HOOFDSTUK XXVIII.Hoort gij het gekletter van den strijdLans tegen lans, ros tegen ros?Gray.Men was overeengekomen, wegens de hitte van het klimaat, dat het godsoordeel, dat thans de verschillende volken bij den Diamant der woestijn had bijeengebracht, een uur na zonsopgang plaats zou hebben.Het groote strijdperk, dat onder toezicht van den ridder van den Luipaard was ingericht, omvatte eene ruimte van hard zand die honderd zestig ellen lang en ruim vijftig breed was. Het strekte zich in de lengte van het noorden naar het zuiden uit, zoodat beide partijen gelijk voordeel van de opgaande zon hadden. Saladin’s koninklijke zetel was aan de westelijke zijde van de omheining opgericht, vlak in het midden, waar men verwachtte, dat de strijders elkander ontmoeten zouden. Daar tegenover was eene galerij met gesloten vensters, zoo ingericht, dat de dames, voor wie deze plaats bestemd was, het gevecht konden aanschouwen, zonder zelven gezien te worden. Er waren ook tronen opgericht; maar de aartshertog, die bemerkte, dat de zijne lager was dan die van Koning Richard, weigerde daarop plaats te nemen; en Leeuwenhart, die zich veel zou hebben laten welgevallen, eer eene formaliteit den strijd zou verhinderd hebben, gaf gereedelijk zijne toestemming, dat de borgen, zoo als zij genoemd werden, gedurende het gevecht te paard zouden blijven. Aan den eenen kant van het strijdperk werd het gevolg van Richard geplaatst, en tegen hen over stonden de begeleiders van den aangeklaagde, Koenraad. Rondom den troon, voor den Sultan bestemd, waren zijne prachtige Georgische wachten opgesteld, en verder was het de omheining door Christen en Mahomedaansche aanschouwers bezet.Lang vóór het aanbreken van den dag was het strijdperk door een nog grooter aantal Sarraceenen omringd, dan Richard den vorigen dag gezien had. Toen de eerste stralen van de schitterende zonneschijf zich boven de woestijn verspreidden, klonk de kreet: „ten gebede—ten gebede!” door den Sultan zelven aangeheven, en door anderen beantwoord, wier rang en ijver hun het recht gaven, als muezzins opte treden. Het was een treffend schouwspel, hen allen op den grond te zien neerzinken, om hun gebed te doen, met het gelaat naar Mekka gekeerd. Maar toen zij van den grond opstonden, schenen de zonnestralen, die nu sterker werden, de meening van den lord van Gilsland van den vorigen avond te bevestigen. Zij werden door tal van speerspitsen weerkaatst, want de lansen zonder punten van den vorigen dag waren er niet meer. De Vaux maakte hierop zijn meester opmerkzaam, die ongeduldig antwoordde, dat hij een onbepaald vertrouwen in de rechtschapenheid van den Sultan stelde; maar dat, zoo de Vaux voor zijn zwaarlijvig lichaam bevreesd was, hij zich kon verwijderen.Kort daarop hoorde men het gedreun der pauken, op wier klank al de Sarraceensche ruiters van hun paard sprongen, en zich nederbogen, alsof zij een tweede morgengebed wilden verrichten. Dit geschiedde om der Koningin met Edith en haar gevolg gelegenheid te geven, van de tent naar de voor haar bestemde galerij te gaan. Vijftig wachten van Saladin’s harem met onbloote sabels begeleidden haar, met bevel, om ieder neder te sabelen, hij mocht prins of boer zijn, die het mocht wagen de dames bij het voorbijgaan aan te zien, of zelfs het hoofd durfden oprichten, voor dat het ophouden der muziek allen zou verkondigen, dat zij in hare galerij waren aangekomen, waar zij door geen nieuwsgierig oog konden worden aanschouwd.Deze bijgeloovige inachtneming van Oosterschen eerbied voor het schoone geslacht deden bij Koningin Berengaria eenige aanmerkingen rijzen, die voor Saladin en zijn vaderland niet zeer gunstig waren. Maar toen haar hol, zooals de koninklijke schoone het geliefde te noemen, door hare zwarte wachters veilig gesloten was en bewaakt, was zij in de noodzakelijkheid om zich te vergenoegen met te zien, en voor het tegenwoordige het nog heerlijker genoegen van gezien te worden ter zijde te stellen.Intusschen stelden de getuigen van beide kampvechters, zoo als hun plicht voorschreef, een onderzoek in, of deze behoorlijk gewapend en voor het gevecht bereid waren. De aartshertog van Oostenrijk had geen haast om dit deel van de plechtigheid te vervullen, daar hij den vorigen avond een goeden roes van Schiras wijn gehad had. Maar de grootmeester der Tempeliers, die meer belang bij den uitslag van den strijd had, was al spoedig voor de tent van Koenraad van Montserrat. Tot zijne groote verbazing weigerden de bedienden hem binnen te laten.„Kent gij mij niet, kerels?” vroeg de grootmeester in de hoogste mate vertoornd.„Zeer goed, zeer dapper en eerwaardig heer,” antwoordde Koenraad’s schildknaap; „maar zelfs gij moogt voor het oogenblik niet binnen—de markies is gereed om te biechten.”„Te biechten!” riep de Tempelier op een toon uit, waarin schrik met verbazing en minachting vermengd was—„en bij wien, vraag ik u?”„Mijn meester heeft mij stilzwijgendheid geboden,” hernam de schildknaap;waarop de grootmeester hem voorbijsnelde en de tent binnentrad.De markies van Montserrat knielde aan de voeten van den kluizenaar van Engaddi, en was op het punt, zijne biecht te beginnen.„Wat beteekent dit, markies?” vroeg de grootmeester; „sta op, schaam u—of zoo gij volstrekt moet biechten, ben ik niet hier?”„Ik heb reeds te dikwijls bij u gebiecht,” antwoordde Koenraad met bleeke wangen en sidderende stem. „Om Gods wil, grootmeester, ga heen, en laat ik mijn geweten aan dien heiligen man ontlasten.”„Waarin is hij heiliger dan ik?” zeide de grootmeester.—„Kluizenaar, profeet, zinnelooze—zeg, zoo gij durft, waarin gij mij overtreft?”„Stout en verdorven man,” antwoordde de kluizenaar, „weet, dat ik gelijk ben aan het getraliede venster, en het goddelijk licht gaat er doorhenen, ofschoon het, helaas! mij zelven niet baat. Gij gelijkt ijzeren staven, die noch zelven licht ontvangen, noch het aan iemand mededeelen.”„Praat niet tegen mij, maar verlaat deze tent,” zeide de grootmeester, „de markies zal dezen morgen niet biechten, of het moet bij mij zijn, want ik verlaat zijne zijde niet.”„Is dituwwelgevallen,” zeide de kluizenaar tot Koenraad, „want meen niet, dat ik dezen trotschen man zal gehoorzamen, zoo gij mijn bijstand blijft begeeren.”„Helaas!” zeide Koenraad besluiteloos, „wat wilt gij dat ik zeggen zal?—Vaarwel voor het oogenblik—wij zullen later met elkander spreken.”„O uitstel!” riep de hermiet uit, „gij zijt een zielemoorder! Ongelukkige, vaarwel—niet voor een tijdlang, maar tot dat wij elkander ontmoeten zullen—onverschillig waar. En wat u betreft,” voegde hij er bij, zich tot den grootmeester wendende, „sidder!”„Sidderen,” hervatte de Tempelier verachtelijk, „ik kan niet, al wilde ik ook.”De kluizenaar hoorde zijn antwoord niet, daar hij de tent reeds had verlaten.„Welaan, schielijk ter zake,” zeide de grootmeester, „daar gij die dwaasheid toch verrichten wilt.—Luister—ik geloof, dat ik uwe meeste zwakheden ken, dus kunnen wij de bijzonderheden daarlaten, daar deze wat te lang zouden duren, en met den aflaat beginnen. Watbeduidt het om de vlekken modder te tellen, wanneer wij op het punt zijn, die van onze handen te wisschen!”„Daar gij weet, wat gij zelf zijt,” zeide Koenraad, „is het godlasterend er van te spreken, een ander te willen vergeven.”„Dat is niet naar den regel, heer markies,” antwoordde de Tempelier, „gij zijt meer nauwgezet dan rechtgeloovig. De aflaat van den slechten priester is van even veel kracht, als die van een heilige—anders moge God den armen boeteling helpen! Welk gekwetste vraagt er naar, of de wondarts, die zijne wonden onderzoekt, schoone handen heeft of niet?—Kom, zullen wij het spel beginnen?”„Neen,” antwoordde Koenraad, „ik wil liever sterven zonder te biechten, dan met het sacrament te spotten.”„Kom, edele markies,” hernam de Tempelier, „vat moed, en spreek niet aldus.Binnen een uur zult gij zegevierende in het strijdperk staan, of in uw helm biechten, gelijk een dapper ridder.”„Helaas, grootmeester!” hervatte Koenraad, „alles voorspelt kwaad in deze zaak. De merkwaardigeontdekkingdoor het instinkt van een hond—het herleven van dezen Schotschen ridder, die optreedt als een spook—alles slechte voorteekens.”„Ba,” zeide de Tempelier, „ik heb u moedig uwe lans uit scherts tegen hem zien zwaaien, en dat wel met gelijke kans van goeden uitslag—verbeeld u, dat gij slechts in het toernooi zijt, en wie staat hem beter in het toernooiveld dan gij?—Komt, knapen en wapendragers, uw meester moet voor den strijd uitgerust worden.”De dienaren traden nu binnen, en begonnen den markies te wapenen.„Welk weer is het buiten?” vroeg Koenraad.„De zon gaat donker op,” antwoordde een schildknaap.„Gij ziet, grootmeester,” vervolgde Koenraad, „niets lacht ons toe.”„Gij zult des te koelbloediger vechten, mijn zoon,” antwoordde de Tempelier, „dank den Hemel, dat Hij de zon dezen morgen getemperd heeft, om u ter wille te zijn.”Zoo schertste de grootmeester; maar zijne spotternijen hadden haar invloed op het gemoed van den markies verloren, en, in weerwil van zijne pogingen om opgewekt te schijnen, deelde de droefgeestigheid zich aan den grootmeester mede.„Deze lafaard,” dacht hij, „zal uit louter flauwheid en lamheid in den strijd bezwijken, en dat noemt hij een gevoelig geweten. Ik, wien visioenen en voorteekenen niet schokken—ik, die vast ben in mijn voornemen, als de levende rots—ik zelf moest den strijd gestreden hebben.