HOOFDSTUK XII.

HOOFDSTUK XII.Het is de vrouw, die het gansche menschdom heeft verleid.Gay.In de dagen der ridderschap was een gevaarlijke post of eene gevaarvolle onderneming, eene belooning, die dikwijls aan de krijgshaftige dapperheid als eene vergelding voor vroeger doorgestane beproevingen aangewezen werd. Het was middernacht, en de maan stond helder en hoog aan den hemel, toen Kenneth op zijne wacht stond op den St. Georgeberg, naast de banier van Engeland, als een eenzame schildwacht, om het zinnebeeld van die natie tegen de duizenden te verdedigen, welke Richard’s hoogmoed tot zijne vijanden had gemaakt. Fiere gedachten rezen de eene na de andere in het gemoed van den krijgsman op. Het scheen hem toe, alsof hij eenige gunst in de oogen van den ridderlijken monarch verworven had, die hem tot nu toe onder de schaar van dappere mannen, welke zijn roem onder zijne banier had verzameld, niet onderscheiden had, en hij bekreunde er zich niet om, dat de betooning van koninklijke achting daarin bestond, dat hij hem op zulk een zoo gevaarlijken post plaatste. De gloed van zijne eerzuchtige en hoog geplaatste liefde ontvlamde ook zijn geestdrift als krijgsman. Hoe hopeloos die liefde ook was, in bijna alle denkbare omstandigheden, had toch hetgeen zoo pas was voorgevallen den afstand tusschen hem en Edith eenigermate verminderd. Hij, wien Richard de onderscheiding bewezen had, die sir Kenneth thans genoot, was niet langer een avonturier van geringe beteekenis, maar moest opgemerkt worden en voor de prinses gebracht, ofschoon hij even zoover als ooit van hare verheven plaats verwijderd was. Hij kon thans niet meer onbekend en duister zijn.—Als hij op den hem aangewezen post overvallen en gedood werd, zou zijn dood—en hij was overtuigd, dat die roemrijk zou zijn—den lof van Leeuwenhart verwerven, zoowel als zijne wraak na zich sleepen, en door de smart en zelfs de tranen der edelgeborene schoonen van het Engelsche hof gevolgd worden. Hij had thans geen reden meer om te vreezen, dat hij sterven zou, gelijk de dwaas sterft.Sir Kenneth had nu tijd in overvloed, om deze en soortgelijke hooggestemde gedachten te koesteren, die gevoed werden door dien wilden geest der ridderschap, die, te midden van zijne buitensporige en hersenschimmige vluchten, steeds vrij was van alle baatzucht—moedig, vol toewijding, en misschien alleen in zoover af te keuren, dat hij zich doeleinden en daden voorstelde, die met de menschelijke zwakheden en onvolmaaktheden onbestaanbaar zijn.De geheele natuur rondom hem sliep in het kalme schijnsel der maan of in diepe schaduw. De lange rijen tenten en paviljoenen, nu eens verlicht dan in het donker gehuld, naarmate zij in het maanlicht of in de schaduw lagen, waren stil en rustig als de straten van eene verlaten stad. Naast de banier lag de reeds gemelde jachthond, de eenige metgezel van Kenneth’s wacht, op wiens waakzaamheid hijrekende, om hem bijtijds te waarschuwen, als er een vijand naderde. Het edele dier scheen het doel van hunne wacht te begrijpen, want het keek van tijd tot tijd naar de rijke plooien van het zware vaandel, en als het geroep der schildwachten zich van het kamp liet hooren, antwoordde hij met een enkelen diepen blaf, als of hij wilde doen blijken, dat ook hij waakzaam was. Van tijd tot tijd liet hij ook zijn hoogen kop zinken en kwispelstaarte, als zijn meester hem voorbijging op de korte baan, welke hij heen en weergaande aflegde; of wanneer de ridder stil en peinzend stond, op zijne lans leunende, en ten hemel geslagen oogen, waagde zijn getrouwe gezelschapper het somtijds, om hem in zijne gedachten te storen en uit zijne droomerijen te wekken, door zijne groote, ruige snuit te leggen in de hand van den ridder, die met een ijzeren handschoen bekleed was, om dan eene kortstondige liefkozing te ontvangen. Eensklaps echter, blafte hij woedend, en scheen op het punt om vooruit te stuiven naar de plek, waar de schaduw het donkerst was, hij wachtte echter, even alsof hij aan een touw lag, tot dat hij den wil van zijn meester zou vernomen hebben.„Wie is daar?” vroeg sir Kenneth, bespeurende, dat er iets op den in schaduw gehulden grond voorwaarts kroop.„In den naam van Merlin en Maugis,” antwoordde eene heesche,onaangename stem, „bind uw viervoetigen duivel daar vast, of ik kom niet bij u.”„En wie zijt gij, dat gij mijn post zoudt willen naderen?” vervolgde sir Kenneth, terwijl hij zijne oogen zoo scherp mogelijk op een voorwerp richtte, dat hij slechts kon zien bewegen, zonder zijne gedaante te kunnen onderscheiden. „Wees op uwe hoede—ik sta hier op dood en leven.”„Neem uw langbeenigen satan bij u,” zeide de stem, „of ik zal hem met een pijl uit mijn handboog bezweren.”Op hetzelfde oogenblik hoorde hij het geluid, alsof er een handboog gespannen werd.„Ontspan uw handboog en kom in het maanlicht,” riep de Schot, „of bij St. Andreas, ik zal u aan den grond vastspijkeren, wat of wie gij zijn moogt.”Terwijl hij zoo sprak, vatte hij zijne lange lans bij het midden, en, zijn oog op het voorwerp vestigende, dat zich scheen te bewegen, zwaaide hij het wapentuig, alsof hij het uit zijne hand wilde werpen,—een gebruik, dat men somwijlen, ofschoon zelden, van dit wapen maakte, wanneer men een werpspies noodig had. Hij schaamde zich echter over zijn voornemen, en liet zijn wapen zinken, toen er uit de schaduw, als een tooneelspeler, die op het tooneel verschijnt, een mismaakt en ellendig schepsel in het maanlicht trad, dat hij aan zijne zonderlinge kleeding en zijne wanstaltige vormen zelfs op eenigen afstand voor den mannelijke der beide dwergen herkende, die hij in de kapel van Engaddi had gezien. Op hetzelfde oogenblik bracht hij zich de andere en zeer verschillende tafereelen van dien buitengewonen nacht te binnen, gaf zijn hond een teeken, dat hij dadelijk verstond, en deze, naar den standaard terugkeerende, legde zich met een onderdrukt knorren daarnaast neder.Het kleine, vergroeide miniatuurbeeld der menschheid, verzekerd van zijne veiligheid ten opzichte van een zoo gevaarlijken vijand, kwam hijgende tegen de hoogte op, wat de kortheid zijner beenen moeilijk maakte, en toen hij boven op den platten top er van gekomen was, nam hij in de linkerhand zijn kleinen handboog, die juist een stuk speelgoed was, als waarmede de kinderen van dien tijd vogels mochten schieten, en eene houding van groote waardigheid aannemende, strekte hij zijne hand met bevalligheid naar sir Kenneth uit, alsof hij verwachtte, dat hij deze kussen zoude. Maar, daar dit niet volgde, vroeg hij op scherpen en vergramden toon: „krijgsman, waarom bewijst gij Nebectamus de hulde niet, die aan zijne waardigheid verschuldigd is?—Of is het mogelijk, dat gij hem vergeten kondt?”„Groote Nebectamus,” antwoordde de ridder, die de kwade luim van den dwerg wilde doen bedaren, „dat zou moeilijk zijn voor iemand, die u maar eens had aanschouwd. Vergeef mij echter, dat ik, een soldaat op mijn post, met mijn wapen in de hand, aan iemand van uwe macht het voordeel niet mag vergunnen, om binnen den omtrek van mijne wacht te komen, of zich van mijn wapentuig meester temaken. Het zij u voldoende, dat ik uwe waardigheid eerbiedig, en mij met zoo veel onderdanigheid aan u onderwerp, als een krijgsman in mijne plaats vermag.”„Dit zal voldoende zijn,” hernam Nebectamus, „zoo gij mij dadelijk vergezelt naar degene, die mij hierheen gezonden hebben, om u te roepen.”„Groote heer,” hervatte de ridder, „ook hierin kan ik u geen voldoening geven, want mijne bevelen luiden, om tot aan het aanbreken van den dag bij deze banier te blijven—dus verzoek ik u, om mij ook in deze zaak te verontschuldigen.”Met deze woorden hervatte hij zijne wandeling op den platten top; maar de dwerg liet hem zoo gemakkelijk niet aan zijn lastig verzoek ontsnappen.„Kom,” zeide hij, zich voor sir Kenneth plaatsende, om hem den weg te versperren, „gehoorzaam mij, heer ridder, zoo uw plicht van u vordert, of ik zal u het bevel opleggen in den naam van een persoon, wier schoonheid de geniussen uit hunne sfeer roepen, en wier grootheid den onsterfelijken stam, waarvan zij afkomstig waren, beheerschen kon.”Een stout, onwaarschijnlijk vermoeden kwam in het gemoed des ridders op, maar hij onderdrukte dit. Het was onmogelijk, dacht hij, dat de dame zijner liefde hem zulk een last door zulk een boodschapper zou zenden. Toch sidderde zijne stem, toen hij zeide: „Ga voort, Nebectamus—zeg mij op eenmaal en als een oprecht man, of deze verheven dame, van wie gij spreekt, eene andere is, dan dehouri, met wier bijstand ik u de kapel te Engaddi heb zien vegen?”