HOOFDSTUK XX.

HOOFDSTUK XX.Als de leeuw, in de wetten der schoonheid gevangenDeemoedig den kop buigt, zijn manen laat hangenZijn klauw zijne macht op den vijand verzaakt,Wordt Hercules knots tot een spinrok gemaaktEn spint hij terwil van Omphale.AnonymusToen Richard, die, zonder het te vermoeden, het voorwerp was van het zwarte verraad, dat wij aan het einde van het vorige hoofdstuk verhaald hebben, voor het oogenblik althans, de zegepralende vereeniging van de ten kruistocht getrokken vorsten bewerkstelligd had, ten einde den oorlog met kracht voort te zetten, was zijne eerste zorg om de rust in zijn eigen huisgezin te herstellen. Nu hij bedaarder kon oordeelen, wilde hij nauwkeurig de omstandigheden onderzoeken, die tot het verlies van zijne banier aanleiding gegeven hadden, alsmede den aard en de mate van verstandhouding tusschen zijne bloedverwante Edith en den verbannen Schotschen avonturier.Met dit doel werden de Koningin en hare hofdames door een bezoek van sir Thomas de Vaux verschrikt, die verzocht, dat lady Calista van Montgaillard, de eerste kamerdame der Koningin, terstond bij Koning Richard zou verschijnen.„Wat zal ik zeggen, Mevrouw?” vroeg de sidderende freule de Koningin. „Hij zal ons allen vermoorden.”„Vrees niet freule,” antwoordde de Vaux. „Zijne Majesteit heeft het leven van den grootsten beleediger, den Schotschen ridder, gespaard en hem aan den Moorschen geneesheer ten geschenke gegeven—hij zal niet streng jegens eene dame zijn, al heeft zij ook een misslag begaan.”„Bedenk eenig listig verhaal meisje,” zeide Berengaria. „Mijn gemaal heeft te weinig tijd, om onderzoek naar de waarheid te doen.”„Verhaal het voorval, zoo als het werkelijk geschied is,” zeide Edith, „of ik verhaal het voor u.”„Met de genadige toestemming van Uwe Majesteit,” hernam de Vaux, „mij dunkt lady Edith geeft een goeden raad; want ofschoon Koning Richard wel wil gelooven, al wat uwe Genade behaagt hem te zeggen, betwijfel ik het toch, of hij dezelfde inschikkelijkheid voor lady Calista zal hebben, en inzonderheid in deze zaak.”„Mylord van Gilsland heeft gelijk,” hervatte lady Calista, zeer ongerust over het onderzoek, dat plaats zou hebben; „en bovendien, al had ik tegenwoordigheid van geest om eene waarschijnlijke geschiedenis te smeden, toch zou ik, op mijn woord, den moed niet hebben, om die te verhalen.”In deze oprechte stemming werd lady Calista door de Vaux naar den Koning geleid, en hier legde zij, zoo als zij zich had voorgenomen, eene volledige bekentenis af omtrent het middel waardoor de ongelukkigen ridder van den Luipaard overgehaald was, om zijn post te verlaten. Zij verontschuldigde lady Edith, die, zoo als zij wel begreep, niet in gebreke zou blijven zich zelve te verschoonen, en legde den vollen last op de Koningin, hare meesteres, wier deel in de grap, zoo als zij wel wist, het meest vergeeflijk in de oogen van Leeuwenhart zou schijnen. Inderdaad was Richard een liefhebbend, ja bijna een verwijfd echtgenoot. De eerste uitbarsting van zijne gramschap was sinds lang voorbij, en hij was niet genegen om streng te berispen, wat niet meer veranderd kon worden. De listige lady Calista, die van hare vroegste kindsheid af gewoon was om de intriges van een hof op te diepen, en de blijken van den wil van een vorst gade te slaan, ijlde met de snelheid van een kieviet naar de Koningin terug, belast met des Konings bevelen, dat zij weldra een bezoek van hem te verwachten had. Hierbij voegde de hofdame een verklaring, op hare eigen opmerking gegrond, strekkende, om aan te toonen, dat Richard juist zoo veel gestrengheid wenschte te behouden, dat het zijne koninklijke gemalin tot berouw over hare scherts kon brengen, en dan zijne genadige vergiffenis uit te strekken over haar en alle, die daaraan deel genomen hadden.„Waait de wind uit dien hoek, meisje,” riep de Koningin, door deze boodschap vrij wat verlicht, „geloof mij, dat, hoe groot veldheer Richard ook is, hij het moeilijk zal vinden, om ons in deze zaak schrik aan te jagen; en dat, zoo als de herders in de Pyreneën van mijn vaderland gewoon zijn te zeggen, menig een om de wol komt, en geschoren weder heen gaat.”Koningin Berengaria, na zich van al hetgeen Calista haar zeggen kon, op de hoogte te hebben gesteld, kleedde zich in het gewaad, dat haar het best stond, en wachtte met vertrouwen de komst van den heldhaftigen Richard af.Hij kwam en bevond zich in den toestand van een vorst, die in een gewest komt, dat hem beleedigd heeft, in het vertrouwen, dat hij slechts een verwijt zal behoeven uit te spreken, en de betuiging van zijne onderwerping te ontvangen, wanneer hij het onverwacht in een toestand van volkomen wantrouwen en oproer vindt. Berengaria kende zeer goed de macht van hare bekoorlijkheden, en de grootheid van Richard’s liefde, en zij was zeker, dat zij een goed verdrag sluiten zou, zoodra de eerste vreeselijke uitbarsting van zijn toorn zonder nadeel zou doorstaan zijn. Wel verre van te luisteren naar het voorgenomen verwijt van den Koning, dat de lichtvaardigheid van haar gedrag met recht verdiend had, verontschuldigde, ja verdedigde zij zelfs, als eene onschuldige grap, de daad waarvan zij beschuldigd werd. Zij ontkende inderdaad, met vele fraaie wendingen, dat zij Nebectamus bepaald bevolen had, om den ridder verder te lokken dan tot den rand van den heuvel, waarop hij de wacht hield—en dit was ook inderdaad in zoo ver waar, dat zij niet voornemens geweest was, om sir Kenneth in hare tent te doen brengen.—Was zij reeds welsprekend in het voordragen van hare verdediging, de Koningin was dit nog veel meer, toen zij Richard onvriendelijkheid ten laste legde, omdat hij haar zulk een gering geschenk, als het leven van een ongelukkigen ridder geweigerd had, die, door hare ondoordachte grap, aan de straf van de krijgswet was blootgesteld. Zij weende en snikte, terwijl zij over de hardnekkigheid van haar gemaal in dit opzicht uitweidde, als eene gestrengheid, die haar voor haar geheele leven ongelukkig zou hebben gemaakt, zoo dikwijls zij er aan denken zou, dat zij onopzettelijk van verre de aanleidende oorzaak tot zulk een treurspel gegeven had. Het gezicht van het vermoorde slachtoffer zou haar in hare droomen beangstigd hebben—zelfs kon, voor zoo ver zij wist, daar zulke dingen dikwijls gebeurden, terwijl zij waakte, zijn geest wezenlijk bij hare sponde gestaan hebben. Aan al deze kwellingen des gemoeds was zij alleen blootgesteld door de gestrengheid van een man, die, terwijl hij voorgaf door haar minsten blik betooverd te worden, eene daad van ellendige wraak niet wilde nalaten, al moest de uitslag haar dan ook ongelukkig maken.Deze geheele stroom van vrouwelijke welsprekendheid ging met de gewone argumenten van tranen en zuchten gepaard, en werd op zulk een toon en met zulke gebaren geuit, dat zij schenen te bewijzen,dat de gramschap van de Koningin noch uit hoogmoed noch uit kwade luim sproot, maar uit het gekrenkt gevoel, dat zij door haar echtgenoot minder werd geschat, dan zij verwacht had.De goede Koning Richard was in de hoogste mate verlegen. Hij trachtte te vergeefs met eene vrouw te redeneeren, die zooveel van hem hield, dat zij niet in staat was, om naar bewijzen te luisteren. Ook kon hij niet over zich verkrijgen om zijn wettig gezag te doen gelden tegen zulk een schoon wezen, bij haar onverstandig misnoegen. Hij werd daarom genoodzaakt, verdedigender wijze te werk te gaan; hij trachtte door zachte woorden haar achterdocht uit den weg te ruimen, en haar ongenoegen tot kalmte te brengen, en herinnerde haar, dat zij niet op het verledene met gedachten van berouw of bovenmatige vrees behoefde terug te zien, daar sir Kenneth leefde en behouden was, en hij hem aan den grooten Arabischen geneesheer geschonken had, die zeker beter dan eenig mensch zou weten hem in het leven te houden. Maar dit scheen de felste wonde van allen, en de smart der Koningin werd vernieuwd door het denkbeeld, dat een Sarraceen—een geneesheer—een geschenk ontvangen had, waarvoor zij blootshoofds en met gebogen knie haar gemaal te vergeefs gesmeekt had. Bij deze nieuwe beschuldiging begon Richard bijna het geduld te verliezen, en hij zeide op ernstigen toon: „Berengaria, die geneesheer redde mij het leven. Zoo dit van eenige waarde in uwe oogen is, zult gij hem de eenige belooning niet benijden, die ik hem bewegen kon aan te nemen.”De Koningin was bevredigd, daar zij haar misnoegen tot op de uiterste grenzen van hare veiligheid gedreven had.„Mijn Richard,” zeide zij, „waarom hebt gij dien wijzen man niet bij mij gebracht, opdat Engeland’s Koningin toonen kon, hoe zij den man achtte, die de lamp der ridderschap, den roem van Engeland en het licht van het leven en de hoop der arme Berengaria van den dood kon redden?”Hiermede was de huwelijkstwist ten einde; maar opdat de gerechtigheid toch voldaan zou worden, kwamen de Koning en de Koningin overeen, om de geheele schuld op den bode Nebectamus te leggen, die—daar de Koningin zijne grappen moede begon te worden—met zijne koninklijke echtgenoote Guenevra veroordeeld werd, om van het hof verbannen te worden. De ongelukkige dwerg ontging eene andere kastijding alleen door de verzekering der Koningin, dat hij reeds eene lichamelijke straf ondergaan had. Er werd verder besloten, dat, daar er binnen kort een afgevaardigde van den raad, om de vijandelijkheden te hervatten, zoodra de wapenstilstand ten einde was, en Richard voornemens was den Sultan een geschenk van waarde te zenden, uit erkentelijkheid voor de hooge weldaad, die hij van de diensten van El Hakim ontvangen had, de twee ongelukkige schepsels als rariteiten daarbij gevoegd zouden worden. En inderdaad waren zij door hun zeer zonderling voorkomen en den treurigen toestand van hun verstand,geschenken, die zeer wel door den eenen vorst aan den anderen konden gedaan worden.Richard had dien dag nog een anderen vrouwelijken storm te doorstaan; maar hij ging dien in vergelijking met den vorigen met onverschilligheid te gemoet. Want mocht Edith schoon zijn en door haren koninklijken bloedverwant hoog geschat worden,—ja, had zij door zijne onrechtvaardige vermoedens inderdaad de beleediging geleden, waarover Berengaria slechts veinsde te klagen, zij was noch Richard’s gemalin noch zijne beminde, en hij vreesde hare verwijten, ofschoon op rede gegrond, minder dan die der Koningin, al waren deze onrechtvaardig en hersenschimmig. Toen hij haar het verzoek had doen toekomen, om haar alleen te spreken, werd hij in haar vertrek geleid, aan dat der Koningin grenzende, terwijl twee Koptische slavinnen gedurende de bijeenkomst in den uitersten hoek op hare knieën bleven liggen. Een dunne zwarte sluier hulde in zijne ruime plooi de ranke en schoone gedaante der hooggeboren maagd, en zij droeg geen vrouwelijk sieraad van welken aard ook. Zij stond op en maakte een diepe neiging, toen Richard binnentrad, daarop hernam zij hare plaats op zijn bevel, en wachtte, toen hij zich naast haar neergezet had, zonder een woord te uiten, totdat hij haar daartoe verlof zou geven.Richard, wiens gewoonte het was, vertrouwelijk met Edith te zijn, zoo als hunne bloedverwantschap medebracht, voelde dat deze ontvangst koel was, en opende het gesprek met eenige verlegenheid.„Onze schoone nicht,” zeide hij eindelijk, „is boos op ons; en wij bekennen, dat ernstige omstandigheden ons bewogen hebben, om haar, zonder grond, van een daad te verdenken, die geheel in strijd was met het gedrag haar leven lang door haar gevolgd. Maar zoo lang wij in dit nevelig dal der menschheid wandelen, zullen wij schaduwen voor wezenlijke dingen houden. Kan mijne schoone nicht haar eenigszins heftigen bloedverwant, Richard, niet vergeven?”„Wie kan vergeving aan Richard weigeren,” antwoordde Edith, „als Richard vergiffenis van denKoningkan krijgen?”„Kom, nicht,” hernam Leeuwenhart, „dit is alles te plechtstatig. Bij onze heilige Maagd, zulk een droefgeestig gelaat!—En deze ruime zwarte sluier zou de menschen doen denken, dat gij eerst onlangs weduwe geworden waart, of ten minste een verloofde verloren hadt. Schep moed—gij hebt zeker gehoord, dat er geene wezenlijke reden tot droefheid is.—Waarom draagt gij dan het kleed van rouw?”„Voor de verloren eer van Plantagenet—voor den roem, die het huis mijns vaders verlaten heeft.”Richard fronste het voorhoofd. „Verloren eer! Roem, die het huis mijns vaders verlaten heeft!”—herhaalde hij toornig;„maar onze nicht Edith heeft een vrijbrief. Ik heb haar te haastig beoordeeld; zij heeft derhalve een recht om zeer streng over mij te oordeelen. Maar zeg mij ten minste; waarin ik gefeild heb.”„Plantagenet,” antwoordde Edith, „moest eene beleediging vergevenof gestraft hebben. Het past hem niet vrije mannen, Christenen en dappere ridders tot de boeien der ongeloovigen te veroordeelen. Het past hem niet, het leven bij verdrag te schenken of te verruilen tegen het verlies der vrijheid. Den ongelukkige ter dood veroordeeld te hebben, kon gestrengheid geweest zijn, maar het had nog een zweem van gerechtigheid gehad; hem tot slavernij en ballingschap te verwijzen, was bepaalde dwingelandij.”„Ik zie, lieve nicht,” hervatte Richard, „dat gij eene van die schoonen zijt, die een afgewezen minnaar met geen of met een doode gelijk stellen. Heb geduld; een tiental lichte ruiters kunnen hem nog volgen en de dwaling goed maken, zoo uw minnaar nog een of ander geheim in bewaring heeft, dat zijn dood wenschelijker mocht maken dan zijne verbanning.”„Zwijg met uwe laffe scherts!” hernam Edith, hoog blozende.—„Bedenk veeleer, dat gij, om uwe blinde drift voldoening te geven, een gezond lid van deze groote onderneming afgesneden, het kruis van een zijner dapperste verdedigers beroofd, en een dienaar van den waren God in de handen der Heidenen geleverd hebt; dat gij aan gemoederen, die even kwaaddenkend, als gij het uwe bij deze gelegenheid getoond hebt, eenig recht hebt gegeven, om te zeggen, dat Richard Leeuwenhart den dappersten krijgsman uit zijn leger verbannen heeft, uit vrees dat die naam in den slag den zijnen mocht evenaren.”„Ik—ik!” riep Richard, nu inderdaad zeer ontroerd—„ben ik de man er naar, om ijverzuchtig op roem te zijn?—Ik wilde, dat hij hier ware, om zulk eene verzekering tegen mij vol te houden. Ik zou rang en kroon er aan geven, en hem als man in het strijdperk ontmoeten, opdat het blijken mocht, of Richard Plantagenet reden had de dapperheid van een sterveling te vreezen of te benijden. Kom, Edith, gij denkt niet, zooals gij spreekt. Laat toorn of verdriet over de afwezigheid van uw minnaar u niet onbillijk maken jegens uw bloedverwant, die, in weerwil van uw grilligheid, uwe goedkeuring evenhoog schatals die van eenig mensch ter wereld.”„De afwezigheid van mijn minnaar?” herhaalde lady Edith. „Maar ja—hij mag wel mijn minnaar genoemd worden, daar hij dien naam zoo duur betaald heeft. Hoe onwaardig ik die hulde ook was, toch was ik voor hem, als een licht, dat hem voorwaarts leidde op het pad der ridderschap; maar dat ik mijn rang vergat, of dat hij zijne eerzucht boven den zijnen verhief, dit is valsch, al zeide het ook een Koning.”„Lieve nicht”, antwoordde Richard, „leg mij geen woorden in den mond, die ik niet gesproken heb. Ik zeide niet, dat gij dezen man meer gunst hadt bewezen dan een goed ridder oogsten mag, zelfs van eene prinses, welke dan ook zijn afkomst zij. Maar bij onze lieve Vrouw, ik weet iets van de hoop der liefde—zij begint met stommen eerbied en verwijderde betuiging van achting; maar, wanneer de gelegenheden zich opdoen, neemt de vertrouwelijkheid toe, en zoo …. maar het baat niet met iemand te spreken, die zich wijzer acht dan de geheele wereld.”„Ik luister gaarne naar den raad van mijn bloedverwant,” hervatte Edith, „wanneer deze geene beleediging voor mijn rang en mijn karakter bevat.”„Koningen, schoone nicht, raden niet, maar bevelen veeleer,” hernam Richard.„Sultans bevelen, zeker,” zeide Edith, „maar het is, omdat zij over slaven heerschen.”„Nu, gij kondt wel leeren, deze minachting van het Sultanschap af te leggen, daar gij zoo veel van een Schot houdt,” antwoordde de Koning. „Ik houdt Saladin voor getrouwer aan zijn woord, dan dien Willem van Schotland, die bepaald een Leeuw moet genoemd worden;—hij heeft mij valschelijk bedrogen, door mij de beloofde hulptroepen niet te zenden. Laat ik u zeggen, Edith, gij kunt nog beleven, dat gij de voorkeur geeft aan een getrouwen Turk boven een valschen Schot.”„Neen—nooit,” hernam Edith—„Richard zelf zou den valschen godsdienst niet aannemen, tot welks verdelging uit Palestina hij over de zee getrokken is.”„Gij wilt het laatste woord hebben,” hervatte Richard, „en gij zult het hebben. Denk van mij wat gij wilt, lieve Edith. Ik zal niet vergeten, dat uw vader mijn broeder was.”Dit zeggende nam hij beleefd afscheid van haar, maar zeer weinig voldaan over den uitslag van zijn bezoek.Het was de vierde dag, nadat sir Kenneth uit het leger was ontslagen, en Koning Richard zat in zijne tent, eene westelijke avondkoelte genietende, die met ongewone frischheid op haar wieken, uit het vroolijke Engeland scheen over te waaien tot verfrissching van zijn avontuurlijken monarch, terwijl hij geleidelijk de volle kracht terugkreeg, die noodig was om zijn reusachtig plan ten uitvoer te brengen. Er was geen mensch bij hem, daar de Vaux naar Ascalon was gezonden, om versterking en nieuwen voorraad van krijgsbehoeften te halen, en de meeste van zijn overige volgelingen in verscheidene betrekkingen bezig waren, daar allen zich voorbereidden op de naderende heropening der vijandelijkheden, en voor eene groote daaraan voorafgaande wapenschouwing van het leger der kruisvaarders, welke den volgenden dag plaats zou hebben. De Koning zat te luisteren naar het bedrijvig gedruisch der soldaten, het gekletter uit de smederijen, waar de hoefijzers gemaakt werden, en uit de tenten der wapensmeden die de wapenrustingen herstelden. De stem der soldaten was onder het heen- en weergaan luid en vroolijk, en getuigde van hoogen en opgewekten moed, en een voorteeken van naderende overwinning. Terwijl Richard deze tonen met genot inzwolg en zich overgaf aan de vizioenen van verovering en roem, die ze opleverden, zeide hem een stalbediende, dat er buiten een bode van Saladin stond.