HOOFDSTUK XIII.

HOOFDSTUK XIII.Gij spreekt van vreugd en onschuldOp ’t oogenblik, dat de noodlottige vrucht was gegeten.Scheidden zij om elkaar niet weer te zien; en de boosheidWas sinds dien tijd de metgezel der dart’le vreugd,Van de eerste stonde af, dat ’t lachend kindDe bloem of vlinder schond, waarmee het speelde,Tot aan den laatsten snik van den stervenden grijsaard,Die op zijndoodsbedlacht als hij verneemt,Dat zijn schatrijke buurman bankroet is gegaan.Oud Tooneelstuk.Sir Kenneth werd eenige oogenblikken in de duisternis alleen gelaten. Dit was weder een oponthoud, dat de afwezigheid van zijn post verlengen moest, en hij begon bijna berouw te gevoelen, over de gemakkelijkheid waarmede hij zich had laten overhalen om dien te verlaten. Maar terug te keeren, zonder lady Edith te zien, daaraan viel niet te denken. Hij had eene inbreuk op de krijgstucht gepleegd, en hij besloot nu ten minste de verwezenlijking af te wachten van de verleidelijke verwachtingen, die hem bewogen hadden om dit te doen. Intusschen was zijn toestand hoogst onaangenaam. Er was geen licht, om hem te doen zien, in welk soort van vertrek hij gebracht was—lady Edith was in het onmiddellijk gevolg van de Koningin van Engeland—en de ontdekking, dat hij zich zoo heimelijk in de koninklijke tent had ingedrongen, kon tot vele en gevaarlijke vermoedens leiden. Terwijl hij zich aan deze onaangename overdenkingen overgaf, en bijna begon te wenschen, dat hij den terugtocht onopgemerkt kon aannemen, hoorde hij het geluid van vrouwelijke stemmen, die in een aangrenzend vertrek lachten, fluisterden en spraken, waarvan hij, zooals de klank hem reden gaf te oordeelen, slechts door een linnen beschot kon gescheiden zijn. Er waren lampen aangestoken, wat hij bespeuren kon door het schemerachtige licht, dat zich zelf aan deze zijde van de afscheiding verspreidde, en hij kon de schaduw van verscheiden gedaanten zien, die in het naaste vertrek zaten en zich bewogen. Men kon het geen onbescheidenheid in sir Kenneth noemen, dat hij in zijn toestand een gesprek beluisterde, waarin hij van zeer nabij betrokken was.„Roep haar—roep haar, om onzer, lieve Vrouwe wil!” zeide eene van deze lachende onzichtbaren. „Nebectamus, gij zult gezant bij het hof van Priester Jan gemaakt worden om hun te toonen, hoe slim gij u van een last kwijten kunt.”Men hoorde de schelle stem van den dwerg, echter zoo zacht, dat sir Kenneth niet verstaan kon, wat hij zeide.„Maar hoe zullen wij ons van den geest ontslaan, dien Nebectamus heeft opgeroepen, meisjes?”„Hoor mij, koninklijke vrouw,” sprak eene andere stem; „zoo de wijze en koninklijke Nebectamus niet al te ijverzuchtig is op zijne allerschitterendste bruid en Keizerin, laten wij deze dan zenden, om ons van de onbeschaamden dolenden ridder te ontslaan, die zich zoo lichtelijk laat wijsmaken, dat hooggeboren dames het gebruik van zijne hooghartige en zich vrij wat aanmoedigende dapperheid kunnen noodig hebben.”„Het ware niet meer dan billijk, dunkt mij,” zeide weer eene andere, „dat prinses Guenever met hoffelijkheid den man weder ontsloeg, dien de slimheid van haar gemaal herwaarts heeft weten te lokken.”Sir Kenneth, getroffen tot in zijn binnenste door schaamte en toorn over hetgeen hij gehoord had, was op het punt om, het koste wat het wilde, zijne ontsnapping uit de tent tot stand te brengen, toen hetgeen er verder volgde hem van dit voornemen deed afzien.„Neen, waarlijk,” zeide zij, die het eerst gesproken had;„onze nicht Edith moet leeren, hoe deze zoo hoog geroemde jongeling zich gedragen heeft, en wij moeten ons de macht voorbehouden, om haar een oogenschijnlijk bewijs te geven, dat hij zijn plicht tekort gedaan heeft. Het zal eene les zijn, die haar goed kan doen; want, geloof mij, Calista, ik heb mij somtijds verbeeld, dat zij dien noordschen avonturier nader tot haar hart heeft laten doordringen, dan de voorzichtigheid kan goedkeuren.”Hij hoorde eene andere iets prevelen van de voorzichtigheid en wijsheid van lady Edith.„Voorzichtigheid, meisje?—Het is louter hoogmoed, en het verlangen om voor strenger gehouden te worden dan eene van ons. Neen, ik wil mijn klein voordeel niet prijsgeven. Gij weet wel, dat, wanneer zij eene fout bij ons opmerkt, niemand op eene beleefder wijze ons beter onze dwaling voorbehouden kan dan mylady Edith.—Maar daar komt zij.”Eene gedaante, die nu in de kamer trad, wierp eene schaduw op den scheidsmuur, die langzaam daarlangs gleed, totdat zij zich met die der anderen vermengde. Ondanks de bittere teleurstelling, die de ridder ondervonden had, of een beleedigenden schimp, dien hem, naar het scheen, door de boosaardigheid, of hoogstens door een ijdele gril van Koningin Berengaria, was aangedaan—want hij was reeds tot het besluit gekomen dat zij, die het luidst en op bevelenden toon sprak, de gemalin van Richard was,—gevoelde hij iets zoo verzachtends, toen hij vernam, dat Edith geen deel had in het hem gespeelde bedrog, en iets zoo belangrijks voor zijne nieuwsgierigheid in het tooneel, dat plaats moest grijpen, dat hij, in stede van zijn voorzichtiger plan te volgen om zich terstond te verwijderen, integendeel begeerig naar eene reet of opening zocht waardoor hij zoowel oog- als oorgetuige worden kon van hetgeen er voorviel. „Voorzeker,” zeide hij bij zich zelven,—„zal de Koningin, wie het om eene ijdele scherts behaagdheeft mijn goeden naam in gevaar te brengen, niet kunnen klagen zoo ik van de kans gebruik maak, die de fortuin mij schijnt te willen aanbieden, om kennis van hare verdere oogmerken te krijgen. Het scheen intusschen, alsof Edith op de bevelen der Koningin wachtte, en alsof deze aarzelde te spreken, uit vrees dat zij en hare gezellinnen zich niet van lachen zouden kunnen onthouden; want sir Kenneth kon niets hooren, dan een geluid van onderdrukt geschater en gelach.„Uwe Majesteit,” zeide Edith eindelijk,„schijnt in eene vroolijke luim te zijn, ofschoon, naar het mij voorkomt, het uur van den nacht veeleer eene slaperige medebrengt. Ik verlang zeer om mij te bed te begeven, toen ik het bevel ontving, mij bij u te voegen.”„Ik wil u niet lang van uwe rust afhouden, nicht,” antwoordde de Koningin; „ofschoon ik vrees, dat gij minder vast zult slapen, wanneer ik u zeg, dat uwe weddenschap verloren is.”„Neen, mijne Koningin,” hernam Edith, „dit noem ik werkelijk slechts eene scherts volhouden, die reeds versleten is. Ik heb niet gewed, maar het was Uwer Majesteits welgevallen te onderstellen of er op te staan, dat ik dit deed.”„Neen waarlijk, schoone nicht, in weerwil van onze bedevaart is satan nog sterk in u, en geeft u leugens in—kunt gij ontkennen, dat gij uw robijnen ring tegen mijn gouden armband verwed hebt, dat die ridder van den Luipaard, of hoe gij hem anders noemt, niet van zijn post kon af getroggeld worden?”„Uwe Majesteit staat te hoog, dan dat ik haar tegenspreken mag,” hervatte Edith; „maar deze dames kunnen, zoo zij willen, getuigen, dat het Uwe Majesteit was, die zulk eene weddenschap voorstelde, en den ring van mijn vinger nam, terwijl ik verklaarde, dat ik het niet betamelijk voor een maagd rekende, om iets over zulk een onderwerp te verwedden.”„Ja maar, mylady Edith,” zeide een der jonge dames; „gij moet toch toegeven, dat gij u met veel vertrouwen over de dapperheid van dien ridder van den Luipaard uitliet.”„En zoo ik dit gedaan heb, freule,” antwoordde Edith driftig, „is dat dan eene gezonde rede, dat gij de gril van Hare Majesteit verdedigen moet? Ik sprak niet anders van hem dan alle menschen, die hem in het veld gezien hebben, en ik had niet meer reden om hem te verdedigen dan gij om hem te verkleinen. Waarvan kunnen de dames in een kamp anders spreken dan van krijgslieden en wapenfeiten?”„De edele lady Edith,” zeide een derde, „heeft het Calista en mij nooit vergeven, dat wij aan Uwe Majesteit gezegd hebben, dat zij in de kapel twee rozenknoppen heeft laten vallen.”„Indien Uwe Majesteit,” zeide Edith op een toon, dien sir Kenneth voor dien van een eerbiedig verwijt erkende, „geene andere bevelen voor mij heeft, dan mij de spotternijen uwer hofdames te doen aanhooren, dan moet ik verlof vragen, om mij te verwijderen.”„Stil, Florica,” zeide de Koningin, „en vergeet door onze toegevendheidden afstand niet tusschen u en de bloedverwante van den Koning van Engeland.—Maar gij, waarde nicht,” vervolgde zij, haar spottenden toon hernemende, „hoe kunt gij, die zoo goedhartig zijt, ons armen een paar minuten lachen benijden, daar wij zoo vele dagen achtereen aan weenen en tandenknarsen gewijd hebben?”„Groot zij uwe vroolijkheid, Koningin, antwoordde Edith; „maar ik zou mijn geheele leven wel niet weder willen glimlachen, indien ….”Zij zweeg, naar het scheen, uit eerbied, maar sir Kenneth kon hooren, dat zij aan een heftige gemoedsaandoening ten prooi was.„Vergeef mij,” hernam Berengaria, eene lichtzinnige maar goedhartige prinses van het Keizerlijke huis, „maar wat is dan eigenlijk de groote beleediging?—Een jong ridder is hierheen gelokt—heeft zich, of liever is van zijn post verwijderd dien niemand in zijne afwezigheid zal aanvallen, ter liefde van eene schoone dame—want, om uw kampioen recht te doen wedervaren, lady, de wijsheid van Nebectamus kon hem in geen anderen naam dan den uwen herwaarts bezweren.”„Goede Hemel! Dat zegt Uwe Majesteit toch niet?” zeide Edith, op een toon van nog grooter ongerustheid dan zij tot hiertoe aan den dag had gelegd; „gij kunt dat niet zeggen, uit achting voor uwe eer en de mijne, die eene bloedverwante van uw gemaal ben—zeg, dat gij met mij geschertst hebt, koninklijke meesteres, en vergeef mij, dat ik ook slechts een oogenblik het voor mogelijk kon houden, dat gij ernstig kondt spreken.”„Lady Edith,” hernam de Koningin op ontevredenen toon, „misgunt ons den ring, dien wij van haar gewonnen hebben.—Wij zullen u het pand teruggeven, schoone nicht; alleen moet gij ons eene kleine zegepraal niet benijden over de wijsheid, die zoo dikwijls over ons, als eene banier over eene krijgsschaar, uitgebreid is.”„Eene zegepraal!” riep Edith verontwaardigd uit; „eene zegepraal!—De zegepraal zal bij den ongeloovige zijn, wanneer hij hoort, dat de Koningin van Engeland den goeden naam van de bloedverwante haars gemaals tot het onderwerp van eene lichtvaardige scherts kan maken.”„Gij zijt boos, schoone nicht, dat gij uw geliefkoosde ring verliest,” zeide de Koningin.