HOOFDSTUK XXII.

HOOFDSTUK XXII.Wie daar?—Treed nader—wel gedaan—Mijn geleerde dokter en een vriend.Eustace Grey.Ons verhaal keert tot een tijdvak terug, dat aan de laatst beschreven gebeurtenissen kort voorafging, toen, zoo als de lezer zich herinneren zal, de ongelukkige ridder van den Luipaard, dien Koning Richard den Arabischen geneesheer geschonken had, veeleer als slaaf dan in eenige andere betrekking, verbannen werd uit het kamp der kruisvaarders, in welke gelederen hij zoo dikwijls en zoo schitterend zich had onderscheiden. Hij volgde zijn nieuwen meester, want zoo moeten wij nu den Hakim noemen, naar de Moorsche tenten, die zijn gevolg en eigendom bevatten, met het verstompte gevoel van iemand, die, van den top van een steilen berg in een afgrond nedergevallen, tegen zijne verwachting hetlevender heeft afgebracht en nog maar juist in staat is, om zich van de noodlottige plek weg te slepen, maar zonder de mate van de ontvangen wonden te kunnen beoordeelen. Toen hij in de tent gekomen was, wierp hij zich, geheel sprakeloos, op eene legerstede van bereide buffelshuiden, die zijn leidsman hem aanwees, en zijn gelaat in zijne handen verbergende, zuchtte hij zwaar, alsof zijn hart op het punt was te barstten. De geneesheer hoorde hem, terwijl hij zijne bevelen aan zijn talrijke bedienden gaf, ten einde zich voor hun vertrek tegen den volgenden morgen vóór het aanbreken van den dag gereed te maken, en door medelijden bewogen, staakte hij zijne bezigheid, legde de beenen kruiselings over elkander, en ging naast zijn leger zitten, om hem troost toe te spreken volgens de Oostersche wijze.„Mijn vriend”, zeide hij, „wees getroost—want wat zegt de dichter? Het is beter, dat een mensch de slaaf van een goed meester is, dan de slaaf van zijne eigen wilde driften. Nog eens, houd goeden moed, omdat, gelijk Isoef Ben Jagoebe door zijne broeders aan een Koning, en wel aan Farao, Koning van Egypte, verkocht werd, uw Koning u daarentegen aan iemand geschonken heeft, die voor u zijn zal als een broeder.”Sir Kenneth deed een poging om den Hakim te danken, maar zijn hart was te vol, en de onverstaanbare woorden, die zijne mislukte pogingen tot een antwoord vergezelden, bewogen den vriendelijken meester, om van zijne te voorbarige moeite tot vertroosting af te zien. Hij liet zijn nieuwen bediende of gast in rust, opdat hij zich aan zijne smart mocht overgeven, en toen hij de noodige voorbereidingen voor hun vertrek op den volgenden morgen bevolen had, zette hij zich op het tapijt neder, en gebruikte een soberen maaltijd. Nadat hij zich aldus verfrischt had, werden den Schotschen ridder gelijke spijzen aangeboden; maar, ofschoon de slaven sir Kenneth te verstaan gaven, dat de volgende dag reeds ver gevorderd moet zijn eer zij zouden stilhouden, om zich te ververschen, kon hij den tegenzin tegen alle voedsel niet te boven komen, en men kon hem niet overreden om iets anders te gebruiken dan een teug koud water.Hij was nog wakker, lang nadat zijn Arabische gastheer zijne gewone godsdienstoefeningen verricht, en zich ter rust begeven had. De slaap had hem nog niet eens te middernacht bezocht, toen er eene beweging onder de bedienden plaats greep, die, ofschoon er niets bij gesproken en zeer weinig gedruisch gemaakt werd, hem deed bespeuren, dat zij de kameelen laadden en zich tot het vertrekvoorbereidden. Bij deze voorbereidingen was de persoon, die het laatst gestoord werd, op den geneesheer zelven na, de Schotsche ridder, wien eene soort van huis-hofmeester tegen drie uren des morgens verwittigde, dat hij moest opstaan. Hij deed dit zonder verder antwoord en volgde hem in het maanlicht, waar de kameelen stonden, die voor het grootste gedeelte reeds beladen waren, en waarvan nog slechts een op de knieën lag, totdat hij zijne volle lading zou hebben.Op eenigen afstand van de kameelen stonden een aantal paarden, die getoomd en gezadeld waren, en de Hakim zelf te voorschijn komende, besteeg er een van met zoo veel vlugheid, als de ernstige deftigheid van zijn karakter toeliet, en hij wees op een ander met bevel om het aan sir Kenneth te brengen. Er was een Engelsch officier tegenwoordig, om hen door de legerplaats der kruisvaarders te geleiden, en hunne veiligheid te verzekeren, en alles was gereed voor hun vertrek. De tent, die zij verlaten hadden, werd midderlerwijl afgebroken, en de tentstukken en het bekleedsel maakten den last van den laatsten kameel uit.—Hierop sprak de geneesheer plechtig het vers uit den koran uit: „God zij onze leidsman, en Mahomed onze beschermer zoowel in de woestijn als in het door water bevochtigde veld.” Toen was de geheele troep oogenblikkelijk in beweging.Onder het doortrekken van het kamp werden zij door verscheidene schildwachten aangeroepen, die hen zwijgend lieten voorbijtrekken, of een vloek tegen hun profeet bromden, terwijl zij den post van den een of anderen meer ijverigen kruisvaarder voorbijreden. Eindelijk lieten zij de laatste barrières achter zich, en de troep stelde zich voor den marsch op met voorbehoedende maatregelen, die uit een krijgskundig oogpunt noodig waren. Twee of drie ruiters trokken als voorhoede vooruit; een of twee bleven een boogschotslengte in de achterhoede; en overal waar de grond dat toeliet, werden anderen afgezonden om op de flanken een waakzaam oog te houden. Op deze wijze trokken zij voorwaarts, terwijl sir Kenneth, thans op het door de maan verlichte kamp terugziende, werkelijk verbannen kon schijnen, daar hij te gelijkertijd van de eer en vrijheid beroofd was, en tevens van de schitterende banieren, waaronder hij gehoopt had nog meer roem te verwerven, en van de tenten der ridderschap, van de Christenheid en—van Edith Plantagenet.De Hakim, die naast hem reed, poogde op zijne gewone wijze hem door spreuken te troosten, „het is onverstandig achterwaarts te zien, wanneer de weg vóór ons ligt”, en terwijl hij sprak, deed het paard des ridders zulk een gevaarlijken misstap, dat het dreigde eene practische zedeles bij het verhaal te voegen.Door dezen wenk werd de ridder verplicht meer acht te slaan op het bestieren van zijn paard, dat meer dan eens de hulp en den steun van toom en teugel vereischte, ofschoon in andere opzichten niets gemakkelijker en tevens sneller kon zijn, dan de telgang, waarmede het dier voortstapte.„Het is met het paard gesteld als met het menschelijk geslacht”, merkte de spreukrijke geneesheer aan, „daar, te midden van zijn snelsten en gemakkelijksten gang, de ruiter zich voor een val moet hoeden, en, wanneer de voorspoed het hoogst is, onze voorzichtigheid het waakzaamst en ijverigst moet zijn, om het ongeluk te voorkomen.”De overladen eetlust heeft zelfs van de honigraat een afkeer, en het is niet te verwonderen, dat de ridder, gekweld en vermoeid door rampen en vernedering, eenigermate ongeduldig werd, toen hij hoorde, dat zijne ellende, bij elke wending, de aanleiding tot spreekwoorden en zinspreuken werd, hoe billijk en juist ter snede die ook waren.„Mij dunkt”, zeide hij een weinig gevoelig,„dat ik geen verdere opheldering van de onstandvastigheid der fortuin behoefde, ofschoon ik u danken zou, heer Hakim, voor de keus van een paard voor mij, zoo het slechts eens zoo flink struikelen wilde, dat het mijn hals te gelijk met den zijnen brak.”„Broeder”, antwoordde de Arabische wijze, met onverstoorbare deftigheid, „gij spreekt als een der dwazen. Gij zegt in uw hart, dat de wijze aan zijn gast het jongste en beste paard had moeten geven, en het oude voor zich behouden; maar verneem, dat de gebreken van het oudere paard door de kracht van den jongeren ruiter kunnen vergoed worden, terwijl de drift van het jonge paard door het bedaarde karakter van den ouderen moet worden bekoeld.”Zoo sprak de wijze; maar ook op deze aanmerking gaf sir Kenneth geen antwoord, dat tot eene voortzetting van hun gesprek kon leiden; en de geneesheer, die het misschien moede werd iemand te troosten, die niet getroost wilde zijn, gaf een teeken aan een van zijn gevolg.„Hassan”, zeide hij, „hebt gij niets om den weg te verkorten?”Hassan, een sprookverteller en een dichter van beroep, naderde bij deze uitnoodiging, om zijn ambt uit te oefenen.—„Heer van het paleis des levens”, zeidehij, zich tot den geneesheer wendende, „gij, voor wien de engel Azraël zijne wieken uitspreidt, om de vlucht te nemen—gij, wijzer dan Soliman Ben Daved, op wiens zegelring de ware naam geschreven stond, die de geesten van de elementen beteugelt—de Hemel verhoede, dat, terwijl gij op den weg der weldadigheid wandelt, en genezing en hoop brengt, overal waar gij verschijnt, uwe eigen reis door gebrek aan verhalen en gezang onaangenaam zou gemaakt worden. Zie, zoolang uw dienaar aan uwe zijde is, zal hij de schatten van zijn geheugen uitstorten, gelijk de fontein haar stroom langs het pad zendt, ter verversching van hen, die daarop wandelt.”Na deze inleiding verhief Hassan zijne stem, en begon een verhaal van liefde en tooverij, met daden van krijgsroem doormengd, en versierd met overvloedige aanhalingen uit de Persische dichters, metwier werken de redenaar gemeenzaam bekend scheen te zijn. Het gevolg van den geneesheer, behalve diegenen, welke noodzakelijk op de kameelen moeten passen, drongen zich om den verhaler, en kwamen zoo nabij, als de eerbied voor hun meester toeliet, om het genot te smaken, welke de Oosterschen altijd in deze soort van kunstbeoefeningen gevonden hebben.Op een anderen tijd zou sir Kenneth, ondanks zijne gebrekkige kennis van de taal, in de voordracht belang gesteld hebben, daar deze ofschoon zij door een meer weelderige verbeelding ingegeven en in eene meer buitensporigen en figuurlijken stijl geuit werd, toch eene sterke gelijkenis had met de romancen der ridderschap, die toen in Europa zoozeer in zwang waren. Maar zoo als de zaken voor hem stonden, bespeurde hij nauwelijks, dat een man in het midden van den troep, ongeveer twee uren lang op een zachten toon iets opzeide en zong, terwijl hij zijne stem naar de verschillende aandoeningen van hartstocht, die in het verhaal te pas kwamen, veranderde, en tot belooning dan eens een zacht geprevelde goedkeuring, dan weder uitdrukkingen van verwondering ontving, dan eens zuchten en tranen, en somtijds, hetgeen veel moeilijker van zulk een gehoor te verkrijgen is, den zweem van een stillen glimlach, ja, zelfs van gelach.Onder het verhalen werd de aandacht van den balling, hoe afgetrokken ook door zijne eigen diepe smart, nu en dan opgewekt door het dof gehuil van een hond, die in een hok, dat op een der kameelen hing, was opgesloten. Als ervaren jager kon hij er niet aan twijfelen, of het was dat van zijn eigen trouwen hond; en uit den klagenden toon van het dier begreep hij, dat het de nabijheid van zijn meester bespeurde, en op zijne wijze diens bijstand vroeg, om hem te bevrijden.„Helaas! arme Roswal”, zeide hij, „gij roept iemand om hulp en medelijden aan, die in een strenger slavernij is dan gij zelf. Ik wil mij houden, of ik u niet bemerk, en uwe liefde niet beantwoorden, daar dit slechts dienen zou, om onze scheiding nog te grievender te maken.”Zoo gingen de uren van den nacht voorbij, en de tijd van den grijzen nevel, die het schemerlicht van een Syrischen morgen vormt. Maar toen de eerste omtrek van de zonneschijf boven den gezichteinder begon te rijzen, en de eerste straal door den dauw langs de oppervlakte van de woestijn schoot, die de reizigers thans bereikt hadden, verhief El Hakim zelf zijne luidklinkende stem, waarmede hij het verhaal van den spreukverteller afbrak, terwijl hij over de woestijn de plechtige oproeping deed weergalmen, die de muezzins des morgens van den minaret van elke moskee doen hooren.„Ten gebede—ten gebede! God is de eenige God.—Ten gebede—ten gebede! Mahomed is de profeet Gods.—Ten gebede—ten gebede! de tijd ontvliedt u.—Ten gebede—ten gebede! Het oordeel nadert u met rasse schreden.”In een oogwenk wierp ieder Muzelman zich van zijn paard, wendde het gelaat naar Mekka, en verrichtte met zand eene nabootsing vandie afwasschingen, die anders met water moesten geschieden, terwijl ieder in het bijzonder, in korte maar vurige uitroepen, zich zelven aan de zorg, en zijne zonden aan de vergiffenis van God en den profeet aanbeval.Zelfs sir Kenneth, wiens rede en vooroordeelen tevens gekrenkt werden, door dat hij zijne reismakkers iets zag verrichten, dat hij als eene daad van afgoderij beschouwde, kon niet nalaten de oprechtheid van hun verkeerden ijver te eerbiedigen. Door hunne geestdrift opgewekt, richtte hij in zuiverder vorm gebeden tot den Hemel. Tevens verwonderde hij zich, welk nieuw geboren gevoel hem kon leeren, om zich in het gebed te vereenigen met diezelfde Sarraceenen, wier heidenschen eeredienst hij als eene onteerende misdaad beschouwde voor het land, waarin groote wonderen geschied waren, en de ster der verlossing was opgekomen.In welk vreemd gezelschap zijn gebed dan ook geuit werd, het sproot zuiver voort uit zijn natuurlijk gevoel omtrent godsdienstplicht, en het had zijne gewone uitwerking, namelijk den geest, die door eene zoo snelle opvolging van rampen was geschokt, tot kalmte te brengen. De oprechte en ernstige toenadering van den Christen tot den troon van den Almachtige is de beste aansporing tot geduld in droefheid; want waarom zouden wij met God door onze gebeden spotten, wanneer wij Hem door het morren tegen zijne bedoelingen beleedigen?—Of hoe zouden wij, terwijl onze gebeden bij ieder woord de ijdelheid en nietigheid van de vergankelijke goederen in vergelijking met de eeuwige erkennen, hopen den Doorgronder der harten te bedriegen, door toe te laten, dat de wereld en wereldsche driften hare onstuimige heerschappij over onze harten hernemen op hetzelfde oogenblik, dat onze godsdienstoefening geëindigd is?