HOOFDSTUK XIV.Weg is de roem, dien ik als jongling mocht vergaren.En die steeds toenam bij het klimmen mijner jaren.Werd dan de bron der eer verzwolgen door den stroom?Helaas! Zij werd ’t. Thans kunnen ongeschoeide knapenDe kiezelsteenen uit de opgedroogde bedding rapen.Don Sebastian.De smartelijkste gewaarwordingen overstelpten sir Kenneth. Toen hij zich daaraan ontrukt had, was zijn eerste gedachte rond te zien naar hen, die de banier van Engeland hadden gehoond, maar waarheen hij zijn blikken ook richtte, er was geen spoor van hen te ontdekken. Toen—wat menigeen bevreemden zal maar niet hem die van honden houdt,—onderzocht hij den toestand van zijn trouwen Roswal, die, naar het scheen, doodelijk gewond was bij de vervulling van den plicht, dien men zijn meester verleid had te schenden. Hij liefkoosde het stervende dier, dat getrouw tot op het laatst, zijn eigen smart scheen te vergeten in de vreugde, die het over de tegenwoordigheid zijns meesters gevoelde, en voortging met kwispelstaarten en zijne handen te likken, zelfs terwijl het door een dof gekerm verried, dat zijne pijn vermeerderd werd door sir Kenneth’s pogingen om het stuk van de lans of de werpspies, waarmede het gekwetst was geworden, uit te trekken. Daarop verdubbelde het zijne zwakke liefkozingen, als of het vreesde zijn meester beleedigd te hebben door zijn gevoel te uiten over de smart, die hem diens hulpbetoon veroorzaakte. Er was iets in die blijken van verkleefdheid van het stervende dier, dat nog het gevoel van ongeluk en schande, waardoor sir Kenneth overstelpt was, nog bitterder maakte. Zijn eenige vriend scheen van hem verwijderd te worden, juist toen hij zich de verachting en den haat van alle overige schepselen op den hals had gehaald. De zielskracht van den ridder maakte plaats voor eene uitbarsting van naamlooze ellende, en hij weende en hij weeklaagde luid.Terwijl hij dus aan zijne smart zich overgaf, sprak eene heldere en plechtige stem dicht bij hem de volgende woorden uit, in den vollen luiden toon van de voorlezers in de moskee, en in delingua franca, die Christenen en Sarraceenen verstonden:„De tegenspoed is gelijk aan het tijdvak van den vorigen en laatsten regen,—koud, onvriendelijk en onaangenaam voor mensch en dier,en toch komen van dien regen de bloesem en de vrucht, de dadel, de roos en de granaatappel.”Sir Kenneth van den Luipaard wendde zich tot hem die hem aansprak, en aanschouwde den Arabischen geneesheer, die, onhoorbaar was genaderd en dicht achter hem met de beenen kruiselings over elkander was gaan zitten, en met waardigheid, maar op een toon, waaruit zijn medelijden bleek, de troostwoorden sprak, welke de koran en zijn uitleggers hem aan de hand gaven; want in het Oosten wordt de wijsheid gehouden te bestaan niet in eene vertoon van eigen vindingskracht van den wijze, maar in zijn gereed geheugen, en zijne gelukkige toepassing van zinspelingen op hetgeen geschreven staat.Beschaamd van in eene onmanlijke uitbarsting van droefheid verrast te worden, droogde sir Kenneth ontevreden over zich zelven zijne tranen, en hield zich opnieuw met zijn stervenden lieveling bezig.„De dichter heeft gezegd”, vervolgde de Arabier, zonder zich over de afgewende blikken en de droefgeestige stemming van den ridder te bekommeren—„de os voor het veld en de kameel voor de woestijn. Zou niet de hand van den wondheeler geschikter zijn dan die van den krijgsman om wonden te genezen, ofschoon zij minder geschikt is, om die te brengen?”„Deze lijder, Hakim, is niet meer te helpen,” zeide sir Kenneth; „en bovendien is hij volgens uwe wet een onrein dier.”„Waar Allah zich verwaardigd heeft het leven en een gevoel voor leed en vreugd in te planten,” antwoordde de geneesheer; „daar zou het een zondige hoogmoed zijn, indien de wijze, dien hij verlicht heeft, weigerde het bestaan te verlengen, of de pijn te verzachten. Voor den wijze maakt de genezing van een ellendigen stalknecht, van een armen hond en van een veroverenden monarch weinig verschil. Laat ik dat gekwetste dier onderzoeken.”Sir Kenneth gaf stilzwijgend toe, en de geneesheer onderzocht en behandelde de wond van Roswal met evenveel zorg en oplettendheid, alsof het een menschelijk wezen geweest ware. Hij haalde vervolgens eene doos met instrumenten voor den dag, en trok door het verstandigen behendig gebruik der tang uit den gewonden schouder het brok van het wapen, en belette door bloedstillende middelen en een verstand het stroomen van het bloed, dat daarop volgde. Het dier liet hem intusschen alle deze goede diensten geduldig verrichten, alsof het zijne vriendelijke bedoelingen begrepen had.„De hond kan genezen worden”, zeide El Hakim, zich tot sir Kenneth wendende, „zoo gij mij vergunnen wilt hem in mijne tent te brengen, en met die zorg te behandelen, die zijn edele aard verdient. Want gij moet weten, dat uw dienaar Adonebec niet minder bekend is met het ras, den stamboom en het onderscheid van goede honden en edele paarden, dan met de ziekten, welke het menschelijk geslacht treffen.”„Neem hem mede”, zeide de ridder. „Ik schenk hem u gaarne, als hij herstelt. Ik ben u eene belooning verschuldigd voor uwe zorg jegens mijn schildknaap, en ik bezit niets anders, om u daarvoor te vergelden. Wat mij betreft, ik zal nooit weder op een hoorn blazen, of een hond ter jacht aansporen.”De Arabier gaf geen antwoord, maar maakte een teeken door het klappen in zijne handen, dat oogenblikkelijk door de verschijning van twee zwarte slaven gevolgd werd. Hij gaf hun zijne bevelen in het Arabisch, en kreeg ten antwoord dat „hooren en gehoorzamen een en hetzelfde was.” Hierop namen zij het dier in hunne armen, en droegen het weg, zonder veel tegenstand van diens kant; want ofschoon het zijne oogen naar zijn meester wendde, was het echter te zwak om zich er tegen te verzetten.„Vaarwel dan, Roswal”, zeide sir Kenneth—„vaarwel, mijn laatste en eenige vriend—gij zijt een te edel goed, om door iemand bezeten te worden, zooals ik mij in het vervolg zal moeten noemen.—Ik wenschte”, zeide hij, toen de slaven zich verwijderd hadden, „dat stervende, gelijk het edele dier, ik mijn toestand tegen den zijnen kon verruilen.”„Er staat geschreven”, antwoordde de Arabier, ofschoon die woorden niet tot hem waren gericht geweest, „dat alle schepselen ten dienste van den mensch geschapen zijn; en de heer der aarde spreekt dwaas, wanneer hij, in zijn onschuld, zijne tegenwoordige en toekomstige hoop tegen den slaafschen toestand van een geringer wezen wilde verruilen?”„Een hond, die onder het vervullen van zijn plicht sterft,” hervatte de ridder ernstig, „is beter dan een man, die hem verzaakt. Verwijder u van mij, Hakim; gij bezit, wat wonderen betreft, de wondervolste wetenschap, die ooit een mensch bezat, maar de wonden van den geest zijn boven uwe macht.”„Niet, zoo de lijder zijn kwaal wil meedeelen, en zich door den geneesheer wil laten leiden,” hernam Adonebec El Hakim.„Verneem dan”, zeide sir Kenneth, „daar gij zoo in mij dringt, dat in den vorigen nacht de banier van Engeland op deze hoogte wapperde—ik was tot haar bewaker aangesteld—de morgen breekt thans aan—daar ligt de gebroken vaandelstok—de standaard zelf is verloren—en hier zit ik en leef nog.”„Hoe!” riep El Hakim, een vorschenden blik op hem vestigend; „uwe wapenrusting is ongeschonden—er is geen bloed aan uwe wapens, en de maan noemt u als iemand, die niet waarschijnlijk in zulk een toestand uit het gevecht zou terugkeeren.—Gij zijt van uw post gelokt geworden—ja gelokt door de rozige wangen en de zwarte oogen van eene dierhouris, waaraan gij Nazareërs een dienst wijdt, die aan Allah alleen toekomt, veeleer dan dat gij haar eene liefde bewijst, die men wettig aan klompen leem, als wij zelven zijn, verschuldigd is. Zoo is het zeker geweest; want zoo zijn de mannen steeds gevallen sedert de dagen van sultan Adam.”„En indien het zoo ware, geneesheer”, hervatte sir Kenneth somber, „welk middel weet gij daartegen?”„Kennis is de moeder der macht,” antwoordde El Hakim, „zoo als de dapperheid kracht verleent.—Luister naar mij. De mensch is niet gelijk een boom, die aan eene plek gronds geworteld is—ook is hij niet geboren, om aan eene barre rots vastgeklonken te zijn, gelijk de nauwelijks bezielde schelpvisch. Uwe eigen christelijke geschriften bevelen u, om van de eene stad naar de andere te vlieden, wanneer gij vervolgd wordt; en wij Muzelmannen weten ook, dat Mahomed, de profeet van Allah, uit de heiligste stad Mekka verdreven zijnde, toevlucht en helpers teMedinavond.”„En wat raakt dat mij?” vroeg de Schot.„Veel”, antwoordde de geneesheer. „Zelfs de wijze ontvlucht den storm, dien hij niet beteugelen kan. Spoed u derhalve, en vlucht voor de wraak van Richard in de schaduw van de zegerijke banier van Saladin.”„Inderdaad mocht ik wel mijne schande in een leger van ongeloovige Heidenen verbergen, waar die onbekend is,” zeide sir Kenneth op spottenden toon.—„Maar ware het niet beter, dat ik geheel en al hun verachten toestand deelachtig werd? Strekt zich uw raad niet zoo ver uit, dat gij mij aanbeveelt, den tulband aan te nemen? Mij dunkt er ontbreekt mij niets dan afval, om mijne eerloosheid te voltooien.”„Laster niet, Nazareër”, hervatte de geneesheer somber: „Saladin bekeert niemand tot de wet van den profeet, behalve hen, die door zijne leer overtuigd worden. Open uwe oogen voor het licht, en de groote Sultan, wiens mildheid even onbegrensd is als zijne macht, zal u een koninkrijk schenken; blijf blind, zoo gij wilt, en ofschoon gij een dergenen zijt, wier tweede leven tot ellende gedoemd is, zal niettemin Saladin, in deze tegenwoordige spanne tijd, u rijk en gelukkig maken. Maar vrees niet, dat uw voorhoofd met den tulband zal gedekt worden, behalve met uwe eigen, vrije keuze.”„Dan zou ik veeleer wenschen,”antwoordde de ridder, „dat mijn uitgeteerd gelaat bij het ondergaan van de zon mocht zwart worden, zoo als waarschijnlijk is.”„Gij handelt niet verstandig, dat gij dit schoone aanbod van de hand wijst, Nazareër,” hernam El Hakim; „want ik heb invloed bij Saladin, en kan u zijne gunst in een hooge mate verschaffen. Zie,mijn zoon—deze kruistocht, zoo als gij uwe wilde onderneming noemt, is gelijk aan een grootenDromond1, die in de golven vaneen splijt. Gij zelf hebt voorwaarden tot een wapenstilstand van de Koningen en Vorsten, die hier bijeen zijn, aan den machtigen Sultan overgebracht, en gij kendet misschien den vollen inhoud van uw last niet.”„Ik kende dien niet, en het is mij ook geheel onverschillig,” hervatte de ridder ongeduldig; „wat baat het mij, dat ik kort geleden de afgevaardigde van vorsten ben geweest, daar ik, vóór dat het nacht wordt, als een veracht lijk aan de galg zal hangen?”