—„Komaan, daar gij uw pand niet gaarne wilt verliezen, willen wij van ons recht afstand doen; het was uw naam en dit pand, die hem hier heen brachten, en wij geven niets meer om het lokaas, nu de visch gevangen is.”„Mevrouw,” hernam Edith wrevelig, „gij weet wel, dat Uwe Hoogheid niets van het mijne kan wenschen, of het wordt dadelijk het uwe. Maar ik wilde liever een schepel robijnen geven, dan dat een ring of naam van mij gebruikt was, om een braaf man tot een misstap te brengen en misschien wel tot schande en straf.”„O, het is voor de veiligheid van onzen getrouwen ridder, dat wij vreezen,” hervatte de Koningin. „Gij schat onze macht te laag, schoone nicht, wanneer gij denkt, dat een leven door eene scherts van ons kan verloren gaan. O, lady Edith, ook anderen hebben invloed op deijzeren borsten der krijgslieden, even goed als gij—het hart zelfs van een leeuw is van vleesch en niet van steen gemaakt; en geloof mij, ik heb macht genoeg over Richard, om dezen ridder, om wien lady Edith zoo beangst is, van de straf van ongehoorzaamheid aan zijne koninklijke bevelen te bevrijden.”„Uit liefde voor het heilige kruis, mijne koninklijke gebiedster,” zeide Edith—en sir Kenneth hoorde met een gevoel dat moeilijk zou zijn te verklaren, dat zij zich aan de voeten der Koningin wierp; „uit liefde voor onze heilige Maagd, en elken anderen heilige in den almanak, bedenk wat gij doet. Gij kent Koning Richard niet—gij zijt nog niet lang met hem gehuwd—uw adem kon even goed den westewind bestrijden, wanneer hij het wildst is, als uw woorden mijn koninklijken bloedverwant zouden overreden om eene misdaad tegen den krijgsdienst te vergeven. O! om Gods wil, ontsla dezen ridder, zoo gij hem inderdaad hierheen hebt gelokt—ik zou bijna tevreden zijn, dat de schande van hem genoodigd te hebben, op mij rustte, zoo ik wist, dat hij weder was, waar zijn plicht hem roept.”„Sta op, nicht, sta op,” zeide Koningin Berengaria, „en wees verzekerd, dat alles beter zal gaan, dan gij denkt. Neen, sta op, dierbare Edith, het spijt mij, dat ik een ridder, in wien gij zooveel belang stelt in een scherts betrokken heb.—Neen, wring de handen niet.—Ik wil gelooven, dat gij u niet aan hem gelegen laat zijn—alles, liever dan een zoo jammerlijk gezicht van u te zien. Ik zeg u, dat ik bij Koning Richard den blaam op mij zelve wil nemen ten voordeele van uw Noordschen vriend—uw bekende, wilde ik zeggen, daar gij hem niet als vriend erkent.—Neen, zie niet zoo boos—wij willen Nebectamus zenden, om dezen ridder van den standaard naar zijn post terug te zenden. Hij ligt, denk ik, te loeren in de eene of andere naburige tent.”„Bij mijne kroon van leliën en mijn scepter van uitmuntend riet,” zeide de Nebectamus, „uwe Majesteit vergist zich—hij is naderbij dan gij denkt—hij ligt achter gindschen linnen scheidsmuur verborgen.”„En heeft dus ieder woord kunnen hooren, dat wij gesproken hebben!” riep de Koningin op haar beurt ten hoogste verrast en ontroerd.„Ga heen monster van dwaasheid en boosaardigheid!”Terwijl zij deze woorden uitte, vlood Nebectamus uit de tent met zulk een luiden gil, dat het nog twijfelachtig is, of Berengaria hare mondelijke verwijtingen bij woorden bepaald, of eenige krachtiger uitdrukking van haar ongenoegen er bij gevoegd had.„Wat is er nu te doen?” vroeg de Koningin aan Edith op zachten toon, maar met onverholen onrust.„Hetgeen geschieden moet,” antwoordde Edith met vaste stem. „Wij moeten dezen ridder zien, en ons aan zijn genade overgeven.”Bij die woorden begon zij ijlings een gordijn los te maken, dat aan den eenen kant een ingang bedekte.„Om Hemels wil, laat af—bedenk,” riep de Koningin, „mijn vertrek—onze kleeding—het uur—mijne eer.”Maar vóór zij haar vertoog ten einde konde brengen, viel het gordijn, en er bestond niet langer een scheidsmuur tusschen den gewapenden ridder en het dames gezelschap. De warmte van een Oosterschen nacht was oorzaak, dat de huiselijke kleeding van Koningin Berengaria en haar gevolg eenvoudiger en minder verzorgd was, dan haar rang en de tegenwoordigheid van een toeschouwer van rang toeliet. Dit schoot de Koningin te binnen, en met een luiden gil vlood zij uit het vertrek, waar sir Kenneth stond, naar eene andere afdeeling van de ruime tent. De smart en aandoening van lady Edith, zoowel als het groot belang dat zij stelde in eene haastige verklaring met den Schotschen ridder, deed haar misschien vergeten, dat hare lokken losser hingen en zij minder zorgvuldig gekleed was dan de gewoonte was bij hooggeboren jonkvrouwen in eene eeuw, welke over het geheel niet de meest kiesche en nauwgezetste van den ouden tijd was. Een dun los kleed van bleekroode zijde maakte het voornaamste gedeelte van hare kleeding uit, met Oostersche muilen, waarin zij haastig hare bloote voeten gestoken had, en een rijke sjerp, die zij in aller ijl los om haar schouders had geslingerd. Haar hoofd had geen ander bekleedsel dan den sluier van rijke, loshangende lokken, die van alle zijden er om heen hingen, en een gelaat half verborgen, dat een gemengd gevoel van zedigheid en toorn, en andere diepe en aandoenlijke gewaarwordingen met karmozijn overtogen hadden.Maar ofschoon zij haar toestand met het teedere gevoel, dat de grootste bekoorlijkheid van haar geslacht is, besefte, zoo scheen zij toch geen oogenblik hare eigen beschroomdheid te tellen tegenover den plicht, dien zij meende verschuldigd te zijn aan hem, die om harentwil in dwaling en gevaar gebracht was. Zij trok, weliswaar, haar sjerp enger om haar hals en boezem, en zette haastig eene lamp uit hare hand, die te veel licht op hare gestalte wierp. Maar terwijl sir Kenneth roerloos op dezelfde plek stond, waar hij het eerst ontdekt werd, ging zij eer naar hem dan dat zij zich van hem verwijderde, en riep uit: „Haast u naar uw post, dappere ridder, men heeft u misleid door u herwaarts te lokken.—Doe mij geen vragen.”„Ik behoef er geene te doen,” antwoordde de ridder, op de eene knie vallende, met den godsdienstigen eerbied voor een heilige bij het altaar, en de oogen naar den grond richtende, uit vrees dat zijne blikken de verlegenheid der dame zouden vermeerderen.„Hebt gij alles gehoord?” vroeg Edith ongeduldig.—„Genadige heiligen! waarom toeft gij dan hier, terwijl elke minuut, die voorbij vliegt, met schande beladen is.”„Ik heb gehoord, dat ik onteerd ben, prinses, en ik heb het van u gehoord. Wat deert het mij, hoe spoedig de straf volgt. Ik heb slechts een verzoek aan u, en dan zoek ik te midden van de zwaarden der ongeloovigen, of de schande niet door bloed kan afgewasschen worden?”„Doe dat ook niet,” antwoordde de prinses. „Wees verstandig—draal hier niet—alles kan nog goed zijn, indien gij u slechts spoeden wilt.”„Ik wacht slechts op uwe vergiffenis,” hernam de ridder nog steeds knielende, „voor mijne inbeelding, dat mijne geringe diensten door u verlangd of op prijs gesteld konden worden.”„Ik vergeef u—o, ik heb niets te vergeven. Ik ben het werktuig geweest waardoor gij beleedigd zijt. Maar o, vertrek—ik wil u vergeven—ik wil u achten, als ik elken dapperen kruisvaarder acht zoo gij slechts vertrekken wilt.”„Ontvang eerst dit kostbaar en zoo noodlottig pand,” hernam de ridder den ring aan Edith toereikende, die thans teekenen van ongeduld begon te geven.„O neen, neen,” hervatte zij, weigerende dien aan te nemen. „Behoud hem—behoud hem als een teeken van mijne achting—van mijn berouw wilde ik zeggen. O, ga, zoo niet om uwent dan om mijnentwil.”Sir Kenneth, bijna zelfs voor het verlies der eer schadeloos gesteld, dat hare stem hem had aangekondigd, door het belang, dat zij in zijne redding scheen te stellen, stond van zijne knie op, en een vluchtigen blik op Edith werpende, maakte hij eene diepe buiging en verwijderde zich. Op hetzelfde oogenblik zegepraalde die maagdelijke schroomvalligheid, welke de kracht van Edith’s gevoel tot op dat oogenblik beheerscht had, op hare beurt, zij ijlde uit het vertrek, onder het gaan hare lamp uitblusschende, en liet sir Kenneth naar lichaam en geestinduisternis achter. Zij moest gehoorzaamd worden, dit was de eerste gedachte, die hem uit zijn droomerij opwekte, en hij spoedde zich naar de plaats, waardoor hij in de tent gekomen was. Onder het linnen door te kruipen, op de wijze, zooals hij er in gekomen was, vorderde tijd en oplettendheid, en hij maakte eene groote opening door er met zijn dolk een gat in te snijden. Toen hij in de vrije lucht was, gevoelde hij zich bedwelmd en overmand door een strijd van gewaarwordingen, en geheel onbekwaam om het met zichzelven eens te worden, wat er werkelijk gebeurd was. Hij was verplicht om te handelen, zich te bewegen, door de herinnering, dat lady Edith spoed gevorderd had. Nochtans bij de verwarring van tenten en tentlijnen, moest hij voorzichtig gaan, totdat hij het pad of de laan bereikt had, waarlangs de dwerg hem geleid had, ten einde de aandacht van de wachten voor de tent der Koningin te ontgaan, om geen gedruisch te maken door te vallen of met zijne wapenen te kletteren. Eene dunne wolk had bovendien de maan verduisterd, op hetzelfde oogenblik toen hij de tent verliet, en hij had met deze bezwaren te worstelen op een tijd, toen de duizeligheid van zijn hoofd en de volheid van zijn hart hem nauwelijks genoegzame kracht tot overleg van zijne daden overliet. Maar eensklaps troffen er klanken zijn oor, die hem plotseling tot de volle veerkracht zijner vermogens terugriepen. Deze kwamen van den berg van St. George. Hij hoorde eerst een enkelen woesten, toornigen blaf, die oogenblikkelijk door een angstigen gil gevolgd werd. Geen wild sprong ooit met woester vlucht op de stem van Roswal op, dan sir Kenneth bij hetgeen hij vreesde, dat de doodsgil van dien edelen hond was, wien geene gewone mishandeling zelfs het minste teeken van smart kon doen uiten. Hij doorliep de ruimte, die hem van de laan scheidde, en toen hij die bereikt had, richtte hij zich naar den heuvel. Ofschoon hij met zijne wapenrusting beladen was,liep hij sneller dan andere menschen hem konden begeleid hebben, zelfs al waren zij ongewapend geweest. Hij vertraagde zelfs zijne schreden niet, toen hij aan de steile wanden van den wal kwam, en in weinige minuten stond hij op den top er van. De maan brak op dit oogenblik door de wolk, en toonde hem, dat de standaard van Engeland verdwenen was, de speer, waarop die wapperde, gebroken op den grond lag, en daarnaast zijn getrouwe hond, naar het scheen in de stuiptrekkingen des doods.

