HOOFDSTUK XXVI.

HOOFDSTUK XXVI.„Mijn tranenvloed moet eeuwig duren!Geen minnaars afzijn doet ze vloeien;Want mooglijk zullen blijder urenOns mingenot op nieuw doen bloeien.’k Beween geen afgestorven vrinden:Hun smart en zorgen zijn verdwenen;En weldra zal ’k hen wedervinden,De bleeke dood zal ons hereenen.”Maar zwaarder kamp verbleekt haar kaken:Haar minnaar heeft zijne eer verloren;En krijgsroem deed haar hart steeds blaken,Zij was in eedlen stand geboren—Ballade.Men hoorde de gulle en krachtige stem van Richard in vroolijke begroeting.„Thomas de Vaux! dappere Toms van de Gills! bij het hoofd van Koning Hendrik, gij zijt mij zoo welkom, als ooit eene flesch wijn aan een lustigen drinkebroer! Ik zou nauwelijks mijn leger in slagorde hebben weten te schikken, zoo ik niet uwe zwaarlijvige gedaante voor mijn oog gehad had als een paal, om mijne gelederen daarnaar te richten. Wij zullen spoedig slagen krijgen, Thomas, zoo de heiligen ons genadig zijn; en indien wij in uwe afwezigheid gevochten hadden, dan zou ik het bericht tegemoet gezien hebben, dat men u aan een vlierboom had opgehangen gevonden.”„Ik zou mijne teleurstelling met meer christelijk geduld gedragenhebben, vertrouw ik,” antwoordde Thomas de Vaux, „dan dat ik den dood van een afvalligen zou gestorven zijn. Maar ik dank uwe Majesteit voor mijne verwelkoming, die te edelmoediger is, daar zij een gastmaal van slagen betreft, waarvan gij, met uw verlof gezegd, altijd genegen zijt om u het grootste deel toe te eigenen; maar hier heb ik iemand medegebracht, wien, zooals ik zeker weet, uwe Majesteit een nog hartelijker welkom zal toeroepen.”De persoon, die thans voorwaarts trad, om voor Richard zijne buiging te maken, was een jongeling van kleine gestalte en tengere vormen. Zijne kleeding was even zedig als zijn voorkomen onbeduidend was; maar hij droeg op zijne muts eene gouden gesp met een edelgesteente, waarvan de glans kon geëvenaard worden door het schitterende oog, dat door de muts overschaduwd werd. Het was de eenige sprekende trek in zijn gelaat; maar wanneer men dien eenmaal opmerkte, dan maakte hij een onwederstaanbaren indruk op den aanschouwer. Om zijn hals hing in eene sjerp van hemelsblauwe zijde een stemhamer voor de harp van echt goud.Deze man wilde eerbiedig voor Richard nederknielen; maar de monarch hief hem vroolijk en ijlings op, drukte hem vurig aan zijn hart, en kuste hem op beide wangen.„Blondel de Nesle!” riep hij vol blijdschap uit—„welkom van Cyprus, mijn koning der minnezangers! welkom bij den Koning van Engeland, die zijne eigen waardigheid niet hooger dan de uwe acht. Ik ben ziek geweest, man, en bij mijne ziel, ik geloof dat het kwam, omdat ik u miste; want, al ware ik halfweg naar de hemelpoort, mij dunkt uwe liederen zouden mij terugroepen.—En wat nieuws, mijn lieve meester, van het land der lier? Iets nieuws van deTrouveursvan Provence?—iets van de minnezangers van het vroolijke Normandië?—En bovenal, zijt gij zelf aan ’t werk geweest?—Maar ik behoef u niet te vragen—gij kunt niet lui zijn, al wildet gij het—uwe edele hoedanigheden zijn gelijk aan een inwendig brandend vuur, en dwingen om u in muziek en zang uit te storten.”„Iets heb ik geleerd, en iets heb ik gedaan, edele Koning,” antwoordde de beroemde Blondel met zedige bescheidenheid, die alle geestdriftige bewondering van zijne bekwaamheid niet in staat geweest was te verbannen.„Wij zullen u hooren, man—wij zullen u dadelijk hooren,” zeide de Koning;—daarna Blondel vriendelijk op den schouder kloppende, voegde hij er bij, „dat is te zeggen, als gij niet door uwe reis vermoeid zijt; want ik wilde liever mijn beste paard dood rijden, dan eene noot van uwe stem te schenden.”„Mijne stem is, als altijd, ten dienste van mijn koninklijken beschermer,” hervatte Blondel; „maar uwe Majesteit,” voegde hij er bij, met een blik op eenige papieren op tafel, „schijnt gewichtiger bezigheden te hebben, en het wordt reeds laat.”„Niet in het minst, man, niet in het minste, mijn dierbaarste Blondel. Ik heb slechts een slagorde tegen de Sarraceenen ontworpen,de zaak van een oogenblik—bijna even zoo schielijk gedaan als hen op de vlucht gejaagd.”„Mij dunkt evenwel,” zeide Thomas de Vaux, „dat het niet ongeschikt ware, om te onderzoeken, welke soldaten uwe Majesteit in slagorde te stellen heeft. Ik breng te dien opzichte berichten van Ascalon.”„Gij zijt een muilezel, Thomas,” hernam de Koning—„een ware muilezel in domheid en stijfhoofdigheid!—Komt, edelen,—plaatst u rondom hem. Geef Blondel den zetel—waar is zijn harpdrager?—of neen,—leent hem mijne harp, de zijne kan door de reis geleden hebben.”„Ik wenschte, dat uwe Majesteit mijn bericht wilde aanhooren,” zeide Thomas de Vaux. „Ik heb een verren rit gedaan, en heb meer zin naar mijn bed, dan om mij de ooren te doen kittelen.”„Uweooren gekitteld!” riep de Koning uit; „dat moet met eene snippeveer geschieden, en niet met zachte klanken. Luister, Thomas, kunnen uwe ooren het gezang van Blondel van het gebalk van een ezel onderscheiden?”„Waarlijk, mijn Koning,” hervatte Thomas, „ik kan het niet juist zeggen; maar Blondel, die een geboren edelman is, en zonder twijfel groote talenten bezit, uitgezonderd, zal ik in het vervolg wegens de vraag van uwe Genade, nooit een minnezanger aanzien, of ik zal aan een ezel denken.”„En kon uwe beleefdheid,” zeide Richard, „ook mij uitgezonderd hebben, daar ik zoo wel een geboren edelman ben als Blondel, en even als hij een gildebroeder van de vroolijke kunst?”„Uwe Majesteit moet zich herinneren,” antwoordde de Vaux glimlachende, „dat het nutteloos is, beleefdheid bij een muilezel te zoeken.”„Zeer waar gesproken,” hervatte de Koning; „en een slecht geschapen dier zijt gij.—Maar kom hier, meester muilezel, en ontlaad u, opdat gij naar uw leger kunt gaan, zonder dat er eenige muziek aan u verkwist wordt.—Intusschen, goede broeder van Salisbury, gaat gij naar de tent van onze gemalin, en zeg haar, dat Blondel is gekomen, met een zak vol van de nieuwste minnezangers kunst.—Verzoek haar om dadelijk te komen, en begeleid haar, en zie toe, dat onze nicht, Edith Plantagenet, niet achterblijve.”Zijn oog rustte toen voor een oogenblik op den Nubiër, met die uitdrukking van twijfel, die zijn gelaat gewoonlijk aan den dag legde, wanneer hij hem aanzag.„Ha, onze stilzwijgende en geheime lastdrager is teruggekeerd?—Neem plaats, slaaf, achter de Neville, en gij zult zoo terstond klanken hooren, die u God zullen doen zegenen, dat Hij u liever met stomheid dan met doofheid bezocht heeft.”Dit zeggende, wendde hij zich van het overige gezelschap af naar de Vaux, en verdiepte zich dadelijk in de berichten, omtrent militaire aangelegenheden, welke de baron hem voorlegde.Tegen den tijd, dat het gehoor van den lord van Gilsland geëindigd was, kondigde een bode aan, dat de Koningin en haar gevolg dekoninklijke tent naderden.—„Een flesch wijn, hola!” riep de Koning; „van den langgespaarden Cypruswijn van den ouden Koning Izaäk, dien wij buit gemaakt hebben bij het bestormen van Famagusta—vult den dapperen lord van Gilsland een beker—nooit had een Vorst een meer zorgvollen en getrouwen dienaar.”„Het verheugt mij,” antwoordde Thomas de Vaux, „dat uwe Majesteit den muilezel een nuttigen slaaf acht, ofschoon zijne stem minder muzikaal is dan paardenhaar of koperdraad.”„Hoe, kunt gij die scherts omtrent een muilezel nog niet verdragen?” hervatte Richard. „Wasch die met een bruisenden beker af, man, of gij zult er nog in stikken.—Goed geledigd!—en nu zal ik u zeggen, gij zijt een krijgsman, zoowel als ik, en wij moeten elkanders schertsen in de zaal verdragen, zoowel als elkanders stooten in het toernooi, en elkander des te meer liefhebben, hoe harder wij treffen. Op mijn woord, zoo gij mij in onzen laatsten strijd niet even hard getroffen hebt, als ik u, dan hebt gij toch al uw verstand bij den stoot verbruikt. Maar hier ligt het onderscheid tusschen u en Blondel. Gij zijt slechts mijn makker—mijn kweekeling zou ik kunnen zeggen—in de krijgskunst, Blondel is mijn meester in de kunst der minnezangers en de muziek. U vergun ik de vrijheid der vertrouwelijkheid—hem moet ik eerbied bewijzen, als mijn meerdere in zijne kunst. Kom, man, wees niet verdrietig, maar blijf en hoor ons gezang.”„Uwe Majesteit, in een zoo vroolijken luim te zien,” hernam de lord van Gilsland, „op mijn woord, dit zou er mij toe kunnen brengen, dat ik bleef, totdat Blondel de groote romance geëindigd had van Koning Arthur, die drie dagen duurt.”„We willen uw geduld niet op zoo harde proef stellen,” hervatte de Koning. „Maar zie, die toortsglans daar buiten bewijst, dat onze gemalin nadert.—Ga schielijk heen om haar te ontvangen, vriend, en verwerf goede gunst in de schitterendste oogen van het Christendom.—Neen, houd u niet op, om uw mantel in orde te brengen. Zie, gij hebt Neville tusschen den wind en de zeilen uwer gallei laten komen.”„Hij was op het slagveld mij nooit vóór,” zeide de Vaux, niet bijzonder tevreden, dat hij door den grooten dienstijver van den kamerheer voorkomen was.„Neen, noch hij noch iemand anders is u daar voorgekomen, mijn goede Tom van Gills,” zeide de Koning, „zoo niet wij zelven het tusschen beide waren.”„Ja, mijn Koning,” hernam de Vaux, „en laat ons den ongelukkigen recht laten wedervaren;—de ongelukkige ridder van den Luipaard is ook eens vóór mij geweest; want, ziet gij, hij weegt minder te paard, en dus ….”„Stil!” zeide de Koning hem op bevelenden toon in de rede vallende, „geen woord van hem,” en hij stapte terstond voorwaarts, om zijne koninklijke gemalin te begroeten; en na dit gedaan te hebben, stelde hij haar Blondel als Koning der minnezangers en zijn meesterin de vroolijke wetenschap voor. Berengaria, die wel wist, dat de neiging van haar gemaal voor dichtkunst en muziek bijna zijne zucht naar krijgsroem evenaarde, en dat Blondel zijn bijzondere gunsteling was, droeg de grootste zorg om hem met al de vleiende onderscheiding te ontvangen, die zij verschuldigd was aan hem, dien het den Koning een genoegen was te eeren. Toch was het blijkbaar, dat, ofschoon Blondel naar behooren bij de komplimenten, waarmede hij wat te ruim door de Koningin overstelpt werd, antwoordde, hij met dieper eerbied en nederiger dankbaarheid de eenvoudige en aanvallige verwelkoming van Edith erkende, daar hare korte begroeting hem misschien in evenredigheid van de kortheid en eenvoudigheid oprechter toescheen.Zoowel de Koningin als de Koning bemerkten dit onderscheid, en Richard ziende, dat zijne gemalin eenigszins boos was over de voorkeur, die aan zijne nicht betoond werd, en die hem misschien zelf niet zeer aangenaam was, zeide, zoodat beide het hoorden,—„en minnezangers, Berengaria, zoo als gij aan het gedrag van onzen meester Blondel zien kunt, betoonen een grooter eerbied aan een gestrengen rechter, zooals onze bloedverwante, dan aan een welwillenden, partijdigen vriend, gelijk gij, die hunne waarde wel op goed geloof wil aannemen.”Edith werd door deze schijnbare spotternij van haar koninklijken bloedverwant getroffen, en aarzelde niet te antwoorden: „een hard en gestreng rechter te zijn, is eene eigenschap, die niet mij alleen onder de Plantagenets eigen is.”Zij had misschien meer gezegd, daar zij iets van het karakter van dit Huis had, dat, zijn naam en zijn wapen van de lage braam (Planta Genista), als een teeken van nederigheid aangenomen hebbende, misschien eene der meest trotsche familiën was, die ooit in Engelandregeerden. Maar haar oog, dat reeds tot een antwoord ontvlamde, viel eensklaps op dat van den Nubiër, ofschoon hij zich achter de edelen trachtte te verbergen, en zij zonk op een stoel, zoo bleek, dat Koningin Berengaria zich verplicht achtte, water en welriekende olie te vragen, en de verdere gebruikelijke middelen aan te wenden, die bij de flauwte eener dame van dienst zijn. Richard, die Edith’s geestkracht beter op prijs wist te stellen, riep Blondel toe, zijne zitplaats te nemen, en zijn gezang te beginnen, en verklaarde, dat de minnezangerskunst ieder ander geneesmiddel overtrof, om eene Plantagenet in het leven terug te roepen.