HOOFDSTUK XXI.

HOOFDSTUK XXI.De ontvleesde moord, gewekt door ’t huilen vanZijn wacht, de wolf zweeft steeds met wijden tred.Zoo als Tarquinius’ schendstap, naar zijn doel.Gelijk een spook.Macbeth.Gedurende een kwartier of langer na het voorgevallene bleef alles volkomen rustig vóór het koninklijk verblijf. De Koning las en peinsde aan den ingang van zijne tent—achter hem en met den rug naar den ingang gewend, polijstte de Nubische slaaf nog het groote schild.—Op den voorgrond, op een afstand van honderd schreden, stonden, zaten of lagen de landlieden van de wacht op het gras uitgestrekt. Zij waren met hunne eigen uitspanningen vervuld, maar speelden in stilte, terwijl op het plein tusschen hen en het voorste gedeelte der tent, het gevoellooze lichaam van den marabout lag, die nauwelijks van een hoop vodden was te onderscheiden.Maar de Nubiër was in het genot van een spiegel met schitterenden glans: het fijn gepolijste schild, dat hij in zijn handen had. Door middel van dezen bespeurde hij, tot zijn schrik en verbazing, dat de marabout zijn hoofd zachtjes van den grond optilde, zoodat hij alles om zich zien kon, terwijl hij zich met een goed berekende voorzichtigheid bewoog, die met zijn beschonken toestand volstrekt niet bestaanbaar scheen. Hij legde zijn hoofd dadelijk weder neder, overtuigd dat hij niet werd opgemerkt, begon, met den minstmogelijken schijn van vrijwillige poging, zich als bij toeval hoe langer hoe nader bij den Koning te sleepen. Maar hij hield bij tusschenpoozen op en bleef dan stil liggen, als eene spin, die haar prooi naderde, in schijnbare levenloosheid verzinkt, wanneer zij meent, dat zij opgemerkt wordt. Deze soort van beweging scheen den Ethiopiër verdacht toe, die zich van zijn kant, zoo stil mogelijk voorbereidde om tusschen beide te komen, zoodra die tusschenkomst noodzakelijk mocht blijken.De marabout kroop intusschen langzamerhand en onbemerkbaar als eene slang of liever als eene slak, totdat hij ongeveer tien ellen van Richard’s persoon af was. Toen sprong hij overeind, rende naar denKoning met den sprong van een tijger, stond in minder dan een oogenblik achter den Koning, en zwaaide dencangiarof dolk, dien hij in zijne mouw verborgen had, boven zijn hoofd. Zelfs de tegenwoordigheid van het geheele leger van den heldhaftigen monarch kon hem niet gered hebben—maar de bewegingen van den Nubiër waren even goed berekend geweest als die van den dweper, en eer de laatste kon toestooten, vatte de eerste zijn opgeheven arm. De Charegiet, want dit was de schijnbare marabout, zijne dweepzieke woede tegen den man richtende, die zich zoo onverwachts tusschen hem en het voorwerp zijner wraak plaatste, gaf den Nubiër een steek met zijn dolk, die echter alleen diens arm schaafde, terwijl de veel grootere kracht van den Ethiopiër hem gemakkelijk op den grond neder wierp. Richard, bespeurende, wat er was voorgevallen, was nu opgestaan, en met weinig meer verbazing, toorn of belangstelling van eenigen aard, dan een gewoon mensch toonen zou in het afweren en verpletteren van een lastige wesp, nam hij den stoel, waarop hij gezeten had, op en met de woorden „Daar, hond!” verbrijzelde hij den schedel van den sluipmoordenaar, die eenmaal luid en de tweedemaal met eene gebroken stem de woorden „Allah ackbar” (God zegepraalt) uitsprak—en aan de voeten des Konings den adem uitblies.„Gij zijt zorgvuldige wachten,” zeide Richard tot zijne boogschutters, op een toon van minachtend verwijt, toen zij door het ontstane gedruisch met schrik en verwarring zijne tent binnenstormden;—„gij zijt waakzame schildwachten, om mij te noodzaken zulk beulenwerk met eigen handen te verrichten.—Zwijgt allen stil, en houdt met uw onverstandig geschreeuw op! Hebt gij nooit meer een dooden Turk gezien?—Hier—werpt dat aas buiten het leger, slaat het hoofd van den romp, en steekt het op eene lans, en draagt zorg het gelaat naar Mekka te keeren, opdat hij den schandelijken belager, op wiens inblazing hij herwaarts gekomen is, te gemakkelijker zeggen kan, hoe het hem met zijn last gegaan is.—Wat u betreft, mijn zwarte, stomme vriend,” voegde hij er bij, zich tot den Ethiopiër wendende—„maar wat is dat?—gij zijt gewond—en dat met een vergiftig wapen, daar sta ik voor in; want door de kracht van een dolksteek kon zulk een zwak dier als dit, nauwelijks hopen meer te doen, dan de huid van den leeuw te schrammen.—Een van u zuige het vergif uit zijne wonde—het venijn is onschadelijk op de lippen, al is het doodelijk, wanneer het zich met het bloed vermengt.”Delandliedenzagen elkander verlegen en aarzelend aan, daar de vrees voor zulk een zonderling gevaar de overhand kreeg bij mannen, die voor geen ander gevaar schroomden.„Hoe nu, knapen,” vervolgde de Koning; „hebt gij zulke teedere lippen, of vreest gij den dood, daar gij zoo talmt?”„Niet den dood van een man,” antwoordde Lange Allen, dien de Koning onder het spreken aanzag, „maar mij dunkt, ik wilde niet gaarne als een vergiftige rot sterven, althans niet voor een zwartstuk vee als daar staat die op de markt als een gemeste os verkocht wordt.”„Zijne Majesteit spreekt tegen mannen van het uitzuigen van vergif,” bromde een ander landman, „als of hij zeide, toe, slok die aalbes door!”„Neen,” riep Richard, „ik heb nooit iemand bevolen iets te doen, wat ik niet zelf zou doen.”En zonder verderen omslag, en in weerwil van de algemeene tegenwerpingen der omstanders, en het eerbiedig verzet van den Nubiër zelven, legde de Koning van Engeland zijne lippen op de wond van den zwarten slaaf, alle vertoogen met spotternij bejegenende, en allen tegenstand trotseerende. Hij had nauwelijks zijn zonderling werk gestaakt, of de Nubiër sprong van hem af, sloeg een sjerp om zijn arm, en gaf door teekens, die evenzeer zijn vast voornemen aanduidden, als zij eerbiedig waren, zijn besluit te kennen, dat hij den Monarch niet veroorloven zou, om zulk een vernederend werk te hervatten. Lange Allen kwam ook tusschen beide, zeggende, dat, zoo het noodig ware om den Koning te beletten, zijne handelwijs te herhalen, zijne eigene lippen, tong en tanden ten dienste van den Neger (zoo als hij den Ethiopiër noemde) waren, en dat hij hem liever heelhuids zou opeten, dan dat de mond van Koning Richard hem weer zou naderen.Neville, die met andere officieren binnentrad, voegde er zijne betoogen bij.„Maakt toch geen noodeloos geschreeuw over een hert, dat de honden verloren hebben, of een gevaar, wanneer het over is,” zeide de Koning, „de wond is slechts een kleinigheid, want er is nauwelijks bloed uitgekomen—eene nijdige kat zou een dieperen krap hebben toegebracht—en wat mij betreft, ik behoef slechts een drachma orviëtan te nemen, bij wijze van voorzichtigheid, hoewel het onnoodig is.”Zoo sprak Richard een weinig beschaamd misschien over zijn eigen vernedering, ofschoon deze door menschlievendheid en dankbaarheid geheiligd werd. Maar toen Neville voortging met betoogen over het gevaar van zijn koninklijken persoon te maken, legde de Koning hem het stilzwijgen op.„Stil, bid ik u—spreek er niet meer over—ik deed het slechts om deze onwetende, bevooroordeelde knapen te toonen, hoe zij elkander helpen konden, als deze lafhartige honden ons met vergiftigde pijlen aanvallen.—Maar”, voegde hij er bij, „neem dezen Nubiër in uw kwartier, Neville—ik ben van meening ten zijnen opzichte veranderd—laat goed voor hem zorgen.—Maar luister wel—zie toe, dat hij niet ontsnapt—er steekt meer in hem, dan hij schijnt. Laat hem alle vrijheid genieten, maar zoo, dat hij het leger niet verlaten kan.—En gij, vleeschvretende, wijnzwelgende Engelsche bulhonden, gaat dadelijk weder op wacht, en zorgt dat gij waakzamer zijt. Denkt niet, dat gij thans in uw eigen land zijt, waar gij een eerlijk spel hebt, waar de menschen spreken, eer zij toeslaan, en elkander de hand drukken, vóór dat zij elkander de keel afsnijden. Het gevaar in ons land treedt openlijk op en met getrokken zwaard, en daagt den vijand uit, dien het aanvallen wil. Maar hier geschiedt de uitdaging met een zijden handschoen in plaats van met een stalen,snijdt men de keel uit met de veder van eene tortelduif; doorsteekt u met de tong van een priesterlijk kleinood, of worgt u met de snoer van een keurslijf. Gaat—houdt uw oogen open, uw mond gesloten—drinkt minder, en ziet scherper toe op hetgeen rondom u is; of ik zal uwe groote magen op zulk een rantsoen zetten, dat het zelfs de maag van een geduldigen Schot honger zou doen krijgen.”De landlieden keerden beschaamd en ootmoedig naar hun post terug, en Neville begon weder zijn meester te onderhouden over het gevaar van de verwaarloozing van hun plicht zoo lichtelijk over het hoofd te zien, en de wenschelijkheid van een voorbeeld te stellen in een geval, met zoo bijzonder bezwarende omstandigheden gepaard, dat men zulk een zoo verdacht persoon als den marabout vergunde, om op een dolklengte tot zijn persoon te naderen. Maar Richard viel hem in de rede: „Spreek er niet van, Neville—zoudt gij willen, dat ik een klein gevaar voor mijn eigen persoon strenger strafte dan het verlies van de banier van Engeland? Deze is gestolen—gestolen door een dief, of overgegeven door een verrader, en er is geen bloed om gestort.—Mijn zwarte vriend, gij zijt een verklaarder van geheimen, zegt de doorluchtige Sultan—nu zou ik u uw eigen gewicht in goud geven, als gij, door een nog zwarteren, dan gij zelf zijt, of door welke andere middelen gij ook wilt, mij den dief kondt aanwijzen, die mijne eer dien schimp heeft aangedaan. Wat zegt gij, he?”De stomme scheen verlangend te spreken, maar gaf slechts dien onvolmaakten toon, eigen aan zijn treurigen toestand, kruiste daarop de armen, zag den Koning met een blik aan, die zeide, dat hij hem verstond, en knikte ten antwoord op zijne vraag.