—Er zijn zulke met zich zelf in strijd zijnde menschen geweest, en misschien zijn zij er nog, die toelaten,dat aardsche driften de teugels hernemen, terstond nadat zij zich in een ernstig gebed tot den Hemel hebben gericht; maar sir Kenneth behoorde niet tot deze. Hij gevoelde zich vertroost en versterkt, en beter voorbereid, om alles, waartoe zijn toestand hem mocht verplichten, te doen en te lijden en te volvoeren of zich daaraan te onderwerpen.Intusschen had de troep Sarraceenen zich weder in de zadels geworpen, en zij vervolgden hun weg, terwijl de verhaler, Hassan, den draad van zijn vertelsel weer opnam; maar hij deed dit niet langer voor dezelfde aandachtige toehoorders. Een ruiter, die eene hoogte aan de rechterhand van de kleine bende bestegen had, was in snellen galop naar El Hakim teruggekeerd en had met hem gesproken. Daarop waren vier of vijf andere ruiters afgezonden, en de kleine troep, die uit ongeveer twintig of dertig personen bestond, begon hen met de oogen te volgen, als mannen van wier gebaren, nadering of terugtocht zij zich goed of kwaad konden voorspellen. Hassan, ziende, dat zijne toehoorders geen aandacht meer hadden, of zelf door de onzekere gebeurtenissen op de flank aangetrokken, hield met zijn zang op, en de marsch werd in stilte voortgezet, behalve wanneer een kameeldrijver zijn geduldig lastdier toeriep, of de een of andere beangste volgeling van den Hakim met zijn nevenman op gejaagden en zeer zachten toon sprak.Deze onzekere toestand duurde voort, totdat zij rondom eene kleine hoogte kwamen, uit heuveltjes zand bestaande, die voor het hoofdkorps het voorwerp verborgen, dat onder hunne veldwachten zulk eene onrust had verwekt. Sir Kenneth kon thans op den afstand van eene (Engelsche) mijl of iets meer een zwart voorwerp zien, dat zich snel over de woestijn bewoog, en dat zijn geoefend oog als een troep ruiterij herkende. Zij was veel talrijker dan de hunne, en, uit de sterke en voortdurende flikkeringen, die de stralen der opgaande zon weerkaatsten, bleek het dat het Europeanen in hunne volkomen wapenrusting waren.De angstige blikken, die de ruiters van El Hakim thans op hun aanvoerder wierpen, schenen van groote vrees te getuigen. Deze intusschen zond met dezelfde kalmte, waarmede hij zijn volgelingen tot het gebed opgeroepen had, twee van zijne bereden ruiters af, met last om zoo dicht, als de voorzichtigheid toeliet, deze woestijn-reizigers te naderen, en hun getal, hun stand, en, zoo mogelijk, hun voornemen nauwkeurig op te nemen. De nadering van het gevaar, of van hetgeen als zoodanig gevreesd wordt, is als een prikkelende drank voor iemand, die tot onverschilligheid gezonken is, en zij riep sir Kenneth tot zich zelven en de bewustheid van zijn toestand terug.„Wat vreest gij van deze Christen ruiters, want dit schijnen zij te zijn?” vroeg hij aan El Hakim.„Vreezen!” hervatte deze, het woord minachtend herhalende—„de wijze vreest niets dan den Hemel—maar verwacht altijd van goddelooze menschen het ergste, dat zij doen kunnen.”„Het zijn Christenen”, hernam sir Kenneth, „en het is een tijd van wapenstilstand—waarom zoudt gij eene inbreuk op de goede trouw duchten?”„Het zijn de priesterlijke soldaten van den Tempel”, antwoordde El Hakim, „wier gelofte hen voorschrijft, noch wapenstilstand noch goede trouw met de vereerders van den Islam te kennen. Moge de profeet hen met wortel, takken en twijgen uitroeien!—Hunne vrede is oorlog, en hunne trouw is valschheid. Andere aanvallers van Palestina hebben hunne tijden en wijzen van ridderlijkheid. De leeuw Richard spaart, wanneer hij overwonnen heeft—de arend Filips sluit zijne vleugelen, wanneer hij een prooi heeft gegrepen—zelfs de Oostenrijksche beer slaapt, wanneer hij doorvoed is; maar deze horde van altijd hongerige wolven kent, geen stilstand noch verzadiging in hare roofzucht.—Ziet gij niet, dat zij een troep van hun hoofdkorps afzenden, en eene oostelijke richting nemen? Ginds zijn hunne pages en schildknapen, die zij in hunne vervloekte geheimen opvoeden, en die zij, als lichter gewapend, afzenden, om ons van onze drinkplaats af te snijden. Maar zij zullen bedrogen worden.Ikken den oorlog in de woestijn nog beter dan zij.”Hij sprak eenige weinige woorden tot zijn voornaamsten officier, en zijn geheel gedrag en uiterlijk was eensklaps veranderd van deplechtstatigerust van een Oosterschen wijze, meer aan bespiegeling dan werkzaamheid gewoon, in het koen en stout voorkomen van een dapper krijgsman, wiens veerkracht door de snelle nadering van een gevaar, dat hij te gelijk voorziet en veracht, wordt opgewekt.In sir Kenneth’s oogen had de naderende crisis een verschillend karakter, en toen Adonbec hem zeide: „gij moet u dicht aan mijne zijde houden”, antwoordde hij plechtig in het ontkennende.„Ginds”, zeide hij, „zijn mijne wapenbroeders—de mannen, in wier gezelschap ik beloofd heb te vechten, of te sneven. Op hunne banier schittert het teeken van onze allergezegendste verlossing.—Ik kan niet in gezelschap van de halve maan het Kruis ontvlieden.”„Dwaas!” zeide de Hakim; „hunne eerste daad zou zijn u ter dood te doemen, al ware het ook slechts om hunne schending van den wapenstilstand te verbergen.”„Daarop moet ik het laten aankomen”, hervatte sir Kenneth, „maar ik draag de boeien der ongeloovigen geen oogenblik langer dan dat ik ze van mij kan afwerpen.”„Dan zal ik u dwingen om mij te volgen,” zeide El Hakim.„Dwingen!” antwoordde sir Kenneth toornig: „waart gij niet mijn weldoener, of iemand, die den goeden wil getoond heeft om dit te zijn, en zoo ik niet aan uw vertrouwen de vrijheid van deze handen verschuldigd was, dan zou ik u toonen, dat, hoewel ik ongewapend ben, dwang geene gemakkelijke zaak was.”„Genoeg, genoeg”, hernam de Arabische geneesheer, „wij verliezen den tijd, terwijl die kostbaar begint te worden.”Dit zeggende verhief hij zijn arm, en gaf een luiden en schelle gil,als een teeken aan zijn gevolg, dat zich oogenblikkelijk over de vlakte van de woestijn verspreidde, in even veel richtingen als een rozenkrans, wanneer de snoer gebroken is. Sir Kenneth had den tijd niet om op te merken wat er verder volgde; want tegelijkertijd vatte de Hakim den toom van zijn paard, liet het aan zijn eigen vuur over, en beide renden eensklaps voort met de snelheid van het licht, en met eene vlugheid, die den Schotschen ridder bijna van zijne ademhaling beroofde, en hem geheel buiten staats stelde, om, al had hij ook gewild, den loop van zijn gids tegen te houden. Hoe geoefend sir Kenneth ook van zijne vroegste jeugd in de rijkunst was, was het snelste paard, dat hij ooit gereden had, eene schildpad in vergelijking met dat van den Arabischen wijze. Zij wierpen het zand achter zich—zij schenen de woestijn, die vóór hen lag, te verslinden—mijlen vlogen weg in minuten, en toch scheen hunne kracht onverminderd, en hunne ademhaling even vrij, als toen zij den wonderbaarlijken rit begonnen. De beweging, die even gemakkelijk als snel was, geleek meer naar vliegen door de lucht dan naar rijden over de aarde, en ging met geen onaangenaam gevoel gepaard, behalve de vrees, die natuurlijk degene voelt, die zich met zulk eene verbazende snelheid beweegt, en de moeielijkheid door de zoo geweldige zuiging van de lucht veroorzaakt.Eerst een uur na deze vreeselijke beweging, en toen alle menschelijke vervolging verre, verre achter hen was, vertraagde de Hakim eindelijk zijn vaart, en deed hun loop in een handgalop veranderen. Hierna begon hij met eene even bedaarde stem, alsof hij sedert het laatste uur gewandeld had, tot den Schot eene lofspraak op de voortreffelijkheid van zijne renners te houden, terwijl deze, ademloos, half blind, half doof, en geheel duizelig door de snelheid van dezen zonderlingen rit, nauwelijks de woorden verstond, die zijn metgezel zoo ruimschoots ontstroomden.„Deze paarden zijn van het ras, dat men het gevleugelde noemt, die alles in spoed evenaren, behalve den Borak van den Profeet. Zij worden gevoed met den gouden garst vanJemen, gemengd met specerijen en met eene kleine hoeveelheid gedroogd schapenvleesch. Koningen hebben provinciën gegeven, om ze in hun bezit te krijgen, en zij zijn in hun ouderdom even vlug als in hunne jeugd. Gij, Nazareër, zijt de eerste die, behalve ware geloovigen, ooit een dier van dit edel ras onder zich gehad heeft, een geschenk van den Profeet aan den gezegenden Ali, zijn bloedverwant en plaatsvervanger, te recht de Leeuw Gods genaamd. De tijd treft deze edele rossen zoo weinig, dat de merrie, die gij thans berijdt, reeds vijf maal vijf jaren heeft zien verloopen, en toch hare eerste snelheid en hare jeugdige kracht behoudt, behalve dat in den loop de steun van een toom, die door eene meer ervarene hand dan de uwe bestuurd wordt, thans noodzakelijk geworden is. De Profeet zij gezegend, dat hij de ware geloovigen de middelen tot vooruit- of achteruittrekken heeft geschonken, terwijl hunne in ijzer gekleede vijanden door hun eigen ontzaglijk gewicht afgemat worden! Wat moeten de paarden van gindsche honden van Tempeliers gesnovenen geblazen hebben, nadat zij tot aan de knieën toe in de woestijn voor een twintigste gedeelte van de ruimte hadden gearbeid, die deze brave paarden achter zich gelaten hebben, zonder eene enkele hartklopping of een droppel vocht op hunne gladde, fluweelen huid!”De Schotsche ridder, die nu zijne ademhaling en zijn vermogen tot luisteren herkregen had, kon niet nalaten in zijn hart het voordeel te erkennen, dat deze Oostersche krijgslieden bezaten in een ras van dieren, dat evenzeer tot het voor- als achteruittrekken geschikt was, en zoo verwonderlijk bij de vlakte en zandige woestijnen van Arabië en Syrië paste. Maar hij verkoos niet, om den hoogmoed van den Muzelman nog grooter te maken, zijn trotschen eisch op meerderheid toe te stemmen. Hij zag dus rond, en kon, bij den bedaarder stap, waarmede zij zich bewogen, onderscheiden, dat hij in eene hem niet onbekende landstreek was.De woeste oevers en het sombere water van de Doode Zee, de oneffen en steile keten bergen, die zich aan de linkerhand verhief, de twee of drie palmboomen, die bijeenstonden en de enkele groene plek op de uitgestrekte wildernis vormden—voorwerpen, die men niet licht vergat, wanneer men die slechts eenmaal gezien had,—bewezen sir Kenneth, dat zij de fontein, de Diamant der woestijn genoemd, naderden, die bij eene vorige gelegenheid het tooneel van zijne samenkomst met den Sarraceenschen emir Sheerkohf of Ilderim was geweest. Weinige minuten daarna hielden zij hunne paarden bij de bron op, en de Hakim verzocht sir Kenneth om van het paard te stijgen, en uit te rusten als op eene plaats van veiligheid. Zij onttoomden hunne paarden, terwijl El Hakim opmerkte, dat er verder geene zorg voor hen behoefde gedragen te worden, daar eenige van zijne slaven, die de snelste paarden hadden; hen spoedig zouden inhalen en het verder noodige verrichten.„Intusschen,” zeide hij, eenig voedsel op het gras uitspreidende, „eet en drink, en wees niet ontmoedigd. De fortuin kan den gewonen sterveling verheffen of vernederen, maar de wijze en de krijgsman moeten zielen hebben, die boven hare maatschappij verheven zijn.”De Schotsche ridder trachtte zijn dank te betuigen, door te doen wat van hem verlangd werd; maar ofschoon hij uit welwillendheid trachtte te eten, kwam de zonderlinge tegenstrijdigheid tusschen zijn tegenwoordigen toestand en dien, waarin hij de eerste maal op dezelfde plek geweest was, toen hij de afgezant van vorsten en de overwinnaar in den strijd was, gelijk een nevel voor zijn geest, en vasten, vermoeidheid en uitgeputheid onderdrukten zijne lichaamskrachten. El Hakim sloeg zijn snel jagenden pols, zijn rood en ontvlamd oog, zijne heete handen en zijne korte ademhaling gade.„De geest”, zeide hij, „wordt verstandig door het waken, maar zijn broeder, het lichaam, dat uit grove stoffen bestaat, heeft den steun der rust noodig. Gij moet slapen; en opdat gij zulks ter verfrissching moogt doen, moet gij een dronk nemen, met dit elixer gemengd.”Hij trok uit zijn boezem een klein kristallen fleschje, dat in eenkoker van gevlochten zilverwerk vervat was, en liet in een gouden drinkbeker een kleine hoeveelheid van een donker vocht druppelen.„Dit”, zeide hij, „is een van die voortbrengselen, die Allah ten zegen op de aarde gezonden heeft, ofschoon de zwakheid, en verdorvenheid der menschen ze somtijds in een vloek hebben veranderd. Het is krachtig, gelijk de wijnbeker van den Nazareër, om het gordijn voor het slapeloos oog te trekken, en den last van den te zwaar beladen boezem te verlichten; maar wanneer het tot oogmerken van vermaak en losbandigheid gebruikt wordt, verscheurt het de zenuwen, vernielt de kracht, verzwakt het verstand en ondermijnt het leven. Maar vrees niet, zijne deugden in tijd van nood te gebruiken; want de wijze verwarmt zich bij hetzelfde hout, waarmede de razende de tent afbrandt.”„Ik heb te veel van uwe bekwaamheid gezien, wijze Hakim”, zeide sir Kenneth, „om tegen uw voorschrift mij te verzetten”; en hierop slikte hij den slaapdrank in, gemengd met eenig water uit de bron. Vervolgens wikkelde hij zich in zijnhaik, of Arabischen mantel, die aan zijn zadelknop hing, en strekte zich, volgens het voorschrift van den geneesheer, op zijn gemak in de schaduw uit, om de beloofde rust te verbeiden. In den beginne kwam er geen slaap, maar in plaats daarvan eene reeks van aangename, en toch niet opwekkende, gewaarwordingen. Hierop volgde een toestand, waarin de ridder, hoewel bewust van zijn eigen bestaan en zijn eigen toestand, zich in staat gevoelde, om die niet alleen zonder onrust en smart, maar even kalm te beschouwen, alsof hij de geschiedenis zijner rampen op een tooneel zag vertoonen, of veeleer als een lichaamlooze geest de voorvallen van zijn vorig bestaan zou aanschouwd hebben. Uit dezen staat van rust, die bijna tot onverschilligheid omtrent het verledene steeg, werden zijne gedachten in de toekomst voortgedreven; en deze schitterde, in weerwil van alles wat het vooruitzicht kon benevelen, met zulke kleuren, dat zelfs bij veel gelukkiger voorteekens zijne verbeelding, zonder geprikkeld te zijn, in haar meest gespannen toestand niet had kunnen voortbrengen. Vrijheid, roem, gelukkige liefde schenen het zekere en niet ver verwijderde vooruitzicht van den verbannen slaaf, den onteerden ridder, zelfs van den wanhopenden minnaar, die zijne hoop op geluk zoo verre geplaatst had boven de verwachting van gelukkige toevallige gebeurtenissen, als zich de meest teugelooze verbeelding voorspiegelen kan. Allengs, terwijl het verstandelijk licht beneveld werd, werden ook deze vroolijke visioenen duister, als de wegstervende kleuren van de ondergaande zon, totdat zij eindelijk volkomen uitgewischt werden; en sir Kenneth lag, naar allen schijn, op zijne diepe ademhaling na, als een levenloos lichaam aan de voeten van El Hakim uitgestrekt.

