Hoofdstuk XI.De zegepraal van het regt over de wet.Na mij dus verpligt gezien te hebben op zoovele regtsgedingen te wijzen, waarin de regtvaardigheid heeft moeten onderdoen voor de wet, en de billijkheid en menschenliefde zijn teruggedrongen door de grendels en sluitboomen der logica, rekenen wij ons gelukkig ook van een regtsgeding te kunnen spreken, in Noord-Carolina gevoerd, waarin de edeler aandoeningen van het menschelijk hart de grenzen der wet hebben doen overschrijden, en waarvan de behandeling blijkt plaats gehad te hebben door mannen, die zich niet schaamden in hun boezem die gevaarlijke en onafhankelijke beweegkracht te voelen kloppen, die men het menschelijke hart noemt; ofschoon, bij de mededeeling van dat proces, treurige maar onvermijdelijke gewaarwordingen zich van onze ziel zullen meester maken, omdat daaruit de publieke opinie blijkt, die toestond dat op klaarlichtendag, in de hoofdstad van Noord-Carolina, zulke mishandelingen op eene ongelukkige vrouw gepleegd werden. Het publiek scheen zoo geheel doordrongen en overtuigd van de waarheid der leerstellingen door den regter Ruffin verkondigd,dat de magt van den meester absoluut moet zijn, dat het niet durfde tusschen beiden treden, toen het arme schepsel, barrevoets en bloedend, aan den hals van een paard werd voortgesleept, dat door de straten van Raleigh draafde en vijf (engelsche) mijlen in het uur aflegde. Het scheen ook dat de schrikkelijkste mishandelingen en gruweldaden, die men zich denken kan, of waarvan men getuige kan zijn, aangezien werden zonder dat men poogde ze te doen ophouden, door een aantal inwoners, waaronder wij de namen der achtenswaardigste mannen aantreffen. Maar het troost ons hier den procureur-generaal te hooren spreken, zoo als het een mensch betaamt, want waarlijk er bestaat geene reden om de vreeselijke werking van hetslavenstelselte ontveinzen en te miskennen, of de weinig troostrijke en lenigende bepalingen er van, zoo gering en onbeduidend die leniging is, op te vijzelen.Wij nemen het verslag van het geding over, zoo als het medegedeeld werd door den redacteur derNational EraDr. Bailey, een man, wiens opregtheid en goede trouw boven alle verdenking verheven zijn, zoo als iedere regel die hij schrijft reeds zelf getuigt.De lezer moge bij den eersten aanblik verwonderd zijn, dat hij hier het getuigenis van slaven vindt opgenomen, maar hij neme in aanmerking, dat een slaaf de hoofdpersoon in het proces is, en het getuigenis van slaven slechts van onwaarde is, wanneer het blanken geldt.Een belangrijk regtsgeding.Wij vinden in een der dagbladen van Raleigh (Noord-Carolina) van den 5denJunij 1851 het verslag van een belangrijk geding, in de voorjaars zitting van het Hoog-Geregtshof gevoerd. Mima, eene slavin, werd aangeklaagd van moord gepleegd op haar meester William Smith uit Johnstons County in den nacht van den 29stenNovember 1850. De aanklager was Sidney, een slaaf van twaalf jaren, die verklaarde dat in dien nacht hij en eene jonge slavin, Jane genaamd, uit den slaap gewekt waren door het roepen van hun meester, Smith, die juist t’ huis was gekomen. Zij stonden op en vonden Mima aanden hals van een paard gebonden, met twee koorden, een om haar hals en een om hare handen. De verslagene bragt haar in huis rukte het koord van haren hals en bond haar aan een balk. Hij vroeg iets te eten, wierp haar een stuk brood voor en na dit gedaan te hebben, sloeg hij haar op haar blooten rug met een dik stuk hout, en bragt haar verscheidene slagen toe. Korten tijd daarna begaf zich de verslagene naar buiten, om eene zekere reden; getuige vergezelde enlichttehem met eene toorts en hoorde hem toen zeggen, dat hij „het met die gevangene wel uit zou maken.” Het licht woei uit en hij ging in huis om het weder aan te steken. Hij vond daar Jane, maar de gevangene was los geraakt en bevond zich daar niet meer. Terwijl hij de toorts aanstak, hoorde hij buiten slagen vallen, en den verslagene twee of drie malen roepen: „O Leah! o Leah!” Getuige en Jane gingen naar buiten, zagen den verslagene in zijn bloed badende, werden zeer bevreesd, liepen in huis en sloten zich op. Leah blijkt de moeder van den verslagene te zijn geweest, en had hem twee jaren geleden verlaten, omdat hij haar gedurig mishandelde.Smith lag sprakeloos en buiten bewustzijn tot dat hij den volgenden morgen aan zijne wonden stierf.Uit het proces bleek, dat Carroll, een blanke, die op ongeveer eene mijl afstands van het huis des verslagenen woonde, en wiens vrouw doorging voor een onecht kind van Smith, den morgen na den moord in zijn bezit had eene door den Sheriff High, den vorigen dag aan den verslagene ter hand gestelde kwitantie van gevangeniskosten en eene nota van vijf en dertig dollars, die een zekere William Price aan den verslagene verschuldigd was, en die Carroll korten tijd later inde; zoo ook de gouden sleutels en cachetten van den verslagene, terwijl nergens uit bleek op welke wijze Carroll in het bezit van een en ander gekomen was.De volgende verklaringen uit het getuigenverhoor bevatten zulke verschrikkelijke feiten, die tevens zoo onteerend zijn voor hen, die ze op klaar-lichten dag aanzagen, dat wij ze overnemen, zoo als zij in het nieuwsblad van Raleigh vermeld zijn.„De verdediging ving thans aan; de getuigen à décharge werden gehoord (volgen de namen). Hunne verklaringen kwamen in substantie hierop neder. In den voormiddag vanvrijdag den 29stenNovember ll., haalde de verslagene de beschuldigde uit de gevangenis te Raleigh, en bond haar een koord om haar hals en vuisten; die koorden werden vastgemaakt aan den hals van het paard. De verslagene vloekte hevig op de beschuldigde, besteeg toen zijn paard en reed weg. Toen hij op de hoogte van het Telegraphisch-bureau in Fayettestreet was, beval hij de beschuldigde schoenen en kousen uit te trekken, vloekte weder op haar en reed voort in snellen draf; hij reed de fabriek van Peck voorbij, de beschuldigde scheen zeer onderworpen en gedwee; hij sloeg daarop de straat ten oosten van het kapitool in, met eene snelheid van vijf (engelsche) mijlen in het uur. Hij zette zijn rit voort tot hij den hoek van Rock bereikt had, ongeveer eene halve of drie kwart mijl van het kapitool. Verder bleek, dat hij omstreeks vier ure na den middag het huis van Cooper een van de getuigen bereikte, dat dertien mijlen van Raleigh ligt; dat het zeer hard regende; dat de verslagene van zijn paard steeg; dat hij het los liet staan en de beschuldigde met zich voerde; dat getuige het paard van den verslagene naar stal bragt; hij hoorde groot gedruisch in zijne woning; snelde daarheen, zag zijn dochtertje, zeer beangst, buiten in den regen loopen; ging naar binnen; de verslagene stak de beschuldigde in de oogen en deze schreeuwde luid; hij deed hem ophouden; werd toornig en verlangde dat hij heen zou gaan; verslagene verliet hem na eene korte poos, een uur voor zons ondergang ongeveer; toen hij hem verliet was de gevangene weder gebonden als vroeger; hare armen en vingers waren zeer gezwollen; de touwen om hare polsen waren dun, en diep in het vleesch gedrongen, dat ze bijna geheel bedekte; dat, hetwelk als een lis om haar hals was geslagen, dikker; de verslagene rukte bij tusschenpoozen aan die lis, die dan de keel der beschuldigde digtkneep; zij was barrevoets en bloedde; de verslagene werd, na het vallen van den avond, ongeveer zes mijlen van zijn huis gezien, op een afstand van vier en twintig of vijf en twintig mijlen van Raleigh.”Waarom velde men het monster niet neder, en strafte men hem niet voor zijne helsche wreedheid?De Procureur-Generaal behandelde de zaak blijkbaar met tegenzin. De verdediger toonde in de eerste plaats aan, dat de bewijzen onvoldoende waren om de beschuldigde van demisdaad te verdenken; ten tweede dat, wanneer het bij de jury boven allen twijfel vast stond, dat de beschuldigde de daad volbragt had, er nog slechts sprake kon wezen van manslag.„Een enkele slag door den eenen gelijke aan den ander toegebragt, gaf aan moord het karakter van manslag. Volgens de wet kon de misdaad geen ander karakter hebben, wanneer zij gepleegd was in eene plotselinge opwelling van toorn; maar voor dezelfde daad gold, wanneer de betrokken personen meester en slaaf waren, een andere regel. Dit was noodzakelijk om de tucht onder de slaven te handhaven. De raadsman der beschuldigde beriep zich daarna op autoriteiten en toonde aan, dat deze zaak geheel overeenkwam met die, waarin vroeger uitspraak was gedaan, van den Staat tegen Will.”Het beginsel, daarin uitgedrukt door den regter Gaston, luidt:„Wanneer een slaaf, tot zelfverdediging, en onder omstandigheden, die in hooge mate geschikt zijn om zijne vrees en woede op te wekken, zijn opzigter of meester doodt, krijgt de moord, door zulke omstandigheden, het karakter van manslag. De wreedheden van den verslagene, ten aanzien der beschuldigde, waren tergend en langdurend; zij zouden een barbaar getroffen hebben. De wilde dorst naar bloed; maar de beschaving had hem niet die verfijnde marteling geleerd, die hier gepleegd was.”Nadat de Procureur-Generaal de wet had toegelicht, maande hij de jury aan het vooroordeel niet te omhelzen, dat de raadsman der beschuldigde getracht had tegen den verslagene op te wekken (wiens handelwijze hij als menschonteerend voorstelde) en zich daardoor niet te laten leiden bij de beslissing, of de daad der beschuldigde misdaad was, ja, dan neen, en welk karakter aan die misdaad moest worden toegekend. Hij hoopte, dat de beschuldigde eene regtbank zou vinden, die tergoeder trouw en onpartijdig te werk ging. Hij hoopte, dat iedereredelijke twijfel in haar voordeel zou worden uitgelegd. Hetwas haar regt, welk een nederigen rang zij ook bekleedde; hij vertrouwde in zich evenmin de neiging te gevoelen, als zijne betrekking hem daartoe het regt gaf, om voor de beschuldigde iets meer te vragen, dan hij voor den rijkste en aanzienlijkste uit het ganscheland van zijne regters vragen zou; dat de jury zou oordeelen naar de bewijzen, en de geschonden wet zou wreken.Dit waren zeker edele gevoelens.Na eene krachtige aanspraak van den regter Ellis, zonderde de jury zich af, en keerde, na eene afwezigheid van verscheidene uren terug, met de uitspraak:onschuldig. Wij zien zelfs niet, hoe zij nog konde aarzelen, om terstond tot deze uitspraak te komen.De correspondent, die dit verslag levert, zegt verder:„Dit regtsgeding bragt de gemoederen van al de bewoners van den omtrek in beweging, en hoewel het eene menigte menschonteerende feiten aan den dag brengt, levert de uitslag van het proces toch een bewijs voor de menschlievendheid en regtvaardigheid onzer wetten, ten aanzien van die klasse der bevolking, wier toestand dweepers in de Noordelijke Staten zoo ijverig trachten verkeerd en overdreven voor te stellen, uit zelfzucht, woelziekte en kwade oogmerken.”Dit misleidt het algemeen ten opzigte der wezenlijke reden, waarom het slavenstelsel is af te keuren. Naar veler woorden te oordeelen, zou men meenen, dat, wanneer in ééne week, geen twee of drie dozijn negers gegeeseld of levend verbrand werden, de slavernij zooveel aanstoot niet zou geven. Zij schijnen in het stelsel niets verkeerds te zien dan de grove mishandelingen van het ligchaam. Zoo deze niet plaats vonden zou het stelsel zoo erg niet zijn. Zij begrijpen niet dat eene marteling gedurende twaalf uren van een arm slagtoffer, dat onder de handen van een Souther doodbloedt, slechts het zinnebeeld is van die oneindig wreeder marteling, waardoor de verhevene, onsterfelijke ziel, verminkt, gebrand, gekneusd, ter neêr geworpen, vertrapt en gesmoord wordt door de helsche magt der onverbiddelijke slavernij. En wanneer die marteling heeft opgehouden en de ziel opwaarts is gestegen naar den Troon des Gerigts, om daar als eene vreeselijke getuige op te treden, zal er geen spoor in dat ligchaam zijn overgebleven, waaraan het als mensch te herkennen is, niets dat zegt: „zie, dit was een mensch!”