HOOFDSTUK XXVII.Den Tekbir hoorden wij—zoo noemen de ArabierenHunaanvalskreet, als zij met luid geschreeuwDen Hemel smeeken om de zege—Beleg van Damascus.Den volgenden morgen werd Richard door Filips van Frankrijk tot een onderhoud genoodigd; en toen deelde deze hem met veel betuigingen van zijne hooge achting voor zijn broeder van Engeland, in hoogst beleefde, maar te duidelijke bewoordingen om misverstaan te worden, zijn stellig voornemen mede, om naar Europa en tot de zorg voor zijn koninkrijk terug te keeren, daar hij geheel aan den verderen uitslag van hunne onderneming bij de vermindering hunner macht en hunne onderlinge oneenigheid wanhoopte. Richard deed vergeefsche vertoogen, en toen de bijeenkomst geëindigd was, ontving hij zonder verwondering eene verklaring van den hertog van Oostenrijk en verscheidene andere vorsten, een gelijk besluit als dat van Filips bevattende, en in onbewimpelde woorden als reden van hun afval van het Kruis de onbeteugelde eerzucht en het willekeurig beheer van Richard van Engeland aanvoerende. Alle hoop om den oorlog met eenig vooruitzicht op goeden uitslag voort te zetten werd nu vaarwel gezegd, en Richard, bittere tranen over zijne teleurgestelde hoop op roem stortende, vond weinig troost in de overweging, dat de mislukking eenigermate aan de voordeelen was toe te schrijven, die hijzijn vijanden door zijn driftig en onvoorzichtig karakter verschaft had.„Zij hadden mijn vader niet zoo durven verlaten,” zeide hij tot de Vaux in de bitterheid zijner gramschap.—„Geen smaadredenen, die zij tegen zulk een wijs Koning konden uitgebraakt hebben, had men in het Christendom geloofd; terwijl ik,—dwaas die ik ben!—hun niet alleen een voorwendsel aan de hand gegeven heb, om mij te verlaten, maar zelfs den schijn, om al den blaam van de breuk op mijne ongelukkige zwakheden te werpen.”Deze gedachten waren zoo bitter pijnigend voor den Koning, dat de Vaux zich verheugde, toen de aankomst van een gezant van Saladin zijne gedachten op een ander voorwerp leidde.Deze nieuwe gezant was een emir, die in hooge achting stond bij den Sultan, en wiens naam Abdallah el Hadji was. Hij leidde zijn oorsprong af van het geslacht des profeets en van den stam Hashem en tot teeken van deze afstamming droeg hij een groenen tulband van buitengewone grootte. Hij had ook drie malen de reis naar Mekka gedaan, en hiervan had hij zijn bijnaam van Hadji, of pelgrim. Ondanks deze verschillende aanspraken op heiligheid, was Abdallah, voor een Arabier, een lustig gezel, die vermaak vond in een vroolijk verhaal, en zijne deftigheid zóó ver aflegde, dat hij eene goede flesch ledigde, wanneer geheimhouding hem tegen schandaal waarborgde. Hij was tevens een staatsman, van wiens bekwaamheden Saladin gebruik gemaakt had in onderscheidene onderhandelingen met de Christen Vorsten en bijzonder met Richard, bij wien El Hadji persoonlijk bekend en aangenaam was. Aangespoord door de gereede vergunning, waarmede de gezant van Saladin een vrij veld schonk, tot een strijdperk en een vrijgeleide voor allen, die er getuige van wenschten te zijn, en zijn eigen persoon als borg voor zijne getrouwheidaanbood, vergat Richard spoedig zijne bedrogen hoop, en de naderende ontbinding van het Christen verbond, door de aangename beraadslaging, die een gevecht op het toernooiveld voorafging.De plek, de diamant van de woestijn genoemd, werd voor de strijdplaats aangewezen, daar deze ongeveer op gelijken afstand tusschen de Christen en de Sarraceensche legerplaats lag. Men kwam overeen, dat Koenraad van Montserrat, de aangeklaagde, met zijne secondanten, den aartshertog van Oostenrijk en den grootmeester der Tempeliers, aldaar op den bepaalden dag met honderd gewapenden en niet meer zou verschijnen; dat Richard van Engeland en zijn broeder Salisbury, die de beschuldiging staande hielden, met hetzelfde getal zouden komen, om des Konings kampioen te beschermen; en dat de Sultan eene wacht van vijfhonderd uitgelezen krijgslieden zou medebrengen, een korps, dat men als niet meer dan aan tweehonderd Christen lansen geëvenredigd oordeelde. Zoodanige personen van aanzien, welke beide partijen zouden noodigen, om den strijd bij te wonen, zouden geene andere aanvallende wapenen dan hunne zwaarden dragen, en zonder wapenen ter verdediging komen. De Sultan nam op zich het strijdperk gereed te maken, en gemakken en ververschingen van allerleiaard te bereiden voor allen, die bij deze plechtigheid zouden tegenwoordig zijn. Zijn brief drukte met veel hoffelijkheid het genoegen uit, dat hij zich beloofde van het vooruitzicht op eene persoonlijke en vreedzame ontmoeting met Melec Ric en zijne groote begeerte, om zijne ontvangst zoo aangenaam mogelijk te maken.Toen alle voorafgaande punten geregeld en aan den aangeklaagden en zijne secondanten medegedeeld waren, werdAbdallah elHadji tot eene meer geheime bijeenkomst toegelaten, waar hij met genoegen de gezangen van Blondel hoorde. Na eerst zorgvuldig zijn groenen tulband buiten het gezicht gelegd, en in de plaats daarvan eene Grieksche muts opgezet te hebben, beantwoordde hij de muziek met een drinklied in het Perzisch, en dronk een fijne flesch Cyprus wijn, om te toonen, dat zijne practijk met zijne beginselen overeenkwamen. Den volgenden dag, deftig en nuchter als de waterdrinker Minlip, boog hij zijn voorhoofd tot den grond voor de voetschabel van Saladin, en gaf den Sultan bericht van zijn gezantschap.Op den dag vóór dien tot het gevecht bestemd, vertrokken Koenraad en zijne vrienden bij het aanbreken van den dag om zich naar de aangewezen plaats te begeven, en Richard verliet de legerplaats op hetzelfde uur en met hetzelfde voornemen. Maar, zooals men overeengekomen was, nam hij een verschillenden weg, eene voorzorg, die men noodig geoordeeld had, om de mogelijkheid van een twist tusschen hunne gewapende begeleiders te voorkomen.De goede Koning zelf had geen lust om met iemand te twisten. Niets had zijne aangename verwachtingen van een bloedig gevecht op leven en dood in het strijdperk kunnen verhoogen, behalve dat zijn eigen koninklijken persoon deelgenoot in den strijd had kunnen zijn; en hij was zelfs half met Koenraad van Montserrat verzoend. Licht gewapend, rijk gekleed en vroolijk als een bruidegom op den bruiloftsavond, steigerde Richard naast den draagstoel van Koningin Berengaria, haar de verschillende oorden, waar zij doortrokken, aanwijzende, terwijl hij den tocht door de ongastvrije wildernis met verhalen en gezang vervroolijkte. De vorige weg, dien de Koningin bij hare bedevaart naar Engaddi gevolgd had, liep langs de andere zijde van de bergketen, zoodat haar de tafereelen der woestijn vreemd waren; en ofschoon Berengaria het karakter van haar gemaal te wèl kende, om niet te trachten het voorkomen van belangstelling aan te nemen in hetgeen hem behaagde te zeggen of te zingen, kon zij toch eenige vrouwelijke vrees niet weren, toen zij zich in de vreeselijke wildernis bevond, bijna in het midden der zandvlakte, met zulk een klein geleide, dat er als een stip uitzag. Tevens wist zij, dat zij niet zoo ver van de legerplaats van den Sultan waren, of zij konden in een oogenblik door eene grootere macht van zijne vlugge ruiterij overvallen en weggevoerd worden, als de Heiden trouweloos genoeg was om van zulk eene verleidelijke gelegenheid partij te trekken. Maar toen zij deze vermoedens aan Koning Richard liet bespeuren, bejegende hij die met misnoegen en verachting. „Het zou meer danondankbaarheid zijn,” zeide hij, „zoo men aan de goede trouw van den grootmoedigen Sultan twijfelde.”Toch kwam deze gedachte meer dan eens weder op, niet alleen in het vreesachtig gemoed der Koningin, maar in den krachtiger en openhartiger geest van Edith Plantagenet, die niet zulk een onwankelbaar vertrouwen op de goede trouw van den Muzelman had, dat zij volmaakt gerust was, nu zij zoo geheel in diens macht was; en hare verbazing zou minder groot dan haar schrik geweest zijn, zoo dewoestijnplotseling van het geschreeuw van „Allah hu!” weergalmd had, en eene bende Arabische ruiterij als gieren op hunne prooi ware gestort. Deze achterdocht werd niet verminderd, toen zij bij het vallen van den avond een enkelen Arabischen ruiter bespeurden, dien men aan zijn tulband en zijne lange lans onderscheiden kon, en die boven den rand van eene kleine hoogte scheen te zweven, gelijk een havik zich in de lucht beweegt, en bij de verschijning van den koninklijken trein met den spoed van denzelfden vogel wegschoot, wanneer die voor den wind afvliegt en aan den gezichteinder verdwijnt.„Wij moeten nabij de kampplaats zijn,” zeide Koning Richard; „en gindsche ruiter is een van Saladin’s buitenposten—mij dunkt, ik hoor het gedruisch der Moorsche horens en cymbalen. Schaart u in orde, vrienden, en omringt de dames op militaire wijze en aaneengesloten.”Terwijl hij sprak, drong elk ridder, schildknaap en boogschutter haastig naar de hem aangewezen plaats, en zij trokken in de meest gesloten orde voorwaarts, zoodat hun getal nog geringer scheen. Om de waarheid te zeggen, ofschoon er mogelijk geene vrees bij hen heerschte, was angst zoowel als nieuwsgierigheid te bespeuren in de aandacht, waarmede zij naar het woeste gedruisch van de Moorsche muziek luisterden, die hoe langer hoe duidelijker zich hooren liet in de richting, waar men den Arabischen ruiter had zien verdwijnen.De Vaux fluisterde den Koning toe: „Zou het niet goed zijn, mijn Vorst, een page naar den top van dien heuvel te zenden? Of behaagt het u, dat ik er heen rijd? Mij dunkt, naar al dat geraas en gedruisch te oordeelen, dat, zoo er niet meer dan vijfhonderd man aan de andere zijde van de heuvels zijn, de helft van het gevolg van den Sultan uit trommel- en cymbalenslagers bestaan moet …. Zal ik er heen rijden?”De baron hield zijn paard goed in den toom en wilde juist de sporen geven, toen de Koning uitriep: „Om alles in de wereld, doe het niet. Zulk eene voorzorg zou achterdocht verraden, en zou van weinig nut zijn, om eene verrassing te voorkomen, die ik evenwel niet vrees.”Zij trokken dientengevolge in gesloten en vaste orde voorwaarts, totdat zij over de rij lage heuvels en in het gezicht van de bestemde kampplaats kwamen, toen een prachtig maar tegelijkertijd ontzagwekkend schouwspel hen verraste. De Diamant van de woestijn, kort geleden eene eenzame fontein, die alleen te midden van de wildernis door enkele groepen palmboomen onderscheiden werd, was thans hetmiddelpunt van eene legerplaats, waarvan de geborduurde vlaggen en de vergulde sieraden heinde en ver schitterden, en de duizend rijke tinten de ondergaande zon zich weerkaatsten. Het linnen der groote tenten was van de vroolijkste kleuren, scharlaken, hoog geel, bleek blauw, en andere levendige en schitterende verwen, en de spitsen van hunne tentpalen waren met gouden granaatappels en kleine zijden wimpels versierd. Maar behalve deze versierde tenten was er, zooals Thomas de Vaux meende, een ontzaglijk aantal van de gewone zwarte tenten der Arabieren, daar deze, naar zijn oordeel, toereikend waren om volgens Oostersche wijze, een leger van vijfduizend man gemakkelijk in zich op te nemen. Een aantal Arabieren en Kurden, evenredig aan de uitgebreidheid van de legerplaats, vereenigde zich spoedig, ieder zijn paard aan de hand leidende, en hunne revue ging gepaard met een oorverdoovend gedruisch van schelklinkende krijgsinstrumenten, waardoor ten allen tijde de krijgsverrichtingen der Arabieren zich kenmerkten.Zij vormden weldra een donkeren en verwarden hoop afgestegen ruiterij in het front van hun leger; daarop sprong, op een schel signaal, dat zich ver boven den klank der muziek verhief, ieder ruiter in het zadel. Eene wolk van stof, die bij deze beweging ontstond, verborg voor Richard en zijn gevolg het kamp, de palmboomen en de verafgelegen bergketen, zoowel als de benden, wier plotselinge beweging de wolk had veroorzaakt, welke, zich hoog boven hunne hoofden verheffende, de fantastische vormen van zuilen, koepels en minarets aannam. Men hoorde een tweede schel signaal uit dezen wolksluier klinken. Het was een sein voor de ruiters, om voort te rukken, wat zij in vollen galop deden, terwijl zij zich onder het voortrukken zoodanig rangschikten, dat zij op eenmaal voor het front, op zijde en in de achterhoede van Richard’s kleine lijfwacht kwamen, die aldus omringd was en bijna stikte in de dikke wolken stof, die hen van alle kanten omgaven. Door deze heen zag en verloor men bij afwisseling de woeste gestalten en wilde gezichten der Sarraceenen, die onder een woest geschreeuw, hunne lansen in alle mogelijke richtingen rondzwaaiden en voor zich uit stootten, en dikwijls hunne paarden eerst tegenhielden, wanneer zij op eene speerlengte van de Christenen verwijderd waren, terwijl die van de achterhoede dichte wolken pijlen over de hoofden der beide partijen schoten. Een ervan trof den draagstoel, waarin de Koningin zat, die luid gilde, en op dat oogenblik kleurde Richard’s voorhoofd.„Ha, St. George!” riep hij uit, „wij moeten wat orde onder dit ongeloovige schuim stellen!”Maar Edith, wier draagstoel nabij was, stak haar hoofd naar buiten, en in hare hand een der pijlen houdende, riep zij hem toe: „Koninklijke Richard, wacht u, wat gij doet. Zie, deze pijlen hebben geene punten!”„Edel, gevoelvol meisje!” zeide Richard; „bij den hemel, gij beschaamt ons allen door uwe snelheid van gedachten en uw blik.—Verontrust u niet, mijne goede landslieden,” riep hij zijn volgelingen toe—„hunne pijlen hebben geene spitsen—en aan hunne speren ontbreken ook de stalen punten. Het is slechts eene woeste verwelkoming, volgens hun wild gebruik, ofschoon zij ons zonder twijfel gaarne verschrikt of in verwarring zouden zien. Rukt voorwaarts, langzaam en vast!”De kleine phalanx trok dus voort, van alle zijden door de Arabieren vergezeld onder het schelste en doordringende geschreeuw, terwijl de boogschutters intusschen hunne vaardigheid betoonden, daar zij zoo dicht mogelijk langs de helmen der Christenen schoten, zonder hen te treffen, terwijl de lansdragers elkander met zulke ruwe stooten van hunne plompe wapenen aanvielen, dat meer dan een van hen uit het zadel geraakte en bijna zijn leven in dit gevaarlijke spel verloor. Dit alles, ofschoon het bestemd was om eene verwelkoming aan te duiden, had toch eenig bedenkelijk aanzien in het oog der Westerlingen.Toen zij omtrent halfweg het kamp waren, terwijl Koning Richard en zijn gevolg, als het ware, den kern vormden, waarom heen deze luidruchtige bende ruiters huilde, schreeuwde, schermutselde, galoppeerde en een tooneel van onbeschrijfelijke wanorde vormde, hoorde men nog eenmaal een schellen gil, waarop al deze onregelmatige benden, die in de voorhoede en op de zijden van den kleinen troep Europeanen waren, terugweken, en eene lange en breede kolom uitmakende, in stille orde de achterhoede, van Richard’s troep volgden. Het stof begon thans voor het front te verdwijnen, toen er hun door dien donkeren sluier eene bende ruiterij tegemoet trok van geheel verschillenden en meer geregelden aard, volkomen met wapenen van aanval uitgerust en die wel tot lijfwacht bij den meest verhevenen van alle Oostersche Monarchen had kunnen dienen. Elk paard van dien troep, die uit vijfhonderd man bestond, was het losgeld van een graaf waard. De ruiters waren Georgische en Circassische slaven in den bloei des levens. Hunne helmen en borstharnassen waren uit stalen ringen vervaardigd, die zoo sterk schitterden, alsof zij van zilver waren; hunne kleeding was van de levendigste kleuren en van sommigen van goud- of zilverstof. De sjerpen waren met zijde en goud doorwerkt, hunne rijke tulbanden met vederbossen en juweelen bezet, en hunne sabels en dolken vanDamascenerstaal, en aan het gevest en de scheede met goud en edelgesteenten versierd.Dit prachtige korps rukte onder de tonen van krijgsmuziek voorwaarts, en toen zij bij den stoet der Christenen kwamen, openden zij hunne rijen ter rechter- en linkerzijde, en lieten hen tusschen hunne gelederen doortrekken. Richard nam nu de voorste plaats bij zijn troep in, daar hij begreep, dat Saladin zelf naderde. Het duurde dan ook niet lang of de Sultan kwam, te midden van zijn lijfwacht, omringd door de officieren van zijn huis, en die afschuwelijke Negers, die een Oosterschen harem bewaken, en wier mismaakte gedaante door een rijkdom hunner kleeding nog afzichtelijker werd. Hij naderde met denblik en de houding van een man, op wiens voorhoofd de natuur geschreven had: „deze is een Koning!” In zijn sneeuwwitten tulband en een gewaad van dezelfde kleur en zijne wijde Oostersche broek met eene scharlaken roode sjerp zonder eenig ander sieraad, kon Saladinde eenvoudigste onder zijne lijfwacht geschenen hebben. Maar een nauwgezetter onderzoek deed in zijn tulband dat onwaardeerbaar juweel ontdekken, dat de dichters de „Zee van Licht” noemden; de diamant, waarop zijn wapen was gesneden, en dien hij in een ring droeg, had waarschijnlijk dezelfde waarde als alle kostbare steenen van de Engelsche kroon te samen, en eensaffier, aan het uiteinde van het hecht van zijn dolk, was bijna even kostbaar. Hierbij moet men nog voegen, dat de Sultan, om zich voor het stof te behoeden, dat in de nabijheid der Doode Zee aan de fijnste asch gelijk is, of misschien uit Oosterschen hoogmoed, eene soort van sluier droeg, die aan zijn tulband was vastgemaakt, en eene lichte schaduw wierp op zijne edele gelaatstrekken. Hij reed op een melkwit Arabisch paard, dat hem droeg, alsof het wist, welken edelen last het op zijn rug had, en trotsch daarop was.Zonder eenige voorbereidende ceremonie stegenonmiddellijkde twee vorstelijke helden, want dien naam verdienden zij ten volle, gelijktijdig van hun paard; en terwijl de troepen staan bleven en de muziek eensklaps ophield, naderden zij, het diepste stilzwijgen in acht nemende, elkander, en na eene beleefde buiging van weerszijden, omhelsden zij elkander als broeders en elkaars gelijken. De praal en pracht van beide zijden verloor zijn luister—niemand zag iets anders dan Richard en Saladin, en ook zij zagen niet dan elkander. De blik, waarmede Richard Saladin beschouwde, was echter vorschender dan die, welkede Sultan op hem vestigde; ook was deze de eerste, die het stilzwijgen afbrak.„Melec Ric is Saladin even welkom, als het water dezer woestijn. Ik vertrouw, dat hij geen wantrouwen tegen deze talrijke schaar heeft. Behalve deze gewapende slaven van mijn huis, zijn degenen, welke u met oogen van verwondering en verwelkoming omringden, zelfs de nederigsten van hen, de bevoorrechte edelen van mijne duizend stammen; want wie, die aanspraak kon maken om tegenwoordig te zijn, zou te huis willen blijven, nu er zulk een Vorst als Richard te zien was, met den schrik voor wiens naam zelfs te midden van het zand vanJemen, de voedster haar kind tot stilte brengt, en de vrije Arabier zijn wederspannig ros beteugelt.”1„En dit zijn allen Arabische edelen?” vroeg Richard, om zich heen ziende naar de woeste gedaanten, wier gelaat verzengd was door de zonnestralen, wier tanden het ivoor in witheid evenaarden, terwijl hunne zwarte oogen van onder de schaduw hunner tulbanden met fieren en bovennatuurlijken glans schitterden, en hunne kleeding over het algemeen eenvoudig, zelfs armelijk was.„Zij maken aanspraak op dien rang,” antwoordde Saladin; „maar hoe talrijk ook, toch zijn zij onder de voorwaarden van het verdrag, en dragen geene wapenen behalve de sabel—zelfs het ijzer hunner lansen hebben zij achtergelaten.”„Ik vrees,” mompelde de Vaux in het Engelsch, „dat zij het op eene plaats gelaten hebben, waar zij het schielijk kunnen vinden. Een zeer bloeiend huis van Pairs, dat beken ik, en zij zouden Westminster-Hall nog te klein voor zich achten.”„Stil, de Vaux,” antwoordde Richard, „ik beveel het u.—Edele Saladin,” sprak hij, „achterdocht en gij, kunnen niet op denzelfden grond bestaan. Ziet gij,” op den draagstoel wijzende,—„ik heb ook eenige kampioenen medegebracht, ofschoon zij, misschien met inbreuk op het verdrag, gewapend zijn, want schitterende oogen en schoone gelaatstrekken zijn wapenen, die men niet achterlaten kan.”De Sultan, zich naar den draagstoel wendende, maakte eene even diepe buiging, of hij de oogen op Mekka gericht had, en kuste het zand ten teeken van eerbied.„Neen, broeder,” zeide Richard, „zij vreezen eene andere ontmoeting niet; wilt gij niet naar hare draagstoelen rijden, en de gordijnen zullen dadelijk weggetrokken worden.”„Dat verhoede Allah!” antwoordde Saladin; „want elk Arabier die er getuige van is, zou het voor een schande houden, dat de edele vrouwen met ontbloot gelaat gezien werden.”„Gij zult haar zien als wij alleen zijn, broeder,” hernam Richard.„Waartoe?” hervatte Saladin treurig. „Uw laatste brief was voor de hoop, die ik koesterde, gelijk water voor het vuur; en waarom zouik opnieuw eene vlam doen ontbranden, die mij kan verteren, maar niet verwarmen?