Hoofdstuk X.

Hoofdstuk X.Aangenomen beginsels.—De Staat tegen Legree; een geval dat niet in de wetboeken voorkomt.Uit een overzigt van al de gedingen, die wij tot dusver mededeelden, en van de beginsels die in de regterlijke uitspraken doorstralen, moet de lezer de volgende feiten afleiden:Vooreerst, dat de meesters nu en dan hunne slaven doodmartelen.Ten tweede, dat het dooden op die wijze van een slaaf op zich zelf, door de slaven-regtspleging, niet als moord wordt aangenomen.Ten derde, dat de slaaf, wanneer hij zijn meester weerstand biedt, altijd mag gedood worden.Uit dit alles volgt, dat, wanneer de omstandigheden bij Tomsdood volkomen waren bewezen door het getuigenis van twee blanken, Legree, bij eene consequente toepassing der slavenwet, nog niet als moordenaar zou beschouwd worden, want Tom bood weerstand aan den wil van zijn meester. Zijn meester had hem iets bevolen in tegenwoordigheid van andere slaven. De meester begon met eene kastijding om hem tot gehoorzaamheid te dwingen. En bij den eersten oogopslag moet iedereen inzien, dat, wanneer de wet hem geen magt geeft, om, in zulk een geval, tot gehoorzaamheid te dwingen, alle magt over de slaven denkbeeldig is. Geene regtbank in het Zuiden zou durven staande houden, dat Legree onregt had om de kastijding te doen aanhouden, zoo lang Tom in zijne ongehoorzaamheid volhardde. Legree stond gedurende al dien tijd bij hem, maande hem aan om zich te onderwerpen, en beloofde hem, zoodra hij zich onderwierp, hem vrij te laten. Toms verzet was oproerigheid. Het was een voorbeeld, dat op geene plantage in het Zuiden mogt geduld worden. Volgens de uitdrukkelijke bewoordingen der grondwet van Georgia en volgens de gewone uitlegging en toepassing der slavenwet, berust, in buitengewone gevallen als dit, het regt over leven en dood in de handen van den meester. Het geldt hier geene daad als die van Souther in zijn proces tegen den Staat. Het slagtoffer van Souther maakte zich aan geen verzet of oproer schuldig. De straf was in dat geval niet meer dan eene wraakoefening over eene gepleegde misdaad, en geene poging om den dader tot gehoorzaamheid te brengen.Er is geen enkel beginsel in deslaven-regtspleging, volgens hetwelk een man, die, in den toestand van Legree als deze handelende, voor moord zou kunnen vervolgd worden. Iedereen moet erkennen, dat, wanneer dit het geval mogt wezen, de grondslag van het gansche slavenstelsel in duigen moet vallen. Wel is waar, Tom verzette zich ter wille van zijn geweten. Maar de wet erkent niet en kan niet erkennen, dat de neger een van zijn meester onafhankelijk geweten bezit. Wanneer men aannam dat de neger gehoorzaamheid kon weigeren aan zijn meester, in geval hij diens bevel in strijd met zijn geweten mogt achten, zou er eene algemeene anarchie ontstaan. Zoo het Tom inditgeval veroorloofd werd zijn meester ongehoorzaam te zijn, omdat zijn geweten hem dat beval, zou Sambo morgen en Quimbo overmorgen, om eene gewetenszaak, gehoorzaamheid weigeren. Velen hunner mogen dan teregt gedacht hebben, dat het zonde waste handelen zoo als zij deden. De mulattin moge gevoeld hebben, dat het in strijd was met Gods bevel dat zij een anderen echtgenoot nam. Moeders mogen begrepen hebben, dat het meer haar pligt was om te huis te blijven en te zorgen voor hare jonge en zwakke kinderen, dan in het veld te gaan werken voor Legree. De schade zou niet te voorzien zijn, die aan katoenplantages zou worden berokkend, wanneer den neger het regt werd toegekend naar de inspraak van zijn geweten te luisteren. Indien het slavenstelsel een regtvaardig stelsel is en gehandhaafd moet worden, mag men het gedrag van Simon Legree in deze niet laken; want hij deed niet meer dan volstrekt noodig was om het stelsel te handhaven, en Tom stierf ten gevolge eener dweepzieke en dwaze volharding in zijn verzet tegen de magt die bestond, die gesteld was door God. Hij volgde de ziekelijke inspraak van zijn onverbeterlijk verdorven hart, en verzuimde die „wijze lessen van het geschreven woord,” die, zoo als wij hebben doen zien, zoo schoon zijn voorgekomen aan voortreffelijke regtsgeleerden.

