HOOFDSTUK XXV.

HOOFDSTUK XXV.Zoo groot is zijn standvastigheidDat gij hem ook vereeren zult;Ja, ik beminde u niet zoo teer,Beminde ik nog mijne eer niet meer.Montrose.Toen Koning Richard in zijne tent terugkeerde, liet hij den Nubiër voor zich brengen. Deze trad met zijne gewone eerbiedige en plechtige buiging binnen, en na zich gebogen te hebben, bleef hij voor den Koning staan, in de houding van een slaaf, die op de bevelen van zijn meester wacht. Het was misschien een geluk voor hem, dat het volhouden van zijne rol van hem vorderde, dat hij de oogen op den grond vestigde, daar de scherpe blik, waarmede Richard hem gedurende eenigen tijd in stilte beschouwde, moeilijk door te staan zou geweest zijn, indien hij dien ten volle ontmoet had.„Gij hebt goed verstand van de jachtkunst,” zeide de Koning na een oogenblik zwijgen; „en gij hebt uw wild opgejaagd en in het nauw gedreven, zoo behendig, als of Tristrem zelf u onderwezen had. Maar dit is niet genoeg—het moet met geweld ter neder geworpen worden. Ik zelf zou gaarne mijn jachtspeer tegen hem geveld hebben. Er zijn echter, naar het schijnt, omstandigheden, die dit verhinderen. Gij staat op het punt van naar het kamp van den Sultan terug te keeren, met een brief, waarin van zijne welwillendheid verzocht wordt, een onzijdigen grond voor dit ridderlijk feit aan te wijzen, en zoo het hem behaagde, dit met ons te aanschouwen. Nu slechts ons vermoeden te kennen gevende, gelooven wij, dat gij in die legerplaats wel een ridder zoudt kunnen vinden, die, ter liefde voor de waarheid, en de verhooging van zijn eigen roem, tegen dezen verrader van Montserrat zou willen strijden.”De Nubiër sloeg zijne oogen op en vestigde die op den Koning met innige geestdrift: vervolgens richtte hij ze ten hemel met zulk eene plechtige dankbaarheid, dat de tranen er in doorblonken—hierop boog hij het hoofd, alsof hij bevestigde, wat Richard vroeg, en hernam zijne gewone houding van onderworpen gehoorzaamheid.„Het is goed”, zeide de Koning; „en ik zie uwe begeerte om mij in deze zaak van dienst te zijn. En hierin, dit moet ik zeggen, bestaat de voortreffelijkheid van zulk een dienaar als gij, daar gij geene spraak bezit om ons voornemen te betwisten, of verklaring te vragen van hetgeen wij besloten hebben. Een Engelsche dienaar zou mij in uwe plaats zijne ruwe meening gezegd hebben, om het gevecht aan de eene of andere goede lans van mijn hofstoet te vertrouwen, daar allen, van mijn broeder Langzwaard af, wedijveren om voor mij te strijden. Een praatziek Franschman zou duizend pogingen aangewend hebben, om te ontdekken, waarom ik een kampvechter in het kamp der ongeloovigen zoek. Maar gij, mijn zwijgende zaakbezorger, gij kunt mijn last volvoeren zonder er naar te vragen of hem te begrijpen; bij u heet hooren gehoorzamen.”Eene buiging met het lichaam en de knie waren het passend antwoord van den Ethiopiër op deze aanmerkingen.„En nu iets anders”, zeide de Koning op haastigen en snellen toon;—„hebt gij Edith Plantagenet reeds gezien?”De stomme zag op, alsof hij op het punt stond te spreken,—ja, zijne lippen waren begonnen een duidelijk neen uit te spreken,—toen de mislukte poging in het onvolmaakt gebrom van een stomme wegstierf.„Ei, zie eens!” riep de Koning, „de klank alleen van den naam van een koninklijke maagd, van zulk eene uitstekende schoonheid, als die van onze beminnelijke nicht, schijnt bijna kracht genoeg te hebben, om een stomme te doen spreken. Welke wonderen zouden dan hare oogen op zulk een voorwerp uitwerken! Ik wil de proef nemen, vriend slaaf. Gij zult deze uitgelezen schoonheid van ons hof zien, en den last van den vorstelijken Sultan overbrengen.”Wederom een blijde blik—wederom eene kniebuiging—maar toen hij oprees, legde de Koning zijne hand zwaar op zijn schouder, en vervolgde dus met statige majesteit en ernst:—„laat ik u voor ééne zaak waarschuwen, mijn zwarte zendeling. Zelfs zoo gij voelen mocht, dat de vriendelijke invloed van haar, die gij welhaast zult zien, de banden van uwe tong mocht losmaken, die tegenwoordig gevangen zit, zoo als de goede Sultan het uitdrukt, binnen de ivoren muren van haar kasteel, zoo wacht u, uw stilzwijgend karakter te veranderen, of een woord in hare tegenwoordigheid te uiten, zelfs zoo uw spraakvermogen op eene wonderdadige wijze hersteld werd. Geloof mij, dat ik u de tong bij den wortel zou laten uitrukken, en haar ivoren paleis, dat is, gelijk ik vermoed, de rij tanden, de eene na de andere, uittrekken. Derhalve wees verstandig en dood stil.”Zoodra de Koning zijne zware hand van den schouder van den Nubiër genomen had, boog deze zijn hoofd, en legde zijne hand op zijne lippen, tot een teeken van stille gehoorzaamheid.Maar Richard legde zijne hand weder, ofschoon zachter, op hem, en voegde er bij: „dit gebod leggen wij u als slaaf op. Waart gij een ridder en edelman, dan zouden wij uwe eer tot borg voor uwe stilzwijgendheid vorderen, daar deze eene bijzondere voorwaarde van ons tegenwoordig vertrouwen is.”De Ethiopiër verhief zijn lichaam fier, zag den Koning open in het gelaat, en legde zijne rechterhand op zijn hart.Hierop riep Richard zijn kamerheer.„Ga, Neville”, zeide hij, „met dezen slaaf naar de tent van onze koninklijke gemalin, en zeg, dat het ons welbehagen is, dat hij een gehoor—een geheim gehoor—bij onze nicht Edith hebbe. Hij is met eene boodschap aan haar belast. Gij kunt hem den weg ook wijzen, zoo hij uwe leiding noodig heeft, ofschoon gij misschien opgemerkt hebt, dat het verwonderlijk is, hoe vertrouwd hij reeds schijnt te zijn met den omtrek van onze legerplaats.—En gij, mijn vriend de Ethiopiër”,vervolgde de Koning, „doe snel, wat gij doet, en keer binnen een half uur hier terug.”„Ik ben ontdekt”, dacht de gewaande Nubiër, terwijl hij, met ter neergeslagen blikken en gekruiste armen, den haastigen tred van Neville naar de tent van Koningin Berengaria volgde,—„ik ben zonder twijfel ontdekt en doorgrond door Koning Richard; evenwel kan ik niet bespeuren, dat zijn toorn groot tegen mij is. Indien ik zijne woorden begrijp, en voorzeker is het mogelijk, om die verkeerd uit te leggen, dan geeft hij mij eene edele kans, om mijne eer te herwinnen op den vederbos van dien valschen markies, wiens schuld ik in zijn verschrikten blik en zijne bevende lippen las, toen de beschuldiging tegen hem werd aangevoerd.—Roswal, trouw hebt gij uw meester gediend, en zeer duur zal het u aangedane leed gewroken worden.—Maar wat zal het tegenwoordig verlof beduiden, om haar te aanschouwen, die ik gewanhoopt had ooit weder te zien?—En, waarom of hoe kan de koninklijke Plantagenet er in bewilligen, dat ik zijne aangebeden bloedverwante zou zien, hetzij als de bode van den heidenschen Saladin, of als de schuldige balling, dien hij nog zoo kort geleden uit zijne legerplaats verdreven heeft—daar zijne stoute bekentenis van de liefde, waarin hij zijn roem stelt, zijn schuld het grootst maakt? Dat Richard er in zou toestemmen, dat zij een brief van een ongeloovigen minnaar uit de handen van iemand van zoo ongeëvenredigden rang zou ontvangen, zijn beide omstandigheden, die even ongelooflijk, als tevens onbestaanbaar met elkander zijn. Maar wanneer Richard niet door zijne onwederstaanbare hartstochten bewogen wordt, is hij mild, grootmoedig en waarlijk edel, en als zoodanig wil ik hem behandelen, en mij naar zijne rechtstreeksche of onmiddellijke voorschriften gedragen, en trachten niet meer te weten, dan zich geleidelijk zonder scherp onderzoek van mijn kant ontwikkelen zal. Hem, die mij zulk eene schoone gelegenheid gegeven heeft, om mijne bevlekte eer te herstellen, ben ik onderdanigheid en gehoorzaamheid verschuldigd; en hoe smartelijk het ook zij, de schuld zal betaald worden. En toch,”—zoo sprak de stem, van zijn fier hart, dat in verzet kwam, „en toch kon Leeuwenhart, zoo als hij genoemd wordt, het gevoel van anderen naar het zijne afgemeten hebben.Ikeen aanzoek bij zijne bloedverwante bevorderen!Ik, die nooit een woord tegen haar gesproken heb, dan toen ik een koninklijken prijs uit hare hand ontving—toen ik niet voor den geringste in ridderdaden onder de verdedigers van het Kruis gerekend werd!Ikhaar naderen in eene lage vermomming en in een slaafsch kleed—en helaas! daar mijn tegenwoordige toestand die is van een slaaf, met eene vlek van schande op datgene, wat eens mijn schild was!Ikdat doen! Hij kent mij weinig. Toch dank ik hem voor de gelegenheid, die ons allen beter met elkander bekend kan maken!”Toen hij tot dit besluit gekomen was, stonden zij voor den ingang van de tent der Koningin.Zij werden dadelijk door de wachten toegelaten, en Neville, denNubiër in een klein voorvertrek latende, dat hij zich maar al te wel herinnerde, ging in dat, hetwelk tot gehoorzaal der Koningin was ingericht. Hij deelde het verlangen van zijn koninklijken meester op zachten en eerbiedigen toon mede, die zeer verschilde van de barschheid van Thomas de Vaux, voor wien Richard alles, en het overige Hof, Berengaria zelve niet uitgezonderd, niets was. Eene uitbarsting van gelach volgde op de mededeeling van zijn last.„En hoe ziet de Nubische slaaf er uit, die met zulk een last als gezant van den Sultan komt?—het is een neger, niet waar, Neville?” zeide eene vrouwelijke stem, die men gemakkelijk als die van Berengaria herkennen kon. „Het is toch een neger, de Neville, met een zwart vel, een hoofd met kroes haar als dat van een ram, eene platte neus, en vooruitstekende lippen—niet zoo, waardige sir Henry?”„Uwe Majesteit vergete de schenen niet,” zeide eene andere stem, „naar buiten gebogen, als het scherp van eene Sarraceensche sabel.”„Veeleer gelijk de boog van een Cupido, daar hij met een minnebrief komt,” hernam de Koningin. „Goede Neville, gij zijt altijd gereed, om ons arme vrouwen genoegen te doen, daar wij zoo weinig hebben om onze ledige oogenblikken mede door te brengen. Wij moeten dezen minnebode zien. Turken en Moren heb ik in menigte gezien, maar nog nooit een neger.”