—„Zing voor ons,” zeide hij, „dat lied van het Bloedige Gewaad, waarvan gij mij vroeger den inhoud verteld hebt, eer ik Cyprus verliet; gij moet er thans wel volkomen in zijn, of, zoo als onze landlieden zeggen, uw boog is gebroken.”Met bezorgdheid rustte het oog van den minnezanger echter op Edith, en eerst toen hij bemerkte, dat hare kleur terugkeerde, gehoorzaamde hij aan het herhaald bevel des Konings. Hierop zijne stem met de harp begeleidende, zoodat hij den zin van hetgeen hij zong verhoogde en niet verdoofde, zong hij in eene soort van recitatief, een van die oude avonturen van liefde en ridderschap, die in vroeger eeuwen de algemeene aandacht plachten te trekken. Zoodra hij begon voort te spelen, scheen het onbeduidende van zijn persoonlijk voorkomen te verdwijnen, en zijn gelaat gloeide van geestdrift en bezieling. Zijne volle, mannelijke, welluidende stem, zoo geheel onder bedwang van den zuiversten smaak, trof ieder oor en ieder hart. Richard, verheugd als na eene overwinning, riep om tot stilzwijgen te vermanen: „Luistert, heeren, in tuin en zaal.” Te gelijk zorgde hij voor orde en stilte in de kring rondom hem met den ijver van een beschermer en een leerling tevens. Hij zelf zette zich neder met een gelaat van ingespannen belangstelling, niet geheel ontbloot van den ernst van den bevoegden beoordeelaar. De hovelingen richtten hunne oogen naar den Koning, om gereed te zijn, de aandoeningen, die zijne trekken zouden uitdrukken te bespieden en na te volgen, en Thomas de Vaux geeuwde verschrikkelijk, als iemand, die zich tegen zijn wil aan een strenge boete onderwerpt. Het gezang van Blondel was natuurlijk in de Normandische taal; maar de volgende verzen geven den inhoud er van weder.HET BLOEDIGE KLEED.I.’t Was de avond vóór ’t grootetoernooivan St. Jan.Door ridders en knapen verlangend verbeid;—De duisternis viel reeds, toen schreed door het kampEen page, een knaap nog te jong voor den strijd;Hem zond de prinses van het schoon BeneventOm te zoeken den Engelschman, Thomas à Kent.Niet spoedig te vinden is hij, dien hij zoekt,En schamel blijkt ’s ridders verblijfplaats te zijn.Geen dienaren maken zijn rusting gereed.Hijzelf staat aan ’t aanbeeld enpoetstalles rein;Want ter eer van zijn schoone en ter eer van St. JanDekt op morgen die rusting den dapperen man.„Dus”, zoo zeide de knaap, „spreekt een eed’le prinsesTot u, onder ridders zoo need’rig in rang:”—„Hoor gij, die tot mij uwe blikken verheft,Welk blijk van uw moed en uw trouw ik verlang.Rechtvaardig uw eerzucht door ridderlijkheidEn gedempt is de klove, zoo breed, die ons scheidt.Leg op morgen, zoo wil ’t Beneventums prinsesUw rusting terzij en neem daarvoor dit kleed;Een linnen gewaad voor ’t beschermende staal!’t Is meer dan tevoren een ridder ooit deed;En strijd als van ouds, voor geen slagen vervaard,Dat met roem ge overwint of een graf vindt in de aard.”„De wil van mijn vrouwe is voor mij een bevel.”Sprak de ridder en kuste eerbiedig de stof:„Dit nachtgewaad schenkt me verdubbelde kracht,En geen slag velt mij neer, die niet dood’lijk mij trof—Maar blijf ik in ’t leven, zeg dat uw vorstin.Dan geef ze op haar beurtmij’t bewijs van haar min.”II.’t St. Jans-feest getuigde van dappere daânEn veel roem werd behaald en er stroomde veel bloed;Maar één ridder blonk ver boven d’and’ren toch uitEn vervulde elk met ontzag voor zijn moed;Want geenpantservan staal was ’t waarin hij verscheen,Het gewaad van een jonkvrouw slechts dekte zijn leên.Wel trof hem van sommigen menige slag,Doch anderen spaarden hem, waar het slechts kon:Een gelofte, als de zijne was, diende geëerd,Dat gevoelde ook de vorst, die niet lang zich bezon,Toen het teeken hij gaf tot het eind van den slag,Om te noemen dien ridder, als held van den dag.Eer het gastmaal, ja zelfs eer de hoogmis begon,Boog diep voor de schoone prinses zich een knaap;Vol steken en kerven, doortrokken van bloedBracht hij haar het gewaad, dat ze eens droeg in haar slaap.Geen plekje zóó klein, dat haar pink het bedekt,Bleef door stof en door modder dien dag onbevlekt.„Dit teeken zendt de edele Thomas à KentAls bewijs, dat het al naar uw wil is geschied.Wie hoog in een boom klimt, heeft recht op de vrucht;Wie zijn leven gewaagd heeft, verstoote men niet;Want van haar, die ons uitzond in bloedigen strijd,Verwachten we, dat ze ook haar voorkeur belijdt.”—„Ik hergeef”, „spreekt mijn meester,”—„dit kleed dat ik droeg,Opdat mijn prinsesse het drage op haar beurt.Geen schande bezoedelt het, hoe ook bevlekt.”—En zij kuste het, waar ’t door zijn bloed was gekleurd;„Zeg mijn ridder, dat hij en heel ’t hof nu zal zienOf ik waarlijk zijn trouwe en zijn hulde verdien.”Toen de vorst’lijke stoet naar de kerk zich begaf,Ging vooraan de prinses in haar statie-gewaadMaar daarover geworpen was ’t bloedige hemd—Was ooit tot zooiets wel een jonkvrouw in staat?En toen voor haar vader ze aan ’t gastmaal verscheenDroeg zij weer over zijde en juweelen het heen.Een gefluister ontstond en de vorst zag haar aanEn sprak: „Veel gevergd is het, dat ik dit duld;Maar sinds gij uw dwaasheid tot schouwspel dus maaktZult het bloed ge betalen, gevloeid door uw schuld.Als zijn egade voere deez’ ridder u weg.Daar ik beide u ’t verblijf in mijn prinsdom ontzeg.”Hem antwoordde Thomas, die stond in de zaal,Verzwakt door zijn wonden, maar vol toch van moed;„Om te winnen uw dochter, mij ’t liefste op aard’.En haar met mij te voeren gaf ’k gaarne mijn bloed;En niet lang zal ze treuren om ’t schoon BeneventWordt ze in Eng’land geëerd als gravinne van Kent.Van alle zijden klonken luide toejuichingen waartoe het voorbeeld was gegeven door Richard zelf, die zijn geliefkoosden minnezanger met loftuitingen overlaadde, en hem ten slotte een ring van aanzienlijke waarde aanbood. De Koningin haastte zich den gunsteling door een rijken armband te onderscheiden, en vele van de tegenwoordige edelen volgden dit koninklijk voorbeeld.„Is onze nicht Edith,” vroeg de Koning, „voor den klank der harp dien zij eens beminde, ongevoelig geworden?”„Zij dankt Blondel voor zijn lied,” antwoordde Edith, „maar dubbel de goedheid van den bloedverwant, die het aangaf.”„Gij zijt boos, nicht,” hernam de Koning; „boos omdat gij gehoord hebt van een nog eigenzinniger vrouw dan gij zelve zijt. Maar gij ontsnapt mij niet.—Ik wil een eindwegs met u huiswaarts naar de tent der Koningin wandelen—wij moeten met elkander spreken, eer de nacht in morgen is veranderd.”De Koningin en haar gevolg stonden nu op, en de andere gasten verwijderden zich uit de koninklijke tent. Een troep met brandende toortsen en een geleide van boogschutters wachtten Berengaria buiten de tent, en zij was weldra op weg huiswaarts. Richard wandelde zooals hij zich had voorgenomen, naast zijne bloedverwante, en dwong haar zijn arm tot steun aan te nemen, zoodat zij met elkander spreken konden, zonder gehoord te worden.„Welk antwoord moet ik den edelen Sultan geven?” vroeg Richard. „De Koningen en Vorsten vallen mij af, Edith; deze nieuwe twist heeft hen op nieuw vervreemd. Ik wilde gaarne iets voor het heilige Graf doen, zoo niet door de overwinning, dan door een verdrag; en mijne kans om dat ten uitvoer te brengen, hangt, helaas af, van de grillen eener vrouw. Ik wilde mijne oude speer tegen tien van de beste lansen in het Christendom opheffen, liever dan tegen een eigenzinnig meisje redeneeren, die niet weet wat tot haar eigen best dient—Welk antwoord, nicht, moet ik den Sultan geven? Het moet beslissend zijn.”„Zeg hem,” antwoordde Edith, „dat de armste der Plantagenets eer een huwelijk met de ellende dan met het ongeloof wil aangaan.”„Zal ik zeggen met deslavernij, Edith?” zeide de Koning.—„Mij dunkt dit komt nader bij uw meening.”„Er bestaat geene reden,” hernam Edith, „voor den achterdocht, dien gij zoo ruw te kennen geeft. Met de slavernij des lichaams had men medelijden kunnen hebben, maar die der ziel is slechts te verachten. Schaam u, Koning van het vroolijke Engeland, gij hebt de leden en den geest van een ridder in slavernij gebracht, die eenmaal nauwelijks minder beroemd was dan gij zelf.”„Zou ik mijne naastbestaanden niet beletten om vergif te drinken, door de vaas te bezoedelen, waarin het zich bevond, zoo ik geen ander middel zag, om haar den noodlottigen drank tegen te maken?” hervatte de Koning.„Gij zijt het zelf, die mij dwingen wildet om het vergif te drinken, omdat het in een gouden beker aangeboden wordt,” antwoordde Edith.„Edith,” hernam Richard, „ik kan uw besluit niet dwingen; maar pas op, dat gij de deur niet sluit, die de Hemel opent. De kluizenaar vanEngaddi, hij, dien pausen en kerkvergaderingen als een profeet beschouwd hebben, heeft in sterren gelezen, dat uw huwelijk mij met een machtigen vijand zal verzoenen, en dat uw gemaal een Christen zal zijn. Ik heb dus allen grond om te hopen, dat de bekeering van den Sultan, en de opneming van de zonen Ismaël’s in den schoot der kerk een gevolg van uwe verbintenis met Saladin zullen zijn. Kom, gij moet een klein offer brengen liever dan zulke gelukkige vooruitzichten te belemmeren.”„Men kan rammen en geiten offeren,” zeide Edith, „maar eer en geweten niet. Ik heb gehoord, dat het de schande van eene Christenmaagd was, die de Sarraceenen in Spanje bracht—de schande eener andere is geen waarschijnlijk middel om hen uit Palestina te verdrijven.”„Noemt gij het eene schande om Keizerin te worden?” vroeg de Koning.„Ik noem het schande en onteering een christelijk sacrament te ontheiligen, door het aan te gaan met een ongeloovige, dien het niet binden kan; en ik noem het eene lage beschimping, dat ik, de afstammelinge van een Christen vorstin, vrijwillig het hoofd van een harem van heidensche bijwijven zou worden.”„Welaan, nicht,” antwoordde de Koning na een poos, „ik mag niet met u twisten, ofschoon het mij voorkomt, dat uw afhankelijke toestand meer toegevendheid zou voorgeschreven hebben.”„Mijn Koning,” hervatte Edith, „uwe Majesteit is waardig opgevolgd in alle rijkdom, titels en rechten van het huis van Plantagenet,—misgun derhalve uwe bloedverwante geen klein aandeel van zijn hoogmoed.”„Op mijn woord, meisje,” hernam de Koning, „gij hebt mij met dit eene woord uit den zadel gelicht; dus willen wij elkander kussen envrienden zijn. Ik zal dadelijk uw antwoord aan Saladin zenden. Maar, zou het evenwel niet beter zijn, nicht, om uw antwoord uit te stellen, totdat gij hem gezien hebt? Men zegt, dat hij uitstekend schoon is.”„Er is geen kans, dat wij elkander ontmoeten, Mylord,” zeide Edith.„Bij St. George, daar is bijna zekerheid van,” antwoordde de Koning; „want Saladin zal ons zonder twijfel een open veld geven, om dezen nieuwen strijd voor de banier te voeren, en hij zelf zal ervan getuige zijn. Berengaria brandt van begeerte om dien ook bij te wonen, en ik durf wedden, dat geen enkele van u zal achterblijven—en het minst van allen, gij zelve, schoone nicht. Maar kom, wij hebben de tent bereikt, en moeten scheiden—niet in onmin evenwel—neen, gij moet het met den mond zoo wel als met de hand bezegelen, beste Edith—het is mijn recht als souverein, om mijne schoone onderdanen te kussen.”Hij omhelsde haar eerbiedig en hartelijk, en keerde in den maneschijn door het kamp terug, de fragmenten uit Blondel’s lied, die hij zich herinneren kon, bij zich zelven neuriënde.Bij zijne aankomst liet hij geen tijd voorbijgaan, om zijne dépêches gereed te maken, en gaf die aan den Nubiër over, met bevel om met het aanbreken van den dag naar den Sultan terug te keeren.