Hoofdstuk X.Aangenomen beginsels.—De Staat tegen Legree; een geval dat niet in de wetboeken voorkomt.Uit een overzigt van al de gedingen, die wij tot dusver mededeelden, en van de beginsels die in de regterlijke uitspraken doorstralen, moet de lezer de volgende feiten afleiden:Vooreerst, dat de meesters nu en dan hunne slaven doodmartelen.Ten tweede, dat het dooden op die wijze van een slaaf op zich zelf, door de slaven-regtspleging, niet als moord wordt aangenomen.Ten derde, dat de slaaf, wanneer hij zijn meester weerstand biedt, altijd mag gedood worden.Uit dit alles volgt, dat, wanneer de omstandigheden bij Tomsdood volkomen waren bewezen door het getuigenis van twee blanken, Legree, bij eene consequente toepassing der slavenwet, nog niet als moordenaar zou beschouwd worden, want Tom bood weerstand aan den wil van zijn meester. Zijn meester had hem iets bevolen in tegenwoordigheid van andere slaven. De meester begon met eene kastijding om hem tot gehoorzaamheid te dwingen. En bij den eersten oogopslag moet iedereen inzien, dat, wanneer de wet hem geen magt geeft, om, in zulk een geval, tot gehoorzaamheid te dwingen, alle magt over de slaven denkbeeldig is. Geene regtbank in het Zuiden zou durven staande houden, dat Legree onregt had om de kastijding te doen aanhouden, zoo lang Tom in zijne ongehoorzaamheid volhardde. Legree stond gedurende al dien tijd bij hem, maande hem aan om zich te onderwerpen, en beloofde hem, zoodra hij zich onderwierp, hem vrij te laten. Toms verzet was oproerigheid. Het was een voorbeeld, dat op geene plantage in het Zuiden mogt geduld worden. Volgens de uitdrukkelijke bewoordingen der grondwet van Georgia en volgens de gewone uitlegging en toepassing der slavenwet, berust, in buitengewone gevallen als dit, het regt over leven en dood in de handen van den meester. Het geldt hier geene daad als die van Souther in zijn proces tegen den Staat. Het slagtoffer van Souther maakte zich aan geen verzet of oproer schuldig. De straf was in dat geval niet meer dan eene wraakoefening over eene gepleegde misdaad, en geene poging om den dader tot gehoorzaamheid te brengen.Er is geen enkel beginsel in deslaven-regtspleging, volgens hetwelk een man, die, in den toestand van Legree als deze handelende, voor moord zou kunnen vervolgd worden. Iedereen moet erkennen, dat, wanneer dit het geval mogt wezen, de grondslag van het gansche slavenstelsel in duigen moet vallen. Wel is waar, Tom verzette zich ter wille van zijn geweten. Maar de wet erkent niet en kan niet erkennen, dat de neger een van zijn meester onafhankelijk geweten bezit. Wanneer men aannam dat de neger gehoorzaamheid kon weigeren aan zijn meester, in geval hij diens bevel in strijd met zijn geweten mogt achten, zou er eene algemeene anarchie ontstaan. Zoo het Tom inditgeval veroorloofd werd zijn meester ongehoorzaam te zijn, omdat zijn geweten hem dat beval, zou Sambo morgen en Quimbo overmorgen, om eene gewetenszaak, gehoorzaamheid weigeren. Velen hunner mogen dan teregt gedacht hebben, dat het zonde waste handelen zoo als zij deden. De mulattin moge gevoeld hebben, dat het in strijd was met Gods bevel dat zij een anderen echtgenoot nam. Moeders mogen begrepen hebben, dat het meer haar pligt was om te huis te blijven en te zorgen voor hare jonge en zwakke kinderen, dan in het veld te gaan werken voor Legree. De schade zou niet te voorzien zijn, die aan katoenplantages zou worden berokkend, wanneer den neger het regt werd toegekend naar de inspraak van zijn geweten te luisteren. Indien het slavenstelsel een regtvaardig stelsel is en gehandhaafd moet worden, mag men het gedrag van Simon Legree in deze niet laken; want hij deed niet meer dan volstrekt noodig was om het stelsel te handhaven, en Tom stierf ten gevolge eener dweepzieke en dwaze volharding in zijn verzet tegen de magt die bestond, die gesteld was door God. Hij volgde de ziekelijke inspraak van zijn onverbeterlijk verdorven hart, en verzuimde die „wijze lessen van het geschreven woord,” die, zoo als wij hebben doen zien, zoo schoon zijn voorgekomen aan voortreffelijke regtsgeleerden.