„Laat hem dadelijk binnen,” sprak de Koning, „en met verschuldigde eer, Joseline.”De Engelsche ridder voerde daarop een man binnen, die, naarhet scheen, van geen hoogeren rang scheen, dan een Nubischen slaaf, wiens voorkomen echter hoogst belangwekkend was. Hij was van eene prachtige gestalte en edel gevormd, en zijn trotsche trekken, ofschoon bijna gitzwart, herinnerden in niets aan eene Neger-afkomst. Hij droeg over zijne koolzwarte lokken een sneeuwwitten tulband, en over zijn schouders een korten mantel van dezelfde kleur, open van voren en bij de mouwen, waaronder een wambuis van bereide luipaarden-huid te voorschijn kwam, dat een handbreed boven de knie reikte. Het overige van zijne gespierde leden, zoowel beenen als armen, was bloot, behalve dat hij sandalen aan de voeten, en een halsband en armbanden van zilver had. Een recht, breed zwaard met een gevest van ebbenhout, en eene scheede, die met eene slangenhuid bekleed was, hing om zijn middel. In zijne rechterhand hield hij eene korte werpspies, met eenen breeden, stalen kop, eene span lang, en in zijne linker leidde hij aan eene snoer van zijde en goud gevlochten, een grooten, edelen jachthond.De bode boog zich, terzelfder tijd zijne schouders tot een teeken van vernedering gedeeltelijk ontblootende. Na den grond met zijn voorhoofd aangeraakt te hebben, stond hij zoover op, dat hij op de eene knie rustte, terwijl hij den Koning een zijden doek overhandigde, waarin een andere van goudlaken was gewikkeld. Deze bevatte een brief van Saladin in het oorspronkelijke Arabisch, met eene vertaling in het Normandisch-Engelsch, die aldus in de hedendaagsche taal kan overgebracht worden:„Saladin, Koning der Koningen, aan Melec Ric, den Leeuw van Engeland. Doordien wij door uwe laatste boodschap kennis hebben bekomen, dat gij den oorlog boven den vrede verkozen hebt, en onzevijandschap boven onze vriendschap, zoo houden wij u voor verblind in deze zaak, en vertrouwen u spoedig van uwe dwaling te overtuigen, door de hulp van onze onoverwinlijke macht van de duizend stemmen, wanneer Mahomed, de Profeet van God, en Allah, de God van den Profeet, den twist tusschen ons zullen beslissen. Voor het overige schatten wij u hoog, alsmede de giften, die gij ons gezonden hebt, en vooral de twee dwergen, zonderling in hunne mismaaktheid als Esophus, en vroolijk als de luit van Isaäk. En tot vergelding van deze blijken uit de schatkamer van uwe goedheid, hebben wij u een Nubischen slaaf, Zohauk genaamd, gezonden, dien gij niet naar zijne kleur beoordeelen moet, op de wijze van de dwazen der aarde, aangezien de vruchten met zware schil de heerlijkste geur hebben. Verneem, dat hij sterk is, om den wil van zijn meester te volvoeren, gelijk Rustan van Zablestan; ook is hij wijs in het geven van raad, wanneer gij leeren zult, om verkeering met hem te hebben, want de Heer der spraak heeft hem met stilzwijgen getroffen tusschen de ivoren muren van zijn gehemelte. Wij bevelen hem aan uwe zorg, hopende, dat het uur niet ver af moge zijn, dat hij u een goeden dienst bewijst. En hiermede zeggen wij u vaarwel; vertrouwende, dat onze allerheiligste Profeet u nog tot het aanschouwen der waarheid zal roepen. En zoo deze verlichting niet mocht komen, dan is onze wensch voor het spoedig herstel van uwe koninklijke gezondheid, opdat Allah tusschen u en ons op een open terrein moge beslissen.”De brief was door de onderteekening en het zegel van den Sultan bekrachtigd.Richard wierp een zwijgenden blik op den Nubiër, die vóór hem stond, met de oogen op den grond geslagen, de armen over zijne borst gekruist, met het voorkomen van een zwart marmeren standbeeld van het uitgezochtste maaksel, het leven van de aanraking van een Prometheus verbiedende. De Koning van Engeland, die, zoo als men nadrukkelijk van zijn opvolger, Hendrik VIII, zeide, gaarne eenmanmocht aanzien, vond veel behagen in de spieren, zenuwen en geëvenredigden bouw van den man, dien hij thans beschouwde, en vroeg hem in deLingua Franca: „Zijt gij een Heiden?”De slaaf schudde het hoofd, en zijn vinger aan zijn voorhoofd brengende, maakte hij een kruis ten teeken, dat hij Christen was; daarop hernam hij zijne houding van onbewegelijke nederigheid.„Een Nubisch Christen, zonder twijfel,” zeide Richard, „en van het spraakvermogen beroofd door deze heidensche honden?”De stomme schudde wederom langzaam het hoofd, ten teeken van ontkenning, wees met zijn voorsten vinger naar den Hemel, en legde dien toen op zijn lippen.„Ik versta u,” zeide Richard, „gij lijdt onder de straf van God, en niet door de wreedheid der menschen. Kunt gij eene wapenrusting en een zwaardriem schoon maken, en in tijd van nood toegespen?”De stomme knikte, en naar den maliënkolder stappende, welke met het schild en den helm van den ridderlijken monarch, aan een pilaarvan de tent hing, behandelde hij deze voorwerpen met zulk eene netheid en zoo behendig, dat genoegzaam bleek, dat hij het werk van een wapendienaar volkomen verstond.„Gij zijt een handige knaap,” zeide de Koning, „en gij zult zeker van nut zijn—gij zult in mijne kamer en bij mijn persoon de wacht houden, als een bewijs, hoe hoog ik de gift van den koninklijken sultan schat. Indien gij geen tong hebt, volgt daaruit, dat gij geene vertelsels kunt overbrengen, en mij ook niet in drift zult doen ontsteken door een niet passend antwoord.”De Nubiër boog zich andermaal, zóódat zijn voorhoofd de aarde aanraakte, en bleef toen rechtop staan op eenige schreden afstand, alsof hij op de bevelen van zijn nieuwen meester wachtte.„Nu, gij zult uw dienst dadelijk beginnen,” zeide Richard, „want ik zie een vlek roest op dat schilt schemeren; en wanneer ik het in het gelaat van Saladin zwaai, moet het schitterend en onbezoedeld zijn, gelijk de eer zelve van den Sultan.”Er werd buiten op een horen geblazen, en dadelijk daarop kwam sir Henry Neville met eenige dépêches binnen.—„Van Engeland, Mylord,” zeide hij bij het overhandigen.„Van Engeland—ons eigen Engeland!” antwoordde Richard op een toon van droefgeestige verrukking.—„Helaas! zij denken er weinig aan, hoeveel hun vorst door ziekte en smart te lijden heeft gehad—flauwe vrienden en stoute vijanden.” Toen, de dépêches openende, zeide hij haastig: „Ha! dat komt uit geen vreedzaam land—zij hebben ook hunne twisten.—Neville, ga heen.—Ik moet deze tijdingen alleen en op mijn gemak doorlezen.”Neville verwijderde zich, en Richard was weldra verdiept in de treurige tijdingen, die hem uit Engeland geworden waren, omtrent de partijschappen, welke zijne erf-Staten verscheurden—de oneenigheid tusschen zijne broeders, Jan en Godfried, en de geschillen van beiden met den opperrichter, Longchamp, bisschop van Ely,—de verdrukking der landlieden door de edelen en het oproer der eersten tegen hunne meesters, wat overal tooneelen van tweedracht, en in sommige gevallen bloedige botsingen veroorzaakt had. Berichten van voorvallen, krenkend voor zijn hoogmoed, en ingrijpend in zijn gezag, waren vermengd met den ernstigen raad van zijne verstandigste en het meest aan hem gehechte raadslieden, dat hij dadelijk naar Engeland moest terugkeeren, daar zijne vertegenwoordigheid het eenige redmiddel was, om het koninkrijk van alle ijselijkheden van een burgeroorlog te redden, waarvan Frankrijk en Schotland waarschijnlijk voordeel zouden trekken. Vervuld met de pijnlijkste vrees, las en herlas Richard de onheilspellende brieven, vergeleek de berichten, die eenige ervan bevatten met dezelfde feiten, verschillend meegedeeld in andere, en hij werd spoedig geheel ongevoelig voor hetgeen rondom hem voorviel, ofschoon hij wegens de koelheid dicht nabij den ingang van zijne tent zat, en de gordijnen had teruggetrokken,zoodat hij zien kon en gezien worden door de wachten en anderen, die buiten stonden.Dieper in de schaduw van de tent en bezig met de taak, die zijn nieuwe meester hem opgedragen had, zat de Nubische slaaf, met den rug naar den Koning gekeerd. Zoo even was hij met het in orde brengen, en polijsten van het borstharnas en ander staalwerk gereed gekomen, en was thans ijverig bezig met een breed schild van ongewone grootte, en met stalen platen belegd, dat Richard dikwijls gebruikte bij het verkennen of bestormen van versterkte plaatsen, als eene krachtiger bescherming tegen werpspiesen, dan het smalle driehoekige schild, dat te paard gebruikt werd. Dit schild droeg noch de koninklijke leeuwen van Engeland noch eenig ander teeken, om niet de aandacht van de verdedigers der muren, waartegen het gebruikt werd, te trekken; de zorg van den wapensmid had zich daarom bepaald om de oppervlakte ervan zoo helder als kristal te doen schitteren, en hierin scheen hij bijzonder geslaagd te zijn. Naast den Nubiër, en nauwelijks zichtbaar van buiten, lag de groote hond, die zijn medeslaaf kon genoemd worden, en die als het ware beschroomd was nu hij een koninklijken eigenaar had gekregen. Hij lag dicht aan de zijde van den stomme, met kop en ooren op den grond, en zijne pooten en staart gebogen en onder zich getrokken.Terwijl de monarch en zijn nieuwe dienaar aldus bezig waren, trad een nieuw medespeler op het tooneel, en mengde zich onder den troep Engelsche landslieden, van wie ongeveer een twintigtal, uit achting voor de niet gewone peinzende en zwijgende houding van hun Koning, tegen hunne gewoonte in, stilte wacht vóór zijne tent hielden. Die wacht was echter niet waakzamer dan gewoonlijk. Eenigen van hen speelden hazard met keisteentjes, anderen fluisterden met elkander over den naderenden strijd, en verscheidenen van hen lagen te slapen, hunne half gekleede lichamen in hunne groene mantels gewikkeld.Tusschen deze zorglooze wachters door gleed de onaanzienlijke gestalte van een kleinen ouden Turk, armoedig gekleed, gelijk een marabout of santon van de woestijn, eene soort van dwepers, die zich somtijds in de legerplaats der kruisvaarders waagden, ofschoon zij altijd met verachting, en somtijds met geweld behandeld werden. De weelde en ongebonden toegevendheid der Christen aanvoerders had dan ook in hunne tenten een bonten samenloop gelokt van muzikanten, kunstemakers en Joodsche kooplieden, Kopten, Turken en allerlei uitvaagsel der Oostersche natiën, zoodat de kaftan en de tulband volstrekt geen ongewone verschijning in de legerplaats der kruisvaarders waren, ofschoon het duidelijk voornemen van den krijgstocht was, om beide uit het heilige Land te verdrijven. Toen echter de kleine, onbeduidende gestalte, die wij beschreven hebben, zoo nabij kwam, dat hij eenige belemmering van de wacht ontmoette, wierp hij zijn morsigen groenen tulband van het hoofd, toonde, dat zijn baard en zijne wenkbrauwen geschoren waren, als die van een narvan beroep, en dat de uitdrukking van zijne zonderlinge en verweerde trekken, zoowel als van zijne kleine zwarte oogen, die schitterden als gitten, getuigden van een kranken geest.„Dans, marabout,” riepen de soldaten, bekend met de zeden van deze zwervende dwepers—„dans, of wij zullen u met onze boogstangen geeselen, totdat gij u ronddraait als een tol.”—Zoo schreeuwden de onbarmhartige wachten, even verheugd een voorwerp tot plagen te hebben, als een kind, als het een vlinder vangt, of een schooljongen, als hij een vogelnest ontdekt.De marabout scheen gelukkig, hun genoegen te kunnen geven; hij sprong van den grond op, en draaide duizelingwekkend voor hen rond met eene ongekende behendigheid. Dit deed hem, in verband met zijn ellendig en uitgeteerd voorkomen, en zijne kleine gestalte op een verdord blad gelijken, dat naar welgevallen door een winterstorm wordt rondgeslingerd. Zijn enkele bos haar vloog opwaarts van zijn kaal geschoren hoofd, alsof geesten hem daarbij staande hielden, en inderdaad scheen het of eene bovennatuurlijke kunst noodig was tot de uitvoering van den wilden wervel dans, waarbij men nauwelijks de punten van de teenen des dansers den grond zag raken. Onder de rondzwervingen van zijne kunstvertooning vloog hij her- en derwaarts, van de eene plek naar de andere, terwijl hij intusschen, ofschoon bijna onmerkbaar, den ingang van de koninklijke tent naderde, zoodat, toen hij eindelijk uitgeput ter aarde zonk, na twee of drie sprongen, die nog hooger waren dan die, welke hij tot nog toe had gemaakt, hij niet meer dan dertig meter van den persoon des Konings was verwijderd.„Geef hem water,” zeide de eene soldaat; „zij begeeren altijd een dronk na hun luchtigen dans.”„Ei, water, zegt gij, Lange Allen?—” riep een ander boogschutter tot antwoord; „hoe zoudt gij zelf zulk een drank vinden na zulk een dans?”„Ik mag des duivels zijn, als hij hier een droppel water krijgt,” zeide een derde. „Wij zullen den ouden ongeloovige met zijn lichte voeten leeren, een goed Christen te worden en Cyprus wijn te drinken.”„Ja, ja,” zeide een vierde; „en als hij koppig is, haal dan den horen van Dick Hunter, waarmede hij zijne merrie drenkt.”Een kring vormde zich oogenblikkelijk rondom den liggenden en uitgeputten dervisch, en terwijl een krachtig krijgsman zijn zwak lichaam van den grond opbeurde, bood een ander hem eene groote flesch wijn aan. De oude man, die niet in staat was om te spreken, schudde met het hoofd, en wees met de hand den door den Profeet verboden drank af; maar zijne kwelgeesten waren niet op die wijze te bevredigen.„De horen, de horen!” riep een. „Er is weinig verschil tusschen een Turk en een Turksch paard, en wij willen hem als zoodanig behandelen.”„Bij St. George, gij zult hem doen stikken!” zeide Lange Allen;„en bovendien is het eene zonde aan een heidenschen hond zoo veel wijn weg te werpen, als een goed Christen voor een drievoudige nachtdronk zou dienen.”„Gij kent den aard van deze Turken en heidenen niet, Lange Allen.” hernam Hendrik Woodstall;„ik zeg u, man, dat deze flesch Cypruswijn zijne hersens aan het draaien zal brengen, juist in de tegenovergestelde richting, als zij onder het dansen dwarrelden, en hem op die manier, als het ware, weder tot zich zelven zal brengen.—Stikken? Hij zal er niet meer van stikken, als Benjamins zwarte teef van het pond boter.”„En het hem te misgunnen,” zeide Thomalin Blacklees, „waarom zoudt gij den armen heidenschen duivel een droppel drinken op aarde misgunnen, daar gij weet, dat hij geen droppel zal krijgen, om de punt van zijn tong te verkoelen gedurende eene lange eeuwigheid.”„Dat zouden harde wetten zijn, ziet gij,” zeide Lange Allen, „alleen omdat hij een Turk is, zoo als zijn vader vóór hem was. Ware hij van een Christen heiden geworden, dan stem ik u toe, dat de heetste hoek een goed kwartier voor hem geweest was.”„Houd je stil, Lange Allen,” zeide Hendrik Woodstall, „ik zeg je, dat je tong niet het kortste lid van je is, en ik voorspel dat die je in ongenade zal brengen bij vader Franciscus, zoo als eens bij de zwartoogige Syrische meid.—Maar hier komt de horen.—Werk een weinig mede, man, wilt gij, breek hem de tanden met het hecht van uw kleinen dolk open.”„Kijk! Kijk!—hij schikt er zich in,” zeide Thomalin; „zie, zie, hij geeft een teeken voor den beker—maak ruimte jongens. „Op is het,” zegt de Hollander—dat gaat naar binnen als zoet bier! Ja het zijn ware zuipers, als zij beginnen—een Turk hoest nooit bij zijn beker, en kent geen maat bij zijn drank.”Werkelijk dronk de dervisch, of wat hij dan ook was, de groote flesch in een teug tot op den bodem leeg, of scheen die tenminste uit te drinken, en toen hij die van zijn lippen nam, nadat de geheele inhoud geledigd was, sprak hij slechts de woorden „Allah Kerim”, God is barmhartig, uit. Er ontstond zulk een luidruchtig gelach onder de landlieden, die dezen meesterdronk zagen, dat des Konings aandacht opgewekt werd en hij toornig zijn vinger opheffend, zeide: „Hoe, schurken, is er geene achting, geen tucht?”Alle zwegen plotseling stil, daar zij het karakter van Richard wel kenden, die op sommige tijden veel militaire gemeenzaamheid toeliet, en op andere tijden de stipste tucht vorderde, ofschoon de laatste stemming veel zeldzamer voorkwam. Zij haastten zich om op verderen afstand van den persoon des konings zich te verwijderen, en trachtten den marabout met zich te trekken, die, waarschijnlijk door voorafgaande vermoeienis afgemat, of door den machtigen dronk, dien hij zooeven verzwolgen had, overmand, zich door worstelen en steunen er zich tegen verzette, om van de plaats gebracht te worden.„Laat hem stil liggen, gekken,” fluisterde Lange Allen zijne makkers toe. „Bij St. Christoffel, gij zult onzen Richard driftig maken, en zijn dolk zal zoo dadelijk naar onze koppen geslingerd worden. Laat hem liggen, binnen een minuut zal hij slapen als een marmot.”Op hetzelfde oogenblik wierp de monarch eene tweede ongeduldigen blik naar de plek, en allen verwijderden zich in haast, den dervisch op den grond latende, die, naar het scheen, niet in staat was, om eene enkele lid van zijn lichaam te verroeren. Een oogenblik daarna was alles zoo stil en rustig, als het vóór de komst van den Turk geweest was.