„Neen, ik zeg u, dat het zoo niet zal zijn,” zeide de geneesheer. „Saladin wordt van alle kanten gevleid; de verbonden vorsten van deze tegen hem beraamde onderneming hebben hem zulke voorstellen tot verzoening en vrede gedaan, dat het, in andere omstandigheden, met zijne eer bestaanbaar geweest zou zijn, die aan te nemen. Anderen hebben bijzondere aanbiedingen voor hunne eigen rekening gedaan, om hunne troepen uit de legerplaats der koningen van Frangistan te doen terugtrekken, en zelfs hunne armen ter verdediging van den standaard des profeets te leenen. Maar Saladin wil van een dergelijken baatzuchtigen en verraderlijken afval niet gediend zijn. De Koning der Koningen wil alleen met den Leeuwenkoning onderhandelen. Saladin wil alleen met Melek Ric een verdrag sluiten, en met hem zal hij overeenkomen als met een vorst, of met hem vechten als met een held. Aan Richard zal hij uit eigen beweging voorwaarden toestaan, die alle zwaarden van geheel Europa hem noch door geweld noch door schrik zouden afgedwongen hebben. Hij zal eene vrije bedevaart vergunnen naar Jeruzalem en alle plaatsen, waar de Nazareërs voorwerpen tot vereering vinden, ja hij zal in zoo verre zijn rijk met zijn broeder Richard deelen, dat hij Christen bezettingen in de zes sterkste steden van Palestina en zelfs eene in Jeruzalem zal toelaten, en die onder het onmiddellijk bevel der officieren van Richard laten, wien hij vergunnen zal den naam van Bescherm-Koning van Jeruzalem te dragen. Nog meer, hoe vreemd en ongeloofelijk gij het ook moogt rekenen, verneem, heer ridder—want aan uwe eer kan ik zelfs dat bijna ongeloofelijk geheim toevertrouwen—verneem, dat Saladin een zegel wil drukken op deze gelukkige vereeniging tusschen de dappersten en edelsten van Frangistan en Azië door eene Christen maagd, eene bloedverwante van Koning Richard, en bekend onder den naam van lady Edith van Plantagenet2, tot den rang van zijne koninklijke gemalin te verheffen.”„Ha!—wat zegt gij?” riep sir Kenneth uit, die met onverschilligheid en gevoelloosheid naar het eerste gedeelte van El Hakim’s mededeelingengeluisterd had, maar door deze laatste woorden getroffen werd, zooals eene onverwachte, geweldige prikkeling van eene zenuw zelfs in de verstijving eener beroerte een gevoel van den doodsstrijd verwekken kan. Maar hierop met veel inspanning zijn toon matigende, beteugelde hij zijne verontwaardiging; en onder den schijn van een verachtelijken twijfel verbergende, vervolgde hij het gesprek, ten einde zooveel mogelijk van het complot te vernemen, dat naar hem voorkwam, tegen de eer en het geluk van haar gesmeed was, die hij niets minder beminde, al had zijne liefde voor haar hom waarschijnlijk zijn geluk en zijne eer te gelijk ontroofd.—„En welk Christen,” zeide hij met tamelijke kalmte, „zou eene zoo onnatuurlijke verbintenis, als die tusschen een Christen jonkvrouw en een ongeloovigen Sarraceen goedkeuren?”„Gij zijt een onwetend, bijgeloovig Nazareër,” antwoordde El Hakim. „Ziet gij niet, hoe de Mahomedaansche vorsten dagelijks met de edele Nazareesche maagden in Spanje huwen, zonder ergernis voor Moor of Christen? En de edele Sultan zal, in zijn vol vertrouwen op het bloed van Richard, aan de Engelsche dame al de vrijheid vergunnen die uwe Frankische zeden der vrouwen hebben toegekend. Hij zal haar de vrije uitoefening van haar godsdienst toestaan, daar hij volkomen inziet, dat het van weinig belang is, welk geloof de vrouwen belijden; en hij zal haar zoodanige plaats en zulk een rang over alle vrouwen van zijn huis schenken, dat zij in ieder opzicht zijne eenige en onbepaalde Koningin zijn zal.”„Hoe!” riep Kenneth, „durft ge denken, Muzelman, dat Richard zijne bloedverwante—eene hooggeboren en deugdzame prinses—zou geven, om hoogstens de eerste bijzit in den harem van een ongeloovige te zijn! Weet dan, Hakim, dat de geringste onder de vrije Christen edelen om zijns kinds wille zulk eene schitterende schande van de hand zou wijzen.”„Gij vergist u,” hernam Hakim, „Filips van Frankrijk en Hendrik van Champagne en andere voorname bondgenooten van Richard hebben dit voorstel zonder verwondering aangehoord, en voor zoo ver zij kunnen, beloofd om eene verbintenis te bevorderen, die deze verwoestende oorlogen kan ten einde brengen. De aartspriester van Tyrus heeft op zich genomen om het voorstel aan Richard te doen, niet twijfelende, of hij zal het plan tot stand brengen. De Sultan heeft in zijne wijsheid tot nu toe zijn voornemen verborgen gehouden voor anderen, zoo als den markies van Montserrat en den grootmeester der Tempeliers, omdat hij weet, dat zij trachten groot te worden door Richard’s dood of schande, en niet door zijn leven en zijne eer. Op derhalve, heer ridder en te paard. Ik zal u een brief geven, die u hoog in de gunst van den Sultan zal doen stijgen; en geloof niet, dat gij uw vaderland, of zijn belang of godsdienst verlaat, daar het belang der beide vorsten spoedig hetzelfde zal zijn. Voor Saladin zal uw raad zeer aangenaam wezen, daar gij hem van vele dingen kunt onderrichten omtrent de huwelijken der Christenen, de behandeling hunnervrouwen en andere punten van wetten en gebruiken, die hem in den loop van zulk eene onderhandeling van veel gewicht zijn te weten. De rechterhand van den Sultan omspant de schatten van het Oosten en is de bron der edelmoedigheid. Of, indien gij dit begeert, wanneer Saladin met Engeland zal verbonden zijn, dan zal het hem slechts weinig moeite kosten, om van Richard niet alleen uwe vergiffenis en het herstel in zijne gunst te verkrijgen, maar zelfs eene eervolle bevelhebbersplaats onder de troepen, die de Koning van Engeland van zijn leger zal achterlaten, om hunne vereenigde heerschappij in Palestina te beschermen. Op dan, te paard, er ligt een effen pad voor u.”„Hakim,” sprak de Schotsche ridder, „gij zijt een man des vredes—ook hebt gij het leven van Richard van Engeland gered—en bovendien dat van mijn eigen armen schildknaap Strauchan. Ik heb dus eene zaak ten einde toe aangehoord, die ik, zoo een ander Muzelman die had voorgesteld, met een dolksteek zou afgebroken hebben. Hakim, ter vergelding van uwe vriendelijkheid, raad ik u om toe te zien, dat de Sarraceen, die Richard het voorstel zal doen tot eene vermenging van het bloed van Plantagenet en dat van zijn vervloekten stam, een helm op zette, die in staat is om een zoo geweldigen slag met de heerbijl te doorstaan, als die, welke de poort van Acre verpletterde. Anders zal hij zeker in zulk een toestand gebracht worden, dat zelfs uwe kunst hem niet zal kunnen baten.”„Gij hebt dus hardnekkig besloten, om niet naar het Sarraceensche leger te vluchten?—Herinner u echter, dat u, zoo gij toeft, een zeker verderf verwacht; en de voorschriften van uwe wet, zoowel als de onze, verbieden den mensch om in de woning van zijn eigen leven in te breken.”„God beware!” hernam de Schot, een kruis makende; „maar het is ons eveneens verboden, de straf te vermijden, die onze misdaden verdiend hebben; en daar uwe gedachten over getrouwheid zoo armzalig zijn, doet het mij leed, dat ik u mijn goeden hond geschonken heb, daar hij een meester krijgt, die zijne waarde niet kent.”„Een geschenk, dat men beklaagt, is reeds herroepen,” antwoordde El Hakim; „maar wij geneesheeren hebben gezworen, geen patiënt weg te zenden, vóór dat hij genezen is. Zoo de hond herstelt, is hij wederom de uwe.”„Ga voort, Hakim,” hernam sir Kenneth; „men spreekt niet van valk of jachthond, wanneer er slechts tusschen het aanbreken van den dag en den dood één uur is. Laat mij mijne zonden herdenken, en mij met den Hemel verzoenen.”„Ik laat u in uwe hardnekkigheid,” zeide de geneesheer; „de nevel verbergt den afgrond voor hem, die gedoemd is daarin te storten.”Hij verwijderde zich langzaam, terwijl hij van tijd tot tijd zijn hoofd omwendde, als of hij zien wilde, of de ongelukkige ridder hem niet door woord of teeken zou terugroepen. Eindelijk verloor zich zijne gedaante, die zich door zijn tulband deed kennen in den doolhofvan tenten, die rondom uitgestrekt lag, schemerende in het bleeke licht van den dageraad, waarvoor de maneschijn geweken was.Maar ofschoon de woorden van den geneesheer Adonebec dien indruk niet op den Schot gemaakt hadden, dien de wijze beoogde, hadden zij in dezen toch de begeerte gewekt om het leven te behouden, dat hij, onteerd gelijk hij meende te zijn, eerst bereid geweest was af te leggen, als een bezoedeld gewaad, dat niet meer waard was gedragen te worden. Velerlei omstandigheden, die tusschen hem en den kluizenaar waren voorgevallen, en die hij tusschen den laatsten en Sheerkohf of Ilderim had zien gebeuren, en die hij zich thans te binnen bracht, bevestigden voor hem hetgeen Hakim van het geheim artikel van het traktaat verhaald had.„De eerwaarde bedrieger!” riep hij bij zich zelven uit: „de grijze huichelaar! Hij sprak van een ongeloovig echtgenoot, bekeerd door eene geloovige vrouw—en wat weet ik het, misschien liet de verrader aan den door God vervloekten Sarraceen de schoonheid zien van Edith van Plantagenet, opdat de hond oordeelen kon, of zij geschikt was om in den harem van een ongeloovige te worden toegelaten? Zoo ik dien ongeloovigen nog eens in mijne vuisten kreeg, zooals ik hem in mijne macht had, gelijk de hond den haas, dan zou hij tenminste nooit weder een last overbrengen, die schandelijk is voor de eer van een Christen Koning of van een edele en deugdzame maagd. Maar ik—mijne uren versmelten ras tot minuten—maar zoo lang ik leef en adem, moet er iets geschieden, en dat wel spoedig.”Hij stond eenige minuten stil, wierp zijn helm af, stapte toen van den heuvel, en sloeg den weg naar de tent van Koning Richard in.1De grootste soort van toen bekende schepen heette Dromonds of dromedarissen.↑2Dit kan een zoo buitengewone en onwaarschijnlijke voorslag schijnen, dat het noodig is te zeggen, dat er wezenlijk zulk een gemaakt werd. De geschiedschrijvers stellen echter de Koningin Douairière van Napels, zuster van Richard, voor de bruid en Saladin’s broeder voor den bruidegom. Zij schijnen van het bestaan van Edith van Plantagenet onbewust te zijn.—Zie Mill’s geschiedenis der kruisvaarten, II. Deel. p. 61.↑