Hoofdstuk X.Aangenomen beginsels.—De Staat tegen Legree; een geval dat niet in de wetboeken voorkomt.Uit een overzigt van al de gedingen, die wij tot dusver mededeelden, en van de beginsels die in de regterlijke uitspraken doorstralen, moet de lezer de volgende feiten afleiden:Vooreerst, dat de meesters nu en dan hunne slaven doodmartelen.Ten tweede, dat het dooden op die wijze van een slaaf op zich zelf, door de slaven-regtspleging, niet als moord wordt aangenomen.Ten derde, dat de slaaf, wanneer hij zijn meester weerstand biedt, altijd mag gedood worden.Uit dit alles volgt, dat, wanneer de omstandigheden bij Tomsdood volkomen waren bewezen door het getuigenis van twee blanken, Legree, bij eene consequente toepassing der slavenwet, nog niet als moordenaar zou beschouwd worden, want Tom bood weerstand aan den wil van zijn meester. Zijn meester had hem iets bevolen in tegenwoordigheid van andere slaven. De meester begon met eene kastijding om hem tot gehoorzaamheid te dwingen. En bij den eersten oogopslag moet iedereen inzien, dat, wanneer de wet hem geen magt geeft, om, in zulk een geval, tot gehoorzaamheid te dwingen, alle magt over de slaven denkbeeldig is. Geene regtbank in het Zuiden zou durven staande houden, dat Legree onregt had om de kastijding te doen aanhouden, zoo lang Tom in zijne ongehoorzaamheid volhardde. Legree stond gedurende al dien tijd bij hem, maande hem aan om zich te onderwerpen, en beloofde hem, zoodra hij zich onderwierp, hem vrij te laten. Toms verzet was oproerigheid. Het was een voorbeeld, dat op geene plantage in het Zuiden mogt geduld worden. Volgens de uitdrukkelijke bewoordingen der grondwet van Georgia en volgens de gewone uitlegging en toepassing der slavenwet, berust, in buitengewone gevallen als dit, het regt over leven en dood in de handen van den meester. Het geldt hier geene daad als die van Souther in zijn proces tegen den Staat. Het slagtoffer van Souther maakte zich aan geen verzet of oproer schuldig. De straf was in dat geval niet meer dan eene wraakoefening over eene gepleegde misdaad, en geene poging om den dader tot gehoorzaamheid te brengen.Er is geen enkel beginsel in deslaven-regtspleging, volgens hetwelk een man, die, in den toestand van Legree als deze handelende, voor moord zou kunnen vervolgd worden. Iedereen moet erkennen, dat, wanneer dit het geval mogt wezen, de grondslag van het gansche slavenstelsel in duigen moet vallen. Wel is waar, Tom verzette zich ter wille van zijn geweten. Maar de wet erkent niet en kan niet erkennen, dat de neger een van zijn meester onafhankelijk geweten bezit. Wanneer men aannam dat de neger gehoorzaamheid kon weigeren aan zijn meester, in geval hij diens bevel in strijd met zijn geweten mogt achten, zou er eene algemeene anarchie ontstaan. Zoo het Tom inditgeval veroorloofd werd zijn meester ongehoorzaam te zijn, omdat zijn geweten hem dat beval, zou Sambo morgen en Quimbo overmorgen, om eene gewetenszaak, gehoorzaamheid weigeren. Velen hunner mogen dan teregt gedacht hebben, dat het zonde waste handelen zoo als zij deden. De mulattin moge gevoeld hebben, dat het in strijd was met Gods bevel dat zij een anderen echtgenoot nam. Moeders mogen begrepen hebben, dat het meer haar pligt was om te huis te blijven en te zorgen voor hare jonge en zwakke kinderen, dan in het veld te gaan werken voor Legree. De schade zou niet te voorzien zijn, die aan katoenplantages zou worden berokkend, wanneer den neger het regt werd toegekend naar de inspraak van zijn geweten te luisteren. Indien het slavenstelsel een regtvaardig stelsel is en gehandhaafd moet worden, mag men het gedrag van Simon Legree in deze niet laken; want hij deed niet meer dan volstrekt noodig was om het stelsel te handhaven, en Tom stierf ten gevolge eener dweepzieke en dwaze volharding in zijn verzet tegen de magt die bestond, die gesteld was door God. Hij volgde de ziekelijke inspraak van zijn onverbeterlijk verdorven hart, en verzuimde die „wijze lessen van het geschreven woord,” die, zoo als wij hebben doen zien, zoo schoon zijn voorgekomen aan voortreffelijke regtsgeleerden.