„Hoe!” riep Richard met een vroolijk ongeduld. „Wilt gij het ondernemen, deze zaak te ontdekken?”De Nubische slaaf herhaalde dezelfde beweging.„Maar hoe zullen wij elkander verstaan?” vroeg de Koning.—„Kunt gij schrijven, beste kerel?”De slaaf beaamde dit weder door een teeken.„Geef hem schrijfgereedschap,” zeide de Koning. „Dit was spoediger bij de hand in de tent van mijn vader dan in de mijne—maar het zal wel hier of daar zijn, wanneer dit verzengend klimaat de inkt niet heeft verdroogd. Wel, deze man is een juweel—een zwarte diamant, Neville.”„Met verlof van uwe Majesteit,” zeide Neville,„als ik met mijn arm verstand mij daarover mag uitlaten, het is altijd gevaarlijk, om met zulke waar om te gaan. De man moet een toovenaar zijn, en toovenaars staan met den vijand in verband, die er het meeste belang bij heeft om onkruid onder de tarwe te zaaien en oneenigheid in onze raadsvergadering te brengen, en ….”„Zwijg, Neville,” zeide Richard. „Roep uwNoordschenhond een halloo toe, wanneer hij het wild te dicht op de hielen zit, en hoop hem terug te roepen, maar tracht niet, Plantagenet tegen te houden, als hij hoop heeft, zijne eer te herstellen.”De slaaf, die gedurende deze woordenwisseling geschreven had, in welke kunst hij zeer vaardig scheen, stond nu op, drukte het geschrevene tegen zijn voorhoofd, en boog zich, als naar gewoonte, eer hij het in handen van den Koning overgaf. Het geschrift was in het Fransch, ofschoon hun onderhoud tot hiertoe door Richard in deLingua Francagehouden werd.„Aan Richard, den overwinnenden en onverwinlijken Koning van Engeland, dit van den minsten zijner slaven. Geheimen zijn de verzegelde kisten des hemels; maar de wijsheid kan middelen vinden, om het slot te openen. Zoo uw slaaf geplaatst werd daar, waar de aanvoerders van het leger in orde voor hem voorbij moesten trekken, twijfel dan niet, of, wanneer diegene, die den smaad, waarover mijn Koning klaagt, bedreven heeft, zich onder hun getal bevindt, hij in zijne boosheid ontdekt zal worden, al is hij ook onder zeven sluiers verborgen.”„Nu, bij St. George!”zeide Koning Richard, „gij hebt geheel ter gelegener tijd gesproken.—Neville, gij weet, dat wanneer wij morgen onze troepen monsteren, de vorsten overeengekomen zijn, dat, ten einde den schimp, Engeland door het stelen van de banier aangedaan, weder goed maken, de aanvoerders bij onzen nieuwen standaard zullen voorbijtrekken, die op den St. Georgeberg wappert, en hem met plechtigen eerbied zullen groeten. Geloof mij, de geheime verrader zal het niet wagen, zich aan zulk eene plechtige zuivering te onttrekken, uit vrees dat zijne afwezigheid alleen reeds reden tot achterdocht zou geven.—Daar zullen wij onzen zwarten raadsman plaatsen, en indien zijne kunst den schurk kan ontdekken, laat mij dan maar met hem omspringen.”„Mijn Koning,” antwoordde Neville met de vrijmoedigheid van een Engelsch baron, „zie toe, welk werk gij begint. De eendracht tusschen ons heilig verbond is onverwacht vernieuwd—wilt gij op vermoedens, die een Negerslaaf u inboezemt, wonden openrijten, die eerst sedert kort gesloten zijn.—Of wilt gij den plechtigen stoet, die voor het herstel uwer eer, en voor de bevestiging van eensgezindheid onder de oneenige vorsten bepaald is, als een middel gebruiken, om nieuwe redenen tot beleediging te vinden, of oude twisten te doen herleven? Het zon nauwelijks te sterk gezegd zijn, dat dit een inbreuk zou wezen op de verklaring, die uwe Majesteit aan den vergaderden raad van den kruistocht gedaan heeft.”„Neville,” viel de Koning hem barsch in de rede, „uw ijver maakt u onbescheiden en lomp. Nooit heb ik beloofd, mij te onthouden, alle middelen in het werk te stellen, die het dienstigst konden zijn, om den schandelijken aanrander van mijne eer te ontdekken. Liever dan dit te doen, zou ik van mijn koninkrijk—ja van mijn leven afstand gedaan hebben. Al mijne verklaringen geschiedden onder deze noodzakelijke en volstrekte voorwaarde,—alleen, indien de aartshertog van Oostenrijk als een man ware voorgetreden en de beleedigingerkend had, betuigde ik, dat ik hem, uit liefde voor het Christendom vergeven zou.”„Maar,” vervolgde de baron met nadruk, „welke hoop bestaat er, dat deze goochelende slaaf van Saladin den spot niet met uw Majesteit zal drijven?”„Zwijg, Neville,” antwoordde de Koning; „gij houdt u voor zeer wijs en zijt maar een dwaas. Denk gij om mijn last ten opzichte van dezen knaap—er steekt meer in hem, dan uw Westmorelandsch vernuft kan doorgronden.—En gij, zwijgende zwarte, bereid u voor om het werk te verrichten, dat ge beloofd hebt, en, op het waar woord van een Koning, gij zult uwe eigen belooning kunnen kiezen. Zie, hij schrijft al weder.”De stomme schreef en overhandigde den Koning met dezelfde plechtigheid als de eerste maal een ander stuk papier dat deze woorden bevatte: „de wil des Konings is de wet voor zijn slaaf—ook betaamt het hem niet om een loon voor de vervulling van zijn plicht te vragen.”„Loonenplicht!” riep de Koning, het lezen afbrekende, en tot Neville in het Engelsch sprekende met eenigen nadruk op de woorden.—„Deze Oostersche volken zullen van de kruisvaarders leeren—zij nemen reeds de taal der ridderschap aan.—En zie, Neville, hoe ontroerd de man er uitziet—als zijne kleur het niet verhinderde, zou hij blozen. Het zou mij niet verwonderen, zoo hij verstond wat ik zeg—het zijn gevaarlijke taalkenners.”„De arme slaaf kan den blik van het oog uwer Majesteit niet verdragen,” zeide Neville, „anders is het niets.”„Goed, maar,” vervolgde de Koning, terwijl hij onder het spreken op het papier wees, „dit stoute geschrift zegt verder, dat onze getrouwe stomme belast is met eene boodschap van Saladin aan lady Edith Plantagenet, en hij verzoekt een middel en gelegenheid, om die over te brengen. Wat dunkt u van zulk een bescheiden verzoek—zeg, Neville?”„Ik kan niet zeggen,” antwoordde Neville, „hoe zulk eene vrijheid uwe Majesteit behagen zal; maar de afgezant, die zulk een verzoek van wege uwe Majesteit aan den Sultan zou overbrengen, zou spoedig een hoofd kleiner zijn.”„Nu, ik dank den Hemel, dat ik geen van zijne door de zon verzengde schoonen begeer,” zeide Richard; „en dezen man te straffen, omdat hij den last van zijn meester overbrengt, en nu hij juist mijn leven gered heeft—mij dunkt, dit zou toch al te streng zijn. Ik wil u een geheim mededeelen, Neville—want hoewel onze zwarte en stomme dienaar tegenwoordig is, weet gij toch, dat hij het niet over vertellen kan, al verstond hij ons toevallig ook—ik zeg u, dat ik sedert een veertien dagen onder eene zonderlinge betoovering gestaan heb, en ik wenschte, dat ik onttooverd ware. Er heeft mij nauwelijks iemand een goeden dienst bewezen, of zie, hij wischt zijn dienst tegenover mij door eene diepe beleediging uit; en van den anderen kant,hij, die den dood van mijne handen door eenig verraad of eenige beleediging verdiend heeft, is voorzeker juist degene, boven alle anderen, die mij eene verplichting oplegt, zwaarder dan zijne misdaden weegt, en mij in weerwil van zijne veroordeeling met het oog op mijne eer tot zijn schuldenaar maakt. Dus ziet gij, dat ik van het beste gedeelte van mijn koninklijk ambt beroofd ben, daar ik de menschen noch straffen noch beloonen kan. Tot dat de invloed van deze noodlottige planeet voorbij is, wil ik niets zeggen over het verzoek van onzen zwarten dienaar, behalve dat het hoogst vermetel is, en dat zijn beste kans, om genade in onze oogen te vinden, daarin bestaat, dat hij tracht de ontdekking te doen, die hij ten onzen behoeve voorgenomen heeft. Intusschen, Neville, let goed op hem, en laat voor hem zorgen met inachtneming van alle goede vormen.—En luister nog eens,” zeide hij fluisterende, „zoek gindschen kluizenaar van Engaddi op, en breng hem dadelijk bij mij, hij moge een heilige of een wilde, eenzinneloozeof een verstandig mensch zijn. Laat ik hem in het geheim zien.”Neville verwijderde zich uit de koninklijke tent, en gaf den Nubiër een teeken om hem te volgen, terwijl hij zeer verbaasd was over hetgeen hij gezien en gehoord had, en bijzonder over het ongewone gedrag des Konings. Over het algemeen was het geen gemakkelijke taak Richard’s gezindheid en bepaalde meeningen te ontdekken, ofschoon het in sommige gevallen moeilijk was den duur ervan te berekenen; want geen weerhaan gehoorzaamde den veranderlijken wind gereeder dan de Koning zijne aanvallen van drift. Maar in de tegenwoordige omstandigheden scheen zijn gedrag ongemeen gedwongen en geheimzinnig, en het was niet licht te gissen, of er misnoegen dan vriendelijkheid lag in zijne handelwijze jegens zijn nieuwen dienaar of in de blikken, waarmede hij van tijd tot tijd dien beschouwde. De gereede dienst, dien de Koning hem bewezen had, om de nadeelige werking van de wond van den Nubiër tegen te gaan, kon den schijn hebben van op te wegen tegen de verplichting, die de slaaf hem had opgelegd, toen hij den slag van den sluipmoordenaar afweerde. Maar het scheen of er veel grooter rekening tusschen hen te vereffenen bleef; de Koning twijfelde, of de balans hem ten slotte schuldeischer of schuldenaar zou laten, en het scheen of hij intusschen een onzijdig gedrag aannam, dat voor beide toestanden zou passen. Wat den Nubiër betrof, en door welke middelen hij ook de kunst om de Europeesche talen te schrijven verkregen had, de baron was overtuigd, dat althans de Engelsche taal hem vreemd was, daar hij hem gedurende het laatste gedeelte van de bijeenkomst oplettend had gadegeslagen, en hij het voor onmogelijk hield voor iemand, die een gesprek verstond, waarvan hij zelf het onderwerp was, zoo volkomen den schijn te kunnen vermijden, dat hij belang daarin stelde.