HOOFDSTUK XIV.Weg is de roem, dien ik als jongling mocht vergaren.En die steeds toenam bij het klimmen mijner jaren.Werd dan de bron der eer verzwolgen door den stroom?Helaas! Zij werd ’t. Thans kunnen ongeschoeide knapenDe kiezelsteenen uit de opgedroogde bedding rapen.Don Sebastian.De smartelijkste gewaarwordingen overstelpten sir Kenneth. Toen hij zich daaraan ontrukt had, was zijn eerste gedachte rond te zien naar hen, die de banier van Engeland hadden gehoond, maar waarheen hij zijn blikken ook richtte, er was geen spoor van hen te ontdekken. Toen—wat menigeen bevreemden zal maar niet hem die van honden houdt,—onderzocht hij den toestand van zijn trouwen Roswal, die, naar het scheen, doodelijk gewond was bij de vervulling van den plicht, dien men zijn meester verleid had te schenden. Hij liefkoosde het stervende dier, dat getrouw tot op het laatst, zijn eigen smart scheen te vergeten in de vreugde, die het over de tegenwoordigheid zijns meesters gevoelde, en voortging met kwispelstaarten en zijne handen te likken, zelfs terwijl het door een dof gekerm verried, dat zijne pijn vermeerderd werd door sir Kenneth’s pogingen om het stuk van de lans of de werpspies, waarmede het gekwetst was geworden, uit te trekken. Daarop verdubbelde het zijne zwakke liefkozingen, als of het vreesde zijn meester beleedigd te hebben door zijn gevoel te uiten over de smart, die hem diens hulpbetoon veroorzaakte. Er was iets in die blijken van verkleefdheid van het stervende dier, dat nog het gevoel van ongeluk en schande, waardoor sir Kenneth overstelpt was, nog bitterder maakte. Zijn eenige vriend scheen van hem verwijderd te worden, juist toen hij zich de verachting en den haat van alle overige schepselen op den hals had gehaald. De zielskracht van den ridder maakte plaats voor eene uitbarsting van naamlooze ellende, en hij weende en hij weeklaagde luid.Terwijl hij dus aan zijne smart zich overgaf, sprak eene heldere en plechtige stem dicht bij hem de volgende woorden uit, in den vollen luiden toon van de voorlezers in de moskee, en in delingua franca, die Christenen en Sarraceenen verstonden:„De tegenspoed is gelijk aan het tijdvak van den vorigen en laatsten regen,—koud, onvriendelijk en onaangenaam voor mensch en dier,en toch komen van dien regen de bloesem en de vrucht, de dadel, de roos en de granaatappel.”Sir Kenneth van den Luipaard wendde zich tot hem die hem aansprak, en aanschouwde den Arabischen geneesheer, die, onhoorbaar was genaderd en dicht achter hem met de beenen kruiselings over elkander was gaan zitten, en met waardigheid, maar op een toon, waaruit zijn medelijden bleek, de troostwoorden sprak, welke de koran en zijn uitleggers hem aan de hand gaven; want in het Oosten wordt de wijsheid gehouden te bestaan niet in eene vertoon van eigen vindingskracht van den wijze, maar in zijn gereed geheugen, en zijne gelukkige toepassing van zinspelingen op hetgeen geschreven staat.Beschaamd van in eene onmanlijke uitbarsting van droefheid verrast te worden, droogde sir Kenneth ontevreden over zich zelven zijne tranen, en hield zich opnieuw met zijn stervenden lieveling bezig.„De dichter heeft gezegd”, vervolgde de Arabier, zonder zich over de afgewende blikken en de droefgeestige stemming van den ridder te bekommeren—„de os voor het veld en de kameel voor de woestijn. Zou niet de hand van den wondheeler geschikter zijn dan die van den krijgsman om wonden te genezen, ofschoon zij minder geschikt is, om die te brengen?”„Deze lijder, Hakim, is niet meer te helpen,” zeide sir Kenneth; „en bovendien is hij volgens uwe wet een onrein dier.”„Waar Allah zich verwaardigd heeft het leven en een gevoel voor leed en vreugd in te planten,” antwoordde de geneesheer; „daar zou het een zondige hoogmoed zijn, indien de wijze, dien hij verlicht heeft, weigerde het bestaan te verlengen, of de pijn te verzachten. Voor den wijze maakt de genezing van een ellendigen stalknecht, van een armen hond en van een veroverenden monarch weinig verschil. Laat ik dat gekwetste dier onderzoeken.”Sir Kenneth gaf stilzwijgend toe, en de geneesheer onderzocht en behandelde de wond van Roswal met evenveel zorg en oplettendheid, alsof het een menschelijk wezen geweest ware. Hij haalde vervolgens eene doos met instrumenten voor den dag, en trok door het verstandigen behendig gebruik der tang uit den gewonden schouder het brok van het wapen, en belette door bloedstillende middelen en een verstand het stroomen van het bloed, dat daarop volgde. Het dier liet hem intusschen alle deze goede diensten geduldig verrichten, alsof het zijne vriendelijke bedoelingen begrepen had.„De hond kan genezen worden”, zeide El Hakim, zich tot sir Kenneth wendende, „zoo gij mij vergunnen wilt hem in mijne tent te brengen, en met die zorg te behandelen, die zijn edele aard verdient. Want gij moet weten, dat uw dienaar Adonebec niet minder bekend is met het ras, den stamboom en het onderscheid van goede honden en edele paarden, dan met de ziekten, welke het menschelijk geslacht treffen.”„Neem hem mede”, zeide de ridder. „Ik schenk hem u gaarne, als hij herstelt. Ik ben u eene belooning verschuldigd voor uwe zorg jegens mijn schildknaap, en ik bezit niets anders, om u daarvoor te vergelden. Wat mij betreft, ik zal nooit weder op een hoorn blazen, of een hond ter jacht aansporen.”De Arabier gaf geen antwoord, maar maakte een teeken door het klappen in zijne handen, dat oogenblikkelijk door de verschijning van twee zwarte slaven gevolgd werd. Hij gaf hun zijne bevelen in het Arabisch, en kreeg ten antwoord dat „hooren en gehoorzamen een en hetzelfde was.” Hierop namen zij het dier in hunne armen, en droegen het weg, zonder veel tegenstand van diens kant; want ofschoon het zijne oogen naar zijn meester wendde, was het echter te zwak om zich er tegen te verzetten.„Vaarwel dan, Roswal”, zeide sir Kenneth—„vaarwel, mijn laatste en eenige vriend—gij zijt een te edel goed, om door iemand bezeten te worden, zooals ik mij in het vervolg zal moeten noemen.—Ik wenschte”, zeide hij, toen de slaven zich verwijderd hadden, „dat stervende, gelijk het edele dier, ik mijn toestand tegen den zijnen kon verruilen.”„Er staat geschreven”, antwoordde de Arabier, ofschoon die woorden niet tot hem waren gericht geweest, „dat alle schepselen ten dienste van den mensch geschapen zijn; en de heer der aarde spreekt dwaas, wanneer hij, in zijn onschuld, zijne tegenwoordige en toekomstige hoop tegen den slaafschen toestand van een geringer wezen wilde verruilen?”„Een hond, die onder het vervullen van zijn plicht sterft,” hervatte de ridder ernstig, „is beter dan een man, die hem verzaakt. Verwijder u van mij, Hakim; gij bezit, wat wonderen betreft, de wondervolste wetenschap, die ooit een mensch bezat, maar de wonden van den geest zijn boven uwe macht.”„Niet, zoo de lijder zijn kwaal wil meedeelen, en zich door den geneesheer wil laten leiden,” hernam Adonebec El Hakim.„Verneem dan”, zeide sir Kenneth, „daar gij zoo in mij dringt, dat in den vorigen nacht de banier van Engeland op deze hoogte wapperde—ik was tot haar bewaker aangesteld—de morgen breekt thans aan—daar ligt de gebroken vaandelstok—de standaard zelf is verloren—en hier zit ik en leef nog.”„Hoe!” riep El Hakim, een vorschenden blik op hem vestigend; „uwe wapenrusting is ongeschonden—er is geen bloed aan uwe wapens, en de maan noemt u als iemand, die niet waarschijnlijk in zulk een toestand uit het gevecht zou terugkeeren.—Gij zijt van uw post gelokt geworden—ja gelokt door de rozige wangen en de zwarte oogen van eene dierhouris, waaraan gij Nazareërs een dienst wijdt, die aan Allah alleen toekomt, veeleer dan dat gij haar eene liefde bewijst, die men wettig aan klompen leem, als wij zelven zijn, verschuldigd is. Zoo is het zeker geweest; want zoo zijn de mannen steeds gevallen sedert de dagen van sultan Adam.”„En indien het zoo ware, geneesheer”, hervatte sir Kenneth somber, „welk middel weet gij daartegen?”„Kennis is de moeder der macht,” antwoordde El Hakim, „zoo als de dapperheid kracht verleent.—Luister naar mij. De mensch is niet gelijk een boom, die aan eene plek gronds geworteld is—ook is hij niet geboren, om aan eene barre rots vastgeklonken te zijn, gelijk de nauwelijks bezielde schelpvisch. Uwe eigen christelijke geschriften bevelen u, om van de eene stad naar de andere te vlieden, wanneer gij vervolgd wordt; en wij Muzelmannen weten ook, dat Mahomed, de profeet van Allah, uit de heiligste stad Mekka verdreven zijnde, toevlucht en helpers teMedinavond.”„En wat raakt dat mij?” vroeg de Schot.„Veel”, antwoordde de geneesheer. „Zelfs de wijze ontvlucht den storm, dien hij niet beteugelen kan. Spoed u derhalve, en vlucht voor de wraak van Richard in de schaduw van de zegerijke banier van Saladin.”„Inderdaad mocht ik wel mijne schande in een leger van ongeloovige Heidenen verbergen, waar die onbekend is,” zeide sir Kenneth op spottenden toon.—„Maar ware het niet beter, dat ik geheel en al hun verachten toestand deelachtig werd? Strekt zich uw raad niet zoo ver uit, dat gij mij aanbeveelt, den tulband aan te nemen? Mij dunkt er ontbreekt mij niets dan afval, om mijne eerloosheid te voltooien.”„Laster niet, Nazareër”, hervatte de geneesheer somber: „Saladin bekeert niemand tot de wet van den profeet, behalve hen, die door zijne leer overtuigd worden. Open uwe oogen voor het licht, en de groote Sultan, wiens mildheid even onbegrensd is als zijne macht, zal u een koninkrijk schenken; blijf blind, zoo gij wilt, en ofschoon gij een dergenen zijt, wier tweede leven tot ellende gedoemd is, zal niettemin Saladin, in deze tegenwoordige spanne tijd, u rijk en gelukkig maken. Maar vrees niet, dat uw voorhoofd met den tulband zal gedekt worden, behalve met uwe eigen, vrije keuze.”„Dan zou ik veeleer wenschen,”antwoordde de ridder, „dat mijn uitgeteerd gelaat bij het ondergaan van de zon mocht zwart worden, zoo als waarschijnlijk is.”„Gij handelt niet verstandig, dat gij dit schoone aanbod van de hand wijst, Nazareër,” hernam El Hakim; „want ik heb invloed bij Saladin, en kan u zijne gunst in een hooge mate verschaffen. Zie,mijn zoon—deze kruistocht, zoo als gij uwe wilde onderneming noemt, is gelijk aan een grootenDromond1, die in de golven vaneen splijt. Gij zelf hebt voorwaarden tot een wapenstilstand van de Koningen en Vorsten, die hier bijeen zijn, aan den machtigen Sultan overgebracht, en gij kendet misschien den vollen inhoud van uw last niet.”„Ik kende dien niet, en het is mij ook geheel onverschillig,” hervatte de ridder ongeduldig; „wat baat het mij, dat ik kort geleden de afgevaardigde van vorsten ben geweest, daar ik, vóór dat het nacht wordt, als een veracht lijk aan de galg zal hangen?”