HOOFDSTUK XX.Als de leeuw, in de wetten der schoonheid gevangenDeemoedig den kop buigt, zijn manen laat hangenZijn klauw zijne macht op den vijand verzaakt,Wordt Hercules knots tot een spinrok gemaaktEn spint hij terwil van Omphale.AnonymusToen Richard, die, zonder het te vermoeden, het voorwerp was van het zwarte verraad, dat wij aan het einde van het vorige hoofdstuk verhaald hebben, voor het oogenblik althans, de zegepralende vereeniging van de ten kruistocht getrokken vorsten bewerkstelligd had, ten einde den oorlog met kracht voort te zetten, was zijne eerste zorg om de rust in zijn eigen huisgezin te herstellen. Nu hij bedaarder kon oordeelen, wilde hij nauwkeurig de omstandigheden onderzoeken, die tot het verlies van zijne banier aanleiding gegeven hadden, alsmede den aard en de mate van verstandhouding tusschen zijne bloedverwante Edith en den verbannen Schotschen avonturier.Met dit doel werden de Koningin en hare hofdames door een bezoek van sir Thomas de Vaux verschrikt, die verzocht, dat lady Calista van Montgaillard, de eerste kamerdame der Koningin, terstond bij Koning Richard zou verschijnen.„Wat zal ik zeggen, Mevrouw?” vroeg de sidderende freule de Koningin. „Hij zal ons allen vermoorden.”„Vrees niet freule,” antwoordde de Vaux. „Zijne Majesteit heeft het leven van den grootsten beleediger, den Schotschen ridder, gespaard en hem aan den Moorschen geneesheer ten geschenke gegeven—hij zal niet streng jegens eene dame zijn, al heeft zij ook een misslag begaan.”„Bedenk eenig listig verhaal meisje,” zeide Berengaria. „Mijn gemaal heeft te weinig tijd, om onderzoek naar de waarheid te doen.”„Verhaal het voorval, zoo als het werkelijk geschied is,” zeide Edith, „of ik verhaal het voor u.”„Met de genadige toestemming van Uwe Majesteit,” hernam de Vaux, „mij dunkt lady Edith geeft een goeden raad; want ofschoon Koning Richard wel wil gelooven, al wat uwe Genade behaagt hem te zeggen, betwijfel ik het toch, of hij dezelfde inschikkelijkheid voor lady Calista zal hebben, en inzonderheid in deze zaak.”„Mylord van Gilsland heeft gelijk,” hervatte lady Calista, zeer ongerust over het onderzoek, dat plaats zou hebben; „en bovendien, al had ik tegenwoordigheid van geest om eene waarschijnlijke geschiedenis te smeden, toch zou ik, op mijn woord, den moed niet hebben, om die te verhalen.”In deze oprechte stemming werd lady Calista door de Vaux naar den Koning geleid, en hier legde zij, zoo als zij zich had voorgenomen, eene volledige bekentenis af omtrent het middel waardoor de ongelukkigen ridder van den Luipaard overgehaald was, om zijn post te verlaten. Zij verontschuldigde lady Edith, die, zoo als zij wel begreep, niet in gebreke zou blijven zich zelve te verschoonen, en legde den vollen last op de Koningin, hare meesteres, wier deel in de grap, zoo als zij wel wist, het meest vergeeflijk in de oogen van Leeuwenhart zou schijnen. Inderdaad was Richard een liefhebbend, ja bijna een verwijfd echtgenoot. De eerste uitbarsting van zijne gramschap was sinds lang voorbij, en hij was niet genegen om streng te berispen, wat niet meer veranderd kon worden. De listige lady Calista, die van hare vroegste kindsheid af gewoon was om de intriges van een hof op te diepen, en de blijken van den wil van een vorst gade te slaan, ijlde met de snelheid van een kieviet naar de Koningin terug, belast met des Konings bevelen, dat zij weldra een bezoek van hem te verwachten had. Hierbij voegde de hofdame een verklaring, op hare eigen opmerking gegrond, strekkende, om aan te toonen, dat Richard juist zoo veel gestrengheid wenschte te behouden, dat het zijne koninklijke gemalin tot berouw over hare scherts kon brengen, en dan zijne genadige vergiffenis uit te strekken over haar en alle, die daaraan deel genomen hadden.„Waait de wind uit dien hoek, meisje,” riep de Koningin, door deze boodschap vrij wat verlicht, „geloof mij, dat, hoe groot veldheer Richard ook is, hij het moeilijk zal vinden, om ons in deze zaak schrik aan te jagen; en dat, zoo als de herders in de Pyreneën van mijn vaderland gewoon zijn te zeggen, menig een om de wol komt, en geschoren weder heen gaat.”Koningin Berengaria, na zich van al hetgeen Calista haar zeggen kon, op de hoogte te hebben gesteld, kleedde zich in het gewaad, dat haar het best stond, en wachtte met vertrouwen de komst van den heldhaftigen Richard af.Hij kwam en bevond zich in den toestand van een vorst, die in een gewest komt, dat hem beleedigd heeft, in het vertrouwen, dat hij slechts een verwijt zal behoeven uit te spreken, en de betuiging van zijne onderwerping te ontvangen, wanneer hij het onverwacht in een toestand van volkomen wantrouwen en oproer vindt. Berengaria kende zeer goed de macht van hare bekoorlijkheden, en de grootheid van Richard’s liefde, en zij was zeker, dat zij een goed verdrag sluiten zou, zoodra de eerste vreeselijke uitbarsting van zijn toorn zonder nadeel zou doorstaan zijn. Wel verre van te luisteren naar het voorgenomen verwijt van den Koning, dat de lichtvaardigheid van haar gedrag met recht verdiend had, verontschuldigde, ja verdedigde zij zelfs, als eene onschuldige grap, de daad waarvan zij beschuldigd werd. Zij ontkende inderdaad, met vele fraaie wendingen, dat zij Nebectamus bepaald bevolen had, om den ridder verder te lokken dan tot den rand van den heuvel, waarop hij de wacht hield—en dit was ook inderdaad in zoo ver waar, dat zij niet voornemens geweest was, om sir Kenneth in hare tent te doen brengen.—Was zij reeds welsprekend in het voordragen van hare verdediging, de Koningin was dit nog veel meer, toen zij Richard onvriendelijkheid ten laste legde, omdat hij haar zulk een gering geschenk, als het leven van een ongelukkigen ridder geweigerd had, die, door hare ondoordachte grap, aan de straf van de krijgswet was blootgesteld. Zij weende en snikte, terwijl zij over de hardnekkigheid van haar gemaal in dit opzicht uitweidde, als eene gestrengheid, die haar voor haar geheele leven ongelukkig zou hebben gemaakt, zoo dikwijls zij er aan denken zou, dat zij onopzettelijk van verre de aanleidende oorzaak tot zulk een treurspel gegeven had. Het gezicht van het vermoorde slachtoffer zou haar in hare droomen beangstigd hebben—zelfs kon, voor zoo ver zij wist, daar zulke dingen dikwijls gebeurden, terwijl zij waakte, zijn geest wezenlijk bij hare sponde gestaan hebben. Aan al deze kwellingen des gemoeds was zij alleen blootgesteld door de gestrengheid van een man, die, terwijl hij voorgaf door haar minsten blik betooverd te worden, eene daad van ellendige wraak niet wilde nalaten, al moest de uitslag haar dan ook ongelukkig maken.Deze geheele stroom van vrouwelijke welsprekendheid ging met de gewone argumenten van tranen en zuchten gepaard, en werd op zulk een toon en met zulke gebaren geuit, dat zij schenen te bewijzen,dat de gramschap van de Koningin noch uit hoogmoed noch uit kwade luim sproot, maar uit het gekrenkt gevoel, dat zij door haar echtgenoot minder werd geschat, dan zij verwacht had.De goede Koning Richard was in de hoogste mate verlegen. Hij trachtte te vergeefs met eene vrouw te redeneeren, die zooveel van hem hield, dat zij niet in staat was, om naar bewijzen te luisteren. Ook kon hij niet over zich verkrijgen om zijn wettig gezag te doen gelden tegen zulk een schoon wezen, bij haar onverstandig misnoegen. Hij werd daarom genoodzaakt, verdedigender wijze te werk te gaan; hij trachtte door zachte woorden haar achterdocht uit den weg te ruimen, en haar ongenoegen tot kalmte te brengen, en herinnerde haar, dat zij niet op het verledene met gedachten van berouw of bovenmatige vrees behoefde terug te zien, daar sir Kenneth leefde en behouden was, en hij hem aan den grooten Arabischen geneesheer geschonken had, die zeker beter dan eenig mensch zou weten hem in het leven te houden. Maar dit scheen de felste wonde van allen, en de smart der Koningin werd vernieuwd door het denkbeeld, dat een Sarraceen—een geneesheer—een geschenk ontvangen had, waarvoor zij blootshoofds en met gebogen knie haar gemaal te vergeefs gesmeekt had. Bij deze nieuwe beschuldiging begon Richard bijna het geduld te verliezen, en hij zeide op ernstigen toon: „Berengaria, die geneesheer redde mij het leven. Zoo dit van eenige waarde in uwe oogen is, zult gij hem de eenige belooning niet benijden, die ik hem bewegen kon aan te nemen.”De Koningin was bevredigd, daar zij haar misnoegen tot op de uiterste grenzen van hare veiligheid gedreven had.„Mijn Richard,” zeide zij, „waarom hebt gij dien wijzen man niet bij mij gebracht, opdat Engeland’s Koningin toonen kon, hoe zij den man achtte, die de lamp der ridderschap, den roem van Engeland en het licht van het leven en de hoop der arme Berengaria van den dood kon redden?”Hiermede was de huwelijkstwist ten einde; maar opdat de gerechtigheid toch voldaan zou worden, kwamen de Koning en de Koningin overeen, om de geheele schuld op den bode Nebectamus te leggen, die—daar de Koningin zijne grappen moede begon te worden—met zijne koninklijke echtgenoote Guenevra veroordeeld werd, om van het hof verbannen te worden. De ongelukkige dwerg ontging eene andere kastijding alleen door de verzekering der Koningin, dat hij reeds eene lichamelijke straf ondergaan had. Er werd verder besloten, dat, daar er binnen kort een afgevaardigde van den raad, om de vijandelijkheden te hervatten, zoodra de wapenstilstand ten einde was, en Richard voornemens was den Sultan een geschenk van waarde te zenden, uit erkentelijkheid voor de hooge weldaad, die hij van de diensten van El Hakim ontvangen had, de twee ongelukkige schepsels als rariteiten daarbij gevoegd zouden worden. En inderdaad waren zij door hun zeer zonderling voorkomen en den treurigen toestand van hun verstand,geschenken, die zeer wel door den eenen vorst aan den anderen konden gedaan worden.Richard had dien dag nog een anderen vrouwelijken storm te doorstaan; maar hij ging dien in vergelijking met den vorigen met onverschilligheid te gemoet. Want mocht Edith schoon zijn en door haren koninklijken bloedverwant hoog geschat worden,—ja, had zij door zijne onrechtvaardige vermoedens inderdaad de beleediging geleden, waarover Berengaria slechts veinsde te klagen, zij was noch Richard’s gemalin noch zijne beminde, en hij vreesde hare verwijten, ofschoon op rede gegrond, minder dan die der Koningin, al waren deze onrechtvaardig en hersenschimmig. Toen hij haar het verzoek had doen toekomen, om haar alleen te spreken, werd hij in haar vertrek geleid, aan dat der Koningin grenzende, terwijl twee Koptische slavinnen gedurende de bijeenkomst in den uitersten hoek op hare knieën bleven liggen. Een dunne zwarte sluier hulde in zijne ruime plooi de ranke en schoone gedaante der hooggeboren maagd, en zij droeg geen vrouwelijk sieraad van welken aard ook. Zij stond op en maakte een diepe neiging, toen Richard binnentrad, daarop hernam zij hare plaats op zijn bevel, en wachtte, toen hij zich naast haar neergezet had, zonder een woord te uiten, totdat hij haar daartoe verlof zou geven.Richard, wiens gewoonte het was, vertrouwelijk met Edith te zijn, zoo als hunne bloedverwantschap medebracht, voelde dat deze ontvangst koel was, en opende het gesprek met eenige verlegenheid.„Onze schoone nicht,” zeide hij eindelijk, „is boos op ons; en wij bekennen, dat ernstige omstandigheden ons bewogen hebben, om haar, zonder grond, van een daad te verdenken, die geheel in strijd was met het gedrag haar leven lang door haar gevolgd. Maar zoo lang wij in dit nevelig dal der menschheid wandelen, zullen wij schaduwen voor wezenlijke dingen houden. Kan mijne schoone nicht haar eenigszins heftigen bloedverwant, Richard, niet vergeven?”„Wie kan vergeving aan Richard weigeren,” antwoordde Edith, „als Richard vergiffenis van denKoningkan krijgen?”„Kom, nicht,” hernam Leeuwenhart, „dit is alles te plechtstatig. Bij onze heilige Maagd, zulk een droefgeestig gelaat!—En deze ruime zwarte sluier zou de menschen doen denken, dat gij eerst onlangs weduwe geworden waart, of ten minste een verloofde verloren hadt. Schep moed—gij hebt zeker gehoord, dat er geene wezenlijke reden tot droefheid is.—Waarom draagt gij dan het kleed van rouw?”„Voor de verloren eer van Plantagenet—voor den roem, die het huis mijns vaders verlaten heeft.”Richard fronste het voorhoofd. „Verloren eer! Roem, die het huis mijns vaders verlaten heeft!”—herhaalde hij toornig;„maar onze nicht Edith heeft een vrijbrief. Ik heb haar te haastig beoordeeld; zij heeft derhalve een recht om zeer streng over mij te oordeelen. Maar zeg mij ten minste; waarin ik gefeild heb.”„Plantagenet,” antwoordde Edith, „moest eene beleediging vergevenof gestraft hebben. Het past hem niet vrije mannen, Christenen en dappere ridders tot de boeien der ongeloovigen te veroordeelen. Het past hem niet, het leven bij verdrag te schenken of te verruilen tegen het verlies der vrijheid. Den ongelukkige ter dood veroordeeld te hebben, kon gestrengheid geweest zijn, maar het had nog een zweem van gerechtigheid gehad; hem tot slavernij en ballingschap te verwijzen, was bepaalde dwingelandij.”„Ik zie, lieve nicht,” hervatte Richard, „dat gij eene van die schoonen zijt, die een afgewezen minnaar met geen of met een doode gelijk stellen. Heb geduld; een tiental lichte ruiters kunnen hem nog volgen en de dwaling goed maken, zoo uw minnaar nog een of ander geheim in bewaring heeft, dat zijn dood wenschelijker mocht maken dan zijne verbanning.”„Zwijg met uwe laffe scherts!” hernam Edith, hoog blozende.—„Bedenk veeleer, dat gij, om uwe blinde drift voldoening te geven, een gezond lid van deze groote onderneming afgesneden, het kruis van een zijner dapperste verdedigers beroofd, en een dienaar van den waren God in de handen der Heidenen geleverd hebt; dat gij aan gemoederen, die even kwaaddenkend, als gij het uwe bij deze gelegenheid getoond hebt, eenig recht hebt gegeven, om te zeggen, dat Richard Leeuwenhart den dappersten krijgsman uit zijn leger verbannen heeft, uit vrees dat die naam in den slag den zijnen mocht evenaren.”„Ik—ik!” riep Richard, nu inderdaad zeer ontroerd—„ben ik de man er naar, om ijverzuchtig op roem te zijn?—Ik wilde, dat hij hier ware, om zulk eene verzekering tegen mij vol te houden. Ik zou rang en kroon er aan geven, en hem als man in het strijdperk ontmoeten, opdat het blijken mocht, of Richard Plantagenet reden had de dapperheid van een sterveling te vreezen of te benijden. Kom, Edith, gij denkt niet, zooals gij spreekt. Laat toorn of verdriet over de afwezigheid van uw minnaar u niet onbillijk maken jegens uw bloedverwant, die, in weerwil van uw grilligheid, uwe goedkeuring evenhoog schatals die van eenig mensch ter wereld.”„De afwezigheid van mijn minnaar?” herhaalde lady Edith. „Maar ja—hij mag wel mijn minnaar genoemd worden, daar hij dien naam zoo duur betaald heeft. Hoe onwaardig ik die hulde ook was, toch was ik voor hem, als een licht, dat hem voorwaarts leidde op het pad der ridderschap; maar dat ik mijn rang vergat, of dat hij zijne eerzucht boven den zijnen verhief, dit is valsch, al zeide het ook een Koning.”„Lieve nicht”, antwoordde Richard, „leg mij geen woorden in den mond, die ik niet gesproken heb. Ik zeide niet, dat gij dezen man meer gunst hadt bewezen dan een goed ridder oogsten mag, zelfs van eene prinses, welke dan ook zijn afkomst zij. Maar bij onze lieve Vrouw, ik weet iets van de hoop der liefde—zij begint met stommen eerbied en verwijderde betuiging van achting; maar, wanneer de gelegenheden zich opdoen, neemt de vertrouwelijkheid toe, en zoo …. maar het baat niet met iemand te spreken, die zich wijzer acht dan de geheele wereld.”„Ik luister gaarne naar den raad van mijn bloedverwant,” hervatte Edith, „wanneer deze geene beleediging voor mijn rang en mijn karakter bevat.”„Koningen, schoone nicht, raden niet, maar bevelen veeleer,” hernam Richard.„Sultans bevelen, zeker,” zeide Edith, „maar het is, omdat zij over slaven heerschen.”„Nu, gij kondt wel leeren, deze minachting van het Sultanschap af te leggen, daar gij zoo veel van een Schot houdt,” antwoordde de Koning. „Ik houdt Saladin voor getrouwer aan zijn woord, dan dien Willem van Schotland, die bepaald een Leeuw moet genoemd worden;—hij heeft mij valschelijk bedrogen, door mij de beloofde hulptroepen niet te zenden. Laat ik u zeggen, Edith, gij kunt nog beleven, dat gij de voorkeur geeft aan een getrouwen Turk boven een valschen Schot.”„Neen—nooit,” hernam Edith—„Richard zelf zou den valschen godsdienst niet aannemen, tot welks verdelging uit Palestina hij over de zee getrokken is.”„Gij wilt het laatste woord hebben,” hervatte Richard, „en gij zult het hebben. Denk van mij wat gij wilt, lieve Edith. Ik zal niet vergeten, dat uw vader mijn broeder was.”Dit zeggende nam hij beleefd afscheid van haar, maar zeer weinig voldaan over den uitslag van zijn bezoek.Het was de vierde dag, nadat sir Kenneth uit het leger was ontslagen, en Koning Richard zat in zijne tent, eene westelijke avondkoelte genietende, die met ongewone frischheid op haar wieken, uit het vroolijke Engeland scheen over te waaien tot verfrissching van zijn avontuurlijken monarch, terwijl hij geleidelijk de volle kracht terugkreeg, die noodig was om zijn reusachtig plan ten uitvoer te brengen. Er was geen mensch bij hem, daar de Vaux naar Ascalon was gezonden, om versterking en nieuwen voorraad van krijgsbehoeften te halen, en de meeste van zijn overige volgelingen in verscheidene betrekkingen bezig waren, daar allen zich voorbereidden op de naderende heropening der vijandelijkheden, en voor eene groote daaraan voorafgaande wapenschouwing van het leger der kruisvaarders, welke den volgenden dag plaats zou hebben. De Koning zat te luisteren naar het bedrijvig gedruisch der soldaten, het gekletter uit de smederijen, waar de hoefijzers gemaakt werden, en uit de tenten der wapensmeden die de wapenrustingen herstelden. De stem der soldaten was onder het heen- en weergaan luid en vroolijk, en getuigde van hoogen en opgewekten moed, en een voorteeken van naderende overwinning. Terwijl Richard deze tonen met genot inzwolg en zich overgaf aan de vizioenen van verovering en roem, die ze opleverden, zeide hem een stalbediende, dat er buiten een bode van Saladin stond.