Hoofdstuk XII.

Hoofdstuk XII.Vergelijking van de Romeinsche slavenwet met de Amerikaansche.De schrijfster heeft als hare meening te kennen gegeven dat de Amerikaansche slavenwet, over het algemeen, strenger bepalingen bevat dan die van eenig ander volk, uit den ouden of nieuwen tijd, met uitzondering welligt van die der Spartanen. Zij is niet in de gelegenheid om met die wet de Fransche en Spaansche te vergelijken; maar, daar men algemeen van oordeel is, dat de slavernij bij de Romeinen zwaarder was dan zij ooit in Amerika geweest is, willen wij deze beide slavenstelsels tegen elkander beschouwen. Te dien einde laten wij hier een overzigt volgen der romeinsche slavenwet, getrokken door William Jay uit de „Nasporing naar den aard der slavernij bij de Romeinen” van Blair, met de verwijzing naar de bepalingen in de Amerikaansche slavenwetten, om den lezer in staat te stellen, zelf de vergelijking te maken en de gevolgtrekkingen af te leiden.I.De slaaf werd niet beschermd tegen gierigheid, woede of de lusten van den meester, wiens gezag gegrond was op algeheelen eigendom; en de lijfeigene werd minder beschouwd alseen menschelijk wezen, aan eene willekeurige heerschappij onderworpen, dan wel als een dier van lageren rang, geheel afhankelijk van den wil van zijn eigenaar.Vergelijk over de wet van Zuid-Carolina Stroud’s „Schets der Slavenwetten,” p. 23, waar wij lezen:Slaven zullen behandeld, verkocht, in bezit genomen, geschat en toegewezen worden volgens de wet, en roerende eigendommen zijn in de hand van hunne eigenaars en bezitters persoonlijk en van de executeurs, administrateurs en gevolmagtigden van deze, in ieder opzigt en beteekenis.Een slaaf is iemand, die in de magt is van den meester aan wien hij behoort.Zulk eene gehoorzaamheid is alleen het gevolg eener onbeperkte magt over het ligchaam. Niets anders kan dien invloed uitoefenen. De magt van den meester moet absoluut zijn, om de onderwerping van den slaaf volkomen te doen wezen.II.In de eerste plaats bezat de meester het oppermagtige regt over leven en dood.In vroeger tijden werd in Virginia het regt over leven en dood der slavenbij de wetverleend.III.Hij mogt zijne slaven dooden, verminken, pijnigen voor ieder vergrijp of zonder dat er een vergrijp had plaats gehad; hij kon hen dwingen worstelaars of publieke vrouwen te worden.Het regt om een slaaf te dooden is nu eenigzins gefnuikt; wat verminking en pijniging aangaat, men zie het proces van Souther tegen den Staat, in Hoofdstuk III aangehaald, en het proces tegen Mann, in hetzelfde hoofdstuk te vinden.IV.Tijdelijke verbindtenissen van slaven en slavinnen werden op zijn bevel aangegaan en verbroken; huisgezinnen en vrienden werden gescheiden wanneer het hem goeddacht.Men zie de uitspraak van den regter Mathews in de zaak van Girod tegen Lewis, p. 199.Het staat vast, dat de slaven geene wettige magt bezitten om eenige verbindtenis aan te gaan. Onder toestemming van hun meester mogen zij trouwen, en hunne morele magt om eene verbindtenis of overeenkomst, als zulk een huwelijk, goed te vinden, kan niet in twijfel worden getrokken; maar in den toestand van slavernij kan het in burgerregterlijken zin, geen gevolgen hebben, omdat slaven van alle burgerregten zijn verstoken.Men zie ook later over de scheiding van huisgezinnen en de aanhaling uit een nieuwsblad uit het Zuiden.V.De wetten erkenden de vepligting niet van den meester om zijn slaven voedsel en kleeding te geven of voor hen, in geval van ziekte, te zorgen.Op welk eene wijze de Amerikaansche wet die verpligting oplegt, hebben wij reeds vroeger gezien bij de behandeling der beschermende wetten1,VI.Slaven konden geen eigendom bezitten, dan met goedkeuring van hun meester, van wien zij alles kregen, en met wien zij geene overeenkomsten konden sluiten, die voor hem verbindend waren.Het volgende hoofdstuk zal doen zien, hoever in dit opzigt de Amerikaansche wetgeving de Romeinsche vooruit is: zij houdt het zelfs voor een beboetbaar misdrijf van de zijde van den meester den slaaf het bezit van eenig eigendom te veroorloven, en voor eene misdaad in den slaaf, dat hem dit veroorloofd wordt. Wij bepalen ons thans slechts bij een uittreksel uit het Burgerlijk Wetboek van Louisiana, zoo als de regter Stroud het mededeelt:Een slaaf is iemand, die in de magt is van den meester, aan wien hij behoort. De meester mag hem verkoopen, over zijn persoon, zijne vermogens, zijn arbeid beschikken; hij kan niets doen, niets bezitten, niets verkrijgen, dan hetgeen aan zijn meester toekomt.Volgens den regter Ruffin, is een slaaf „iemand, wiens persoon en nakomelingschap gedoemd is te leven in onkunde, onmagtig iets tot zijn eigen te maken, en veroordeeld tot arbeid, op dat een ander de vruchten plukke.”Met betrekking tot de verbindende kracht van overeenkomsten tusschen meester en slaaf halen wij uit de regterlijke uitspraken in de Vereenigde Staten gevallen, de volgende aan:Al wat de slaaf verkrijgt is het eigendom van zijn meester, ondanks de belofte van den meester, dat de slaaf er een gedeelte van erlangen zal.Een slaaf stelde aan B. geld ter hand, dat hij boven zijn loon verdiend had, om daarvoor zijne kinderen te koopen. B. kocht die kinderen voor dat geld. De meester van dien slaaf had het regt om van B. het geld terug te eischen.VII.De meester kon zijne regten verkoopen of wegschenken of ze bij testament vermaken.Slaven zullen behandeld, verkocht in bezit genomen, geschat en toegewezen worden volgens de wet, en roerende eigendommen zijn in de hand van hunne eigenaars en bezitters persoonlijk en van de executeurs, administrateurs en gevolmagtigden van deze, in ieder opzigt en beteekenis.VIII.Een meester, die zijn slaaf verkocht, wegschonk of vermaakte, stelde somtijds de voorwaarde, dat hij nimmer buiten ’s lands zou gevoerd worden, of dat hij op een bepaalden tijd zou in vrijheid worden gesteld; of dat hij, integendeel, nimmer zou worden vrijgelaten of levenslang in ketenen zou blijven geklonken.Wij gelooven niet dat de voorwaarde, dat een slaaf nimmer in vrijheid zal worden gesteld, of dat hij levenslang in ketenen zal blijven geklonken, ooit gesteld werd. Maar de voorwaardedat een slaaf niet buiten ’s lands zou worden gevoerd, of verkocht, of dat hij bij eene zekere gebeurtenis, vrij gelaten zou worden, is ook bij ons geenszins zonder voorbeeld.Het overige van Blairs overzigt der slavernij bij de Romeinen is meer gewijd aan hetgeen de meesters deden dan aan de wet zelve. De schrijfster acht zich niet geroepen tot het geven eener vergelijking tusschen hetgeen, in de negentiende eeuw, in de beschaafde en Christelijke Staten van Noord-Amerika voorvalt, en de wreedheden in het heidensche Rome gepleegd onder den scepter der onmenschelijke Keizers, toen het worstelperk de geliefkoosde uitspanning was der aanzienlijkste burgers en de „school” voor de menigte. Eenige weinige aanhalingen zullen reeds toonen, zoo ver wij dit noodig achten, met hoeveel meer gerustheid men thans den eenen mensch eene onbeperkte magt kan geven over den ander, dan toen.IX.Wanneer de slaven den handmolen draaiden, waren zij gewoonlijk geboeid, en droegen zij eene breede houten plank om den hals, om hun te beletten van het graan te eten. OnderFurca,dat later galg beteekende, verstond men in de oudste tijden een houten vork of kraag, die gemaakt was om door hen op de schouders of om den hals te worden gedragen, als een schandteeken of om hun een zwaren last op te leggen.De lezer heeft reeds in Hoofdstuk V gezien, dat dit vernederend voorwerp ook in onzen tijd in zwang is in sommige slavenhoudende Staten, en dat het in bescherming genomen is door de Wetgevende Magt; hoewel de stof verschillend is en de vorm door den tijd eenige verandering heeft ondergaan.X.Boeijen en ketenen werden dikwijls gebruikt als straf en