HOOFDSTUK XIII.Gij spreekt van vreugd en onschuldOp ’t oogenblik, dat de noodlottige vrucht was gegeten.Scheidden zij om elkaar niet weer te zien; en de boosheidWas sinds dien tijd de metgezel der dart’le vreugd,Van de eerste stonde af, dat ’t lachend kindDe bloem of vlinder schond, waarmee het speelde,Tot aan den laatsten snik van den stervenden grijsaard,Die op zijndoodsbedlacht als hij verneemt,Dat zijn schatrijke buurman bankroet is gegaan.Oud Tooneelstuk.Sir Kenneth werd eenige oogenblikken in de duisternis alleen gelaten. Dit was weder een oponthoud, dat de afwezigheid van zijn post verlengen moest, en hij begon bijna berouw te gevoelen, over de gemakkelijkheid waarmede hij zich had laten overhalen om dien te verlaten. Maar terug te keeren, zonder lady Edith te zien, daaraan viel niet te denken. Hij had eene inbreuk op de krijgstucht gepleegd, en hij besloot nu ten minste de verwezenlijking af te wachten van de verleidelijke verwachtingen, die hem bewogen hadden om dit te doen. Intusschen was zijn toestand hoogst onaangenaam. Er was geen licht, om hem te doen zien, in welk soort van vertrek hij gebracht was—lady Edith was in het onmiddellijk gevolg van de Koningin van Engeland—en de ontdekking, dat hij zich zoo heimelijk in de koninklijke tent had ingedrongen, kon tot vele en gevaarlijke vermoedens leiden. Terwijl hij zich aan deze onaangename overdenkingen overgaf, en bijna begon te wenschen, dat hij den terugtocht onopgemerkt kon aannemen, hoorde hij het geluid van vrouwelijke stemmen, die in een aangrenzend vertrek lachten, fluisterden en spraken, waarvan hij, zooals de klank hem reden gaf te oordeelen, slechts door een linnen beschot kon gescheiden zijn. Er waren lampen aangestoken, wat hij bespeuren kon door het schemerachtige licht, dat zich zelf aan deze zijde van de afscheiding verspreidde, en hij kon de schaduw van verscheiden gedaanten zien, die in het naaste vertrek zaten en zich bewogen. Men kon het geen onbescheidenheid in sir Kenneth noemen, dat hij in zijn toestand een gesprek beluisterde, waarin hij van zeer nabij betrokken was.„Roep haar—roep haar, om onzer, lieve Vrouwe wil!” zeide eene van deze lachende onzichtbaren. „Nebectamus, gij zult gezant bij het hof van Priester Jan gemaakt worden om hun te toonen, hoe slim gij u van een last kwijten kunt.”Men hoorde de schelle stem van den dwerg, echter zoo zacht, dat sir Kenneth niet verstaan kon, wat hij zeide.„Maar hoe zullen wij ons van den geest ontslaan, dien Nebectamus heeft opgeroepen, meisjes?”„Hoor mij, koninklijke vrouw,” sprak eene andere stem; „zoo de wijze en koninklijke Nebectamus niet al te ijverzuchtig is op zijne allerschitterendste bruid en Keizerin, laten wij deze dan zenden, om ons van de onbeschaamden dolenden ridder te ontslaan, die zich zoo lichtelijk laat wijsmaken, dat hooggeboren dames het gebruik van zijne hooghartige en zich vrij wat aanmoedigende dapperheid kunnen noodig hebben.”„Het ware niet meer dan billijk, dunkt mij,” zeide weer eene andere, „dat prinses Guenever met hoffelijkheid den man weder ontsloeg, dien de slimheid van haar gemaal herwaarts heeft weten te lokken.”Sir Kenneth, getroffen tot in zijn binnenste door schaamte en toorn over hetgeen hij gehoord had, was op het punt om, het koste wat het wilde, zijne ontsnapping uit de tent tot stand te brengen, toen hetgeen er verder volgde hem van dit voornemen deed afzien.„Neen, waarlijk,” zeide zij, die het eerst gesproken had;„onze nicht Edith moet leeren, hoe deze zoo hoog geroemde jongeling zich gedragen heeft, en wij moeten ons de macht voorbehouden, om haar een oogenschijnlijk bewijs te geven, dat hij zijn plicht tekort gedaan heeft. Het zal eene les zijn, die haar goed kan doen; want, geloof mij, Calista, ik heb mij somtijds verbeeld, dat zij dien noordschen avonturier nader tot haar hart heeft laten doordringen, dan de voorzichtigheid kan goedkeuren.”Hij hoorde eene andere iets prevelen van de voorzichtigheid en wijsheid van lady Edith.„Voorzichtigheid, meisje?—Het is louter hoogmoed, en het verlangen om voor strenger gehouden te worden dan eene van ons. Neen, ik wil mijn klein voordeel niet prijsgeven. Gij weet wel, dat, wanneer zij eene fout bij ons opmerkt, niemand op eene beleefder wijze ons beter onze dwaling voorbehouden kan dan mylady Edith.—Maar daar komt zij.”Eene gedaante, die nu in de kamer trad, wierp eene schaduw op den scheidsmuur, die langzaam daarlangs gleed, totdat zij zich met die der anderen vermengde. Ondanks de bittere teleurstelling, die de ridder ondervonden had, of een beleedigenden schimp, dien hem, naar het scheen, door de boosaardigheid, of hoogstens door een ijdele gril van Koningin Berengaria, was aangedaan—want hij was reeds tot het besluit gekomen dat zij, die het luidst en op bevelenden toon sprak, de gemalin van Richard was,—gevoelde hij iets zoo verzachtends, toen hij vernam, dat Edith geen deel had in het hem gespeelde bedrog, en iets zoo belangrijks voor zijne nieuwsgierigheid in het tooneel, dat plaats moest grijpen, dat hij, in stede van zijn voorzichtiger plan te volgen om zich terstond te verwijderen, integendeel begeerig naar eene reet of opening zocht waardoor hij zoowel oog- als oorgetuige worden kon van hetgeen er voorviel. „Voorzeker,” zeide hij bij zich zelven,—„zal de Koningin, wie het om eene ijdele scherts behaagdheeft mijn goeden naam in gevaar te brengen, niet kunnen klagen zoo ik van de kans gebruik maak, die de fortuin mij schijnt te willen aanbieden, om kennis van hare verdere oogmerken te krijgen. Het scheen intusschen, alsof Edith op de bevelen der Koningin wachtte, en alsof deze aarzelde te spreken, uit vrees dat zij en hare gezellinnen zich niet van lachen zouden kunnen onthouden; want sir Kenneth kon niets hooren, dan een geluid van onderdrukt geschater en gelach.„Uwe Majesteit,” zeide Edith eindelijk,„schijnt in eene vroolijke luim te zijn, ofschoon, naar het mij voorkomt, het uur van den nacht veeleer eene slaperige medebrengt. Ik verlang zeer om mij te bed te begeven, toen ik het bevel ontving, mij bij u te voegen.”„Ik wil u niet lang van uwe rust afhouden, nicht,” antwoordde de Koningin; „ofschoon ik vrees, dat gij minder vast zult slapen, wanneer ik u zeg, dat uwe weddenschap verloren is.”„Neen, mijne Koningin,” hernam Edith, „dit noem ik werkelijk slechts eene scherts volhouden, die reeds versleten is. Ik heb niet gewed, maar het was Uwer Majesteits welgevallen te onderstellen of er op te staan, dat ik dit deed.”„Neen waarlijk, schoone nicht, in weerwil van onze bedevaart is satan nog sterk in u, en geeft u leugens in—kunt gij ontkennen, dat gij uw robijnen ring tegen mijn gouden armband verwed hebt, dat die ridder van den Luipaard, of hoe gij hem anders noemt, niet van zijn post kon af getroggeld worden?”„Uwe Majesteit staat te hoog, dan dat ik haar tegenspreken mag,” hervatte Edith; „maar deze dames kunnen, zoo zij willen, getuigen, dat het Uwe Majesteit was, die zulk eene weddenschap voorstelde, en den ring van mijn vinger nam, terwijl ik verklaarde, dat ik het niet betamelijk voor een maagd rekende, om iets over zulk een onderwerp te verwedden.”„Ja maar, mylady Edith,” zeide een der jonge dames; „gij moet toch toegeven, dat gij u met veel vertrouwen over de dapperheid van dien ridder van den Luipaard uitliet.”„En zoo ik dit gedaan heb, freule,” antwoordde Edith driftig, „is dat dan eene gezonde rede, dat gij de gril van Hare Majesteit verdedigen moet? Ik sprak niet anders van hem dan alle menschen, die hem in het veld gezien hebben, en ik had niet meer reden om hem te verdedigen dan gij om hem te verkleinen. Waarvan kunnen de dames in een kamp anders spreken dan van krijgslieden en wapenfeiten?”„De edele lady Edith,” zeide een derde, „heeft het Calista en mij nooit vergeven, dat wij aan Uwe Majesteit gezegd hebben, dat zij in de kapel twee rozenknoppen heeft laten vallen.”„Indien Uwe Majesteit,” zeide Edith op een toon, dien sir Kenneth voor dien van een eerbiedig verwijt erkende, „geene andere bevelen voor mij heeft, dan mij de spotternijen uwer hofdames te doen aanhooren, dan moet ik verlof vragen, om mij te verwijderen.”„Stil, Florica,” zeide de Koningin, „en vergeet door onze toegevendheidden afstand niet tusschen u en de bloedverwante van den Koning van Engeland.—Maar gij, waarde nicht,” vervolgde zij, haar spottenden toon hernemende, „hoe kunt gij, die zoo goedhartig zijt, ons armen een paar minuten lachen benijden, daar wij zoo vele dagen achtereen aan weenen en tandenknarsen gewijd hebben?”„Groot zij uwe vroolijkheid, Koningin, antwoordde Edith; „maar ik zou mijn geheele leven wel niet weder willen glimlachen, indien ….”Zij zweeg, naar het scheen, uit eerbied, maar sir Kenneth kon hooren, dat zij aan een heftige gemoedsaandoening ten prooi was.„Vergeef mij,” hernam Berengaria, eene lichtzinnige maar goedhartige prinses van het Keizerlijke huis, „maar wat is dan eigenlijk de groote beleediging?—Een jong ridder is hierheen gelokt—heeft zich, of liever is van zijn post verwijderd dien niemand in zijne afwezigheid zal aanvallen, ter liefde van eene schoone dame—want, om uw kampioen recht te doen wedervaren, lady, de wijsheid van Nebectamus kon hem in geen anderen naam dan den uwen herwaarts bezweren.”„Goede Hemel! Dat zegt Uwe Majesteit toch niet?” zeide Edith, op een toon van nog grooter ongerustheid dan zij tot hiertoe aan den dag had gelegd; „gij kunt dat niet zeggen, uit achting voor uwe eer en de mijne, die eene bloedverwante van uw gemaal ben—zeg, dat gij met mij geschertst hebt, koninklijke meesteres, en vergeef mij, dat ik ook slechts een oogenblik het voor mogelijk kon houden, dat gij ernstig kondt spreken.”„Lady Edith,” hernam de Koningin op ontevredenen toon, „misgunt ons den ring, dien wij van haar gewonnen hebben.—Wij zullen u het pand teruggeven, schoone nicht; alleen moet gij ons eene kleine zegepraal niet benijden over de wijsheid, die zoo dikwijls over ons, als eene banier over eene krijgsschaar, uitgebreid is.”„Eene zegepraal!” riep Edith verontwaardigd uit; „eene zegepraal!—De zegepraal zal bij den ongeloovige zijn, wanneer hij hoort, dat de Koningin van Engeland den goeden naam van de bloedverwante haars gemaals tot het onderwerp van eene lichtvaardige scherts kan maken.”„Gij zijt boos, schoone nicht, dat gij uw geliefkoosde ring verliest,” zeide de Koningin.