Hoofdstuk X.Aangenomen beginsels.—De Staat tegen Legree; een geval dat niet in de wetboeken voorkomt.

Uit een overzigt van al de gedingen, die wij tot dusver mededeelden, en van de beginsels die in de regterlijke uitspraken doorstralen, moet de lezer de volgende feiten afleiden:Vooreerst, dat de meesters nu en dan hunne slaven doodmartelen.Ten tweede, dat het dooden op die wijze van een slaaf op zich zelf, door de slaven-regtspleging, niet als moord wordt aangenomen.Ten derde, dat de slaaf, wanneer hij zijn meester weerstand biedt, altijd mag gedood worden.Uit dit alles volgt, dat, wanneer de omstandigheden bij Tomsdood volkomen waren bewezen door het getuigenis van twee blanken, Legree, bij eene consequente toepassing der slavenwet, nog niet als moordenaar zou beschouwd worden, want Tom bood weerstand aan den wil van zijn meester. Zijn meester had hem iets bevolen in tegenwoordigheid van andere slaven. De meester begon met eene kastijding om hem tot gehoorzaamheid te dwingen. En bij den eersten oogopslag moet iedereen inzien, dat, wanneer de wet hem geen magt geeft, om, in zulk een geval, tot gehoorzaamheid te dwingen, alle magt over de slaven denkbeeldig is. Geene regtbank in het Zuiden zou durven staande houden, dat Legree onregt had om de kastijding te doen aanhouden, zoo lang Tom in zijne ongehoorzaamheid volhardde. Legree stond gedurende al dien tijd bij hem, maande hem aan om zich te onderwerpen, en beloofde hem, zoodra hij zich onderwierp, hem vrij te laten. Toms verzet was oproerigheid. Het was een voorbeeld, dat op geene plantage in het Zuiden mogt geduld worden. Volgens de uitdrukkelijke bewoordingen der grondwet van Georgia en volgens de gewone uitlegging en toepassing der slavenwet, berust, in buitengewone gevallen als dit, het regt over leven en dood in de handen van den meester. Het geldt hier geene daad als die van Souther in zijn proces tegen den Staat. Het slagtoffer van Souther maakte zich aan geen verzet of oproer schuldig. De straf was in dat geval niet meer dan eene wraakoefening over eene gepleegde misdaad, en geene poging om den dader tot gehoorzaamheid te brengen.Er is geen enkel beginsel in deslaven-regtspleging, volgens hetwelk een man, die, in den toestand van Legree als deze handelende, voor moord zou kunnen vervolgd worden. Iedereen moet erkennen, dat, wanneer dit het geval mogt wezen, de grondslag van het gansche slavenstelsel in duigen moet vallen. Wel is waar, Tom verzette zich ter wille van zijn geweten. Maar de wet erkent niet en kan niet erkennen, dat de neger een van zijn meester onafhankelijk geweten bezit. Wanneer men aannam dat de neger gehoorzaamheid kon weigeren aan zijn meester, in geval hij diens bevel in strijd met zijn geweten mogt achten, zou er eene algemeene anarchie ontstaan. Zoo het Tom inditgeval veroorloofd werd zijn meester ongehoorzaam te zijn, omdat zijn geweten hem dat beval, zou Sambo morgen en Quimbo overmorgen, om eene gewetenszaak, gehoorzaamheid weigeren. Velen hunner mogen dan teregt gedacht hebben, dat het zonde waste handelen zoo als zij deden. De mulattin moge gevoeld hebben, dat het in strijd was met Gods bevel dat zij een anderen echtgenoot nam. Moeders mogen begrepen hebben, dat het meer haar pligt was om te huis te blijven en te zorgen voor hare jonge en zwakke kinderen, dan in het veld te gaan werken voor Legree. De schade zou niet te voorzien zijn, die aan katoenplantages zou worden berokkend, wanneer den neger het regt werd toegekend naar de inspraak van zijn geweten te luisteren. Indien het slavenstelsel een regtvaardig stelsel is en gehandhaafd moet worden, mag men het gedrag van Simon Legree in deze niet laken; want hij deed niet meer dan volstrekt noodig was om het stelsel te handhaven, en Tom stierf ten gevolge eener dweepzieke en dwaze volharding in zijn verzet tegen de magt die bestond, die gesteld was door God. Hij volgde de ziekelijke inspraak van zijn onverbeterlijk verdorven hart, en verzuimde die „wijze lessen van het geschreven woord,” die, zoo als wij hebben doen zien, zoo schoon zijn voorgekomen aan voortreffelijke regtsgeleerden.