HOOFDSTUK XXI.De ontvleesde moord, gewekt door ’t huilen vanZijn wacht, de wolf zweeft steeds met wijden tred.Zoo als Tarquinius’ schendstap, naar zijn doel.Gelijk een spook.Macbeth.Gedurende een kwartier of langer na het voorgevallene bleef alles volkomen rustig vóór het koninklijk verblijf. De Koning las en peinsde aan den ingang van zijne tent—achter hem en met den rug naar den ingang gewend, polijstte de Nubische slaaf nog het groote schild.—Op den voorgrond, op een afstand van honderd schreden, stonden, zaten of lagen de landlieden van de wacht op het gras uitgestrekt. Zij waren met hunne eigen uitspanningen vervuld, maar speelden in stilte, terwijl op het plein tusschen hen en het voorste gedeelte der tent, het gevoellooze lichaam van den marabout lag, die nauwelijks van een hoop vodden was te onderscheiden.Maar de Nubiër was in het genot van een spiegel met schitterenden glans: het fijn gepolijste schild, dat hij in zijn handen had. Door middel van dezen bespeurde hij, tot zijn schrik en verbazing, dat de marabout zijn hoofd zachtjes van den grond optilde, zoodat hij alles om zich zien kon, terwijl hij zich met een goed berekende voorzichtigheid bewoog, die met zijn beschonken toestand volstrekt niet bestaanbaar scheen. Hij legde zijn hoofd dadelijk weder neder, overtuigd dat hij niet werd opgemerkt, begon, met den minstmogelijken schijn van vrijwillige poging, zich als bij toeval hoe langer hoe nader bij den Koning te sleepen. Maar hij hield bij tusschenpoozen op en bleef dan stil liggen, als eene spin, die haar prooi naderde, in schijnbare levenloosheid verzinkt, wanneer zij meent, dat zij opgemerkt wordt. Deze soort van beweging scheen den Ethiopiër verdacht toe, die zich van zijn kant, zoo stil mogelijk voorbereidde om tusschen beide te komen, zoodra die tusschenkomst noodzakelijk mocht blijken.De marabout kroop intusschen langzamerhand en onbemerkbaar als eene slang of liever als eene slak, totdat hij ongeveer tien ellen van Richard’s persoon af was. Toen sprong hij overeind, rende naar denKoning met den sprong van een tijger, stond in minder dan een oogenblik achter den Koning, en zwaaide dencangiarof dolk, dien hij in zijne mouw verborgen had, boven zijn hoofd. Zelfs de tegenwoordigheid van het geheele leger van den heldhaftigen monarch kon hem niet gered hebben—maar de bewegingen van den Nubiër waren even goed berekend geweest als die van den dweper, en eer de laatste kon toestooten, vatte de eerste zijn opgeheven arm. De Charegiet, want dit was de schijnbare marabout, zijne dweepzieke woede tegen den man richtende, die zich zoo onverwachts tusschen hem en het voorwerp zijner wraak plaatste, gaf den Nubiër een steek met zijn dolk, die echter alleen diens arm schaafde, terwijl de veel grootere kracht van den Ethiopiër hem gemakkelijk op den grond neder wierp. Richard, bespeurende, wat er was voorgevallen, was nu opgestaan, en met weinig meer verbazing, toorn of belangstelling van eenigen aard, dan een gewoon mensch toonen zou in het afweren en verpletteren van een lastige wesp, nam hij den stoel, waarop hij gezeten had, op en met de woorden „Daar, hond!” verbrijzelde hij den schedel van den sluipmoordenaar, die eenmaal luid en de tweedemaal met eene gebroken stem de woorden „Allah ackbar” (God zegepraalt) uitsprak—en aan de voeten des Konings den adem uitblies.„Gij zijt zorgvuldige wachten,” zeide Richard tot zijne boogschutters, op een toon van minachtend verwijt, toen zij door het ontstane gedruisch met schrik en verwarring zijne tent binnenstormden;—„gij zijt waakzame schildwachten, om mij te noodzaken zulk beulenwerk met eigen handen te verrichten.—Zwijgt allen stil, en houdt met uw onverstandig geschreeuw op! Hebt gij nooit meer een dooden Turk gezien?—Hier—werpt dat aas buiten het leger, slaat het hoofd van den romp, en steekt het op eene lans, en draagt zorg het gelaat naar Mekka te keeren, opdat hij den schandelijken belager, op wiens inblazing hij herwaarts gekomen is, te gemakkelijker zeggen kan, hoe het hem met zijn last gegaan is.—Wat u betreft, mijn zwarte, stomme vriend,” voegde hij er bij, zich tot den Ethiopiër wendende—„maar wat is dat?—gij zijt gewond—en dat met een vergiftig wapen, daar sta ik voor in; want door de kracht van een dolksteek kon zulk een zwak dier als dit, nauwelijks hopen meer te doen, dan de huid van den leeuw te schrammen.—Een van u zuige het vergif uit zijne wonde—het venijn is onschadelijk op de lippen, al is het doodelijk, wanneer het zich met het bloed vermengt.”Delandliedenzagen elkander verlegen en aarzelend aan, daar de vrees voor zulk een zonderling gevaar de overhand kreeg bij mannen, die voor geen ander gevaar schroomden.„Hoe nu, knapen,” vervolgde de Koning; „hebt gij zulke teedere lippen, of vreest gij den dood, daar gij zoo talmt?”„Niet den dood van een man,” antwoordde Lange Allen, dien de Koning onder het spreken aanzag, „maar mij dunkt, ik wilde niet gaarne als een vergiftige rot sterven, althans niet voor een zwartstuk vee als daar staat die op de markt als een gemeste os verkocht wordt.”„Zijne Majesteit spreekt tegen mannen van het uitzuigen van vergif,” bromde een ander landman, „als of hij zeide, toe, slok die aalbes door!”„Neen,” riep Richard, „ik heb nooit iemand bevolen iets te doen, wat ik niet zelf zou doen.”En zonder verderen omslag, en in weerwil van de algemeene tegenwerpingen der omstanders, en het eerbiedig verzet van den Nubiër zelven, legde de Koning van Engeland zijne lippen op de wond van den zwarten slaaf, alle vertoogen met spotternij bejegenende, en allen tegenstand trotseerende. Hij had nauwelijks zijn zonderling werk gestaakt, of de Nubiër sprong van hem af, sloeg een sjerp om zijn arm, en gaf door teekens, die evenzeer zijn vast voornemen aanduidden, als zij eerbiedig waren, zijn besluit te kennen, dat hij den Monarch niet veroorloven zou, om zulk een vernederend werk te hervatten. Lange Allen kwam ook tusschen beide, zeggende, dat, zoo het noodig ware om den Koning te beletten, zijne handelwijs te herhalen, zijne eigene lippen, tong en tanden ten dienste van den Neger (zoo als hij den Ethiopiër noemde) waren, en dat hij hem liever heelhuids zou opeten, dan dat de mond van Koning Richard hem weer zou naderen.Neville, die met andere officieren binnentrad, voegde er zijne betoogen bij.„Maakt toch geen noodeloos geschreeuw over een hert, dat de honden verloren hebben, of een gevaar, wanneer het over is,” zeide de Koning, „de wond is slechts een kleinigheid, want er is nauwelijks bloed uitgekomen—eene nijdige kat zou een dieperen krap hebben toegebracht—en wat mij betreft, ik behoef slechts een drachma orviëtan te nemen, bij wijze van voorzichtigheid, hoewel het onnoodig is.”Zoo sprak Richard een weinig beschaamd misschien over zijn eigen vernedering, ofschoon deze door menschlievendheid en dankbaarheid geheiligd werd. Maar toen Neville voortging met betoogen over het gevaar van zijn koninklijken persoon te maken, legde de Koning hem het stilzwijgen op.„Stil, bid ik u—spreek er niet meer over—ik deed het slechts om deze onwetende, bevooroordeelde knapen te toonen, hoe zij elkander helpen konden, als deze lafhartige honden ons met vergiftigde pijlen aanvallen.—Maar”, voegde hij er bij, „neem dezen Nubiër in uw kwartier, Neville—ik ben van meening ten zijnen opzichte veranderd—laat goed voor hem zorgen.—Maar luister wel—zie toe, dat hij niet ontsnapt—er steekt meer in hem, dan hij schijnt. Laat hem alle vrijheid genieten, maar zoo, dat hij het leger niet verlaten kan.—En gij, vleeschvretende, wijnzwelgende Engelsche bulhonden, gaat dadelijk weder op wacht, en zorgt dat gij waakzamer zijt. Denkt niet, dat gij thans in uw eigen land zijt, waar gij een eerlijk spel hebt, waar de menschen spreken, eer zij toeslaan, en elkander de hand drukken, vóór dat zij elkander de keel afsnijden. Het gevaar in ons land treedt openlijk op en met getrokken zwaard, en daagt den vijand uit, dien het aanvallen wil. Maar hier geschiedt de uitdaging met een zijden handschoen in plaats van met een stalen,snijdt men de keel uit met de veder van eene tortelduif; doorsteekt u met de tong van een priesterlijk kleinood, of worgt u met de snoer van een keurslijf. Gaat—houdt uw oogen open, uw mond gesloten—drinkt minder, en ziet scherper toe op hetgeen rondom u is; of ik zal uwe groote magen op zulk een rantsoen zetten, dat het zelfs de maag van een geduldigen Schot honger zou doen krijgen.”De landlieden keerden beschaamd en ootmoedig naar hun post terug, en Neville begon weder zijn meester te onderhouden over het gevaar van de verwaarloozing van hun plicht zoo lichtelijk over het hoofd te zien, en de wenschelijkheid van een voorbeeld te stellen in een geval, met zoo bijzonder bezwarende omstandigheden gepaard, dat men zulk een zoo verdacht persoon als den marabout vergunde, om op een dolklengte tot zijn persoon te naderen. Maar Richard viel hem in de rede: „Spreek er niet van, Neville—zoudt gij willen, dat ik een klein gevaar voor mijn eigen persoon strenger strafte dan het verlies van de banier van Engeland? Deze is gestolen—gestolen door een dief, of overgegeven door een verrader, en er is geen bloed om gestort.—Mijn zwarte vriend, gij zijt een verklaarder van geheimen, zegt de doorluchtige Sultan—nu zou ik u uw eigen gewicht in goud geven, als gij, door een nog zwarteren, dan gij zelf zijt, of door welke andere middelen gij ook wilt, mij den dief kondt aanwijzen, die mijne eer dien schimp heeft aangedaan. Wat zegt gij, he?”De stomme scheen verlangend te spreken, maar gaf slechts dien onvolmaakten toon, eigen aan zijn treurigen toestand, kruiste daarop de armen, zag den Koning met een blik aan, die zeide, dat hij hem verstond, en knikte ten antwoord op zijne vraag.