„Ik ben geschapen om de bevelen van uwe Majesteit te voorkomen; dus zult gij het bij mijn Koning weder goed maken, als ik dit doe,” antwoordde de onderdanige ridder. „Evenwel laat ik uwe Majesteit verzekeren, dat gij iets zult zien, dat eenigszins verschilt van hetgeen gij verwacht.”„Zoo veel te beter—nog leelijker, dan mijne verbeelding zich hem voorstellen kan, en nochtans de uitverkoren liefdebode van dezen hoffelijken Sultan!”„Genadige mevrouw,” zeide lady Calista, „mag ik u bidden, den goeden ridder te vergunnen, dezen bode rechtstreeks aan lady Edith over te brengen, daar zijne geloofsbrieven aan haar gericht zijn? Wij zijn slechts ternauwernood de ernstige gevolgen van zulk eene zoodanige scherts ontkomen.”„Ontkomen?”—herhaalde de Koningin minachtend.„Maar toch gij kunt gelijk hebben, Calista, met uwe voorzichtigheid—laat dezen Nubiër, zoo als gij hem noemt, eerst zijne boodschap bij onze nicht doen. Bovendien is hij ook stom—niet waar?”„Ja, uwe Majesteit,” antwoordde de ridder.„Een vorstelijk genoegen hebben deze Oostersche dames,” zeide Berengaria, „daar zij door wezens bediend worden, tot wie zij alles kunnen zeggen, en die toch niets kunnen overbrengen; terwijl in onze legerplaats, zooals de prelaat van St. Juda pleegt te zeggen, een vogel uit de lucht de zaak verder brengt.”„Omdat,” zeide De Neville, „uwe Majesteit vergeet, dat gij binnen linnen muren spreekt.”Bij deze opmerking zonken de stemmen, en na een weinig gefluisterkeerde de Engelsche ridder naar den Ethiopiër terug, en gaf hem een teeken hem te volgen. Hij deed dit, en Neville geleidde hem naar eene tent, die een weinig van die der Koningin verwijderd was, en, naar het scheen, ten dienste van Edith en hare bedienden was opgericht. Eene van hare Koptische dienaressen nam de door sir Henry Neville medegedeelde boodschap aan, en na verloop van zeer weinige minuten werd de Nubiër in Edith’s tegenwoordigheid gevoerd, terwijl Neville aan de buitenzijde van de tent bleef. De slavin, die hem binnenleidde, verwijderde zich op een teeken van hare meesteres, en het was met diepen ootmoed, niet alleen van zijne houding, maar van het binnenste zijner ziel, dat de zoo zonderling vermomde, ongelukkige ridder zich op eene knie wierp, met ter neder geslagen blikken, en gekruiste armen, gelijk een misdadiger, die zijn vonnis verwacht. Edith was op dezelfde wijze gekleed, als toen zij Koning Richard ontving, terwijl haar lange, doorschijnende sluier om haar hing, als de schaduw van een zomernacht over een schoon landschap, en de schoonheden, die hij niet verbergen kon, bedekte en verduisterde. Zij had in hare hand een zilveren lamp, met geurigen spiritus gevuld, die ongemeen helder brandde.Toen Edith weinige schreden van den knielenden en onbeweeglijken slaaf stond, hield zij het licht naar zijn gelaat toegekeerd, alsof zij zijne trekken nauwkeuriger wilde onderzoeken; daarop wendde zij zich van hem af, en plaatste hare lamp zoodanig, dat de schaduw van zijn gelaat in profil viel op het gordijn, dat aan de zijde hing. Eindelijk zeide zij op bedaarden en toch diep bedroefden toon:„Zijt gij het?—Zijt gij het inderdaad, dappere ridder van den Luipaard—dappere sir Kenneth van Schotland—zijt gij het wezenlijk?—als slaaf vermomd—aldus door honderd gevaren omringd?”Toen de ridder zoo onverwacht de klank hoorde van de stem zijner dame, wier woorden tot hem gericht waren, en dat wel op een toon van medelijden, die aan teederheid grensde, vloog er een daarmede overeenstemmend antwoord op zijne lippen; en nauwelijks konden Richard’s bevelen en zijne beloofde stilzwijgendheid hem beletten te antwoorden, dat het gezicht, hetwelk hij zag, de klanken, die hij zoo even gehoord had, voldoende waren om de slavernij van een geheel leven, en alle gevaren, welke dit leven elk uur bedreigden, te vergelden. Hij bedacht zich echter nog, en een diepe en vurige zucht was zijn eenig antwoord op de vraag der hooggeboren Edith.„Ik zie—ik weet, dat ik goed gegist heb—” vervolgde Edith. „Ik heb u van het oogenblik, dat gij u voor de eerste maal hebt vertoond nabij het platform, waarop ik met de Koningin stond, opgemerkt. Ik kende ook uw dapperen hond. Geene trouwe dame zou zij zijn, en de dienst van zulk een ridder, als gij zijt, onwaardig, zoo eenig vermomming of kleeding of kleur een trouw dienaar voor haar kon verbergen. Spreek dus, zonder vrees, tot Edith Plantagenet. Zij weet in het ongeluk den ridder te achten, die haar diende en eerde en dappere wapenfeiten in haar naam bedreef, toen de fortuin hembegunstigde.—Nog zwijgt gij? Is dit de schuld van vrees of schaamte? De vrees moest u onbekend zijn; en de schaamte, laat die aan hen, welke u onrecht gedaan hebben.”De ridder, wanhopend dat hij verplicht was, den stomme bij eene zoo belangrijke bijeenkomst te spelen, kon zijne smart alleen uitdrukken door eene diepen zucht, en den vinger op de lippen te leggen. Edith trad een weinig terug, alsof zij eenigszins ontevreden was.„Hoe!” zeide zij, „de Aziatische stomme in daden, zoo wel als gewaad. Dit verwachtte ik niet—of misschien veracht gij mij, nu ik zoo stoutmoedig beken, dat ik de hulde, die gij mij betoond hebt, heb opgemerkt? Koester daarom geene onwaardige gedachten van Edith. Zij kent de grenzen wel, die ingetogenheid en zedigheid aan hooggeboren vrouwen voorschrijven, en zij weet, wanneer en hoe ver die voor de dankbaarheid moeten wijken …. voor eene oprechte begeerte, dat het in hare macht mocht zijn, om diensten te beloonen en beleedigingen te vergoeden, die uit de genegenheid, welke een goed ridder voor haar had, ontsproten …. waarom uwe handen gevouwen, en met zulk eene drift gewrongen? Kan het zijn,” voegde zij er bij, bij dit denkbeeld van schrik terugdeinzende, „dat hunne wreedheid u wezenlijk van de spraak beroofd heeft? Gij schudt met het hoofd. Het zij eene betoovering—het zij stijfhoofdigheid, ik ondervraag u niet verder, maar wil u uw last op uwe eigen manier laten overbrengen. Ook ik kan stom zijn.”De vermomde ridder maakte eene beweging, alsof hij te gelijk zijneigen toestand betreurde, en haar misnoegen bezweren wilde, terwijl hij haar te gelijker tijd, zoo als gewoonlijk, in fijne zijde en goudlaken gewikkeld, den brief van den Sultan overreikte. Zij nam dien aan, beschouwde hem onverschillig, legde hem toen ter zijde, en hare oogen nogmaals op den ridder vestigende, zeide zij op zachten toon: „Zelfs geen woord, bij uwe boodschap aan mij?”Hij drukte beide handen tegen het voorhoofd, alsof hij de smart te kennen wilde geven, die hij gevoelde, omdat hij niet bij machte was haar te gehoorzamen, maar zij wendde zich toornig van hem af.„Vertrek!” riep zij, „ik heb genoeg—te veel gesproken tot iemand, die geen woord tot antwoord tegen mij verliezen wil. Vertrek! en zeg, dat, zoo ik u onrecht heb aangedaan, ik ook geboet heb; want ik ben het ongelukkige werktuig geweest om u van een eervollen post te ontrukken; ik heb, bij deze bijeenkomst, mijne eigen waarde vergeten, en mij in uwe oogen en mijne eigene vernedert.”Zij bedekte hare oogen met de hand, en scheen diep ontroerd. Sir Kenneth wilde naderen, maar zij gaf hem een teeken, om op een afstand te blijven.„Terug! gij, wiens ziel de Hemel voor haar nieuwen toestand heeft geschikt gemaakt! Ieder, die minder dom en vreesachtig dan een stomme slaaf geweest ware, zou een woord van dankbaarheid gesproken hebben, al ware het slechts om mij met mijne vernedering te verzoenen. Waarom draalt gij nog?—Vertrek.”De vermomde ridder zag bijna onwillekeurig naar den brief, als eene verontschuldiging voor langer vertoef. Zij nam dien op terwijl zij op een toon van spot en verachting zeide: „Ik had het vergeten—de gehoorzame slaaf wacht op een antwoord op zijne boodschap.—Wat is dat—van den Sultan!”Zij doorlas schielijk den inhoud, die in het Arabisch en Fransch was opgesteld, en toen zij geëindigd had, lachte zij met bittere gramschap.„Nu, dit gaat alle verbeelding te boven!” zeide zij; „geen goochelaar kan eene zoo spoedige verandering vertoonen. Hij kan zechynen en byzantynen in duiten en marevadi veranderen; maar kan zijne kunst een Christen ridder, die altijd onder de dappersten van den heiligen kruistocht gerekend werd, in den het stof kussenden slaaf van een heidenschen Sultan veranderen—den overbrenger van zijne onbeschaamde voorstellen aan eene Christenmaagd—ja, hem zelfs de wetten der ridderschap zoowel als van den Godsdienst doen vergeten! Maar het baat niets, om tegen den gewilligen slaaf van een heidenschen hond te spreken. Zeg aan uw meester, wanneer zijn geesel u eene tong zal hebben doen vinden, wat gij mij hebt zien doen.”—Dit zeggende wierp zij den brief van den Sultan op den grond, en zette er haar voet op.—„En zeg hem, dat Edith Plantagenet de hulde van een ongedoopten Heiden versmaadt.”Met deze woorden was zij op het punt om zich snel van den ridder te verwijderen, toen deze in bitteren zieleangst aan hare voeten knielende,het waagde, zijne hand op haar gewaad te leggen en zich tegen haar vertrek te verzetten.„Hebt gij niet gehoord, wat ik gezegd heb, domme slaaf?” vroeg zij, zich snel van hem afwendende, en met nadruk sprekende: „Zeg den heidenschen Sultan, uw meester, dat ik zijn aanzoek even zeer veracht, als ik het knielen van een onwaardigen afvallige van Godsdienst en ridderschap—van God en zijne dame versmaad!”Dit zeggende scheurde zij zich van hem los, rukte haar gewaad uit zijne handen, en verliet de tent.Buiten riep hem op hetzelfde oogenblik de stem van Neville. Uitgeput en verstompt door de smart, die hij gedurende deze bijeenkomst geleden had, en waarvan hij zich alleen door eene inbreuk op de met Koning Richard aangegane overeenkomst had kunnen redden, waggelde de ongelukkige ridder veeleer den Engelschen baron na, dan dat hij hem naging, tot dat ze de koninklijke tent bereikten, waarvoor juist een troep ruiters was afgestegen. Er was licht en beweging binnen de tent, en toen Neville met zijn vermomden begeleider binnentrad, vonden zij den Koning met verscheidene zijner edelen bezig om de pas aangekomenen te verwelkomen.

