HOOFDSTUK XV.De bonte haan verheft zijn zangBij ’t wijken van den nacht;En wekt den nijv’ren landman, langVoor dat de morgen lacht,De Koning ziet de bleeke straal,Die door het duister schiet;En hoort het noodlot in de taalVan ’t krassend ravenlied„Ja,” zegt hij, „’k zweer het, bij dien God,Wiens troon het licht omstraalt:De straf van Bouw’dwijn en zijnlot,Wordt heden nog bepaald!”Chatterton.Op den avond, toen sir Kenneth zijne wacht aanvaardde, had Richard zich, na de stormachtige gebeurtenis, die zijne rust verstoord had, naar bed begeven in het volle vertrouwen, dat berustte op zijn grenzeloozen moed en de meerderheid, welke hij betoond had, door in tegenwoordigheid van het geheele Christenleger en zijn aanvoerders zijn plan te volvoeren. Daar velen van hen, zoo als hij wel begreep, in het binnenste van hunne ziel de beleediging van den Hertog vanOostenrijk als eene zegepraal over hen zelven beschouwden, voelde hij zijn hoogmoed bevredigd, daar hij door het vernietigen van één vijand er honderd vernederd had.Een ander monarch zou zijne wachten op den avond na zulk een tooneel verdubbeld, en althans een gedeelte van zijne troepen onder de wapenen gehouden hebben. Maar Richard Leeuwenhart ontsloeg, bij deze gelegenheid, zelfs zijne gewone wacht, en schonk aan zijne soldaten volop wijn, om zijn herstel te vieren en op de banier van St. George te drinken. Een deel van het kamp zou het voorkomen hebben gekregen, dat het onbewaakt was en alle weerbaarheid missen, zoo niet sir Thomas de Vaux, de graaf van Salisbury en andere edelen voorzorgen genomen hadden om de orde en tucht onder de losbandige troepen te bewaren.De arts bleef bij den Koning van het oogenblik, dat hij te bed ging tot na middernacht, en diende hem tot twee malen gedurende dien tijd den drank toe, terwijl hij steeds te voren de hemelstreek gadesloeg, waar de volle maan stond, daar hij den invloed daarvan als zeer gunstig of hoogst nadeelig achtte. Het was drie uren na middernacht, eer El Hakim zich uit de koninklijke tent verwijderde, en zich naar die begaf, welke voor hem en zijn gevolg was opgeslagen. Op zijn weg derwaarts bezocht hij de tent van sir Kenneth van den Luipaard, om zijn eersten patiënt in het Christenleger, den ouden Strauchan, zooals des ridders schildknaap heette, te zien. Toen El Hakim daar naar sir Kenneth zelven vernam, hoorde hij, welken dienst hij te vervullen had, en vermoedelijk leidde hem deze mededeeling naar de St. Georgeberg, waar hij hem, dien hij zocht, in den noodlottigen toestand aantrof, welken wij in het laatste hoofdstuk verhaald hebben.Het was tegen zonsopgang, toen een langzame, zware tred de tent des Konings naderde, en eer de Vaux, die naast zijn meesters bed zoo licht sliep, als ooit een wachthond deed, meer tijd had dan noodig was om op te staan en „werda?” te roepen, trad de ridder van den Luipaard in de tent, met een diepe en berustende zwaarmoedigheid in zijne forsche, mannelijke trekken.„Vanwaar dit vermetel binnendringen, heer ridder?” vroeg de Vaux ernstig, maar toch op een toon, die eerbied voor den slaap van zijn meester verried.„Stil, de Vaux,” zeide Richard, op hetzelfde oogenblik ontwakende. „Sir Kenneth komt als een goed soldaat rekenschap van zijne wacht geven—voor de zoodanigen is de tent van den veldheer altijd toegankelijk.”—Toen uit zijne sluimerende houding zich verheffende en op zijn elleboog leunende, vestigde hij zijne groote, schitterende oogen op den ridder: „Spreek, heer Schot, gij komt om mij bericht te geven van eene waakzame, veilige en eervolle wacht, niet waar? Het geritsel van de plooien der banier van Engeland was voldoende, om die te bewaken, zelfs zonder de tegenwoordigheid van zulk een ridder, als waarvoor men u houdt.”„En waarvoor men mij niet langer houden zal,” zeide sir Kenneth.—„Mijne wacht is noch waakzaam, noch veilig, noch eervol geweest. De banier van Engeland is geroofd.”„En gij leeft nog, om dit te verkondigen?” riep Richard op een toon van schertsend ongeloof.—„Toch niet, dat kan niet wezen. Gij hebt zelfs geen schram op uw gelaat. Waarom staat gij daar zoo stom? Spreek de waarheid—het is slechts schertsen met een Koning, en toch zal ik u vergeven, zoo gij gelogen hebt.”„Gelogen! mijn Koning!” hernam de ongelukkige ridder, met sterken nadruk en een vurigen glans uit zijne oogen, flikkerend en oogenblikkelijk als de vonk, die uit den kouden, harden keisteen springt. „Maar dit moet ook verduurd worden! Ik heb de waarheid gezegd.”„Bij God en St. George!” riep de Koning, in woede uitbarstend, die hij echter terstond weder bedwong—„De Vaux, ga heen en neem de plaats in oogenschouw.—Deze koorts heeft zijn brein verward.—Dit kan niet zijn.—De moed van den man is bewezen.—Hetkan nietzijn! Ga spoedig—of zend er een man heen, zoo gij niet gaan wilt.”De Koning werd in de rede gevallen door sir Henry Neville, die ademloos binnentrad, om te zeggen, dat de banier verdwenen, en de ridder, die haar bewaakte, overmand en allerwaarschijnlijkst vermoord was, daar er geen plas bloed op de plaats lag, waar de vaandelspeer in splinters lag.„Maar wien zie ik hier?” zeide Neville, terwijl zijne oogen plotseling op sir Kenneth vielen.„Een verrader!” riep de Koning opspringend en de heerbijl grijpende, die altijd dicht bij zijn bed lag,—„een verrader! dien gij den dood eens verraders zult zien sterven.” Met deze woorden hief hij het wapentuig op, alsof hij daarmede een slag wilde toebrengen.Bleek, maar roerloos als een marmeren standbeeld, stond de Schot vóór hem, met zijn ontbloot hoofd zonder eenige bescherming, de oogen naar den grond gericht, de lippen nauwelijks bewegende, maar toch waarschijnlijk in stilte een gebed prevelend. Recht tegenover hem en juist ver genoeg om een slag te kunnen toebrengen, stond Koning Richard. Zijne hooge gestalte was geheel in de plooien van zijnecamesciaof witten langen linnen rok gewikkeld, behalve op die plaats waar het geweld zijner beweging zijn rechter arm, schouder en een gedeelte van zijne borst ontbloot had, en aan het oog een lichaamsbouw vertoonde, die de benaming van zijn Saksischen voorvader „met de ijzeren zijde” had kunnen verdienen. Hij stond een oogenblik, gereed om toe te slaan; toen de punt van het wapen latende zinken, riep hij uit: „Maar er lag bloed, Neville, er lag bloed op de plaats. Luister, heer Schot, eens waart gij dapper, want ik heb u zien vechten—zeg, dat gij twee van die honden bij de verdediging van den standaard verslagen hebt—zeg, dat het maar één was—zeg, dat gij slechts één goeden slag om onzentwille hebt toegebracht, en verwijder u uit de legerplaats met uw leven en uwe eerloosheid.”„Gij hebt mij een leugenaar genoemd, mijn Koning,” hervatte Kenneth op vasten toon, „en daarin althans hebt gij mij onrecht gedaan.—Verneem, dat er geen bloed tot verdediging van den standaard gestort is, dan dat van een armen hond, die, trouwer dan zijnmeester, het toevertrouwde pand beschermde, toen deze het verliet.”„Nu, bij St. George!” riep Richard, andermaal zijn arm oplichtende.—Maar de Vaux wierp zich tusschen den Koning en het slachtoffer zijner wraak, en sprak met de ruwe rondheid van zijn karakter: „Mijn Koning, dit moet niet hier, en ook niet door uwe eigen hand geschieden. Het is dwaasheid genoeg voor een dag en een nacht uwe banier aan den Schot toevertrouwd te hebben—heb ik niet gezegd, dat zij altijd eerlijk en toch valsch waren?”„Dat hebt gij, de Vaux; gij hebt gelijk, en ik beken het,” zeide Richard. „Ik had hem beter moeten kennen—ik had mij moeten herinneren, hoe de vos Willem mij ten aanzien van dezen kruistocht misleidde.”„Mylord,” hernam sir Kenneth, „Willem van Schotland heeft nooit bedrog gepleegd; maar de omstandigheden hebben hem belet om zijne troepen in het veld te brengen.”„Stil, onbeschaamde!” antwoordde de Koning; „gij bezoedelt den naam van een vorst alleen door dien uit te spreken.—En toch, de Vaux, het is zonderling,” voegde hij er bij, „het gedrag van den man te zien. Hij moet een lafaard of een verrader zijn; en nochtans zag hij den slag van Richard Plantagenet te gemoet, als of onze arm opgelicht werd, om de ridderlijke waardigheid op zijne schouders te leggen. Had hij het minste teeken van vrees getoond, had slechts een lid gesidderd, of een ooglid gebeefd, dan had ik zijnehersenpanverplet, als een kristallen beker. Maar ik kan niet toeslaan, als er vrees noch tegenstand is.”Er ontstond eene stilte.„Mylord,” zeide sir Kenneth.„Ha!” viel Richard hem in de rede, „hebt gij de spraak wedergevonden? Vraag genade aan den Hemel, maar niet aan mij, want Engeland is door uw schuld onteerd; en al waart gij mijn eigen en eenige broeder, dan was er geene vergiffenis voor uw misslag.”„Ik spreek niet om genade voor een sterflijk mensch te vragen,” hervatte de Schot, „het staat aan het welbehagen van Uw Majesteit, om mij tijd voor de biecht toe te staan,—zoo de sterveling mij dit weigert, dan moge God mij de vergiffenis schenken, die ik anders van Zijne Kerk zou gevraagd hebben. Maar het zij ik op staanden voet sterf, of een half uur later, zoo smeek ik uwe Majesteit in elk geval om een oogenblik gelegenheid te hebben, iets met uw koninklijken persoon te spreken, dat voor uw roem als Christen Koning van het hoogste belang is.”„Spreek op,” zeide de Koning, niet twijfelende, of hij zou de een of andere bekentenis wegens het verlies van de banier hooren.„Wat ik te zeggen heb,” vervolgde sir Kenneth, „betreft de koninklijke waardigheid van Engeland, en moet aan geene ooren, dan de uwe toevertrouwd worden.”„Gaat henen, heeren,” zeide de Koning tot Neville en de Vaux.De eerste gehoorzaamde; maar de laatste wilde niet uit de nabijheid des Konings wijken.„Zoo gij mij gelijk gegeven hebt,” antwoordde de Vaux zijn Vorst, „dan wil ik ook behandeld worden als iemand, die gelijk heeft—dat wil zeggen, ik wil mijn zin hebben. Ik laat u niet met dien valschen Schot alleen.”„Hoe, de Vaux,” riep de Koning vergramd en even met den voet stampende, „durft gij onzen persoon niet bij één verrader vertrouwen?”