige vermaningen voorhoudt.Maar hij vergat geheel te bedenken, dat Paulus de regten niet had van een republikeinsch geestelijke; dat hij de wetten, die de slaven in hunnen toenmaligen toestand bragten, gemaakt had noch verdedigde, maar slechts een deelgenoot van hun lijden was. Een voorbeeld zou deze stelling aan onzen geestelijke kunnen ophelderen. Neem eens dat hij langs den grooten weg reisde, met al zijne wereldsche bezittingen, in den vorm van banknoten, bij zich. Hij wordt door eene bende struikroovers aangevallen, aan een boom gebonden, en van al zijne bezittingen beroofd. Deze struikroovers zouden voor dit bedrijf juist hetzelfde regt kunnen aanvoeren, als dat van den geestelijke en zijne republikeinsche broeders, om al de verdiensten en bezittingen hunner slaven tot zich te nemen. Het eigendom zou aan de struikroovers uit krachte van juist denzelfden regtstitel toebehooren: niet omdat zij het gewonnen of verdiend, maar eenvoudig omdat zij het genomen hebben, en in staat zijn om het te behouden.De hoofdman der bende, eenig misnoegen op het gelaat van den geestelijke bespeurende, begint hem eene godsdienstige vermaning tot geduld en onderwerping voor te houden, nagenoeg in dezelfde bewoordingen waarmede hij voorheen de slaven had toegesproken. „Het heeft God Almagtig behaagd, u uwe gansche bezitting te ontnemen, en u in deze wereld niets dan arbeid en armoede te geven, waaraan gij u behoort te onderwerpen, dewijl het Zijn wil is dat het zoo zijn zoude. Gaat nu eens bij u-zelven na, hoe verschrikkelijk het zijn zoude, wanneer gij, na het verlies van al uwe wereldsche bezittingen, nog daarenboven, door murmureerzucht en gebrek aan onderwerping, uwe ziel moest verliezen; en, na hier beneden van al uwe bezittingen beroofd te zijn, uwe arme ziel in het bezitdes duivels zoudt moeten zien overgaan, om voor altoos zijn eigendom in de hel te worden, zonder eenige hoop van bevrijding. Uw eigendom is thans niet langer het uwe; wij hebben er bezit van genomen; doch uwe kostelijke ziel is nog altoos de uwe, en niets dan uwe eigene schuld kan haar u ontrooven. Overweeg dus wel, dat, zoo gij door opstand en murmurering tegen deze beschikking der Voorzienigheid, uwe ziel doet verloren gaan, gij er in deze wereld niets mede wint, en in de toekomende alles door verliest.”En als nu deze geestelijke, zoo als zeer waarschijnlijk is, tot de roovers zeggen zoude: „Er bestaat geene noodzaak, dat ik in deze wereld arm zou moeten zijn, zoo gij mij slechts mijn eigendom terug wildet geven, dat gij mij ontnomen hebt,” dan zegt hij juist datgeen, wat de slaven tot welken hij gepredikt heeft, tot hem en zijne mede-republikeinen zouden kunnen zeggen.