HOOFDSTUK XXV.Zoo groot is zijn standvastigheidDat gij hem ook vereeren zult;Ja, ik beminde u niet zoo teer,Beminde ik nog mijne eer niet meer.Montrose.Toen Koning Richard in zijne tent terugkeerde, liet hij den Nubiër voor zich brengen. Deze trad met zijne gewone eerbiedige en plechtige buiging binnen, en na zich gebogen te hebben, bleef hij voor den Koning staan, in de houding van een slaaf, die op de bevelen van zijn meester wacht. Het was misschien een geluk voor hem, dat het volhouden van zijne rol van hem vorderde, dat hij de oogen op den grond vestigde, daar de scherpe blik, waarmede Richard hem gedurende eenigen tijd in stilte beschouwde, moeilijk door te staan zou geweest zijn, indien hij dien ten volle ontmoet had.„Gij hebt goed verstand van de jachtkunst,” zeide de Koning na een oogenblik zwijgen; „en gij hebt uw wild opgejaagd en in het nauw gedreven, zoo behendig, als of Tristrem zelf u onderwezen had. Maar dit is niet genoeg—het moet met geweld ter neder geworpen worden. Ik zelf zou gaarne mijn jachtspeer tegen hem geveld hebben. Er zijn echter, naar het schijnt, omstandigheden, die dit verhinderen. Gij staat op het punt van naar het kamp van den Sultan terug te keeren, met een brief, waarin van zijne welwillendheid verzocht wordt, een onzijdigen grond voor dit ridderlijk feit aan te wijzen, en zoo het hem behaagde, dit met ons te aanschouwen. Nu slechts ons vermoeden te kennen gevende, gelooven wij, dat gij in die legerplaats wel een ridder zoudt kunnen vinden, die, ter liefde voor de waarheid, en de verhooging van zijn eigen roem, tegen dezen verrader van Montserrat zou willen strijden.”De Nubiër sloeg zijne oogen op en vestigde die op den Koning met innige geestdrift: vervolgens richtte hij ze ten hemel met zulk eene plechtige dankbaarheid, dat de tranen er in doorblonken—hierop boog hij het hoofd, alsof hij bevestigde, wat Richard vroeg, en hernam zijne gewone houding van onderworpen gehoorzaamheid.„Het is goed”, zeide de Koning; „en ik zie uwe begeerte om mij in deze zaak van dienst te zijn. En hierin, dit moet ik zeggen, bestaat de voortreffelijkheid van zulk een dienaar als gij, daar gij geene spraak bezit om ons voornemen te betwisten, of verklaring te vragen van hetgeen wij besloten hebben. Een Engelsche dienaar zou mij in uwe plaats zijne ruwe meening gezegd hebben, om het gevecht aan de eene of andere goede lans van mijn hofstoet te vertrouwen, daar allen, van mijn broeder Langzwaard af, wedijveren om voor mij te strijden. Een praatziek Franschman zou duizend pogingen aangewend hebben, om te ontdekken, waarom ik een kampvechter in het kamp der ongeloovigen zoek. Maar gij, mijn zwijgende zaakbezorger, gij kunt mijn last volvoeren zonder er naar te vragen of hem te begrijpen; bij u heet hooren gehoorzamen.”Eene buiging met het lichaam en de knie waren het passend antwoord van den Ethiopiër op deze aanmerkingen.„En nu iets anders”, zeide de Koning op haastigen en snellen toon;—„hebt gij Edith Plantagenet reeds gezien?”De stomme zag op, alsof hij op het punt stond te spreken,—ja, zijne lippen waren begonnen een duidelijk neen uit te spreken,—toen de mislukte poging in het onvolmaakt gebrom van een stomme wegstierf.„Ei, zie eens!” riep de Koning, „de klank alleen van den naam van een koninklijke maagd, van zulk eene uitstekende schoonheid, als die van onze beminnelijke nicht, schijnt bijna kracht genoeg te hebben, om een stomme te doen spreken. Welke wonderen zouden dan hare oogen op zulk een voorwerp uitwerken! Ik wil de proef nemen, vriend slaaf. Gij zult deze uitgelezen schoonheid van ons hof zien, en den last van den vorstelijken Sultan overbrengen.”Wederom een blijde blik—wederom eene kniebuiging—maar toen hij oprees, legde de Koning zijne hand zwaar op zijn schouder, en vervolgde dus met statige majesteit en ernst:—„laat ik u voor ééne zaak waarschuwen, mijn zwarte zendeling. Zelfs zoo gij voelen mocht, dat de vriendelijke invloed van haar, die gij welhaast zult zien, de banden van uwe tong mocht losmaken, die tegenwoordig gevangen zit, zoo als de goede Sultan het uitdrukt, binnen de ivoren muren van haar kasteel, zoo wacht u, uw stilzwijgend karakter te veranderen, of een woord in hare tegenwoordigheid te uiten, zelfs zoo uw spraakvermogen op eene wonderdadige wijze hersteld werd. Geloof mij, dat ik u de tong bij den wortel zou laten uitrukken, en haar ivoren paleis, dat is, gelijk ik vermoed, de rij tanden, de eene na de andere, uittrekken. Derhalve wees verstandig en dood stil.”Zoodra de Koning zijne zware hand van den schouder van den Nubiër genomen had, boog deze zijn hoofd, en legde zijne hand op zijne lippen, tot een teeken van stille gehoorzaamheid.Maar Richard legde zijne hand weder, ofschoon zachter, op hem, en voegde er bij: „dit gebod leggen wij u als slaaf op. Waart gij een ridder en edelman, dan zouden wij uwe eer tot borg voor uwe stilzwijgendheid vorderen, daar deze eene bijzondere voorwaarde van ons tegenwoordig vertrouwen is.”De Ethiopiër verhief zijn lichaam fier, zag den Koning open in het gelaat, en legde zijne rechterhand op zijn hart.Hierop riep Richard zijn kamerheer.„Ga, Neville”, zeide hij, „met dezen slaaf naar de tent van onze koninklijke gemalin, en zeg, dat het ons welbehagen is, dat hij een gehoor—een geheim gehoor—bij onze nicht Edith hebbe. Hij is met eene boodschap aan haar belast. Gij kunt hem den weg ook wijzen, zoo hij uwe leiding noodig heeft, ofschoon gij misschien opgemerkt hebt, dat het verwonderlijk is, hoe vertrouwd hij reeds schijnt te zijn met den omtrek van onze legerplaats.—En gij, mijn vriend de Ethiopiër”,vervolgde de Koning, „doe snel, wat gij doet, en keer binnen een half uur hier terug.”„Ik ben ontdekt”, dacht de gewaande Nubiër, terwijl hij, met ter neergeslagen blikken en gekruiste armen, den haastigen tred van Neville naar de tent van Koningin Berengaria volgde,—„ik ben zonder twijfel ontdekt en doorgrond door Koning Richard; evenwel kan ik niet bespeuren, dat zijn toorn groot tegen mij is. Indien ik zijne woorden begrijp, en voorzeker is het mogelijk, om die verkeerd uit te leggen, dan geeft hij mij eene edele kans, om mijne eer te herwinnen op den vederbos van dien valschen markies, wiens schuld ik in zijn verschrikten blik en zijne bevende lippen las, toen de beschuldiging tegen hem werd aangevoerd.—Roswal, trouw hebt gij uw meester gediend, en zeer duur zal het u aangedane leed gewroken worden.—Maar wat zal het tegenwoordig verlof beduiden, om haar te aanschouwen, die ik gewanhoopt had ooit weder te zien?—En, waarom of hoe kan de koninklijke Plantagenet er in bewilligen, dat ik zijne aangebeden bloedverwante zou zien, hetzij als de bode van den heidenschen Saladin, of als de schuldige balling, dien hij nog zoo kort geleden uit zijne legerplaats verdreven heeft—daar zijne stoute bekentenis van de liefde, waarin hij zijn roem stelt, zijn schuld het grootst maakt? Dat Richard er in zou toestemmen, dat zij een brief van een ongeloovigen minnaar uit de handen van iemand van zoo ongeëvenredigden rang zou ontvangen, zijn beide omstandigheden, die even ongelooflijk, als tevens onbestaanbaar met elkander zijn. Maar wanneer Richard niet door zijne onwederstaanbare hartstochten bewogen wordt, is hij mild, grootmoedig en waarlijk edel, en als zoodanig wil ik hem behandelen, en mij naar zijne rechtstreeksche of onmiddellijke voorschriften gedragen, en trachten niet meer te weten, dan zich geleidelijk zonder scherp onderzoek van mijn kant ontwikkelen zal. Hem, die mij zulk eene schoone gelegenheid gegeven heeft, om mijne bevlekte eer te herstellen, ben ik onderdanigheid en gehoorzaamheid verschuldigd; en hoe smartelijk het ook zij, de schuld zal betaald worden. En toch,”—zoo sprak de stem, van zijn fier hart, dat in verzet kwam, „en toch kon Leeuwenhart, zoo als hij genoemd wordt, het gevoel van anderen naar het zijne afgemeten hebben.Ikeen aanzoek bij zijne bloedverwante bevorderen!Ik, die nooit een woord tegen haar gesproken heb, dan toen ik een koninklijken prijs uit hare hand ontving—toen ik niet voor den geringste in ridderdaden onder de verdedigers van het Kruis gerekend werd!Ikhaar naderen in eene lage vermomming en in een slaafsch kleed—en helaas! daar mijn tegenwoordige toestand die is van een slaaf, met eene vlek van schande op datgene, wat eens mijn schild was!Ikdat doen! Hij kent mij weinig. Toch dank ik hem voor de gelegenheid, die ons allen beter met elkander bekend kan maken!”Toen hij tot dit besluit gekomen was, stonden zij voor den ingang van de tent der Koningin.Zij werden dadelijk door de wachten toegelaten, en Neville, denNubiër in een klein voorvertrek latende, dat hij zich maar al te wel herinnerde, ging in dat, hetwelk tot gehoorzaal der Koningin was ingericht. Hij deelde het verlangen van zijn koninklijken meester op zachten en eerbiedigen toon mede, die zeer verschilde van de barschheid van Thomas de Vaux, voor wien Richard alles, en het overige Hof, Berengaria zelve niet uitgezonderd, niets was. Eene uitbarsting van gelach volgde op de mededeeling van zijn last.„En hoe ziet de Nubische slaaf er uit, die met zulk een last als gezant van den Sultan komt?—het is een neger, niet waar, Neville?” zeide eene vrouwelijke stem, die men gemakkelijk als die van Berengaria herkennen kon. „Het is toch een neger, de Neville, met een zwart vel, een hoofd met kroes haar als dat van een ram, eene platte neus, en vooruitstekende lippen—niet zoo, waardige sir Henry?”„Uwe Majesteit vergete de schenen niet,” zeide eene andere stem, „naar buiten gebogen, als het scherp van eene Sarraceensche sabel.”„Veeleer gelijk de boog van een Cupido, daar hij met een minnebrief komt,” hernam de Koningin. „Goede Neville, gij zijt altijd gereed, om ons arme vrouwen genoegen te doen, daar wij zoo weinig hebben om onze ledige oogenblikken mede door te brengen. Wij moeten dezen minnebode zien. Turken en Moren heb ik in menigte gezien, maar nog nooit een neger.”