HOOFDSTUK XXVI.„Mijn tranenvloed moet eeuwig duren!Geen minnaars afzijn doet ze vloeien;Want mooglijk zullen blijder urenOns mingenot op nieuw doen bloeien.’k Beween geen afgestorven vrinden:Hun smart en zorgen zijn verdwenen;En weldra zal ’k hen wedervinden,De bleeke dood zal ons hereenen.”Maar zwaarder kamp verbleekt haar kaken:Haar minnaar heeft zijne eer verloren;En krijgsroem deed haar hart steeds blaken,Zij was in eedlen stand geboren—Ballade.Men hoorde de gulle en krachtige stem van Richard in vroolijke begroeting.„Thomas de Vaux! dappere Toms van de Gills! bij het hoofd van Koning Hendrik, gij zijt mij zoo welkom, als ooit eene flesch wijn aan een lustigen drinkebroer! Ik zou nauwelijks mijn leger in slagorde hebben weten te schikken, zoo ik niet uwe zwaarlijvige gedaante voor mijn oog gehad had als een paal, om mijne gelederen daarnaar te richten. Wij zullen spoedig slagen krijgen, Thomas, zoo de heiligen ons genadig zijn; en indien wij in uwe afwezigheid gevochten hadden, dan zou ik het bericht tegemoet gezien hebben, dat men u aan een vlierboom had opgehangen gevonden.”„Ik zou mijne teleurstelling met meer christelijk geduld gedragenhebben, vertrouw ik,” antwoordde Thomas de Vaux, „dan dat ik den dood van een afvalligen zou gestorven zijn. Maar ik dank uwe Majesteit voor mijne verwelkoming, die te edelmoediger is, daar zij een gastmaal van slagen betreft, waarvan gij, met uw verlof gezegd, altijd genegen zijt om u het grootste deel toe te eigenen; maar hier heb ik iemand medegebracht, wien, zooals ik zeker weet, uwe Majesteit een nog hartelijker welkom zal toeroepen.”De persoon, die thans voorwaarts trad, om voor Richard zijne buiging te maken, was een jongeling van kleine gestalte en tengere vormen. Zijne kleeding was even zedig als zijn voorkomen onbeduidend was; maar hij droeg op zijne muts eene gouden gesp met een edelgesteente, waarvan de glans kon geëvenaard worden door het schitterende oog, dat door de muts overschaduwd werd. Het was de eenige sprekende trek in zijn gelaat; maar wanneer men dien eenmaal opmerkte, dan maakte hij een onwederstaanbaren indruk op den aanschouwer. Om zijn hals hing in eene sjerp van hemelsblauwe zijde een stemhamer voor de harp van echt goud.Deze man wilde eerbiedig voor Richard nederknielen; maar de monarch hief hem vroolijk en ijlings op, drukte hem vurig aan zijn hart, en kuste hem op beide wangen.„Blondel de Nesle!” riep hij vol blijdschap uit—„welkom van Cyprus, mijn koning der minnezangers! welkom bij den Koning van Engeland, die zijne eigen waardigheid niet hooger dan de uwe acht. Ik ben ziek geweest, man, en bij mijne ziel, ik geloof dat het kwam, omdat ik u miste; want, al ware ik halfweg naar de hemelpoort, mij dunkt uwe liederen zouden mij terugroepen.—En wat nieuws, mijn lieve meester, van het land der lier? Iets nieuws van deTrouveursvan Provence?—iets van de minnezangers van het vroolijke Normandië?—En bovenal, zijt gij zelf aan ’t werk geweest?—Maar ik behoef u niet te vragen—gij kunt niet lui zijn, al wildet gij het—uwe edele hoedanigheden zijn gelijk aan een inwendig brandend vuur, en dwingen om u in muziek en zang uit te storten.”„Iets heb ik geleerd, en iets heb ik gedaan, edele Koning,” antwoordde de beroemde Blondel met zedige bescheidenheid, die alle geestdriftige bewondering van zijne bekwaamheid niet in staat geweest was te verbannen.„Wij zullen u hooren, man—wij zullen u dadelijk hooren,” zeide de Koning;—daarna Blondel vriendelijk op den schouder kloppende, voegde hij er bij, „dat is te zeggen, als gij niet door uwe reis vermoeid zijt; want ik wilde liever mijn beste paard dood rijden, dan eene noot van uwe stem te schenden.”„Mijne stem is, als altijd, ten dienste van mijn koninklijken beschermer,” hervatte Blondel; „maar uwe Majesteit,” voegde hij er bij, met een blik op eenige papieren op tafel, „schijnt gewichtiger bezigheden te hebben, en het wordt reeds laat.”„Niet in het minst, man, niet in het minste, mijn dierbaarste Blondel. Ik heb slechts een slagorde tegen de Sarraceenen ontworpen,de zaak van een oogenblik—bijna even zoo schielijk gedaan als hen op de vlucht gejaagd.”„Mij dunkt evenwel,” zeide Thomas de Vaux, „dat het niet ongeschikt ware, om te onderzoeken, welke soldaten uwe Majesteit in slagorde te stellen heeft. Ik breng te dien opzichte berichten van Ascalon.”„Gij zijt een muilezel, Thomas,” hernam de Koning—„een ware muilezel in domheid en stijfhoofdigheid!—Komt, edelen,—plaatst u rondom hem. Geef Blondel den zetel—waar is zijn harpdrager?—of neen,—leent hem mijne harp, de zijne kan door de reis geleden hebben.”„Ik wenschte, dat uwe Majesteit mijn bericht wilde aanhooren,” zeide Thomas de Vaux. „Ik heb een verren rit gedaan, en heb meer zin naar mijn bed, dan om mij de ooren te doen kittelen.”„Uweooren gekitteld!” riep de Koning uit; „dat moet met eene snippeveer geschieden, en niet met zachte klanken. Luister, Thomas, kunnen uwe ooren het gezang van Blondel van het gebalk van een ezel onderscheiden?”„Waarlijk, mijn Koning,” hervatte Thomas, „ik kan het niet juist zeggen; maar Blondel, die een geboren edelman is, en zonder twijfel groote talenten bezit, uitgezonderd, zal ik in het vervolg wegens de vraag van uwe Genade, nooit een minnezanger aanzien, of ik zal aan een ezel denken.”„En kon uwe beleefdheid,” zeide Richard, „ook mij uitgezonderd hebben, daar ik zoo wel een geboren edelman ben als Blondel, en even als hij een gildebroeder van de vroolijke kunst?”„Uwe Majesteit moet zich herinneren,” antwoordde de Vaux glimlachende, „dat het nutteloos is, beleefdheid bij een muilezel te zoeken.”„Zeer waar gesproken,” hervatte de Koning; „en een slecht geschapen dier zijt gij.—Maar kom hier, meester muilezel, en ontlaad u, opdat gij naar uw leger kunt gaan, zonder dat er eenige muziek aan u verkwist wordt.—Intusschen, goede broeder van Salisbury, gaat gij naar de tent van onze gemalin, en zeg haar, dat Blondel is gekomen, met een zak vol van de nieuwste minnezangers kunst.—Verzoek haar om dadelijk te komen, en begeleid haar, en zie toe, dat onze nicht, Edith Plantagenet, niet achterblijve.”Zijn oog rustte toen voor een oogenblik op den Nubiër, met die uitdrukking van twijfel, die zijn gelaat gewoonlijk aan den dag legde, wanneer hij hem aanzag.„Ha, onze stilzwijgende en geheime lastdrager is teruggekeerd?—Neem plaats, slaaf, achter de Neville, en gij zult zoo terstond klanken hooren, die u God zullen doen zegenen, dat Hij u liever met stomheid dan met doofheid bezocht heeft.”Dit zeggende, wendde hij zich van het overige gezelschap af naar de Vaux, en verdiepte zich dadelijk in de berichten, omtrent militaire aangelegenheden, welke de baron hem voorlegde.Tegen den tijd, dat het gehoor van den lord van Gilsland geëindigd was, kondigde een bode aan, dat de Koningin en haar gevolg dekoninklijke tent naderden.—„Een flesch wijn, hola!” riep de Koning; „van den langgespaarden Cypruswijn van den ouden Koning Izaäk, dien wij buit gemaakt hebben bij het bestormen van Famagusta—vult den dapperen lord van Gilsland een beker—nooit had een Vorst een meer zorgvollen en getrouwen dienaar.”„Het verheugt mij,” antwoordde Thomas de Vaux, „dat uwe Majesteit den muilezel een nuttigen slaaf acht, ofschoon zijne stem minder muzikaal is dan paardenhaar of koperdraad.”„Hoe, kunt gij die scherts omtrent een muilezel nog niet verdragen?” hervatte Richard. „Wasch die met een bruisenden beker af, man, of gij zult er nog in stikken.—Goed geledigd!—en nu zal ik u zeggen, gij zijt een krijgsman, zoowel als ik, en wij moeten elkanders schertsen in de zaal verdragen, zoowel als elkanders stooten in het toernooi, en elkander des te meer liefhebben, hoe harder wij treffen. Op mijn woord, zoo gij mij in onzen laatsten strijd niet even hard getroffen hebt, als ik u, dan hebt gij toch al uw verstand bij den stoot verbruikt. Maar hier ligt het onderscheid tusschen u en Blondel. Gij zijt slechts mijn makker—mijn kweekeling zou ik kunnen zeggen—in de krijgskunst, Blondel is mijn meester in de kunst der minnezangers en de muziek. U vergun ik de vrijheid der vertrouwelijkheid—hem moet ik eerbied bewijzen, als mijn meerdere in zijne kunst. Kom, man, wees niet verdrietig, maar blijf en hoor ons gezang.”„Uwe Majesteit, in een zoo vroolijken luim te zien,” hernam de lord van Gilsland, „op mijn woord, dit zou er mij toe kunnen brengen, dat ik bleef, totdat Blondel de groote romance geëindigd had van Koning Arthur, die drie dagen duurt.”„We willen uw geduld niet op zoo harde proef stellen,” hervatte de Koning. „Maar zie, die toortsglans daar buiten bewijst, dat onze gemalin nadert.—Ga schielijk heen om haar te ontvangen, vriend, en verwerf goede gunst in de schitterendste oogen van het Christendom.—Neen, houd u niet op, om uw mantel in orde te brengen. Zie, gij hebt Neville tusschen den wind en de zeilen uwer gallei laten komen.”„Hij was op het slagveld mij nooit vóór,” zeide de Vaux, niet bijzonder tevreden, dat hij door den grooten dienstijver van den kamerheer voorkomen was.„Neen, noch hij noch iemand anders is u daar voorgekomen, mijn goede Tom van Gills,” zeide de Koning, „zoo niet wij zelven het tusschen beide waren.”„Ja, mijn Koning,” hernam de Vaux, „en laat ons den ongelukkigen recht laten wedervaren;—de ongelukkige ridder van den Luipaard is ook eens vóór mij geweest; want, ziet gij, hij weegt minder te paard, en dus ….”„Stil!” zeide de Koning hem op bevelenden toon in de rede vallende, „geen woord van hem,” en hij stapte terstond voorwaarts, om zijne koninklijke gemalin te begroeten; en na dit gedaan te hebben, stelde hij haar Blondel als Koning der minnezangers en zijn meesterin de vroolijke wetenschap voor. Berengaria, die wel wist, dat de neiging van haar gemaal voor dichtkunst en muziek bijna zijne zucht naar krijgsroem evenaarde, en dat Blondel zijn bijzondere gunsteling was, droeg de grootste zorg om hem met al de vleiende onderscheiding te ontvangen, die zij verschuldigd was aan hem, dien het den Koning een genoegen was te eeren. Toch was het blijkbaar, dat, ofschoon Blondel naar behooren bij de komplimenten, waarmede hij wat te ruim door de Koningin overstelpt werd, antwoordde, hij met dieper eerbied en nederiger dankbaarheid de eenvoudige en aanvallige verwelkoming van Edith erkende, daar hare korte begroeting hem misschien in evenredigheid van de kortheid en eenvoudigheid oprechter toescheen.Zoowel de Koningin als de Koning bemerkten dit onderscheid, en Richard ziende, dat zijne gemalin eenigszins boos was over de voorkeur, die aan zijne nicht betoond werd, en die hem misschien zelf niet zeer aangenaam was, zeide, zoodat beide het hoorden,—„en minnezangers, Berengaria, zoo als gij aan het gedrag van onzen meester Blondel zien kunt, betoonen een grooter eerbied aan een gestrengen rechter, zooals onze bloedverwante, dan aan een welwillenden, partijdigen vriend, gelijk gij, die hunne waarde wel op goed geloof wil aannemen.”Edith werd door deze schijnbare spotternij van haar koninklijken bloedverwant getroffen, en aarzelde niet te antwoorden: „een hard en gestreng rechter te zijn, is eene eigenschap, die niet mij alleen onder de Plantagenets eigen is.”Zij had misschien meer gezegd, daar zij iets van het karakter van dit Huis had, dat, zijn naam en zijn wapen van de lage braam (Planta Genista), als een teeken van nederigheid aangenomen hebbende, misschien eene der meest trotsche familiën was, die ooit in Engelandregeerden. Maar haar oog, dat reeds tot een antwoord ontvlamde, viel eensklaps op dat van den Nubiër, ofschoon hij zich achter de edelen trachtte te verbergen, en zij zonk op een stoel, zoo bleek, dat Koningin Berengaria zich verplicht achtte, water en welriekende olie te vragen, en de verdere gebruikelijke middelen aan te wenden, die bij de flauwte eener dame van dienst zijn. Richard, die Edith’s geestkracht beter op prijs wist te stellen, riep Blondel toe, zijne zitplaats te nemen, en zijn gezang te beginnen, en verklaarde, dat de minnezangerskunst ieder ander geneesmiddel overtrof, om eene Plantagenet in het leven terug te roepen.—„Zing voor ons,” zeide hij, „dat lied van het Bloedige Gewaad, waarvan gij mij vroeger den inhoud verteld hebt, eer ik Cyprus verliet; gij moet er thans wel volkomen in zijn, of, zoo als onze landlieden zeggen, uw boog is gebroken.”Met bezorgdheid rustte het oog van den minnezanger echter op Edith, en eerst toen hij bemerkte, dat hare kleur terugkeerde, gehoorzaamde hij aan het herhaald bevel des Konings. Hierop zijne stem met de harp begeleidende, zoodat hij den zin van hetgeen hij zong verhoogde en niet verdoofde, zong hij in eene soort van recitatief, een van die oude avonturen van liefde en ridderschap, die in vroeger eeuwen de algemeene aandacht plachten te trekken. Zoodra hij begon voort te spelen, scheen het onbeduidende van zijn persoonlijk voorkomen te verdwijnen, en zijn gelaat gloeide van geestdrift en bezieling. Zijne volle, mannelijke, welluidende stem, zoo geheel onder bedwang van den zuiversten smaak, trof ieder oor en ieder hart. Richard, verheugd als na eene overwinning, riep om tot stilzwijgen te vermanen: „Luistert, heeren, in tuin en zaal.” Te gelijk zorgde hij voor orde en stilte in de kring rondom hem met den ijver van een beschermer en een leerling tevens. Hij zelf zette zich neder met een gelaat van ingespannen belangstelling, niet geheel ontbloot van den ernst van den bevoegden beoordeelaar. De hovelingen richtten hunne oogen naar den Koning, om gereed te zijn, de aandoeningen, die zijne trekken zouden uitdrukken te bespieden en na te volgen, en Thomas de Vaux geeuwde verschrikkelijk, als iemand, die zich tegen zijn wil aan een strenge boete onderwerpt. Het gezang van Blondel was natuurlijk in de Normandische taal; maar de volgende verzen geven den inhoud er van weder.HET BLOEDIGE KLEED.I.’t Was de avond vóór ’t grootetoernooivan St. Jan.Door ridders en knapen verlangend verbeid;—De duisternis viel reeds, toen schreed door het kampEen page, een knaap nog te jong voor den strijd;Hem zond de prinses van het schoon BeneventOm te zoeken den Engelschman, Thomas à Kent.Niet spoedig te vinden is hij, dien hij zoekt,En schamel blijkt ’s ridders verblijfplaats te zijn.Geen dienaren maken zijn rusting gereed.Hijzelf staat aan ’t aanbeeld enpoetstalles rein;Want ter eer van zijn schoone en ter eer van St. JanDekt op morgen die rusting den dapperen man.„Dus”, zoo zeide de knaap, „spreekt een eed’le prinsesTot u, onder ridders zoo need’rig in rang:”—„Hoor gij, die tot mij uwe blikken verheft,Welk blijk van uw moed en uw trouw ik verlang.Rechtvaardig uw eerzucht door ridderlijkheidEn gedempt is de klove, zoo breed, die ons scheidt.Leg op morgen, zoo wil ’t Beneventums prinsesUw rusting terzij en neem daarvoor dit kleed;Een linnen gewaad voor ’t beschermende staal!’t Is meer dan tevoren een ridder ooit deed;En strijd als van ouds, voor geen slagen vervaard,Dat met roem ge overwint of een graf vindt in de aard.”„De wil van mijn vrouwe is voor mij een bevel.”Sprak de ridder en kuste eerbiedig de stof:„Dit nachtgewaad schenkt me verdubbelde kracht,En geen slag velt mij neer, die niet dood’lijk mij trof—Maar blijf ik in ’t leven, zeg dat uw vorstin.Dan geef ze op haar beurtmij’t bewijs van haar min.”II.’t St. Jans-feest getuigde van dappere daânEn veel roem werd behaald en er stroomde veel bloed;Maar één ridder blonk ver boven d’and’ren toch uitEn vervulde elk met ontzag voor zijn moed;Want geenpantservan staal was ’t waarin hij verscheen,Het gewaad van een jonkvrouw slechts dekte zijn leên.Wel trof hem van sommigen menige slag,Doch anderen spaarden hem, waar het slechts kon:Een gelofte, als de zijne was, diende geëerd,Dat gevoelde ook de vorst, die niet lang zich bezon,Toen het teeken hij gaf tot het eind van den slag,Om te noemen dien ridder, als held van den dag.Eer het gastmaal, ja zelfs eer de hoogmis begon,Boog diep voor de schoone prinses zich een knaap;Vol steken en kerven, doortrokken van bloedBracht hij haar het gewaad, dat ze eens droeg in haar slaap.Geen plekje zóó klein, dat haar pink het bedekt,Bleef door stof en door modder dien dag onbevlekt.„Dit teeken zendt de edele Thomas à KentAls bewijs, dat het al naar uw wil is geschied.Wie hoog in een boom klimt, heeft recht op de vrucht;Wie zijn leven gewaagd heeft, verstoote men niet;Want van haar, die ons uitzond in bloedigen strijd,Verwachten we, dat ze ook haar voorkeur belijdt.”—„Ik hergeef”, „spreekt mijn meester,”—„dit kleed dat ik droeg,Opdat mijn prinsesse het drage op haar beurt.Geen schande bezoedelt het, hoe ook bevlekt.”—En zij kuste het, waar ’t door zijn bloed was gekleurd;„Zeg mijn ridder, dat hij en heel ’t hof nu zal zienOf ik waarlijk zijn trouwe en zijn hulde verdien.”Toen de vorst’lijke stoet naar de kerk zich begaf,Ging vooraan de prinses in haar statie-gewaadMaar daarover geworpen was ’t bloedige hemd—Was ooit tot zooiets wel een jonkvrouw in staat?En toen voor haar vader ze aan ’t gastmaal verscheenDroeg zij weer over zijde en juweelen het heen.Een gefluister ontstond en de vorst zag haar aanEn sprak: „Veel gevergd is het, dat ik dit duld;Maar sinds gij uw dwaasheid tot schouwspel dus maaktZult het bloed ge betalen, gevloeid door uw schuld.Als zijn egade voere deez’ ridder u weg.Daar ik beide u ’t verblijf in mijn prinsdom ontzeg.”Hem antwoordde Thomas, die stond in de zaal,Verzwakt door zijn wonden, maar vol toch van moed;„Om te winnen uw dochter, mij ’t liefste op aard’.En haar met mij te voeren gaf ’k gaarne mijn bloed;En niet lang zal ze treuren om ’t schoon BeneventWordt ze in Eng’land geëerd als gravinne van Kent.Van alle zijden klonken luide toejuichingen waartoe het voorbeeld was gegeven door Richard zelf, die zijn geliefkoosden minnezanger met loftuitingen overlaadde, en hem ten slotte een ring van aanzienlijke waarde aanbood. De Koningin haastte zich den gunsteling door een rijken armband te onderscheiden, en vele van de tegenwoordige edelen volgden dit koninklijk voorbeeld.„Is onze nicht Edith,” vroeg de Koning, „voor den klank der harp dien zij eens beminde, ongevoelig geworden?”„Zij dankt Blondel voor zijn lied,” antwoordde Edith, „maar dubbel de goedheid van den bloedverwant, die het aangaf.”„Gij zijt boos, nicht,” hernam de Koning; „boos omdat gij gehoord hebt van een nog eigenzinniger vrouw dan gij zelve zijt. Maar gij ontsnapt mij niet.—Ik wil een eindwegs met u huiswaarts naar de tent der Koningin wandelen—wij moeten met elkander spreken, eer de nacht in morgen is veranderd.”De Koningin en haar gevolg stonden nu op, en de andere gasten verwijderden zich uit de koninklijke tent. Een troep met brandende toortsen en een geleide van boogschutters wachtten Berengaria buiten de tent, en zij was weldra op weg huiswaarts. Richard wandelde zooals hij zich had voorgenomen, naast zijne bloedverwante, en dwong haar zijn arm tot steun aan te nemen, zoodat zij met elkander spreken konden, zonder gehoord te worden.„Welk antwoord moet ik den edelen Sultan geven?” vroeg Richard. „De Koningen en Vorsten vallen mij af, Edith; deze nieuwe twist heeft hen op nieuw vervreemd. Ik wilde gaarne iets voor het heilige Graf doen, zoo niet door de overwinning, dan door een verdrag; en mijne kans om dat ten uitvoer te brengen, hangt, helaas af, van de grillen eener vrouw. Ik wilde mijne oude speer tegen tien van de beste lansen in het Christendom opheffen, liever dan tegen een eigenzinnig meisje redeneeren, die niet weet wat tot haar eigen best dient—Welk antwoord, nicht, moet ik den Sultan geven? Het moet beslissend zijn.”„Zeg hem,” antwoordde Edith, „dat de armste der Plantagenets eer een huwelijk met de ellende dan met het ongeloof wil aangaan.”„Zal ik zeggen met deslavernij, Edith?” zeide de Koning.—„Mij dunkt dit komt nader bij uw meening.”„Er bestaat geene reden,” hernam Edith, „voor den achterdocht, dien gij zoo ruw te kennen geeft. Met de slavernij des lichaams had men medelijden kunnen hebben, maar die der ziel is slechts te verachten. Schaam u, Koning van het vroolijke Engeland, gij hebt de leden en den geest van een ridder in slavernij gebracht, die eenmaal nauwelijks minder beroemd was dan gij zelf.”„Zou ik mijne naastbestaanden niet beletten om vergif te drinken, door de vaas te bezoedelen, waarin het zich bevond, zoo ik geen ander middel zag, om haar den noodlottigen drank tegen te maken?” hervatte de Koning.„Gij zijt het zelf, die mij dwingen wildet om het vergif te drinken, omdat het in een gouden beker aangeboden wordt,” antwoordde Edith.„Edith,” hernam Richard, „ik kan uw besluit niet dwingen; maar pas op, dat gij de deur niet sluit, die de Hemel opent. De kluizenaar vanEngaddi, hij, dien pausen en kerkvergaderingen als een profeet beschouwd hebben, heeft in sterren gelezen, dat uw huwelijk mij met een machtigen vijand zal verzoenen, en dat uw gemaal een Christen zal zijn. Ik heb dus allen grond om te hopen, dat de bekeering van den Sultan, en de opneming van de zonen Ismaël’s in den schoot der kerk een gevolg van uwe verbintenis met Saladin zullen zijn. Kom, gij moet een klein offer brengen liever dan zulke gelukkige vooruitzichten te belemmeren.”„Men kan rammen en geiten offeren,” zeide Edith, „maar eer en geweten niet. Ik heb gehoord, dat het de schande van eene Christenmaagd was, die de Sarraceenen in Spanje bracht—de schande eener andere is geen waarschijnlijk middel om hen uit Palestina te verdrijven.”„Noemt gij het eene schande om Keizerin te worden?” vroeg de Koning.„Ik noem het schande en onteering een christelijk sacrament te ontheiligen, door het aan te gaan met een ongeloovige, dien het niet binden kan; en ik noem het eene lage beschimping, dat ik, de afstammelinge van een Christen vorstin, vrijwillig het hoofd van een harem van heidensche bijwijven zou worden.”„Welaan, nicht,” antwoordde de Koning na een poos, „ik mag niet met u twisten, ofschoon het mij voorkomt, dat uw afhankelijke toestand meer toegevendheid zou voorgeschreven hebben.”„Mijn Koning,” hervatte Edith, „uwe Majesteit is waardig opgevolgd in alle rijkdom, titels en rechten van het huis van Plantagenet,—misgun derhalve uwe bloedverwante geen klein aandeel van zijn hoogmoed.”„Op mijn woord, meisje,” hernam de Koning, „gij hebt mij met dit eene woord uit den zadel gelicht; dus willen wij elkander kussen envrienden zijn. Ik zal dadelijk uw antwoord aan Saladin zenden. Maar, zou het evenwel niet beter zijn, nicht, om uw antwoord uit te stellen, totdat gij hem gezien hebt? Men zegt, dat hij uitstekend schoon is.”„Er is geen kans, dat wij elkander ontmoeten, Mylord,” zeide Edith.„Bij St. George, daar is bijna zekerheid van,” antwoordde de Koning; „want Saladin zal ons zonder twijfel een open veld geven, om dezen nieuwen strijd voor de banier te voeren, en hij zelf zal ervan getuige zijn. Berengaria brandt van begeerte om dien ook bij te wonen, en ik durf wedden, dat geen enkele van u zal achterblijven—en het minst van allen, gij zelve, schoone nicht. Maar kom, wij hebben de tent bereikt, en moeten scheiden—niet in onmin evenwel—neen, gij moet het met den mond zoo wel als met de hand bezegelen, beste Edith—het is mijn recht als souverein, om mijne schoone onderdanen te kussen.”Hij omhelsde haar eerbiedig en hartelijk, en keerde in den maneschijn door het kamp terug, de fragmenten uit Blondel’s lied, die hij zich herinneren kon, bij zich zelven neuriënde.Bij zijne aankomst liet hij geen tijd voorbijgaan, om zijne dépêches gereed te maken, en gaf die aan den Nubiër over, met bevel om met het aanbreken van den dag naar den Sultan terug te keeren.