—Maar wil mijn broeder niet in den tent gaan, die zijn dienaar voor hem bereid heeft? Mijn voornaamste zwarte slaaf heeft bevel voor de ontvangst der prinsessen—de officieren van mijn huis zullen voor uw gevolg zorgen; en wij zelf zullen de kamerheer van Koning Richard zijn.”Hij wees bij die woorden den weg naar eene prachtige tent, waarin zich alles bevond, wat koninklijke weelde kon bedenken. De Vaux, die den Koning bediende, nam hem toen decapaof langen reismantel af, dien Richard droeg, en deze stond voor Saladin in de eng sluitende kleeding, welke de kracht en de wel gevormde leden van zijn persoon voordeelig deed uitkomen, terwijl zij een sterk contrast vormde met het fladderende gewaad, dat de magere gestalte van den Oosterschen Monarch bedekte. Maar het was Richard’s ontzaglijk zwaard, dat vooral de aandacht van den Sarraceen trok, eene breede, rechte kling, waarvan de schijnbaar niet te hanteeren lengte zich bijna van den schouder tot de hiel van den drager reikte.„Had ik dit staal niet in het front van den slag zien schitteren,” zeide Saladin, „gelijk dat van Azraël, dan zou ik moeilijk geloofd hebben, dat een menschenarm het kon bestieren. Mag ik verzoeken, om Melec Ric in vrede en alleen tot eene proef van zijne kracht een slag daarmede te zien doen?”„Gaarne, edele Saladin,” antwoordde Richard, en rondziende naar iets, waarop hij zijne kracht kon uitoefenen, zag hij eene stalen knots, die een der wachten hield, waarvan de steel van hetzelfde metaal en omtrent anderhalf duim in doorsnede was—deze legde hij op een houten blok.De bezorgdheid van de Vaux voor de eer zijns meesters deed hem in het Engelsch fluisteren: „om der heiligen Maagd’s wille, mijn Koning, zie toe wat gij onderneemt. Uwe volle kracht is nog niet teruggekeerd—geef den ongeloovigen geen gelegenheid tot zegepraal.”„Zwijg, dwaas!” zeide Richard, vast op zijne plaats staande, en een fieren blik om zich heen werpende,—sprak hij, „denkt gij, dat het inzijnetegenwoordigheid missen kan?”Het blinkende zwaard, door zijne beide handen bestierd, verhief zich tot boven zijn linker schouder, draaide om zijn hoofd, viel met den zwaai van een ontzaglijk werktuig neder, en de ijzeren stang rolde in twee stukken op den grond, zooals een houthakker een jong boompje met een groot snoeimes zou afhouwen.„Bij het hoofd van den Profeet, een allermerkwaardigste houw!” riep de Sultan, terwijl hij met het oog eens kenners de in stukken gehouwen ijzeren stang nauwkeurig onderzocht. De kling van het zwaard was zóó gehard, dat zij niet het minste blijk vertoonde, dat zij door de verrichte daad van kracht geleden had. Hierop nam hij des Konings hand, en de groote en gespierde kracht, die duidelijk eraan te zien was, beschouwende, lachte hij, terwijl hij de zijne er naast legde, die zoo rank en dun en zooveel minder in vleesch en spieren was.„Ja, zie goed toe,” zeide de Vaux in het Engelsch, „het zal lang duren, eer uwe lange apenvingers met uwe schoone, vergulde sikkel zulk een daad verrichten.”„Stil, de Vaux,” zeide Richard; „bij onze lieve Vrouw, hij verstaat of gist uwe meening—wees niet zoo onbeschoft, bid ik u.”De Sultan zeide inderdaad op hetzelfde oogenblik: „iets wilde ik gaarne beproeven—maar waarom zouden de zwakken hunne minderheid in tegenwoordigheid der sterken laten zien? Intusschen, ieder land heeft zijne eigen oefeningen, en mogelijk is dit nieuw voor Melec Ric.”—Bij deze woorden nam hij een kussen van zijde en dons van de vloer, en zette het op het eene einde rechtop.—„Kan uw wapen dit kussen splijten?” vroeg hij aan Koning Richard.„Neen, zeker niet,” antwoordde de Koning, „geen zwaard op aarde, al ware het deExcaliburvan Koning Arthur, kan iets doorsnijden, dat geen vasten tegenstand biedt.”„Pas dan op,” zeide Saladin; en de mouw van zijn gewaad optrekkende, liet hij zijn arm zien, die wel is waar lang en mager was, maar die door gedurige oefening verhard was tot eene massa, die uit niets dan peezen en zenuwen bestond. Hij trok zijn sabel uit de scheede; het was eene kromme smalle kling, die niet, gelijk de zwaarden der Franken schitterde, maar integendeel van eene matte, blauwe kleur was, met millioenen slangswijze loopende lijnen geteekend, welke toonden, hoe het metaal door den wapensmid bewerkt was geworden. Met dit wapen, dat in schijn zoo weinig kon uitrichten, als het met dat van Richard vergeleken werd, stond de Sultan, steunend op zijn linker voet, die een weinig voorwaarts stond; hij balanceerde een oogenblik, alsof hij zijn doel goed wilde vatten; toen plotseling voorwaarts tredende, trok hij de sabel dwars door het kussen, terwijl hij het lemmet zoo behendig en tevens met zoo weinig zichtbare inspanning gebruikte, dat het kussen eer uiteen scheen te vallen, dan dat het door geweld vaneen gescheiden werd.„Dit is een goochelaarskunstje,” zeide de Vaux, vooruitspringende en het stuk van het kussen, dat afgesneden was, opvattende, alsof hij zich van de werkelijkheid der zaak wilde overtuigen—„daar is tooverij bij.”De Sultan scheen hem te begrijpen; want hij maakte de soort van sluier, dien hij tot hiertoe om gehad had, los, legde dien dubbel over het lemmet van zijn sabel, strekte die in de lucht, en trok ze eensklaps door den sluier, ofschoon die geheel los om de kling hing, en scheidde ook dezen in twee deelen, die naar verschillende zijden der tent vlogen, aldus evenzeer de buitengemeene hardheid en scherpte toonende van het wapen als de uitstekende behendigheid van hem, die het hanteerde.„Nu, in vollen ernst, broeder,” zeide Richard, „gij zijt zonder wederga in de hanteering van het zwaard, en het zou zeer gevaarlijk zijn met u te vechten. Intusschen, ik stel eenig vertrouwen in een goeden Engelschen slag, en wat wij niet door list vermogen, vergoedenwij door sterkte. Niettemin zijt gij in waarheid even ervaren in het toebrengen van wonden, als mijn wijze Hakim in het genezen ervan. Ik hoop toch, dat ik den geleerden arts zal zien.—Ik heb hem veel te danken, en bracht eenige kleine geschenken mede.”Terwijl hij sprak, verwisselde Saladin zijn tulband met eene Tartaarsche muts. Nauwelijks had hij dit gedaan, of de Vaux opende eensklaps zijn breeden mond en zijne groote, ronde oogen, en Richard staarde met niet minder verwondering, terwijl de Sultan op ernstigen en veranderden toon zeide:„De zieke,” zegt de dichter, „kent den geneesheer aan zijn stap; maar wanneer hij hersteld is, kent hij niet eens zijn gelaat, als hij hem aanziet.”„Een wonder!—een wonder!” riep Richard uit.„Zonder twijfel door Mahomed bewerkt,” zeide Thomas de Vaux.„Dat ik mijn geleerden Hakim alleen door het afleggen van zijne muts en zijn tulband zou verliezen, en hem in mijn koninklijken broeder Saladin mag wedervinden!”„Zoo gaat het in de wereld,” antwoordde de Sultan; „het gescheurde kleed maakt niet altijd den dervisch uit.”„En het was op uwe voorspraak,” vroeg Richard, „dat de ridder van den Luipaard van den dood gered werd—en door uwe list, dat hij mijne legerplaats weder vermomd bezocht?”„Zoo is het,” hervatte Saladin; „ik was bekwaam genoeg als geneesheer om te weten, dat, zoo de wonden van zijne bloedende eer niet gestild werden, de dagen zijns levens weinig zouden zijn. Zijne vermomming werd lichter doorgrond, dan ik van den goeden uitslag van de mijne verwacht had.”„Een toeval,” antwoordde Richard,—waarschijnlijk doelende op de omstandigheid, dat hij met zijne lippen de wond van den gewaanden Nubiër had uitgezogen,—„deed mij eerst ontdekken, dat zijn vel door kunst gekleurd was; en toen ik eenmaal die aanwijzing had, werd de ontdekking zeer gemakkelijk, want zijne gestalte en zijn voorkomen zijn niet zoo licht te vergeten. Ik vertrouw vast, dat hij morgen zal strijden.”„Hij bereidt zich reeds voor en is vol hoop,” zeide de Sultan. „Ik heb hem wapens en een paard verschaft, daar ik eene hooge gedachte van hem heb, voor zoover ik hem in verschillende vermommingen heb gadegeslagen.”„Weet hij thans,” vroeg Richard,„aan wien hij die groote verplichting heeft?”„Ja,” antwoordde de Sarraceen—„ik was verplicht te bekennen, wie ik was, toen ik hem mijn plan mededeelde.”„En bekende hij u iets?”vroeg de Koning van Engeland.„Rechtstreeks niets,” zeide de Sultan; „maar uit vele dingen, die tusschen ons voorgevallen zijn, maak ik op, dat zijne liefde te hoog geplaatst is, om tot een gelukkig einde te leiden.”„En gij wist, dat zijne vermetele, onbeschaamde hartstocht uwe eigen wenschen in den weg stond?” vroeg Richard.„Dit kon ik gissen,” hernam Saladin; „maar zijn hartstocht heeft bestaan, eer mijne wenschen gevormd waren—en dit moet ik er thans bijvoegen: zij zal die ook wel overleven.—Ik kan het met mijne eer niet overeenbrengen om mijne teleurstelling te wreken op hem, die er geen deel in had. Of, zoo deze hooggeboren dame hem meer dan mij beminde, wie kan zeggen, dat zij geen recht liet wedervaren aan een ridder, die zoo edel is?”„Maar van te geringe afkomst, om zich het bloed van Plantagenet te vermengen,” zeide Richard op trotschen toon.„Dat kunnen uwe beginselen in Frangistan zijn,” hervatte de Sultan. „Onze dichters in de Oostersche landen zeggen, dat een dapper kameeldrijver waardig is de lippen te kussen eener schoone koningin, terwijl een lafhartig prins niet waardig is, den zoom van haar kleed te kussen. Maar met uw verlof, edele broeder, ik moet voor het oogenblik afscheid van u nemen, om den hertog van Oostenrijk en dien anderen Nazareenschen ridder te ontvangen, die mijner gastvrijheid veel minder waardig zijn, en toch behoorlijk moeten onthaald worden, niet om hunnen ’t wil, maar om mijne eigen eer—want wat zegt de wijze Lokman? Zeg niet, dat het voedsel, hetwelk gij aan den vreemdeling geeft voor u verloren is—want indien zijn lichaam daardoor versterkt en gevoed wordt, zoo wordt niet minder uwe eigen eer en uw goede naam daardoor bevorderd en verhoogd.”De Sarraceensche monarch verliet Koning Richard’s tent, en hem meer door teekens dan door woorden aangeduid hebbende, waar die van de Koningin en haar gevolg opgeslagen was, ging hij den markies van Montserrat en zijne begeleiders ontvangen, voor wie de prachtlievende Sultan met even veel luister, ofschoon met minder welwillendheid, toebereidselen had laten maken. De heerlijkste ververschingen, zoo wel naar den Oosterschen als den Europeeschen smaak, werden den koninklijken en vorstelijken gasten van Saladin, elk in zijne bijzondere tent, aangeboden; en zoo oplettend was de Sultan op de gewoonten en den smaak zijner bezoekers, dat Grieksche slaven bij de hand waren, om hun den beker aan te bieden, die voor de sektevan Mahomed een gruwel is. Eer Richard zijn maal geëindigd had, trad de oude omrah, die den brief des Sultans naar de Christelijke legerplaats gebracht had, binnen met een programma van de plechtigheden, die den volgenden dag moesten in acht genomen worden. Richard, die op de hoogte was van den smaak van zijn ouden bekende,noodigde hem uit, hem met een flesch Schiras wijn bescheid te doen; maar Abdallah gaf hem met een treurig gelaat te verstaan, dat zelfverloochening in de tegenwoordige omstandigheden eene zaak was, waarbij zijn leven was betrokken; want dat Saladin, in vele opzichten verdraagzaam, de wetten van den profeet zoowel zelf in acht nam, als de vervulling ervan bij anderen door zware straffen zocht af te dwingen.„Welnu dan,” zeide Richard, „indien hij niet houdt van wijn, die het menschelijk hart vervroolijkt, is zijne bekeering niet te wenschen, en de voorspelling van den krankzinnigen priester van Engaddi verstuift als kaf voor den wind.”Hierop stelde de Koning de voorwaarden van het gevecht vast, wat vrij veel tijd kostte, daar men over sommige punten zoowel de tegenpartij als den Sultan raadplegen moest.Eindelijk werd men het daaromtrent geheel eens, en zij werden in het Fransch en Arabisch in het protocol opgenomen, en dit door Saladin, als scheidsrechter van het strijdperk en door Richard en Leopold, als borgen voor de twee strijders, onderteekend. Toen de omrah voor dien avond afscheid bij den Koning nam, trad de Vaux binnen.„De goede ridder,” zeide hij, „die morgen zal strijden, wenscht te weten, of hij dezen avond zijne opwachting bij zijn koninklijken getuige maken mag.”„Hebt gij hem gezien, de Vaux?” vroeg de Koning glimlachend; „en hebt gij een ouden bekende gevonden?”„Bij onze lieve Vrouw van Lanercost,” antwoordde de Vaux, „er zijn zoo vele verrassingen en gedaantewisselingen in dit land, dat mijne arme hersens daarvan duizelen. Nauwelijks had ik sir Kenneth van Schotland herkend, of zijn goede hond, die gedurende eene korte poos onder mijne zorg geweest was, kwam mij liefkozen; en zelfs toen kende ik het dier alleen aan de breedte van zijne borst, zijn ronde pooten, en zijne wijze van blaffen, want het arme dier was beschilderd als eene Venetiaansche dame.”„Gij hebt meer verstand van dieren dan van menschen, de Vaux,” zeide de Koning.„Ik wil niet ontkennen,”zeide de Vaux,„dat ik dieren dikwijls beter dan menschen bevonden heb. Ook behaagt het uwe Majesteit mij somtijds een dier te noemen; bovendien ben ik in dienst van den Leeuw, die alle menschen voor den Koning der dieren erkennen.”„Waarlijk, daar hebt gij met uwe lans schoon tegen mijn voorhoofd gestooten,” hervatte de Koning. „Ik heb altijd gezegd, dat gij eenig vernuft hebt, de Vaux—maar bij mijne ziel, men moet u met eensmidshamer slaan, eer men het vonken kan doen schieten. Maar ter zake—is de goede ridder behoorlijk gewapend en uitgerust?”„Volkomen en behoorlijk,” antwoordde de Vaux; „ik ken de wapenrusting wel—het is die, welke de Venetiaansche commissaris uwe Majesteit voor vijfhonderd byzantynen aanbood, juist vóór dat gij ziek geworden zijt.”„En hij heeft die, daar sta ik voor in, voor een paar dukaten meer en kontante betaling verkocht? Deze Venetianen zouden het heilige Graf zelf verkoopen!”„Deze zal nooit in een edeler zaak gedragen worden,” hernam de Vaux.„Dank der edelmoedigheid van den Sarraceen,” hervatte de Koning, „niet der gierigheid van de Venetiaan.”„Ik wilde om Gods wil, dat uwe Majesteit voorzichtiger ware,” zeide de angstvallige de Vaux.—„Hier worden wij door al onze bondgenooten verlaten wegens de beleedigingen, die den een of ander zijn aangedaan: wij kunnen niet hopen op het land te slagen, en wij moeten slechts nog met de amphibie-republiek onderhandelen, om de middelen tot onzen terugtocht over zee niet te verliezen.”„Ik zal mij in acht nemen,” hervatte Richard ongeduldig;„maar houd geen boetpredikaties meer. Zeg mij liever, want dit is van belang, heeft de ridder een biechtvader?”„Ja,” antwoordde de Vaux; „de kluizenaar van Engaddi, die dezen plicht bij hem vervuld heeft, toen hij zich ter dood bereidde, is bij de tegenwoordige gelegenheid ook bij hem, daar het gerucht van den tweestrijd hem herwaarts gebracht heeft.”„Het is goed,” zeide Richard, „en nu het verzoek van den ridder. Zeg hem, dat Richard hem zal ontvangen, als hij door het vervullen van zijn plicht bij den Diamant der woestijn zijne schuld bij den St. Georgeberg weder zal goed gemaakt hebben. En als gij door het kamp gaat, zeg dan aan de Koningin, dat ik haar in hare tent zal bezoeken, en zeg aan Blondel, dat hij mij daar moet opzoeken.”De Vaux vertrok, en ongeveer een uur daarna wandelde Richard, in zijn mantel gehuld, en zijne gitaar in de hand, naar de tent der Koningin. Verscheiden Arabieren gingen hem voorbij, maar altijd met het hoofd van hem afgewend, en de oogen naar den grond gericht, ofschoon hij bemerken kon, dat allen hem ernstig nazagen, wanneer hij voorbij was. Dit deed hem met reden vermoeden, dat zijn persoon bij hen bekend was; maar dat óf de bevelen van den Sultan, óf de hun eigene Oostersche beleefdheid hen verbood, om acht te slaan op een vorst, dieincognitowenschte te blijven.Toen de Koning de tent der Koningin bereikte, vond hij deze door die ongelukkige dienaars bewaakt, welke de Oostersche jaloezie om de Zenana plaatst. Blondel wandelde voor de ingang heen en weder en tokkelde van tijd tot tijd zijne snaren op eene wijze, dat de Afrikanen hunne ivoren tanden lieten zien, en hem met hunne zonderlinge gebaren en schelle, onnatuurlijke stemmen begeleidden.„Wat wilt gij met deze kudde zwart vee, Blondel?” vroeg de Koning; „waarom gaat ge niet in de tent?”„Omdat mijn beroep noch het hoofd noch de vingers kan missen,” antwoordde Blondel, „en deze eerlijke Negers dreigden, om mij lid voor lid af te houwen, als ik verder ging.”„Nu, ga dan met mij binnen,” zeide de Koning, „ik zal uw vrijgeleide zijn.”De zwarten lieten nu hunne pieken en sabels voor Koning Richard zinken, en sloegen hunne oogen naar den grond, alsof zij onwaardig waren hem aan te zien. In het binnenste van de tent vonden zij de Koningin. Terwijl Berengaria Blondel verwelkomde, sprak Richard eenigen tijd in het geheim en ter zijde met zijne schoone nicht.Eindelijk zeide hij fluisterend tot haar: „zijn wij nog vijanden, schoone Edith?”„Neen, mijn Koning,” antwoordde Edith op een toon, juist zacht genoeg om de muziek niet te hinderen—„niemand kan vijandschap tegen Koning Richard houden, wanneer hij zich toonen wil, zooals hij wezenlijk is! grootmoedig en edel, zoo wel als dapper en eervol.”Dit zeggende, reikte zij hem hare hand. De Koning kuste die ten teeken van verzoening en vervolgde toen: „gij meent, schoone nicht, dat mijn toorn in deze zaak geveinsd was; maar gij vergist u. De straf, die ik dezen ridder opgelegd heb, was billijk; want hij had—het doet er niet toe voor welken verleidenden omkoopprijs, schoone nicht—het hem toevertrouwde verraden. Maar ik verheug mij misschien evenzeer als gij, dat de dag van morgen hem de kans geeft, om overwinnaar in den strijd te worden, en de smet uit te wisschen, die eenigen tijd op hem, als op een wezenlijken dief en verrader, gekleefd heeft. Neen! het nageslacht moge Richard wegens zijne onstuimige dwaasheid laken; maar het zal zeggen, dat hij, in het vellen van vonnis rechtvaardig was, wanneer hij moest, en genadig, wanneer hij kon!”„Prijs niet u zelven, Richard,” hernam Edith. „Zij kunnen uwe gerechtigheid wreedheid—uwe genade gril noemen.”„En wees gij niet hoovaardig,” hervatte de Koning, „alsof uw ridder, die zijne wapenrusting nog niet aangegespt heeft, die reeds in zegepraal aflegde.—Koenraad van Montserrat wordt voor eene goede lans gehouden, zoo eens de Schot den strijd verloor?”„Dat is onmogelijk!” antwoordde Edith op vasten toon.—„Mijne eigen oogen hebben dien Koenraad, als een lagen dief zien sidderen en verbleeken. Hij is schuldig—en de kampstrijd is een beroep op de rechtvaardigheid Gods.—Ik zelve zou, in zulk eene zaak, zonder vrees met hem durven strijden.”„Bij de heilige mis, ik geloof, dat gij het doen zoudt, meisje,” zeide de Koning, „en hem bovendien ter neer werpen; want er is geen echter Plantagenet op aarde dan gij.”Hier zweeg hij, maar ging na eenige oogenblikken op zeer ernstigentoon voort: „Zorg, dat gij u blijft herinneren, wat gij uwer geboorte verschuldigd zijt.”„Wat beduidt deze raad, dien gij mij op dit oogenblik zoo ernstig geeft?” vroeg Edith. „Ben ik zoo lichtzinnig, dat ik mijn naam en stand vergeten zou?”„Ik wil ronduit spreken, Edith,” antwoordde de Koning, „en als tot eene vriendin.—Wat zal deze ridder voor u zijn, zoo hij uit dien strijd als overwinnaar optreedt?”„Voormij?” hervatte Edith, van schaamte en misnoegen hoog blozende; „watkanhij voor mij meer zijn, dan een geëerd ridder, zulke gunst waardig, als Koningin Berengaria hem zou schenken, indien hij haar voor zijne dame gekozen had, in plaats van eene onwaardiger keus te doen? De geringste kan zich aan den dienst eener Keizerin wijden, maar de roem van zijne keus,” dit zeide zij op fieren toon, „moet zijne belooning zijn.”„Nochtans, hij heeft veel voor u gedaan en geleden,” hernam de Koning.„Ik heb zijne diensten met eer en toejuiching en zijn lijden met tranen betaald,” antwoordde Edith. „Zoo hij eenig ander loon verwachtte, dan moest hij eene dame van zijn eigen stand bemind hebben.”„Gij zoudt dus het bloedige nachtkleed niet om zijnentwille aantrekken?” vroeg Koning Richard.„Evenmin,” antwoordde Edith, „als ik van hem zou gevorderd hebben, zijn leven bloot te stellen door eene daad, die meer dolheid dan eer was.”„De vrouwen spreken altijd zoo,” zeide de Koning, „maar wanneer de begunstigde minnaar met zijn aanzoek bij een dame aandringt, dan zegt zij met een zucht, dat haar gesternte het anders besloten had.”„Uwe Majesteit heeft mij nu reeds voor de tweede maal met den invloed van mijn horoskoop bedreigd,” hervatte Edith met waardigheid. „Vertrouw er op, mijn Koning, dat, hoe groot ook de macht der sterren is, uwe arme bloedverwante nooit een ongeloovige of een avonturier zonder afkomst zal huwen!—Vergun mij, dat ik naar de muziek van Blondel luister, want de toon van uwe koninklijke vermaningen is op verre na niet zoo aangenaam voor mijne ooren.”Het verdere van den avond leverde niets merkwaardigs meer op.1Inderdaad bleef bij de Sarraceenen lang na des Konings aftocht een spreekwoord dat Richard in het bosch zat.↑