—Zoo zal ook, wanneer de slavernij haar door de wet gebillijkte magt ten einde toe heeft uitgeoefend op de ziel, en iedere sprank van menschheid, eergevoel, eigenwaarde, liefde, geweten en godsdienstig gevoel heeft uitgebluscht, ernietsin de zielzijn overgebleven, dat u toeroept: „Dit was een mensch!” en het zal hoe langer zoo meer noodig zijn, dat de regter gewigtige bewijsgronden aanvoert, om aan te toonen, dat de slaaf een menschelijk wezen is.Zulke buitengewone mishandelingen van het ligchaam, zulk misbruiken van de magt, die de slavernij geeft, zijn betrekkelijk zeldzaam. Misschien worden zij opgewogen door feiten, door de criminele regtspleging bij andere volken aan het licht gebragt; maar in welke streek ter wereld werden ooitzulkeregtsgedingen gevoerd, door een volk dat zegt vrij en christen te wezen. Hij, die de geschiedenis van Engeland kent, zal ons welligt verwijzen naar de regtsgedingen, die daar onder Jeffreys gevoerd werden. Een oogenblik nadenken zal hem overtuigen, dat die regtsgedingen niet gelijk staan met de Noord-Amerikaansche slavenprocessen. De vonnissen van Jeffreys waren de vonnissen van een monster, dat gewelddadig de wetten verkrachtte en het regt stuitte, om aan zijne eigene helsche inborst te voldoen. De bepalingen derAmerikaanscheslavenwet zijn, voor het grootste gedeelte, de uitspraken van eerlijke en menschlievende mannen, die hun beter gevoel in den boezem gesmoord hebben, om eene wreede wet toe te passen.Onder Jeffreys werden de heiligste waarborgen bij de regtspleging geschonden. Bij de Amerikaansche regtsspraken zijn alle vormen in acht genomen. Hoe stuitend voor ons menschelijk gevoel die regtsspraken ook zijn, zij waren slechts logische toepassingen der wet.Nog eens, vragen wij dus, in welke streek ter wereld werden ooit zulke regtsgedingen gevoerd, door een volk, dat zegt vrij en Christen te wezen? Wanneer werden ooitzulkeargumenten aangevoerd? Waar werden ooit zulke regtsbeginselen erkend? Werd er ooit in Engeland een proces gevoerd als in Virginia dat van Souther tegen den Staat? Was het ooit noodig in Engeland, dat een regter verklaarde, in strijd met de meening van een lager geregtshof, dat de dood van een werkman, ten gevolge eener marteling van twaalf uren, hem door zijn meester aangedaan, moord was? Ging zulk eene uitspraak, indien zij ooit mogt gevallen zijn, vergezeld van eene erkenning van het beginsel, dat eene marteling,die niet met den dood eindigde, niet strafbaar was? De schrijfster kent de Engelsche wetten niet genoeg, om dit te durven beweren, maar eene stem inhaar binnenste zegt haar, dat zulk eene uitspraak geheel Engeland in oproer zou gebragt hebben; en dat een proces als dat van Souther tegen den Staat nimmer zou zijn vergeten. Maar het is waarschijnlijk, dat zeer weinigen slechts in de Vereenigde Staten van dat proces ooit iets hoorden, of er ooit van zouden gehoord hebben, ware het niet door denNew-York Courier and Enquirerals eene onbetwistbare proeve van de menschlievendheid der wet aangehaald.Hetverschrikkelijksteder gansche zaak is, dat meer dan ééne proeve van dien aard in een land moet plaats vinden, om de gansche maatschappij, als één man, te doen gevoelen, dat zulk eene magt niet in de handen der slavenhouders mag gelaten worden. Hoe velewenschtmen nu, dat er nog gevoerd zullen worden? Hoe velemoetener gevoerd worden, vóór zij doen inzien, dat die grenzenlooze despotische magt niet mag toevertrouwd worden aan een ieder? Indien de zoon of broeder van één blanke op die wijze ware behandeld geworden, onder eene wet, die voor werklieden gemaakt was, het geheele land van Louisiana tot Maine zou niet gerust hebben, vóór die wet was veranderd. Men vergeet, dat ook de zwarte een Vader heeft: Hij, die boven de wolken troont, bij Wien de vorsten der aarde niets zijn, en bij Wien de regtvaardigheid der wereld ijdelheid is. Hij heeft gezegd, dat, „wanneer Hij den bloedvergieter straffen zal, ook het gejammer der verdrukten niet door Hem vergeten zal worden.” Dat bloed, dat met zoo veel achteloosheid vergoten is, dat bloed, waardoor de regters gewaad hebben, onverschillig en kalm, toen zij, in koelen bloede beraadslaagden of er moord of manslag gepleegd was, Hij zal het eenmaal in rekening brengen als het bloed van zijn eigen kind. Hij „vergeetZijnebelofte niet, al is Hij geduldig en lankmoedig; maar de dag der wrake zal komen en het uur der vergelding zal aanbreken.”Dan zal een andere Regter vonnis vellen, wanneer de Zoon des menschen zal nedergedaald zijn in Zijne heerlijkheid. Dan zullen niet enkel Souther en wezens als deze teregt staan, maar geheel het volk, Noord en Zuid, zal voor Zijnen troon verschijnen, die het stelsel hebben gehandhaafd en de wetten uitgevaardigd, die Souther maakten wat hij was. VoordienRegter zal ook het getuigenis van negers gelden, al is het nu van onwaarde; en de regters, en de raadslieden, ende magtigen en aanzienlijken, wanneer zij gedaagd worden voor dien vreeselijken regterstoel zullen uitroepen: „Bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons voor het aangezigt van Hem, die op den regterstoel zit en voor de vergelding des Lams.”De vergelding des Lams! Denk daaraan! denk dat Jezus Christus tegenwoordig was, dat hij getuige was—een zwijgende getuige bij ieder regtsgeding, die met kalmte de bewijzen toetste en de uitspraken woog! En denk hoe lankmoedig Jezus was en met welk een onverstoorbaar geduld Hij geleden heeft! Welk eene vreeselijke beteekenis heeft dat woord lankmoedig! Wat zal de vergelding zijn, wanneer, na jaren van lankmoedigheid, al dat onregt en al die verdrukking eindelijk door Hem zal geoordeeld worden!
Hoofdstuk XI.De zegepraal van het regt over de wet.Na mij dus verpligt gezien te hebben op zoovele regtsgedingen te wijzen, waarin de regtvaardigheid heeft moeten onderdoen voor de wet, en de billijkheid en menschenliefde zijn teruggedrongen door de grendels en sluitboomen der logica, rekenen wij ons gelukkig ook van een regtsgeding te kunnen spreken, in Noord-Carolina gevoerd, waarin de edeler aandoeningen van het menschelijk hart de grenzen der wet hebben doen overschrijden, en waarvan de behandeling blijkt plaats gehad te hebben door mannen, die zich niet schaamden in hun boezem die gevaarlijke en onafhankelijke beweegkracht te voelen kloppen, die men het menschelijke hart noemt; ofschoon, bij de mededeeling van dat proces, treurige maar onvermijdelijke gewaarwordingen zich van onze ziel zullen meester maken, omdat daaruit de publieke opinie blijkt, die toestond dat op klaarlichtendag, in de hoofdstad van Noord-Carolina, zulke mishandelingen op eene ongelukkige vrouw gepleegd werden. Het publiek scheen zoo geheel doordrongen en overtuigd van de waarheid der leerstellingen door den regter Ruffin verkondigd,dat de magt van den meester absoluut moet zijn, dat het niet durfde tusschen beiden treden, toen het arme schepsel, barrevoets en bloedend, aan den hals van een paard werd voortgesleept, dat door de straten van Raleigh draafde en vijf (engelsche) mijlen in het uur aflegde. Het scheen ook dat de schrikkelijkste mishandelingen en gruweldaden, die men zich denken kan, of waarvan men getuige kan zijn, aangezien werden zonder dat men poogde ze te doen ophouden, door een aantal inwoners, waaronder wij de namen der achtenswaardigste mannen aantreffen. Maar het troost ons hier den procureur-generaal te hooren spreken, zoo als het een mensch betaamt, want waarlijk er bestaat geene reden om de vreeselijke werking van hetslavenstelselte ontveinzen en te miskennen, of de weinig troostrijke en lenigende bepalingen er van, zoo gering en onbeduidend die leniging is, op te vijzelen.Wij nemen het verslag van het geding over, zoo als het medegedeeld werd door den redacteur derNational EraDr. Bailey, een man, wiens opregtheid en goede trouw boven alle verdenking verheven zijn, zoo als iedere regel die hij schrijft reeds zelf getuigt.De lezer moge bij den eersten aanblik verwonderd zijn, dat hij hier het getuigenis van slaven vindt opgenomen, maar hij neme in aanmerking, dat een slaaf de hoofdpersoon in het proces is, en het getuigenis van slaven slechts van onwaarde is, wanneer het blanken geldt.Een belangrijk regtsgeding.Wij vinden in een der dagbladen van Raleigh (Noord-Carolina) van den 5denJunij 1851 het verslag van een belangrijk geding, in de voorjaars zitting van het Hoog-Geregtshof gevoerd. Mima, eene slavin, werd aangeklaagd van moord gepleegd op haar meester William Smith uit Johnstons County in den nacht van den 29stenNovember 1850. De aanklager was Sidney, een slaaf van twaalf jaren, die verklaarde dat in dien nacht hij en eene jonge slavin, Jane genaamd, uit den slaap gewekt waren door het roepen van hun meester, Smith, die juist t’ huis was gekomen. Zij stonden op en vonden Mima aanden hals van een paard gebonden, met twee koorden, een om haar hals en een om hare handen. De verslagene bragt haar in huis rukte het koord van haren hals en bond haar aan een balk. Hij vroeg iets te eten, wierp haar een stuk brood voor en na dit gedaan te hebben, sloeg hij haar op haar blooten rug met een dik stuk hout, en bragt haar verscheidene slagen toe. Korten tijd daarna begaf zich de verslagene naar buiten, om eene zekere reden; getuige vergezelde enlichttehem met eene toorts en hoorde hem toen zeggen, dat hij „het met die gevangene wel uit zou maken.” Het licht woei uit en hij ging in huis om het weder aan te steken. Hij vond daar Jane, maar de gevangene was los geraakt en bevond zich daar niet meer. Terwijl hij de toorts aanstak, hoorde hij buiten slagen vallen, en den verslagene twee of drie malen roepen: „O Leah! o Leah!” Getuige en Jane gingen naar buiten, zagen den verslagene in zijn bloed badende, werden zeer bevreesd, liepen in huis en sloten zich op. Leah blijkt de moeder van den verslagene te zijn geweest, en had hem twee jaren geleden verlaten, omdat hij haar gedurig mishandelde.Smith lag sprakeloos en buiten bewustzijn tot dat hij den volgenden morgen aan zijne wonden stierf.Uit het proces bleek, dat Carroll, een blanke, die op ongeveer eene mijl afstands van het huis des verslagenen woonde, en wiens vrouw doorging voor een onecht kind van Smith, den morgen na den moord in zijn bezit had eene door den Sheriff High, den vorigen dag aan den verslagene ter hand gestelde kwitantie van gevangeniskosten en eene nota van vijf en dertig dollars, die een zekere William Price aan den verslagene verschuldigd was, en die Carroll korten tijd later inde; zoo ook de gouden sleutels en cachetten van den verslagene, terwijl nergens uit bleek op welke wijze Carroll in het bezit van een en ander gekomen was.De volgende verklaringen uit het getuigenverhoor bevatten zulke verschrikkelijke feiten, die tevens zoo onteerend zijn voor hen, die ze op klaar-lichten dag aanzagen, dat wij ze overnemen, zoo als zij in het nieuwsblad van Raleigh vermeld zijn.