HOOFDSTUK XXII.Wie daar?—Treed nader—wel gedaan—Mijn geleerde dokter en een vriend.Eustace Grey.Ons verhaal keert tot een tijdvak terug, dat aan de laatst beschreven gebeurtenissen kort voorafging, toen, zoo als de lezer zich herinneren zal, de ongelukkige ridder van den Luipaard, dien Koning Richard den Arabischen geneesheer geschonken had, veeleer als slaaf dan in eenige andere betrekking, verbannen werd uit het kamp der kruisvaarders, in welke gelederen hij zoo dikwijls en zoo schitterend zich had onderscheiden. Hij volgde zijn nieuwen meester, want zoo moeten wij nu den Hakim noemen, naar de Moorsche tenten, die zijn gevolg en eigendom bevatten, met het verstompte gevoel van iemand, die, van den top van een steilen berg in een afgrond nedergevallen, tegen zijne verwachting hetlevender heeft afgebracht en nog maar juist in staat is, om zich van de noodlottige plek weg te slepen, maar zonder de mate van de ontvangen wonden te kunnen beoordeelen. Toen hij in de tent gekomen was, wierp hij zich, geheel sprakeloos, op eene legerstede van bereide buffelshuiden, die zijn leidsman hem aanwees, en zijn gelaat in zijne handen verbergende, zuchtte hij zwaar, alsof zijn hart op het punt was te barstten. De geneesheer hoorde hem, terwijl hij zijne bevelen aan zijn talrijke bedienden gaf, ten einde zich voor hun vertrek tegen den volgenden morgen vóór het aanbreken van den dag gereed te maken, en door medelijden bewogen, staakte hij zijne bezigheid, legde de beenen kruiselings over elkander, en ging naast zijn leger zitten, om hem troost toe te spreken volgens de Oostersche wijze.„Mijn vriend”, zeide hij, „wees getroost—want wat zegt de dichter? Het is beter, dat een mensch de slaaf van een goed meester is, dan de slaaf van zijne eigen wilde driften. Nog eens, houd goeden moed, omdat, gelijk Isoef Ben Jagoebe door zijne broeders aan een Koning, en wel aan Farao, Koning van Egypte, verkocht werd, uw Koning u daarentegen aan iemand geschonken heeft, die voor u zijn zal als een broeder.”Sir Kenneth deed een poging om den Hakim te danken, maar zijn hart was te vol, en de onverstaanbare woorden, die zijne mislukte pogingen tot een antwoord vergezelden, bewogen den vriendelijken meester, om van zijne te voorbarige moeite tot vertroosting af te zien. Hij liet zijn nieuwen bediende of gast in rust, opdat hij zich aan zijne smart mocht overgeven, en toen hij de noodige voorbereidingen voor hun vertrek op den volgenden morgen bevolen had, zette hij zich op het tapijt neder, en gebruikte een soberen maaltijd. Nadat hij zich aldus verfrischt had, werden den Schotschen ridder gelijke spijzen aangeboden; maar, ofschoon de slaven sir Kenneth te verstaan gaven, dat de volgende dag reeds ver gevorderd moet zijn eer zij zouden stilhouden, om zich te ververschen, kon hij den tegenzin tegen alle voedsel niet te boven komen, en men kon hem niet overreden om iets anders te gebruiken dan een teug koud water.Hij was nog wakker, lang nadat zijn Arabische gastheer zijne gewone godsdienstoefeningen verricht, en zich ter rust begeven had. De slaap had hem nog niet eens te middernacht bezocht, toen er eene beweging onder de bedienden plaats greep, die, ofschoon er niets bij gesproken en zeer weinig gedruisch gemaakt werd, hem deed bespeuren, dat zij de kameelen laadden en zich tot het vertrekvoorbereidden. Bij deze voorbereidingen was de persoon, die het laatst gestoord werd, op den geneesheer zelven na, de Schotsche ridder, wien eene soort van huis-hofmeester tegen drie uren des morgens verwittigde, dat hij moest opstaan. Hij deed dit zonder verder antwoord en volgde hem in het maanlicht, waar de kameelen stonden, die voor het grootste gedeelte reeds beladen waren, en waarvan nog slechts een op de knieën lag, totdat hij zijne volle lading zou hebben.Op eenigen afstand van de kameelen stonden een aantal paarden, die getoomd en gezadeld waren, en de Hakim zelf te voorschijn komende, besteeg er een van met zoo veel vlugheid, als de ernstige deftigheid van zijn karakter toeliet, en hij wees op een ander met bevel om het aan sir Kenneth te brengen. Er was een Engelsch officier tegenwoordig, om hen door de legerplaats der kruisvaarders te geleiden, en hunne veiligheid te verzekeren, en alles was gereed voor hun vertrek. De tent, die zij verlaten hadden, werd midderlerwijl afgebroken, en de tentstukken en het bekleedsel maakten den last van den laatsten kameel uit.—Hierop sprak de geneesheer plechtig het vers uit den koran uit: „God zij onze leidsman, en Mahomed onze beschermer zoowel in de woestijn als in het door water bevochtigde veld.” Toen was de geheele troep oogenblikkelijk in beweging.Onder het doortrekken van het kamp werden zij door verscheidene schildwachten aangeroepen, die hen zwijgend lieten voorbijtrekken, of een vloek tegen hun profeet bromden, terwijl zij den post van den een of anderen meer ijverigen kruisvaarder voorbijreden. Eindelijk lieten zij de laatste barrières achter zich, en de troep stelde zich voor den marsch op met voorbehoedende maatregelen, die uit een krijgskundig oogpunt noodig waren. Twee of drie ruiters trokken als voorhoede vooruit; een of twee bleven een boogschotslengte in de achterhoede; en overal waar de grond dat toeliet, werden anderen afgezonden om op de flanken een waakzaam oog te houden. Op deze wijze trokken zij voorwaarts, terwijl sir Kenneth, thans op het door de maan verlichte kamp terugziende, werkelijk verbannen kon schijnen, daar hij te gelijkertijd van de eer en vrijheid beroofd was, en tevens van de schitterende banieren, waaronder hij gehoopt had nog meer roem te verwerven, en van de tenten der ridderschap, van de Christenheid en—van Edith Plantagenet.De Hakim, die naast hem reed, poogde op zijne gewone wijze hem door spreuken te troosten, „het is onverstandig achterwaarts te zien, wanneer de weg vóór ons ligt”, en terwijl hij sprak, deed het paard des ridders zulk een gevaarlijken misstap, dat het dreigde eene practische zedeles bij het verhaal te voegen.Door dezen wenk werd de ridder verplicht meer acht te slaan op het bestieren van zijn paard, dat meer dan eens de hulp en den steun van toom en teugel vereischte, ofschoon in andere opzichten niets gemakkelijker en tevens sneller kon zijn, dan de telgang, waarmede het dier voortstapte.„Het is met het paard gesteld als met het menschelijk geslacht”, merkte de spreukrijke geneesheer aan, „daar, te midden van zijn snelsten en gemakkelijksten gang, de ruiter zich voor een val moet hoeden, en, wanneer de voorspoed het hoogst is, onze voorzichtigheid het waakzaamst en ijverigst moet zijn, om het ongeluk te voorkomen.”De overladen eetlust heeft zelfs van de honigraat een afkeer, en het is niet te verwonderen, dat de ridder, gekweld en vermoeid door rampen en vernedering, eenigermate ongeduldig werd, toen hij hoorde, dat zijne ellende, bij elke wending, de aanleiding tot spreekwoorden en zinspreuken werd, hoe billijk en juist ter snede die ook waren.„Mij dunkt”, zeide hij een weinig gevoelig,„dat ik geen verdere opheldering van de onstandvastigheid der fortuin behoefde, ofschoon ik u danken zou, heer Hakim, voor de keus van een paard voor mij, zoo het slechts eens zoo flink struikelen wilde, dat het mijn hals te gelijk met den zijnen brak.”„Broeder”, antwoordde de Arabische wijze, met onverstoorbare deftigheid, „gij spreekt als een der dwazen. Gij zegt in uw hart, dat de wijze aan zijn gast het jongste en beste paard had moeten geven, en het oude voor zich behouden; maar verneem, dat de gebreken van het oudere paard door de kracht van den jongeren ruiter kunnen vergoed worden, terwijl de drift van het jonge paard door het bedaarde karakter van den ouderen moet worden bekoeld.”Zoo sprak de wijze; maar ook op deze aanmerking gaf sir Kenneth geen antwoord, dat tot eene voortzetting van hun gesprek kon leiden; en de geneesheer, die het misschien moede werd iemand te troosten, die niet getroost wilde zijn, gaf een teeken aan een van zijn gevolg.„Hassan”, zeide hij, „hebt gij niets om den weg te verkorten?”Hassan, een sprookverteller en een dichter van beroep, naderde bij deze uitnoodiging, om zijn ambt uit te oefenen.—„Heer van het paleis des levens”, zeidehij, zich tot den geneesheer wendende, „gij, voor wien de engel Azraël zijne wieken uitspreidt, om de vlucht te nemen—gij, wijzer dan Soliman Ben Daved, op wiens zegelring de ware naam geschreven stond, die de geesten van de elementen beteugelt—de Hemel verhoede, dat, terwijl gij op den weg der weldadigheid wandelt, en genezing en hoop brengt, overal waar gij verschijnt, uwe eigen reis door gebrek aan verhalen en gezang onaangenaam zou gemaakt worden. Zie, zoolang uw dienaar aan uwe zijde is, zal hij de schatten van zijn geheugen uitstorten, gelijk de fontein haar stroom langs het pad zendt, ter verversching van hen, die daarop wandelt.”Na deze inleiding verhief Hassan zijne stem, en begon een verhaal van liefde en tooverij, met daden van krijgsroem doormengd, en versierd met overvloedige aanhalingen uit de Persische dichters, metwier werken de redenaar gemeenzaam bekend scheen te zijn. Het gevolg van den geneesheer, behalve diegenen, welke noodzakelijk op de kameelen moeten passen, drongen zich om den verhaler, en kwamen zoo nabij, als de eerbied voor hun meester toeliet, om het genot te smaken, welke de Oosterschen altijd in deze soort van kunstbeoefeningen gevonden hebben.Op een anderen tijd zou sir Kenneth, ondanks zijne gebrekkige kennis van de taal, in de voordracht belang gesteld hebben, daar deze ofschoon zij door een meer weelderige verbeelding ingegeven en in eene meer buitensporigen en figuurlijken stijl geuit werd, toch eene sterke gelijkenis had met de romancen der ridderschap, die toen in Europa zoozeer in zwang waren. Maar zoo als de zaken voor hem stonden, bespeurde hij nauwelijks, dat een man in het midden van den troep, ongeveer twee uren lang op een zachten toon iets opzeide en zong, terwijl hij zijne stem naar de verschillende aandoeningen van hartstocht, die in het verhaal te pas kwamen, veranderde, en tot belooning dan eens een zacht geprevelde goedkeuring, dan weder uitdrukkingen van verwondering ontving, dan eens zuchten en tranen, en somtijds, hetgeen veel moeilijker van zulk een gehoor te verkrijgen is, den zweem van een stillen glimlach, ja, zelfs van gelach.Onder het verhalen werd de aandacht van den balling, hoe afgetrokken ook door zijne eigen diepe smart, nu en dan opgewekt door het dof gehuil van een hond, die in een hok, dat op een der kameelen hing, was opgesloten. Als ervaren jager kon hij er niet aan twijfelen, of het was dat van zijn eigen trouwen hond; en uit den klagenden toon van het dier begreep hij, dat het de nabijheid van zijn meester bespeurde, en op zijne wijze diens bijstand vroeg, om hem te bevrijden.„Helaas! arme Roswal”, zeide hij, „gij roept iemand om hulp en medelijden aan, die in een strenger slavernij is dan gij zelf. Ik wil mij houden, of ik u niet bemerk, en uwe liefde niet beantwoorden, daar dit slechts dienen zou, om onze scheiding nog te grievender te maken.”Zoo gingen de uren van den nacht voorbij, en de tijd van den grijzen nevel, die het schemerlicht van een Syrischen morgen vormt. Maar toen de eerste omtrek van de zonneschijf boven den gezichteinder begon te rijzen, en de eerste straal door den dauw langs de oppervlakte van de woestijn schoot, die de reizigers thans bereikt hadden, verhief El Hakim zelf zijne luidklinkende stem, waarmede hij het verhaal van den spreukverteller afbrak, terwijl hij over de woestijn de plechtige oproeping deed weergalmen, die de muezzins des morgens van den minaret van elke moskee doen hooren.„Ten gebede—ten gebede! God is de eenige God.—Ten gebede—ten gebede! Mahomed is de profeet Gods.—Ten gebede—ten gebede! de tijd ontvliedt u.—Ten gebede—ten gebede! Het oordeel nadert u met rasse schreden.”In een oogwenk wierp ieder Muzelman zich van zijn paard, wendde het gelaat naar Mekka, en verrichtte met zand eene nabootsing vandie afwasschingen, die anders met water moesten geschieden, terwijl ieder in het bijzonder, in korte maar vurige uitroepen, zich zelven aan de zorg, en zijne zonden aan de vergiffenis van God en den profeet aanbeval.Zelfs sir Kenneth, wiens rede en vooroordeelen tevens gekrenkt werden, door dat hij zijne reismakkers iets zag verrichten, dat hij als eene daad van afgoderij beschouwde, kon niet nalaten de oprechtheid van hun verkeerden ijver te eerbiedigen. Door hunne geestdrift opgewekt, richtte hij in zuiverder vorm gebeden tot den Hemel. Tevens verwonderde hij zich, welk nieuw geboren gevoel hem kon leeren, om zich in het gebed te vereenigen met diezelfde Sarraceenen, wier heidenschen eeredienst hij als eene onteerende misdaad beschouwde voor het land, waarin groote wonderen geschied waren, en de ster der verlossing was opgekomen.In welk vreemd gezelschap zijn gebed dan ook geuit werd, het sproot zuiver voort uit zijn natuurlijk gevoel omtrent godsdienstplicht, en het had zijne gewone uitwerking, namelijk den geest, die door eene zoo snelle opvolging van rampen was geschokt, tot kalmte te brengen. De oprechte en ernstige toenadering van den Christen tot den troon van den Almachtige is de beste aansporing tot geduld in droefheid; want waarom zouden wij met God door onze gebeden spotten, wanneer wij Hem door het morren tegen zijne bedoelingen beleedigen?—Of hoe zouden wij, terwijl onze gebeden bij ieder woord de ijdelheid en nietigheid van de vergankelijke goederen in vergelijking met de eeuwige erkennen, hopen den Doorgronder der harten te bedriegen, door toe te laten, dat de wereld en wereldsche driften hare onstuimige heerschappij over onze harten hernemen op hetzelfde oogenblik, dat onze godsdienstoefening geëindigd is?