HOOFDSTUK XXVII.Den Tekbir hoorden wij—zoo noemen de ArabierenHunaanvalskreet, als zij met luid geschreeuwDen Hemel smeeken om de zege—Beleg van Damascus.Den volgenden morgen werd Richard door Filips van Frankrijk tot een onderhoud genoodigd; en toen deelde deze hem met veel betuigingen van zijne hooge achting voor zijn broeder van Engeland, in hoogst beleefde, maar te duidelijke bewoordingen om misverstaan te worden, zijn stellig voornemen mede, om naar Europa en tot de zorg voor zijn koninkrijk terug te keeren, daar hij geheel aan den verderen uitslag van hunne onderneming bij de vermindering hunner macht en hunne onderlinge oneenigheid wanhoopte. Richard deed vergeefsche vertoogen, en toen de bijeenkomst geëindigd was, ontving hij zonder verwondering eene verklaring van den hertog van Oostenrijk en verscheidene andere vorsten, een gelijk besluit als dat van Filips bevattende, en in onbewimpelde woorden als reden van hun afval van het Kruis de onbeteugelde eerzucht en het willekeurig beheer van Richard van Engeland aanvoerende. Alle hoop om den oorlog met eenig vooruitzicht op goeden uitslag voort te zetten werd nu vaarwel gezegd, en Richard, bittere tranen over zijne teleurgestelde hoop op roem stortende, vond weinig troost in de overweging, dat de mislukking eenigermate aan de voordeelen was toe te schrijven, die hijzijn vijanden door zijn driftig en onvoorzichtig karakter verschaft had.„Zij hadden mijn vader niet zoo durven verlaten,” zeide hij tot de Vaux in de bitterheid zijner gramschap.—„Geen smaadredenen, die zij tegen zulk een wijs Koning konden uitgebraakt hebben, had men in het Christendom geloofd; terwijl ik,—dwaas die ik ben!—hun niet alleen een voorwendsel aan de hand gegeven heb, om mij te verlaten, maar zelfs den schijn, om al den blaam van de breuk op mijne ongelukkige zwakheden te werpen.”Deze gedachten waren zoo bitter pijnigend voor den Koning, dat de Vaux zich verheugde, toen de aankomst van een gezant van Saladin zijne gedachten op een ander voorwerp leidde.Deze nieuwe gezant was een emir, die in hooge achting stond bij den Sultan, en wiens naam Abdallah el Hadji was. Hij leidde zijn oorsprong af van het geslacht des profeets en van den stam Hashem en tot teeken van deze afstamming droeg hij een groenen tulband van buitengewone grootte. Hij had ook drie malen de reis naar Mekka gedaan, en hiervan had hij zijn bijnaam van Hadji, of pelgrim. Ondanks deze verschillende aanspraken op heiligheid, was Abdallah, voor een Arabier, een lustig gezel, die vermaak vond in een vroolijk verhaal, en zijne deftigheid zóó ver aflegde, dat hij eene goede flesch ledigde, wanneer geheimhouding hem tegen schandaal waarborgde. Hij was tevens een staatsman, van wiens bekwaamheden Saladin gebruik gemaakt had in onderscheidene onderhandelingen met de Christen Vorsten en bijzonder met Richard, bij wien El Hadji persoonlijk bekend en aangenaam was. Aangespoord door de gereede vergunning, waarmede de gezant van Saladin een vrij veld schonk, tot een strijdperk en een vrijgeleide voor allen, die er getuige van wenschten te zijn, en zijn eigen persoon als borg voor zijne getrouwheidaanbood, vergat Richard spoedig zijne bedrogen hoop, en de naderende ontbinding van het Christen verbond, door de aangename beraadslaging, die een gevecht op het toernooiveld voorafging.De plek, de diamant van de woestijn genoemd, werd voor de strijdplaats aangewezen, daar deze ongeveer op gelijken afstand tusschen de Christen en de Sarraceensche legerplaats lag. Men kwam overeen, dat Koenraad van Montserrat, de aangeklaagde, met zijne secondanten, den aartshertog van Oostenrijk en den grootmeester der Tempeliers, aldaar op den bepaalden dag met honderd gewapenden en niet meer zou verschijnen; dat Richard van Engeland en zijn broeder Salisbury, die de beschuldiging staande hielden, met hetzelfde getal zouden komen, om des Konings kampioen te beschermen; en dat de Sultan eene wacht van vijfhonderd uitgelezen krijgslieden zou medebrengen, een korps, dat men als niet meer dan aan tweehonderd Christen lansen geëvenredigd oordeelde. Zoodanige personen van aanzien, welke beide partijen zouden noodigen, om den strijd bij te wonen, zouden geene andere aanvallende wapenen dan hunne zwaarden dragen, en zonder wapenen ter verdediging komen. De Sultan nam op zich het strijdperk gereed te maken, en gemakken en ververschingen van allerleiaard te bereiden voor allen, die bij deze plechtigheid zouden tegenwoordig zijn. Zijn brief drukte met veel hoffelijkheid het genoegen uit, dat hij zich beloofde van het vooruitzicht op eene persoonlijke en vreedzame ontmoeting met Melec Ric en zijne groote begeerte, om zijne ontvangst zoo aangenaam mogelijk te maken.Toen alle voorafgaande punten geregeld en aan den aangeklaagden en zijne secondanten medegedeeld waren, werdAbdallah elHadji tot eene meer geheime bijeenkomst toegelaten, waar hij met genoegen de gezangen van Blondel hoorde. Na eerst zorgvuldig zijn groenen tulband buiten het gezicht gelegd, en in de plaats daarvan eene Grieksche muts opgezet te hebben, beantwoordde hij de muziek met een drinklied in het Perzisch, en dronk een fijne flesch Cyprus wijn, om te toonen, dat zijne practijk met zijne beginselen overeenkwamen. Den volgenden dag, deftig en nuchter als de waterdrinker Minlip, boog hij zijn voorhoofd tot den grond voor de voetschabel van Saladin, en gaf den Sultan bericht van zijn gezantschap.Op den dag vóór dien tot het gevecht bestemd, vertrokken Koenraad en zijne vrienden bij het aanbreken van den dag om zich naar de aangewezen plaats te begeven, en Richard verliet de legerplaats op hetzelfde uur en met hetzelfde voornemen. Maar, zooals men overeengekomen was, nam hij een verschillenden weg, eene voorzorg, die men noodig geoordeeld had, om de mogelijkheid van een twist tusschen hunne gewapende begeleiders te voorkomen.De goede Koning zelf had geen lust om met iemand te twisten. Niets had zijne aangename verwachtingen van een bloedig gevecht op leven en dood in het strijdperk kunnen verhoogen, behalve dat zijn eigen koninklijken persoon deelgenoot in den strijd had kunnen zijn; en hij was zelfs half met Koenraad van Montserrat verzoend. Licht gewapend, rijk gekleed en vroolijk als een bruidegom op den bruiloftsavond, steigerde Richard naast den draagstoel van Koningin Berengaria, haar de verschillende oorden, waar zij doortrokken, aanwijzende, terwijl hij den tocht door de ongastvrije wildernis met verhalen en gezang vervroolijkte. De vorige weg, dien de Koningin bij hare bedevaart naar Engaddi gevolgd had, liep langs de andere zijde van de bergketen, zoodat haar de tafereelen der woestijn vreemd waren; en ofschoon Berengaria het karakter van haar gemaal te wèl kende, om niet te trachten het voorkomen van belangstelling aan te nemen in hetgeen hem behaagde te zeggen of te zingen, kon zij toch eenige vrouwelijke vrees niet weren, toen zij zich in de vreeselijke wildernis bevond, bijna in het midden der zandvlakte, met zulk een klein geleide, dat er als een stip uitzag. Tevens wist zij, dat zij niet zoo ver van de legerplaats van den Sultan waren, of zij konden in een oogenblik door eene grootere macht van zijne vlugge ruiterij overvallen en weggevoerd worden, als de Heiden trouweloos genoeg was om van zulk eene verleidelijke gelegenheid partij te trekken. Maar toen zij deze vermoedens aan Koning Richard liet bespeuren, bejegende hij die met misnoegen en verachting. „Het zou meer danondankbaarheid zijn,” zeide hij, „zoo men aan de goede trouw van den grootmoedigen Sultan twijfelde.”Toch kwam deze gedachte meer dan eens weder op, niet alleen in het vreesachtig gemoed der Koningin, maar in den krachtiger en openhartiger geest van Edith Plantagenet, die niet zulk een onwankelbaar vertrouwen op de goede trouw van den Muzelman had, dat zij volmaakt gerust was, nu zij zoo geheel in diens macht was; en hare verbazing zou minder groot dan haar schrik geweest zijn, zoo dewoestijnplotseling van het geschreeuw van „Allah hu!” weergalmd had, en eene bende Arabische ruiterij als gieren op hunne prooi ware gestort. Deze achterdocht werd niet verminderd, toen zij bij het vallen van den avond een enkelen Arabischen ruiter bespeurden, dien men aan zijn tulband en zijne lange lans onderscheiden kon, en die boven den rand van eene kleine hoogte scheen te zweven, gelijk een havik zich in de lucht beweegt, en bij de verschijning van den koninklijken trein met den spoed van denzelfden vogel wegschoot, wanneer die voor den wind afvliegt en aan den gezichteinder verdwijnt.„Wij moeten nabij de kampplaats zijn,” zeide Koning Richard; „en gindsche ruiter is een van Saladin’s buitenposten—mij dunkt, ik hoor het gedruisch der Moorsche horens en cymbalen. Schaart u in orde, vrienden, en omringt de dames op militaire wijze en aaneengesloten.”Terwijl hij sprak, drong elk ridder, schildknaap en boogschutter haastig naar de hem aangewezen plaats, en zij trokken in de meest gesloten orde voorwaarts, zoodat hun getal nog geringer scheen. Om de waarheid te zeggen, ofschoon er mogelijk geene vrees bij hen heerschte, was angst zoowel als nieuwsgierigheid te bespeuren in de aandacht, waarmede zij naar het woeste gedruisch van de Moorsche muziek luisterden, die hoe langer hoe duidelijker zich hooren liet in de richting, waar men den Arabischen ruiter had zien verdwijnen.De Vaux fluisterde den Koning toe: „Zou het niet goed zijn, mijn Vorst, een page naar den top van dien heuvel te zenden? Of behaagt het u, dat ik er heen rijd? Mij dunkt, naar al dat geraas en gedruisch te oordeelen, dat, zoo er niet meer dan vijfhonderd man aan de andere zijde van de heuvels zijn, de helft van het gevolg van den Sultan uit trommel- en cymbalenslagers bestaan moet …. Zal ik er heen rijden?”De baron hield zijn paard goed in den toom en wilde juist de sporen geven, toen de Koning uitriep: „Om alles in de wereld, doe het niet. Zulk eene voorzorg zou achterdocht verraden, en zou van weinig nut zijn, om eene verrassing te voorkomen, die ik evenwel niet vrees.”Zij trokken dientengevolge in gesloten en vaste orde voorwaarts, totdat zij over de rij lage heuvels en in het gezicht van de bestemde kampplaats kwamen, toen een prachtig maar tegelijkertijd ontzagwekkend schouwspel hen verraste. De Diamant van de woestijn, kort geleden eene eenzame fontein, die alleen te midden van de wildernis door enkele groepen palmboomen onderscheiden werd, was thans hetmiddelpunt van eene legerplaats, waarvan de geborduurde vlaggen en de vergulde sieraden heinde en ver schitterden, en de duizend rijke tinten de ondergaande zon zich weerkaatsten. Het linnen der groote tenten was van de vroolijkste kleuren, scharlaken, hoog geel, bleek blauw, en andere levendige en schitterende verwen, en de spitsen van hunne tentpalen waren met gouden granaatappels en kleine zijden wimpels versierd. Maar behalve deze versierde tenten was er, zooals Thomas de Vaux meende, een ontzaglijk aantal van de gewone zwarte tenten der Arabieren, daar deze, naar zijn oordeel, toereikend waren om volgens Oostersche wijze, een leger van vijfduizend man gemakkelijk in zich op te nemen. Een aantal Arabieren en Kurden, evenredig aan de uitgebreidheid van de legerplaats, vereenigde zich spoedig, ieder zijn paard aan de hand leidende, en hunne revue ging gepaard met een oorverdoovend gedruisch van schelklinkende krijgsinstrumenten, waardoor ten allen tijde de krijgsverrichtingen der Arabieren zich kenmerkten.Zij vormden weldra een donkeren en verwarden hoop afgestegen ruiterij in het front van hun leger; daarop sprong, op een schel signaal, dat zich ver boven den klank der muziek verhief, ieder ruiter in het zadel. Eene wolk van stof, die bij deze beweging ontstond, verborg voor Richard en zijn gevolg het kamp, de palmboomen en de verafgelegen bergketen, zoowel als de benden, wier plotselinge beweging de wolk had veroorzaakt, welke, zich hoog boven hunne hoofden verheffende, de fantastische vormen van zuilen, koepels en minarets aannam. Men hoorde een tweede schel signaal uit dezen wolksluier klinken. Het was een sein voor de ruiters, om voort te rukken, wat zij in vollen galop deden, terwijl zij zich onder het voortrukken zoodanig rangschikten, dat zij op eenmaal voor het front, op zijde en in de achterhoede van Richard’s kleine lijfwacht kwamen, die aldus omringd was en bijna stikte in de dikke wolken stof, die hen van alle kanten omgaven. Door deze heen zag en verloor men bij afwisseling de woeste gestalten en wilde gezichten der Sarraceenen, die onder een woest geschreeuw, hunne lansen in alle mogelijke richtingen rondzwaaiden en voor zich uit stootten, en dikwijls hunne paarden eerst tegenhielden, wanneer zij op eene speerlengte van de Christenen verwijderd waren, terwijl die van de achterhoede dichte wolken pijlen over de hoofden der beide partijen schoten. Een ervan trof den draagstoel, waarin de Koningin zat, die luid gilde, en op dat oogenblik kleurde Richard’s voorhoofd.„Ha, St. George!” riep hij uit, „wij moeten wat orde onder dit ongeloovige schuim stellen!”Maar Edith, wier draagstoel nabij was, stak haar hoofd naar buiten, en in hare hand een der pijlen houdende, riep zij hem toe: „Koninklijke Richard, wacht u, wat gij doet. Zie, deze pijlen hebben geene punten!”„Edel, gevoelvol meisje!” zeide Richard; „bij den hemel, gij beschaamt ons allen door uwe snelheid van gedachten en uw blik.—Verontrust u niet, mijne goede landslieden,” riep hij zijn volgelingen toe—„hunne pijlen hebben geene spitsen—en aan hunne speren ontbreken ook de stalen punten. Het is slechts eene woeste verwelkoming, volgens hun wild gebruik, ofschoon zij ons zonder twijfel gaarne verschrikt of in verwarring zouden zien. Rukt voorwaarts, langzaam en vast!”De kleine phalanx trok dus voort, van alle zijden door de Arabieren vergezeld onder het schelste en doordringende geschreeuw, terwijl de boogschutters intusschen hunne vaardigheid betoonden, daar zij zoo dicht mogelijk langs de helmen der Christenen schoten, zonder hen te treffen, terwijl de lansdragers elkander met zulke ruwe stooten van hunne plompe wapenen aanvielen, dat meer dan een van hen uit het zadel geraakte en bijna zijn leven in dit gevaarlijke spel verloor. Dit alles, ofschoon het bestemd was om eene verwelkoming aan te duiden, had toch eenig bedenkelijk aanzien in het oog der Westerlingen.Toen zij omtrent halfweg het kamp waren, terwijl Koning Richard en zijn gevolg, als het ware, den kern vormden, waarom heen deze luidruchtige bende ruiters huilde, schreeuwde, schermutselde, galoppeerde en een tooneel van onbeschrijfelijke wanorde vormde, hoorde men nog eenmaal een schellen gil, waarop al deze onregelmatige benden, die in de voorhoede en op de zijden van den kleinen troep Europeanen waren, terugweken, en eene lange en breede kolom uitmakende, in stille orde de achterhoede, van Richard’s troep volgden. Het stof begon thans voor het front te verdwijnen, toen er hun door dien donkeren sluier eene bende ruiterij tegemoet trok van geheel verschillenden en meer geregelden aard, volkomen met wapenen van aanval uitgerust en die wel tot lijfwacht bij den meest verhevenen van alle Oostersche Monarchen had kunnen dienen. Elk paard van dien troep, die uit vijfhonderd man bestond, was het losgeld van een graaf waard. De ruiters waren Georgische en Circassische slaven in den bloei des levens. Hunne helmen en borstharnassen waren uit stalen ringen vervaardigd, die zoo sterk schitterden, alsof zij van zilver waren; hunne kleeding was van de levendigste kleuren en van sommigen van goud- of zilverstof. De sjerpen waren met zijde en goud doorwerkt, hunne rijke tulbanden met vederbossen en juweelen bezet, en hunne sabels en dolken vanDamascenerstaal, en aan het gevest en de scheede met goud en edelgesteenten versierd.Dit prachtige korps rukte onder de tonen van krijgsmuziek voorwaarts, en toen zij bij den stoet der Christenen kwamen, openden zij hunne rijen ter rechter- en linkerzijde, en lieten hen tusschen hunne gelederen doortrekken. Richard nam nu de voorste plaats bij zijn troep in, daar hij begreep, dat Saladin zelf naderde. Het duurde dan ook niet lang of de Sultan kwam, te midden van zijn lijfwacht, omringd door de officieren van zijn huis, en die afschuwelijke Negers, die een Oosterschen harem bewaken, en wier mismaakte gedaante door een rijkdom hunner kleeding nog afzichtelijker werd. Hij naderde met denblik en de houding van een man, op wiens voorhoofd de natuur geschreven had: „deze is een Koning!” In zijn sneeuwwitten tulband en een gewaad van dezelfde kleur en zijne wijde Oostersche broek met eene scharlaken roode sjerp zonder eenig ander sieraad, kon Saladinde eenvoudigste onder zijne lijfwacht geschenen hebben. Maar een nauwgezetter onderzoek deed in zijn tulband dat onwaardeerbaar juweel ontdekken, dat de dichters de „Zee van Licht” noemden; de diamant, waarop zijn wapen was gesneden, en dien hij in een ring droeg, had waarschijnlijk dezelfde waarde als alle kostbare steenen van de Engelsche kroon te samen, en eensaffier, aan het uiteinde van het hecht van zijn dolk, was bijna even kostbaar. Hierbij moet men nog voegen, dat de Sultan, om zich voor het stof te behoeden, dat in de nabijheid der Doode Zee aan de fijnste asch gelijk is, of misschien uit Oosterschen hoogmoed, eene soort van sluier droeg, die aan zijn tulband was vastgemaakt, en eene lichte schaduw wierp op zijne edele gelaatstrekken. Hij reed op een melkwit Arabisch paard, dat hem droeg, alsof het wist, welken edelen last het op zijn rug had, en trotsch daarop was.Zonder eenige voorbereidende ceremonie stegenonmiddellijkde twee vorstelijke helden, want dien naam verdienden zij ten volle, gelijktijdig van hun paard; en terwijl de troepen staan bleven en de muziek eensklaps ophield, naderden zij, het diepste stilzwijgen in acht nemende, elkander, en na eene beleefde buiging van weerszijden, omhelsden zij elkander als broeders en elkaars gelijken. De praal en pracht van beide zijden verloor zijn luister—niemand zag iets anders dan Richard en Saladin, en ook zij zagen niet dan elkander. De blik, waarmede Richard Saladin beschouwde, was echter vorschender dan die, welkede Sultan op hem vestigde; ook was deze de eerste, die het stilzwijgen afbrak.„Melec Ric is Saladin even welkom, als het water dezer woestijn. Ik vertrouw, dat hij geen wantrouwen tegen deze talrijke schaar heeft. Behalve deze gewapende slaven van mijn huis, zijn degenen, welke u met oogen van verwondering en verwelkoming omringden, zelfs de nederigsten van hen, de bevoorrechte edelen van mijne duizend stammen; want wie, die aanspraak kon maken om tegenwoordig te zijn, zou te huis willen blijven, nu er zulk een Vorst als Richard te zien was, met den schrik voor wiens naam zelfs te midden van het zand vanJemen, de voedster haar kind tot stilte brengt, en de vrije Arabier zijn wederspannig ros beteugelt.”1„En dit zijn allen Arabische edelen?” vroeg Richard, om zich heen ziende naar de woeste gedaanten, wier gelaat verzengd was door de zonnestralen, wier tanden het ivoor in witheid evenaarden, terwijl hunne zwarte oogen van onder de schaduw hunner tulbanden met fieren en bovennatuurlijken glans schitterden, en hunne kleeding over het algemeen eenvoudig, zelfs armelijk was.„Zij maken aanspraak op dien rang,” antwoordde Saladin; „maar hoe talrijk ook, toch zijn zij onder de voorwaarden van het verdrag, en dragen geene wapenen behalve de sabel—zelfs het ijzer hunner lansen hebben zij achtergelaten.”„Ik vrees,” mompelde de Vaux in het Engelsch, „dat zij het op eene plaats gelaten hebben, waar zij het schielijk kunnen vinden. Een zeer bloeiend huis van Pairs, dat beken ik, en zij zouden Westminster-Hall nog te klein voor zich achten.”„Stil, de Vaux,” antwoordde Richard, „ik beveel het u.—Edele Saladin,” sprak hij, „achterdocht en gij, kunnen niet op denzelfden grond bestaan. Ziet gij,” op den draagstoel wijzende,—„ik heb ook eenige kampioenen medegebracht, ofschoon zij, misschien met inbreuk op het verdrag, gewapend zijn, want schitterende oogen en schoone gelaatstrekken zijn wapenen, die men niet achterlaten kan.”De Sultan, zich naar den draagstoel wendende, maakte eene even diepe buiging, of hij de oogen op Mekka gericht had, en kuste het zand ten teeken van eerbied.„Neen, broeder,” zeide Richard, „zij vreezen eene andere ontmoeting niet; wilt gij niet naar hare draagstoelen rijden, en de gordijnen zullen dadelijk weggetrokken worden.”„Dat verhoede Allah!” antwoordde Saladin; „want elk Arabier die er getuige van is, zou het voor een schande houden, dat de edele vrouwen met ontbloot gelaat gezien werden.”„Gij zult haar zien als wij alleen zijn, broeder,” hernam Richard.„Waartoe?” hervatte Saladin treurig. „Uw laatste brief was voor de hoop, die ik koesterde, gelijk water voor het vuur; en waarom zouik opnieuw eene vlam doen ontbranden, die mij kan verteren, maar niet verwarmen?