„Hoe!” riep Richard met een vroolijk ongeduld. „Wilt gij het ondernemen, deze zaak te ontdekken?”De Nubische slaaf herhaalde dezelfde beweging.„Maar hoe zullen wij elkander verstaan?” vroeg de Koning.—„Kunt gij schrijven, beste kerel?”De slaaf beaamde dit weder door een teeken.„Geef hem schrijfgereedschap,” zeide de Koning. „Dit was spoediger bij de hand in de tent van mijn vader dan in de mijne—maar het zal wel hier of daar zijn, wanneer dit verzengend klimaat de inkt niet heeft verdroogd. Wel, deze man is een juweel—een zwarte diamant, Neville.”„Met verlof van uwe Majesteit,” zeide Neville,„als ik met mijn arm verstand mij daarover mag uitlaten, het is altijd gevaarlijk, om met zulke waar om te gaan. De man moet een toovenaar zijn, en toovenaars staan met den vijand in verband, die er het meeste belang bij heeft om onkruid onder de tarwe te zaaien en oneenigheid in onze raadsvergadering te brengen, en ….”„Zwijg, Neville,” zeide Richard. „Roep uwNoordschenhond een halloo toe, wanneer hij het wild te dicht op de hielen zit, en hoop hem terug te roepen, maar tracht niet, Plantagenet tegen te houden, als hij hoop heeft, zijne eer te herstellen.”De slaaf, die gedurende deze woordenwisseling geschreven had, in welke kunst hij zeer vaardig scheen, stond nu op, drukte het geschrevene tegen zijn voorhoofd, en boog zich, als naar gewoonte, eer hij het in handen van den Koning overgaf. Het geschrift was in het Fransch, ofschoon hun onderhoud tot hiertoe door Richard in deLingua Francagehouden werd.„Aan Richard, den overwinnenden en onverwinlijken Koning van Engeland, dit van den minsten zijner slaven. Geheimen zijn de verzegelde kisten des hemels; maar de wijsheid kan middelen vinden, om het slot te openen. Zoo uw slaaf geplaatst werd daar, waar de aanvoerders van het leger in orde voor hem voorbij moesten trekken, twijfel dan niet, of, wanneer diegene, die den smaad, waarover mijn Koning klaagt, bedreven heeft, zich onder hun getal bevindt, hij in zijne boosheid ontdekt zal worden, al is hij ook onder zeven sluiers verborgen.”„Nu, bij St. George!”zeide Koning Richard, „gij hebt geheel ter gelegener tijd gesproken.—Neville, gij weet, dat wanneer wij morgen onze troepen monsteren, de vorsten overeengekomen zijn, dat, ten einde den schimp, Engeland door het stelen van de banier aangedaan, weder goed maken, de aanvoerders bij onzen nieuwen standaard zullen voorbijtrekken, die op den St. Georgeberg wappert, en hem met plechtigen eerbied zullen groeten. Geloof mij, de geheime verrader zal het niet wagen, zich aan zulk eene plechtige zuivering te onttrekken, uit vrees dat zijne afwezigheid alleen reeds reden tot achterdocht zou geven.—Daar zullen wij onzen zwarten raadsman plaatsen, en indien zijne kunst den schurk kan ontdekken, laat mij dan maar met hem omspringen.”„Mijn Koning,” antwoordde Neville met de vrijmoedigheid van een Engelsch baron, „zie toe, welk werk gij begint. De eendracht tusschen ons heilig verbond is onverwacht vernieuwd—wilt gij op vermoedens, die een Negerslaaf u inboezemt, wonden openrijten, die eerst sedert kort gesloten zijn.—Of wilt gij den plechtigen stoet, die voor het herstel uwer eer, en voor de bevestiging van eensgezindheid onder de oneenige vorsten bepaald is, als een middel gebruiken, om nieuwe redenen tot beleediging te vinden, of oude twisten te doen herleven? Het zon nauwelijks te sterk gezegd zijn, dat dit een inbreuk zou wezen op de verklaring, die uwe Majesteit aan den vergaderden raad van den kruistocht gedaan heeft.”„Neville,” viel de Koning hem barsch in de rede, „uw ijver maakt u onbescheiden en lomp. Nooit heb ik beloofd, mij te onthouden, alle middelen in het werk te stellen, die het dienstigst konden zijn, om den schandelijken aanrander van mijne eer te ontdekken. Liever dan dit te doen, zou ik van mijn koninkrijk—ja van mijn leven afstand gedaan hebben. Al mijne verklaringen geschiedden onder deze noodzakelijke en volstrekte voorwaarde,—alleen, indien de aartshertog van Oostenrijk als een man ware voorgetreden en de beleedigingerkend had, betuigde ik, dat ik hem, uit liefde voor het Christendom vergeven zou.”„Maar,” vervolgde de baron met nadruk, „welke hoop bestaat er, dat deze goochelende slaaf van Saladin den spot niet met uw Majesteit zal drijven?”„Zwijg, Neville,” antwoordde de Koning; „gij houdt u voor zeer wijs en zijt maar een dwaas. Denk gij om mijn last ten opzichte van dezen knaap—er steekt meer in hem, dan uw Westmorelandsch vernuft kan doorgronden.—En gij, zwijgende zwarte, bereid u voor om het werk te verrichten, dat ge beloofd hebt, en, op het waar woord van een Koning, gij zult uwe eigen belooning kunnen kiezen. Zie, hij schrijft al weder.”De stomme schreef en overhandigde den Koning met dezelfde plechtigheid als de eerste maal een ander stuk papier dat deze woorden bevatte: „de wil des Konings is de wet voor zijn slaaf—ook betaamt het hem niet om een loon voor de vervulling van zijn plicht te vragen.”„Loonenplicht!” riep de Koning, het lezen afbrekende, en tot Neville in het Engelsch sprekende met eenigen nadruk op de woorden.—„Deze Oostersche volken zullen van de kruisvaarders leeren—zij nemen reeds de taal der ridderschap aan.—En zie, Neville, hoe ontroerd de man er uitziet—als zijne kleur het niet verhinderde, zou hij blozen. Het zou mij niet verwonderen, zoo hij verstond wat ik zeg—het zijn gevaarlijke taalkenners.”„De arme slaaf kan den blik van het oog uwer Majesteit niet verdragen,” zeide Neville, „anders is het niets.”„Goed, maar,” vervolgde de Koning, terwijl hij onder het spreken op het papier wees, „dit stoute geschrift zegt verder, dat onze getrouwe stomme belast is met eene boodschap van Saladin aan lady Edith Plantagenet, en hij verzoekt een middel en gelegenheid, om die over te brengen. Wat dunkt u van zulk een bescheiden verzoek—zeg, Neville?”„Ik kan niet zeggen,” antwoordde Neville, „hoe zulk eene vrijheid uwe Majesteit behagen zal; maar de afgezant, die zulk een verzoek van wege uwe Majesteit aan den Sultan zou overbrengen, zou spoedig een hoofd kleiner zijn.”„Nu, ik dank den Hemel, dat ik geen van zijne door de zon verzengde schoonen begeer,” zeide Richard; „en dezen man te straffen, omdat hij den last van zijn meester overbrengt, en nu hij juist mijn leven gered heeft—mij dunkt, dit zou toch al te streng zijn. Ik wil u een geheim mededeelen, Neville—want hoewel onze zwarte en stomme dienaar tegenwoordig is, weet gij toch, dat hij het niet over vertellen kan, al verstond hij ons toevallig ook—ik zeg u, dat ik sedert een veertien dagen onder eene zonderlinge betoovering gestaan heb, en ik wenschte, dat ik onttooverd ware. Er heeft mij nauwelijks iemand een goeden dienst bewezen, of zie, hij wischt zijn dienst tegenover mij door eene diepe beleediging uit; en van den anderen kant,hij, die den dood van mijne handen door eenig verraad of eenige beleediging verdiend heeft, is voorzeker juist degene, boven alle anderen, die mij eene verplichting oplegt, zwaarder dan zijne misdaden weegt, en mij in weerwil van zijne veroordeeling met het oog op mijne eer tot zijn schuldenaar maakt. Dus ziet gij, dat ik van het beste gedeelte van mijn koninklijk ambt beroofd ben, daar ik de menschen noch straffen noch beloonen kan. Tot dat de invloed van deze noodlottige planeet voorbij is, wil ik niets zeggen over het verzoek van onzen zwarten dienaar, behalve dat het hoogst vermetel is, en dat zijn beste kans, om genade in onze oogen te vinden, daarin bestaat, dat hij tracht de ontdekking te doen, die hij ten onzen behoeve voorgenomen heeft. Intusschen, Neville, let goed op hem, en laat voor hem zorgen met inachtneming van alle goede vormen.—En luister nog eens,” zeide hij fluisterende, „zoek gindschen kluizenaar van Engaddi op, en breng hem dadelijk bij mij, hij moge een heilige of een wilde, eenzinneloozeof een verstandig mensch zijn. Laat ik hem in het geheim zien.”Neville verwijderde zich uit de koninklijke tent, en gaf den Nubiër een teeken om hem te volgen, terwijl hij zeer verbaasd was over hetgeen hij gezien en gehoord had, en bijzonder over het ongewone gedrag des Konings. Over het algemeen was het geen gemakkelijke taak Richard’s gezindheid en bepaalde meeningen te ontdekken, ofschoon het in sommige gevallen moeilijk was den duur ervan te berekenen; want geen weerhaan gehoorzaamde den veranderlijken wind gereeder dan de Koning zijne aanvallen van drift. Maar in de tegenwoordige omstandigheden scheen zijn gedrag ongemeen gedwongen en geheimzinnig, en het was niet licht te gissen, of er misnoegen dan vriendelijkheid lag in zijne handelwijze jegens zijn nieuwen dienaar of in de blikken, waarmede hij van tijd tot tijd dien beschouwde. De gereede dienst, dien de Koning hem bewezen had, om de nadeelige werking van de wond van den Nubiër tegen te gaan, kon den schijn hebben van op te wegen tegen de verplichting, die de slaaf hem had opgelegd, toen hij den slag van den sluipmoordenaar afweerde. Maar het scheen of er veel grooter rekening tusschen hen te vereffenen bleef; de Koning twijfelde, of de balans hem ten slotte schuldeischer of schuldenaar zou laten, en het scheen of hij intusschen een onzijdig gedrag aannam, dat voor beide toestanden zou passen. Wat den Nubiër betrof, en door welke middelen hij ook de kunst om de Europeesche talen te schrijven verkregen had, de baron was overtuigd, dat althans de Engelsche taal hem vreemd was, daar hij hem gedurende het laatste gedeelte van de bijeenkomst oplettend had gadegeslagen, en hij het voor onmogelijk hield voor iemand, die een gesprek verstond, waarvan hij zelf het onderwerp was, zoo volkomen den schijn te kunnen vermijden, dat hij belang daarin stelde.