in sommige gevallen levenslang door de slaven gedragen, op louter gezag van den meester. Portiers aan de deuren der woningen van aanzienlijken waren gewoonlijk geketend. Zij, die veldarbeid verrigtten, werkten, in later tijden, meestendeels geboeid.De wetgeving van Zuid-Carolina wettigt bijna al dezelfde gebruiken, door ze onder debeschermende bepalingenop te nemen, waarbij eene boete van slechtshonderd pondwordtopgelegd aan hem, die opzettelijk een slaaf de tong uitsnijdt enz., of eenige andere straf uitoefent dan geeselen, of slaan met eene rijzweep, riemen, takken of dunne stokken, ofdoor den slaaf in boeijen te klinken of hem op te sluiten.XI.Sommige personen maakten er hun bestaan van weggeloopen slaven op te sporen.Dat zulk een middel van bestaan, door de hoogste Wetgevende Magt ingesteld, en achtenswaardig gemaakt door de uitdrukkelijke of ingewikkelde aanbeveling van Staatsmannen en geestelijken, en van staatkundige en godsdienstige nieuwsbladen, onder ons bestaat,vooral in de vrije Staten, is een feit, dat elken dag blijkt en waarvoor wij dus geen getuigenis behoeven in te roepen. In Alabama schijnt echter die zaak op eene meer opene en officiële wijze behandeld te worden dan ergens elders. De heer Jay neemt de volgende aankondiging uit deSampter Countyover:Negerhonden.De ondergeteekende berigt dat hij eene groote menigte negerhonden heeft aangekocht, en beveelt zich aan tot het opsporen van weggeloopen negers. De kosten zijn drie dollars voor een dag jagen, en vijftien dollars voor het terug brengen van een neger. Hij woont drie en eene halve mijl ten noorden van Livingston, nabij den Jones’ Bluff-weg.6 November 1845.William Gambel.De volgende is woordelijk overgenomen uitThe Dadeville (Alabama) Bannervan 10 November 1852. DeDadeville Banneris een blad, gewijd aanstaatkunde, letterkunde, opvoeding, landbouw, enz.Let wel.De ondergeteekende heeft een uitnemenden troepHondenvoor het zoeken en vangen van weggeloopen slaven. Hij berigt het Publiek, dat de prijzen voor het gebruik maken zijner hulp voortaan zullen zijn:Dollars.Voor elken dag met het jagen en opsporen doorgebragt2.50Voor het vangen van elken slaaf10.00Voor het afleggen van een afstand van meer dan tien mijlen om een slaaf te vangen20.00De betaling is contant. De ondergeteekende woont anderhalve mijl van Dadeville.Dadeville, 1 September 1852.B. Black.XII.De weggeloopen slaaf werd, wanneer hij gevangen was, streng gestraft op bevel van zijn meester of, wanneer deze het verlangde, op last van den regter; somtijds door kruisiging, het afzetten van een voet, of door hem naar het worstelperk te zenden om met wilde dieren te vechten; maar gewoonlijk door hem boven de wenkbraauw te brandmerken met letters die zijn misdaad uitdrukten.Ieder zal uit deonbeperkte magtvan den meester afleiden, dat die strenge straf iederen weggeloopen slaaf ten deel viel. Dat zij in menig geval werd toegepast is ligt te bewijzen, maar dat bewijs is overbodig. De bijzondere wijzen van strafoefening, die hierboven vermeld staan, zijn nu buiten gebruik, maar de volgende aankondiging van den advokaat Micajah Ricks in deRaleigh(Noord-Carolina)Standard, van den 18denJulij 1838, bewijst, dat nog iets van dien klassieken smaak in het pijnigen ook in onze verbasterde dagen heerscht.Weggeloopen eene negerin met twee kinderen. Weinige dagen voor zij wegliep, brandde ik haar met een gloeijend ijzer op de linker wang. Ik trachtte de letter M te maken.Hij is waarlijk opmerkingswaardig, die naïve trots van den heer Ricks over zijne poging om eene letter te schrijven. Hij wilde niet, dat men die letter M voor een staaltje zou aanzien van zijn bedrevenheid in de schrijfkunst. De ongelukkige zou misschien niet stilstaan, en hij vreesde, dat de M onleesbaar zou wezen.Maar het slechts eene uit de lange lijst van aankondigingenover verminkte, gesneden en gebrande negers in het werk van den heer Weld, getiteld:De slavernij in Amerika, zoo als zij is.XIII.Wreede meesters huurden soms menschen, die martelaars waren van beroep; of hadden zulke personen in hun dienst om hen in straffen van slaven bij te staan. De neuzen, ooren en tanden van een slaaf waren dikwijls niet veilig tegen een vertoornden eigenaar; en wanneer het misdrijf zeer groot was, werden somtijds zijne oogen uitgestoken. Kruisiging was zeer dikwijls het lot van een ongelukkigen slaaf, voor een klein wanbedrijf of somtijds zelfs uit loutere willekeur.Ter regtvaardiging van zulke daden, beroepen wij ons alweder op die schrikkelijke lijst van verminkte en gekneusde menschen, door de slavenhouders zelf beschreven, die wij in Weld’s „De slavernij in Amerika, zoo als zij is” aantreffen. Wij herinneren ook den lezer aan hetgeen wij hierboven van den gruwelijken Caphart verhaalden. Wat de kruisiging aangaat, wij veronderstellen, dat er wezens zijn, die om redenen van godsdienstigen aard weerhouden worden, om van zulk een middel van marteling gebruik te maken, maar die niet zouden terug deinzen voor even groote pijnigingen door andere middelen; even als de Grieksche zeeroover, die in de vasten een gewetensbezwaar voelt een droppel bloed te vergieten. Meent men, dat wij slechts eene gissing uiten? Men herleze, indien men er lust toe gevoelt, de schrikkelijke bijzonderheden van die urenlange pijniging, die Souther zijn slaaf aandeed, en men zegge hoeveel menschelijker de Amerikaansche slavernij is dan de Romeinsche.De laatste aanhaling, die wij nog in Blairs werk over de slavernij bij de Romeinen aantreffen, is de volgende:XIV.Volgens een senatus consultus werd, wanneer een slaveneigenaar vermoord was en zijne slaven hem welligt hadden kunnen beschermen, geheel zijn huishouden, dat binnen bereik viel, als medepligtig beschouwd en ter dood veroordeeld. Tacitus verhaalt ons, dat bij zulk eene gelegenheid eens vierhonderd slaven ter dood werden gebragt.Van alle wreedheden in het heidensche Rome op slaven gepleegd missen wij alleen deze in Noord-Amerika.Maar in andere opzigten heeft de Noord-Amerikaansche wetgeving hooger trap van verfijnde wreedheid bereikt, dan de wreedaards in die dagen zich ooit konden voorstellen. Gibbon zegt daaromtrent het volgende:De hoop, de beste troost in onzen onvolmaakten toestand, werd aan een Romeinschen slaaf niet ontnomen; en indien hij mogelijkheid zag om zich nuttig of aangenaam te maken, mogt hij hopen dat zijn ijver en getrouwheid, gedurende weinige jaren, beloond zouden worden met het onschatbare geschenk der vrijheid....Zonder dat daarom het verschil in stand werd weggenomen, beidde eene toekomst, waarin hij vrij zou zijn en regten genieten, ook hem, wien trots en vooroordeel meestal te gering achtten om hem als menschelijk wezen te beschouwen2.De jongelingen van veelbelovenden aanleg werden in de kunsten en wetenschappen opgeleid en hunne belooning hing af van de mate hunner bekwaamheid en talenten. Bijna iedere kunst, vrije zoowel als mechanische, werd beoefend onder de dienstbaren van een aanzienlijk lid van den Senaat3.Het volgende hoofdstuk zal doen zien hoe „die beste troost,” dien Gibbon in den menschelijken tegenspoed kent, aan den slaaf in Amerika ontnomen is; hoe hij verstoken is van de voorregten der opvoeding en zedelijke beschaving, die een ieder bijna ten deel vallen, en hoe de gansche strekking van dat rampzalige stelsel, dat hem tot lijfeigene maakt, is hem zelfs den troost der godsdienst te ontnemen, en hem uit te werpen uit het menschdom en de broederschap met den Zoon van God.1In eene regtspraak in een ander proces van den Staat tegen Abram komt met betrekking hiertoe nog de bepaling voor, dat de meester of opzigter en niet de slaaf zelf beoordeelt of hij te ziek of onbekwaam is voor den arbeid. Hij moet dus, wanneer de meester het beveelt, aan het werk gaan.2Gibbons ondergang en val, hoofdst. I.3Ibid.