„De verdediging ving thans aan; de getuigen à décharge werden gehoord (volgen de namen). Hunne verklaringen kwamen in substantie hierop neder. In den voormiddag vanvrijdag den 29stenNovember ll., haalde de verslagene de beschuldigde uit de gevangenis te Raleigh, en bond haar een koord om haar hals en vuisten; die koorden werden vastgemaakt aan den hals van het paard. De verslagene vloekte hevig op de beschuldigde, besteeg toen zijn paard en reed weg. Toen hij op de hoogte van het Telegraphisch-bureau in Fayettestreet was, beval hij de beschuldigde schoenen en kousen uit te trekken, vloekte weder op haar en reed voort in snellen draf; hij reed de fabriek van Peck voorbij, de beschuldigde scheen zeer onderworpen en gedwee; hij sloeg daarop de straat ten oosten van het kapitool in, met eene snelheid van vijf (engelsche) mijlen in het uur. Hij zette zijn rit voort tot hij den hoek van Rock bereikt had, ongeveer eene halve of drie kwart mijl van het kapitool. Verder bleek, dat hij omstreeks vier ure na den middag het huis van Cooper een van de getuigen bereikte, dat dertien mijlen van Raleigh ligt; dat het zeer hard regende; dat de verslagene van zijn paard steeg; dat hij het los liet staan en de beschuldigde met zich voerde; dat getuige het paard van den verslagene naar stal bragt; hij hoorde groot gedruisch in zijne woning; snelde daarheen, zag zijn dochtertje, zeer beangst, buiten in den regen loopen; ging naar binnen; de verslagene stak de beschuldigde in de oogen en deze schreeuwde luid; hij deed hem ophouden; werd toornig en verlangde dat hij heen zou gaan; verslagene verliet hem na eene korte poos, een uur voor zons ondergang ongeveer; toen hij hem verliet was de gevangene weder gebonden als vroeger; hare armen en vingers waren zeer gezwollen; de touwen om hare polsen waren dun, en diep in het vleesch gedrongen, dat ze bijna geheel bedekte; dat, hetwelk als een lis om haar hals was geslagen, dikker; de verslagene rukte bij tusschenpoozen aan die lis, die dan de keel der beschuldigde digtkneep; zij was barrevoets en bloedde; de verslagene werd, na het vallen van den avond, ongeveer zes mijlen van zijn huis gezien, op een afstand van vier en twintig of vijf en twintig mijlen van Raleigh.”Waarom velde men het monster niet neder, en strafte men hem niet voor zijne helsche wreedheid?De Procureur-Generaal behandelde de zaak blijkbaar met tegenzin. De verdediger toonde in de eerste plaats aan, dat de bewijzen onvoldoende waren om de beschuldigde van demisdaad te verdenken; ten tweede dat, wanneer het bij de jury boven allen twijfel vast stond, dat de beschuldigde de daad volbragt had, er nog slechts sprake kon wezen van manslag.„Een enkele slag door den eenen gelijke aan den ander toegebragt, gaf aan moord het karakter van manslag. Volgens de wet kon de misdaad geen ander karakter hebben, wanneer zij gepleegd was in eene plotselinge opwelling van toorn; maar voor dezelfde daad gold, wanneer de betrokken personen meester en slaaf waren, een andere regel. Dit was noodzakelijk om de tucht onder de slaven te handhaven. De raadsman der beschuldigde beriep zich daarna op autoriteiten en toonde aan, dat deze zaak geheel overeenkwam met die, waarin vroeger uitspraak was gedaan, van den Staat tegen Will.”Het beginsel, daarin uitgedrukt door den regter Gaston, luidt:„Wanneer een slaaf, tot zelfverdediging, en onder omstandigheden, die in hooge mate geschikt zijn om zijne vrees en woede op te wekken, zijn opzigter of meester doodt, krijgt de moord, door zulke omstandigheden, het karakter van manslag. De wreedheden van den verslagene, ten aanzien der beschuldigde, waren tergend en langdurend; zij zouden een barbaar getroffen hebben. De wilde dorst naar bloed; maar de beschaving had hem niet die verfijnde marteling geleerd, die hier gepleegd was.”Nadat de Procureur-Generaal de wet had toegelicht, maande hij de jury aan het vooroordeel niet te omhelzen, dat de raadsman der beschuldigde getracht had tegen den verslagene op te wekken (wiens handelwijze hij als menschonteerend voorstelde) en zich daardoor niet te laten leiden bij de beslissing, of de daad der beschuldigde misdaad was, ja, dan neen, en welk karakter aan die misdaad moest worden toegekend. Hij hoopte, dat de beschuldigde eene regtbank zou vinden, die tergoeder trouw en onpartijdig te werk ging. Hij hoopte, dat iedereredelijke twijfel in haar voordeel zou worden uitgelegd. Hetwas haar regt, welk een nederigen rang zij ook bekleedde; hij vertrouwde in zich evenmin de neiging te gevoelen, als zijne betrekking hem daartoe het regt gaf, om voor de beschuldigde iets meer te vragen, dan hij voor den rijkste en aanzienlijkste uit het ganscheland van zijne regters vragen zou; dat de jury zou oordeelen naar de bewijzen, en de geschonden wet zou wreken.Dit waren zeker edele gevoelens.Na eene krachtige aanspraak van den regter Ellis, zonderde de jury zich af, en keerde, na eene afwezigheid van verscheidene uren terug, met de uitspraak:onschuldig. Wij zien zelfs niet, hoe zij nog konde aarzelen, om terstond tot deze uitspraak te komen.De correspondent, die dit verslag levert, zegt verder:„Dit regtsgeding bragt de gemoederen van al de bewoners van den omtrek in beweging, en hoewel het eene menigte menschonteerende feiten aan den dag brengt, levert de uitslag van het proces toch een bewijs voor de menschlievendheid en regtvaardigheid onzer wetten, ten aanzien van die klasse der bevolking, wier toestand dweepers in de Noordelijke Staten zoo ijverig trachten verkeerd en overdreven voor te stellen, uit zelfzucht, woelziekte en kwade oogmerken.”Dit misleidt het algemeen ten opzigte der wezenlijke reden, waarom het slavenstelsel is af te keuren. Naar veler woorden te oordeelen, zou men meenen, dat, wanneer in ééne week, geen twee of drie dozijn negers gegeeseld of levend verbrand werden, de slavernij zooveel aanstoot niet zou geven. Zij schijnen in het stelsel niets verkeerds te zien dan de grove mishandelingen van het ligchaam. Zoo deze niet plaats vonden zou het stelsel zoo erg niet zijn. Zij begrijpen niet dat eene marteling gedurende twaalf uren van een arm slagtoffer, dat onder de handen van een Souther doodbloedt, slechts het zinnebeeld is van die oneindig wreeder marteling, waardoor de verhevene, onsterfelijke ziel, verminkt, gebrand, gekneusd, ter neêr geworpen, vertrapt en gesmoord wordt door de helsche magt der onverbiddelijke slavernij. En wanneer die marteling heeft opgehouden en de ziel opwaarts is gestegen naar den Troon des Gerigts, om daar als eene vreeselijke getuige op te treden, zal er geen spoor in dat ligchaam zijn overgebleven, waaraan het als mensch te herkennen is, niets dat zegt: „zie, dit was een mensch!”—Zoo zal ook, wanneer de slavernij haar door de wet gebillijkte magt ten einde toe heeft uitgeoefend op de ziel, en iedere sprank van menschheid, eergevoel, eigenwaarde, liefde, geweten en godsdienstig gevoel heeft uitgebluscht, ernietsin de zielzijn overgebleven, dat u toeroept: „Dit was een mensch!” en het zal hoe langer zoo meer noodig zijn, dat de regter gewigtige bewijsgronden aanvoert, om aan te toonen, dat de slaaf een menschelijk wezen is.Zulke buitengewone mishandelingen van het ligchaam, zulk misbruiken van de magt, die de slavernij geeft, zijn betrekkelijk zeldzaam. Misschien worden zij opgewogen door feiten, door de criminele regtspleging bij andere volken aan het licht gebragt; maar in welke streek ter wereld werden ooitzulkeregtsgedingen gevoerd, door een volk dat zegt vrij en christen te wezen. Hij, die de geschiedenis van Engeland kent, zal ons welligt verwijzen naar de regtsgedingen, die daar onder Jeffreys gevoerd werden. Een oogenblik nadenken zal hem overtuigen, dat die regtsgedingen niet gelijk staan met de Noord-Amerikaansche slavenprocessen. De vonnissen van Jeffreys waren de vonnissen van een monster, dat gewelddadig de wetten verkrachtte en het regt stuitte, om aan zijne eigene helsche inborst te voldoen. De bepalingen derAmerikaanscheslavenwet zijn, voor het grootste gedeelte, de uitspraken van eerlijke en menschlievende mannen, die hun beter gevoel in den boezem gesmoord hebben, om eene wreede wet toe te passen.Onder Jeffreys werden de heiligste waarborgen bij de regtspleging geschonden. Bij de Amerikaansche regtsspraken zijn alle vormen in acht genomen. Hoe stuitend voor ons menschelijk gevoel die regtsspraken ook zijn, zij waren slechts logische toepassingen der wet.Nog eens, vragen wij dus, in welke streek ter wereld werden ooit zulke regtsgedingen gevoerd, door een volk, dat zegt vrij en Christen te wezen? Wanneer werden ooitzulkeargumenten aangevoerd? Waar werden ooit zulke regtsbeginselen erkend? Werd er ooit in Engeland een proces gevoerd als in Virginia dat van Souther tegen den Staat? Was het ooit noodig in Engeland, dat een regter verklaarde, in strijd met de meening van een lager geregtshof, dat de dood van een werkman, ten gevolge eener marteling van twaalf uren, hem door zijn meester aangedaan, moord was? Ging zulk eene uitspraak, indien zij ooit mogt gevallen zijn, vergezeld van eene erkenning van het beginsel, dat eene marteling,die niet met den dood eindigde, niet strafbaar was? De schrijfster kent de Engelsche wetten niet genoeg, om dit te durven beweren, maar eene stem inhaar binnenste zegt haar, dat zulk eene uitspraak geheel Engeland in oproer zou gebragt hebben; en dat een proces als dat van Souther tegen den Staat nimmer zou zijn vergeten. Maar het is waarschijnlijk, dat zeer weinigen slechts in de Vereenigde Staten van dat proces ooit iets hoorden, of er ooit van zouden gehoord hebben, ware het niet door denNew-York Courier and Enquirerals eene onbetwistbare proeve van de menschlievendheid der wet aangehaald.Hetverschrikkelijksteder gansche zaak is, dat meer dan ééne proeve van dien aard in een land moet plaats vinden, om de gansche maatschappij, als één man, te doen gevoelen, dat zulk eene magt niet in de handen der slavenhouders mag gelaten worden. Hoe velewenschtmen nu, dat er nog gevoerd zullen worden? Hoe velemoetener gevoerd worden, vóór zij doen inzien, dat die grenzenlooze despotische magt niet mag toevertrouwd worden aan een ieder? Indien de zoon of broeder van één blanke op die wijze ware behandeld geworden, onder eene wet, die voor werklieden gemaakt was, het geheele land van Louisiana tot Maine zou niet gerust hebben, vóór die wet was veranderd. Men vergeet, dat ook de zwarte een Vader heeft: Hij, die boven de wolken troont, bij Wien de vorsten der aarde niets zijn, en bij Wien de regtvaardigheid der wereld ijdelheid is. Hij heeft gezegd, dat, „wanneer Hij den bloedvergieter straffen zal, ook het gejammer der verdrukten niet door Hem vergeten zal worden.” Dat bloed, dat met zoo veel achteloosheid vergoten is, dat bloed, waardoor de regters gewaad hebben, onverschillig en kalm, toen zij, in koelen bloede beraadslaagden of er moord of manslag gepleegd was, Hij zal het eenmaal in rekening brengen als het bloed van zijn eigen kind. Hij „vergeetZijnebelofte niet, al is Hij geduldig en lankmoedig; maar de dag der wrake zal komen en het uur der vergelding zal aanbreken.”Dan zal een andere Regter vonnis vellen, wanneer de Zoon des menschen zal nedergedaald zijn in Zijne heerlijkheid. Dan zullen niet enkel Souther en wezens als deze teregt staan, maar geheel het volk, Noord en Zuid, zal voor Zijnen troon verschijnen, die het stelsel hebben gehandhaafd en de wetten uitgevaardigd, die Souther maakten wat hij was. VoordienRegter zal ook het getuigenis van negers gelden, al is het nu van onwaarde; en de regters, en de raadslieden, ende magtigen en aanzienlijken, wanneer zij gedaagd worden voor dien vreeselijken regterstoel zullen uitroepen: „Bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons voor het aangezigt van Hem, die op den regterstoel zit en voor de vergelding des Lams.”De vergelding des Lams! Denk daaraan! denk dat Jezus Christus tegenwoordig was, dat hij getuige was—een zwijgende getuige bij ieder regtsgeding, die met kalmte de bewijzen toetste en de uitspraken woog! En denk hoe lankmoedig Jezus was en met welk een onverstoorbaar geduld Hij geleden heeft! Welk eene vreeselijke beteekenis heeft dat woord lankmoedig! Wat zal de vergelding zijn, wanneer, na jaren van lankmoedigheid, al dat onregt en al die verdrukking eindelijk door Hem zal geoordeeld worden!