„Laat hem dadelijk binnen,” sprak de Koning, „en met verschuldigde eer, Joseline.”De Engelsche ridder voerde daarop een man binnen, die, naarhet scheen, van geen hoogeren rang scheen, dan een Nubischen slaaf, wiens voorkomen echter hoogst belangwekkend was. Hij was van eene prachtige gestalte en edel gevormd, en zijn trotsche trekken, ofschoon bijna gitzwart, herinnerden in niets aan eene Neger-afkomst. Hij droeg over zijne koolzwarte lokken een sneeuwwitten tulband, en over zijn schouders een korten mantel van dezelfde kleur, open van voren en bij de mouwen, waaronder een wambuis van bereide luipaarden-huid te voorschijn kwam, dat een handbreed boven de knie reikte. Het overige van zijne gespierde leden, zoowel beenen als armen, was bloot, behalve dat hij sandalen aan de voeten, en een halsband en armbanden van zilver had. Een recht, breed zwaard met een gevest van ebbenhout, en eene scheede, die met eene slangenhuid bekleed was, hing om zijn middel. In zijne rechterhand hield hij eene korte werpspies, met eenen breeden, stalen kop, eene span lang, en in zijne linker leidde hij aan eene snoer van zijde en goud gevlochten, een grooten, edelen jachthond.De bode boog zich, terzelfder tijd zijne schouders tot een teeken van vernedering gedeeltelijk ontblootende. Na den grond met zijn voorhoofd aangeraakt te hebben, stond hij zoover op, dat hij op de eene knie rustte, terwijl hij den Koning een zijden doek overhandigde, waarin een andere van goudlaken was gewikkeld. Deze bevatte een brief van Saladin in het oorspronkelijke Arabisch, met eene vertaling in het Normandisch-Engelsch, die aldus in de hedendaagsche taal kan overgebracht worden:„Saladin, Koning der Koningen, aan Melec Ric, den Leeuw van Engeland. Doordien wij door uwe laatste boodschap kennis hebben bekomen, dat gij den oorlog boven den vrede verkozen hebt, en onzevijandschap boven onze vriendschap, zoo houden wij u voor verblind in deze zaak, en vertrouwen u spoedig van uwe dwaling te overtuigen, door de hulp van onze onoverwinlijke macht van de duizend stemmen, wanneer Mahomed, de Profeet van God, en Allah, de God van den Profeet, den twist tusschen ons zullen beslissen. Voor het overige schatten wij u hoog, alsmede de giften, die gij ons gezonden hebt, en vooral de twee dwergen, zonderling in hunne mismaaktheid als Esophus, en vroolijk als de luit van Isaäk. En tot vergelding van deze blijken uit de schatkamer van uwe goedheid, hebben wij u een Nubischen slaaf, Zohauk genaamd, gezonden, dien gij niet naar zijne kleur beoordeelen moet, op de wijze van de dwazen der aarde, aangezien de vruchten met zware schil de heerlijkste geur hebben. Verneem, dat hij sterk is, om den wil van zijn meester te volvoeren, gelijk Rustan van Zablestan; ook is hij wijs in het geven van raad, wanneer gij leeren zult, om verkeering met hem te hebben, want de Heer der spraak heeft hem met stilzwijgen getroffen tusschen de ivoren muren van zijn gehemelte. Wij bevelen hem aan uwe zorg, hopende, dat het uur niet ver af moge zijn, dat hij u een goeden dienst bewijst. En hiermede zeggen wij u vaarwel; vertrouwende, dat onze allerheiligste Profeet u nog tot het aanschouwen der waarheid zal roepen. En zoo deze verlichting niet mocht komen, dan is onze wensch voor het spoedig herstel van uwe koninklijke gezondheid, opdat Allah tusschen u en ons op een open terrein moge beslissen.”De brief was door de onderteekening en het zegel van den Sultan bekrachtigd.Richard wierp een zwijgenden blik op den Nubiër, die vóór hem stond, met de oogen op den grond geslagen, de armen over zijne borst gekruist, met het voorkomen van een zwart marmeren standbeeld van het uitgezochtste maaksel, het leven van de aanraking van een Prometheus verbiedende. De Koning van Engeland, die, zoo als men nadrukkelijk van zijn opvolger, Hendrik VIII, zeide, gaarne eenmanmocht aanzien, vond veel behagen in de spieren, zenuwen en geëvenredigden bouw van den man, dien hij thans beschouwde, en vroeg hem in deLingua Franca: „Zijt gij een Heiden?”De slaaf schudde het hoofd, en zijn vinger aan zijn voorhoofd brengende, maakte hij een kruis ten teeken, dat hij Christen was; daarop hernam hij zijne houding van onbewegelijke nederigheid.„Een Nubisch Christen, zonder twijfel,” zeide Richard, „en van het spraakvermogen beroofd door deze heidensche honden?”De stomme schudde wederom langzaam het hoofd, ten teeken van ontkenning, wees met zijn voorsten vinger naar den Hemel, en legde dien toen op zijn lippen.„Ik versta u,” zeide Richard, „gij lijdt onder de straf van God, en niet door de wreedheid der menschen. Kunt gij eene wapenrusting en een zwaardriem schoon maken, en in tijd van nood toegespen?”De stomme knikte, en naar den maliënkolder stappende, welke met het schild en den helm van den ridderlijken monarch, aan een pilaarvan de tent hing, behandelde hij deze voorwerpen met zulk eene netheid en zoo behendig, dat genoegzaam bleek, dat hij het werk van een wapendienaar volkomen verstond.„Gij zijt een handige knaap,” zeide de Koning, „en gij zult zeker van nut zijn—gij zult in mijne kamer en bij mijn persoon de wacht houden, als een bewijs, hoe hoog ik de gift van den koninklijken sultan schat. Indien gij geen tong hebt, volgt daaruit, dat gij geene vertelsels kunt overbrengen, en mij ook niet in drift zult doen ontsteken door een niet passend antwoord.”De Nubiër boog zich andermaal, zóódat zijn voorhoofd de aarde aanraakte, en bleef toen rechtop staan op eenige schreden afstand, alsof hij op de bevelen van zijn nieuwen meester wachtte.„Nu, gij zult uw dienst dadelijk beginnen,” zeide Richard, „want ik zie een vlek roest op dat schilt schemeren; en wanneer ik het in het gelaat van Saladin zwaai, moet het schitterend en onbezoedeld zijn, gelijk de eer zelve van den Sultan.”Er werd buiten op een horen geblazen, en dadelijk daarop kwam sir Henry Neville met eenige dépêches binnen.—„Van Engeland, Mylord,” zeide hij bij het overhandigen.„Van Engeland—ons eigen Engeland!” antwoordde Richard op een toon van droefgeestige verrukking.—„Helaas! zij denken er weinig aan, hoeveel hun vorst door ziekte en smart te lijden heeft gehad—flauwe vrienden en stoute vijanden.” Toen, de dépêches openende, zeide hij haastig: „Ha! dat komt uit geen vreedzaam land—zij hebben ook hunne twisten.—Neville, ga heen.—Ik moet deze tijdingen alleen en op mijn gemak doorlezen.”Neville verwijderde zich, en Richard was weldra verdiept in de treurige tijdingen, die hem uit Engeland geworden waren, omtrent de partijschappen, welke zijne erf-Staten verscheurden—de oneenigheid tusschen zijne broeders, Jan en Godfried, en de geschillen van beiden met den opperrichter, Longchamp, bisschop van Ely,—de verdrukking der landlieden door de edelen en het oproer der eersten tegen hunne meesters, wat overal tooneelen van tweedracht, en in sommige gevallen bloedige botsingen veroorzaakt had. Berichten van voorvallen, krenkend voor zijn hoogmoed, en ingrijpend in zijn gezag, waren vermengd met den ernstigen raad van zijne verstandigste en het meest aan hem gehechte raadslieden, dat hij dadelijk naar Engeland moest terugkeeren, daar zijne vertegenwoordigheid het eenige redmiddel was, om het koninkrijk van alle ijselijkheden van een burgeroorlog te redden, waarvan Frankrijk en Schotland waarschijnlijk voordeel zouden trekken. Vervuld met de pijnlijkste vrees, las en herlas Richard de onheilspellende brieven, vergeleek de berichten, die eenige ervan bevatten met dezelfde feiten, verschillend meegedeeld in andere, en hij werd spoedig geheel ongevoelig voor hetgeen rondom hem voorviel, ofschoon hij wegens de koelheid dicht nabij den ingang van zijne tent zat, en de gordijnen had teruggetrokken,zoodat hij zien kon en gezien worden door de wachten en anderen, die buiten stonden.Dieper in de schaduw van de tent en bezig met de taak, die zijn nieuwe meester hem opgedragen had, zat de Nubische slaaf, met den rug naar den Koning gekeerd. Zoo even was hij met het in orde brengen, en polijsten van het borstharnas en ander staalwerk gereed gekomen, en was thans ijverig bezig met een breed schild van ongewone grootte, en met stalen platen belegd, dat Richard dikwijls gebruikte bij het verkennen of bestormen van versterkte plaatsen, als eene krachtiger bescherming tegen werpspiesen, dan het smalle driehoekige schild, dat te paard gebruikt werd. Dit schild droeg noch de koninklijke leeuwen van Engeland noch eenig ander teeken, om niet de aandacht van de verdedigers der muren, waartegen het gebruikt werd, te trekken; de zorg van den wapensmid had zich daarom bepaald om de oppervlakte ervan zoo helder als kristal te doen schitteren, en hierin scheen hij bijzonder geslaagd te zijn. Naast den Nubiër, en nauwelijks zichtbaar van buiten, lag de groote hond, die zijn medeslaaf kon genoemd worden, en die als het ware beschroomd was nu hij een koninklijken eigenaar had gekregen. Hij lag dicht aan de zijde van den stomme, met kop en ooren op den grond, en zijne pooten en staart gebogen en onder zich getrokken.Terwijl de monarch en zijn nieuwe dienaar aldus bezig waren, trad een nieuw medespeler op het tooneel, en mengde zich onder den troep Engelsche landslieden, van wie ongeveer een twintigtal, uit achting voor de niet gewone peinzende en zwijgende houding van hun Koning, tegen hunne gewoonte in, stilte wacht vóór zijne tent hielden. Die wacht was echter niet waakzamer dan gewoonlijk. Eenigen van hen speelden hazard met keisteentjes, anderen fluisterden met elkander over den naderenden strijd, en verscheidenen van hen lagen te slapen, hunne half gekleede lichamen in hunne groene mantels gewikkeld.Tusschen deze zorglooze wachters door gleed de onaanzienlijke gestalte van een kleinen ouden Turk, armoedig gekleed, gelijk een marabout of santon van de woestijn, eene soort van dwepers, die zich somtijds in de legerplaats der kruisvaarders waagden, ofschoon zij altijd met verachting, en somtijds met geweld behandeld werden. De weelde en ongebonden toegevendheid der Christen aanvoerders had dan ook in hunne tenten een bonten samenloop gelokt van muzikanten, kunstemakers en Joodsche kooplieden, Kopten, Turken en allerlei uitvaagsel der Oostersche natiën, zoodat de kaftan en de tulband volstrekt geen ongewone verschijning in de legerplaats der kruisvaarders waren, ofschoon het duidelijk voornemen van den krijgstocht was, om beide uit het heilige Land te verdrijven. Toen echter de kleine, onbeduidende gestalte, die wij beschreven hebben, zoo nabij kwam, dat hij eenige belemmering van de wacht ontmoette, wierp hij zijn morsigen groenen tulband van het hoofd, toonde, dat zijn baard en zijne wenkbrauwen geschoren waren, als die van een narvan beroep, en dat de uitdrukking van zijne zonderlinge en verweerde trekken, zoowel als van zijne kleine zwarte oogen, die schitterden als gitten, getuigden van een kranken geest.„Dans, marabout,” riepen de soldaten, bekend met de zeden van deze zwervende dwepers—„dans, of wij zullen u met onze boogstangen geeselen, totdat gij u ronddraait als een tol.”—Zoo schreeuwden de onbarmhartige wachten, even verheugd een voorwerp tot plagen te hebben, als een kind, als het een vlinder vangt, of een schooljongen, als hij een vogelnest ontdekt.De marabout scheen gelukkig, hun genoegen te kunnen geven; hij sprong van den grond op, en draaide duizelingwekkend voor hen rond met eene ongekende behendigheid. Dit deed hem, in verband met zijn ellendig en uitgeteerd voorkomen, en zijne kleine gestalte op een verdord blad gelijken, dat naar welgevallen door een winterstorm wordt rondgeslingerd. Zijn enkele bos haar vloog opwaarts van zijn kaal geschoren hoofd, alsof geesten hem daarbij staande hielden, en inderdaad scheen het of eene bovennatuurlijke kunst noodig was tot de uitvoering van den wilden wervel dans, waarbij men nauwelijks de punten van de teenen des dansers den grond zag raken. Onder de rondzwervingen van zijne kunstvertooning vloog hij her- en derwaarts, van de eene plek naar de andere, terwijl hij intusschen, ofschoon bijna onmerkbaar, den ingang van de koninklijke tent naderde, zoodat, toen hij eindelijk uitgeput ter aarde zonk, na twee of drie sprongen, die nog hooger waren dan die, welke hij tot nog toe had gemaakt, hij niet meer dan dertig meter van den persoon des Konings was verwijderd.„Geef hem water,” zeide de eene soldaat; „zij begeeren altijd een dronk na hun luchtigen dans.”„Ei, water, zegt gij, Lange Allen?—” riep een ander boogschutter tot antwoord; „hoe zoudt gij zelf zulk een drank vinden na zulk een dans?”„Ik mag des duivels zijn, als hij hier een droppel water krijgt,” zeide een derde. „Wij zullen den ouden ongeloovige met zijn lichte voeten leeren, een goed Christen te worden en Cyprus wijn te drinken.”„Ja, ja,” zeide een vierde; „en als hij koppig is, haal dan den horen van Dick Hunter, waarmede hij zijne merrie drenkt.”Een kring vormde zich oogenblikkelijk rondom den liggenden en uitgeputten dervisch, en terwijl een krachtig krijgsman zijn zwak lichaam van den grond opbeurde, bood een ander hem eene groote flesch wijn aan. De oude man, die niet in staat was om te spreken, schudde met het hoofd, en wees met de hand den door den Profeet verboden drank af; maar zijne kwelgeesten waren niet op die wijze te bevredigen.„De horen, de horen!” riep een. „Er is weinig verschil tusschen een Turk en een Turksch paard, en wij willen hem als zoodanig behandelen.”„Bij St. George, gij zult hem doen stikken!” zeide Lange Allen;„en bovendien is het eene zonde aan een heidenschen hond zoo veel wijn weg te werpen, als een goed Christen voor een drievoudige nachtdronk zou dienen.”„Gij kent den aard van deze Turken en heidenen niet, Lange Allen.” hernam Hendrik Woodstall;„ik zeg u, man, dat deze flesch Cypruswijn zijne hersens aan het draaien zal brengen, juist in de tegenovergestelde richting, als zij onder het dansen dwarrelden, en hem op die manier, als het ware, weder tot zich zelven zal brengen.—Stikken? Hij zal er niet meer van stikken, als Benjamins zwarte teef van het pond boter.”„En het hem te misgunnen,” zeide Thomalin Blacklees, „waarom zoudt gij den armen heidenschen duivel een droppel drinken op aarde misgunnen, daar gij weet, dat hij geen droppel zal krijgen, om de punt van zijn tong te verkoelen gedurende eene lange eeuwigheid.”„Dat zouden harde wetten zijn, ziet gij,” zeide Lange Allen, „alleen omdat hij een Turk is, zoo als zijn vader vóór hem was. Ware hij van een Christen heiden geworden, dan stem ik u toe, dat de heetste hoek een goed kwartier voor hem geweest was.”„Houd je stil, Lange Allen,” zeide Hendrik Woodstall, „ik zeg je, dat je tong niet het kortste lid van je is, en ik voorspel dat die je in ongenade zal brengen bij vader Franciscus, zoo als eens bij de zwartoogige Syrische meid.—Maar hier komt de horen.—Werk een weinig mede, man, wilt gij, breek hem de tanden met het hecht van uw kleinen dolk open.”„Kijk! Kijk!—hij schikt er zich in,” zeide Thomalin; „zie, zie, hij geeft een teeken voor den beker—maak ruimte jongens. „Op is het,” zegt de Hollander—dat gaat naar binnen als zoet bier! Ja het zijn ware zuipers, als zij beginnen—een Turk hoest nooit bij zijn beker, en kent geen maat bij zijn drank.”Werkelijk dronk de dervisch, of wat hij dan ook was, de groote flesch in een teug tot op den bodem leeg, of scheen die tenminste uit te drinken, en toen hij die van zijn lippen nam, nadat de geheele inhoud geledigd was, sprak hij slechts de woorden „Allah Kerim”, God is barmhartig, uit. Er ontstond zulk een luidruchtig gelach onder de landlieden, die dezen meesterdronk zagen, dat des Konings aandacht opgewekt werd en hij toornig zijn vinger opheffend, zeide: „Hoe, schurken, is er geene achting, geen tucht?”Alle zwegen plotseling stil, daar zij het karakter van Richard wel kenden, die op sommige tijden veel militaire gemeenzaamheid toeliet, en op andere tijden de stipste tucht vorderde, ofschoon de laatste stemming veel zeldzamer voorkwam. Zij haastten zich om op verderen afstand van den persoon des konings zich te verwijderen, en trachtten den marabout met zich te trekken, die, waarschijnlijk door voorafgaande vermoeienis afgemat, of door den machtigen dronk, dien hij zooeven verzwolgen had, overmand, zich door worstelen en steunen er zich tegen verzette, om van de plaats gebracht te worden.„Laat hem stil liggen, gekken,” fluisterde Lange Allen zijne makkers toe. „Bij St. Christoffel, gij zult onzen Richard driftig maken, en zijn dolk zal zoo dadelijk naar onze koppen geslingerd worden. Laat hem liggen, binnen een minuut zal hij slapen als een marmot.”Op hetzelfde oogenblik wierp de monarch eene tweede ongeduldigen blik naar de plek, en allen verwijderden zich in haast, den dervisch op den grond latende, die, naar het scheen, niet in staat was, om eene enkele lid van zijn lichaam te verroeren. Een oogenblik daarna was alles zoo stil en rustig, als het vóór de komst van den Turk geweest was.