HOOFDSTUK XXVI.„Mijn tranenvloed moet eeuwig duren!Geen minnaars afzijn doet ze vloeien;Want mooglijk zullen blijder urenOns mingenot op nieuw doen bloeien.’k Beween geen afgestorven vrinden:Hun smart en zorgen zijn verdwenen;En weldra zal ’k hen wedervinden,De bleeke dood zal ons hereenen.”Maar zwaarder kamp verbleekt haar kaken:Haar minnaar heeft zijne eer verloren;En krijgsroem deed haar hart steeds blaken,Zij was in eedlen stand geboren—Ballade.

„Mijn tranenvloed moet eeuwig duren!Geen minnaars afzijn doet ze vloeien;Want mooglijk zullen blijder urenOns mingenot op nieuw doen bloeien.’k Beween geen afgestorven vrinden:Hun smart en zorgen zijn verdwenen;En weldra zal ’k hen wedervinden,De bleeke dood zal ons hereenen.”Maar zwaarder kamp verbleekt haar kaken:Haar minnaar heeft zijne eer verloren;En krijgsroem deed haar hart steeds blaken,Zij was in eedlen stand geboren—Ballade.

„Mijn tranenvloed moet eeuwig duren!Geen minnaars afzijn doet ze vloeien;Want mooglijk zullen blijder urenOns mingenot op nieuw doen bloeien.’k Beween geen afgestorven vrinden:Hun smart en zorgen zijn verdwenen;En weldra zal ’k hen wedervinden,De bleeke dood zal ons hereenen.”Maar zwaarder kamp verbleekt haar kaken:Haar minnaar heeft zijne eer verloren;En krijgsroem deed haar hart steeds blaken,Zij was in eedlen stand geboren—

„Mijn tranenvloed moet eeuwig duren!Geen minnaars afzijn doet ze vloeien;Want mooglijk zullen blijder urenOns mingenot op nieuw doen bloeien.

„Mijn tranenvloed moet eeuwig duren!

Geen minnaars afzijn doet ze vloeien;

Want mooglijk zullen blijder uren

Ons mingenot op nieuw doen bloeien.

’k Beween geen afgestorven vrinden:Hun smart en zorgen zijn verdwenen;En weldra zal ’k hen wedervinden,De bleeke dood zal ons hereenen.”

’k Beween geen afgestorven vrinden:

Hun smart en zorgen zijn verdwenen;

En weldra zal ’k hen wedervinden,

De bleeke dood zal ons hereenen.”

Maar zwaarder kamp verbleekt haar kaken:Haar minnaar heeft zijne eer verloren;En krijgsroem deed haar hart steeds blaken,Zij was in eedlen stand geboren—

Maar zwaarder kamp verbleekt haar kaken:

Haar minnaar heeft zijne eer verloren;

En krijgsroem deed haar hart steeds blaken,

Zij was in eedlen stand geboren—

Ballade.