—Er zijn zulke met zich zelf in strijd zijnde menschen geweest, en misschien zijn zij er nog, die toelaten,dat aardsche driften de teugels hernemen, terstond nadat zij zich in een ernstig gebed tot den Hemel hebben gericht; maar sir Kenneth behoorde niet tot deze. Hij gevoelde zich vertroost en versterkt, en beter voorbereid, om alles, waartoe zijn toestand hem mocht verplichten, te doen en te lijden en te volvoeren of zich daaraan te onderwerpen.Intusschen had de troep Sarraceenen zich weder in de zadels geworpen, en zij vervolgden hun weg, terwijl de verhaler, Hassan, den draad van zijn vertelsel weer opnam; maar hij deed dit niet langer voor dezelfde aandachtige toehoorders. Een ruiter, die eene hoogte aan de rechterhand van de kleine bende bestegen had, was in snellen galop naar El Hakim teruggekeerd en had met hem gesproken. Daarop waren vier of vijf andere ruiters afgezonden, en de kleine troep, die uit ongeveer twintig of dertig personen bestond, begon hen met de oogen te volgen, als mannen van wier gebaren, nadering of terugtocht zij zich goed of kwaad konden voorspellen. Hassan, ziende, dat zijne toehoorders geen aandacht meer hadden, of zelf door de onzekere gebeurtenissen op de flank aangetrokken, hield met zijn zang op, en de marsch werd in stilte voortgezet, behalve wanneer een kameeldrijver zijn geduldig lastdier toeriep, of de een of andere beangste volgeling van den Hakim met zijn nevenman op gejaagden en zeer zachten toon sprak.Deze onzekere toestand duurde voort, totdat zij rondom eene kleine hoogte kwamen, uit heuveltjes zand bestaande, die voor het hoofdkorps het voorwerp verborgen, dat onder hunne veldwachten zulk eene onrust had verwekt. Sir Kenneth kon thans op den afstand van eene (Engelsche) mijl of iets meer een zwart voorwerp zien, dat zich snel over de woestijn bewoog, en dat zijn geoefend oog als een troep ruiterij herkende. Zij was veel talrijker dan de hunne, en, uit de sterke en voortdurende flikkeringen, die de stralen der opgaande zon weerkaatsten, bleek het dat het Europeanen in hunne volkomen wapenrusting waren.De angstige blikken, die de ruiters van El Hakim thans op hun aanvoerder wierpen, schenen van groote vrees te getuigen. Deze intusschen zond met dezelfde kalmte, waarmede hij zijn volgelingen tot het gebed opgeroepen had, twee van zijne bereden ruiters af, met last om zoo dicht, als de voorzichtigheid toeliet, deze woestijn-reizigers te naderen, en hun getal, hun stand, en, zoo mogelijk, hun voornemen nauwkeurig op te nemen. De nadering van het gevaar, of van hetgeen als zoodanig gevreesd wordt, is als een prikkelende drank voor iemand, die tot onverschilligheid gezonken is, en zij riep sir Kenneth tot zich zelven en de bewustheid van zijn toestand terug.„Wat vreest gij van deze Christen ruiters, want dit schijnen zij te zijn?” vroeg hij aan El Hakim.„Vreezen!” hervatte deze, het woord minachtend herhalende—„de wijze vreest niets dan den Hemel—maar verwacht altijd van goddelooze menschen het ergste, dat zij doen kunnen.”„Het zijn Christenen”, hernam sir Kenneth, „en het is een tijd van wapenstilstand—waarom zoudt gij eene inbreuk op de goede trouw duchten?”„Het zijn de priesterlijke soldaten van den Tempel”, antwoordde El Hakim, „wier gelofte hen voorschrijft, noch wapenstilstand noch goede trouw met de vereerders van den Islam te kennen. Moge de profeet hen met wortel, takken en twijgen uitroeien!—Hunne vrede is oorlog, en hunne trouw is valschheid. Andere aanvallers van Palestina hebben hunne tijden en wijzen van ridderlijkheid. De leeuw Richard spaart, wanneer hij overwonnen heeft—de arend Filips sluit zijne vleugelen, wanneer hij een prooi heeft gegrepen—zelfs de Oostenrijksche beer slaapt, wanneer hij doorvoed is; maar deze horde van altijd hongerige wolven kent, geen stilstand noch verzadiging in hare roofzucht.—Ziet gij niet, dat zij een troep van hun hoofdkorps afzenden, en eene oostelijke richting nemen? Ginds zijn hunne pages en schildknapen, die zij in hunne vervloekte geheimen opvoeden, en die zij, als lichter gewapend, afzenden, om ons van onze drinkplaats af te snijden. Maar zij zullen bedrogen worden.Ikken den oorlog in de woestijn nog beter dan zij.”Hij sprak eenige weinige woorden tot zijn voornaamsten officier, en zijn geheel gedrag en uiterlijk was eensklaps veranderd van deplechtstatigerust van een Oosterschen wijze, meer aan bespiegeling dan werkzaamheid gewoon, in het koen en stout voorkomen van een dapper krijgsman, wiens veerkracht door de snelle nadering van een gevaar, dat hij te gelijk voorziet en veracht, wordt opgewekt.In sir Kenneth’s oogen had de naderende crisis een verschillend karakter, en toen Adonbec hem zeide: „gij moet u dicht aan mijne zijde houden”, antwoordde hij plechtig in het ontkennende.„Ginds”, zeide hij, „zijn mijne wapenbroeders—de mannen, in wier gezelschap ik beloofd heb te vechten, of te sneven. Op hunne banier schittert het teeken van onze allergezegendste verlossing.—Ik kan niet in gezelschap van de halve maan het Kruis ontvlieden.”„Dwaas!” zeide de Hakim; „hunne eerste daad zou zijn u ter dood te doemen, al ware het ook slechts om hunne schending van den wapenstilstand te verbergen.”„Daarop moet ik het laten aankomen”, hervatte sir Kenneth, „maar ik draag de boeien der ongeloovigen geen oogenblik langer dan dat ik ze van mij kan afwerpen.”„Dan zal ik u dwingen om mij te volgen,” zeide El Hakim.„Dwingen!” antwoordde sir Kenneth toornig: „waart gij niet mijn weldoener, of iemand, die den goeden wil getoond heeft om dit te zijn, en zoo ik niet aan uw vertrouwen de vrijheid van deze handen verschuldigd was, dan zou ik u toonen, dat, hoewel ik ongewapend ben, dwang geene gemakkelijke zaak was.”„Genoeg, genoeg”, hernam de Arabische geneesheer, „wij verliezen den tijd, terwijl die kostbaar begint te worden.”Dit zeggende verhief hij zijn arm, en gaf een luiden en schelle gil,als een teeken aan zijn gevolg, dat zich oogenblikkelijk over de vlakte van de woestijn verspreidde, in even veel richtingen als een rozenkrans, wanneer de snoer gebroken is. Sir Kenneth had den tijd niet om op te merken wat er verder volgde; want tegelijkertijd vatte de Hakim den toom van zijn paard, liet het aan zijn eigen vuur over, en beide renden eensklaps voort met de snelheid van het licht, en met eene vlugheid, die den Schotschen ridder bijna van zijne ademhaling beroofde, en hem geheel buiten staats stelde, om, al had hij ook gewild, den loop van zijn gids tegen te houden. Hoe geoefend sir Kenneth ook van zijne vroegste jeugd in de rijkunst was, was het snelste paard, dat hij ooit gereden had, eene schildpad in vergelijking met dat van den Arabischen wijze. Zij wierpen het zand achter zich—zij schenen de woestijn, die vóór hen lag, te verslinden—mijlen vlogen weg in minuten, en toch scheen hunne kracht onverminderd, en hunne ademhaling even vrij, als toen zij den wonderbaarlijken rit begonnen. De beweging, die even gemakkelijk als snel was, geleek meer naar vliegen door de lucht dan naar rijden over de aarde, en ging met geen onaangenaam gevoel gepaard, behalve de vrees, die natuurlijk degene voelt, die zich met zulk eene verbazende snelheid beweegt, en de moeielijkheid door de zoo geweldige zuiging van de lucht veroorzaakt.Eerst een uur na deze vreeselijke beweging, en toen alle menschelijke vervolging verre, verre achter hen was, vertraagde de Hakim eindelijk zijn vaart, en deed hun loop in een handgalop veranderen. Hierna begon hij met eene even bedaarde stem, alsof hij sedert het laatste uur gewandeld had, tot den Schot eene lofspraak op de voortreffelijkheid van zijne renners te houden, terwijl deze, ademloos, half blind, half doof, en geheel duizelig door de snelheid van dezen zonderlingen rit, nauwelijks de woorden verstond, die zijn metgezel zoo ruimschoots ontstroomden.„Deze paarden zijn van het ras, dat men het gevleugelde noemt, die alles in spoed evenaren, behalve den Borak van den Profeet. Zij worden gevoed met den gouden garst vanJemen, gemengd met specerijen en met eene kleine hoeveelheid gedroogd schapenvleesch. Koningen hebben provinciën gegeven, om ze in hun bezit te krijgen, en zij zijn in hun ouderdom even vlug als in hunne jeugd. Gij, Nazareër, zijt de eerste die, behalve ware geloovigen, ooit een dier van dit edel ras onder zich gehad heeft, een geschenk van den Profeet aan den gezegenden Ali, zijn bloedverwant en plaatsvervanger, te recht de Leeuw Gods genaamd. De tijd treft deze edele rossen zoo weinig, dat de merrie, die gij thans berijdt, reeds vijf maal vijf jaren heeft zien verloopen, en toch hare eerste snelheid en hare jeugdige kracht behoudt, behalve dat in den loop de steun van een toom, die door eene meer ervarene hand dan de uwe bestuurd wordt, thans noodzakelijk geworden is. De Profeet zij gezegend, dat hij de ware geloovigen de middelen tot vooruit- of achteruittrekken heeft geschonken, terwijl hunne in ijzer gekleede vijanden door hun eigen ontzaglijk gewicht afgemat worden! Wat moeten de paarden van gindsche honden van Tempeliers gesnovenen geblazen hebben, nadat zij tot aan de knieën toe in de woestijn voor een twintigste gedeelte van de ruimte hadden gearbeid, die deze brave paarden achter zich gelaten hebben, zonder eene enkele hartklopping of een droppel vocht op hunne gladde, fluweelen huid!”De Schotsche ridder, die nu zijne ademhaling en zijn vermogen tot luisteren herkregen had, kon niet nalaten in zijn hart het voordeel te erkennen, dat deze Oostersche krijgslieden bezaten in een ras van dieren, dat evenzeer tot het voor- als achteruittrekken geschikt was, en zoo verwonderlijk bij de vlakte en zandige woestijnen van Arabië en Syrië paste. Maar hij verkoos niet, om den hoogmoed van den Muzelman nog grooter te maken, zijn trotschen eisch op meerderheid toe te stemmen. Hij zag dus rond, en kon, bij den bedaarder stap, waarmede zij zich bewogen, onderscheiden, dat hij in eene hem niet onbekende landstreek was.De woeste oevers en het sombere water van de Doode Zee, de oneffen en steile keten bergen, die zich aan de linkerhand verhief, de twee of drie palmboomen, die bijeenstonden en de enkele groene plek op de uitgestrekte wildernis vormden—voorwerpen, die men niet licht vergat, wanneer men die slechts eenmaal gezien had,—bewezen sir Kenneth, dat zij de fontein, de Diamant der woestijn genoemd, naderden, die bij eene vorige gelegenheid het tooneel van zijne samenkomst met den Sarraceenschen emir Sheerkohf of Ilderim was geweest. Weinige minuten daarna hielden zij hunne paarden bij de bron op, en de Hakim verzocht sir Kenneth om van het paard te stijgen, en uit te rusten als op eene plaats van veiligheid. Zij onttoomden hunne paarden, terwijl El Hakim opmerkte, dat er verder geene zorg voor hen behoefde gedragen te worden, daar eenige van zijne slaven, die de snelste paarden hadden; hen spoedig zouden inhalen en het verder noodige verrichten.„Intusschen,” zeide hij, eenig voedsel op het gras uitspreidende, „eet en drink, en wees niet ontmoedigd. De fortuin kan den gewonen sterveling verheffen of vernederen, maar de wijze en de krijgsman moeten zielen hebben, die boven hare maatschappij verheven zijn.”De Schotsche ridder trachtte zijn dank te betuigen, door te doen wat van hem verlangd werd; maar ofschoon hij uit welwillendheid trachtte te eten, kwam de zonderlinge tegenstrijdigheid tusschen zijn tegenwoordigen toestand en dien, waarin hij de eerste maal op dezelfde plek geweest was, toen hij de afgezant van vorsten en de overwinnaar in den strijd was, gelijk een nevel voor zijn geest, en vasten, vermoeidheid en uitgeputheid onderdrukten zijne lichaamskrachten. El Hakim sloeg zijn snel jagenden pols, zijn rood en ontvlamd oog, zijne heete handen en zijne korte ademhaling gade.„De geest”, zeide hij, „wordt verstandig door het waken, maar zijn broeder, het lichaam, dat uit grove stoffen bestaat, heeft den steun der rust noodig. Gij moet slapen; en opdat gij zulks ter verfrissching moogt doen, moet gij een dronk nemen, met dit elixer gemengd.”Hij trok uit zijn boezem een klein kristallen fleschje, dat in eenkoker van gevlochten zilverwerk vervat was, en liet in een gouden drinkbeker een kleine hoeveelheid van een donker vocht druppelen.„Dit”, zeide hij, „is een van die voortbrengselen, die Allah ten zegen op de aarde gezonden heeft, ofschoon de zwakheid, en verdorvenheid der menschen ze somtijds in een vloek hebben veranderd. Het is krachtig, gelijk de wijnbeker van den Nazareër, om het gordijn voor het slapeloos oog te trekken, en den last van den te zwaar beladen boezem te verlichten; maar wanneer het tot oogmerken van vermaak en losbandigheid gebruikt wordt, verscheurt het de zenuwen, vernielt de kracht, verzwakt het verstand en ondermijnt het leven. Maar vrees niet, zijne deugden in tijd van nood te gebruiken; want de wijze verwarmt zich bij hetzelfde hout, waarmede de razende de tent afbrandt.”„Ik heb te veel van uwe bekwaamheid gezien, wijze Hakim”, zeide sir Kenneth, „om tegen uw voorschrift mij te verzetten”; en hierop slikte hij den slaapdrank in, gemengd met eenig water uit de bron. Vervolgens wikkelde hij zich in zijnhaik, of Arabischen mantel, die aan zijn zadelknop hing, en strekte zich, volgens het voorschrift van den geneesheer, op zijn gemak in de schaduw uit, om de beloofde rust te verbeiden. In den beginne kwam er geen slaap, maar in plaats daarvan eene reeks van aangename, en toch niet opwekkende, gewaarwordingen. Hierop volgde een toestand, waarin de ridder, hoewel bewust van zijn eigen bestaan en zijn eigen toestand, zich in staat gevoelde, om die niet alleen zonder onrust en smart, maar even kalm te beschouwen, alsof hij de geschiedenis zijner rampen op een tooneel zag vertoonen, of veeleer als een lichaamlooze geest de voorvallen van zijn vorig bestaan zou aanschouwd hebben. Uit dezen staat van rust, die bijna tot onverschilligheid omtrent het verledene steeg, werden zijne gedachten in de toekomst voortgedreven; en deze schitterde, in weerwil van alles wat het vooruitzicht kon benevelen, met zulke kleuren, dat zelfs bij veel gelukkiger voorteekens zijne verbeelding, zonder geprikkeld te zijn, in haar meest gespannen toestand niet had kunnen voortbrengen. Vrijheid, roem, gelukkige liefde schenen het zekere en niet ver verwijderde vooruitzicht van den verbannen slaaf, den onteerden ridder, zelfs van den wanhopenden minnaar, die zijne hoop op geluk zoo verre geplaatst had boven de verwachting van gelukkige toevallige gebeurtenissen, als zich de meest teugelooze verbeelding voorspiegelen kan. Allengs, terwijl het verstandelijk licht beneveld werd, werden ook deze vroolijke visioenen duister, als de wegstervende kleuren van de ondergaande zon, totdat zij eindelijk volkomen uitgewischt werden; en sir Kenneth lag, naar allen schijn, op zijne diepe ademhaling na, als een levenloos lichaam aan de voeten van El Hakim uitgestrekt.