„Het is te vergeefs, dat gij het voorhoofd fronst en met de voeten stampt, mylord,” hervatte de Vaux „ik waag geen ziek mensch aan een gezonde, noch een naakten aan een in staal gewapende.”„Het is onverschillig,” zeide de Schotsche ridder; „ik zoek geene verontschuldiging, om tijd te winnen—ik wil in tegenwoordigheid van den lord van Gilsland spreken. Hij is een goed en braaf ridder.”„Nog slechts vóór een half uur,” hernam de Vaux met een zucht waarin kommer en ergernis vermengd waren, „zou ik hetzelfde van u gezegd hebben.”„Er heerscht verraad om u, Koning van Engeland,” vervolgde sir Kenneth.„Dat is zeer mogelijk,” hervatte Richard;„ik heb er een in het oog vallend voorbeeld van.”„Een verraad, dat u meer schande zal aandoen dan het verlies van honderd banieren in een veldslag. De—de—” sir Kenneth aarzelde, en eindelijk vervolgde hij op zachteren toon: „Lady Edith—”„Ha!” riep de Koning plotseling, een houding van trotsche aandacht aannemende en zijn oog strak op den gewaanden schuldige richtende: „Wat is het met haar?—Wat is het met haar?—Wat heeft zij met deze zaak te doen?”„Mylord,” antwoordde de Schot, „er is een plan gesmeed om uw koninklijken stam te onteeren, door de hand van lady Edith aan den Sarraceenschen Sultan te schenken, en op die wijze door een allerschandelijkste verbintenis voor Engeland een alleronteerendsten vrede voor het Christendom te koopen.”Deze mededeeling had juist de tegenovergestelde werking van die, welke sir Kenneth verwachtte. Richard Plantagenet was een van hen, die in Jago’s woorden, God juist daarom niet dienen wilden, omdat de duivel het hun beval. Een raad of een mededeeling maakten dikwijls minder door den werkelijken inhoud indruk op hem, dan door de kleur, die zij van het vermoede karakter en de gewaande inzichten aannamen van hem, die ze mededeelden. Ongelukkig vernieuwde het noemen van den naam zijner bloedverwante de herinnering aan datgene, wat hij als de hoogste aanmatiging in den ridder van den Luipaard beschouwd had, zelf toen hij nog hoog in den rang der ridderschap stond, maar hetgeen, in zijn tegenwoordigen toestand, eene voldoende beleediging scheen, om den vurigen monarch in razende drift te brengen.„Stil,” zeide hij, „eerlooze en vermetele! Bij den Hemel, ik zal uwetong met gloeiende tangen laten uittrekken, alleen voor het noemen van den naam eener Christen maagd! Verneem, ontaard verrader, dat ik reeds bemerkte tot welk een hoogte gij uwe oogen hadt durven opheffen, en ik verdroeg het, ofschoon het eene onbeschaamdheid van u was, zelfs toen gij ons—want gij zijt niets dan bedrog—verleid hadt, om u voor een man van naam en faam te houden. Maar dat gij thans, nu uwe lippen door de bekentenis van uwe eigen schande gebrandmerkt zijn—dat gijthansonze edele bloedverwante durft noemen, als iemand, in wier lot gij deel of belang hebt! Wat raakt het u, of zij een Sarraceen of een Christen huwt!—Wat raakt het u, zoo in eene legerplaats, waar de vorsten bij dag in lafaards en bij nacht in roovers veranderen—waar dappere ridders lafhartige wegloopers en verraders worden—wat raakt het u, zeg ik, of iemand anders, zoo ik het goedvond, mij met de oprechtheid en dapperheid in den persoon van Saladin te verbinden?”„Mij zeer weinig voorwaar, daar de wereld voor mij weldra niet meer zijn zal,” antwoordde sir Kenneth stoutmoedig; „maar al was ik op dit oogenblik op het rad uitgestrekt, dan zou ik u nog zeggen, dat wat ik u gezegd heb van het hoogste belang voor uw eigen geweten en uw eigen roem is. Ik zeg u, Koning, dat zoo gij slechts in uwe gedachte het voornemen voedt, om uwe bloedverwante, lady Edith ….”„Noem haar niet—en denk voor een oogenblik niet aan haar,” zeide de Koning, en vatte de heerbijl weder met zulk een geweld, dat de peezen van den forschen arm zichtbaar werden, als het weefsel, dat de klimop om den stam van een eikvormt.„Haar niet noemen—niet aan haar denken!” antwoordde sir Kenneth, daar zijn geest, hoezeer die ook gedrukt was, door deze soort van strijd zijne veerkracht begon te herkrijgen.—„Neen, bij het heilige kruis, waarop ik mijne hoop vestig, haar naam zal het laatste woord in mijn mond, haar beeld de laatste gedachte in mijn gemoed zijn. Beproef uwe geroemde sterkte op dit ontbloote hoofd, en zie, of gij mij in mijn voornemen kunt beletten.”„Hij zal mij nog tot waanzin brengen!” riep Richard, die, ten spijt van zich zelven, door den onverschrokken moed van den schuldige in zijn voornemen belemmerd werd.Eer nog Thomas van Gilsland kon antwoorden, hoorde men buiten eenig gedruisch, en de komst der Koningin werd van het buitenste gedeelte der tent gemeld.„Houd haar tegen—houd haar tegen, Neville,” riep de Koning, „dit is geen tooneel voor vrouwen.—Foei, dat ik mij door zulk een ellendigen verrader zoo tot woede heb laten brengen!—Weg met hem, de Vaux,” fluisterde hij, „door den achtersten uitgang van onze tent—sluit hem op, en sta met uw leven voor zijne zekere bewaring borg.—En, luister—hij moet dadelijk sterven—bezorg hem een priesterlijken vader—wij willen niet ziel en lichaam vermoorden.—En wacht—luister—wij willen hem niet onteerd hebben—hij zalals ridder sterven, met zwaard en sporen; want al is zijn verraad ook zoo zwart als de hel, dan kon toch zijne stoutheid die van den duivel zelven evenaren.”De Vaux, zeer verheugd, indien de waarheid zich liet gissen, dat het tooneel afliep, zonder dat Richard zich verlaagd had tot de onkoninklijke daad, om een weerloozen gevangene te dooden, haastte zich, om sir Kenneth door een geheimen uitgang naar eene afgezonderde tent te brengen, waar hij voor de veiligheid ontwapend en in boeien geklonken werd. De Vaux zag hem met eene gestadige en droefgeestige oplettendheid aan, terwijl de lieden van den provoost, aan welke sir Kenneth thans werd overgegeven, deze gestrenge voorzorgen namen.Toen deze geëindigd waren, zeide hij plechtig tot den ongelukkigen misdadiger: „Het is Koning Richard’s wil, dat gij in uwe volle waardigheid sterft—zonder dat uw lichaam verminkt wordt of uw wapenen schande wordt aangedaan—en dat uw hoofd door het zwaard van den scherprechter van de romp zal gescheiden worden.”„Dat is goedertieren,” zeide de ridder met eene zachte en onderworpen stem, als iemand, die eene onverwachte gunst ontving; „mijne familie zal dan het ergste van het verhaal niet hooren.—O mijn vader—mijn vader!”Deze zacht geprevelde woorden ontgingen den wel ruwen, maar goedhartigen Engelschman niet, en hij streek met den rug van zijne groote hand over zijn ruw gelaat, eer hij kon voortspreken.„Het is voorts Richard van Engelands wil,” zeide hij toen, „dat gij met een heilig man zult spreken, en ik heb op den weg hierheen een Karmeliter monnik ontmoet, die u op uwe reis kan voorbereiden. Hij wacht buiten, totdat gij in eene gemoedsstemming zijt, om hem te ontvangen.”„Laat dit oogenblikkelijk geschieden,” antwoordde de ridder. „Ookhierin bewijst Richard zijne goedheid. Ik kan op geen tijd beter geschikt zijn, om den goeden vader te zien, dan thans; want het leven en ik hebben elkander vaarwel toegezegd, als twee reizigers, die aan den kruisweg zijn gekomen, waar hun pad zich scheidt.”„Het is wel,” zeide de Vaux langzaam en plechtig; „want het drukte mij zwaar u het slot van mijn last uit te spreken. Het is Koning Richard’s wil, dat gij u voor een oogenblikkelijken dood bereidt.”„De wil van God en den Koning geschiede,” hernam de ridder geduldig. „Ik betwist de rechtvaardigheid van het vonnis niet, en verlang ook geen uitstel van de voltrekking.”De Vaux begon de tent te verlaten, maar zeer langzaam—bleef aan de deur staan, en zag om naar den Schot, uit wiens gelaat alle gedachten aan de wereld verbannen schenen, alsof hij zich tot een ernstig gebed stemde. De moedige Engelsche baron behoorde niet tot de fijngevoeligsten; toch overweldigde zijn medelijden hem op een geheel ongewone wijze. Hij keerde haastig naar de bos stroo terug, waarop de gevangene lag, nam eene van zijne geboeide handen, en zeide met zooveel zachtheid, als zijne ruwe stem vermocht uit te drukken: „Sir Kenneth, gij zijt nog jong—gij hebt een vader. Mijn Ralph, dien ik verliet, terwijl hij zijne hit op de oevers van de Irthing africhtte, kan eens uwe jaren bereiken—en, op den laatsten nacht na, zou ik bidden dat het God mocht behagen, dat zijne jeugd zoo veel beloofde, als de uwe.—Kan niets ten uwen behoeve gezegd of gedaan worden?”„Niets,” was het droefgeestig antwoord. „Ik heb mijn post verlaten—de aan mij toevertrouwde banier is verloren.—Als de scherprechter en het blok gereed zijn, dan zijn hoofd en romp bereid.”„Nu, dan ontferme God zich over u!” zeide de Vaux. „Toch wilde ik wel mijn beste paard er voor geven, dat ik die wacht zelf op mij genomen had. Daar schuilt een geheim achter, jongeling, een eenvoudig man kan dit begrijpen, ofschoon hij het niet doorzien kan. Lafhartigheid? Neen! Nooit vocht een lafaard, zoo als ik u heb zien doen.—Verraad! Ik kan niet gelooven, dat verraders zoo kalm onder hun verraad sterven. Gij zijt door eene diep verborgen list van uw post gelokt—door eene wel overlegde krijgslist—de kreten van eene jonkvrouw in nood hebben uw oor getroffen, of de lachende blik van eene dartele maagd heeft uw oog bevangen. Bloos er niet om, wij zijn allen door zulke verlokkingen verleid geworden. Kom, ik bid u, beken het openhartig aan mij, in plaats van aan den priester.—Richard is goedertieren, als zijn toorn bedaard is. Hebt gij mij niets toe te vertrouwen?”De ongelukkige ridder wendde zijn gelaat van den vriendelijken krijgsman af en antwoordde: „Niets”.De Vaux, die nu al zijne overredingskunst had uitgeput, stond op en verliet de tent met gekruiste armen en zwaarmoediger, dan hij dacht dat de gelegenheid verdiende—zelfs verbitterd op zich zelven,omdat zulk eene eenvoudige zaak, als de dood van een Schot, hem zoo diep kon treffen.„En toch,” zeide hij bij zich zelven, „ofschoon de ruigvoetige kerels onze vijanden in Cumberland zijn, beschouwt men hen in Palestina toch bijna als broeders.”