Hoofdstuk XI.De zegepraal van het regt over de wet.Na mij dus verpligt gezien te hebben op zoovele regtsgedingen te wijzen, waarin de regtvaardigheid heeft moeten onderdoen voor de wet, en de billijkheid en menschenliefde zijn teruggedrongen door de grendels en sluitboomen der logica, rekenen wij ons gelukkig ook van een regtsgeding te kunnen spreken, in Noord-Carolina gevoerd, waarin de edeler aandoeningen van het menschelijk hart de grenzen der wet hebben doen overschrijden, en waarvan de behandeling blijkt plaats gehad te hebben door mannen, die zich niet schaamden in hun boezem die gevaarlijke en onafhankelijke beweegkracht te voelen kloppen, die men het menschelijke hart noemt; ofschoon, bij de mededeeling van dat proces, treurige maar onvermijdelijke gewaarwordingen zich van onze ziel zullen meester maken, omdat daaruit de publieke opinie blijkt, die toestond dat op klaarlichtendag, in de hoofdstad van Noord-Carolina, zulke mishandelingen op eene ongelukkige vrouw gepleegd werden. Het publiek scheen zoo geheel doordrongen en overtuigd van de waarheid der leerstellingen door den regter Ruffin verkondigd,dat de magt van den meester absoluut moet zijn, dat het niet durfde tusschen beiden treden, toen het arme schepsel, barrevoets en bloedend, aan den hals van een paard werd voortgesleept, dat door de straten van Raleigh draafde en vijf (engelsche) mijlen in het uur aflegde. Het scheen ook dat de schrikkelijkste mishandelingen en gruweldaden, die men zich denken kan, of waarvan men getuige kan zijn, aangezien werden zonder dat men poogde ze te doen ophouden, door een aantal inwoners, waaronder wij de namen der achtenswaardigste mannen aantreffen. Maar het troost ons hier den procureur-generaal te hooren spreken, zoo als het een mensch betaamt, want waarlijk er bestaat geene reden om de vreeselijke werking van hetslavenstelselte ontveinzen en te miskennen, of de weinig troostrijke en lenigende bepalingen er van, zoo gering en onbeduidend die leniging is, op te vijzelen.Wij nemen het verslag van het geding over, zoo als het medegedeeld werd door den redacteur derNational EraDr. Bailey, een man, wiens opregtheid en goede trouw boven alle verdenking verheven zijn, zoo als iedere regel die hij schrijft reeds zelf getuigt.De lezer moge bij den eersten aanblik verwonderd zijn, dat hij hier het getuigenis van slaven vindt opgenomen, maar hij neme in aanmerking, dat een slaaf de hoofdpersoon in het proces is, en het getuigenis van slaven slechts van onwaarde is, wanneer het blanken geldt.Een belangrijk regtsgeding.Wij vinden in een der dagbladen van Raleigh (Noord-Carolina) van den 5denJunij 1851 het verslag van een belangrijk geding, in de voorjaars zitting van het Hoog-Geregtshof gevoerd. Mima, eene slavin, werd aangeklaagd van moord gepleegd op haar meester William Smith uit Johnstons County in den nacht van den 29stenNovember 1850. De aanklager was Sidney, een slaaf van twaalf jaren, die verklaarde dat in dien nacht hij en eene jonge slavin, Jane genaamd, uit den slaap gewekt waren door het roepen van hun meester, Smith, die juist t’ huis was gekomen. Zij stonden op en vonden Mima aanden hals van een paard gebonden, met twee koorden, een om haar hals en een om hare handen. De verslagene bragt haar in huis rukte het koord van haren hals en bond haar aan een balk. Hij vroeg iets te eten, wierp haar een stuk brood voor en na dit gedaan te hebben, sloeg hij haar op haar blooten rug met een dik stuk hout, en bragt haar verscheidene slagen toe. Korten tijd daarna begaf zich de verslagene naar buiten, om eene zekere reden; getuige vergezelde enlichttehem met eene toorts en hoorde hem toen zeggen, dat hij „het met die gevangene wel uit zou maken.” Het licht woei uit en hij ging in huis om het weder aan te steken. Hij vond daar Jane, maar de gevangene was los geraakt en bevond zich daar niet meer. Terwijl hij de toorts aanstak, hoorde hij buiten slagen vallen, en den verslagene twee of drie malen roepen: „O Leah! o Leah!” Getuige en Jane gingen naar buiten, zagen den verslagene in zijn bloed badende, werden zeer bevreesd, liepen in huis en sloten zich op. Leah blijkt de moeder van den verslagene te zijn geweest, en had hem twee jaren geleden verlaten, omdat hij haar gedurig mishandelde.Smith lag sprakeloos en buiten bewustzijn tot dat hij den volgenden morgen aan zijne wonden stierf.Uit het proces bleek, dat Carroll, een blanke, die op ongeveer eene mijl afstands van het huis des verslagenen woonde, en wiens vrouw doorging voor een onecht kind van Smith, den morgen na den moord in zijn bezit had eene door den Sheriff High, den vorigen dag aan den verslagene ter hand gestelde kwitantie van gevangeniskosten en eene nota van vijf en dertig dollars, die een zekere William Price aan den verslagene verschuldigd was, en die Carroll korten tijd later inde; zoo ook de gouden sleutels en cachetten van den verslagene, terwijl nergens uit bleek op welke wijze Carroll in het bezit van een en ander gekomen was.De volgende verklaringen uit het getuigenverhoor bevatten zulke verschrikkelijke feiten, die tevens zoo onteerend zijn voor hen, die ze op klaar-lichten dag aanzagen, dat wij ze overnemen, zoo als zij in het nieuwsblad van Raleigh vermeld zijn.„De verdediging ving thans aan; de getuigen à décharge werden gehoord (volgen de namen). Hunne verklaringen kwamen in substantie hierop neder. In den voormiddag vanvrijdag den 29stenNovember ll., haalde de verslagene de beschuldigde uit de gevangenis te Raleigh, en bond haar een koord om haar hals en vuisten; die koorden werden vastgemaakt aan den hals van het paard. De verslagene vloekte hevig op de beschuldigde, besteeg toen zijn paard en reed weg. Toen hij op de hoogte van het Telegraphisch-bureau in Fayettestreet was, beval hij de beschuldigde schoenen en kousen uit te trekken, vloekte weder op haar en reed voort in snellen draf; hij reed de fabriek van Peck voorbij, de beschuldigde scheen zeer onderworpen en gedwee; hij sloeg daarop de straat ten oosten van het kapitool in, met eene snelheid van vijf (engelsche) mijlen in het uur. Hij zette zijn rit voort tot hij den hoek van Rock bereikt had, ongeveer eene halve of drie kwart mijl van het kapitool. Verder bleek, dat hij omstreeks vier ure na den middag het huis van Cooper een van de getuigen bereikte, dat dertien mijlen van Raleigh ligt; dat het zeer hard regende; dat de verslagene van zijn paard steeg; dat hij het los liet staan en de beschuldigde met zich voerde; dat getuige het paard van den verslagene naar stal bragt; hij hoorde groot gedruisch in zijne woning; snelde daarheen, zag zijn dochtertje, zeer beangst, buiten in den regen loopen; ging naar binnen; de verslagene stak de beschuldigde in de oogen en deze schreeuwde luid; hij deed hem ophouden; werd toornig en verlangde dat hij heen zou gaan; verslagene verliet hem na eene korte poos, een uur voor zons ondergang ongeveer; toen hij hem verliet was de gevangene weder gebonden als vroeger; hare armen en vingers waren zeer gezwollen; de touwen om hare polsen waren dun, en diep in het vleesch gedrongen, dat ze bijna geheel bedekte; dat, hetwelk als een lis om haar hals was geslagen, dikker; de verslagene rukte bij tusschenpoozen aan die lis, die dan de keel der beschuldigde digtkneep; zij was barrevoets en bloedde; de verslagene werd, na het vallen van den avond, ongeveer zes mijlen van zijn huis gezien, op een afstand van vier en twintig of vijf en twintig mijlen van Raleigh.”Waarom velde men het monster niet neder, en strafte men hem niet voor zijne helsche wreedheid?De Procureur-Generaal behandelde de zaak blijkbaar met tegenzin. De verdediger toonde in de eerste plaats aan, dat de bewijzen onvoldoende waren om de beschuldigde van demisdaad te verdenken; ten tweede dat, wanneer het bij de jury boven allen twijfel vast stond, dat de beschuldigde de daad volbragt had, er nog slechts sprake kon wezen van manslag.„Een enkele slag door den eenen gelijke aan den ander toegebragt, gaf aan moord het karakter van manslag. Volgens de wet kon de misdaad geen ander karakter hebben, wanneer zij gepleegd was in eene plotselinge opwelling van toorn; maar voor dezelfde daad gold, wanneer de betrokken personen meester en slaaf waren, een andere regel. Dit was noodzakelijk om de tucht onder de slaven te handhaven. De raadsman der beschuldigde beriep zich daarna op autoriteiten en toonde aan, dat deze zaak geheel overeenkwam met die, waarin vroeger uitspraak was gedaan, van den Staat tegen Will.”Het beginsel, daarin uitgedrukt door den regter Gaston, luidt:„Wanneer een slaaf, tot zelfverdediging, en onder omstandigheden, die in hooge mate geschikt zijn om zijne vrees en woede op te wekken, zijn opzigter of meester doodt, krijgt de moord, door zulke omstandigheden, het karakter van manslag. De wreedheden van den verslagene, ten aanzien der beschuldigde, waren tergend en langdurend; zij zouden een barbaar getroffen hebben. De wilde dorst naar bloed; maar de beschaving had hem niet die verfijnde marteling geleerd, die hier gepleegd was.”Nadat de Procureur-Generaal de wet had toegelicht, maande hij de jury aan het vooroordeel niet te omhelzen, dat de raadsman der beschuldigde getracht had tegen den verslagene op te wekken (wiens handelwijze hij als menschonteerend voorstelde) en zich daardoor niet te laten leiden bij de beslissing, of de daad der beschuldigde misdaad was, ja, dan neen, en welk karakter aan die misdaad moest worden toegekend. Hij hoopte, dat de beschuldigde eene regtbank zou vinden, die tergoeder trouw en onpartijdig te werk ging. Hij hoopte, dat iedereredelijke twijfel in haar voordeel zou worden uitgelegd. Hetwas haar regt, welk een nederigen rang zij ook bekleedde; hij vertrouwde in zich evenmin de neiging te gevoelen, als zijne betrekking hem daartoe het regt gaf, om voor de beschuldigde iets meer te vragen, dan hij voor den rijkste en aanzienlijkste uit het ganscheland van zijne regters vragen zou; dat de jury zou oordeelen naar de bewijzen, en de geschonden wet zou wreken.Dit waren zeker edele gevoelens.Na eene krachtige aanspraak van den regter Ellis, zonderde de jury zich af, en keerde, na eene afwezigheid van verscheidene uren terug, met de uitspraak:onschuldig. Wij zien zelfs niet, hoe zij nog konde aarzelen, om terstond tot deze uitspraak te komen.De correspondent, die dit verslag levert, zegt verder:„Dit regtsgeding bragt de gemoederen van al de bewoners van den omtrek in beweging, en hoewel het eene menigte menschonteerende feiten aan den dag brengt, levert de uitslag van het proces toch een bewijs voor de menschlievendheid en regtvaardigheid onzer wetten, ten aanzien van die klasse der bevolking, wier toestand dweepers in de Noordelijke Staten zoo ijverig trachten verkeerd en overdreven voor te stellen, uit zelfzucht, woelziekte en kwade oogmerken.”Dit misleidt het algemeen ten opzigte der wezenlijke reden, waarom het slavenstelsel is af te keuren. Naar veler woorden te oordeelen, zou men meenen, dat, wanneer in ééne week, geen twee of drie dozijn negers gegeeseld of levend verbrand werden, de slavernij zooveel aanstoot niet zou geven. Zij schijnen in het stelsel niets verkeerds te zien dan de grove mishandelingen van het ligchaam. Zoo deze niet plaats vonden zou het stelsel zoo erg niet zijn. Zij begrijpen niet dat eene marteling gedurende twaalf uren van een arm slagtoffer, dat onder de handen van een Souther doodbloedt, slechts het zinnebeeld is van die oneindig wreeder marteling, waardoor de verhevene, onsterfelijke ziel, verminkt, gebrand, gekneusd, ter neêr geworpen, vertrapt en gesmoord wordt door de helsche magt der onverbiddelijke slavernij. En wanneer die marteling heeft opgehouden en de ziel opwaarts is gestegen naar den Troon des Gerigts, om daar als eene vreeselijke getuige op te treden, zal er geen spoor in dat ligchaam zijn overgebleven, waaraan het als mensch te herkennen is, niets dat zegt: „zie, dit was een mensch!”