—Gave God, dat de Schot hem op de plek doodde; dit zou het beste zijn, zoo hij de overwinning niet behalen kan. Maar er kome wat er wil, hij moet geen anderen biechtvader hebben dan mij—onze zonden zijn te gemeenschappelijk, en hij kon wel eens mijn deel te gelijk met het zijne biechten.”Terwijl deze gedachten hem door zijn hoofd speelden, ging hij voort met den markies bij het wapenen te helpen, maar het geschiedde zwijgend.Het uur was eindelijk daar, de trompetten klonken, de ridders reden het strijdperk binnen, van top tot teen naar behooren gewapend, en gelijk mannen, die voor de eer van een koninkrijk zouden strijden. Zij hadden hunne vizieren open, en, drie malen het strijdperk rond rijdende, vertoonden zij zich aan de toeschouwers. Beide waren aanzienlijke mannen en met een edel gelaat. Maar er stond op het voorhoofd van den Schot mannelijk vertrouwen te lezen, eene straal van hoop, die zelfs naar vroolijkheid zweemde. Op Koenraad’s gelaat integendeel, ofschoon trots en herhaalde pogingen veel van zijn natuurlijken moed teruggeroepen hadden, zweefde nog eene wolk van onheilspellende moedeloosheid. Zelfs zijn paard scheen niet zoo licht en vurig op het trompetgeschal te trappelen, als de edele Arabier, dien sir Kenneth bereed; en de spreukspreker schudde het hoofd, terwijl hij opmerkte, dat de uitdager om het strijdperk reed volgens den loop der zon, dat is van de rechterhand naar de linker, maar de aangeklaagde dit van de linker naar de rechter deed, wat men in de meeste landen als een slecht voorteeken beschouwt.Een altaar was voor deze gelegenheid opgericht, juist beneden de galerij, waarop de Koningin gezeten was, en daarnaast stond de kluizenaar in de kleeding zijner orde als karmeliter monnik. Er waren ook andere geestelijken tegenwoordig. Naar dit altaar werden de aanklager en de aangeklaagde achtereenvolgens door hunne getuigen geleid. Beide ridders stegen af, en ieder bezwoer de rechtvaardigheid zijner zaak door een plechtigen eed op het Evangelie, en zij baden, dat de uitslag van den strijd mocht overeenstemmen met de waarheid of valschheid van hetgeen zij bezworen hadden. Zij zwoeren ook, dat zij naar ridder wijze en met de gewone wapens kwamen strijden, en zich het gebruik van tooverspreuken, betooveringen of magische kunsten, ten einde de zege op hunne zijde te brengen, ontzegden. De aanklager deed zijn eed met vaste mannelijke stem en een stout en opgeruimd gelaat. Toen de plechtigheid ten einde was, zag hij naar de galerij op, en boog het hoofd, als ter eere van die onzichtbare schoonheden, die daarin verborgen waren; hierop sprong hij, geheel gewapend zoo als hij was, in den zadel, zonder een stijgbeugel te gebruiken en liet zich door zijn paard in huppelende sprongen naar zijne standplaats brengen aan het oostelijke einde van het strijdperk. Koenraad verscheen ook met genoegzame driestheid voor het altaar; maar toen hij den eed aflegde, klonk het hol, alsof die in zijn helm verstikt werd. De lippen, waarmede hij zich op den hemel beriep, ten einde de overwinning aan de zaak te verleenen, verbleekten, terwijl zij den goddeloozen meineed uitten. Toen hij zich omwendde om zijn paard te bestijgen, naderde de grootmeester dichter tot hem, alsof hij iets aan zijn halskraag verhelpen wilde, en fluisterde hem toe: „Dwaze bloodaard! roep uw moed terug, en vecht dapper in dezen strijd, anders, bij den hemel, zoo gij hem al mocht ontkomen, zult gijmijniet ontgaan!”De woeste toon, waarop hem dit gezegd werd, voltooide misschiende verwarring van den markies, want hij struikelde, toen hij te paard wilde stijgen; en ofschoon hij staan bleef, met zijne gewone vlugheid in den zadel sprong, en zijne behendigheid in het paardrijden aan den dag legde, toen hij zijne plaats tegenover den aanklager innam, ontging dit voorval evenwel niet aan hen, welke op voorteekens letten, die het lot van den dag konden voorspellen. De priesters, na een plechtig gebed, dat God de rechtvaardigheid van den strijd mocht aan den dag brengen, verlieten het strijdperk. De trompetten van den aanklager lieten zich toen luid hooren, en een wapenheraut riep aan het oostelijke uiteinde van het strijdperk uit: „Hier staat een goed ridder, sir Kenneth van Schotland, kampvechter van zijne Majesteit den Koning Richard van Engeland, die Koenraad, markies van Montserrat, van schandelijk verraad en beschimping, genoemden Koning aangedaan, beschuldigt.”Toen de woorden „Kenneth van Schotland” den naam van den kampioen, die tot hiertoe nog niet algemeen bekend was, gehoord werden, weerklonken luide kreten van toejuiching onder het gevolg van Koning Richard, en nauwelijks kon men, trots de herhaalde bevelen tot stilzwijgen, het antwoord van den aangeklaagde hooren. Deze beweerde natuurlijk zijne onschuld, en verklaarde zich bereid daarvoor met zijn lichaam in te staan. De schildknapen der strijders naderden thans, en gaven elk zijn schild en zijne lans, hen helpende om het eerste om den hals te hangen, opdat de beide handen, vrij mochten blijven,—de eene om den teugel te bestieren, de andere om de lans te kunnen hanteeren.Het schild van den Schot vertoonde zijn oud wapen, den Luipaard, maar er waren een halsband en eene gebroken keten bijgevoegd, als toespeling op zijne onlangs geleden slavernij. Het schild van den markies droeg, in verband met zijn titel, een zaagsgewijze gescheurden en rotsachtigen berg. Ieder zwaaide zijne lans boven het hoofd, alsof hij het gewicht en de sterkte van het zware wapen wilde beproeven, en legde ze toen in de rust. De getuigen, herauten en schildknapen trokken zich thans naar de barrière terug, en de strijdenden waren tegenover elkander gezeten, gelaat tegen gelaat, met gevelde lans en gesloten vizier, terwijl de menschelijke gedaante zoo volkomen verborgen was, dat zij er eer als standbeelden van gegoten ijzer, dan wezens van vleesch en bloed uitzagen. De stilte der verwachting was thans algemeen—ieder ademde zwaarder, en de ziel van elk scheen in zijne oogen te zitten, terwijl er geen geluid te hooren was, dan het gebriesch en gestamp der edele rossen, die, gevoelende, wat er gebeuren zou, ongeduldig waren om vooruit te schieten. Zij stonden aldus ongeveer drie minuten lang, toen, op een door den Sultan gegeven teeken, honderd instrumenten de lucht door hun metalen geluid vervulden; en elke kampioen zijn paard de sporen gevende, en den teugel vierende, renden de paarden in vollen galop voorwaarts, en de ridders ontmoetten elkander in het midden van het strijdperk met een schok, aan een donderslag gelijk. De overwinning was niettwijfelachtig,—neen zelfs geen oogenblik. Koenraad toonde inderdaad, dat hij een geoefend krijgsman was; want hij trof zijne tegenpartij ridderlijk midden in zijn schild, terwijl hij zijne lans zoo recht en krachtig hield, dat ze tot aan zijn ijzeren handschoen in splinters vloog. Sir Kenneth’s paard deinsde eenige ellen achteruit, en vielop zijne schenkels, maar de ruiter hielp het gemakkelijk met hand en teugel op. Maar voor Koenraad was er geen herstellen aan. De lans van Sir Kenneth was door zijn schild gedrongen, en verder door een borstharnas met Milaneesch staal beslagen, en door een geweven maliënkolder, die onder het borstharnas gedragen werd, hij had hem diep in den boezem gewond en hem uit den zadel gelicht, terwijl de punt van de lans in de wond bleef zitten. De getuigen, herauten en Saladin zelf drongen om den gekwetsten ridder; terwijl sir Kenneth, die reeds zijn zwaard getrokken had, eer hij nog ontdekte, dat zijn tegenstander geheel hulpeloos was, hem thans beval zijne schuld te bekennen. De helm werd in allerijl losgemaakt, en de gewonde, wild ten hemel ziende, hernam: „Wat wilt gij meer?—God heeft rechtvaardig beslist—ik ben schuldig—maar er zijn erger verraders in het kamp dan ik.—Uit medelijden voor mijne ziel, brengt mij een biechtvader!”Onder het uitspreken dezer woorden kwam hij weder bij.„Den talisman—het krachtig geneesmiddel, koninklijke broeder,” zeide Koning Richard tegen Saladin.„De verrader,” antwoordde Saladin, „is veeleer waard, om uit het strijdperk bij de hielen naar den galg gesleept te worden, dan de kracht van den talisman hier toe te passen;—en er spreekt zulk een noodlot uit zijne blikken,” voegde hij er bij, na den gewonden strak te hebben aangezien; „dat, al kon zijne wond genezen, Azraël’s zegel op het voorhoofd van den ellendeling niet verdwijnen zal.”„Niettemin,” hervatte Richard, „bid ik u, om voor hem te doen wat gij kunt, opdat hij ten minste tijd tot biechten moge hebben.—Vermoord niet ziel en lichaam te gelijk! Voor hem kan een half uur levens tienduizend malen meer waard zijn, dan het leven van den oudsten aartsvader.”„Aan den wensch van mijn koninklijken broeder zal voldaan worden,” hernam Saladin. „Slaven, draagt dien gekwetsten man naar onze tent.”„Doet dat niet,” zeide de Tempelier, die tot hiertoe somber en stilzwijgend toegezien had. „De koninklijke hertog van Oostenrijk en ik zelf zullen niet toelaten, dat deze ongelukkige vorst aan de Sarraceenen overgegeven worde, opdat zij hunne toovermiddelen aan hem beproeven. Wij zijn zijne getuigen, en verlangen, dat hij aan onze zorgen toevertrouwd worden.”„Dat wil zeggen, gij weigert de zekere middelen, die tot zijn herstel aangeboden worden?” vroeg Richard.„Dat niet,” hervatte de grootmeester zich herstellende.—„Indien de Sultan behoorlijke geneesmiddelen gebruikt, kan hij den patiënt in mijne tent behandelen.”„Doe dat, bid ik u, goede broeder,” zeide Richard tot Saladin, „ofschoon het verlof ongaarne is toegestaan.—Maar nu tot een vroolijker werk.—Klinkt, trompetten—schettert ter eere van Engeland en Engelands kampvechter!”Trommels, klaroenen, trompetten en cymbalen lieten zich te gelijkhooren, en het zware en regelmatige gejuich, dat sedert eeuwen de kreet van de Engelschen geweest is, klonk te midden van het schel en regelmatig gegil der Arabieren, als het donderen van een orgel te midden van een huilenden storm. Ten laatste ontstond er stilte.„Dappere ridder van den Luipaard,” vervolgde Leeuwenhart, „gij hebt getoond, dat de Neger zijne huid kan veranderen, en de Luipaard zijne vlekken, hoewel de geestelijken zich op de heilige Schrift voor de onmogelijkheid daarvan beroepen. Maar ik heb u nog meer te zeggen, wanneer ik u zal geleid hebben in tegenwoordigheid der dames, de beste rechters en belooners van ridderlijke daden.”De ridder van den Luipaard gaf door eene buiging zijne toestemming te kennen.„En ook gij, vorstelijke Saladin, zult u naar deze begeven. Ik verzeker u, dat onze gemalin meenen zal niet welkom te zijn geweest, indien haar de gelegenheid ontbreekt, om haar koninklijken gastheer voor het allervorstelijkst onthaal te danken.”Saladin boog het hoofd beleefd, maar wees de uitnoodiging van de hand.„Ik moet mij bij den gekwetste vervoegen,” zeide hij. „De geneesheer verlaat zijn patiënt evenmin als de kampvechter het strijdperk, al werd hij ook in een lustoord als het paradijs, geroepen. En voorts, koninklijke Richard, moet gij weten, dat het Oostersche bloed in tegenwoordigheid van de schoonheid niet zoo kalm vloeit, als dat van uw land. Wat zegt het Boek zelf?—Haar oog is als het scherp van het zwaard des Profeets; wie zal het aanzien? Hij, die niet verbrand wil worden, zorgt, dat hij niet op gloeiende asch treedt—de wijzen spreiden het vlas niet uit voor eene flikkerende toorts.—Hij, zegt de wijze, die een schat verloren heeft, handelt onverstandig, wanneer hij zijn hoofd omwendt, om er naar te zien.”Men mag aannemen dat Richard de redenen van kieschheid eerbiedigde, die voortsproten uit zeden, zoo verschillend van de zijne, en drong niet verder met zijn verzoek bij hem aan.„Deze middag,” zeide de Sultan heengaande, „hoop ik, dat gij een koude maaltijd onder de zwarte kameelhuid van een opperhoofd uit Kurdistan zult willen aannemen.”Dezelfde uitnoodiging werd aan alle andere Christenen gedaan, die aanzienlijk genoeg waren, om aan een feest, dat voor Vorsten bereid was, deel te nemen.„Luister,” zeide Richard; „de pauken kondigen aan, dat onze gemalin en haar gevolg de galerij verlaten—en zie, de tulbanden buigen ter aarde, of zij door een vernielenden engel werden neder-geworpen. Allen liggen daar, alsof de blik van het oog eens Arabier’s den glans van eene vrouwenwang kon bezoedelen! Kom, wij willen naar de tent, en onzen overwinnaar in zegepraal daarheen geleiden.