Men hoorde de gulle en krachtige stem van Richard in vroolijke begroeting.„Thomas de Vaux! dappere Toms van de Gills! bij het hoofd van Koning Hendrik, gij zijt mij zoo welkom, als ooit eene flesch wijn aan een lustigen drinkebroer! Ik zou nauwelijks mijn leger in slagorde hebben weten te schikken, zoo ik niet uwe zwaarlijvige gedaante voor mijn oog gehad had als een paal, om mijne gelederen daarnaar te richten. Wij zullen spoedig slagen krijgen, Thomas, zoo de heiligen ons genadig zijn; en indien wij in uwe afwezigheid gevochten hadden, dan zou ik het bericht tegemoet gezien hebben, dat men u aan een vlierboom had opgehangen gevonden.”„Ik zou mijne teleurstelling met meer christelijk geduld gedragenhebben, vertrouw ik,” antwoordde Thomas de Vaux, „dan dat ik den dood van een afvalligen zou gestorven zijn. Maar ik dank uwe Majesteit voor mijne verwelkoming, die te edelmoediger is, daar zij een gastmaal van slagen betreft, waarvan gij, met uw verlof gezegd, altijd genegen zijt om u het grootste deel toe te eigenen; maar hier heb ik iemand medegebracht, wien, zooals ik zeker weet, uwe Majesteit een nog hartelijker welkom zal toeroepen.”De persoon, die thans voorwaarts trad, om voor Richard zijne buiging te maken, was een jongeling van kleine gestalte en tengere vormen. Zijne kleeding was even zedig als zijn voorkomen onbeduidend was; maar hij droeg op zijne muts eene gouden gesp met een edelgesteente, waarvan de glans kon geëvenaard worden door het schitterende oog, dat door de muts overschaduwd werd. Het was de eenige sprekende trek in zijn gelaat; maar wanneer men dien eenmaal opmerkte, dan maakte hij een onwederstaanbaren indruk op den aanschouwer. Om zijn hals hing in eene sjerp van hemelsblauwe zijde een stemhamer voor de harp van echt goud.Deze man wilde eerbiedig voor Richard nederknielen; maar de monarch hief hem vroolijk en ijlings op, drukte hem vurig aan zijn hart, en kuste hem op beide wangen.„Blondel de Nesle!” riep hij vol blijdschap uit—„welkom van Cyprus, mijn koning der minnezangers! welkom bij den Koning van Engeland, die zijne eigen waardigheid niet hooger dan de uwe acht. Ik ben ziek geweest, man, en bij mijne ziel, ik geloof dat het kwam, omdat ik u miste; want, al ware ik halfweg naar de hemelpoort, mij dunkt uwe liederen zouden mij terugroepen.—En wat nieuws, mijn lieve meester, van het land der lier? Iets nieuws van deTrouveursvan Provence?—iets van de minnezangers van het vroolijke Normandië?—En bovenal, zijt gij zelf aan ’t werk geweest?—Maar ik behoef u niet te vragen—gij kunt niet lui zijn, al wildet gij het—uwe edele hoedanigheden zijn gelijk aan een inwendig brandend vuur, en dwingen om u in muziek en zang uit te storten.”„Iets heb ik geleerd, en iets heb ik gedaan, edele Koning,” antwoordde de beroemde Blondel met zedige bescheidenheid, die alle geestdriftige bewondering van zijne bekwaamheid niet in staat geweest was te verbannen.„Wij zullen u hooren, man—wij zullen u dadelijk hooren,” zeide de Koning;—daarna Blondel vriendelijk op den schouder kloppende, voegde hij er bij, „dat is te zeggen, als gij niet door uwe reis vermoeid zijt; want ik wilde liever mijn beste paard dood rijden, dan eene noot van uwe stem te schenden.”„Mijne stem is, als altijd, ten dienste van mijn koninklijken beschermer,” hervatte Blondel; „maar uwe Majesteit,” voegde hij er bij, met een blik op eenige papieren op tafel, „schijnt gewichtiger bezigheden te hebben, en het wordt reeds laat.”„Niet in het minst, man, niet in het minste, mijn dierbaarste Blondel. Ik heb slechts een slagorde tegen de Sarraceenen ontworpen,de zaak van een oogenblik—bijna even zoo schielijk gedaan als hen op de vlucht gejaagd.”„Mij dunkt evenwel,” zeide Thomas de Vaux, „dat het niet ongeschikt ware, om te onderzoeken, welke soldaten uwe Majesteit in slagorde te stellen heeft. Ik breng te dien opzichte berichten van Ascalon.”„Gij zijt een muilezel, Thomas,” hernam de Koning—„een ware muilezel in domheid en stijfhoofdigheid!—Komt, edelen,—plaatst u rondom hem. Geef Blondel den zetel—waar is zijn harpdrager?—of neen,—leent hem mijne harp, de zijne kan door de reis geleden hebben.”„Ik wenschte, dat uwe Majesteit mijn bericht wilde aanhooren,” zeide Thomas de Vaux. „Ik heb een verren rit gedaan, en heb meer zin naar mijn bed, dan om mij de ooren te doen kittelen.”„Uweooren gekitteld!” riep de Koning uit; „dat moet met eene snippeveer geschieden, en niet met zachte klanken. Luister, Thomas, kunnen uwe ooren het gezang van Blondel van het gebalk van een ezel onderscheiden?”„Waarlijk, mijn Koning,” hervatte Thomas, „ik kan het niet juist zeggen; maar Blondel, die een geboren edelman is, en zonder twijfel groote talenten bezit, uitgezonderd, zal ik in het vervolg wegens de vraag van uwe Genade, nooit een minnezanger aanzien, of ik zal aan een ezel denken.”„En kon uwe beleefdheid,” zeide Richard, „ook mij uitgezonderd hebben, daar ik zoo wel een geboren edelman ben als Blondel, en even als hij een gildebroeder van de vroolijke kunst?”„Uwe Majesteit moet zich herinneren,” antwoordde de Vaux glimlachende, „dat het nutteloos is, beleefdheid bij een muilezel te zoeken.”„Zeer waar gesproken,” hervatte de Koning; „en een slecht geschapen dier zijt gij.—Maar kom hier, meester muilezel, en ontlaad u, opdat gij naar uw leger kunt gaan, zonder dat er eenige muziek aan u verkwist wordt.—Intusschen, goede broeder van Salisbury, gaat gij naar de tent van onze gemalin, en zeg haar, dat Blondel is gekomen, met een zak vol van de nieuwste minnezangers kunst.—Verzoek haar om dadelijk te komen, en begeleid haar, en zie toe, dat onze nicht, Edith Plantagenet, niet achterblijve.”Zijn oog rustte toen voor een oogenblik op den Nubiër, met die uitdrukking van twijfel, die zijn gelaat gewoonlijk aan den dag legde, wanneer hij hem aanzag.„Ha, onze stilzwijgende en geheime lastdrager is teruggekeerd?—Neem plaats, slaaf, achter de Neville, en gij zult zoo terstond klanken hooren, die u God zullen doen zegenen, dat Hij u liever met stomheid dan met doofheid bezocht heeft.”Dit zeggende, wendde hij zich van het overige gezelschap af naar de Vaux, en verdiepte zich dadelijk in de berichten, omtrent militaire aangelegenheden, welke de baron hem voorlegde.Tegen den tijd, dat het gehoor van den lord van Gilsland geëindigd was, kondigde een bode aan, dat de Koningin en haar gevolg dekoninklijke tent naderden.—„Een flesch wijn, hola!” riep de Koning; „van den langgespaarden Cypruswijn van den ouden Koning Izaäk, dien wij buit gemaakt hebben bij het bestormen van Famagusta—vult den dapperen lord van Gilsland een beker—nooit had een Vorst een meer zorgvollen en getrouwen dienaar.”„Het verheugt mij,” antwoordde Thomas de Vaux, „dat uwe Majesteit den muilezel een nuttigen slaaf acht, ofschoon zijne stem minder muzikaal is dan paardenhaar of koperdraad.”„Hoe, kunt gij die scherts omtrent een muilezel nog niet verdragen?” hervatte Richard. „Wasch die met een bruisenden beker af, man, of gij zult er nog in stikken.—Goed geledigd!—en nu zal ik u zeggen, gij zijt een krijgsman, zoowel als ik, en wij moeten elkanders schertsen in de zaal verdragen, zoowel als elkanders stooten in het toernooi, en elkander des te meer liefhebben, hoe harder wij treffen. Op mijn woord, zoo gij mij in onzen laatsten strijd niet even hard getroffen hebt, als ik u, dan hebt gij toch al uw verstand bij den stoot verbruikt. Maar hier ligt het onderscheid tusschen u en Blondel. Gij zijt slechts mijn makker—mijn kweekeling zou ik kunnen zeggen—in de krijgskunst, Blondel is mijn meester in de kunst der minnezangers en de muziek. U vergun ik de vrijheid der vertrouwelijkheid—hem moet ik eerbied bewijzen, als mijn meerdere in zijne kunst. Kom, man, wees niet verdrietig, maar blijf en hoor ons gezang.”„Uwe Majesteit, in een zoo vroolijken luim te zien,” hernam de lord van Gilsland, „op mijn woord, dit zou er mij toe kunnen brengen, dat ik bleef, totdat Blondel de groote romance geëindigd had van Koning Arthur, die drie dagen duurt.”„We willen uw geduld niet op zoo harde proef stellen,” hervatte de Koning. „Maar zie, die toortsglans daar buiten bewijst, dat onze gemalin nadert.—Ga schielijk heen om haar te ontvangen, vriend, en verwerf goede gunst in de schitterendste oogen van het Christendom.—Neen, houd u niet op, om uw mantel in orde te brengen. Zie, gij hebt Neville tusschen den wind en de zeilen uwer gallei laten komen.”„Hij was op het slagveld mij nooit vóór,” zeide de Vaux, niet bijzonder tevreden, dat hij door den grooten dienstijver van den kamerheer voorkomen was.„Neen, noch hij noch iemand anders is u daar voorgekomen, mijn goede Tom van Gills,” zeide de Koning, „zoo niet wij zelven het tusschen beide waren.”„Ja, mijn Koning,” hernam de Vaux, „en laat ons den ongelukkigen recht laten wedervaren;—de ongelukkige ridder van den Luipaard is ook eens vóór mij geweest; want, ziet gij, hij weegt minder te paard, en dus ….”„Stil!” zeide de Koning hem op bevelenden toon in de rede vallende, „geen woord van hem,” en hij stapte terstond voorwaarts, om zijne koninklijke gemalin te begroeten; en na dit gedaan te hebben, stelde hij haar Blondel als Koning der minnezangers en zijn meesterin de vroolijke wetenschap voor. Berengaria, die wel wist, dat de neiging van haar gemaal voor dichtkunst en muziek bijna zijne zucht naar krijgsroem evenaarde, en dat Blondel zijn bijzondere gunsteling was, droeg de grootste zorg om hem met al de vleiende onderscheiding te ontvangen, die zij verschuldigd was aan hem, dien het den Koning een genoegen was te eeren. Toch was het blijkbaar, dat, ofschoon Blondel naar behooren bij de komplimenten, waarmede hij wat te ruim door de Koningin overstelpt werd, antwoordde, hij met dieper eerbied en nederiger dankbaarheid de eenvoudige en aanvallige verwelkoming van Edith erkende, daar hare korte begroeting hem misschien in evenredigheid van de kortheid en eenvoudigheid oprechter toescheen.Zoowel de Koningin als de Koning bemerkten dit onderscheid, en Richard ziende, dat zijne gemalin eenigszins boos was over de voorkeur, die aan zijne nicht betoond werd, en die hem misschien zelf niet zeer aangenaam was, zeide, zoodat beide het hoorden,—„en minnezangers, Berengaria, zoo als gij aan het gedrag van onzen meester Blondel zien kunt, betoonen een grooter eerbied aan een gestrengen rechter, zooals onze bloedverwante, dan aan een welwillenden, partijdigen vriend, gelijk gij, die hunne waarde wel op goed geloof wil aannemen.”Edith werd door deze schijnbare spotternij van haar koninklijken bloedverwant getroffen, en aarzelde niet te antwoorden: „een hard en gestreng rechter te zijn, is eene eigenschap, die niet mij alleen onder de Plantagenets eigen is.”Zij had misschien meer gezegd, daar zij iets van het karakter van dit Huis had, dat, zijn naam en zijn wapen van de lage braam (Planta Genista), als een teeken van nederigheid aangenomen hebbende, misschien eene der meest trotsche familiën was, die ooit in Engelandregeerden. Maar haar oog, dat reeds tot een antwoord ontvlamde, viel eensklaps op dat van den Nubiër, ofschoon hij zich achter de edelen trachtte te verbergen, en zij zonk op een stoel, zoo bleek, dat Koningin Berengaria zich verplicht achtte, water en welriekende olie te vragen, en de verdere gebruikelijke middelen aan te wenden, die bij de flauwte eener dame van dienst zijn. Richard, die Edith’s geestkracht beter op prijs wist te stellen, riep Blondel toe, zijne zitplaats te nemen, en zijn gezang te beginnen, en verklaarde, dat de minnezangerskunst ieder ander geneesmiddel overtrof, om eene Plantagenet in het leven terug te roepen.—„Zing voor ons,” zeide hij, „dat lied van het Bloedige Gewaad, waarvan gij mij vroeger den inhoud verteld hebt, eer ik Cyprus verliet; gij moet er thans wel volkomen in zijn, of, zoo als onze landlieden zeggen, uw boog is gebroken.”Met bezorgdheid rustte het oog van den minnezanger echter op Edith, en eerst toen hij bemerkte, dat hare kleur terugkeerde, gehoorzaamde hij aan het herhaald bevel des Konings. Hierop zijne stem met de harp begeleidende, zoodat hij den zin van hetgeen hij zong verhoogde en niet verdoofde, zong hij in eene soort van recitatief, een van die oude avonturen van liefde en ridderschap, die in vroeger eeuwen de algemeene aandacht plachten te trekken. Zoodra hij begon voort te spelen, scheen het onbeduidende van zijn persoonlijk voorkomen te verdwijnen, en zijn gelaat gloeide van geestdrift en bezieling. Zijne volle, mannelijke, welluidende stem, zoo geheel onder bedwang van den zuiversten smaak, trof ieder oor en ieder hart. Richard, verheugd als na eene overwinning, riep om tot stilzwijgen te vermanen: „Luistert, heeren, in tuin en zaal.” Te gelijk zorgde hij voor orde en stilte in de kring rondom hem met den ijver van een beschermer en een leerling tevens. Hij zelf zette zich neder met een gelaat van ingespannen belangstelling, niet geheel ontbloot van den ernst van den bevoegden beoordeelaar. De hovelingen richtten hunne oogen naar den Koning, om gereed te zijn, de aandoeningen, die zijne trekken zouden uitdrukken te bespieden en na te volgen, en Thomas de Vaux geeuwde verschrikkelijk, als iemand, die zich tegen zijn wil aan een strenge boete onderwerpt. Het gezang van Blondel was natuurlijk in de Normandische taal; maar de volgende verzen geven den inhoud er van weder.HET BLOEDIGE KLEED.I.’t Was de avond vóór ’t grootetoernooivan St. Jan.Door ridders en knapen verlangend verbeid;—De duisternis viel reeds, toen schreed door het kampEen page, een knaap nog te jong voor den strijd;Hem zond de prinses van het schoon BeneventOm te zoeken den Engelschman, Thomas à Kent.Niet spoedig te vinden is hij, dien hij zoekt,En schamel blijkt ’s ridders verblijfplaats te zijn.Geen dienaren maken zijn rusting gereed.Hijzelf staat aan ’t aanbeeld enpoetstalles rein;Want ter eer van zijn schoone en ter eer van St. JanDekt op morgen die rusting den dapperen man.„Dus”, zoo zeide de knaap, „spreekt een eed’le prinsesTot u, onder ridders zoo need’rig in rang:”—„Hoor gij, die tot mij uwe blikken verheft,Welk blijk van uw moed en uw trouw ik verlang.Rechtvaardig uw eerzucht door ridderlijkheidEn gedempt is de klove, zoo breed, die ons scheidt.Leg op morgen, zoo wil ’t Beneventums prinsesUw rusting terzij en neem daarvoor dit kleed;Een linnen gewaad voor ’t beschermende staal!’t Is meer dan tevoren een ridder ooit deed;En strijd als van ouds, voor geen slagen vervaard,Dat met roem ge overwint of een graf vindt in de aard.”„De wil van mijn vrouwe is voor mij een bevel.”Sprak de ridder en kuste eerbiedig de stof:„Dit nachtgewaad schenkt me verdubbelde kracht,En geen slag velt mij neer, die niet dood’lijk mij trof—Maar blijf ik in ’t leven, zeg dat uw vorstin.Dan geef ze op haar beurtmij’t bewijs van haar min.”II.’t St. Jans-feest getuigde van dappere daânEn veel roem werd behaald en er stroomde veel bloed;Maar één ridder blonk ver boven d’and’ren toch uitEn vervulde elk met ontzag voor zijn moed;Want geenpantservan staal was ’t waarin hij verscheen,Het gewaad van een jonkvrouw slechts dekte zijn leên.Wel trof hem van sommigen menige slag,Doch anderen spaarden hem, waar het slechts kon:Een gelofte, als de zijne was, diende geëerd,Dat gevoelde ook de vorst, die niet lang zich bezon,Toen het teeken hij gaf tot het eind van den slag,Om te noemen dien ridder, als held van den dag.Eer het gastmaal, ja zelfs eer de hoogmis begon,Boog diep voor de schoone prinses zich een knaap;Vol steken en kerven, doortrokken van bloedBracht hij haar het gewaad, dat ze eens droeg in haar slaap.Geen plekje zóó klein, dat haar pink het bedekt,Bleef door stof en door modder dien dag onbevlekt.„Dit teeken zendt de edele Thomas à KentAls bewijs, dat het al naar uw wil is geschied.Wie hoog in een boom klimt, heeft recht op de vrucht;Wie zijn leven gewaagd heeft, verstoote men niet;Want van haar, die ons uitzond in bloedigen strijd,Verwachten we, dat ze ook haar voorkeur belijdt.”—„Ik hergeef”, „spreekt mijn meester,”—„dit kleed dat ik droeg,Opdat mijn prinsesse het drage op haar beurt.Geen schande bezoedelt het, hoe ook bevlekt.”—En zij kuste het, waar ’t door zijn bloed was gekleurd;„Zeg mijn ridder, dat hij en heel ’t hof nu zal zienOf ik waarlijk zijn trouwe en zijn hulde verdien.”Toen de vorst’lijke stoet naar de kerk zich begaf,Ging vooraan de prinses in haar statie-gewaadMaar daarover geworpen was ’t bloedige hemd—Was ooit tot zooiets wel een jonkvrouw in staat?En toen voor haar vader ze aan ’t gastmaal verscheenDroeg zij weer over zijde en juweelen het heen.Een gefluister ontstond en de vorst zag haar aanEn sprak: „Veel gevergd is het, dat ik dit duld;Maar sinds gij uw dwaasheid tot schouwspel dus maaktZult het bloed ge betalen, gevloeid door uw schuld.Als zijn egade voere deez’ ridder u weg.Daar ik beide u ’t verblijf in mijn prinsdom ontzeg.”Hem antwoordde Thomas, die stond in de zaal,Verzwakt door zijn wonden, maar vol toch van moed;„Om te winnen uw dochter, mij ’t liefste op aard’.En haar met mij te voeren gaf ’k gaarne mijn bloed;En niet lang zal ze treuren om ’t schoon BeneventWordt ze in Eng’land geëerd als gravinne van Kent.Van alle zijden klonken luide toejuichingen waartoe het voorbeeld was gegeven door Richard zelf, die zijn geliefkoosden minnezanger met loftuitingen overlaadde, en hem ten slotte een ring van aanzienlijke waarde aanbood. De Koningin haastte zich den gunsteling door een rijken armband te onderscheiden, en vele van de tegenwoordige edelen volgden dit koninklijk voorbeeld.„Is onze nicht Edith,” vroeg de Koning, „voor den klank der harp dien zij eens beminde, ongevoelig geworden?”„Zij dankt Blondel voor zijn lied,” antwoordde Edith, „maar dubbel de goedheid van den bloedverwant, die het aangaf.”„Gij zijt boos, nicht,” hernam de Koning; „boos omdat gij gehoord hebt van een nog eigenzinniger vrouw dan gij zelve zijt. Maar gij ontsnapt mij niet.—Ik wil een eindwegs met u huiswaarts naar de tent der Koningin wandelen—wij moeten met elkander spreken, eer de nacht in morgen is veranderd.”De Koningin en haar gevolg stonden nu op, en de andere gasten verwijderden zich uit de koninklijke tent. Een troep met brandende toortsen en een geleide van boogschutters wachtten Berengaria buiten de tent, en zij was weldra op weg huiswaarts. Richard wandelde zooals hij zich had voorgenomen, naast zijne bloedverwante, en dwong haar zijn arm tot steun aan te nemen, zoodat zij met elkander spreken konden, zonder gehoord te worden.„Welk antwoord moet ik den edelen Sultan geven?” vroeg Richard. „De Koningen en Vorsten vallen mij af, Edith; deze nieuwe twist heeft hen op nieuw vervreemd. Ik wilde gaarne iets voor het heilige Graf doen, zoo niet door de overwinning, dan door een verdrag; en mijne kans om dat ten uitvoer te brengen, hangt, helaas af, van de grillen eener vrouw. Ik wilde mijne oude speer tegen tien van de beste lansen in het Christendom opheffen, liever dan tegen een eigenzinnig meisje redeneeren, die niet weet wat tot haar eigen best dient—Welk antwoord, nicht, moet ik den Sultan geven? Het moet beslissend zijn.”„Zeg hem,” antwoordde Edith, „dat de armste der Plantagenets eer een huwelijk met de ellende dan met het ongeloof wil aangaan.”„Zal ik zeggen met deslavernij, Edith?” zeide de Koning.—„Mij dunkt dit komt nader bij uw meening.”„Er bestaat geene reden,” hernam Edith, „voor den achterdocht, dien gij zoo ruw te kennen geeft. Met de slavernij des lichaams had men medelijden kunnen hebben, maar die der ziel is slechts te verachten. Schaam u, Koning van het vroolijke Engeland, gij hebt de leden en den geest van een ridder in slavernij gebracht, die eenmaal nauwelijks minder beroemd was dan gij zelf.”„Zou ik mijne naastbestaanden niet beletten om vergif te drinken, door de vaas te bezoedelen, waarin het zich bevond, zoo ik geen ander middel zag, om haar den noodlottigen drank tegen te maken?” hervatte de Koning.„Gij zijt het zelf, die mij dwingen wildet om het vergif te drinken, omdat het in een gouden beker aangeboden wordt,” antwoordde Edith.„Edith,” hernam Richard, „ik kan uw besluit niet dwingen; maar pas op, dat gij de deur niet sluit, die de Hemel opent. De kluizenaar vanEngaddi, hij, dien pausen en kerkvergaderingen als een profeet beschouwd hebben, heeft in sterren gelezen, dat uw huwelijk mij met een machtigen vijand zal verzoenen, en dat uw gemaal een Christen zal zijn. Ik heb dus allen grond om te hopen, dat de bekeering van den Sultan, en de opneming van de zonen Ismaël’s in den schoot der kerk een gevolg van uwe verbintenis met Saladin zullen zijn. Kom, gij moet een klein offer brengen liever dan zulke gelukkige vooruitzichten te belemmeren.”„Men kan rammen en geiten offeren,” zeide Edith, „maar eer en geweten niet. Ik heb gehoord, dat het de schande van eene Christenmaagd was, die de Sarraceenen in Spanje bracht—de schande eener andere is geen waarschijnlijk middel om hen uit Palestina te verdrijven.”„Noemt gij het eene schande om Keizerin te worden?” vroeg de Koning.„Ik noem het schande en onteering een christelijk sacrament te ontheiligen, door het aan te gaan met een ongeloovige, dien het niet binden kan; en ik noem het eene lage beschimping, dat ik, de afstammelinge van een Christen vorstin, vrijwillig het hoofd van een harem van heidensche bijwijven zou worden.”„Welaan, nicht,” antwoordde de Koning na een poos, „ik mag niet met u twisten, ofschoon het mij voorkomt, dat uw afhankelijke toestand meer toegevendheid zou voorgeschreven hebben.”„Mijn Koning,” hervatte Edith, „uwe Majesteit is waardig opgevolgd in alle rijkdom, titels en rechten van het huis van Plantagenet,—misgun derhalve uwe bloedverwante geen klein aandeel van zijn hoogmoed.”„Op mijn woord, meisje,” hernam de Koning, „gij hebt mij met dit eene woord uit den zadel gelicht; dus willen wij elkander kussen envrienden zijn. Ik zal dadelijk uw antwoord aan Saladin zenden. Maar, zou het evenwel niet beter zijn, nicht, om uw antwoord uit te stellen, totdat gij hem gezien hebt? Men zegt, dat hij uitstekend schoon is.”„Er is geen kans, dat wij elkander ontmoeten, Mylord,” zeide Edith.„Bij St. George, daar is bijna zekerheid van,” antwoordde de Koning; „want Saladin zal ons zonder twijfel een open veld geven, om dezen nieuwen strijd voor de banier te voeren, en hij zelf zal ervan getuige zijn. Berengaria brandt van begeerte om dien ook bij te wonen, en ik durf wedden, dat geen enkele van u zal achterblijven—en het minst van allen, gij zelve, schoone nicht. Maar kom, wij hebben de tent bereikt, en moeten scheiden—niet in onmin evenwel—neen, gij moet het met den mond zoo wel als met de hand bezegelen, beste Edith—het is mijn recht als souverein, om mijne schoone onderdanen te kussen.”Hij omhelsde haar eerbiedig en hartelijk, en keerde in den maneschijn door het kamp terug, de fragmenten uit Blondel’s lied, die hij zich herinneren kon, bij zich zelven neuriënde.Bij zijne aankomst liet hij geen tijd voorbijgaan, om zijne dépêches gereed te maken, en gaf die aan den Nubiër over, met bevel om met het aanbreken van den dag naar den Sultan terug te keeren.