—Maar wil mijn broeder niet in den tent gaan, die zijn dienaar voor hem bereid heeft? Mijn voornaamste zwarte slaaf heeft bevel voor de ontvangst der prinsessen—de officieren van mijn huis zullen voor uw gevolg zorgen; en wij zelf zullen de kamerheer van Koning Richard zijn.”Hij wees bij die woorden den weg naar eene prachtige tent, waarin zich alles bevond, wat koninklijke weelde kon bedenken. De Vaux, die den Koning bediende, nam hem toen decapaof langen reismantel af, dien Richard droeg, en deze stond voor Saladin in de eng sluitende kleeding, welke de kracht en de wel gevormde leden van zijn persoon voordeelig deed uitkomen, terwijl zij een sterk contrast vormde met het fladderende gewaad, dat de magere gestalte van den Oosterschen Monarch bedekte. Maar het was Richard’s ontzaglijk zwaard, dat vooral de aandacht van den Sarraceen trok, eene breede, rechte kling, waarvan de schijnbaar niet te hanteeren lengte zich bijna van den schouder tot de hiel van den drager reikte.„Had ik dit staal niet in het front van den slag zien schitteren,” zeide Saladin, „gelijk dat van Azraël, dan zou ik moeilijk geloofd hebben, dat een menschenarm het kon bestieren. Mag ik verzoeken, om Melec Ric in vrede en alleen tot eene proef van zijne kracht een slag daarmede te zien doen?”„Gaarne, edele Saladin,” antwoordde Richard, en rondziende naar iets, waarop hij zijne kracht kon uitoefenen, zag hij eene stalen knots, die een der wachten hield, waarvan de steel van hetzelfde metaal en omtrent anderhalf duim in doorsnede was—deze legde hij op een houten blok.De bezorgdheid van de Vaux voor de eer zijns meesters deed hem in het Engelsch fluisteren: „om der heiligen Maagd’s wille, mijn Koning, zie toe wat gij onderneemt. Uwe volle kracht is nog niet teruggekeerd—geef den ongeloovigen geen gelegenheid tot zegepraal.”„Zwijg, dwaas!” zeide Richard, vast op zijne plaats staande, en een fieren blik om zich heen werpende,—sprak hij, „denkt gij, dat het inzijnetegenwoordigheid missen kan?”Het blinkende zwaard, door zijne beide handen bestierd, verhief zich tot boven zijn linker schouder, draaide om zijn hoofd, viel met den zwaai van een ontzaglijk werktuig neder, en de ijzeren stang rolde in twee stukken op den grond, zooals een houthakker een jong boompje met een groot snoeimes zou afhouwen.„Bij het hoofd van den Profeet, een allermerkwaardigste houw!” riep de Sultan, terwijl hij met het oog eens kenners de in stukken gehouwen ijzeren stang nauwkeurig onderzocht. De kling van het zwaard was zóó gehard, dat zij niet het minste blijk vertoonde, dat zij door de verrichte daad van kracht geleden had. Hierop nam hij des Konings hand, en de groote en gespierde kracht, die duidelijk eraan te zien was, beschouwende, lachte hij, terwijl hij de zijne er naast legde, die zoo rank en dun en zooveel minder in vleesch en spieren was.„Ja, zie goed toe,” zeide de Vaux in het Engelsch, „het zal lang duren, eer uwe lange apenvingers met uwe schoone, vergulde sikkel zulk een daad verrichten.”„Stil, de Vaux,” zeide Richard; „bij onze lieve Vrouw, hij verstaat of gist uwe meening—wees niet zoo onbeschoft, bid ik u.”De Sultan zeide inderdaad op hetzelfde oogenblik: „iets wilde ik gaarne beproeven—maar waarom zouden de zwakken hunne minderheid in tegenwoordigheid der sterken laten zien? Intusschen, ieder land heeft zijne eigen oefeningen, en mogelijk is dit nieuw voor Melec Ric.”—Bij deze woorden nam hij een kussen van zijde en dons van de vloer, en zette het op het eene einde rechtop.—„Kan uw wapen dit kussen splijten?” vroeg hij aan Koning Richard.„Neen, zeker niet,” antwoordde de Koning, „geen zwaard op aarde, al ware het deExcaliburvan Koning Arthur, kan iets doorsnijden, dat geen vasten tegenstand biedt.”„Pas dan op,” zeide Saladin; en de mouw van zijn gewaad optrekkende, liet hij zijn arm zien, die wel is waar lang en mager was, maar die door gedurige oefening verhard was tot eene massa, die uit niets dan peezen en zenuwen bestond. Hij trok zijn sabel uit de scheede; het was eene kromme smalle kling, die niet, gelijk de zwaarden der Franken schitterde, maar integendeel van eene matte, blauwe kleur was, met millioenen slangswijze loopende lijnen geteekend, welke toonden, hoe het metaal door den wapensmid bewerkt was geworden. Met dit wapen, dat in schijn zoo weinig kon uitrichten, als het met dat van Richard vergeleken werd, stond de Sultan, steunend op zijn linker voet, die een weinig voorwaarts stond; hij balanceerde een oogenblik, alsof hij zijn doel goed wilde vatten; toen plotseling voorwaarts tredende, trok hij de sabel dwars door het kussen, terwijl hij het lemmet zoo behendig en tevens met zoo weinig zichtbare inspanning gebruikte, dat het kussen eer uiteen scheen te vallen, dan dat het door geweld vaneen gescheiden werd.„Dit is een goochelaarskunstje,” zeide de Vaux, vooruitspringende en het stuk van het kussen, dat afgesneden was, opvattende, alsof hij zich van de werkelijkheid der zaak wilde overtuigen—„daar is tooverij bij.”De Sultan scheen hem te begrijpen; want hij maakte de soort van sluier, dien hij tot hiertoe om gehad had, los, legde dien dubbel over het lemmet van zijn sabel, strekte die in de lucht, en trok ze eensklaps door den sluier, ofschoon die geheel los om de kling hing, en scheidde ook dezen in twee deelen, die naar verschillende zijden der tent vlogen, aldus evenzeer de buitengemeene hardheid en scherpte toonende van het wapen als de uitstekende behendigheid van hem, die het hanteerde.„Nu, in vollen ernst, broeder,” zeide Richard, „gij zijt zonder wederga in de hanteering van het zwaard, en het zou zeer gevaarlijk zijn met u te vechten. Intusschen, ik stel eenig vertrouwen in een goeden Engelschen slag, en wat wij niet door list vermogen, vergoedenwij door sterkte. Niettemin zijt gij in waarheid even ervaren in het toebrengen van wonden, als mijn wijze Hakim in het genezen ervan. Ik hoop toch, dat ik den geleerden arts zal zien.—Ik heb hem veel te danken, en bracht eenige kleine geschenken mede.”Terwijl hij sprak, verwisselde Saladin zijn tulband met eene Tartaarsche muts. Nauwelijks had hij dit gedaan, of de Vaux opende eensklaps zijn breeden mond en zijne groote, ronde oogen, en Richard staarde met niet minder verwondering, terwijl de Sultan op ernstigen en veranderden toon zeide:„De zieke,” zegt de dichter, „kent den geneesheer aan zijn stap; maar wanneer hij hersteld is, kent hij niet eens zijn gelaat, als hij hem aanziet.”„Een wonder!—een wonder!” riep Richard uit.„Zonder twijfel door Mahomed bewerkt,” zeide Thomas de Vaux.„Dat ik mijn geleerden Hakim alleen door het afleggen van zijne muts en zijn tulband zou verliezen, en hem in mijn koninklijken broeder Saladin mag wedervinden!”„Zoo gaat het in de wereld,” antwoordde de Sultan; „het gescheurde kleed maakt niet altijd den dervisch uit.”„En het was op uwe voorspraak,” vroeg Richard, „dat de ridder van den Luipaard van den dood gered werd—en door uwe list, dat hij mijne legerplaats weder vermomd bezocht?”„Zoo is het,” hervatte Saladin; „ik was bekwaam genoeg als geneesheer om te weten, dat, zoo de wonden van zijne bloedende eer niet gestild werden, de dagen zijns levens weinig zouden zijn. Zijne vermomming werd lichter doorgrond, dan ik van den goeden uitslag van de mijne verwacht had.”„Een toeval,” antwoordde Richard,—waarschijnlijk doelende op de omstandigheid, dat hij met zijne lippen de wond van den gewaanden Nubiër had uitgezogen,—„deed mij eerst ontdekken, dat zijn vel door kunst gekleurd was; en toen ik eenmaal die aanwijzing had, werd de ontdekking zeer gemakkelijk, want zijne gestalte en zijn voorkomen zijn niet zoo licht te vergeten. Ik vertrouw vast, dat hij morgen zal strijden.”„Hij bereidt zich reeds voor en is vol hoop,” zeide de Sultan. „Ik heb hem wapens en een paard verschaft, daar ik eene hooge gedachte van hem heb, voor zoover ik hem in verschillende vermommingen heb gadegeslagen.”„Weet hij thans,” vroeg Richard,„aan wien hij die groote verplichting heeft?”„Ja,” antwoordde de Sarraceen—„ik was verplicht te bekennen, wie ik was, toen ik hem mijn plan mededeelde.”„En bekende hij u iets?”vroeg de Koning van Engeland.„Rechtstreeks niets,” zeide de Sultan; „maar uit vele dingen, die tusschen ons voorgevallen zijn, maak ik op, dat zijne liefde te hoog geplaatst is, om tot een gelukkig einde te leiden.”„En gij wist, dat zijne vermetele, onbeschaamde hartstocht uwe eigen wenschen in den weg stond?” vroeg Richard.„Dit kon ik gissen,” hernam Saladin; „maar zijn hartstocht heeft bestaan, eer mijne wenschen gevormd waren—en dit moet ik er thans bijvoegen: zij zal die ook wel overleven.—Ik kan het met mijne eer niet overeenbrengen om mijne teleurstelling te wreken op hem, die er geen deel in had. Of, zoo deze hooggeboren dame hem meer dan mij beminde, wie kan zeggen, dat zij geen recht liet wedervaren aan een ridder, die zoo edel is?”„Maar van te geringe afkomst, om zich het bloed van Plantagenet te vermengen,” zeide Richard op trotschen toon.„Dat kunnen uwe beginselen in Frangistan zijn,” hervatte de Sultan. „Onze dichters in de Oostersche landen zeggen, dat een dapper kameeldrijver waardig is de lippen te kussen eener schoone koningin, terwijl een lafhartig prins niet waardig is, den zoom van haar kleed te kussen. Maar met uw verlof, edele broeder, ik moet voor het oogenblik afscheid van u nemen, om den hertog van Oostenrijk en dien anderen Nazareenschen ridder te ontvangen, die mijner gastvrijheid veel minder waardig zijn, en toch behoorlijk moeten onthaald worden, niet om hunnen ’t wil, maar om mijne eigen eer—want wat zegt de wijze Lokman? Zeg niet, dat het voedsel, hetwelk gij aan den vreemdeling geeft voor u verloren is—want indien zijn lichaam daardoor versterkt en gevoed wordt, zoo wordt niet minder uwe eigen eer en uw goede naam daardoor bevorderd en verhoogd.”De Sarraceensche monarch verliet Koning Richard’s tent, en hem meer door teekens dan door woorden aangeduid hebbende, waar die van de Koningin en haar gevolg opgeslagen was, ging hij den markies van Montserrat en zijne begeleiders ontvangen, voor wie de prachtlievende Sultan met even veel luister, ofschoon met minder welwillendheid, toebereidselen had laten maken. De heerlijkste ververschingen, zoo wel naar den Oosterschen als den Europeeschen smaak, werden den koninklijken en vorstelijken gasten van Saladin, elk in zijne bijzondere tent, aangeboden; en zoo oplettend was de Sultan op de gewoonten en den smaak zijner bezoekers, dat Grieksche slaven bij de hand waren, om hun den beker aan te bieden, die voor de sektevan Mahomed een gruwel is. Eer Richard zijn maal geëindigd had, trad de oude omrah, die den brief des Sultans naar de Christelijke legerplaats gebracht had, binnen met een programma van de plechtigheden, die den volgenden dag moesten in acht genomen worden. Richard, die op de hoogte was van den smaak van zijn ouden bekende,noodigde hem uit, hem met een flesch Schiras wijn bescheid te doen; maar Abdallah gaf hem met een treurig gelaat te verstaan, dat zelfverloochening in de tegenwoordige omstandigheden eene zaak was, waarbij zijn leven was betrokken; want dat Saladin, in vele opzichten verdraagzaam, de wetten van den profeet zoowel zelf in acht nam, als de vervulling ervan bij anderen door zware straffen zocht af te dwingen.„Welnu dan,” zeide Richard, „indien hij niet houdt van wijn, die het menschelijk hart vervroolijkt, is zijne bekeering niet te wenschen, en de voorspelling van den krankzinnigen priester van Engaddi verstuift als kaf voor den wind.”Hierop stelde de Koning de voorwaarden van het gevecht vast, wat vrij veel tijd kostte, daar men over sommige punten zoowel de tegenpartij als den Sultan raadplegen moest.Eindelijk werd men het daaromtrent geheel eens, en zij werden in het Fransch en Arabisch in het protocol opgenomen, en dit door Saladin, als scheidsrechter van het strijdperk en door Richard en Leopold, als borgen voor de twee strijders, onderteekend. Toen de omrah voor dien avond afscheid bij den Koning nam, trad de Vaux binnen.„De goede ridder,” zeide hij, „die morgen zal strijden, wenscht te weten, of hij dezen avond zijne opwachting bij zijn koninklijken getuige maken mag.”„Hebt gij hem gezien, de Vaux?” vroeg de Koning glimlachend; „en hebt gij een ouden bekende gevonden?”„Bij onze lieve Vrouw van Lanercost,” antwoordde de Vaux, „er zijn zoo vele verrassingen en gedaantewisselingen in dit land, dat mijne arme hersens daarvan duizelen. Nauwelijks had ik sir Kenneth van Schotland herkend, of zijn goede hond, die gedurende eene korte poos onder mijne zorg geweest was, kwam mij liefkozen; en zelfs toen kende ik het dier alleen aan de breedte van zijne borst, zijn ronde pooten, en zijne wijze van blaffen, want het arme dier was beschilderd als eene Venetiaansche dame.”„Gij hebt meer verstand van dieren dan van menschen, de Vaux,” zeide de Koning.„Ik wil niet ontkennen,”zeide de Vaux,„dat ik dieren dikwijls beter dan menschen bevonden heb. Ook behaagt het uwe Majesteit mij somtijds een dier te noemen; bovendien ben ik in dienst van den Leeuw, die alle menschen voor den Koning der dieren erkennen.”„Waarlijk, daar hebt gij met uwe lans schoon tegen mijn voorhoofd gestooten,” hervatte de Koning. „Ik heb altijd gezegd, dat gij eenig vernuft hebt, de Vaux—maar bij mijne ziel, men moet u met eensmidshamer slaan, eer men het vonken kan doen schieten. Maar ter zake—is de goede ridder behoorlijk gewapend en uitgerust?”„Volkomen en behoorlijk,” antwoordde de Vaux; „ik ken de wapenrusting wel—het is die, welke de Venetiaansche commissaris uwe Majesteit voor vijfhonderd byzantynen aanbood, juist vóór dat gij ziek geworden zijt.”„En hij heeft die, daar sta ik voor in, voor een paar dukaten meer en kontante betaling verkocht? Deze Venetianen zouden het heilige Graf zelf verkoopen!”„Deze zal nooit in een edeler zaak gedragen worden,” hernam de Vaux.„Dank der edelmoedigheid van den Sarraceen,” hervatte de Koning, „niet der gierigheid van de Venetiaan.”„Ik wilde om Gods wil, dat uwe Majesteit voorzichtiger ware,” zeide de angstvallige de Vaux.—„Hier worden wij door al onze bondgenooten verlaten wegens de beleedigingen, die den een of ander zijn aangedaan: wij kunnen niet hopen op het land te slagen, en wij moeten slechts nog met de amphibie-republiek onderhandelen, om de middelen tot onzen terugtocht over zee niet te verliezen.”„Ik zal mij in acht nemen,” hervatte Richard ongeduldig;„maar houd geen boetpredikaties meer. Zeg mij liever, want dit is van belang, heeft de ridder een biechtvader?”„Ja,” antwoordde de Vaux; „de kluizenaar van Engaddi, die dezen plicht bij hem vervuld heeft, toen hij zich ter dood bereidde, is bij de tegenwoordige gelegenheid ook bij hem, daar het gerucht van den tweestrijd hem herwaarts gebracht heeft.”„Het is goed,” zeide Richard, „en nu het verzoek van den ridder. Zeg hem, dat Richard hem zal ontvangen, als hij door het vervullen van zijn plicht bij den Diamant der woestijn zijne schuld bij den St. Georgeberg weder zal goed gemaakt hebben. En als gij door het kamp gaat, zeg dan aan de Koningin, dat ik haar in hare tent zal bezoeken, en zeg aan Blondel, dat hij mij daar moet opzoeken.”De Vaux vertrok, en ongeveer een uur daarna wandelde Richard, in zijn mantel gehuld, en zijne gitaar in de hand, naar de tent der Koningin. Verscheiden Arabieren gingen hem voorbij, maar altijd met het hoofd van hem afgewend, en de oogen naar den grond gericht, ofschoon hij bemerken kon, dat allen hem ernstig nazagen, wanneer hij voorbij was. Dit deed hem met reden vermoeden, dat zijn persoon bij hen bekend was; maar dat óf de bevelen van den Sultan, óf de hun eigene Oostersche beleefdheid hen verbood, om acht te slaan op een vorst, dieincognitowenschte te blijven.Toen de Koning de tent der Koningin bereikte, vond hij deze door die ongelukkige dienaars bewaakt, welke de Oostersche jaloezie om de Zenana plaatst. Blondel wandelde voor de ingang heen en weder en tokkelde van tijd tot tijd zijne snaren op eene wijze, dat de Afrikanen hunne ivoren tanden lieten zien, en hem met hunne zonderlinge gebaren en schelle, onnatuurlijke stemmen begeleidden.„Wat wilt gij met deze kudde zwart vee, Blondel?” vroeg de Koning; „waarom gaat ge niet in de tent?”„Omdat mijn beroep noch het hoofd noch de vingers kan missen,” antwoordde Blondel, „en deze eerlijke Negers dreigden, om mij lid voor lid af te houwen, als ik verder ging.”„Nu, ga dan met mij binnen,” zeide de Koning, „ik zal uw vrijgeleide zijn.”De zwarten lieten nu hunne pieken en sabels voor Koning Richard zinken, en sloegen hunne oogen naar den grond, alsof zij onwaardig waren hem aan te zien. In het binnenste van de tent vonden zij de Koningin. Terwijl Berengaria Blondel verwelkomde, sprak Richard eenigen tijd in het geheim en ter zijde met zijne schoone nicht.Eindelijk zeide hij fluisterend tot haar: „zijn wij nog vijanden, schoone Edith?”„Neen, mijn Koning,” antwoordde Edith op een toon, juist zacht genoeg om de muziek niet te hinderen—„niemand kan vijandschap tegen Koning Richard houden, wanneer hij zich toonen wil, zooals hij wezenlijk is! grootmoedig en edel, zoo wel als dapper en eervol.”Dit zeggende, reikte zij hem hare hand. De Koning kuste die ten teeken van verzoening en vervolgde toen: „gij meent, schoone nicht, dat mijn toorn in deze zaak geveinsd was; maar gij vergist u. De straf, die ik dezen ridder opgelegd heb, was billijk; want hij had—het doet er niet toe voor welken verleidenden omkoopprijs, schoone nicht—het hem toevertrouwde verraden. Maar ik verheug mij misschien evenzeer als gij, dat de dag van morgen hem de kans geeft, om overwinnaar in den strijd te worden, en de smet uit te wisschen, die eenigen tijd op hem, als op een wezenlijken dief en verrader, gekleefd heeft. Neen! het nageslacht moge Richard wegens zijne onstuimige dwaasheid laken; maar het zal zeggen, dat hij, in het vellen van vonnis rechtvaardig was, wanneer hij moest, en genadig, wanneer hij kon!”„Prijs niet u zelven, Richard,” hernam Edith. „Zij kunnen uwe gerechtigheid wreedheid—uwe genade gril noemen.”„En wees gij niet hoovaardig,” hervatte de Koning, „alsof uw ridder, die zijne wapenrusting nog niet aangegespt heeft, die reeds in zegepraal aflegde.—Koenraad van Montserrat wordt voor eene goede lans gehouden, zoo eens de Schot den strijd verloor?”„Dat is onmogelijk!” antwoordde Edith op vasten toon.—„Mijne eigen oogen hebben dien Koenraad, als een lagen dief zien sidderen en verbleeken. Hij is schuldig—en de kampstrijd is een beroep op de rechtvaardigheid Gods.—Ik zelve zou, in zulk eene zaak, zonder vrees met hem durven strijden.”„Bij de heilige mis, ik geloof, dat gij het doen zoudt, meisje,” zeide de Koning, „en hem bovendien ter neer werpen; want er is geen echter Plantagenet op aarde dan gij.”Hier zweeg hij, maar ging na eenige oogenblikken op zeer ernstigentoon voort: „Zorg, dat gij u blijft herinneren, wat gij uwer geboorte verschuldigd zijt.”„Wat beduidt deze raad, dien gij mij op dit oogenblik zoo ernstig geeft?” vroeg Edith. „Ben ik zoo lichtzinnig, dat ik mijn naam en stand vergeten zou?”„Ik wil ronduit spreken, Edith,” antwoordde de Koning, „en als tot eene vriendin.—Wat zal deze ridder voor u zijn, zoo hij uit dien strijd als overwinnaar optreedt?”„Voormij?” hervatte Edith, van schaamte en misnoegen hoog blozende; „watkanhij voor mij meer zijn, dan een geëerd ridder, zulke gunst waardig, als Koningin Berengaria hem zou schenken, indien hij haar voor zijne dame gekozen had, in plaats van eene onwaardiger keus te doen? De geringste kan zich aan den dienst eener Keizerin wijden, maar de roem van zijne keus,” dit zeide zij op fieren toon, „moet zijne belooning zijn.”„Nochtans, hij heeft veel voor u gedaan en geleden,” hernam de Koning.„Ik heb zijne diensten met eer en toejuiching en zijn lijden met tranen betaald,” antwoordde Edith. „Zoo hij eenig ander loon verwachtte, dan moest hij eene dame van zijn eigen stand bemind hebben.”„Gij zoudt dus het bloedige nachtkleed niet om zijnentwille aantrekken?” vroeg Koning Richard.„Evenmin,” antwoordde Edith, „als ik van hem zou gevorderd hebben, zijn leven bloot te stellen door eene daad, die meer dolheid dan eer was.”„De vrouwen spreken altijd zoo,” zeide de Koning, „maar wanneer de begunstigde minnaar met zijn aanzoek bij een dame aandringt, dan zegt zij met een zucht, dat haar gesternte het anders besloten had.”„Uwe Majesteit heeft mij nu reeds voor de tweede maal met den invloed van mijn horoskoop bedreigd,” hervatte Edith met waardigheid. „Vertrouw er op, mijn Koning, dat, hoe groot ook de macht der sterren is, uwe arme bloedverwante nooit een ongeloovige of een avonturier zonder afkomst zal huwen!—Vergun mij, dat ik naar de muziek van Blondel luister, want de toon van uwe koninklijke vermaningen is op verre na niet zoo aangenaam voor mijne ooren.”Het verdere van den avond leverde niets merkwaardigs meer op.1Inderdaad bleef bij de Sarraceenen lang na des Konings aftocht een spreekwoord dat Richard in het bosch zat.↑
HOOFDSTUK XXVII.Den Tekbir hoorden wij—zoo noemen de ArabierenHunaanvalskreet, als zij met luid geschreeuwDen Hemel smeeken om de zege—Beleg van Damascus.
Den Tekbir hoorden wij—zoo noemen de ArabierenHunaanvalskreet, als zij met luid geschreeuwDen Hemel smeeken om de zege—Beleg van Damascus.