HOOFDSTUK XXI.De ontvleesde moord, gewekt door ’t huilen vanZijn wacht, de wolf zweeft steeds met wijden tred.Zoo als Tarquinius’ schendstap, naar zijn doel.Gelijk een spook.Macbeth.

De ontvleesde moord, gewekt door ’t huilen vanZijn wacht, de wolf zweeft steeds met wijden tred.Zoo als Tarquinius’ schendstap, naar zijn doel.Gelijk een spook.Macbeth.

De ontvleesde moord, gewekt door ’t huilen vanZijn wacht, de wolf zweeft steeds met wijden tred.Zoo als Tarquinius’ schendstap, naar zijn doel.Gelijk een spook.

De ontvleesde moord, gewekt door ’t huilen van

Zijn wacht, de wolf zweeft steeds met wijden tred.

Zoo als Tarquinius’ schendstap, naar zijn doel.

Gelijk een spook.

Macbeth.

Gedurende een kwartier of langer na het voorgevallene bleef alles volkomen rustig vóór het koninklijk verblijf. De Koning las en peinsde aan den ingang van zijne tent—achter hem en met den rug naar den ingang gewend, polijstte de Nubische slaaf nog het groote schild.—Op den voorgrond, op een afstand van honderd schreden, stonden, zaten of lagen de landlieden van de wacht op het gras uitgestrekt. Zij waren met hunne eigen uitspanningen vervuld, maar speelden in stilte, terwijl op het plein tusschen hen en het voorste gedeelte der tent, het gevoellooze lichaam van den marabout lag, die nauwelijks van een hoop vodden was te onderscheiden.Maar de Nubiër was in het genot van een spiegel met schitterenden glans: het fijn gepolijste schild, dat hij in zijn handen had. Door middel van dezen bespeurde hij, tot zijn schrik en verbazing, dat de marabout zijn hoofd zachtjes van den grond optilde, zoodat hij alles om zich zien kon, terwijl hij zich met een goed berekende voorzichtigheid bewoog, die met zijn beschonken toestand volstrekt niet bestaanbaar scheen. Hij legde zijn hoofd dadelijk weder neder, overtuigd dat hij niet werd opgemerkt, begon, met den minstmogelijken schijn van vrijwillige poging, zich als bij toeval hoe langer hoe nader bij den Koning te sleepen. Maar hij hield bij tusschenpoozen op en bleef dan stil liggen, als eene spin, die haar prooi naderde, in schijnbare levenloosheid verzinkt, wanneer zij meent, dat zij opgemerkt wordt. Deze soort van beweging scheen den Ethiopiër verdacht toe, die zich van zijn kant, zoo stil mogelijk voorbereidde om tusschen beide te komen, zoodra die tusschenkomst noodzakelijk mocht blijken.De marabout kroop intusschen langzamerhand en onbemerkbaar als eene slang of liever als eene slak, totdat hij ongeveer tien ellen van Richard’s persoon af was. Toen sprong hij overeind, rende naar denKoning met den sprong van een tijger, stond in minder dan een oogenblik achter den Koning, en zwaaide dencangiarof dolk, dien hij in zijne mouw verborgen had, boven zijn hoofd. Zelfs de tegenwoordigheid van het geheele leger van den heldhaftigen monarch kon hem niet gered hebben—maar de bewegingen van den Nubiër waren even goed berekend geweest als die van den dweper, en eer de laatste kon toestooten, vatte de eerste zijn opgeheven arm. De Charegiet, want dit was de schijnbare marabout, zijne dweepzieke woede tegen den man richtende, die zich zoo onverwachts tusschen hem en het voorwerp zijner wraak plaatste, gaf den Nubiër een steek met zijn dolk, die echter alleen diens arm schaafde, terwijl de veel grootere kracht van den Ethiopiër hem gemakkelijk op den grond neder wierp. Richard, bespeurende, wat er was voorgevallen, was nu opgestaan, en met weinig meer verbazing, toorn of belangstelling van eenigen aard, dan een gewoon mensch toonen zou in het afweren en verpletteren van een lastige wesp, nam hij den stoel, waarop hij gezeten had, op en met de woorden „Daar, hond!” verbrijzelde hij den schedel van den sluipmoordenaar, die eenmaal luid en de tweedemaal met eene gebroken stem de woorden „Allah ackbar” (God zegepraalt) uitsprak—en aan de voeten des Konings den adem uitblies.„Gij zijt zorgvuldige wachten,” zeide Richard tot zijne boogschutters, op een toon van minachtend verwijt, toen zij door het ontstane gedruisch met schrik en verwarring zijne tent binnenstormden;—„gij zijt waakzame schildwachten, om mij te noodzaken zulk beulenwerk met eigen handen te verrichten.—Zwijgt allen stil, en houdt met uw onverstandig geschreeuw op! Hebt gij nooit meer een dooden Turk gezien?—Hier—werpt dat aas buiten het leger, slaat het hoofd van den romp, en steekt het op eene lans, en draagt zorg het gelaat naar Mekka te keeren, opdat hij den schandelijken belager, op wiens inblazing hij herwaarts gekomen is, te gemakkelijker zeggen kan, hoe het hem met zijn last gegaan is.—Wat u betreft, mijn zwarte, stomme vriend,” voegde hij er bij, zich tot den Ethiopiër wendende—„maar wat is dat?—gij zijt gewond—en dat met een vergiftig wapen, daar sta ik voor in; want door de kracht van een dolksteek kon zulk een zwak dier als dit, nauwelijks hopen meer te doen, dan de huid van den leeuw te schrammen.—Een van u zuige het vergif uit zijne wonde—het venijn is onschadelijk op de lippen, al is het doodelijk, wanneer het zich met het bloed vermengt.”Delandliedenzagen elkander verlegen en aarzelend aan, daar de vrees voor zulk een zonderling gevaar de overhand kreeg bij mannen, die voor geen ander gevaar schroomden.„Hoe nu, knapen,” vervolgde de Koning; „hebt gij zulke teedere lippen, of vreest gij den dood, daar gij zoo talmt?”„Niet den dood van een man,” antwoordde Lange Allen, dien de Koning onder het spreken aanzag, „maar mij dunkt, ik wilde niet gaarne als een vergiftige rot sterven, althans niet voor een zwartstuk vee als daar staat die op de markt als een gemeste os verkocht wordt.”„Zijne Majesteit spreekt tegen mannen van het uitzuigen van vergif,” bromde een ander landman, „als of hij zeide, toe, slok die aalbes door!”„Neen,” riep Richard, „ik heb nooit iemand bevolen iets te doen, wat ik niet zelf zou doen.”En zonder verderen omslag, en in weerwil van de algemeene tegenwerpingen der omstanders, en het eerbiedig verzet van den Nubiër zelven, legde de Koning van Engeland zijne lippen op de wond van den zwarten slaaf, alle vertoogen met spotternij bejegenende, en allen tegenstand trotseerende. Hij had nauwelijks zijn zonderling werk gestaakt, of de Nubiër sprong van hem af, sloeg een sjerp om zijn arm, en gaf door teekens, die evenzeer zijn vast voornemen aanduidden, als zij eerbiedig waren, zijn besluit te kennen, dat hij den Monarch niet veroorloven zou, om zulk een vernederend werk te hervatten. Lange Allen kwam ook tusschen beide, zeggende, dat, zoo het noodig ware om den Koning te beletten, zijne handelwijs te herhalen, zijne eigene lippen, tong en tanden ten dienste van den Neger (zoo als hij den Ethiopiër noemde) waren, en dat hij hem liever heelhuids zou opeten, dan dat de mond van Koning Richard hem weer zou naderen.Neville, die met andere officieren binnentrad, voegde er zijne betoogen bij.„Maakt toch geen noodeloos geschreeuw over een hert, dat de honden verloren hebben, of een gevaar, wanneer het over is,” zeide de Koning, „de wond is slechts een kleinigheid, want er is nauwelijks bloed uitgekomen—eene nijdige kat zou een dieperen krap hebben toegebracht—en wat mij betreft, ik behoef slechts een drachma orviëtan te nemen, bij wijze van voorzichtigheid, hoewel het onnoodig is.”Zoo sprak Richard een weinig beschaamd misschien over zijn eigen vernedering, ofschoon deze door menschlievendheid en dankbaarheid geheiligd werd. Maar toen Neville voortging met betoogen over het gevaar van zijn koninklijken persoon te maken, legde de Koning hem het stilzwijgen op.„Stil, bid ik u—spreek er niet meer over—ik deed het slechts om deze onwetende, bevooroordeelde knapen te toonen, hoe zij elkander helpen konden, als deze lafhartige honden ons met vergiftigde pijlen aanvallen.—Maar”, voegde hij er bij, „neem dezen Nubiër in uw kwartier, Neville—ik ben van meening ten zijnen opzichte veranderd—laat goed voor hem zorgen.—Maar luister wel—zie toe, dat hij niet ontsnapt—er steekt meer in hem, dan hij schijnt. Laat hem alle vrijheid genieten, maar zoo, dat hij het leger niet verlaten kan.—En gij, vleeschvretende, wijnzwelgende Engelsche bulhonden, gaat dadelijk weder op wacht, en zorgt dat gij waakzamer zijt. Denkt niet, dat gij thans in uw eigen land zijt, waar gij een eerlijk spel hebt, waar de menschen spreken, eer zij toeslaan, en elkander de hand drukken, vóór dat zij elkander de keel afsnijden. Het gevaar in ons land treedt openlijk op en met getrokken zwaard, en daagt den vijand uit, dien het aanvallen wil. Maar hier geschiedt de uitdaging met een zijden handschoen in plaats van met een stalen,snijdt men de keel uit met de veder van eene tortelduif; doorsteekt u met de tong van een priesterlijk kleinood, of worgt u met de snoer van een keurslijf. Gaat—houdt uw oogen open, uw mond gesloten—drinkt minder, en ziet scherper toe op hetgeen rondom u is; of ik zal uwe groote magen op zulk een rantsoen zetten, dat het zelfs de maag van een geduldigen Schot honger zou doen krijgen.”De landlieden keerden beschaamd en ootmoedig naar hun post terug, en Neville begon weder zijn meester te onderhouden over het gevaar van de verwaarloozing van hun plicht zoo lichtelijk over het hoofd te zien, en de wenschelijkheid van een voorbeeld te stellen in een geval, met zoo bijzonder bezwarende omstandigheden gepaard, dat men zulk een zoo verdacht persoon als den marabout vergunde, om op een dolklengte tot zijn persoon te naderen. Maar Richard viel hem in de rede: „Spreek er niet van, Neville—zoudt gij willen, dat ik een klein gevaar voor mijn eigen persoon strenger strafte dan het verlies van de banier van Engeland? Deze is gestolen—gestolen door een dief, of overgegeven door een verrader, en er is geen bloed om gestort.