Hoofdstuk XII.Vergelijking van de Romeinsche slavenwet met de Amerikaansche.De schrijfster heeft als hare meening te kennen gegeven dat de Amerikaansche slavenwet, over het algemeen, strenger bepalingen bevat dan die van eenig ander volk, uit den ouden of nieuwen tijd, met uitzondering welligt van die der Spartanen. Zij is niet in de gelegenheid om met die wet de Fransche en Spaansche te vergelijken; maar, daar men algemeen van oordeel is, dat de slavernij bij de Romeinen zwaarder was dan zij ooit in Amerika geweest is, willen wij deze beide slavenstelsels tegen elkander beschouwen. Te dien einde laten wij hier een overzigt volgen der romeinsche slavenwet, getrokken door William Jay uit de „Nasporing naar den aard der slavernij bij de Romeinen” van Blair, met de verwijzing naar de bepalingen in de Amerikaansche slavenwetten, om den lezer in staat te stellen, zelf de vergelijking te maken en de gevolgtrekkingen af te leiden.I.De slaaf werd niet beschermd tegen gierigheid, woede of de lusten van den meester, wiens gezag gegrond was op algeheelen eigendom; en de lijfeigene werd minder beschouwd alseen menschelijk wezen, aan eene willekeurige heerschappij onderworpen, dan wel als een dier van lageren rang, geheel afhankelijk van den wil van zijn eigenaar.Vergelijk over de wet van Zuid-Carolina Stroud’s „Schets der Slavenwetten,” p. 23, waar wij lezen:Slaven zullen behandeld, verkocht, in bezit genomen, geschat en toegewezen worden volgens de wet, en roerende eigendommen zijn in de hand van hunne eigenaars en bezitters persoonlijk en van de executeurs, administrateurs en gevolmagtigden van deze, in ieder opzigt en beteekenis.Een slaaf is iemand, die in de magt is van den meester aan wien hij behoort.Zulk eene gehoorzaamheid is alleen het gevolg eener onbeperkte magt over het ligchaam. Niets anders kan dien invloed uitoefenen. De magt van den meester moet absoluut zijn, om de onderwerping van den slaaf volkomen te doen wezen.II.In de eerste plaats bezat de meester het oppermagtige regt over leven en dood.In vroeger tijden werd in Virginia het regt over leven en dood der slavenbij de wetverleend.III.Hij mogt zijne slaven dooden, verminken, pijnigen voor ieder vergrijp of zonder dat er een vergrijp had plaats gehad; hij kon hen dwingen worstelaars of publieke vrouwen te worden.Het regt om een slaaf te dooden is nu eenigzins gefnuikt; wat verminking en pijniging aangaat, men zie het proces van Souther tegen den Staat, in Hoofdstuk III aangehaald, en het proces tegen Mann, in hetzelfde hoofdstuk te vinden.IV.Tijdelijke verbindtenissen van slaven en slavinnen werden op zijn bevel aangegaan en verbroken; huisgezinnen en vrienden werden gescheiden wanneer het hem goeddacht.Men zie de uitspraak van den regter Mathews in de zaak van Girod tegen Lewis, p. 199.Het staat vast, dat de slaven geene wettige magt bezitten om eenige verbindtenis aan te gaan. Onder toestemming van hun meester mogen zij trouwen, en hunne morele magt om eene verbindtenis of overeenkomst, als zulk een huwelijk, goed te vinden, kan niet in twijfel worden getrokken; maar in den toestand van slavernij kan het in burgerregterlijken zin, geen gevolgen hebben, omdat slaven van alle burgerregten zijn verstoken.Men zie ook later over de scheiding van huisgezinnen en de aanhaling uit een nieuwsblad uit het Zuiden.V.De wetten erkenden de vepligting niet van den meester om zijn slaven voedsel en kleeding te geven of voor hen, in geval van ziekte, te zorgen.Op welk eene wijze de Amerikaansche wet die verpligting oplegt, hebben wij reeds vroeger gezien bij de behandeling der beschermende wetten1,VI.Slaven konden geen eigendom bezitten, dan met goedkeuring van hun meester, van wien zij alles kregen, en met wien zij geene overeenkomsten konden sluiten, die voor hem verbindend waren.Het volgende hoofdstuk zal doen zien, hoever in dit opzigt de Amerikaansche wetgeving de Romeinsche vooruit is: zij houdt het zelfs voor een beboetbaar misdrijf van de zijde van den meester den slaaf het bezit van eenig eigendom te veroorloven, en voor eene misdaad in den slaaf, dat hem dit veroorloofd wordt. Wij bepalen ons thans slechts bij een uittreksel uit het Burgerlijk Wetboek van Louisiana, zoo als de regter Stroud het mededeelt:Een slaaf is iemand, die in de magt is van den meester, aan wien hij behoort. De meester mag hem verkoopen, over zijn persoon, zijne vermogens, zijn arbeid beschikken; hij kan niets doen, niets bezitten, niets verkrijgen, dan hetgeen aan zijn meester toekomt.Volgens den regter Ruffin, is een slaaf „iemand, wiens persoon en nakomelingschap gedoemd is te leven in onkunde, onmagtig iets tot zijn eigen te maken, en veroordeeld tot arbeid, op dat een ander de vruchten plukke.”Met betrekking tot de verbindende kracht van overeenkomsten tusschen meester en slaaf halen wij uit de regterlijke uitspraken in de Vereenigde Staten gevallen, de volgende aan:Al wat de slaaf verkrijgt is het eigendom van zijn meester, ondanks de belofte van den meester, dat de slaaf er een gedeelte van erlangen zal.Een slaaf stelde aan B. geld ter hand, dat hij boven zijn loon verdiend had, om daarvoor zijne kinderen te koopen. B. kocht die kinderen voor dat geld. De meester van dien slaaf had het regt om van B. het geld terug te eischen.VII.De meester kon zijne regten verkoopen of wegschenken of ze bij testament vermaken.Slaven zullen behandeld, verkocht in bezit genomen, geschat en toegewezen worden volgens de wet, en roerende eigendommen zijn in de hand van hunne eigenaars en bezitters persoonlijk en van de executeurs, administrateurs en gevolmagtigden van deze, in ieder opzigt en beteekenis.VIII.Een meester, die zijn slaaf verkocht, wegschonk of vermaakte, stelde somtijds de voorwaarde, dat hij nimmer buiten ’s lands zou gevoerd worden, of dat hij op een bepaalden tijd zou in vrijheid worden gesteld; of dat hij, integendeel, nimmer zou worden vrijgelaten of levenslang in ketenen zou blijven geklonken.Wij gelooven niet dat de voorwaarde, dat een slaaf nimmer in vrijheid zal worden gesteld, of dat hij levenslang in ketenen zal blijven geklonken, ooit gesteld werd. Maar de voorwaardedat een slaaf niet buiten ’s lands zou worden gevoerd, of verkocht, of dat hij bij eene zekere gebeurtenis, vrij gelaten zou worden, is ook bij ons geenszins zonder voorbeeld.Het overige van Blairs overzigt der slavernij bij de Romeinen is meer gewijd aan hetgeen de meesters deden dan aan de wet zelve. De schrijfster acht zich niet geroepen tot het geven eener vergelijking tusschen hetgeen, in de negentiende eeuw, in de beschaafde en Christelijke Staten van Noord-Amerika voorvalt, en de wreedheden in het heidensche Rome gepleegd onder den scepter der onmenschelijke Keizers, toen het worstelperk de geliefkoosde uitspanning was der aanzienlijkste burgers en de „school” voor de menigte. Eenige weinige aanhalingen zullen reeds toonen, zoo ver wij dit noodig achten, met hoeveel meer gerustheid men thans den eenen mensch eene onbeperkte magt kan geven over den ander, dan toen.IX.Wanneer de slaven den handmolen draaiden, waren zij gewoonlijk geboeid, en droegen zij eene breede houten plank om den hals, om hun te beletten van het graan te eten. OnderFurca,dat later galg beteekende, verstond men in de oudste tijden een houten vork of kraag, die gemaakt was om door hen op de schouders of om den hals te worden gedragen, als een schandteeken of om hun een zwaren last op te leggen.De lezer heeft reeds in Hoofdstuk V gezien, dat dit vernederend voorwerp ook in onzen tijd in zwang is in sommige slavenhoudende Staten, en dat het in bescherming genomen is door de Wetgevende Magt; hoewel de stof verschillend is en de vorm door den tijd eenige verandering heeft ondergaan.X.Boeijen en ketenen werden dikwijls gebruikt als straf en in sommige gevallen levenslang door de slaven gedragen, op louter gezag van den meester. Portiers aan de deuren der woningen van aanzienlijken waren gewoonlijk geketend. Zij, die veldarbeid verrigtten, werkten, in later tijden, meestendeels geboeid.De wetgeving van Zuid-Carolina wettigt bijna al dezelfde gebruiken, door ze onder debeschermende bepalingenop te nemen, waarbij eene boete van slechtshonderd pondwordtopgelegd aan hem, die opzettelijk een slaaf de tong uitsnijdt enz., of eenige andere straf uitoefent dan geeselen, of slaan met eene rijzweep, riemen, takken of dunne stokken, ofdoor den slaaf in boeijen te klinken of hem op te sluiten.XI.Sommige personen maakten er hun bestaan van weggeloopen slaven op te sporen.Dat zulk een middel van bestaan, door de hoogste Wetgevende Magt ingesteld, en achtenswaardig gemaakt door de uitdrukkelijke of ingewikkelde aanbeveling van Staatsmannen en geestelijken, en van staatkundige en godsdienstige nieuwsbladen, onder ons bestaat,vooral in de vrije Staten, is een feit, dat elken dag blijkt en waarvoor wij dus geen getuigenis behoeven in te roepen. In Alabama schijnt echter die zaak op eene meer opene en officiële wijze behandeld te worden dan ergens elders. De heer Jay neemt de volgende aankondiging uit deSampter Countyover:Negerhonden.De ondergeteekende berigt dat hij eene groote menigte negerhonden heeft aangekocht, en beveelt zich aan tot het opsporen van weggeloopen negers. De kosten zijn drie dollars voor een dag jagen, en vijftien dollars voor het terug brengen van een neger. Hij woont drie en eene halve mijl ten noorden van Livingston, nabij den Jones’ Bluff-weg.6 November 1845.William Gambel.De volgende is woordelijk overgenomen uitThe Dadeville (Alabama) Bannervan 10 November 1852. DeDadeville Banneris een blad, gewijd aanstaatkunde, letterkunde, opvoeding, landbouw, enz.Let wel.De ondergeteekende heeft een uitnemenden troepHondenvoor het zoeken en vangen van weggeloopen slaven. Hij berigt het Publiek, dat de prijzen voor het gebruik maken zijner hulp voortaan zullen zijn:Dollars.Voor elken dag met het jagen en opsporen doorgebragt2.50Voor het vangen van elken slaaf10.00Voor het afleggen van een afstand van meer dan tien mijlen om een slaaf te vangen20.00De betaling is contant. De ondergeteekende woont anderhalve mijl van Dadeville.Dadeville, 1 September 1852.B. Black.XII.De weggeloopen slaaf werd, wanneer hij gevangen was, streng gestraft op bevel van zijn meester of, wanneer deze het verlangde, op last van den regter; somtijds door kruisiging, het afzetten van een voet, of door hem naar het worstelperk te zenden om met wilde dieren te vechten; maar gewoonlijk door hem boven de wenkbraauw te brandmerken met letters die zijn misdaad uitdrukten.Ieder zal uit deonbeperkte magtvan den meester afleiden, dat die strenge straf iederen weggeloopen slaaf ten deel viel. Dat zij in menig geval werd toegepast is ligt te bewijzen, maar dat bewijs is overbodig. De bijzondere wijzen van strafoefening, die hierboven vermeld staan, zijn nu buiten gebruik, maar de volgende aankondiging van den advokaat Micajah Ricks in deRaleigh(Noord-Carolina)Standard, van den 18denJulij 1838, bewijst, dat nog iets van dien klassieken smaak in het pijnigen ook in onze verbasterde dagen heerscht.Weggeloopen eene negerin met twee kinderen. Weinige dagen voor zij wegliep, brandde ik haar met een gloeijend ijzer op de linker wang. Ik trachtte de letter M te maken.Hij is waarlijk opmerkingswaardig, die naïve trots van den heer Ricks over zijne poging om eene letter te schrijven. Hij wilde niet, dat men die letter M voor een staaltje zou aanzien van zijn bedrevenheid in de schrijfkunst. De ongelukkige zou misschien niet stilstaan, en hij vreesde, dat de M onleesbaar zou wezen.Maar het slechts eene uit de lange lijst van aankondigingenover verminkte, gesneden en gebrande negers in het werk van den heer Weld, getiteld:De slavernij in Amerika, zoo als zij is.XIII.Wreede meesters huurden soms menschen, die martelaars waren van beroep; of hadden zulke personen in hun dienst om hen in straffen van slaven bij te staan. De neuzen, ooren en tanden van een slaaf waren dikwijls niet veilig tegen een vertoornden eigenaar; en wanneer het misdrijf zeer groot was, werden somtijds zijne oogen uitgestoken. Kruisiging was zeer dikwijls het lot van een ongelukkigen slaaf, voor een klein wanbedrijf of somtijds zelfs uit loutere willekeur.Ter regtvaardiging van zulke daden, beroepen wij ons alweder op die schrikkelijke lijst van verminkte en gekneusde menschen, door de slavenhouders zelf beschreven, die wij in Weld’s „De slavernij in Amerika, zoo als zij is” aantreffen. Wij herinneren ook den lezer aan hetgeen wij hierboven van den gruwelijken Caphart verhaalden. Wat de kruisiging aangaat, wij veronderstellen, dat er wezens zijn, die om redenen van godsdienstigen aard weerhouden worden, om van zulk een middel van marteling gebruik te maken, maar die niet zouden terug deinzen voor even groote pijnigingen door andere middelen; even als de Grieksche zeeroover, die in de vasten een gewetensbezwaar voelt een droppel bloed te vergieten. Meent men, dat wij slechts eene gissing uiten? Men herleze, indien men er lust toe gevoelt, de schrikkelijke bijzonderheden van die urenlange pijniging, die Souther zijn slaaf aandeed, en men zegge hoeveel menschelijker de Amerikaansche slavernij is dan de Romeinsche.De laatste aanhaling, die wij nog in Blairs werk over de slavernij bij de Romeinen aantreffen, is de volgende:XIV.Volgens een senatus consultus werd, wanneer een slaveneigenaar vermoord was en zijne slaven hem welligt hadden kunnen beschermen, geheel zijn huishouden, dat binnen bereik viel, als medepligtig beschouwd en ter dood veroordeeld. Tacitus verhaalt ons, dat bij zulk eene gelegenheid eens vierhonderd slaven ter dood werden gebragt.Van alle wreedheden in het heidensche Rome op slaven gepleegd missen wij alleen deze in Noord-Amerika.Maar in andere opzigten heeft de Noord-Amerikaansche wetgeving hooger trap van verfijnde wreedheid bereikt, dan de wreedaards in die dagen zich ooit konden voorstellen. Gibbon zegt daaromtrent het volgende:De hoop, de beste troost in onzen onvolmaakten toestand, werd aan een Romeinschen slaaf niet ontnomen; en indien hij mogelijkheid zag om zich nuttig of aangenaam te maken, mogt hij hopen dat zijn ijver en getrouwheid, gedurende weinige jaren, beloond zouden worden met het onschatbare geschenk der vrijheid....Zonder dat daarom het verschil in stand werd weggenomen, beidde eene toekomst, waarin hij vrij zou zijn en regten genieten, ook hem, wien trots en vooroordeel meestal te gering achtten om hem als menschelijk wezen te beschouwen2.De jongelingen van veelbelovenden aanleg werden in de kunsten en wetenschappen opgeleid en hunne belooning hing af van de mate hunner bekwaamheid en talenten. Bijna iedere kunst, vrije zoowel als mechanische, werd beoefend onder de dienstbaren van een aanzienlijk lid van den Senaat3.Het volgende hoofdstuk zal doen zien hoe „die beste troost,” dien Gibbon in den menschelijken tegenspoed kent, aan den slaaf in Amerika ontnomen is; hoe hij verstoken is van de voorregten der opvoeding en zedelijke beschaving, die een ieder bijna ten deel vallen, en hoe de gansche strekking van dat rampzalige stelsel, dat hem tot lijfeigene maakt, is hem zelfs den troost der godsdienst te ontnemen, en hem uit te werpen uit het menschdom en de broederschap met den Zoon van God.1In eene regtspraak in een ander proces van den Staat tegen Abram komt met betrekking hiertoe nog de bepaling voor, dat de meester of opzigter en niet de slaaf zelf beoordeelt of hij te ziek of onbekwaam is voor den arbeid. Hij moet dus, wanneer de meester het beveelt, aan het werk gaan.2Gibbons ondergang en val, hoofdst. I.3Ibid.