—„Komaan, daar gij uw pand niet gaarne wilt verliezen, willen wij van ons recht afstand doen; het was uw naam en dit pand, die hem hier heen brachten, en wij geven niets meer om het lokaas, nu de visch gevangen is.”„Mevrouw,” hernam Edith wrevelig, „gij weet wel, dat Uwe Hoogheid niets van het mijne kan wenschen, of het wordt dadelijk het uwe. Maar ik wilde liever een schepel robijnen geven, dan dat een ring of naam van mij gebruikt was, om een braaf man tot een misstap te brengen en misschien wel tot schande en straf.”„O, het is voor de veiligheid van onzen getrouwen ridder, dat wij vreezen,” hervatte de Koningin. „Gij schat onze macht te laag, schoone nicht, wanneer gij denkt, dat een leven door eene scherts van ons kan verloren gaan. O, lady Edith, ook anderen hebben invloed op deijzeren borsten der krijgslieden, even goed als gij—het hart zelfs van een leeuw is van vleesch en niet van steen gemaakt; en geloof mij, ik heb macht genoeg over Richard, om dezen ridder, om wien lady Edith zoo beangst is, van de straf van ongehoorzaamheid aan zijne koninklijke bevelen te bevrijden.”„Uit liefde voor het heilige kruis, mijne koninklijke gebiedster,” zeide Edith—en sir Kenneth hoorde met een gevoel dat moeilijk zou zijn te verklaren, dat zij zich aan de voeten der Koningin wierp; „uit liefde voor onze heilige Maagd, en elken anderen heilige in den almanak, bedenk wat gij doet. Gij kent Koning Richard niet—gij zijt nog niet lang met hem gehuwd—uw adem kon even goed den westewind bestrijden, wanneer hij het wildst is, als uw woorden mijn koninklijken bloedverwant zouden overreden om eene misdaad tegen den krijgsdienst te vergeven. O! om Gods wil, ontsla dezen ridder, zoo gij hem inderdaad hierheen hebt gelokt—ik zou bijna tevreden zijn, dat de schande van hem genoodigd te hebben, op mij rustte, zoo ik wist, dat hij weder was, waar zijn plicht hem roept.”„Sta op, nicht, sta op,” zeide Koningin Berengaria, „en wees verzekerd, dat alles beter zal gaan, dan gij denkt. Neen, sta op, dierbare Edith, het spijt mij, dat ik een ridder, in wien gij zooveel belang stelt in een scherts betrokken heb.—Neen, wring de handen niet.—Ik wil gelooven, dat gij u niet aan hem gelegen laat zijn—alles, liever dan een zoo jammerlijk gezicht van u te zien. Ik zeg u, dat ik bij Koning Richard den blaam op mij zelve wil nemen ten voordeele van uw Noordschen vriend—uw bekende, wilde ik zeggen, daar gij hem niet als vriend erkent.—Neen, zie niet zoo boos—wij willen Nebectamus zenden, om dezen ridder van den standaard naar zijn post terug te zenden. Hij ligt, denk ik, te loeren in de eene of andere naburige tent.”„Bij mijne kroon van leliën en mijn scepter van uitmuntend riet,” zeide de Nebectamus, „uwe Majesteit vergist zich—hij is naderbij dan gij denkt—hij ligt achter gindschen linnen scheidsmuur verborgen.”„En heeft dus ieder woord kunnen hooren, dat wij gesproken hebben!” riep de Koningin op haar beurt ten hoogste verrast en ontroerd.„Ga heen monster van dwaasheid en boosaardigheid!”Terwijl zij deze woorden uitte, vlood Nebectamus uit de tent met zulk een luiden gil, dat het nog twijfelachtig is, of Berengaria hare mondelijke verwijtingen bij woorden bepaald, of eenige krachtiger uitdrukking van haar ongenoegen er bij gevoegd had.„Wat is er nu te doen?” vroeg de Koningin aan Edith op zachten toon, maar met onverholen onrust.„Hetgeen geschieden moet,” antwoordde Edith met vaste stem. „Wij moeten dezen ridder zien, en ons aan zijn genade overgeven.”Bij die woorden begon zij ijlings een gordijn los te maken, dat aan den eenen kant een ingang bedekte.„Om Hemels wil, laat af—bedenk,” riep de Koningin, „mijn vertrek—onze kleeding—het uur—mijne eer.”Maar vóór zij haar vertoog ten einde konde brengen, viel het gordijn, en er bestond niet langer een scheidsmuur tusschen den gewapenden ridder en het dames gezelschap. De warmte van een Oosterschen nacht was oorzaak, dat de huiselijke kleeding van Koningin Berengaria en haar gevolg eenvoudiger en minder verzorgd was, dan haar rang en de tegenwoordigheid van een toeschouwer van rang toeliet. Dit schoot de Koningin te binnen, en met een luiden gil vlood zij uit het vertrek, waar sir Kenneth stond, naar eene andere afdeeling van de ruime tent. De smart en aandoening van lady Edith, zoowel als het groot belang dat zij stelde in eene haastige verklaring met den Schotschen ridder, deed haar misschien vergeten, dat hare lokken losser hingen en zij minder zorgvuldig gekleed was dan de gewoonte was bij hooggeboren jonkvrouwen in eene eeuw, welke over het geheel niet de meest kiesche en nauwgezetste van den ouden tijd was. Een dun los kleed van bleekroode zijde maakte het voornaamste gedeelte van hare kleeding uit, met Oostersche muilen, waarin zij haastig hare bloote voeten gestoken had, en een rijke sjerp, die zij in aller ijl los om haar schouders had geslingerd. Haar hoofd had geen ander bekleedsel dan den sluier van rijke, loshangende lokken, die van alle zijden er om heen hingen, en een gelaat half verborgen, dat een gemengd gevoel van zedigheid en toorn, en andere diepe en aandoenlijke gewaarwordingen met karmozijn overtogen hadden.Maar ofschoon zij haar toestand met het teedere gevoel, dat de grootste bekoorlijkheid van haar geslacht is, besefte, zoo scheen zij toch geen oogenblik hare eigen beschroomdheid te tellen tegenover den plicht, dien zij meende verschuldigd te zijn aan hem, die om harentwil in dwaling en gevaar gebracht was. Zij trok, weliswaar, haar sjerp enger om haar hals en boezem, en zette haastig eene lamp uit hare hand, die te veel licht op hare gestalte wierp. Maar terwijl sir Kenneth roerloos op dezelfde plek stond, waar hij het eerst ontdekt werd, ging zij eer naar hem dan dat zij zich van hem verwijderde, en riep uit: „Haast u naar uw post, dappere ridder, men heeft u misleid door u herwaarts te lokken.—Doe mij geen vragen.”„Ik behoef er geene te doen,” antwoordde de ridder, op de eene knie vallende, met den godsdienstigen eerbied voor een heilige bij het altaar, en de oogen naar den grond richtende, uit vrees dat zijne blikken de verlegenheid der dame zouden vermeerderen.„Hebt gij alles gehoord?” vroeg Edith ongeduldig.—„Genadige heiligen! waarom toeft gij dan hier, terwijl elke minuut, die voorbij vliegt, met schande beladen is.”„Ik heb gehoord, dat ik onteerd ben, prinses, en ik heb het van u gehoord. Wat deert het mij, hoe spoedig de straf volgt. Ik heb slechts een verzoek aan u, en dan zoek ik te midden van de zwaarden der ongeloovigen, of de schande niet door bloed kan afgewasschen worden?”„Doe dat ook niet,” antwoordde de prinses. „Wees verstandig—draal hier niet—alles kan nog goed zijn, indien gij u slechts spoeden wilt.”„Ik wacht slechts op uwe vergiffenis,” hernam de ridder nog steeds knielende, „voor mijne inbeelding, dat mijne geringe diensten door u verlangd of op prijs gesteld konden worden.”„Ik vergeef u—o, ik heb niets te vergeven. Ik ben het werktuig geweest waardoor gij beleedigd zijt. Maar o, vertrek—ik wil u vergeven—ik wil u achten, als ik elken dapperen kruisvaarder acht zoo gij slechts vertrekken wilt.”„Ontvang eerst dit kostbaar en zoo noodlottig pand,” hernam de ridder den ring aan Edith toereikende, die thans teekenen van ongeduld begon te geven.„O neen, neen,” hervatte zij, weigerende dien aan te nemen. „Behoud hem—behoud hem als een teeken van mijne achting—van mijn berouw wilde ik zeggen. O, ga, zoo niet om uwent dan om mijnentwil.”Sir Kenneth, bijna zelfs voor het verlies der eer schadeloos gesteld, dat hare stem hem had aangekondigd, door het belang, dat zij in zijne redding scheen te stellen, stond van zijne knie op, en een vluchtigen blik op Edith werpende, maakte hij eene diepe buiging en verwijderde zich. Op hetzelfde oogenblik zegepraalde die maagdelijke schroomvalligheid, welke de kracht van Edith’s gevoel tot op dat oogenblik beheerscht had, op hare beurt, zij ijlde uit het vertrek, onder het gaan hare lamp uitblusschende, en liet sir Kenneth naar lichaam en geestinduisternis achter. Zij moest gehoorzaamd worden, dit was de eerste gedachte, die hem uit zijn droomerij opwekte, en hij spoedde zich naar de plaats, waardoor hij in de tent gekomen was. Onder het linnen door te kruipen, op de wijze, zooals hij er in gekomen was, vorderde tijd en oplettendheid, en hij maakte eene groote opening door er met zijn dolk een gat in te snijden. Toen hij in de vrije lucht was, gevoelde hij zich bedwelmd en overmand door een strijd van gewaarwordingen, en geheel onbekwaam om het met zichzelven eens te worden, wat er werkelijk gebeurd was. Hij was verplicht om te handelen, zich te bewegen, door de herinnering, dat lady Edith spoed gevorderd had. Nochtans bij de verwarring van tenten en tentlijnen, moest hij voorzichtig gaan, totdat hij het pad of de laan bereikt had, waarlangs de dwerg hem geleid had, ten einde de aandacht van de wachten voor de tent der Koningin te ontgaan, om geen gedruisch te maken door te vallen of met zijne wapenen te kletteren. Eene dunne wolk had bovendien de maan verduisterd, op hetzelfde oogenblik toen hij de tent verliet, en hij had met deze bezwaren te worstelen op een tijd, toen de duizeligheid van zijn hoofd en de volheid van zijn hart hem nauwelijks genoegzame kracht tot overleg van zijne daden overliet. Maar eensklaps troffen er klanken zijn oor, die hem plotseling tot de volle veerkracht zijner vermogens terugriepen. Deze kwamen van den berg van St. George. Hij hoorde eerst een enkelen woesten, toornigen blaf, die oogenblikkelijk door een angstigen gil gevolgd werd. Geen wild sprong ooit met woester vlucht op de stem van Roswal op, dan sir Kenneth bij hetgeen hij vreesde, dat de doodsgil van dien edelen hond was, wien geene gewone mishandeling zelfs het minste teeken van smart kon doen uiten. Hij doorliep de ruimte, die hem van de laan scheidde, en toen hij die bereikt had, richtte hij zich naar den heuvel. Ofschoon hij met zijne wapenrusting beladen was,liep hij sneller dan andere menschen hem konden begeleid hebben, zelfs al waren zij ongewapend geweest. Hij vertraagde zelfs zijne schreden niet, toen hij aan de steile wanden van den wal kwam, en in weinige minuten stond hij op den top er van. De maan brak op dit oogenblik door de wolk, en toonde hem, dat de standaard van Engeland verdwenen was, de speer, waarop die wapperde, gebroken op den grond lag, en daarnaast zijn getrouwe hond, naar het scheen in de stuiptrekkingen des doods.