Hoofdstuk V.Vervolg.Maar waarom hebben de Apostelen niet tegen de wettige betrekking der slavernij gepredikt, en haar in den Staat zoeken te vernietigen? Men heeft deze vraag dikwijls opgeworpen, alsof de Apostelen zich in denzelfden toestand hadden bevonden als de geestelijkheid der zuidelijke kerken; alsof zij leden van republikeinsche instellingen, alsof zij wetgevers geweest waren, en in het bezit van alle republikeinsche vermogens om de herroeping van onregtvaardige wetten te weeg te brengen.Wel verre daar vandaan, zal eene oppervlakkige lezing van het Nieuwe Testament ons doen zien dat de Apostelen zich bijkans in den toestand van buiten de wet gestelde ballingen bevonden, onder een gestreng en despotisch bestuur, welks geest en wetten zij als onchristelijk afkeurden, en waaraan zijzich onderwierpen even zoo als zij den slaaf tot onderwerping vermaanden, als aan een noodzakelijk kwaad.Men hoore slechts den Apostel Paulus de staatkundige voorregten opsommen, aan het dienaarschap van Christus verbonden. In de gemeente te Corinthe waren valsche leeraars opgestaan, die zijne prediking tegenspraken, terwijl zij verzekerden grootere aanspraken op gezag in de Christelijke bediening te hebben dan hij. Terwijl Paulus nu zijn apostolisch ambt verdedigt, spreekt hij aldus: „Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde,) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal. Van de Joden heb ik veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest, eens ben ik gesteenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, eenen ganschen nacht en dag heb ik in de diepte overgebragt. In het reizen menigmaal, in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren in de zee, in gevaren onder de valsche broeders, in arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid.”Welke opsomming der ongemakken van een Amerikaanschen slaaf kan de ongemakken van den grooten Apostel der Heidenen meer dan evenaren? Hij kwam in geene andere aanraking met de wetten, dan om hare straffen te lijden. Zij waren gemaakt en werden gehandhaafd zonder zich aan hem te bekreunen, en de slaaf had er niets meerder van te lijden dan hij.Het valt in het oog dat de geestelijken van het Zuiden, wanneer zij, in navolging van den Apostel, de burgerlijke betrekking van den slaaf geheel buiten de zaak houden, het groote onderscheid voorbijzien tusschen den toestand van een’ Amerikaansch geestelijke, in een republikeinsch bestuur, waar hij zelf de wetten helpt maken en in stand houden,—en dien van den Apostel, onder een heidensch despotismus, met welks wetten hij niets kon te doen hebben.Een buiten de wet gestelde slaaf kan zeer gevoegelijk tot andere buiten de wet gestelde slaven vermaningen rigten om zich aan een bestuur te onderwerpen, hetwelk hij noch zij eenige de minste magt hebben om te veranderen.In predikatiën, door geestelijken in het Zuiden tot slaven gerigt, lezen wij vermaningen tot onderwerping, en geduld, en ootmoedigheid, in hunnen toestand van slavernij, die uitnemend gepast zouden zijn in den mond van een Apostel, waar hij en de slaven gelijkelijk onder den druk stonden van een despotismus welks wetten zij niet konden veranderen; maar die een geheel ander karakter aannemen, wanneer zij tot den slaaf gerigt worden door de eigen lieden die de wetten maken welke hen in slavernij brengen.Als iemand bij den weg afgezet en van al het zijne beroofd was geworden, zou het zeer gepast en voegzaam zijn wanneer zijn leeraar hem met zijn toestand poogde te verzoenen, als, in zeker opzigt, eene beschikking van de Voorzienigheid; maar zoo de man die hem beroofd had bij hem kwam, en dezelfde vermaningen tot hem rigtte, dan zou hij toch wel van gedachten zijn dat de zaak een geheel ander aanzien kreeg.Een geestelijke van hoogen rang in de Kerk, sprak de negers, in eene predikatie, aldus aan:Het heeft God Almagtig behaagd u hier slaven te doen zijn, en u in deze wereld niets dan arbeid en armoede te beschikken; en gij zijt verpligt u daaraan te onderwerpen, dewijl het Zijn wil is, dat het zoo zijn