„Hoe! verwaand ridder,” antwoordde de dwerg, „meent gij, dat de meesteres van onze koninklijke liefde, de deelgenoote van onze grootheid en onze aanvalligheid, zich zoo ver zou willen vernederen, om een last te geven aan een vasal als u! Neen, hoe hoog gij ook vereerd wordt, toch hebt gij nog de aandacht van haar niet verdiend, voor wier hoogen zetel zelfs vorsten slechts als pygmeën verschijnen. Maar zie hier, en wanneer gij dit teeken erkent of verloochent, zoo gehoorzaam of weiger de bevelen van haar, die zich werkelijk verwaardigd heeft, u die op te leggen.”Dit zeggende legde hij in des ridders hand een robijn-ring van hooge waarde, dien hij zelfs in het maanlicht zeer gemakkelijk herkende voor dien, welk gewoonlijk den vinger versierde van de hoog-edele dame, aan wier dienst hij zich gewijd had. Zoo hij aan de waarheid van het teeken had kunnen twijfelen, zou hij overtuigd geworden zijn door den kleinen strik van vleeschkleurig lint, die aan den ring bevestigd was. Dit was de geliefkoosde kleur van zijne dame, en meer dan eens had hij zelf, de vleeschkleur voor zijne eigenlivreiaannemende, die doen zegepralen over andere kleuren in het tournooiveld en in den slag.Hij stond bijna sprakeloos, toen hij zulk een teeken in zulke handenzag, terwijl de dwerg op zegepralenden toon lachend en zijn groot, wanstaltig hoofd schuddend uitriep: „Weiger nu mijne bevelen—laat nu eens na om aan mijne oproeping te gehoorzamen—twijfel nu nog, dat ik Arthur van Tintagel ben, die het recht heeft om over de geheele Britsche ridderschap het bevel te voeren.”„In den naam van alles, wat heilig is, van wie brengt gij dit teeken?” vroeg de ridder; „breng, zoo gij kunt, uw geschokten geest voor een paar minuten tot behoorlijke kalmte, en noem mij de persoon, door wie gij gezonden zijt, en den waren inhoud van uwe boodschap—en let wel op hetgeen gij zegt, want dit is geen onderwerp van scherts.”„Verliefd en dwaas ridder,” antwoordde de dwerg; „wilt gij meer van deze zaak weten, dan dat gij met de bevelen eener prinses vereerd wordt, die door een koning worden overgebracht?—Wij hebben geen lust om verder met u te spreken, en bevelen u in den naam en uit kracht van dien ring, om ons te volgen naar de eigenares ervan. Elke minuut verwijl is eene misdaad tegen uw plicht van gehoorzaamheid.”„Goede Nebectamus, bedenk u,” hernam de ridder, „kan mijne dame weten, waar en op welken post ik dezen nacht sta?—Is zij bewust, dat mijn leven—o, waarom van mijn leven te spreken—maar dat mijne eer ervan afhangt, om deze banier tot het aanbreken van den dag te bewaken—en kan het haar wensch zijn, dat ik die verlaten zou, al was het dan ook om haar te bezoeken!—Het is onmogelijk, de prinses gelieft met haar dienaar den spot te drijven, door hem zulk een last te zenden; en ik moet dit zooveel te eer gelooven, daar zij zulk een bode gekozen heeft.”„Nu, behoud uw geloof,” hervatte Nebectamus, zich omkeerende alsof hij de hoogte wilde verlaten, „er ligt mij weinig aan gelegen, of gij een verrader of een getrouw ridder jegens deze koninklijke dame zijt …. dus, vaarwel.”„Blijf, blijf—ik bid u, blijf,” riep sir Kenneth; „beantwoord mij slechts ééne vraag—is de dame, die u gezonden heeft, dicht bij deze plaats?”„Wat doet er dat toe?” antwoordde de dwerg; „moet men de trouw berekenen naar vademen, of uren, of mijlen, even als de arme koerier, die volgens den afstand, dien hij doorloopt, voor zijn werk betaald wordt? Niettemin zeg ik u, achterdochtige ziel, dat de schoone eigenares van den ring, die thans aan een zoo onwaardigen vasal gezonden wordt, niet verder van deze plaats af is, dan zoover als deze onze boog een pijl kan brengen.”De ridder staarde weder op den ring, alsof hij zich wilde overtuigen, dat er met geen mogelijkheid bedrog in het teeken kon zijn.—„Zeg mij,” vroeg hij aan den dwerg; „wordt mijne tegenwoordigheid voor een langen tijd vereischt?”„Tijd!” antwoordde Nebectamus op zijne vluchtige wijze: „wat noemt gij tijd? Ik zie dien niet, ik voel dien niet—het is slechts een onbestemde naam—eene aaneenschakeling van ademhalingen, die desnachts door den klank eener klok en des daags door de schaduw op een zonnewijzer aangeduid wordt. Weet gij niet, dat de tijd van een waar ridder slechts gerekend moet worden naar de daden, die hij voor God en zijne dame verricht?”„Woorden der waarheid ofschoon in den mond der dwaasheid,” zeide de ridder. „En roept mijne dame mij wezenlijk tot het verrichten van eene daad in haar naam en om harentwille?—en kan die niet eens de weinige uren tot na het aanbreken van den dageraad opgeschort worden?”„Zij vordert uwe tegenwoordigheid oogenblikkelijk,” antwoordde de dwerg; „en zonder verlies van zooveel tijd als het afloopen van tien zandkorrels in den zandlooper bedragen zouden.—Luister, koelbloedig en achterdochtig ridder, dit zijn hare eigene woorden,—zeg hem, dat de hand, die rozen liet vallen, ook lauweren kan schenken.”Deze toespeling op hunne ontmoeting in de kapel van Engaddi deed in sir Kenneth’s brein duizend herinneringen opkomen, en overtuigde hem, dat de last, door den dwerg overgebracht, echt was. De rozeknoppen, hoe verwelkt dan ook, waren onder zijn harnas verborgen, zoo dicht mogelijk aan zijn hart. Hij zweeg eene poos, en kon er niet toe besluiten om eene gelegenheid—misschien de eenige, die hem ooit zou worden aangeboden—te laten voorbijgaan, om in de gunst te komen bij haar, die hij tot meesteres van zijne genegenheid uitverkoren had. De dwerg vermeerderde intusschen zijne verlegenheid, door er op te staan, dat hij den ring zou teruggeven, of hem dadelijk vergezellen.„Wacht, wacht nog een oogenblik,” zeide de ridder, en prevelde toen verder in zich zelven: „Ben ik de onderdaan of de slaaf van Koning Richard meer dan een vrij ridder, die den dienst van den kruistocht bezworen heeft, behoeft te zijn? En tot wiens eer ben ik hierheen gekomen met lans en zwaard?—Tot eer van onze heilige Maagd en mijne voortreffelijke dame.”„De ring, de ring,” riep de dwerg ongeduldig; „valsch en traag ridder, geef den ring terug, dien gij onwaardig zijt aan te raken of aan te zien.”„Een oogenblik, een oogenblik, goede Nebectamus,” hernam de ridder; „stoor mij niet in mijne gedachten.—Zoo de Sarraceenen thans juist onze liniën aanvielen—zou ik dan hier staan als een gezworen vasal van Engeland, om te waken, dat zijn trots geen schimp aangedaan werd, of zou ik mij naar de bres spoeden, om voor het kruis te strijden? En naast de bevelen van God komen die van mijne gebiedende dame.—En toch, Richard’s last—mijne eigen belofte—Nebectamus, ik bezweer u te zeggen, moet gij mij ver van hier geleiden.”„Slechts naar gindsche tent; en daar gij het dan toch weten moet,” antwoordde Nebectamus, „de maan beschijnt den gouden kogel, die haar dak kroont, en eens konings losgeld waard is.”„Ik kan in een oogenblik terugkeeren,” zeide de ridder, zijne oogen moedwillig voor alle verdere gevolgen sluitende. „Ik kan van daar het blaffen van mijn hond hooren, zoo iemand den standaard nadert—ik wil mij aan de voeten mijner dame werpen, en haar verlof verzoeken om terug te keeren, ten einde mijne wacht te volbrengen. Hier, Roswell, zeide hij, zijn hond roepende, en zijn mantel naast den vaandelstok werpend; „houd hier de wacht en laat niemand naderen.”De majestueuse hond zag zijn meester in het gelaat, alsof hij hem verzekeren wilde, dat hij zijn last verstond, ging toen naast den mantel zitten, met opgestoken ooren en uitgestrekten kop, alsof hij het doel waarvoor hij daar geplaatst was volmaakt wel begreep.„Kom nu, goede Nebectamus,” zeide de ridder, „laten wij ons spoeden om de bevelen, die gij overgebracht heb te gehoorzamen.”„Laat zich haasten wie wil,” antwoordde de dwerg barsch; „gij hebt u geheel niet gehaast, om aan mijne uitnoodiging te voldoen, ook kan ik niet snel genoeg gaan, om uwe groote schreden bij te houden—gij loopt niet als een man, maar gij springt als een struisvogel in de woestijn.”Er waren slechts twee wegen, om de hardnekkigheid van Nebectamus te overwinnen, die onder het spreken zijn gang tot het kruipen van eene slak vertraagde—voor giften had sir Kenneth geene middelen—voor vleien geen tijd—in zijn ongeduld nam hij den dwerg van den grond op, en hem voortdragende ondanks zijn smeeken en zijne vrees, bereikte hij weldra de tent, die hem de dwerg had aangewezen. Bij het naderbij komen bespeurde hij echter, dat er eene kleine wacht soldaten op den grond zat, die door de tusschenliggende tenten voor hem verborgen geweest waren. Verwonderd, dat het kletteren van zijne wapenrusting hunne aandacht nog niet getrokken had, en vermoedende, dat zijne daad bij deze gelegenheid in het geheim moest volbracht worden, zette hij den kleinen hijgenden geleider op den grond, om weder adem te scheppen, en hem dan te zeggen, wat er nu vooreerst te doen was. Nebectamus was even verschrikt als vertoornd; maar hij had zich zoo geheel in de macht van den sterken ridder gevoeld, als een uil in de klauwen van een arend, en hij wilde hem dus niet tot een nieuw bewijs van zijne kracht uittarten.Hij beklaagde zich niet over de behandeling, die hij ondervonden had, maar, door het doolhof van tenten voortgaande, leidde hij den ridder zwijgend naar de tegenovergestelde zijde van de tent, die hem dus aan het gezicht der wachten onttrok, welke òf te nalatig òf te slaperig schenen, om hun plicht met groote zorg te vervullen. Toen zij daar aangekomen waren, lichtte de dwerg het onderste gedeelte van het linnen der tent op, en gaf sir Kenneth een teeken, dat hij daar onderdoor in de tent zou kruipen. De ridder aarzelde—hij achtte het onbetamelijk, zich zoo heimelijk in eene tent te dringen, die zonder twijfel voor het genot van edele vrouwen was opgericht; maar hij tracht zich de zekere teekens te binnen, die hem de dwerghad getoond, en hij trok daaruit het besluit, dat het hem niet paste, om het welgevallen zijner dame in twijfel te trekken.Hij bukte zich derhalve, kroop onder de linnen omgeving der tent door, en hoorde den dwerg fluisteren: „Blijf hier, tot dat ik u roep.”