—Zoo zal ook, wanneer de slavernij haar door de wet gebillijkte magt ten einde toe heeft uitgeoefend op de ziel, en iedere sprank van menschheid, eergevoel, eigenwaarde, liefde, geweten en godsdienstig gevoel heeft uitgebluscht, ernietsin de zielzijn overgebleven, dat u toeroept: „Dit was een mensch!” en het zal hoe langer zoo meer noodig zijn, dat de regter gewigtige bewijsgronden aanvoert, om aan te toonen, dat de slaaf een menschelijk wezen is.Zulke buitengewone mishandelingen van het ligchaam, zulk misbruiken van de magt, die de slavernij geeft, zijn betrekkelijk zeldzaam. Misschien worden zij opgewogen door feiten, door de criminele regtspleging bij andere volken aan het licht gebragt; maar in welke streek ter wereld werden ooitzulkeregtsgedingen gevoerd, door een volk dat zegt vrij en christen te wezen. Hij, die de geschiedenis van Engeland kent, zal ons welligt verwijzen naar de regtsgedingen, die daar onder Jeffreys gevoerd werden. Een oogenblik nadenken zal hem overtuigen, dat die regtsgedingen niet gelijk staan met de Noord-Amerikaansche slavenprocessen. De vonnissen van Jeffreys waren de vonnissen van een monster, dat gewelddadig de wetten verkrachtte en het regt stuitte, om aan zijne eigene helsche inborst te voldoen. De bepalingen derAmerikaanscheslavenwet zijn, voor het grootste gedeelte, de uitspraken van eerlijke en menschlievende mannen, die hun beter gevoel in den boezem gesmoord hebben, om eene wreede wet toe te passen.Onder Jeffreys werden de heiligste waarborgen bij de regtspleging geschonden. Bij de Amerikaansche regtsspraken zijn alle vormen in acht genomen. Hoe stuitend voor ons menschelijk gevoel die regtsspraken ook zijn, zij waren slechts logische toepassingen der wet.Nog eens, vragen wij dus, in welke streek ter wereld werden ooit zulke regtsgedingen gevoerd, door een volk, dat zegt vrij en Christen te wezen? Wanneer werden ooitzulkeargumenten aangevoerd? Waar werden ooit zulke regtsbeginselen erkend? Werd er ooit in Engeland een proces gevoerd als in Virginia dat van Souther tegen den Staat? Was het ooit noodig in Engeland, dat een regter verklaarde, in strijd met de meening van een lager geregtshof, dat de dood van een werkman, ten gevolge eener marteling van twaalf uren, hem door zijn meester aangedaan, moord was? Ging zulk eene uitspraak, indien zij ooit mogt gevallen zijn, vergezeld van eene erkenning van het beginsel, dat eene marteling,die niet met den dood eindigde, niet strafbaar was? De schrijfster kent de Engelsche wetten niet genoeg, om dit te durven beweren, maar eene stem inhaar binnenste zegt haar, dat zulk eene uitspraak geheel Engeland in oproer zou gebragt hebben; en dat een proces als dat van Souther tegen den Staat nimmer zou zijn vergeten. Maar het is waarschijnlijk, dat zeer weinigen slechts in de Vereenigde Staten van dat proces ooit iets hoorden, of er ooit van zouden gehoord hebben, ware het niet door denNew-York Courier and Enquirerals eene onbetwistbare proeve van de menschlievendheid der wet aangehaald.Hetverschrikkelijksteder gansche zaak is, dat meer dan ééne proeve van dien aard in een land moet plaats vinden, om de gansche maatschappij, als één man, te doen gevoelen, dat zulk eene magt niet in de handen der slavenhouders mag gelaten worden. Hoe velewenschtmen nu, dat er nog gevoerd zullen worden? Hoe velemoetener gevoerd worden, vóór zij doen inzien, dat die grenzenlooze despotische magt niet mag toevertrouwd worden aan een ieder? Indien de zoon of broeder van één blanke op die wijze ware behandeld geworden, onder eene wet, die voor werklieden gemaakt was, het geheele land van Louisiana tot Maine zou niet gerust hebben, vóór die wet was veranderd. Men vergeet, dat ook de zwarte een Vader heeft: Hij, die boven de wolken troont, bij Wien de vorsten der aarde niets zijn, en bij Wien de regtvaardigheid der wereld ijdelheid is. Hij heeft gezegd, dat, „wanneer Hij den bloedvergieter straffen zal, ook het gejammer der verdrukten niet door Hem vergeten zal worden.” Dat bloed, dat met zoo veel achteloosheid vergoten is, dat bloed, waardoor de regters gewaad hebben, onverschillig en kalm, toen zij, in koelen bloede beraadslaagden of er moord of manslag gepleegd was, Hij zal het eenmaal in rekening brengen als het bloed van zijn eigen kind. Hij „vergeetZijnebelofte niet, al is Hij geduldig en lankmoedig; maar de dag der wrake zal komen en het uur der vergelding zal aanbreken.”Dan zal een andere Regter vonnis vellen, wanneer de Zoon des menschen zal nedergedaald zijn in Zijne heerlijkheid. Dan zullen niet enkel Souther en wezens als deze teregt staan, maar geheel het volk, Noord en Zuid, zal voor Zijnen troon verschijnen, die het stelsel hebben gehandhaafd en de wetten uitgevaardigd, die Souther maakten wat hij was. VoordienRegter zal ook het getuigenis van negers gelden, al is het nu van onwaarde; en de regters, en de raadslieden, ende magtigen en aanzienlijken, wanneer zij gedaagd worden voor dien vreeselijken regterstoel zullen uitroepen: „Bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons voor het aangezigt van Hem, die op den regterstoel zit en voor de vergelding des Lams.”De vergelding des Lams! Denk daaraan! denk dat Jezus Christus tegenwoordig was, dat hij getuige was—een zwijgende getuige bij ieder regtsgeding, die met kalmte de bewijzen toetste en de uitspraken woog! En denk hoe lankmoedig Jezus was en met welk een onverstoorbaar geduld Hij geleden heeft! Welk eene vreeselijke beteekenis heeft dat woord lankmoedig! Wat zal de vergelding zijn, wanneer, na jaren van lankmoedigheid, al dat onregt en al die verdrukking eindelijk door Hem zal geoordeeld worden!
Hoofdstuk XI.De zegepraal van het regt over de wet.
Na mij dus verpligt gezien te hebben op zoovele regtsgedingen te wijzen, waarin de regtvaardigheid heeft moeten onderdoen voor de wet, en de billijkheid en menschenliefde zijn teruggedrongen door de grendels en sluitboomen der logica, rekenen wij ons gelukkig ook van een regtsgeding te kunnen spreken, in Noord-Carolina gevoerd, waarin de edeler aandoeningen van het menschelijk hart de grenzen der wet hebben doen overschrijden, en waarvan de behandeling blijkt plaats gehad te hebben door mannen, die zich niet schaamden in hun boezem die gevaarlijke en onafhankelijke beweegkracht te voelen kloppen, die men het menschelijke hart noemt; ofschoon, bij de mededeeling van dat proces, treurige maar onvermijdelijke gewaarwordingen zich van onze ziel zullen meester maken, omdat daaruit de publieke opinie blijkt, die toestond dat op klaarlichtendag, in de hoofdstad van Noord-Carolina, zulke mishandelingen op eene ongelukkige vrouw gepleegd werden. Het publiek scheen zoo geheel doordrongen en overtuigd van de waarheid der leerstellingen door den regter Ruffin verkondigd,dat de magt van den meester absoluut moet zijn, dat het niet durfde tusschen beiden treden, toen het arme schepsel, barrevoets en bloedend, aan den hals van een paard werd voortgesleept, dat door de straten van Raleigh draafde en vijf (engelsche) mijlen in het uur aflegde. Het scheen ook dat de schrikkelijkste mishandelingen en gruweldaden, die men zich denken kan, of waarvan men getuige kan zijn, aangezien werden zonder dat men poogde ze te doen ophouden, door een aantal inwoners, waaronder wij de namen der achtenswaardigste mannen aantreffen. Maar het troost ons hier den procureur-generaal te hooren spreken, zoo als het een mensch betaamt, want waarlijk er bestaat geene reden om de vreeselijke werking van hetslavenstelselte ontveinzen en te miskennen, of de weinig troostrijke en lenigende bepalingen er van, zoo gering en onbeduidend die leniging is, op te vijzelen.Wij nemen het verslag van het geding over, zoo als het medegedeeld werd door den redacteur derNational EraDr. Bailey, een man, wiens opregtheid en goede trouw boven alle verdenking verheven zijn, zoo als iedere regel die hij schrijft reeds zelf getuigt.De lezer moge bij den eersten aanblik verwonderd zijn, dat hij hier het getuigenis van slaven vindt opgenomen, maar hij neme in aanmerking, dat een slaaf de hoofdpersoon in het proces is, en het getuigenis van slaven slechts van onwaarde is, wanneer het blanken geldt.Een belangrijk regtsgeding.Wij vinden in een der dagbladen van Raleigh (Noord-Carolina) van den 5denJunij 1851 het verslag van een belangrijk geding, in de voorjaars zitting van het Hoog-Geregtshof gevoerd. Mima, eene slavin, werd aangeklaagd van moord gepleegd op haar meester William Smith uit Johnstons County in den nacht van den 29stenNovember 1850. De aanklager was Sidney, een slaaf van twaalf jaren, die verklaarde dat in dien nacht hij en eene jonge slavin, Jane genaamd, uit den slaap gewekt waren door het roepen van hun meester, Smith, die juist t’ huis was gekomen. Zij stonden op en vonden Mima aanden hals van een paard gebonden, met twee koorden, een om haar hals en een om hare handen. De verslagene bragt haar in huis rukte het koord van haren hals en bond haar aan een balk. Hij vroeg iets te eten, wierp haar een stuk brood voor en na dit gedaan te hebben, sloeg hij haar op haar blooten rug met een dik stuk hout, en bragt haar verscheidene slagen toe. Korten tijd daarna begaf zich de verslagene naar buiten, om eene zekere reden; getuige vergezelde enlichttehem met eene toorts en hoorde hem toen zeggen, dat hij „het met die gevangene wel uit zou maken.” Het licht woei uit en hij ging in huis om het weder aan te steken. Hij vond daar Jane, maar de gevangene was los geraakt en bevond zich daar niet meer. Terwijl hij de toorts aanstak, hoorde hij buiten slagen vallen, en den verslagene twee of drie malen roepen: „O Leah! o Leah!” Getuige en Jane gingen naar buiten, zagen den verslagene in zijn bloed badende, werden zeer bevreesd, liepen in huis en sloten zich op. Leah blijkt de moeder van den verslagene te zijn geweest, en had hem twee jaren geleden verlaten, omdat hij haar gedurig mishandelde.Smith lag sprakeloos en buiten bewustzijn tot dat hij den volgenden morgen aan zijne wonden stierf.Uit het proces bleek, dat Carroll, een blanke, die op ongeveer eene mijl afstands van het huis des verslagenen woonde, en wiens vrouw doorging voor een onecht kind van Smith, den morgen na den moord in zijn bezit had eene door den Sheriff High, den vorigen dag aan den verslagene ter hand gestelde kwitantie van gevangeniskosten en eene nota van vijf en dertig dollars, die een zekere William Price aan den verslagene verschuldigd was, en die Carroll korten tijd later inde; zoo ook de gouden sleutels en cachetten van den verslagene, terwijl nergens uit bleek op welke wijze Carroll in het bezit van een en ander gekomen was.De volgende verklaringen uit het getuigenverhoor bevatten zulke verschrikkelijke feiten, die tevens zoo onteerend zijn voor hen, die ze op klaar-lichten dag aanzagen, dat wij ze overnemen, zoo als zij in het nieuwsblad van Raleigh vermeld zijn.