zoude. En gaat eens bij u-zelven na, hoe verschrikkelijk het zijn zoude, wanneer gij, na al uwen arbeid en lijden in dit leven, in het volgende leven ter helle verwezen wierd; en, na uwe ligchamen hier in dienstbaarheid te hebben afgesleten, in eene nog veel ergere slavernij te geraken, wanneer uwe arme zielen in het bezit des duivels zouden worden overgegeven, om voor eeuwig zijne slaven te blijven, zonder de minste hoop van bevrijding. Wanneer gij, derhalve, Gods vrije lieden in den hemel zijn wilt, dan moet gij trachten goed te zijn, en Hem hier op aarde te dienen. Uwe ligchamen, zoo als gij weet, zijn niet uwe eigene; zij staan ter beschikking van hen, aan wien gij toebehoort; doch uwe kostelijke zielen zijn altoos de uwe, en niets dan uwe eigene schuld kan haar u ontrooven. Overweegt dus wel, dat zoo gij door hier een lui en zondig leven te leiden, uwe zielen doet verloren gaan, gij er in deze wereld niets mede wint, en in de toekomendealles door verliest; want uwe luiheid en verkeerdheid komt, over het algemeen, aan den dag, en uwe ligchamen moeten er hier voor lijden; en, wat nog veel erger is, zoo gij geene boete doet en u bekeert, zullen uwe ongelukkige zielen er hiernamaals voor lijden.Welnu, deze geestelijke was ontwijfelbaar ter goeder trouw. Hij had het Nieuwe Testament gelezen, en opgemerkt dat Paulus aan de slaven van zijnen tijd gelijksoortige vermaningen voorhoudt.Maar hij vergat geheel te bedenken, dat Paulus de regten niet had van een republikeinsch geestelijke; dat hij de wetten, die de slaven in hunnen toenmaligen toestand bragten, gemaakt had noch verdedigde, maar slechts een deelgenoot van hun lijden was. Een voorbeeld zou deze stelling aan onzen geestelijke kunnen ophelderen. Neem eens dat hij langs den grooten weg reisde, met al zijne wereldsche bezittingen, in den vorm van banknoten, bij zich. Hij wordt door eene bende struikroovers aangevallen, aan een boom gebonden, en van al zijne bezittingen beroofd. Deze struikroovers zouden voor dit bedrijf juist hetzelfde regt kunnen aanvoeren, als dat van den geestelijke en zijne republikeinsche broeders, om al de verdiensten en bezittingen hunner slaven tot zich te nemen. Het eigendom zou aan de struikroovers uit krachte van juist denzelfden regtstitel toebehooren: niet omdat zij het gewonnen of verdiend, maar eenvoudig omdat zij het genomen hebben, en in staat zijn om het te behouden.De hoofdman der bende, eenig misnoegen op het gelaat van den geestelijke bespeurende, begint hem eene godsdienstige vermaning tot geduld en onderwerping voor te houden, nagenoeg in dezelfde bewoordingen waarmede hij voorheen de slaven had toegesproken. „Het heeft God Almagtig behaagd, u uwe gansche bezitting te ontnemen, en u in deze wereld niets dan arbeid en armoede te geven, waaraan gij u behoort te onderwerpen, dewijl het Zijn wil is dat het zoo zijn zoude. Gaat nu eens bij u-zelven na, hoe verschrikkelijk het zijn zoude, wanneer gij, na het verlies van al uwe wereldsche bezittingen, nog daarenboven, door murmureerzucht en gebrek aan onderwerping, uwe ziel moest verliezen; en, na hier beneden van al uwe bezittingen beroofd te zijn, uwe arme ziel in het bezitdes duivels zoudt moeten zien overgaan, om voor altoos zijn eigendom in de hel te worden, zonder eenige hoop van bevrijding. Uw eigendom is thans niet langer het uwe; wij hebben er bezit van genomen; doch uwe kostelijke ziel is nog altoos de uwe, en niets dan uwe eigene schuld kan haar u ontrooven. Overweeg dus wel, dat, zoo gij door opstand en murmurering tegen deze beschikking der Voorzienigheid, uwe ziel doet verloren gaan, gij er in deze wereld niets mede wint, en in de toekomende alles door verliest.”En als nu deze geestelijke, zoo als zeer waarschijnlijk is, tot de roovers zeggen zoude: „Er bestaat geene noodzaak, dat ik in deze wereld arm zou moeten zijn, zoo gij mij slechts mijn eigendom terug wildet geven, dat gij mij ontnomen hebt,” dan zegt hij juist datgeen, wat de slaven tot welken hij gepredikt heeft, tot hem en zijne mede-republikeinen zouden kunnen zeggen.