HOOFDSTUK XV.De bonte haan verheft zijn zangBij ’t wijken van den nacht;En wekt den nijv’ren landman, langVoor dat de morgen lacht,De Koning ziet de bleeke straal,Die door het duister schiet;En hoort het noodlot in de taalVan ’t krassend ravenlied„Ja,” zegt hij, „’k zweer het, bij dien God,Wiens troon het licht omstraalt:De straf van Bouw’dwijn en zijnlot,Wordt heden nog bepaald!”Chatterton.Op den avond, toen sir Kenneth zijne wacht aanvaardde, had Richard zich, na de stormachtige gebeurtenis, die zijne rust verstoord had, naar bed begeven in het volle vertrouwen, dat berustte op zijn grenzeloozen moed en de meerderheid, welke hij betoond had, door in tegenwoordigheid van het geheele Christenleger en zijn aanvoerders zijn plan te volvoeren. Daar velen van hen, zoo als hij wel begreep, in het binnenste van hunne ziel de beleediging van den Hertog vanOostenrijk als eene zegepraal over hen zelven beschouwden, voelde hij zijn hoogmoed bevredigd, daar hij door het vernietigen van één vijand er honderd vernederd had.Een ander monarch zou zijne wachten op den avond na zulk een tooneel verdubbeld, en althans een gedeelte van zijne troepen onder de wapenen gehouden hebben. Maar Richard Leeuwenhart ontsloeg, bij deze gelegenheid, zelfs zijne gewone wacht, en schonk aan zijne soldaten volop wijn, om zijn herstel te vieren en op de banier van St. George te drinken. Een deel van het kamp zou het voorkomen hebben gekregen, dat het onbewaakt was en alle weerbaarheid missen, zoo niet sir Thomas de Vaux, de graaf van Salisbury en andere edelen voorzorgen genomen hadden om de orde en tucht onder de losbandige troepen te bewaren.De arts bleef bij den Koning van het oogenblik, dat hij te bed ging tot na middernacht, en diende hem tot twee malen gedurende dien tijd den drank toe, terwijl hij steeds te voren de hemelstreek gadesloeg, waar de volle maan stond, daar hij den invloed daarvan als zeer gunstig of hoogst nadeelig achtte. Het was drie uren na middernacht, eer El Hakim zich uit de koninklijke tent verwijderde, en zich naar die begaf, welke voor hem en zijn gevolg was opgeslagen. Op zijn weg derwaarts bezocht hij de tent van sir Kenneth van den Luipaard, om zijn eersten patiënt in het Christenleger, den ouden Strauchan, zooals des ridders schildknaap heette, te zien. Toen El Hakim daar naar sir Kenneth zelven vernam, hoorde hij, welken dienst hij te vervullen had, en vermoedelijk leidde hem deze mededeeling naar de St. Georgeberg, waar hij hem, dien hij zocht, in den noodlottigen toestand aantrof, welken wij in het laatste hoofdstuk verhaald hebben.Het was tegen zonsopgang, toen een langzame, zware tred de tent des Konings naderde, en eer de Vaux, die naast zijn meesters bed zoo licht sliep, als ooit een wachthond deed, meer tijd had dan noodig was om op te staan en „werda?” te roepen, trad de ridder van den Luipaard in de tent, met een diepe en berustende zwaarmoedigheid in zijne forsche, mannelijke trekken.„Vanwaar dit vermetel binnendringen, heer ridder?” vroeg de Vaux ernstig, maar toch op een toon, die eerbied voor den slaap van zijn meester verried.„Stil, de Vaux,” zeide Richard, op hetzelfde oogenblik ontwakende. „Sir Kenneth komt als een goed soldaat rekenschap van zijne wacht geven—voor de zoodanigen is de tent van den veldheer altijd toegankelijk.”—Toen uit zijne sluimerende houding zich verheffende en op zijn elleboog leunende, vestigde hij zijne groote, schitterende oogen op den ridder: „Spreek, heer Schot, gij komt om mij bericht te geven van eene waakzame, veilige en eervolle wacht, niet waar? Het geritsel van de plooien der banier van Engeland was voldoende, om die te bewaken, zelfs zonder de tegenwoordigheid van zulk een ridder, als waarvoor men u houdt.”„En waarvoor men mij niet langer houden zal,” zeide sir Kenneth.—„Mijne wacht is noch waakzaam, noch veilig, noch eervol geweest. De banier van Engeland is geroofd.”„En gij leeft nog, om dit te verkondigen?” riep Richard op een toon van schertsend ongeloof.—„Toch niet, dat kan niet wezen. Gij hebt zelfs geen schram op uw gelaat. Waarom staat gij daar zoo stom? Spreek de waarheid—het is slechts schertsen met een Koning, en toch zal ik u vergeven, zoo gij gelogen hebt.”„Gelogen! mijn Koning!” hernam de ongelukkige ridder, met sterken nadruk en een vurigen glans uit zijne oogen, flikkerend en oogenblikkelijk als de vonk, die uit den kouden, harden keisteen springt. „Maar dit moet ook verduurd worden! Ik heb de waarheid gezegd.”„Bij God en St. George!” riep de Koning, in woede uitbarstend, die hij echter terstond weder bedwong—„De Vaux, ga heen en neem de plaats in oogenschouw.—Deze koorts heeft zijn brein verward.—Dit kan niet zijn.—De moed van den man is bewezen.—Hetkan nietzijn! Ga spoedig—of zend er een man heen, zoo gij niet gaan wilt.”De Koning werd in de rede gevallen door sir Henry Neville, die ademloos binnentrad, om te zeggen, dat de banier verdwenen, en de ridder, die haar bewaakte, overmand en allerwaarschijnlijkst vermoord was, daar er geen plas bloed op de plaats lag, waar de vaandelspeer in splinters lag.„Maar wien zie ik hier?” zeide Neville, terwijl zijne oogen plotseling op sir Kenneth vielen.„Een verrader!” riep de Koning opspringend en de heerbijl grijpende, die altijd dicht bij zijn bed lag,—„een verrader! dien gij den dood eens verraders zult zien sterven.” Met deze woorden hief hij het wapentuig op, alsof hij daarmede een slag wilde toebrengen.Bleek, maar roerloos als een marmeren standbeeld, stond de Schot vóór hem, met zijn ontbloot hoofd zonder eenige bescherming, de oogen naar den grond gericht, de lippen nauwelijks bewegende, maar toch waarschijnlijk in stilte een gebed prevelend. Recht tegenover hem en juist ver genoeg om een slag te kunnen toebrengen, stond Koning Richard. Zijne hooge gestalte was geheel in de plooien van zijnecamesciaof witten langen linnen rok gewikkeld, behalve op die plaats waar het geweld zijner beweging zijn rechter arm, schouder en een gedeelte van zijne borst ontbloot had, en aan het oog een lichaamsbouw vertoonde, die de benaming van zijn Saksischen voorvader „met de ijzeren zijde” had kunnen verdienen. Hij stond een oogenblik, gereed om toe te slaan; toen de punt van het wapen latende zinken, riep hij uit: „Maar er lag bloed, Neville, er lag bloed op de plaats. Luister, heer Schot, eens waart gij dapper, want ik heb u zien vechten—zeg, dat gij twee van die honden bij de verdediging van den standaard verslagen hebt—zeg, dat het maar één was—zeg, dat gij slechts één goeden slag om onzentwille hebt toegebracht, en verwijder u uit de legerplaats met uw leven en uwe eerloosheid.”„Gij hebt mij een leugenaar genoemd, mijn Koning,” hervatte Kenneth op vasten toon, „en daarin althans hebt gij mij onrecht gedaan.—Verneem, dat er geen bloed tot verdediging van den standaard gestort is, dan dat van een armen hond, die, trouwer dan zijnmeester, het toevertrouwde pand beschermde, toen deze het verliet.”„Nu, bij St. George!” riep Richard, andermaal zijn arm oplichtende.—Maar de Vaux wierp zich tusschen den Koning en het slachtoffer zijner wraak, en sprak met de ruwe rondheid van zijn karakter: „Mijn Koning, dit moet niet hier, en ook niet door uwe eigen hand geschieden. Het is dwaasheid genoeg voor een dag en een nacht uwe banier aan den Schot toevertrouwd te hebben—heb ik niet gezegd, dat zij altijd eerlijk en toch valsch waren?”„Dat hebt gij, de Vaux; gij hebt gelijk, en ik beken het,” zeide Richard. „Ik had hem beter moeten kennen—ik had mij moeten herinneren, hoe de vos Willem mij ten aanzien van dezen kruistocht misleidde.”„Mylord,” hernam sir Kenneth, „Willem van Schotland heeft nooit bedrog gepleegd; maar de omstandigheden hebben hem belet om zijne troepen in het veld te brengen.”„Stil, onbeschaamde!” antwoordde de Koning; „gij bezoedelt den naam van een vorst alleen door dien uit te spreken.—En toch, de Vaux, het is zonderling,” voegde hij er bij, „het gedrag van den man te zien. Hij moet een lafaard of een verrader zijn; en nochtans zag hij den slag van Richard Plantagenet te gemoet, als of onze arm opgelicht werd, om de ridderlijke waardigheid op zijne schouders te leggen. Had hij het minste teeken van vrees getoond, had slechts een lid gesidderd, of een ooglid gebeefd, dan had ik zijnehersenpanverplet, als een kristallen beker. Maar ik kan niet toeslaan, als er vrees noch tegenstand is.”Er ontstond eene stilte.„Mylord,” zeide sir Kenneth.„Ha!” viel Richard hem in de rede, „hebt gij de spraak wedergevonden? Vraag genade aan den Hemel, maar niet aan mij, want Engeland is door uw schuld onteerd; en al waart gij mijn eigen en eenige broeder, dan was er geene vergiffenis voor uw misslag.”„Ik spreek niet om genade voor een sterflijk mensch te vragen,” hervatte de Schot, „het staat aan het welbehagen van Uw Majesteit, om mij tijd voor de biecht toe te staan,—zoo de sterveling mij dit weigert, dan moge God mij de vergiffenis schenken, die ik anders van Zijne Kerk zou gevraagd hebben. Maar het zij ik op staanden voet sterf, of een half uur later, zoo smeek ik uwe Majesteit in elk geval om een oogenblik gelegenheid te hebben, iets met uw koninklijken persoon te spreken, dat voor uw roem als Christen Koning van het hoogste belang is.”„Spreek op,” zeide de Koning, niet twijfelende, of hij zou de een of andere bekentenis wegens het verlies van de banier hooren.„Wat ik te zeggen heb,” vervolgde sir Kenneth, „betreft de koninklijke waardigheid van Engeland, en moet aan geene ooren, dan de uwe toevertrouwd worden.”„Gaat henen, heeren,” zeide de Koning tot Neville en de Vaux.De eerste gehoorzaamde; maar de laatste wilde niet uit de nabijheid des Konings wijken.„Zoo gij mij gelijk gegeven hebt,” antwoordde de Vaux zijn Vorst, „dan wil ik ook behandeld worden als iemand, die gelijk heeft—dat wil zeggen, ik wil mijn zin hebben. Ik laat u niet met dien valschen Schot alleen.”„Hoe, de Vaux,” riep de Koning vergramd en even met den voet stampende, „durft gij onzen persoon niet bij één verrader vertrouwen?”„Het is te vergeefs, dat gij het voorhoofd fronst en met de voeten stampt, mylord,” hervatte de Vaux „ik waag geen ziek mensch aan een gezonde, noch een naakten aan een in staal gewapende.”