HOOFDSTUK XIII.Gij spreekt van vreugd en onschuldOp ’t oogenblik, dat de noodlottige vrucht was gegeten.Scheidden zij om elkaar niet weer te zien; en de boosheidWas sinds dien tijd de metgezel der dart’le vreugd,Van de eerste stonde af, dat ’t lachend kindDe bloem of vlinder schond, waarmee het speelde,Tot aan den laatsten snik van den stervenden grijsaard,Die op zijndoodsbedlacht als hij verneemt,Dat zijn schatrijke buurman bankroet is gegaan.Oud Tooneelstuk.

Gij spreekt van vreugd en onschuldOp ’t oogenblik, dat de noodlottige vrucht was gegeten.Scheidden zij om elkaar niet weer te zien; en de boosheidWas sinds dien tijd de metgezel der dart’le vreugd,Van de eerste stonde af, dat ’t lachend kindDe bloem of vlinder schond, waarmee het speelde,Tot aan den laatsten snik van den stervenden grijsaard,Die op zijndoodsbedlacht als hij verneemt,Dat zijn schatrijke buurman bankroet is gegaan.Oud Tooneelstuk.

Gij spreekt van vreugd en onschuldOp ’t oogenblik, dat de noodlottige vrucht was gegeten.Scheidden zij om elkaar niet weer te zien; en de boosheidWas sinds dien tijd de metgezel der dart’le vreugd,Van de eerste stonde af, dat ’t lachend kindDe bloem of vlinder schond, waarmee het speelde,Tot aan den laatsten snik van den stervenden grijsaard,Die op zijndoodsbedlacht als hij verneemt,Dat zijn schatrijke buurman bankroet is gegaan.

Gij spreekt van vreugd en onschuld

Op ’t oogenblik, dat de noodlottige vrucht was gegeten.

Scheidden zij om elkaar niet weer te zien; en de boosheid

Was sinds dien tijd de metgezel der dart’le vreugd,

Van de eerste stonde af, dat ’t lachend kind

De bloem of vlinder schond, waarmee het speelde,

Tot aan den laatsten snik van den stervenden grijsaard,

Die op zijndoodsbedlacht als hij verneemt,

Dat zijn schatrijke buurman bankroet is gegaan.

Oud Tooneelstuk.