—Hoe beklaag ik dezen edelen Sultan, die niets meer van de liefde kent, dan van wezens van mindere natuur.”Blondel stemde zijne harp tot hare meestverheven accoorden, omde intrede van den overwinnaar in de tent van Koningin Berengaria te begroeten. Hij trad binnen, aan iedere zijde met een zijner getuigen, Richard en Willem Langzwaard, en knielde bevallig voor de Koningin neder, ofschoon zijne hulde grootendeels zwijgende, bewezen werd aan Edith, die aan hare rechterhand was gezeten.„Ontwapen hem dames,” zeide de Koning, wiens grootste genot bestond in de uitoefening van dergelijke ridderlijke gebruiken.—„Laat de Schoonheid de Ridderschap vereeren! Maak zijne sporen los, Berengaria, hoewel eene Koningin, zijt gij hem alle blijken van gunst verschuldigd, die gij in staat zijt te geven,—ontdoe hem van zijn helm, Edith;—met deze hand moet gij het doen, al waart gij de meest trotsche Plantagenet van den geheelen stam, en hij de armste ridder op aarde!”Beide dames gehoorzaamden aan het koninklijk bevel, Berengaria met driftigen ijver, alsof zij begeerig was, aan den wil van haar gemaal te voldoen, en Edith, beurtelings blozende en verbleekende, terwijl zij langzaam en onhandig met den bijstand van Langzwaard de banden losmaakte, die den helm aan den halskraag bevestigden.„En wat verwacht gij onder dat metalen bekleedsel?” zeide Richard, toen de weggenomen helm het edele gelaat van sir Kenneth vertoonde, terwijl het gloeide door de laatste inspanning en niet minder van aandoening. „Wat denkt gij van hem, gij dapperen en schoonen?” vroeg Richard.„Gelijkt hij op een Ethiopischen slaaf, of vertoont hij het gelaat van een gelukzoeker zonder afkomst of naam? Neen bij mijn goed zwaard!—Hier eindigen zijne verschillende vermommingen. Hij heeft voor u geknield, onbekend behalve door zijne eigen waarde—hij rijst op, evenzeer hoogverheven door zijne geboorte en door zijn vermogen. De avontuurlijke ridder, Kenneth, staat op als David Graaf van Huntingdon, Kroonprins van Schotland.”Eene algemeene kreet van verbazing werd gehoord, en Edith liet den helm, dien zij zoo even afgenomen had, uit hare hand vallen.„Ja, mijne heeren,” ging de Koning voort, „zoo is het. Gij weet, hoe Schotland ons misleidde, toen het ons beloofde, dezen moedigen graaf met een dapper korps van de besten en edelsten te zenden, om onze wapenen in het veroveren van Palestina te steunen, maar in gebreke bleef, zijne verbintenissen na te komen. Deze edele jongeling, onder wiens aanvoering de Schotsche kruisvaarders ten strijde hadden moeten trekken, hield het voor laaghartig, dat zijn arm aan den heiligen oorlog zou onttrokken worden, en vereenigde zich in Sicilië met een klein gevolg van aan hem gehechte trouwe dienaars, dat door vele zijner landslieden, aan wie de rang van hun bevelhebber bekend was, vermeerderd werd. De vertrouwden van den koninklijken prins waren allen, op een ouden schildknaap na, door den dood weggerukt, toen zijn maar al te goed bewaard geheim, mij bijna in den persoon van een Schotschen avonturier een jong vorst van de schoonste verwachting had doen opofferen.—Waarom hebt gij uwe rang verzwegen, edele Huntingdon, toen die door mijn haastig en driftig vonnisin gevaar gebracht werd?—Was dit, omdat gij Richard in staat hieldt, om van het voordeel misbruik te maken, dat ik toen had op den erfgenaam van een Koning, dien ik zoo menigmaal vijandig bevonden had?”„Dit onrecht deed ik u niet, koninklijke Richard,” antwoordde de graaf van Huntingdon; „maar mijn hoogmoed gedoogde niet, dat ik mij als prins van Schotland zou doen kennen, om mijn leven te redden, dat door een gebrek van trouw aan mijn plicht in gevaar was gebracht. En bovendien had ik eene gelofte gedaan om mijn rang onbekend te doen blijven, totdat de kruistocht zou geëindigd zijn. Ook heb ik er geene melding van gemaakt, behalvein articulo mortis(in het oogenblik des doods) en onder het zegel der biecht, aan gindschen eerwaardigen kluizenaar.”„Het was dus de bekendheid met dit geheim, dat den goeden man zoo bij mij deed aandringen, om mijn gestreng vonnis te herroepen?” zeide Richard. „Terecht zeide hij, dat, zoo deze brave ridder op mijn bevel ware ter dood gebracht geworden, ik de daad ongedaan zou gewenscht hebben, al had mij dit ook een lid mijns lichaams gekost.—Een lid!—Ik zou het ongedaan gewenscht hebben, al had mij dit mijn leven gekost; daar de wereld zou gezegd hebben, dat Richard misbruik had gemaakt van den toestand, waarin de erfgenaam van Schotland zich door zijn vertrouwen in zijn edelmoedigheid had geplaatst.”„Maar mogen wij van uwe Majesteit vernemen, door welk vreemd en gelukkig toeval dit raadsel eindelijk is opgelost?” vroeg Koningin Berengaria.„Er werden ons brieven uit Engeland overgebracht,” zeide de Koning, „waaruit wij vernamen, onder andere onaangename tijdingen, dat de Koning van Schotland drie van onze edelen, die op eene bedevaart naar St. Ninian waren, gevat, en als reden opgegeven had, dat zijn erfgenaam, dien hij veronderstelde, in de rijen der Duitsche ridders tegen de heidenen in Pruisen te vechten, inderdaad in onze legerplaats en in onze macht was; en daarom was Willem voornemens, deze edelen als gijzelaars voor zijne veiligheid te houden. Dit gaf mij het eerste licht omtrent den wezenlijken rang van den ridder van den Luipaard, en mijne vermoedens werden door de Vaux bevestigd, die bij zijne terugkomst uit Askalon, den eenigen dienaar van den graaf vanHuntingdonhad teruggebracht. Deze, een domme slaaf, was dertig mijlen ver gereisd, om de Vaux een geheim mede te deelen, dat hij mij had moeten toevertrouwen.”„Den oudeStrauchanmoet men niet te hard vallen,” zeide de lord van Gilsland. „Hij wist bij ondervinding, dat mijn hart wat zachter is, dan wanneer ik mij Plantagenet noemde.”„Uw hart zacht! Gij stuk oud ijzer—gij Cumberlandsche keisteen!” riep de Koning uit.—„Wij Plantagenets kunnen op zachte en gevoelvolle harten roemen. Edith,” ging hij voort zich tot zijne nicht wendende met eene uitdrukking, die het bloed in hare wangen deedstijgen, „geef mij uwe hand, schoone nicht, en geef mij de uwe, prins van Schotland.”„Laat af, mylord,” antwoordde Edith, terugtredende, en trachtende hare verwarring te verbergen, onder eene poging om over de lichtgeloovigheid van haar koninklijken broeder te spotten. „Herinnert gij u niet, dat mijne hand het teeken moest zijn, om de Sarraceenen en Arabieren, Saladin en zijne geheele getulbande bende tot Christenen te bekeeren?”„Ja, maar de wind der profetie is gedraaid, en waait nu uit een anderen hoek,” zeide Richard.„Spot niet, vrees dat uwe banden nog krachtiger zullen worden,” zeide de kluizenaar, vooruit tredende. „De hemel schrijft niets dan waarheid in zijne oorkonden. Het zijn de oogen van den mensch, die te zwak zijn, om het schrift goed te lezen. „Weet, dat, toen Saladin en Kenneth van Schotland in mijne grot sliepen, ik in de sterren las, dat er onder mijn dak een vorst rustte, die de geboren vijand van Richard was, en met wien het noodlot van Edith Plantagenet moest verbonden worden. Kon ik twijfelen, dat dit Saladin moest zijn, wiens rang mij wel bekend was, daar hij mijne cel dikwijls bezocht, om over de wentelingen der hemelsche lichamen te spreken?—Voorts, de lichten aan het uitspansel verkondigden, dat deze Vorst, de gemaal van Edith Plantagenet, een Christen moest zijn; en ik—zwak en onbezonnen uitlegger!—leidde daaruit de bekeering af van den edelen Sultan, wiens goede hoedanigheden hem dikwijls tot het betere geloof deden neigen. Het gevoel mijner zwakheid heeft mij tot het stof vernederd, maar in het stof heb ik troost gevonden! Ik heb het lot van anderen niet goed gelezen—wie kan mij verzekeren, dat ik mij niet in mijn eigen lot misrekend heb? God wil niet, dat wij in het huis van zijnen raad dringen of zijne verholen geheimen bespieden. Wij moeten zijn tijd met waken en gebed—met vrees en hoop afwachten. Ik kwam hierheen als de ernstige ziener—de trotsche profeet—ervaren genoeg, naar ik meende, om vorsten te onderwijzen, en zelfs met bovennatuurlijke kracht begaafd, maar met een last bezwaard, dien ik dacht, dat alleen mijne schouders hadden kunnen dragen. Maar mijne banden zijn verbroken! Ik ga van hier vernederd in mijne onwetendheid, boetvaardig—maar niet zonder hoop.”Met deze woorden verwijderde hij zich uit de bijeenzijnden, en men verhaalt, dat van dit tijdstip af zijne aanvallen van zinneloosheid zelden terugkeerden, en zijne boetedoeningen van zachteren aard waren, en met beter hoop op de toekomst gepaard gingen. Zoo veel eigenwaan ligt er zelfs in de krankzinnigheid opgesloten, dat het besef, dat hij eene ongegronde voorspelling met zoo veel overtuiging gekoesterd en uitgedrukt had, scheen te werken als het verlies van bloed op het menschelijk lichaam, om den gespannen toestand der hersenen te wijzigen en te doen verminderen.Het is onnoodig, de gesprekken in de koninklijke tent verder te volgen, of te onderzoeken, of David, graaf van Huntingdon, even stomin tegenwoordigheid van Edith Plantagenet was, als toen hij verplicht was in het karakter van een avonturier zonder afkomst of naam te handelen. Men mag vrij gelooven, dat hij daar met behoorlijken ernst den hartstocht openbaarde, waaraan hij het te voren zoo dikwijls moeilijk gevonden had, woorden te geven.Het middaguur naderde thans en Saladin wachtte om de Christen vorsten in eene tent te ontvangen, welke, behalve hare ruime uitgestrektheid, weinig van het gewone verblijf van den Kurd of Arabier verschilde; evenwel was onder haar wijd en donker bekleedsel een gastmaal naar de overvloedigste Oostersche gewoonte bereid, dat op tapijten van de rijkste stoffen uitgespreid was, terwijl er kussens voor de gasten gelegd waren. Maar wij kunnen ons niet bezighouden, het goud- en zilverlaken—het krachtig Arabisch borduursel, de shawls van kasjmir—en het Indisch neteldoek, te beschrijven, die hier in al hun glans ten toon gespreid waren; noch veel minder het verschillende suikerwerk, ragouts met rijst van verschillende kleuren omgeven, met al de andere lekkernijen van de Oostersche kookkunst op te noemen; en hunne geheel gebraden lammeren, en wild en gevogelte als pasteien toebereid, waren in gouden, zilveren en porceleinen vazen opgedischt en afgewisseld met groote bekers sorbet, die in sneeuw en ijs uit de holen van den berg Libanon verkoeld waren. Een prachtige stapel kussens boven aan de tafel scheen bestemd voor den aanlegger van het feest en zulke hooge personen, die hij mocht uitnoodigen, om deze plaats van onderscheiding te deelen, terwijl, van boven van de tent in alle richtingen, maar boven deze verheven plaats in het bijzonder, menige banier en menig vaandel wapperde, de zegeteekenen van gewonnen veldslagen en onderworpen koninkrijken. Maar onder en boven deze stak aan eene lange lans een lijklaken, de banier des doods, met dit veelzeggend opschrift: „Saladin, Koning der Koningen, de overwinnaar der overwinnaars—Saladin moet sterven.” Te midden van deze toebereidselen stonden de slaven, welke deze ververschingen opgebracht hadden, met gebogen hoofden en gekruiste armen, stom en roerloos als gedenkteekenen van overledenen, of als automaten, die de aanraking van den kunstenaar afwachtten, om hen in beweging te brengen.Terwijl de Sultan, die, gelijk de meesten, met de bijgeloovigheden van zijn tijd behebt was, de komst van zijne vorstelijke gasten afwachtte, stond hij peinzend gebogen over een horoskoop en eene daarmede verbonden perkamentrol, die hem de kluizenaar van Engaddi bij zijn vertrek uit het leger gezonden had.