HOOFDSTUK XXII.Wie daar?—Treed nader—wel gedaan—Mijn geleerde dokter en een vriend.Eustace Grey.

Wie daar?—Treed nader—wel gedaan—Mijn geleerde dokter en een vriend.Eustace Grey.

Wie daar?—Treed nader—wel gedaan—Mijn geleerde dokter en een vriend.

Wie daar?—Treed nader—wel gedaan—

Mijn geleerde dokter en een vriend.

Eustace Grey.

Ons verhaal keert tot een tijdvak terug, dat aan de laatst beschreven gebeurtenissen kort voorafging, toen, zoo als de lezer zich herinneren zal, de ongelukkige ridder van den Luipaard, dien Koning Richard den Arabischen geneesheer geschonken had, veeleer als slaaf dan in eenige andere betrekking, verbannen werd uit het kamp der kruisvaarders, in welke gelederen hij zoo dikwijls en zoo schitterend zich had onderscheiden. Hij volgde zijn nieuwen meester, want zoo moeten wij nu den Hakim noemen, naar de Moorsche tenten, die zijn gevolg en eigendom bevatten, met het verstompte gevoel van iemand, die, van den top van een steilen berg in een afgrond nedergevallen, tegen zijne verwachting hetlevender heeft afgebracht en nog maar juist in staat is, om zich van de noodlottige plek weg te slepen, maar zonder de mate van de ontvangen wonden te kunnen beoordeelen. Toen hij in de tent gekomen was, wierp hij zich, geheel sprakeloos, op eene legerstede van bereide buffelshuiden, die zijn leidsman hem aanwees, en zijn gelaat in zijne handen verbergende, zuchtte hij zwaar, alsof zijn hart op het punt was te barstten. De geneesheer hoorde hem, terwijl hij zijne bevelen aan zijn talrijke bedienden gaf, ten einde zich voor hun vertrek tegen den volgenden morgen vóór het aanbreken van den dag gereed te maken, en door medelijden bewogen, staakte hij zijne bezigheid, legde de beenen kruiselings over elkander, en ging naast zijn leger zitten, om hem troost toe te spreken volgens de Oostersche wijze.„Mijn vriend”, zeide hij, „wees getroost—want wat zegt de dichter? Het is beter, dat een mensch de slaaf van een goed meester is, dan de slaaf van zijne eigen wilde driften. Nog eens, houd goeden moed, omdat, gelijk Isoef Ben Jagoebe door zijne broeders aan een Koning, en wel aan Farao, Koning van Egypte, verkocht werd, uw Koning u daarentegen aan iemand geschonken heeft, die voor u zijn zal als een broeder.”Sir Kenneth deed een poging om den Hakim te danken, maar zijn hart was te vol, en de onverstaanbare woorden, die zijne mislukte pogingen tot een antwoord vergezelden, bewogen den vriendelijken meester, om van zijne te voorbarige moeite tot vertroosting af te zien. Hij liet zijn nieuwen bediende of gast in rust, opdat hij zich aan zijne smart mocht overgeven, en toen hij de noodige voorbereidingen voor hun vertrek op den volgenden morgen bevolen had, zette hij zich op het tapijt neder, en gebruikte een soberen maaltijd. Nadat hij zich aldus verfrischt had, werden den Schotschen ridder gelijke spijzen aangeboden; maar, ofschoon de slaven sir Kenneth te verstaan gaven, dat de volgende dag reeds ver gevorderd moet zijn eer zij zouden stilhouden, om zich te ververschen, kon hij den tegenzin tegen alle voedsel niet te boven komen, en men kon hem niet overreden om iets anders te gebruiken dan een teug koud water.Hij was nog wakker, lang nadat zijn Arabische gastheer zijne gewone godsdienstoefeningen verricht, en zich ter rust begeven had. De slaap had hem nog niet eens te middernacht bezocht, toen er eene beweging onder de bedienden plaats greep, die, ofschoon er niets bij gesproken en zeer weinig gedruisch gemaakt werd, hem deed bespeuren, dat zij de kameelen laadden en zich tot het vertrekvoorbereidden. Bij deze voorbereidingen was de persoon, die het laatst gestoord werd, op den geneesheer zelven na, de Schotsche ridder, wien eene soort van huis-hofmeester tegen drie uren des morgens verwittigde, dat hij moest opstaan. Hij deed dit zonder verder antwoord en volgde hem in het maanlicht, waar de kameelen stonden, die voor het grootste gedeelte reeds beladen waren, en waarvan nog slechts een op de knieën lag, totdat hij zijne volle lading zou hebben.Op eenigen afstand van de kameelen stonden een aantal paarden, die getoomd en gezadeld waren, en de Hakim zelf te voorschijn komende, besteeg er een van met zoo veel vlugheid, als de ernstige deftigheid van zijn karakter toeliet, en hij wees op een ander met bevel om het aan sir Kenneth te brengen. Er was een Engelsch officier tegenwoordig, om hen door de legerplaats der kruisvaarders te geleiden, en hunne veiligheid te verzekeren, en alles was gereed voor hun vertrek. De tent, die zij verlaten hadden, werd midderlerwijl afgebroken, en de tentstukken en het bekleedsel maakten den last van den laatsten kameel uit.—Hierop sprak de geneesheer plechtig het vers uit den koran uit: „God zij onze leidsman, en Mahomed onze beschermer zoowel in de woestijn als in het door water bevochtigde veld.” Toen was de geheele troep oogenblikkelijk in beweging.Onder het doortrekken van het kamp werden zij door verscheidene schildwachten aangeroepen, die hen zwijgend lieten voorbijtrekken, of een vloek tegen hun profeet bromden, terwijl zij den post van den een of anderen meer ijverigen kruisvaarder voorbijreden. Eindelijk lieten zij de laatste barrières achter zich, en de troep stelde zich voor den marsch op met voorbehoedende maatregelen, die uit een krijgskundig oogpunt noodig waren. Twee of drie ruiters trokken als voorhoede vooruit; een of twee bleven een boogschotslengte in de achterhoede; en overal waar de grond dat toeliet, werden anderen afgezonden om op de flanken een waakzaam oog te houden. Op deze wijze trokken zij voorwaarts, terwijl sir Kenneth, thans op het door de maan verlichte kamp terugziende, werkelijk verbannen kon schijnen, daar hij te gelijkertijd van de eer en vrijheid beroofd was, en tevens van de schitterende banieren, waaronder hij gehoopt had nog meer roem te verwerven, en van de tenten der ridderschap, van de Christenheid en—van Edith Plantagenet.De Hakim, die naast hem reed, poogde op zijne gewone wijze hem door spreuken te troosten, „het is onverstandig achterwaarts te zien, wanneer de weg vóór ons ligt”, en terwijl hij sprak, deed het paard des ridders zulk een gevaarlijken misstap, dat het dreigde eene practische zedeles bij het verhaal te voegen.Door dezen wenk werd de ridder verplicht meer acht te slaan op het bestieren van zijn paard, dat meer dan eens de hulp en den steun van toom en teugel vereischte, ofschoon in andere opzichten niets gemakkelijker en tevens sneller kon zijn, dan de telgang, waarmede het dier voortstapte.„Het is met het paard gesteld als met het menschelijk geslacht”, merkte de spreukrijke geneesheer aan, „daar, te midden van zijn snelsten en gemakkelijksten gang, de ruiter zich voor een val moet hoeden, en, wanneer de voorspoed het hoogst is, onze voorzichtigheid het waakzaamst en ijverigst moet zijn, om het ongeluk te voorkomen.”De overladen eetlust heeft zelfs van de honigraat een afkeer, en het is niet te verwonderen, dat de ridder, gekweld en vermoeid door rampen en vernedering, eenigermate ongeduldig werd, toen hij hoorde, dat zijne ellende, bij elke wending, de aanleiding tot spreekwoorden en zinspreuken werd, hoe billijk en juist ter snede die ook waren.„Mij dunkt”, zeide hij een weinig gevoelig,„dat ik geen verdere opheldering van de onstandvastigheid der fortuin behoefde, ofschoon ik u danken zou, heer Hakim, voor de keus van een paard voor mij, zoo het slechts eens zoo flink struikelen wilde, dat het mijn hals te gelijk met den zijnen brak.”„Broeder”, antwoordde de Arabische wijze, met onverstoorbare deftigheid, „gij spreekt als een der dwazen. Gij zegt in uw hart, dat de wijze aan zijn gast het jongste en beste paard had moeten geven, en het oude voor zich behouden; maar verneem, dat de gebreken van het oudere paard door de kracht van den jongeren ruiter kunnen vergoed worden, terwijl de drift van het jonge paard door het bedaarde karakter van den ouderen moet worden bekoeld.”Zoo sprak de wijze; maar ook op deze aanmerking gaf sir Kenneth geen antwoord, dat tot eene voortzetting van hun gesprek kon leiden; en de geneesheer, die het misschien moede werd iemand te troosten, die niet getroost wilde zijn, gaf een teeken aan een van zijn gevolg.„Hassan”, zeide hij, „hebt gij niets om den weg te verkorten?”Hassan, een sprookverteller en een dichter van beroep, naderde bij deze uitnoodiging, om zijn ambt uit te oefenen.—„Heer van het paleis des levens”, zeidehij, zich tot den geneesheer wendende, „gij, voor wien de engel Azraël zijne wieken uitspreidt, om de vlucht te nemen—gij, wijzer dan Soliman Ben Daved, op wiens zegelring de ware naam geschreven stond, die de geesten van de elementen beteugelt—de Hemel verhoede, dat, terwijl gij op den weg der weldadigheid wandelt, en genezing en hoop brengt, overal waar gij verschijnt, uwe eigen reis door gebrek aan verhalen en gezang onaangenaam zou gemaakt worden. Zie, zoolang uw dienaar aan uwe zijde is, zal hij de schatten van zijn geheugen uitstorten, gelijk de fontein haar stroom langs het pad zendt, ter verversching van hen, die daarop wandelt.”Na deze inleiding verhief Hassan zijne stem, en begon een verhaal van liefde en tooverij, met daden van krijgsroem doormengd, en versierd met overvloedige aanhalingen uit de Persische dichters, metwier werken de redenaar gemeenzaam bekend scheen te zijn. Het gevolg van den geneesheer, behalve diegenen, welke noodzakelijk op de kameelen moeten passen, drongen zich om den verhaler, en kwamen zoo nabij, als de eerbied voor hun meester toeliet, om het genot te smaken, welke de Oosterschen altijd in deze soort van kunstbeoefeningen gevonden hebben.Op een anderen tijd zou sir Kenneth, ondanks zijne gebrekkige kennis van de taal, in de voordracht belang gesteld hebben, daar deze ofschoon zij door een meer weelderige verbeelding ingegeven en in eene meer buitensporigen en figuurlijken stijl geuit werd, toch eene sterke gelijkenis had met de romancen der ridderschap, die toen in Europa zoozeer in zwang waren. Maar zoo als de zaken voor hem stonden, bespeurde hij nauwelijks, dat een man in het midden van den troep, ongeveer twee uren lang op een zachten toon iets opzeide en zong, terwijl hij zijne stem naar de verschillende aandoeningen van hartstocht, die in het verhaal te pas kwamen, veranderde, en tot belooning dan eens een zacht geprevelde goedkeuring, dan weder uitdrukkingen van verwondering ontving, dan eens zuchten en tranen, en somtijds, hetgeen veel moeilijker van zulk een gehoor te verkrijgen is, den zweem van een stillen glimlach, ja, zelfs van gelach.Onder het verhalen werd de aandacht van den balling, hoe afgetrokken ook door zijne eigen diepe smart, nu en dan opgewekt door het dof gehuil van een hond, die in een hok, dat op een der kameelen hing, was opgesloten. Als ervaren jager kon hij er niet aan twijfelen, of het was dat van zijn eigen trouwen hond; en uit den klagenden toon van het dier begreep hij, dat het de nabijheid van zijn meester bespeurde, en op zijne wijze diens bijstand vroeg, om hem te bevrijden.„Helaas! arme Roswal”, zeide hij, „gij roept iemand om hulp en medelijden aan, die in een strenger slavernij is dan gij zelf. Ik wil mij houden, of ik u niet bemerk, en uwe liefde niet beantwoorden, daar dit slechts dienen zou, om onze scheiding nog te grievender te maken.”Zoo gingen de uren van den nacht voorbij, en de tijd van den grijzen nevel, die het schemerlicht van een Syrischen morgen vormt. Maar toen de eerste omtrek van de zonneschijf boven den gezichteinder begon te rijzen, en de eerste straal door den dauw langs de oppervlakte van de woestijn schoot, die de reizigers thans bereikt hadden, verhief El Hakim zelf zijne luidklinkende stem, waarmede hij het verhaal van den spreukverteller afbrak, terwijl hij over de woestijn de plechtige oproeping deed weergalmen, die de muezzins des morgens van den minaret van elke moskee doen hooren.„Ten gebede—ten gebede! God is de eenige God.—Ten gebede—ten gebede! Mahomed is de profeet Gods.—Ten gebede—ten gebede! de tijd ontvliedt u.—Ten gebede—ten gebede! Het oordeel nadert u met rasse schreden.”In een oogwenk wierp ieder Muzelman zich van zijn paard, wendde het gelaat naar Mekka, en verrichtte met zand eene nabootsing vandie afwasschingen, die anders met water moesten geschieden, terwijl ieder in het bijzonder, in korte maar vurige uitroepen, zich zelven aan de zorg, en zijne zonden aan de vergiffenis van God en den profeet aanbeval.Zelfs sir Kenneth, wiens rede en vooroordeelen tevens gekrenkt werden, door dat hij zijne reismakkers iets zag verrichten, dat hij als eene daad van afgoderij beschouwde, kon niet nalaten de oprechtheid van hun verkeerden ijver te eerbiedigen. Door hunne geestdrift opgewekt, richtte hij in zuiverder vorm gebeden tot den Hemel. Tevens verwonderde hij zich, welk nieuw geboren gevoel hem kon leeren, om zich in het gebed te vereenigen met diezelfde Sarraceenen, wier heidenschen eeredienst hij als eene onteerende misdaad beschouwde voor het land, waarin groote wonderen geschied waren, en de ster der verlossing was opgekomen.In welk vreemd gezelschap zijn gebed dan ook geuit werd, het sproot zuiver voort uit zijn natuurlijk gevoel omtrent godsdienstplicht, en het had zijne gewone uitwerking, namelijk den geest, die door eene zoo snelle opvolging van rampen was geschokt, tot kalmte te brengen. De oprechte en ernstige toenadering van den Christen tot den troon van den Almachtige is de beste aansporing tot geduld in droefheid; want waarom zouden wij met God door onze gebeden spotten, wanneer wij Hem door het morren tegen zijne bedoelingen beleedigen?—Of hoe zouden wij, terwijl onze gebeden bij ieder woord de ijdelheid en nietigheid van de vergankelijke goederen in vergelijking met de eeuwige erkennen, hopen den Doorgronder der harten te bedriegen, door toe te laten, dat de wereld en wereldsche driften hare onstuimige heerschappij over onze harten hernemen op hetzelfde oogenblik, dat onze godsdienstoefening geëindigd is?