Hoofdstuk XII.Vergelijking van de Romeinsche slavenwet met de Amerikaansche.De schrijfster heeft als hare meening te kennen gegeven dat de Amerikaansche slavenwet, over het algemeen, strenger bepalingen bevat dan die van eenig ander volk, uit den ouden of nieuwen tijd, met uitzondering welligt van die der Spartanen. Zij is niet in de gelegenheid om met die wet de Fransche en Spaansche te vergelijken; maar, daar men algemeen van oordeel is, dat de slavernij bij de Romeinen zwaarder was dan zij ooit in Amerika geweest is, willen wij deze beide slavenstelsels tegen elkander beschouwen. Te dien einde laten wij hier een overzigt volgen der romeinsche slavenwet, getrokken door William Jay uit de „Nasporing naar den aard der slavernij bij de Romeinen” van Blair, met de verwijzing naar de bepalingen in de Amerikaansche slavenwetten, om den lezer in staat te stellen, zelf de vergelijking te maken en de gevolgtrekkingen af te leiden.I.De slaaf werd niet beschermd tegen gierigheid, woede of de lusten van den meester, wiens gezag gegrond was op algeheelen eigendom; en de lijfeigene werd minder beschouwd alseen menschelijk wezen, aan eene willekeurige heerschappij onderworpen, dan wel als een dier van lageren rang, geheel afhankelijk van den wil van zijn eigenaar.Vergelijk over de wet van Zuid-Carolina Stroud’s „Schets der Slavenwetten,” p. 23, waar wij lezen:Slaven zullen behandeld, verkocht, in bezit genomen, geschat en toegewezen worden volgens de wet, en roerende eigendommen zijn in de hand van hunne eigenaars en bezitters persoonlijk en van de executeurs, administrateurs en gevolmagtigden van deze, in ieder opzigt en beteekenis.Een slaaf is iemand, die in de magt is van den meester aan wien hij behoort.Zulk eene gehoorzaamheid is alleen het gevolg eener onbeperkte magt over het ligchaam. Niets anders kan dien invloed uitoefenen. De magt van den meester moet absoluut zijn, om de onderwerping van den slaaf volkomen te doen wezen.II.In de eerste plaats bezat de meester het oppermagtige regt over leven en dood.In vroeger tijden werd in Virginia het regt over leven en dood der slavenbij de wetverleend.III.Hij mogt zijne slaven dooden, verminken, pijnigen voor ieder vergrijp of zonder dat er een vergrijp had plaats gehad; hij kon hen dwingen worstelaars of publieke vrouwen te worden.Het regt om een slaaf te dooden is nu eenigzins gefnuikt; wat verminking en pijniging aangaat, men zie het proces van Souther tegen den Staat, in Hoofdstuk III aangehaald, en het proces tegen Mann, in hetzelfde hoofdstuk te vinden.IV.Tijdelijke verbindtenissen van slaven en slavinnen werden op zijn bevel aangegaan en verbroken; huisgezinnen en vrienden werden gescheiden wanneer het hem goeddacht.Men zie de uitspraak van den regter Mathews in de zaak van Girod tegen Lewis, p. 199.Het staat vast, dat de slaven geene wettige magt bezitten om eenige verbindtenis aan te gaan. Onder toestemming van hun meester mogen zij trouwen, en hunne morele magt om eene verbindtenis of overeenkomst, als zulk een huwelijk, goed te vinden, kan niet in twijfel worden getrokken; maar in den toestand van slavernij kan het in burgerregterlijken zin, geen gevolgen hebben, omdat slaven van alle burgerregten zijn verstoken.Men zie ook later over de scheiding van huisgezinnen en de aanhaling uit een nieuwsblad uit het Zuiden.V.De wetten erkenden de vepligting niet van den meester om zijn slaven voedsel en kleeding te geven of voor hen, in geval van ziekte, te zorgen.Op welk eene wijze de Amerikaansche wet die verpligting oplegt, hebben wij reeds vroeger gezien bij de behandeling der beschermende wetten1,VI.Slaven konden geen eigendom bezitten, dan met goedkeuring van hun meester, van wien zij alles kregen, en met wien zij geene overeenkomsten konden sluiten, die voor hem verbindend waren.Het volgende hoofdstuk zal doen zien, hoever in dit opzigt de Amerikaansche wetgeving de Romeinsche vooruit is: zij houdt het zelfs voor een beboetbaar misdrijf van de zijde van den meester den slaaf het bezit van eenig eigendom te veroorloven, en voor eene misdaad in den slaaf, dat hem dit veroorloofd wordt. Wij bepalen ons thans slechts bij een uittreksel uit het Burgerlijk Wetboek van Louisiana, zoo als de regter Stroud het mededeelt:Een slaaf is iemand, die in de magt is van den meester, aan wien hij behoort. De meester mag hem verkoopen, over zijn persoon, zijne vermogens, zijn arbeid beschikken; hij kan niets doen, niets bezitten, niets verkrijgen, dan hetgeen aan zijn meester toekomt.Volgens den regter Ruffin, is een slaaf „iemand, wiens persoon en nakomelingschap gedoemd is te leven in onkunde, onmagtig iets tot zijn eigen te maken, en veroordeeld tot arbeid, op dat een ander de vruchten plukke.”Met betrekking tot de verbindende kracht van overeenkomsten tusschen meester en slaaf halen wij uit de regterlijke uitspraken in de Vereenigde Staten gevallen, de volgende aan:Al wat de slaaf verkrijgt is het eigendom van zijn meester, ondanks de belofte van den meester, dat de slaaf er een gedeelte van erlangen zal.Een slaaf stelde aan B. geld ter hand, dat hij boven zijn loon verdiend had, om daarvoor zijne kinderen te koopen. B. kocht die kinderen voor dat geld. De meester van dien slaaf had het regt om van B. het geld terug te eischen.VII.De meester kon zijne regten verkoopen of wegschenken of ze bij testament vermaken.Slaven zullen behandeld, verkocht in bezit genomen, geschat en toegewezen worden volgens de wet, en roerende eigendommen zijn in de hand van hunne eigenaars en bezitters persoonlijk en van de executeurs, administrateurs en gevolmagtigden van deze, in ieder opzigt en beteekenis.VIII.Een meester, die zijn slaaf verkocht, wegschonk of vermaakte, stelde somtijds de voorwaarde, dat hij nimmer buiten ’s lands zou gevoerd worden, of dat hij op een bepaalden tijd zou in vrijheid worden gesteld; of dat hij, integendeel, nimmer zou worden vrijgelaten of levenslang in ketenen zou blijven geklonken.Wij gelooven niet dat de voorwaarde, dat een slaaf nimmer in vrijheid zal worden gesteld, of dat hij levenslang in ketenen zal blijven geklonken, ooit gesteld werd. Maar de voorwaardedat een slaaf niet buiten ’s lands zou worden gevoerd, of verkocht, of dat hij bij eene zekere gebeurtenis, vrij gelaten zou worden, is ook bij ons geenszins zonder voorbeeld.Het overige van Blairs overzigt der slavernij bij de Romeinen is meer gewijd aan hetgeen de meesters deden dan aan de wet zelve. De schrijfster acht zich niet geroepen tot het geven eener vergelijking tusschen hetgeen, in de negentiende eeuw, in de beschaafde en Christelijke Staten van Noord-Amerika voorvalt, en de wreedheden in het heidensche Rome gepleegd onder den scepter der onmenschelijke Keizers, toen het worstelperk de geliefkoosde uitspanning was der aanzienlijkste burgers en de „school” voor de menigte. Eenige weinige aanhalingen zullen reeds toonen, zoo ver wij dit noodig achten, met hoeveel meer gerustheid men thans den eenen mensch eene onbeperkte magt kan geven over den ander, dan toen.IX.Wanneer de slaven den handmolen draaiden, waren zij gewoonlijk geboeid, en droegen zij eene breede houten plank om den hals, om hun te beletten van het graan te eten. OnderFurca,dat later galg beteekende, verstond men in de oudste tijden een houten vork of kraag, die gemaakt was om door hen op de schouders of om den hals te worden gedragen, als een schandteeken of om hun een zwaren last op te leggen.De lezer heeft reeds in Hoofdstuk V gezien, dat dit vernederend voorwerp ook in onzen tijd in zwang is in sommige slavenhoudende Staten, en dat het in bescherming genomen is door de Wetgevende Magt; hoewel de stof verschillend is en de vorm door den tijd eenige verandering heeft ondergaan.X.Boeijen en ketenen werden dikwijls gebruikt als straf en in sommige gevallen levenslang door de slaven gedragen, op louter gezag van den meester. Portiers aan de deuren der woningen van aanzienlijken waren gewoonlijk geketend. Zij, die veldarbeid verrigtten, werkten, in later tijden, meestendeels geboeid.De wetgeving van Zuid-Carolina wettigt bijna al dezelfde gebruiken, door ze onder debeschermende bepalingenop te nemen, waarbij eene boete van slechtshonderd pondwordtopgelegd aan hem, die opzettelijk een slaaf de tong uitsnijdt enz., of eenige andere straf uitoefent dan geeselen, of slaan met eene rijzweep, riemen, takken of dunne stokken, ofdoor den slaaf in boeijen te klinken of hem op te sluiten.XI.Sommige personen maakten er hun bestaan van weggeloopen slaven op te sporen.Dat zulk een middel van bestaan, door de hoogste Wetgevende Magt ingesteld, en achtenswaardig gemaakt door de uitdrukkelijke of ingewikkelde aanbeveling van Staatsmannen en geestelijken, en van staatkundige en godsdienstige nieuwsbladen, onder ons bestaat,vooral in de vrije Staten, is een feit, dat elken dag blijkt en waarvoor wij dus geen getuigenis behoeven in te roepen. In Alabama schijnt echter die zaak op eene meer opene en officiële wijze behandeld te worden dan ergens elders. De heer Jay neemt de volgende aankondiging uit deSampter Countyover:Negerhonden.De ondergeteekende berigt dat hij eene groote menigte negerhonden heeft aangekocht, en beveelt zich aan tot het opsporen van weggeloopen negers. De kosten zijn drie dollars voor een dag jagen, en vijftien dollars voor het terug brengen van een neger. Hij woont drie en eene halve mijl ten noorden van Livingston, nabij den Jones’ Bluff-weg.6 November 1845.William Gambel.De volgende is woordelijk overgenomen uitThe Dadeville (Alabama) Bannervan 10 November 1852. DeDadeville Banneris een blad, gewijd aanstaatkunde, letterkunde, opvoeding, landbouw, enz.Let wel.De ondergeteekende heeft een uitnemenden troepHondenvoor het zoeken en vangen van weggeloopen slaven. Hij berigt het Publiek, dat de prijzen voor het gebruik maken zijner hulp voortaan zullen zijn:Dollars.Voor elken dag met het jagen en opsporen doorgebragt2.50Voor het vangen van elken slaaf10.00Voor het afleggen van een afstand van meer dan tien mijlen om een slaaf te vangen20.00De betaling is contant. De ondergeteekende woont anderhalve mijl van Dadeville.Dadeville, 1 September 1852.B. Black.XII.De weggeloopen slaaf werd, wanneer hij gevangen was, streng gestraft op bevel van zijn meester of, wanneer deze het verlangde, op last van den regter; somtijds door kruisiging, het afzetten van een voet, of door hem naar het worstelperk te zenden om met wilde dieren te vechten; maar gewoonlijk door hem boven de wenkbraauw te brandmerken met letters die zijn misdaad uitdrukten.Ieder zal uit deonbeperkte magtvan den meester afleiden, dat die strenge straf iederen weggeloopen slaaf ten deel viel. Dat zij in menig geval werd toegepast is ligt te bewijzen, maar dat bewijs is overbodig. De bijzondere wijzen van strafoefening, die hierboven vermeld staan, zijn nu buiten gebruik, maar de volgende aankondiging van den advokaat Micajah Ricks in deRaleigh(Noord-Carolina)Standard, van den 18denJulij 1838, bewijst, dat nog iets van dien klassieken smaak in het pijnigen ook in onze verbasterde dagen heerscht.Weggeloopen eene negerin met twee kinderen. Weinige dagen voor zij wegliep, brandde ik haar met een gloeijend ijzer op de linker wang. Ik trachtte de letter M te maken.Hij is waarlijk opmerkingswaardig, die naïve trots van den heer Ricks over zijne poging om eene letter te schrijven. Hij wilde niet, dat men die letter M voor een staaltje zou aanzien van zijn bedrevenheid in de schrijfkunst. De ongelukkige zou misschien niet stilstaan, en hij vreesde, dat de M onleesbaar zou wezen.Maar het slechts eene uit de lange lijst van aankondigingenover verminkte, gesneden en gebrande negers in het werk van den heer Weld, getiteld:De slavernij in Amerika, zoo als zij is.XIII.Wreede meesters huurden soms menschen, die martelaars waren van beroep; of hadden zulke personen in hun dienst om hen in straffen van slaven bij te staan. De neuzen, ooren en tanden van een slaaf waren dikwijls niet veilig tegen een vertoornden eigenaar; en wanneer het misdrijf zeer groot was, werden somtijds zijne oogen uitgestoken. Kruisiging was zeer dikwijls het lot van een ongelukkigen slaaf, voor een klein wanbedrijf of somtijds zelfs uit loutere willekeur.Ter regtvaardiging van zulke daden, beroepen wij ons alweder op die schrikkelijke lijst van verminkte en gekneusde menschen, door de slavenhouders zelf beschreven, die wij in Weld’s „De slavernij in Amerika, zoo als zij is” aantreffen. Wij herinneren ook den lezer aan hetgeen wij hierboven van den gruwelijken Caphart verhaalden. Wat de kruisiging aangaat, wij veronderstellen, dat er wezens zijn, die om redenen van godsdienstigen aard weerhouden worden, om van zulk een middel van marteling gebruik te maken, maar die niet zouden terug deinzen voor even groote pijnigingen door andere middelen; even als de Grieksche zeeroover, die in de vasten een gewetensbezwaar voelt een droppel bloed te vergieten. Meent men, dat wij slechts eene gissing uiten? Men herleze, indien men er lust toe gevoelt, de schrikkelijke bijzonderheden van die urenlange pijniging, die Souther zijn slaaf aandeed, en men zegge hoeveel menschelijker de Amerikaansche slavernij is dan de Romeinsche.De laatste aanhaling, die wij nog in Blairs werk over de slavernij bij de Romeinen aantreffen, is de volgende:XIV.Volgens een senatus consultus werd, wanneer een slaveneigenaar vermoord was en zijne slaven hem welligt hadden kunnen beschermen, geheel zijn huishouden, dat binnen bereik viel, als medepligtig beschouwd en ter dood veroordeeld. Tacitus verhaalt ons, dat bij zulk eene gelegenheid eens vierhonderd slaven ter dood werden gebragt.Van alle wreedheden in het heidensche Rome op slaven gepleegd missen wij alleen deze in Noord-Amerika.Maar in andere opzigten heeft de Noord-Amerikaansche wetgeving hooger trap van verfijnde wreedheid bereikt, dan de wreedaards in die dagen zich ooit konden voorstellen. Gibbon zegt daaromtrent het volgende:De hoop, de beste troost in onzen onvolmaakten toestand, werd aan een Romeinschen slaaf niet ontnomen; en indien hij mogelijkheid zag om zich nuttig of aangenaam te maken, mogt hij hopen dat zijn ijver en getrouwheid, gedurende weinige jaren, beloond zouden worden met het onschatbare geschenk der vrijheid....Zonder dat daarom het verschil in stand werd weggenomen, beidde eene toekomst, waarin hij vrij zou zijn en regten genieten, ook hem, wien trots en vooroordeel meestal te gering achtten om hem als menschelijk wezen te beschouwen2.De jongelingen van veelbelovenden aanleg werden in de kunsten en wetenschappen opgeleid en hunne belooning hing af van de mate hunner bekwaamheid en talenten. Bijna iedere kunst, vrije zoowel als mechanische, werd beoefend onder de dienstbaren van een aanzienlijk lid van den Senaat3.Het volgende hoofdstuk zal doen zien hoe „die beste troost,” dien Gibbon in den menschelijken tegenspoed kent, aan den slaaf in Amerika ontnomen is; hoe hij verstoken is van de voorregten der opvoeding en zedelijke beschaving, die een ieder bijna ten deel vallen, en hoe de gansche strekking van dat rampzalige stelsel, dat hem tot lijfeigene maakt, is hem zelfs den troost der godsdienst te ontnemen, en hem uit te werpen uit het menschdom en de broederschap met den Zoon van God.1In eene regtspraak in een ander proces van den Staat tegen Abram komt met betrekking hiertoe nog de bepaling voor, dat de meester of opzigter en niet de slaaf zelf beoordeelt of hij te ziek of onbekwaam is voor den arbeid. Hij moet dus, wanneer de meester het beveelt, aan het werk gaan.2Gibbons ondergang en val, hoofdst. I.3Ibid.