„Ik ben geschapen om de bevelen van uwe Majesteit te voorkomen; dus zult gij het bij mijn Koning weder goed maken, als ik dit doe,” antwoordde de onderdanige ridder. „Evenwel laat ik uwe Majesteit verzekeren, dat gij iets zult zien, dat eenigszins verschilt van hetgeen gij verwacht.”„Zoo veel te beter—nog leelijker, dan mijne verbeelding zich hem voorstellen kan, en nochtans de uitverkoren liefdebode van dezen hoffelijken Sultan!”„Genadige mevrouw,” zeide lady Calista, „mag ik u bidden, den goeden ridder te vergunnen, dezen bode rechtstreeks aan lady Edith over te brengen, daar zijne geloofsbrieven aan haar gericht zijn? Wij zijn slechts ternauwernood de ernstige gevolgen van zulk eene zoodanige scherts ontkomen.”„Ontkomen?”—herhaalde de Koningin minachtend.„Maar toch gij kunt gelijk hebben, Calista, met uwe voorzichtigheid—laat dezen Nubiër, zoo als gij hem noemt, eerst zijne boodschap bij onze nicht doen. Bovendien is hij ook stom—niet waar?”„Ja, uwe Majesteit,” antwoordde de ridder.„Een vorstelijk genoegen hebben deze Oostersche dames,” zeide Berengaria, „daar zij door wezens bediend worden, tot wie zij alles kunnen zeggen, en die toch niets kunnen overbrengen; terwijl in onze legerplaats, zooals de prelaat van St. Juda pleegt te zeggen, een vogel uit de lucht de zaak verder brengt.”„Omdat,” zeide De Neville, „uwe Majesteit vergeet, dat gij binnen linnen muren spreekt.”Bij deze opmerking zonken de stemmen, en na een weinig gefluisterkeerde de Engelsche ridder naar den Ethiopiër terug, en gaf hem een teeken hem te volgen. Hij deed dit, en Neville geleidde hem naar eene tent, die een weinig van die der Koningin verwijderd was, en, naar het scheen, ten dienste van Edith en hare bedienden was opgericht. Eene van hare Koptische dienaressen nam de door sir Henry Neville medegedeelde boodschap aan, en na verloop van zeer weinige minuten werd de Nubiër in Edith’s tegenwoordigheid gevoerd, terwijl Neville aan de buitenzijde van de tent bleef. De slavin, die hem binnenleidde, verwijderde zich op een teeken van hare meesteres, en het was met diepen ootmoed, niet alleen van zijne houding, maar van het binnenste zijner ziel, dat de zoo zonderling vermomde, ongelukkige ridder zich op eene knie wierp, met ter neder geslagen blikken, en gekruiste armen, gelijk een misdadiger, die zijn vonnis verwacht. Edith was op dezelfde wijze gekleed, als toen zij Koning Richard ontving, terwijl haar lange, doorschijnende sluier om haar hing, als de schaduw van een zomernacht over een schoon landschap, en de schoonheden, die hij niet verbergen kon, bedekte en verduisterde. Zij had in hare hand een zilveren lamp, met geurigen spiritus gevuld, die ongemeen helder brandde.Toen Edith weinige schreden van den knielenden en onbeweeglijken slaaf stond, hield zij het licht naar zijn gelaat toegekeerd, alsof zij zijne trekken nauwkeuriger wilde onderzoeken; daarop wendde zij zich van hem af, en plaatste hare lamp zoodanig, dat de schaduw van zijn gelaat in profil viel op het gordijn, dat aan de zijde hing. Eindelijk zeide zij op bedaarden en toch diep bedroefden toon:„Zijt gij het?—Zijt gij het inderdaad, dappere ridder van den Luipaard—dappere sir Kenneth van Schotland—zijt gij het wezenlijk?—als slaaf vermomd—aldus door honderd gevaren omringd?”Toen de ridder zoo onverwacht de klank hoorde van de stem zijner dame, wier woorden tot hem gericht waren, en dat wel op een toon van medelijden, die aan teederheid grensde, vloog er een daarmede overeenstemmend antwoord op zijne lippen; en nauwelijks konden Richard’s bevelen en zijne beloofde stilzwijgendheid hem beletten te antwoorden, dat het gezicht, hetwelk hij zag, de klanken, die hij zoo even gehoord had, voldoende waren om de slavernij van een geheel leven, en alle gevaren, welke dit leven elk uur bedreigden, te vergelden. Hij bedacht zich echter nog, en een diepe en vurige zucht was zijn eenig antwoord op de vraag der hooggeboren Edith.„Ik zie—ik weet, dat ik goed gegist heb—” vervolgde Edith. „Ik heb u van het oogenblik, dat gij u voor de eerste maal hebt vertoond nabij het platform, waarop ik met de Koningin stond, opgemerkt. Ik kende ook uw dapperen hond. Geene trouwe dame zou zij zijn, en de dienst van zulk een ridder, als gij zijt, onwaardig, zoo eenig vermomming of kleeding of kleur een trouw dienaar voor haar kon verbergen. Spreek dus, zonder vrees, tot Edith Plantagenet. Zij weet in het ongeluk den ridder te achten, die haar diende en eerde en dappere wapenfeiten in haar naam bedreef, toen de fortuin hembegunstigde.—Nog zwijgt gij? Is dit de schuld van vrees of schaamte? De vrees moest u onbekend zijn; en de schaamte, laat die aan hen, welke u onrecht gedaan hebben.”De ridder, wanhopend dat hij verplicht was, den stomme bij eene zoo belangrijke bijeenkomst te spelen, kon zijne smart alleen uitdrukken door eene diepen zucht, en den vinger op de lippen te leggen. Edith trad een weinig terug, alsof zij eenigszins ontevreden was.„Hoe!” zeide zij, „de Aziatische stomme in daden, zoo wel als gewaad. Dit verwachtte ik niet—of misschien veracht gij mij, nu ik zoo stoutmoedig beken, dat ik de hulde, die gij mij betoond hebt, heb opgemerkt? Koester daarom geene onwaardige gedachten van Edith. Zij kent de grenzen wel, die ingetogenheid en zedigheid aan hooggeboren vrouwen voorschrijven, en zij weet, wanneer en hoe ver die voor de dankbaarheid moeten wijken …. voor eene oprechte begeerte, dat het in hare macht mocht zijn, om diensten te beloonen en beleedigingen te vergoeden, die uit de genegenheid, welke een goed ridder voor haar had, ontsproten …. waarom uwe handen gevouwen, en met zulk eene drift gewrongen? Kan het zijn,” voegde zij er bij, bij dit denkbeeld van schrik terugdeinzende, „dat hunne wreedheid u wezenlijk van de spraak beroofd heeft? Gij schudt met het hoofd. Het zij eene betoovering—het zij stijfhoofdigheid, ik ondervraag u niet verder, maar wil u uw last op uwe eigen manier laten overbrengen. Ook ik kan stom zijn.”De vermomde ridder maakte eene beweging, alsof hij te gelijk zijneigen toestand betreurde, en haar misnoegen bezweren wilde, terwijl hij haar te gelijker tijd, zoo als gewoonlijk, in fijne zijde en goudlaken gewikkeld, den brief van den Sultan overreikte. Zij nam dien aan, beschouwde hem onverschillig, legde hem toen ter zijde, en hare oogen nogmaals op den ridder vestigende, zeide zij op zachten toon: „Zelfs geen woord, bij uwe boodschap aan mij?”Hij drukte beide handen tegen het voorhoofd, alsof hij de smart te kennen wilde geven, die hij gevoelde, omdat hij niet bij machte was haar te gehoorzamen, maar zij wendde zich toornig van hem af.„Vertrek!” riep zij, „ik heb genoeg—te veel gesproken tot iemand, die geen woord tot antwoord tegen mij verliezen wil. Vertrek! en zeg, dat, zoo ik u onrecht heb aangedaan, ik ook geboet heb; want ik ben het ongelukkige werktuig geweest om u van een eervollen post te ontrukken; ik heb, bij deze bijeenkomst, mijne eigen waarde vergeten, en mij in uwe oogen en mijne eigene vernedert.”Zij bedekte hare oogen met de hand, en scheen diep ontroerd. Sir Kenneth wilde naderen, maar zij gaf hem een teeken, om op een afstand te blijven.„Terug! gij, wiens ziel de Hemel voor haar nieuwen toestand heeft geschikt gemaakt! Ieder, die minder dom en vreesachtig dan een stomme slaaf geweest ware, zou een woord van dankbaarheid gesproken hebben, al ware het slechts om mij met mijne vernedering te verzoenen. Waarom draalt gij nog?—Vertrek.”De vermomde ridder zag bijna onwillekeurig naar den brief, als eene verontschuldiging voor langer vertoef. Zij nam dien op terwijl zij op een toon van spot en verachting zeide: „Ik had het vergeten—de gehoorzame slaaf wacht op een antwoord op zijne boodschap.—Wat is dat—van den Sultan!”Zij doorlas schielijk den inhoud, die in het Arabisch en Fransch was opgesteld, en toen zij geëindigd had, lachte zij met bittere gramschap.„Nu, dit gaat alle verbeelding te boven!” zeide zij; „geen goochelaar kan eene zoo spoedige verandering vertoonen. Hij kan zechynen en byzantynen in duiten en marevadi veranderen; maar kan zijne kunst een Christen ridder, die altijd onder de dappersten van den heiligen kruistocht gerekend werd, in den het stof kussenden slaaf van een heidenschen Sultan veranderen—den overbrenger van zijne onbeschaamde voorstellen aan eene Christenmaagd—ja, hem zelfs de wetten der ridderschap zoowel als van den Godsdienst doen vergeten! Maar het baat niets, om tegen den gewilligen slaaf van een heidenschen hond te spreken. Zeg aan uw meester, wanneer zijn geesel u eene tong zal hebben doen vinden, wat gij mij hebt zien doen.”—Dit zeggende wierp zij den brief van den Sultan op den grond, en zette er haar voet op.—„En zeg hem, dat Edith Plantagenet de hulde van een ongedoopten Heiden versmaadt.”Met deze woorden was zij op het punt om zich snel van den ridder te verwijderen, toen deze in bitteren zieleangst aan hare voeten knielende,het waagde, zijne hand op haar gewaad te leggen en zich tegen haar vertrek te verzetten.„Hebt gij niet gehoord, wat ik gezegd heb, domme slaaf?” vroeg zij, zich snel van hem afwendende, en met nadruk sprekende: „Zeg den heidenschen Sultan, uw meester, dat ik zijn aanzoek even zeer veracht, als ik het knielen van een onwaardigen afvallige van Godsdienst en ridderschap—van God en zijne dame versmaad!”Dit zeggende scheurde zij zich van hem los, rukte haar gewaad uit zijne handen, en verliet de tent.Buiten riep hem op hetzelfde oogenblik de stem van Neville. Uitgeput en verstompt door de smart, die hij gedurende deze bijeenkomst geleden had, en waarvan hij zich alleen door eene inbreuk op de met Koning Richard aangegane overeenkomst had kunnen redden, waggelde de ongelukkige ridder veeleer den Engelschen baron na, dan dat hij hem naging, tot dat ze de koninklijke tent bereikten, waarvoor juist een troep ruiters was afgestegen. Er was licht en beweging binnen de tent, en toen Neville met zijn vermomden begeleider binnentrad, vonden zij den Koning met verscheidene zijner edelen bezig om de pas aangekomenen te verwelkomen.