—Er zijn zulke met zich zelf in strijd zijnde menschen geweest, en misschien zijn zij er nog, die toelaten,dat aardsche driften de teugels hernemen, terstond nadat zij zich in een ernstig gebed tot den Hemel hebben gericht; maar sir Kenneth behoorde niet tot deze. Hij gevoelde zich vertroost en versterkt, en beter voorbereid, om alles, waartoe zijn toestand hem mocht verplichten, te doen en te lijden en te volvoeren of zich daaraan te onderwerpen.Intusschen had de troep Sarraceenen zich weder in de zadels geworpen, en zij vervolgden hun weg, terwijl de verhaler, Hassan, den draad van zijn vertelsel weer opnam; maar hij deed dit niet langer voor dezelfde aandachtige toehoorders. Een ruiter, die eene hoogte aan de rechterhand van de kleine bende bestegen had, was in snellen galop naar El Hakim teruggekeerd en had met hem gesproken. Daarop waren vier of vijf andere ruiters afgezonden, en de kleine troep, die uit ongeveer twintig of dertig personen bestond, begon hen met de oogen te volgen, als mannen van wier gebaren, nadering of terugtocht zij zich goed of kwaad konden voorspellen. Hassan, ziende, dat zijne toehoorders geen aandacht meer hadden, of zelf door de onzekere gebeurtenissen op de flank aangetrokken, hield met zijn zang op, en de marsch werd in stilte voortgezet, behalve wanneer een kameeldrijver zijn geduldig lastdier toeriep, of de een of andere beangste volgeling van den Hakim met zijn nevenman op gejaagden en zeer zachten toon sprak.Deze onzekere toestand duurde voort, totdat zij rondom eene kleine hoogte kwamen, uit heuveltjes zand bestaande, die voor het hoofdkorps het voorwerp verborgen, dat onder hunne veldwachten zulk eene onrust had verwekt. Sir Kenneth kon thans op den afstand van eene (Engelsche) mijl of iets meer een zwart voorwerp zien, dat zich snel over de woestijn bewoog, en dat zijn geoefend oog als een troep ruiterij herkende. Zij was veel talrijker dan de hunne, en, uit de sterke en voortdurende flikkeringen, die de stralen der opgaande zon weerkaatsten, bleek het dat het Europeanen in hunne volkomen wapenrusting waren.De angstige blikken, die de ruiters van El Hakim thans op hun aanvoerder wierpen, schenen van groote vrees te getuigen. Deze intusschen zond met dezelfde kalmte, waarmede hij zijn volgelingen tot het gebed opgeroepen had, twee van zijne bereden ruiters af, met last om zoo dicht, als de voorzichtigheid toeliet, deze woestijn-reizigers te naderen, en hun getal, hun stand, en, zoo mogelijk, hun voornemen nauwkeurig op te nemen. De nadering van het gevaar, of van hetgeen als zoodanig gevreesd wordt, is als een prikkelende drank voor iemand, die tot onverschilligheid gezonken is, en zij riep sir Kenneth tot zich zelven en de bewustheid van zijn toestand terug.„Wat vreest gij van deze Christen ruiters, want dit schijnen zij te zijn?” vroeg hij aan El Hakim.„Vreezen!” hervatte deze, het woord minachtend herhalende—„de wijze vreest niets dan den Hemel—maar verwacht altijd van goddelooze menschen het ergste, dat zij doen kunnen.”„Het zijn Christenen”, hernam sir Kenneth, „en het is een tijd van wapenstilstand—waarom zoudt gij eene inbreuk op de goede trouw duchten?”„Het zijn de priesterlijke soldaten van den Tempel”, antwoordde El Hakim, „wier gelofte hen voorschrijft, noch wapenstilstand noch goede trouw met de vereerders van den Islam te kennen. Moge de profeet hen met wortel, takken en twijgen uitroeien!—Hunne vrede is oorlog, en hunne trouw is valschheid. Andere aanvallers van Palestina hebben hunne tijden en wijzen van ridderlijkheid. De leeuw Richard spaart, wanneer hij overwonnen heeft—de arend Filips sluit zijne vleugelen, wanneer hij een prooi heeft gegrepen—zelfs de Oostenrijksche beer slaapt, wanneer hij doorvoed is; maar deze horde van altijd hongerige wolven kent, geen stilstand noch verzadiging in hare roofzucht.—Ziet gij niet, dat zij een troep van hun hoofdkorps afzenden, en eene oostelijke richting nemen? Ginds zijn hunne pages en schildknapen, die zij in hunne vervloekte geheimen opvoeden, en die zij, als lichter gewapend, afzenden, om ons van onze drinkplaats af te snijden. Maar zij zullen bedrogen worden.Ikken den oorlog in de woestijn nog beter dan zij.”Hij sprak eenige weinige woorden tot zijn voornaamsten officier, en zijn geheel gedrag en uiterlijk was eensklaps veranderd van deplechtstatigerust van een Oosterschen wijze, meer aan bespiegeling dan werkzaamheid gewoon, in het koen en stout voorkomen van een dapper krijgsman, wiens veerkracht door de snelle nadering van een gevaar, dat hij te gelijk voorziet en veracht, wordt opgewekt.In sir Kenneth’s oogen had de naderende crisis een verschillend karakter, en toen Adonbec hem zeide: „gij moet u dicht aan mijne zijde houden”, antwoordde hij plechtig in het ontkennende.„Ginds”, zeide hij, „zijn mijne wapenbroeders—de mannen, in wier gezelschap ik beloofd heb te vechten, of te sneven. Op hunne banier schittert het teeken van onze allergezegendste verlossing.—Ik kan niet in gezelschap van de halve maan het Kruis ontvlieden.”„Dwaas!” zeide de Hakim; „hunne eerste daad zou zijn u ter dood te doemen, al ware het ook slechts om hunne schending van den wapenstilstand te verbergen.”„Daarop moet ik het laten aankomen”, hervatte sir Kenneth, „maar ik draag de boeien der ongeloovigen geen oogenblik langer dan dat ik ze van mij kan afwerpen.”„Dan zal ik u dwingen om mij te volgen,” zeide El Hakim.„Dwingen!” antwoordde sir Kenneth toornig: „waart gij niet mijn weldoener, of iemand, die den goeden wil getoond heeft om dit te zijn, en zoo ik niet aan uw vertrouwen de vrijheid van deze handen verschuldigd was, dan zou ik u toonen, dat, hoewel ik ongewapend ben, dwang geene gemakkelijke zaak was.”„Genoeg, genoeg”, hernam de Arabische geneesheer, „wij verliezen den tijd, terwijl die kostbaar begint te worden.”Dit zeggende verhief hij zijn arm, en gaf een luiden en schelle gil,als een teeken aan zijn gevolg, dat zich oogenblikkelijk over de vlakte van de woestijn verspreidde, in even veel richtingen als een rozenkrans, wanneer de snoer gebroken is. Sir Kenneth had den tijd niet om op te merken wat er verder volgde; want tegelijkertijd vatte de Hakim den toom van zijn paard, liet het aan zijn eigen vuur over, en beide renden eensklaps voort met de snelheid van het licht, en met eene vlugheid, die den Schotschen ridder bijna van zijne ademhaling beroofde, en hem geheel buiten staats stelde, om, al had hij ook gewild, den loop van zijn gids tegen te houden. Hoe geoefend sir Kenneth ook van zijne vroegste jeugd in de rijkunst was, was het snelste paard, dat hij ooit gereden had, eene schildpad in vergelijking met dat van den Arabischen wijze. Zij wierpen het zand achter zich—zij schenen de woestijn, die vóór hen lag, te verslinden—mijlen vlogen weg in minuten, en toch scheen hunne kracht onverminderd, en hunne ademhaling even vrij, als toen zij den wonderbaarlijken rit begonnen. De beweging, die even gemakkelijk als snel was, geleek meer naar vliegen door de lucht dan naar rijden over de aarde, en ging met geen onaangenaam gevoel gepaard, behalve de vrees, die natuurlijk degene voelt, die zich met zulk eene verbazende snelheid beweegt, en de moeielijkheid door de zoo geweldige zuiging van de lucht veroorzaakt.Eerst een uur na deze vreeselijke beweging, en toen alle menschelijke vervolging verre, verre achter hen was, vertraagde de Hakim eindelijk zijn vaart, en deed hun loop in een handgalop veranderen. Hierna begon hij met eene even bedaarde stem, alsof hij sedert het laatste uur gewandeld had, tot den Schot eene lofspraak op de voortreffelijkheid van zijne renners te houden, terwijl deze, ademloos, half blind, half doof, en geheel duizelig door de snelheid van dezen zonderlingen rit, nauwelijks de woorden verstond, die zijn metgezel zoo ruimschoots ontstroomden.„Deze paarden zijn van het ras, dat men het gevleugelde noemt, die alles in spoed evenaren, behalve den Borak van den Profeet. Zij worden gevoed met den gouden garst vanJemen, gemengd met specerijen en met eene kleine hoeveelheid gedroogd schapenvleesch. Koningen hebben provinciën gegeven, om ze in hun bezit te krijgen, en zij zijn in hun ouderdom even vlug als in hunne jeugd. Gij, Nazareër, zijt de eerste die, behalve ware geloovigen, ooit een dier van dit edel ras onder zich gehad heeft, een geschenk van den Profeet aan den gezegenden Ali, zijn bloedverwant en plaatsvervanger, te recht de Leeuw Gods genaamd. De tijd treft deze edele rossen zoo weinig, dat de merrie, die gij thans berijdt, reeds vijf maal vijf jaren heeft zien verloopen, en toch hare eerste snelheid en hare jeugdige kracht behoudt, behalve dat in den loop de steun van een toom, die door eene meer ervarene hand dan de uwe bestuurd wordt, thans noodzakelijk geworden is. De Profeet zij gezegend, dat hij de ware geloovigen de middelen tot vooruit- of achteruittrekken heeft geschonken, terwijl hunne in ijzer gekleede vijanden door hun eigen ontzaglijk gewicht afgemat worden! Wat moeten de paarden van gindsche honden van Tempeliers gesnovenen geblazen hebben, nadat zij tot aan de knieën toe in de woestijn voor een twintigste gedeelte van de ruimte hadden gearbeid, die deze brave paarden achter zich gelaten hebben, zonder eene enkele hartklopping of een droppel vocht op hunne gladde, fluweelen huid!”De Schotsche ridder, die nu zijne ademhaling en zijn vermogen tot luisteren herkregen had, kon niet nalaten in zijn hart het voordeel te erkennen, dat deze Oostersche krijgslieden bezaten in een ras van dieren, dat evenzeer tot het voor- als achteruittrekken geschikt was, en zoo verwonderlijk bij de vlakte en zandige woestijnen van Arabië en Syrië paste. Maar hij verkoos niet, om den hoogmoed van den Muzelman nog grooter te maken, zijn trotschen eisch op meerderheid toe te stemmen. Hij zag dus rond, en kon, bij den bedaarder stap, waarmede zij zich bewogen, onderscheiden, dat hij in eene hem niet onbekende landstreek was.De woeste oevers en het sombere water van de Doode Zee, de oneffen en steile keten bergen, die zich aan de linkerhand verhief, de twee of drie palmboomen, die bijeenstonden en de enkele groene plek op de uitgestrekte wildernis vormden—voorwerpen, die men niet licht vergat, wanneer men die slechts eenmaal gezien had,—bewezen sir Kenneth, dat zij de fontein, de Diamant der woestijn genoemd, naderden, die bij eene vorige gelegenheid het tooneel van zijne samenkomst met den Sarraceenschen emir Sheerkohf of Ilderim was geweest. Weinige minuten daarna hielden zij hunne paarden bij de bron op, en de Hakim verzocht sir Kenneth om van het paard te stijgen, en uit te rusten als op eene plaats van veiligheid. Zij onttoomden hunne paarden, terwijl El Hakim opmerkte, dat er verder geene zorg voor hen behoefde gedragen te worden, daar eenige van zijne slaven, die de snelste paarden hadden; hen spoedig zouden inhalen en het verder noodige verrichten.„Intusschen,” zeide hij, eenig voedsel op het gras uitspreidende, „eet en drink, en wees niet ontmoedigd. De fortuin kan den gewonen sterveling verheffen of vernederen, maar de wijze en de krijgsman moeten zielen hebben, die boven hare maatschappij verheven zijn.”De Schotsche ridder trachtte zijn dank te betuigen, door te doen wat van hem verlangd werd; maar ofschoon hij uit welwillendheid trachtte te eten, kwam de zonderlinge tegenstrijdigheid tusschen zijn tegenwoordigen toestand en dien, waarin hij de eerste maal op dezelfde plek geweest was, toen hij de afgezant van vorsten en de overwinnaar in den strijd was, gelijk een nevel voor zijn geest, en vasten, vermoeidheid en uitgeputheid onderdrukten zijne lichaamskrachten. El Hakim sloeg zijn snel jagenden pols, zijn rood en ontvlamd oog, zijne heete handen en zijne korte ademhaling gade.„De geest”, zeide hij, „wordt verstandig door het waken, maar zijn broeder, het lichaam, dat uit grove stoffen bestaat, heeft den steun der rust noodig. Gij moet slapen; en opdat gij zulks ter verfrissching moogt doen, moet gij een dronk nemen, met dit elixer gemengd.”Hij trok uit zijn boezem een klein kristallen fleschje, dat in eenkoker van gevlochten zilverwerk vervat was, en liet in een gouden drinkbeker een kleine hoeveelheid van een donker vocht druppelen.„Dit”, zeide hij, „is een van die voortbrengselen, die Allah ten zegen op de aarde gezonden heeft, ofschoon de zwakheid, en verdorvenheid der menschen ze somtijds in een vloek hebben veranderd. Het is krachtig, gelijk de wijnbeker van den Nazareër, om het gordijn voor het slapeloos oog te trekken, en den last van den te zwaar beladen boezem te verlichten; maar wanneer het tot oogmerken van vermaak en losbandigheid gebruikt wordt, verscheurt het de zenuwen, vernielt de kracht, verzwakt het verstand en ondermijnt het leven. Maar vrees niet, zijne deugden in tijd van nood te gebruiken; want de wijze verwarmt zich bij hetzelfde hout, waarmede de razende de tent afbrandt.”„Ik heb te veel van uwe bekwaamheid gezien, wijze Hakim”, zeide sir Kenneth, „om tegen uw voorschrift mij te verzetten”; en hierop slikte hij den slaapdrank in, gemengd met eenig water uit de bron. Vervolgens wikkelde hij zich in zijnhaik, of Arabischen mantel, die aan zijn zadelknop hing, en strekte zich, volgens het voorschrift van den geneesheer, op zijn gemak in de schaduw uit, om de beloofde rust te verbeiden. In den beginne kwam er geen slaap, maar in plaats daarvan eene reeks van aangename, en toch niet opwekkende, gewaarwordingen. Hierop volgde een toestand, waarin de ridder, hoewel bewust van zijn eigen bestaan en zijn eigen toestand, zich in staat gevoelde, om die niet alleen zonder onrust en smart, maar even kalm te beschouwen, alsof hij de geschiedenis zijner rampen op een tooneel zag vertoonen, of veeleer als een lichaamlooze geest de voorvallen van zijn vorig bestaan zou aanschouwd hebben. Uit dezen staat van rust, die bijna tot onverschilligheid omtrent het verledene steeg, werden zijne gedachten in de toekomst voortgedreven; en deze schitterde, in weerwil van alles wat het vooruitzicht kon benevelen, met zulke kleuren, dat zelfs bij veel gelukkiger voorteekens zijne verbeelding, zonder geprikkeld te zijn, in haar meest gespannen toestand niet had kunnen voortbrengen. Vrijheid, roem, gelukkige liefde schenen het zekere en niet ver verwijderde vooruitzicht van den verbannen slaaf, den onteerden ridder, zelfs van den wanhopenden minnaar, die zijne hoop op geluk zoo verre geplaatst had boven de verwachting van gelukkige toevallige gebeurtenissen, als zich de meest teugelooze verbeelding voorspiegelen kan. Allengs, terwijl het verstandelijk licht beneveld werd, werden ook deze vroolijke visioenen duister, als de wegstervende kleuren van de ondergaande zon, totdat zij eindelijk volkomen uitgewischt werden; en sir Kenneth lag, naar allen schijn, op zijne diepe ademhaling na, als een levenloos lichaam aan de voeten van El Hakim uitgestrekt.