Hoofdstuk XII.Vergelijking van de Romeinsche slavenwet met de Amerikaansche.

De schrijfster heeft als hare meening te kennen gegeven dat de Amerikaansche slavenwet, over het algemeen, strenger bepalingen bevat dan die van eenig ander volk, uit den ouden of nieuwen tijd, met uitzondering welligt van die der Spartanen. Zij is niet in de gelegenheid om met die wet de Fransche en Spaansche te vergelijken; maar, daar men algemeen van oordeel is, dat de slavernij bij de Romeinen zwaarder was dan zij ooit in Amerika geweest is, willen wij deze beide slavenstelsels tegen elkander beschouwen. Te dien einde laten wij hier een overzigt volgen der romeinsche slavenwet, getrokken door William Jay uit de „Nasporing naar den aard der slavernij bij de Romeinen” van Blair, met de verwijzing naar de bepalingen in de Amerikaansche slavenwetten, om den lezer in staat te stellen, zelf de vergelijking te maken en de gevolgtrekkingen af te leiden.I.De slaaf werd niet beschermd tegen gierigheid, woede of de lusten van den meester, wiens gezag gegrond was op algeheelen eigendom; en de lijfeigene werd minder beschouwd alseen menschelijk wezen, aan eene willekeurige heerschappij onderworpen, dan wel als een dier van lageren rang, geheel afhankelijk van den wil van zijn eigenaar.Vergelijk over de wet van Zuid-Carolina Stroud’s „Schets der Slavenwetten,” p. 23, waar wij lezen:Slaven zullen behandeld, verkocht, in bezit genomen, geschat en toegewezen worden volgens de wet, en roerende eigendommen zijn in de hand van hunne eigenaars en bezitters persoonlijk en van de executeurs, administrateurs en gevolmagtigden van deze, in ieder opzigt en beteekenis.Een slaaf is iemand, die in de magt is van den meester aan wien hij behoort.Zulk eene gehoorzaamheid is alleen het gevolg eener onbeperkte magt over het ligchaam. Niets anders kan dien invloed uitoefenen. De magt van den meester moet absoluut zijn, om de onderwerping van den slaaf volkomen te doen wezen.II.In de eerste plaats bezat de meester het oppermagtige regt over leven en dood.In vroeger tijden werd in Virginia het regt over leven en dood der slavenbij de wetverleend.III.Hij mogt zijne slaven dooden, verminken, pijnigen voor ieder vergrijp of zonder dat er een vergrijp had plaats gehad; hij kon hen dwingen worstelaars of publieke vrouwen te worden.Het regt om een slaaf te dooden is nu eenigzins gefnuikt; wat verminking en pijniging aangaat, men zie het proces van Souther tegen den Staat, in Hoofdstuk III aangehaald, en het proces tegen Mann, in hetzelfde hoofdstuk te vinden.IV.Tijdelijke verbindtenissen van slaven en slavinnen werden op zijn bevel aangegaan en verbroken; huisgezinnen en vrienden werden gescheiden wanneer het hem goeddacht.Men zie de uitspraak van den regter Mathews in de zaak van Girod tegen Lewis, p. 199.Het staat vast, dat de slaven geene wettige magt bezitten om eenige verbindtenis aan te gaan. Onder toestemming van hun meester mogen zij trouwen, en hunne morele magt om eene verbindtenis of overeenkomst, als zulk een huwelijk, goed te vinden, kan niet in twijfel worden getrokken; maar in den toestand van slavernij kan het in burgerregterlijken zin, geen gevolgen hebben, omdat slaven van alle burgerregten zijn verstoken.Men zie ook later over de scheiding van huisgezinnen en de aanhaling uit een nieuwsblad uit het Zuiden.V.De wetten erkenden de vepligting niet van den meester om zijn slaven voedsel en kleeding te geven of voor hen, in geval van ziekte, te zorgen.Op welk eene wijze de Amerikaansche wet die verpligting oplegt, hebben wij reeds vroeger gezien bij de behandeling der beschermende wetten1,VI.Slaven konden geen eigendom bezitten, dan met goedkeuring van hun meester, van wien zij alles kregen, en met wien zij geene overeenkomsten konden sluiten, die voor hem verbindend waren.Het volgende hoofdstuk zal doen zien, hoever in dit opzigt de Amerikaansche wetgeving de Romeinsche vooruit is: zij houdt het zelfs voor een beboetbaar misdrijf van de zijde van den meester den slaaf het bezit van eenig eigendom te veroorloven, en voor eene misdaad in den slaaf, dat hem dit veroorloofd wordt. Wij bepalen ons thans slechts bij een uittreksel uit het Burgerlijk Wetboek van Louisiana, zoo als de regter Stroud het mededeelt:Een slaaf is iemand, die in de magt is van den meester, aan wien hij behoort. De meester mag hem verkoopen, over zijn persoon, zijne vermogens, zijn arbeid beschikken; hij kan niets doen, niets bezitten, niets verkrijgen, dan hetgeen aan zijn meester toekomt.Volgens den regter Ruffin, is een slaaf „iemand, wiens persoon en nakomelingschap gedoemd is te leven in onkunde, onmagtig iets tot zijn eigen te maken, en veroordeeld tot arbeid, op dat een ander de vruchten plukke.”Met betrekking tot de verbindende kracht van overeenkomsten tusschen meester en slaaf halen wij uit de regterlijke uitspraken in de Vereenigde Staten gevallen, de volgende aan:Al wat de slaaf verkrijgt is het eigendom van zijn meester, ondanks de belofte van den meester, dat de slaaf er een gedeelte van erlangen zal.Een slaaf stelde aan B. geld ter hand, dat hij boven zijn loon verdiend had, om daarvoor zijne kinderen te koopen. B. kocht die kinderen voor dat geld. De meester van dien slaaf had het regt om van B. het geld terug te eischen.VII.De meester kon zijne regten verkoopen of wegschenken of ze bij testament vermaken.Slaven zullen behandeld, verkocht in bezit genomen, geschat en toegewezen worden volgens de wet, en roerende eigendommen zijn in de hand van hunne eigenaars en bezitters persoonlijk en van de executeurs, administrateurs en gevolmagtigden van deze, in ieder opzigt en beteekenis.VIII.Een meester, die zijn slaaf verkocht, wegschonk of vermaakte, stelde somtijds de voorwaarde, dat hij nimmer buiten ’s lands zou gevoerd worden, of dat hij op een bepaalden tijd zou in vrijheid worden gesteld; of dat hij, integendeel, nimmer zou worden vrijgelaten of levenslang in ketenen zou blijven geklonken.Wij gelooven niet dat de voorwaarde, dat een slaaf nimmer in vrijheid zal worden gesteld, of dat hij levenslang in ketenen zal blijven geklonken, ooit gesteld werd. Maar de voorwaardedat een slaaf niet buiten ’s lands zou worden gevoerd, of verkocht, of dat hij bij eene zekere gebeurtenis, vrij gelaten zou worden, is ook bij ons geenszins zonder voorbeeld.Het overige van Blairs overzigt der slavernij bij de Romeinen is meer gewijd aan hetgeen de meesters deden dan aan de wet zelve. De schrijfster acht zich niet geroepen tot het geven eener vergelijking tusschen hetgeen, in de negentiende eeuw, in de beschaafde en Christelijke Staten van Noord-Amerika voorvalt, en de wreedheden in het heidensche Rome gepleegd onder den scepter der onmenschelijke Keizers, toen het worstelperk de geliefkoosde uitspanning was der aanzienlijkste burgers en de „school” voor de menigte. Eenige weinige aanhalingen zullen reeds toonen, zoo ver wij dit noodig achten, met hoeveel meer gerustheid men thans den eenen mensch eene onbeperkte magt kan geven over den ander, dan toen.IX.Wanneer de slaven den handmolen draaiden, waren zij gewoonlijk geboeid, en droegen zij eene breede houten plank om den hals, om hun te beletten van het graan te eten. OnderFurca,dat later galg beteekende, verstond men in de oudste tijden een houten vork of kraag, die gemaakt was om door hen op de schouders of om den hals te worden gedragen, als een schandteeken of om hun een zwaren last op te leggen.De lezer heeft reeds in Hoofdstuk V gezien, dat dit vernederend voorwerp ook in onzen tijd in zwang is in sommige slavenhoudende Staten, en dat het in bescherming genomen is door de Wetgevende Magt; hoewel de stof verschillend is en de vorm door den tijd eenige verandering heeft ondergaan.X.Boeijen en ketenen werden dikwijls gebruikt als straf en in sommige gevallen levenslang door de slaven gedragen, op louter gezag van den meester. Portiers aan de deuren der woningen van aanzienlijken waren gewoonlijk geketend. Zij, die veldarbeid verrigtten, werkten, in later tijden, meestendeels geboeid.De wetgeving van Zuid-Carolina wettigt bijna al dezelfde gebruiken, door ze onder debeschermende bepalingenop te nemen, waarbij eene boete van slechtshonderd pondwordtopgelegd aan hem, die opzettelijk een slaaf de tong uitsnijdt enz., of eenige andere straf uitoefent dan geeselen, of slaan met eene rijzweep, riemen, takken of dunne stokken, ofdoor den slaaf in boeijen te klinken of hem op te sluiten.XI.Sommige personen maakten er hun bestaan van weggeloopen slaven op te sporen.Dat zulk een middel van bestaan, door de hoogste Wetgevende Magt ingesteld, en achtenswaardig gemaakt door de uitdrukkelijke of ingewikkelde aanbeveling van Staatsmannen en geestelijken, en van staatkundige en godsdienstige nieuwsbladen, onder ons bestaat,vooral in de vrije Staten, is een feit, dat elken dag blijkt en waarvoor wij dus geen getuigenis behoeven in te roepen. In Alabama schijnt echter die zaak op eene meer opene en officiële wijze behandeld te worden dan ergens elders. De heer Jay neemt de volgende aankondiging uit deSampter Countyover:Negerhonden.De ondergeteekende berigt dat hij eene groote menigte negerhonden heeft aangekocht, en beveelt zich aan tot het opsporen van weggeloopen negers. De kosten zijn drie dollars voor een dag jagen, en vijftien dollars voor het terug brengen van een neger. Hij woont drie en eene halve mijl ten noorden van Livingston, nabij den Jones’ Bluff-weg.6 November 1845.William Gambel.De volgende is woordelijk overgenomen uitThe Dadeville (Alabama) Bannervan 10 November 1852. DeDadeville Banneris een blad, gewijd aanstaatkunde, letterkunde, opvoeding, landbouw, enz.Let wel.De ondergeteekende heeft een uitnemenden troepHondenvoor het zoeken en vangen van weggeloopen slaven. Hij berigt het Publiek, dat de prijzen voor het gebruik maken zijner hulp voortaan zullen zijn:Dollars.Voor elken dag met het jagen en opsporen doorgebragt2.50Voor het vangen van elken slaaf10.00Voor het afleggen van een afstand van meer dan tien mijlen om een slaaf te vangen20.00De betaling is contant. De ondergeteekende woont anderhalve mijl van Dadeville.Dadeville, 1 September 1852.B. Black.XII.De weggeloopen slaaf werd, wanneer hij gevangen was, streng gestraft op bevel van zijn meester of, wanneer deze het verlangde, op last van den regter; somtijds door kruisiging, het afzetten van een voet, of door hem naar het worstelperk te zenden om met wilde dieren te vechten; maar gewoonlijk door hem boven de wenkbraauw te brandmerken met letters die zijn misdaad uitdrukten.Ieder zal uit deonbeperkte magtvan den meester afleiden, dat die strenge straf iederen weggeloopen slaaf ten deel viel. Dat zij in menig geval werd toegepast is ligt te bewijzen, maar dat bewijs is overbodig. De bijzondere wijzen van strafoefening, die hierboven vermeld staan, zijn nu buiten gebruik, maar de volgende aankondiging van den advokaat Micajah Ricks in deRaleigh(Noord-Carolina)Standard, van den 18denJulij 1838, bewijst, dat nog iets van dien klassieken smaak in het pijnigen ook in onze verbasterde dagen heerscht.Weggeloopen eene negerin met twee kinderen. Weinige dagen voor zij wegliep, brandde ik haar met een gloeijend ijzer op de linker wang. Ik trachtte de letter M te maken.Hij is waarlijk opmerkingswaardig, die naïve trots van den heer Ricks over zijne poging om eene letter te schrijven. Hij wilde niet, dat men die letter M voor een staaltje zou aanzien van zijn bedrevenheid in de schrijfkunst. De ongelukkige zou misschien niet stilstaan, en hij vreesde, dat de M onleesbaar zou wezen.Maar het slechts eene uit de lange lijst van aankondigingenover verminkte, gesneden en gebrande negers in het werk van den heer Weld, getiteld:De slavernij in Amerika, zoo als zij is.XIII.Wreede meesters huurden soms menschen, die martelaars waren van beroep; of hadden zulke personen in hun dienst om hen in straffen van slaven bij te staan. De neuzen, ooren en tanden van een slaaf waren dikwijls niet veilig tegen een vertoornden eigenaar; en wanneer het misdrijf zeer groot was, werden somtijds zijne oogen uitgestoken. Kruisiging was zeer dikwijls het lot van een ongelukkigen slaaf, voor een klein wanbedrijf of somtijds zelfs uit loutere willekeur.Ter regtvaardiging van zulke daden, beroepen wij ons alweder op die schrikkelijke lijst van verminkte en gekneusde menschen, door de slavenhouders zelf beschreven, die wij in Weld’s „De slavernij in Amerika, zoo als zij is” aantreffen. Wij herinneren ook den lezer aan hetgeen wij hierboven van den gruwelijken Caphart verhaalden. Wat de kruisiging aangaat, wij veronderstellen, dat er wezens zijn, die om redenen van godsdienstigen aard weerhouden worden, om van zulk een middel van marteling gebruik te maken, maar die niet zouden terug deinzen voor even groote pijnigingen door andere middelen; even als de Grieksche zeeroover, die in de vasten een gewetensbezwaar voelt een droppel bloed te vergieten. Meent men, dat wij slechts eene gissing uiten? Men herleze, indien men er lust toe gevoelt, de schrikkelijke bijzonderheden van die urenlange pijniging, die Souther zijn slaaf aandeed, en men zegge hoeveel menschelijker de Amerikaansche slavernij is dan de Romeinsche.De laatste aanhaling, die wij nog in Blairs werk over de slavernij bij de Romeinen aantreffen, is de volgende:XIV.Volgens een senatus consultus werd, wanneer een slaveneigenaar vermoord was en zijne slaven hem welligt hadden kunnen beschermen, geheel zijn huishouden, dat binnen bereik viel, als medepligtig beschouwd en ter dood veroordeeld. Tacitus verhaalt ons, dat bij zulk eene gelegenheid eens vierhonderd slaven ter dood werden gebragt.Van alle wreedheden in het heidensche Rome op slaven gepleegd missen wij alleen deze in Noord-Amerika.Maar in andere opzigten heeft de Noord-Amerikaansche wetgeving hooger trap van verfijnde wreedheid bereikt, dan de wreedaards in die dagen zich ooit konden voorstellen. Gibbon zegt daaromtrent het volgende:De hoop, de beste troost in onzen onvolmaakten toestand, werd aan een Romeinschen slaaf niet ontnomen; en indien hij mogelijkheid zag om zich nuttig of aangenaam te maken, mogt hij hopen dat zijn ijver en getrouwheid, gedurende weinige jaren, beloond zouden worden met het onschatbare geschenk der vrijheid....Zonder dat daarom het verschil in stand werd weggenomen, beidde eene toekomst, waarin hij vrij zou zijn en regten genieten, ook hem, wien trots en vooroordeel meestal te gering achtten om hem als menschelijk wezen te beschouwen2.De jongelingen van veelbelovenden aanleg werden in de kunsten en wetenschappen opgeleid en hunne belooning hing af van de mate hunner bekwaamheid en talenten. Bijna iedere kunst, vrije zoowel als mechanische, werd beoefend onder de dienstbaren van een aanzienlijk lid van den Senaat3.Het volgende hoofdstuk zal doen zien hoe „die beste troost,” dien Gibbon in den menschelijken tegenspoed kent, aan den slaaf in Amerika ontnomen is; hoe hij verstoken is van de voorregten der opvoeding en zedelijke beschaving, die een ieder bijna ten deel vallen, en hoe de gansche strekking van dat rampzalige stelsel, dat hem tot lijfeigene maakt, is hem zelfs den troost der godsdienst te ontnemen, en hem uit te werpen uit het menschdom en de broederschap met den Zoon van God.