„Het is onverschillig,” zeide de Schotsche ridder; „ik zoek geene verontschuldiging, om tijd te winnen—ik wil in tegenwoordigheid van den lord van Gilsland spreken. Hij is een goed en braaf ridder.”„Nog slechts vóór een half uur,” hernam de Vaux met een zucht waarin kommer en ergernis vermengd waren, „zou ik hetzelfde van u gezegd hebben.”„Er heerscht verraad om u, Koning van Engeland,” vervolgde sir Kenneth.„Dat is zeer mogelijk,” hervatte Richard;„ik heb er een in het oog vallend voorbeeld van.”„Een verraad, dat u meer schande zal aandoen dan het verlies van honderd banieren in een veldslag. De—de—” sir Kenneth aarzelde, en eindelijk vervolgde hij op zachteren toon: „Lady Edith—”„Ha!” riep de Koning plotseling, een houding van trotsche aandacht aannemende en zijn oog strak op den gewaanden schuldige richtende: „Wat is het met haar?—Wat is het met haar?—Wat heeft zij met deze zaak te doen?”„Mylord,” antwoordde de Schot, „er is een plan gesmeed om uw koninklijken stam te onteeren, door de hand van lady Edith aan den Sarraceenschen Sultan te schenken, en op die wijze door een allerschandelijkste verbintenis voor Engeland een alleronteerendsten vrede voor het Christendom te koopen.”Deze mededeeling had juist de tegenovergestelde werking van die, welke sir Kenneth verwachtte. Richard Plantagenet was een van hen, die in Jago’s woorden, God juist daarom niet dienen wilden, omdat de duivel het hun beval. Een raad of een mededeeling maakten dikwijls minder door den werkelijken inhoud indruk op hem, dan door de kleur, die zij van het vermoede karakter en de gewaande inzichten aannamen van hem, die ze mededeelden. Ongelukkig vernieuwde het noemen van den naam zijner bloedverwante de herinnering aan datgene, wat hij als de hoogste aanmatiging in den ridder van den Luipaard beschouwd had, zelf toen hij nog hoog in den rang der ridderschap stond, maar hetgeen, in zijn tegenwoordigen toestand, eene voldoende beleediging scheen, om den vurigen monarch in razende drift te brengen.„Stil,” zeide hij, „eerlooze en vermetele! Bij den Hemel, ik zal uwetong met gloeiende tangen laten uittrekken, alleen voor het noemen van den naam eener Christen maagd! Verneem, ontaard verrader, dat ik reeds bemerkte tot welk een hoogte gij uwe oogen hadt durven opheffen, en ik verdroeg het, ofschoon het eene onbeschaamdheid van u was, zelfs toen gij ons—want gij zijt niets dan bedrog—verleid hadt, om u voor een man van naam en faam te houden. Maar dat gij thans, nu uwe lippen door de bekentenis van uwe eigen schande gebrandmerkt zijn—dat gijthansonze edele bloedverwante durft noemen, als iemand, in wier lot gij deel of belang hebt! Wat raakt het u, of zij een Sarraceen of een Christen huwt!—Wat raakt het u, zoo in eene legerplaats, waar de vorsten bij dag in lafaards en bij nacht in roovers veranderen—waar dappere ridders lafhartige wegloopers en verraders worden—wat raakt het u, zeg ik, of iemand anders, zoo ik het goedvond, mij met de oprechtheid en dapperheid in den persoon van Saladin te verbinden?”„Mij zeer weinig voorwaar, daar de wereld voor mij weldra niet meer zijn zal,” antwoordde sir Kenneth stoutmoedig; „maar al was ik op dit oogenblik op het rad uitgestrekt, dan zou ik u nog zeggen, dat wat ik u gezegd heb van het hoogste belang voor uw eigen geweten en uw eigen roem is. Ik zeg u, Koning, dat zoo gij slechts in uwe gedachte het voornemen voedt, om uwe bloedverwante, lady Edith ….”„Noem haar niet—en denk voor een oogenblik niet aan haar,” zeide de Koning, en vatte de heerbijl weder met zulk een geweld, dat de peezen van den forschen arm zichtbaar werden, als het weefsel, dat de klimop om den stam van een eikvormt.„Haar niet noemen—niet aan haar denken!” antwoordde sir Kenneth, daar zijn geest, hoezeer die ook gedrukt was, door deze soort van strijd zijne veerkracht begon te herkrijgen.—„Neen, bij het heilige kruis, waarop ik mijne hoop vestig, haar naam zal het laatste woord in mijn mond, haar beeld de laatste gedachte in mijn gemoed zijn. Beproef uwe geroemde sterkte op dit ontbloote hoofd, en zie, of gij mij in mijn voornemen kunt beletten.”„Hij zal mij nog tot waanzin brengen!” riep Richard, die, ten spijt van zich zelven, door den onverschrokken moed van den schuldige in zijn voornemen belemmerd werd.Eer nog Thomas van Gilsland kon antwoorden, hoorde men buiten eenig gedruisch, en de komst der Koningin werd van het buitenste gedeelte der tent gemeld.„Houd haar tegen—houd haar tegen, Neville,” riep de Koning, „dit is geen tooneel voor vrouwen.—Foei, dat ik mij door zulk een ellendigen verrader zoo tot woede heb laten brengen!—Weg met hem, de Vaux,” fluisterde hij, „door den achtersten uitgang van onze tent—sluit hem op, en sta met uw leven voor zijne zekere bewaring borg.—En, luister—hij moet dadelijk sterven—bezorg hem een priesterlijken vader—wij willen niet ziel en lichaam vermoorden.—En wacht—luister—wij willen hem niet onteerd hebben—hij zalals ridder sterven, met zwaard en sporen; want al is zijn verraad ook zoo zwart als de hel, dan kon toch zijne stoutheid die van den duivel zelven evenaren.”De Vaux, zeer verheugd, indien de waarheid zich liet gissen, dat het tooneel afliep, zonder dat Richard zich verlaagd had tot de onkoninklijke daad, om een weerloozen gevangene te dooden, haastte zich, om sir Kenneth door een geheimen uitgang naar eene afgezonderde tent te brengen, waar hij voor de veiligheid ontwapend en in boeien geklonken werd. De Vaux zag hem met eene gestadige en droefgeestige oplettendheid aan, terwijl de lieden van den provoost, aan welke sir Kenneth thans werd overgegeven, deze gestrenge voorzorgen namen.Toen deze geëindigd waren, zeide hij plechtig tot den ongelukkigen misdadiger: „Het is Koning Richard’s wil, dat gij in uwe volle waardigheid sterft—zonder dat uw lichaam verminkt wordt of uw wapenen schande wordt aangedaan—en dat uw hoofd door het zwaard van den scherprechter van de romp zal gescheiden worden.”„Dat is goedertieren,” zeide de ridder met eene zachte en onderworpen stem, als iemand, die eene onverwachte gunst ontving; „mijne familie zal dan het ergste van het verhaal niet hooren.—O mijn vader—mijn vader!”Deze zacht geprevelde woorden ontgingen den wel ruwen, maar goedhartigen Engelschman niet, en hij streek met den rug van zijne groote hand over zijn ruw gelaat, eer hij kon voortspreken.„Het is voorts Richard van Engelands wil,” zeide hij toen, „dat gij met een heilig man zult spreken, en ik heb op den weg hierheen een Karmeliter monnik ontmoet, die u op uwe reis kan voorbereiden. Hij wacht buiten, totdat gij in eene gemoedsstemming zijt, om hem te ontvangen.”„Laat dit oogenblikkelijk geschieden,” antwoordde de ridder. „Ookhierin bewijst Richard zijne goedheid. Ik kan op geen tijd beter geschikt zijn, om den goeden vader te zien, dan thans; want het leven en ik hebben elkander vaarwel toegezegd, als twee reizigers, die aan den kruisweg zijn gekomen, waar hun pad zich scheidt.”„Het is wel,” zeide de Vaux langzaam en plechtig; „want het drukte mij zwaar u het slot van mijn last uit te spreken. Het is Koning Richard’s wil, dat gij u voor een oogenblikkelijken dood bereidt.”„De wil van God en den Koning geschiede,” hernam de ridder geduldig. „Ik betwist de rechtvaardigheid van het vonnis niet, en verlang ook geen uitstel van de voltrekking.”De Vaux begon de tent te verlaten, maar zeer langzaam—bleef aan de deur staan, en zag om naar den Schot, uit wiens gelaat alle gedachten aan de wereld verbannen schenen, alsof hij zich tot een ernstig gebed stemde. De moedige Engelsche baron behoorde niet tot de fijngevoeligsten; toch overweldigde zijn medelijden hem op een geheel ongewone wijze. Hij keerde haastig naar de bos stroo terug, waarop de gevangene lag, nam eene van zijne geboeide handen, en zeide met zooveel zachtheid, als zijne ruwe stem vermocht uit te drukken: „Sir Kenneth, gij zijt nog jong—gij hebt een vader. Mijn Ralph, dien ik verliet, terwijl hij zijne hit op de oevers van de Irthing africhtte, kan eens uwe jaren bereiken—en, op den laatsten nacht na, zou ik bidden dat het God mocht behagen, dat zijne jeugd zoo veel beloofde, als de uwe.—Kan niets ten uwen behoeve gezegd of gedaan worden?”„Niets,” was het droefgeestig antwoord. „Ik heb mijn post verlaten—de aan mij toevertrouwde banier is verloren.—Als de scherprechter en het blok gereed zijn, dan zijn hoofd en romp bereid.”„Nu, dan ontferme God zich over u!” zeide de Vaux. „Toch wilde ik wel mijn beste paard er voor geven, dat ik die wacht zelf op mij genomen had. Daar schuilt een geheim achter, jongeling, een eenvoudig man kan dit begrijpen, ofschoon hij het niet doorzien kan. Lafhartigheid? Neen! Nooit vocht een lafaard, zoo als ik u heb zien doen.—Verraad! Ik kan niet gelooven, dat verraders zoo kalm onder hun verraad sterven. Gij zijt door eene diep verborgen list van uw post gelokt—door eene wel overlegde krijgslist—de kreten van eene jonkvrouw in nood hebben uw oor getroffen, of de lachende blik van eene dartele maagd heeft uw oog bevangen. Bloos er niet om, wij zijn allen door zulke verlokkingen verleid geworden. Kom, ik bid u, beken het openhartig aan mij, in plaats van aan den priester.—Richard is goedertieren, als zijn toorn bedaard is. Hebt gij mij niets toe te vertrouwen?”De ongelukkige ridder wendde zijn gelaat van den vriendelijken krijgsman af en antwoordde: „Niets”.De Vaux, die nu al zijne overredingskunst had uitgeput, stond op en verliet de tent met gekruiste armen en zwaarmoediger, dan hij dacht dat de gelegenheid verdiende—zelfs verbitterd op zich zelven,omdat zulk eene eenvoudige zaak, als de dood van een Schot, hem zoo diep kon treffen.„En toch,” zeide hij bij zich zelven, „ofschoon de ruigvoetige kerels onze vijanden in Cumberland zijn, beschouwt men hen in Palestina toch bijna als broeders.”
HOOFDSTUK XV.De bonte haan verheft zijn zangBij ’t wijken van den nacht;En wekt den nijv’ren landman, langVoor dat de morgen lacht,De Koning ziet de bleeke straal,Die door het duister schiet;En hoort het noodlot in de taalVan ’t krassend ravenlied„Ja,” zegt hij, „’k zweer het, bij dien God,Wiens troon het licht omstraalt:De straf van Bouw’dwijn en zijnlot,Wordt heden nog bepaald!”Chatterton.