Hoofdstuk V.Vervolg.

Maar waarom hebben de Apostelen niet tegen de wettige betrekking der slavernij gepredikt, en haar in den Staat zoeken te vernietigen? Men heeft deze vraag dikwijls opgeworpen, alsof de Apostelen zich in denzelfden toestand hadden bevonden als de geestelijkheid der zuidelijke kerken; alsof zij leden van republikeinsche instellingen, alsof zij wetgevers geweest waren, en in het bezit van alle republikeinsche vermogens om de herroeping van onregtvaardige wetten te weeg te brengen.Wel verre daar vandaan, zal eene oppervlakkige lezing van het Nieuwe Testament ons doen zien dat de Apostelen zich bijkans in den toestand van buiten de wet gestelde ballingen bevonden, onder een gestreng en despotisch bestuur, welks geest en wetten zij als onchristelijk afkeurden, en waaraan zijzich onderwierpen even zoo als zij den slaaf tot onderwerping vermaanden, als aan een noodzakelijk kwaad.Men hoore slechts den Apostel Paulus de staatkundige voorregten opsommen, aan het dienaarschap van Christus verbonden. In de gemeente te Corinthe waren valsche leeraars opgestaan, die zijne prediking tegenspraken, terwijl zij verzekerden grootere aanspraken op gezag in de Christelijke bediening te hebben dan hij. Terwijl Paulus nu zijn apostolisch ambt verdedigt, spreekt hij aldus: „Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde,) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal. Van de Joden heb ik veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest, eens ben ik gesteenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, eenen ganschen nacht en dag heb ik in de diepte overgebragt. In het reizen menigmaal, in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren in de zee, in gevaren onder de valsche broeders, in arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid.”Welke opsomming der ongemakken van een Amerikaanschen slaaf kan de ongemakken van den grooten Apostel der Heidenen meer dan evenaren? Hij kwam in geene andere aanraking met de wetten, dan om hare straffen te lijden. Zij waren gemaakt en werden gehandhaafd zonder zich aan hem te bekreunen, en de slaaf had er niets meerder van te lijden dan hij.Het valt in het oog dat de geestelijken van het Zuiden, wanneer zij, in navolging van den Apostel, de burgerlijke betrekking van den slaaf geheel buiten de zaak houden, het groote onderscheid voorbijzien tusschen den toestand van een’ Amerikaansch geestelijke, in een republikeinsch bestuur, waar hij zelf de wetten helpt maken en in stand houden,—en dien van den Apostel, onder een heidensch despotismus, met welks wetten hij niets kon te doen hebben.Een buiten de wet gestelde slaaf kan zeer gevoegelijk tot andere buiten de wet gestelde slaven vermaningen rigten om zich aan een bestuur te onderwerpen, hetwelk hij noch zij eenige de minste magt hebben om te veranderen.In predikatiën, door geestelijken in het Zuiden tot slaven gerigt, lezen wij vermaningen tot onderwerping, en geduld, en ootmoedigheid, in hunnen toestand van slavernij, die uitnemend gepast zouden zijn in den mond van een Apostel, waar hij en de slaven gelijkelijk onder den druk stonden van een despotismus welks wetten zij niet konden veranderen; maar die een geheel ander karakter aannemen, wanneer zij tot den slaaf gerigt worden door de eigen lieden die de wetten maken welke hen in slavernij brengen.Als iemand bij den weg afgezet en van al het zijne beroofd was geworden, zou het zeer gepast en voegzaam zijn wanneer zijn leeraar hem met zijn toestand poogde te verzoenen, als, in zeker opzigt, eene beschikking van de Voorzienigheid; maar zoo de man die hem beroofd had bij hem kwam, en dezelfde vermaningen tot hem rigtte, dan zou hij toch wel van gedachten zijn dat de zaak een geheel ander aanzien kreeg.Een geestelijke van hoogen rang in de Kerk, sprak de negers, in eene predikatie, aldus aan:Het heeft God Almagtig behaagd u hier slaven te doen zijn, en u in deze wereld niets dan arbeid en armoede te beschikken; en gij zijt verpligt u daaraan te onderwerpen, dewijl het Zijn wil is, dat het zoo zijn