—Mijn zwarte vriend, gij zijt een verklaarder van geheimen, zegt de doorluchtige Sultan—nu zou ik u uw eigen gewicht in goud geven, als gij, door een nog zwarteren, dan gij zelf zijt, of door welke andere middelen gij ook wilt, mij den dief kondt aanwijzen, die mijne eer dien schimp heeft aangedaan. Wat zegt gij, he?”De stomme scheen verlangend te spreken, maar gaf slechts dien onvolmaakten toon, eigen aan zijn treurigen toestand, kruiste daarop de armen, zag den Koning met een blik aan, die zeide, dat hij hem verstond, en knikte ten antwoord op zijne vraag.„Hoe!” riep Richard met een vroolijk ongeduld. „Wilt gij het ondernemen, deze zaak te ontdekken?”De Nubische slaaf herhaalde dezelfde beweging.„Maar hoe zullen wij elkander verstaan?” vroeg de Koning.—„Kunt gij schrijven, beste kerel?”De slaaf beaamde dit weder door een teeken.„Geef hem schrijfgereedschap,” zeide de Koning. „Dit was spoediger bij de hand in de tent van mijn vader dan in de mijne—maar het zal wel hier of daar zijn, wanneer dit verzengend klimaat de inkt niet heeft verdroogd. Wel, deze man is een juweel—een zwarte diamant, Neville.”„Met verlof van uwe Majesteit,” zeide Neville,„als ik met mijn arm verstand mij daarover mag uitlaten, het is altijd gevaarlijk, om met zulke waar om te gaan. De man moet een toovenaar zijn, en toovenaars staan met den vijand in verband, die er het meeste belang bij heeft om onkruid onder de tarwe te zaaien en oneenigheid in onze raadsvergadering te brengen, en ….”„Zwijg, Neville,” zeide Richard. „Roep uwNoordschenhond een halloo toe, wanneer hij het wild te dicht op de hielen zit, en hoop hem terug te roepen, maar tracht niet, Plantagenet tegen te houden, als hij hoop heeft, zijne eer te herstellen.”De slaaf, die gedurende deze woordenwisseling geschreven had, in welke kunst hij zeer vaardig scheen, stond nu op, drukte het geschrevene tegen zijn voorhoofd, en boog zich, als naar gewoonte, eer hij het in handen van den Koning overgaf. Het geschrift was in het Fransch, ofschoon hun onderhoud tot hiertoe door Richard in deLingua Francagehouden werd.„Aan Richard, den overwinnenden en onverwinlijken Koning van Engeland, dit van den minsten zijner slaven. Geheimen zijn de verzegelde kisten des hemels; maar de wijsheid kan middelen vinden, om het slot te openen. Zoo uw slaaf geplaatst werd daar, waar de aanvoerders van het leger in orde voor hem voorbij moesten trekken, twijfel dan niet, of, wanneer diegene, die den smaad, waarover mijn Koning klaagt, bedreven heeft, zich onder hun getal bevindt, hij in zijne boosheid ontdekt zal worden, al is hij ook onder zeven sluiers verborgen.”„Nu, bij St. George!”zeide Koning Richard, „gij hebt geheel ter gelegener tijd gesproken.—Neville, gij weet, dat wanneer wij morgen onze troepen monsteren, de vorsten overeengekomen zijn, dat, ten einde den schimp, Engeland door het stelen van de banier aangedaan, weder goed maken, de aanvoerders bij onzen nieuwen standaard zullen voorbijtrekken, die op den St. Georgeberg wappert, en hem met plechtigen eerbied zullen groeten. Geloof mij, de geheime verrader zal het niet wagen, zich aan zulk eene plechtige zuivering te onttrekken, uit vrees dat zijne afwezigheid alleen reeds reden tot achterdocht zou geven.—Daar zullen wij onzen zwarten raadsman plaatsen, en indien zijne kunst den schurk kan ontdekken, laat mij dan maar met hem omspringen.”„Mijn Koning,” antwoordde Neville met de vrijmoedigheid van een Engelsch baron, „zie toe, welk werk gij begint. De eendracht tusschen ons heilig verbond is onverwacht vernieuwd—wilt gij op vermoedens, die een Negerslaaf u inboezemt, wonden openrijten, die eerst sedert kort gesloten zijn.—Of wilt gij den plechtigen stoet, die voor het herstel uwer eer, en voor de bevestiging van eensgezindheid onder de oneenige vorsten bepaald is, als een middel gebruiken, om nieuwe redenen tot beleediging te vinden, of oude twisten te doen herleven? Het zon nauwelijks te sterk gezegd zijn, dat dit een inbreuk zou wezen op de verklaring, die uwe Majesteit aan den vergaderden raad van den kruistocht gedaan heeft.”„Neville,” viel de Koning hem barsch in de rede, „uw ijver maakt u onbescheiden en lomp. Nooit heb ik beloofd, mij te onthouden, alle middelen in het werk te stellen, die het dienstigst konden zijn, om den schandelijken aanrander van mijne eer te ontdekken. Liever dan dit te doen, zou ik van mijn koninkrijk—ja van mijn leven afstand gedaan hebben. Al mijne verklaringen geschiedden onder deze noodzakelijke en volstrekte voorwaarde,—alleen, indien de aartshertog van Oostenrijk als een man ware voorgetreden en de beleedigingerkend had, betuigde ik, dat ik hem, uit liefde voor het Christendom vergeven zou.”„Maar,” vervolgde de baron met nadruk, „welke hoop bestaat er, dat deze goochelende slaaf van Saladin den spot niet met uw Majesteit zal drijven?”„Zwijg, Neville,” antwoordde de Koning; „gij houdt u voor zeer wijs en zijt maar een dwaas. Denk gij om mijn last ten opzichte van dezen knaap—er steekt meer in hem, dan uw Westmorelandsch vernuft kan doorgronden.—En gij, zwijgende zwarte, bereid u voor om het werk te verrichten, dat ge beloofd hebt, en, op het waar woord van een Koning, gij zult uwe eigen belooning kunnen kiezen. Zie, hij schrijft al weder.”De stomme schreef en overhandigde den Koning met dezelfde plechtigheid als de eerste maal een ander stuk papier dat deze woorden bevatte: „de wil des Konings is de wet voor zijn slaaf—ook betaamt het hem niet om een loon voor de vervulling van zijn plicht te vragen.”„Loonenplicht!” riep de Koning, het lezen afbrekende, en tot Neville in het Engelsch sprekende met eenigen nadruk op de woorden.—„Deze Oostersche volken zullen van de kruisvaarders leeren—zij nemen reeds de taal der ridderschap aan.—En zie, Neville, hoe ontroerd de man er uitziet—als zijne kleur het niet verhinderde, zou hij blozen. Het zou mij niet verwonderen, zoo hij verstond wat ik zeg—het zijn gevaarlijke taalkenners.”„De arme slaaf kan den blik van het oog uwer Majesteit niet verdragen,” zeide Neville, „anders is het niets.”„Goed, maar,” vervolgde de Koning, terwijl hij onder het spreken op het papier wees, „dit stoute geschrift zegt verder, dat onze getrouwe stomme belast is met eene boodschap van Saladin aan lady Edith Plantagenet, en hij verzoekt een middel en gelegenheid, om die over te brengen. Wat dunkt u van zulk een bescheiden verzoek—zeg, Neville?”„Ik kan niet zeggen,” antwoordde Neville, „hoe zulk eene vrijheid uwe Majesteit behagen zal; maar de afgezant, die zulk een verzoek van wege uwe Majesteit aan den Sultan zou overbrengen, zou spoedig een hoofd kleiner zijn.”„Nu, ik dank den Hemel, dat ik geen van zijne door de zon verzengde schoonen begeer,” zeide Richard; „en dezen man te straffen, omdat hij den last van zijn meester overbrengt, en nu hij juist mijn leven gered heeft—mij dunkt, dit zou toch al te streng zijn. Ik wil u een geheim mededeelen, Neville—want hoewel onze zwarte en stomme dienaar tegenwoordig is, weet gij toch, dat hij het niet over vertellen kan, al verstond hij ons toevallig ook—ik zeg u, dat ik sedert een veertien dagen onder eene zonderlinge betoovering gestaan heb, en ik wenschte, dat ik onttooverd ware. Er heeft mij nauwelijks iemand een goeden dienst bewezen, of zie, hij wischt zijn dienst tegenover mij door eene diepe beleediging uit; en van den anderen kant,hij, die den dood van mijne handen door eenig verraad of eenige beleediging verdiend heeft, is voorzeker juist degene, boven alle anderen, die mij eene verplichting oplegt, zwaarder dan zijne misdaden weegt, en mij in weerwil van zijne veroordeeling met het oog op mijne eer tot zijn schuldenaar maakt. Dus ziet gij, dat ik van het beste gedeelte van mijn koninklijk ambt beroofd ben, daar ik de menschen noch straffen noch beloonen kan. Tot dat de invloed van deze noodlottige planeet voorbij is, wil ik niets zeggen over het verzoek van onzen zwarten dienaar, behalve dat het hoogst vermetel is, en dat zijn beste kans, om genade in onze oogen te vinden, daarin bestaat, dat hij tracht de ontdekking te doen, die hij ten onzen behoeve voorgenomen heeft. Intusschen, Neville, let goed op hem, en laat voor hem zorgen met inachtneming van alle goede vormen.—En luister nog eens,” zeide hij fluisterende, „zoek gindschen kluizenaar van Engaddi op, en breng hem dadelijk bij mij, hij moge een heilige of een wilde, eenzinneloozeof een verstandig mensch zijn. Laat ik hem in het geheim zien.”Neville verwijderde zich uit de koninklijke tent, en gaf den Nubiër een teeken om hem te volgen, terwijl hij zeer verbaasd was over hetgeen hij gezien en gehoord had, en bijzonder over het ongewone gedrag des Konings. Over het algemeen was het geen gemakkelijke taak Richard’s gezindheid en bepaalde meeningen te ontdekken, ofschoon het in sommige gevallen moeilijk was den duur ervan te berekenen; want geen weerhaan gehoorzaamde den veranderlijken wind gereeder dan de Koning zijne aanvallen van drift. Maar in de tegenwoordige omstandigheden scheen zijn gedrag ongemeen gedwongen en geheimzinnig, en het was niet licht te gissen, of er misnoegen dan vriendelijkheid lag in zijne handelwijze jegens zijn nieuwen dienaar of in de blikken, waarmede hij van tijd tot tijd dien beschouwde. De gereede dienst, dien de Koning hem bewezen had, om de nadeelige werking van de wond van den Nubiër tegen te gaan, kon den schijn hebben van op te wegen tegen de verplichting, die de slaaf hem had opgelegd, toen hij den slag van den sluipmoordenaar afweerde. Maar het scheen of er veel grooter rekening tusschen hen te vereffenen bleef; de Koning twijfelde, of de balans hem ten slotte schuldeischer of schuldenaar zou laten, en het scheen of hij intusschen een onzijdig gedrag aannam, dat voor beide toestanden zou passen. Wat den Nubiër betrof, en door welke middelen hij ook de kunst om de Europeesche talen te schrijven verkregen had, de baron was overtuigd, dat althans de Engelsche taal hem vreemd was, daar hij hem gedurende het laatste gedeelte van de bijeenkomst oplettend had gadegeslagen, en hij het voor onmogelijk hield voor iemand, die een gesprek verstond, waarvan hij zelf het onderwerp was, zoo volkomen den schijn te kunnen vermijden, dat hij belang daarin stelde.