De bonte haan verheft zijn zangBij ’t wijken van den nacht;En wekt den nijv’ren landman, langVoor dat de morgen lacht,De Koning ziet de bleeke straal,Die door het duister schiet;En hoort het noodlot in de taalVan ’t krassend ravenlied„Ja,” zegt hij, „’k zweer het, bij dien God,Wiens troon het licht omstraalt:De straf van Bouw’dwijn en zijnlot,Wordt heden nog bepaald!”Chatterton.
De bonte haan verheft zijn zangBij ’t wijken van den nacht;En wekt den nijv’ren landman, langVoor dat de morgen lacht,De Koning ziet de bleeke straal,Die door het duister schiet;En hoort het noodlot in de taalVan ’t krassend ravenlied„Ja,” zegt hij, „’k zweer het, bij dien God,Wiens troon het licht omstraalt:De straf van Bouw’dwijn en zijnlot,Wordt heden nog bepaald!”
De bonte haan verheft zijn zang
Bij ’t wijken van den nacht;
En wekt den nijv’ren landman, lang
Voor dat de morgen lacht,
De Koning ziet de bleeke straal,
Die door het duister schiet;
En hoort het noodlot in de taal
Van ’t krassend ravenlied
„Ja,” zegt hij, „’k zweer het, bij dien God,
Wiens troon het licht omstraalt:
De straf van Bouw’dwijn en zijnlot,
Wordt heden nog bepaald!”
Chatterton.
Op den avond, toen sir Kenneth zijne wacht aanvaardde, had Richard zich, na de stormachtige gebeurtenis, die zijne rust verstoord had, naar bed begeven in het volle vertrouwen, dat berustte op zijn grenzeloozen moed en de meerderheid, welke hij betoond had, door in tegenwoordigheid van het geheele Christenleger en zijn aanvoerders zijn plan te volvoeren. Daar velen van hen, zoo als hij wel begreep, in het binnenste van hunne ziel de beleediging van den Hertog vanOostenrijk als eene zegepraal over hen zelven beschouwden, voelde hij zijn hoogmoed bevredigd, daar hij door het vernietigen van één vijand er honderd vernederd had.Een ander monarch zou zijne wachten op den avond na zulk een tooneel verdubbeld, en althans een gedeelte van zijne troepen onder de wapenen gehouden hebben. Maar Richard Leeuwenhart ontsloeg, bij deze gelegenheid, zelfs zijne gewone wacht, en schonk aan zijne soldaten volop wijn, om zijn herstel te vieren en op de banier van St. George te drinken. Een deel van het kamp zou het voorkomen hebben gekregen, dat het onbewaakt was en alle weerbaarheid missen, zoo niet sir Thomas de Vaux, de graaf van Salisbury en andere edelen voorzorgen genomen hadden om de orde en tucht onder de losbandige troepen te bewaren.De arts bleef bij den Koning van het oogenblik, dat hij te bed ging tot na middernacht, en diende hem tot twee malen gedurende dien tijd den drank toe, terwijl hij steeds te voren de hemelstreek gadesloeg, waar de volle maan stond, daar hij den invloed daarvan als zeer gunstig of hoogst nadeelig achtte. Het was drie uren na middernacht, eer El Hakim zich uit de koninklijke tent verwijderde, en zich naar die begaf, welke voor hem en zijn gevolg was opgeslagen. Op zijn weg derwaarts bezocht hij de tent van sir Kenneth van den Luipaard, om zijn eersten patiënt in het Christenleger, den ouden Strauchan, zooals des ridders schildknaap heette, te zien. Toen El Hakim daar naar sir Kenneth zelven vernam, hoorde hij, welken dienst hij te vervullen had, en vermoedelijk leidde hem deze mededeeling naar de St. Georgeberg, waar hij hem, dien hij zocht, in den noodlottigen toestand aantrof, welken wij in het laatste hoofdstuk verhaald hebben.Het was tegen zonsopgang, toen een langzame, zware tred de tent des Konings naderde, en eer de Vaux, die naast zijn meesters bed zoo licht sliep, als ooit een wachthond deed, meer tijd had dan noodig was om op te staan en „werda?” te roepen, trad de ridder van den Luipaard in de tent, met een diepe en berustende zwaarmoedigheid in zijne forsche, mannelijke trekken.„Vanwaar dit vermetel binnendringen, heer ridder?” vroeg de Vaux ernstig, maar toch op een toon, die eerbied voor den slaap van zijn meester verried.„Stil, de Vaux,” zeide Richard, op hetzelfde oogenblik ontwakende. „Sir Kenneth komt als een goed soldaat rekenschap van zijne wacht geven—voor de zoodanigen is de tent van den veldheer altijd toegankelijk.”—Toen uit zijne sluimerende houding zich verheffende en op zijn elleboog leunende, vestigde hij zijne groote, schitterende oogen op den ridder: „Spreek, heer Schot, gij komt om mij bericht te geven van eene waakzame, veilige en eervolle wacht, niet waar? Het geritsel van de plooien der banier van Engeland was voldoende, om die te bewaken, zelfs zonder de tegenwoordigheid van zulk een ridder, als waarvoor men u houdt.”„En waarvoor men mij niet langer houden zal,” zeide sir Kenneth.—„Mijne wacht is noch waakzaam, noch veilig, noch eervol geweest. De banier van Engeland is geroofd.”„En gij leeft nog, om dit te verkondigen?” riep Richard op een toon van schertsend ongeloof.—„Toch niet, dat kan niet wezen. Gij hebt zelfs geen schram op uw gelaat. Waarom staat gij daar zoo stom? Spreek de waarheid—het is slechts schertsen met een Koning, en toch zal ik u vergeven, zoo gij gelogen hebt.”„Gelogen! mijn Koning!” hernam de ongelukkige ridder, met sterken nadruk en een vurigen glans uit zijne oogen, flikkerend en oogenblikkelijk als de vonk, die uit den kouden, harden keisteen springt. „Maar dit moet ook verduurd worden! Ik heb de waarheid gezegd.”„Bij God en St. George!” riep de Koning, in woede uitbarstend, die hij echter terstond weder bedwong—„De Vaux, ga heen en neem de plaats in oogenschouw.—Deze koorts heeft zijn brein verward.—Dit kan niet zijn.—De moed van den man is bewezen.—Hetkan nietzijn! Ga spoedig—of zend er een man heen, zoo gij niet gaan wilt.”De Koning werd in de rede gevallen door sir Henry Neville, die ademloos binnentrad, om te zeggen, dat de banier verdwenen, en de ridder, die haar bewaakte, overmand en allerwaarschijnlijkst vermoord was, daar er geen plas bloed op de plaats lag, waar de vaandelspeer in splinters lag.„Maar wien zie ik hier?” zeide Neville, terwijl zijne oogen plotseling op sir Kenneth vielen.„Een verrader!” riep de Koning opspringend en de heerbijl grijpende, die altijd dicht bij zijn bed lag,—„een verrader! dien gij den dood eens verraders zult zien sterven.” Met deze woorden hief hij het wapentuig op, alsof hij daarmede een slag wilde toebrengen.Bleek, maar roerloos als een marmeren standbeeld, stond de Schot vóór hem, met zijn ontbloot hoofd zonder eenige bescherming, de oogen naar den grond gericht, de lippen nauwelijks bewegende, maar toch waarschijnlijk in stilte een gebed prevelend. Recht tegenover hem en juist ver genoeg om een slag te kunnen toebrengen, stond Koning Richard. Zijne hooge gestalte was geheel in de plooien van zijnecamesciaof witten langen linnen rok gewikkeld, behalve op die plaats waar het geweld zijner beweging zijn rechter arm, schouder en een gedeelte van zijne borst ontbloot had, en aan het oog een lichaamsbouw vertoonde, die de benaming van zijn Saksischen voorvader „met de ijzeren zijde” had kunnen verdienen. Hij stond een oogenblik, gereed om toe te slaan; toen de punt van het wapen latende zinken, riep hij uit: „Maar er lag bloed, Neville, er lag bloed op de plaats. Luister, heer Schot, eens waart gij dapper, want ik heb u zien vechten—zeg, dat gij twee van die honden bij de verdediging van den standaard verslagen hebt—zeg, dat het maar één was—zeg, dat gij slechts één goeden slag om onzentwille hebt toegebracht, en verwijder u uit de legerplaats met uw leven en uwe eerloosheid.”„Gij hebt mij een leugenaar genoemd, mijn Koning,” hervatte Kenneth op vasten toon, „en daarin althans hebt gij mij onrecht gedaan.—Verneem, dat er geen bloed tot verdediging van den standaard gestort is, dan dat van een armen hond, die, trouwer dan zijnmeester, het toevertrouwde pand beschermde, toen deze het verliet.”„Nu, bij St. George!” riep Richard, andermaal zijn arm oplichtende.—Maar de Vaux wierp zich tusschen den Koning en het slachtoffer zijner wraak, en sprak met de ruwe rondheid van zijn karakter: „Mijn Koning, dit moet niet hier, en ook niet door uwe eigen hand geschieden. Het is dwaasheid genoeg voor een dag en een nacht uwe banier aan den Schot toevertrouwd te hebben—heb ik niet gezegd, dat zij altijd eerlijk en toch valsch waren?”„Dat hebt gij, de Vaux; gij hebt gelijk, en ik beken het,” zeide Richard. „Ik had hem beter moeten kennen—ik had mij moeten herinneren, hoe de vos Willem mij ten aanzien van dezen kruistocht misleidde.”„Mylord,” hernam sir Kenneth, „Willem van Schotland heeft nooit bedrog gepleegd; maar de omstandigheden hebben hem belet om zijne troepen in het veld te brengen.”„Stil, onbeschaamde!” antwoordde de Koning; „gij bezoedelt den naam van een vorst alleen door dien uit te spreken.—En toch, de Vaux, het is zonderling,” voegde hij er bij, „het gedrag van den man te zien. Hij moet een lafaard of een verrader zijn; en nochtans zag hij den slag van Richard Plantagenet te gemoet, als of onze arm opgelicht werd, om de ridderlijke waardigheid op zijne schouders te leggen. Had hij het minste teeken van vrees getoond, had slechts een lid gesidderd, of een ooglid gebeefd, dan had ik zijnehersenpanverplet, als een kristallen beker. Maar ik kan niet toeslaan, als er vrees noch tegenstand is.”Er ontstond eene stilte.„Mylord,” zeide sir Kenneth.„Ha!” viel Richard hem in de rede, „hebt gij de spraak wedergevonden? Vraag genade aan den Hemel, maar niet aan mij, want Engeland is door uw schuld onteerd; en al waart gij mijn eigen en eenige broeder, dan was er geene vergiffenis voor uw misslag.”„Ik spreek niet om genade voor een sterflijk mensch te vragen,” hervatte de Schot, „het staat aan het welbehagen van Uw Majesteit, om mij tijd voor de biecht toe te staan,—zoo de sterveling mij dit weigert, dan moge God mij de vergiffenis schenken, die ik anders van Zijne Kerk zou gevraagd hebben. Maar het zij ik op staanden voet sterf, of een half uur later, zoo smeek ik uwe Majesteit in elk geval om een oogenblik gelegenheid te hebben, iets met uw koninklijken persoon te spreken, dat voor uw roem als Christen Koning van het hoogste belang is.”„Spreek op,” zeide de Koning, niet twijfelende, of hij zou de een of andere bekentenis wegens het verlies van de banier hooren.„Wat ik te zeggen heb,” vervolgde sir Kenneth, „betreft de koninklijke waardigheid van Engeland, en moet aan geene ooren, dan de uwe toevertrouwd worden.”„Gaat henen, heeren,” zeide de Koning tot Neville en de Vaux.De eerste gehoorzaamde; maar de laatste wilde niet uit de nabijheid des Konings wijken.