Sir Kenneth werd eenige oogenblikken in de duisternis alleen gelaten. Dit was weder een oponthoud, dat de afwezigheid van zijn post verlengen moest, en hij begon bijna berouw te gevoelen, over de gemakkelijkheid waarmede hij zich had laten overhalen om dien te verlaten. Maar terug te keeren, zonder lady Edith te zien, daaraan viel niet te denken. Hij had eene inbreuk op de krijgstucht gepleegd, en hij besloot nu ten minste de verwezenlijking af te wachten van de verleidelijke verwachtingen, die hem bewogen hadden om dit te doen. Intusschen was zijn toestand hoogst onaangenaam. Er was geen licht, om hem te doen zien, in welk soort van vertrek hij gebracht was—lady Edith was in het onmiddellijk gevolg van de Koningin van Engeland—en de ontdekking, dat hij zich zoo heimelijk in de koninklijke tent had ingedrongen, kon tot vele en gevaarlijke vermoedens leiden. Terwijl hij zich aan deze onaangename overdenkingen overgaf, en bijna begon te wenschen, dat hij den terugtocht onopgemerkt kon aannemen, hoorde hij het geluid van vrouwelijke stemmen, die in een aangrenzend vertrek lachten, fluisterden en spraken, waarvan hij, zooals de klank hem reden gaf te oordeelen, slechts door een linnen beschot kon gescheiden zijn. Er waren lampen aangestoken, wat hij bespeuren kon door het schemerachtige licht, dat zich zelf aan deze zijde van de afscheiding verspreidde, en hij kon de schaduw van verscheiden gedaanten zien, die in het naaste vertrek zaten en zich bewogen. Men kon het geen onbescheidenheid in sir Kenneth noemen, dat hij in zijn toestand een gesprek beluisterde, waarin hij van zeer nabij betrokken was.„Roep haar—roep haar, om onzer, lieve Vrouwe wil!” zeide eene van deze lachende onzichtbaren. „Nebectamus, gij zult gezant bij het hof van Priester Jan gemaakt worden om hun te toonen, hoe slim gij u van een last kwijten kunt.”Men hoorde de schelle stem van den dwerg, echter zoo zacht, dat sir Kenneth niet verstaan kon, wat hij zeide.„Maar hoe zullen wij ons van den geest ontslaan, dien Nebectamus heeft opgeroepen, meisjes?”„Hoor mij, koninklijke vrouw,” sprak eene andere stem; „zoo de wijze en koninklijke Nebectamus niet al te ijverzuchtig is op zijne allerschitterendste bruid en Keizerin, laten wij deze dan zenden, om ons van de onbeschaamden dolenden ridder te ontslaan, die zich zoo lichtelijk laat wijsmaken, dat hooggeboren dames het gebruik van zijne hooghartige en zich vrij wat aanmoedigende dapperheid kunnen noodig hebben.”„Het ware niet meer dan billijk, dunkt mij,” zeide weer eene andere, „dat prinses Guenever met hoffelijkheid den man weder ontsloeg, dien de slimheid van haar gemaal herwaarts heeft weten te lokken.”Sir Kenneth, getroffen tot in zijn binnenste door schaamte en toorn over hetgeen hij gehoord had, was op het punt om, het koste wat het wilde, zijne ontsnapping uit de tent tot stand te brengen, toen hetgeen er verder volgde hem van dit voornemen deed afzien.„Neen, waarlijk,” zeide zij, die het eerst gesproken had;„onze nicht Edith moet leeren, hoe deze zoo hoog geroemde jongeling zich gedragen heeft, en wij moeten ons de macht voorbehouden, om haar een oogenschijnlijk bewijs te geven, dat hij zijn plicht tekort gedaan heeft. Het zal eene les zijn, die haar goed kan doen; want, geloof mij, Calista, ik heb mij somtijds verbeeld, dat zij dien noordschen avonturier nader tot haar hart heeft laten doordringen, dan de voorzichtigheid kan goedkeuren.”Hij hoorde eene andere iets prevelen van de voorzichtigheid en wijsheid van lady Edith.„Voorzichtigheid, meisje?—Het is louter hoogmoed, en het verlangen om voor strenger gehouden te worden dan eene van ons. Neen, ik wil mijn klein voordeel niet prijsgeven. Gij weet wel, dat, wanneer zij eene fout bij ons opmerkt, niemand op eene beleefder wijze ons beter onze dwaling voorbehouden kan dan mylady Edith.—Maar daar komt zij.”Eene gedaante, die nu in de kamer trad, wierp eene schaduw op den scheidsmuur, die langzaam daarlangs gleed, totdat zij zich met die der anderen vermengde. Ondanks de bittere teleurstelling, die de ridder ondervonden had, of een beleedigenden schimp, dien hem, naar het scheen, door de boosaardigheid, of hoogstens door een ijdele gril van Koningin Berengaria, was aangedaan—want hij was reeds tot het besluit gekomen dat zij, die het luidst en op bevelenden toon sprak, de gemalin van Richard was,—gevoelde hij iets zoo verzachtends, toen hij vernam, dat Edith geen deel had in het hem gespeelde bedrog, en iets zoo belangrijks voor zijne nieuwsgierigheid in het tooneel, dat plaats moest grijpen, dat hij, in stede van zijn voorzichtiger plan te volgen om zich terstond te verwijderen, integendeel begeerig naar eene reet of opening zocht waardoor hij zoowel oog- als oorgetuige worden kon van hetgeen er voorviel. „Voorzeker,” zeide hij bij zich zelven,—„zal de Koningin, wie het om eene ijdele scherts behaagdheeft mijn goeden naam in gevaar te brengen, niet kunnen klagen zoo ik van de kans gebruik maak, die de fortuin mij schijnt te willen aanbieden, om kennis van hare verdere oogmerken te krijgen. Het scheen intusschen, alsof Edith op de bevelen der Koningin wachtte, en alsof deze aarzelde te spreken, uit vrees dat zij en hare gezellinnen zich niet van lachen zouden kunnen onthouden; want sir Kenneth kon niets hooren, dan een geluid van onderdrukt geschater en gelach.„Uwe Majesteit,” zeide Edith eindelijk,„schijnt in eene vroolijke luim te zijn, ofschoon, naar het mij voorkomt, het uur van den nacht veeleer eene slaperige medebrengt. Ik verlang zeer om mij te bed te begeven, toen ik het bevel ontving, mij bij u te voegen.”„Ik wil u niet lang van uwe rust afhouden, nicht,” antwoordde de Koningin; „ofschoon ik vrees, dat gij minder vast zult slapen, wanneer ik u zeg, dat uwe weddenschap verloren is.”„Neen, mijne Koningin,” hernam Edith, „dit noem ik werkelijk slechts eene scherts volhouden, die reeds versleten is. Ik heb niet gewed, maar het was Uwer Majesteits welgevallen te onderstellen of er op te staan, dat ik dit deed.”„Neen waarlijk, schoone nicht, in weerwil van onze bedevaart is satan nog sterk in u, en geeft u leugens in—kunt gij ontkennen, dat gij uw robijnen ring tegen mijn gouden armband verwed hebt, dat die ridder van den Luipaard, of hoe gij hem anders noemt, niet van zijn post kon af getroggeld worden?”„Uwe Majesteit staat te hoog, dan dat ik haar tegenspreken mag,” hervatte Edith; „maar deze dames kunnen, zoo zij willen, getuigen, dat het Uwe Majesteit was, die zulk eene weddenschap voorstelde, en den ring van mijn vinger nam, terwijl ik verklaarde, dat ik het niet betamelijk voor een maagd rekende, om iets over zulk een onderwerp te verwedden.”„Ja maar, mylady Edith,” zeide een der jonge dames; „gij moet toch toegeven, dat gij u met veel vertrouwen over de dapperheid van dien ridder van den Luipaard uitliet.”„En zoo ik dit gedaan heb, freule,” antwoordde Edith driftig, „is dat dan eene gezonde rede, dat gij de gril van Hare Majesteit verdedigen moet? Ik sprak niet anders van hem dan alle menschen, die hem in het veld gezien hebben, en ik had niet meer reden om hem te verdedigen dan gij om hem te verkleinen. Waarvan kunnen de dames in een kamp anders spreken dan van krijgslieden en wapenfeiten?”„De edele lady Edith,” zeide een derde, „heeft het Calista en mij nooit vergeven, dat wij aan Uwe Majesteit gezegd hebben, dat zij in de kapel twee rozenknoppen heeft laten vallen.”„Indien Uwe Majesteit,” zeide Edith op een toon, dien sir Kenneth voor dien van een eerbiedig verwijt erkende, „geene andere bevelen voor mij heeft, dan mij de spotternijen uwer hofdames te doen aanhooren, dan moet ik verlof vragen, om mij te verwijderen.”„Stil, Florica,” zeide de Koningin, „en vergeet door onze toegevendheidden afstand niet tusschen u en de bloedverwante van den Koning van Engeland.—Maar gij, waarde nicht,” vervolgde zij, haar spottenden toon hernemende, „hoe kunt gij, die zoo goedhartig zijt, ons armen een paar minuten lachen benijden, daar wij zoo vele dagen achtereen aan weenen en tandenknarsen gewijd hebben?”„Groot zij uwe vroolijkheid, Koningin, antwoordde Edith; „maar ik zou mijn geheele leven wel niet weder willen glimlachen, indien ….”Zij zweeg, naar het scheen, uit eerbied, maar sir Kenneth kon hooren, dat zij aan een heftige gemoedsaandoening ten prooi was.„Vergeef mij,” hernam Berengaria, eene lichtzinnige maar goedhartige prinses van het Keizerlijke huis, „maar wat is dan eigenlijk de groote beleediging?—Een jong ridder is hierheen gelokt—heeft zich, of liever is van zijn post verwijderd dien niemand in zijne afwezigheid zal aanvallen, ter liefde van eene schoone dame—want, om uw kampioen recht te doen wedervaren, lady, de wijsheid van Nebectamus kon hem in geen anderen naam dan den uwen herwaarts bezweren.”„Goede Hemel! Dat zegt Uwe Majesteit toch niet?” zeide Edith, op een toon van nog grooter ongerustheid dan zij tot hiertoe aan den dag had gelegd; „gij kunt dat niet zeggen, uit achting voor uwe eer en de mijne, die eene bloedverwante van uw gemaal ben—zeg, dat gij met mij geschertst hebt, koninklijke meesteres, en vergeef mij, dat ik ook slechts een oogenblik het voor mogelijk kon houden, dat gij ernstig kondt spreken.”„Lady Edith,” hernam de Koningin op ontevredenen toon, „misgunt ons den ring, dien wij van haar gewonnen hebben.—Wij zullen u het pand teruggeven, schoone nicht; alleen moet gij ons eene kleine zegepraal niet benijden over de wijsheid, die zoo dikwijls over ons, als eene banier over eene krijgsschaar, uitgebreid is.”„Eene zegepraal!” riep Edith verontwaardigd uit; „eene zegepraal!—De zegepraal zal bij den ongeloovige zijn, wanneer hij hoort, dat de Koningin van Engeland den goeden naam van de bloedverwante haars gemaals tot het onderwerp van eene lichtvaardige scherts kan maken.”„Gij zijt boos, schoone nicht, dat gij uw geliefkoosde ring verliest,” zeide de Koningin.—„Komaan, daar gij uw pand niet gaarne wilt verliezen, willen wij van ons recht afstand doen; het was uw naam en dit pand, die hem hier heen brachten, en wij geven niets meer om het lokaas, nu de visch gevangen is.”„Mevrouw,” hernam Edith wrevelig, „gij weet wel, dat Uwe Hoogheid niets van het mijne kan wenschen, of het wordt dadelijk het uwe. Maar ik wilde liever een schepel robijnen geven, dan dat een ring of naam van mij gebruikt was, om een braaf man tot een misstap te brengen en misschien wel tot schande en straf.”„O, het is voor de veiligheid van onzen getrouwen ridder, dat wij vreezen,” hervatte de Koningin. „Gij schat onze macht te laag, schoone nicht, wanneer gij denkt, dat een leven door eene scherts van ons kan verloren gaan. O, lady Edith, ook anderen hebben invloed op deijzeren borsten der krijgslieden, even goed als gij—het hart zelfs van een leeuw is van vleesch en niet van steen gemaakt; en geloof mij, ik heb macht genoeg over Richard, om dezen ridder, om wien lady Edith zoo beangst is, van de straf van ongehoorzaamheid aan zijne koninklijke bevelen te bevrijden.”„Uit liefde voor het heilige kruis, mijne koninklijke gebiedster,” zeide Edith—en sir Kenneth hoorde met een gevoel dat moeilijk zou zijn te verklaren, dat zij zich aan de voeten der Koningin wierp; „uit liefde voor onze heilige Maagd, en elken anderen heilige in den almanak, bedenk wat gij doet. Gij kent Koning Richard niet—gij zijt nog niet lang met hem gehuwd—uw adem kon even goed den westewind bestrijden, wanneer hij het wildst is, als uw woorden mijn koninklijken bloedverwant zouden overreden om eene misdaad tegen den krijgsdienst te vergeven. O! om Gods wil, ontsla dezen ridder, zoo gij hem inderdaad hierheen hebt gelokt—ik zou bijna tevreden zijn, dat de schande van hem genoodigd te hebben, op mij rustte, zoo ik wist, dat hij weder was, waar zijn plicht hem roept.”„Sta op, nicht, sta op,” zeide Koningin Berengaria, „en wees verzekerd, dat alles beter zal gaan, dan gij denkt. Neen, sta op, dierbare Edith, het spijt mij, dat ik een ridder, in wien gij zooveel belang stelt in een scherts betrokken heb.—Neen, wring de handen niet.—Ik wil gelooven, dat gij u niet aan hem gelegen laat zijn—alles, liever dan een zoo jammerlijk gezicht van u te zien. Ik zeg u, dat ik bij Koning Richard den blaam op mij zelve wil nemen ten voordeele van uw Noordschen vriend—uw bekende, wilde ik zeggen, daar gij hem niet als vriend erkent.—Neen, zie niet zoo boos—wij willen Nebectamus zenden, om dezen ridder van den standaard naar zijn post terug te zenden. Hij ligt, denk ik, te loeren in de eene of andere naburige tent.”„Bij mijne kroon van leliën en mijn scepter van uitmuntend riet,” zeide de Nebectamus, „uwe Majesteit vergist zich—hij is naderbij dan gij denkt—hij ligt achter gindschen linnen scheidsmuur verborgen.”„En heeft dus ieder woord kunnen hooren, dat wij gesproken hebben!” riep de Koningin op haar beurt ten hoogste verrast en ontroerd.„Ga heen monster van dwaasheid en boosaardigheid!”Terwijl zij deze woorden uitte, vlood Nebectamus uit de tent met zulk een luiden gil, dat het nog twijfelachtig is, of Berengaria hare mondelijke verwijtingen bij woorden bepaald, of eenige krachtiger uitdrukking van haar ongenoegen er bij gevoegd had.„Wat is er nu te doen?” vroeg de Koningin aan Edith op zachten toon, maar met onverholen onrust.„Hetgeen geschieden moet,” antwoordde Edith met vaste stem. „Wij moeten dezen ridder zien, en ons aan zijn genade overgeven.”Bij die woorden begon zij ijlings een gordijn los te maken, dat aan den eenen kant een ingang bedekte.„Om Hemels wil, laat af—bedenk,” riep de Koningin, „mijn vertrek—onze kleeding—het uur—mijne eer.”Maar vóór zij haar vertoog ten einde konde brengen, viel het gordijn, en er bestond niet langer een scheidsmuur tusschen den gewapenden ridder en het dames gezelschap. De warmte van een Oosterschen nacht was oorzaak, dat de huiselijke kleeding van Koningin Berengaria en haar gevolg eenvoudiger en minder verzorgd was, dan haar rang en de tegenwoordigheid van een toeschouwer van rang toeliet. Dit schoot de Koningin te binnen, en met een luiden gil vlood zij uit het vertrek, waar sir Kenneth stond, naar eene andere afdeeling van de ruime tent. De smart en aandoening van lady Edith, zoowel als het groot belang dat zij stelde in eene haastige verklaring met den Schotschen ridder, deed haar misschien vergeten, dat hare lokken losser hingen en zij minder zorgvuldig gekleed was dan de gewoonte was bij hooggeboren jonkvrouwen in eene eeuw, welke over het geheel niet de meest kiesche en nauwgezetste van den ouden tijd was. Een dun los kleed van bleekroode zijde maakte het voornaamste gedeelte van hare kleeding uit, met Oostersche muilen, waarin zij haastig hare bloote voeten gestoken had, en een rijke sjerp, die zij in aller ijl los om haar schouders had geslingerd. Haar hoofd had geen ander bekleedsel dan den sluier van rijke, loshangende lokken, die van alle zijden er om heen hingen, en een gelaat half verborgen, dat een gemengd gevoel van zedigheid en toorn, en andere diepe en aandoenlijke gewaarwordingen met karmozijn overtogen hadden.Maar ofschoon zij haar toestand met het teedere gevoel, dat de grootste bekoorlijkheid van haar geslacht is, besefte, zoo scheen zij toch geen oogenblik hare eigen beschroomdheid te tellen tegenover den plicht, dien zij meende verschuldigd te zijn aan hem, die om harentwil in dwaling en gevaar gebracht was. Zij trok, weliswaar, haar sjerp enger om haar hals en boezem, en zette haastig eene lamp uit hare hand, die te veel licht op hare gestalte wierp. Maar terwijl sir Kenneth roerloos op dezelfde plek stond, waar hij het eerst ontdekt werd, ging zij eer naar hem dan dat zij zich van hem verwijderde, en riep uit: „Haast u naar uw post, dappere ridder, men heeft u misleid door u herwaarts te lokken.—Doe mij geen vragen.”„Ik behoef er geene te doen,” antwoordde de ridder, op de eene knie vallende, met den godsdienstigen eerbied voor een heilige bij het altaar, en de oogen naar den grond richtende, uit vrees dat zijne blikken de verlegenheid der dame zouden vermeerderen.„Hebt gij alles gehoord?” vroeg Edith ongeduldig.—„Genadige heiligen! waarom toeft gij dan hier, terwijl elke minuut, die voorbij vliegt, met schande beladen is.”„Ik heb gehoord, dat ik onteerd ben, prinses, en ik heb het van u gehoord. Wat deert het mij, hoe spoedig de straf volgt. Ik heb slechts een verzoek aan u, en dan zoek ik te midden van de zwaarden der ongeloovigen, of de schande niet door bloed kan afgewasschen worden?”„Doe dat ook niet,” antwoordde de prinses. „Wees verstandig—draal hier niet—alles kan nog goed zijn, indien gij u slechts spoeden wilt.”„Ik wacht slechts op uwe vergiffenis,” hernam de ridder nog steeds knielende, „voor mijne inbeelding, dat mijne geringe diensten door u verlangd of op prijs gesteld konden worden.”„Ik vergeef u—o, ik heb niets te vergeven. Ik ben het werktuig geweest waardoor gij beleedigd zijt. Maar o, vertrek—ik wil u vergeven—ik wil u achten, als ik elken dapperen kruisvaarder acht zoo gij slechts vertrekken wilt.”„Ontvang eerst dit kostbaar en zoo noodlottig pand,” hernam de ridder den ring aan Edith toereikende, die thans teekenen van ongeduld begon te geven.„O neen, neen,” hervatte zij, weigerende dien aan te nemen. „Behoud hem—behoud hem als een teeken van mijne achting—van mijn berouw wilde ik zeggen. O, ga, zoo niet om uwent dan om mijnentwil.”Sir Kenneth, bijna zelfs voor het verlies der eer schadeloos gesteld, dat hare stem hem had aangekondigd, door het belang, dat zij in zijne redding scheen te stellen, stond van zijne knie op, en een vluchtigen blik op Edith werpende, maakte hij eene diepe buiging en verwijderde zich. Op hetzelfde oogenblik zegepraalde die maagdelijke schroomvalligheid, welke de kracht van Edith’s gevoel tot op dat oogenblik beheerscht had, op hare beurt, zij ijlde uit het vertrek, onder het gaan hare lamp uitblusschende, en liet sir Kenneth naar lichaam en geestinduisternis achter. Zij moest gehoorzaamd worden, dit was de eerste gedachte, die hem uit zijn droomerij opwekte, en hij spoedde zich naar de plaats, waardoor hij in de tent gekomen was. Onder het linnen door te kruipen, op de wijze, zooals hij er in gekomen was, vorderde tijd en oplettendheid, en hij maakte eene groote opening door er met zijn dolk een gat in te snijden. Toen hij in de vrije lucht was, gevoelde hij zich bedwelmd en overmand door een strijd van gewaarwordingen, en geheel onbekwaam om het met zichzelven eens te worden, wat er werkelijk gebeurd was. Hij was verplicht om te handelen, zich te bewegen, door de herinnering, dat lady Edith spoed gevorderd had. Nochtans bij de verwarring van tenten en tentlijnen, moest hij voorzichtig gaan, totdat hij het pad of de laan bereikt had, waarlangs de dwerg hem geleid had, ten einde de aandacht van de wachten voor de tent der Koningin te ontgaan, om geen gedruisch te maken door te vallen of met zijne wapenen te kletteren. Eene dunne wolk had bovendien de maan verduisterd, op hetzelfde oogenblik toen hij de tent verliet, en hij had met deze bezwaren te worstelen op een tijd, toen de duizeligheid van zijn hoofd en de volheid van zijn hart hem nauwelijks genoegzame kracht tot overleg van zijne daden overliet. Maar eensklaps troffen er klanken zijn oor, die hem plotseling tot de volle veerkracht zijner vermogens terugriepen. Deze kwamen van den berg van St. George. Hij hoorde eerst een enkelen woesten, toornigen blaf, die oogenblikkelijk door een angstigen gil gevolgd werd. Geen wild sprong ooit met woester vlucht op de stem van Roswal op, dan sir Kenneth bij hetgeen hij vreesde, dat de doodsgil van dien edelen hond was, wien geene gewone mishandeling zelfs het minste teeken van smart kon doen uiten. Hij doorliep de ruimte, die hem van de laan scheidde, en toen hij die bereikt had, richtte hij zich naar den heuvel. Ofschoon hij met zijne wapenrusting beladen was,liep hij sneller dan andere menschen hem konden begeleid hebben, zelfs al waren zij ongewapend geweest. Hij vertraagde zelfs zijne schreden niet, toen hij aan de steile wanden van den wal kwam, en in weinige minuten stond hij op den top er van. De maan brak op dit oogenblik door de wolk, en toonde hem, dat de standaard van Engeland verdwenen was, de speer, waarop die wapperde, gebroken op den grond lag, en daarnaast zijn getrouwe hond, naar het scheen in de stuiptrekkingen des doods.