Men hoorde de gulle en krachtige stem van Richard in vroolijke begroeting.

„Thomas de Vaux! dappere Toms van de Gills! bij het hoofd van Koning Hendrik, gij zijt mij zoo welkom, als ooit eene flesch wijn aan een lustigen drinkebroer! Ik zou nauwelijks mijn leger in slagorde hebben weten te schikken, zoo ik niet uwe zwaarlijvige gedaante voor mijn oog gehad had als een paal, om mijne gelederen daarnaar te richten. Wij zullen spoedig slagen krijgen, Thomas, zoo de heiligen ons genadig zijn; en indien wij in uwe afwezigheid gevochten hadden, dan zou ik het bericht tegemoet gezien hebben, dat men u aan een vlierboom had opgehangen gevonden.”

„Ik zou mijne teleurstelling met meer christelijk geduld gedragenhebben, vertrouw ik,” antwoordde Thomas de Vaux, „dan dat ik den dood van een afvalligen zou gestorven zijn. Maar ik dank uwe Majesteit voor mijne verwelkoming, die te edelmoediger is, daar zij een gastmaal van slagen betreft, waarvan gij, met uw verlof gezegd, altijd genegen zijt om u het grootste deel toe te eigenen; maar hier heb ik iemand medegebracht, wien, zooals ik zeker weet, uwe Majesteit een nog hartelijker welkom zal toeroepen.”

De persoon, die thans voorwaarts trad, om voor Richard zijne buiging te maken, was een jongeling van kleine gestalte en tengere vormen. Zijne kleeding was even zedig als zijn voorkomen onbeduidend was; maar hij droeg op zijne muts eene gouden gesp met een edelgesteente, waarvan de glans kon geëvenaard worden door het schitterende oog, dat door de muts overschaduwd werd. Het was de eenige sprekende trek in zijn gelaat; maar wanneer men dien eenmaal opmerkte, dan maakte hij een onwederstaanbaren indruk op den aanschouwer. Om zijn hals hing in eene sjerp van hemelsblauwe zijde een stemhamer voor de harp van echt goud.

Deze man wilde eerbiedig voor Richard nederknielen; maar de monarch hief hem vroolijk en ijlings op, drukte hem vurig aan zijn hart, en kuste hem op beide wangen.

„Blondel de Nesle!” riep hij vol blijdschap uit—„welkom van Cyprus, mijn koning der minnezangers! welkom bij den Koning van Engeland, die zijne eigen waardigheid niet hooger dan de uwe acht. Ik ben ziek geweest, man, en bij mijne ziel, ik geloof dat het kwam, omdat ik u miste; want, al ware ik halfweg naar de hemelpoort, mij dunkt uwe liederen zouden mij terugroepen.—En wat nieuws, mijn lieve meester, van het land der lier? Iets nieuws van deTrouveursvan Provence?—iets van de minnezangers van het vroolijke Normandië?—En bovenal, zijt gij zelf aan ’t werk geweest?—Maar ik behoef u niet te vragen—gij kunt niet lui zijn, al wildet gij het—uwe edele hoedanigheden zijn gelijk aan een inwendig brandend vuur, en dwingen om u in muziek en zang uit te storten.”

„Iets heb ik geleerd, en iets heb ik gedaan, edele Koning,” antwoordde de beroemde Blondel met zedige bescheidenheid, die alle geestdriftige bewondering van zijne bekwaamheid niet in staat geweest was te verbannen.

„Wij zullen u hooren, man—wij zullen u dadelijk hooren,” zeide de Koning;—daarna Blondel vriendelijk op den schouder kloppende, voegde hij er bij, „dat is te zeggen, als gij niet door uwe reis vermoeid zijt; want ik wilde liever mijn beste paard dood rijden, dan eene noot van uwe stem te schenden.”

„Mijne stem is, als altijd, ten dienste van mijn koninklijken beschermer,” hervatte Blondel; „maar uwe Majesteit,” voegde hij er bij, met een blik op eenige papieren op tafel, „schijnt gewichtiger bezigheden te hebben, en het wordt reeds laat.”

„Niet in het minst, man, niet in het minste, mijn dierbaarste Blondel. Ik heb slechts een slagorde tegen de Sarraceenen ontworpen,de zaak van een oogenblik—bijna even zoo schielijk gedaan als hen op de vlucht gejaagd.”

„Mij dunkt evenwel,” zeide Thomas de Vaux, „dat het niet ongeschikt ware, om te onderzoeken, welke soldaten uwe Majesteit in slagorde te stellen heeft. Ik breng te dien opzichte berichten van Ascalon.”

„Gij zijt een muilezel, Thomas,” hernam de Koning—„een ware muilezel in domheid en stijfhoofdigheid!—Komt, edelen,—plaatst u rondom hem. Geef Blondel den zetel—waar is zijn harpdrager?—of neen,—leent hem mijne harp, de zijne kan door de reis geleden hebben.”

„Ik wenschte, dat uwe Majesteit mijn bericht wilde aanhooren,” zeide Thomas de Vaux. „Ik heb een verren rit gedaan, en heb meer zin naar mijn bed, dan om mij de ooren te doen kittelen.”

„Uweooren gekitteld!” riep de Koning uit; „dat moet met eene snippeveer geschieden, en niet met zachte klanken. Luister, Thomas, kunnen uwe ooren het gezang van Blondel van het gebalk van een ezel onderscheiden?”

„Waarlijk, mijn Koning,” hervatte Thomas, „ik kan het niet juist zeggen; maar Blondel, die een geboren edelman is, en zonder twijfel groote talenten bezit, uitgezonderd, zal ik in het vervolg wegens de vraag van uwe Genade, nooit een minnezanger aanzien, of ik zal aan een ezel denken.”

„En kon uwe beleefdheid,” zeide Richard, „ook mij uitgezonderd hebben, daar ik zoo wel een geboren edelman ben als Blondel, en even als hij een gildebroeder van de vroolijke kunst?”

„Uwe Majesteit moet zich herinneren,” antwoordde de Vaux glimlachende, „dat het nutteloos is, beleefdheid bij een muilezel te zoeken.”