HOOFDSTUK XX.Als de leeuw, in de wetten der schoonheid gevangenDeemoedig den kop buigt, zijn manen laat hangenZijn klauw zijne macht op den vijand verzaakt,Wordt Hercules knots tot een spinrok gemaaktEn spint hij terwil van Omphale.Anonymus

Als de leeuw, in de wetten der schoonheid gevangenDeemoedig den kop buigt, zijn manen laat hangenZijn klauw zijne macht op den vijand verzaakt,Wordt Hercules knots tot een spinrok gemaaktEn spint hij terwil van Omphale.Anonymus

Als de leeuw, in de wetten der schoonheid gevangenDeemoedig den kop buigt, zijn manen laat hangenZijn klauw zijne macht op den vijand verzaakt,Wordt Hercules knots tot een spinrok gemaaktEn spint hij terwil van Omphale.

Als de leeuw, in de wetten der schoonheid gevangen

Deemoedig den kop buigt, zijn manen laat hangen

Zijn klauw zijne macht op den vijand verzaakt,

Wordt Hercules knots tot een spinrok gemaakt

En spint hij terwil van Omphale.

Anonymus

Toen Richard, die, zonder het te vermoeden, het voorwerp was van het zwarte verraad, dat wij aan het einde van het vorige hoofdstuk verhaald hebben, voor het oogenblik althans, de zegepralende vereeniging van de ten kruistocht getrokken vorsten bewerkstelligd had, ten einde den oorlog met kracht voort te zetten, was zijne eerste zorg om de rust in zijn eigen huisgezin te herstellen. Nu hij bedaarder kon oordeelen, wilde hij nauwkeurig de omstandigheden onderzoeken, die tot het verlies van zijne banier aanleiding gegeven hadden, alsmede den aard en de mate van verstandhouding tusschen zijne bloedverwante Edith en den verbannen Schotschen avonturier.Met dit doel werden de Koningin en hare hofdames door een bezoek van sir Thomas de Vaux verschrikt, die verzocht, dat lady Calista van Montgaillard, de eerste kamerdame der Koningin, terstond bij Koning Richard zou verschijnen.„Wat zal ik zeggen, Mevrouw?” vroeg de sidderende freule de Koningin. „Hij zal ons allen vermoorden.”„Vrees niet freule,” antwoordde de Vaux. „Zijne Majesteit heeft het leven van den grootsten beleediger, den Schotschen ridder, gespaard en hem aan den Moorschen geneesheer ten geschenke gegeven—hij zal niet streng jegens eene dame zijn, al heeft zij ook een misslag begaan.”„Bedenk eenig listig verhaal meisje,” zeide Berengaria. „Mijn gemaal heeft te weinig tijd, om onderzoek naar de waarheid te doen.”„Verhaal het voorval, zoo als het werkelijk geschied is,” zeide Edith, „of ik verhaal het voor u.”„Met de genadige toestemming van Uwe Majesteit,” hernam de Vaux, „mij dunkt lady Edith geeft een goeden raad; want ofschoon Koning Richard wel wil gelooven, al wat uwe Genade behaagt hem te zeggen, betwijfel ik het toch, of hij dezelfde inschikkelijkheid voor lady Calista zal hebben, en inzonderheid in deze zaak.”„Mylord van Gilsland heeft gelijk,” hervatte lady Calista, zeer ongerust over het onderzoek, dat plaats zou hebben; „en bovendien, al had ik tegenwoordigheid van geest om eene waarschijnlijke geschiedenis te smeden, toch zou ik, op mijn woord, den moed niet hebben, om die te verhalen.”In deze oprechte stemming werd lady Calista door de Vaux naar den Koning geleid, en hier legde zij, zoo als zij zich had voorgenomen, eene volledige bekentenis af omtrent het middel waardoor de ongelukkigen ridder van den Luipaard overgehaald was, om zijn post te verlaten. Zij verontschuldigde lady Edith, die, zoo als zij wel begreep, niet in gebreke zou blijven zich zelve te verschoonen, en legde den vollen last op de Koningin, hare meesteres, wier deel in de grap, zoo als zij wel wist, het meest vergeeflijk in de oogen van Leeuwenhart zou schijnen. Inderdaad was Richard een liefhebbend, ja bijna een verwijfd echtgenoot. De eerste uitbarsting van zijne gramschap was sinds lang voorbij, en hij was niet genegen om streng te berispen, wat niet meer veranderd kon worden. De listige lady Calista, die van hare vroegste kindsheid af gewoon was om de intriges van een hof op te diepen, en de blijken van den wil van een vorst gade te slaan, ijlde met de snelheid van een kieviet naar de Koningin terug, belast met des Konings bevelen, dat zij weldra een bezoek van hem te verwachten had. Hierbij voegde de hofdame een verklaring, op hare eigen opmerking gegrond, strekkende, om aan te toonen, dat Richard juist zoo veel gestrengheid wenschte te behouden, dat het zijne koninklijke gemalin tot berouw over hare scherts kon brengen, en dan zijne genadige vergiffenis uit te strekken over haar en alle, die daaraan deel genomen hadden.„Waait de wind uit dien hoek, meisje,” riep de Koningin, door deze boodschap vrij wat verlicht, „geloof mij, dat, hoe groot veldheer Richard ook is, hij het moeilijk zal vinden, om ons in deze zaak schrik aan te jagen; en dat, zoo als de herders in de Pyreneën van mijn vaderland gewoon zijn te zeggen, menig een om de wol komt, en geschoren weder heen gaat.”Koningin Berengaria, na zich van al hetgeen Calista haar zeggen kon, op de hoogte te hebben gesteld, kleedde zich in het gewaad, dat haar het best stond, en wachtte met vertrouwen de komst van den heldhaftigen Richard af.Hij kwam en bevond zich in den toestand van een vorst, die in een gewest komt, dat hem beleedigd heeft, in het vertrouwen, dat hij slechts een verwijt zal behoeven uit te spreken, en de betuiging van zijne onderwerping te ontvangen, wanneer hij het onverwacht in een toestand van volkomen wantrouwen en oproer vindt. Berengaria kende zeer goed de macht van hare bekoorlijkheden, en de grootheid van Richard’s liefde, en zij was zeker, dat zij een goed verdrag sluiten zou, zoodra de eerste vreeselijke uitbarsting van zijn toorn zonder nadeel zou doorstaan zijn. Wel verre van te luisteren naar het voorgenomen verwijt van den Koning, dat de lichtvaardigheid van haar gedrag met recht verdiend had, verontschuldigde, ja verdedigde zij zelfs, als eene onschuldige grap, de daad waarvan zij beschuldigd werd. Zij ontkende inderdaad, met vele fraaie wendingen, dat zij Nebectamus bepaald bevolen had, om den ridder verder te lokken dan tot den rand van den heuvel, waarop hij de wacht hield—en dit was ook inderdaad in zoo ver waar, dat zij niet voornemens geweest was, om sir Kenneth in hare tent te doen brengen.—Was zij reeds welsprekend in het voordragen van hare verdediging, de Koningin was dit nog veel meer, toen zij Richard onvriendelijkheid ten laste legde, omdat hij haar zulk een gering geschenk, als het leven van een ongelukkigen ridder geweigerd had, die, door hare ondoordachte grap, aan de straf van de krijgswet was blootgesteld. Zij weende en snikte, terwijl zij over de hardnekkigheid van haar gemaal in dit opzicht uitweidde, als eene gestrengheid, die haar voor haar geheele leven ongelukkig zou hebben gemaakt, zoo dikwijls zij er aan denken zou, dat zij onopzettelijk van verre de aanleidende oorzaak tot zulk een treurspel gegeven had. Het gezicht van het vermoorde slachtoffer zou haar in hare droomen beangstigd hebben—zelfs kon, voor zoo ver zij wist, daar zulke dingen dikwijls gebeurden, terwijl zij waakte, zijn geest wezenlijk bij hare sponde gestaan hebben. Aan al deze kwellingen des gemoeds was zij alleen blootgesteld door de gestrengheid van een man, die, terwijl hij voorgaf door haar minsten blik betooverd te worden, eene daad van ellendige wraak niet wilde nalaten, al moest de uitslag haar dan ook ongelukkig maken.Deze geheele stroom van vrouwelijke welsprekendheid ging met de gewone argumenten van tranen en zuchten gepaard, en werd op zulk een toon en met zulke gebaren geuit, dat zij schenen te bewijzen,dat de gramschap van de Koningin noch uit hoogmoed noch uit kwade luim sproot, maar uit het gekrenkt gevoel, dat zij door haar echtgenoot minder werd geschat, dan zij verwacht had.De goede Koning Richard was in de hoogste mate verlegen. Hij trachtte te vergeefs met eene vrouw te redeneeren, die zooveel van hem hield, dat zij niet in staat was, om naar bewijzen te luisteren. Ook kon hij niet over zich verkrijgen om zijn wettig gezag te doen gelden tegen zulk een schoon wezen, bij haar onverstandig misnoegen. Hij werd daarom genoodzaakt, verdedigender wijze te werk te gaan; hij trachtte door zachte woorden haar achterdocht uit den weg te ruimen, en haar ongenoegen tot kalmte te brengen, en herinnerde haar, dat zij niet op het verledene met gedachten van berouw of bovenmatige vrees behoefde terug te zien, daar sir Kenneth leefde en behouden was, en hij hem aan den grooten Arabischen geneesheer geschonken had, die zeker beter dan eenig mensch zou weten hem in het leven te houden. Maar dit scheen de felste wonde van allen, en de smart der Koningin werd vernieuwd door het denkbeeld, dat een Sarraceen—een geneesheer—een geschenk ontvangen had, waarvoor zij blootshoofds en met gebogen knie haar gemaal te vergeefs gesmeekt had. Bij deze nieuwe beschuldiging begon Richard bijna het geduld te verliezen, en hij zeide op ernstigen toon: „Berengaria, die geneesheer redde mij het leven. Zoo dit van eenige waarde in uwe oogen is, zult gij hem de eenige belooning niet benijden, die ik hem bewegen kon aan te nemen.”De Koningin was bevredigd, daar zij haar misnoegen tot op de uiterste grenzen van hare veiligheid gedreven had.„Mijn Richard,” zeide zij, „waarom hebt gij dien wijzen man niet bij mij gebracht, opdat Engeland’s Koningin toonen kon, hoe zij den man achtte, die de lamp der ridderschap, den roem van Engeland en het licht van het leven en de hoop der arme Berengaria van den dood kon redden?”Hiermede was de huwelijkstwist ten einde; maar opdat de gerechtigheid toch voldaan zou worden, kwamen de Koning en de Koningin overeen, om de geheele schuld op den bode Nebectamus te leggen, die—daar de Koningin zijne grappen moede begon te worden—met zijne koninklijke echtgenoote Guenevra veroordeeld werd, om van het hof verbannen te worden. De ongelukkige dwerg ontging eene andere kastijding alleen door de verzekering der Koningin, dat hij reeds eene lichamelijke straf ondergaan had. Er werd verder besloten, dat, daar er binnen kort een afgevaardigde van den raad, om de vijandelijkheden te hervatten, zoodra de wapenstilstand ten einde was, en Richard voornemens was den Sultan een geschenk van waarde te zenden, uit erkentelijkheid voor de hooge weldaad, die hij van de diensten van El Hakim ontvangen had, de twee ongelukkige schepsels als rariteiten daarbij gevoegd zouden worden. En inderdaad waren zij door hun zeer zonderling voorkomen en den treurigen toestand van hun verstand,geschenken, die zeer wel door den eenen vorst aan den anderen konden gedaan worden.Richard had dien dag nog een anderen vrouwelijken storm te doorstaan; maar hij ging dien in vergelijking met den vorigen met onverschilligheid te gemoet. Want mocht Edith schoon zijn en door haren koninklijken bloedverwant hoog geschat worden,—ja, had zij door zijne onrechtvaardige vermoedens inderdaad de beleediging geleden, waarover Berengaria slechts veinsde te klagen, zij was noch Richard’s gemalin noch zijne beminde, en hij vreesde hare verwijten, ofschoon op rede gegrond, minder dan die der Koningin, al waren deze onrechtvaardig en hersenschimmig. Toen hij haar het verzoek had doen toekomen, om haar alleen te spreken, werd hij in haar vertrek geleid, aan dat der Koningin grenzende, terwijl twee Koptische slavinnen gedurende de bijeenkomst in den uitersten hoek op hare knieën bleven liggen. Een dunne zwarte sluier hulde in zijne ruime plooi de ranke en schoone gedaante der hooggeboren maagd, en zij droeg geen vrouwelijk sieraad van welken aard ook. Zij stond op en maakte een diepe neiging, toen Richard binnentrad, daarop hernam zij hare plaats op zijn bevel, en wachtte, toen hij zich naast haar neergezet had, zonder een woord te uiten, totdat hij haar daartoe verlof zou geven.Richard, wiens gewoonte het was, vertrouwelijk met Edith te zijn, zoo als hunne bloedverwantschap medebracht, voelde dat deze ontvangst koel was, en opende het gesprek met eenige verlegenheid.„Onze schoone nicht,” zeide hij eindelijk, „is boos op ons; en wij bekennen, dat ernstige omstandigheden ons bewogen hebben, om haar, zonder grond, van een daad te verdenken, die geheel in strijd was met het gedrag haar leven lang door haar gevolgd. Maar zoo lang wij in dit nevelig dal der menschheid wandelen, zullen wij schaduwen voor wezenlijke dingen houden. Kan mijne schoone nicht haar eenigszins heftigen bloedverwant, Richard, niet vergeven?”„Wie kan vergeving aan Richard weigeren,” antwoordde Edith, „als Richard vergiffenis van denKoningkan krijgen?”„Kom, nicht,” hernam Leeuwenhart, „dit is alles te plechtstatig. Bij onze heilige Maagd, zulk een droefgeestig gelaat!—En deze ruime zwarte sluier zou de menschen doen denken, dat gij eerst onlangs weduwe geworden waart, of ten minste een verloofde verloren hadt. Schep moed—gij hebt zeker gehoord, dat er geene wezenlijke reden tot droefheid is.—Waarom draagt gij dan het kleed van rouw?”„Voor de verloren eer van Plantagenet—voor den roem, die het huis mijns vaders verlaten heeft.”Richard fronste het voorhoofd. „Verloren eer! Roem, die het huis mijns vaders verlaten heeft!”—herhaalde hij toornig;„maar onze nicht Edith heeft een vrijbrief. Ik heb haar te haastig beoordeeld; zij heeft derhalve een recht om zeer streng over mij te oordeelen. Maar zeg mij ten minste; waarin ik gefeild heb.”„Plantagenet,” antwoordde Edith, „moest eene beleediging vergevenof gestraft hebben. Het past hem niet vrije mannen, Christenen en dappere ridders tot de boeien der ongeloovigen te veroordeelen. Het past hem niet, het leven bij verdrag te schenken of te verruilen tegen het verlies der vrijheid. Den ongelukkige ter dood veroordeeld te hebben, kon gestrengheid geweest zijn, maar het had nog een zweem van gerechtigheid gehad; hem tot slavernij en ballingschap te verwijzen, was bepaalde dwingelandij.”„Ik zie, lieve nicht,” hervatte Richard, „dat gij eene van die schoonen zijt, die een afgewezen minnaar met geen of met een doode gelijk stellen. Heb geduld; een tiental lichte ruiters kunnen hem nog volgen en de dwaling goed maken, zoo uw minnaar nog een of ander geheim in bewaring heeft, dat zijn dood wenschelijker mocht maken dan zijne verbanning.”„Zwijg met uwe laffe scherts!” hernam Edith, hoog blozende.—„Bedenk veeleer, dat gij, om uwe blinde drift voldoening te geven, een gezond lid van deze groote onderneming afgesneden, het kruis van een zijner dapperste verdedigers beroofd, en een dienaar van den waren God in de handen der Heidenen geleverd hebt; dat gij aan gemoederen, die even kwaaddenkend, als gij het uwe bij deze gelegenheid getoond hebt, eenig recht hebt gegeven, om te zeggen, dat Richard Leeuwenhart den dappersten krijgsman uit zijn leger verbannen heeft, uit vrees dat die naam in den slag den zijnen mocht evenaren.”„Ik—ik!” riep Richard, nu inderdaad zeer ontroerd—„ben ik de man er naar, om ijverzuchtig op roem te zijn?—Ik wilde, dat hij hier ware, om zulk eene verzekering tegen mij vol te houden. Ik zou rang en kroon er aan geven, en hem als man in het strijdperk ontmoeten, opdat het blijken mocht, of Richard Plantagenet reden had de dapperheid van een sterveling te vreezen of te benijden. Kom, Edith, gij denkt niet, zooals gij spreekt. Laat toorn of verdriet over de afwezigheid van uw minnaar u niet onbillijk maken jegens uw bloedverwant, die, in weerwil van uw grilligheid, uwe goedkeuring evenhoog schatals die van eenig mensch ter wereld.”„De afwezigheid van mijn minnaar?” herhaalde lady Edith. „Maar ja—hij mag wel mijn minnaar genoemd worden, daar hij dien naam zoo duur betaald heeft. Hoe onwaardig ik die hulde ook was, toch was ik voor hem, als een licht, dat hem voorwaarts leidde op het pad der ridderschap; maar dat ik mijn rang vergat, of dat hij zijne eerzucht boven den zijnen verhief, dit is valsch, al zeide het ook een Koning.”„Lieve nicht”, antwoordde Richard, „leg mij geen woorden in den mond, die ik niet gesproken heb. Ik zeide niet, dat gij dezen man meer gunst hadt bewezen dan een goed ridder oogsten mag, zelfs van eene prinses, welke dan ook zijn afkomst zij. Maar bij onze lieve Vrouw, ik weet iets van de hoop der liefde—zij begint met stommen eerbied en verwijderde betuiging van achting; maar, wanneer de gelegenheden zich opdoen, neemt de vertrouwelijkheid toe, en zoo …. maar het baat niet met iemand te spreken, die zich wijzer acht dan de geheele wereld.”„Ik luister gaarne naar den raad van mijn bloedverwant,” hervatte Edith, „wanneer deze geene beleediging voor mijn rang en mijn karakter bevat.”„Koningen, schoone nicht, raden niet, maar bevelen veeleer,” hernam Richard.„Sultans bevelen, zeker,” zeide Edith, „maar het is, omdat zij over slaven heerschen.”„Nu, gij kondt wel leeren, deze minachting van het Sultanschap af te leggen, daar gij zoo veel van een Schot houdt,” antwoordde de Koning. „Ik houdt Saladin voor getrouwer aan zijn woord, dan dien Willem van Schotland, die bepaald een Leeuw moet genoemd worden;—hij heeft mij valschelijk bedrogen, door mij de beloofde hulptroepen niet te zenden. Laat ik u zeggen, Edith, gij kunt nog beleven, dat gij de voorkeur geeft aan een getrouwen Turk boven een valschen Schot.”„Neen—nooit,” hernam Edith—„Richard zelf zou den valschen godsdienst niet aannemen, tot welks verdelging uit Palestina hij over de zee getrokken is.”