HOOFDSTUK XII.Het is de vrouw, die het gansche menschdom heeft verleid.Gay.In de dagen der ridderschap was een gevaarlijke post of eene gevaarvolle onderneming, eene belooning, die dikwijls aan de krijgshaftige dapperheid als eene vergelding voor vroeger doorgestane beproevingen aangewezen werd. Het was middernacht, en de maan stond helder en hoog aan den hemel, toen Kenneth op zijne wacht stond op den St. Georgeberg, naast de banier van Engeland, als een eenzame schildwacht, om het zinnebeeld van die natie tegen de duizenden te verdedigen, welke Richard’s hoogmoed tot zijne vijanden had gemaakt. Fiere gedachten rezen de eene na de andere in het gemoed van den krijgsman op. Het scheen hem toe, alsof hij eenige gunst in de oogen van den ridderlijken monarch verworven had, die hem tot nu toe onder de schaar van dappere mannen, welke zijn roem onder zijne banier had verzameld, niet onderscheiden had, en hij bekreunde er zich niet om, dat de betooning van koninklijke achting daarin bestond, dat hij hem op zulk een zoo gevaarlijken post plaatste. De gloed van zijne eerzuchtige en hoog geplaatste liefde ontvlamde ook zijn geestdrift als krijgsman. Hoe hopeloos die liefde ook was, in bijna alle denkbare omstandigheden, had toch hetgeen zoo pas was voorgevallen den afstand tusschen hem en Edith eenigermate verminderd. Hij, wien Richard de onderscheiding bewezen had, die sir Kenneth thans genoot, was niet langer een avonturier van geringe beteekenis, maar moest opgemerkt worden en voor de prinses gebracht, ofschoon hij even zoover als ooit van hare verheven plaats verwijderd was. Hij kon thans niet meer onbekend en duister zijn.—Als hij op den hem aangewezen post overvallen en gedood werd, zou zijn dood—en hij was overtuigd, dat die roemrijk zou zijn—den lof van Leeuwenhart verwerven, zoowel als zijne wraak na zich sleepen, en door de smart en zelfs de tranen der edelgeborene schoonen van het Engelsche hof gevolgd worden. Hij had thans geen reden meer om te vreezen, dat hij sterven zou, gelijk de dwaas sterft.Sir Kenneth had nu tijd in overvloed, om deze en soortgelijke hooggestemde gedachten te koesteren, die gevoed werden door dien wilden geest der ridderschap, die, te midden van zijne buitensporige en hersenschimmige vluchten, steeds vrij was van alle baatzucht—moedig, vol toewijding, en misschien alleen in zoover af te keuren, dat hij zich doeleinden en daden voorstelde, die met de menschelijke zwakheden en onvolmaaktheden onbestaanbaar zijn.De geheele natuur rondom hem sliep in het kalme schijnsel der maan of in diepe schaduw. De lange rijen tenten en paviljoenen, nu eens verlicht dan in het donker gehuld, naarmate zij in het maanlicht of in de schaduw lagen, waren stil en rustig als de straten van eene verlaten stad. Naast de banier lag de reeds gemelde jachthond, de eenige metgezel van Kenneth’s wacht, op wiens waakzaamheid hijrekende, om hem bijtijds te waarschuwen, als er een vijand naderde. Het edele dier scheen het doel van hunne wacht te begrijpen, want het keek van tijd tot tijd naar de rijke plooien van het zware vaandel, en als het geroep der schildwachten zich van het kamp liet hooren, antwoordde hij met een enkelen diepen blaf, als of hij wilde doen blijken, dat ook hij waakzaam was. Van tijd tot tijd liet hij ook zijn hoogen kop zinken en kwispelstaarte, als zijn meester hem voorbijging op de korte baan, welke hij heen en weergaande aflegde; of wanneer de ridder stil en peinzend stond, op zijne lans leunende, en ten hemel geslagen oogen, waagde zijn getrouwe gezelschapper het somtijds, om hem in zijne gedachten te storen en uit zijne droomerijen te wekken, door zijne groote, ruige snuit te leggen in de hand van den ridder, die met een ijzeren handschoen bekleed was, om dan eene kortstondige liefkozing te ontvangen. Eensklaps echter, blafte hij woedend, en scheen op het punt om vooruit te stuiven naar de plek, waar de schaduw het donkerst was, hij wachtte echter, even alsof hij aan een touw lag, tot dat hij den wil van zijn meester zou vernomen hebben.„Wie is daar?” vroeg sir Kenneth, bespeurende, dat er iets op den in schaduw gehulden grond voorwaarts kroop.„In den naam van Merlin en Maugis,” antwoordde eene heesche,onaangename stem, „bind uw viervoetigen duivel daar vast, of ik kom niet bij u.”„En wie zijt gij, dat gij mijn post zoudt willen naderen?” vervolgde sir Kenneth, terwijl hij zijne oogen zoo scherp mogelijk op een voorwerp richtte, dat hij slechts kon zien bewegen, zonder zijne gedaante te kunnen onderscheiden. „Wees op uwe hoede—ik sta hier op dood en leven.”„Neem uw langbeenigen satan bij u,” zeide de stem, „of ik zal hem met een pijl uit mijn handboog bezweren.”Op hetzelfde oogenblik hoorde hij het geluid, alsof er een handboog gespannen werd.„Ontspan uw handboog en kom in het maanlicht,” riep de Schot, „of bij St. Andreas, ik zal u aan den grond vastspijkeren, wat of wie gij zijn moogt.”Terwijl hij zoo sprak, vatte hij zijne lange lans bij het midden, en, zijn oog op het voorwerp vestigende, dat zich scheen te bewegen, zwaaide hij het wapentuig, alsof hij het uit zijne hand wilde werpen,—een gebruik, dat men somwijlen, ofschoon zelden, van dit wapen maakte, wanneer men een werpspies noodig had. Hij schaamde zich echter over zijn voornemen, en liet zijn wapen zinken, toen er uit de schaduw, als een tooneelspeler, die op het tooneel verschijnt, een mismaakt en ellendig schepsel in het maanlicht trad, dat hij aan zijne zonderlinge kleeding en zijne wanstaltige vormen zelfs op eenigen afstand voor den mannelijke der beide dwergen herkende, die hij in de kapel van Engaddi had gezien. Op hetzelfde oogenblik bracht hij zich de andere en zeer verschillende tafereelen van dien buitengewonen nacht te binnen, gaf zijn hond een teeken, dat hij dadelijk verstond, en deze, naar den standaard terugkeerende, legde zich met een onderdrukt knorren daarnaast neder.Het kleine, vergroeide miniatuurbeeld der menschheid, verzekerd van zijne veiligheid ten opzichte van een zoo gevaarlijken vijand, kwam hijgende tegen de hoogte op, wat de kortheid zijner beenen moeilijk maakte, en toen hij boven op den platten top er van gekomen was, nam hij in de linkerhand zijn kleinen handboog, die juist een stuk speelgoed was, als waarmede de kinderen van dien tijd vogels mochten schieten, en eene houding van groote waardigheid aannemende, strekte hij zijne hand met bevalligheid naar sir Kenneth uit, alsof hij verwachtte, dat hij deze kussen zoude. Maar, daar dit niet volgde, vroeg hij op scherpen en vergramden toon: „krijgsman, waarom bewijst gij Nebectamus de hulde niet, die aan zijne waardigheid verschuldigd is?—Of is het mogelijk, dat gij hem vergeten kondt?”„Groote Nebectamus,” antwoordde de ridder, die de kwade luim van den dwerg wilde doen bedaren, „dat zou moeilijk zijn voor iemand, die u maar eens had aanschouwd. Vergeef mij echter, dat ik, een soldaat op mijn post, met mijn wapen in de hand, aan iemand van uwe macht het voordeel niet mag vergunnen, om binnen den omtrek van mijne wacht te komen, of zich van mijn wapentuig meester temaken. Het zij u voldoende, dat ik uwe waardigheid eerbiedig, en mij met zoo veel onderdanigheid aan u onderwerp, als een krijgsman in mijne plaats vermag.”„Dit zal voldoende zijn,” hernam Nebectamus, „zoo gij mij dadelijk vergezelt naar degene, die mij hierheen gezonden hebben, om u te roepen.”„Groote heer,” hervatte de ridder, „ook hierin kan ik u geen voldoening geven, want mijne bevelen luiden, om tot aan het aanbreken van den dag bij deze banier te blijven—dus verzoek ik u, om mij ook in deze zaak te verontschuldigen.”Met deze woorden hervatte hij zijne wandeling op den platten top; maar de dwerg liet hem zoo gemakkelijk niet aan zijn lastig verzoek ontsnappen.„Kom,” zeide hij, zich voor sir Kenneth plaatsende, om hem den weg te versperren, „gehoorzaam mij, heer ridder, zoo uw plicht van u vordert, of ik zal u het bevel opleggen in den naam van een persoon, wier schoonheid de geniussen uit hunne sfeer roepen, en wier grootheid den onsterfelijken stam, waarvan zij afkomstig waren, beheerschen kon.”Een stout, onwaarschijnlijk vermoeden kwam in het gemoed des ridders op, maar hij onderdrukte dit. Het was onmogelijk, dacht hij, dat de dame zijner liefde hem zulk een last door zulk een boodschapper zou zenden. Toch sidderde zijne stem, toen hij zeide: „Ga voort, Nebectamus—zeg mij op eenmaal en als een oprecht man, of deze verheven dame, van wie gij spreekt, eene andere is, dan dehouri, met wier bijstand ik u de kapel te Engaddi heb zien vegen?”