De schrijfster heeft als hare meening te kennen gegeven dat de Amerikaansche slavenwet, over het algemeen, strenger bepalingen bevat dan die van eenig ander volk, uit den ouden of nieuwen tijd, met uitzondering welligt van die der Spartanen. Zij is niet in de gelegenheid om met die wet de Fransche en Spaansche te vergelijken; maar, daar men algemeen van oordeel is, dat de slavernij bij de Romeinen zwaarder was dan zij ooit in Amerika geweest is, willen wij deze beide slavenstelsels tegen elkander beschouwen. Te dien einde laten wij hier een overzigt volgen der romeinsche slavenwet, getrokken door William Jay uit de „Nasporing naar den aard der slavernij bij de Romeinen” van Blair, met de verwijzing naar de bepalingen in de Amerikaansche slavenwetten, om den lezer in staat te stellen, zelf de vergelijking te maken en de gevolgtrekkingen af te leiden.

I.De slaaf werd niet beschermd tegen gierigheid, woede of de lusten van den meester, wiens gezag gegrond was op algeheelen eigendom; en de lijfeigene werd minder beschouwd alseen menschelijk wezen, aan eene willekeurige heerschappij onderworpen, dan wel als een dier van lageren rang, geheel afhankelijk van den wil van zijn eigenaar.

I.De slaaf werd niet beschermd tegen gierigheid, woede of de lusten van den meester, wiens gezag gegrond was op algeheelen eigendom; en de lijfeigene werd minder beschouwd alseen menschelijk wezen, aan eene willekeurige heerschappij onderworpen, dan wel als een dier van lageren rang, geheel afhankelijk van den wil van zijn eigenaar.