„Neen, ik zeg u, dat het zoo niet zal zijn,” zeide de geneesheer. „Saladin wordt van alle kanten gevleid; de verbonden vorsten van deze tegen hem beraamde onderneming hebben hem zulke voorstellen tot verzoening en vrede gedaan, dat het, in andere omstandigheden, met zijne eer bestaanbaar geweest zou zijn, die aan te nemen. Anderen hebben bijzondere aanbiedingen voor hunne eigen rekening gedaan, om hunne troepen uit de legerplaats der koningen van Frangistan te doen terugtrekken, en zelfs hunne armen ter verdediging van den standaard des profeets te leenen. Maar Saladin wil van een dergelijken baatzuchtigen en verraderlijken afval niet gediend zijn. De Koning der Koningen wil alleen met den Leeuwenkoning onderhandelen. Saladin wil alleen met Melek Ric een verdrag sluiten, en met hem zal hij overeenkomen als met een vorst, of met hem vechten als met een held. Aan Richard zal hij uit eigen beweging voorwaarden toestaan, die alle zwaarden van geheel Europa hem noch door geweld noch door schrik zouden afgedwongen hebben. Hij zal eene vrije bedevaart vergunnen naar Jeruzalem en alle plaatsen, waar de Nazareërs voorwerpen tot vereering vinden, ja hij zal in zoo verre zijn rijk met zijn broeder Richard deelen, dat hij Christen bezettingen in de zes sterkste steden van Palestina en zelfs eene in Jeruzalem zal toelaten, en die onder het onmiddellijk bevel der officieren van Richard laten, wien hij vergunnen zal den naam van Bescherm-Koning van Jeruzalem te dragen. Nog meer, hoe vreemd en ongeloofelijk gij het ook moogt rekenen, verneem, heer ridder—want aan uwe eer kan ik zelfs dat bijna ongeloofelijk geheim toevertrouwen—verneem, dat Saladin een zegel wil drukken op deze gelukkige vereeniging tusschen de dappersten en edelsten van Frangistan en Azië door eene Christen maagd, eene bloedverwante van Koning Richard, en bekend onder den naam van lady Edith van Plantagenet2, tot den rang van zijne koninklijke gemalin te verheffen.”„Ha!—wat zegt gij?” riep sir Kenneth uit, die met onverschilligheid en gevoelloosheid naar het eerste gedeelte van El Hakim’s mededeelingengeluisterd had, maar door deze laatste woorden getroffen werd, zooals eene onverwachte, geweldige prikkeling van eene zenuw zelfs in de verstijving eener beroerte een gevoel van den doodsstrijd verwekken kan. Maar hierop met veel inspanning zijn toon matigende, beteugelde hij zijne verontwaardiging; en onder den schijn van een verachtelijken twijfel verbergende, vervolgde hij het gesprek, ten einde zooveel mogelijk van het complot te vernemen, dat naar hem voorkwam, tegen de eer en het geluk van haar gesmeed was, die hij niets minder beminde, al had zijne liefde voor haar hom waarschijnlijk zijn geluk en zijne eer te gelijk ontroofd.—„En welk Christen,” zeide hij met tamelijke kalmte, „zou eene zoo onnatuurlijke verbintenis, als die tusschen een Christen jonkvrouw en een ongeloovigen Sarraceen goedkeuren?”„Gij zijt een onwetend, bijgeloovig Nazareër,” antwoordde El Hakim. „Ziet gij niet, hoe de Mahomedaansche vorsten dagelijks met de edele Nazareesche maagden in Spanje huwen, zonder ergernis voor Moor of Christen? En de edele Sultan zal, in zijn vol vertrouwen op het bloed van Richard, aan de Engelsche dame al de vrijheid vergunnen die uwe Frankische zeden der vrouwen hebben toegekend. Hij zal haar de vrije uitoefening van haar godsdienst toestaan, daar hij volkomen inziet, dat het van weinig belang is, welk geloof de vrouwen belijden; en hij zal haar zoodanige plaats en zulk een rang over alle vrouwen van zijn huis schenken, dat zij in ieder opzicht zijne eenige en onbepaalde Koningin zijn zal.”„Hoe!” riep Kenneth, „durft ge denken, Muzelman, dat Richard zijne bloedverwante—eene hooggeboren en deugdzame prinses—zou geven, om hoogstens de eerste bijzit in den harem van een ongeloovige te zijn! Weet dan, Hakim, dat de geringste onder de vrije Christen edelen om zijns kinds wille zulk eene schitterende schande van de hand zou wijzen.”„Gij vergist u,” hernam Hakim, „Filips van Frankrijk en Hendrik van Champagne en andere voorname bondgenooten van Richard hebben dit voorstel zonder verwondering aangehoord, en voor zoo ver zij kunnen, beloofd om eene verbintenis te bevorderen, die deze verwoestende oorlogen kan ten einde brengen. De aartspriester van Tyrus heeft op zich genomen om het voorstel aan Richard te doen, niet twijfelende, of hij zal het plan tot stand brengen. De Sultan heeft in zijne wijsheid tot nu toe zijn voornemen verborgen gehouden voor anderen, zoo als den markies van Montserrat en den grootmeester der Tempeliers, omdat hij weet, dat zij trachten groot te worden door Richard’s dood of schande, en niet door zijn leven en zijne eer. Op derhalve, heer ridder en te paard. Ik zal u een brief geven, die u hoog in de gunst van den Sultan zal doen stijgen; en geloof niet, dat gij uw vaderland, of zijn belang of godsdienst verlaat, daar het belang der beide vorsten spoedig hetzelfde zal zijn. Voor Saladin zal uw raad zeer aangenaam wezen, daar gij hem van vele dingen kunt onderrichten omtrent de huwelijken der Christenen, de behandeling hunnervrouwen en andere punten van wetten en gebruiken, die hem in den loop van zulk eene onderhandeling van veel gewicht zijn te weten. De rechterhand van den Sultan omspant de schatten van het Oosten en is de bron der edelmoedigheid. Of, indien gij dit begeert, wanneer Saladin met Engeland zal verbonden zijn, dan zal het hem slechts weinig moeite kosten, om van Richard niet alleen uwe vergiffenis en het herstel in zijne gunst te verkrijgen, maar zelfs eene eervolle bevelhebbersplaats onder de troepen, die de Koning van Engeland van zijn leger zal achterlaten, om hunne vereenigde heerschappij in Palestina te beschermen. Op dan, te paard, er ligt een effen pad voor u.”„Hakim,” sprak de Schotsche ridder, „gij zijt een man des vredes—ook hebt gij het leven van Richard van Engeland gered—en bovendien dat van mijn eigen armen schildknaap Strauchan. Ik heb dus eene zaak ten einde toe aangehoord, die ik, zoo een ander Muzelman die had voorgesteld, met een dolksteek zou afgebroken hebben. Hakim, ter vergelding van uwe vriendelijkheid, raad ik u om toe te zien, dat de Sarraceen, die Richard het voorstel zal doen tot eene vermenging van het bloed van Plantagenet en dat van zijn vervloekten stam, een helm op zette, die in staat is om een zoo geweldigen slag met de heerbijl te doorstaan, als die, welke de poort van Acre verpletterde. Anders zal hij zeker in zulk een toestand gebracht worden, dat zelfs uwe kunst hem niet zal kunnen baten.”„Gij hebt dus hardnekkig besloten, om niet naar het Sarraceensche leger te vluchten?—Herinner u echter, dat u, zoo gij toeft, een zeker verderf verwacht; en de voorschriften van uwe wet, zoowel als de onze, verbieden den mensch om in de woning van zijn eigen leven in te breken.”„God beware!” hernam de Schot, een kruis makende; „maar het is ons eveneens verboden, de straf te vermijden, die onze misdaden verdiend hebben; en daar uwe gedachten over getrouwheid zoo armzalig zijn, doet het mij leed, dat ik u mijn goeden hond geschonken heb, daar hij een meester krijgt, die zijne waarde niet kent.”„Een geschenk, dat men beklaagt, is reeds herroepen,” antwoordde El Hakim; „maar wij geneesheeren hebben gezworen, geen patiënt weg te zenden, vóór dat hij genezen is. Zoo de hond herstelt, is hij wederom de uwe.”„Ga voort, Hakim,” hernam sir Kenneth; „men spreekt niet van valk of jachthond, wanneer er slechts tusschen het aanbreken van den dag en den dood één uur is. Laat mij mijne zonden herdenken, en mij met den Hemel verzoenen.”„Ik laat u in uwe hardnekkigheid,” zeide de geneesheer; „de nevel verbergt den afgrond voor hem, die gedoemd is daarin te storten.”Hij verwijderde zich langzaam, terwijl hij van tijd tot tijd zijn hoofd omwendde, als of hij zien wilde, of de ongelukkige ridder hem niet door woord of teeken zou terugroepen. Eindelijk verloor zich zijne gedaante, die zich door zijn tulband deed kennen in den doolhofvan tenten, die rondom uitgestrekt lag, schemerende in het bleeke licht van den dageraad, waarvoor de maneschijn geweken was.Maar ofschoon de woorden van den geneesheer Adonebec dien indruk niet op den Schot gemaakt hadden, dien de wijze beoogde, hadden zij in dezen toch de begeerte gewekt om het leven te behouden, dat hij, onteerd gelijk hij meende te zijn, eerst bereid geweest was af te leggen, als een bezoedeld gewaad, dat niet meer waard was gedragen te worden. Velerlei omstandigheden, die tusschen hem en den kluizenaar waren voorgevallen, en die hij tusschen den laatsten en Sheerkohf of Ilderim had zien gebeuren, en die hij zich thans te binnen bracht, bevestigden voor hem hetgeen Hakim van het geheim artikel van het traktaat verhaald had.„De eerwaarde bedrieger!” riep hij bij zich zelven uit: „de grijze huichelaar! Hij sprak van een ongeloovig echtgenoot, bekeerd door eene geloovige vrouw—en wat weet ik het, misschien liet de verrader aan den door God vervloekten Sarraceen de schoonheid zien van Edith van Plantagenet, opdat de hond oordeelen kon, of zij geschikt was om in den harem van een ongeloovige te worden toegelaten? Zoo ik dien ongeloovigen nog eens in mijne vuisten kreeg, zooals ik hem in mijne macht had, gelijk de hond den haas, dan zou hij tenminste nooit weder een last overbrengen, die schandelijk is voor de eer van een Christen Koning of van een edele en deugdzame maagd. Maar ik—mijne uren versmelten ras tot minuten—maar zoo lang ik leef en adem, moet er iets geschieden, en dat wel spoedig.”Hij stond eenige minuten stil, wierp zijn helm af, stapte toen van den heuvel, en sloeg den weg naar de tent van Koning Richard in.1De grootste soort van toen bekende schepen heette Dromonds of dromedarissen.↑2Dit kan een zoo buitengewone en onwaarschijnlijke voorslag schijnen, dat het noodig is te zeggen, dat er wezenlijk zulk een gemaakt werd. De geschiedschrijvers stellen echter de Koningin Douairière van Napels, zuster van Richard, voor de bruid en Saladin’s broeder voor den bruidegom. Zij schijnen van het bestaan van Edith van Plantagenet onbewust te zijn.—Zie Mill’s geschiedenis der kruisvaarten, II. Deel. p. 61.↑
HOOFDSTUK XIV.Weg is de roem, dien ik als jongling mocht vergaren.En die steeds toenam bij het klimmen mijner jaren.Werd dan de bron der eer verzwolgen door den stroom?Helaas! Zij werd ’t. Thans kunnen ongeschoeide knapenDe kiezelsteenen uit de opgedroogde bedding rapen.Don Sebastian.
Weg is de roem, dien ik als jongling mocht vergaren.En die steeds toenam bij het klimmen mijner jaren.Werd dan de bron der eer verzwolgen door den stroom?Helaas! Zij werd ’t. Thans kunnen ongeschoeide knapenDe kiezelsteenen uit de opgedroogde bedding rapen.Don Sebastian.