zoude. En gaat eens bij u-zelven na, hoe verschrikkelijk het zijn zoude, wanneer gij, na al uwen arbeid en lijden in dit leven, in het volgende leven ter helle verwezen wierd; en, na uwe ligchamen hier in dienstbaarheid te hebben afgesleten, in eene nog veel ergere slavernij te geraken, wanneer uwe arme zielen in het bezit des duivels zouden worden overgegeven, om voor eeuwig zijne slaven te blijven, zonder de minste hoop van bevrijding. Wanneer gij, derhalve, Gods vrije lieden in den hemel zijn wilt, dan moet gij trachten goed te zijn, en Hem hier op aarde te dienen. Uwe ligchamen, zoo als gij weet, zijn niet uwe eigene; zij staan ter beschikking van hen, aan wien gij toebehoort; doch uwe kostelijke zielen zijn altoos de uwe, en niets dan uwe eigene schuld kan haar u ontrooven. Overweegt dus wel, dat zoo gij door hier een lui en zondig leven te leiden, uwe zielen doet verloren gaan, gij er in deze wereld niets mede wint, en in de toekomendealles door verliest; want uwe luiheid en verkeerdheid komt, over het algemeen, aan den dag, en uwe ligchamen moeten er hier voor lijden; en, wat nog veel erger is, zoo gij geene boete doet en u bekeert, zullen uwe ongelukkige zielen er hiernamaals voor lijden.Welnu, deze geestelijke was ontwijfelbaar ter goeder trouw. Hij had het Nieuwe Testament gelezen, en opgemerkt dat Paulus aan de slaven van zijnen tijd gelijksoortige vermaningen voorhoudt.Maar hij vergat geheel te bedenken, dat Paulus de regten niet had van een republikeinsch geestelijke; dat hij de wetten, die de slaven in hunnen toenmaligen toestand bragten, gemaakt had noch verdedigde, maar slechts een deelgenoot van hun lijden was. Een voorbeeld zou deze stelling aan onzen geestelijke kunnen ophelderen. Neem eens dat hij langs den grooten weg reisde, met al zijne wereldsche bezittingen, in den vorm van banknoten, bij zich. Hij wordt door eene bende struikroovers aangevallen, aan een boom gebonden, en van al zijne bezittingen beroofd. Deze struikroovers zouden voor dit bedrijf juist hetzelfde regt kunnen aanvoeren, als dat van den geestelijke en zijne republikeinsche broeders, om al de verdiensten en bezittingen hunner slaven tot zich te nemen. Het eigendom zou aan de struikroovers uit krachte van juist denzelfden regtstitel toebehooren: niet omdat zij het gewonnen of verdiend, maar eenvoudig omdat zij het genomen hebben, en in staat zijn om het te behouden.De hoofdman der bende, eenig misnoegen op het gelaat van den geestelijke bespeurende, begint hem eene godsdienstige vermaning tot geduld en onderwerping voor te houden, nagenoeg in dezelfde bewoordingen waarmede hij voorheen de slaven had toegesproken. „Het heeft God Almagtig behaagd, u uwe gansche bezitting te ontnemen, en u in deze wereld niets dan arbeid en armoede te geven, waaraan gij u behoort te onderwerpen, dewijl het Zijn wil is dat het zoo zijn zoude. Gaat nu eens bij u-zelven na, hoe verschrikkelijk het zijn zoude, wanneer gij, na het verlies van al uwe wereldsche bezittingen, nog daarenboven, door murmureerzucht en gebrek aan onderwerping, uwe ziel moest verliezen; en, na hier beneden van al uwe bezittingen beroofd te zijn, uwe arme ziel in het bezitdes duivels zoudt moeten zien overgaan, om voor altoos zijn eigendom in de hel te worden, zonder eenige hoop van bevrijding. Uw eigendom is thans niet langer het uwe; wij hebben er bezit van genomen; doch uwe kostelijke ziel is nog altoos de uwe, en niets dan uwe eigene schuld kan haar u ontrooven. Overweeg dus wel, dat, zoo gij door opstand en murmurering tegen deze beschikking der Voorzienigheid, uwe ziel doet verloren gaan, gij er in deze wereld niets mede wint, en in de toekomende alles door verliest.”En als nu deze geestelijke, zoo als zeer waarschijnlijk is, tot de roovers zeggen zoude: „Er bestaat geene noodzaak, dat ik in deze wereld arm zou moeten zijn, zoo gij mij slechts mijn eigendom terug wildet geven, dat gij mij ontnomen hebt,” dan zegt hij juist datgeen, wat de slaven tot welken hij gepredikt heeft, tot hem en zijne mede-republikeinen zouden kunnen zeggen.