Sir Kenneth werd eenige oogenblikken in de duisternis alleen gelaten. Dit was weder een oponthoud, dat de afwezigheid van zijn post verlengen moest, en hij begon bijna berouw te gevoelen, over de gemakkelijkheid waarmede hij zich had laten overhalen om dien te verlaten. Maar terug te keeren, zonder lady Edith te zien, daaraan viel niet te denken. Hij had eene inbreuk op de krijgstucht gepleegd, en hij besloot nu ten minste de verwezenlijking af te wachten van de verleidelijke verwachtingen, die hem bewogen hadden om dit te doen. Intusschen was zijn toestand hoogst onaangenaam. Er was geen licht, om hem te doen zien, in welk soort van vertrek hij gebracht was—lady Edith was in het onmiddellijk gevolg van de Koningin van Engeland—en de ontdekking, dat hij zich zoo heimelijk in de koninklijke tent had ingedrongen, kon tot vele en gevaarlijke vermoedens leiden. Terwijl hij zich aan deze onaangename overdenkingen overgaf, en bijna begon te wenschen, dat hij den terugtocht onopgemerkt kon aannemen, hoorde hij het geluid van vrouwelijke stemmen, die in een aangrenzend vertrek lachten, fluisterden en spraken, waarvan hij, zooals de klank hem reden gaf te oordeelen, slechts door een linnen beschot kon gescheiden zijn. Er waren lampen aangestoken, wat hij bespeuren kon door het schemerachtige licht, dat zich zelf aan deze zijde van de afscheiding verspreidde, en hij kon de schaduw van verscheiden gedaanten zien, die in het naaste vertrek zaten en zich bewogen. Men kon het geen onbescheidenheid in sir Kenneth noemen, dat hij in zijn toestand een gesprek beluisterde, waarin hij van zeer nabij betrokken was.

„Roep haar—roep haar, om onzer, lieve Vrouwe wil!” zeide eene van deze lachende onzichtbaren. „Nebectamus, gij zult gezant bij het hof van Priester Jan gemaakt worden om hun te toonen, hoe slim gij u van een last kwijten kunt.”

Men hoorde de schelle stem van den dwerg, echter zoo zacht, dat sir Kenneth niet verstaan kon, wat hij zeide.

„Maar hoe zullen wij ons van den geest ontslaan, dien Nebectamus heeft opgeroepen, meisjes?”

„Hoor mij, koninklijke vrouw,” sprak eene andere stem; „zoo de wijze en koninklijke Nebectamus niet al te ijverzuchtig is op zijne allerschitterendste bruid en Keizerin, laten wij deze dan zenden, om ons van de onbeschaamden dolenden ridder te ontslaan, die zich zoo lichtelijk laat wijsmaken, dat hooggeboren dames het gebruik van zijne hooghartige en zich vrij wat aanmoedigende dapperheid kunnen noodig hebben.”

„Het ware niet meer dan billijk, dunkt mij,” zeide weer eene andere, „dat prinses Guenever met hoffelijkheid den man weder ontsloeg, dien de slimheid van haar gemaal herwaarts heeft weten te lokken.”

Sir Kenneth, getroffen tot in zijn binnenste door schaamte en toorn over hetgeen hij gehoord had, was op het punt om, het koste wat het wilde, zijne ontsnapping uit de tent tot stand te brengen, toen hetgeen er verder volgde hem van dit voornemen deed afzien.

„Neen, waarlijk,” zeide zij, die het eerst gesproken had;„onze nicht Edith moet leeren, hoe deze zoo hoog geroemde jongeling zich gedragen heeft, en wij moeten ons de macht voorbehouden, om haar een oogenschijnlijk bewijs te geven, dat hij zijn plicht tekort gedaan heeft. Het zal eene les zijn, die haar goed kan doen; want, geloof mij, Calista, ik heb mij somtijds verbeeld, dat zij dien noordschen avonturier nader tot haar hart heeft laten doordringen, dan de voorzichtigheid kan goedkeuren.”

Hij hoorde eene andere iets prevelen van de voorzichtigheid en wijsheid van lady Edith.

„Voorzichtigheid, meisje?—Het is louter hoogmoed, en het verlangen om voor strenger gehouden te worden dan eene van ons. Neen, ik wil mijn klein voordeel niet prijsgeven. Gij weet wel, dat, wanneer zij eene fout bij ons opmerkt, niemand op eene beleefder wijze ons beter onze dwaling voorbehouden kan dan mylady Edith.—Maar daar komt zij.”

Eene gedaante, die nu in de kamer trad, wierp eene schaduw op den scheidsmuur, die langzaam daarlangs gleed, totdat zij zich met die der anderen vermengde. Ondanks de bittere teleurstelling, die de ridder ondervonden had, of een beleedigenden schimp, dien hem, naar het scheen, door de boosaardigheid, of hoogstens door een ijdele gril van Koningin Berengaria, was aangedaan—want hij was reeds tot het besluit gekomen dat zij, die het luidst en op bevelenden toon sprak, de gemalin van Richard was,—gevoelde hij iets zoo verzachtends, toen hij vernam, dat Edith geen deel had in het hem gespeelde bedrog, en iets zoo belangrijks voor zijne nieuwsgierigheid in het tooneel, dat plaats moest grijpen, dat hij, in stede van zijn voorzichtiger plan te volgen om zich terstond te verwijderen, integendeel begeerig naar eene reet of opening zocht waardoor hij zoowel oog- als oorgetuige worden kon van hetgeen er voorviel. „Voorzeker,” zeide hij bij zich zelven,—„zal de Koningin, wie het om eene ijdele scherts behaagdheeft mijn goeden naam in gevaar te brengen, niet kunnen klagen zoo ik van de kans gebruik maak, die de fortuin mij schijnt te willen aanbieden, om kennis van hare verdere oogmerken te krijgen. Het scheen intusschen, alsof Edith op de bevelen der Koningin wachtte, en alsof deze aarzelde te spreken, uit vrees dat zij en hare gezellinnen zich niet van lachen zouden kunnen onthouden; want sir Kenneth kon niets hooren, dan een geluid van onderdrukt geschater en gelach.

„Uwe Majesteit,” zeide Edith eindelijk,„schijnt in eene vroolijke luim te zijn, ofschoon, naar het mij voorkomt, het uur van den nacht veeleer eene slaperige medebrengt. Ik verlang zeer om mij te bed te begeven, toen ik het bevel ontving, mij bij u te voegen.”

„Ik wil u niet lang van uwe rust afhouden, nicht,” antwoordde de Koningin; „ofschoon ik vrees, dat gij minder vast zult slapen, wanneer ik u zeg, dat uwe weddenschap verloren is.”

„Neen, mijne Koningin,” hernam Edith, „dit noem ik werkelijk slechts eene scherts volhouden, die reeds versleten is. Ik heb niet gewed, maar het was Uwer Majesteits welgevallen te onderstellen of er op te staan, dat ik dit deed.”

„Neen waarlijk, schoone nicht, in weerwil van onze bedevaart is satan nog sterk in u, en geeft u leugens in—kunt gij ontkennen, dat gij uw robijnen ring tegen mijn gouden armband verwed hebt, dat die ridder van den Luipaard, of hoe gij hem anders noemt, niet van zijn post kon af getroggeld worden?”

„Uwe Majesteit staat te hoog, dan dat ik haar tegenspreken mag,” hervatte Edith; „maar deze dames kunnen, zoo zij willen, getuigen, dat het Uwe Majesteit was, die zulk eene weddenschap voorstelde, en den ring van mijn vinger nam, terwijl ik verklaarde, dat ik het niet betamelijk voor een maagd rekende, om iets over zulk een onderwerp te verwedden.”

„Ja maar, mylady Edith,” zeide een der jonge dames; „gij moet toch toegeven, dat gij u met veel vertrouwen over de dapperheid van dien ridder van den Luipaard uitliet.”

„En zoo ik dit gedaan heb, freule,” antwoordde Edith driftig, „is dat dan eene gezonde rede, dat gij de gril van Hare Majesteit verdedigen moet? Ik sprak niet anders van hem dan alle menschen, die hem in het veld gezien hebben, en ik had niet meer reden om hem te verdedigen dan gij om hem te verkleinen. Waarvan kunnen de dames in een kamp anders spreken dan van krijgslieden en wapenfeiten?”

„De edele lady Edith,” zeide een derde, „heeft het Calista en mij nooit vergeven, dat wij aan Uwe Majesteit gezegd hebben, dat zij in de kapel twee rozenknoppen heeft laten vallen.”

„Indien Uwe Majesteit,” zeide Edith op een toon, dien sir Kenneth voor dien van een eerbiedig verwijt erkende, „geene andere bevelen voor mij heeft, dan mij de spotternijen uwer hofdames te doen aanhooren, dan moet ik verlof vragen, om mij te verwijderen.”

„Stil, Florica,” zeide de Koningin, „en vergeet door onze toegevendheidden afstand niet tusschen u en de bloedverwante van den Koning van Engeland.—Maar gij, waarde nicht,” vervolgde zij, haar spottenden toon hernemende, „hoe kunt gij, die zoo goedhartig zijt, ons armen een paar minuten lachen benijden, daar wij zoo vele dagen achtereen aan weenen en tandenknarsen gewijd hebben?”

„Groot zij uwe vroolijkheid, Koningin, antwoordde Edith; „maar ik zou mijn geheele leven wel niet weder willen glimlachen, indien ….”

Zij zweeg, naar het scheen, uit eerbied, maar sir Kenneth kon hooren, dat zij aan een heftige gemoedsaandoening ten prooi was.

„Vergeef mij,” hernam Berengaria, eene lichtzinnige maar goedhartige prinses van het Keizerlijke huis, „maar wat is dan eigenlijk de groote beleediging?—Een jong ridder is hierheen gelokt—heeft zich, of liever is van zijn post verwijderd dien niemand in zijne afwezigheid zal aanvallen, ter liefde van eene schoone dame—want, om uw kampioen recht te doen wedervaren, lady, de wijsheid van Nebectamus kon hem in geen anderen naam dan den uwen herwaarts bezweren.”

„Goede Hemel! Dat zegt Uwe Majesteit toch niet?” zeide Edith, op een toon van nog grooter ongerustheid dan zij tot hiertoe aan den dag had gelegd; „gij kunt dat niet zeggen, uit achting voor uwe eer en de mijne, die eene bloedverwante van uw gemaal ben—zeg, dat gij met mij geschertst hebt, koninklijke meesteres, en vergeef mij, dat ik ook slechts een oogenblik het voor mogelijk kon houden, dat gij ernstig kondt spreken.”

„Lady Edith,” hernam de Koningin op ontevredenen toon, „misgunt ons den ring, dien wij van haar gewonnen hebben.—Wij zullen u het pand teruggeven, schoone nicht; alleen moet gij ons eene kleine zegepraal niet benijden over de wijsheid, die zoo dikwijls over ons, als eene banier over eene krijgsschaar, uitgebreid is.”

„Eene zegepraal!” riep Edith verontwaardigd uit; „eene zegepraal!—De zegepraal zal bij den ongeloovige zijn, wanneer hij hoort, dat de Koningin van Engeland den goeden naam van de bloedverwante haars gemaals tot het onderwerp van eene lichtvaardige scherts kan maken.”