„Gij wilt het laatste woord hebben,” hervatte Richard, „en gij zult het hebben. Denk van mij wat gij wilt, lieve Edith. Ik zal niet vergeten, dat uw vader mijn broeder was.”Dit zeggende nam hij beleefd afscheid van haar, maar zeer weinig voldaan over den uitslag van zijn bezoek.Het was de vierde dag, nadat sir Kenneth uit het leger was ontslagen, en Koning Richard zat in zijne tent, eene westelijke avondkoelte genietende, die met ongewone frischheid op haar wieken, uit het vroolijke Engeland scheen over te waaien tot verfrissching van zijn avontuurlijken monarch, terwijl hij geleidelijk de volle kracht terugkreeg, die noodig was om zijn reusachtig plan ten uitvoer te brengen. Er was geen mensch bij hem, daar de Vaux naar Ascalon was gezonden, om versterking en nieuwen voorraad van krijgsbehoeften te halen, en de meeste van zijn overige volgelingen in verscheidene betrekkingen bezig waren, daar allen zich voorbereidden op de naderende heropening der vijandelijkheden, en voor eene groote daaraan voorafgaande wapenschouwing van het leger der kruisvaarders, welke den volgenden dag plaats zou hebben. De Koning zat te luisteren naar het bedrijvig gedruisch der soldaten, het gekletter uit de smederijen, waar de hoefijzers gemaakt werden, en uit de tenten der wapensmeden die de wapenrustingen herstelden. De stem der soldaten was onder het heen- en weergaan luid en vroolijk, en getuigde van hoogen en opgewekten moed, en een voorteeken van naderende overwinning. Terwijl Richard deze tonen met genot inzwolg en zich overgaf aan de vizioenen van verovering en roem, die ze opleverden, zeide hem een stalbediende, dat er buiten een bode van Saladin stond.„Laat hem dadelijk binnen,” sprak de Koning, „en met verschuldigde eer, Joseline.”De Engelsche ridder voerde daarop een man binnen, die, naarhet scheen, van geen hoogeren rang scheen, dan een Nubischen slaaf, wiens voorkomen echter hoogst belangwekkend was. Hij was van eene prachtige gestalte en edel gevormd, en zijn trotsche trekken, ofschoon bijna gitzwart, herinnerden in niets aan eene Neger-afkomst. Hij droeg over zijne koolzwarte lokken een sneeuwwitten tulband, en over zijn schouders een korten mantel van dezelfde kleur, open van voren en bij de mouwen, waaronder een wambuis van bereide luipaarden-huid te voorschijn kwam, dat een handbreed boven de knie reikte. Het overige van zijne gespierde leden, zoowel beenen als armen, was bloot, behalve dat hij sandalen aan de voeten, en een halsband en armbanden van zilver had. Een recht, breed zwaard met een gevest van ebbenhout, en eene scheede, die met eene slangenhuid bekleed was, hing om zijn middel. In zijne rechterhand hield hij eene korte werpspies, met eenen breeden, stalen kop, eene span lang, en in zijne linker leidde hij aan eene snoer van zijde en goud gevlochten, een grooten, edelen jachthond.De bode boog zich, terzelfder tijd zijne schouders tot een teeken van vernedering gedeeltelijk ontblootende. Na den grond met zijn voorhoofd aangeraakt te hebben, stond hij zoover op, dat hij op de eene knie rustte, terwijl hij den Koning een zijden doek overhandigde, waarin een andere van goudlaken was gewikkeld. Deze bevatte een brief van Saladin in het oorspronkelijke Arabisch, met eene vertaling in het Normandisch-Engelsch, die aldus in de hedendaagsche taal kan overgebracht worden:„Saladin, Koning der Koningen, aan Melec Ric, den Leeuw van Engeland. Doordien wij door uwe laatste boodschap kennis hebben bekomen, dat gij den oorlog boven den vrede verkozen hebt, en onzevijandschap boven onze vriendschap, zoo houden wij u voor verblind in deze zaak, en vertrouwen u spoedig van uwe dwaling te overtuigen, door de hulp van onze onoverwinlijke macht van de duizend stemmen, wanneer Mahomed, de Profeet van God, en Allah, de God van den Profeet, den twist tusschen ons zullen beslissen. Voor het overige schatten wij u hoog, alsmede de giften, die gij ons gezonden hebt, en vooral de twee dwergen, zonderling in hunne mismaaktheid als Esophus, en vroolijk als de luit van Isaäk. En tot vergelding van deze blijken uit de schatkamer van uwe goedheid, hebben wij u een Nubischen slaaf, Zohauk genaamd, gezonden, dien gij niet naar zijne kleur beoordeelen moet, op de wijze van de dwazen der aarde, aangezien de vruchten met zware schil de heerlijkste geur hebben. Verneem, dat hij sterk is, om den wil van zijn meester te volvoeren, gelijk Rustan van Zablestan; ook is hij wijs in het geven van raad, wanneer gij leeren zult, om verkeering met hem te hebben, want de Heer der spraak heeft hem met stilzwijgen getroffen tusschen de ivoren muren van zijn gehemelte. Wij bevelen hem aan uwe zorg, hopende, dat het uur niet ver af moge zijn, dat hij u een goeden dienst bewijst. En hiermede zeggen wij u vaarwel; vertrouwende, dat onze allerheiligste Profeet u nog tot het aanschouwen der waarheid zal roepen. En zoo deze verlichting niet mocht komen, dan is onze wensch voor het spoedig herstel van uwe koninklijke gezondheid, opdat Allah tusschen u en ons op een open terrein moge beslissen.”De brief was door de onderteekening en het zegel van den Sultan bekrachtigd.Richard wierp een zwijgenden blik op den Nubiër, die vóór hem stond, met de oogen op den grond geslagen, de armen over zijne borst gekruist, met het voorkomen van een zwart marmeren standbeeld van het uitgezochtste maaksel, het leven van de aanraking van een Prometheus verbiedende. De Koning van Engeland, die, zoo als men nadrukkelijk van zijn opvolger, Hendrik VIII, zeide, gaarne eenmanmocht aanzien, vond veel behagen in de spieren, zenuwen en geëvenredigden bouw van den man, dien hij thans beschouwde, en vroeg hem in deLingua Franca: „Zijt gij een Heiden?”De slaaf schudde het hoofd, en zijn vinger aan zijn voorhoofd brengende, maakte hij een kruis ten teeken, dat hij Christen was; daarop hernam hij zijne houding van onbewegelijke nederigheid.„Een Nubisch Christen, zonder twijfel,” zeide Richard, „en van het spraakvermogen beroofd door deze heidensche honden?”De stomme schudde wederom langzaam het hoofd, ten teeken van ontkenning, wees met zijn voorsten vinger naar den Hemel, en legde dien toen op zijn lippen.„Ik versta u,” zeide Richard, „gij lijdt onder de straf van God, en niet door de wreedheid der menschen. Kunt gij eene wapenrusting en een zwaardriem schoon maken, en in tijd van nood toegespen?”De stomme knikte, en naar den maliënkolder stappende, welke met het schild en den helm van den ridderlijken monarch, aan een pilaarvan de tent hing, behandelde hij deze voorwerpen met zulk eene netheid en zoo behendig, dat genoegzaam bleek, dat hij het werk van een wapendienaar volkomen verstond.„Gij zijt een handige knaap,” zeide de Koning, „en gij zult zeker van nut zijn—gij zult in mijne kamer en bij mijn persoon de wacht houden, als een bewijs, hoe hoog ik de gift van den koninklijken sultan schat. Indien gij geen tong hebt, volgt daaruit, dat gij geene vertelsels kunt overbrengen, en mij ook niet in drift zult doen ontsteken door een niet passend antwoord.”De Nubiër boog zich andermaal, zóódat zijn voorhoofd de aarde aanraakte, en bleef toen rechtop staan op eenige schreden afstand, alsof hij op de bevelen van zijn nieuwen meester wachtte.„Nu, gij zult uw dienst dadelijk beginnen,” zeide Richard, „want ik zie een vlek roest op dat schilt schemeren; en wanneer ik het in het gelaat van Saladin zwaai, moet het schitterend en onbezoedeld zijn, gelijk de eer zelve van den Sultan.”Er werd buiten op een horen geblazen, en dadelijk daarop kwam sir Henry Neville met eenige dépêches binnen.—„Van Engeland, Mylord,” zeide hij bij het overhandigen.„Van Engeland—ons eigen Engeland!” antwoordde Richard op een toon van droefgeestige verrukking.—„Helaas! zij denken er weinig aan, hoeveel hun vorst door ziekte en smart te lijden heeft gehad—flauwe vrienden en stoute vijanden.” Toen, de dépêches openende, zeide hij haastig: „Ha! dat komt uit geen vreedzaam land—zij hebben ook hunne twisten.—Neville, ga heen.—Ik moet deze tijdingen alleen en op mijn gemak doorlezen.”Neville verwijderde zich, en Richard was weldra verdiept in de treurige tijdingen, die hem uit Engeland geworden waren, omtrent de partijschappen, welke zijne erf-Staten verscheurden—de oneenigheid tusschen zijne broeders, Jan en Godfried, en de geschillen van beiden met den opperrichter, Longchamp, bisschop van Ely,—de verdrukking der landlieden door de edelen en het oproer der eersten tegen hunne meesters, wat overal tooneelen van tweedracht, en in sommige gevallen bloedige botsingen veroorzaakt had. Berichten van voorvallen, krenkend voor zijn hoogmoed, en ingrijpend in zijn gezag, waren vermengd met den ernstigen raad van zijne verstandigste en het meest aan hem gehechte raadslieden, dat hij dadelijk naar Engeland moest terugkeeren, daar zijne vertegenwoordigheid het eenige redmiddel was, om het koninkrijk van alle ijselijkheden van een burgeroorlog te redden, waarvan Frankrijk en Schotland waarschijnlijk voordeel zouden trekken. Vervuld met de pijnlijkste vrees, las en herlas Richard de onheilspellende brieven, vergeleek de berichten, die eenige ervan bevatten met dezelfde feiten, verschillend meegedeeld in andere, en hij werd spoedig geheel ongevoelig voor hetgeen rondom hem voorviel, ofschoon hij wegens de koelheid dicht nabij den ingang van zijne tent zat, en de gordijnen had teruggetrokken,zoodat hij zien kon en gezien worden door de wachten en anderen, die buiten stonden.Dieper in de schaduw van de tent en bezig met de taak, die zijn nieuwe meester hem opgedragen had, zat de Nubische slaaf, met den rug naar den Koning gekeerd. Zoo even was hij met het in orde brengen, en polijsten van het borstharnas en ander staalwerk gereed gekomen, en was thans ijverig bezig met een breed schild van ongewone grootte, en met stalen platen belegd, dat Richard dikwijls gebruikte bij het verkennen of bestormen van versterkte plaatsen, als eene krachtiger bescherming tegen werpspiesen, dan het smalle driehoekige schild, dat te paard gebruikt werd. Dit schild droeg noch de koninklijke leeuwen van Engeland noch eenig ander teeken, om niet de aandacht van de verdedigers der muren, waartegen het gebruikt werd, te trekken; de zorg van den wapensmid had zich daarom bepaald om de oppervlakte ervan zoo helder als kristal te doen schitteren, en hierin scheen hij bijzonder geslaagd te zijn. Naast den Nubiër, en nauwelijks zichtbaar van buiten, lag de groote hond, die zijn medeslaaf kon genoemd worden, en die als het ware beschroomd was nu hij een koninklijken eigenaar had gekregen. Hij lag dicht aan de zijde van den stomme, met kop en ooren op den grond, en zijne pooten en staart gebogen en onder zich getrokken.Terwijl de monarch en zijn nieuwe dienaar aldus bezig waren, trad een nieuw medespeler op het tooneel, en mengde zich onder den troep Engelsche landslieden, van wie ongeveer een twintigtal, uit achting voor de niet gewone peinzende en zwijgende houding van hun Koning, tegen hunne gewoonte in, stilte wacht vóór zijne tent hielden. Die wacht was echter niet waakzamer dan gewoonlijk. Eenigen van hen speelden hazard met keisteentjes, anderen fluisterden met elkander over den naderenden strijd, en verscheidenen van hen lagen te slapen, hunne half gekleede lichamen in hunne groene mantels gewikkeld.Tusschen deze zorglooze wachters door gleed de onaanzienlijke gestalte van een kleinen ouden Turk, armoedig gekleed, gelijk een marabout of santon van de woestijn, eene soort van dwepers, die zich somtijds in de legerplaats der kruisvaarders waagden, ofschoon zij altijd met verachting, en somtijds met geweld behandeld werden. De weelde en ongebonden toegevendheid der Christen aanvoerders had dan ook in hunne tenten een bonten samenloop gelokt van muzikanten, kunstemakers en Joodsche kooplieden, Kopten, Turken en allerlei uitvaagsel der Oostersche natiën, zoodat de kaftan en de tulband volstrekt geen ongewone verschijning in de legerplaats der kruisvaarders waren, ofschoon het duidelijk voornemen van den krijgstocht was, om beide uit het heilige Land te verdrijven. Toen echter de kleine, onbeduidende gestalte, die wij beschreven hebben, zoo nabij kwam, dat hij eenige belemmering van de wacht ontmoette, wierp hij zijn morsigen groenen tulband van het hoofd, toonde, dat zijn baard en zijne wenkbrauwen geschoren waren, als die van een narvan beroep, en dat de uitdrukking van zijne zonderlinge en verweerde trekken, zoowel als van zijne kleine zwarte oogen, die schitterden als gitten, getuigden van een kranken geest.„Dans, marabout,” riepen de soldaten, bekend met de zeden van deze zwervende dwepers—„dans, of wij zullen u met onze boogstangen geeselen, totdat gij u ronddraait als een tol.”—Zoo schreeuwden de onbarmhartige wachten, even verheugd een voorwerp tot plagen te hebben, als een kind, als het een vlinder vangt, of een schooljongen, als hij een vogelnest ontdekt.De marabout scheen gelukkig, hun genoegen te kunnen geven; hij sprong van den grond op, en draaide duizelingwekkend voor hen rond met eene ongekende behendigheid. Dit deed hem, in verband met zijn ellendig en uitgeteerd voorkomen, en zijne kleine gestalte op een verdord blad gelijken, dat naar welgevallen door een winterstorm wordt rondgeslingerd. Zijn enkele bos haar vloog opwaarts van zijn kaal geschoren hoofd, alsof geesten hem daarbij staande hielden, en inderdaad scheen het of eene bovennatuurlijke kunst noodig was tot de uitvoering van den wilden wervel dans, waarbij men nauwelijks de punten van de teenen des dansers den grond zag raken. Onder de rondzwervingen van zijne kunstvertooning vloog hij her- en derwaarts, van de eene plek naar de andere, terwijl hij intusschen, ofschoon bijna onmerkbaar, den ingang van de koninklijke tent naderde, zoodat, toen hij eindelijk uitgeput ter aarde zonk, na twee of drie sprongen, die nog hooger waren dan die, welke hij tot nog toe had gemaakt, hij niet meer dan dertig meter van den persoon des Konings was verwijderd.„Geef hem water,” zeide de eene soldaat; „zij begeeren altijd een dronk na hun luchtigen dans.”„Ei, water, zegt gij, Lange Allen?—” riep een ander boogschutter tot antwoord; „hoe zoudt gij zelf zulk een drank vinden na zulk een dans?”„Ik mag des duivels zijn, als hij hier een droppel water krijgt,” zeide een derde. „Wij zullen den ouden ongeloovige met zijn lichte voeten leeren, een goed Christen te worden en Cyprus wijn te drinken.”„Ja, ja,” zeide een vierde; „en als hij koppig is, haal dan den horen van Dick Hunter, waarmede hij zijne merrie drenkt.”Een kring vormde zich oogenblikkelijk rondom den liggenden en uitgeputten dervisch, en terwijl een krachtig krijgsman zijn zwak lichaam van den grond opbeurde, bood een ander hem eene groote flesch wijn aan. De oude man, die niet in staat was om te spreken, schudde met het hoofd, en wees met de hand den door den Profeet verboden drank af; maar zijne kwelgeesten waren niet op die wijze te bevredigen.„De horen, de horen!” riep een. „Er is weinig verschil tusschen een Turk en een Turksch paard, en wij willen hem als zoodanig behandelen.”„Bij St. George, gij zult hem doen stikken!” zeide Lange Allen;„en bovendien is het eene zonde aan een heidenschen hond zoo veel wijn weg te werpen, als een goed Christen voor een drievoudige nachtdronk zou dienen.”„Gij kent den aard van deze Turken en heidenen niet, Lange Allen.” hernam Hendrik Woodstall;„ik zeg u, man, dat deze flesch Cypruswijn zijne hersens aan het draaien zal brengen, juist in de tegenovergestelde richting, als zij onder het dansen dwarrelden, en hem op die manier, als het ware, weder tot zich zelven zal brengen.—Stikken? Hij zal er niet meer van stikken, als Benjamins zwarte teef van het pond boter.”„En het hem te misgunnen,” zeide Thomalin Blacklees, „waarom zoudt gij den armen heidenschen duivel een droppel drinken op aarde misgunnen, daar gij weet, dat hij geen droppel zal krijgen, om de punt van zijn tong te verkoelen gedurende eene lange eeuwigheid.”„Dat zouden harde wetten zijn, ziet gij,” zeide Lange Allen, „alleen omdat hij een Turk is, zoo als zijn vader vóór hem was. Ware hij van een Christen heiden geworden, dan stem ik u toe, dat de heetste hoek een goed kwartier voor hem geweest was.”„Houd je stil, Lange Allen,” zeide Hendrik Woodstall, „ik zeg je, dat je tong niet het kortste lid van je is, en ik voorspel dat die je in ongenade zal brengen bij vader Franciscus, zoo als eens bij de zwartoogige Syrische meid.—Maar hier komt de horen.—Werk een weinig mede, man, wilt gij, breek hem de tanden met het hecht van uw kleinen dolk open.”„Kijk! Kijk!—hij schikt er zich in,” zeide Thomalin; „zie, zie, hij geeft een teeken voor den beker—maak ruimte jongens. „Op is het,” zegt de Hollander—dat gaat naar binnen als zoet bier! Ja het zijn ware zuipers, als zij beginnen—een Turk hoest nooit bij zijn beker, en kent geen maat bij zijn drank.”Werkelijk dronk de dervisch, of wat hij dan ook was, de groote flesch in een teug tot op den bodem leeg, of scheen die tenminste uit te drinken, en toen hij die van zijn lippen nam, nadat de geheele inhoud geledigd was, sprak hij slechts de woorden „Allah Kerim”, God is barmhartig, uit. Er ontstond zulk een luidruchtig gelach onder de landlieden, die dezen meesterdronk zagen, dat des Konings aandacht opgewekt werd en hij toornig zijn vinger opheffend, zeide: „Hoe, schurken, is er geene achting, geen tucht?”Alle zwegen plotseling stil, daar zij het karakter van Richard wel kenden, die op sommige tijden veel militaire gemeenzaamheid toeliet, en op andere tijden de stipste tucht vorderde, ofschoon de laatste stemming veel zeldzamer voorkwam. Zij haastten zich om op verderen afstand van den persoon des konings zich te verwijderen, en trachtten den marabout met zich te trekken, die, waarschijnlijk door voorafgaande vermoeienis afgemat, of door den machtigen dronk, dien hij zooeven verzwolgen had, overmand, zich door worstelen en steunen er zich tegen verzette, om van de plaats gebracht te worden.„Laat hem stil liggen, gekken,” fluisterde Lange Allen zijne makkers toe. „Bij St. Christoffel, gij zult onzen Richard driftig maken, en zijn dolk zal zoo dadelijk naar onze koppen geslingerd worden. Laat hem liggen, binnen een minuut zal hij slapen als een marmot.”Op hetzelfde oogenblik wierp de monarch eene tweede ongeduldigen blik naar de plek, en allen verwijderden zich in haast, den dervisch op den grond latende, die, naar het scheen, niet in staat was, om eene enkele lid van zijn lichaam te verroeren. Een oogenblik daarna was alles zoo stil en rustig, als het vóór de komst van den Turk geweest was.