Maar waarom hebben de Apostelen niet tegen de wettige betrekking der slavernij gepredikt, en haar in den Staat zoeken te vernietigen? Men heeft deze vraag dikwijls opgeworpen, alsof de Apostelen zich in denzelfden toestand hadden bevonden als de geestelijkheid der zuidelijke kerken; alsof zij leden van republikeinsche instellingen, alsof zij wetgevers geweest waren, en in het bezit van alle republikeinsche vermogens om de herroeping van onregtvaardige wetten te weeg te brengen.

Wel verre daar vandaan, zal eene oppervlakkige lezing van het Nieuwe Testament ons doen zien dat de Apostelen zich bijkans in den toestand van buiten de wet gestelde ballingen bevonden, onder een gestreng en despotisch bestuur, welks geest en wetten zij als onchristelijk afkeurden, en waaraan zijzich onderwierpen even zoo als zij den slaaf tot onderwerping vermaanden, als aan een noodzakelijk kwaad.

Men hoore slechts den Apostel Paulus de staatkundige voorregten opsommen, aan het dienaarschap van Christus verbonden. In de gemeente te Corinthe waren valsche leeraars opgestaan, die zijne prediking tegenspraken, terwijl zij verzekerden grootere aanspraken op gezag in de Christelijke bediening te hebben dan hij. Terwijl Paulus nu zijn apostolisch ambt verdedigt, spreekt hij aldus: „Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde,) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal. Van de Joden heb ik veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest, eens ben ik gesteenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, eenen ganschen nacht en dag heb ik in de diepte overgebragt. In het reizen menigmaal, in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren in de zee, in gevaren onder de valsche broeders, in arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid.”

Welke opsomming der ongemakken van een Amerikaanschen slaaf kan de ongemakken van den grooten Apostel der Heidenen meer dan evenaren? Hij kwam in geene andere aanraking met de wetten, dan om hare straffen te lijden. Zij waren gemaakt en werden gehandhaafd zonder zich aan hem te bekreunen, en de slaaf had er niets meerder van te lijden dan hij.

Het valt in het oog dat de geestelijken van het Zuiden, wanneer zij, in navolging van den Apostel, de burgerlijke betrekking van den slaaf geheel buiten de zaak houden, het groote onderscheid voorbijzien tusschen den toestand van een’ Amerikaansch geestelijke, in een republikeinsch bestuur, waar hij zelf de wetten helpt maken en in stand houden,—en dien van den Apostel, onder een heidensch despotismus, met welks wetten hij niets kon te doen hebben.

Een buiten de wet gestelde slaaf kan zeer gevoegelijk tot andere buiten de wet gestelde slaven vermaningen rigten om zich aan een bestuur te onderwerpen, hetwelk hij noch zij eenige de minste magt hebben om te veranderen.