Vergelijk over de wet van Zuid-Carolina Stroud’s „Schets der Slavenwetten,” p. 23, waar wij lezen:

Slaven zullen behandeld, verkocht, in bezit genomen, geschat en toegewezen worden volgens de wet, en roerende eigendommen zijn in de hand van hunne eigenaars en bezitters persoonlijk en van de executeurs, administrateurs en gevolmagtigden van deze, in ieder opzigt en beteekenis.Een slaaf is iemand, die in de magt is van den meester aan wien hij behoort.Zulk eene gehoorzaamheid is alleen het gevolg eener onbeperkte magt over het ligchaam. Niets anders kan dien invloed uitoefenen. De magt van den meester moet absoluut zijn, om de onderwerping van den slaaf volkomen te doen wezen.

Slaven zullen behandeld, verkocht, in bezit genomen, geschat en toegewezen worden volgens de wet, en roerende eigendommen zijn in de hand van hunne eigenaars en bezitters persoonlijk en van de executeurs, administrateurs en gevolmagtigden van deze, in ieder opzigt en beteekenis.

Een slaaf is iemand, die in de magt is van den meester aan wien hij behoort.

Zulk eene gehoorzaamheid is alleen het gevolg eener onbeperkte magt over het ligchaam. Niets anders kan dien invloed uitoefenen. De magt van den meester moet absoluut zijn, om de onderwerping van den slaaf volkomen te doen wezen.

II.In de eerste plaats bezat de meester het oppermagtige regt over leven en dood.

II.In de eerste plaats bezat de meester het oppermagtige regt over leven en dood.

In vroeger tijden werd in Virginia het regt over leven en dood der slavenbij de wetverleend.

III.Hij mogt zijne slaven dooden, verminken, pijnigen voor ieder vergrijp of zonder dat er een vergrijp had plaats gehad; hij kon hen dwingen worstelaars of publieke vrouwen te worden.

III.Hij mogt zijne slaven dooden, verminken, pijnigen voor ieder vergrijp of zonder dat er een vergrijp had plaats gehad; hij kon hen dwingen worstelaars of publieke vrouwen te worden.

Het regt om een slaaf te dooden is nu eenigzins gefnuikt; wat verminking en pijniging aangaat, men zie het proces van Souther tegen den Staat, in Hoofdstuk III aangehaald, en het proces tegen Mann, in hetzelfde hoofdstuk te vinden.

IV.Tijdelijke verbindtenissen van slaven en slavinnen werden op zijn bevel aangegaan en verbroken; huisgezinnen en vrienden werden gescheiden wanneer het hem goeddacht.

IV.Tijdelijke verbindtenissen van slaven en slavinnen werden op zijn bevel aangegaan en verbroken; huisgezinnen en vrienden werden gescheiden wanneer het hem goeddacht.

Men zie de uitspraak van den regter Mathews in de zaak van Girod tegen Lewis, p. 199.

Het staat vast, dat de slaven geene wettige magt bezitten om eenige verbindtenis aan te gaan. Onder toestemming van hun meester mogen zij trouwen, en hunne morele magt om eene verbindtenis of overeenkomst, als zulk een huwelijk, goed te vinden, kan niet in twijfel worden getrokken; maar in den toestand van slavernij kan het in burgerregterlijken zin, geen gevolgen hebben, omdat slaven van alle burgerregten zijn verstoken.

Het staat vast, dat de slaven geene wettige magt bezitten om eenige verbindtenis aan te gaan. Onder toestemming van hun meester mogen zij trouwen, en hunne morele magt om eene verbindtenis of overeenkomst, als zulk een huwelijk, goed te vinden, kan niet in twijfel worden getrokken; maar in den toestand van slavernij kan het in burgerregterlijken zin, geen gevolgen hebben, omdat slaven van alle burgerregten zijn verstoken.

Men zie ook later over de scheiding van huisgezinnen en de aanhaling uit een nieuwsblad uit het Zuiden.

V.De wetten erkenden de vepligting niet van den meester om zijn slaven voedsel en kleeding te geven of voor hen, in geval van ziekte, te zorgen.

V.De wetten erkenden de vepligting niet van den meester om zijn slaven voedsel en kleeding te geven of voor hen, in geval van ziekte, te zorgen.

Op welk eene wijze de Amerikaansche wet die verpligting oplegt, hebben wij reeds vroeger gezien bij de behandeling der beschermende wetten1,

VI.Slaven konden geen eigendom bezitten, dan met goedkeuring van hun meester, van wien zij alles kregen, en met wien zij geene overeenkomsten konden sluiten, die voor hem verbindend waren.

VI.Slaven konden geen eigendom bezitten, dan met goedkeuring van hun meester, van wien zij alles kregen, en met wien zij geene overeenkomsten konden sluiten, die voor hem verbindend waren.

Het volgende hoofdstuk zal doen zien, hoever in dit opzigt de Amerikaansche wetgeving de Romeinsche vooruit is: zij houdt het zelfs voor een beboetbaar misdrijf van de zijde van den meester den slaaf het bezit van eenig eigendom te veroorloven, en voor eene misdaad in den slaaf, dat hem dit veroorloofd wordt. Wij bepalen ons thans slechts bij een uittreksel uit het Burgerlijk Wetboek van Louisiana, zoo als de regter Stroud het mededeelt:

Een slaaf is iemand, die in de magt is van den meester, aan wien hij behoort. De meester mag hem verkoopen, over zijn persoon, zijne vermogens, zijn arbeid beschikken; hij kan niets doen, niets bezitten, niets verkrijgen, dan hetgeen aan zijn meester toekomt.

Een slaaf is iemand, die in de magt is van den meester, aan wien hij behoort. De meester mag hem verkoopen, over zijn persoon, zijne vermogens, zijn arbeid beschikken; hij kan niets doen, niets bezitten, niets verkrijgen, dan hetgeen aan zijn meester toekomt.

Volgens den regter Ruffin, is een slaaf „iemand, wiens persoon en nakomelingschap gedoemd is te leven in onkunde, onmagtig iets tot zijn eigen te maken, en veroordeeld tot arbeid, op dat een ander de vruchten plukke.”

Met betrekking tot de verbindende kracht van overeenkomsten tusschen meester en slaaf halen wij uit de regterlijke uitspraken in de Vereenigde Staten gevallen, de volgende aan:

Al wat de slaaf verkrijgt is het eigendom van zijn meester, ondanks de belofte van den meester, dat de slaaf er een gedeelte van erlangen zal.Een slaaf stelde aan B. geld ter hand, dat hij boven zijn loon verdiend had, om daarvoor zijne kinderen te koopen. B. kocht die kinderen voor dat geld. De meester van dien slaaf had het regt om van B. het geld terug te eischen.

Al wat de slaaf verkrijgt is het eigendom van zijn meester, ondanks de belofte van den meester, dat de slaaf er een gedeelte van erlangen zal.

Een slaaf stelde aan B. geld ter hand, dat hij boven zijn loon verdiend had, om daarvoor zijne kinderen te koopen. B. kocht die kinderen voor dat geld. De meester van dien slaaf had het regt om van B. het geld terug te eischen.

VII.De meester kon zijne regten verkoopen of wegschenken of ze bij testament vermaken.

VII.De meester kon zijne regten verkoopen of wegschenken of ze bij testament vermaken.

Slaven zullen behandeld, verkocht in bezit genomen, geschat en toegewezen worden volgens de wet, en roerende eigendommen zijn in de hand van hunne eigenaars en bezitters persoonlijk en van de executeurs, administrateurs en gevolmagtigden van deze, in ieder opzigt en beteekenis.

VIII.Een meester, die zijn slaaf verkocht, wegschonk of vermaakte, stelde somtijds de voorwaarde, dat hij nimmer buiten ’s lands zou gevoerd worden, of dat hij op een bepaalden tijd zou in vrijheid worden gesteld; of dat hij, integendeel, nimmer zou worden vrijgelaten of levenslang in ketenen zou blijven geklonken.

VIII.Een meester, die zijn slaaf verkocht, wegschonk of vermaakte, stelde somtijds de voorwaarde, dat hij nimmer buiten ’s lands zou gevoerd worden, of dat hij op een bepaalden tijd zou in vrijheid worden gesteld; of dat hij, integendeel, nimmer zou worden vrijgelaten of levenslang in ketenen zou blijven geklonken.

Wij gelooven niet dat de voorwaarde, dat een slaaf nimmer in vrijheid zal worden gesteld, of dat hij levenslang in ketenen zal blijven geklonken, ooit gesteld werd. Maar de voorwaardedat een slaaf niet buiten ’s lands zou worden gevoerd, of verkocht, of dat hij bij eene zekere gebeurtenis, vrij gelaten zou worden, is ook bij ons geenszins zonder voorbeeld.

Het overige van Blairs overzigt der slavernij bij de Romeinen is meer gewijd aan hetgeen de meesters deden dan aan de wet zelve. De schrijfster acht zich niet geroepen tot het geven eener vergelijking tusschen hetgeen, in de negentiende eeuw, in de beschaafde en Christelijke Staten van Noord-Amerika voorvalt, en de wreedheden in het heidensche Rome gepleegd onder den scepter der onmenschelijke Keizers, toen het worstelperk de geliefkoosde uitspanning was der aanzienlijkste burgers en de „school” voor de menigte. Eenige weinige aanhalingen zullen reeds toonen, zoo ver wij dit noodig achten, met hoeveel meer gerustheid men thans den eenen mensch eene onbeperkte magt kan geven over den ander, dan toen.

IX.Wanneer de slaven den handmolen draaiden, waren zij gewoonlijk geboeid, en droegen zij eene breede houten plank om den hals, om hun te beletten van het graan te eten. OnderFurca,dat later galg beteekende, verstond men in de oudste tijden een houten vork of kraag, die gemaakt was om door hen op de schouders of om den hals te worden gedragen, als een schandteeken of om hun een zwaren last op te leggen.

IX.Wanneer de slaven den handmolen draaiden, waren zij gewoonlijk geboeid, en droegen zij eene breede houten plank om den hals, om hun te beletten van het graan te eten. OnderFurca,dat later galg beteekende, verstond men in de oudste tijden een houten vork of kraag, die gemaakt was om door hen op de schouders of om den hals te worden gedragen, als een schandteeken of om hun een zwaren last op te leggen.

De lezer heeft reeds in Hoofdstuk V gezien, dat dit vernederend voorwerp ook in onzen tijd in zwang is in sommige slavenhoudende Staten, en dat het in bescherming genomen is door de Wetgevende Magt; hoewel de stof verschillend is en de vorm door den tijd eenige verandering heeft ondergaan.

X.Boeijen en ketenen werden dikwijls gebruikt als straf en in sommige gevallen levenslang door de slaven gedragen, op louter gezag van den meester. Portiers aan de deuren der woningen van aanzienlijken waren gewoonlijk geketend. Zij, die veldarbeid verrigtten, werkten, in later tijden, meestendeels geboeid.

X.Boeijen en ketenen werden dikwijls gebruikt als straf en in sommige gevallen levenslang door de slaven gedragen, op louter gezag van den meester. Portiers aan de deuren der woningen van aanzienlijken waren gewoonlijk geketend. Zij, die veldarbeid verrigtten, werkten, in later tijden, meestendeels geboeid.

De wetgeving van Zuid-Carolina wettigt bijna al dezelfde gebruiken, door ze onder debeschermende bepalingenop te nemen, waarbij eene boete van slechtshonderd pondwordtopgelegd aan hem, die opzettelijk een slaaf de tong uitsnijdt enz., of eenige andere straf uitoefent dan geeselen, of slaan met eene rijzweep, riemen, takken of dunne stokken, ofdoor den slaaf in boeijen te klinken of hem op te sluiten.

XI.Sommige personen maakten er hun bestaan van weggeloopen slaven op te sporen.

XI.Sommige personen maakten er hun bestaan van weggeloopen slaven op te sporen.