„Hoe! verwaand ridder,” antwoordde de dwerg, „meent gij, dat de meesteres van onze koninklijke liefde, de deelgenoote van onze grootheid en onze aanvalligheid, zich zoo ver zou willen vernederen, om een last te geven aan een vasal als u! Neen, hoe hoog gij ook vereerd wordt, toch hebt gij nog de aandacht van haar niet verdiend, voor wier hoogen zetel zelfs vorsten slechts als pygmeën verschijnen. Maar zie hier, en wanneer gij dit teeken erkent of verloochent, zoo gehoorzaam of weiger de bevelen van haar, die zich werkelijk verwaardigd heeft, u die op te leggen.”Dit zeggende legde hij in des ridders hand een robijn-ring van hooge waarde, dien hij zelfs in het maanlicht zeer gemakkelijk herkende voor dien, welk gewoonlijk den vinger versierde van de hoog-edele dame, aan wier dienst hij zich gewijd had. Zoo hij aan de waarheid van het teeken had kunnen twijfelen, zou hij overtuigd geworden zijn door den kleinen strik van vleeschkleurig lint, die aan den ring bevestigd was. Dit was de geliefkoosde kleur van zijne dame, en meer dan eens had hij zelf, de vleeschkleur voor zijne eigenlivreiaannemende, die doen zegepralen over andere kleuren in het tournooiveld en in den slag.Hij stond bijna sprakeloos, toen hij zulk een teeken in zulke handenzag, terwijl de dwerg op zegepralenden toon lachend en zijn groot, wanstaltig hoofd schuddend uitriep: „Weiger nu mijne bevelen—laat nu eens na om aan mijne oproeping te gehoorzamen—twijfel nu nog, dat ik Arthur van Tintagel ben, die het recht heeft om over de geheele Britsche ridderschap het bevel te voeren.”„In den naam van alles, wat heilig is, van wie brengt gij dit teeken?” vroeg de ridder; „breng, zoo gij kunt, uw geschokten geest voor een paar minuten tot behoorlijke kalmte, en noem mij de persoon, door wie gij gezonden zijt, en den waren inhoud van uwe boodschap—en let wel op hetgeen gij zegt, want dit is geen onderwerp van scherts.”„Verliefd en dwaas ridder,” antwoordde de dwerg; „wilt gij meer van deze zaak weten, dan dat gij met de bevelen eener prinses vereerd wordt, die door een koning worden overgebracht?—Wij hebben geen lust om verder met u te spreken, en bevelen u in den naam en uit kracht van dien ring, om ons te volgen naar de eigenares ervan. Elke minuut verwijl is eene misdaad tegen uw plicht van gehoorzaamheid.”„Goede Nebectamus, bedenk u,” hernam de ridder, „kan mijne dame weten, waar en op welken post ik dezen nacht sta?—Is zij bewust, dat mijn leven—o, waarom van mijn leven te spreken—maar dat mijne eer ervan afhangt, om deze banier tot het aanbreken van den dag te bewaken—en kan het haar wensch zijn, dat ik die verlaten zou, al was het dan ook om haar te bezoeken!—Het is onmogelijk, de prinses gelieft met haar dienaar den spot te drijven, door hem zulk een last te zenden; en ik moet dit zooveel te eer gelooven, daar zij zulk een bode gekozen heeft.”„Nu, behoud uw geloof,” hervatte Nebectamus, zich omkeerende alsof hij de hoogte wilde verlaten, „er ligt mij weinig aan gelegen, of gij een verrader of een getrouw ridder jegens deze koninklijke dame zijt …. dus, vaarwel.”„Blijf, blijf—ik bid u, blijf,” riep sir Kenneth; „beantwoord mij slechts ééne vraag—is de dame, die u gezonden heeft, dicht bij deze plaats?”„Wat doet er dat toe?” antwoordde de dwerg; „moet men de trouw berekenen naar vademen, of uren, of mijlen, even als de arme koerier, die volgens den afstand, dien hij doorloopt, voor zijn werk betaald wordt? Niettemin zeg ik u, achterdochtige ziel, dat de schoone eigenares van den ring, die thans aan een zoo onwaardigen vasal gezonden wordt, niet verder van deze plaats af is, dan zoover als deze onze boog een pijl kan brengen.”De ridder staarde weder op den ring, alsof hij zich wilde overtuigen, dat er met geen mogelijkheid bedrog in het teeken kon zijn.—„Zeg mij,” vroeg hij aan den dwerg; „wordt mijne tegenwoordigheid voor een langen tijd vereischt?”„Tijd!” antwoordde Nebectamus op zijne vluchtige wijze: „wat noemt gij tijd? Ik zie dien niet, ik voel dien niet—het is slechts een onbestemde naam—eene aaneenschakeling van ademhalingen, die desnachts door den klank eener klok en des daags door de schaduw op een zonnewijzer aangeduid wordt. Weet gij niet, dat de tijd van een waar ridder slechts gerekend moet worden naar de daden, die hij voor God en zijne dame verricht?”„Woorden der waarheid ofschoon in den mond der dwaasheid,” zeide de ridder. „En roept mijne dame mij wezenlijk tot het verrichten van eene daad in haar naam en om harentwille?—en kan die niet eens de weinige uren tot na het aanbreken van den dageraad opgeschort worden?”„Zij vordert uwe tegenwoordigheid oogenblikkelijk,” antwoordde de dwerg; „en zonder verlies van zooveel tijd als het afloopen van tien zandkorrels in den zandlooper bedragen zouden.—Luister, koelbloedig en achterdochtig ridder, dit zijn hare eigene woorden,—zeg hem, dat de hand, die rozen liet vallen, ook lauweren kan schenken.”Deze toespeling op hunne ontmoeting in de kapel van Engaddi deed in sir Kenneth’s brein duizend herinneringen opkomen, en overtuigde hem, dat de last, door den dwerg overgebracht, echt was. De rozeknoppen, hoe verwelkt dan ook, waren onder zijn harnas verborgen, zoo dicht mogelijk aan zijn hart. Hij zweeg eene poos, en kon er niet toe besluiten om eene gelegenheid—misschien de eenige, die hem ooit zou worden aangeboden—te laten voorbijgaan, om in de gunst te komen bij haar, die hij tot meesteres van zijne genegenheid uitverkoren had. De dwerg vermeerderde intusschen zijne verlegenheid, door er op te staan, dat hij den ring zou teruggeven, of hem dadelijk vergezellen.„Wacht, wacht nog een oogenblik,” zeide de ridder, en prevelde toen verder in zich zelven: „Ben ik de onderdaan of de slaaf van Koning Richard meer dan een vrij ridder, die den dienst van den kruistocht bezworen heeft, behoeft te zijn? En tot wiens eer ben ik hierheen gekomen met lans en zwaard?—Tot eer van onze heilige Maagd en mijne voortreffelijke dame.”„De ring, de ring,” riep de dwerg ongeduldig; „valsch en traag ridder, geef den ring terug, dien gij onwaardig zijt aan te raken of aan te zien.”„Een oogenblik, een oogenblik, goede Nebectamus,” hernam de ridder; „stoor mij niet in mijne gedachten.—Zoo de Sarraceenen thans juist onze liniën aanvielen—zou ik dan hier staan als een gezworen vasal van Engeland, om te waken, dat zijn trots geen schimp aangedaan werd, of zou ik mij naar de bres spoeden, om voor het kruis te strijden? En naast de bevelen van God komen die van mijne gebiedende dame.—En toch, Richard’s last—mijne eigen belofte—Nebectamus, ik bezweer u te zeggen, moet gij mij ver van hier geleiden.”„Slechts naar gindsche tent; en daar gij het dan toch weten moet,” antwoordde Nebectamus, „de maan beschijnt den gouden kogel, die haar dak kroont, en eens konings losgeld waard is.”„Ik kan in een oogenblik terugkeeren,” zeide de ridder, zijne oogen moedwillig voor alle verdere gevolgen sluitende. „Ik kan van daar het blaffen van mijn hond hooren, zoo iemand den standaard nadert—ik wil mij aan de voeten mijner dame werpen, en haar verlof verzoeken om terug te keeren, ten einde mijne wacht te volbrengen. Hier, Roswell, zeide hij, zijn hond roepende, en zijn mantel naast den vaandelstok werpend; „houd hier de wacht en laat niemand naderen.”De majestueuse hond zag zijn meester in het gelaat, alsof hij hem verzekeren wilde, dat hij zijn last verstond, ging toen naast den mantel zitten, met opgestoken ooren en uitgestrekten kop, alsof hij het doel waarvoor hij daar geplaatst was volmaakt wel begreep.„Kom nu, goede Nebectamus,” zeide de ridder, „laten wij ons spoeden om de bevelen, die gij overgebracht heb te gehoorzamen.”„Laat zich haasten wie wil,” antwoordde de dwerg barsch; „gij hebt u geheel niet gehaast, om aan mijne uitnoodiging te voldoen, ook kan ik niet snel genoeg gaan, om uwe groote schreden bij te houden—gij loopt niet als een man, maar gij springt als een struisvogel in de woestijn.”Er waren slechts twee wegen, om de hardnekkigheid van Nebectamus te overwinnen, die onder het spreken zijn gang tot het kruipen van eene slak vertraagde—voor giften had sir Kenneth geene middelen—voor vleien geen tijd—in zijn ongeduld nam hij den dwerg van den grond op, en hem voortdragende ondanks zijn smeeken en zijne vrees, bereikte hij weldra de tent, die hem de dwerg had aangewezen. Bij het naderbij komen bespeurde hij echter, dat er eene kleine wacht soldaten op den grond zat, die door de tusschenliggende tenten voor hem verborgen geweest waren. Verwonderd, dat het kletteren van zijne wapenrusting hunne aandacht nog niet getrokken had, en vermoedende, dat zijne daad bij deze gelegenheid in het geheim moest volbracht worden, zette hij den kleinen hijgenden geleider op den grond, om weder adem te scheppen, en hem dan te zeggen, wat er nu vooreerst te doen was. Nebectamus was even verschrikt als vertoornd; maar hij had zich zoo geheel in de macht van den sterken ridder gevoeld, als een uil in de klauwen van een arend, en hij wilde hem dus niet tot een nieuw bewijs van zijne kracht uittarten.Hij beklaagde zich niet over de behandeling, die hij ondervonden had, maar, door het doolhof van tenten voortgaande, leidde hij den ridder zwijgend naar de tegenovergestelde zijde van de tent, die hem dus aan het gezicht der wachten onttrok, welke òf te nalatig òf te slaperig schenen, om hun plicht met groote zorg te vervullen. Toen zij daar aangekomen waren, lichtte de dwerg het onderste gedeelte van het linnen der tent op, en gaf sir Kenneth een teeken, dat hij daar onderdoor in de tent zou kruipen. De ridder aarzelde—hij achtte het onbetamelijk, zich zoo heimelijk in eene tent te dringen, die zonder twijfel voor het genot van edele vrouwen was opgericht; maar hij tracht zich de zekere teekens te binnen, die hem de dwerghad getoond, en hij trok daaruit het besluit, dat het hem niet paste, om het welgevallen zijner dame in twijfel te trekken.Hij bukte zich derhalve, kroop onder de linnen omgeving der tent door, en hoorde den dwerg fluisteren: „Blijf hier, tot dat ik u roep.”