Weg is de roem, dien ik als jongling mocht vergaren.En die steeds toenam bij het klimmen mijner jaren.Werd dan de bron der eer verzwolgen door den stroom?Helaas! Zij werd ’t. Thans kunnen ongeschoeide knapenDe kiezelsteenen uit de opgedroogde bedding rapen.
Weg is de roem, dien ik als jongling mocht vergaren.
En die steeds toenam bij het klimmen mijner jaren.
Werd dan de bron der eer verzwolgen door den stroom?
Helaas! Zij werd ’t. Thans kunnen ongeschoeide knapen
De kiezelsteenen uit de opgedroogde bedding rapen.
Don Sebastian.
De smartelijkste gewaarwordingen overstelpten sir Kenneth. Toen hij zich daaraan ontrukt had, was zijn eerste gedachte rond te zien naar hen, die de banier van Engeland hadden gehoond, maar waarheen hij zijn blikken ook richtte, er was geen spoor van hen te ontdekken. Toen—wat menigeen bevreemden zal maar niet hem die van honden houdt,—onderzocht hij den toestand van zijn trouwen Roswal, die, naar het scheen, doodelijk gewond was bij de vervulling van den plicht, dien men zijn meester verleid had te schenden. Hij liefkoosde het stervende dier, dat getrouw tot op het laatst, zijn eigen smart scheen te vergeten in de vreugde, die het over de tegenwoordigheid zijns meesters gevoelde, en voortging met kwispelstaarten en zijne handen te likken, zelfs terwijl het door een dof gekerm verried, dat zijne pijn vermeerderd werd door sir Kenneth’s pogingen om het stuk van de lans of de werpspies, waarmede het gekwetst was geworden, uit te trekken. Daarop verdubbelde het zijne zwakke liefkozingen, als of het vreesde zijn meester beleedigd te hebben door zijn gevoel te uiten over de smart, die hem diens hulpbetoon veroorzaakte. Er was iets in die blijken van verkleefdheid van het stervende dier, dat nog het gevoel van ongeluk en schande, waardoor sir Kenneth overstelpt was, nog bitterder maakte. Zijn eenige vriend scheen van hem verwijderd te worden, juist toen hij zich de verachting en den haat van alle overige schepselen op den hals had gehaald. De zielskracht van den ridder maakte plaats voor eene uitbarsting van naamlooze ellende, en hij weende en hij weeklaagde luid.Terwijl hij dus aan zijne smart zich overgaf, sprak eene heldere en plechtige stem dicht bij hem de volgende woorden uit, in den vollen luiden toon van de voorlezers in de moskee, en in delingua franca, die Christenen en Sarraceenen verstonden:„De tegenspoed is gelijk aan het tijdvak van den vorigen en laatsten regen,—koud, onvriendelijk en onaangenaam voor mensch en dier,en toch komen van dien regen de bloesem en de vrucht, de dadel, de roos en de granaatappel.”Sir Kenneth van den Luipaard wendde zich tot hem die hem aansprak, en aanschouwde den Arabischen geneesheer, die, onhoorbaar was genaderd en dicht achter hem met de beenen kruiselings over elkander was gaan zitten, en met waardigheid, maar op een toon, waaruit zijn medelijden bleek, de troostwoorden sprak, welke de koran en zijn uitleggers hem aan de hand gaven; want in het Oosten wordt de wijsheid gehouden te bestaan niet in eene vertoon van eigen vindingskracht van den wijze, maar in zijn gereed geheugen, en zijne gelukkige toepassing van zinspelingen op hetgeen geschreven staat.Beschaamd van in eene onmanlijke uitbarsting van droefheid verrast te worden, droogde sir Kenneth ontevreden over zich zelven zijne tranen, en hield zich opnieuw met zijn stervenden lieveling bezig.„De dichter heeft gezegd”, vervolgde de Arabier, zonder zich over de afgewende blikken en de droefgeestige stemming van den ridder te bekommeren—„de os voor het veld en de kameel voor de woestijn. Zou niet de hand van den wondheeler geschikter zijn dan die van den krijgsman om wonden te genezen, ofschoon zij minder geschikt is, om die te brengen?”„Deze lijder, Hakim, is niet meer te helpen,” zeide sir Kenneth; „en bovendien is hij volgens uwe wet een onrein dier.”„Waar Allah zich verwaardigd heeft het leven en een gevoel voor leed en vreugd in te planten,” antwoordde de geneesheer; „daar zou het een zondige hoogmoed zijn, indien de wijze, dien hij verlicht heeft, weigerde het bestaan te verlengen, of de pijn te verzachten. Voor den wijze maakt de genezing van een ellendigen stalknecht, van een armen hond en van een veroverenden monarch weinig verschil. Laat ik dat gekwetste dier onderzoeken.”Sir Kenneth gaf stilzwijgend toe, en de geneesheer onderzocht en behandelde de wond van Roswal met evenveel zorg en oplettendheid, alsof het een menschelijk wezen geweest ware. Hij haalde vervolgens eene doos met instrumenten voor den dag, en trok door het verstandigen behendig gebruik der tang uit den gewonden schouder het brok van het wapen, en belette door bloedstillende middelen en een verstand het stroomen van het bloed, dat daarop volgde. Het dier liet hem intusschen alle deze goede diensten geduldig verrichten, alsof het zijne vriendelijke bedoelingen begrepen had.„De hond kan genezen worden”, zeide El Hakim, zich tot sir Kenneth wendende, „zoo gij mij vergunnen wilt hem in mijne tent te brengen, en met die zorg te behandelen, die zijn edele aard verdient. Want gij moet weten, dat uw dienaar Adonebec niet minder bekend is met het ras, den stamboom en het onderscheid van goede honden en edele paarden, dan met de ziekten, welke het menschelijk geslacht treffen.”„Neem hem mede”, zeide de ridder. „Ik schenk hem u gaarne, als hij herstelt. Ik ben u eene belooning verschuldigd voor uwe zorg jegens mijn schildknaap, en ik bezit niets anders, om u daarvoor te vergelden. Wat mij betreft, ik zal nooit weder op een hoorn blazen, of een hond ter jacht aansporen.”De Arabier gaf geen antwoord, maar maakte een teeken door het klappen in zijne handen, dat oogenblikkelijk door de verschijning van twee zwarte slaven gevolgd werd. Hij gaf hun zijne bevelen in het Arabisch, en kreeg ten antwoord dat „hooren en gehoorzamen een en hetzelfde was.” Hierop namen zij het dier in hunne armen, en droegen het weg, zonder veel tegenstand van diens kant; want ofschoon het zijne oogen naar zijn meester wendde, was het echter te zwak om zich er tegen te verzetten.„Vaarwel dan, Roswal”, zeide sir Kenneth—„vaarwel, mijn laatste en eenige vriend—gij zijt een te edel goed, om door iemand bezeten te worden, zooals ik mij in het vervolg zal moeten noemen.—Ik wenschte”, zeide hij, toen de slaven zich verwijderd hadden, „dat stervende, gelijk het edele dier, ik mijn toestand tegen den zijnen kon verruilen.”„Er staat geschreven”, antwoordde de Arabier, ofschoon die woorden niet tot hem waren gericht geweest, „dat alle schepselen ten dienste van den mensch geschapen zijn; en de heer der aarde spreekt dwaas, wanneer hij, in zijn onschuld, zijne tegenwoordige en toekomstige hoop tegen den slaafschen toestand van een geringer wezen wilde verruilen?”„Een hond, die onder het vervullen van zijn plicht sterft,” hervatte de ridder ernstig, „is beter dan een man, die hem verzaakt. Verwijder u van mij, Hakim; gij bezit, wat wonderen betreft, de wondervolste wetenschap, die ooit een mensch bezat, maar de wonden van den geest zijn boven uwe macht.”„Niet, zoo de lijder zijn kwaal wil meedeelen, en zich door den geneesheer wil laten leiden,” hernam Adonebec El Hakim.„Verneem dan”, zeide sir Kenneth, „daar gij zoo in mij dringt, dat in den vorigen nacht de banier van Engeland op deze hoogte wapperde—ik was tot haar bewaker aangesteld—de morgen breekt thans aan—daar ligt de gebroken vaandelstok—de standaard zelf is verloren—en hier zit ik en leef nog.”„Hoe!” riep El Hakim, een vorschenden blik op hem vestigend; „uwe wapenrusting is ongeschonden—er is geen bloed aan uwe wapens, en de maan noemt u als iemand, die niet waarschijnlijk in zulk een toestand uit het gevecht zou terugkeeren.—Gij zijt van uw post gelokt geworden—ja gelokt door de rozige wangen en de zwarte oogen van eene dierhouris, waaraan gij Nazareërs een dienst wijdt, die aan Allah alleen toekomt, veeleer dan dat gij haar eene liefde bewijst, die men wettig aan klompen leem, als wij zelven zijn, verschuldigd is. Zoo is het zeker geweest; want zoo zijn de mannen steeds gevallen sedert de dagen van sultan Adam.”„En indien het zoo ware, geneesheer”, hervatte sir Kenneth somber, „welk middel weet gij daartegen?”„Kennis is de moeder der macht,” antwoordde El Hakim, „zoo als de dapperheid kracht verleent.—Luister naar mij. De mensch is niet gelijk een boom, die aan eene plek gronds geworteld is—ook is hij niet geboren, om aan eene barre rots vastgeklonken te zijn, gelijk de nauwelijks bezielde schelpvisch. Uwe eigen christelijke geschriften bevelen u, om van de eene stad naar de andere te vlieden, wanneer gij vervolgd wordt; en wij Muzelmannen weten ook, dat Mahomed, de profeet van Allah, uit de heiligste stad Mekka verdreven zijnde, toevlucht en helpers teMedinavond.”„En wat raakt dat mij?” vroeg de Schot.„Veel”, antwoordde de geneesheer. „Zelfs de wijze ontvlucht den storm, dien hij niet beteugelen kan. Spoed u derhalve, en vlucht voor de wraak van Richard in de schaduw van de zegerijke banier van Saladin.”„Inderdaad mocht ik wel mijne schande in een leger van ongeloovige Heidenen verbergen, waar die onbekend is,” zeide sir Kenneth op spottenden toon.—„Maar ware het niet beter, dat ik geheel en al hun verachten toestand deelachtig werd? Strekt zich uw raad niet zoo ver uit, dat gij mij aanbeveelt, den tulband aan te nemen? Mij dunkt er ontbreekt mij niets dan afval, om mijne eerloosheid te voltooien.”„Laster niet, Nazareër”, hervatte de geneesheer somber: „Saladin bekeert niemand tot de wet van den profeet, behalve hen, die door zijne leer overtuigd worden. Open uwe oogen voor het licht, en de groote Sultan, wiens mildheid even onbegrensd is als zijne macht, zal u een koninkrijk schenken; blijf blind, zoo gij wilt, en ofschoon gij een dergenen zijt, wier tweede leven tot ellende gedoemd is, zal niettemin Saladin, in deze tegenwoordige spanne tijd, u rijk en gelukkig maken. Maar vrees niet, dat uw voorhoofd met den tulband zal gedekt worden, behalve met uwe eigen, vrije keuze.”„Dan zou ik veeleer wenschen,”antwoordde de ridder, „dat mijn uitgeteerd gelaat bij het ondergaan van de zon mocht zwart worden, zoo als waarschijnlijk is.”