„Gij zijt boos, schoone nicht, dat gij uw geliefkoosde ring verliest,” zeide de Koningin.—„Komaan, daar gij uw pand niet gaarne wilt verliezen, willen wij van ons recht afstand doen; het was uw naam en dit pand, die hem hier heen brachten, en wij geven niets meer om het lokaas, nu de visch gevangen is.”

„Mevrouw,” hernam Edith wrevelig, „gij weet wel, dat Uwe Hoogheid niets van het mijne kan wenschen, of het wordt dadelijk het uwe. Maar ik wilde liever een schepel robijnen geven, dan dat een ring of naam van mij gebruikt was, om een braaf man tot een misstap te brengen en misschien wel tot schande en straf.”

„O, het is voor de veiligheid van onzen getrouwen ridder, dat wij vreezen,” hervatte de Koningin. „Gij schat onze macht te laag, schoone nicht, wanneer gij denkt, dat een leven door eene scherts van ons kan verloren gaan. O, lady Edith, ook anderen hebben invloed op deijzeren borsten der krijgslieden, even goed als gij—het hart zelfs van een leeuw is van vleesch en niet van steen gemaakt; en geloof mij, ik heb macht genoeg over Richard, om dezen ridder, om wien lady Edith zoo beangst is, van de straf van ongehoorzaamheid aan zijne koninklijke bevelen te bevrijden.”

„Uit liefde voor het heilige kruis, mijne koninklijke gebiedster,” zeide Edith—en sir Kenneth hoorde met een gevoel dat moeilijk zou zijn te verklaren, dat zij zich aan de voeten der Koningin wierp; „uit liefde voor onze heilige Maagd, en elken anderen heilige in den almanak, bedenk wat gij doet. Gij kent Koning Richard niet—gij zijt nog niet lang met hem gehuwd—uw adem kon even goed den westewind bestrijden, wanneer hij het wildst is, als uw woorden mijn koninklijken bloedverwant zouden overreden om eene misdaad tegen den krijgsdienst te vergeven. O! om Gods wil, ontsla dezen ridder, zoo gij hem inderdaad hierheen hebt gelokt—ik zou bijna tevreden zijn, dat de schande van hem genoodigd te hebben, op mij rustte, zoo ik wist, dat hij weder was, waar zijn plicht hem roept.”

„Sta op, nicht, sta op,” zeide Koningin Berengaria, „en wees verzekerd, dat alles beter zal gaan, dan gij denkt. Neen, sta op, dierbare Edith, het spijt mij, dat ik een ridder, in wien gij zooveel belang stelt in een scherts betrokken heb.—Neen, wring de handen niet.—Ik wil gelooven, dat gij u niet aan hem gelegen laat zijn—alles, liever dan een zoo jammerlijk gezicht van u te zien. Ik zeg u, dat ik bij Koning Richard den blaam op mij zelve wil nemen ten voordeele van uw Noordschen vriend—uw bekende, wilde ik zeggen, daar gij hem niet als vriend erkent.—Neen, zie niet zoo boos—wij willen Nebectamus zenden, om dezen ridder van den standaard naar zijn post terug te zenden. Hij ligt, denk ik, te loeren in de eene of andere naburige tent.”

„Bij mijne kroon van leliën en mijn scepter van uitmuntend riet,” zeide de Nebectamus, „uwe Majesteit vergist zich—hij is naderbij dan gij denkt—hij ligt achter gindschen linnen scheidsmuur verborgen.”

„En heeft dus ieder woord kunnen hooren, dat wij gesproken hebben!” riep de Koningin op haar beurt ten hoogste verrast en ontroerd.

„Ga heen monster van dwaasheid en boosaardigheid!”

Terwijl zij deze woorden uitte, vlood Nebectamus uit de tent met zulk een luiden gil, dat het nog twijfelachtig is, of Berengaria hare mondelijke verwijtingen bij woorden bepaald, of eenige krachtiger uitdrukking van haar ongenoegen er bij gevoegd had.

„Wat is er nu te doen?” vroeg de Koningin aan Edith op zachten toon, maar met onverholen onrust.

„Hetgeen geschieden moet,” antwoordde Edith met vaste stem. „Wij moeten dezen ridder zien, en ons aan zijn genade overgeven.”

Bij die woorden begon zij ijlings een gordijn los te maken, dat aan den eenen kant een ingang bedekte.

„Om Hemels wil, laat af—bedenk,” riep de Koningin, „mijn vertrek—onze kleeding—het uur—mijne eer.”

Maar vóór zij haar vertoog ten einde konde brengen, viel het gordijn, en er bestond niet langer een scheidsmuur tusschen den gewapenden ridder en het dames gezelschap. De warmte van een Oosterschen nacht was oorzaak, dat de huiselijke kleeding van Koningin Berengaria en haar gevolg eenvoudiger en minder verzorgd was, dan haar rang en de tegenwoordigheid van een toeschouwer van rang toeliet. Dit schoot de Koningin te binnen, en met een luiden gil vlood zij uit het vertrek, waar sir Kenneth stond, naar eene andere afdeeling van de ruime tent. De smart en aandoening van lady Edith, zoowel als het groot belang dat zij stelde in eene haastige verklaring met den Schotschen ridder, deed haar misschien vergeten, dat hare lokken losser hingen en zij minder zorgvuldig gekleed was dan de gewoonte was bij hooggeboren jonkvrouwen in eene eeuw, welke over het geheel niet de meest kiesche en nauwgezetste van den ouden tijd was. Een dun los kleed van bleekroode zijde maakte het voornaamste gedeelte van hare kleeding uit, met Oostersche muilen, waarin zij haastig hare bloote voeten gestoken had, en een rijke sjerp, die zij in aller ijl los om haar schouders had geslingerd. Haar hoofd had geen ander bekleedsel dan den sluier van rijke, loshangende lokken, die van alle zijden er om heen hingen, en een gelaat half verborgen, dat een gemengd gevoel van zedigheid en toorn, en andere diepe en aandoenlijke gewaarwordingen met karmozijn overtogen hadden.

Maar ofschoon zij haar toestand met het teedere gevoel, dat de grootste bekoorlijkheid van haar geslacht is, besefte, zoo scheen zij toch geen oogenblik hare eigen beschroomdheid te tellen tegenover den plicht, dien zij meende verschuldigd te zijn aan hem, die om harentwil in dwaling en gevaar gebracht was. Zij trok, weliswaar, haar sjerp enger om haar hals en boezem, en zette haastig eene lamp uit hare hand, die te veel licht op hare gestalte wierp. Maar terwijl sir Kenneth roerloos op dezelfde plek stond, waar hij het eerst ontdekt werd, ging zij eer naar hem dan dat zij zich van hem verwijderde, en riep uit: „Haast u naar uw post, dappere ridder, men heeft u misleid door u herwaarts te lokken.—Doe mij geen vragen.”

„Ik behoef er geene te doen,” antwoordde de ridder, op de eene knie vallende, met den godsdienstigen eerbied voor een heilige bij het altaar, en de oogen naar den grond richtende, uit vrees dat zijne blikken de verlegenheid der dame zouden vermeerderen.

„Hebt gij alles gehoord?” vroeg Edith ongeduldig.—„Genadige heiligen! waarom toeft gij dan hier, terwijl elke minuut, die voorbij vliegt, met schande beladen is.”

„Ik heb gehoord, dat ik onteerd ben, prinses, en ik heb het van u gehoord. Wat deert het mij, hoe spoedig de straf volgt. Ik heb slechts een verzoek aan u, en dan zoek ik te midden van de zwaarden der ongeloovigen, of de schande niet door bloed kan afgewasschen worden?”

„Doe dat ook niet,” antwoordde de prinses. „Wees verstandig—draal hier niet—alles kan nog goed zijn, indien gij u slechts spoeden wilt.”

„Ik wacht slechts op uwe vergiffenis,” hernam de ridder nog steeds knielende, „voor mijne inbeelding, dat mijne geringe diensten door u verlangd of op prijs gesteld konden worden.”

„Ik vergeef u—o, ik heb niets te vergeven. Ik ben het werktuig geweest waardoor gij beleedigd zijt. Maar o, vertrek—ik wil u vergeven—ik wil u achten, als ik elken dapperen kruisvaarder acht zoo gij slechts vertrekken wilt.”

„Ontvang eerst dit kostbaar en zoo noodlottig pand,” hernam de ridder den ring aan Edith toereikende, die thans teekenen van ongeduld begon te geven.

„O neen, neen,” hervatte zij, weigerende dien aan te nemen. „Behoud hem—behoud hem als een teeken van mijne achting—van mijn berouw wilde ik zeggen. O, ga, zoo niet om uwent dan om mijnentwil.”

Sir Kenneth, bijna zelfs voor het verlies der eer schadeloos gesteld, dat hare stem hem had aangekondigd, door het belang, dat zij in zijne redding scheen te stellen, stond van zijne knie op, en een vluchtigen blik op Edith werpende, maakte hij eene diepe buiging en verwijderde zich. Op hetzelfde oogenblik zegepraalde die maagdelijke schroomvalligheid, welke de kracht van Edith’s gevoel tot op dat oogenblik beheerscht had, op hare beurt, zij ijlde uit het vertrek, onder het gaan hare lamp uitblusschende, en liet sir Kenneth naar lichaam en geestinduisternis achter. Zij moest gehoorzaamd worden, dit was de eerste gedachte, die hem uit zijn droomerij opwekte, en hij spoedde zich naar de plaats, waardoor hij in de tent gekomen was. Onder het linnen door te kruipen, op de wijze, zooals hij er in gekomen was, vorderde tijd en oplettendheid, en hij maakte eene groote opening door er met zijn dolk een gat in te snijden. Toen hij in de vrije lucht was, gevoelde hij zich bedwelmd en overmand door een strijd van gewaarwordingen, en geheel onbekwaam om het met zichzelven eens te worden, wat er werkelijk gebeurd was. Hij was verplicht om te handelen, zich te bewegen, door de herinnering, dat lady Edith spoed gevorderd had. Nochtans bij de verwarring van tenten en tentlijnen, moest hij voorzichtig gaan, totdat hij het pad of de laan bereikt had, waarlangs de dwerg hem geleid had, ten einde de aandacht van de wachten voor de tent der Koningin te ontgaan, om geen gedruisch te maken door te vallen of met zijne wapenen te kletteren. Eene dunne wolk had bovendien de maan verduisterd, op hetzelfde oogenblik toen hij de tent verliet, en hij had met deze bezwaren te worstelen op een tijd, toen de duizeligheid van zijn hoofd en de volheid van zijn hart hem nauwelijks genoegzame kracht tot overleg van zijne daden overliet. Maar eensklaps troffen er klanken zijn oor, die hem plotseling tot de volle veerkracht zijner vermogens terugriepen. Deze kwamen van den berg van St. George. Hij hoorde eerst een enkelen woesten, toornigen blaf, die oogenblikkelijk door een angstigen gil gevolgd werd. Geen wild sprong ooit met woester vlucht op de stem van Roswal op, dan sir Kenneth bij hetgeen hij vreesde, dat de doodsgil van dien edelen hond was, wien geene gewone mishandeling zelfs het minste teeken van smart kon doen uiten. Hij doorliep de ruimte, die hem van de laan scheidde, en toen hij die bereikt had, richtte hij zich naar den heuvel. Ofschoon hij met zijne wapenrusting beladen was,liep hij sneller dan andere menschen hem konden begeleid hebben, zelfs al waren zij ongewapend geweest. Hij vertraagde zelfs zijne schreden niet, toen hij aan de steile wanden van den wal kwam, en in weinige minuten stond hij op den top er van. De maan brak op dit oogenblik door de wolk, en toonde hem, dat de standaard van Engeland verdwenen was, de speer, waarop die wapperde, gebroken op den grond lag, en daarnaast zijn getrouwe hond, naar het scheen in de stuiptrekkingen des doods.


Back to IndexNext