Toen Richard, die, zonder het te vermoeden, het voorwerp was van het zwarte verraad, dat wij aan het einde van het vorige hoofdstuk verhaald hebben, voor het oogenblik althans, de zegepralende vereeniging van de ten kruistocht getrokken vorsten bewerkstelligd had, ten einde den oorlog met kracht voort te zetten, was zijne eerste zorg om de rust in zijn eigen huisgezin te herstellen. Nu hij bedaarder kon oordeelen, wilde hij nauwkeurig de omstandigheden onderzoeken, die tot het verlies van zijne banier aanleiding gegeven hadden, alsmede den aard en de mate van verstandhouding tusschen zijne bloedverwante Edith en den verbannen Schotschen avonturier.

Met dit doel werden de Koningin en hare hofdames door een bezoek van sir Thomas de Vaux verschrikt, die verzocht, dat lady Calista van Montgaillard, de eerste kamerdame der Koningin, terstond bij Koning Richard zou verschijnen.

„Wat zal ik zeggen, Mevrouw?” vroeg de sidderende freule de Koningin. „Hij zal ons allen vermoorden.”

„Vrees niet freule,” antwoordde de Vaux. „Zijne Majesteit heeft het leven van den grootsten beleediger, den Schotschen ridder, gespaard en hem aan den Moorschen geneesheer ten geschenke gegeven—hij zal niet streng jegens eene dame zijn, al heeft zij ook een misslag begaan.”

„Bedenk eenig listig verhaal meisje,” zeide Berengaria. „Mijn gemaal heeft te weinig tijd, om onderzoek naar de waarheid te doen.”

„Verhaal het voorval, zoo als het werkelijk geschied is,” zeide Edith, „of ik verhaal het voor u.”

„Met de genadige toestemming van Uwe Majesteit,” hernam de Vaux, „mij dunkt lady Edith geeft een goeden raad; want ofschoon Koning Richard wel wil gelooven, al wat uwe Genade behaagt hem te zeggen, betwijfel ik het toch, of hij dezelfde inschikkelijkheid voor lady Calista zal hebben, en inzonderheid in deze zaak.”

„Mylord van Gilsland heeft gelijk,” hervatte lady Calista, zeer ongerust over het onderzoek, dat plaats zou hebben; „en bovendien, al had ik tegenwoordigheid van geest om eene waarschijnlijke geschiedenis te smeden, toch zou ik, op mijn woord, den moed niet hebben, om die te verhalen.”

In deze oprechte stemming werd lady Calista door de Vaux naar den Koning geleid, en hier legde zij, zoo als zij zich had voorgenomen, eene volledige bekentenis af omtrent het middel waardoor de ongelukkigen ridder van den Luipaard overgehaald was, om zijn post te verlaten. Zij verontschuldigde lady Edith, die, zoo als zij wel begreep, niet in gebreke zou blijven zich zelve te verschoonen, en legde den vollen last op de Koningin, hare meesteres, wier deel in de grap, zoo als zij wel wist, het meest vergeeflijk in de oogen van Leeuwenhart zou schijnen. Inderdaad was Richard een liefhebbend, ja bijna een verwijfd echtgenoot. De eerste uitbarsting van zijne gramschap was sinds lang voorbij, en hij was niet genegen om streng te berispen, wat niet meer veranderd kon worden. De listige lady Calista, die van hare vroegste kindsheid af gewoon was om de intriges van een hof op te diepen, en de blijken van den wil van een vorst gade te slaan, ijlde met de snelheid van een kieviet naar de Koningin terug, belast met des Konings bevelen, dat zij weldra een bezoek van hem te verwachten had. Hierbij voegde de hofdame een verklaring, op hare eigen opmerking gegrond, strekkende, om aan te toonen, dat Richard juist zoo veel gestrengheid wenschte te behouden, dat het zijne koninklijke gemalin tot berouw over hare scherts kon brengen, en dan zijne genadige vergiffenis uit te strekken over haar en alle, die daaraan deel genomen hadden.

„Waait de wind uit dien hoek, meisje,” riep de Koningin, door deze boodschap vrij wat verlicht, „geloof mij, dat, hoe groot veldheer Richard ook is, hij het moeilijk zal vinden, om ons in deze zaak schrik aan te jagen; en dat, zoo als de herders in de Pyreneën van mijn vaderland gewoon zijn te zeggen, menig een om de wol komt, en geschoren weder heen gaat.”

Koningin Berengaria, na zich van al hetgeen Calista haar zeggen kon, op de hoogte te hebben gesteld, kleedde zich in het gewaad, dat haar het best stond, en wachtte met vertrouwen de komst van den heldhaftigen Richard af.

Hij kwam en bevond zich in den toestand van een vorst, die in een gewest komt, dat hem beleedigd heeft, in het vertrouwen, dat hij slechts een verwijt zal behoeven uit te spreken, en de betuiging van zijne onderwerping te ontvangen, wanneer hij het onverwacht in een toestand van volkomen wantrouwen en oproer vindt. Berengaria kende zeer goed de macht van hare bekoorlijkheden, en de grootheid van Richard’s liefde, en zij was zeker, dat zij een goed verdrag sluiten zou, zoodra de eerste vreeselijke uitbarsting van zijn toorn zonder nadeel zou doorstaan zijn. Wel verre van te luisteren naar het voorgenomen verwijt van den Koning, dat de lichtvaardigheid van haar gedrag met recht verdiend had, verontschuldigde, ja verdedigde zij zelfs, als eene onschuldige grap, de daad waarvan zij beschuldigd werd. Zij ontkende inderdaad, met vele fraaie wendingen, dat zij Nebectamus bepaald bevolen had, om den ridder verder te lokken dan tot den rand van den heuvel, waarop hij de wacht hield—en dit was ook inderdaad in zoo ver waar, dat zij niet voornemens geweest was, om sir Kenneth in hare tent te doen brengen.—Was zij reeds welsprekend in het voordragen van hare verdediging, de Koningin was dit nog veel meer, toen zij Richard onvriendelijkheid ten laste legde, omdat hij haar zulk een gering geschenk, als het leven van een ongelukkigen ridder geweigerd had, die, door hare ondoordachte grap, aan de straf van de krijgswet was blootgesteld. Zij weende en snikte, terwijl zij over de hardnekkigheid van haar gemaal in dit opzicht uitweidde, als eene gestrengheid, die haar voor haar geheele leven ongelukkig zou hebben gemaakt, zoo dikwijls zij er aan denken zou, dat zij onopzettelijk van verre de aanleidende oorzaak tot zulk een treurspel gegeven had. Het gezicht van het vermoorde slachtoffer zou haar in hare droomen beangstigd hebben—zelfs kon, voor zoo ver zij wist, daar zulke dingen dikwijls gebeurden, terwijl zij waakte, zijn geest wezenlijk bij hare sponde gestaan hebben. Aan al deze kwellingen des gemoeds was zij alleen blootgesteld door de gestrengheid van een man, die, terwijl hij voorgaf door haar minsten blik betooverd te worden, eene daad van ellendige wraak niet wilde nalaten, al moest de uitslag haar dan ook ongelukkig maken.

Deze geheele stroom van vrouwelijke welsprekendheid ging met de gewone argumenten van tranen en zuchten gepaard, en werd op zulk een toon en met zulke gebaren geuit, dat zij schenen te bewijzen,dat de gramschap van de Koningin noch uit hoogmoed noch uit kwade luim sproot, maar uit het gekrenkt gevoel, dat zij door haar echtgenoot minder werd geschat, dan zij verwacht had.

De goede Koning Richard was in de hoogste mate verlegen. Hij trachtte te vergeefs met eene vrouw te redeneeren, die zooveel van hem hield, dat zij niet in staat was, om naar bewijzen te luisteren. Ook kon hij niet over zich verkrijgen om zijn wettig gezag te doen gelden tegen zulk een schoon wezen, bij haar onverstandig misnoegen. Hij werd daarom genoodzaakt, verdedigender wijze te werk te gaan; hij trachtte door zachte woorden haar achterdocht uit den weg te ruimen, en haar ongenoegen tot kalmte te brengen, en herinnerde haar, dat zij niet op het verledene met gedachten van berouw of bovenmatige vrees behoefde terug te zien, daar sir Kenneth leefde en behouden was, en hij hem aan den grooten Arabischen geneesheer geschonken had, die zeker beter dan eenig mensch zou weten hem in het leven te houden. Maar dit scheen de felste wonde van allen, en de smart der Koningin werd vernieuwd door het denkbeeld, dat een Sarraceen—een geneesheer—een geschenk ontvangen had, waarvoor zij blootshoofds en met gebogen knie haar gemaal te vergeefs gesmeekt had. Bij deze nieuwe beschuldiging begon Richard bijna het geduld te verliezen, en hij zeide op ernstigen toon: „Berengaria, die geneesheer redde mij het leven. Zoo dit van eenige waarde in uwe oogen is, zult gij hem de eenige belooning niet benijden, die ik hem bewegen kon aan te nemen.”

De Koningin was bevredigd, daar zij haar misnoegen tot op de uiterste grenzen van hare veiligheid gedreven had.

„Mijn Richard,” zeide zij, „waarom hebt gij dien wijzen man niet bij mij gebracht, opdat Engeland’s Koningin toonen kon, hoe zij den man achtte, die de lamp der ridderschap, den roem van Engeland en het licht van het leven en de hoop der arme Berengaria van den dood kon redden?”

Hiermede was de huwelijkstwist ten einde; maar opdat de gerechtigheid toch voldaan zou worden, kwamen de Koning en de Koningin overeen, om de geheele schuld op den bode Nebectamus te leggen, die—daar de Koningin zijne grappen moede begon te worden—met zijne koninklijke echtgenoote Guenevra veroordeeld werd, om van het hof verbannen te worden. De ongelukkige dwerg ontging eene andere kastijding alleen door de verzekering der Koningin, dat hij reeds eene lichamelijke straf ondergaan had. Er werd verder besloten, dat, daar er binnen kort een afgevaardigde van den raad, om de vijandelijkheden te hervatten, zoodra de wapenstilstand ten einde was, en Richard voornemens was den Sultan een geschenk van waarde te zenden, uit erkentelijkheid voor de hooge weldaad, die hij van de diensten van El Hakim ontvangen had, de twee ongelukkige schepsels als rariteiten daarbij gevoegd zouden worden. En inderdaad waren zij door hun zeer zonderling voorkomen en den treurigen toestand van hun verstand,geschenken, die zeer wel door den eenen vorst aan den anderen konden gedaan worden.

Richard had dien dag nog een anderen vrouwelijken storm te doorstaan; maar hij ging dien in vergelijking met den vorigen met onverschilligheid te gemoet. Want mocht Edith schoon zijn en door haren koninklijken bloedverwant hoog geschat worden,—ja, had zij door zijne onrechtvaardige vermoedens inderdaad de beleediging geleden, waarover Berengaria slechts veinsde te klagen, zij was noch Richard’s gemalin noch zijne beminde, en hij vreesde hare verwijten, ofschoon op rede gegrond, minder dan die der Koningin, al waren deze onrechtvaardig en hersenschimmig. Toen hij haar het verzoek had doen toekomen, om haar alleen te spreken, werd hij in haar vertrek geleid, aan dat der Koningin grenzende, terwijl twee Koptische slavinnen gedurende de bijeenkomst in den uitersten hoek op hare knieën bleven liggen. Een dunne zwarte sluier hulde in zijne ruime plooi de ranke en schoone gedaante der hooggeboren maagd, en zij droeg geen vrouwelijk sieraad van welken aard ook. Zij stond op en maakte een diepe neiging, toen Richard binnentrad, daarop hernam zij hare plaats op zijn bevel, en wachtte, toen hij zich naast haar neergezet had, zonder een woord te uiten, totdat hij haar daartoe verlof zou geven.

Richard, wiens gewoonte het was, vertrouwelijk met Edith te zijn, zoo als hunne bloedverwantschap medebracht, voelde dat deze ontvangst koel was, en opende het gesprek met eenige verlegenheid.

„Onze schoone nicht,” zeide hij eindelijk, „is boos op ons; en wij bekennen, dat ernstige omstandigheden ons bewogen hebben, om haar, zonder grond, van een daad te verdenken, die geheel in strijd was met het gedrag haar leven lang door haar gevolgd. Maar zoo lang wij in dit nevelig dal der menschheid wandelen, zullen wij schaduwen voor wezenlijke dingen houden. Kan mijne schoone nicht haar eenigszins heftigen bloedverwant, Richard, niet vergeven?”

„Wie kan vergeving aan Richard weigeren,” antwoordde Edith, „als Richard vergiffenis van denKoningkan krijgen?”

„Kom, nicht,” hernam Leeuwenhart, „dit is alles te plechtstatig. Bij onze heilige Maagd, zulk een droefgeestig gelaat!—En deze ruime zwarte sluier zou de menschen doen denken, dat gij eerst onlangs weduwe geworden waart, of ten minste een verloofde verloren hadt. Schep moed—gij hebt zeker gehoord, dat er geene wezenlijke reden tot droefheid is.—Waarom draagt gij dan het kleed van rouw?”

„Voor de verloren eer van Plantagenet—voor den roem, die het huis mijns vaders verlaten heeft.”

Richard fronste het voorhoofd. „Verloren eer! Roem, die het huis mijns vaders verlaten heeft!”—herhaalde hij toornig;„maar onze nicht Edith heeft een vrijbrief. Ik heb haar te haastig beoordeeld; zij heeft derhalve een recht om zeer streng over mij te oordeelen. Maar zeg mij ten minste; waarin ik gefeild heb.”

„Plantagenet,” antwoordde Edith, „moest eene beleediging vergevenof gestraft hebben. Het past hem niet vrije mannen, Christenen en dappere ridders tot de boeien der ongeloovigen te veroordeelen. Het past hem niet, het leven bij verdrag te schenken of te verruilen tegen het verlies der vrijheid. Den ongelukkige ter dood veroordeeld te hebben, kon gestrengheid geweest zijn, maar het had nog een zweem van gerechtigheid gehad; hem tot slavernij en ballingschap te verwijzen, was bepaalde dwingelandij.”

„Ik zie, lieve nicht,” hervatte Richard, „dat gij eene van die schoonen zijt, die een afgewezen minnaar met geen of met een doode gelijk stellen. Heb geduld; een tiental lichte ruiters kunnen hem nog volgen en de dwaling goed maken, zoo uw minnaar nog een of ander geheim in bewaring heeft, dat zijn dood wenschelijker mocht maken dan zijne verbanning.”

„Zwijg met uwe laffe scherts!” hernam Edith, hoog blozende.—„Bedenk veeleer, dat gij, om uwe blinde drift voldoening te geven, een gezond lid van deze groote onderneming afgesneden, het kruis van een zijner dapperste verdedigers beroofd, en een dienaar van den waren God in de handen der Heidenen geleverd hebt; dat gij aan gemoederen, die even kwaaddenkend, als gij het uwe bij deze gelegenheid getoond hebt, eenig recht hebt gegeven, om te zeggen, dat Richard Leeuwenhart den dappersten krijgsman uit zijn leger verbannen heeft, uit vrees dat die naam in den slag den zijnen mocht evenaren.”

„Ik—ik!” riep Richard, nu inderdaad zeer ontroerd—„ben ik de man er naar, om ijverzuchtig op roem te zijn?—Ik wilde, dat hij hier ware, om zulk eene verzekering tegen mij vol te houden. Ik zou rang en kroon er aan geven, en hem als man in het strijdperk ontmoeten, opdat het blijken mocht, of Richard Plantagenet reden had de dapperheid van een sterveling te vreezen of te benijden. Kom, Edith, gij denkt niet, zooals gij spreekt. Laat toorn of verdriet over de afwezigheid van uw minnaar u niet onbillijk maken jegens uw bloedverwant, die, in weerwil van uw grilligheid, uwe goedkeuring evenhoog schatals die van eenig mensch ter wereld.”

„De afwezigheid van mijn minnaar?” herhaalde lady Edith. „Maar ja—hij mag wel mijn minnaar genoemd worden, daar hij dien naam zoo duur betaald heeft. Hoe onwaardig ik die hulde ook was, toch was ik voor hem, als een licht, dat hem voorwaarts leidde op het pad der ridderschap; maar dat ik mijn rang vergat, of dat hij zijne eerzucht boven den zijnen verhief, dit is valsch, al zeide het ook een Koning.”

„Lieve nicht”, antwoordde Richard, „leg mij geen woorden in den mond, die ik niet gesproken heb. Ik zeide niet, dat gij dezen man meer gunst hadt bewezen dan een goed ridder oogsten mag, zelfs van eene prinses, welke dan ook zijn afkomst zij. Maar bij onze lieve Vrouw, ik weet iets van de hoop der liefde—zij begint met stommen eerbied en verwijderde betuiging van achting; maar, wanneer de gelegenheden zich opdoen, neemt de vertrouwelijkheid toe, en zoo …. maar het baat niet met iemand te spreken, die zich wijzer acht dan de geheele wereld.”

„Ik luister gaarne naar den raad van mijn bloedverwant,” hervatte Edith, „wanneer deze geene beleediging voor mijn rang en mijn karakter bevat.”

„Koningen, schoone nicht, raden niet, maar bevelen veeleer,” hernam Richard.

„Sultans bevelen, zeker,” zeide Edith, „maar het is, omdat zij over slaven heerschen.”

„Nu, gij kondt wel leeren, deze minachting van het Sultanschap af te leggen, daar gij zoo veel van een Schot houdt,” antwoordde de Koning. „Ik houdt Saladin voor getrouwer aan zijn woord, dan dien Willem van Schotland, die bepaald een Leeuw moet genoemd worden;—hij heeft mij valschelijk bedrogen, door mij de beloofde hulptroepen niet te zenden. Laat ik u zeggen, Edith, gij kunt nog beleven, dat gij de voorkeur geeft aan een getrouwen Turk boven een valschen Schot.”

„Neen—nooit,” hernam Edith—„Richard zelf zou den valschen godsdienst niet aannemen, tot welks verdelging uit Palestina hij over de zee getrokken is.”

„Gij wilt het laatste woord hebben,” hervatte Richard, „en gij zult het hebben. Denk van mij wat gij wilt, lieve Edith. Ik zal niet vergeten, dat uw vader mijn broeder was.”

Dit zeggende nam hij beleefd afscheid van haar, maar zeer weinig voldaan over den uitslag van zijn bezoek.