„Zoo gij mij gelijk gegeven hebt,” antwoordde de Vaux zijn Vorst, „dan wil ik ook behandeld worden als iemand, die gelijk heeft—dat wil zeggen, ik wil mijn zin hebben. Ik laat u niet met dien valschen Schot alleen.”„Hoe, de Vaux,” riep de Koning vergramd en even met den voet stampende, „durft gij onzen persoon niet bij één verrader vertrouwen?”„Het is te vergeefs, dat gij het voorhoofd fronst en met de voeten stampt, mylord,” hervatte de Vaux „ik waag geen ziek mensch aan een gezonde, noch een naakten aan een in staal gewapende.”„Het is onverschillig,” zeide de Schotsche ridder; „ik zoek geene verontschuldiging, om tijd te winnen—ik wil in tegenwoordigheid van den lord van Gilsland spreken. Hij is een goed en braaf ridder.”„Nog slechts vóór een half uur,” hernam de Vaux met een zucht waarin kommer en ergernis vermengd waren, „zou ik hetzelfde van u gezegd hebben.”„Er heerscht verraad om u, Koning van Engeland,” vervolgde sir Kenneth.„Dat is zeer mogelijk,” hervatte Richard;„ik heb er een in het oog vallend voorbeeld van.”„Een verraad, dat u meer schande zal aandoen dan het verlies van honderd banieren in een veldslag. De—de—” sir Kenneth aarzelde, en eindelijk vervolgde hij op zachteren toon: „Lady Edith—”„Ha!” riep de Koning plotseling, een houding van trotsche aandacht aannemende en zijn oog strak op den gewaanden schuldige richtende: „Wat is het met haar?—Wat is het met haar?—Wat heeft zij met deze zaak te doen?”„Mylord,” antwoordde de Schot, „er is een plan gesmeed om uw koninklijken stam te onteeren, door de hand van lady Edith aan den Sarraceenschen Sultan te schenken, en op die wijze door een allerschandelijkste verbintenis voor Engeland een alleronteerendsten vrede voor het Christendom te koopen.”Deze mededeeling had juist de tegenovergestelde werking van die, welke sir Kenneth verwachtte. Richard Plantagenet was een van hen, die in Jago’s woorden, God juist daarom niet dienen wilden, omdat de duivel het hun beval. Een raad of een mededeeling maakten dikwijls minder door den werkelijken inhoud indruk op hem, dan door de kleur, die zij van het vermoede karakter en de gewaande inzichten aannamen van hem, die ze mededeelden. Ongelukkig vernieuwde het noemen van den naam zijner bloedverwante de herinnering aan datgene, wat hij als de hoogste aanmatiging in den ridder van den Luipaard beschouwd had, zelf toen hij nog hoog in den rang der ridderschap stond, maar hetgeen, in zijn tegenwoordigen toestand, eene voldoende beleediging scheen, om den vurigen monarch in razende drift te brengen.„Stil,” zeide hij, „eerlooze en vermetele! Bij den Hemel, ik zal uwetong met gloeiende tangen laten uittrekken, alleen voor het noemen van den naam eener Christen maagd! Verneem, ontaard verrader, dat ik reeds bemerkte tot welk een hoogte gij uwe oogen hadt durven opheffen, en ik verdroeg het, ofschoon het eene onbeschaamdheid van u was, zelfs toen gij ons—want gij zijt niets dan bedrog—verleid hadt, om u voor een man van naam en faam te houden. Maar dat gij thans, nu uwe lippen door de bekentenis van uwe eigen schande gebrandmerkt zijn—dat gijthansonze edele bloedverwante durft noemen, als iemand, in wier lot gij deel of belang hebt! Wat raakt het u, of zij een Sarraceen of een Christen huwt!—Wat raakt het u, zoo in eene legerplaats, waar de vorsten bij dag in lafaards en bij nacht in roovers veranderen—waar dappere ridders lafhartige wegloopers en verraders worden—wat raakt het u, zeg ik, of iemand anders, zoo ik het goedvond, mij met de oprechtheid en dapperheid in den persoon van Saladin te verbinden?”„Mij zeer weinig voorwaar, daar de wereld voor mij weldra niet meer zijn zal,” antwoordde sir Kenneth stoutmoedig; „maar al was ik op dit oogenblik op het rad uitgestrekt, dan zou ik u nog zeggen, dat wat ik u gezegd heb van het hoogste belang voor uw eigen geweten en uw eigen roem is. Ik zeg u, Koning, dat zoo gij slechts in uwe gedachte het voornemen voedt, om uwe bloedverwante, lady Edith ….”„Noem haar niet—en denk voor een oogenblik niet aan haar,” zeide de Koning, en vatte de heerbijl weder met zulk een geweld, dat de peezen van den forschen arm zichtbaar werden, als het weefsel, dat de klimop om den stam van een eikvormt.„Haar niet noemen—niet aan haar denken!” antwoordde sir Kenneth, daar zijn geest, hoezeer die ook gedrukt was, door deze soort van strijd zijne veerkracht begon te herkrijgen.—„Neen, bij het heilige kruis, waarop ik mijne hoop vestig, haar naam zal het laatste woord in mijn mond, haar beeld de laatste gedachte in mijn gemoed zijn. Beproef uwe geroemde sterkte op dit ontbloote hoofd, en zie, of gij mij in mijn voornemen kunt beletten.”„Hij zal mij nog tot waanzin brengen!” riep Richard, die, ten spijt van zich zelven, door den onverschrokken moed van den schuldige in zijn voornemen belemmerd werd.Eer nog Thomas van Gilsland kon antwoorden, hoorde men buiten eenig gedruisch, en de komst der Koningin werd van het buitenste gedeelte der tent gemeld.„Houd haar tegen—houd haar tegen, Neville,” riep de Koning, „dit is geen tooneel voor vrouwen.—Foei, dat ik mij door zulk een ellendigen verrader zoo tot woede heb laten brengen!—Weg met hem, de Vaux,” fluisterde hij, „door den achtersten uitgang van onze tent—sluit hem op, en sta met uw leven voor zijne zekere bewaring borg.—En, luister—hij moet dadelijk sterven—bezorg hem een priesterlijken vader—wij willen niet ziel en lichaam vermoorden.—En wacht—luister—wij willen hem niet onteerd hebben—hij zalals ridder sterven, met zwaard en sporen; want al is zijn verraad ook zoo zwart als de hel, dan kon toch zijne stoutheid die van den duivel zelven evenaren.”De Vaux, zeer verheugd, indien de waarheid zich liet gissen, dat het tooneel afliep, zonder dat Richard zich verlaagd had tot de onkoninklijke daad, om een weerloozen gevangene te dooden, haastte zich, om sir Kenneth door een geheimen uitgang naar eene afgezonderde tent te brengen, waar hij voor de veiligheid ontwapend en in boeien geklonken werd. De Vaux zag hem met eene gestadige en droefgeestige oplettendheid aan, terwijl de lieden van den provoost, aan welke sir Kenneth thans werd overgegeven, deze gestrenge voorzorgen namen.Toen deze geëindigd waren, zeide hij plechtig tot den ongelukkigen misdadiger: „Het is Koning Richard’s wil, dat gij in uwe volle waardigheid sterft—zonder dat uw lichaam verminkt wordt of uw wapenen schande wordt aangedaan—en dat uw hoofd door het zwaard van den scherprechter van de romp zal gescheiden worden.”„Dat is goedertieren,” zeide de ridder met eene zachte en onderworpen stem, als iemand, die eene onverwachte gunst ontving; „mijne familie zal dan het ergste van het verhaal niet hooren.—O mijn vader—mijn vader!”Deze zacht geprevelde woorden ontgingen den wel ruwen, maar goedhartigen Engelschman niet, en hij streek met den rug van zijne groote hand over zijn ruw gelaat, eer hij kon voortspreken.„Het is voorts Richard van Engelands wil,” zeide hij toen, „dat gij met een heilig man zult spreken, en ik heb op den weg hierheen een Karmeliter monnik ontmoet, die u op uwe reis kan voorbereiden. Hij wacht buiten, totdat gij in eene gemoedsstemming zijt, om hem te ontvangen.”„Laat dit oogenblikkelijk geschieden,” antwoordde de ridder. „Ookhierin bewijst Richard zijne goedheid. Ik kan op geen tijd beter geschikt zijn, om den goeden vader te zien, dan thans; want het leven en ik hebben elkander vaarwel toegezegd, als twee reizigers, die aan den kruisweg zijn gekomen, waar hun pad zich scheidt.”„Het is wel,” zeide de Vaux langzaam en plechtig; „want het drukte mij zwaar u het slot van mijn last uit te spreken. Het is Koning Richard’s wil, dat gij u voor een oogenblikkelijken dood bereidt.”„De wil van God en den Koning geschiede,” hernam de ridder geduldig. „Ik betwist de rechtvaardigheid van het vonnis niet, en verlang ook geen uitstel van de voltrekking.”De Vaux begon de tent te verlaten, maar zeer langzaam—bleef aan de deur staan, en zag om naar den Schot, uit wiens gelaat alle gedachten aan de wereld verbannen schenen, alsof hij zich tot een ernstig gebed stemde. De moedige Engelsche baron behoorde niet tot de fijngevoeligsten; toch overweldigde zijn medelijden hem op een geheel ongewone wijze. Hij keerde haastig naar de bos stroo terug, waarop de gevangene lag, nam eene van zijne geboeide handen, en zeide met zooveel zachtheid, als zijne ruwe stem vermocht uit te drukken: „Sir Kenneth, gij zijt nog jong—gij hebt een vader. Mijn Ralph, dien ik verliet, terwijl hij zijne hit op de oevers van de Irthing africhtte, kan eens uwe jaren bereiken—en, op den laatsten nacht na, zou ik bidden dat het God mocht behagen, dat zijne jeugd zoo veel beloofde, als de uwe.—Kan niets ten uwen behoeve gezegd of gedaan worden?”„Niets,” was het droefgeestig antwoord. „Ik heb mijn post verlaten—de aan mij toevertrouwde banier is verloren.—Als de scherprechter en het blok gereed zijn, dan zijn hoofd en romp bereid.”„Nu, dan ontferme God zich over u!” zeide de Vaux. „Toch wilde ik wel mijn beste paard er voor geven, dat ik die wacht zelf op mij genomen had. Daar schuilt een geheim achter, jongeling, een eenvoudig man kan dit begrijpen, ofschoon hij het niet doorzien kan. Lafhartigheid? Neen! Nooit vocht een lafaard, zoo als ik u heb zien doen.—Verraad! Ik kan niet gelooven, dat verraders zoo kalm onder hun verraad sterven. Gij zijt door eene diep verborgen list van uw post gelokt—door eene wel overlegde krijgslist—de kreten van eene jonkvrouw in nood hebben uw oor getroffen, of de lachende blik van eene dartele maagd heeft uw oog bevangen. Bloos er niet om, wij zijn allen door zulke verlokkingen verleid geworden. Kom, ik bid u, beken het openhartig aan mij, in plaats van aan den priester.—Richard is goedertieren, als zijn toorn bedaard is. Hebt gij mij niets toe te vertrouwen?”De ongelukkige ridder wendde zijn gelaat van den vriendelijken krijgsman af en antwoordde: „Niets”.De Vaux, die nu al zijne overredingskunst had uitgeput, stond op en verliet de tent met gekruiste armen en zwaarmoediger, dan hij dacht dat de gelegenheid verdiende—zelfs verbitterd op zich zelven,omdat zulk eene eenvoudige zaak, als de dood van een Schot, hem zoo diep kon treffen.„En toch,” zeide hij bij zich zelven, „ofschoon de ruigvoetige kerels onze vijanden in Cumberland zijn, beschouwt men hen in Palestina toch bijna als broeders.”