„Gij handelt niet verstandig, dat gij dit schoone aanbod van de hand wijst, Nazareër,” hernam El Hakim; „want ik heb invloed bij Saladin, en kan u zijne gunst in een hooge mate verschaffen. Zie,mijn zoon—deze kruistocht, zoo als gij uwe wilde onderneming noemt, is gelijk aan een grootenDromond1, die in de golven vaneen splijt. Gij zelf hebt voorwaarden tot een wapenstilstand van de Koningen en Vorsten, die hier bijeen zijn, aan den machtigen Sultan overgebracht, en gij kendet misschien den vollen inhoud van uw last niet.”„Ik kende dien niet, en het is mij ook geheel onverschillig,” hervatte de ridder ongeduldig; „wat baat het mij, dat ik kort geleden de afgevaardigde van vorsten ben geweest, daar ik, vóór dat het nacht wordt, als een veracht lijk aan de galg zal hangen?”„Neen, ik zeg u, dat het zoo niet zal zijn,” zeide de geneesheer. „Saladin wordt van alle kanten gevleid; de verbonden vorsten van deze tegen hem beraamde onderneming hebben hem zulke voorstellen tot verzoening en vrede gedaan, dat het, in andere omstandigheden, met zijne eer bestaanbaar geweest zou zijn, die aan te nemen. Anderen hebben bijzondere aanbiedingen voor hunne eigen rekening gedaan, om hunne troepen uit de legerplaats der koningen van Frangistan te doen terugtrekken, en zelfs hunne armen ter verdediging van den standaard des profeets te leenen. Maar Saladin wil van een dergelijken baatzuchtigen en verraderlijken afval niet gediend zijn. De Koning der Koningen wil alleen met den Leeuwenkoning onderhandelen. Saladin wil alleen met Melek Ric een verdrag sluiten, en met hem zal hij overeenkomen als met een vorst, of met hem vechten als met een held. Aan Richard zal hij uit eigen beweging voorwaarden toestaan, die alle zwaarden van geheel Europa hem noch door geweld noch door schrik zouden afgedwongen hebben. Hij zal eene vrije bedevaart vergunnen naar Jeruzalem en alle plaatsen, waar de Nazareërs voorwerpen tot vereering vinden, ja hij zal in zoo verre zijn rijk met zijn broeder Richard deelen, dat hij Christen bezettingen in de zes sterkste steden van Palestina en zelfs eene in Jeruzalem zal toelaten, en die onder het onmiddellijk bevel der officieren van Richard laten, wien hij vergunnen zal den naam van Bescherm-Koning van Jeruzalem te dragen. Nog meer, hoe vreemd en ongeloofelijk gij het ook moogt rekenen, verneem, heer ridder—want aan uwe eer kan ik zelfs dat bijna ongeloofelijk geheim toevertrouwen—verneem, dat Saladin een zegel wil drukken op deze gelukkige vereeniging tusschen de dappersten en edelsten van Frangistan en Azië door eene Christen maagd, eene bloedverwante van Koning Richard, en bekend onder den naam van lady Edith van Plantagenet2, tot den rang van zijne koninklijke gemalin te verheffen.”„Ha!—wat zegt gij?” riep sir Kenneth uit, die met onverschilligheid en gevoelloosheid naar het eerste gedeelte van El Hakim’s mededeelingengeluisterd had, maar door deze laatste woorden getroffen werd, zooals eene onverwachte, geweldige prikkeling van eene zenuw zelfs in de verstijving eener beroerte een gevoel van den doodsstrijd verwekken kan. Maar hierop met veel inspanning zijn toon matigende, beteugelde hij zijne verontwaardiging; en onder den schijn van een verachtelijken twijfel verbergende, vervolgde hij het gesprek, ten einde zooveel mogelijk van het complot te vernemen, dat naar hem voorkwam, tegen de eer en het geluk van haar gesmeed was, die hij niets minder beminde, al had zijne liefde voor haar hom waarschijnlijk zijn geluk en zijne eer te gelijk ontroofd.—„En welk Christen,” zeide hij met tamelijke kalmte, „zou eene zoo onnatuurlijke verbintenis, als die tusschen een Christen jonkvrouw en een ongeloovigen Sarraceen goedkeuren?”„Gij zijt een onwetend, bijgeloovig Nazareër,” antwoordde El Hakim. „Ziet gij niet, hoe de Mahomedaansche vorsten dagelijks met de edele Nazareesche maagden in Spanje huwen, zonder ergernis voor Moor of Christen? En de edele Sultan zal, in zijn vol vertrouwen op het bloed van Richard, aan de Engelsche dame al de vrijheid vergunnen die uwe Frankische zeden der vrouwen hebben toegekend. Hij zal haar de vrije uitoefening van haar godsdienst toestaan, daar hij volkomen inziet, dat het van weinig belang is, welk geloof de vrouwen belijden; en hij zal haar zoodanige plaats en zulk een rang over alle vrouwen van zijn huis schenken, dat zij in ieder opzicht zijne eenige en onbepaalde Koningin zijn zal.”„Hoe!” riep Kenneth, „durft ge denken, Muzelman, dat Richard zijne bloedverwante—eene hooggeboren en deugdzame prinses—zou geven, om hoogstens de eerste bijzit in den harem van een ongeloovige te zijn! Weet dan, Hakim, dat de geringste onder de vrije Christen edelen om zijns kinds wille zulk eene schitterende schande van de hand zou wijzen.”„Gij vergist u,” hernam Hakim, „Filips van Frankrijk en Hendrik van Champagne en andere voorname bondgenooten van Richard hebben dit voorstel zonder verwondering aangehoord, en voor zoo ver zij kunnen, beloofd om eene verbintenis te bevorderen, die deze verwoestende oorlogen kan ten einde brengen. De aartspriester van Tyrus heeft op zich genomen om het voorstel aan Richard te doen, niet twijfelende, of hij zal het plan tot stand brengen. De Sultan heeft in zijne wijsheid tot nu toe zijn voornemen verborgen gehouden voor anderen, zoo als den markies van Montserrat en den grootmeester der Tempeliers, omdat hij weet, dat zij trachten groot te worden door Richard’s dood of schande, en niet door zijn leven en zijne eer. Op derhalve, heer ridder en te paard. Ik zal u een brief geven, die u hoog in de gunst van den Sultan zal doen stijgen; en geloof niet, dat gij uw vaderland, of zijn belang of godsdienst verlaat, daar het belang der beide vorsten spoedig hetzelfde zal zijn. Voor Saladin zal uw raad zeer aangenaam wezen, daar gij hem van vele dingen kunt onderrichten omtrent de huwelijken der Christenen, de behandeling hunnervrouwen en andere punten van wetten en gebruiken, die hem in den loop van zulk eene onderhandeling van veel gewicht zijn te weten. De rechterhand van den Sultan omspant de schatten van het Oosten en is de bron der edelmoedigheid. Of, indien gij dit begeert, wanneer Saladin met Engeland zal verbonden zijn, dan zal het hem slechts weinig moeite kosten, om van Richard niet alleen uwe vergiffenis en het herstel in zijne gunst te verkrijgen, maar zelfs eene eervolle bevelhebbersplaats onder de troepen, die de Koning van Engeland van zijn leger zal achterlaten, om hunne vereenigde heerschappij in Palestina te beschermen. Op dan, te paard, er ligt een effen pad voor u.”„Hakim,” sprak de Schotsche ridder, „gij zijt een man des vredes—ook hebt gij het leven van Richard van Engeland gered—en bovendien dat van mijn eigen armen schildknaap Strauchan. Ik heb dus eene zaak ten einde toe aangehoord, die ik, zoo een ander Muzelman die had voorgesteld, met een dolksteek zou afgebroken hebben. Hakim, ter vergelding van uwe vriendelijkheid, raad ik u om toe te zien, dat de Sarraceen, die Richard het voorstel zal doen tot eene vermenging van het bloed van Plantagenet en dat van zijn vervloekten stam, een helm op zette, die in staat is om een zoo geweldigen slag met de heerbijl te doorstaan, als die, welke de poort van Acre verpletterde. Anders zal hij zeker in zulk een toestand gebracht worden, dat zelfs uwe kunst hem niet zal kunnen baten.”„Gij hebt dus hardnekkig besloten, om niet naar het Sarraceensche leger te vluchten?—Herinner u echter, dat u, zoo gij toeft, een zeker verderf verwacht; en de voorschriften van uwe wet, zoowel als de onze, verbieden den mensch om in de woning van zijn eigen leven in te breken.”„God beware!” hernam de Schot, een kruis makende; „maar het is ons eveneens verboden, de straf te vermijden, die onze misdaden verdiend hebben; en daar uwe gedachten over getrouwheid zoo armzalig zijn, doet het mij leed, dat ik u mijn goeden hond geschonken heb, daar hij een meester krijgt, die zijne waarde niet kent.”„Een geschenk, dat men beklaagt, is reeds herroepen,” antwoordde El Hakim; „maar wij geneesheeren hebben gezworen, geen patiënt weg te zenden, vóór dat hij genezen is. Zoo de hond herstelt, is hij wederom de uwe.”„Ga voort, Hakim,” hernam sir Kenneth; „men spreekt niet van valk of jachthond, wanneer er slechts tusschen het aanbreken van den dag en den dood één uur is. Laat mij mijne zonden herdenken, en mij met den Hemel verzoenen.”„Ik laat u in uwe hardnekkigheid,” zeide de geneesheer; „de nevel verbergt den afgrond voor hem, die gedoemd is daarin te storten.”Hij verwijderde zich langzaam, terwijl hij van tijd tot tijd zijn hoofd omwendde, als of hij zien wilde, of de ongelukkige ridder hem niet door woord of teeken zou terugroepen. Eindelijk verloor zich zijne gedaante, die zich door zijn tulband deed kennen in den doolhofvan tenten, die rondom uitgestrekt lag, schemerende in het bleeke licht van den dageraad, waarvoor de maneschijn geweken was.Maar ofschoon de woorden van den geneesheer Adonebec dien indruk niet op den Schot gemaakt hadden, dien de wijze beoogde, hadden zij in dezen toch de begeerte gewekt om het leven te behouden, dat hij, onteerd gelijk hij meende te zijn, eerst bereid geweest was af te leggen, als een bezoedeld gewaad, dat niet meer waard was gedragen te worden. Velerlei omstandigheden, die tusschen hem en den kluizenaar waren voorgevallen, en die hij tusschen den laatsten en Sheerkohf of Ilderim had zien gebeuren, en die hij zich thans te binnen bracht, bevestigden voor hem hetgeen Hakim van het geheim artikel van het traktaat verhaald had.„De eerwaarde bedrieger!” riep hij bij zich zelven uit: „de grijze huichelaar! Hij sprak van een ongeloovig echtgenoot, bekeerd door eene geloovige vrouw—en wat weet ik het, misschien liet de verrader aan den door God vervloekten Sarraceen de schoonheid zien van Edith van Plantagenet, opdat de hond oordeelen kon, of zij geschikt was om in den harem van een ongeloovige te worden toegelaten? Zoo ik dien ongeloovigen nog eens in mijne vuisten kreeg, zooals ik hem in mijne macht had, gelijk de hond den haas, dan zou hij tenminste nooit weder een last overbrengen, die schandelijk is voor de eer van een Christen Koning of van een edele en deugdzame maagd. Maar ik—mijne uren versmelten ras tot minuten—maar zoo lang ik leef en adem, moet er iets geschieden, en dat wel spoedig.”Hij stond eenige minuten stil, wierp zijn helm af, stapte toen van den heuvel, en sloeg den weg naar de tent van Koning Richard in.