„Zeer waar gesproken,” hervatte de Koning; „en een slecht geschapen dier zijt gij.—Maar kom hier, meester muilezel, en ontlaad u, opdat gij naar uw leger kunt gaan, zonder dat er eenige muziek aan u verkwist wordt.—Intusschen, goede broeder van Salisbury, gaat gij naar de tent van onze gemalin, en zeg haar, dat Blondel is gekomen, met een zak vol van de nieuwste minnezangers kunst.—Verzoek haar om dadelijk te komen, en begeleid haar, en zie toe, dat onze nicht, Edith Plantagenet, niet achterblijve.”

Zijn oog rustte toen voor een oogenblik op den Nubiër, met die uitdrukking van twijfel, die zijn gelaat gewoonlijk aan den dag legde, wanneer hij hem aanzag.

„Ha, onze stilzwijgende en geheime lastdrager is teruggekeerd?—Neem plaats, slaaf, achter de Neville, en gij zult zoo terstond klanken hooren, die u God zullen doen zegenen, dat Hij u liever met stomheid dan met doofheid bezocht heeft.”

Dit zeggende, wendde hij zich van het overige gezelschap af naar de Vaux, en verdiepte zich dadelijk in de berichten, omtrent militaire aangelegenheden, welke de baron hem voorlegde.

Tegen den tijd, dat het gehoor van den lord van Gilsland geëindigd was, kondigde een bode aan, dat de Koningin en haar gevolg dekoninklijke tent naderden.—„Een flesch wijn, hola!” riep de Koning; „van den langgespaarden Cypruswijn van den ouden Koning Izaäk, dien wij buit gemaakt hebben bij het bestormen van Famagusta—vult den dapperen lord van Gilsland een beker—nooit had een Vorst een meer zorgvollen en getrouwen dienaar.”

„Het verheugt mij,” antwoordde Thomas de Vaux, „dat uwe Majesteit den muilezel een nuttigen slaaf acht, ofschoon zijne stem minder muzikaal is dan paardenhaar of koperdraad.”

„Hoe, kunt gij die scherts omtrent een muilezel nog niet verdragen?” hervatte Richard. „Wasch die met een bruisenden beker af, man, of gij zult er nog in stikken.—Goed geledigd!—en nu zal ik u zeggen, gij zijt een krijgsman, zoowel als ik, en wij moeten elkanders schertsen in de zaal verdragen, zoowel als elkanders stooten in het toernooi, en elkander des te meer liefhebben, hoe harder wij treffen. Op mijn woord, zoo gij mij in onzen laatsten strijd niet even hard getroffen hebt, als ik u, dan hebt gij toch al uw verstand bij den stoot verbruikt. Maar hier ligt het onderscheid tusschen u en Blondel. Gij zijt slechts mijn makker—mijn kweekeling zou ik kunnen zeggen—in de krijgskunst, Blondel is mijn meester in de kunst der minnezangers en de muziek. U vergun ik de vrijheid der vertrouwelijkheid—hem moet ik eerbied bewijzen, als mijn meerdere in zijne kunst. Kom, man, wees niet verdrietig, maar blijf en hoor ons gezang.”

„Uwe Majesteit, in een zoo vroolijken luim te zien,” hernam de lord van Gilsland, „op mijn woord, dit zou er mij toe kunnen brengen, dat ik bleef, totdat Blondel de groote romance geëindigd had van Koning Arthur, die drie dagen duurt.”

„We willen uw geduld niet op zoo harde proef stellen,” hervatte de Koning. „Maar zie, die toortsglans daar buiten bewijst, dat onze gemalin nadert.—Ga schielijk heen om haar te ontvangen, vriend, en verwerf goede gunst in de schitterendste oogen van het Christendom.—Neen, houd u niet op, om uw mantel in orde te brengen. Zie, gij hebt Neville tusschen den wind en de zeilen uwer gallei laten komen.”

„Hij was op het slagveld mij nooit vóór,” zeide de Vaux, niet bijzonder tevreden, dat hij door den grooten dienstijver van den kamerheer voorkomen was.

„Neen, noch hij noch iemand anders is u daar voorgekomen, mijn goede Tom van Gills,” zeide de Koning, „zoo niet wij zelven het tusschen beide waren.”

„Ja, mijn Koning,” hernam de Vaux, „en laat ons den ongelukkigen recht laten wedervaren;—de ongelukkige ridder van den Luipaard is ook eens vóór mij geweest; want, ziet gij, hij weegt minder te paard, en dus ….”

„Stil!” zeide de Koning hem op bevelenden toon in de rede vallende, „geen woord van hem,” en hij stapte terstond voorwaarts, om zijne koninklijke gemalin te begroeten; en na dit gedaan te hebben, stelde hij haar Blondel als Koning der minnezangers en zijn meesterin de vroolijke wetenschap voor. Berengaria, die wel wist, dat de neiging van haar gemaal voor dichtkunst en muziek bijna zijne zucht naar krijgsroem evenaarde, en dat Blondel zijn bijzondere gunsteling was, droeg de grootste zorg om hem met al de vleiende onderscheiding te ontvangen, die zij verschuldigd was aan hem, dien het den Koning een genoegen was te eeren. Toch was het blijkbaar, dat, ofschoon Blondel naar behooren bij de komplimenten, waarmede hij wat te ruim door de Koningin overstelpt werd, antwoordde, hij met dieper eerbied en nederiger dankbaarheid de eenvoudige en aanvallige verwelkoming van Edith erkende, daar hare korte begroeting hem misschien in evenredigheid van de kortheid en eenvoudigheid oprechter toescheen.

Zoowel de Koningin als de Koning bemerkten dit onderscheid, en Richard ziende, dat zijne gemalin eenigszins boos was over de voorkeur, die aan zijne nicht betoond werd, en die hem misschien zelf niet zeer aangenaam was, zeide, zoodat beide het hoorden,—„en minnezangers, Berengaria, zoo als gij aan het gedrag van onzen meester Blondel zien kunt, betoonen een grooter eerbied aan een gestrengen rechter, zooals onze bloedverwante, dan aan een welwillenden, partijdigen vriend, gelijk gij, die hunne waarde wel op goed geloof wil aannemen.”

Edith werd door deze schijnbare spotternij van haar koninklijken bloedverwant getroffen, en aarzelde niet te antwoorden: „een hard en gestreng rechter te zijn, is eene eigenschap, die niet mij alleen onder de Plantagenets eigen is.”

Zij had misschien meer gezegd, daar zij iets van het karakter van dit Huis had, dat, zijn naam en zijn wapen van de lage braam (Planta Genista), als een teeken van nederigheid aangenomen hebbende, misschien eene der meest trotsche familiën was, die ooit in Engelandregeerden. Maar haar oog, dat reeds tot een antwoord ontvlamde, viel eensklaps op dat van den Nubiër, ofschoon hij zich achter de edelen trachtte te verbergen, en zij zonk op een stoel, zoo bleek, dat Koningin Berengaria zich verplicht achtte, water en welriekende olie te vragen, en de verdere gebruikelijke middelen aan te wenden, die bij de flauwte eener dame van dienst zijn. Richard, die Edith’s geestkracht beter op prijs wist te stellen, riep Blondel toe, zijne zitplaats te nemen, en zijn gezang te beginnen, en verklaarde, dat de minnezangerskunst ieder ander geneesmiddel overtrof, om eene Plantagenet in het leven terug te roepen.—„Zing voor ons,” zeide hij, „dat lied van het Bloedige Gewaad, waarvan gij mij vroeger den inhoud verteld hebt, eer ik Cyprus verliet; gij moet er thans wel volkomen in zijn, of, zoo als onze landlieden zeggen, uw boog is gebroken.”

Met bezorgdheid rustte het oog van den minnezanger echter op Edith, en eerst toen hij bemerkte, dat hare kleur terugkeerde, gehoorzaamde hij aan het herhaald bevel des Konings. Hierop zijne stem met de harp begeleidende, zoodat hij den zin van hetgeen hij zong verhoogde en niet verdoofde, zong hij in eene soort van recitatief, een van die oude avonturen van liefde en ridderschap, die in vroeger eeuwen de algemeene aandacht plachten te trekken. Zoodra hij begon voort te spelen, scheen het onbeduidende van zijn persoonlijk voorkomen te verdwijnen, en zijn gelaat gloeide van geestdrift en bezieling. Zijne volle, mannelijke, welluidende stem, zoo geheel onder bedwang van den zuiversten smaak, trof ieder oor en ieder hart. Richard, verheugd als na eene overwinning, riep om tot stilzwijgen te vermanen: „Luistert, heeren, in tuin en zaal.” Te gelijk zorgde hij voor orde en stilte in de kring rondom hem met den ijver van een beschermer en een leerling tevens. Hij zelf zette zich neder met een gelaat van ingespannen belangstelling, niet geheel ontbloot van den ernst van den bevoegden beoordeelaar. De hovelingen richtten hunne oogen naar den Koning, om gereed te zijn, de aandoeningen, die zijne trekken zouden uitdrukken te bespieden en na te volgen, en Thomas de Vaux geeuwde verschrikkelijk, als iemand, die zich tegen zijn wil aan een strenge boete onderwerpt. Het gezang van Blondel was natuurlijk in de Normandische taal; maar de volgende verzen geven den inhoud er van weder.

HET BLOEDIGE KLEED.I.’t Was de avond vóór ’t grootetoernooivan St. Jan.Door ridders en knapen verlangend verbeid;—De duisternis viel reeds, toen schreed door het kampEen page, een knaap nog te jong voor den strijd;Hem zond de prinses van het schoon BeneventOm te zoeken den Engelschman, Thomas à Kent.Niet spoedig te vinden is hij, dien hij zoekt,En schamel blijkt ’s ridders verblijfplaats te zijn.Geen dienaren maken zijn rusting gereed.Hijzelf staat aan ’t aanbeeld enpoetstalles rein;Want ter eer van zijn schoone en ter eer van St. JanDekt op morgen die rusting den dapperen man.„Dus”, zoo zeide de knaap, „spreekt een eed’le prinsesTot u, onder ridders zoo need’rig in rang:”—„Hoor gij, die tot mij uwe blikken verheft,Welk blijk van uw moed en uw trouw ik verlang.Rechtvaardig uw eerzucht door ridderlijkheidEn gedempt is de klove, zoo breed, die ons scheidt.Leg op morgen, zoo wil ’t Beneventums prinsesUw rusting terzij en neem daarvoor dit kleed;Een linnen gewaad voor ’t beschermende staal!’t Is meer dan tevoren een ridder ooit deed;En strijd als van ouds, voor geen slagen vervaard,Dat met roem ge overwint of een graf vindt in de aard.”„De wil van mijn vrouwe is voor mij een bevel.”Sprak de ridder en kuste eerbiedig de stof:„Dit nachtgewaad schenkt me verdubbelde kracht,En geen slag velt mij neer, die niet dood’lijk mij trof—Maar blijf ik in ’t leven, zeg dat uw vorstin.Dan geef ze op haar beurtmij’t bewijs van haar min.”II.’t St. Jans-feest getuigde van dappere daânEn veel roem werd behaald en er stroomde veel bloed;Maar één ridder blonk ver boven d’and’ren toch uitEn vervulde elk met ontzag voor zijn moed;Want geenpantservan staal was ’t waarin hij verscheen,Het gewaad van een jonkvrouw slechts dekte zijn leên.Wel trof hem van sommigen menige slag,Doch anderen spaarden hem, waar het slechts kon:Een gelofte, als de zijne was, diende geëerd,Dat gevoelde ook de vorst, die niet lang zich bezon,Toen het teeken hij gaf tot het eind van den slag,Om te noemen dien ridder, als held van den dag.Eer het gastmaal, ja zelfs eer de hoogmis begon,Boog diep voor de schoone prinses zich een knaap;Vol steken en kerven, doortrokken van bloedBracht hij haar het gewaad, dat ze eens droeg in haar slaap.Geen plekje zóó klein, dat haar pink het bedekt,Bleef door stof en door modder dien dag onbevlekt.„Dit teeken zendt de edele Thomas à KentAls bewijs, dat het al naar uw wil is geschied.Wie hoog in een boom klimt, heeft recht op de vrucht;Wie zijn leven gewaagd heeft, verstoote men niet;Want van haar, die ons uitzond in bloedigen strijd,Verwachten we, dat ze ook haar voorkeur belijdt.”—„Ik hergeef”, „spreekt mijn meester,”—„dit kleed dat ik droeg,Opdat mijn prinsesse het drage op haar beurt.Geen schande bezoedelt het, hoe ook bevlekt.”—En zij kuste het, waar ’t door zijn bloed was gekleurd;„Zeg mijn ridder, dat hij en heel ’t hof nu zal zienOf ik waarlijk zijn trouwe en zijn hulde verdien.”Toen de vorst’lijke stoet naar de kerk zich begaf,Ging vooraan de prinses in haar statie-gewaadMaar daarover geworpen was ’t bloedige hemd—Was ooit tot zooiets wel een jonkvrouw in staat?En toen voor haar vader ze aan ’t gastmaal verscheenDroeg zij weer over zijde en juweelen het heen.Een gefluister ontstond en de vorst zag haar aanEn sprak: „Veel gevergd is het, dat ik dit duld;Maar sinds gij uw dwaasheid tot schouwspel dus maaktZult het bloed ge betalen, gevloeid door uw schuld.Als zijn egade voere deez’ ridder u weg.Daar ik beide u ’t verblijf in mijn prinsdom ontzeg.”Hem antwoordde Thomas, die stond in de zaal,Verzwakt door zijn wonden, maar vol toch van moed;„Om te winnen uw dochter, mij ’t liefste op aard’.En haar met mij te voeren gaf ’k gaarne mijn bloed;En niet lang zal ze treuren om ’t schoon BeneventWordt ze in Eng’land geëerd als gravinne van Kent.

I.’t Was de avond vóór ’t grootetoernooivan St. Jan.Door ridders en knapen verlangend verbeid;—De duisternis viel reeds, toen schreed door het kampEen page, een knaap nog te jong voor den strijd;Hem zond de prinses van het schoon BeneventOm te zoeken den Engelschman, Thomas à Kent.

’t Was de avond vóór ’t grootetoernooivan St. Jan.

Door ridders en knapen verlangend verbeid;—

De duisternis viel reeds, toen schreed door het kamp

Een page, een knaap nog te jong voor den strijd;

Hem zond de prinses van het schoon Benevent

Om te zoeken den Engelschman, Thomas à Kent.

Niet spoedig te vinden is hij, dien hij zoekt,En schamel blijkt ’s ridders verblijfplaats te zijn.Geen dienaren maken zijn rusting gereed.Hijzelf staat aan ’t aanbeeld enpoetstalles rein;Want ter eer van zijn schoone en ter eer van St. JanDekt op morgen die rusting den dapperen man.

Niet spoedig te vinden is hij, dien hij zoekt,

En schamel blijkt ’s ridders verblijfplaats te zijn.

Geen dienaren maken zijn rusting gereed.