Den Tekbir hoorden wij—zoo noemen de ArabierenHunaanvalskreet, als zij met luid geschreeuwDen Hemel smeeken om de zege—
Den Tekbir hoorden wij—zoo noemen de Arabieren
Hunaanvalskreet, als zij met luid geschreeuw
Den Hemel smeeken om de zege—
Beleg van Damascus.
Den volgenden morgen werd Richard door Filips van Frankrijk tot een onderhoud genoodigd; en toen deelde deze hem met veel betuigingen van zijne hooge achting voor zijn broeder van Engeland, in hoogst beleefde, maar te duidelijke bewoordingen om misverstaan te worden, zijn stellig voornemen mede, om naar Europa en tot de zorg voor zijn koninkrijk terug te keeren, daar hij geheel aan den verderen uitslag van hunne onderneming bij de vermindering hunner macht en hunne onderlinge oneenigheid wanhoopte. Richard deed vergeefsche vertoogen, en toen de bijeenkomst geëindigd was, ontving hij zonder verwondering eene verklaring van den hertog van Oostenrijk en verscheidene andere vorsten, een gelijk besluit als dat van Filips bevattende, en in onbewimpelde woorden als reden van hun afval van het Kruis de onbeteugelde eerzucht en het willekeurig beheer van Richard van Engeland aanvoerende. Alle hoop om den oorlog met eenig vooruitzicht op goeden uitslag voort te zetten werd nu vaarwel gezegd, en Richard, bittere tranen over zijne teleurgestelde hoop op roem stortende, vond weinig troost in de overweging, dat de mislukking eenigermate aan de voordeelen was toe te schrijven, die hijzijn vijanden door zijn driftig en onvoorzichtig karakter verschaft had.„Zij hadden mijn vader niet zoo durven verlaten,” zeide hij tot de Vaux in de bitterheid zijner gramschap.—„Geen smaadredenen, die zij tegen zulk een wijs Koning konden uitgebraakt hebben, had men in het Christendom geloofd; terwijl ik,—dwaas die ik ben!—hun niet alleen een voorwendsel aan de hand gegeven heb, om mij te verlaten, maar zelfs den schijn, om al den blaam van de breuk op mijne ongelukkige zwakheden te werpen.”Deze gedachten waren zoo bitter pijnigend voor den Koning, dat de Vaux zich verheugde, toen de aankomst van een gezant van Saladin zijne gedachten op een ander voorwerp leidde.Deze nieuwe gezant was een emir, die in hooge achting stond bij den Sultan, en wiens naam Abdallah el Hadji was. Hij leidde zijn oorsprong af van het geslacht des profeets en van den stam Hashem en tot teeken van deze afstamming droeg hij een groenen tulband van buitengewone grootte. Hij had ook drie malen de reis naar Mekka gedaan, en hiervan had hij zijn bijnaam van Hadji, of pelgrim. Ondanks deze verschillende aanspraken op heiligheid, was Abdallah, voor een Arabier, een lustig gezel, die vermaak vond in een vroolijk verhaal, en zijne deftigheid zóó ver aflegde, dat hij eene goede flesch ledigde, wanneer geheimhouding hem tegen schandaal waarborgde. Hij was tevens een staatsman, van wiens bekwaamheden Saladin gebruik gemaakt had in onderscheidene onderhandelingen met de Christen Vorsten en bijzonder met Richard, bij wien El Hadji persoonlijk bekend en aangenaam was. Aangespoord door de gereede vergunning, waarmede de gezant van Saladin een vrij veld schonk, tot een strijdperk en een vrijgeleide voor allen, die er getuige van wenschten te zijn, en zijn eigen persoon als borg voor zijne getrouwheidaanbood, vergat Richard spoedig zijne bedrogen hoop, en de naderende ontbinding van het Christen verbond, door de aangename beraadslaging, die een gevecht op het toernooiveld voorafging.De plek, de diamant van de woestijn genoemd, werd voor de strijdplaats aangewezen, daar deze ongeveer op gelijken afstand tusschen de Christen en de Sarraceensche legerplaats lag. Men kwam overeen, dat Koenraad van Montserrat, de aangeklaagde, met zijne secondanten, den aartshertog van Oostenrijk en den grootmeester der Tempeliers, aldaar op den bepaalden dag met honderd gewapenden en niet meer zou verschijnen; dat Richard van Engeland en zijn broeder Salisbury, die de beschuldiging staande hielden, met hetzelfde getal zouden komen, om des Konings kampioen te beschermen; en dat de Sultan eene wacht van vijfhonderd uitgelezen krijgslieden zou medebrengen, een korps, dat men als niet meer dan aan tweehonderd Christen lansen geëvenredigd oordeelde. Zoodanige personen van aanzien, welke beide partijen zouden noodigen, om den strijd bij te wonen, zouden geene andere aanvallende wapenen dan hunne zwaarden dragen, en zonder wapenen ter verdediging komen. De Sultan nam op zich het strijdperk gereed te maken, en gemakken en ververschingen van allerleiaard te bereiden voor allen, die bij deze plechtigheid zouden tegenwoordig zijn. Zijn brief drukte met veel hoffelijkheid het genoegen uit, dat hij zich beloofde van het vooruitzicht op eene persoonlijke en vreedzame ontmoeting met Melec Ric en zijne groote begeerte, om zijne ontvangst zoo aangenaam mogelijk te maken.Toen alle voorafgaande punten geregeld en aan den aangeklaagden en zijne secondanten medegedeeld waren, werdAbdallah elHadji tot eene meer geheime bijeenkomst toegelaten, waar hij met genoegen de gezangen van Blondel hoorde. Na eerst zorgvuldig zijn groenen tulband buiten het gezicht gelegd, en in de plaats daarvan eene Grieksche muts opgezet te hebben, beantwoordde hij de muziek met een drinklied in het Perzisch, en dronk een fijne flesch Cyprus wijn, om te toonen, dat zijne practijk met zijne beginselen overeenkwamen. Den volgenden dag, deftig en nuchter als de waterdrinker Minlip, boog hij zijn voorhoofd tot den grond voor de voetschabel van Saladin, en gaf den Sultan bericht van zijn gezantschap.Op den dag vóór dien tot het gevecht bestemd, vertrokken Koenraad en zijne vrienden bij het aanbreken van den dag om zich naar de aangewezen plaats te begeven, en Richard verliet de legerplaats op hetzelfde uur en met hetzelfde voornemen. Maar, zooals men overeengekomen was, nam hij een verschillenden weg, eene voorzorg, die men noodig geoordeeld had, om de mogelijkheid van een twist tusschen hunne gewapende begeleiders te voorkomen.De goede Koning zelf had geen lust om met iemand te twisten. Niets had zijne aangename verwachtingen van een bloedig gevecht op leven en dood in het strijdperk kunnen verhoogen, behalve dat zijn eigen koninklijken persoon deelgenoot in den strijd had kunnen zijn; en hij was zelfs half met Koenraad van Montserrat verzoend. Licht gewapend, rijk gekleed en vroolijk als een bruidegom op den bruiloftsavond, steigerde Richard naast den draagstoel van Koningin Berengaria, haar de verschillende oorden, waar zij doortrokken, aanwijzende, terwijl hij den tocht door de ongastvrije wildernis met verhalen en gezang vervroolijkte. De vorige weg, dien de Koningin bij hare bedevaart naar Engaddi gevolgd had, liep langs de andere zijde van de bergketen, zoodat haar de tafereelen der woestijn vreemd waren; en ofschoon Berengaria het karakter van haar gemaal te wèl kende, om niet te trachten het voorkomen van belangstelling aan te nemen in hetgeen hem behaagde te zeggen of te zingen, kon zij toch eenige vrouwelijke vrees niet weren, toen zij zich in de vreeselijke wildernis bevond, bijna in het midden der zandvlakte, met zulk een klein geleide, dat er als een stip uitzag. Tevens wist zij, dat zij niet zoo ver van de legerplaats van den Sultan waren, of zij konden in een oogenblik door eene grootere macht van zijne vlugge ruiterij overvallen en weggevoerd worden, als de Heiden trouweloos genoeg was om van zulk eene verleidelijke gelegenheid partij te trekken. Maar toen zij deze vermoedens aan Koning Richard liet bespeuren, bejegende hij die met misnoegen en verachting. „Het zou meer danondankbaarheid zijn,” zeide hij, „zoo men aan de goede trouw van den grootmoedigen Sultan twijfelde.”Toch kwam deze gedachte meer dan eens weder op, niet alleen in het vreesachtig gemoed der Koningin, maar in den krachtiger en openhartiger geest van Edith Plantagenet, die niet zulk een onwankelbaar vertrouwen op de goede trouw van den Muzelman had, dat zij volmaakt gerust was, nu zij zoo geheel in diens macht was; en hare verbazing zou minder groot dan haar schrik geweest zijn, zoo dewoestijnplotseling van het geschreeuw van „Allah hu!” weergalmd had, en eene bende Arabische ruiterij als gieren op hunne prooi ware gestort. Deze achterdocht werd niet verminderd, toen zij bij het vallen van den avond een enkelen Arabischen ruiter bespeurden, dien men aan zijn tulband en zijne lange lans onderscheiden kon, en die boven den rand van eene kleine hoogte scheen te zweven, gelijk een havik zich in de lucht beweegt, en bij de verschijning van den koninklijken trein met den spoed van denzelfden vogel wegschoot, wanneer die voor den wind afvliegt en aan den gezichteinder verdwijnt.„Wij moeten nabij de kampplaats zijn,” zeide Koning Richard; „en gindsche ruiter is een van Saladin’s buitenposten—mij dunkt, ik hoor het gedruisch der Moorsche horens en cymbalen. Schaart u in orde, vrienden, en omringt de dames op militaire wijze en aaneengesloten.”Terwijl hij sprak, drong elk ridder, schildknaap en boogschutter haastig naar de hem aangewezen plaats, en zij trokken in de meest gesloten orde voorwaarts, zoodat hun getal nog geringer scheen. Om de waarheid te zeggen, ofschoon er mogelijk geene vrees bij hen heerschte, was angst zoowel als nieuwsgierigheid te bespeuren in de aandacht, waarmede zij naar het woeste gedruisch van de Moorsche muziek luisterden, die hoe langer hoe duidelijker zich hooren liet in de richting, waar men den Arabischen ruiter had zien verdwijnen.De Vaux fluisterde den Koning toe: „Zou het niet goed zijn, mijn Vorst, een page naar den top van dien heuvel te zenden? Of behaagt het u, dat ik er heen rijd? Mij dunkt, naar al dat geraas en gedruisch te oordeelen, dat, zoo er niet meer dan vijfhonderd man aan de andere zijde van de heuvels zijn, de helft van het gevolg van den Sultan uit trommel- en cymbalenslagers bestaan moet …. Zal ik er heen rijden?”De baron hield zijn paard goed in den toom en wilde juist de sporen geven, toen de Koning uitriep: „Om alles in de wereld, doe het niet. Zulk eene voorzorg zou achterdocht verraden, en zou van weinig nut zijn, om eene verrassing te voorkomen, die ik evenwel niet vrees.”Zij trokken dientengevolge in gesloten en vaste orde voorwaarts, totdat zij over de rij lage heuvels en in het gezicht van de bestemde kampplaats kwamen, toen een prachtig maar tegelijkertijd ontzagwekkend schouwspel hen verraste. De Diamant van de woestijn, kort geleden eene eenzame fontein, die alleen te midden van de wildernis door enkele groepen palmboomen onderscheiden werd, was thans hetmiddelpunt van eene legerplaats, waarvan de geborduurde vlaggen en de vergulde sieraden heinde en ver schitterden, en de duizend rijke tinten de ondergaande zon zich weerkaatsten. Het linnen der groote tenten was van de vroolijkste kleuren, scharlaken, hoog geel, bleek blauw, en andere levendige en schitterende verwen, en de spitsen van hunne tentpalen waren met gouden granaatappels en kleine zijden wimpels versierd. Maar behalve deze versierde tenten was er, zooals Thomas de Vaux meende, een ontzaglijk aantal van de gewone zwarte tenten der Arabieren, daar deze, naar zijn oordeel, toereikend waren om volgens Oostersche wijze, een leger van vijfduizend man gemakkelijk in zich op te nemen. Een aantal Arabieren en Kurden, evenredig aan de uitgebreidheid van de legerplaats, vereenigde zich spoedig, ieder zijn paard aan de hand leidende, en hunne revue ging gepaard met een oorverdoovend gedruisch van schelklinkende krijgsinstrumenten, waardoor ten allen tijde de krijgsverrichtingen der Arabieren zich kenmerkten.Zij vormden weldra een donkeren en verwarden hoop afgestegen ruiterij in het front van hun leger; daarop sprong, op een schel signaal, dat zich ver boven den klank der muziek verhief, ieder ruiter in het zadel. Eene wolk van stof, die bij deze beweging ontstond, verborg voor Richard en zijn gevolg het kamp, de palmboomen en de verafgelegen bergketen, zoowel als de benden, wier plotselinge beweging de wolk had veroorzaakt, welke, zich hoog boven hunne hoofden verheffende, de fantastische vormen van zuilen, koepels en minarets aannam. Men hoorde een tweede schel signaal uit dezen wolksluier klinken. Het was een sein voor de ruiters, om voort te rukken, wat zij in vollen galop deden, terwijl zij zich onder het voortrukken zoodanig rangschikten, dat zij op eenmaal voor het front, op zijde en in de achterhoede van Richard’s kleine lijfwacht kwamen, die aldus omringd was en bijna stikte in de dikke wolken stof, die hen van alle kanten omgaven. Door deze heen zag en verloor men bij afwisseling de woeste gestalten en wilde gezichten der Sarraceenen, die onder een woest geschreeuw, hunne lansen in alle mogelijke richtingen rondzwaaiden en voor zich uit stootten, en dikwijls hunne paarden eerst tegenhielden, wanneer zij op eene speerlengte van de Christenen verwijderd waren, terwijl die van de achterhoede dichte wolken pijlen over de hoofden der beide partijen schoten. Een ervan trof den draagstoel, waarin de Koningin zat, die luid gilde, en op dat oogenblik kleurde Richard’s voorhoofd.„Ha, St. George!” riep hij uit, „wij moeten wat orde onder dit ongeloovige schuim stellen!”Maar Edith, wier draagstoel nabij was, stak haar hoofd naar buiten, en in hare hand een der pijlen houdende, riep zij hem toe: „Koninklijke Richard, wacht u, wat gij doet. Zie, deze pijlen hebben geene punten!”„Edel, gevoelvol meisje!” zeide Richard; „bij den hemel, gij beschaamt ons allen door uwe snelheid van gedachten en uw blik.—Verontrust u niet, mijne goede landslieden,” riep hij zijn volgelingen toe—„hunne pijlen hebben geene spitsen—en aan hunne speren ontbreken ook de stalen punten. Het is slechts eene woeste verwelkoming, volgens hun wild gebruik, ofschoon zij ons zonder twijfel gaarne verschrikt of in verwarring zouden zien. Rukt voorwaarts, langzaam en vast!”De kleine phalanx trok dus voort, van alle zijden door de Arabieren vergezeld onder het schelste en doordringende geschreeuw, terwijl de boogschutters intusschen hunne vaardigheid betoonden, daar zij zoo dicht mogelijk langs de helmen der Christenen schoten, zonder hen te treffen, terwijl de lansdragers elkander met zulke ruwe stooten van hunne plompe wapenen aanvielen, dat meer dan een van hen uit het zadel geraakte en bijna zijn leven in dit gevaarlijke spel verloor. Dit alles, ofschoon het bestemd was om eene verwelkoming aan te duiden, had toch eenig bedenkelijk aanzien in het oog der Westerlingen.Toen zij omtrent halfweg het kamp waren, terwijl Koning Richard en zijn gevolg, als het ware, den kern vormden, waarom heen deze luidruchtige bende ruiters huilde, schreeuwde, schermutselde, galoppeerde en een tooneel van onbeschrijfelijke wanorde vormde, hoorde men nog eenmaal een schellen gil, waarop al deze onregelmatige benden, die in de voorhoede en op de zijden van den kleinen troep Europeanen waren, terugweken, en eene lange en breede kolom uitmakende, in stille orde de achterhoede, van Richard’s troep volgden. Het stof begon thans voor het front te verdwijnen, toen er hun door dien donkeren sluier eene bende ruiterij tegemoet trok van geheel verschillenden en meer geregelden aard, volkomen met wapenen van aanval uitgerust en die wel tot lijfwacht bij den meest verhevenen van alle Oostersche Monarchen had kunnen dienen. Elk paard van dien troep, die uit vijfhonderd man bestond, was het losgeld van een graaf waard. De ruiters waren Georgische en Circassische slaven in den bloei des levens. Hunne helmen en borstharnassen waren uit stalen ringen vervaardigd, die zoo sterk schitterden, alsof zij van zilver waren; hunne kleeding was van de levendigste kleuren en van sommigen van goud- of zilverstof. De sjerpen waren met zijde en goud doorwerkt, hunne rijke tulbanden met vederbossen en juweelen bezet, en hunne sabels en dolken vanDamascenerstaal, en aan het gevest en de scheede met goud en edelgesteenten versierd.Dit prachtige korps rukte onder de tonen van krijgsmuziek voorwaarts, en toen zij bij den stoet der Christenen kwamen, openden zij hunne rijen ter rechter- en linkerzijde, en lieten hen tusschen hunne gelederen doortrekken. Richard nam nu de voorste plaats bij zijn troep in, daar hij begreep, dat Saladin zelf naderde. Het duurde dan ook niet lang of de Sultan kwam, te midden van zijn lijfwacht, omringd door de officieren van zijn huis, en die afschuwelijke Negers, die een Oosterschen harem bewaken, en wier mismaakte gedaante door een rijkdom hunner kleeding nog afzichtelijker werd. Hij naderde met denblik en de houding van een man, op wiens voorhoofd de natuur geschreven had: „deze is een Koning!” In zijn sneeuwwitten tulband en een gewaad van dezelfde kleur en zijne wijde Oostersche broek met eene scharlaken roode sjerp zonder eenig ander sieraad, kon Saladinde eenvoudigste onder zijne lijfwacht geschenen hebben. Maar een nauwgezetter onderzoek deed in zijn tulband dat onwaardeerbaar juweel ontdekken, dat de dichters de „Zee van Licht” noemden; de diamant, waarop zijn wapen was gesneden, en dien hij in een ring droeg, had waarschijnlijk dezelfde waarde als alle kostbare steenen van de Engelsche kroon te samen, en eensaffier, aan het uiteinde van het hecht van zijn dolk, was bijna even kostbaar. Hierbij moet men nog voegen, dat de Sultan, om zich voor het stof te behoeden, dat in de nabijheid der Doode Zee aan de fijnste asch gelijk is, of misschien uit Oosterschen hoogmoed, eene soort van sluier droeg, die aan zijn tulband was vastgemaakt, en eene lichte schaduw wierp op zijne edele gelaatstrekken. Hij reed op een melkwit Arabisch paard, dat hem droeg, alsof het wist, welken edelen last het op zijn rug had, en trotsch daarop was.Zonder eenige voorbereidende ceremonie stegenonmiddellijkde twee vorstelijke helden, want dien naam verdienden zij ten volle, gelijktijdig van hun paard; en terwijl de troepen staan bleven en de muziek eensklaps ophield, naderden zij, het diepste stilzwijgen in acht nemende, elkander, en na eene beleefde buiging van weerszijden, omhelsden zij elkander als broeders en elkaars gelijken. De praal en pracht van beide zijden verloor zijn luister—niemand zag iets anders dan Richard en Saladin, en ook zij zagen niet dan elkander. De blik, waarmede Richard Saladin beschouwde, was echter vorschender dan die, welkede Sultan op hem vestigde; ook was deze de eerste, die het stilzwijgen afbrak.„Melec Ric is Saladin even welkom, als het water dezer woestijn. Ik vertrouw, dat hij geen wantrouwen tegen deze talrijke schaar heeft. Behalve deze gewapende slaven van mijn huis, zijn degenen, welke u met oogen van verwondering en verwelkoming omringden, zelfs de nederigsten van hen, de bevoorrechte edelen van mijne duizend stammen; want wie, die aanspraak kon maken om tegenwoordig te zijn, zou te huis willen blijven, nu er zulk een Vorst als Richard te zien was, met den schrik voor wiens naam zelfs te midden van het zand vanJemen, de voedster haar kind tot stilte brengt, en de vrije Arabier zijn wederspannig ros beteugelt.”1„En dit zijn allen Arabische edelen?” vroeg Richard, om zich heen ziende naar de woeste gedaanten, wier gelaat verzengd was door de zonnestralen, wier tanden het ivoor in witheid evenaarden, terwijl hunne zwarte oogen van onder de schaduw hunner tulbanden met fieren en bovennatuurlijken glans schitterden, en hunne kleeding over het algemeen eenvoudig, zelfs armelijk was.„Zij maken aanspraak op dien rang,” antwoordde Saladin; „maar hoe talrijk ook, toch zijn zij onder de voorwaarden van het verdrag, en dragen geene wapenen behalve de sabel—zelfs het ijzer hunner lansen hebben zij achtergelaten.”„Ik vrees,” mompelde de Vaux in het Engelsch, „dat zij het op eene plaats gelaten hebben, waar zij het schielijk kunnen vinden. Een zeer bloeiend huis van Pairs, dat beken ik, en zij zouden Westminster-Hall nog te klein voor zich achten.”„Stil, de Vaux,” antwoordde Richard, „ik beveel het u.—Edele Saladin,” sprak hij, „achterdocht en gij, kunnen niet op denzelfden grond bestaan. Ziet gij,” op den draagstoel wijzende,—„ik heb ook eenige kampioenen medegebracht, ofschoon zij, misschien met inbreuk op het verdrag, gewapend zijn, want schitterende oogen en schoone gelaatstrekken zijn wapenen, die men niet achterlaten kan.”De Sultan, zich naar den draagstoel wendende, maakte eene even diepe buiging, of hij de oogen op Mekka gericht had, en kuste het zand ten teeken van eerbied.„Neen, broeder,” zeide Richard, „zij vreezen eene andere ontmoeting niet; wilt gij niet naar hare draagstoelen rijden, en de gordijnen zullen dadelijk weggetrokken worden.”„Dat verhoede Allah!” antwoordde Saladin; „want elk Arabier die er getuige van is, zou het voor een schande houden, dat de edele vrouwen met ontbloot gelaat gezien werden.”„Gij zult haar zien als wij alleen zijn, broeder,” hernam Richard.„Waartoe?” hervatte Saladin treurig. „Uw laatste brief was voor de hoop, die ik koesterde, gelijk water voor het vuur; en waarom zouik opnieuw eene vlam doen ontbranden, die mij kan verteren, maar niet verwarmen?