Op den avond, toen sir Kenneth zijne wacht aanvaardde, had Richard zich, na de stormachtige gebeurtenis, die zijne rust verstoord had, naar bed begeven in het volle vertrouwen, dat berustte op zijn grenzeloozen moed en de meerderheid, welke hij betoond had, door in tegenwoordigheid van het geheele Christenleger en zijn aanvoerders zijn plan te volvoeren. Daar velen van hen, zoo als hij wel begreep, in het binnenste van hunne ziel de beleediging van den Hertog vanOostenrijk als eene zegepraal over hen zelven beschouwden, voelde hij zijn hoogmoed bevredigd, daar hij door het vernietigen van één vijand er honderd vernederd had.
Een ander monarch zou zijne wachten op den avond na zulk een tooneel verdubbeld, en althans een gedeelte van zijne troepen onder de wapenen gehouden hebben. Maar Richard Leeuwenhart ontsloeg, bij deze gelegenheid, zelfs zijne gewone wacht, en schonk aan zijne soldaten volop wijn, om zijn herstel te vieren en op de banier van St. George te drinken. Een deel van het kamp zou het voorkomen hebben gekregen, dat het onbewaakt was en alle weerbaarheid missen, zoo niet sir Thomas de Vaux, de graaf van Salisbury en andere edelen voorzorgen genomen hadden om de orde en tucht onder de losbandige troepen te bewaren.
De arts bleef bij den Koning van het oogenblik, dat hij te bed ging tot na middernacht, en diende hem tot twee malen gedurende dien tijd den drank toe, terwijl hij steeds te voren de hemelstreek gadesloeg, waar de volle maan stond, daar hij den invloed daarvan als zeer gunstig of hoogst nadeelig achtte. Het was drie uren na middernacht, eer El Hakim zich uit de koninklijke tent verwijderde, en zich naar die begaf, welke voor hem en zijn gevolg was opgeslagen. Op zijn weg derwaarts bezocht hij de tent van sir Kenneth van den Luipaard, om zijn eersten patiënt in het Christenleger, den ouden Strauchan, zooals des ridders schildknaap heette, te zien. Toen El Hakim daar naar sir Kenneth zelven vernam, hoorde hij, welken dienst hij te vervullen had, en vermoedelijk leidde hem deze mededeeling naar de St. Georgeberg, waar hij hem, dien hij zocht, in den noodlottigen toestand aantrof, welken wij in het laatste hoofdstuk verhaald hebben.
Het was tegen zonsopgang, toen een langzame, zware tred de tent des Konings naderde, en eer de Vaux, die naast zijn meesters bed zoo licht sliep, als ooit een wachthond deed, meer tijd had dan noodig was om op te staan en „werda?” te roepen, trad de ridder van den Luipaard in de tent, met een diepe en berustende zwaarmoedigheid in zijne forsche, mannelijke trekken.
„Vanwaar dit vermetel binnendringen, heer ridder?” vroeg de Vaux ernstig, maar toch op een toon, die eerbied voor den slaap van zijn meester verried.
„Stil, de Vaux,” zeide Richard, op hetzelfde oogenblik ontwakende. „Sir Kenneth komt als een goed soldaat rekenschap van zijne wacht geven—voor de zoodanigen is de tent van den veldheer altijd toegankelijk.”—Toen uit zijne sluimerende houding zich verheffende en op zijn elleboog leunende, vestigde hij zijne groote, schitterende oogen op den ridder: „Spreek, heer Schot, gij komt om mij bericht te geven van eene waakzame, veilige en eervolle wacht, niet waar? Het geritsel van de plooien der banier van Engeland was voldoende, om die te bewaken, zelfs zonder de tegenwoordigheid van zulk een ridder, als waarvoor men u houdt.”
„En waarvoor men mij niet langer houden zal,” zeide sir Kenneth.—„Mijne wacht is noch waakzaam, noch veilig, noch eervol geweest. De banier van Engeland is geroofd.”
„En gij leeft nog, om dit te verkondigen?” riep Richard op een toon van schertsend ongeloof.—„Toch niet, dat kan niet wezen. Gij hebt zelfs geen schram op uw gelaat. Waarom staat gij daar zoo stom? Spreek de waarheid—het is slechts schertsen met een Koning, en toch zal ik u vergeven, zoo gij gelogen hebt.”
„Gelogen! mijn Koning!” hernam de ongelukkige ridder, met sterken nadruk en een vurigen glans uit zijne oogen, flikkerend en oogenblikkelijk als de vonk, die uit den kouden, harden keisteen springt. „Maar dit moet ook verduurd worden! Ik heb de waarheid gezegd.”
„Bij God en St. George!” riep de Koning, in woede uitbarstend, die hij echter terstond weder bedwong—„De Vaux, ga heen en neem de plaats in oogenschouw.—Deze koorts heeft zijn brein verward.—Dit kan niet zijn.—De moed van den man is bewezen.—Hetkan nietzijn! Ga spoedig—of zend er een man heen, zoo gij niet gaan wilt.”
De Koning werd in de rede gevallen door sir Henry Neville, die ademloos binnentrad, om te zeggen, dat de banier verdwenen, en de ridder, die haar bewaakte, overmand en allerwaarschijnlijkst vermoord was, daar er geen plas bloed op de plaats lag, waar de vaandelspeer in splinters lag.
„Maar wien zie ik hier?” zeide Neville, terwijl zijne oogen plotseling op sir Kenneth vielen.
„Een verrader!” riep de Koning opspringend en de heerbijl grijpende, die altijd dicht bij zijn bed lag,—„een verrader! dien gij den dood eens verraders zult zien sterven.” Met deze woorden hief hij het wapentuig op, alsof hij daarmede een slag wilde toebrengen.
Bleek, maar roerloos als een marmeren standbeeld, stond de Schot vóór hem, met zijn ontbloot hoofd zonder eenige bescherming, de oogen naar den grond gericht, de lippen nauwelijks bewegende, maar toch waarschijnlijk in stilte een gebed prevelend. Recht tegenover hem en juist ver genoeg om een slag te kunnen toebrengen, stond Koning Richard. Zijne hooge gestalte was geheel in de plooien van zijnecamesciaof witten langen linnen rok gewikkeld, behalve op die plaats waar het geweld zijner beweging zijn rechter arm, schouder en een gedeelte van zijne borst ontbloot had, en aan het oog een lichaamsbouw vertoonde, die de benaming van zijn Saksischen voorvader „met de ijzeren zijde” had kunnen verdienen. Hij stond een oogenblik, gereed om toe te slaan; toen de punt van het wapen latende zinken, riep hij uit: „Maar er lag bloed, Neville, er lag bloed op de plaats. Luister, heer Schot, eens waart gij dapper, want ik heb u zien vechten—zeg, dat gij twee van die honden bij de verdediging van den standaard verslagen hebt—zeg, dat het maar één was—zeg, dat gij slechts één goeden slag om onzentwille hebt toegebracht, en verwijder u uit de legerplaats met uw leven en uwe eerloosheid.”
„Gij hebt mij een leugenaar genoemd, mijn Koning,” hervatte Kenneth op vasten toon, „en daarin althans hebt gij mij onrecht gedaan.—Verneem, dat er geen bloed tot verdediging van den standaard gestort is, dan dat van een armen hond, die, trouwer dan zijnmeester, het toevertrouwde pand beschermde, toen deze het verliet.”
„Nu, bij St. George!” riep Richard, andermaal zijn arm oplichtende.—Maar de Vaux wierp zich tusschen den Koning en het slachtoffer zijner wraak, en sprak met de ruwe rondheid van zijn karakter: „Mijn Koning, dit moet niet hier, en ook niet door uwe eigen hand geschieden. Het is dwaasheid genoeg voor een dag en een nacht uwe banier aan den Schot toevertrouwd te hebben—heb ik niet gezegd, dat zij altijd eerlijk en toch valsch waren?”
„Dat hebt gij, de Vaux; gij hebt gelijk, en ik beken het,” zeide Richard. „Ik had hem beter moeten kennen—ik had mij moeten herinneren, hoe de vos Willem mij ten aanzien van dezen kruistocht misleidde.”
„Mylord,” hernam sir Kenneth, „Willem van Schotland heeft nooit bedrog gepleegd; maar de omstandigheden hebben hem belet om zijne troepen in het veld te brengen.”
„Stil, onbeschaamde!” antwoordde de Koning; „gij bezoedelt den naam van een vorst alleen door dien uit te spreken.—En toch, de Vaux, het is zonderling,” voegde hij er bij, „het gedrag van den man te zien. Hij moet een lafaard of een verrader zijn; en nochtans zag hij den slag van Richard Plantagenet te gemoet, als of onze arm opgelicht werd, om de ridderlijke waardigheid op zijne schouders te leggen. Had hij het minste teeken van vrees getoond, had slechts een lid gesidderd, of een ooglid gebeefd, dan had ik zijnehersenpanverplet, als een kristallen beker. Maar ik kan niet toeslaan, als er vrees noch tegenstand is.”
Er ontstond eene stilte.
„Mylord,” zeide sir Kenneth.
„Ha!” viel Richard hem in de rede, „hebt gij de spraak wedergevonden? Vraag genade aan den Hemel, maar niet aan mij, want Engeland is door uw schuld onteerd; en al waart gij mijn eigen en eenige broeder, dan was er geene vergiffenis voor uw misslag.”
„Ik spreek niet om genade voor een sterflijk mensch te vragen,” hervatte de Schot, „het staat aan het welbehagen van Uw Majesteit, om mij tijd voor de biecht toe te staan,—zoo de sterveling mij dit weigert, dan moge God mij de vergiffenis schenken, die ik anders van Zijne Kerk zou gevraagd hebben. Maar het zij ik op staanden voet sterf, of een half uur later, zoo smeek ik uwe Majesteit in elk geval om een oogenblik gelegenheid te hebben, iets met uw koninklijken persoon te spreken, dat voor uw roem als Christen Koning van het hoogste belang is.”
„Spreek op,” zeide de Koning, niet twijfelende, of hij zou de een of andere bekentenis wegens het verlies van de banier hooren.
„Wat ik te zeggen heb,” vervolgde sir Kenneth, „betreft de koninklijke waardigheid van Engeland, en moet aan geene ooren, dan de uwe toevertrouwd worden.”
„Gaat henen, heeren,” zeide de Koning tot Neville en de Vaux.
De eerste gehoorzaamde; maar de laatste wilde niet uit de nabijheid des Konings wijken.
„Zoo gij mij gelijk gegeven hebt,” antwoordde de Vaux zijn Vorst, „dan wil ik ook behandeld worden als iemand, die gelijk heeft—dat wil zeggen, ik wil mijn zin hebben. Ik laat u niet met dien valschen Schot alleen.”
„Hoe, de Vaux,” riep de Koning vergramd en even met den voet stampende, „durft gij onzen persoon niet bij één verrader vertrouwen?”