HOOFDSTUK XII.Het is de vrouw, die het gansche menschdom heeft verleid.Gay.

Het is de vrouw, die het gansche menschdom heeft verleid.Gay.

Het is de vrouw, die het gansche menschdom heeft verleid.

Het is de vrouw, die het gansche menschdom heeft verleid.

Gay.

In de dagen der ridderschap was een gevaarlijke post of eene gevaarvolle onderneming, eene belooning, die dikwijls aan de krijgshaftige dapperheid als eene vergelding voor vroeger doorgestane beproevingen aangewezen werd. Het was middernacht, en de maan stond helder en hoog aan den hemel, toen Kenneth op zijne wacht stond op den St. Georgeberg, naast de banier van Engeland, als een eenzame schildwacht, om het zinnebeeld van die natie tegen de duizenden te verdedigen, welke Richard’s hoogmoed tot zijne vijanden had gemaakt. Fiere gedachten rezen de eene na de andere in het gemoed van den krijgsman op. Het scheen hem toe, alsof hij eenige gunst in de oogen van den ridderlijken monarch verworven had, die hem tot nu toe onder de schaar van dappere mannen, welke zijn roem onder zijne banier had verzameld, niet onderscheiden had, en hij bekreunde er zich niet om, dat de betooning van koninklijke achting daarin bestond, dat hij hem op zulk een zoo gevaarlijken post plaatste. De gloed van zijne eerzuchtige en hoog geplaatste liefde ontvlamde ook zijn geestdrift als krijgsman. Hoe hopeloos die liefde ook was, in bijna alle denkbare omstandigheden, had toch hetgeen zoo pas was voorgevallen den afstand tusschen hem en Edith eenigermate verminderd. Hij, wien Richard de onderscheiding bewezen had, die sir Kenneth thans genoot, was niet langer een avonturier van geringe beteekenis, maar moest opgemerkt worden en voor de prinses gebracht, ofschoon hij even zoover als ooit van hare verheven plaats verwijderd was. Hij kon thans niet meer onbekend en duister zijn.—Als hij op den hem aangewezen post overvallen en gedood werd, zou zijn dood—en hij was overtuigd, dat die roemrijk zou zijn—den lof van Leeuwenhart verwerven, zoowel als zijne wraak na zich sleepen, en door de smart en zelfs de tranen der edelgeborene schoonen van het Engelsche hof gevolgd worden. Hij had thans geen reden meer om te vreezen, dat hij sterven zou, gelijk de dwaas sterft.Sir Kenneth had nu tijd in overvloed, om deze en soortgelijke hooggestemde gedachten te koesteren, die gevoed werden door dien wilden geest der ridderschap, die, te midden van zijne buitensporige en hersenschimmige vluchten, steeds vrij was van alle baatzucht—moedig, vol toewijding, en misschien alleen in zoover af te keuren, dat hij zich doeleinden en daden voorstelde, die met de menschelijke zwakheden en onvolmaaktheden onbestaanbaar zijn.De geheele natuur rondom hem sliep in het kalme schijnsel der maan of in diepe schaduw. De lange rijen tenten en paviljoenen, nu eens verlicht dan in het donker gehuld, naarmate zij in het maanlicht of in de schaduw lagen, waren stil en rustig als de straten van eene verlaten stad. Naast de banier lag de reeds gemelde jachthond, de eenige metgezel van Kenneth’s wacht, op wiens waakzaamheid hijrekende, om hem bijtijds te waarschuwen, als er een vijand naderde. Het edele dier scheen het doel van hunne wacht te begrijpen, want het keek van tijd tot tijd naar de rijke plooien van het zware vaandel, en als het geroep der schildwachten zich van het kamp liet hooren, antwoordde hij met een enkelen diepen blaf, als of hij wilde doen blijken, dat ook hij waakzaam was. Van tijd tot tijd liet hij ook zijn hoogen kop zinken en kwispelstaarte, als zijn meester hem voorbijging op de korte baan, welke hij heen en weergaande aflegde; of wanneer de ridder stil en peinzend stond, op zijne lans leunende, en ten hemel geslagen oogen, waagde zijn getrouwe gezelschapper het somtijds, om hem in zijne gedachten te storen en uit zijne droomerijen te wekken, door zijne groote, ruige snuit te leggen in de hand van den ridder, die met een ijzeren handschoen bekleed was, om dan eene kortstondige liefkozing te ontvangen. Eensklaps echter, blafte hij woedend, en scheen op het punt om vooruit te stuiven naar de plek, waar de schaduw het donkerst was, hij wachtte echter, even alsof hij aan een touw lag, tot dat hij den wil van zijn meester zou vernomen hebben.„Wie is daar?” vroeg sir Kenneth, bespeurende, dat er iets op den in schaduw gehulden grond voorwaarts kroop.„In den naam van Merlin en Maugis,” antwoordde eene heesche,onaangename stem, „bind uw viervoetigen duivel daar vast, of ik kom niet bij u.”„En wie zijt gij, dat gij mijn post zoudt willen naderen?” vervolgde sir Kenneth, terwijl hij zijne oogen zoo scherp mogelijk op een voorwerp richtte, dat hij slechts kon zien bewegen, zonder zijne gedaante te kunnen onderscheiden. „Wees op uwe hoede—ik sta hier op dood en leven.”„Neem uw langbeenigen satan bij u,” zeide de stem, „of ik zal hem met een pijl uit mijn handboog bezweren.”Op hetzelfde oogenblik hoorde hij het geluid, alsof er een handboog gespannen werd.„Ontspan uw handboog en kom in het maanlicht,” riep de Schot, „of bij St. Andreas, ik zal u aan den grond vastspijkeren, wat of wie gij zijn moogt.”Terwijl hij zoo sprak, vatte hij zijne lange lans bij het midden, en, zijn oog op het voorwerp vestigende, dat zich scheen te bewegen, zwaaide hij het wapentuig, alsof hij het uit zijne hand wilde werpen,—een gebruik, dat men somwijlen, ofschoon zelden, van dit wapen maakte, wanneer men een werpspies noodig had. Hij schaamde zich echter over zijn voornemen, en liet zijn wapen zinken, toen er uit de schaduw, als een tooneelspeler, die op het tooneel verschijnt, een mismaakt en ellendig schepsel in het maanlicht trad, dat hij aan zijne zonderlinge kleeding en zijne wanstaltige vormen zelfs op eenigen afstand voor den mannelijke der beide dwergen herkende, die hij in de kapel van Engaddi had gezien. Op hetzelfde oogenblik bracht hij zich de andere en zeer verschillende tafereelen van dien buitengewonen nacht te binnen, gaf zijn hond een teeken, dat hij dadelijk verstond, en deze, naar den standaard terugkeerende, legde zich met een onderdrukt knorren daarnaast neder.Het kleine, vergroeide miniatuurbeeld der menschheid, verzekerd van zijne veiligheid ten opzichte van een zoo gevaarlijken vijand, kwam hijgende tegen de hoogte op, wat de kortheid zijner beenen moeilijk maakte, en toen hij boven op den platten top er van gekomen was, nam hij in de linkerhand zijn kleinen handboog, die juist een stuk speelgoed was, als waarmede de kinderen van dien tijd vogels mochten schieten, en eene houding van groote waardigheid aannemende, strekte hij zijne hand met bevalligheid naar sir Kenneth uit, alsof hij verwachtte, dat hij deze kussen zoude. Maar, daar dit niet volgde, vroeg hij op scherpen en vergramden toon: „krijgsman, waarom bewijst gij Nebectamus de hulde niet, die aan zijne waardigheid verschuldigd is?—Of is het mogelijk, dat gij hem vergeten kondt?”„Groote Nebectamus,” antwoordde de ridder, die de kwade luim van den dwerg wilde doen bedaren, „dat zou moeilijk zijn voor iemand, die u maar eens had aanschouwd. Vergeef mij echter, dat ik, een soldaat op mijn post, met mijn wapen in de hand, aan iemand van uwe macht het voordeel niet mag vergunnen, om binnen den omtrek van mijne wacht te komen, of zich van mijn wapentuig meester temaken. Het zij u voldoende, dat ik uwe waardigheid eerbiedig, en mij met zoo veel onderdanigheid aan u onderwerp, als een krijgsman in mijne plaats vermag.”„Dit zal voldoende zijn,” hernam Nebectamus, „zoo gij mij dadelijk vergezelt naar degene, die mij hierheen gezonden hebben, om u te roepen.”„Groote heer,” hervatte de ridder, „ook hierin kan ik u geen voldoening geven, want mijne bevelen luiden, om tot aan het aanbreken van den dag bij deze banier te blijven—dus verzoek ik u, om mij ook in deze zaak te verontschuldigen.”Met deze woorden hervatte hij zijne wandeling op den platten top; maar de dwerg liet hem zoo gemakkelijk niet aan zijn lastig verzoek ontsnappen.„Kom,” zeide hij, zich voor sir Kenneth plaatsende, om hem den weg te versperren, „gehoorzaam mij, heer ridder, zoo uw plicht van u vordert, of ik zal u het bevel opleggen in den naam van een persoon, wier schoonheid de geniussen uit hunne sfeer roepen, en wier grootheid den onsterfelijken stam, waarvan zij afkomstig waren, beheerschen kon.”Een stout, onwaarschijnlijk vermoeden kwam in het gemoed des ridders op, maar hij onderdrukte dit. Het was onmogelijk, dacht hij, dat de dame zijner liefde hem zulk een last door zulk een boodschapper zou zenden. Toch sidderde zijne stem, toen hij zeide: „Ga voort, Nebectamus—zeg mij op eenmaal en als een oprecht man, of deze verheven dame, van wie gij spreekt, eene andere is, dan dehouri, met wier bijstand ik u de kapel te Engaddi heb zien vegen?”