HOOFDSTUK XXV.Zoo groot is zijn standvastigheidDat gij hem ook vereeren zult;Ja, ik beminde u niet zoo teer,Beminde ik nog mijne eer niet meer.Montrose.

Zoo groot is zijn standvastigheidDat gij hem ook vereeren zult;Ja, ik beminde u niet zoo teer,Beminde ik nog mijne eer niet meer.Montrose.

Zoo groot is zijn standvastigheidDat gij hem ook vereeren zult;Ja, ik beminde u niet zoo teer,Beminde ik nog mijne eer niet meer.

Zoo groot is zijn standvastigheid

Dat gij hem ook vereeren zult;

Ja, ik beminde u niet zoo teer,

Beminde ik nog mijne eer niet meer.

Montrose.

Toen Koning Richard in zijne tent terugkeerde, liet hij den Nubiër voor zich brengen. Deze trad met zijne gewone eerbiedige en plechtige buiging binnen, en na zich gebogen te hebben, bleef hij voor den Koning staan, in de houding van een slaaf, die op de bevelen van zijn meester wacht. Het was misschien een geluk voor hem, dat het volhouden van zijne rol van hem vorderde, dat hij de oogen op den grond vestigde, daar de scherpe blik, waarmede Richard hem gedurende eenigen tijd in stilte beschouwde, moeilijk door te staan zou geweest zijn, indien hij dien ten volle ontmoet had.„Gij hebt goed verstand van de jachtkunst,” zeide de Koning na een oogenblik zwijgen; „en gij hebt uw wild opgejaagd en in het nauw gedreven, zoo behendig, als of Tristrem zelf u onderwezen had. Maar dit is niet genoeg—het moet met geweld ter neder geworpen worden. Ik zelf zou gaarne mijn jachtspeer tegen hem geveld hebben. Er zijn echter, naar het schijnt, omstandigheden, die dit verhinderen. Gij staat op het punt van naar het kamp van den Sultan terug te keeren, met een brief, waarin van zijne welwillendheid verzocht wordt, een onzijdigen grond voor dit ridderlijk feit aan te wijzen, en zoo het hem behaagde, dit met ons te aanschouwen. Nu slechts ons vermoeden te kennen gevende, gelooven wij, dat gij in die legerplaats wel een ridder zoudt kunnen vinden, die, ter liefde voor de waarheid, en de verhooging van zijn eigen roem, tegen dezen verrader van Montserrat zou willen strijden.”De Nubiër sloeg zijne oogen op en vestigde die op den Koning met innige geestdrift: vervolgens richtte hij ze ten hemel met zulk eene plechtige dankbaarheid, dat de tranen er in doorblonken—hierop boog hij het hoofd, alsof hij bevestigde, wat Richard vroeg, en hernam zijne gewone houding van onderworpen gehoorzaamheid.„Het is goed”, zeide de Koning; „en ik zie uwe begeerte om mij in deze zaak van dienst te zijn. En hierin, dit moet ik zeggen, bestaat de voortreffelijkheid van zulk een dienaar als gij, daar gij geene spraak bezit om ons voornemen te betwisten, of verklaring te vragen van hetgeen wij besloten hebben. Een Engelsche dienaar zou mij in uwe plaats zijne ruwe meening gezegd hebben, om het gevecht aan de eene of andere goede lans van mijn hofstoet te vertrouwen, daar allen, van mijn broeder Langzwaard af, wedijveren om voor mij te strijden. Een praatziek Franschman zou duizend pogingen aangewend hebben, om te ontdekken, waarom ik een kampvechter in het kamp der ongeloovigen zoek. Maar gij, mijn zwijgende zaakbezorger, gij kunt mijn last volvoeren zonder er naar te vragen of hem te begrijpen; bij u heet hooren gehoorzamen.”Eene buiging met het lichaam en de knie waren het passend antwoord van den Ethiopiër op deze aanmerkingen.„En nu iets anders”, zeide de Koning op haastigen en snellen toon;—„hebt gij Edith Plantagenet reeds gezien?”De stomme zag op, alsof hij op het punt stond te spreken,—ja, zijne lippen waren begonnen een duidelijk neen uit te spreken,—toen de mislukte poging in het onvolmaakt gebrom van een stomme wegstierf.„Ei, zie eens!” riep de Koning, „de klank alleen van den naam van een koninklijke maagd, van zulk eene uitstekende schoonheid, als die van onze beminnelijke nicht, schijnt bijna kracht genoeg te hebben, om een stomme te doen spreken. Welke wonderen zouden dan hare oogen op zulk een voorwerp uitwerken! Ik wil de proef nemen, vriend slaaf. Gij zult deze uitgelezen schoonheid van ons hof zien, en den last van den vorstelijken Sultan overbrengen.”Wederom een blijde blik—wederom eene kniebuiging—maar toen hij oprees, legde de Koning zijne hand zwaar op zijn schouder, en vervolgde dus met statige majesteit en ernst:—„laat ik u voor ééne zaak waarschuwen, mijn zwarte zendeling. Zelfs zoo gij voelen mocht, dat de vriendelijke invloed van haar, die gij welhaast zult zien, de banden van uwe tong mocht losmaken, die tegenwoordig gevangen zit, zoo als de goede Sultan het uitdrukt, binnen de ivoren muren van haar kasteel, zoo wacht u, uw stilzwijgend karakter te veranderen, of een woord in hare tegenwoordigheid te uiten, zelfs zoo uw spraakvermogen op eene wonderdadige wijze hersteld werd. Geloof mij, dat ik u de tong bij den wortel zou laten uitrukken, en haar ivoren paleis, dat is, gelijk ik vermoed, de rij tanden, de eene na de andere, uittrekken. Derhalve wees verstandig en dood stil.”Zoodra de Koning zijne zware hand van den schouder van den Nubiër genomen had, boog deze zijn hoofd, en legde zijne hand op zijne lippen, tot een teeken van stille gehoorzaamheid.Maar Richard legde zijne hand weder, ofschoon zachter, op hem, en voegde er bij: „dit gebod leggen wij u als slaaf op. Waart gij een ridder en edelman, dan zouden wij uwe eer tot borg voor uwe stilzwijgendheid vorderen, daar deze eene bijzondere voorwaarde van ons tegenwoordig vertrouwen is.”De Ethiopiër verhief zijn lichaam fier, zag den Koning open in het gelaat, en legde zijne rechterhand op zijn hart.Hierop riep Richard zijn kamerheer.„Ga, Neville”, zeide hij, „met dezen slaaf naar de tent van onze koninklijke gemalin, en zeg, dat het ons welbehagen is, dat hij een gehoor—een geheim gehoor—bij onze nicht Edith hebbe. Hij is met eene boodschap aan haar belast. Gij kunt hem den weg ook wijzen, zoo hij uwe leiding noodig heeft, ofschoon gij misschien opgemerkt hebt, dat het verwonderlijk is, hoe vertrouwd hij reeds schijnt te zijn met den omtrek van onze legerplaats.—En gij, mijn vriend de Ethiopiër”,vervolgde de Koning, „doe snel, wat gij doet, en keer binnen een half uur hier terug.”„Ik ben ontdekt”, dacht de gewaande Nubiër, terwijl hij, met ter neergeslagen blikken en gekruiste armen, den haastigen tred van Neville naar de tent van Koningin Berengaria volgde,—„ik ben zonder twijfel ontdekt en doorgrond door Koning Richard; evenwel kan ik niet bespeuren, dat zijn toorn groot tegen mij is. Indien ik zijne woorden begrijp, en voorzeker is het mogelijk, om die verkeerd uit te leggen, dan geeft hij mij eene edele kans, om mijne eer te herwinnen op den vederbos van dien valschen markies, wiens schuld ik in zijn verschrikten blik en zijne bevende lippen las, toen de beschuldiging tegen hem werd aangevoerd.—Roswal, trouw hebt gij uw meester gediend, en zeer duur zal het u aangedane leed gewroken worden.—Maar wat zal het tegenwoordig verlof beduiden, om haar te aanschouwen, die ik gewanhoopt had ooit weder te zien?—En, waarom of hoe kan de koninklijke Plantagenet er in bewilligen, dat ik zijne aangebeden bloedverwante zou zien, hetzij als de bode van den heidenschen Saladin, of als de schuldige balling, dien hij nog zoo kort geleden uit zijne legerplaats verdreven heeft—daar zijne stoute bekentenis van de liefde, waarin hij zijn roem stelt, zijn schuld het grootst maakt? Dat Richard er in zou toestemmen, dat zij een brief van een ongeloovigen minnaar uit de handen van iemand van zoo ongeëvenredigden rang zou ontvangen, zijn beide omstandigheden, die even ongelooflijk, als tevens onbestaanbaar met elkander zijn. Maar wanneer Richard niet door zijne onwederstaanbare hartstochten bewogen wordt, is hij mild, grootmoedig en waarlijk edel, en als zoodanig wil ik hem behandelen, en mij naar zijne rechtstreeksche of onmiddellijke voorschriften gedragen, en trachten niet meer te weten, dan zich geleidelijk zonder scherp onderzoek van mijn kant ontwikkelen zal. Hem, die mij zulk eene schoone gelegenheid gegeven heeft, om mijne bevlekte eer te herstellen, ben ik onderdanigheid en gehoorzaamheid verschuldigd; en hoe smartelijk het ook zij, de schuld zal betaald worden. En toch,”—zoo sprak de stem, van zijn fier hart, dat in verzet kwam, „en toch kon Leeuwenhart, zoo als hij genoemd wordt, het gevoel van anderen naar het zijne afgemeten hebben.Ikeen aanzoek bij zijne bloedverwante bevorderen!Ik, die nooit een woord tegen haar gesproken heb, dan toen ik een koninklijken prijs uit hare hand ontving—toen ik niet voor den geringste in ridderdaden onder de verdedigers van het Kruis gerekend werd!Ikhaar naderen in eene lage vermomming en in een slaafsch kleed—en helaas! daar mijn tegenwoordige toestand die is van een slaaf, met eene vlek van schande op datgene, wat eens mijn schild was!Ikdat doen! Hij kent mij weinig. Toch dank ik hem voor de gelegenheid, die ons allen beter met elkander bekend kan maken!”Toen hij tot dit besluit gekomen was, stonden zij voor den ingang van de tent der Koningin.Zij werden dadelijk door de wachten toegelaten, en Neville, denNubiër in een klein voorvertrek latende, dat hij zich maar al te wel herinnerde, ging in dat, hetwelk tot gehoorzaal der Koningin was ingericht. Hij deelde het verlangen van zijn koninklijken meester op zachten en eerbiedigen toon mede, die zeer verschilde van de barschheid van Thomas de Vaux, voor wien Richard alles, en het overige Hof, Berengaria zelve niet uitgezonderd, niets was. Eene uitbarsting van gelach volgde op de mededeeling van zijn last.„En hoe ziet de Nubische slaaf er uit, die met zulk een last als gezant van den Sultan komt?—het is een neger, niet waar, Neville?” zeide eene vrouwelijke stem, die men gemakkelijk als die van Berengaria herkennen kon. „Het is toch een neger, de Neville, met een zwart vel, een hoofd met kroes haar als dat van een ram, eene platte neus, en vooruitstekende lippen—niet zoo, waardige sir Henry?”„Uwe Majesteit vergete de schenen niet,” zeide eene andere stem, „naar buiten gebogen, als het scherp van eene Sarraceensche sabel.”„Veeleer gelijk de boog van een Cupido, daar hij met een minnebrief komt,” hernam de Koningin. „Goede Neville, gij zijt altijd gereed, om ons arme vrouwen genoegen te doen, daar wij zoo weinig hebben om onze ledige oogenblikken mede door te brengen. Wij moeten dezen minnebode zien. Turken en Moren heb ik in menigte gezien, maar nog nooit een neger.”