—Maar wil mijn broeder niet in den tent gaan, die zijn dienaar voor hem bereid heeft? Mijn voornaamste zwarte slaaf heeft bevel voor de ontvangst der prinsessen—de officieren van mijn huis zullen voor uw gevolg zorgen; en wij zelf zullen de kamerheer van Koning Richard zijn.”Hij wees bij die woorden den weg naar eene prachtige tent, waarin zich alles bevond, wat koninklijke weelde kon bedenken. De Vaux, die den Koning bediende, nam hem toen decapaof langen reismantel af, dien Richard droeg, en deze stond voor Saladin in de eng sluitende kleeding, welke de kracht en de wel gevormde leden van zijn persoon voordeelig deed uitkomen, terwijl zij een sterk contrast vormde met het fladderende gewaad, dat de magere gestalte van den Oosterschen Monarch bedekte. Maar het was Richard’s ontzaglijk zwaard, dat vooral de aandacht van den Sarraceen trok, eene breede, rechte kling, waarvan de schijnbaar niet te hanteeren lengte zich bijna van den schouder tot de hiel van den drager reikte.„Had ik dit staal niet in het front van den slag zien schitteren,” zeide Saladin, „gelijk dat van Azraël, dan zou ik moeilijk geloofd hebben, dat een menschenarm het kon bestieren. Mag ik verzoeken, om Melec Ric in vrede en alleen tot eene proef van zijne kracht een slag daarmede te zien doen?”„Gaarne, edele Saladin,” antwoordde Richard, en rondziende naar iets, waarop hij zijne kracht kon uitoefenen, zag hij eene stalen knots, die een der wachten hield, waarvan de steel van hetzelfde metaal en omtrent anderhalf duim in doorsnede was—deze legde hij op een houten blok.De bezorgdheid van de Vaux voor de eer zijns meesters deed hem in het Engelsch fluisteren: „om der heiligen Maagd’s wille, mijn Koning, zie toe wat gij onderneemt. Uwe volle kracht is nog niet teruggekeerd—geef den ongeloovigen geen gelegenheid tot zegepraal.”„Zwijg, dwaas!” zeide Richard, vast op zijne plaats staande, en een fieren blik om zich heen werpende,—sprak hij, „denkt gij, dat het inzijnetegenwoordigheid missen kan?”Het blinkende zwaard, door zijne beide handen bestierd, verhief zich tot boven zijn linker schouder, draaide om zijn hoofd, viel met den zwaai van een ontzaglijk werktuig neder, en de ijzeren stang rolde in twee stukken op den grond, zooals een houthakker een jong boompje met een groot snoeimes zou afhouwen.„Bij het hoofd van den Profeet, een allermerkwaardigste houw!” riep de Sultan, terwijl hij met het oog eens kenners de in stukken gehouwen ijzeren stang nauwkeurig onderzocht. De kling van het zwaard was zóó gehard, dat zij niet het minste blijk vertoonde, dat zij door de verrichte daad van kracht geleden had. Hierop nam hij des Konings hand, en de groote en gespierde kracht, die duidelijk eraan te zien was, beschouwende, lachte hij, terwijl hij de zijne er naast legde, die zoo rank en dun en zooveel minder in vleesch en spieren was.„Ja, zie goed toe,” zeide de Vaux in het Engelsch, „het zal lang duren, eer uwe lange apenvingers met uwe schoone, vergulde sikkel zulk een daad verrichten.”„Stil, de Vaux,” zeide Richard; „bij onze lieve Vrouw, hij verstaat of gist uwe meening—wees niet zoo onbeschoft, bid ik u.”De Sultan zeide inderdaad op hetzelfde oogenblik: „iets wilde ik gaarne beproeven—maar waarom zouden de zwakken hunne minderheid in tegenwoordigheid der sterken laten zien? Intusschen, ieder land heeft zijne eigen oefeningen, en mogelijk is dit nieuw voor Melec Ric.”—Bij deze woorden nam hij een kussen van zijde en dons van de vloer, en zette het op het eene einde rechtop.—„Kan uw wapen dit kussen splijten?” vroeg hij aan Koning Richard.„Neen, zeker niet,” antwoordde de Koning, „geen zwaard op aarde, al ware het deExcaliburvan Koning Arthur, kan iets doorsnijden, dat geen vasten tegenstand biedt.”„Pas dan op,” zeide Saladin; en de mouw van zijn gewaad optrekkende, liet hij zijn arm zien, die wel is waar lang en mager was, maar die door gedurige oefening verhard was tot eene massa, die uit niets dan peezen en zenuwen bestond. Hij trok zijn sabel uit de scheede; het was eene kromme smalle kling, die niet, gelijk de zwaarden der Franken schitterde, maar integendeel van eene matte, blauwe kleur was, met millioenen slangswijze loopende lijnen geteekend, welke toonden, hoe het metaal door den wapensmid bewerkt was geworden. Met dit wapen, dat in schijn zoo weinig kon uitrichten, als het met dat van Richard vergeleken werd, stond de Sultan, steunend op zijn linker voet, die een weinig voorwaarts stond; hij balanceerde een oogenblik, alsof hij zijn doel goed wilde vatten; toen plotseling voorwaarts tredende, trok hij de sabel dwars door het kussen, terwijl hij het lemmet zoo behendig en tevens met zoo weinig zichtbare inspanning gebruikte, dat het kussen eer uiteen scheen te vallen, dan dat het door geweld vaneen gescheiden werd.„Dit is een goochelaarskunstje,” zeide de Vaux, vooruitspringende en het stuk van het kussen, dat afgesneden was, opvattende, alsof hij zich van de werkelijkheid der zaak wilde overtuigen—„daar is tooverij bij.”De Sultan scheen hem te begrijpen; want hij maakte de soort van sluier, dien hij tot hiertoe om gehad had, los, legde dien dubbel over het lemmet van zijn sabel, strekte die in de lucht, en trok ze eensklaps door den sluier, ofschoon die geheel los om de kling hing, en scheidde ook dezen in twee deelen, die naar verschillende zijden der tent vlogen, aldus evenzeer de buitengemeene hardheid en scherpte toonende van het wapen als de uitstekende behendigheid van hem, die het hanteerde.„Nu, in vollen ernst, broeder,” zeide Richard, „gij zijt zonder wederga in de hanteering van het zwaard, en het zou zeer gevaarlijk zijn met u te vechten. Intusschen, ik stel eenig vertrouwen in een goeden Engelschen slag, en wat wij niet door list vermogen, vergoedenwij door sterkte. Niettemin zijt gij in waarheid even ervaren in het toebrengen van wonden, als mijn wijze Hakim in het genezen ervan. Ik hoop toch, dat ik den geleerden arts zal zien.—Ik heb hem veel te danken, en bracht eenige kleine geschenken mede.”Terwijl hij sprak, verwisselde Saladin zijn tulband met eene Tartaarsche muts. Nauwelijks had hij dit gedaan, of de Vaux opende eensklaps zijn breeden mond en zijne groote, ronde oogen, en Richard staarde met niet minder verwondering, terwijl de Sultan op ernstigen en veranderden toon zeide:„De zieke,” zegt de dichter, „kent den geneesheer aan zijn stap; maar wanneer hij hersteld is, kent hij niet eens zijn gelaat, als hij hem aanziet.”„Een wonder!—een wonder!” riep Richard uit.„Zonder twijfel door Mahomed bewerkt,” zeide Thomas de Vaux.„Dat ik mijn geleerden Hakim alleen door het afleggen van zijne muts en zijn tulband zou verliezen, en hem in mijn koninklijken broeder Saladin mag wedervinden!”„Zoo gaat het in de wereld,” antwoordde de Sultan; „het gescheurde kleed maakt niet altijd den dervisch uit.”„En het was op uwe voorspraak,” vroeg Richard, „dat de ridder van den Luipaard van den dood gered werd—en door uwe list, dat hij mijne legerplaats weder vermomd bezocht?”„Zoo is het,” hervatte Saladin; „ik was bekwaam genoeg als geneesheer om te weten, dat, zoo de wonden van zijne bloedende eer niet gestild werden, de dagen zijns levens weinig zouden zijn. Zijne vermomming werd lichter doorgrond, dan ik van den goeden uitslag van de mijne verwacht had.”„Een toeval,” antwoordde Richard,—waarschijnlijk doelende op de omstandigheid, dat hij met zijne lippen de wond van den gewaanden Nubiër had uitgezogen,—„deed mij eerst ontdekken, dat zijn vel door kunst gekleurd was; en toen ik eenmaal die aanwijzing had, werd de ontdekking zeer gemakkelijk, want zijne gestalte en zijn voorkomen zijn niet zoo licht te vergeten. Ik vertrouw vast, dat hij morgen zal strijden.”„Hij bereidt zich reeds voor en is vol hoop,” zeide de Sultan. „Ik heb hem wapens en een paard verschaft, daar ik eene hooge gedachte van hem heb, voor zoover ik hem in verschillende vermommingen heb gadegeslagen.”„Weet hij thans,” vroeg Richard,„aan wien hij die groote verplichting heeft?”„Ja,” antwoordde de Sarraceen—„ik was verplicht te bekennen, wie ik was, toen ik hem mijn plan mededeelde.”„En bekende hij u iets?”vroeg de Koning van Engeland.„Rechtstreeks niets,” zeide de Sultan; „maar uit vele dingen, die tusschen ons voorgevallen zijn, maak ik op, dat zijne liefde te hoog geplaatst is, om tot een gelukkig einde te leiden.”„En gij wist, dat zijne vermetele, onbeschaamde hartstocht uwe eigen wenschen in den weg stond?” vroeg Richard.„Dit kon ik gissen,” hernam Saladin; „maar zijn hartstocht heeft bestaan, eer mijne wenschen gevormd waren—en dit moet ik er thans bijvoegen: zij zal die ook wel overleven.—Ik kan het met mijne eer niet overeenbrengen om mijne teleurstelling te wreken op hem, die er geen deel in had. Of, zoo deze hooggeboren dame hem meer dan mij beminde, wie kan zeggen, dat zij geen recht liet wedervaren aan een ridder, die zoo edel is?”„Maar van te geringe afkomst, om zich het bloed van Plantagenet te vermengen,” zeide Richard op trotschen toon.„Dat kunnen uwe beginselen in Frangistan zijn,” hervatte de Sultan. „Onze dichters in de Oostersche landen zeggen, dat een dapper kameeldrijver waardig is de lippen te kussen eener schoone koningin, terwijl een lafhartig prins niet waardig is, den zoom van haar kleed te kussen. Maar met uw verlof, edele broeder, ik moet voor het oogenblik afscheid van u nemen, om den hertog van Oostenrijk en dien anderen Nazareenschen ridder te ontvangen, die mijner gastvrijheid veel minder waardig zijn, en toch behoorlijk moeten onthaald worden, niet om hunnen ’t wil, maar om mijne eigen eer—want wat zegt de wijze Lokman? Zeg niet, dat het voedsel, hetwelk gij aan den vreemdeling geeft voor u verloren is—want indien zijn lichaam daardoor versterkt en gevoed wordt, zoo wordt niet minder uwe eigen eer en uw goede naam daardoor bevorderd en verhoogd.”De Sarraceensche monarch verliet Koning Richard’s tent, en hem meer door teekens dan door woorden aangeduid hebbende, waar die van de Koningin en haar gevolg opgeslagen was, ging hij den markies van Montserrat en zijne begeleiders ontvangen, voor wie de prachtlievende Sultan met even veel luister, ofschoon met minder welwillendheid, toebereidselen had laten maken. De heerlijkste ververschingen, zoo wel naar den Oosterschen als den Europeeschen smaak, werden den koninklijken en vorstelijken gasten van Saladin, elk in zijne bijzondere tent, aangeboden; en zoo oplettend was de Sultan op de gewoonten en den smaak zijner bezoekers, dat Grieksche slaven bij de hand waren, om hun den beker aan te bieden, die voor de sektevan Mahomed een gruwel is. Eer Richard zijn maal geëindigd had, trad de oude omrah, die den brief des Sultans naar de Christelijke legerplaats gebracht had, binnen met een programma van de plechtigheden, die den volgenden dag moesten in acht genomen worden. Richard, die op de hoogte was van den smaak van zijn ouden bekende,noodigde hem uit, hem met een flesch Schiras wijn bescheid te doen; maar Abdallah gaf hem met een treurig gelaat te verstaan, dat zelfverloochening in de tegenwoordige omstandigheden eene zaak was, waarbij zijn leven was betrokken; want dat Saladin, in vele opzichten verdraagzaam, de wetten van den profeet zoowel zelf in acht nam, als de vervulling ervan bij anderen door zware straffen zocht af te dwingen.„Welnu dan,” zeide Richard, „indien hij niet houdt van wijn, die het menschelijk hart vervroolijkt, is zijne bekeering niet te wenschen, en de voorspelling van den krankzinnigen priester van Engaddi verstuift als kaf voor den wind.”Hierop stelde de Koning de voorwaarden van het gevecht vast, wat vrij veel tijd kostte, daar men over sommige punten zoowel de tegenpartij als den Sultan raadplegen moest.Eindelijk werd men het daaromtrent geheel eens, en zij werden in het Fransch en Arabisch in het protocol opgenomen, en dit door Saladin, als scheidsrechter van het strijdperk en door Richard en Leopold, als borgen voor de twee strijders, onderteekend. Toen de omrah voor dien avond afscheid bij den Koning nam, trad de Vaux binnen.„De goede ridder,” zeide hij, „die morgen zal strijden, wenscht te weten, of hij dezen avond zijne opwachting bij zijn koninklijken getuige maken mag.”„Hebt gij hem gezien, de Vaux?” vroeg de Koning glimlachend; „en hebt gij een ouden bekende gevonden?”„Bij onze lieve Vrouw van Lanercost,” antwoordde de Vaux, „er zijn zoo vele verrassingen en gedaantewisselingen in dit land, dat mijne arme hersens daarvan duizelen. Nauwelijks had ik sir Kenneth van Schotland herkend, of zijn goede hond, die gedurende eene korte poos onder mijne zorg geweest was, kwam mij liefkozen; en zelfs toen kende ik het dier alleen aan de breedte van zijne borst, zijn ronde pooten, en zijne wijze van blaffen, want het arme dier was beschilderd als eene Venetiaansche dame.”„Gij hebt meer verstand van dieren dan van menschen, de Vaux,” zeide de Koning.„Ik wil niet ontkennen,”zeide de Vaux,„dat ik dieren dikwijls beter dan menschen bevonden heb. Ook behaagt het uwe Majesteit mij somtijds een dier te noemen; bovendien ben ik in dienst van den Leeuw, die alle menschen voor den Koning der dieren erkennen.”„Waarlijk, daar hebt gij met uwe lans schoon tegen mijn voorhoofd gestooten,” hervatte de Koning. „Ik heb altijd gezegd, dat gij eenig vernuft hebt, de Vaux—maar bij mijne ziel, men moet u met eensmidshamer slaan, eer men het vonken kan doen schieten. Maar ter zake—is de goede ridder behoorlijk gewapend en uitgerust?”„Volkomen en behoorlijk,” antwoordde de Vaux; „ik ken de wapenrusting wel—het is die, welke de Venetiaansche commissaris uwe Majesteit voor vijfhonderd byzantynen aanbood, juist vóór dat gij ziek geworden zijt.”„En hij heeft die, daar sta ik voor in, voor een paar dukaten meer en kontante betaling verkocht? Deze Venetianen zouden het heilige Graf zelf verkoopen!”„Deze zal nooit in een edeler zaak gedragen worden,” hernam de Vaux.„Dank der edelmoedigheid van den Sarraceen,” hervatte de Koning, „niet der gierigheid van de Venetiaan.”„Ik wilde om Gods wil, dat uwe Majesteit voorzichtiger ware,” zeide de angstvallige de Vaux.—„Hier worden wij door al onze bondgenooten verlaten wegens de beleedigingen, die den een of ander zijn aangedaan: wij kunnen niet hopen op het land te slagen, en wij moeten slechts nog met de amphibie-republiek onderhandelen, om de middelen tot onzen terugtocht over zee niet te verliezen.”„Ik zal mij in acht nemen,” hervatte Richard ongeduldig;„maar houd geen boetpredikaties meer. Zeg mij liever, want dit is van belang, heeft de ridder een biechtvader?”„Ja,” antwoordde de Vaux; „de kluizenaar van Engaddi, die dezen plicht bij hem vervuld heeft, toen hij zich ter dood bereidde, is bij de tegenwoordige gelegenheid ook bij hem, daar het gerucht van den tweestrijd hem herwaarts gebracht heeft.”„Het is goed,” zeide Richard, „en nu het verzoek van den ridder. Zeg hem, dat Richard hem zal ontvangen, als hij door het vervullen van zijn plicht bij den Diamant der woestijn zijne schuld bij den St. Georgeberg weder zal goed gemaakt hebben. En als gij door het kamp gaat, zeg dan aan de Koningin, dat ik haar in hare tent zal bezoeken, en zeg aan Blondel, dat hij mij daar moet opzoeken.”De Vaux vertrok, en ongeveer een uur daarna wandelde Richard, in zijn mantel gehuld, en zijne gitaar in de hand, naar de tent der Koningin. Verscheiden Arabieren gingen hem voorbij, maar altijd met het hoofd van hem afgewend, en de oogen naar den grond gericht, ofschoon hij bemerken kon, dat allen hem ernstig nazagen, wanneer hij voorbij was. Dit deed hem met reden vermoeden, dat zijn persoon bij hen bekend was; maar dat óf de bevelen van den Sultan, óf de hun eigene Oostersche beleefdheid hen verbood, om acht te slaan op een vorst, dieincognitowenschte te blijven.Toen de Koning de tent der Koningin bereikte, vond hij deze door die ongelukkige dienaars bewaakt, welke de Oostersche jaloezie om de Zenana plaatst. Blondel wandelde voor de ingang heen en weder en tokkelde van tijd tot tijd zijne snaren op eene wijze, dat de Afrikanen hunne ivoren tanden lieten zien, en hem met hunne zonderlinge gebaren en schelle, onnatuurlijke stemmen begeleidden.„Wat wilt gij met deze kudde zwart vee, Blondel?” vroeg de Koning; „waarom gaat ge niet in de tent?”„Omdat mijn beroep noch het hoofd noch de vingers kan missen,” antwoordde Blondel, „en deze eerlijke Negers dreigden, om mij lid voor lid af te houwen, als ik verder ging.”„Nu, ga dan met mij binnen,” zeide de Koning, „ik zal uw vrijgeleide zijn.”De zwarten lieten nu hunne pieken en sabels voor Koning Richard zinken, en sloegen hunne oogen naar den grond, alsof zij onwaardig waren hem aan te zien. In het binnenste van de tent vonden zij de Koningin. Terwijl Berengaria Blondel verwelkomde, sprak Richard eenigen tijd in het geheim en ter zijde met zijne schoone nicht.Eindelijk zeide hij fluisterend tot haar: „zijn wij nog vijanden, schoone Edith?”„Neen, mijn Koning,” antwoordde Edith op een toon, juist zacht genoeg om de muziek niet te hinderen—„niemand kan vijandschap tegen Koning Richard houden, wanneer hij zich toonen wil, zooals hij wezenlijk is! grootmoedig en edel, zoo wel als dapper en eervol.”Dit zeggende, reikte zij hem hare hand. De Koning kuste die ten teeken van verzoening en vervolgde toen: „gij meent, schoone nicht, dat mijn toorn in deze zaak geveinsd was; maar gij vergist u. De straf, die ik dezen ridder opgelegd heb, was billijk; want hij had—het doet er niet toe voor welken verleidenden omkoopprijs, schoone nicht—het hem toevertrouwde verraden. Maar ik verheug mij misschien evenzeer als gij, dat de dag van morgen hem de kans geeft, om overwinnaar in den strijd te worden, en de smet uit te wisschen, die eenigen tijd op hem, als op een wezenlijken dief en verrader, gekleefd heeft. Neen! het nageslacht moge Richard wegens zijne onstuimige dwaasheid laken; maar het zal zeggen, dat hij, in het vellen van vonnis rechtvaardig was, wanneer hij moest, en genadig, wanneer hij kon!”„Prijs niet u zelven, Richard,” hernam Edith. „Zij kunnen uwe gerechtigheid wreedheid—uwe genade gril noemen.”„En wees gij niet hoovaardig,” hervatte de Koning, „alsof uw ridder, die zijne wapenrusting nog niet aangegespt heeft, die reeds in zegepraal aflegde.—Koenraad van Montserrat wordt voor eene goede lans gehouden, zoo eens de Schot den strijd verloor?”„Dat is onmogelijk!” antwoordde Edith op vasten toon.—„Mijne eigen oogen hebben dien Koenraad, als een lagen dief zien sidderen en verbleeken. Hij is schuldig—en de kampstrijd is een beroep op de rechtvaardigheid Gods.—Ik zelve zou, in zulk eene zaak, zonder vrees met hem durven strijden.”„Bij de heilige mis, ik geloof, dat gij het doen zoudt, meisje,” zeide de Koning, „en hem bovendien ter neer werpen; want er is geen echter Plantagenet op aarde dan gij.”Hier zweeg hij, maar ging na eenige oogenblikken op zeer ernstigentoon voort: „Zorg, dat gij u blijft herinneren, wat gij uwer geboorte verschuldigd zijt.”„Wat beduidt deze raad, dien gij mij op dit oogenblik zoo ernstig geeft?” vroeg Edith. „Ben ik zoo lichtzinnig, dat ik mijn naam en stand vergeten zou?”„Ik wil ronduit spreken, Edith,” antwoordde de Koning, „en als tot eene vriendin.—Wat zal deze ridder voor u zijn, zoo hij uit dien strijd als overwinnaar optreedt?”„Voormij?” hervatte Edith, van schaamte en misnoegen hoog blozende; „watkanhij voor mij meer zijn, dan een geëerd ridder, zulke gunst waardig, als Koningin Berengaria hem zou schenken, indien hij haar voor zijne dame gekozen had, in plaats van eene onwaardiger keus te doen? De geringste kan zich aan den dienst eener Keizerin wijden, maar de roem van zijne keus,” dit zeide zij op fieren toon, „moet zijne belooning zijn.”„Nochtans, hij heeft veel voor u gedaan en geleden,” hernam de Koning.„Ik heb zijne diensten met eer en toejuiching en zijn lijden met tranen betaald,” antwoordde Edith. „Zoo hij eenig ander loon verwachtte, dan moest hij eene dame van zijn eigen stand bemind hebben.”„Gij zoudt dus het bloedige nachtkleed niet om zijnentwille aantrekken?” vroeg Koning Richard.„Evenmin,” antwoordde Edith, „als ik van hem zou gevorderd hebben, zijn leven bloot te stellen door eene daad, die meer dolheid dan eer was.”„De vrouwen spreken altijd zoo,” zeide de Koning, „maar wanneer de begunstigde minnaar met zijn aanzoek bij een dame aandringt, dan zegt zij met een zucht, dat haar gesternte het anders besloten had.”„Uwe Majesteit heeft mij nu reeds voor de tweede maal met den invloed van mijn horoskoop bedreigd,” hervatte Edith met waardigheid. „Vertrouw er op, mijn Koning, dat, hoe groot ook de macht der sterren is, uwe arme bloedverwante nooit een ongeloovige of een avonturier zonder afkomst zal huwen!—Vergun mij, dat ik naar de muziek van Blondel luister, want de toon van uwe koninklijke vermaningen is op verre na niet zoo aangenaam voor mijne ooren.”Het verdere van den avond leverde niets merkwaardigs meer op.