Hijzelf staat aan ’t aanbeeld enpoetstalles rein;

Want ter eer van zijn schoone en ter eer van St. Jan

Dekt op morgen die rusting den dapperen man.

„Dus”, zoo zeide de knaap, „spreekt een eed’le prinsesTot u, onder ridders zoo need’rig in rang:”—„Hoor gij, die tot mij uwe blikken verheft,Welk blijk van uw moed en uw trouw ik verlang.Rechtvaardig uw eerzucht door ridderlijkheidEn gedempt is de klove, zoo breed, die ons scheidt.

„Dus”, zoo zeide de knaap, „spreekt een eed’le prinses

Tot u, onder ridders zoo need’rig in rang:”

—„Hoor gij, die tot mij uwe blikken verheft,

Welk blijk van uw moed en uw trouw ik verlang.

Rechtvaardig uw eerzucht door ridderlijkheid

En gedempt is de klove, zoo breed, die ons scheidt.

Leg op morgen, zoo wil ’t Beneventums prinsesUw rusting terzij en neem daarvoor dit kleed;Een linnen gewaad voor ’t beschermende staal!’t Is meer dan tevoren een ridder ooit deed;En strijd als van ouds, voor geen slagen vervaard,Dat met roem ge overwint of een graf vindt in de aard.”

Leg op morgen, zoo wil ’t Beneventums prinses

Uw rusting terzij en neem daarvoor dit kleed;

Een linnen gewaad voor ’t beschermende staal!

’t Is meer dan tevoren een ridder ooit deed;

En strijd als van ouds, voor geen slagen vervaard,

Dat met roem ge overwint of een graf vindt in de aard.”

„De wil van mijn vrouwe is voor mij een bevel.”Sprak de ridder en kuste eerbiedig de stof:„Dit nachtgewaad schenkt me verdubbelde kracht,En geen slag velt mij neer, die niet dood’lijk mij trof—Maar blijf ik in ’t leven, zeg dat uw vorstin.Dan geef ze op haar beurtmij’t bewijs van haar min.”

„De wil van mijn vrouwe is voor mij een bevel.”

Sprak de ridder en kuste eerbiedig de stof:

„Dit nachtgewaad schenkt me verdubbelde kracht,

En geen slag velt mij neer, die niet dood’lijk mij trof—

Maar blijf ik in ’t leven, zeg dat uw vorstin.

Dan geef ze op haar beurtmij’t bewijs van haar min.”

II.’t St. Jans-feest getuigde van dappere daânEn veel roem werd behaald en er stroomde veel bloed;Maar één ridder blonk ver boven d’and’ren toch uitEn vervulde elk met ontzag voor zijn moed;Want geenpantservan staal was ’t waarin hij verscheen,Het gewaad van een jonkvrouw slechts dekte zijn leên.

’t St. Jans-feest getuigde van dappere daân

En veel roem werd behaald en er stroomde veel bloed;

Maar één ridder blonk ver boven d’and’ren toch uit

En vervulde elk met ontzag voor zijn moed;

Want geenpantservan staal was ’t waarin hij verscheen,

Het gewaad van een jonkvrouw slechts dekte zijn leên.

Wel trof hem van sommigen menige slag,Doch anderen spaarden hem, waar het slechts kon:Een gelofte, als de zijne was, diende geëerd,Dat gevoelde ook de vorst, die niet lang zich bezon,Toen het teeken hij gaf tot het eind van den slag,Om te noemen dien ridder, als held van den dag.

Wel trof hem van sommigen menige slag,

Doch anderen spaarden hem, waar het slechts kon:

Een gelofte, als de zijne was, diende geëerd,

Dat gevoelde ook de vorst, die niet lang zich bezon,

Toen het teeken hij gaf tot het eind van den slag,

Om te noemen dien ridder, als held van den dag.

Eer het gastmaal, ja zelfs eer de hoogmis begon,Boog diep voor de schoone prinses zich een knaap;Vol steken en kerven, doortrokken van bloedBracht hij haar het gewaad, dat ze eens droeg in haar slaap.Geen plekje zóó klein, dat haar pink het bedekt,Bleef door stof en door modder dien dag onbevlekt.

Eer het gastmaal, ja zelfs eer de hoogmis begon,

Boog diep voor de schoone prinses zich een knaap;

Vol steken en kerven, doortrokken van bloed

Bracht hij haar het gewaad, dat ze eens droeg in haar slaap.

Geen plekje zóó klein, dat haar pink het bedekt,

Bleef door stof en door modder dien dag onbevlekt.

„Dit teeken zendt de edele Thomas à KentAls bewijs, dat het al naar uw wil is geschied.Wie hoog in een boom klimt, heeft recht op de vrucht;Wie zijn leven gewaagd heeft, verstoote men niet;Want van haar, die ons uitzond in bloedigen strijd,Verwachten we, dat ze ook haar voorkeur belijdt.”

„Dit teeken zendt de edele Thomas à Kent

Als bewijs, dat het al naar uw wil is geschied.

Wie hoog in een boom klimt, heeft recht op de vrucht;

Wie zijn leven gewaagd heeft, verstoote men niet;

Want van haar, die ons uitzond in bloedigen strijd,

Verwachten we, dat ze ook haar voorkeur belijdt.”

—„Ik hergeef”, „spreekt mijn meester,”—„dit kleed dat ik droeg,Opdat mijn prinsesse het drage op haar beurt.Geen schande bezoedelt het, hoe ook bevlekt.”—En zij kuste het, waar ’t door zijn bloed was gekleurd;„Zeg mijn ridder, dat hij en heel ’t hof nu zal zienOf ik waarlijk zijn trouwe en zijn hulde verdien.”

—„Ik hergeef”, „spreekt mijn meester,”—„dit kleed dat ik droeg,

Opdat mijn prinsesse het drage op haar beurt.

Geen schande bezoedelt het, hoe ook bevlekt.”—

En zij kuste het, waar ’t door zijn bloed was gekleurd;

„Zeg mijn ridder, dat hij en heel ’t hof nu zal zien

Of ik waarlijk zijn trouwe en zijn hulde verdien.”

Toen de vorst’lijke stoet naar de kerk zich begaf,Ging vooraan de prinses in haar statie-gewaadMaar daarover geworpen was ’t bloedige hemd—Was ooit tot zooiets wel een jonkvrouw in staat?En toen voor haar vader ze aan ’t gastmaal verscheenDroeg zij weer over zijde en juweelen het heen.

Toen de vorst’lijke stoet naar de kerk zich begaf,

Ging vooraan de prinses in haar statie-gewaad

Maar daarover geworpen was ’t bloedige hemd—

Was ooit tot zooiets wel een jonkvrouw in staat?

En toen voor haar vader ze aan ’t gastmaal verscheen

Droeg zij weer over zijde en juweelen het heen.

Een gefluister ontstond en de vorst zag haar aanEn sprak: „Veel gevergd is het, dat ik dit duld;Maar sinds gij uw dwaasheid tot schouwspel dus maaktZult het bloed ge betalen, gevloeid door uw schuld.Als zijn egade voere deez’ ridder u weg.Daar ik beide u ’t verblijf in mijn prinsdom ontzeg.”

Een gefluister ontstond en de vorst zag haar aan

En sprak: „Veel gevergd is het, dat ik dit duld;

Maar sinds gij uw dwaasheid tot schouwspel dus maakt

Zult het bloed ge betalen, gevloeid door uw schuld.

Als zijn egade voere deez’ ridder u weg.

Daar ik beide u ’t verblijf in mijn prinsdom ontzeg.”

Hem antwoordde Thomas, die stond in de zaal,Verzwakt door zijn wonden, maar vol toch van moed;„Om te winnen uw dochter, mij ’t liefste op aard’.En haar met mij te voeren gaf ’k gaarne mijn bloed;En niet lang zal ze treuren om ’t schoon BeneventWordt ze in Eng’land geëerd als gravinne van Kent.

Hem antwoordde Thomas, die stond in de zaal,

Verzwakt door zijn wonden, maar vol toch van moed;

„Om te winnen uw dochter, mij ’t liefste op aard’.

En haar met mij te voeren gaf ’k gaarne mijn bloed;

En niet lang zal ze treuren om ’t schoon Benevent

Wordt ze in Eng’land geëerd als gravinne van Kent.

Van alle zijden klonken luide toejuichingen waartoe het voorbeeld was gegeven door Richard zelf, die zijn geliefkoosden minnezanger met loftuitingen overlaadde, en hem ten slotte een ring van aanzienlijke waarde aanbood. De Koningin haastte zich den gunsteling door een rijken armband te onderscheiden, en vele van de tegenwoordige edelen volgden dit koninklijk voorbeeld.

„Is onze nicht Edith,” vroeg de Koning, „voor den klank der harp dien zij eens beminde, ongevoelig geworden?”

„Zij dankt Blondel voor zijn lied,” antwoordde Edith, „maar dubbel de goedheid van den bloedverwant, die het aangaf.”

„Gij zijt boos, nicht,” hernam de Koning; „boos omdat gij gehoord hebt van een nog eigenzinniger vrouw dan gij zelve zijt. Maar gij ontsnapt mij niet.—Ik wil een eindwegs met u huiswaarts naar de tent der Koningin wandelen—wij moeten met elkander spreken, eer de nacht in morgen is veranderd.”

De Koningin en haar gevolg stonden nu op, en de andere gasten verwijderden zich uit de koninklijke tent. Een troep met brandende toortsen en een geleide van boogschutters wachtten Berengaria buiten de tent, en zij was weldra op weg huiswaarts. Richard wandelde zooals hij zich had voorgenomen, naast zijne bloedverwante, en dwong haar zijn arm tot steun aan te nemen, zoodat zij met elkander spreken konden, zonder gehoord te worden.

„Welk antwoord moet ik den edelen Sultan geven?” vroeg Richard. „De Koningen en Vorsten vallen mij af, Edith; deze nieuwe twist heeft hen op nieuw vervreemd. Ik wilde gaarne iets voor het heilige Graf doen, zoo niet door de overwinning, dan door een verdrag; en mijne kans om dat ten uitvoer te brengen, hangt, helaas af, van de grillen eener vrouw. Ik wilde mijne oude speer tegen tien van de beste lansen in het Christendom opheffen, liever dan tegen een eigenzinnig meisje redeneeren, die niet weet wat tot haar eigen best dient—Welk antwoord, nicht, moet ik den Sultan geven? Het moet beslissend zijn.”

„Zeg hem,” antwoordde Edith, „dat de armste der Plantagenets eer een huwelijk met de ellende dan met het ongeloof wil aangaan.”

„Zal ik zeggen met deslavernij, Edith?” zeide de Koning.—„Mij dunkt dit komt nader bij uw meening.”

„Er bestaat geene reden,” hernam Edith, „voor den achterdocht, dien gij zoo ruw te kennen geeft. Met de slavernij des lichaams had men medelijden kunnen hebben, maar die der ziel is slechts te verachten. Schaam u, Koning van het vroolijke Engeland, gij hebt de leden en den geest van een ridder in slavernij gebracht, die eenmaal nauwelijks minder beroemd was dan gij zelf.”

„Zou ik mijne naastbestaanden niet beletten om vergif te drinken, door de vaas te bezoedelen, waarin het zich bevond, zoo ik geen ander middel zag, om haar den noodlottigen drank tegen te maken?” hervatte de Koning.

„Gij zijt het zelf, die mij dwingen wildet om het vergif te drinken, omdat het in een gouden beker aangeboden wordt,” antwoordde Edith.

„Edith,” hernam Richard, „ik kan uw besluit niet dwingen; maar pas op, dat gij de deur niet sluit, die de Hemel opent. De kluizenaar vanEngaddi, hij, dien pausen en kerkvergaderingen als een profeet beschouwd hebben, heeft in sterren gelezen, dat uw huwelijk mij met een machtigen vijand zal verzoenen, en dat uw gemaal een Christen zal zijn. Ik heb dus allen grond om te hopen, dat de bekeering van den Sultan, en de opneming van de zonen Ismaël’s in den schoot der kerk een gevolg van uwe verbintenis met Saladin zullen zijn. Kom, gij moet een klein offer brengen liever dan zulke gelukkige vooruitzichten te belemmeren.”

„Men kan rammen en geiten offeren,” zeide Edith, „maar eer en geweten niet. Ik heb gehoord, dat het de schande van eene Christenmaagd was, die de Sarraceenen in Spanje bracht—de schande eener andere is geen waarschijnlijk middel om hen uit Palestina te verdrijven.”

„Noemt gij het eene schande om Keizerin te worden?” vroeg de Koning.

„Ik noem het schande en onteering een christelijk sacrament te ontheiligen, door het aan te gaan met een ongeloovige, dien het niet binden kan; en ik noem het eene lage beschimping, dat ik, de afstammelinge van een Christen vorstin, vrijwillig het hoofd van een harem van heidensche bijwijven zou worden.”

„Welaan, nicht,” antwoordde de Koning na een poos, „ik mag niet met u twisten, ofschoon het mij voorkomt, dat uw afhankelijke toestand meer toegevendheid zou voorgeschreven hebben.”

„Mijn Koning,” hervatte Edith, „uwe Majesteit is waardig opgevolgd in alle rijkdom, titels en rechten van het huis van Plantagenet,—misgun derhalve uwe bloedverwante geen klein aandeel van zijn hoogmoed.”

„Op mijn woord, meisje,” hernam de Koning, „gij hebt mij met dit eene woord uit den zadel gelicht; dus willen wij elkander kussen envrienden zijn. Ik zal dadelijk uw antwoord aan Saladin zenden. Maar, zou het evenwel niet beter zijn, nicht, om uw antwoord uit te stellen, totdat gij hem gezien hebt? Men zegt, dat hij uitstekend schoon is.”

„Er is geen kans, dat wij elkander ontmoeten, Mylord,” zeide Edith.

„Bij St. George, daar is bijna zekerheid van,” antwoordde de Koning; „want Saladin zal ons zonder twijfel een open veld geven, om dezen nieuwen strijd voor de banier te voeren, en hij zelf zal ervan getuige zijn. Berengaria brandt van begeerte om dien ook bij te wonen, en ik durf wedden, dat geen enkele van u zal achterblijven—en het minst van allen, gij zelve, schoone nicht. Maar kom, wij hebben de tent bereikt, en moeten scheiden—niet in onmin evenwel—neen, gij moet het met den mond zoo wel als met de hand bezegelen, beste Edith—het is mijn recht als souverein, om mijne schoone onderdanen te kussen.”

Hij omhelsde haar eerbiedig en hartelijk, en keerde in den maneschijn door het kamp terug, de fragmenten uit Blondel’s lied, die hij zich herinneren kon, bij zich zelven neuriënde.

Bij zijne aankomst liet hij geen tijd voorbijgaan, om zijne dépêches gereed te maken, en gaf die aan den Nubiër over, met bevel om met het aanbreken van den dag naar den Sultan terug te keeren.


Back to IndexNext