Het was de vierde dag, nadat sir Kenneth uit het leger was ontslagen, en Koning Richard zat in zijne tent, eene westelijke avondkoelte genietende, die met ongewone frischheid op haar wieken, uit het vroolijke Engeland scheen over te waaien tot verfrissching van zijn avontuurlijken monarch, terwijl hij geleidelijk de volle kracht terugkreeg, die noodig was om zijn reusachtig plan ten uitvoer te brengen. Er was geen mensch bij hem, daar de Vaux naar Ascalon was gezonden, om versterking en nieuwen voorraad van krijgsbehoeften te halen, en de meeste van zijn overige volgelingen in verscheidene betrekkingen bezig waren, daar allen zich voorbereidden op de naderende heropening der vijandelijkheden, en voor eene groote daaraan voorafgaande wapenschouwing van het leger der kruisvaarders, welke den volgenden dag plaats zou hebben. De Koning zat te luisteren naar het bedrijvig gedruisch der soldaten, het gekletter uit de smederijen, waar de hoefijzers gemaakt werden, en uit de tenten der wapensmeden die de wapenrustingen herstelden. De stem der soldaten was onder het heen- en weergaan luid en vroolijk, en getuigde van hoogen en opgewekten moed, en een voorteeken van naderende overwinning. Terwijl Richard deze tonen met genot inzwolg en zich overgaf aan de vizioenen van verovering en roem, die ze opleverden, zeide hem een stalbediende, dat er buiten een bode van Saladin stond.

„Laat hem dadelijk binnen,” sprak de Koning, „en met verschuldigde eer, Joseline.”

De Engelsche ridder voerde daarop een man binnen, die, naarhet scheen, van geen hoogeren rang scheen, dan een Nubischen slaaf, wiens voorkomen echter hoogst belangwekkend was. Hij was van eene prachtige gestalte en edel gevormd, en zijn trotsche trekken, ofschoon bijna gitzwart, herinnerden in niets aan eene Neger-afkomst. Hij droeg over zijne koolzwarte lokken een sneeuwwitten tulband, en over zijn schouders een korten mantel van dezelfde kleur, open van voren en bij de mouwen, waaronder een wambuis van bereide luipaarden-huid te voorschijn kwam, dat een handbreed boven de knie reikte. Het overige van zijne gespierde leden, zoowel beenen als armen, was bloot, behalve dat hij sandalen aan de voeten, en een halsband en armbanden van zilver had. Een recht, breed zwaard met een gevest van ebbenhout, en eene scheede, die met eene slangenhuid bekleed was, hing om zijn middel. In zijne rechterhand hield hij eene korte werpspies, met eenen breeden, stalen kop, eene span lang, en in zijne linker leidde hij aan eene snoer van zijde en goud gevlochten, een grooten, edelen jachthond.

De bode boog zich, terzelfder tijd zijne schouders tot een teeken van vernedering gedeeltelijk ontblootende. Na den grond met zijn voorhoofd aangeraakt te hebben, stond hij zoover op, dat hij op de eene knie rustte, terwijl hij den Koning een zijden doek overhandigde, waarin een andere van goudlaken was gewikkeld. Deze bevatte een brief van Saladin in het oorspronkelijke Arabisch, met eene vertaling in het Normandisch-Engelsch, die aldus in de hedendaagsche taal kan overgebracht worden:

„Saladin, Koning der Koningen, aan Melec Ric, den Leeuw van Engeland. Doordien wij door uwe laatste boodschap kennis hebben bekomen, dat gij den oorlog boven den vrede verkozen hebt, en onzevijandschap boven onze vriendschap, zoo houden wij u voor verblind in deze zaak, en vertrouwen u spoedig van uwe dwaling te overtuigen, door de hulp van onze onoverwinlijke macht van de duizend stemmen, wanneer Mahomed, de Profeet van God, en Allah, de God van den Profeet, den twist tusschen ons zullen beslissen. Voor het overige schatten wij u hoog, alsmede de giften, die gij ons gezonden hebt, en vooral de twee dwergen, zonderling in hunne mismaaktheid als Esophus, en vroolijk als de luit van Isaäk. En tot vergelding van deze blijken uit de schatkamer van uwe goedheid, hebben wij u een Nubischen slaaf, Zohauk genaamd, gezonden, dien gij niet naar zijne kleur beoordeelen moet, op de wijze van de dwazen der aarde, aangezien de vruchten met zware schil de heerlijkste geur hebben. Verneem, dat hij sterk is, om den wil van zijn meester te volvoeren, gelijk Rustan van Zablestan; ook is hij wijs in het geven van raad, wanneer gij leeren zult, om verkeering met hem te hebben, want de Heer der spraak heeft hem met stilzwijgen getroffen tusschen de ivoren muren van zijn gehemelte. Wij bevelen hem aan uwe zorg, hopende, dat het uur niet ver af moge zijn, dat hij u een goeden dienst bewijst. En hiermede zeggen wij u vaarwel; vertrouwende, dat onze allerheiligste Profeet u nog tot het aanschouwen der waarheid zal roepen. En zoo deze verlichting niet mocht komen, dan is onze wensch voor het spoedig herstel van uwe koninklijke gezondheid, opdat Allah tusschen u en ons op een open terrein moge beslissen.”

De brief was door de onderteekening en het zegel van den Sultan bekrachtigd.

Richard wierp een zwijgenden blik op den Nubiër, die vóór hem stond, met de oogen op den grond geslagen, de armen over zijne borst gekruist, met het voorkomen van een zwart marmeren standbeeld van het uitgezochtste maaksel, het leven van de aanraking van een Prometheus verbiedende. De Koning van Engeland, die, zoo als men nadrukkelijk van zijn opvolger, Hendrik VIII, zeide, gaarne eenmanmocht aanzien, vond veel behagen in de spieren, zenuwen en geëvenredigden bouw van den man, dien hij thans beschouwde, en vroeg hem in deLingua Franca: „Zijt gij een Heiden?”

De slaaf schudde het hoofd, en zijn vinger aan zijn voorhoofd brengende, maakte hij een kruis ten teeken, dat hij Christen was; daarop hernam hij zijne houding van onbewegelijke nederigheid.

„Een Nubisch Christen, zonder twijfel,” zeide Richard, „en van het spraakvermogen beroofd door deze heidensche honden?”

De stomme schudde wederom langzaam het hoofd, ten teeken van ontkenning, wees met zijn voorsten vinger naar den Hemel, en legde dien toen op zijn lippen.

„Ik versta u,” zeide Richard, „gij lijdt onder de straf van God, en niet door de wreedheid der menschen. Kunt gij eene wapenrusting en een zwaardriem schoon maken, en in tijd van nood toegespen?”

De stomme knikte, en naar den maliënkolder stappende, welke met het schild en den helm van den ridderlijken monarch, aan een pilaarvan de tent hing, behandelde hij deze voorwerpen met zulk eene netheid en zoo behendig, dat genoegzaam bleek, dat hij het werk van een wapendienaar volkomen verstond.

„Gij zijt een handige knaap,” zeide de Koning, „en gij zult zeker van nut zijn—gij zult in mijne kamer en bij mijn persoon de wacht houden, als een bewijs, hoe hoog ik de gift van den koninklijken sultan schat. Indien gij geen tong hebt, volgt daaruit, dat gij geene vertelsels kunt overbrengen, en mij ook niet in drift zult doen ontsteken door een niet passend antwoord.”

De Nubiër boog zich andermaal, zóódat zijn voorhoofd de aarde aanraakte, en bleef toen rechtop staan op eenige schreden afstand, alsof hij op de bevelen van zijn nieuwen meester wachtte.

„Nu, gij zult uw dienst dadelijk beginnen,” zeide Richard, „want ik zie een vlek roest op dat schilt schemeren; en wanneer ik het in het gelaat van Saladin zwaai, moet het schitterend en onbezoedeld zijn, gelijk de eer zelve van den Sultan.”

Er werd buiten op een horen geblazen, en dadelijk daarop kwam sir Henry Neville met eenige dépêches binnen.—„Van Engeland, Mylord,” zeide hij bij het overhandigen.

„Van Engeland—ons eigen Engeland!” antwoordde Richard op een toon van droefgeestige verrukking.—„Helaas! zij denken er weinig aan, hoeveel hun vorst door ziekte en smart te lijden heeft gehad—flauwe vrienden en stoute vijanden.” Toen, de dépêches openende, zeide hij haastig: „Ha! dat komt uit geen vreedzaam land—zij hebben ook hunne twisten.—Neville, ga heen.—Ik moet deze tijdingen alleen en op mijn gemak doorlezen.”

Neville verwijderde zich, en Richard was weldra verdiept in de treurige tijdingen, die hem uit Engeland geworden waren, omtrent de partijschappen, welke zijne erf-Staten verscheurden—de oneenigheid tusschen zijne broeders, Jan en Godfried, en de geschillen van beiden met den opperrichter, Longchamp, bisschop van Ely,—de verdrukking der landlieden door de edelen en het oproer der eersten tegen hunne meesters, wat overal tooneelen van tweedracht, en in sommige gevallen bloedige botsingen veroorzaakt had. Berichten van voorvallen, krenkend voor zijn hoogmoed, en ingrijpend in zijn gezag, waren vermengd met den ernstigen raad van zijne verstandigste en het meest aan hem gehechte raadslieden, dat hij dadelijk naar Engeland moest terugkeeren, daar zijne vertegenwoordigheid het eenige redmiddel was, om het koninkrijk van alle ijselijkheden van een burgeroorlog te redden, waarvan Frankrijk en Schotland waarschijnlijk voordeel zouden trekken. Vervuld met de pijnlijkste vrees, las en herlas Richard de onheilspellende brieven, vergeleek de berichten, die eenige ervan bevatten met dezelfde feiten, verschillend meegedeeld in andere, en hij werd spoedig geheel ongevoelig voor hetgeen rondom hem voorviel, ofschoon hij wegens de koelheid dicht nabij den ingang van zijne tent zat, en de gordijnen had teruggetrokken,zoodat hij zien kon en gezien worden door de wachten en anderen, die buiten stonden.

Dieper in de schaduw van de tent en bezig met de taak, die zijn nieuwe meester hem opgedragen had, zat de Nubische slaaf, met den rug naar den Koning gekeerd. Zoo even was hij met het in orde brengen, en polijsten van het borstharnas en ander staalwerk gereed gekomen, en was thans ijverig bezig met een breed schild van ongewone grootte, en met stalen platen belegd, dat Richard dikwijls gebruikte bij het verkennen of bestormen van versterkte plaatsen, als eene krachtiger bescherming tegen werpspiesen, dan het smalle driehoekige schild, dat te paard gebruikt werd. Dit schild droeg noch de koninklijke leeuwen van Engeland noch eenig ander teeken, om niet de aandacht van de verdedigers der muren, waartegen het gebruikt werd, te trekken; de zorg van den wapensmid had zich daarom bepaald om de oppervlakte ervan zoo helder als kristal te doen schitteren, en hierin scheen hij bijzonder geslaagd te zijn. Naast den Nubiër, en nauwelijks zichtbaar van buiten, lag de groote hond, die zijn medeslaaf kon genoemd worden, en die als het ware beschroomd was nu hij een koninklijken eigenaar had gekregen. Hij lag dicht aan de zijde van den stomme, met kop en ooren op den grond, en zijne pooten en staart gebogen en onder zich getrokken.

Terwijl de monarch en zijn nieuwe dienaar aldus bezig waren, trad een nieuw medespeler op het tooneel, en mengde zich onder den troep Engelsche landslieden, van wie ongeveer een twintigtal, uit achting voor de niet gewone peinzende en zwijgende houding van hun Koning, tegen hunne gewoonte in, stilte wacht vóór zijne tent hielden. Die wacht was echter niet waakzamer dan gewoonlijk. Eenigen van hen speelden hazard met keisteentjes, anderen fluisterden met elkander over den naderenden strijd, en verscheidenen van hen lagen te slapen, hunne half gekleede lichamen in hunne groene mantels gewikkeld.

Tusschen deze zorglooze wachters door gleed de onaanzienlijke gestalte van een kleinen ouden Turk, armoedig gekleed, gelijk een marabout of santon van de woestijn, eene soort van dwepers, die zich somtijds in de legerplaats der kruisvaarders waagden, ofschoon zij altijd met verachting, en somtijds met geweld behandeld werden. De weelde en ongebonden toegevendheid der Christen aanvoerders had dan ook in hunne tenten een bonten samenloop gelokt van muzikanten, kunstemakers en Joodsche kooplieden, Kopten, Turken en allerlei uitvaagsel der Oostersche natiën, zoodat de kaftan en de tulband volstrekt geen ongewone verschijning in de legerplaats der kruisvaarders waren, ofschoon het duidelijk voornemen van den krijgstocht was, om beide uit het heilige Land te verdrijven. Toen echter de kleine, onbeduidende gestalte, die wij beschreven hebben, zoo nabij kwam, dat hij eenige belemmering van de wacht ontmoette, wierp hij zijn morsigen groenen tulband van het hoofd, toonde, dat zijn baard en zijne wenkbrauwen geschoren waren, als die van een narvan beroep, en dat de uitdrukking van zijne zonderlinge en verweerde trekken, zoowel als van zijne kleine zwarte oogen, die schitterden als gitten, getuigden van een kranken geest.

„Dans, marabout,” riepen de soldaten, bekend met de zeden van deze zwervende dwepers—„dans, of wij zullen u met onze boogstangen geeselen, totdat gij u ronddraait als een tol.”—Zoo schreeuwden de onbarmhartige wachten, even verheugd een voorwerp tot plagen te hebben, als een kind, als het een vlinder vangt, of een schooljongen, als hij een vogelnest ontdekt.

De marabout scheen gelukkig, hun genoegen te kunnen geven; hij sprong van den grond op, en draaide duizelingwekkend voor hen rond met eene ongekende behendigheid. Dit deed hem, in verband met zijn ellendig en uitgeteerd voorkomen, en zijne kleine gestalte op een verdord blad gelijken, dat naar welgevallen door een winterstorm wordt rondgeslingerd. Zijn enkele bos haar vloog opwaarts van zijn kaal geschoren hoofd, alsof geesten hem daarbij staande hielden, en inderdaad scheen het of eene bovennatuurlijke kunst noodig was tot de uitvoering van den wilden wervel dans, waarbij men nauwelijks de punten van de teenen des dansers den grond zag raken. Onder de rondzwervingen van zijne kunstvertooning vloog hij her- en derwaarts, van de eene plek naar de andere, terwijl hij intusschen, ofschoon bijna onmerkbaar, den ingang van de koninklijke tent naderde, zoodat, toen hij eindelijk uitgeput ter aarde zonk, na twee of drie sprongen, die nog hooger waren dan die, welke hij tot nog toe had gemaakt, hij niet meer dan dertig meter van den persoon des Konings was verwijderd.

„Geef hem water,” zeide de eene soldaat; „zij begeeren altijd een dronk na hun luchtigen dans.”

„Ei, water, zegt gij, Lange Allen?—” riep een ander boogschutter tot antwoord; „hoe zoudt gij zelf zulk een drank vinden na zulk een dans?”

„Ik mag des duivels zijn, als hij hier een droppel water krijgt,” zeide een derde. „Wij zullen den ouden ongeloovige met zijn lichte voeten leeren, een goed Christen te worden en Cyprus wijn te drinken.”

„Ja, ja,” zeide een vierde; „en als hij koppig is, haal dan den horen van Dick Hunter, waarmede hij zijne merrie drenkt.”

Een kring vormde zich oogenblikkelijk rondom den liggenden en uitgeputten dervisch, en terwijl een krachtig krijgsman zijn zwak lichaam van den grond opbeurde, bood een ander hem eene groote flesch wijn aan. De oude man, die niet in staat was om te spreken, schudde met het hoofd, en wees met de hand den door den Profeet verboden drank af; maar zijne kwelgeesten waren niet op die wijze te bevredigen.

„De horen, de horen!” riep een. „Er is weinig verschil tusschen een Turk en een Turksch paard, en wij willen hem als zoodanig behandelen.”

„Bij St. George, gij zult hem doen stikken!” zeide Lange Allen;„en bovendien is het eene zonde aan een heidenschen hond zoo veel wijn weg te werpen, als een goed Christen voor een drievoudige nachtdronk zou dienen.”

„Gij kent den aard van deze Turken en heidenen niet, Lange Allen.” hernam Hendrik Woodstall;„ik zeg u, man, dat deze flesch Cypruswijn zijne hersens aan het draaien zal brengen, juist in de tegenovergestelde richting, als zij onder het dansen dwarrelden, en hem op die manier, als het ware, weder tot zich zelven zal brengen.—Stikken? Hij zal er niet meer van stikken, als Benjamins zwarte teef van het pond boter.”

„En het hem te misgunnen,” zeide Thomalin Blacklees, „waarom zoudt gij den armen heidenschen duivel een droppel drinken op aarde misgunnen, daar gij weet, dat hij geen droppel zal krijgen, om de punt van zijn tong te verkoelen gedurende eene lange eeuwigheid.”

„Dat zouden harde wetten zijn, ziet gij,” zeide Lange Allen, „alleen omdat hij een Turk is, zoo als zijn vader vóór hem was. Ware hij van een Christen heiden geworden, dan stem ik u toe, dat de heetste hoek een goed kwartier voor hem geweest was.”

„Houd je stil, Lange Allen,” zeide Hendrik Woodstall, „ik zeg je, dat je tong niet het kortste lid van je is, en ik voorspel dat die je in ongenade zal brengen bij vader Franciscus, zoo als eens bij de zwartoogige Syrische meid.—Maar hier komt de horen.—Werk een weinig mede, man, wilt gij, breek hem de tanden met het hecht van uw kleinen dolk open.”

„Kijk! Kijk!—hij schikt er zich in,” zeide Thomalin; „zie, zie, hij geeft een teeken voor den beker—maak ruimte jongens. „Op is het,” zegt de Hollander—dat gaat naar binnen als zoet bier! Ja het zijn ware zuipers, als zij beginnen—een Turk hoest nooit bij zijn beker, en kent geen maat bij zijn drank.”

Werkelijk dronk de dervisch, of wat hij dan ook was, de groote flesch in een teug tot op den bodem leeg, of scheen die tenminste uit te drinken, en toen hij die van zijn lippen nam, nadat de geheele inhoud geledigd was, sprak hij slechts de woorden „Allah Kerim”, God is barmhartig, uit. Er ontstond zulk een luidruchtig gelach onder de landlieden, die dezen meesterdronk zagen, dat des Konings aandacht opgewekt werd en hij toornig zijn vinger opheffend, zeide: „Hoe, schurken, is er geene achting, geen tucht?”

Alle zwegen plotseling stil, daar zij het karakter van Richard wel kenden, die op sommige tijden veel militaire gemeenzaamheid toeliet, en op andere tijden de stipste tucht vorderde, ofschoon de laatste stemming veel zeldzamer voorkwam. Zij haastten zich om op verderen afstand van den persoon des konings zich te verwijderen, en trachtten den marabout met zich te trekken, die, waarschijnlijk door voorafgaande vermoeienis afgemat, of door den machtigen dronk, dien hij zooeven verzwolgen had, overmand, zich door worstelen en steunen er zich tegen verzette, om van de plaats gebracht te worden.

„Laat hem stil liggen, gekken,” fluisterde Lange Allen zijne makkers toe. „Bij St. Christoffel, gij zult onzen Richard driftig maken, en zijn dolk zal zoo dadelijk naar onze koppen geslingerd worden. Laat hem liggen, binnen een minuut zal hij slapen als een marmot.”

Op hetzelfde oogenblik wierp de monarch eene tweede ongeduldigen blik naar de plek, en allen verwijderden zich in haast, den dervisch op den grond latende, die, naar het scheen, niet in staat was, om eene enkele lid van zijn lichaam te verroeren. Een oogenblik daarna was alles zoo stil en rustig, als het vóór de komst van den Turk geweest was.


Back to IndexNext