Den volgenden morgen werd Richard door Filips van Frankrijk tot een onderhoud genoodigd; en toen deelde deze hem met veel betuigingen van zijne hooge achting voor zijn broeder van Engeland, in hoogst beleefde, maar te duidelijke bewoordingen om misverstaan te worden, zijn stellig voornemen mede, om naar Europa en tot de zorg voor zijn koninkrijk terug te keeren, daar hij geheel aan den verderen uitslag van hunne onderneming bij de vermindering hunner macht en hunne onderlinge oneenigheid wanhoopte. Richard deed vergeefsche vertoogen, en toen de bijeenkomst geëindigd was, ontving hij zonder verwondering eene verklaring van den hertog van Oostenrijk en verscheidene andere vorsten, een gelijk besluit als dat van Filips bevattende, en in onbewimpelde woorden als reden van hun afval van het Kruis de onbeteugelde eerzucht en het willekeurig beheer van Richard van Engeland aanvoerende. Alle hoop om den oorlog met eenig vooruitzicht op goeden uitslag voort te zetten werd nu vaarwel gezegd, en Richard, bittere tranen over zijne teleurgestelde hoop op roem stortende, vond weinig troost in de overweging, dat de mislukking eenigermate aan de voordeelen was toe te schrijven, die hijzijn vijanden door zijn driftig en onvoorzichtig karakter verschaft had.
„Zij hadden mijn vader niet zoo durven verlaten,” zeide hij tot de Vaux in de bitterheid zijner gramschap.—„Geen smaadredenen, die zij tegen zulk een wijs Koning konden uitgebraakt hebben, had men in het Christendom geloofd; terwijl ik,—dwaas die ik ben!—hun niet alleen een voorwendsel aan de hand gegeven heb, om mij te verlaten, maar zelfs den schijn, om al den blaam van de breuk op mijne ongelukkige zwakheden te werpen.”
Deze gedachten waren zoo bitter pijnigend voor den Koning, dat de Vaux zich verheugde, toen de aankomst van een gezant van Saladin zijne gedachten op een ander voorwerp leidde.
Deze nieuwe gezant was een emir, die in hooge achting stond bij den Sultan, en wiens naam Abdallah el Hadji was. Hij leidde zijn oorsprong af van het geslacht des profeets en van den stam Hashem en tot teeken van deze afstamming droeg hij een groenen tulband van buitengewone grootte. Hij had ook drie malen de reis naar Mekka gedaan, en hiervan had hij zijn bijnaam van Hadji, of pelgrim. Ondanks deze verschillende aanspraken op heiligheid, was Abdallah, voor een Arabier, een lustig gezel, die vermaak vond in een vroolijk verhaal, en zijne deftigheid zóó ver aflegde, dat hij eene goede flesch ledigde, wanneer geheimhouding hem tegen schandaal waarborgde. Hij was tevens een staatsman, van wiens bekwaamheden Saladin gebruik gemaakt had in onderscheidene onderhandelingen met de Christen Vorsten en bijzonder met Richard, bij wien El Hadji persoonlijk bekend en aangenaam was. Aangespoord door de gereede vergunning, waarmede de gezant van Saladin een vrij veld schonk, tot een strijdperk en een vrijgeleide voor allen, die er getuige van wenschten te zijn, en zijn eigen persoon als borg voor zijne getrouwheidaanbood, vergat Richard spoedig zijne bedrogen hoop, en de naderende ontbinding van het Christen verbond, door de aangename beraadslaging, die een gevecht op het toernooiveld voorafging.
De plek, de diamant van de woestijn genoemd, werd voor de strijdplaats aangewezen, daar deze ongeveer op gelijken afstand tusschen de Christen en de Sarraceensche legerplaats lag. Men kwam overeen, dat Koenraad van Montserrat, de aangeklaagde, met zijne secondanten, den aartshertog van Oostenrijk en den grootmeester der Tempeliers, aldaar op den bepaalden dag met honderd gewapenden en niet meer zou verschijnen; dat Richard van Engeland en zijn broeder Salisbury, die de beschuldiging staande hielden, met hetzelfde getal zouden komen, om des Konings kampioen te beschermen; en dat de Sultan eene wacht van vijfhonderd uitgelezen krijgslieden zou medebrengen, een korps, dat men als niet meer dan aan tweehonderd Christen lansen geëvenredigd oordeelde. Zoodanige personen van aanzien, welke beide partijen zouden noodigen, om den strijd bij te wonen, zouden geene andere aanvallende wapenen dan hunne zwaarden dragen, en zonder wapenen ter verdediging komen. De Sultan nam op zich het strijdperk gereed te maken, en gemakken en ververschingen van allerleiaard te bereiden voor allen, die bij deze plechtigheid zouden tegenwoordig zijn. Zijn brief drukte met veel hoffelijkheid het genoegen uit, dat hij zich beloofde van het vooruitzicht op eene persoonlijke en vreedzame ontmoeting met Melec Ric en zijne groote begeerte, om zijne ontvangst zoo aangenaam mogelijk te maken.
Toen alle voorafgaande punten geregeld en aan den aangeklaagden en zijne secondanten medegedeeld waren, werdAbdallah elHadji tot eene meer geheime bijeenkomst toegelaten, waar hij met genoegen de gezangen van Blondel hoorde. Na eerst zorgvuldig zijn groenen tulband buiten het gezicht gelegd, en in de plaats daarvan eene Grieksche muts opgezet te hebben, beantwoordde hij de muziek met een drinklied in het Perzisch, en dronk een fijne flesch Cyprus wijn, om te toonen, dat zijne practijk met zijne beginselen overeenkwamen. Den volgenden dag, deftig en nuchter als de waterdrinker Minlip, boog hij zijn voorhoofd tot den grond voor de voetschabel van Saladin, en gaf den Sultan bericht van zijn gezantschap.
Op den dag vóór dien tot het gevecht bestemd, vertrokken Koenraad en zijne vrienden bij het aanbreken van den dag om zich naar de aangewezen plaats te begeven, en Richard verliet de legerplaats op hetzelfde uur en met hetzelfde voornemen. Maar, zooals men overeengekomen was, nam hij een verschillenden weg, eene voorzorg, die men noodig geoordeeld had, om de mogelijkheid van een twist tusschen hunne gewapende begeleiders te voorkomen.
De goede Koning zelf had geen lust om met iemand te twisten. Niets had zijne aangename verwachtingen van een bloedig gevecht op leven en dood in het strijdperk kunnen verhoogen, behalve dat zijn eigen koninklijken persoon deelgenoot in den strijd had kunnen zijn; en hij was zelfs half met Koenraad van Montserrat verzoend. Licht gewapend, rijk gekleed en vroolijk als een bruidegom op den bruiloftsavond, steigerde Richard naast den draagstoel van Koningin Berengaria, haar de verschillende oorden, waar zij doortrokken, aanwijzende, terwijl hij den tocht door de ongastvrije wildernis met verhalen en gezang vervroolijkte. De vorige weg, dien de Koningin bij hare bedevaart naar Engaddi gevolgd had, liep langs de andere zijde van de bergketen, zoodat haar de tafereelen der woestijn vreemd waren; en ofschoon Berengaria het karakter van haar gemaal te wèl kende, om niet te trachten het voorkomen van belangstelling aan te nemen in hetgeen hem behaagde te zeggen of te zingen, kon zij toch eenige vrouwelijke vrees niet weren, toen zij zich in de vreeselijke wildernis bevond, bijna in het midden der zandvlakte, met zulk een klein geleide, dat er als een stip uitzag. Tevens wist zij, dat zij niet zoo ver van de legerplaats van den Sultan waren, of zij konden in een oogenblik door eene grootere macht van zijne vlugge ruiterij overvallen en weggevoerd worden, als de Heiden trouweloos genoeg was om van zulk eene verleidelijke gelegenheid partij te trekken. Maar toen zij deze vermoedens aan Koning Richard liet bespeuren, bejegende hij die met misnoegen en verachting. „Het zou meer danondankbaarheid zijn,” zeide hij, „zoo men aan de goede trouw van den grootmoedigen Sultan twijfelde.”
Toch kwam deze gedachte meer dan eens weder op, niet alleen in het vreesachtig gemoed der Koningin, maar in den krachtiger en openhartiger geest van Edith Plantagenet, die niet zulk een onwankelbaar vertrouwen op de goede trouw van den Muzelman had, dat zij volmaakt gerust was, nu zij zoo geheel in diens macht was; en hare verbazing zou minder groot dan haar schrik geweest zijn, zoo dewoestijnplotseling van het geschreeuw van „Allah hu!” weergalmd had, en eene bende Arabische ruiterij als gieren op hunne prooi ware gestort. Deze achterdocht werd niet verminderd, toen zij bij het vallen van den avond een enkelen Arabischen ruiter bespeurden, dien men aan zijn tulband en zijne lange lans onderscheiden kon, en die boven den rand van eene kleine hoogte scheen te zweven, gelijk een havik zich in de lucht beweegt, en bij de verschijning van den koninklijken trein met den spoed van denzelfden vogel wegschoot, wanneer die voor den wind afvliegt en aan den gezichteinder verdwijnt.
„Wij moeten nabij de kampplaats zijn,” zeide Koning Richard; „en gindsche ruiter is een van Saladin’s buitenposten—mij dunkt, ik hoor het gedruisch der Moorsche horens en cymbalen. Schaart u in orde, vrienden, en omringt de dames op militaire wijze en aaneengesloten.”
Terwijl hij sprak, drong elk ridder, schildknaap en boogschutter haastig naar de hem aangewezen plaats, en zij trokken in de meest gesloten orde voorwaarts, zoodat hun getal nog geringer scheen. Om de waarheid te zeggen, ofschoon er mogelijk geene vrees bij hen heerschte, was angst zoowel als nieuwsgierigheid te bespeuren in de aandacht, waarmede zij naar het woeste gedruisch van de Moorsche muziek luisterden, die hoe langer hoe duidelijker zich hooren liet in de richting, waar men den Arabischen ruiter had zien verdwijnen.
De Vaux fluisterde den Koning toe: „Zou het niet goed zijn, mijn Vorst, een page naar den top van dien heuvel te zenden? Of behaagt het u, dat ik er heen rijd? Mij dunkt, naar al dat geraas en gedruisch te oordeelen, dat, zoo er niet meer dan vijfhonderd man aan de andere zijde van de heuvels zijn, de helft van het gevolg van den Sultan uit trommel- en cymbalenslagers bestaan moet …. Zal ik er heen rijden?”
De baron hield zijn paard goed in den toom en wilde juist de sporen geven, toen de Koning uitriep: „Om alles in de wereld, doe het niet. Zulk eene voorzorg zou achterdocht verraden, en zou van weinig nut zijn, om eene verrassing te voorkomen, die ik evenwel niet vrees.”
Zij trokken dientengevolge in gesloten en vaste orde voorwaarts, totdat zij over de rij lage heuvels en in het gezicht van de bestemde kampplaats kwamen, toen een prachtig maar tegelijkertijd ontzagwekkend schouwspel hen verraste. De Diamant van de woestijn, kort geleden eene eenzame fontein, die alleen te midden van de wildernis door enkele groepen palmboomen onderscheiden werd, was thans hetmiddelpunt van eene legerplaats, waarvan de geborduurde vlaggen en de vergulde sieraden heinde en ver schitterden, en de duizend rijke tinten de ondergaande zon zich weerkaatsten. Het linnen der groote tenten was van de vroolijkste kleuren, scharlaken, hoog geel, bleek blauw, en andere levendige en schitterende verwen, en de spitsen van hunne tentpalen waren met gouden granaatappels en kleine zijden wimpels versierd. Maar behalve deze versierde tenten was er, zooals Thomas de Vaux meende, een ontzaglijk aantal van de gewone zwarte tenten der Arabieren, daar deze, naar zijn oordeel, toereikend waren om volgens Oostersche wijze, een leger van vijfduizend man gemakkelijk in zich op te nemen. Een aantal Arabieren en Kurden, evenredig aan de uitgebreidheid van de legerplaats, vereenigde zich spoedig, ieder zijn paard aan de hand leidende, en hunne revue ging gepaard met een oorverdoovend gedruisch van schelklinkende krijgsinstrumenten, waardoor ten allen tijde de krijgsverrichtingen der Arabieren zich kenmerkten.
Zij vormden weldra een donkeren en verwarden hoop afgestegen ruiterij in het front van hun leger; daarop sprong, op een schel signaal, dat zich ver boven den klank der muziek verhief, ieder ruiter in het zadel. Eene wolk van stof, die bij deze beweging ontstond, verborg voor Richard en zijn gevolg het kamp, de palmboomen en de verafgelegen bergketen, zoowel als de benden, wier plotselinge beweging de wolk had veroorzaakt, welke, zich hoog boven hunne hoofden verheffende, de fantastische vormen van zuilen, koepels en minarets aannam. Men hoorde een tweede schel signaal uit dezen wolksluier klinken. Het was een sein voor de ruiters, om voort te rukken, wat zij in vollen galop deden, terwijl zij zich onder het voortrukken zoodanig rangschikten, dat zij op eenmaal voor het front, op zijde en in de achterhoede van Richard’s kleine lijfwacht kwamen, die aldus omringd was en bijna stikte in de dikke wolken stof, die hen van alle kanten omgaven. Door deze heen zag en verloor men bij afwisseling de woeste gestalten en wilde gezichten der Sarraceenen, die onder een woest geschreeuw, hunne lansen in alle mogelijke richtingen rondzwaaiden en voor zich uit stootten, en dikwijls hunne paarden eerst tegenhielden, wanneer zij op eene speerlengte van de Christenen verwijderd waren, terwijl die van de achterhoede dichte wolken pijlen over de hoofden der beide partijen schoten. Een ervan trof den draagstoel, waarin de Koningin zat, die luid gilde, en op dat oogenblik kleurde Richard’s voorhoofd.
„Ha, St. George!” riep hij uit, „wij moeten wat orde onder dit ongeloovige schuim stellen!”
Maar Edith, wier draagstoel nabij was, stak haar hoofd naar buiten, en in hare hand een der pijlen houdende, riep zij hem toe: „Koninklijke Richard, wacht u, wat gij doet. Zie, deze pijlen hebben geene punten!”
„Edel, gevoelvol meisje!” zeide Richard; „bij den hemel, gij beschaamt ons allen door uwe snelheid van gedachten en uw blik.—Verontrust u niet, mijne goede landslieden,” riep hij zijn volgelingen toe—„hunne pijlen hebben geene spitsen—en aan hunne speren ontbreken ook de stalen punten. Het is slechts eene woeste verwelkoming, volgens hun wild gebruik, ofschoon zij ons zonder twijfel gaarne verschrikt of in verwarring zouden zien. Rukt voorwaarts, langzaam en vast!”
De kleine phalanx trok dus voort, van alle zijden door de Arabieren vergezeld onder het schelste en doordringende geschreeuw, terwijl de boogschutters intusschen hunne vaardigheid betoonden, daar zij zoo dicht mogelijk langs de helmen der Christenen schoten, zonder hen te treffen, terwijl de lansdragers elkander met zulke ruwe stooten van hunne plompe wapenen aanvielen, dat meer dan een van hen uit het zadel geraakte en bijna zijn leven in dit gevaarlijke spel verloor. Dit alles, ofschoon het bestemd was om eene verwelkoming aan te duiden, had toch eenig bedenkelijk aanzien in het oog der Westerlingen.
Toen zij omtrent halfweg het kamp waren, terwijl Koning Richard en zijn gevolg, als het ware, den kern vormden, waarom heen deze luidruchtige bende ruiters huilde, schreeuwde, schermutselde, galoppeerde en een tooneel van onbeschrijfelijke wanorde vormde, hoorde men nog eenmaal een schellen gil, waarop al deze onregelmatige benden, die in de voorhoede en op de zijden van den kleinen troep Europeanen waren, terugweken, en eene lange en breede kolom uitmakende, in stille orde de achterhoede, van Richard’s troep volgden. Het stof begon thans voor het front te verdwijnen, toen er hun door dien donkeren sluier eene bende ruiterij tegemoet trok van geheel verschillenden en meer geregelden aard, volkomen met wapenen van aanval uitgerust en die wel tot lijfwacht bij den meest verhevenen van alle Oostersche Monarchen had kunnen dienen. Elk paard van dien troep, die uit vijfhonderd man bestond, was het losgeld van een graaf waard. De ruiters waren Georgische en Circassische slaven in den bloei des levens. Hunne helmen en borstharnassen waren uit stalen ringen vervaardigd, die zoo sterk schitterden, alsof zij van zilver waren; hunne kleeding was van de levendigste kleuren en van sommigen van goud- of zilverstof. De sjerpen waren met zijde en goud doorwerkt, hunne rijke tulbanden met vederbossen en juweelen bezet, en hunne sabels en dolken vanDamascenerstaal, en aan het gevest en de scheede met goud en edelgesteenten versierd.
Dit prachtige korps rukte onder de tonen van krijgsmuziek voorwaarts, en toen zij bij den stoet der Christenen kwamen, openden zij hunne rijen ter rechter- en linkerzijde, en lieten hen tusschen hunne gelederen doortrekken. Richard nam nu de voorste plaats bij zijn troep in, daar hij begreep, dat Saladin zelf naderde. Het duurde dan ook niet lang of de Sultan kwam, te midden van zijn lijfwacht, omringd door de officieren van zijn huis, en die afschuwelijke Negers, die een Oosterschen harem bewaken, en wier mismaakte gedaante door een rijkdom hunner kleeding nog afzichtelijker werd. Hij naderde met denblik en de houding van een man, op wiens voorhoofd de natuur geschreven had: „deze is een Koning!” In zijn sneeuwwitten tulband en een gewaad van dezelfde kleur en zijne wijde Oostersche broek met eene scharlaken roode sjerp zonder eenig ander sieraad, kon Saladinde eenvoudigste onder zijne lijfwacht geschenen hebben. Maar een nauwgezetter onderzoek deed in zijn tulband dat onwaardeerbaar juweel ontdekken, dat de dichters de „Zee van Licht” noemden; de diamant, waarop zijn wapen was gesneden, en dien hij in een ring droeg, had waarschijnlijk dezelfde waarde als alle kostbare steenen van de Engelsche kroon te samen, en eensaffier, aan het uiteinde van het hecht van zijn dolk, was bijna even kostbaar. Hierbij moet men nog voegen, dat de Sultan, om zich voor het stof te behoeden, dat in de nabijheid der Doode Zee aan de fijnste asch gelijk is, of misschien uit Oosterschen hoogmoed, eene soort van sluier droeg, die aan zijn tulband was vastgemaakt, en eene lichte schaduw wierp op zijne edele gelaatstrekken. Hij reed op een melkwit Arabisch paard, dat hem droeg, alsof het wist, welken edelen last het op zijn rug had, en trotsch daarop was.
Zonder eenige voorbereidende ceremonie stegenonmiddellijkde twee vorstelijke helden, want dien naam verdienden zij ten volle, gelijktijdig van hun paard; en terwijl de troepen staan bleven en de muziek eensklaps ophield, naderden zij, het diepste stilzwijgen in acht nemende, elkander, en na eene beleefde buiging van weerszijden, omhelsden zij elkander als broeders en elkaars gelijken. De praal en pracht van beide zijden verloor zijn luister—niemand zag iets anders dan Richard en Saladin, en ook zij zagen niet dan elkander. De blik, waarmede Richard Saladin beschouwde, was echter vorschender dan die, welkede Sultan op hem vestigde; ook was deze de eerste, die het stilzwijgen afbrak.
„Melec Ric is Saladin even welkom, als het water dezer woestijn. Ik vertrouw, dat hij geen wantrouwen tegen deze talrijke schaar heeft. Behalve deze gewapende slaven van mijn huis, zijn degenen, welke u met oogen van verwondering en verwelkoming omringden, zelfs de nederigsten van hen, de bevoorrechte edelen van mijne duizend stammen; want wie, die aanspraak kon maken om tegenwoordig te zijn, zou te huis willen blijven, nu er zulk een Vorst als Richard te zien was, met den schrik voor wiens naam zelfs te midden van het zand vanJemen, de voedster haar kind tot stilte brengt, en de vrije Arabier zijn wederspannig ros beteugelt.”1
„En dit zijn allen Arabische edelen?” vroeg Richard, om zich heen ziende naar de woeste gedaanten, wier gelaat verzengd was door de zonnestralen, wier tanden het ivoor in witheid evenaarden, terwijl hunne zwarte oogen van onder de schaduw hunner tulbanden met fieren en bovennatuurlijken glans schitterden, en hunne kleeding over het algemeen eenvoudig, zelfs armelijk was.
„Zij maken aanspraak op dien rang,” antwoordde Saladin; „maar hoe talrijk ook, toch zijn zij onder de voorwaarden van het verdrag, en dragen geene wapenen behalve de sabel—zelfs het ijzer hunner lansen hebben zij achtergelaten.”
„Ik vrees,” mompelde de Vaux in het Engelsch, „dat zij het op eene plaats gelaten hebben, waar zij het schielijk kunnen vinden. Een zeer bloeiend huis van Pairs, dat beken ik, en zij zouden Westminster-Hall nog te klein voor zich achten.”
„Stil, de Vaux,” antwoordde Richard, „ik beveel het u.—Edele Saladin,” sprak hij, „achterdocht en gij, kunnen niet op denzelfden grond bestaan. Ziet gij,” op den draagstoel wijzende,—„ik heb ook eenige kampioenen medegebracht, ofschoon zij, misschien met inbreuk op het verdrag, gewapend zijn, want schitterende oogen en schoone gelaatstrekken zijn wapenen, die men niet achterlaten kan.”
De Sultan, zich naar den draagstoel wendende, maakte eene even diepe buiging, of hij de oogen op Mekka gericht had, en kuste het zand ten teeken van eerbied.
„Neen, broeder,” zeide Richard, „zij vreezen eene andere ontmoeting niet; wilt gij niet naar hare draagstoelen rijden, en de gordijnen zullen dadelijk weggetrokken worden.”
„Dat verhoede Allah!” antwoordde Saladin; „want elk Arabier die er getuige van is, zou het voor een schande houden, dat de edele vrouwen met ontbloot gelaat gezien werden.”
„Gij zult haar zien als wij alleen zijn, broeder,” hernam Richard.
„Waartoe?” hervatte Saladin treurig. „Uw laatste brief was voor de hoop, die ik koesterde, gelijk water voor het vuur; en waarom zouik opnieuw eene vlam doen ontbranden, die mij kan verteren, maar niet verwarmen?—Maar wil mijn broeder niet in den tent gaan, die zijn dienaar voor hem bereid heeft? Mijn voornaamste zwarte slaaf heeft bevel voor de ontvangst der prinsessen—de officieren van mijn huis zullen voor uw gevolg zorgen; en wij zelf zullen de kamerheer van Koning Richard zijn.”
Hij wees bij die woorden den weg naar eene prachtige tent, waarin zich alles bevond, wat koninklijke weelde kon bedenken. De Vaux, die den Koning bediende, nam hem toen decapaof langen reismantel af, dien Richard droeg, en deze stond voor Saladin in de eng sluitende kleeding, welke de kracht en de wel gevormde leden van zijn persoon voordeelig deed uitkomen, terwijl zij een sterk contrast vormde met het fladderende gewaad, dat de magere gestalte van den Oosterschen Monarch bedekte. Maar het was Richard’s ontzaglijk zwaard, dat vooral de aandacht van den Sarraceen trok, eene breede, rechte kling, waarvan de schijnbaar niet te hanteeren lengte zich bijna van den schouder tot de hiel van den drager reikte.