„Hoe! verwaand ridder,” antwoordde de dwerg, „meent gij, dat de meesteres van onze koninklijke liefde, de deelgenoote van onze grootheid en onze aanvalligheid, zich zoo ver zou willen vernederen, om een last te geven aan een vasal als u! Neen, hoe hoog gij ook vereerd wordt, toch hebt gij nog de aandacht van haar niet verdiend, voor wier hoogen zetel zelfs vorsten slechts als pygmeën verschijnen. Maar zie hier, en wanneer gij dit teeken erkent of verloochent, zoo gehoorzaam of weiger de bevelen van haar, die zich werkelijk verwaardigd heeft, u die op te leggen.”Dit zeggende legde hij in des ridders hand een robijn-ring van hooge waarde, dien hij zelfs in het maanlicht zeer gemakkelijk herkende voor dien, welk gewoonlijk den vinger versierde van de hoog-edele dame, aan wier dienst hij zich gewijd had. Zoo hij aan de waarheid van het teeken had kunnen twijfelen, zou hij overtuigd geworden zijn door den kleinen strik van vleeschkleurig lint, die aan den ring bevestigd was. Dit was de geliefkoosde kleur van zijne dame, en meer dan eens had hij zelf, de vleeschkleur voor zijne eigenlivreiaannemende, die doen zegepralen over andere kleuren in het tournooiveld en in den slag.Hij stond bijna sprakeloos, toen hij zulk een teeken in zulke handenzag, terwijl de dwerg op zegepralenden toon lachend en zijn groot, wanstaltig hoofd schuddend uitriep: „Weiger nu mijne bevelen—laat nu eens na om aan mijne oproeping te gehoorzamen—twijfel nu nog, dat ik Arthur van Tintagel ben, die het recht heeft om over de geheele Britsche ridderschap het bevel te voeren.”„In den naam van alles, wat heilig is, van wie brengt gij dit teeken?” vroeg de ridder; „breng, zoo gij kunt, uw geschokten geest voor een paar minuten tot behoorlijke kalmte, en noem mij de persoon, door wie gij gezonden zijt, en den waren inhoud van uwe boodschap—en let wel op hetgeen gij zegt, want dit is geen onderwerp van scherts.”„Verliefd en dwaas ridder,” antwoordde de dwerg; „wilt gij meer van deze zaak weten, dan dat gij met de bevelen eener prinses vereerd wordt, die door een koning worden overgebracht?—Wij hebben geen lust om verder met u te spreken, en bevelen u in den naam en uit kracht van dien ring, om ons te volgen naar de eigenares ervan. Elke minuut verwijl is eene misdaad tegen uw plicht van gehoorzaamheid.”„Goede Nebectamus, bedenk u,” hernam de ridder, „kan mijne dame weten, waar en op welken post ik dezen nacht sta?—Is zij bewust, dat mijn leven—o, waarom van mijn leven te spreken—maar dat mijne eer ervan afhangt, om deze banier tot het aanbreken van den dag te bewaken—en kan het haar wensch zijn, dat ik die verlaten zou, al was het dan ook om haar te bezoeken!—Het is onmogelijk, de prinses gelieft met haar dienaar den spot te drijven, door hem zulk een last te zenden; en ik moet dit zooveel te eer gelooven, daar zij zulk een bode gekozen heeft.”„Nu, behoud uw geloof,” hervatte Nebectamus, zich omkeerende alsof hij de hoogte wilde verlaten, „er ligt mij weinig aan gelegen, of gij een verrader of een getrouw ridder jegens deze koninklijke dame zijt …. dus, vaarwel.”„Blijf, blijf—ik bid u, blijf,” riep sir Kenneth; „beantwoord mij slechts ééne vraag—is de dame, die u gezonden heeft, dicht bij deze plaats?”„Wat doet er dat toe?” antwoordde de dwerg; „moet men de trouw berekenen naar vademen, of uren, of mijlen, even als de arme koerier, die volgens den afstand, dien hij doorloopt, voor zijn werk betaald wordt? Niettemin zeg ik u, achterdochtige ziel, dat de schoone eigenares van den ring, die thans aan een zoo onwaardigen vasal gezonden wordt, niet verder van deze plaats af is, dan zoover als deze onze boog een pijl kan brengen.”De ridder staarde weder op den ring, alsof hij zich wilde overtuigen, dat er met geen mogelijkheid bedrog in het teeken kon zijn.—„Zeg mij,” vroeg hij aan den dwerg; „wordt mijne tegenwoordigheid voor een langen tijd vereischt?”„Tijd!” antwoordde Nebectamus op zijne vluchtige wijze: „wat noemt gij tijd? Ik zie dien niet, ik voel dien niet—het is slechts een onbestemde naam—eene aaneenschakeling van ademhalingen, die desnachts door den klank eener klok en des daags door de schaduw op een zonnewijzer aangeduid wordt. Weet gij niet, dat de tijd van een waar ridder slechts gerekend moet worden naar de daden, die hij voor God en zijne dame verricht?”„Woorden der waarheid ofschoon in den mond der dwaasheid,” zeide de ridder. „En roept mijne dame mij wezenlijk tot het verrichten van eene daad in haar naam en om harentwille?—en kan die niet eens de weinige uren tot na het aanbreken van den dageraad opgeschort worden?”„Zij vordert uwe tegenwoordigheid oogenblikkelijk,” antwoordde de dwerg; „en zonder verlies van zooveel tijd als het afloopen van tien zandkorrels in den zandlooper bedragen zouden.—Luister, koelbloedig en achterdochtig ridder, dit zijn hare eigene woorden,—zeg hem, dat de hand, die rozen liet vallen, ook lauweren kan schenken.”Deze toespeling op hunne ontmoeting in de kapel van Engaddi deed in sir Kenneth’s brein duizend herinneringen opkomen, en overtuigde hem, dat de last, door den dwerg overgebracht, echt was. De rozeknoppen, hoe verwelkt dan ook, waren onder zijn harnas verborgen, zoo dicht mogelijk aan zijn hart. Hij zweeg eene poos, en kon er niet toe besluiten om eene gelegenheid—misschien de eenige, die hem ooit zou worden aangeboden—te laten voorbijgaan, om in de gunst te komen bij haar, die hij tot meesteres van zijne genegenheid uitverkoren had. De dwerg vermeerderde intusschen zijne verlegenheid, door er op te staan, dat hij den ring zou teruggeven, of hem dadelijk vergezellen.„Wacht, wacht nog een oogenblik,” zeide de ridder, en prevelde toen verder in zich zelven: „Ben ik de onderdaan of de slaaf van Koning Richard meer dan een vrij ridder, die den dienst van den kruistocht bezworen heeft, behoeft te zijn? En tot wiens eer ben ik hierheen gekomen met lans en zwaard?—Tot eer van onze heilige Maagd en mijne voortreffelijke dame.”„De ring, de ring,” riep de dwerg ongeduldig; „valsch en traag ridder, geef den ring terug, dien gij onwaardig zijt aan te raken of aan te zien.”„Een oogenblik, een oogenblik, goede Nebectamus,” hernam de ridder; „stoor mij niet in mijne gedachten.—Zoo de Sarraceenen thans juist onze liniën aanvielen—zou ik dan hier staan als een gezworen vasal van Engeland, om te waken, dat zijn trots geen schimp aangedaan werd, of zou ik mij naar de bres spoeden, om voor het kruis te strijden? En naast de bevelen van God komen die van mijne gebiedende dame.—En toch, Richard’s last—mijne eigen belofte—Nebectamus, ik bezweer u te zeggen, moet gij mij ver van hier geleiden.”„Slechts naar gindsche tent; en daar gij het dan toch weten moet,” antwoordde Nebectamus, „de maan beschijnt den gouden kogel, die haar dak kroont, en eens konings losgeld waard is.”„Ik kan in een oogenblik terugkeeren,” zeide de ridder, zijne oogen moedwillig voor alle verdere gevolgen sluitende. „Ik kan van daar het blaffen van mijn hond hooren, zoo iemand den standaard nadert—ik wil mij aan de voeten mijner dame werpen, en haar verlof verzoeken om terug te keeren, ten einde mijne wacht te volbrengen. Hier, Roswell, zeide hij, zijn hond roepende, en zijn mantel naast den vaandelstok werpend; „houd hier de wacht en laat niemand naderen.”De majestueuse hond zag zijn meester in het gelaat, alsof hij hem verzekeren wilde, dat hij zijn last verstond, ging toen naast den mantel zitten, met opgestoken ooren en uitgestrekten kop, alsof hij het doel waarvoor hij daar geplaatst was volmaakt wel begreep.„Kom nu, goede Nebectamus,” zeide de ridder, „laten wij ons spoeden om de bevelen, die gij overgebracht heb te gehoorzamen.”„Laat zich haasten wie wil,” antwoordde de dwerg barsch; „gij hebt u geheel niet gehaast, om aan mijne uitnoodiging te voldoen, ook kan ik niet snel genoeg gaan, om uwe groote schreden bij te houden—gij loopt niet als een man, maar gij springt als een struisvogel in de woestijn.”Er waren slechts twee wegen, om de hardnekkigheid van Nebectamus te overwinnen, die onder het spreken zijn gang tot het kruipen van eene slak vertraagde—voor giften had sir Kenneth geene middelen—voor vleien geen tijd—in zijn ongeduld nam hij den dwerg van den grond op, en hem voortdragende ondanks zijn smeeken en zijne vrees, bereikte hij weldra de tent, die hem de dwerg had aangewezen. Bij het naderbij komen bespeurde hij echter, dat er eene kleine wacht soldaten op den grond zat, die door de tusschenliggende tenten voor hem verborgen geweest waren. Verwonderd, dat het kletteren van zijne wapenrusting hunne aandacht nog niet getrokken had, en vermoedende, dat zijne daad bij deze gelegenheid in het geheim moest volbracht worden, zette hij den kleinen hijgenden geleider op den grond, om weder adem te scheppen, en hem dan te zeggen, wat er nu vooreerst te doen was. Nebectamus was even verschrikt als vertoornd; maar hij had zich zoo geheel in de macht van den sterken ridder gevoeld, als een uil in de klauwen van een arend, en hij wilde hem dus niet tot een nieuw bewijs van zijne kracht uittarten.Hij beklaagde zich niet over de behandeling, die hij ondervonden had, maar, door het doolhof van tenten voortgaande, leidde hij den ridder zwijgend naar de tegenovergestelde zijde van de tent, die hem dus aan het gezicht der wachten onttrok, welke òf te nalatig òf te slaperig schenen, om hun plicht met groote zorg te vervullen. Toen zij daar aangekomen waren, lichtte de dwerg het onderste gedeelte van het linnen der tent op, en gaf sir Kenneth een teeken, dat hij daar onderdoor in de tent zou kruipen. De ridder aarzelde—hij achtte het onbetamelijk, zich zoo heimelijk in eene tent te dringen, die zonder twijfel voor het genot van edele vrouwen was opgericht; maar hij tracht zich de zekere teekens te binnen, die hem de dwerghad getoond, en hij trok daaruit het besluit, dat het hem niet paste, om het welgevallen zijner dame in twijfel te trekken.Hij bukte zich derhalve, kroop onder de linnen omgeving der tent door, en hoorde den dwerg fluisteren: „Blijf hier, tot dat ik u roep.”