In predikatiën, door geestelijken in het Zuiden tot slaven gerigt, lezen wij vermaningen tot onderwerping, en geduld, en ootmoedigheid, in hunnen toestand van slavernij, die uitnemend gepast zouden zijn in den mond van een Apostel, waar hij en de slaven gelijkelijk onder den druk stonden van een despotismus welks wetten zij niet konden veranderen; maar die een geheel ander karakter aannemen, wanneer zij tot den slaaf gerigt worden door de eigen lieden die de wetten maken welke hen in slavernij brengen.

Als iemand bij den weg afgezet en van al het zijne beroofd was geworden, zou het zeer gepast en voegzaam zijn wanneer zijn leeraar hem met zijn toestand poogde te verzoenen, als, in zeker opzigt, eene beschikking van de Voorzienigheid; maar zoo de man die hem beroofd had bij hem kwam, en dezelfde vermaningen tot hem rigtte, dan zou hij toch wel van gedachten zijn dat de zaak een geheel ander aanzien kreeg.

Een geestelijke van hoogen rang in de Kerk, sprak de negers, in eene predikatie, aldus aan:

Het heeft God Almagtig behaagd u hier slaven te doen zijn, en u in deze wereld niets dan arbeid en armoede te beschikken; en gij zijt verpligt u daaraan te onderwerpen, dewijl het Zijn wil is, dat het zoo zijn zoude. En gaat eens bij u-zelven na, hoe verschrikkelijk het zijn zoude, wanneer gij, na al uwen arbeid en lijden in dit leven, in het volgende leven ter helle verwezen wierd; en, na uwe ligchamen hier in dienstbaarheid te hebben afgesleten, in eene nog veel ergere slavernij te geraken, wanneer uwe arme zielen in het bezit des duivels zouden worden overgegeven, om voor eeuwig zijne slaven te blijven, zonder de minste hoop van bevrijding. Wanneer gij, derhalve, Gods vrije lieden in den hemel zijn wilt, dan moet gij trachten goed te zijn, en Hem hier op aarde te dienen. Uwe ligchamen, zoo als gij weet, zijn niet uwe eigene; zij staan ter beschikking van hen, aan wien gij toebehoort; doch uwe kostelijke zielen zijn altoos de uwe, en niets dan uwe eigene schuld kan haar u ontrooven. Overweegt dus wel, dat zoo gij door hier een lui en zondig leven te leiden, uwe zielen doet verloren gaan, gij er in deze wereld niets mede wint, en in de toekomendealles door verliest; want uwe luiheid en verkeerdheid komt, over het algemeen, aan den dag, en uwe ligchamen moeten er hier voor lijden; en, wat nog veel erger is, zoo gij geene boete doet en u bekeert, zullen uwe ongelukkige zielen er hiernamaals voor lijden.

Het heeft God Almagtig behaagd u hier slaven te doen zijn, en u in deze wereld niets dan arbeid en armoede te beschikken; en gij zijt verpligt u daaraan te onderwerpen, dewijl het Zijn wil is, dat het zoo zijn zoude. En gaat eens bij u-zelven na, hoe verschrikkelijk het zijn zoude, wanneer gij, na al uwen arbeid en lijden in dit leven, in het volgende leven ter helle verwezen wierd; en, na uwe ligchamen hier in dienstbaarheid te hebben afgesleten, in eene nog veel ergere slavernij te geraken, wanneer uwe arme zielen in het bezit des duivels zouden worden overgegeven, om voor eeuwig zijne slaven te blijven, zonder de minste hoop van bevrijding. Wanneer gij, derhalve, Gods vrije lieden in den hemel zijn wilt, dan moet gij trachten goed te zijn, en Hem hier op aarde te dienen. Uwe ligchamen, zoo als gij weet, zijn niet uwe eigene; zij staan ter beschikking van hen, aan wien gij toebehoort; doch uwe kostelijke zielen zijn altoos de uwe, en niets dan uwe eigene schuld kan haar u ontrooven. Overweegt dus wel, dat zoo gij door hier een lui en zondig leven te leiden, uwe zielen doet verloren gaan, gij er in deze wereld niets mede wint, en in de toekomendealles door verliest; want uwe luiheid en verkeerdheid komt, over het algemeen, aan den dag, en uwe ligchamen moeten er hier voor lijden; en, wat nog veel erger is, zoo gij geene boete doet en u bekeert, zullen uwe ongelukkige zielen er hiernamaals voor lijden.