„Had ik dit staal niet in het front van den slag zien schitteren,” zeide Saladin, „gelijk dat van Azraël, dan zou ik moeilijk geloofd hebben, dat een menschenarm het kon bestieren. Mag ik verzoeken, om Melec Ric in vrede en alleen tot eene proef van zijne kracht een slag daarmede te zien doen?”
„Gaarne, edele Saladin,” antwoordde Richard, en rondziende naar iets, waarop hij zijne kracht kon uitoefenen, zag hij eene stalen knots, die een der wachten hield, waarvan de steel van hetzelfde metaal en omtrent anderhalf duim in doorsnede was—deze legde hij op een houten blok.
De bezorgdheid van de Vaux voor de eer zijns meesters deed hem in het Engelsch fluisteren: „om der heiligen Maagd’s wille, mijn Koning, zie toe wat gij onderneemt. Uwe volle kracht is nog niet teruggekeerd—geef den ongeloovigen geen gelegenheid tot zegepraal.”
„Zwijg, dwaas!” zeide Richard, vast op zijne plaats staande, en een fieren blik om zich heen werpende,—sprak hij, „denkt gij, dat het inzijnetegenwoordigheid missen kan?”
Het blinkende zwaard, door zijne beide handen bestierd, verhief zich tot boven zijn linker schouder, draaide om zijn hoofd, viel met den zwaai van een ontzaglijk werktuig neder, en de ijzeren stang rolde in twee stukken op den grond, zooals een houthakker een jong boompje met een groot snoeimes zou afhouwen.
„Bij het hoofd van den Profeet, een allermerkwaardigste houw!” riep de Sultan, terwijl hij met het oog eens kenners de in stukken gehouwen ijzeren stang nauwkeurig onderzocht. De kling van het zwaard was zóó gehard, dat zij niet het minste blijk vertoonde, dat zij door de verrichte daad van kracht geleden had. Hierop nam hij des Konings hand, en de groote en gespierde kracht, die duidelijk eraan te zien was, beschouwende, lachte hij, terwijl hij de zijne er naast legde, die zoo rank en dun en zooveel minder in vleesch en spieren was.
„Ja, zie goed toe,” zeide de Vaux in het Engelsch, „het zal lang duren, eer uwe lange apenvingers met uwe schoone, vergulde sikkel zulk een daad verrichten.”
„Stil, de Vaux,” zeide Richard; „bij onze lieve Vrouw, hij verstaat of gist uwe meening—wees niet zoo onbeschoft, bid ik u.”
De Sultan zeide inderdaad op hetzelfde oogenblik: „iets wilde ik gaarne beproeven—maar waarom zouden de zwakken hunne minderheid in tegenwoordigheid der sterken laten zien? Intusschen, ieder land heeft zijne eigen oefeningen, en mogelijk is dit nieuw voor Melec Ric.”—Bij deze woorden nam hij een kussen van zijde en dons van de vloer, en zette het op het eene einde rechtop.—„Kan uw wapen dit kussen splijten?” vroeg hij aan Koning Richard.
„Neen, zeker niet,” antwoordde de Koning, „geen zwaard op aarde, al ware het deExcaliburvan Koning Arthur, kan iets doorsnijden, dat geen vasten tegenstand biedt.”
„Pas dan op,” zeide Saladin; en de mouw van zijn gewaad optrekkende, liet hij zijn arm zien, die wel is waar lang en mager was, maar die door gedurige oefening verhard was tot eene massa, die uit niets dan peezen en zenuwen bestond. Hij trok zijn sabel uit de scheede; het was eene kromme smalle kling, die niet, gelijk de zwaarden der Franken schitterde, maar integendeel van eene matte, blauwe kleur was, met millioenen slangswijze loopende lijnen geteekend, welke toonden, hoe het metaal door den wapensmid bewerkt was geworden. Met dit wapen, dat in schijn zoo weinig kon uitrichten, als het met dat van Richard vergeleken werd, stond de Sultan, steunend op zijn linker voet, die een weinig voorwaarts stond; hij balanceerde een oogenblik, alsof hij zijn doel goed wilde vatten; toen plotseling voorwaarts tredende, trok hij de sabel dwars door het kussen, terwijl hij het lemmet zoo behendig en tevens met zoo weinig zichtbare inspanning gebruikte, dat het kussen eer uiteen scheen te vallen, dan dat het door geweld vaneen gescheiden werd.
„Dit is een goochelaarskunstje,” zeide de Vaux, vooruitspringende en het stuk van het kussen, dat afgesneden was, opvattende, alsof hij zich van de werkelijkheid der zaak wilde overtuigen—„daar is tooverij bij.”
De Sultan scheen hem te begrijpen; want hij maakte de soort van sluier, dien hij tot hiertoe om gehad had, los, legde dien dubbel over het lemmet van zijn sabel, strekte die in de lucht, en trok ze eensklaps door den sluier, ofschoon die geheel los om de kling hing, en scheidde ook dezen in twee deelen, die naar verschillende zijden der tent vlogen, aldus evenzeer de buitengemeene hardheid en scherpte toonende van het wapen als de uitstekende behendigheid van hem, die het hanteerde.
„Nu, in vollen ernst, broeder,” zeide Richard, „gij zijt zonder wederga in de hanteering van het zwaard, en het zou zeer gevaarlijk zijn met u te vechten. Intusschen, ik stel eenig vertrouwen in een goeden Engelschen slag, en wat wij niet door list vermogen, vergoedenwij door sterkte. Niettemin zijt gij in waarheid even ervaren in het toebrengen van wonden, als mijn wijze Hakim in het genezen ervan. Ik hoop toch, dat ik den geleerden arts zal zien.—Ik heb hem veel te danken, en bracht eenige kleine geschenken mede.”
Terwijl hij sprak, verwisselde Saladin zijn tulband met eene Tartaarsche muts. Nauwelijks had hij dit gedaan, of de Vaux opende eensklaps zijn breeden mond en zijne groote, ronde oogen, en Richard staarde met niet minder verwondering, terwijl de Sultan op ernstigen en veranderden toon zeide:
„De zieke,” zegt de dichter, „kent den geneesheer aan zijn stap; maar wanneer hij hersteld is, kent hij niet eens zijn gelaat, als hij hem aanziet.”
„Een wonder!—een wonder!” riep Richard uit.
„Zonder twijfel door Mahomed bewerkt,” zeide Thomas de Vaux.
„Dat ik mijn geleerden Hakim alleen door het afleggen van zijne muts en zijn tulband zou verliezen, en hem in mijn koninklijken broeder Saladin mag wedervinden!”
„Zoo gaat het in de wereld,” antwoordde de Sultan; „het gescheurde kleed maakt niet altijd den dervisch uit.”
„En het was op uwe voorspraak,” vroeg Richard, „dat de ridder van den Luipaard van den dood gered werd—en door uwe list, dat hij mijne legerplaats weder vermomd bezocht?”
„Zoo is het,” hervatte Saladin; „ik was bekwaam genoeg als geneesheer om te weten, dat, zoo de wonden van zijne bloedende eer niet gestild werden, de dagen zijns levens weinig zouden zijn. Zijne vermomming werd lichter doorgrond, dan ik van den goeden uitslag van de mijne verwacht had.”
„Een toeval,” antwoordde Richard,—waarschijnlijk doelende op de omstandigheid, dat hij met zijne lippen de wond van den gewaanden Nubiër had uitgezogen,—„deed mij eerst ontdekken, dat zijn vel door kunst gekleurd was; en toen ik eenmaal die aanwijzing had, werd de ontdekking zeer gemakkelijk, want zijne gestalte en zijn voorkomen zijn niet zoo licht te vergeten. Ik vertrouw vast, dat hij morgen zal strijden.”
„Hij bereidt zich reeds voor en is vol hoop,” zeide de Sultan. „Ik heb hem wapens en een paard verschaft, daar ik eene hooge gedachte van hem heb, voor zoover ik hem in verschillende vermommingen heb gadegeslagen.”
„Weet hij thans,” vroeg Richard,„aan wien hij die groote verplichting heeft?”
„Ja,” antwoordde de Sarraceen—„ik was verplicht te bekennen, wie ik was, toen ik hem mijn plan mededeelde.”
„En bekende hij u iets?”vroeg de Koning van Engeland.
„Rechtstreeks niets,” zeide de Sultan; „maar uit vele dingen, die tusschen ons voorgevallen zijn, maak ik op, dat zijne liefde te hoog geplaatst is, om tot een gelukkig einde te leiden.”
„En gij wist, dat zijne vermetele, onbeschaamde hartstocht uwe eigen wenschen in den weg stond?” vroeg Richard.
„Dit kon ik gissen,” hernam Saladin; „maar zijn hartstocht heeft bestaan, eer mijne wenschen gevormd waren—en dit moet ik er thans bijvoegen: zij zal die ook wel overleven.—Ik kan het met mijne eer niet overeenbrengen om mijne teleurstelling te wreken op hem, die er geen deel in had. Of, zoo deze hooggeboren dame hem meer dan mij beminde, wie kan zeggen, dat zij geen recht liet wedervaren aan een ridder, die zoo edel is?”
„Maar van te geringe afkomst, om zich het bloed van Plantagenet te vermengen,” zeide Richard op trotschen toon.
„Dat kunnen uwe beginselen in Frangistan zijn,” hervatte de Sultan. „Onze dichters in de Oostersche landen zeggen, dat een dapper kameeldrijver waardig is de lippen te kussen eener schoone koningin, terwijl een lafhartig prins niet waardig is, den zoom van haar kleed te kussen. Maar met uw verlof, edele broeder, ik moet voor het oogenblik afscheid van u nemen, om den hertog van Oostenrijk en dien anderen Nazareenschen ridder te ontvangen, die mijner gastvrijheid veel minder waardig zijn, en toch behoorlijk moeten onthaald worden, niet om hunnen ’t wil, maar om mijne eigen eer—want wat zegt de wijze Lokman? Zeg niet, dat het voedsel, hetwelk gij aan den vreemdeling geeft voor u verloren is—want indien zijn lichaam daardoor versterkt en gevoed wordt, zoo wordt niet minder uwe eigen eer en uw goede naam daardoor bevorderd en verhoogd.”
De Sarraceensche monarch verliet Koning Richard’s tent, en hem meer door teekens dan door woorden aangeduid hebbende, waar die van de Koningin en haar gevolg opgeslagen was, ging hij den markies van Montserrat en zijne begeleiders ontvangen, voor wie de prachtlievende Sultan met even veel luister, ofschoon met minder welwillendheid, toebereidselen had laten maken. De heerlijkste ververschingen, zoo wel naar den Oosterschen als den Europeeschen smaak, werden den koninklijken en vorstelijken gasten van Saladin, elk in zijne bijzondere tent, aangeboden; en zoo oplettend was de Sultan op de gewoonten en den smaak zijner bezoekers, dat Grieksche slaven bij de hand waren, om hun den beker aan te bieden, die voor de sektevan Mahomed een gruwel is. Eer Richard zijn maal geëindigd had, trad de oude omrah, die den brief des Sultans naar de Christelijke legerplaats gebracht had, binnen met een programma van de plechtigheden, die den volgenden dag moesten in acht genomen worden. Richard, die op de hoogte was van den smaak van zijn ouden bekende,noodigde hem uit, hem met een flesch Schiras wijn bescheid te doen; maar Abdallah gaf hem met een treurig gelaat te verstaan, dat zelfverloochening in de tegenwoordige omstandigheden eene zaak was, waarbij zijn leven was betrokken; want dat Saladin, in vele opzichten verdraagzaam, de wetten van den profeet zoowel zelf in acht nam, als de vervulling ervan bij anderen door zware straffen zocht af te dwingen.
„Welnu dan,” zeide Richard, „indien hij niet houdt van wijn, die het menschelijk hart vervroolijkt, is zijne bekeering niet te wenschen, en de voorspelling van den krankzinnigen priester van Engaddi verstuift als kaf voor den wind.”
Hierop stelde de Koning de voorwaarden van het gevecht vast, wat vrij veel tijd kostte, daar men over sommige punten zoowel de tegenpartij als den Sultan raadplegen moest.
Eindelijk werd men het daaromtrent geheel eens, en zij werden in het Fransch en Arabisch in het protocol opgenomen, en dit door Saladin, als scheidsrechter van het strijdperk en door Richard en Leopold, als borgen voor de twee strijders, onderteekend. Toen de omrah voor dien avond afscheid bij den Koning nam, trad de Vaux binnen.
„De goede ridder,” zeide hij, „die morgen zal strijden, wenscht te weten, of hij dezen avond zijne opwachting bij zijn koninklijken getuige maken mag.”
„Hebt gij hem gezien, de Vaux?” vroeg de Koning glimlachend; „en hebt gij een ouden bekende gevonden?”
„Bij onze lieve Vrouw van Lanercost,” antwoordde de Vaux, „er zijn zoo vele verrassingen en gedaantewisselingen in dit land, dat mijne arme hersens daarvan duizelen. Nauwelijks had ik sir Kenneth van Schotland herkend, of zijn goede hond, die gedurende eene korte poos onder mijne zorg geweest was, kwam mij liefkozen; en zelfs toen kende ik het dier alleen aan de breedte van zijne borst, zijn ronde pooten, en zijne wijze van blaffen, want het arme dier was beschilderd als eene Venetiaansche dame.”
„Gij hebt meer verstand van dieren dan van menschen, de Vaux,” zeide de Koning.
„Ik wil niet ontkennen,”zeide de Vaux,„dat ik dieren dikwijls beter dan menschen bevonden heb. Ook behaagt het uwe Majesteit mij somtijds een dier te noemen; bovendien ben ik in dienst van den Leeuw, die alle menschen voor den Koning der dieren erkennen.”
„Waarlijk, daar hebt gij met uwe lans schoon tegen mijn voorhoofd gestooten,” hervatte de Koning. „Ik heb altijd gezegd, dat gij eenig vernuft hebt, de Vaux—maar bij mijne ziel, men moet u met eensmidshamer slaan, eer men het vonken kan doen schieten. Maar ter zake—is de goede ridder behoorlijk gewapend en uitgerust?”
„Volkomen en behoorlijk,” antwoordde de Vaux; „ik ken de wapenrusting wel—het is die, welke de Venetiaansche commissaris uwe Majesteit voor vijfhonderd byzantynen aanbood, juist vóór dat gij ziek geworden zijt.”
„En hij heeft die, daar sta ik voor in, voor een paar dukaten meer en kontante betaling verkocht? Deze Venetianen zouden het heilige Graf zelf verkoopen!”
„Deze zal nooit in een edeler zaak gedragen worden,” hernam de Vaux.
„Dank der edelmoedigheid van den Sarraceen,” hervatte de Koning, „niet der gierigheid van de Venetiaan.”
„Ik wilde om Gods wil, dat uwe Majesteit voorzichtiger ware,” zeide de angstvallige de Vaux.—„Hier worden wij door al onze bondgenooten verlaten wegens de beleedigingen, die den een of ander zijn aangedaan: wij kunnen niet hopen op het land te slagen, en wij moeten slechts nog met de amphibie-republiek onderhandelen, om de middelen tot onzen terugtocht over zee niet te verliezen.”
„Ik zal mij in acht nemen,” hervatte Richard ongeduldig;„maar houd geen boetpredikaties meer. Zeg mij liever, want dit is van belang, heeft de ridder een biechtvader?”
„Ja,” antwoordde de Vaux; „de kluizenaar van Engaddi, die dezen plicht bij hem vervuld heeft, toen hij zich ter dood bereidde, is bij de tegenwoordige gelegenheid ook bij hem, daar het gerucht van den tweestrijd hem herwaarts gebracht heeft.”
„Het is goed,” zeide Richard, „en nu het verzoek van den ridder. Zeg hem, dat Richard hem zal ontvangen, als hij door het vervullen van zijn plicht bij den Diamant der woestijn zijne schuld bij den St. Georgeberg weder zal goed gemaakt hebben. En als gij door het kamp gaat, zeg dan aan de Koningin, dat ik haar in hare tent zal bezoeken, en zeg aan Blondel, dat hij mij daar moet opzoeken.”
De Vaux vertrok, en ongeveer een uur daarna wandelde Richard, in zijn mantel gehuld, en zijne gitaar in de hand, naar de tent der Koningin. Verscheiden Arabieren gingen hem voorbij, maar altijd met het hoofd van hem afgewend, en de oogen naar den grond gericht, ofschoon hij bemerken kon, dat allen hem ernstig nazagen, wanneer hij voorbij was. Dit deed hem met reden vermoeden, dat zijn persoon bij hen bekend was; maar dat óf de bevelen van den Sultan, óf de hun eigene Oostersche beleefdheid hen verbood, om acht te slaan op een vorst, dieincognitowenschte te blijven.
Toen de Koning de tent der Koningin bereikte, vond hij deze door die ongelukkige dienaars bewaakt, welke de Oostersche jaloezie om de Zenana plaatst. Blondel wandelde voor de ingang heen en weder en tokkelde van tijd tot tijd zijne snaren op eene wijze, dat de Afrikanen hunne ivoren tanden lieten zien, en hem met hunne zonderlinge gebaren en schelle, onnatuurlijke stemmen begeleidden.
„Wat wilt gij met deze kudde zwart vee, Blondel?” vroeg de Koning; „waarom gaat ge niet in de tent?”
„Omdat mijn beroep noch het hoofd noch de vingers kan missen,” antwoordde Blondel, „en deze eerlijke Negers dreigden, om mij lid voor lid af te houwen, als ik verder ging.”
„Nu, ga dan met mij binnen,” zeide de Koning, „ik zal uw vrijgeleide zijn.”
De zwarten lieten nu hunne pieken en sabels voor Koning Richard zinken, en sloegen hunne oogen naar den grond, alsof zij onwaardig waren hem aan te zien. In het binnenste van de tent vonden zij de Koningin. Terwijl Berengaria Blondel verwelkomde, sprak Richard eenigen tijd in het geheim en ter zijde met zijne schoone nicht.
Eindelijk zeide hij fluisterend tot haar: „zijn wij nog vijanden, schoone Edith?”
„Neen, mijn Koning,” antwoordde Edith op een toon, juist zacht genoeg om de muziek niet te hinderen—„niemand kan vijandschap tegen Koning Richard houden, wanneer hij zich toonen wil, zooals hij wezenlijk is! grootmoedig en edel, zoo wel als dapper en eervol.”
Dit zeggende, reikte zij hem hare hand. De Koning kuste die ten teeken van verzoening en vervolgde toen: „gij meent, schoone nicht, dat mijn toorn in deze zaak geveinsd was; maar gij vergist u. De straf, die ik dezen ridder opgelegd heb, was billijk; want hij had—het doet er niet toe voor welken verleidenden omkoopprijs, schoone nicht—het hem toevertrouwde verraden. Maar ik verheug mij misschien evenzeer als gij, dat de dag van morgen hem de kans geeft, om overwinnaar in den strijd te worden, en de smet uit te wisschen, die eenigen tijd op hem, als op een wezenlijken dief en verrader, gekleefd heeft. Neen! het nageslacht moge Richard wegens zijne onstuimige dwaasheid laken; maar het zal zeggen, dat hij, in het vellen van vonnis rechtvaardig was, wanneer hij moest, en genadig, wanneer hij kon!”
„Prijs niet u zelven, Richard,” hernam Edith. „Zij kunnen uwe gerechtigheid wreedheid—uwe genade gril noemen.”
„En wees gij niet hoovaardig,” hervatte de Koning, „alsof uw ridder, die zijne wapenrusting nog niet aangegespt heeft, die reeds in zegepraal aflegde.—Koenraad van Montserrat wordt voor eene goede lans gehouden, zoo eens de Schot den strijd verloor?”
„Dat is onmogelijk!” antwoordde Edith op vasten toon.—„Mijne eigen oogen hebben dien Koenraad, als een lagen dief zien sidderen en verbleeken. Hij is schuldig—en de kampstrijd is een beroep op de rechtvaardigheid Gods.—Ik zelve zou, in zulk eene zaak, zonder vrees met hem durven strijden.”
„Bij de heilige mis, ik geloof, dat gij het doen zoudt, meisje,” zeide de Koning, „en hem bovendien ter neer werpen; want er is geen echter Plantagenet op aarde dan gij.”
Hier zweeg hij, maar ging na eenige oogenblikken op zeer ernstigentoon voort: „Zorg, dat gij u blijft herinneren, wat gij uwer geboorte verschuldigd zijt.”
„Wat beduidt deze raad, dien gij mij op dit oogenblik zoo ernstig geeft?” vroeg Edith. „Ben ik zoo lichtzinnig, dat ik mijn naam en stand vergeten zou?”
„Ik wil ronduit spreken, Edith,” antwoordde de Koning, „en als tot eene vriendin.—Wat zal deze ridder voor u zijn, zoo hij uit dien strijd als overwinnaar optreedt?”
„Voormij?” hervatte Edith, van schaamte en misnoegen hoog blozende; „watkanhij voor mij meer zijn, dan een geëerd ridder, zulke gunst waardig, als Koningin Berengaria hem zou schenken, indien hij haar voor zijne dame gekozen had, in plaats van eene onwaardiger keus te doen? De geringste kan zich aan den dienst eener Keizerin wijden, maar de roem van zijne keus,” dit zeide zij op fieren toon, „moet zijne belooning zijn.”
„Nochtans, hij heeft veel voor u gedaan en geleden,” hernam de Koning.
„Ik heb zijne diensten met eer en toejuiching en zijn lijden met tranen betaald,” antwoordde Edith. „Zoo hij eenig ander loon verwachtte, dan moest hij eene dame van zijn eigen stand bemind hebben.”
„Gij zoudt dus het bloedige nachtkleed niet om zijnentwille aantrekken?” vroeg Koning Richard.
„Evenmin,” antwoordde Edith, „als ik van hem zou gevorderd hebben, zijn leven bloot te stellen door eene daad, die meer dolheid dan eer was.”
„De vrouwen spreken altijd zoo,” zeide de Koning, „maar wanneer de begunstigde minnaar met zijn aanzoek bij een dame aandringt, dan zegt zij met een zucht, dat haar gesternte het anders besloten had.”
„Uwe Majesteit heeft mij nu reeds voor de tweede maal met den invloed van mijn horoskoop bedreigd,” hervatte Edith met waardigheid. „Vertrouw er op, mijn Koning, dat, hoe groot ook de macht der sterren is, uwe arme bloedverwante nooit een ongeloovige of een avonturier zonder afkomst zal huwen!—Vergun mij, dat ik naar de muziek van Blondel luister, want de toon van uwe koninklijke vermaningen is op verre na niet zoo aangenaam voor mijne ooren.”
Het verdere van den avond leverde niets merkwaardigs meer op.
1Inderdaad bleef bij de Sarraceenen lang na des Konings aftocht een spreekwoord dat Richard in het bosch zat.↑
1Inderdaad bleef bij de Sarraceenen lang na des Konings aftocht een spreekwoord dat Richard in het bosch zat.↑
1Inderdaad bleef bij de Sarraceenen lang na des Konings aftocht een spreekwoord dat Richard in het bosch zat.↑