Uit een overzigt van al de gedingen, die wij tot dusver mededeelden, en van de beginsels die in de regterlijke uitspraken doorstralen, moet de lezer de volgende feiten afleiden:

Vooreerst, dat de meesters nu en dan hunne slaven doodmartelen.

Ten tweede, dat het dooden op die wijze van een slaaf op zich zelf, door de slaven-regtspleging, niet als moord wordt aangenomen.

Ten derde, dat de slaaf, wanneer hij zijn meester weerstand biedt, altijd mag gedood worden.

Uit dit alles volgt, dat, wanneer de omstandigheden bij Tomsdood volkomen waren bewezen door het getuigenis van twee blanken, Legree, bij eene consequente toepassing der slavenwet, nog niet als moordenaar zou beschouwd worden, want Tom bood weerstand aan den wil van zijn meester. Zijn meester had hem iets bevolen in tegenwoordigheid van andere slaven. De meester begon met eene kastijding om hem tot gehoorzaamheid te dwingen. En bij den eersten oogopslag moet iedereen inzien, dat, wanneer de wet hem geen magt geeft, om, in zulk een geval, tot gehoorzaamheid te dwingen, alle magt over de slaven denkbeeldig is. Geene regtbank in het Zuiden zou durven staande houden, dat Legree onregt had om de kastijding te doen aanhouden, zoo lang Tom in zijne ongehoorzaamheid volhardde. Legree stond gedurende al dien tijd bij hem, maande hem aan om zich te onderwerpen, en beloofde hem, zoodra hij zich onderwierp, hem vrij te laten. Toms verzet was oproerigheid. Het was een voorbeeld, dat op geene plantage in het Zuiden mogt geduld worden. Volgens de uitdrukkelijke bewoordingen der grondwet van Georgia en volgens de gewone uitlegging en toepassing der slavenwet, berust, in buitengewone gevallen als dit, het regt over leven en dood in de handen van den meester. Het geldt hier geene daad als die van Souther in zijn proces tegen den Staat. Het slagtoffer van Souther maakte zich aan geen verzet of oproer schuldig. De straf was in dat geval niet meer dan eene wraakoefening over eene gepleegde misdaad, en geene poging om den dader tot gehoorzaamheid te brengen.

Er is geen enkel beginsel in deslaven-regtspleging, volgens hetwelk een man, die, in den toestand van Legree als deze handelende, voor moord zou kunnen vervolgd worden. Iedereen moet erkennen, dat, wanneer dit het geval mogt wezen, de grondslag van het gansche slavenstelsel in duigen moet vallen. Wel is waar, Tom verzette zich ter wille van zijn geweten. Maar de wet erkent niet en kan niet erkennen, dat de neger een van zijn meester onafhankelijk geweten bezit. Wanneer men aannam dat de neger gehoorzaamheid kon weigeren aan zijn meester, in geval hij diens bevel in strijd met zijn geweten mogt achten, zou er eene algemeene anarchie ontstaan. Zoo het Tom inditgeval veroorloofd werd zijn meester ongehoorzaam te zijn, omdat zijn geweten hem dat beval, zou Sambo morgen en Quimbo overmorgen, om eene gewetenszaak, gehoorzaamheid weigeren. Velen hunner mogen dan teregt gedacht hebben, dat het zonde waste handelen zoo als zij deden. De mulattin moge gevoeld hebben, dat het in strijd was met Gods bevel dat zij een anderen echtgenoot nam. Moeders mogen begrepen hebben, dat het meer haar pligt was om te huis te blijven en te zorgen voor hare jonge en zwakke kinderen, dan in het veld te gaan werken voor Legree. De schade zou niet te voorzien zijn, die aan katoenplantages zou worden berokkend, wanneer den neger het regt werd toegekend naar de inspraak van zijn geweten te luisteren. Indien het slavenstelsel een regtvaardig stelsel is en gehandhaafd moet worden, mag men het gedrag van Simon Legree in deze niet laken; want hij deed niet meer dan volstrekt noodig was om het stelsel te handhaven, en Tom stierf ten gevolge eener dweepzieke en dwaze volharding in zijn verzet tegen de magt die bestond, die gesteld was door God. Hij volgde de ziekelijke inspraak van zijn onverbeterlijk verdorven hart, en verzuimde die „wijze lessen van het geschreven woord,” die, zoo als wij hebben doen zien, zoo schoon zijn voorgekomen aan voortreffelijke regtsgeleerden.


Back to IndexNext