„Zonderlinge en geheimzinnige wetenschap,” zeide hij in zich zelven, „die, voorwendende den sluier der toekomst op te lichten, diegene misleidt, die zij schijnt te leiden, en het tooneel verduistert, dat zij voorgeeft te verlichten! Wie zou niet gezegd hebben, dat ik die gevaarlijkste vijand voor Richard was, wiens vijandschap door de verbintenis met zijne nicht eindigen moest? Toch blijkt het nu, dat eene vereeniging tusschen dezen dapperen graaf en de dame eene verzoening tusschen Richard en Schotland zal teweeg brengen, eengevaarlijker vijand dan ik, zooals eene wilde kat in de kamer meer te vreezen is, dan een leeuw in een afgelegen woestijn.—Maar toch,” vervolgde hij bij zich zelven, „de berekening toonde aan, dat deze echtgenoot een Christen moest zijn.—Christen?” herhaalde hij na eene poos zwijgen,—„dat gaf den zinneloozen dweper de hoop, dat ik mijn geloof zou afzweren! maar mij, den getrouwen aanhanger van den Profeet—mij moest het uit den droom geholpen hebben. „Ziedaar, geheimzinnige rol,” voegde hij er bij, die onder den stapel kussens werpende; „vreemd en noodlottig zijn uw voorspellingen, daar zij, zelfs wanneer zij op zich zelven waarheid behelzen, bij hem, die de meening trachten te ontcijferen, al de uitwerkselen der valschheid hebben …. Hoe nu! wat beteekent die stoornis!”Hij sprak tot den dwerg Nebectamus, die zeer ontroerd in de tent stortte, terwijl ieder van zijne vreemde en ongeëvenredigde trekken door den schrik tot nog grooter leelijkheid verwrongen waren,—zijne oogen stijf, zijn mond open, zijne handen met de rimpelige en mismaakte vingers wild uitgestrekt.„Wat is er nu?” vroeg de Sultan op gestrengen toon.„Accipe hoc!(Neem dat)” kermde de dwerg:„Ha! wat zegt gij?” vroeg Saladin op nieuw.„Accipe hoc!” hernam het door schrik getroffen schepsel, misschien zonder te weten, dat hij dezelfde woorden als te voren herhaalde.„Vertrek, ik heb geen lust voor zotternijen!”„Ook ik ben niet langer een gek,” hervatte de dwerg, „dan om mijne zotheid en mijn vernuft te helpen, om mijn brood te verdienen, arm, ellendig schepsel dat ik ben.—Hoor, hoor mij, groote Sultan!”„Welnu, zoo gij over wezenlijk onrecht te klagen hebt,” antwoordde Saladin, „gek of wijs, dan hebt gij recht op het oor des Konings—Kom herwaarts met mij.” Hierop geleidde hij hem in het binnenste der tent.Wat ook het onderwerp van hun gesprek was, het werd spoedig afgebroken door het schetteren der trompetten, dat de komst van de Christen vorsten aankondigde, die Saladin koninklijk in zijne tent verwelkomde, zoo als aan hun rang en den zijnen betaamde. Maar vooral begroette hij den jongen graaf van Huntingdon, en wenschte hem edelmoedig geluk met zijne vooruitzichten, ofschoon zij die, welke hij zelf gekoesterd had, schenen te hebben belemmerd en verijdeld.„Maar meen niet, edel jongeling,” zeide de Sultan, „dat de prins van Schotland meer welkom bij Saladin is, dan Kenneth het den eenzamen Ilderim was, toen zij elkander in de woestijn ontmoetten, of de ongelukkige Ethiopiër den Hakim Adonbec. Een braaf en edel karakter, gelijk het uwe, heeft eene waarde, die van stand en geboorte onafhankelijk is, gelijk de koele dronk, dien ik u hier aanbied, even aangenaam uit een aarden vaas, als uit een gouden beker smaakt.”De graaf van Huntingdon gaf een gepast antwoord, en betuigde zijne erkentelijkheid voor de verschillende gewichtige diensten, die hijvan den edelmoedigen Sultan ontvangen had; maar toen hij Saladin met den beker sorbet, dien de Sultan hem had aangeboden, bescheid gedaan had, kon hij zich niet weerhouden, om glimlachend op te merken: „de dappere ridder Ilderim kende den ijsvorm niet, maar de milde Sultan verkoelt zijn sorbet met sneeuw.”„Verlangt gij, dat een Arabier of Kurd even verstandig als een Hakim zou zijn?” vroeg de Sultan. „Hij, die eene vermomming aanneemt, moet het gevoel van zijn hart en de geleerdheid van zijn hoofd met zijn aangenomen gewaad doen overeenstemmen. Ik wenschte te zien, hoe een dapper en eerzaam ridder uit Frangistan in een strijd met een opperhoofd, als ik toen scheen, zich zou gedragen; en ik betwijfelde de waarheid van een bekend feit, om te zien, door welke bewijsgronden gij uw gezegde zoudt staven.”Terwijl zij spraken, werd de aartshertog van Oostenrijk, die een weinig ter zijde stond getroffen, door deze opmerking over den door ijs verkoelden sorbet, en vatte met een glans van genoegen op zijn gelaat en eenige ongemanierdheid den grooten beker, toen de Graaf van Huntingdon op het punt stond, dien weder neer te zetten.„Allerheerlijkst!” riep hij na eene diepe teug uit, die het heete weêr en de koortsachtigheid, een gevolg van den vorigen dag, dubbel aangenaam had gemaakt. Hij zuchtte, toen hij den beker aan den grootmeester der Tempeliers overhandigde. Saladin gaf den dwerg een teeken; deze trad vooruit, sprak met luide stem de woorden: „accipe hoc!” De Tempelier schrikte terug, doch herstelde zich spoedig, en, misschien om zijne verlegenheid te verbergen, bracht hij den beker aan zijne lippen—maar deze lippen raakten slechts den rand van dien beker. Saladin’s sabel verliet zijne scheede, als de bliksem de wolk verlaat. Hij zwaaide die in de lucht—en het hoofd van den Grootmeester rolde naar het uiterste einde der tent.Er ontstond een algemeene kreet van verraad, en de aartshertog, die het naast aan Saladin met de bloedige sabel in de hand stond, deinsde terug, alsof hij vreesde, dat hij nu aan de beurt was. Richard en anderen sloegen de handen aan hun zwaard.„Vrees niets, edele hertog,” zeide Saladin even bedaard, alsof er niets ware voorgevallen, „en gij, koninklijke broeder van Engeland, wees niet vertoornd over hetgeen gij gezien hebt. Niet wegens zijn menigvuldig verraad en niet wegens den aanslag, dien hij, volgens getuigenis van zijn eigen schildknaap, tegen het leven van Koning Richard maakte;—niet, omdat hij den prins van Schotland en mij zelven in de woestijn vervolgde, en ons noodzaakte, om het leger door de snelheid onzer paarden te redden;—niet, omdat hij de Maronieten opgestookt had, om ons bij diezelfde gelegenheid aan te vallen, wier plan ik echter verijdelde, door onverwacht een groot getal Arabieren tegen hem aan te voeren;—niet om eene van al deze misdaden ligt hij thans daar, ofschoon die wel zulk eene straf verdienden;—maar omdat hij, nauwelijks een half uur vóór hij onze tegenwoordigheid vergalden, gelijk de samoen den dampkring vergiftigt,zijn makker en medeplichtige, Koenraad van Montserrat, heeft doorstoken, uit vrees, dat deze de schandelijke samenzweringen, waarin zij beide gewikkeld waren, mocht bekennen.”„Hoe! Koenraad vermoord?—en wel door den grootmeester, zijn getuige en meest vertrouwden vriend?” riep Richard uit. „Edele Sultan—ik wilde gaarne uwe woorden niet in twijfel trekken—dit evenwel moet bewezen worden—anders ….”„Hier staat de getuige,” antwoordde Saladin, op den verschrikten dwerg wijzende. „Allah die den glimworm zendt om den nacht te verlichten, kan door de verachtelijkste middelen geheime misdaden doen ontdekken.”De Sultan begon nu de geschiedenis van den dwerg te verhalen, die hierop nederkwam.—In zijne dwaze nieuwsgierigheid, of, zooals hij gedeeltelijk bekende, met het onbestemd plan om een kleinigheid te stelen, was Nebectamus in de tent van Koenraad geraakt, die zijne volgelingen verlaten hadden; eenige hadden ijlings het kamp verlaten, om de tijding zijner nederlaag aan zijn broeder mede te deelen; anderen bedienden zich van de gelegenheid tot smullen, die Saladin hun verschaft had. De gekwetste sliep onder den invloed van Saladin’s verwonderlijken talisman, zoodat de dwerg gelegenheid had, om naar welgevallen rond te zoeken, totdat de schrik bij het hooren van een zwaren tred hem bewoog, zich te verbergen. Hij verschool zich achter een gordijn, maar kon de bewegingen zien, en de woorden hooren van den Grootmeester, die binnentrad, en den ingang van de tent zorgvuldig achter zich dicht maakte. Zijn slachtoffer schrikte uit den slaap op, en het scheen, dat hij dadelijk het voornemen van zijn ouden bondgenoot vermoedde; want het was op een toon van ongerustheid, dat hij hem vroeg, waarom hij hem stoorde?„Ik kom om u de biecht te doen afleggen; en dan den aflaat te geven,” antwoordde de grootmeester.Van hun verder gesprek herinnerde zich de verschrikte dwerg weinig, behalve dat Koenraad den grootmeester smeekte, een geknakt riet niet te breken, en dat de Tempelier hem met een Turkschen dolk het hart doorstak, met de woorden: „accipe hoc”—woorden, die nog lang daarnaar de verschrikte verbeelding van den verscholen getuige kwelden.„Ik heb mij van de waarheid van het verhaal overtuigd,” zeide Saladin, „door het lijk te doen onderzoeken; ik deed dit rampzalige wezen, dat Allah tot ontdekker van de misdaad gemaakt heeft, in uwe tegenwoordigheid de door den moordenaar gesproken woorden herhalen; en gij zelf hebt de uitwerking gezien, die ze op zijn geweten teweeg brachten.”Hier zweeg de Sultan, en de Koning van Engeland was de eerste die het stilzwijgen afbrak:„Indien dit de waarheid is, waaraan ik niet twijfel, hebben wij eene groote daad van gerechtigheid aanschouwd, ofschoon die een geheel ander karakter scheen te hebben. Maar waarom in dit gezelschap? waarom met uwe eigen hand?”„Ik was voornemens het anders te doen geschieden,” antwoordde Saladin; „maar had ik zijne straf niet verhaast, dan zou die geheel afgewend geworden zijn, indien ik hem vergund had om uit mijn beker te drinken, zoo als hij op het punt was te doen, en daar ik dan, zonder de gastvrijheid geschonden te hebben, hem, gelijk hij verdiende, den dood niet had kunnen doen ondergaan. Al had hij mijn vader vermoord, en daarna mijn beker met mij gedeeld, dan had ik geen haar van zijn hoofd durven krenken. Maar genoeg van hem—laat zijn lijk en zijne gedachtenis uit ons midden verwijderd worden.”Het lijk werd weggebracht, en de sporen van de terechtstelling vernietigd of verborgen met eene vaardigheid die bewees, dat het voorval niet zoo geheel ongewoon was, dat het de dienaren en officieren van het huis des Sultans in verlegenheid kon brengen.Maar de Christen vorsten gevoelden, dat het tooneel, hetwelk zij aanschouwd hadden, zwaar op hun geest drukte; en ofschoon zij, op vriendelijk verzoek van den Sultan, hunne plaats bij het gastmaal weder innamen, geschiedde dit echter met het stilzwijgen van twijfel en verbazing. Het gemoed van Richard alleen overwon allen argwaan en verlegenheid. Hij scheen evenwel ook over een voorslag na te denken, alsof hij begeerde, die in de vleiendste en aangenaamste wijze te doen, welke hem mogelijk was. Eindelijk dronk hij een grooten beker wijn ledig, en zich tot den Sultan wendende, wenschte hij te weten, of het niet waar was, dat hij den graaf van Huntingdon met een persoonlijk gevecht had vereerd.Saladin antwoordde glimlachend, dat hij zijn paard en zijne wapenen tegen den erfgenaam van Schotland beproefd had, zoo als de ridders gewoon zijn te doen, wanneer zij elkander in de woestijn ontmoeten—en voegde hij er op bescheiden toon bij, dat, ofschoon de strijd niet geheel beslissend geweest was, hij evenwel van zijn kant niet veel reden had om op den uitslag te roemen. De Schot, van den anderen kant, wees de hem toegekende meerderheid af, en wenschte die aan den Sultan te geven.