In de dagen der ridderschap was een gevaarlijke post of eene gevaarvolle onderneming, eene belooning, die dikwijls aan de krijgshaftige dapperheid als eene vergelding voor vroeger doorgestane beproevingen aangewezen werd. Het was middernacht, en de maan stond helder en hoog aan den hemel, toen Kenneth op zijne wacht stond op den St. Georgeberg, naast de banier van Engeland, als een eenzame schildwacht, om het zinnebeeld van die natie tegen de duizenden te verdedigen, welke Richard’s hoogmoed tot zijne vijanden had gemaakt. Fiere gedachten rezen de eene na de andere in het gemoed van den krijgsman op. Het scheen hem toe, alsof hij eenige gunst in de oogen van den ridderlijken monarch verworven had, die hem tot nu toe onder de schaar van dappere mannen, welke zijn roem onder zijne banier had verzameld, niet onderscheiden had, en hij bekreunde er zich niet om, dat de betooning van koninklijke achting daarin bestond, dat hij hem op zulk een zoo gevaarlijken post plaatste. De gloed van zijne eerzuchtige en hoog geplaatste liefde ontvlamde ook zijn geestdrift als krijgsman. Hoe hopeloos die liefde ook was, in bijna alle denkbare omstandigheden, had toch hetgeen zoo pas was voorgevallen den afstand tusschen hem en Edith eenigermate verminderd. Hij, wien Richard de onderscheiding bewezen had, die sir Kenneth thans genoot, was niet langer een avonturier van geringe beteekenis, maar moest opgemerkt worden en voor de prinses gebracht, ofschoon hij even zoover als ooit van hare verheven plaats verwijderd was. Hij kon thans niet meer onbekend en duister zijn.—Als hij op den hem aangewezen post overvallen en gedood werd, zou zijn dood—en hij was overtuigd, dat die roemrijk zou zijn—den lof van Leeuwenhart verwerven, zoowel als zijne wraak na zich sleepen, en door de smart en zelfs de tranen der edelgeborene schoonen van het Engelsche hof gevolgd worden. Hij had thans geen reden meer om te vreezen, dat hij sterven zou, gelijk de dwaas sterft.

Sir Kenneth had nu tijd in overvloed, om deze en soortgelijke hooggestemde gedachten te koesteren, die gevoed werden door dien wilden geest der ridderschap, die, te midden van zijne buitensporige en hersenschimmige vluchten, steeds vrij was van alle baatzucht—moedig, vol toewijding, en misschien alleen in zoover af te keuren, dat hij zich doeleinden en daden voorstelde, die met de menschelijke zwakheden en onvolmaaktheden onbestaanbaar zijn.

De geheele natuur rondom hem sliep in het kalme schijnsel der maan of in diepe schaduw. De lange rijen tenten en paviljoenen, nu eens verlicht dan in het donker gehuld, naarmate zij in het maanlicht of in de schaduw lagen, waren stil en rustig als de straten van eene verlaten stad. Naast de banier lag de reeds gemelde jachthond, de eenige metgezel van Kenneth’s wacht, op wiens waakzaamheid hijrekende, om hem bijtijds te waarschuwen, als er een vijand naderde. Het edele dier scheen het doel van hunne wacht te begrijpen, want het keek van tijd tot tijd naar de rijke plooien van het zware vaandel, en als het geroep der schildwachten zich van het kamp liet hooren, antwoordde hij met een enkelen diepen blaf, als of hij wilde doen blijken, dat ook hij waakzaam was. Van tijd tot tijd liet hij ook zijn hoogen kop zinken en kwispelstaarte, als zijn meester hem voorbijging op de korte baan, welke hij heen en weergaande aflegde; of wanneer de ridder stil en peinzend stond, op zijne lans leunende, en ten hemel geslagen oogen, waagde zijn getrouwe gezelschapper het somtijds, om hem in zijne gedachten te storen en uit zijne droomerijen te wekken, door zijne groote, ruige snuit te leggen in de hand van den ridder, die met een ijzeren handschoen bekleed was, om dan eene kortstondige liefkozing te ontvangen. Eensklaps echter, blafte hij woedend, en scheen op het punt om vooruit te stuiven naar de plek, waar de schaduw het donkerst was, hij wachtte echter, even alsof hij aan een touw lag, tot dat hij den wil van zijn meester zou vernomen hebben.

„Wie is daar?” vroeg sir Kenneth, bespeurende, dat er iets op den in schaduw gehulden grond voorwaarts kroop.

„In den naam van Merlin en Maugis,” antwoordde eene heesche,onaangename stem, „bind uw viervoetigen duivel daar vast, of ik kom niet bij u.”

„En wie zijt gij, dat gij mijn post zoudt willen naderen?” vervolgde sir Kenneth, terwijl hij zijne oogen zoo scherp mogelijk op een voorwerp richtte, dat hij slechts kon zien bewegen, zonder zijne gedaante te kunnen onderscheiden. „Wees op uwe hoede—ik sta hier op dood en leven.”

„Neem uw langbeenigen satan bij u,” zeide de stem, „of ik zal hem met een pijl uit mijn handboog bezweren.”

Op hetzelfde oogenblik hoorde hij het geluid, alsof er een handboog gespannen werd.

„Ontspan uw handboog en kom in het maanlicht,” riep de Schot, „of bij St. Andreas, ik zal u aan den grond vastspijkeren, wat of wie gij zijn moogt.”

Terwijl hij zoo sprak, vatte hij zijne lange lans bij het midden, en, zijn oog op het voorwerp vestigende, dat zich scheen te bewegen, zwaaide hij het wapentuig, alsof hij het uit zijne hand wilde werpen,—een gebruik, dat men somwijlen, ofschoon zelden, van dit wapen maakte, wanneer men een werpspies noodig had. Hij schaamde zich echter over zijn voornemen, en liet zijn wapen zinken, toen er uit de schaduw, als een tooneelspeler, die op het tooneel verschijnt, een mismaakt en ellendig schepsel in het maanlicht trad, dat hij aan zijne zonderlinge kleeding en zijne wanstaltige vormen zelfs op eenigen afstand voor den mannelijke der beide dwergen herkende, die hij in de kapel van Engaddi had gezien. Op hetzelfde oogenblik bracht hij zich de andere en zeer verschillende tafereelen van dien buitengewonen nacht te binnen, gaf zijn hond een teeken, dat hij dadelijk verstond, en deze, naar den standaard terugkeerende, legde zich met een onderdrukt knorren daarnaast neder.

Het kleine, vergroeide miniatuurbeeld der menschheid, verzekerd van zijne veiligheid ten opzichte van een zoo gevaarlijken vijand, kwam hijgende tegen de hoogte op, wat de kortheid zijner beenen moeilijk maakte, en toen hij boven op den platten top er van gekomen was, nam hij in de linkerhand zijn kleinen handboog, die juist een stuk speelgoed was, als waarmede de kinderen van dien tijd vogels mochten schieten, en eene houding van groote waardigheid aannemende, strekte hij zijne hand met bevalligheid naar sir Kenneth uit, alsof hij verwachtte, dat hij deze kussen zoude. Maar, daar dit niet volgde, vroeg hij op scherpen en vergramden toon: „krijgsman, waarom bewijst gij Nebectamus de hulde niet, die aan zijne waardigheid verschuldigd is?—Of is het mogelijk, dat gij hem vergeten kondt?”

„Groote Nebectamus,” antwoordde de ridder, die de kwade luim van den dwerg wilde doen bedaren, „dat zou moeilijk zijn voor iemand, die u maar eens had aanschouwd. Vergeef mij echter, dat ik, een soldaat op mijn post, met mijn wapen in de hand, aan iemand van uwe macht het voordeel niet mag vergunnen, om binnen den omtrek van mijne wacht te komen, of zich van mijn wapentuig meester temaken. Het zij u voldoende, dat ik uwe waardigheid eerbiedig, en mij met zoo veel onderdanigheid aan u onderwerp, als een krijgsman in mijne plaats vermag.”

„Dit zal voldoende zijn,” hernam Nebectamus, „zoo gij mij dadelijk vergezelt naar degene, die mij hierheen gezonden hebben, om u te roepen.”

„Groote heer,” hervatte de ridder, „ook hierin kan ik u geen voldoening geven, want mijne bevelen luiden, om tot aan het aanbreken van den dag bij deze banier te blijven—dus verzoek ik u, om mij ook in deze zaak te verontschuldigen.”

Met deze woorden hervatte hij zijne wandeling op den platten top; maar de dwerg liet hem zoo gemakkelijk niet aan zijn lastig verzoek ontsnappen.

„Kom,” zeide hij, zich voor sir Kenneth plaatsende, om hem den weg te versperren, „gehoorzaam mij, heer ridder, zoo uw plicht van u vordert, of ik zal u het bevel opleggen in den naam van een persoon, wier schoonheid de geniussen uit hunne sfeer roepen, en wier grootheid den onsterfelijken stam, waarvan zij afkomstig waren, beheerschen kon.”

Een stout, onwaarschijnlijk vermoeden kwam in het gemoed des ridders op, maar hij onderdrukte dit. Het was onmogelijk, dacht hij, dat de dame zijner liefde hem zulk een last door zulk een boodschapper zou zenden. Toch sidderde zijne stem, toen hij zeide: „Ga voort, Nebectamus—zeg mij op eenmaal en als een oprecht man, of deze verheven dame, van wie gij spreekt, eene andere is, dan dehouri, met wier bijstand ik u de kapel te Engaddi heb zien vegen?”

„Hoe! verwaand ridder,” antwoordde de dwerg, „meent gij, dat de meesteres van onze koninklijke liefde, de deelgenoote van onze grootheid en onze aanvalligheid, zich zoo ver zou willen vernederen, om een last te geven aan een vasal als u! Neen, hoe hoog gij ook vereerd wordt, toch hebt gij nog de aandacht van haar niet verdiend, voor wier hoogen zetel zelfs vorsten slechts als pygmeën verschijnen. Maar zie hier, en wanneer gij dit teeken erkent of verloochent, zoo gehoorzaam of weiger de bevelen van haar, die zich werkelijk verwaardigd heeft, u die op te leggen.”