„Ik ben geschapen om de bevelen van uwe Majesteit te voorkomen; dus zult gij het bij mijn Koning weder goed maken, als ik dit doe,” antwoordde de onderdanige ridder. „Evenwel laat ik uwe Majesteit verzekeren, dat gij iets zult zien, dat eenigszins verschilt van hetgeen gij verwacht.”„Zoo veel te beter—nog leelijker, dan mijne verbeelding zich hem voorstellen kan, en nochtans de uitverkoren liefdebode van dezen hoffelijken Sultan!”„Genadige mevrouw,” zeide lady Calista, „mag ik u bidden, den goeden ridder te vergunnen, dezen bode rechtstreeks aan lady Edith over te brengen, daar zijne geloofsbrieven aan haar gericht zijn? Wij zijn slechts ternauwernood de ernstige gevolgen van zulk eene zoodanige scherts ontkomen.”„Ontkomen?”—herhaalde de Koningin minachtend.„Maar toch gij kunt gelijk hebben, Calista, met uwe voorzichtigheid—laat dezen Nubiër, zoo als gij hem noemt, eerst zijne boodschap bij onze nicht doen. Bovendien is hij ook stom—niet waar?”„Ja, uwe Majesteit,” antwoordde de ridder.„Een vorstelijk genoegen hebben deze Oostersche dames,” zeide Berengaria, „daar zij door wezens bediend worden, tot wie zij alles kunnen zeggen, en die toch niets kunnen overbrengen; terwijl in onze legerplaats, zooals de prelaat van St. Juda pleegt te zeggen, een vogel uit de lucht de zaak verder brengt.”„Omdat,” zeide De Neville, „uwe Majesteit vergeet, dat gij binnen linnen muren spreekt.”Bij deze opmerking zonken de stemmen, en na een weinig gefluisterkeerde de Engelsche ridder naar den Ethiopiër terug, en gaf hem een teeken hem te volgen. Hij deed dit, en Neville geleidde hem naar eene tent, die een weinig van die der Koningin verwijderd was, en, naar het scheen, ten dienste van Edith en hare bedienden was opgericht. Eene van hare Koptische dienaressen nam de door sir Henry Neville medegedeelde boodschap aan, en na verloop van zeer weinige minuten werd de Nubiër in Edith’s tegenwoordigheid gevoerd, terwijl Neville aan de buitenzijde van de tent bleef. De slavin, die hem binnenleidde, verwijderde zich op een teeken van hare meesteres, en het was met diepen ootmoed, niet alleen van zijne houding, maar van het binnenste zijner ziel, dat de zoo zonderling vermomde, ongelukkige ridder zich op eene knie wierp, met ter neder geslagen blikken, en gekruiste armen, gelijk een misdadiger, die zijn vonnis verwacht. Edith was op dezelfde wijze gekleed, als toen zij Koning Richard ontving, terwijl haar lange, doorschijnende sluier om haar hing, als de schaduw van een zomernacht over een schoon landschap, en de schoonheden, die hij niet verbergen kon, bedekte en verduisterde. Zij had in hare hand een zilveren lamp, met geurigen spiritus gevuld, die ongemeen helder brandde.Toen Edith weinige schreden van den knielenden en onbeweeglijken slaaf stond, hield zij het licht naar zijn gelaat toegekeerd, alsof zij zijne trekken nauwkeuriger wilde onderzoeken; daarop wendde zij zich van hem af, en plaatste hare lamp zoodanig, dat de schaduw van zijn gelaat in profil viel op het gordijn, dat aan de zijde hing. Eindelijk zeide zij op bedaarden en toch diep bedroefden toon:„Zijt gij het?—Zijt gij het inderdaad, dappere ridder van den Luipaard—dappere sir Kenneth van Schotland—zijt gij het wezenlijk?—als slaaf vermomd—aldus door honderd gevaren omringd?”Toen de ridder zoo onverwacht de klank hoorde van de stem zijner dame, wier woorden tot hem gericht waren, en dat wel op een toon van medelijden, die aan teederheid grensde, vloog er een daarmede overeenstemmend antwoord op zijne lippen; en nauwelijks konden Richard’s bevelen en zijne beloofde stilzwijgendheid hem beletten te antwoorden, dat het gezicht, hetwelk hij zag, de klanken, die hij zoo even gehoord had, voldoende waren om de slavernij van een geheel leven, en alle gevaren, welke dit leven elk uur bedreigden, te vergelden. Hij bedacht zich echter nog, en een diepe en vurige zucht was zijn eenig antwoord op de vraag der hooggeboren Edith.„Ik zie—ik weet, dat ik goed gegist heb—” vervolgde Edith. „Ik heb u van het oogenblik, dat gij u voor de eerste maal hebt vertoond nabij het platform, waarop ik met de Koningin stond, opgemerkt. Ik kende ook uw dapperen hond. Geene trouwe dame zou zij zijn, en de dienst van zulk een ridder, als gij zijt, onwaardig, zoo eenig vermomming of kleeding of kleur een trouw dienaar voor haar kon verbergen. Spreek dus, zonder vrees, tot Edith Plantagenet. Zij weet in het ongeluk den ridder te achten, die haar diende en eerde en dappere wapenfeiten in haar naam bedreef, toen de fortuin hembegunstigde.—Nog zwijgt gij? Is dit de schuld van vrees of schaamte? De vrees moest u onbekend zijn; en de schaamte, laat die aan hen, welke u onrecht gedaan hebben.”De ridder, wanhopend dat hij verplicht was, den stomme bij eene zoo belangrijke bijeenkomst te spelen, kon zijne smart alleen uitdrukken door eene diepen zucht, en den vinger op de lippen te leggen. Edith trad een weinig terug, alsof zij eenigszins ontevreden was.„Hoe!” zeide zij, „de Aziatische stomme in daden, zoo wel als gewaad. Dit verwachtte ik niet—of misschien veracht gij mij, nu ik zoo stoutmoedig beken, dat ik de hulde, die gij mij betoond hebt, heb opgemerkt? Koester daarom geene onwaardige gedachten van Edith. Zij kent de grenzen wel, die ingetogenheid en zedigheid aan hooggeboren vrouwen voorschrijven, en zij weet, wanneer en hoe ver die voor de dankbaarheid moeten wijken …. voor eene oprechte begeerte, dat het in hare macht mocht zijn, om diensten te beloonen en beleedigingen te vergoeden, die uit de genegenheid, welke een goed ridder voor haar had, ontsproten …. waarom uwe handen gevouwen, en met zulk eene drift gewrongen? Kan het zijn,” voegde zij er bij, bij dit denkbeeld van schrik terugdeinzende, „dat hunne wreedheid u wezenlijk van de spraak beroofd heeft? Gij schudt met het hoofd. Het zij eene betoovering—het zij stijfhoofdigheid, ik ondervraag u niet verder, maar wil u uw last op uwe eigen manier laten overbrengen. Ook ik kan stom zijn.”De vermomde ridder maakte eene beweging, alsof hij te gelijk zijneigen toestand betreurde, en haar misnoegen bezweren wilde, terwijl hij haar te gelijker tijd, zoo als gewoonlijk, in fijne zijde en goudlaken gewikkeld, den brief van den Sultan overreikte. Zij nam dien aan, beschouwde hem onverschillig, legde hem toen ter zijde, en hare oogen nogmaals op den ridder vestigende, zeide zij op zachten toon: „Zelfs geen woord, bij uwe boodschap aan mij?”Hij drukte beide handen tegen het voorhoofd, alsof hij de smart te kennen wilde geven, die hij gevoelde, omdat hij niet bij machte was haar te gehoorzamen, maar zij wendde zich toornig van hem af.„Vertrek!” riep zij, „ik heb genoeg—te veel gesproken tot iemand, die geen woord tot antwoord tegen mij verliezen wil. Vertrek! en zeg, dat, zoo ik u onrecht heb aangedaan, ik ook geboet heb; want ik ben het ongelukkige werktuig geweest om u van een eervollen post te ontrukken; ik heb, bij deze bijeenkomst, mijne eigen waarde vergeten, en mij in uwe oogen en mijne eigene vernedert.”Zij bedekte hare oogen met de hand, en scheen diep ontroerd. Sir Kenneth wilde naderen, maar zij gaf hem een teeken, om op een afstand te blijven.„Terug! gij, wiens ziel de Hemel voor haar nieuwen toestand heeft geschikt gemaakt! Ieder, die minder dom en vreesachtig dan een stomme slaaf geweest ware, zou een woord van dankbaarheid gesproken hebben, al ware het slechts om mij met mijne vernedering te verzoenen. Waarom draalt gij nog?—Vertrek.”De vermomde ridder zag bijna onwillekeurig naar den brief, als eene verontschuldiging voor langer vertoef. Zij nam dien op terwijl zij op een toon van spot en verachting zeide: „Ik had het vergeten—de gehoorzame slaaf wacht op een antwoord op zijne boodschap.—Wat is dat—van den Sultan!”Zij doorlas schielijk den inhoud, die in het Arabisch en Fransch was opgesteld, en toen zij geëindigd had, lachte zij met bittere gramschap.„Nu, dit gaat alle verbeelding te boven!” zeide zij; „geen goochelaar kan eene zoo spoedige verandering vertoonen. Hij kan zechynen en byzantynen in duiten en marevadi veranderen; maar kan zijne kunst een Christen ridder, die altijd onder de dappersten van den heiligen kruistocht gerekend werd, in den het stof kussenden slaaf van een heidenschen Sultan veranderen—den overbrenger van zijne onbeschaamde voorstellen aan eene Christenmaagd—ja, hem zelfs de wetten der ridderschap zoowel als van den Godsdienst doen vergeten! Maar het baat niets, om tegen den gewilligen slaaf van een heidenschen hond te spreken. Zeg aan uw meester, wanneer zijn geesel u eene tong zal hebben doen vinden, wat gij mij hebt zien doen.”—Dit zeggende wierp zij den brief van den Sultan op den grond, en zette er haar voet op.—„En zeg hem, dat Edith Plantagenet de hulde van een ongedoopten Heiden versmaadt.”Met deze woorden was zij op het punt om zich snel van den ridder te verwijderen, toen deze in bitteren zieleangst aan hare voeten knielende,het waagde, zijne hand op haar gewaad te leggen en zich tegen haar vertrek te verzetten.„Hebt gij niet gehoord, wat ik gezegd heb, domme slaaf?” vroeg zij, zich snel van hem afwendende, en met nadruk sprekende: „Zeg den heidenschen Sultan, uw meester, dat ik zijn aanzoek even zeer veracht, als ik het knielen van een onwaardigen afvallige van Godsdienst en ridderschap—van God en zijne dame versmaad!”Dit zeggende scheurde zij zich van hem los, rukte haar gewaad uit zijne handen, en verliet de tent.Buiten riep hem op hetzelfde oogenblik de stem van Neville. Uitgeput en verstompt door de smart, die hij gedurende deze bijeenkomst geleden had, en waarvan hij zich alleen door eene inbreuk op de met Koning Richard aangegane overeenkomst had kunnen redden, waggelde de ongelukkige ridder veeleer den Engelschen baron na, dan dat hij hem naging, tot dat ze de koninklijke tent bereikten, waarvoor juist een troep ruiters was afgestegen. Er was licht en beweging binnen de tent, en toen Neville met zijn vermomden begeleider binnentrad, vonden zij den Koning met verscheidene zijner edelen bezig om de pas aangekomenen te verwelkomen.