„Gij hebt eer genoeg in die ontmoeting behaald,” zeide Richard, „en ik benijd u hierom meer, dan om de lonken van Edith Plantagenet, ofschoon een paar daarvan voldoende zouden zijn, om een bloedig dagwerk te betalen.—Maar wat zegt gij, edele vorsten, past het, dat zulk een koninklijke kring van ridderschap opbreke, zonder dat er iets gedaan wordt, waarvan toekomende tijden kunnen spreken? Wat is de nederlaag en dood van een verrader voor eene zoo schoone kring van edele mannen, als hier vergaderd zijn, en die niet scheiden moeten, zonder iets aanschouwd te hebben, dat hunner achting waardiger is. Wat zegt gij, vorstelijke Sultan—zoo wij beide thans en in tegenwoordigheid van dit edel gezelschap den lang gevoerden strijd om dit land van Palestina beslisten, en in eens dezen lastigen oorlog eindigden? Ginds is het strijdperk gereed, en nooit kan het Heidendom een beteren kampvechter verwachten, dan u. Ik wil, zoo zich niet eenwaardiger aanbiedt, mijn handschoen ten voordeele van het Christendom neerleggen, en in alle liefde en eer zullen wij met elkander den strijd op dood en leven aangaan om het bezit van Jeruzalem.”Er volgde een diep stilzwijgen, vol verwachting op hetgeen de Sultan zou antwoorden. Zijne wang en zijn voorhoofd kleurden sterk, en vele van de aanwezenden waren van meening, dat hij aarzelde, of hij de uitdaging zou aannemen, ja dan neen. Eindelijk zeide hij: „Zoo ik voor de heilige stad vocht tegen hen, welke wij als afgodendienaars en aanbidders van blokken en steenen en gesneden beelden beschouwen, zou ik kunnen vertrouwen, dat Allah mijn arm kracht zou verleenen; of zoo ik onder het zwaard van Melec Ric viel, kon ik door geen roemrijker arm in het paradijs komen. Maar Allah heeft Jeruzalem reeds aan de ware geloovigen gegeven, en het zou eene verzoeking van den God des Profeets zijn, zoo ik met mijne persoonlijke kracht en behendigheid datgene op het spel zette, wat ik door mijne groote macht bezit.”„Indien dan niet om Jeruzalem,” hernam Richard op den toon van iemand, die eene gunst van een boezemvriend verzoekt, „laat ons dan ter liefde voor de eer ten minste drie uitvallen met scherpe lansen tegen elkander doen.”„Zelfs dit,” hernam Saladin, half glimlachende over den driftigen ernst van Richard Leeuwenhart voor den strijd, „zelfs dit mag ik volgens de wet niet doen. De meester stelt den herder over de kudde aan, niet om des herders wil, maar om de schapen. Had ik een zoon, die den scepter kon voeren, wanneer ik viel, dan zou ik de vrijheid gehad hebben, even als ik den wil heb, om dit stoute gevecht te ondernemen; maar uw eigen schrift zegt, dat, wanneer de herder verslagen is, de schapen verstrooid worden.”„Gij hebt al het geluk gehad,” zeide Richard, zich met een zucht tot den Graaf van Huntingdon wendende. „Ik zou het beste jaar van mijn leven voor dat ééne halve uur in de nabijheid van den Diamant der woestijn gegeven hebben.”De ridderlijke opgewondenheid van Richard deed de vroolijkheid van het gezelschap ontwaken, en toen zij eindelijk opstonden, om te vertrekken, trad Saladin voorwaarts, en greep Richard’s hand.„Edele Koning van Engeland,” zeide hij, „wij scheiden thans, om elkander nooit weder te ontmoeten. Dat uw verbond verbroken is, om nooit weder hersteld te worden, en dat uw eigen macht veel te gering is om u in staat te stellen uwe onderneming voort te zetten, is u even goed als mij bekend. Ik mag u dat Jeruzalem, hetwelk gij zoo zeer wenscht te bezitten, niet afstaan. Het is voor ons, even als voor u, eene heilige stad. Maar welke andere voorwaarden Richard van Saladin vordert, die zullen hem even welwillend toegestaan worden als gindsche fontein haar water schenkt. Ja, het zou even oprecht toegestaan worden, zoo Richard met slechts twee boogschutters bij hem in de woestijn stond!”De volgende dag zag Richard naar zijne eigene legerplaats terugkeeren, en korten tijd daarna huwde de jonge Graaf van Huntingdon met Edith Plantagenet. De Sultan zond tot geschenk bij deze gelegenheid, den beroemden Talisman; maar, ofschoon er vele genezingen in Europa mede geschiedden, evenaarde toch geene in goeden uitslag en vermaardheid die, welke de Sultan zelf verricht had. Deze is nog in aanwezen, daar de Graaf van Huntingdon hem aan een dapper Schotsch ridder, Sir Mungo of the Lee vermaakt had, in wiens oud en zeer geëerd geslacht deze nog wordt bewaard; en ofschoon betooverde steenen uit de hedendaagsche pharmacopoea verbannen zijn, worden de krachten ervan nog voor het stillen van het bloed in gevallen van hondsdolheid gebruikt.Hier eindigt onze geschiedenis, daar de voorwaarden, waarop Richard zijne veroveringen prijsgaf, in elke geschiedenis van dat tijdvak te vinden zijn.EINDE.
HOOFDSTUK XXVIII.Hoort gij het gekletter van den strijdLans tegen lans, ros tegen ros?Gray.Men was overeengekomen, wegens de hitte van het klimaat, dat het godsoordeel, dat thans de verschillende volken bij den Diamant der woestijn had bijeengebracht, een uur na zonsopgang plaats zou hebben.Het groote strijdperk, dat onder toezicht van den ridder van den Luipaard was ingericht, omvatte eene ruimte van hard zand die honderd zestig ellen lang en ruim vijftig breed was. Het strekte zich in de lengte van het noorden naar het zuiden uit, zoodat beide partijen gelijk voordeel van de opgaande zon hadden. Saladin’s koninklijke zetel was aan de westelijke zijde van de omheining opgericht, vlak in het midden, waar men verwachtte, dat de strijders elkander ontmoeten zouden. Daar tegenover was eene galerij met gesloten vensters, zoo ingericht, dat de dames, voor wie deze plaats bestemd was, het gevecht konden aanschouwen, zonder zelven gezien te worden. Er waren ook tronen opgericht; maar de aartshertog, die bemerkte, dat de zijne lager was dan die van Koning Richard, weigerde daarop plaats te nemen; en Leeuwenhart, die zich veel zou hebben laten welgevallen, eer eene formaliteit den strijd zou verhinderd hebben, gaf gereedelijk zijne toestemming, dat de borgen, zoo als zij genoemd werden, gedurende het gevecht te paard zouden blijven. Aan den eenen kant van het strijdperk werd het gevolg van Richard geplaatst, en tegen hen over stonden de begeleiders van den aangeklaagde, Koenraad. Rondom den troon, voor den Sultan bestemd, waren zijne prachtige Georgische wachten opgesteld, en verder was het de omheining door Christen en Mahomedaansche aanschouwers bezet.Lang vóór het aanbreken van den dag was het strijdperk door een nog grooter aantal Sarraceenen omringd, dan Richard den vorigen dag gezien had. Toen de eerste stralen van de schitterende zonneschijf zich boven de woestijn verspreidden, klonk de kreet: „ten gebede—ten gebede!” door den Sultan zelven aangeheven, en door anderen beantwoord, wier rang en ijver hun het recht gaven, als muezzins opte treden. Het was een treffend schouwspel, hen allen op den grond te zien neerzinken, om hun gebed te doen, met het gelaat naar Mekka gekeerd. Maar toen zij van den grond opstonden, schenen de zonnestralen, die nu sterker werden, de meening van den lord van Gilsland van den vorigen avond te bevestigen. Zij werden door tal van speerspitsen weerkaatst, want de lansen zonder punten van den vorigen dag waren er niet meer. De Vaux maakte hierop zijn meester opmerkzaam, die ongeduldig antwoordde, dat hij een onbepaald vertrouwen in de rechtschapenheid van den Sultan stelde; maar dat, zoo de Vaux voor zijn zwaarlijvig lichaam bevreesd was, hij zich kon verwijderen.Kort daarop hoorde men het gedreun der pauken, op wier klank al de Sarraceensche ruiters van hun paard sprongen, en zich nederbogen, alsof zij een tweede morgengebed wilden verrichten. Dit geschiedde om der Koningin met Edith en haar gevolg gelegenheid te geven, van de tent naar de voor haar bestemde galerij te gaan. Vijftig wachten van Saladin’s harem met onbloote sabels begeleidden haar, met bevel, om ieder neder te sabelen, hij mocht prins of boer zijn, die het mocht wagen de dames bij het voorbijgaan aan te zien, of zelfs het hoofd durfden oprichten, voor dat het ophouden der muziek allen zou verkondigen, dat zij in hare galerij waren aangekomen, waar zij door geen nieuwsgierig oog konden worden aanschouwd.Deze bijgeloovige inachtneming van Oosterschen eerbied voor het schoone geslacht deden bij Koningin Berengaria eenige aanmerkingen rijzen, die voor Saladin en zijn vaderland niet zeer gunstig waren. Maar toen haar hol, zooals de koninklijke schoone het geliefde te noemen, door hare zwarte wachters veilig gesloten was en bewaakt, was zij in de noodzakelijkheid om zich te vergenoegen met te zien, en voor het tegenwoordige het nog heerlijker genoegen van gezien te worden ter zijde te stellen.Intusschen stelden de getuigen van beide kampvechters, zoo als hun plicht voorschreef, een onderzoek in, of deze behoorlijk gewapend en voor het gevecht bereid waren. De aartshertog van Oostenrijk had geen haast om dit deel van de plechtigheid te vervullen, daar hij den vorigen avond een goeden roes van Schiras wijn gehad had. Maar de grootmeester der Tempeliers, die meer belang bij den uitslag van den strijd had, was al spoedig voor de tent van Koenraad van Montserrat. Tot zijne groote verbazing weigerden de bedienden hem binnen te laten.„Kent gij mij niet, kerels?” vroeg de grootmeester in de hoogste mate vertoornd.„Zeer goed, zeer dapper en eerwaardig heer,” antwoordde Koenraad’s schildknaap; „maar zelfs gij moogt voor het oogenblik niet binnen—de markies is gereed om te biechten.”„Te biechten!” riep de Tempelier op een toon uit, waarin schrik met verbazing en minachting vermengd was—„en bij wien, vraag ik u?”„Mijn meester heeft mij stilzwijgendheid geboden,” hernam de schildknaap;waarop de grootmeester hem voorbijsnelde en de tent binnentrad.De markies van Montserrat knielde aan de voeten van den kluizenaar van Engaddi, en was op het punt, zijne biecht te beginnen.„Wat beteekent dit, markies?” vroeg de grootmeester; „sta op, schaam u—of zoo gij volstrekt moet biechten, ben ik niet hier?”„Ik heb reeds te dikwijls bij u gebiecht,” antwoordde Koenraad met bleeke wangen en sidderende stem. „Om Gods wil, grootmeester, ga heen, en laat ik mijn geweten aan dien heiligen man ontlasten.”„Waarin is hij heiliger dan ik?” zeide de grootmeester.—„Kluizenaar, profeet, zinnelooze—zeg, zoo gij durft, waarin gij mij overtreft?”