Gedurende een kwartier of langer na het voorgevallene bleef alles volkomen rustig vóór het koninklijk verblijf. De Koning las en peinsde aan den ingang van zijne tent—achter hem en met den rug naar den ingang gewend, polijstte de Nubische slaaf nog het groote schild.—Op den voorgrond, op een afstand van honderd schreden, stonden, zaten of lagen de landlieden van de wacht op het gras uitgestrekt. Zij waren met hunne eigen uitspanningen vervuld, maar speelden in stilte, terwijl op het plein tusschen hen en het voorste gedeelte der tent, het gevoellooze lichaam van den marabout lag, die nauwelijks van een hoop vodden was te onderscheiden.

Maar de Nubiër was in het genot van een spiegel met schitterenden glans: het fijn gepolijste schild, dat hij in zijn handen had. Door middel van dezen bespeurde hij, tot zijn schrik en verbazing, dat de marabout zijn hoofd zachtjes van den grond optilde, zoodat hij alles om zich zien kon, terwijl hij zich met een goed berekende voorzichtigheid bewoog, die met zijn beschonken toestand volstrekt niet bestaanbaar scheen. Hij legde zijn hoofd dadelijk weder neder, overtuigd dat hij niet werd opgemerkt, begon, met den minstmogelijken schijn van vrijwillige poging, zich als bij toeval hoe langer hoe nader bij den Koning te sleepen. Maar hij hield bij tusschenpoozen op en bleef dan stil liggen, als eene spin, die haar prooi naderde, in schijnbare levenloosheid verzinkt, wanneer zij meent, dat zij opgemerkt wordt. Deze soort van beweging scheen den Ethiopiër verdacht toe, die zich van zijn kant, zoo stil mogelijk voorbereidde om tusschen beide te komen, zoodra die tusschenkomst noodzakelijk mocht blijken.

De marabout kroop intusschen langzamerhand en onbemerkbaar als eene slang of liever als eene slak, totdat hij ongeveer tien ellen van Richard’s persoon af was. Toen sprong hij overeind, rende naar denKoning met den sprong van een tijger, stond in minder dan een oogenblik achter den Koning, en zwaaide dencangiarof dolk, dien hij in zijne mouw verborgen had, boven zijn hoofd. Zelfs de tegenwoordigheid van het geheele leger van den heldhaftigen monarch kon hem niet gered hebben—maar de bewegingen van den Nubiër waren even goed berekend geweest als die van den dweper, en eer de laatste kon toestooten, vatte de eerste zijn opgeheven arm. De Charegiet, want dit was de schijnbare marabout, zijne dweepzieke woede tegen den man richtende, die zich zoo onverwachts tusschen hem en het voorwerp zijner wraak plaatste, gaf den Nubiër een steek met zijn dolk, die echter alleen diens arm schaafde, terwijl de veel grootere kracht van den Ethiopiër hem gemakkelijk op den grond neder wierp. Richard, bespeurende, wat er was voorgevallen, was nu opgestaan, en met weinig meer verbazing, toorn of belangstelling van eenigen aard, dan een gewoon mensch toonen zou in het afweren en verpletteren van een lastige wesp, nam hij den stoel, waarop hij gezeten had, op en met de woorden „Daar, hond!” verbrijzelde hij den schedel van den sluipmoordenaar, die eenmaal luid en de tweedemaal met eene gebroken stem de woorden „Allah ackbar” (God zegepraalt) uitsprak—en aan de voeten des Konings den adem uitblies.

„Gij zijt zorgvuldige wachten,” zeide Richard tot zijne boogschutters, op een toon van minachtend verwijt, toen zij door het ontstane gedruisch met schrik en verwarring zijne tent binnenstormden;—„gij zijt waakzame schildwachten, om mij te noodzaken zulk beulenwerk met eigen handen te verrichten.—Zwijgt allen stil, en houdt met uw onverstandig geschreeuw op! Hebt gij nooit meer een dooden Turk gezien?—Hier—werpt dat aas buiten het leger, slaat het hoofd van den romp, en steekt het op eene lans, en draagt zorg het gelaat naar Mekka te keeren, opdat hij den schandelijken belager, op wiens inblazing hij herwaarts gekomen is, te gemakkelijker zeggen kan, hoe het hem met zijn last gegaan is.—Wat u betreft, mijn zwarte, stomme vriend,” voegde hij er bij, zich tot den Ethiopiër wendende—„maar wat is dat?—gij zijt gewond—en dat met een vergiftig wapen, daar sta ik voor in; want door de kracht van een dolksteek kon zulk een zwak dier als dit, nauwelijks hopen meer te doen, dan de huid van den leeuw te schrammen.—Een van u zuige het vergif uit zijne wonde—het venijn is onschadelijk op de lippen, al is het doodelijk, wanneer het zich met het bloed vermengt.”

Delandliedenzagen elkander verlegen en aarzelend aan, daar de vrees voor zulk een zonderling gevaar de overhand kreeg bij mannen, die voor geen ander gevaar schroomden.

„Hoe nu, knapen,” vervolgde de Koning; „hebt gij zulke teedere lippen, of vreest gij den dood, daar gij zoo talmt?”

„Niet den dood van een man,” antwoordde Lange Allen, dien de Koning onder het spreken aanzag, „maar mij dunkt, ik wilde niet gaarne als een vergiftige rot sterven, althans niet voor een zwartstuk vee als daar staat die op de markt als een gemeste os verkocht wordt.”

„Zijne Majesteit spreekt tegen mannen van het uitzuigen van vergif,” bromde een ander landman, „als of hij zeide, toe, slok die aalbes door!”

„Neen,” riep Richard, „ik heb nooit iemand bevolen iets te doen, wat ik niet zelf zou doen.”

En zonder verderen omslag, en in weerwil van de algemeene tegenwerpingen der omstanders, en het eerbiedig verzet van den Nubiër zelven, legde de Koning van Engeland zijne lippen op de wond van den zwarten slaaf, alle vertoogen met spotternij bejegenende, en allen tegenstand trotseerende. Hij had nauwelijks zijn zonderling werk gestaakt, of de Nubiër sprong van hem af, sloeg een sjerp om zijn arm, en gaf door teekens, die evenzeer zijn vast voornemen aanduidden, als zij eerbiedig waren, zijn besluit te kennen, dat hij den Monarch niet veroorloven zou, om zulk een vernederend werk te hervatten. Lange Allen kwam ook tusschen beide, zeggende, dat, zoo het noodig ware om den Koning te beletten, zijne handelwijs te herhalen, zijne eigene lippen, tong en tanden ten dienste van den Neger (zoo als hij den Ethiopiër noemde) waren, en dat hij hem liever heelhuids zou opeten, dan dat de mond van Koning Richard hem weer zou naderen.

Neville, die met andere officieren binnentrad, voegde er zijne betoogen bij.

„Maakt toch geen noodeloos geschreeuw over een hert, dat de honden verloren hebben, of een gevaar, wanneer het over is,” zeide de Koning, „de wond is slechts een kleinigheid, want er is nauwelijks bloed uitgekomen—eene nijdige kat zou een dieperen krap hebben toegebracht—en wat mij betreft, ik behoef slechts een drachma orviëtan te nemen, bij wijze van voorzichtigheid, hoewel het onnoodig is.”

Zoo sprak Richard een weinig beschaamd misschien over zijn eigen vernedering, ofschoon deze door menschlievendheid en dankbaarheid geheiligd werd. Maar toen Neville voortging met betoogen over het gevaar van zijn koninklijken persoon te maken, legde de Koning hem het stilzwijgen op.

„Stil, bid ik u—spreek er niet meer over—ik deed het slechts om deze onwetende, bevooroordeelde knapen te toonen, hoe zij elkander helpen konden, als deze lafhartige honden ons met vergiftigde pijlen aanvallen.—Maar”, voegde hij er bij, „neem dezen Nubiër in uw kwartier, Neville—ik ben van meening ten zijnen opzichte veranderd—laat goed voor hem zorgen.—Maar luister wel—zie toe, dat hij niet ontsnapt—er steekt meer in hem, dan hij schijnt. Laat hem alle vrijheid genieten, maar zoo, dat hij het leger niet verlaten kan.—En gij, vleeschvretende, wijnzwelgende Engelsche bulhonden, gaat dadelijk weder op wacht, en zorgt dat gij waakzamer zijt. Denkt niet, dat gij thans in uw eigen land zijt, waar gij een eerlijk spel hebt, waar de menschen spreken, eer zij toeslaan, en elkander de hand drukken, vóór dat zij elkander de keel afsnijden. Het gevaar in ons land treedt openlijk op en met getrokken zwaard, en daagt den vijand uit, dien het aanvallen wil. Maar hier geschiedt de uitdaging met een zijden handschoen in plaats van met een stalen,snijdt men de keel uit met de veder van eene tortelduif; doorsteekt u met de tong van een priesterlijk kleinood, of worgt u met de snoer van een keurslijf. Gaat—houdt uw oogen open, uw mond gesloten—drinkt minder, en ziet scherper toe op hetgeen rondom u is; of ik zal uwe groote magen op zulk een rantsoen zetten, dat het zelfs de maag van een geduldigen Schot honger zou doen krijgen.”

De landlieden keerden beschaamd en ootmoedig naar hun post terug, en Neville begon weder zijn meester te onderhouden over het gevaar van de verwaarloozing van hun plicht zoo lichtelijk over het hoofd te zien, en de wenschelijkheid van een voorbeeld te stellen in een geval, met zoo bijzonder bezwarende omstandigheden gepaard, dat men zulk een zoo verdacht persoon als den marabout vergunde, om op een dolklengte tot zijn persoon te naderen. Maar Richard viel hem in de rede: „Spreek er niet van, Neville—zoudt gij willen, dat ik een klein gevaar voor mijn eigen persoon strenger strafte dan het verlies van de banier van Engeland? Deze is gestolen—gestolen door een dief, of overgegeven door een verrader, en er is geen bloed om gestort.—Mijn zwarte vriend, gij zijt een verklaarder van geheimen, zegt de doorluchtige Sultan—nu zou ik u uw eigen gewicht in goud geven, als gij, door een nog zwarteren, dan gij zelf zijt, of door welke andere middelen gij ook wilt, mij den dief kondt aanwijzen, die mijne eer dien schimp heeft aangedaan. Wat zegt gij, he?”

De stomme scheen verlangend te spreken, maar gaf slechts dien onvolmaakten toon, eigen aan zijn treurigen toestand, kruiste daarop de armen, zag den Koning met een blik aan, die zeide, dat hij hem verstond, en knikte ten antwoord op zijne vraag.