Ons verhaal keert tot een tijdvak terug, dat aan de laatst beschreven gebeurtenissen kort voorafging, toen, zoo als de lezer zich herinneren zal, de ongelukkige ridder van den Luipaard, dien Koning Richard den Arabischen geneesheer geschonken had, veeleer als slaaf dan in eenige andere betrekking, verbannen werd uit het kamp der kruisvaarders, in welke gelederen hij zoo dikwijls en zoo schitterend zich had onderscheiden. Hij volgde zijn nieuwen meester, want zoo moeten wij nu den Hakim noemen, naar de Moorsche tenten, die zijn gevolg en eigendom bevatten, met het verstompte gevoel van iemand, die, van den top van een steilen berg in een afgrond nedergevallen, tegen zijne verwachting hetlevender heeft afgebracht en nog maar juist in staat is, om zich van de noodlottige plek weg te slepen, maar zonder de mate van de ontvangen wonden te kunnen beoordeelen. Toen hij in de tent gekomen was, wierp hij zich, geheel sprakeloos, op eene legerstede van bereide buffelshuiden, die zijn leidsman hem aanwees, en zijn gelaat in zijne handen verbergende, zuchtte hij zwaar, alsof zijn hart op het punt was te barstten. De geneesheer hoorde hem, terwijl hij zijne bevelen aan zijn talrijke bedienden gaf, ten einde zich voor hun vertrek tegen den volgenden morgen vóór het aanbreken van den dag gereed te maken, en door medelijden bewogen, staakte hij zijne bezigheid, legde de beenen kruiselings over elkander, en ging naast zijn leger zitten, om hem troost toe te spreken volgens de Oostersche wijze.

„Mijn vriend”, zeide hij, „wees getroost—want wat zegt de dichter? Het is beter, dat een mensch de slaaf van een goed meester is, dan de slaaf van zijne eigen wilde driften. Nog eens, houd goeden moed, omdat, gelijk Isoef Ben Jagoebe door zijne broeders aan een Koning, en wel aan Farao, Koning van Egypte, verkocht werd, uw Koning u daarentegen aan iemand geschonken heeft, die voor u zijn zal als een broeder.”

Sir Kenneth deed een poging om den Hakim te danken, maar zijn hart was te vol, en de onverstaanbare woorden, die zijne mislukte pogingen tot een antwoord vergezelden, bewogen den vriendelijken meester, om van zijne te voorbarige moeite tot vertroosting af te zien. Hij liet zijn nieuwen bediende of gast in rust, opdat hij zich aan zijne smart mocht overgeven, en toen hij de noodige voorbereidingen voor hun vertrek op den volgenden morgen bevolen had, zette hij zich op het tapijt neder, en gebruikte een soberen maaltijd. Nadat hij zich aldus verfrischt had, werden den Schotschen ridder gelijke spijzen aangeboden; maar, ofschoon de slaven sir Kenneth te verstaan gaven, dat de volgende dag reeds ver gevorderd moet zijn eer zij zouden stilhouden, om zich te ververschen, kon hij den tegenzin tegen alle voedsel niet te boven komen, en men kon hem niet overreden om iets anders te gebruiken dan een teug koud water.

Hij was nog wakker, lang nadat zijn Arabische gastheer zijne gewone godsdienstoefeningen verricht, en zich ter rust begeven had. De slaap had hem nog niet eens te middernacht bezocht, toen er eene beweging onder de bedienden plaats greep, die, ofschoon er niets bij gesproken en zeer weinig gedruisch gemaakt werd, hem deed bespeuren, dat zij de kameelen laadden en zich tot het vertrekvoorbereidden. Bij deze voorbereidingen was de persoon, die het laatst gestoord werd, op den geneesheer zelven na, de Schotsche ridder, wien eene soort van huis-hofmeester tegen drie uren des morgens verwittigde, dat hij moest opstaan. Hij deed dit zonder verder antwoord en volgde hem in het maanlicht, waar de kameelen stonden, die voor het grootste gedeelte reeds beladen waren, en waarvan nog slechts een op de knieën lag, totdat hij zijne volle lading zou hebben.

Op eenigen afstand van de kameelen stonden een aantal paarden, die getoomd en gezadeld waren, en de Hakim zelf te voorschijn komende, besteeg er een van met zoo veel vlugheid, als de ernstige deftigheid van zijn karakter toeliet, en hij wees op een ander met bevel om het aan sir Kenneth te brengen. Er was een Engelsch officier tegenwoordig, om hen door de legerplaats der kruisvaarders te geleiden, en hunne veiligheid te verzekeren, en alles was gereed voor hun vertrek. De tent, die zij verlaten hadden, werd midderlerwijl afgebroken, en de tentstukken en het bekleedsel maakten den last van den laatsten kameel uit.—Hierop sprak de geneesheer plechtig het vers uit den koran uit: „God zij onze leidsman, en Mahomed onze beschermer zoowel in de woestijn als in het door water bevochtigde veld.” Toen was de geheele troep oogenblikkelijk in beweging.

Onder het doortrekken van het kamp werden zij door verscheidene schildwachten aangeroepen, die hen zwijgend lieten voorbijtrekken, of een vloek tegen hun profeet bromden, terwijl zij den post van den een of anderen meer ijverigen kruisvaarder voorbijreden. Eindelijk lieten zij de laatste barrières achter zich, en de troep stelde zich voor den marsch op met voorbehoedende maatregelen, die uit een krijgskundig oogpunt noodig waren. Twee of drie ruiters trokken als voorhoede vooruit; een of twee bleven een boogschotslengte in de achterhoede; en overal waar de grond dat toeliet, werden anderen afgezonden om op de flanken een waakzaam oog te houden. Op deze wijze trokken zij voorwaarts, terwijl sir Kenneth, thans op het door de maan verlichte kamp terugziende, werkelijk verbannen kon schijnen, daar hij te gelijkertijd van de eer en vrijheid beroofd was, en tevens van de schitterende banieren, waaronder hij gehoopt had nog meer roem te verwerven, en van de tenten der ridderschap, van de Christenheid en—van Edith Plantagenet.

De Hakim, die naast hem reed, poogde op zijne gewone wijze hem door spreuken te troosten, „het is onverstandig achterwaarts te zien, wanneer de weg vóór ons ligt”, en terwijl hij sprak, deed het paard des ridders zulk een gevaarlijken misstap, dat het dreigde eene practische zedeles bij het verhaal te voegen.

Door dezen wenk werd de ridder verplicht meer acht te slaan op het bestieren van zijn paard, dat meer dan eens de hulp en den steun van toom en teugel vereischte, ofschoon in andere opzichten niets gemakkelijker en tevens sneller kon zijn, dan de telgang, waarmede het dier voortstapte.

„Het is met het paard gesteld als met het menschelijk geslacht”, merkte de spreukrijke geneesheer aan, „daar, te midden van zijn snelsten en gemakkelijksten gang, de ruiter zich voor een val moet hoeden, en, wanneer de voorspoed het hoogst is, onze voorzichtigheid het waakzaamst en ijverigst moet zijn, om het ongeluk te voorkomen.”

De overladen eetlust heeft zelfs van de honigraat een afkeer, en het is niet te verwonderen, dat de ridder, gekweld en vermoeid door rampen en vernedering, eenigermate ongeduldig werd, toen hij hoorde, dat zijne ellende, bij elke wending, de aanleiding tot spreekwoorden en zinspreuken werd, hoe billijk en juist ter snede die ook waren.

„Mij dunkt”, zeide hij een weinig gevoelig,„dat ik geen verdere opheldering van de onstandvastigheid der fortuin behoefde, ofschoon ik u danken zou, heer Hakim, voor de keus van een paard voor mij, zoo het slechts eens zoo flink struikelen wilde, dat het mijn hals te gelijk met den zijnen brak.”

„Broeder”, antwoordde de Arabische wijze, met onverstoorbare deftigheid, „gij spreekt als een der dwazen. Gij zegt in uw hart, dat de wijze aan zijn gast het jongste en beste paard had moeten geven, en het oude voor zich behouden; maar verneem, dat de gebreken van het oudere paard door de kracht van den jongeren ruiter kunnen vergoed worden, terwijl de drift van het jonge paard door het bedaarde karakter van den ouderen moet worden bekoeld.”

Zoo sprak de wijze; maar ook op deze aanmerking gaf sir Kenneth geen antwoord, dat tot eene voortzetting van hun gesprek kon leiden; en de geneesheer, die het misschien moede werd iemand te troosten, die niet getroost wilde zijn, gaf een teeken aan een van zijn gevolg.

„Hassan”, zeide hij, „hebt gij niets om den weg te verkorten?”

Hassan, een sprookverteller en een dichter van beroep, naderde bij deze uitnoodiging, om zijn ambt uit te oefenen.—„Heer van het paleis des levens”, zeidehij, zich tot den geneesheer wendende, „gij, voor wien de engel Azraël zijne wieken uitspreidt, om de vlucht te nemen—gij, wijzer dan Soliman Ben Daved, op wiens zegelring de ware naam geschreven stond, die de geesten van de elementen beteugelt—de Hemel verhoede, dat, terwijl gij op den weg der weldadigheid wandelt, en genezing en hoop brengt, overal waar gij verschijnt, uwe eigen reis door gebrek aan verhalen en gezang onaangenaam zou gemaakt worden. Zie, zoolang uw dienaar aan uwe zijde is, zal hij de schatten van zijn geheugen uitstorten, gelijk de fontein haar stroom langs het pad zendt, ter verversching van hen, die daarop wandelt.”

Na deze inleiding verhief Hassan zijne stem, en begon een verhaal van liefde en tooverij, met daden van krijgsroem doormengd, en versierd met overvloedige aanhalingen uit de Persische dichters, metwier werken de redenaar gemeenzaam bekend scheen te zijn. Het gevolg van den geneesheer, behalve diegenen, welke noodzakelijk op de kameelen moeten passen, drongen zich om den verhaler, en kwamen zoo nabij, als de eerbied voor hun meester toeliet, om het genot te smaken, welke de Oosterschen altijd in deze soort van kunstbeoefeningen gevonden hebben.

Op een anderen tijd zou sir Kenneth, ondanks zijne gebrekkige kennis van de taal, in de voordracht belang gesteld hebben, daar deze ofschoon zij door een meer weelderige verbeelding ingegeven en in eene meer buitensporigen en figuurlijken stijl geuit werd, toch eene sterke gelijkenis had met de romancen der ridderschap, die toen in Europa zoozeer in zwang waren. Maar zoo als de zaken voor hem stonden, bespeurde hij nauwelijks, dat een man in het midden van den troep, ongeveer twee uren lang op een zachten toon iets opzeide en zong, terwijl hij zijne stem naar de verschillende aandoeningen van hartstocht, die in het verhaal te pas kwamen, veranderde, en tot belooning dan eens een zacht geprevelde goedkeuring, dan weder uitdrukkingen van verwondering ontving, dan eens zuchten en tranen, en somtijds, hetgeen veel moeilijker van zulk een gehoor te verkrijgen is, den zweem van een stillen glimlach, ja, zelfs van gelach.

Onder het verhalen werd de aandacht van den balling, hoe afgetrokken ook door zijne eigen diepe smart, nu en dan opgewekt door het dof gehuil van een hond, die in een hok, dat op een der kameelen hing, was opgesloten. Als ervaren jager kon hij er niet aan twijfelen, of het was dat van zijn eigen trouwen hond; en uit den klagenden toon van het dier begreep hij, dat het de nabijheid van zijn meester bespeurde, en op zijne wijze diens bijstand vroeg, om hem te bevrijden.

„Helaas! arme Roswal”, zeide hij, „gij roept iemand om hulp en medelijden aan, die in een strenger slavernij is dan gij zelf. Ik wil mij houden, of ik u niet bemerk, en uwe liefde niet beantwoorden, daar dit slechts dienen zou, om onze scheiding nog te grievender te maken.”

Zoo gingen de uren van den nacht voorbij, en de tijd van den grijzen nevel, die het schemerlicht van een Syrischen morgen vormt. Maar toen de eerste omtrek van de zonneschijf boven den gezichteinder begon te rijzen, en de eerste straal door den dauw langs de oppervlakte van de woestijn schoot, die de reizigers thans bereikt hadden, verhief El Hakim zelf zijne luidklinkende stem, waarmede hij het verhaal van den spreukverteller afbrak, terwijl hij over de woestijn de plechtige oproeping deed weergalmen, die de muezzins des morgens van den minaret van elke moskee doen hooren.

„Ten gebede—ten gebede! God is de eenige God.—Ten gebede—ten gebede! Mahomed is de profeet Gods.—Ten gebede—ten gebede! de tijd ontvliedt u.—Ten gebede—ten gebede! Het oordeel nadert u met rasse schreden.”

In een oogwenk wierp ieder Muzelman zich van zijn paard, wendde het gelaat naar Mekka, en verrichtte met zand eene nabootsing vandie afwasschingen, die anders met water moesten geschieden, terwijl ieder in het bijzonder, in korte maar vurige uitroepen, zich zelven aan de zorg, en zijne zonden aan de vergiffenis van God en den profeet aanbeval.

Zelfs sir Kenneth, wiens rede en vooroordeelen tevens gekrenkt werden, door dat hij zijne reismakkers iets zag verrichten, dat hij als eene daad van afgoderij beschouwde, kon niet nalaten de oprechtheid van hun verkeerden ijver te eerbiedigen. Door hunne geestdrift opgewekt, richtte hij in zuiverder vorm gebeden tot den Hemel. Tevens verwonderde hij zich, welk nieuw geboren gevoel hem kon leeren, om zich in het gebed te vereenigen met diezelfde Sarraceenen, wier heidenschen eeredienst hij als eene onteerende misdaad beschouwde voor het land, waarin groote wonderen geschied waren, en de ster der verlossing was opgekomen.

In welk vreemd gezelschap zijn gebed dan ook geuit werd, het sproot zuiver voort uit zijn natuurlijk gevoel omtrent godsdienstplicht, en het had zijne gewone uitwerking, namelijk den geest, die door eene zoo snelle opvolging van rampen was geschokt, tot kalmte te brengen. De oprechte en ernstige toenadering van den Christen tot den troon van den Almachtige is de beste aansporing tot geduld in droefheid; want waarom zouden wij met God door onze gebeden spotten, wanneer wij Hem door het morren tegen zijne bedoelingen beleedigen?—Of hoe zouden wij, terwijl onze gebeden bij ieder woord de ijdelheid en nietigheid van de vergankelijke goederen in vergelijking met de eeuwige erkennen, hopen den Doorgronder der harten te bedriegen, door toe te laten, dat de wereld en wereldsche driften hare onstuimige heerschappij over onze harten hernemen op hetzelfde oogenblik, dat onze godsdienstoefening geëindigd is?—Er zijn zulke met zich zelf in strijd zijnde menschen geweest, en misschien zijn zij er nog, die toelaten,dat aardsche driften de teugels hernemen, terstond nadat zij zich in een ernstig gebed tot den Hemel hebben gericht; maar sir Kenneth behoorde niet tot deze. Hij gevoelde zich vertroost en versterkt, en beter voorbereid, om alles, waartoe zijn toestand hem mocht verplichten, te doen en te lijden en te volvoeren of zich daaraan te onderwerpen.