„De verdediging ving thans aan; de getuigen à décharge werden gehoord (volgen de namen). Hunne verklaringen kwamen in substantie hierop neder. In den voormiddag vanvrijdag den 29stenNovember ll., haalde de verslagene de beschuldigde uit de gevangenis te Raleigh, en bond haar een koord om haar hals en vuisten; die koorden werden vastgemaakt aan den hals van het paard. De verslagene vloekte hevig op de beschuldigde, besteeg toen zijn paard en reed weg. Toen hij op de hoogte van het Telegraphisch-bureau in Fayettestreet was, beval hij de beschuldigde schoenen en kousen uit te trekken, vloekte weder op haar en reed voort in snellen draf; hij reed de fabriek van Peck voorbij, de beschuldigde scheen zeer onderworpen en gedwee; hij sloeg daarop de straat ten oosten van het kapitool in, met eene snelheid van vijf (engelsche) mijlen in het uur. Hij zette zijn rit voort tot hij den hoek van Rock bereikt had, ongeveer eene halve of drie kwart mijl van het kapitool. Verder bleek, dat hij omstreeks vier ure na den middag het huis van Cooper een van de getuigen bereikte, dat dertien mijlen van Raleigh ligt; dat het zeer hard regende; dat de verslagene van zijn paard steeg; dat hij het los liet staan en de beschuldigde met zich voerde; dat getuige het paard van den verslagene naar stal bragt; hij hoorde groot gedruisch in zijne woning; snelde daarheen, zag zijn dochtertje, zeer beangst, buiten in den regen loopen; ging naar binnen; de verslagene stak de beschuldigde in de oogen en deze schreeuwde luid; hij deed hem ophouden; werd toornig en verlangde dat hij heen zou gaan; verslagene verliet hem na eene korte poos, een uur voor zons ondergang ongeveer; toen hij hem verliet was de gevangene weder gebonden als vroeger; hare armen en vingers waren zeer gezwollen; de touwen om hare polsen waren dun, en diep in het vleesch gedrongen, dat ze bijna geheel bedekte; dat, hetwelk als een lis om haar hals was geslagen, dikker; de verslagene rukte bij tusschenpoozen aan die lis, die dan de keel der beschuldigde digtkneep; zij was barrevoets en bloedde; de verslagene werd, na het vallen van den avond, ongeveer zes mijlen van zijn huis gezien, op een afstand van vier en twintig of vijf en twintig mijlen van Raleigh.”Waarom velde men het monster niet neder, en strafte men hem niet voor zijne helsche wreedheid?De Procureur-Generaal behandelde de zaak blijkbaar met tegenzin. De verdediger toonde in de eerste plaats aan, dat de bewijzen onvoldoende waren om de beschuldigde van demisdaad te verdenken; ten tweede dat, wanneer het bij de jury boven allen twijfel vast stond, dat de beschuldigde de daad volbragt had, er nog slechts sprake kon wezen van manslag.„Een enkele slag door den eenen gelijke aan den ander toegebragt, gaf aan moord het karakter van manslag. Volgens de wet kon de misdaad geen ander karakter hebben, wanneer zij gepleegd was in eene plotselinge opwelling van toorn; maar voor dezelfde daad gold, wanneer de betrokken personen meester en slaaf waren, een andere regel. Dit was noodzakelijk om de tucht onder de slaven te handhaven. De raadsman der beschuldigde beriep zich daarna op autoriteiten en toonde aan, dat deze zaak geheel overeenkwam met die, waarin vroeger uitspraak was gedaan, van den Staat tegen Will.”Het beginsel, daarin uitgedrukt door den regter Gaston, luidt:„Wanneer een slaaf, tot zelfverdediging, en onder omstandigheden, die in hooge mate geschikt zijn om zijne vrees en woede op te wekken, zijn opzigter of meester doodt, krijgt de moord, door zulke omstandigheden, het karakter van manslag. De wreedheden van den verslagene, ten aanzien der beschuldigde, waren tergend en langdurend; zij zouden een barbaar getroffen hebben. De wilde dorst naar bloed; maar de beschaving had hem niet die verfijnde marteling geleerd, die hier gepleegd was.”Nadat de Procureur-Generaal de wet had toegelicht, maande hij de jury aan het vooroordeel niet te omhelzen, dat de raadsman der beschuldigde getracht had tegen den verslagene op te wekken (wiens handelwijze hij als menschonteerend voorstelde) en zich daardoor niet te laten leiden bij de beslissing, of de daad der beschuldigde misdaad was, ja, dan neen, en welk karakter aan die misdaad moest worden toegekend. Hij hoopte, dat de beschuldigde eene regtbank zou vinden, die tergoeder trouw en onpartijdig te werk ging. Hij hoopte, dat iedereredelijke twijfel in haar voordeel zou worden uitgelegd. Hetwas haar regt, welk een nederigen rang zij ook bekleedde; hij vertrouwde in zich evenmin de neiging te gevoelen, als zijne betrekking hem daartoe het regt gaf, om voor de beschuldigde iets meer te vragen, dan hij voor den rijkste en aanzienlijkste uit het ganscheland van zijne regters vragen zou; dat de jury zou oordeelen naar de bewijzen, en de geschonden wet zou wreken.Dit waren zeker edele gevoelens.Na eene krachtige aanspraak van den regter Ellis, zonderde de jury zich af, en keerde, na eene afwezigheid van verscheidene uren terug, met de uitspraak:onschuldig. Wij zien zelfs niet, hoe zij nog konde aarzelen, om terstond tot deze uitspraak te komen.De correspondent, die dit verslag levert, zegt verder:„Dit regtsgeding bragt de gemoederen van al de bewoners van den omtrek in beweging, en hoewel het eene menigte menschonteerende feiten aan den dag brengt, levert de uitslag van het proces toch een bewijs voor de menschlievendheid en regtvaardigheid onzer wetten, ten aanzien van die klasse der bevolking, wier toestand dweepers in de Noordelijke Staten zoo ijverig trachten verkeerd en overdreven voor te stellen, uit zelfzucht, woelziekte en kwade oogmerken.”Dit misleidt het algemeen ten opzigte der wezenlijke reden, waarom het slavenstelsel is af te keuren. Naar veler woorden te oordeelen, zou men meenen, dat, wanneer in ééne week, geen twee of drie dozijn negers gegeeseld of levend verbrand werden, de slavernij zooveel aanstoot niet zou geven. Zij schijnen in het stelsel niets verkeerds te zien dan de grove mishandelingen van het ligchaam. Zoo deze niet plaats vonden zou het stelsel zoo erg niet zijn. Zij begrijpen niet dat eene marteling gedurende twaalf uren van een arm slagtoffer, dat onder de handen van een Souther doodbloedt, slechts het zinnebeeld is van die oneindig wreeder marteling, waardoor de verhevene, onsterfelijke ziel, verminkt, gebrand, gekneusd, ter neêr geworpen, vertrapt en gesmoord wordt door de helsche magt der onverbiddelijke slavernij. En wanneer die marteling heeft opgehouden en de ziel opwaarts is gestegen naar den Troon des Gerigts, om daar als eene vreeselijke getuige op te treden, zal er geen spoor in dat ligchaam zijn overgebleven, waaraan het als mensch te herkennen is, niets dat zegt: „zie, dit was een mensch!”—Zoo zal ook, wanneer de slavernij haar door de wet gebillijkte magt ten einde toe heeft uitgeoefend op de ziel, en iedere sprank van menschheid, eergevoel, eigenwaarde, liefde, geweten en godsdienstig gevoel heeft uitgebluscht, ernietsin de zielzijn overgebleven, dat u toeroept: „Dit was een mensch!” en het zal hoe langer zoo meer noodig zijn, dat de regter gewigtige bewijsgronden aanvoert, om aan te toonen, dat de slaaf een menschelijk wezen is.Zulke buitengewone mishandelingen van het ligchaam, zulk misbruiken van de magt, die de slavernij geeft, zijn betrekkelijk zeldzaam. Misschien worden zij opgewogen door feiten, door de criminele regtspleging bij andere volken aan het licht gebragt; maar in welke streek ter wereld werden ooitzulkeregtsgedingen gevoerd, door een volk dat zegt vrij en christen te wezen. Hij, die de geschiedenis van Engeland kent, zal ons welligt verwijzen naar de regtsgedingen, die daar onder Jeffreys gevoerd werden. Een oogenblik nadenken zal hem overtuigen, dat die regtsgedingen niet gelijk staan met de Noord-Amerikaansche slavenprocessen. De vonnissen van Jeffreys waren de vonnissen van een monster, dat gewelddadig de wetten verkrachtte en het regt stuitte, om aan zijne eigene helsche inborst te voldoen. De bepalingen derAmerikaanscheslavenwet zijn, voor het grootste gedeelte, de uitspraken van eerlijke en menschlievende mannen, die hun beter gevoel in den boezem gesmoord hebben, om eene wreede wet toe te passen.Onder Jeffreys werden de heiligste waarborgen bij de regtspleging geschonden. Bij de Amerikaansche regtsspraken zijn alle vormen in acht genomen. Hoe stuitend voor ons menschelijk gevoel die regtsspraken ook zijn, zij waren slechts logische toepassingen der wet.Nog eens, vragen wij dus, in welke streek ter wereld werden ooit zulke regtsgedingen gevoerd, door een volk, dat zegt vrij en Christen te wezen? Wanneer werden ooitzulkeargumenten aangevoerd? Waar werden ooit zulke regtsbeginselen erkend? Werd er ooit in Engeland een proces gevoerd als in Virginia dat van Souther tegen den Staat? Was het ooit noodig in Engeland, dat een regter verklaarde, in strijd met de meening van een lager geregtshof, dat de dood van een werkman, ten gevolge eener marteling van twaalf uren, hem door zijn meester aangedaan, moord was? Ging zulk eene uitspraak, indien zij ooit mogt gevallen zijn, vergezeld van eene erkenning van het beginsel, dat eene marteling,die niet met den dood eindigde, niet strafbaar was? De schrijfster kent de Engelsche wetten niet genoeg, om dit te durven beweren, maar eene stem inhaar binnenste zegt haar, dat zulk eene uitspraak geheel Engeland in oproer zou gebragt hebben; en dat een proces als dat van Souther tegen den Staat nimmer zou zijn vergeten. Maar het is waarschijnlijk, dat zeer weinigen slechts in de Vereenigde Staten van dat proces ooit iets hoorden, of er ooit van zouden gehoord hebben, ware het niet door denNew-York Courier and Enquirerals eene onbetwistbare proeve van de menschlievendheid der wet aangehaald.Hetverschrikkelijksteder gansche zaak is, dat meer dan ééne proeve van dien aard in een land moet plaats vinden, om de gansche maatschappij, als één man, te doen gevoelen, dat zulk eene magt niet in de handen der slavenhouders mag gelaten worden. Hoe velewenschtmen nu, dat er nog gevoerd zullen worden? Hoe velemoetener gevoerd worden, vóór zij doen inzien, dat die grenzenlooze despotische magt niet mag toevertrouwd worden aan een ieder? Indien de zoon of broeder van één blanke op die wijze ware behandeld geworden, onder eene wet, die voor werklieden gemaakt was, het geheele land van Louisiana tot Maine zou niet gerust hebben, vóór die wet was veranderd. Men vergeet, dat ook de zwarte een Vader heeft: Hij, die boven de wolken troont, bij Wien de vorsten der aarde niets zijn, en bij Wien de regtvaardigheid der wereld ijdelheid is. Hij heeft gezegd, dat, „wanneer Hij den bloedvergieter straffen zal, ook het gejammer der verdrukten niet door Hem vergeten zal worden.” Dat bloed, dat met zoo veel achteloosheid vergoten is, dat bloed, waardoor de regters gewaad hebben, onverschillig en kalm, toen zij, in koelen bloede beraadslaagden of er moord of manslag gepleegd was, Hij zal het eenmaal in rekening brengen als het bloed van zijn eigen kind. Hij „vergeetZijnebelofte niet, al is Hij geduldig en lankmoedig; maar de dag der wrake zal komen en het uur der vergelding zal aanbreken.”Dan zal een andere Regter vonnis vellen, wanneer de Zoon des menschen zal nedergedaald zijn in Zijne heerlijkheid. Dan zullen niet enkel Souther en wezens als deze teregt staan, maar geheel het volk, Noord en Zuid, zal voor Zijnen troon verschijnen, die het stelsel hebben gehandhaafd en de wetten uitgevaardigd, die Souther maakten wat hij was. VoordienRegter zal ook het getuigenis van negers gelden, al is het nu van onwaarde; en de regters, en de raadslieden, ende magtigen en aanzienlijken, wanneer zij gedaagd worden voor dien vreeselijken regterstoel zullen uitroepen: „Bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons voor het aangezigt van Hem, die op den regterstoel zit en voor de vergelding des Lams.”De vergelding des Lams! Denk daaraan! denk dat Jezus Christus tegenwoordig was, dat hij getuige was—een zwijgende getuige bij ieder regtsgeding, die met kalmte de bewijzen toetste en de uitspraken woog! En denk hoe lankmoedig Jezus was en met welk een onverstoorbaar geduld Hij geleden heeft! Welk eene vreeselijke beteekenis heeft dat woord lankmoedig! Wat zal de vergelding zijn, wanneer, na jaren van lankmoedigheid, al dat onregt en al die verdrukking eindelijk door Hem zal geoordeeld worden!