Toen Koning Richard in zijne tent terugkeerde, liet hij den Nubiër voor zich brengen. Deze trad met zijne gewone eerbiedige en plechtige buiging binnen, en na zich gebogen te hebben, bleef hij voor den Koning staan, in de houding van een slaaf, die op de bevelen van zijn meester wacht. Het was misschien een geluk voor hem, dat het volhouden van zijne rol van hem vorderde, dat hij de oogen op den grond vestigde, daar de scherpe blik, waarmede Richard hem gedurende eenigen tijd in stilte beschouwde, moeilijk door te staan zou geweest zijn, indien hij dien ten volle ontmoet had.

„Gij hebt goed verstand van de jachtkunst,” zeide de Koning na een oogenblik zwijgen; „en gij hebt uw wild opgejaagd en in het nauw gedreven, zoo behendig, als of Tristrem zelf u onderwezen had. Maar dit is niet genoeg—het moet met geweld ter neder geworpen worden. Ik zelf zou gaarne mijn jachtspeer tegen hem geveld hebben. Er zijn echter, naar het schijnt, omstandigheden, die dit verhinderen. Gij staat op het punt van naar het kamp van den Sultan terug te keeren, met een brief, waarin van zijne welwillendheid verzocht wordt, een onzijdigen grond voor dit ridderlijk feit aan te wijzen, en zoo het hem behaagde, dit met ons te aanschouwen. Nu slechts ons vermoeden te kennen gevende, gelooven wij, dat gij in die legerplaats wel een ridder zoudt kunnen vinden, die, ter liefde voor de waarheid, en de verhooging van zijn eigen roem, tegen dezen verrader van Montserrat zou willen strijden.”

De Nubiër sloeg zijne oogen op en vestigde die op den Koning met innige geestdrift: vervolgens richtte hij ze ten hemel met zulk eene plechtige dankbaarheid, dat de tranen er in doorblonken—hierop boog hij het hoofd, alsof hij bevestigde, wat Richard vroeg, en hernam zijne gewone houding van onderworpen gehoorzaamheid.

„Het is goed”, zeide de Koning; „en ik zie uwe begeerte om mij in deze zaak van dienst te zijn. En hierin, dit moet ik zeggen, bestaat de voortreffelijkheid van zulk een dienaar als gij, daar gij geene spraak bezit om ons voornemen te betwisten, of verklaring te vragen van hetgeen wij besloten hebben. Een Engelsche dienaar zou mij in uwe plaats zijne ruwe meening gezegd hebben, om het gevecht aan de eene of andere goede lans van mijn hofstoet te vertrouwen, daar allen, van mijn broeder Langzwaard af, wedijveren om voor mij te strijden. Een praatziek Franschman zou duizend pogingen aangewend hebben, om te ontdekken, waarom ik een kampvechter in het kamp der ongeloovigen zoek. Maar gij, mijn zwijgende zaakbezorger, gij kunt mijn last volvoeren zonder er naar te vragen of hem te begrijpen; bij u heet hooren gehoorzamen.”

Eene buiging met het lichaam en de knie waren het passend antwoord van den Ethiopiër op deze aanmerkingen.

„En nu iets anders”, zeide de Koning op haastigen en snellen toon;—„hebt gij Edith Plantagenet reeds gezien?”

De stomme zag op, alsof hij op het punt stond te spreken,—ja, zijne lippen waren begonnen een duidelijk neen uit te spreken,—toen de mislukte poging in het onvolmaakt gebrom van een stomme wegstierf.

„Ei, zie eens!” riep de Koning, „de klank alleen van den naam van een koninklijke maagd, van zulk eene uitstekende schoonheid, als die van onze beminnelijke nicht, schijnt bijna kracht genoeg te hebben, om een stomme te doen spreken. Welke wonderen zouden dan hare oogen op zulk een voorwerp uitwerken! Ik wil de proef nemen, vriend slaaf. Gij zult deze uitgelezen schoonheid van ons hof zien, en den last van den vorstelijken Sultan overbrengen.”

Wederom een blijde blik—wederom eene kniebuiging—maar toen hij oprees, legde de Koning zijne hand zwaar op zijn schouder, en vervolgde dus met statige majesteit en ernst:—„laat ik u voor ééne zaak waarschuwen, mijn zwarte zendeling. Zelfs zoo gij voelen mocht, dat de vriendelijke invloed van haar, die gij welhaast zult zien, de banden van uwe tong mocht losmaken, die tegenwoordig gevangen zit, zoo als de goede Sultan het uitdrukt, binnen de ivoren muren van haar kasteel, zoo wacht u, uw stilzwijgend karakter te veranderen, of een woord in hare tegenwoordigheid te uiten, zelfs zoo uw spraakvermogen op eene wonderdadige wijze hersteld werd. Geloof mij, dat ik u de tong bij den wortel zou laten uitrukken, en haar ivoren paleis, dat is, gelijk ik vermoed, de rij tanden, de eene na de andere, uittrekken. Derhalve wees verstandig en dood stil.”

Zoodra de Koning zijne zware hand van den schouder van den Nubiër genomen had, boog deze zijn hoofd, en legde zijne hand op zijne lippen, tot een teeken van stille gehoorzaamheid.

Maar Richard legde zijne hand weder, ofschoon zachter, op hem, en voegde er bij: „dit gebod leggen wij u als slaaf op. Waart gij een ridder en edelman, dan zouden wij uwe eer tot borg voor uwe stilzwijgendheid vorderen, daar deze eene bijzondere voorwaarde van ons tegenwoordig vertrouwen is.”

De Ethiopiër verhief zijn lichaam fier, zag den Koning open in het gelaat, en legde zijne rechterhand op zijn hart.

Hierop riep Richard zijn kamerheer.

„Ga, Neville”, zeide hij, „met dezen slaaf naar de tent van onze koninklijke gemalin, en zeg, dat het ons welbehagen is, dat hij een gehoor—een geheim gehoor—bij onze nicht Edith hebbe. Hij is met eene boodschap aan haar belast. Gij kunt hem den weg ook wijzen, zoo hij uwe leiding noodig heeft, ofschoon gij misschien opgemerkt hebt, dat het verwonderlijk is, hoe vertrouwd hij reeds schijnt te zijn met den omtrek van onze legerplaats.—En gij, mijn vriend de Ethiopiër”,vervolgde de Koning, „doe snel, wat gij doet, en keer binnen een half uur hier terug.”

„Ik ben ontdekt”, dacht de gewaande Nubiër, terwijl hij, met ter neergeslagen blikken en gekruiste armen, den haastigen tred van Neville naar de tent van Koningin Berengaria volgde,—„ik ben zonder twijfel ontdekt en doorgrond door Koning Richard; evenwel kan ik niet bespeuren, dat zijn toorn groot tegen mij is. Indien ik zijne woorden begrijp, en voorzeker is het mogelijk, om die verkeerd uit te leggen, dan geeft hij mij eene edele kans, om mijne eer te herwinnen op den vederbos van dien valschen markies, wiens schuld ik in zijn verschrikten blik en zijne bevende lippen las, toen de beschuldiging tegen hem werd aangevoerd.—Roswal, trouw hebt gij uw meester gediend, en zeer duur zal het u aangedane leed gewroken worden.—Maar wat zal het tegenwoordig verlof beduiden, om haar te aanschouwen, die ik gewanhoopt had ooit weder te zien?—En, waarom of hoe kan de koninklijke Plantagenet er in bewilligen, dat ik zijne aangebeden bloedverwante zou zien, hetzij als de bode van den heidenschen Saladin, of als de schuldige balling, dien hij nog zoo kort geleden uit zijne legerplaats verdreven heeft—daar zijne stoute bekentenis van de liefde, waarin hij zijn roem stelt, zijn schuld het grootst maakt? Dat Richard er in zou toestemmen, dat zij een brief van een ongeloovigen minnaar uit de handen van iemand van zoo ongeëvenredigden rang zou ontvangen, zijn beide omstandigheden, die even ongelooflijk, als tevens onbestaanbaar met elkander zijn. Maar wanneer Richard niet door zijne onwederstaanbare hartstochten bewogen wordt, is hij mild, grootmoedig en waarlijk edel, en als zoodanig wil ik hem behandelen, en mij naar zijne rechtstreeksche of onmiddellijke voorschriften gedragen, en trachten niet meer te weten, dan zich geleidelijk zonder scherp onderzoek van mijn kant ontwikkelen zal. Hem, die mij zulk eene schoone gelegenheid gegeven heeft, om mijne bevlekte eer te herstellen, ben ik onderdanigheid en gehoorzaamheid verschuldigd; en hoe smartelijk het ook zij, de schuld zal betaald worden. En toch,”—zoo sprak de stem, van zijn fier hart, dat in verzet kwam, „en toch kon Leeuwenhart, zoo als hij genoemd wordt, het gevoel van anderen naar het zijne afgemeten hebben.Ikeen aanzoek bij zijne bloedverwante bevorderen!Ik, die nooit een woord tegen haar gesproken heb, dan toen ik een koninklijken prijs uit hare hand ontving—toen ik niet voor den geringste in ridderdaden onder de verdedigers van het Kruis gerekend werd!Ikhaar naderen in eene lage vermomming en in een slaafsch kleed—en helaas! daar mijn tegenwoordige toestand die is van een slaaf, met eene vlek van schande op datgene, wat eens mijn schild was!Ikdat doen! Hij kent mij weinig. Toch dank ik hem voor de gelegenheid, die ons allen beter met elkander bekend kan maken!”

Toen hij tot dit besluit gekomen was, stonden zij voor den ingang van de tent der Koningin.

Zij werden dadelijk door de wachten toegelaten, en Neville, denNubiër in een klein voorvertrek latende, dat hij zich maar al te wel herinnerde, ging in dat, hetwelk tot gehoorzaal der Koningin was ingericht. Hij deelde het verlangen van zijn koninklijken meester op zachten en eerbiedigen toon mede, die zeer verschilde van de barschheid van Thomas de Vaux, voor wien Richard alles, en het overige Hof, Berengaria zelve niet uitgezonderd, niets was. Eene uitbarsting van gelach volgde op de mededeeling van zijn last.

„En hoe ziet de Nubische slaaf er uit, die met zulk een last als gezant van den Sultan komt?—het is een neger, niet waar, Neville?” zeide eene vrouwelijke stem, die men gemakkelijk als die van Berengaria herkennen kon. „Het is toch een neger, de Neville, met een zwart vel, een hoofd met kroes haar als dat van een ram, eene platte neus, en vooruitstekende lippen—niet zoo, waardige sir Henry?”

„Uwe Majesteit vergete de schenen niet,” zeide eene andere stem, „naar buiten gebogen, als het scherp van eene Sarraceensche sabel.”

„Veeleer gelijk de boog van een Cupido, daar hij met een minnebrief komt,” hernam de Koningin. „Goede Neville, gij zijt altijd gereed, om ons arme vrouwen genoegen te doen, daar wij zoo weinig hebben om onze ledige oogenblikken mede door te brengen. Wij moeten dezen minnebode zien. Turken en Moren heb ik in menigte gezien, maar nog nooit een neger.”