Dit zeggende legde hij in des ridders hand een robijn-ring van hooge waarde, dien hij zelfs in het maanlicht zeer gemakkelijk herkende voor dien, welk gewoonlijk den vinger versierde van de hoog-edele dame, aan wier dienst hij zich gewijd had. Zoo hij aan de waarheid van het teeken had kunnen twijfelen, zou hij overtuigd geworden zijn door den kleinen strik van vleeschkleurig lint, die aan den ring bevestigd was. Dit was de geliefkoosde kleur van zijne dame, en meer dan eens had hij zelf, de vleeschkleur voor zijne eigenlivreiaannemende, die doen zegepralen over andere kleuren in het tournooiveld en in den slag.

Hij stond bijna sprakeloos, toen hij zulk een teeken in zulke handenzag, terwijl de dwerg op zegepralenden toon lachend en zijn groot, wanstaltig hoofd schuddend uitriep: „Weiger nu mijne bevelen—laat nu eens na om aan mijne oproeping te gehoorzamen—twijfel nu nog, dat ik Arthur van Tintagel ben, die het recht heeft om over de geheele Britsche ridderschap het bevel te voeren.”

„In den naam van alles, wat heilig is, van wie brengt gij dit teeken?” vroeg de ridder; „breng, zoo gij kunt, uw geschokten geest voor een paar minuten tot behoorlijke kalmte, en noem mij de persoon, door wie gij gezonden zijt, en den waren inhoud van uwe boodschap—en let wel op hetgeen gij zegt, want dit is geen onderwerp van scherts.”

„Verliefd en dwaas ridder,” antwoordde de dwerg; „wilt gij meer van deze zaak weten, dan dat gij met de bevelen eener prinses vereerd wordt, die door een koning worden overgebracht?—Wij hebben geen lust om verder met u te spreken, en bevelen u in den naam en uit kracht van dien ring, om ons te volgen naar de eigenares ervan. Elke minuut verwijl is eene misdaad tegen uw plicht van gehoorzaamheid.”

„Goede Nebectamus, bedenk u,” hernam de ridder, „kan mijne dame weten, waar en op welken post ik dezen nacht sta?—Is zij bewust, dat mijn leven—o, waarom van mijn leven te spreken—maar dat mijne eer ervan afhangt, om deze banier tot het aanbreken van den dag te bewaken—en kan het haar wensch zijn, dat ik die verlaten zou, al was het dan ook om haar te bezoeken!—Het is onmogelijk, de prinses gelieft met haar dienaar den spot te drijven, door hem zulk een last te zenden; en ik moet dit zooveel te eer gelooven, daar zij zulk een bode gekozen heeft.”

„Nu, behoud uw geloof,” hervatte Nebectamus, zich omkeerende alsof hij de hoogte wilde verlaten, „er ligt mij weinig aan gelegen, of gij een verrader of een getrouw ridder jegens deze koninklijke dame zijt …. dus, vaarwel.”

„Blijf, blijf—ik bid u, blijf,” riep sir Kenneth; „beantwoord mij slechts ééne vraag—is de dame, die u gezonden heeft, dicht bij deze plaats?”

„Wat doet er dat toe?” antwoordde de dwerg; „moet men de trouw berekenen naar vademen, of uren, of mijlen, even als de arme koerier, die volgens den afstand, dien hij doorloopt, voor zijn werk betaald wordt? Niettemin zeg ik u, achterdochtige ziel, dat de schoone eigenares van den ring, die thans aan een zoo onwaardigen vasal gezonden wordt, niet verder van deze plaats af is, dan zoover als deze onze boog een pijl kan brengen.”

De ridder staarde weder op den ring, alsof hij zich wilde overtuigen, dat er met geen mogelijkheid bedrog in het teeken kon zijn.—„Zeg mij,” vroeg hij aan den dwerg; „wordt mijne tegenwoordigheid voor een langen tijd vereischt?”

„Tijd!” antwoordde Nebectamus op zijne vluchtige wijze: „wat noemt gij tijd? Ik zie dien niet, ik voel dien niet—het is slechts een onbestemde naam—eene aaneenschakeling van ademhalingen, die desnachts door den klank eener klok en des daags door de schaduw op een zonnewijzer aangeduid wordt. Weet gij niet, dat de tijd van een waar ridder slechts gerekend moet worden naar de daden, die hij voor God en zijne dame verricht?”

„Woorden der waarheid ofschoon in den mond der dwaasheid,” zeide de ridder. „En roept mijne dame mij wezenlijk tot het verrichten van eene daad in haar naam en om harentwille?—en kan die niet eens de weinige uren tot na het aanbreken van den dageraad opgeschort worden?”

„Zij vordert uwe tegenwoordigheid oogenblikkelijk,” antwoordde de dwerg; „en zonder verlies van zooveel tijd als het afloopen van tien zandkorrels in den zandlooper bedragen zouden.—Luister, koelbloedig en achterdochtig ridder, dit zijn hare eigene woorden,—zeg hem, dat de hand, die rozen liet vallen, ook lauweren kan schenken.”

Deze toespeling op hunne ontmoeting in de kapel van Engaddi deed in sir Kenneth’s brein duizend herinneringen opkomen, en overtuigde hem, dat de last, door den dwerg overgebracht, echt was. De rozeknoppen, hoe verwelkt dan ook, waren onder zijn harnas verborgen, zoo dicht mogelijk aan zijn hart. Hij zweeg eene poos, en kon er niet toe besluiten om eene gelegenheid—misschien de eenige, die hem ooit zou worden aangeboden—te laten voorbijgaan, om in de gunst te komen bij haar, die hij tot meesteres van zijne genegenheid uitverkoren had. De dwerg vermeerderde intusschen zijne verlegenheid, door er op te staan, dat hij den ring zou teruggeven, of hem dadelijk vergezellen.

„Wacht, wacht nog een oogenblik,” zeide de ridder, en prevelde toen verder in zich zelven: „Ben ik de onderdaan of de slaaf van Koning Richard meer dan een vrij ridder, die den dienst van den kruistocht bezworen heeft, behoeft te zijn? En tot wiens eer ben ik hierheen gekomen met lans en zwaard?—Tot eer van onze heilige Maagd en mijne voortreffelijke dame.”

„De ring, de ring,” riep de dwerg ongeduldig; „valsch en traag ridder, geef den ring terug, dien gij onwaardig zijt aan te raken of aan te zien.”

„Een oogenblik, een oogenblik, goede Nebectamus,” hernam de ridder; „stoor mij niet in mijne gedachten.—Zoo de Sarraceenen thans juist onze liniën aanvielen—zou ik dan hier staan als een gezworen vasal van Engeland, om te waken, dat zijn trots geen schimp aangedaan werd, of zou ik mij naar de bres spoeden, om voor het kruis te strijden? En naast de bevelen van God komen die van mijne gebiedende dame.—En toch, Richard’s last—mijne eigen belofte—Nebectamus, ik bezweer u te zeggen, moet gij mij ver van hier geleiden.”

„Slechts naar gindsche tent; en daar gij het dan toch weten moet,” antwoordde Nebectamus, „de maan beschijnt den gouden kogel, die haar dak kroont, en eens konings losgeld waard is.”

„Ik kan in een oogenblik terugkeeren,” zeide de ridder, zijne oogen moedwillig voor alle verdere gevolgen sluitende. „Ik kan van daar het blaffen van mijn hond hooren, zoo iemand den standaard nadert—ik wil mij aan de voeten mijner dame werpen, en haar verlof verzoeken om terug te keeren, ten einde mijne wacht te volbrengen. Hier, Roswell, zeide hij, zijn hond roepende, en zijn mantel naast den vaandelstok werpend; „houd hier de wacht en laat niemand naderen.”

De majestueuse hond zag zijn meester in het gelaat, alsof hij hem verzekeren wilde, dat hij zijn last verstond, ging toen naast den mantel zitten, met opgestoken ooren en uitgestrekten kop, alsof hij het doel waarvoor hij daar geplaatst was volmaakt wel begreep.

„Kom nu, goede Nebectamus,” zeide de ridder, „laten wij ons spoeden om de bevelen, die gij overgebracht heb te gehoorzamen.”

„Laat zich haasten wie wil,” antwoordde de dwerg barsch; „gij hebt u geheel niet gehaast, om aan mijne uitnoodiging te voldoen, ook kan ik niet snel genoeg gaan, om uwe groote schreden bij te houden—gij loopt niet als een man, maar gij springt als een struisvogel in de woestijn.”

Er waren slechts twee wegen, om de hardnekkigheid van Nebectamus te overwinnen, die onder het spreken zijn gang tot het kruipen van eene slak vertraagde—voor giften had sir Kenneth geene middelen—voor vleien geen tijd—in zijn ongeduld nam hij den dwerg van den grond op, en hem voortdragende ondanks zijn smeeken en zijne vrees, bereikte hij weldra de tent, die hem de dwerg had aangewezen. Bij het naderbij komen bespeurde hij echter, dat er eene kleine wacht soldaten op den grond zat, die door de tusschenliggende tenten voor hem verborgen geweest waren. Verwonderd, dat het kletteren van zijne wapenrusting hunne aandacht nog niet getrokken had, en vermoedende, dat zijne daad bij deze gelegenheid in het geheim moest volbracht worden, zette hij den kleinen hijgenden geleider op den grond, om weder adem te scheppen, en hem dan te zeggen, wat er nu vooreerst te doen was. Nebectamus was even verschrikt als vertoornd; maar hij had zich zoo geheel in de macht van den sterken ridder gevoeld, als een uil in de klauwen van een arend, en hij wilde hem dus niet tot een nieuw bewijs van zijne kracht uittarten.

Hij beklaagde zich niet over de behandeling, die hij ondervonden had, maar, door het doolhof van tenten voortgaande, leidde hij den ridder zwijgend naar de tegenovergestelde zijde van de tent, die hem dus aan het gezicht der wachten onttrok, welke òf te nalatig òf te slaperig schenen, om hun plicht met groote zorg te vervullen. Toen zij daar aangekomen waren, lichtte de dwerg het onderste gedeelte van het linnen der tent op, en gaf sir Kenneth een teeken, dat hij daar onderdoor in de tent zou kruipen. De ridder aarzelde—hij achtte het onbetamelijk, zich zoo heimelijk in eene tent te dringen, die zonder twijfel voor het genot van edele vrouwen was opgericht; maar hij tracht zich de zekere teekens te binnen, die hem de dwerghad getoond, en hij trok daaruit het besluit, dat het hem niet paste, om het welgevallen zijner dame in twijfel te trekken.

Hij bukte zich derhalve, kroop onder de linnen omgeving der tent door, en hoorde den dwerg fluisteren: „Blijf hier, tot dat ik u roep.”


Back to IndexNext