De smartelijkste gewaarwordingen overstelpten sir Kenneth. Toen hij zich daaraan ontrukt had, was zijn eerste gedachte rond te zien naar hen, die de banier van Engeland hadden gehoond, maar waarheen hij zijn blikken ook richtte, er was geen spoor van hen te ontdekken. Toen—wat menigeen bevreemden zal maar niet hem die van honden houdt,—onderzocht hij den toestand van zijn trouwen Roswal, die, naar het scheen, doodelijk gewond was bij de vervulling van den plicht, dien men zijn meester verleid had te schenden. Hij liefkoosde het stervende dier, dat getrouw tot op het laatst, zijn eigen smart scheen te vergeten in de vreugde, die het over de tegenwoordigheid zijns meesters gevoelde, en voortging met kwispelstaarten en zijne handen te likken, zelfs terwijl het door een dof gekerm verried, dat zijne pijn vermeerderd werd door sir Kenneth’s pogingen om het stuk van de lans of de werpspies, waarmede het gekwetst was geworden, uit te trekken. Daarop verdubbelde het zijne zwakke liefkozingen, als of het vreesde zijn meester beleedigd te hebben door zijn gevoel te uiten over de smart, die hem diens hulpbetoon veroorzaakte. Er was iets in die blijken van verkleefdheid van het stervende dier, dat nog het gevoel van ongeluk en schande, waardoor sir Kenneth overstelpt was, nog bitterder maakte. Zijn eenige vriend scheen van hem verwijderd te worden, juist toen hij zich de verachting en den haat van alle overige schepselen op den hals had gehaald. De zielskracht van den ridder maakte plaats voor eene uitbarsting van naamlooze ellende, en hij weende en hij weeklaagde luid.
Terwijl hij dus aan zijne smart zich overgaf, sprak eene heldere en plechtige stem dicht bij hem de volgende woorden uit, in den vollen luiden toon van de voorlezers in de moskee, en in delingua franca, die Christenen en Sarraceenen verstonden:
„De tegenspoed is gelijk aan het tijdvak van den vorigen en laatsten regen,—koud, onvriendelijk en onaangenaam voor mensch en dier,en toch komen van dien regen de bloesem en de vrucht, de dadel, de roos en de granaatappel.”
Sir Kenneth van den Luipaard wendde zich tot hem die hem aansprak, en aanschouwde den Arabischen geneesheer, die, onhoorbaar was genaderd en dicht achter hem met de beenen kruiselings over elkander was gaan zitten, en met waardigheid, maar op een toon, waaruit zijn medelijden bleek, de troostwoorden sprak, welke de koran en zijn uitleggers hem aan de hand gaven; want in het Oosten wordt de wijsheid gehouden te bestaan niet in eene vertoon van eigen vindingskracht van den wijze, maar in zijn gereed geheugen, en zijne gelukkige toepassing van zinspelingen op hetgeen geschreven staat.
Beschaamd van in eene onmanlijke uitbarsting van droefheid verrast te worden, droogde sir Kenneth ontevreden over zich zelven zijne tranen, en hield zich opnieuw met zijn stervenden lieveling bezig.
„De dichter heeft gezegd”, vervolgde de Arabier, zonder zich over de afgewende blikken en de droefgeestige stemming van den ridder te bekommeren—„de os voor het veld en de kameel voor de woestijn. Zou niet de hand van den wondheeler geschikter zijn dan die van den krijgsman om wonden te genezen, ofschoon zij minder geschikt is, om die te brengen?”
„Deze lijder, Hakim, is niet meer te helpen,” zeide sir Kenneth; „en bovendien is hij volgens uwe wet een onrein dier.”
„Waar Allah zich verwaardigd heeft het leven en een gevoel voor leed en vreugd in te planten,” antwoordde de geneesheer; „daar zou het een zondige hoogmoed zijn, indien de wijze, dien hij verlicht heeft, weigerde het bestaan te verlengen, of de pijn te verzachten. Voor den wijze maakt de genezing van een ellendigen stalknecht, van een armen hond en van een veroverenden monarch weinig verschil. Laat ik dat gekwetste dier onderzoeken.”
Sir Kenneth gaf stilzwijgend toe, en de geneesheer onderzocht en behandelde de wond van Roswal met evenveel zorg en oplettendheid, alsof het een menschelijk wezen geweest ware. Hij haalde vervolgens eene doos met instrumenten voor den dag, en trok door het verstandigen behendig gebruik der tang uit den gewonden schouder het brok van het wapen, en belette door bloedstillende middelen en een verstand het stroomen van het bloed, dat daarop volgde. Het dier liet hem intusschen alle deze goede diensten geduldig verrichten, alsof het zijne vriendelijke bedoelingen begrepen had.
„De hond kan genezen worden”, zeide El Hakim, zich tot sir Kenneth wendende, „zoo gij mij vergunnen wilt hem in mijne tent te brengen, en met die zorg te behandelen, die zijn edele aard verdient. Want gij moet weten, dat uw dienaar Adonebec niet minder bekend is met het ras, den stamboom en het onderscheid van goede honden en edele paarden, dan met de ziekten, welke het menschelijk geslacht treffen.”
„Neem hem mede”, zeide de ridder. „Ik schenk hem u gaarne, als hij herstelt. Ik ben u eene belooning verschuldigd voor uwe zorg jegens mijn schildknaap, en ik bezit niets anders, om u daarvoor te vergelden. Wat mij betreft, ik zal nooit weder op een hoorn blazen, of een hond ter jacht aansporen.”
De Arabier gaf geen antwoord, maar maakte een teeken door het klappen in zijne handen, dat oogenblikkelijk door de verschijning van twee zwarte slaven gevolgd werd. Hij gaf hun zijne bevelen in het Arabisch, en kreeg ten antwoord dat „hooren en gehoorzamen een en hetzelfde was.” Hierop namen zij het dier in hunne armen, en droegen het weg, zonder veel tegenstand van diens kant; want ofschoon het zijne oogen naar zijn meester wendde, was het echter te zwak om zich er tegen te verzetten.
„Vaarwel dan, Roswal”, zeide sir Kenneth—„vaarwel, mijn laatste en eenige vriend—gij zijt een te edel goed, om door iemand bezeten te worden, zooals ik mij in het vervolg zal moeten noemen.—Ik wenschte”, zeide hij, toen de slaven zich verwijderd hadden, „dat stervende, gelijk het edele dier, ik mijn toestand tegen den zijnen kon verruilen.”
„Er staat geschreven”, antwoordde de Arabier, ofschoon die woorden niet tot hem waren gericht geweest, „dat alle schepselen ten dienste van den mensch geschapen zijn; en de heer der aarde spreekt dwaas, wanneer hij, in zijn onschuld, zijne tegenwoordige en toekomstige hoop tegen den slaafschen toestand van een geringer wezen wilde verruilen?”
„Een hond, die onder het vervullen van zijn plicht sterft,” hervatte de ridder ernstig, „is beter dan een man, die hem verzaakt. Verwijder u van mij, Hakim; gij bezit, wat wonderen betreft, de wondervolste wetenschap, die ooit een mensch bezat, maar de wonden van den geest zijn boven uwe macht.”
„Niet, zoo de lijder zijn kwaal wil meedeelen, en zich door den geneesheer wil laten leiden,” hernam Adonebec El Hakim.
„Verneem dan”, zeide sir Kenneth, „daar gij zoo in mij dringt, dat in den vorigen nacht de banier van Engeland op deze hoogte wapperde—ik was tot haar bewaker aangesteld—de morgen breekt thans aan—daar ligt de gebroken vaandelstok—de standaard zelf is verloren—en hier zit ik en leef nog.”
„Hoe!” riep El Hakim, een vorschenden blik op hem vestigend; „uwe wapenrusting is ongeschonden—er is geen bloed aan uwe wapens, en de maan noemt u als iemand, die niet waarschijnlijk in zulk een toestand uit het gevecht zou terugkeeren.—Gij zijt van uw post gelokt geworden—ja gelokt door de rozige wangen en de zwarte oogen van eene dierhouris, waaraan gij Nazareërs een dienst wijdt, die aan Allah alleen toekomt, veeleer dan dat gij haar eene liefde bewijst, die men wettig aan klompen leem, als wij zelven zijn, verschuldigd is. Zoo is het zeker geweest; want zoo zijn de mannen steeds gevallen sedert de dagen van sultan Adam.”
„En indien het zoo ware, geneesheer”, hervatte sir Kenneth somber, „welk middel weet gij daartegen?”
„Kennis is de moeder der macht,” antwoordde El Hakim, „zoo als de dapperheid kracht verleent.—Luister naar mij. De mensch is niet gelijk een boom, die aan eene plek gronds geworteld is—ook is hij niet geboren, om aan eene barre rots vastgeklonken te zijn, gelijk de nauwelijks bezielde schelpvisch. Uwe eigen christelijke geschriften bevelen u, om van de eene stad naar de andere te vlieden, wanneer gij vervolgd wordt; en wij Muzelmannen weten ook, dat Mahomed, de profeet van Allah, uit de heiligste stad Mekka verdreven zijnde, toevlucht en helpers teMedinavond.”
„En wat raakt dat mij?” vroeg de Schot.
„Veel”, antwoordde de geneesheer. „Zelfs de wijze ontvlucht den storm, dien hij niet beteugelen kan. Spoed u derhalve, en vlucht voor de wraak van Richard in de schaduw van de zegerijke banier van Saladin.”
„Inderdaad mocht ik wel mijne schande in een leger van ongeloovige Heidenen verbergen, waar die onbekend is,” zeide sir Kenneth op spottenden toon.—„Maar ware het niet beter, dat ik geheel en al hun verachten toestand deelachtig werd? Strekt zich uw raad niet zoo ver uit, dat gij mij aanbeveelt, den tulband aan te nemen? Mij dunkt er ontbreekt mij niets dan afval, om mijne eerloosheid te voltooien.”
„Laster niet, Nazareër”, hervatte de geneesheer somber: „Saladin bekeert niemand tot de wet van den profeet, behalve hen, die door zijne leer overtuigd worden. Open uwe oogen voor het licht, en de groote Sultan, wiens mildheid even onbegrensd is als zijne macht, zal u een koninkrijk schenken; blijf blind, zoo gij wilt, en ofschoon gij een dergenen zijt, wier tweede leven tot ellende gedoemd is, zal niettemin Saladin, in deze tegenwoordige spanne tijd, u rijk en gelukkig maken. Maar vrees niet, dat uw voorhoofd met den tulband zal gedekt worden, behalve met uwe eigen, vrije keuze.”
„Dan zou ik veeleer wenschen,”antwoordde de ridder, „dat mijn uitgeteerd gelaat bij het ondergaan van de zon mocht zwart worden, zoo als waarschijnlijk is.”
„Gij handelt niet verstandig, dat gij dit schoone aanbod van de hand wijst, Nazareër,” hernam El Hakim; „want ik heb invloed bij Saladin, en kan u zijne gunst in een hooge mate verschaffen. Zie,mijn zoon—deze kruistocht, zoo als gij uwe wilde onderneming noemt, is gelijk aan een grootenDromond1, die in de golven vaneen splijt. Gij zelf hebt voorwaarden tot een wapenstilstand van de Koningen en Vorsten, die hier bijeen zijn, aan den machtigen Sultan overgebracht, en gij kendet misschien den vollen inhoud van uw last niet.”
„Ik kende dien niet, en het is mij ook geheel onverschillig,” hervatte de ridder ongeduldig; „wat baat het mij, dat ik kort geleden de afgevaardigde van vorsten ben geweest, daar ik, vóór dat het nacht wordt, als een veracht lijk aan de galg zal hangen?”