„Ik ben geschapen om de bevelen van uwe Majesteit te voorkomen; dus zult gij het bij mijn Koning weder goed maken, als ik dit doe,” antwoordde de onderdanige ridder. „Evenwel laat ik uwe Majesteit verzekeren, dat gij iets zult zien, dat eenigszins verschilt van hetgeen gij verwacht.”

„Zoo veel te beter—nog leelijker, dan mijne verbeelding zich hem voorstellen kan, en nochtans de uitverkoren liefdebode van dezen hoffelijken Sultan!”

„Genadige mevrouw,” zeide lady Calista, „mag ik u bidden, den goeden ridder te vergunnen, dezen bode rechtstreeks aan lady Edith over te brengen, daar zijne geloofsbrieven aan haar gericht zijn? Wij zijn slechts ternauwernood de ernstige gevolgen van zulk eene zoodanige scherts ontkomen.”

„Ontkomen?”—herhaalde de Koningin minachtend.„Maar toch gij kunt gelijk hebben, Calista, met uwe voorzichtigheid—laat dezen Nubiër, zoo als gij hem noemt, eerst zijne boodschap bij onze nicht doen. Bovendien is hij ook stom—niet waar?”

„Ja, uwe Majesteit,” antwoordde de ridder.

„Een vorstelijk genoegen hebben deze Oostersche dames,” zeide Berengaria, „daar zij door wezens bediend worden, tot wie zij alles kunnen zeggen, en die toch niets kunnen overbrengen; terwijl in onze legerplaats, zooals de prelaat van St. Juda pleegt te zeggen, een vogel uit de lucht de zaak verder brengt.”

„Omdat,” zeide De Neville, „uwe Majesteit vergeet, dat gij binnen linnen muren spreekt.”

Bij deze opmerking zonken de stemmen, en na een weinig gefluisterkeerde de Engelsche ridder naar den Ethiopiër terug, en gaf hem een teeken hem te volgen. Hij deed dit, en Neville geleidde hem naar eene tent, die een weinig van die der Koningin verwijderd was, en, naar het scheen, ten dienste van Edith en hare bedienden was opgericht. Eene van hare Koptische dienaressen nam de door sir Henry Neville medegedeelde boodschap aan, en na verloop van zeer weinige minuten werd de Nubiër in Edith’s tegenwoordigheid gevoerd, terwijl Neville aan de buitenzijde van de tent bleef. De slavin, die hem binnenleidde, verwijderde zich op een teeken van hare meesteres, en het was met diepen ootmoed, niet alleen van zijne houding, maar van het binnenste zijner ziel, dat de zoo zonderling vermomde, ongelukkige ridder zich op eene knie wierp, met ter neder geslagen blikken, en gekruiste armen, gelijk een misdadiger, die zijn vonnis verwacht. Edith was op dezelfde wijze gekleed, als toen zij Koning Richard ontving, terwijl haar lange, doorschijnende sluier om haar hing, als de schaduw van een zomernacht over een schoon landschap, en de schoonheden, die hij niet verbergen kon, bedekte en verduisterde. Zij had in hare hand een zilveren lamp, met geurigen spiritus gevuld, die ongemeen helder brandde.

Toen Edith weinige schreden van den knielenden en onbeweeglijken slaaf stond, hield zij het licht naar zijn gelaat toegekeerd, alsof zij zijne trekken nauwkeuriger wilde onderzoeken; daarop wendde zij zich van hem af, en plaatste hare lamp zoodanig, dat de schaduw van zijn gelaat in profil viel op het gordijn, dat aan de zijde hing. Eindelijk zeide zij op bedaarden en toch diep bedroefden toon:

„Zijt gij het?—Zijt gij het inderdaad, dappere ridder van den Luipaard—dappere sir Kenneth van Schotland—zijt gij het wezenlijk?—als slaaf vermomd—aldus door honderd gevaren omringd?”

Toen de ridder zoo onverwacht de klank hoorde van de stem zijner dame, wier woorden tot hem gericht waren, en dat wel op een toon van medelijden, die aan teederheid grensde, vloog er een daarmede overeenstemmend antwoord op zijne lippen; en nauwelijks konden Richard’s bevelen en zijne beloofde stilzwijgendheid hem beletten te antwoorden, dat het gezicht, hetwelk hij zag, de klanken, die hij zoo even gehoord had, voldoende waren om de slavernij van een geheel leven, en alle gevaren, welke dit leven elk uur bedreigden, te vergelden. Hij bedacht zich echter nog, en een diepe en vurige zucht was zijn eenig antwoord op de vraag der hooggeboren Edith.

„Ik zie—ik weet, dat ik goed gegist heb—” vervolgde Edith. „Ik heb u van het oogenblik, dat gij u voor de eerste maal hebt vertoond nabij het platform, waarop ik met de Koningin stond, opgemerkt. Ik kende ook uw dapperen hond. Geene trouwe dame zou zij zijn, en de dienst van zulk een ridder, als gij zijt, onwaardig, zoo eenig vermomming of kleeding of kleur een trouw dienaar voor haar kon verbergen. Spreek dus, zonder vrees, tot Edith Plantagenet. Zij weet in het ongeluk den ridder te achten, die haar diende en eerde en dappere wapenfeiten in haar naam bedreef, toen de fortuin hembegunstigde.—Nog zwijgt gij? Is dit de schuld van vrees of schaamte? De vrees moest u onbekend zijn; en de schaamte, laat die aan hen, welke u onrecht gedaan hebben.”

De ridder, wanhopend dat hij verplicht was, den stomme bij eene zoo belangrijke bijeenkomst te spelen, kon zijne smart alleen uitdrukken door eene diepen zucht, en den vinger op de lippen te leggen. Edith trad een weinig terug, alsof zij eenigszins ontevreden was.

„Hoe!” zeide zij, „de Aziatische stomme in daden, zoo wel als gewaad. Dit verwachtte ik niet—of misschien veracht gij mij, nu ik zoo stoutmoedig beken, dat ik de hulde, die gij mij betoond hebt, heb opgemerkt? Koester daarom geene onwaardige gedachten van Edith. Zij kent de grenzen wel, die ingetogenheid en zedigheid aan hooggeboren vrouwen voorschrijven, en zij weet, wanneer en hoe ver die voor de dankbaarheid moeten wijken …. voor eene oprechte begeerte, dat het in hare macht mocht zijn, om diensten te beloonen en beleedigingen te vergoeden, die uit de genegenheid, welke een goed ridder voor haar had, ontsproten …. waarom uwe handen gevouwen, en met zulk eene drift gewrongen? Kan het zijn,” voegde zij er bij, bij dit denkbeeld van schrik terugdeinzende, „dat hunne wreedheid u wezenlijk van de spraak beroofd heeft? Gij schudt met het hoofd. Het zij eene betoovering—het zij stijfhoofdigheid, ik ondervraag u niet verder, maar wil u uw last op uwe eigen manier laten overbrengen. Ook ik kan stom zijn.”

De vermomde ridder maakte eene beweging, alsof hij te gelijk zijneigen toestand betreurde, en haar misnoegen bezweren wilde, terwijl hij haar te gelijker tijd, zoo als gewoonlijk, in fijne zijde en goudlaken gewikkeld, den brief van den Sultan overreikte. Zij nam dien aan, beschouwde hem onverschillig, legde hem toen ter zijde, en hare oogen nogmaals op den ridder vestigende, zeide zij op zachten toon: „Zelfs geen woord, bij uwe boodschap aan mij?”

Hij drukte beide handen tegen het voorhoofd, alsof hij de smart te kennen wilde geven, die hij gevoelde, omdat hij niet bij machte was haar te gehoorzamen, maar zij wendde zich toornig van hem af.

„Vertrek!” riep zij, „ik heb genoeg—te veel gesproken tot iemand, die geen woord tot antwoord tegen mij verliezen wil. Vertrek! en zeg, dat, zoo ik u onrecht heb aangedaan, ik ook geboet heb; want ik ben het ongelukkige werktuig geweest om u van een eervollen post te ontrukken; ik heb, bij deze bijeenkomst, mijne eigen waarde vergeten, en mij in uwe oogen en mijne eigene vernedert.”

Zij bedekte hare oogen met de hand, en scheen diep ontroerd. Sir Kenneth wilde naderen, maar zij gaf hem een teeken, om op een afstand te blijven.

„Terug! gij, wiens ziel de Hemel voor haar nieuwen toestand heeft geschikt gemaakt! Ieder, die minder dom en vreesachtig dan een stomme slaaf geweest ware, zou een woord van dankbaarheid gesproken hebben, al ware het slechts om mij met mijne vernedering te verzoenen. Waarom draalt gij nog?—Vertrek.”

De vermomde ridder zag bijna onwillekeurig naar den brief, als eene verontschuldiging voor langer vertoef. Zij nam dien op terwijl zij op een toon van spot en verachting zeide: „Ik had het vergeten—de gehoorzame slaaf wacht op een antwoord op zijne boodschap.—Wat is dat—van den Sultan!”

Zij doorlas schielijk den inhoud, die in het Arabisch en Fransch was opgesteld, en toen zij geëindigd had, lachte zij met bittere gramschap.

„Nu, dit gaat alle verbeelding te boven!” zeide zij; „geen goochelaar kan eene zoo spoedige verandering vertoonen. Hij kan zechynen en byzantynen in duiten en marevadi veranderen; maar kan zijne kunst een Christen ridder, die altijd onder de dappersten van den heiligen kruistocht gerekend werd, in den het stof kussenden slaaf van een heidenschen Sultan veranderen—den overbrenger van zijne onbeschaamde voorstellen aan eene Christenmaagd—ja, hem zelfs de wetten der ridderschap zoowel als van den Godsdienst doen vergeten! Maar het baat niets, om tegen den gewilligen slaaf van een heidenschen hond te spreken. Zeg aan uw meester, wanneer zijn geesel u eene tong zal hebben doen vinden, wat gij mij hebt zien doen.”—Dit zeggende wierp zij den brief van den Sultan op den grond, en zette er haar voet op.—„En zeg hem, dat Edith Plantagenet de hulde van een ongedoopten Heiden versmaadt.”

Met deze woorden was zij op het punt om zich snel van den ridder te verwijderen, toen deze in bitteren zieleangst aan hare voeten knielende,het waagde, zijne hand op haar gewaad te leggen en zich tegen haar vertrek te verzetten.

„Hebt gij niet gehoord, wat ik gezegd heb, domme slaaf?” vroeg zij, zich snel van hem afwendende, en met nadruk sprekende: „Zeg den heidenschen Sultan, uw meester, dat ik zijn aanzoek even zeer veracht, als ik het knielen van een onwaardigen afvallige van Godsdienst en ridderschap—van God en zijne dame versmaad!”

Dit zeggende scheurde zij zich van hem los, rukte haar gewaad uit zijne handen, en verliet de tent.

Buiten riep hem op hetzelfde oogenblik de stem van Neville. Uitgeput en verstompt door de smart, die hij gedurende deze bijeenkomst geleden had, en waarvan hij zich alleen door eene inbreuk op de met Koning Richard aangegane overeenkomst had kunnen redden, waggelde de ongelukkige ridder veeleer den Engelschen baron na, dan dat hij hem naging, tot dat ze de koninklijke tent bereikten, waarvoor juist een troep ruiters was afgestegen. Er was licht en beweging binnen de tent, en toen Neville met zijn vermomden begeleider binnentrad, vonden zij den Koning met verscheidene zijner edelen bezig om de pas aangekomenen te verwelkomen.


Back to IndexNext