Welnu, deze geestelijke was ontwijfelbaar ter goeder trouw. Hij had het Nieuwe Testament gelezen, en opgemerkt dat Paulus aan de slaven van zijnen tijd gelijksoortige vermaningen voorhoudt.

Maar hij vergat geheel te bedenken, dat Paulus de regten niet had van een republikeinsch geestelijke; dat hij de wetten, die de slaven in hunnen toenmaligen toestand bragten, gemaakt had noch verdedigde, maar slechts een deelgenoot van hun lijden was. Een voorbeeld zou deze stelling aan onzen geestelijke kunnen ophelderen. Neem eens dat hij langs den grooten weg reisde, met al zijne wereldsche bezittingen, in den vorm van banknoten, bij zich. Hij wordt door eene bende struikroovers aangevallen, aan een boom gebonden, en van al zijne bezittingen beroofd. Deze struikroovers zouden voor dit bedrijf juist hetzelfde regt kunnen aanvoeren, als dat van den geestelijke en zijne republikeinsche broeders, om al de verdiensten en bezittingen hunner slaven tot zich te nemen. Het eigendom zou aan de struikroovers uit krachte van juist denzelfden regtstitel toebehooren: niet omdat zij het gewonnen of verdiend, maar eenvoudig omdat zij het genomen hebben, en in staat zijn om het te behouden.

De hoofdman der bende, eenig misnoegen op het gelaat van den geestelijke bespeurende, begint hem eene godsdienstige vermaning tot geduld en onderwerping voor te houden, nagenoeg in dezelfde bewoordingen waarmede hij voorheen de slaven had toegesproken. „Het heeft God Almagtig behaagd, u uwe gansche bezitting te ontnemen, en u in deze wereld niets dan arbeid en armoede te geven, waaraan gij u behoort te onderwerpen, dewijl het Zijn wil is dat het zoo zijn zoude. Gaat nu eens bij u-zelven na, hoe verschrikkelijk het zijn zoude, wanneer gij, na het verlies van al uwe wereldsche bezittingen, nog daarenboven, door murmureerzucht en gebrek aan onderwerping, uwe ziel moest verliezen; en, na hier beneden van al uwe bezittingen beroofd te zijn, uwe arme ziel in het bezitdes duivels zoudt moeten zien overgaan, om voor altoos zijn eigendom in de hel te worden, zonder eenige hoop van bevrijding. Uw eigendom is thans niet langer het uwe; wij hebben er bezit van genomen; doch uwe kostelijke ziel is nog altoos de uwe, en niets dan uwe eigene schuld kan haar u ontrooven. Overweeg dus wel, dat, zoo gij door opstand en murmurering tegen deze beschikking der Voorzienigheid, uwe ziel doet verloren gaan, gij er in deze wereld niets mede wint, en in de toekomende alles door verliest.”

En als nu deze geestelijke, zoo als zeer waarschijnlijk is, tot de roovers zeggen zoude: „Er bestaat geene noodzaak, dat ik in deze wereld arm zou moeten zijn, zoo gij mij slechts mijn eigendom terug wildet geven, dat gij mij ontnomen hebt,” dan zegt hij juist datgeen, wat de slaven tot welken hij gepredikt heeft, tot hem en zijne mede-republikeinen zouden kunnen zeggen.


Back to IndexNext