„Het is te vergeefs, dat gij het voorhoofd fronst en met de voeten stampt, mylord,” hervatte de Vaux „ik waag geen ziek mensch aan een gezonde, noch een naakten aan een in staal gewapende.”
„Het is onverschillig,” zeide de Schotsche ridder; „ik zoek geene verontschuldiging, om tijd te winnen—ik wil in tegenwoordigheid van den lord van Gilsland spreken. Hij is een goed en braaf ridder.”
„Nog slechts vóór een half uur,” hernam de Vaux met een zucht waarin kommer en ergernis vermengd waren, „zou ik hetzelfde van u gezegd hebben.”
„Er heerscht verraad om u, Koning van Engeland,” vervolgde sir Kenneth.
„Dat is zeer mogelijk,” hervatte Richard;„ik heb er een in het oog vallend voorbeeld van.”
„Een verraad, dat u meer schande zal aandoen dan het verlies van honderd banieren in een veldslag. De—de—” sir Kenneth aarzelde, en eindelijk vervolgde hij op zachteren toon: „Lady Edith—”
„Ha!” riep de Koning plotseling, een houding van trotsche aandacht aannemende en zijn oog strak op den gewaanden schuldige richtende: „Wat is het met haar?—Wat is het met haar?—Wat heeft zij met deze zaak te doen?”
„Mylord,” antwoordde de Schot, „er is een plan gesmeed om uw koninklijken stam te onteeren, door de hand van lady Edith aan den Sarraceenschen Sultan te schenken, en op die wijze door een allerschandelijkste verbintenis voor Engeland een alleronteerendsten vrede voor het Christendom te koopen.”
Deze mededeeling had juist de tegenovergestelde werking van die, welke sir Kenneth verwachtte. Richard Plantagenet was een van hen, die in Jago’s woorden, God juist daarom niet dienen wilden, omdat de duivel het hun beval. Een raad of een mededeeling maakten dikwijls minder door den werkelijken inhoud indruk op hem, dan door de kleur, die zij van het vermoede karakter en de gewaande inzichten aannamen van hem, die ze mededeelden. Ongelukkig vernieuwde het noemen van den naam zijner bloedverwante de herinnering aan datgene, wat hij als de hoogste aanmatiging in den ridder van den Luipaard beschouwd had, zelf toen hij nog hoog in den rang der ridderschap stond, maar hetgeen, in zijn tegenwoordigen toestand, eene voldoende beleediging scheen, om den vurigen monarch in razende drift te brengen.
„Stil,” zeide hij, „eerlooze en vermetele! Bij den Hemel, ik zal uwetong met gloeiende tangen laten uittrekken, alleen voor het noemen van den naam eener Christen maagd! Verneem, ontaard verrader, dat ik reeds bemerkte tot welk een hoogte gij uwe oogen hadt durven opheffen, en ik verdroeg het, ofschoon het eene onbeschaamdheid van u was, zelfs toen gij ons—want gij zijt niets dan bedrog—verleid hadt, om u voor een man van naam en faam te houden. Maar dat gij thans, nu uwe lippen door de bekentenis van uwe eigen schande gebrandmerkt zijn—dat gijthansonze edele bloedverwante durft noemen, als iemand, in wier lot gij deel of belang hebt! Wat raakt het u, of zij een Sarraceen of een Christen huwt!—Wat raakt het u, zoo in eene legerplaats, waar de vorsten bij dag in lafaards en bij nacht in roovers veranderen—waar dappere ridders lafhartige wegloopers en verraders worden—wat raakt het u, zeg ik, of iemand anders, zoo ik het goedvond, mij met de oprechtheid en dapperheid in den persoon van Saladin te verbinden?”
„Mij zeer weinig voorwaar, daar de wereld voor mij weldra niet meer zijn zal,” antwoordde sir Kenneth stoutmoedig; „maar al was ik op dit oogenblik op het rad uitgestrekt, dan zou ik u nog zeggen, dat wat ik u gezegd heb van het hoogste belang voor uw eigen geweten en uw eigen roem is. Ik zeg u, Koning, dat zoo gij slechts in uwe gedachte het voornemen voedt, om uwe bloedverwante, lady Edith ….”
„Noem haar niet—en denk voor een oogenblik niet aan haar,” zeide de Koning, en vatte de heerbijl weder met zulk een geweld, dat de peezen van den forschen arm zichtbaar werden, als het weefsel, dat de klimop om den stam van een eikvormt.
„Haar niet noemen—niet aan haar denken!” antwoordde sir Kenneth, daar zijn geest, hoezeer die ook gedrukt was, door deze soort van strijd zijne veerkracht begon te herkrijgen.—„Neen, bij het heilige kruis, waarop ik mijne hoop vestig, haar naam zal het laatste woord in mijn mond, haar beeld de laatste gedachte in mijn gemoed zijn. Beproef uwe geroemde sterkte op dit ontbloote hoofd, en zie, of gij mij in mijn voornemen kunt beletten.”
„Hij zal mij nog tot waanzin brengen!” riep Richard, die, ten spijt van zich zelven, door den onverschrokken moed van den schuldige in zijn voornemen belemmerd werd.
Eer nog Thomas van Gilsland kon antwoorden, hoorde men buiten eenig gedruisch, en de komst der Koningin werd van het buitenste gedeelte der tent gemeld.
„Houd haar tegen—houd haar tegen, Neville,” riep de Koning, „dit is geen tooneel voor vrouwen.—Foei, dat ik mij door zulk een ellendigen verrader zoo tot woede heb laten brengen!—Weg met hem, de Vaux,” fluisterde hij, „door den achtersten uitgang van onze tent—sluit hem op, en sta met uw leven voor zijne zekere bewaring borg.—En, luister—hij moet dadelijk sterven—bezorg hem een priesterlijken vader—wij willen niet ziel en lichaam vermoorden.—En wacht—luister—wij willen hem niet onteerd hebben—hij zalals ridder sterven, met zwaard en sporen; want al is zijn verraad ook zoo zwart als de hel, dan kon toch zijne stoutheid die van den duivel zelven evenaren.”
De Vaux, zeer verheugd, indien de waarheid zich liet gissen, dat het tooneel afliep, zonder dat Richard zich verlaagd had tot de onkoninklijke daad, om een weerloozen gevangene te dooden, haastte zich, om sir Kenneth door een geheimen uitgang naar eene afgezonderde tent te brengen, waar hij voor de veiligheid ontwapend en in boeien geklonken werd. De Vaux zag hem met eene gestadige en droefgeestige oplettendheid aan, terwijl de lieden van den provoost, aan welke sir Kenneth thans werd overgegeven, deze gestrenge voorzorgen namen.
Toen deze geëindigd waren, zeide hij plechtig tot den ongelukkigen misdadiger: „Het is Koning Richard’s wil, dat gij in uwe volle waardigheid sterft—zonder dat uw lichaam verminkt wordt of uw wapenen schande wordt aangedaan—en dat uw hoofd door het zwaard van den scherprechter van de romp zal gescheiden worden.”
„Dat is goedertieren,” zeide de ridder met eene zachte en onderworpen stem, als iemand, die eene onverwachte gunst ontving; „mijne familie zal dan het ergste van het verhaal niet hooren.—O mijn vader—mijn vader!”
Deze zacht geprevelde woorden ontgingen den wel ruwen, maar goedhartigen Engelschman niet, en hij streek met den rug van zijne groote hand over zijn ruw gelaat, eer hij kon voortspreken.
„Het is voorts Richard van Engelands wil,” zeide hij toen, „dat gij met een heilig man zult spreken, en ik heb op den weg hierheen een Karmeliter monnik ontmoet, die u op uwe reis kan voorbereiden. Hij wacht buiten, totdat gij in eene gemoedsstemming zijt, om hem te ontvangen.”
„Laat dit oogenblikkelijk geschieden,” antwoordde de ridder. „Ookhierin bewijst Richard zijne goedheid. Ik kan op geen tijd beter geschikt zijn, om den goeden vader te zien, dan thans; want het leven en ik hebben elkander vaarwel toegezegd, als twee reizigers, die aan den kruisweg zijn gekomen, waar hun pad zich scheidt.”
„Het is wel,” zeide de Vaux langzaam en plechtig; „want het drukte mij zwaar u het slot van mijn last uit te spreken. Het is Koning Richard’s wil, dat gij u voor een oogenblikkelijken dood bereidt.”
„De wil van God en den Koning geschiede,” hernam de ridder geduldig. „Ik betwist de rechtvaardigheid van het vonnis niet, en verlang ook geen uitstel van de voltrekking.”
De Vaux begon de tent te verlaten, maar zeer langzaam—bleef aan de deur staan, en zag om naar den Schot, uit wiens gelaat alle gedachten aan de wereld verbannen schenen, alsof hij zich tot een ernstig gebed stemde. De moedige Engelsche baron behoorde niet tot de fijngevoeligsten; toch overweldigde zijn medelijden hem op een geheel ongewone wijze. Hij keerde haastig naar de bos stroo terug, waarop de gevangene lag, nam eene van zijne geboeide handen, en zeide met zooveel zachtheid, als zijne ruwe stem vermocht uit te drukken: „Sir Kenneth, gij zijt nog jong—gij hebt een vader. Mijn Ralph, dien ik verliet, terwijl hij zijne hit op de oevers van de Irthing africhtte, kan eens uwe jaren bereiken—en, op den laatsten nacht na, zou ik bidden dat het God mocht behagen, dat zijne jeugd zoo veel beloofde, als de uwe.—Kan niets ten uwen behoeve gezegd of gedaan worden?”
„Niets,” was het droefgeestig antwoord. „Ik heb mijn post verlaten—de aan mij toevertrouwde banier is verloren.—Als de scherprechter en het blok gereed zijn, dan zijn hoofd en romp bereid.”
„Nu, dan ontferme God zich over u!” zeide de Vaux. „Toch wilde ik wel mijn beste paard er voor geven, dat ik die wacht zelf op mij genomen had. Daar schuilt een geheim achter, jongeling, een eenvoudig man kan dit begrijpen, ofschoon hij het niet doorzien kan. Lafhartigheid? Neen! Nooit vocht een lafaard, zoo als ik u heb zien doen.—Verraad! Ik kan niet gelooven, dat verraders zoo kalm onder hun verraad sterven. Gij zijt door eene diep verborgen list van uw post gelokt—door eene wel overlegde krijgslist—de kreten van eene jonkvrouw in nood hebben uw oor getroffen, of de lachende blik van eene dartele maagd heeft uw oog bevangen. Bloos er niet om, wij zijn allen door zulke verlokkingen verleid geworden. Kom, ik bid u, beken het openhartig aan mij, in plaats van aan den priester.—Richard is goedertieren, als zijn toorn bedaard is. Hebt gij mij niets toe te vertrouwen?”
De ongelukkige ridder wendde zijn gelaat van den vriendelijken krijgsman af en antwoordde: „Niets”.
De Vaux, die nu al zijne overredingskunst had uitgeput, stond op en verliet de tent met gekruiste armen en zwaarmoediger, dan hij dacht dat de gelegenheid verdiende—zelfs verbitterd op zich zelven,omdat zulk eene eenvoudige zaak, als de dood van een Schot, hem zoo diep kon treffen.
„En toch,” zeide hij bij zich zelven, „ofschoon de ruigvoetige kerels onze vijanden in Cumberland zijn, beschouwt men hen in Palestina toch bijna als broeders.”