„Stout en verdorven man,” antwoordde de kluizenaar, „weet, dat ik gelijk ben aan het getraliede venster, en het goddelijk licht gaat er doorhenen, ofschoon het, helaas! mij zelven niet baat. Gij gelijkt ijzeren staven, die noch zelven licht ontvangen, noch het aan iemand mededeelen.”„Praat niet tegen mij, maar verlaat deze tent,” zeide de grootmeester, „de markies zal dezen morgen niet biechten, of het moet bij mij zijn, want ik verlaat zijne zijde niet.”„Is dituwwelgevallen,” zeide de kluizenaar tot Koenraad, „want meen niet, dat ik dezen trotschen man zal gehoorzamen, zoo gij mijn bijstand blijft begeeren.”„Helaas!” zeide Koenraad besluiteloos, „wat wilt gij dat ik zeggen zal?—Vaarwel voor het oogenblik—wij zullen later met elkander spreken.”„O uitstel!” riep de hermiet uit, „gij zijt een zielemoorder! Ongelukkige, vaarwel—niet voor een tijdlang, maar tot dat wij elkander ontmoeten zullen—onverschillig waar. En wat u betreft,” voegde hij er bij, zich tot den grootmeester wendende, „sidder!”„Sidderen,” hervatte de Tempelier verachtelijk, „ik kan niet, al wilde ik ook.”De kluizenaar hoorde zijn antwoord niet, daar hij de tent reeds had verlaten.„Welaan, schielijk ter zake,” zeide de grootmeester, „daar gij die dwaasheid toch verrichten wilt.—Luister—ik geloof, dat ik uwe meeste zwakheden ken, dus kunnen wij de bijzonderheden daarlaten, daar deze wat te lang zouden duren, en met den aflaat beginnen. Watbeduidt het om de vlekken modder te tellen, wanneer wij op het punt zijn, die van onze handen te wisschen!”„Daar gij weet, wat gij zelf zijt,” zeide Koenraad, „is het godlasterend er van te spreken, een ander te willen vergeven.”„Dat is niet naar den regel, heer markies,” antwoordde de Tempelier, „gij zijt meer nauwgezet dan rechtgeloovig. De aflaat van den slechten priester is van even veel kracht, als die van een heilige—anders moge God den armen boeteling helpen! Welk gekwetste vraagt er naar, of de wondarts, die zijne wonden onderzoekt, schoone handen heeft of niet?—Kom, zullen wij het spel beginnen?”„Neen,” antwoordde Koenraad, „ik wil liever sterven zonder te biechten, dan met het sacrament te spotten.”„Kom, edele markies,” hernam de Tempelier, „vat moed, en spreek niet aldus.Binnen een uur zult gij zegevierende in het strijdperk staan, of in uw helm biechten, gelijk een dapper ridder.”„Helaas, grootmeester!” hervatte Koenraad, „alles voorspelt kwaad in deze zaak. De merkwaardigeontdekkingdoor het instinkt van een hond—het herleven van dezen Schotschen ridder, die optreedt als een spook—alles slechte voorteekens.”„Ba,” zeide de Tempelier, „ik heb u moedig uwe lans uit scherts tegen hem zien zwaaien, en dat wel met gelijke kans van goeden uitslag—verbeeld u, dat gij slechts in het toernooi zijt, en wie staat hem beter in het toernooiveld dan gij?—Komt, knapen en wapendragers, uw meester moet voor den strijd uitgerust worden.”De dienaren traden nu binnen, en begonnen den markies te wapenen.„Welk weer is het buiten?” vroeg Koenraad.„De zon gaat donker op,” antwoordde een schildknaap.„Gij ziet, grootmeester,” vervolgde Koenraad, „niets lacht ons toe.”„Gij zult des te koelbloediger vechten, mijn zoon,” antwoordde de Tempelier, „dank den Hemel, dat Hij de zon dezen morgen getemperd heeft, om u ter wille te zijn.”Zoo schertste de grootmeester; maar zijne spotternijen hadden haar invloed op het gemoed van den markies verloren, en, in weerwil van zijne pogingen om opgewekt te schijnen, deelde de droefgeestigheid zich aan den grootmeester mede.„Deze lafaard,” dacht hij, „zal uit louter flauwheid en lamheid in den strijd bezwijken, en dat noemt hij een gevoelig geweten. Ik, wien visioenen en voorteekenen niet schokken—ik, die vast ben in mijn voornemen, als de levende rots—ik zelf moest den strijd gestreden hebben.—Gave God, dat de Schot hem op de plek doodde; dit zou het beste zijn, zoo hij de overwinning niet behalen kan. Maar er kome wat er wil, hij moet geen anderen biechtvader hebben dan mij—onze zonden zijn te gemeenschappelijk, en hij kon wel eens mijn deel te gelijk met het zijne biechten.”Terwijl deze gedachten hem door zijn hoofd speelden, ging hij voort met den markies bij het wapenen te helpen, maar het geschiedde zwijgend.Het uur was eindelijk daar, de trompetten klonken, de ridders reden het strijdperk binnen, van top tot teen naar behooren gewapend, en gelijk mannen, die voor de eer van een koninkrijk zouden strijden. Zij hadden hunne vizieren open, en, drie malen het strijdperk rond rijdende, vertoonden zij zich aan de toeschouwers. Beide waren aanzienlijke mannen en met een edel gelaat. Maar er stond op het voorhoofd van den Schot mannelijk vertrouwen te lezen, eene straal van hoop, die zelfs naar vroolijkheid zweemde. Op Koenraad’s gelaat integendeel, ofschoon trots en herhaalde pogingen veel van zijn natuurlijken moed teruggeroepen hadden, zweefde nog eene wolk van onheilspellende moedeloosheid. Zelfs zijn paard scheen niet zoo licht en vurig op het trompetgeschal te trappelen, als de edele Arabier, dien sir Kenneth bereed; en de spreukspreker schudde het hoofd, terwijl hij opmerkte, dat de uitdager om het strijdperk reed volgens den loop der zon, dat is van de rechterhand naar de linker, maar de aangeklaagde dit van de linker naar de rechter deed, wat men in de meeste landen als een slecht voorteeken beschouwt.Een altaar was voor deze gelegenheid opgericht, juist beneden de galerij, waarop de Koningin gezeten was, en daarnaast stond de kluizenaar in de kleeding zijner orde als karmeliter monnik. Er waren ook andere geestelijken tegenwoordig. Naar dit altaar werden de aanklager en de aangeklaagde achtereenvolgens door hunne getuigen geleid. Beide ridders stegen af, en ieder bezwoer de rechtvaardigheid zijner zaak door een plechtigen eed op het Evangelie, en zij baden, dat de uitslag van den strijd mocht overeenstemmen met de waarheid of valschheid van hetgeen zij bezworen hadden. Zij zwoeren ook, dat zij naar ridder wijze en met de gewone wapens kwamen strijden, en zich het gebruik van tooverspreuken, betooveringen of magische kunsten, ten einde de zege op hunne zijde te brengen, ontzegden. De aanklager deed zijn eed met vaste mannelijke stem en een stout en opgeruimd gelaat. Toen de plechtigheid ten einde was, zag hij naar de galerij op, en boog het hoofd, als ter eere van die onzichtbare schoonheden, die daarin verborgen waren; hierop sprong hij, geheel gewapend zoo als hij was, in den zadel, zonder een stijgbeugel te gebruiken en liet zich door zijn paard in huppelende sprongen naar zijne standplaats brengen aan het oostelijke einde van het strijdperk. Koenraad verscheen ook met genoegzame driestheid voor het altaar; maar toen hij den eed aflegde, klonk het hol, alsof die in zijn helm verstikt werd. De lippen, waarmede hij zich op den hemel beriep, ten einde de overwinning aan de zaak te verleenen, verbleekten, terwijl zij den goddeloozen meineed uitten. Toen hij zich omwendde om zijn paard te bestijgen, naderde de grootmeester dichter tot hem, alsof hij iets aan zijn halskraag verhelpen wilde, en fluisterde hem toe: „Dwaze bloodaard! roep uw moed terug, en vecht dapper in dezen strijd, anders, bij den hemel, zoo gij hem al mocht ontkomen, zult gijmijniet ontgaan!”De woeste toon, waarop hem dit gezegd werd, voltooide misschiende verwarring van den markies, want hij struikelde, toen hij te paard wilde stijgen; en ofschoon hij staan bleef, met zijne gewone vlugheid in den zadel sprong, en zijne behendigheid in het paardrijden aan den dag legde, toen hij zijne plaats tegenover den aanklager innam, ontging dit voorval evenwel niet aan hen, welke op voorteekens letten, die het lot van den dag konden voorspellen. De priesters, na een plechtig gebed, dat God de rechtvaardigheid van den strijd mocht aan den dag brengen, verlieten het strijdperk. De trompetten van den aanklager lieten zich toen luid hooren, en een wapenheraut riep aan het oostelijke uiteinde van het strijdperk uit: „Hier staat een goed ridder, sir Kenneth van Schotland, kampvechter van zijne Majesteit den Koning Richard van Engeland, die Koenraad, markies van Montserrat, van schandelijk verraad en beschimping, genoemden Koning aangedaan, beschuldigt.”Toen de woorden „Kenneth van Schotland” den naam van den kampioen, die tot hiertoe nog niet algemeen bekend was, gehoord werden, weerklonken luide kreten van toejuiching onder het gevolg van Koning Richard, en nauwelijks kon men, trots de herhaalde bevelen tot stilzwijgen, het antwoord van den aangeklaagde hooren. Deze beweerde natuurlijk zijne onschuld, en verklaarde zich bereid daarvoor met zijn lichaam in te staan. De schildknapen der strijders naderden thans, en gaven elk zijn schild en zijne lans, hen helpende om het eerste om den hals te hangen, opdat de beide handen, vrij mochten blijven,—de eene om den teugel te bestieren, de andere om de lans te kunnen hanteeren.Het schild van den Schot vertoonde zijn oud wapen, den Luipaard, maar er waren een halsband en eene gebroken keten bijgevoegd, als toespeling op zijne onlangs geleden slavernij. Het schild van den markies droeg, in verband met zijn titel, een zaagsgewijze gescheurden en rotsachtigen berg. Ieder zwaaide zijne lans boven het hoofd, alsof hij het gewicht en de sterkte van het zware wapen wilde beproeven, en legde ze toen in de rust. De getuigen, herauten en schildknapen trokken zich thans naar de barrière terug, en de strijdenden waren tegenover elkander gezeten, gelaat tegen gelaat, met gevelde lans en gesloten vizier, terwijl de menschelijke gedaante zoo volkomen verborgen was, dat zij er eer als standbeelden van gegoten ijzer, dan wezens van vleesch en bloed uitzagen. De stilte der verwachting was thans algemeen—ieder ademde zwaarder, en de ziel van elk scheen in zijne oogen te zitten, terwijl er geen geluid te hooren was, dan het gebriesch en gestamp der edele rossen, die, gevoelende, wat er gebeuren zou, ongeduldig waren om vooruit te schieten. Zij stonden aldus ongeveer drie minuten lang, toen, op een door den Sultan gegeven teeken, honderd instrumenten de lucht door hun metalen geluid vervulden; en elke kampioen zijn paard de sporen gevende, en den teugel vierende, renden de paarden in vollen galop voorwaarts, en de ridders ontmoetten elkander in het midden van het strijdperk met een schok, aan een donderslag gelijk. De overwinning was niettwijfelachtig,—neen zelfs geen oogenblik. Koenraad toonde inderdaad, dat hij een geoefend krijgsman was; want hij trof zijne tegenpartij ridderlijk midden in zijn schild, terwijl hij zijne lans zoo recht en krachtig hield, dat ze tot aan zijn ijzeren handschoen in splinters vloog. Sir Kenneth’s paard deinsde eenige ellen achteruit, en vielop zijne schenkels, maar de ruiter hielp het gemakkelijk met hand en teugel op. Maar voor Koenraad was er geen herstellen aan. De lans van Sir Kenneth was door zijn schild gedrongen, en verder door een borstharnas met Milaneesch staal beslagen, en door een geweven maliënkolder, die onder het borstharnas gedragen werd, hij had hem diep in den boezem gewond en hem uit den zadel gelicht, terwijl de punt van de lans in de wond bleef zitten. De getuigen, herauten en Saladin zelf drongen om den gekwetsten ridder; terwijl sir Kenneth, die reeds zijn zwaard getrokken had, eer hij nog ontdekte, dat zijn tegenstander geheel hulpeloos was, hem thans beval zijne schuld te bekennen. De helm werd in allerijl losgemaakt, en de gewonde, wild ten hemel ziende, hernam: „Wat wilt gij meer?