Na mij dus verpligt gezien te hebben op zoovele regtsgedingen te wijzen, waarin de regtvaardigheid heeft moeten onderdoen voor de wet, en de billijkheid en menschenliefde zijn teruggedrongen door de grendels en sluitboomen der logica, rekenen wij ons gelukkig ook van een regtsgeding te kunnen spreken, in Noord-Carolina gevoerd, waarin de edeler aandoeningen van het menschelijk hart de grenzen der wet hebben doen overschrijden, en waarvan de behandeling blijkt plaats gehad te hebben door mannen, die zich niet schaamden in hun boezem die gevaarlijke en onafhankelijke beweegkracht te voelen kloppen, die men het menschelijke hart noemt; ofschoon, bij de mededeeling van dat proces, treurige maar onvermijdelijke gewaarwordingen zich van onze ziel zullen meester maken, omdat daaruit de publieke opinie blijkt, die toestond dat op klaarlichtendag, in de hoofdstad van Noord-Carolina, zulke mishandelingen op eene ongelukkige vrouw gepleegd werden. Het publiek scheen zoo geheel doordrongen en overtuigd van de waarheid der leerstellingen door den regter Ruffin verkondigd,dat de magt van den meester absoluut moet zijn, dat het niet durfde tusschen beiden treden, toen het arme schepsel, barrevoets en bloedend, aan den hals van een paard werd voortgesleept, dat door de straten van Raleigh draafde en vijf (engelsche) mijlen in het uur aflegde. Het scheen ook dat de schrikkelijkste mishandelingen en gruweldaden, die men zich denken kan, of waarvan men getuige kan zijn, aangezien werden zonder dat men poogde ze te doen ophouden, door een aantal inwoners, waaronder wij de namen der achtenswaardigste mannen aantreffen. Maar het troost ons hier den procureur-generaal te hooren spreken, zoo als het een mensch betaamt, want waarlijk er bestaat geene reden om de vreeselijke werking van hetslavenstelselte ontveinzen en te miskennen, of de weinig troostrijke en lenigende bepalingen er van, zoo gering en onbeduidend die leniging is, op te vijzelen.
Wij nemen het verslag van het geding over, zoo als het medegedeeld werd door den redacteur derNational EraDr. Bailey, een man, wiens opregtheid en goede trouw boven alle verdenking verheven zijn, zoo als iedere regel die hij schrijft reeds zelf getuigt.
De lezer moge bij den eersten aanblik verwonderd zijn, dat hij hier het getuigenis van slaven vindt opgenomen, maar hij neme in aanmerking, dat een slaaf de hoofdpersoon in het proces is, en het getuigenis van slaven slechts van onwaarde is, wanneer het blanken geldt.
Een belangrijk regtsgeding.Wij vinden in een der dagbladen van Raleigh (Noord-Carolina) van den 5denJunij 1851 het verslag van een belangrijk geding, in de voorjaars zitting van het Hoog-Geregtshof gevoerd. Mima, eene slavin, werd aangeklaagd van moord gepleegd op haar meester William Smith uit Johnstons County in den nacht van den 29stenNovember 1850. De aanklager was Sidney, een slaaf van twaalf jaren, die verklaarde dat in dien nacht hij en eene jonge slavin, Jane genaamd, uit den slaap gewekt waren door het roepen van hun meester, Smith, die juist t’ huis was gekomen. Zij stonden op en vonden Mima aanden hals van een paard gebonden, met twee koorden, een om haar hals en een om hare handen. De verslagene bragt haar in huis rukte het koord van haren hals en bond haar aan een balk. Hij vroeg iets te eten, wierp haar een stuk brood voor en na dit gedaan te hebben, sloeg hij haar op haar blooten rug met een dik stuk hout, en bragt haar verscheidene slagen toe. Korten tijd daarna begaf zich de verslagene naar buiten, om eene zekere reden; getuige vergezelde enlichttehem met eene toorts en hoorde hem toen zeggen, dat hij „het met die gevangene wel uit zou maken.” Het licht woei uit en hij ging in huis om het weder aan te steken. Hij vond daar Jane, maar de gevangene was los geraakt en bevond zich daar niet meer. Terwijl hij de toorts aanstak, hoorde hij buiten slagen vallen, en den verslagene twee of drie malen roepen: „O Leah! o Leah!” Getuige en Jane gingen naar buiten, zagen den verslagene in zijn bloed badende, werden zeer bevreesd, liepen in huis en sloten zich op. Leah blijkt de moeder van den verslagene te zijn geweest, en had hem twee jaren geleden verlaten, omdat hij haar gedurig mishandelde.Smith lag sprakeloos en buiten bewustzijn tot dat hij den volgenden morgen aan zijne wonden stierf.Uit het proces bleek, dat Carroll, een blanke, die op ongeveer eene mijl afstands van het huis des verslagenen woonde, en wiens vrouw doorging voor een onecht kind van Smith, den morgen na den moord in zijn bezit had eene door den Sheriff High, den vorigen dag aan den verslagene ter hand gestelde kwitantie van gevangeniskosten en eene nota van vijf en dertig dollars, die een zekere William Price aan den verslagene verschuldigd was, en die Carroll korten tijd later inde; zoo ook de gouden sleutels en cachetten van den verslagene, terwijl nergens uit bleek op welke wijze Carroll in het bezit van een en ander gekomen was.De volgende verklaringen uit het getuigenverhoor bevatten zulke verschrikkelijke feiten, die tevens zoo onteerend zijn voor hen, die ze op klaar-lichten dag aanzagen, dat wij ze overnemen, zoo als zij in het nieuwsblad van Raleigh vermeld zijn.„De verdediging ving thans aan; de getuigen à décharge werden gehoord (volgen de namen). Hunne verklaringen kwamen in substantie hierop neder. In den voormiddag vanvrijdag den 29stenNovember ll., haalde de verslagene de beschuldigde uit de gevangenis te Raleigh, en bond haar een koord om haar hals en vuisten; die koorden werden vastgemaakt aan den hals van het paard. De verslagene vloekte hevig op de beschuldigde, besteeg toen zijn paard en reed weg. Toen hij op de hoogte van het Telegraphisch-bureau in Fayettestreet was, beval hij de beschuldigde schoenen en kousen uit te trekken, vloekte weder op haar en reed voort in snellen draf; hij reed de fabriek van Peck voorbij, de beschuldigde scheen zeer onderworpen en gedwee; hij sloeg daarop de straat ten oosten van het kapitool in, met eene snelheid van vijf (engelsche) mijlen in het uur. Hij zette zijn rit voort tot hij den hoek van Rock bereikt had, ongeveer eene halve of drie kwart mijl van het kapitool. Verder bleek, dat hij omstreeks vier ure na den middag het huis van Cooper een van de getuigen bereikte, dat dertien mijlen van Raleigh ligt; dat het zeer hard regende; dat de verslagene van zijn paard steeg; dat hij het los liet staan en de beschuldigde met zich voerde; dat getuige het paard van den verslagene naar stal bragt; hij hoorde groot gedruisch in zijne woning; snelde daarheen, zag zijn dochtertje, zeer beangst, buiten in den regen loopen; ging naar binnen; de verslagene stak de beschuldigde in de oogen en deze schreeuwde luid; hij deed hem ophouden; werd toornig en verlangde dat hij heen zou gaan; verslagene verliet hem na eene korte poos, een uur voor zons ondergang ongeveer; toen hij hem verliet was de gevangene weder gebonden als vroeger; hare armen en vingers waren zeer gezwollen; de touwen om hare polsen waren dun, en diep in het vleesch gedrongen, dat ze bijna geheel bedekte; dat, hetwelk als een lis om haar hals was geslagen, dikker; de verslagene rukte bij tusschenpoozen aan die lis, die dan de keel der beschuldigde digtkneep; zij was barrevoets en bloedde; de verslagene werd, na het vallen van den avond, ongeveer zes mijlen van zijn huis gezien, op een afstand van vier en twintig of vijf en twintig mijlen van Raleigh.”Waarom velde men het monster niet neder, en strafte men hem niet voor zijne helsche wreedheid?De Procureur-Generaal behandelde de zaak blijkbaar met tegenzin. De verdediger toonde in de eerste plaats aan, dat de bewijzen onvoldoende waren om de beschuldigde van demisdaad te verdenken; ten tweede dat, wanneer het bij de jury boven allen twijfel vast stond, dat de beschuldigde de daad volbragt had, er nog slechts sprake kon wezen van manslag.„Een enkele slag door den eenen gelijke aan den ander toegebragt, gaf aan moord het karakter van manslag. Volgens de wet kon de misdaad geen ander karakter hebben, wanneer zij gepleegd was in eene plotselinge opwelling van toorn; maar voor dezelfde daad gold, wanneer de betrokken personen meester en slaaf waren, een andere regel. Dit was noodzakelijk om de tucht onder de slaven te handhaven. De raadsman der beschuldigde beriep zich daarna op autoriteiten en toonde aan, dat deze zaak geheel overeenkwam met die, waarin vroeger uitspraak was gedaan, van den Staat tegen Will.”
Een belangrijk regtsgeding.
Wij vinden in een der dagbladen van Raleigh (Noord-Carolina) van den 5denJunij 1851 het verslag van een belangrijk geding, in de voorjaars zitting van het Hoog-Geregtshof gevoerd. Mima, eene slavin, werd aangeklaagd van moord gepleegd op haar meester William Smith uit Johnstons County in den nacht van den 29stenNovember 1850. De aanklager was Sidney, een slaaf van twaalf jaren, die verklaarde dat in dien nacht hij en eene jonge slavin, Jane genaamd, uit den slaap gewekt waren door het roepen van hun meester, Smith, die juist t’ huis was gekomen. Zij stonden op en vonden Mima aanden hals van een paard gebonden, met twee koorden, een om haar hals en een om hare handen. De verslagene bragt haar in huis rukte het koord van haren hals en bond haar aan een balk. Hij vroeg iets te eten, wierp haar een stuk brood voor en na dit gedaan te hebben, sloeg hij haar op haar blooten rug met een dik stuk hout, en bragt haar verscheidene slagen toe. Korten tijd daarna begaf zich de verslagene naar buiten, om eene zekere reden; getuige vergezelde enlichttehem met eene toorts en hoorde hem toen zeggen, dat hij „het met die gevangene wel uit zou maken.” Het licht woei uit en hij ging in huis om het weder aan te steken. Hij vond daar Jane, maar de gevangene was los geraakt en bevond zich daar niet meer. Terwijl hij de toorts aanstak, hoorde hij buiten slagen vallen, en den verslagene twee of drie malen roepen: „O Leah! o Leah!” Getuige en Jane gingen naar buiten, zagen den verslagene in zijn bloed badende, werden zeer bevreesd, liepen in huis en sloten zich op. Leah blijkt de moeder van den verslagene te zijn geweest, en had hem twee jaren geleden verlaten, omdat hij haar gedurig mishandelde.
Smith lag sprakeloos en buiten bewustzijn tot dat hij den volgenden morgen aan zijne wonden stierf.
Uit het proces bleek, dat Carroll, een blanke, die op ongeveer eene mijl afstands van het huis des verslagenen woonde, en wiens vrouw doorging voor een onecht kind van Smith, den morgen na den moord in zijn bezit had eene door den Sheriff High, den vorigen dag aan den verslagene ter hand gestelde kwitantie van gevangeniskosten en eene nota van vijf en dertig dollars, die een zekere William Price aan den verslagene verschuldigd was, en die Carroll korten tijd later inde; zoo ook de gouden sleutels en cachetten van den verslagene, terwijl nergens uit bleek op welke wijze Carroll in het bezit van een en ander gekomen was.
De volgende verklaringen uit het getuigenverhoor bevatten zulke verschrikkelijke feiten, die tevens zoo onteerend zijn voor hen, die ze op klaar-lichten dag aanzagen, dat wij ze overnemen, zoo als zij in het nieuwsblad van Raleigh vermeld zijn.
„De verdediging ving thans aan; de getuigen à décharge werden gehoord (volgen de namen). Hunne verklaringen kwamen in substantie hierop neder. In den voormiddag vanvrijdag den 29stenNovember ll., haalde de verslagene de beschuldigde uit de gevangenis te Raleigh, en bond haar een koord om haar hals en vuisten; die koorden werden vastgemaakt aan den hals van het paard. De verslagene vloekte hevig op de beschuldigde, besteeg toen zijn paard en reed weg. Toen hij op de hoogte van het Telegraphisch-bureau in Fayettestreet was, beval hij de beschuldigde schoenen en kousen uit te trekken, vloekte weder op haar en reed voort in snellen draf; hij reed de fabriek van Peck voorbij, de beschuldigde scheen zeer onderworpen en gedwee; hij sloeg daarop de straat ten oosten van het kapitool in, met eene snelheid van vijf (engelsche) mijlen in het uur. Hij zette zijn rit voort tot hij den hoek van Rock bereikt had, ongeveer eene halve of drie kwart mijl van het kapitool. Verder bleek, dat hij omstreeks vier ure na den middag het huis van Cooper een van de getuigen bereikte, dat dertien mijlen van Raleigh ligt; dat het zeer hard regende; dat de verslagene van zijn paard steeg; dat hij het los liet staan en de beschuldigde met zich voerde; dat getuige het paard van den verslagene naar stal bragt; hij hoorde groot gedruisch in zijne woning; snelde daarheen, zag zijn dochtertje, zeer beangst, buiten in den regen loopen; ging naar binnen; de verslagene stak de beschuldigde in de oogen en deze schreeuwde luid; hij deed hem ophouden; werd toornig en verlangde dat hij heen zou gaan; verslagene verliet hem na eene korte poos, een uur voor zons ondergang ongeveer; toen hij hem verliet was de gevangene weder gebonden als vroeger; hare armen en vingers waren zeer gezwollen; de touwen om hare polsen waren dun, en diep in het vleesch gedrongen, dat ze bijna geheel bedekte; dat, hetwelk als een lis om haar hals was geslagen, dikker; de verslagene rukte bij tusschenpoozen aan die lis, die dan de keel der beschuldigde digtkneep; zij was barrevoets en bloedde; de verslagene werd, na het vallen van den avond, ongeveer zes mijlen van zijn huis gezien, op een afstand van vier en twintig of vijf en twintig mijlen van Raleigh.”