„Hoe!” riep Richard met een vroolijk ongeduld. „Wilt gij het ondernemen, deze zaak te ontdekken?”

De Nubische slaaf herhaalde dezelfde beweging.

„Maar hoe zullen wij elkander verstaan?” vroeg de Koning.—„Kunt gij schrijven, beste kerel?”

De slaaf beaamde dit weder door een teeken.

„Geef hem schrijfgereedschap,” zeide de Koning. „Dit was spoediger bij de hand in de tent van mijn vader dan in de mijne—maar het zal wel hier of daar zijn, wanneer dit verzengend klimaat de inkt niet heeft verdroogd. Wel, deze man is een juweel—een zwarte diamant, Neville.”

„Met verlof van uwe Majesteit,” zeide Neville,„als ik met mijn arm verstand mij daarover mag uitlaten, het is altijd gevaarlijk, om met zulke waar om te gaan. De man moet een toovenaar zijn, en toovenaars staan met den vijand in verband, die er het meeste belang bij heeft om onkruid onder de tarwe te zaaien en oneenigheid in onze raadsvergadering te brengen, en ….”

„Zwijg, Neville,” zeide Richard. „Roep uwNoordschenhond een halloo toe, wanneer hij het wild te dicht op de hielen zit, en hoop hem terug te roepen, maar tracht niet, Plantagenet tegen te houden, als hij hoop heeft, zijne eer te herstellen.”

De slaaf, die gedurende deze woordenwisseling geschreven had, in welke kunst hij zeer vaardig scheen, stond nu op, drukte het geschrevene tegen zijn voorhoofd, en boog zich, als naar gewoonte, eer hij het in handen van den Koning overgaf. Het geschrift was in het Fransch, ofschoon hun onderhoud tot hiertoe door Richard in deLingua Francagehouden werd.

„Aan Richard, den overwinnenden en onverwinlijken Koning van Engeland, dit van den minsten zijner slaven. Geheimen zijn de verzegelde kisten des hemels; maar de wijsheid kan middelen vinden, om het slot te openen. Zoo uw slaaf geplaatst werd daar, waar de aanvoerders van het leger in orde voor hem voorbij moesten trekken, twijfel dan niet, of, wanneer diegene, die den smaad, waarover mijn Koning klaagt, bedreven heeft, zich onder hun getal bevindt, hij in zijne boosheid ontdekt zal worden, al is hij ook onder zeven sluiers verborgen.”

„Nu, bij St. George!”zeide Koning Richard, „gij hebt geheel ter gelegener tijd gesproken.—Neville, gij weet, dat wanneer wij morgen onze troepen monsteren, de vorsten overeengekomen zijn, dat, ten einde den schimp, Engeland door het stelen van de banier aangedaan, weder goed maken, de aanvoerders bij onzen nieuwen standaard zullen voorbijtrekken, die op den St. Georgeberg wappert, en hem met plechtigen eerbied zullen groeten. Geloof mij, de geheime verrader zal het niet wagen, zich aan zulk eene plechtige zuivering te onttrekken, uit vrees dat zijne afwezigheid alleen reeds reden tot achterdocht zou geven.—Daar zullen wij onzen zwarten raadsman plaatsen, en indien zijne kunst den schurk kan ontdekken, laat mij dan maar met hem omspringen.”

„Mijn Koning,” antwoordde Neville met de vrijmoedigheid van een Engelsch baron, „zie toe, welk werk gij begint. De eendracht tusschen ons heilig verbond is onverwacht vernieuwd—wilt gij op vermoedens, die een Negerslaaf u inboezemt, wonden openrijten, die eerst sedert kort gesloten zijn.—Of wilt gij den plechtigen stoet, die voor het herstel uwer eer, en voor de bevestiging van eensgezindheid onder de oneenige vorsten bepaald is, als een middel gebruiken, om nieuwe redenen tot beleediging te vinden, of oude twisten te doen herleven? Het zon nauwelijks te sterk gezegd zijn, dat dit een inbreuk zou wezen op de verklaring, die uwe Majesteit aan den vergaderden raad van den kruistocht gedaan heeft.”

„Neville,” viel de Koning hem barsch in de rede, „uw ijver maakt u onbescheiden en lomp. Nooit heb ik beloofd, mij te onthouden, alle middelen in het werk te stellen, die het dienstigst konden zijn, om den schandelijken aanrander van mijne eer te ontdekken. Liever dan dit te doen, zou ik van mijn koninkrijk—ja van mijn leven afstand gedaan hebben. Al mijne verklaringen geschiedden onder deze noodzakelijke en volstrekte voorwaarde,—alleen, indien de aartshertog van Oostenrijk als een man ware voorgetreden en de beleedigingerkend had, betuigde ik, dat ik hem, uit liefde voor het Christendom vergeven zou.”

„Maar,” vervolgde de baron met nadruk, „welke hoop bestaat er, dat deze goochelende slaaf van Saladin den spot niet met uw Majesteit zal drijven?”

„Zwijg, Neville,” antwoordde de Koning; „gij houdt u voor zeer wijs en zijt maar een dwaas. Denk gij om mijn last ten opzichte van dezen knaap—er steekt meer in hem, dan uw Westmorelandsch vernuft kan doorgronden.—En gij, zwijgende zwarte, bereid u voor om het werk te verrichten, dat ge beloofd hebt, en, op het waar woord van een Koning, gij zult uwe eigen belooning kunnen kiezen. Zie, hij schrijft al weder.”

De stomme schreef en overhandigde den Koning met dezelfde plechtigheid als de eerste maal een ander stuk papier dat deze woorden bevatte: „de wil des Konings is de wet voor zijn slaaf—ook betaamt het hem niet om een loon voor de vervulling van zijn plicht te vragen.”

„Loonenplicht!” riep de Koning, het lezen afbrekende, en tot Neville in het Engelsch sprekende met eenigen nadruk op de woorden.—„Deze Oostersche volken zullen van de kruisvaarders leeren—zij nemen reeds de taal der ridderschap aan.—En zie, Neville, hoe ontroerd de man er uitziet—als zijne kleur het niet verhinderde, zou hij blozen. Het zou mij niet verwonderen, zoo hij verstond wat ik zeg—het zijn gevaarlijke taalkenners.”

„De arme slaaf kan den blik van het oog uwer Majesteit niet verdragen,” zeide Neville, „anders is het niets.”

„Goed, maar,” vervolgde de Koning, terwijl hij onder het spreken op het papier wees, „dit stoute geschrift zegt verder, dat onze getrouwe stomme belast is met eene boodschap van Saladin aan lady Edith Plantagenet, en hij verzoekt een middel en gelegenheid, om die over te brengen. Wat dunkt u van zulk een bescheiden verzoek—zeg, Neville?”

„Ik kan niet zeggen,” antwoordde Neville, „hoe zulk eene vrijheid uwe Majesteit behagen zal; maar de afgezant, die zulk een verzoek van wege uwe Majesteit aan den Sultan zou overbrengen, zou spoedig een hoofd kleiner zijn.”

„Nu, ik dank den Hemel, dat ik geen van zijne door de zon verzengde schoonen begeer,” zeide Richard; „en dezen man te straffen, omdat hij den last van zijn meester overbrengt, en nu hij juist mijn leven gered heeft—mij dunkt, dit zou toch al te streng zijn. Ik wil u een geheim mededeelen, Neville—want hoewel onze zwarte en stomme dienaar tegenwoordig is, weet gij toch, dat hij het niet over vertellen kan, al verstond hij ons toevallig ook—ik zeg u, dat ik sedert een veertien dagen onder eene zonderlinge betoovering gestaan heb, en ik wenschte, dat ik onttooverd ware. Er heeft mij nauwelijks iemand een goeden dienst bewezen, of zie, hij wischt zijn dienst tegenover mij door eene diepe beleediging uit; en van den anderen kant,hij, die den dood van mijne handen door eenig verraad of eenige beleediging verdiend heeft, is voorzeker juist degene, boven alle anderen, die mij eene verplichting oplegt, zwaarder dan zijne misdaden weegt, en mij in weerwil van zijne veroordeeling met het oog op mijne eer tot zijn schuldenaar maakt. Dus ziet gij, dat ik van het beste gedeelte van mijn koninklijk ambt beroofd ben, daar ik de menschen noch straffen noch beloonen kan. Tot dat de invloed van deze noodlottige planeet voorbij is, wil ik niets zeggen over het verzoek van onzen zwarten dienaar, behalve dat het hoogst vermetel is, en dat zijn beste kans, om genade in onze oogen te vinden, daarin bestaat, dat hij tracht de ontdekking te doen, die hij ten onzen behoeve voorgenomen heeft. Intusschen, Neville, let goed op hem, en laat voor hem zorgen met inachtneming van alle goede vormen.—En luister nog eens,” zeide hij fluisterende, „zoek gindschen kluizenaar van Engaddi op, en breng hem dadelijk bij mij, hij moge een heilige of een wilde, eenzinneloozeof een verstandig mensch zijn. Laat ik hem in het geheim zien.”

Neville verwijderde zich uit de koninklijke tent, en gaf den Nubiër een teeken om hem te volgen, terwijl hij zeer verbaasd was over hetgeen hij gezien en gehoord had, en bijzonder over het ongewone gedrag des Konings. Over het algemeen was het geen gemakkelijke taak Richard’s gezindheid en bepaalde meeningen te ontdekken, ofschoon het in sommige gevallen moeilijk was den duur ervan te berekenen; want geen weerhaan gehoorzaamde den veranderlijken wind gereeder dan de Koning zijne aanvallen van drift. Maar in de tegenwoordige omstandigheden scheen zijn gedrag ongemeen gedwongen en geheimzinnig, en het was niet licht te gissen, of er misnoegen dan vriendelijkheid lag in zijne handelwijze jegens zijn nieuwen dienaar of in de blikken, waarmede hij van tijd tot tijd dien beschouwde. De gereede dienst, dien de Koning hem bewezen had, om de nadeelige werking van de wond van den Nubiër tegen te gaan, kon den schijn hebben van op te wegen tegen de verplichting, die de slaaf hem had opgelegd, toen hij den slag van den sluipmoordenaar afweerde. Maar het scheen of er veel grooter rekening tusschen hen te vereffenen bleef; de Koning twijfelde, of de balans hem ten slotte schuldeischer of schuldenaar zou laten, en het scheen of hij intusschen een onzijdig gedrag aannam, dat voor beide toestanden zou passen. Wat den Nubiër betrof, en door welke middelen hij ook de kunst om de Europeesche talen te schrijven verkregen had, de baron was overtuigd, dat althans de Engelsche taal hem vreemd was, daar hij hem gedurende het laatste gedeelte van de bijeenkomst oplettend had gadegeslagen, en hij het voor onmogelijk hield voor iemand, die een gesprek verstond, waarvan hij zelf het onderwerp was, zoo volkomen den schijn te kunnen vermijden, dat hij belang daarin stelde.


Back to IndexNext