„Neen, ik zeg u, dat het zoo niet zal zijn,” zeide de geneesheer. „Saladin wordt van alle kanten gevleid; de verbonden vorsten van deze tegen hem beraamde onderneming hebben hem zulke voorstellen tot verzoening en vrede gedaan, dat het, in andere omstandigheden, met zijne eer bestaanbaar geweest zou zijn, die aan te nemen. Anderen hebben bijzondere aanbiedingen voor hunne eigen rekening gedaan, om hunne troepen uit de legerplaats der koningen van Frangistan te doen terugtrekken, en zelfs hunne armen ter verdediging van den standaard des profeets te leenen. Maar Saladin wil van een dergelijken baatzuchtigen en verraderlijken afval niet gediend zijn. De Koning der Koningen wil alleen met den Leeuwenkoning onderhandelen. Saladin wil alleen met Melek Ric een verdrag sluiten, en met hem zal hij overeenkomen als met een vorst, of met hem vechten als met een held. Aan Richard zal hij uit eigen beweging voorwaarden toestaan, die alle zwaarden van geheel Europa hem noch door geweld noch door schrik zouden afgedwongen hebben. Hij zal eene vrije bedevaart vergunnen naar Jeruzalem en alle plaatsen, waar de Nazareërs voorwerpen tot vereering vinden, ja hij zal in zoo verre zijn rijk met zijn broeder Richard deelen, dat hij Christen bezettingen in de zes sterkste steden van Palestina en zelfs eene in Jeruzalem zal toelaten, en die onder het onmiddellijk bevel der officieren van Richard laten, wien hij vergunnen zal den naam van Bescherm-Koning van Jeruzalem te dragen. Nog meer, hoe vreemd en ongeloofelijk gij het ook moogt rekenen, verneem, heer ridder—want aan uwe eer kan ik zelfs dat bijna ongeloofelijk geheim toevertrouwen—verneem, dat Saladin een zegel wil drukken op deze gelukkige vereeniging tusschen de dappersten en edelsten van Frangistan en Azië door eene Christen maagd, eene bloedverwante van Koning Richard, en bekend onder den naam van lady Edith van Plantagenet2, tot den rang van zijne koninklijke gemalin te verheffen.”
„Ha!—wat zegt gij?” riep sir Kenneth uit, die met onverschilligheid en gevoelloosheid naar het eerste gedeelte van El Hakim’s mededeelingengeluisterd had, maar door deze laatste woorden getroffen werd, zooals eene onverwachte, geweldige prikkeling van eene zenuw zelfs in de verstijving eener beroerte een gevoel van den doodsstrijd verwekken kan. Maar hierop met veel inspanning zijn toon matigende, beteugelde hij zijne verontwaardiging; en onder den schijn van een verachtelijken twijfel verbergende, vervolgde hij het gesprek, ten einde zooveel mogelijk van het complot te vernemen, dat naar hem voorkwam, tegen de eer en het geluk van haar gesmeed was, die hij niets minder beminde, al had zijne liefde voor haar hom waarschijnlijk zijn geluk en zijne eer te gelijk ontroofd.—„En welk Christen,” zeide hij met tamelijke kalmte, „zou eene zoo onnatuurlijke verbintenis, als die tusschen een Christen jonkvrouw en een ongeloovigen Sarraceen goedkeuren?”
„Gij zijt een onwetend, bijgeloovig Nazareër,” antwoordde El Hakim. „Ziet gij niet, hoe de Mahomedaansche vorsten dagelijks met de edele Nazareesche maagden in Spanje huwen, zonder ergernis voor Moor of Christen? En de edele Sultan zal, in zijn vol vertrouwen op het bloed van Richard, aan de Engelsche dame al de vrijheid vergunnen die uwe Frankische zeden der vrouwen hebben toegekend. Hij zal haar de vrije uitoefening van haar godsdienst toestaan, daar hij volkomen inziet, dat het van weinig belang is, welk geloof de vrouwen belijden; en hij zal haar zoodanige plaats en zulk een rang over alle vrouwen van zijn huis schenken, dat zij in ieder opzicht zijne eenige en onbepaalde Koningin zijn zal.”
„Hoe!” riep Kenneth, „durft ge denken, Muzelman, dat Richard zijne bloedverwante—eene hooggeboren en deugdzame prinses—zou geven, om hoogstens de eerste bijzit in den harem van een ongeloovige te zijn! Weet dan, Hakim, dat de geringste onder de vrije Christen edelen om zijns kinds wille zulk eene schitterende schande van de hand zou wijzen.”
„Gij vergist u,” hernam Hakim, „Filips van Frankrijk en Hendrik van Champagne en andere voorname bondgenooten van Richard hebben dit voorstel zonder verwondering aangehoord, en voor zoo ver zij kunnen, beloofd om eene verbintenis te bevorderen, die deze verwoestende oorlogen kan ten einde brengen. De aartspriester van Tyrus heeft op zich genomen om het voorstel aan Richard te doen, niet twijfelende, of hij zal het plan tot stand brengen. De Sultan heeft in zijne wijsheid tot nu toe zijn voornemen verborgen gehouden voor anderen, zoo als den markies van Montserrat en den grootmeester der Tempeliers, omdat hij weet, dat zij trachten groot te worden door Richard’s dood of schande, en niet door zijn leven en zijne eer. Op derhalve, heer ridder en te paard. Ik zal u een brief geven, die u hoog in de gunst van den Sultan zal doen stijgen; en geloof niet, dat gij uw vaderland, of zijn belang of godsdienst verlaat, daar het belang der beide vorsten spoedig hetzelfde zal zijn. Voor Saladin zal uw raad zeer aangenaam wezen, daar gij hem van vele dingen kunt onderrichten omtrent de huwelijken der Christenen, de behandeling hunnervrouwen en andere punten van wetten en gebruiken, die hem in den loop van zulk eene onderhandeling van veel gewicht zijn te weten. De rechterhand van den Sultan omspant de schatten van het Oosten en is de bron der edelmoedigheid. Of, indien gij dit begeert, wanneer Saladin met Engeland zal verbonden zijn, dan zal het hem slechts weinig moeite kosten, om van Richard niet alleen uwe vergiffenis en het herstel in zijne gunst te verkrijgen, maar zelfs eene eervolle bevelhebbersplaats onder de troepen, die de Koning van Engeland van zijn leger zal achterlaten, om hunne vereenigde heerschappij in Palestina te beschermen. Op dan, te paard, er ligt een effen pad voor u.”
„Hakim,” sprak de Schotsche ridder, „gij zijt een man des vredes—ook hebt gij het leven van Richard van Engeland gered—en bovendien dat van mijn eigen armen schildknaap Strauchan. Ik heb dus eene zaak ten einde toe aangehoord, die ik, zoo een ander Muzelman die had voorgesteld, met een dolksteek zou afgebroken hebben. Hakim, ter vergelding van uwe vriendelijkheid, raad ik u om toe te zien, dat de Sarraceen, die Richard het voorstel zal doen tot eene vermenging van het bloed van Plantagenet en dat van zijn vervloekten stam, een helm op zette, die in staat is om een zoo geweldigen slag met de heerbijl te doorstaan, als die, welke de poort van Acre verpletterde. Anders zal hij zeker in zulk een toestand gebracht worden, dat zelfs uwe kunst hem niet zal kunnen baten.”
„Gij hebt dus hardnekkig besloten, om niet naar het Sarraceensche leger te vluchten?—Herinner u echter, dat u, zoo gij toeft, een zeker verderf verwacht; en de voorschriften van uwe wet, zoowel als de onze, verbieden den mensch om in de woning van zijn eigen leven in te breken.”
„God beware!” hernam de Schot, een kruis makende; „maar het is ons eveneens verboden, de straf te vermijden, die onze misdaden verdiend hebben; en daar uwe gedachten over getrouwheid zoo armzalig zijn, doet het mij leed, dat ik u mijn goeden hond geschonken heb, daar hij een meester krijgt, die zijne waarde niet kent.”
„Een geschenk, dat men beklaagt, is reeds herroepen,” antwoordde El Hakim; „maar wij geneesheeren hebben gezworen, geen patiënt weg te zenden, vóór dat hij genezen is. Zoo de hond herstelt, is hij wederom de uwe.”
„Ga voort, Hakim,” hernam sir Kenneth; „men spreekt niet van valk of jachthond, wanneer er slechts tusschen het aanbreken van den dag en den dood één uur is. Laat mij mijne zonden herdenken, en mij met den Hemel verzoenen.”
„Ik laat u in uwe hardnekkigheid,” zeide de geneesheer; „de nevel verbergt den afgrond voor hem, die gedoemd is daarin te storten.”
Hij verwijderde zich langzaam, terwijl hij van tijd tot tijd zijn hoofd omwendde, als of hij zien wilde, of de ongelukkige ridder hem niet door woord of teeken zou terugroepen. Eindelijk verloor zich zijne gedaante, die zich door zijn tulband deed kennen in den doolhofvan tenten, die rondom uitgestrekt lag, schemerende in het bleeke licht van den dageraad, waarvoor de maneschijn geweken was.
Maar ofschoon de woorden van den geneesheer Adonebec dien indruk niet op den Schot gemaakt hadden, dien de wijze beoogde, hadden zij in dezen toch de begeerte gewekt om het leven te behouden, dat hij, onteerd gelijk hij meende te zijn, eerst bereid geweest was af te leggen, als een bezoedeld gewaad, dat niet meer waard was gedragen te worden. Velerlei omstandigheden, die tusschen hem en den kluizenaar waren voorgevallen, en die hij tusschen den laatsten en Sheerkohf of Ilderim had zien gebeuren, en die hij zich thans te binnen bracht, bevestigden voor hem hetgeen Hakim van het geheim artikel van het traktaat verhaald had.
„De eerwaarde bedrieger!” riep hij bij zich zelven uit: „de grijze huichelaar! Hij sprak van een ongeloovig echtgenoot, bekeerd door eene geloovige vrouw—en wat weet ik het, misschien liet de verrader aan den door God vervloekten Sarraceen de schoonheid zien van Edith van Plantagenet, opdat de hond oordeelen kon, of zij geschikt was om in den harem van een ongeloovige te worden toegelaten? Zoo ik dien ongeloovigen nog eens in mijne vuisten kreeg, zooals ik hem in mijne macht had, gelijk de hond den haas, dan zou hij tenminste nooit weder een last overbrengen, die schandelijk is voor de eer van een Christen Koning of van een edele en deugdzame maagd. Maar ik—mijne uren versmelten ras tot minuten—maar zoo lang ik leef en adem, moet er iets geschieden, en dat wel spoedig.”
Hij stond eenige minuten stil, wierp zijn helm af, stapte toen van den heuvel, en sloeg den weg naar de tent van Koning Richard in.
1De grootste soort van toen bekende schepen heette Dromonds of dromedarissen.↑2Dit kan een zoo buitengewone en onwaarschijnlijke voorslag schijnen, dat het noodig is te zeggen, dat er wezenlijk zulk een gemaakt werd. De geschiedschrijvers stellen echter de Koningin Douairière van Napels, zuster van Richard, voor de bruid en Saladin’s broeder voor den bruidegom. Zij schijnen van het bestaan van Edith van Plantagenet onbewust te zijn.—Zie Mill’s geschiedenis der kruisvaarten, II. Deel. p. 61.↑
1De grootste soort van toen bekende schepen heette Dromonds of dromedarissen.↑2Dit kan een zoo buitengewone en onwaarschijnlijke voorslag schijnen, dat het noodig is te zeggen, dat er wezenlijk zulk een gemaakt werd. De geschiedschrijvers stellen echter de Koningin Douairière van Napels, zuster van Richard, voor de bruid en Saladin’s broeder voor den bruidegom. Zij schijnen van het bestaan van Edith van Plantagenet onbewust te zijn.—Zie Mill’s geschiedenis der kruisvaarten, II. Deel. p. 61.↑
1De grootste soort van toen bekende schepen heette Dromonds of dromedarissen.↑
2Dit kan een zoo buitengewone en onwaarschijnlijke voorslag schijnen, dat het noodig is te zeggen, dat er wezenlijk zulk een gemaakt werd. De geschiedschrijvers stellen echter de Koningin Douairière van Napels, zuster van Richard, voor de bruid en Saladin’s broeder voor den bruidegom. Zij schijnen van het bestaan van Edith van Plantagenet onbewust te zijn.—Zie Mill’s geschiedenis der kruisvaarten, II. Deel. p. 61.↑