Intusschen had de troep Sarraceenen zich weder in de zadels geworpen, en zij vervolgden hun weg, terwijl de verhaler, Hassan, den draad van zijn vertelsel weer opnam; maar hij deed dit niet langer voor dezelfde aandachtige toehoorders. Een ruiter, die eene hoogte aan de rechterhand van de kleine bende bestegen had, was in snellen galop naar El Hakim teruggekeerd en had met hem gesproken. Daarop waren vier of vijf andere ruiters afgezonden, en de kleine troep, die uit ongeveer twintig of dertig personen bestond, begon hen met de oogen te volgen, als mannen van wier gebaren, nadering of terugtocht zij zich goed of kwaad konden voorspellen. Hassan, ziende, dat zijne toehoorders geen aandacht meer hadden, of zelf door de onzekere gebeurtenissen op de flank aangetrokken, hield met zijn zang op, en de marsch werd in stilte voortgezet, behalve wanneer een kameeldrijver zijn geduldig lastdier toeriep, of de een of andere beangste volgeling van den Hakim met zijn nevenman op gejaagden en zeer zachten toon sprak.

Deze onzekere toestand duurde voort, totdat zij rondom eene kleine hoogte kwamen, uit heuveltjes zand bestaande, die voor het hoofdkorps het voorwerp verborgen, dat onder hunne veldwachten zulk eene onrust had verwekt. Sir Kenneth kon thans op den afstand van eene (Engelsche) mijl of iets meer een zwart voorwerp zien, dat zich snel over de woestijn bewoog, en dat zijn geoefend oog als een troep ruiterij herkende. Zij was veel talrijker dan de hunne, en, uit de sterke en voortdurende flikkeringen, die de stralen der opgaande zon weerkaatsten, bleek het dat het Europeanen in hunne volkomen wapenrusting waren.

De angstige blikken, die de ruiters van El Hakim thans op hun aanvoerder wierpen, schenen van groote vrees te getuigen. Deze intusschen zond met dezelfde kalmte, waarmede hij zijn volgelingen tot het gebed opgeroepen had, twee van zijne bereden ruiters af, met last om zoo dicht, als de voorzichtigheid toeliet, deze woestijn-reizigers te naderen, en hun getal, hun stand, en, zoo mogelijk, hun voornemen nauwkeurig op te nemen. De nadering van het gevaar, of van hetgeen als zoodanig gevreesd wordt, is als een prikkelende drank voor iemand, die tot onverschilligheid gezonken is, en zij riep sir Kenneth tot zich zelven en de bewustheid van zijn toestand terug.

„Wat vreest gij van deze Christen ruiters, want dit schijnen zij te zijn?” vroeg hij aan El Hakim.

„Vreezen!” hervatte deze, het woord minachtend herhalende—„de wijze vreest niets dan den Hemel—maar verwacht altijd van goddelooze menschen het ergste, dat zij doen kunnen.”

„Het zijn Christenen”, hernam sir Kenneth, „en het is een tijd van wapenstilstand—waarom zoudt gij eene inbreuk op de goede trouw duchten?”

„Het zijn de priesterlijke soldaten van den Tempel”, antwoordde El Hakim, „wier gelofte hen voorschrijft, noch wapenstilstand noch goede trouw met de vereerders van den Islam te kennen. Moge de profeet hen met wortel, takken en twijgen uitroeien!—Hunne vrede is oorlog, en hunne trouw is valschheid. Andere aanvallers van Palestina hebben hunne tijden en wijzen van ridderlijkheid. De leeuw Richard spaart, wanneer hij overwonnen heeft—de arend Filips sluit zijne vleugelen, wanneer hij een prooi heeft gegrepen—zelfs de Oostenrijksche beer slaapt, wanneer hij doorvoed is; maar deze horde van altijd hongerige wolven kent, geen stilstand noch verzadiging in hare roofzucht.—Ziet gij niet, dat zij een troep van hun hoofdkorps afzenden, en eene oostelijke richting nemen? Ginds zijn hunne pages en schildknapen, die zij in hunne vervloekte geheimen opvoeden, en die zij, als lichter gewapend, afzenden, om ons van onze drinkplaats af te snijden. Maar zij zullen bedrogen worden.Ikken den oorlog in de woestijn nog beter dan zij.”

Hij sprak eenige weinige woorden tot zijn voornaamsten officier, en zijn geheel gedrag en uiterlijk was eensklaps veranderd van deplechtstatigerust van een Oosterschen wijze, meer aan bespiegeling dan werkzaamheid gewoon, in het koen en stout voorkomen van een dapper krijgsman, wiens veerkracht door de snelle nadering van een gevaar, dat hij te gelijk voorziet en veracht, wordt opgewekt.

In sir Kenneth’s oogen had de naderende crisis een verschillend karakter, en toen Adonbec hem zeide: „gij moet u dicht aan mijne zijde houden”, antwoordde hij plechtig in het ontkennende.

„Ginds”, zeide hij, „zijn mijne wapenbroeders—de mannen, in wier gezelschap ik beloofd heb te vechten, of te sneven. Op hunne banier schittert het teeken van onze allergezegendste verlossing.—Ik kan niet in gezelschap van de halve maan het Kruis ontvlieden.”

„Dwaas!” zeide de Hakim; „hunne eerste daad zou zijn u ter dood te doemen, al ware het ook slechts om hunne schending van den wapenstilstand te verbergen.”

„Daarop moet ik het laten aankomen”, hervatte sir Kenneth, „maar ik draag de boeien der ongeloovigen geen oogenblik langer dan dat ik ze van mij kan afwerpen.”

„Dan zal ik u dwingen om mij te volgen,” zeide El Hakim.

„Dwingen!” antwoordde sir Kenneth toornig: „waart gij niet mijn weldoener, of iemand, die den goeden wil getoond heeft om dit te zijn, en zoo ik niet aan uw vertrouwen de vrijheid van deze handen verschuldigd was, dan zou ik u toonen, dat, hoewel ik ongewapend ben, dwang geene gemakkelijke zaak was.”

„Genoeg, genoeg”, hernam de Arabische geneesheer, „wij verliezen den tijd, terwijl die kostbaar begint te worden.”

Dit zeggende verhief hij zijn arm, en gaf een luiden en schelle gil,als een teeken aan zijn gevolg, dat zich oogenblikkelijk over de vlakte van de woestijn verspreidde, in even veel richtingen als een rozenkrans, wanneer de snoer gebroken is. Sir Kenneth had den tijd niet om op te merken wat er verder volgde; want tegelijkertijd vatte de Hakim den toom van zijn paard, liet het aan zijn eigen vuur over, en beide renden eensklaps voort met de snelheid van het licht, en met eene vlugheid, die den Schotschen ridder bijna van zijne ademhaling beroofde, en hem geheel buiten staats stelde, om, al had hij ook gewild, den loop van zijn gids tegen te houden. Hoe geoefend sir Kenneth ook van zijne vroegste jeugd in de rijkunst was, was het snelste paard, dat hij ooit gereden had, eene schildpad in vergelijking met dat van den Arabischen wijze. Zij wierpen het zand achter zich—zij schenen de woestijn, die vóór hen lag, te verslinden—mijlen vlogen weg in minuten, en toch scheen hunne kracht onverminderd, en hunne ademhaling even vrij, als toen zij den wonderbaarlijken rit begonnen. De beweging, die even gemakkelijk als snel was, geleek meer naar vliegen door de lucht dan naar rijden over de aarde, en ging met geen onaangenaam gevoel gepaard, behalve de vrees, die natuurlijk degene voelt, die zich met zulk eene verbazende snelheid beweegt, en de moeielijkheid door de zoo geweldige zuiging van de lucht veroorzaakt.

Eerst een uur na deze vreeselijke beweging, en toen alle menschelijke vervolging verre, verre achter hen was, vertraagde de Hakim eindelijk zijn vaart, en deed hun loop in een handgalop veranderen. Hierna begon hij met eene even bedaarde stem, alsof hij sedert het laatste uur gewandeld had, tot den Schot eene lofspraak op de voortreffelijkheid van zijne renners te houden, terwijl deze, ademloos, half blind, half doof, en geheel duizelig door de snelheid van dezen zonderlingen rit, nauwelijks de woorden verstond, die zijn metgezel zoo ruimschoots ontstroomden.

„Deze paarden zijn van het ras, dat men het gevleugelde noemt, die alles in spoed evenaren, behalve den Borak van den Profeet. Zij worden gevoed met den gouden garst vanJemen, gemengd met specerijen en met eene kleine hoeveelheid gedroogd schapenvleesch. Koningen hebben provinciën gegeven, om ze in hun bezit te krijgen, en zij zijn in hun ouderdom even vlug als in hunne jeugd. Gij, Nazareër, zijt de eerste die, behalve ware geloovigen, ooit een dier van dit edel ras onder zich gehad heeft, een geschenk van den Profeet aan den gezegenden Ali, zijn bloedverwant en plaatsvervanger, te recht de Leeuw Gods genaamd. De tijd treft deze edele rossen zoo weinig, dat de merrie, die gij thans berijdt, reeds vijf maal vijf jaren heeft zien verloopen, en toch hare eerste snelheid en hare jeugdige kracht behoudt, behalve dat in den loop de steun van een toom, die door eene meer ervarene hand dan de uwe bestuurd wordt, thans noodzakelijk geworden is. De Profeet zij gezegend, dat hij de ware geloovigen de middelen tot vooruit- of achteruittrekken heeft geschonken, terwijl hunne in ijzer gekleede vijanden door hun eigen ontzaglijk gewicht afgemat worden! Wat moeten de paarden van gindsche honden van Tempeliers gesnovenen geblazen hebben, nadat zij tot aan de knieën toe in de woestijn voor een twintigste gedeelte van de ruimte hadden gearbeid, die deze brave paarden achter zich gelaten hebben, zonder eene enkele hartklopping of een droppel vocht op hunne gladde, fluweelen huid!”

De Schotsche ridder, die nu zijne ademhaling en zijn vermogen tot luisteren herkregen had, kon niet nalaten in zijn hart het voordeel te erkennen, dat deze Oostersche krijgslieden bezaten in een ras van dieren, dat evenzeer tot het voor- als achteruittrekken geschikt was, en zoo verwonderlijk bij de vlakte en zandige woestijnen van Arabië en Syrië paste. Maar hij verkoos niet, om den hoogmoed van den Muzelman nog grooter te maken, zijn trotschen eisch op meerderheid toe te stemmen. Hij zag dus rond, en kon, bij den bedaarder stap, waarmede zij zich bewogen, onderscheiden, dat hij in eene hem niet onbekende landstreek was.

De woeste oevers en het sombere water van de Doode Zee, de oneffen en steile keten bergen, die zich aan de linkerhand verhief, de twee of drie palmboomen, die bijeenstonden en de enkele groene plek op de uitgestrekte wildernis vormden—voorwerpen, die men niet licht vergat, wanneer men die slechts eenmaal gezien had,—bewezen sir Kenneth, dat zij de fontein, de Diamant der woestijn genoemd, naderden, die bij eene vorige gelegenheid het tooneel van zijne samenkomst met den Sarraceenschen emir Sheerkohf of Ilderim was geweest. Weinige minuten daarna hielden zij hunne paarden bij de bron op, en de Hakim verzocht sir Kenneth om van het paard te stijgen, en uit te rusten als op eene plaats van veiligheid. Zij onttoomden hunne paarden, terwijl El Hakim opmerkte, dat er verder geene zorg voor hen behoefde gedragen te worden, daar eenige van zijne slaven, die de snelste paarden hadden; hen spoedig zouden inhalen en het verder noodige verrichten.

„Intusschen,” zeide hij, eenig voedsel op het gras uitspreidende, „eet en drink, en wees niet ontmoedigd. De fortuin kan den gewonen sterveling verheffen of vernederen, maar de wijze en de krijgsman moeten zielen hebben, die boven hare maatschappij verheven zijn.”

De Schotsche ridder trachtte zijn dank te betuigen, door te doen wat van hem verlangd werd; maar ofschoon hij uit welwillendheid trachtte te eten, kwam de zonderlinge tegenstrijdigheid tusschen zijn tegenwoordigen toestand en dien, waarin hij de eerste maal op dezelfde plek geweest was, toen hij de afgezant van vorsten en de overwinnaar in den strijd was, gelijk een nevel voor zijn geest, en vasten, vermoeidheid en uitgeputheid onderdrukten zijne lichaamskrachten. El Hakim sloeg zijn snel jagenden pols, zijn rood en ontvlamd oog, zijne heete handen en zijne korte ademhaling gade.

„De geest”, zeide hij, „wordt verstandig door het waken, maar zijn broeder, het lichaam, dat uit grove stoffen bestaat, heeft den steun der rust noodig. Gij moet slapen; en opdat gij zulks ter verfrissching moogt doen, moet gij een dronk nemen, met dit elixer gemengd.”

Hij trok uit zijn boezem een klein kristallen fleschje, dat in eenkoker van gevlochten zilverwerk vervat was, en liet in een gouden drinkbeker een kleine hoeveelheid van een donker vocht druppelen.

„Dit”, zeide hij, „is een van die voortbrengselen, die Allah ten zegen op de aarde gezonden heeft, ofschoon de zwakheid, en verdorvenheid der menschen ze somtijds in een vloek hebben veranderd. Het is krachtig, gelijk de wijnbeker van den Nazareër, om het gordijn voor het slapeloos oog te trekken, en den last van den te zwaar beladen boezem te verlichten; maar wanneer het tot oogmerken van vermaak en losbandigheid gebruikt wordt, verscheurt het de zenuwen, vernielt de kracht, verzwakt het verstand en ondermijnt het leven. Maar vrees niet, zijne deugden in tijd van nood te gebruiken; want de wijze verwarmt zich bij hetzelfde hout, waarmede de razende de tent afbrandt.”

„Ik heb te veel van uwe bekwaamheid gezien, wijze Hakim”, zeide sir Kenneth, „om tegen uw voorschrift mij te verzetten”; en hierop slikte hij den slaapdrank in, gemengd met eenig water uit de bron. Vervolgens wikkelde hij zich in zijnhaik, of Arabischen mantel, die aan zijn zadelknop hing, en strekte zich, volgens het voorschrift van den geneesheer, op zijn gemak in de schaduw uit, om de beloofde rust te verbeiden. In den beginne kwam er geen slaap, maar in plaats daarvan eene reeks van aangename, en toch niet opwekkende, gewaarwordingen. Hierop volgde een toestand, waarin de ridder, hoewel bewust van zijn eigen bestaan en zijn eigen toestand, zich in staat gevoelde, om die niet alleen zonder onrust en smart, maar even kalm te beschouwen, alsof hij de geschiedenis zijner rampen op een tooneel zag vertoonen, of veeleer als een lichaamlooze geest de voorvallen van zijn vorig bestaan zou aanschouwd hebben. Uit dezen staat van rust, die bijna tot onverschilligheid omtrent het verledene steeg, werden zijne gedachten in de toekomst voortgedreven; en deze schitterde, in weerwil van alles wat het vooruitzicht kon benevelen, met zulke kleuren, dat zelfs bij veel gelukkiger voorteekens zijne verbeelding, zonder geprikkeld te zijn, in haar meest gespannen toestand niet had kunnen voortbrengen. Vrijheid, roem, gelukkige liefde schenen het zekere en niet ver verwijderde vooruitzicht van den verbannen slaaf, den onteerden ridder, zelfs van den wanhopenden minnaar, die zijne hoop op geluk zoo verre geplaatst had boven de verwachting van gelukkige toevallige gebeurtenissen, als zich de meest teugelooze verbeelding voorspiegelen kan. Allengs, terwijl het verstandelijk licht beneveld werd, werden ook deze vroolijke visioenen duister, als de wegstervende kleuren van de ondergaande zon, totdat zij eindelijk volkomen uitgewischt werden; en sir Kenneth lag, naar allen schijn, op zijne diepe ademhaling na, als een levenloos lichaam aan de voeten van El Hakim uitgestrekt.


Back to IndexNext