—God heeft rechtvaardig beslist—ik ben schuldig—maar er zijn erger verraders in het kamp dan ik.—Uit medelijden voor mijne ziel, brengt mij een biechtvader!”Onder het uitspreken dezer woorden kwam hij weder bij.„Den talisman—het krachtig geneesmiddel, koninklijke broeder,” zeide Koning Richard tegen Saladin.„De verrader,” antwoordde Saladin, „is veeleer waard, om uit het strijdperk bij de hielen naar den galg gesleept te worden, dan de kracht van den talisman hier toe te passen;—en er spreekt zulk een noodlot uit zijne blikken,” voegde hij er bij, na den gewonden strak te hebben aangezien; „dat, al kon zijne wond genezen, Azraël’s zegel op het voorhoofd van den ellendeling niet verdwijnen zal.”„Niettemin,” hervatte Richard, „bid ik u, om voor hem te doen wat gij kunt, opdat hij ten minste tijd tot biechten moge hebben.—Vermoord niet ziel en lichaam te gelijk! Voor hem kan een half uur levens tienduizend malen meer waard zijn, dan het leven van den oudsten aartsvader.”„Aan den wensch van mijn koninklijken broeder zal voldaan worden,” hernam Saladin. „Slaven, draagt dien gekwetsten man naar onze tent.”„Doet dat niet,” zeide de Tempelier, die tot hiertoe somber en stilzwijgend toegezien had. „De koninklijke hertog van Oostenrijk en ik zelf zullen niet toelaten, dat deze ongelukkige vorst aan de Sarraceenen overgegeven worde, opdat zij hunne toovermiddelen aan hem beproeven. Wij zijn zijne getuigen, en verlangen, dat hij aan onze zorgen toevertrouwd worden.”„Dat wil zeggen, gij weigert de zekere middelen, die tot zijn herstel aangeboden worden?” vroeg Richard.„Dat niet,” hervatte de grootmeester zich herstellende.—„Indien de Sultan behoorlijke geneesmiddelen gebruikt, kan hij den patiënt in mijne tent behandelen.”„Doe dat, bid ik u, goede broeder,” zeide Richard tot Saladin, „ofschoon het verlof ongaarne is toegestaan.—Maar nu tot een vroolijker werk.—Klinkt, trompetten—schettert ter eere van Engeland en Engelands kampvechter!”Trommels, klaroenen, trompetten en cymbalen lieten zich te gelijkhooren, en het zware en regelmatige gejuich, dat sedert eeuwen de kreet van de Engelschen geweest is, klonk te midden van het schel en regelmatig gegil der Arabieren, als het donderen van een orgel te midden van een huilenden storm. Ten laatste ontstond er stilte.„Dappere ridder van den Luipaard,” vervolgde Leeuwenhart, „gij hebt getoond, dat de Neger zijne huid kan veranderen, en de Luipaard zijne vlekken, hoewel de geestelijken zich op de heilige Schrift voor de onmogelijkheid daarvan beroepen. Maar ik heb u nog meer te zeggen, wanneer ik u zal geleid hebben in tegenwoordigheid der dames, de beste rechters en belooners van ridderlijke daden.”De ridder van den Luipaard gaf door eene buiging zijne toestemming te kennen.„En ook gij, vorstelijke Saladin, zult u naar deze begeven. Ik verzeker u, dat onze gemalin meenen zal niet welkom te zijn geweest, indien haar de gelegenheid ontbreekt, om haar koninklijken gastheer voor het allervorstelijkst onthaal te danken.”Saladin boog het hoofd beleefd, maar wees de uitnoodiging van de hand.„Ik moet mij bij den gekwetste vervoegen,” zeide hij. „De geneesheer verlaat zijn patiënt evenmin als de kampvechter het strijdperk, al werd hij ook in een lustoord als het paradijs, geroepen. En voorts, koninklijke Richard, moet gij weten, dat het Oostersche bloed in tegenwoordigheid van de schoonheid niet zoo kalm vloeit, als dat van uw land. Wat zegt het Boek zelf?—Haar oog is als het scherp van het zwaard des Profeets; wie zal het aanzien? Hij, die niet verbrand wil worden, zorgt, dat hij niet op gloeiende asch treedt—de wijzen spreiden het vlas niet uit voor eene flikkerende toorts.—Hij, zegt de wijze, die een schat verloren heeft, handelt onverstandig, wanneer hij zijn hoofd omwendt, om er naar te zien.”Men mag aannemen dat Richard de redenen van kieschheid eerbiedigde, die voortsproten uit zeden, zoo verschillend van de zijne, en drong niet verder met zijn verzoek bij hem aan.„Deze middag,” zeide de Sultan heengaande, „hoop ik, dat gij een koude maaltijd onder de zwarte kameelhuid van een opperhoofd uit Kurdistan zult willen aannemen.”Dezelfde uitnoodiging werd aan alle andere Christenen gedaan, die aanzienlijk genoeg waren, om aan een feest, dat voor Vorsten bereid was, deel te nemen.„Luister,” zeide Richard; „de pauken kondigen aan, dat onze gemalin en haar gevolg de galerij verlaten—en zie, de tulbanden buigen ter aarde, of zij door een vernielenden engel werden neder-geworpen. Allen liggen daar, alsof de blik van het oog eens Arabier’s den glans van eene vrouwenwang kon bezoedelen! Kom, wij willen naar de tent, en onzen overwinnaar in zegepraal daarheen geleiden.—Hoe beklaag ik dezen edelen Sultan, die niets meer van de liefde kent, dan van wezens van mindere natuur.”Blondel stemde zijne harp tot hare meestverheven accoorden, omde intrede van den overwinnaar in de tent van Koningin Berengaria te begroeten. Hij trad binnen, aan iedere zijde met een zijner getuigen, Richard en Willem Langzwaard, en knielde bevallig voor de Koningin neder, ofschoon zijne hulde grootendeels zwijgende, bewezen werd aan Edith, die aan hare rechterhand was gezeten.„Ontwapen hem dames,” zeide de Koning, wiens grootste genot bestond in de uitoefening van dergelijke ridderlijke gebruiken.—„Laat de Schoonheid de Ridderschap vereeren! Maak zijne sporen los, Berengaria, hoewel eene Koningin, zijt gij hem alle blijken van gunst verschuldigd, die gij in staat zijt te geven,—ontdoe hem van zijn helm, Edith;—met deze hand moet gij het doen, al waart gij de meest trotsche Plantagenet van den geheelen stam, en hij de armste ridder op aarde!”Beide dames gehoorzaamden aan het koninklijk bevel, Berengaria met driftigen ijver, alsof zij begeerig was, aan den wil van haar gemaal te voldoen, en Edith, beurtelings blozende en verbleekende, terwijl zij langzaam en onhandig met den bijstand van Langzwaard de banden losmaakte, die den helm aan den halskraag bevestigden.„En wat verwacht gij onder dat metalen bekleedsel?” zeide Richard, toen de weggenomen helm het edele gelaat van sir Kenneth vertoonde, terwijl het gloeide door de laatste inspanning en niet minder van aandoening. „Wat denkt gij van hem, gij dapperen en schoonen?” vroeg Richard.„Gelijkt hij op een Ethiopischen slaaf, of vertoont hij het gelaat van een gelukzoeker zonder afkomst of naam? Neen bij mijn goed zwaard!—Hier eindigen zijne verschillende vermommingen. Hij heeft voor u geknield, onbekend behalve door zijne eigen waarde—hij rijst op, evenzeer hoogverheven door zijne geboorte en door zijn vermogen. De avontuurlijke ridder, Kenneth, staat op als David Graaf van Huntingdon, Kroonprins van Schotland.”Eene algemeene kreet van verbazing werd gehoord, en Edith liet den helm, dien zij zoo even afgenomen had, uit hare hand vallen.„Ja, mijne heeren,” ging de Koning voort, „zoo is het. Gij weet, hoe Schotland ons misleidde, toen het ons beloofde, dezen moedigen graaf met een dapper korps van de besten en edelsten te zenden, om onze wapenen in het veroveren van Palestina te steunen, maar in gebreke bleef, zijne verbintenissen na te komen. Deze edele jongeling, onder wiens aanvoering de Schotsche kruisvaarders ten strijde hadden moeten trekken, hield het voor laaghartig, dat zijn arm aan den heiligen oorlog zou onttrokken worden, en vereenigde zich in Sicilië met een klein gevolg van aan hem gehechte trouwe dienaars, dat door vele zijner landslieden, aan wie de rang van hun bevelhebber bekend was, vermeerderd werd. De vertrouwden van den koninklijken prins waren allen, op een ouden schildknaap na, door den dood weggerukt, toen zijn maar al te goed bewaard geheim, mij bijna in den persoon van een Schotschen avonturier een jong vorst van de schoonste verwachting had doen opofferen.—Waarom hebt gij uwe rang verzwegen, edele Huntingdon, toen die door mijn haastig en driftig vonnisin gevaar gebracht werd?—Was dit, omdat gij Richard in staat hieldt, om van het voordeel misbruik te maken, dat ik toen had op den erfgenaam van een Koning, dien ik zoo menigmaal vijandig bevonden had?”„Dit onrecht deed ik u niet, koninklijke Richard,” antwoordde de graaf van Huntingdon; „maar mijn hoogmoed gedoogde niet, dat ik mij als prins van Schotland zou doen kennen, om mijn leven te redden, dat door een gebrek van trouw aan mijn plicht in gevaar was gebracht. En bovendien had ik eene gelofte gedaan om mijn rang onbekend te doen blijven, totdat de kruistocht zou geëindigd zijn. Ook heb ik er geene melding van gemaakt, behalvein articulo mortis(in het oogenblik des doods) en onder het zegel der biecht, aan gindschen eerwaardigen kluizenaar.”„Het was dus de bekendheid met dit geheim, dat den goeden man zoo bij mij deed aandringen, om mijn gestreng vonnis te herroepen?” zeide Richard. „Terecht zeide hij, dat, zoo deze brave ridder op mijn bevel ware ter dood gebracht geworden, ik de daad ongedaan zou gewenscht hebben, al had mij dit ook een lid mijns lichaams gekost.—Een lid!—Ik zou het ongedaan gewenscht hebben, al had mij dit mijn leven gekost; daar de wereld zou gezegd hebben, dat Richard misbruik had gemaakt van den toestand, waarin de erfgenaam van Schotland zich door zijn vertrouwen in zijn edelmoedigheid had geplaatst.”„Maar mogen wij van uwe Majesteit vernemen, door welk vreemd en gelukkig toeval dit raadsel eindelijk is opgelost?” vroeg Koningin Berengaria.„Er werden ons brieven uit Engeland overgebracht,” zeide de Koning, „waaruit wij vernamen, onder andere onaangename tijdingen, dat de Koning van Schotland drie van onze edelen, die op eene bedevaart naar St. Ninian waren, gevat, en als reden opgegeven had, dat zijn erfgenaam, dien hij veronderstelde, in de rijen der Duitsche ridders tegen de heidenen in Pruisen te vechten, inderdaad in onze legerplaats en in onze macht was; en daarom was Willem voornemens, deze edelen als gijzelaars voor zijne veiligheid te houden. Dit gaf mij het eerste licht omtrent den wezenlijken rang van den ridder van den Luipaard, en mijne vermoedens werden door de Vaux bevestigd, die bij zijne terugkomst uit Askalon, den eenigen dienaar van den graaf vanHuntingdonhad teruggebracht. Deze, een domme slaaf, was dertig mijlen ver gereisd, om de Vaux een geheim mede te deelen, dat hij mij had moeten toevertrouwen.”„Den oudeStrauchanmoet men niet te hard vallen,” zeide de lord van Gilsland. „Hij wist bij ondervinding, dat mijn hart wat zachter is, dan wanneer ik mij Plantagenet noemde.”„Uw hart zacht! Gij stuk oud ijzer—gij Cumberlandsche keisteen!” riep de Koning uit.