Waarom velde men het monster niet neder, en strafte men hem niet voor zijne helsche wreedheid?
De Procureur-Generaal behandelde de zaak blijkbaar met tegenzin. De verdediger toonde in de eerste plaats aan, dat de bewijzen onvoldoende waren om de beschuldigde van demisdaad te verdenken; ten tweede dat, wanneer het bij de jury boven allen twijfel vast stond, dat de beschuldigde de daad volbragt had, er nog slechts sprake kon wezen van manslag.
„Een enkele slag door den eenen gelijke aan den ander toegebragt, gaf aan moord het karakter van manslag. Volgens de wet kon de misdaad geen ander karakter hebben, wanneer zij gepleegd was in eene plotselinge opwelling van toorn; maar voor dezelfde daad gold, wanneer de betrokken personen meester en slaaf waren, een andere regel. Dit was noodzakelijk om de tucht onder de slaven te handhaven. De raadsman der beschuldigde beriep zich daarna op autoriteiten en toonde aan, dat deze zaak geheel overeenkwam met die, waarin vroeger uitspraak was gedaan, van den Staat tegen Will.”
Het beginsel, daarin uitgedrukt door den regter Gaston, luidt:
„Wanneer een slaaf, tot zelfverdediging, en onder omstandigheden, die in hooge mate geschikt zijn om zijne vrees en woede op te wekken, zijn opzigter of meester doodt, krijgt de moord, door zulke omstandigheden, het karakter van manslag. De wreedheden van den verslagene, ten aanzien der beschuldigde, waren tergend en langdurend; zij zouden een barbaar getroffen hebben. De wilde dorst naar bloed; maar de beschaving had hem niet die verfijnde marteling geleerd, die hier gepleegd was.”
„Wanneer een slaaf, tot zelfverdediging, en onder omstandigheden, die in hooge mate geschikt zijn om zijne vrees en woede op te wekken, zijn opzigter of meester doodt, krijgt de moord, door zulke omstandigheden, het karakter van manslag. De wreedheden van den verslagene, ten aanzien der beschuldigde, waren tergend en langdurend; zij zouden een barbaar getroffen hebben. De wilde dorst naar bloed; maar de beschaving had hem niet die verfijnde marteling geleerd, die hier gepleegd was.”
Nadat de Procureur-Generaal de wet had toegelicht, maande hij de jury aan het vooroordeel niet te omhelzen, dat de raadsman der beschuldigde getracht had tegen den verslagene op te wekken (wiens handelwijze hij als menschonteerend voorstelde) en zich daardoor niet te laten leiden bij de beslissing, of de daad der beschuldigde misdaad was, ja, dan neen, en welk karakter aan die misdaad moest worden toegekend. Hij hoopte, dat de beschuldigde eene regtbank zou vinden, die tergoeder trouw en onpartijdig te werk ging. Hij hoopte, dat iedereredelijke twijfel in haar voordeel zou worden uitgelegd. Hetwas haar regt, welk een nederigen rang zij ook bekleedde; hij vertrouwde in zich evenmin de neiging te gevoelen, als zijne betrekking hem daartoe het regt gaf, om voor de beschuldigde iets meer te vragen, dan hij voor den rijkste en aanzienlijkste uit het ganscheland van zijne regters vragen zou; dat de jury zou oordeelen naar de bewijzen, en de geschonden wet zou wreken.
Dit waren zeker edele gevoelens.
Na eene krachtige aanspraak van den regter Ellis, zonderde de jury zich af, en keerde, na eene afwezigheid van verscheidene uren terug, met de uitspraak:onschuldig. Wij zien zelfs niet, hoe zij nog konde aarzelen, om terstond tot deze uitspraak te komen.
De correspondent, die dit verslag levert, zegt verder:
„Dit regtsgeding bragt de gemoederen van al de bewoners van den omtrek in beweging, en hoewel het eene menigte menschonteerende feiten aan den dag brengt, levert de uitslag van het proces toch een bewijs voor de menschlievendheid en regtvaardigheid onzer wetten, ten aanzien van die klasse der bevolking, wier toestand dweepers in de Noordelijke Staten zoo ijverig trachten verkeerd en overdreven voor te stellen, uit zelfzucht, woelziekte en kwade oogmerken.”
„Dit regtsgeding bragt de gemoederen van al de bewoners van den omtrek in beweging, en hoewel het eene menigte menschonteerende feiten aan den dag brengt, levert de uitslag van het proces toch een bewijs voor de menschlievendheid en regtvaardigheid onzer wetten, ten aanzien van die klasse der bevolking, wier toestand dweepers in de Noordelijke Staten zoo ijverig trachten verkeerd en overdreven voor te stellen, uit zelfzucht, woelziekte en kwade oogmerken.”
Dit misleidt het algemeen ten opzigte der wezenlijke reden, waarom het slavenstelsel is af te keuren. Naar veler woorden te oordeelen, zou men meenen, dat, wanneer in ééne week, geen twee of drie dozijn negers gegeeseld of levend verbrand werden, de slavernij zooveel aanstoot niet zou geven. Zij schijnen in het stelsel niets verkeerds te zien dan de grove mishandelingen van het ligchaam. Zoo deze niet plaats vonden zou het stelsel zoo erg niet zijn. Zij begrijpen niet dat eene marteling gedurende twaalf uren van een arm slagtoffer, dat onder de handen van een Souther doodbloedt, slechts het zinnebeeld is van die oneindig wreeder marteling, waardoor de verhevene, onsterfelijke ziel, verminkt, gebrand, gekneusd, ter neêr geworpen, vertrapt en gesmoord wordt door de helsche magt der onverbiddelijke slavernij. En wanneer die marteling heeft opgehouden en de ziel opwaarts is gestegen naar den Troon des Gerigts, om daar als eene vreeselijke getuige op te treden, zal er geen spoor in dat ligchaam zijn overgebleven, waaraan het als mensch te herkennen is, niets dat zegt: „zie, dit was een mensch!”—Zoo zal ook, wanneer de slavernij haar door de wet gebillijkte magt ten einde toe heeft uitgeoefend op de ziel, en iedere sprank van menschheid, eergevoel, eigenwaarde, liefde, geweten en godsdienstig gevoel heeft uitgebluscht, ernietsin de zielzijn overgebleven, dat u toeroept: „Dit was een mensch!” en het zal hoe langer zoo meer noodig zijn, dat de regter gewigtige bewijsgronden aanvoert, om aan te toonen, dat de slaaf een menschelijk wezen is.
Zulke buitengewone mishandelingen van het ligchaam, zulk misbruiken van de magt, die de slavernij geeft, zijn betrekkelijk zeldzaam. Misschien worden zij opgewogen door feiten, door de criminele regtspleging bij andere volken aan het licht gebragt; maar in welke streek ter wereld werden ooitzulkeregtsgedingen gevoerd, door een volk dat zegt vrij en christen te wezen. Hij, die de geschiedenis van Engeland kent, zal ons welligt verwijzen naar de regtsgedingen, die daar onder Jeffreys gevoerd werden. Een oogenblik nadenken zal hem overtuigen, dat die regtsgedingen niet gelijk staan met de Noord-Amerikaansche slavenprocessen. De vonnissen van Jeffreys waren de vonnissen van een monster, dat gewelddadig de wetten verkrachtte en het regt stuitte, om aan zijne eigene helsche inborst te voldoen. De bepalingen derAmerikaanscheslavenwet zijn, voor het grootste gedeelte, de uitspraken van eerlijke en menschlievende mannen, die hun beter gevoel in den boezem gesmoord hebben, om eene wreede wet toe te passen.
Onder Jeffreys werden de heiligste waarborgen bij de regtspleging geschonden. Bij de Amerikaansche regtsspraken zijn alle vormen in acht genomen. Hoe stuitend voor ons menschelijk gevoel die regtsspraken ook zijn, zij waren slechts logische toepassingen der wet.
Nog eens, vragen wij dus, in welke streek ter wereld werden ooit zulke regtsgedingen gevoerd, door een volk, dat zegt vrij en Christen te wezen? Wanneer werden ooitzulkeargumenten aangevoerd? Waar werden ooit zulke regtsbeginselen erkend? Werd er ooit in Engeland een proces gevoerd als in Virginia dat van Souther tegen den Staat? Was het ooit noodig in Engeland, dat een regter verklaarde, in strijd met de meening van een lager geregtshof, dat de dood van een werkman, ten gevolge eener marteling van twaalf uren, hem door zijn meester aangedaan, moord was? Ging zulk eene uitspraak, indien zij ooit mogt gevallen zijn, vergezeld van eene erkenning van het beginsel, dat eene marteling,die niet met den dood eindigde, niet strafbaar was? De schrijfster kent de Engelsche wetten niet genoeg, om dit te durven beweren, maar eene stem inhaar binnenste zegt haar, dat zulk eene uitspraak geheel Engeland in oproer zou gebragt hebben; en dat een proces als dat van Souther tegen den Staat nimmer zou zijn vergeten. Maar het is waarschijnlijk, dat zeer weinigen slechts in de Vereenigde Staten van dat proces ooit iets hoorden, of er ooit van zouden gehoord hebben, ware het niet door denNew-York Courier and Enquirerals eene onbetwistbare proeve van de menschlievendheid der wet aangehaald.
Hetverschrikkelijksteder gansche zaak is, dat meer dan ééne proeve van dien aard in een land moet plaats vinden, om de gansche maatschappij, als één man, te doen gevoelen, dat zulk eene magt niet in de handen der slavenhouders mag gelaten worden. Hoe velewenschtmen nu, dat er nog gevoerd zullen worden? Hoe velemoetener gevoerd worden, vóór zij doen inzien, dat die grenzenlooze despotische magt niet mag toevertrouwd worden aan een ieder? Indien de zoon of broeder van één blanke op die wijze ware behandeld geworden, onder eene wet, die voor werklieden gemaakt was, het geheele land van Louisiana tot Maine zou niet gerust hebben, vóór die wet was veranderd. Men vergeet, dat ook de zwarte een Vader heeft: Hij, die boven de wolken troont, bij Wien de vorsten der aarde niets zijn, en bij Wien de regtvaardigheid der wereld ijdelheid is. Hij heeft gezegd, dat, „wanneer Hij den bloedvergieter straffen zal, ook het gejammer der verdrukten niet door Hem vergeten zal worden.” Dat bloed, dat met zoo veel achteloosheid vergoten is, dat bloed, waardoor de regters gewaad hebben, onverschillig en kalm, toen zij, in koelen bloede beraadslaagden of er moord of manslag gepleegd was, Hij zal het eenmaal in rekening brengen als het bloed van zijn eigen kind. Hij „vergeetZijnebelofte niet, al is Hij geduldig en lankmoedig; maar de dag der wrake zal komen en het uur der vergelding zal aanbreken.”
Dan zal een andere Regter vonnis vellen, wanneer de Zoon des menschen zal nedergedaald zijn in Zijne heerlijkheid. Dan zullen niet enkel Souther en wezens als deze teregt staan, maar geheel het volk, Noord en Zuid, zal voor Zijnen troon verschijnen, die het stelsel hebben gehandhaafd en de wetten uitgevaardigd, die Souther maakten wat hij was. VoordienRegter zal ook het getuigenis van negers gelden, al is het nu van onwaarde; en de regters, en de raadslieden, ende magtigen en aanzienlijken, wanneer zij gedaagd worden voor dien vreeselijken regterstoel zullen uitroepen: „Bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons voor het aangezigt van Hem, die op den regterstoel zit en voor de vergelding des Lams.”
De vergelding des Lams! Denk daaraan! denk dat Jezus Christus tegenwoordig was, dat hij getuige was—een zwijgende getuige bij ieder regtsgeding, die met kalmte de bewijzen toetste en de uitspraken woog! En denk hoe lankmoedig Jezus was en met welk een onverstoorbaar geduld Hij geleden heeft! Welk eene vreeselijke beteekenis heeft dat woord lankmoedig! Wat zal de vergelding zijn, wanneer, na jaren van lankmoedigheid, al dat onregt en al die verdrukking eindelijk door Hem zal geoordeeld worden!