Dat zulk een middel van bestaan, door de hoogste Wetgevende Magt ingesteld, en achtenswaardig gemaakt door de uitdrukkelijke of ingewikkelde aanbeveling van Staatsmannen en geestelijken, en van staatkundige en godsdienstige nieuwsbladen, onder ons bestaat,vooral in de vrije Staten, is een feit, dat elken dag blijkt en waarvoor wij dus geen getuigenis behoeven in te roepen. In Alabama schijnt echter die zaak op eene meer opene en officiële wijze behandeld te worden dan ergens elders. De heer Jay neemt de volgende aankondiging uit deSampter Countyover:

Negerhonden.De ondergeteekende berigt dat hij eene groote menigte negerhonden heeft aangekocht, en beveelt zich aan tot het opsporen van weggeloopen negers. De kosten zijn drie dollars voor een dag jagen, en vijftien dollars voor het terug brengen van een neger. Hij woont drie en eene halve mijl ten noorden van Livingston, nabij den Jones’ Bluff-weg.6 November 1845.William Gambel.

Negerhonden.

De ondergeteekende berigt dat hij eene groote menigte negerhonden heeft aangekocht, en beveelt zich aan tot het opsporen van weggeloopen negers. De kosten zijn drie dollars voor een dag jagen, en vijftien dollars voor het terug brengen van een neger. Hij woont drie en eene halve mijl ten noorden van Livingston, nabij den Jones’ Bluff-weg.

6 November 1845.William Gambel.

De volgende is woordelijk overgenomen uitThe Dadeville (Alabama) Bannervan 10 November 1852. DeDadeville Banneris een blad, gewijd aanstaatkunde, letterkunde, opvoeding, landbouw, enz.

Let wel.De ondergeteekende heeft een uitnemenden troepHondenvoor het zoeken en vangen van weggeloopen slaven. Hij berigt het Publiek, dat de prijzen voor het gebruik maken zijner hulp voortaan zullen zijn:Dollars.Voor elken dag met het jagen en opsporen doorgebragt2.50Voor het vangen van elken slaaf10.00Voor het afleggen van een afstand van meer dan tien mijlen om een slaaf te vangen20.00De betaling is contant. De ondergeteekende woont anderhalve mijl van Dadeville.Dadeville, 1 September 1852.B. Black.

Let wel.

De ondergeteekende heeft een uitnemenden troepHondenvoor het zoeken en vangen van weggeloopen slaven. Hij berigt het Publiek, dat de prijzen voor het gebruik maken zijner hulp voortaan zullen zijn:

Dollars.Voor elken dag met het jagen en opsporen doorgebragt2.50Voor het vangen van elken slaaf10.00Voor het afleggen van een afstand van meer dan tien mijlen om een slaaf te vangen20.00

De betaling is contant. De ondergeteekende woont anderhalve mijl van Dadeville.

Dadeville, 1 September 1852.B. Black.

XII.De weggeloopen slaaf werd, wanneer hij gevangen was, streng gestraft op bevel van zijn meester of, wanneer deze het verlangde, op last van den regter; somtijds door kruisiging, het afzetten van een voet, of door hem naar het worstelperk te zenden om met wilde dieren te vechten; maar gewoonlijk door hem boven de wenkbraauw te brandmerken met letters die zijn misdaad uitdrukten.

XII.De weggeloopen slaaf werd, wanneer hij gevangen was, streng gestraft op bevel van zijn meester of, wanneer deze het verlangde, op last van den regter; somtijds door kruisiging, het afzetten van een voet, of door hem naar het worstelperk te zenden om met wilde dieren te vechten; maar gewoonlijk door hem boven de wenkbraauw te brandmerken met letters die zijn misdaad uitdrukten.

Ieder zal uit deonbeperkte magtvan den meester afleiden, dat die strenge straf iederen weggeloopen slaaf ten deel viel. Dat zij in menig geval werd toegepast is ligt te bewijzen, maar dat bewijs is overbodig. De bijzondere wijzen van strafoefening, die hierboven vermeld staan, zijn nu buiten gebruik, maar de volgende aankondiging van den advokaat Micajah Ricks in deRaleigh(Noord-Carolina)Standard, van den 18denJulij 1838, bewijst, dat nog iets van dien klassieken smaak in het pijnigen ook in onze verbasterde dagen heerscht.

Weggeloopen eene negerin met twee kinderen. Weinige dagen voor zij wegliep, brandde ik haar met een gloeijend ijzer op de linker wang. Ik trachtte de letter M te maken.

Weggeloopen eene negerin met twee kinderen. Weinige dagen voor zij wegliep, brandde ik haar met een gloeijend ijzer op de linker wang. Ik trachtte de letter M te maken.

Hij is waarlijk opmerkingswaardig, die naïve trots van den heer Ricks over zijne poging om eene letter te schrijven. Hij wilde niet, dat men die letter M voor een staaltje zou aanzien van zijn bedrevenheid in de schrijfkunst. De ongelukkige zou misschien niet stilstaan, en hij vreesde, dat de M onleesbaar zou wezen.

Maar het slechts eene uit de lange lijst van aankondigingenover verminkte, gesneden en gebrande negers in het werk van den heer Weld, getiteld:De slavernij in Amerika, zoo als zij is.

XIII.Wreede meesters huurden soms menschen, die martelaars waren van beroep; of hadden zulke personen in hun dienst om hen in straffen van slaven bij te staan. De neuzen, ooren en tanden van een slaaf waren dikwijls niet veilig tegen een vertoornden eigenaar; en wanneer het misdrijf zeer groot was, werden somtijds zijne oogen uitgestoken. Kruisiging was zeer dikwijls het lot van een ongelukkigen slaaf, voor een klein wanbedrijf of somtijds zelfs uit loutere willekeur.

XIII.Wreede meesters huurden soms menschen, die martelaars waren van beroep; of hadden zulke personen in hun dienst om hen in straffen van slaven bij te staan. De neuzen, ooren en tanden van een slaaf waren dikwijls niet veilig tegen een vertoornden eigenaar; en wanneer het misdrijf zeer groot was, werden somtijds zijne oogen uitgestoken. Kruisiging was zeer dikwijls het lot van een ongelukkigen slaaf, voor een klein wanbedrijf of somtijds zelfs uit loutere willekeur.

Ter regtvaardiging van zulke daden, beroepen wij ons alweder op die schrikkelijke lijst van verminkte en gekneusde menschen, door de slavenhouders zelf beschreven, die wij in Weld’s „De slavernij in Amerika, zoo als zij is” aantreffen. Wij herinneren ook den lezer aan hetgeen wij hierboven van den gruwelijken Caphart verhaalden. Wat de kruisiging aangaat, wij veronderstellen, dat er wezens zijn, die om redenen van godsdienstigen aard weerhouden worden, om van zulk een middel van marteling gebruik te maken, maar die niet zouden terug deinzen voor even groote pijnigingen door andere middelen; even als de Grieksche zeeroover, die in de vasten een gewetensbezwaar voelt een droppel bloed te vergieten. Meent men, dat wij slechts eene gissing uiten? Men herleze, indien men er lust toe gevoelt, de schrikkelijke bijzonderheden van die urenlange pijniging, die Souther zijn slaaf aandeed, en men zegge hoeveel menschelijker de Amerikaansche slavernij is dan de Romeinsche.

De laatste aanhaling, die wij nog in Blairs werk over de slavernij bij de Romeinen aantreffen, is de volgende:

XIV.Volgens een senatus consultus werd, wanneer een slaveneigenaar vermoord was en zijne slaven hem welligt hadden kunnen beschermen, geheel zijn huishouden, dat binnen bereik viel, als medepligtig beschouwd en ter dood veroordeeld. Tacitus verhaalt ons, dat bij zulk eene gelegenheid eens vierhonderd slaven ter dood werden gebragt.

XIV.Volgens een senatus consultus werd, wanneer een slaveneigenaar vermoord was en zijne slaven hem welligt hadden kunnen beschermen, geheel zijn huishouden, dat binnen bereik viel, als medepligtig beschouwd en ter dood veroordeeld. Tacitus verhaalt ons, dat bij zulk eene gelegenheid eens vierhonderd slaven ter dood werden gebragt.

Van alle wreedheden in het heidensche Rome op slaven gepleegd missen wij alleen deze in Noord-Amerika.

Maar in andere opzigten heeft de Noord-Amerikaansche wetgeving hooger trap van verfijnde wreedheid bereikt, dan de wreedaards in die dagen zich ooit konden voorstellen. Gibbon zegt daaromtrent het volgende:

De hoop, de beste troost in onzen onvolmaakten toestand, werd aan een Romeinschen slaaf niet ontnomen; en indien hij mogelijkheid zag om zich nuttig of aangenaam te maken, mogt hij hopen dat zijn ijver en getrouwheid, gedurende weinige jaren, beloond zouden worden met het onschatbare geschenk der vrijheid....Zonder dat daarom het verschil in stand werd weggenomen, beidde eene toekomst, waarin hij vrij zou zijn en regten genieten, ook hem, wien trots en vooroordeel meestal te gering achtten om hem als menschelijk wezen te beschouwen2.De jongelingen van veelbelovenden aanleg werden in de kunsten en wetenschappen opgeleid en hunne belooning hing af van de mate hunner bekwaamheid en talenten. Bijna iedere kunst, vrije zoowel als mechanische, werd beoefend onder de dienstbaren van een aanzienlijk lid van den Senaat3.

De hoop, de beste troost in onzen onvolmaakten toestand, werd aan een Romeinschen slaaf niet ontnomen; en indien hij mogelijkheid zag om zich nuttig of aangenaam te maken, mogt hij hopen dat zijn ijver en getrouwheid, gedurende weinige jaren, beloond zouden worden met het onschatbare geschenk der vrijheid....

Zonder dat daarom het verschil in stand werd weggenomen, beidde eene toekomst, waarin hij vrij zou zijn en regten genieten, ook hem, wien trots en vooroordeel meestal te gering achtten om hem als menschelijk wezen te beschouwen2.

De jongelingen van veelbelovenden aanleg werden in de kunsten en wetenschappen opgeleid en hunne belooning hing af van de mate hunner bekwaamheid en talenten. Bijna iedere kunst, vrije zoowel als mechanische, werd beoefend onder de dienstbaren van een aanzienlijk lid van den Senaat3.

Het volgende hoofdstuk zal doen zien hoe „die beste troost,” dien Gibbon in den menschelijken tegenspoed kent, aan den slaaf in Amerika ontnomen is; hoe hij verstoken is van de voorregten der opvoeding en zedelijke beschaving, die een ieder bijna ten deel vallen, en hoe de gansche strekking van dat rampzalige stelsel, dat hem tot lijfeigene maakt, is hem zelfs den troost der godsdienst te ontnemen, en hem uit te werpen uit het menschdom en de broederschap met den Zoon van God.

1In eene regtspraak in een ander proces van den Staat tegen Abram komt met betrekking hiertoe nog de bepaling voor, dat de meester of opzigter en niet de slaaf zelf beoordeelt of hij te ziek of onbekwaam is voor den arbeid. Hij moet dus, wanneer de meester het beveelt, aan het werk gaan.2Gibbons ondergang en val, hoofdst. I.3Ibid.

1In eene regtspraak in een ander proces van den Staat tegen Abram komt met betrekking hiertoe nog de bepaling voor, dat de meester of opzigter en niet de slaaf zelf beoordeelt of hij te ziek of onbekwaam is voor den arbeid. Hij moet dus, wanneer de meester het beveelt, aan het werk gaan.

2Gibbons ondergang en val, hoofdst. I.

3Ibid.


Back to IndexNext