—„Wij Plantagenets kunnen op zachte en gevoelvolle harten roemen. Edith,” ging hij voort zich tot zijne nicht wendende met eene uitdrukking, die het bloed in hare wangen deedstijgen, „geef mij uwe hand, schoone nicht, en geef mij de uwe, prins van Schotland.”„Laat af, mylord,” antwoordde Edith, terugtredende, en trachtende hare verwarring te verbergen, onder eene poging om over de lichtgeloovigheid van haar koninklijken broeder te spotten. „Herinnert gij u niet, dat mijne hand het teeken moest zijn, om de Sarraceenen en Arabieren, Saladin en zijne geheele getulbande bende tot Christenen te bekeeren?”„Ja, maar de wind der profetie is gedraaid, en waait nu uit een anderen hoek,” zeide Richard.„Spot niet, vrees dat uwe banden nog krachtiger zullen worden,” zeide de kluizenaar, vooruit tredende. „De hemel schrijft niets dan waarheid in zijne oorkonden. Het zijn de oogen van den mensch, die te zwak zijn, om het schrift goed te lezen. „Weet, dat, toen Saladin en Kenneth van Schotland in mijne grot sliepen, ik in de sterren las, dat er onder mijn dak een vorst rustte, die de geboren vijand van Richard was, en met wien het noodlot van Edith Plantagenet moest verbonden worden. Kon ik twijfelen, dat dit Saladin moest zijn, wiens rang mij wel bekend was, daar hij mijne cel dikwijls bezocht, om over de wentelingen der hemelsche lichamen te spreken?—Voorts, de lichten aan het uitspansel verkondigden, dat deze Vorst, de gemaal van Edith Plantagenet, een Christen moest zijn; en ik—zwak en onbezonnen uitlegger!—leidde daaruit de bekeering af van den edelen Sultan, wiens goede hoedanigheden hem dikwijls tot het betere geloof deden neigen. Het gevoel mijner zwakheid heeft mij tot het stof vernederd, maar in het stof heb ik troost gevonden! Ik heb het lot van anderen niet goed gelezen—wie kan mij verzekeren, dat ik mij niet in mijn eigen lot misrekend heb? God wil niet, dat wij in het huis van zijnen raad dringen of zijne verholen geheimen bespieden. Wij moeten zijn tijd met waken en gebed—met vrees en hoop afwachten. Ik kwam hierheen als de ernstige ziener—de trotsche profeet—ervaren genoeg, naar ik meende, om vorsten te onderwijzen, en zelfs met bovennatuurlijke kracht begaafd, maar met een last bezwaard, dien ik dacht, dat alleen mijne schouders hadden kunnen dragen. Maar mijne banden zijn verbroken! Ik ga van hier vernederd in mijne onwetendheid, boetvaardig—maar niet zonder hoop.”Met deze woorden verwijderde hij zich uit de bijeenzijnden, en men verhaalt, dat van dit tijdstip af zijne aanvallen van zinneloosheid zelden terugkeerden, en zijne boetedoeningen van zachteren aard waren, en met beter hoop op de toekomst gepaard gingen. Zoo veel eigenwaan ligt er zelfs in de krankzinnigheid opgesloten, dat het besef, dat hij eene ongegronde voorspelling met zoo veel overtuiging gekoesterd en uitgedrukt had, scheen te werken als het verlies van bloed op het menschelijk lichaam, om den gespannen toestand der hersenen te wijzigen en te doen verminderen.Het is onnoodig, de gesprekken in de koninklijke tent verder te volgen, of te onderzoeken, of David, graaf van Huntingdon, even stomin tegenwoordigheid van Edith Plantagenet was, als toen hij verplicht was in het karakter van een avonturier zonder afkomst of naam te handelen. Men mag vrij gelooven, dat hij daar met behoorlijken ernst den hartstocht openbaarde, waaraan hij het te voren zoo dikwijls moeilijk gevonden had, woorden te geven.Het middaguur naderde thans en Saladin wachtte om de Christen vorsten in eene tent te ontvangen, welke, behalve hare ruime uitgestrektheid, weinig van het gewone verblijf van den Kurd of Arabier verschilde; evenwel was onder haar wijd en donker bekleedsel een gastmaal naar de overvloedigste Oostersche gewoonte bereid, dat op tapijten van de rijkste stoffen uitgespreid was, terwijl er kussens voor de gasten gelegd waren. Maar wij kunnen ons niet bezighouden, het goud- en zilverlaken—het krachtig Arabisch borduursel, de shawls van kasjmir—en het Indisch neteldoek, te beschrijven, die hier in al hun glans ten toon gespreid waren; noch veel minder het verschillende suikerwerk, ragouts met rijst van verschillende kleuren omgeven, met al de andere lekkernijen van de Oostersche kookkunst op te noemen; en hunne geheel gebraden lammeren, en wild en gevogelte als pasteien toebereid, waren in gouden, zilveren en porceleinen vazen opgedischt en afgewisseld met groote bekers sorbet, die in sneeuw en ijs uit de holen van den berg Libanon verkoeld waren. Een prachtige stapel kussens boven aan de tafel scheen bestemd voor den aanlegger van het feest en zulke hooge personen, die hij mocht uitnoodigen, om deze plaats van onderscheiding te deelen, terwijl, van boven van de tent in alle richtingen, maar boven deze verheven plaats in het bijzonder, menige banier en menig vaandel wapperde, de zegeteekenen van gewonnen veldslagen en onderworpen koninkrijken. Maar onder en boven deze stak aan eene lange lans een lijklaken, de banier des doods, met dit veelzeggend opschrift: „Saladin, Koning der Koningen, de overwinnaar der overwinnaars—Saladin moet sterven.” Te midden van deze toebereidselen stonden de slaven, welke deze ververschingen opgebracht hadden, met gebogen hoofden en gekruiste armen, stom en roerloos als gedenkteekenen van overledenen, of als automaten, die de aanraking van den kunstenaar afwachtten, om hen in beweging te brengen.Terwijl de Sultan, die, gelijk de meesten, met de bijgeloovigheden van zijn tijd behebt was, de komst van zijne vorstelijke gasten afwachtte, stond hij peinzend gebogen over een horoskoop en eene daarmede verbonden perkamentrol, die hem de kluizenaar van Engaddi bij zijn vertrek uit het leger gezonden had.„Zonderlinge en geheimzinnige wetenschap,” zeide hij in zich zelven, „die, voorwendende den sluier der toekomst op te lichten, diegene misleidt, die zij schijnt te leiden, en het tooneel verduistert, dat zij voorgeeft te verlichten! Wie zou niet gezegd hebben, dat ik die gevaarlijkste vijand voor Richard was, wiens vijandschap door de verbintenis met zijne nicht eindigen moest? Toch blijkt het nu, dat eene vereeniging tusschen dezen dapperen graaf en de dame eene verzoening tusschen Richard en Schotland zal teweeg brengen, eengevaarlijker vijand dan ik, zooals eene wilde kat in de kamer meer te vreezen is, dan een leeuw in een afgelegen woestijn.—Maar toch,” vervolgde hij bij zich zelven, „de berekening toonde aan, dat deze echtgenoot een Christen moest zijn.—Christen?” herhaalde hij na eene poos zwijgen,—„dat gaf den zinneloozen dweper de hoop, dat ik mijn geloof zou afzweren! maar mij, den getrouwen aanhanger van den Profeet—mij moest het uit den droom geholpen hebben. „Ziedaar, geheimzinnige rol,” voegde hij er bij, die onder den stapel kussens werpende; „vreemd en noodlottig zijn uw voorspellingen, daar zij, zelfs wanneer zij op zich zelven waarheid behelzen, bij hem, die de meening trachten te ontcijferen, al de uitwerkselen der valschheid hebben …. Hoe nu! wat beteekent die stoornis!”Hij sprak tot den dwerg Nebectamus, die zeer ontroerd in de tent stortte, terwijl ieder van zijne vreemde en ongeëvenredigde trekken door den schrik tot nog grooter leelijkheid verwrongen waren,—zijne oogen stijf, zijn mond open, zijne handen met de rimpelige en mismaakte vingers wild uitgestrekt.„Wat is er nu?” vroeg de Sultan op gestrengen toon.„Accipe hoc!(Neem dat)” kermde de dwerg:„Ha! wat zegt gij?” vroeg Saladin op nieuw.„Accipe hoc!” hernam het door schrik getroffen schepsel, misschien zonder te weten, dat hij dezelfde woorden als te voren herhaalde.„Vertrek, ik heb geen lust voor zotternijen!”„Ook ik ben niet langer een gek,” hervatte de dwerg, „dan om mijne zotheid en mijn vernuft te helpen, om mijn brood te verdienen, arm, ellendig schepsel dat ik ben.—Hoor, hoor mij, groote Sultan!”„Welnu, zoo gij over wezenlijk onrecht te klagen hebt,” antwoordde Saladin, „gek of wijs, dan hebt gij recht op het oor des Konings—Kom herwaarts met mij.” Hierop geleidde hij hem in het binnenste der tent.Wat ook het onderwerp van hun gesprek was, het werd spoedig afgebroken door het schetteren der trompetten, dat de komst van de Christen vorsten aankondigde, die Saladin koninklijk in zijne tent verwelkomde, zoo als aan hun rang en den zijnen betaamde. Maar vooral begroette hij den jongen graaf van Huntingdon, en wenschte hem edelmoedig geluk met zijne vooruitzichten, ofschoon zij die, welke hij zelf gekoesterd had, schenen te hebben belemmerd en verijdeld.„Maar meen niet, edel jongeling,” zeide de Sultan, „dat de prins van Schotland meer welkom bij Saladin is, dan Kenneth het den eenzamen Ilderim was, toen zij elkander in de woestijn ontmoetten, of de ongelukkige Ethiopiër den Hakim Adonbec. Een braaf en edel karakter, gelijk het uwe, heeft eene waarde, die van stand en geboorte onafhankelijk is, gelijk de koele dronk, dien ik u hier aanbied, even aangenaam uit een aarden vaas, als uit een gouden beker smaakt.”De graaf van Huntingdon gaf een gepast antwoord, en betuigde zijne erkentelijkheid voor de verschillende gewichtige diensten, die hijvan den edelmoedigen Sultan ontvangen had; maar toen hij Saladin met den beker sorbet, dien de Sultan hem had aangeboden, bescheid gedaan had, kon hij zich niet weerhouden, om glimlachend op te merken: „de dappere ridder Ilderim kende den ijsvorm niet, maar de milde Sultan verkoelt zijn sorbet met sneeuw.”„Verlangt gij, dat een Arabier of Kurd even verstandig als een Hakim zou zijn?” vroeg de Sultan. „Hij, die eene vermomming aanneemt, moet het gevoel van zijn hart en de geleerdheid van zijn hoofd met zijn aangenomen gewaad doen overeenstemmen. Ik wenschte te zien, hoe een dapper en eerzaam ridder uit Frangistan in een strijd met een opperhoofd, als ik toen scheen, zich zou gedragen; en ik betwijfelde de waarheid van een bekend feit, om te zien, door welke bewijsgronden gij uw gezegde zoudt staven.”Terwijl zij spraken, werd de aartshertog van Oostenrijk, die een weinig ter zijde stond getroffen, door deze opmerking over den door ijs verkoelden sorbet, en vatte met een glans van genoegen op zijn gelaat en eenige ongemanierdheid den grooten beker, toen de Graaf van Huntingdon op het punt stond, dien weder neer te zetten.„Allerheerlijkst!” riep hij na eene diepe teug uit, die het heete weêr en de koortsachtigheid, een gevolg van den vorigen dag, dubbel aangenaam had gemaakt. Hij zuchtte, toen hij den beker aan den grootmeester der Tempeliers overhandigde. Saladin gaf den dwerg een teeken; deze trad vooruit, sprak met luide stem de woorden: „accipe hoc!” De Tempelier schrikte terug, doch herstelde zich spoedig, en, misschien om zijne verlegenheid te verbergen, bracht hij den beker aan zijne lippen—maar deze lippen raakten slechts den rand van dien beker. Saladin’s sabel verliet zijne scheede, als de bliksem de wolk verlaat. Hij zwaaide die in de lucht—en het hoofd van den Grootmeester rolde naar het uiterste einde der tent.Er ontstond een algemeene kreet van verraad, en de aartshertog, die het naast aan Saladin met de bloedige sabel in de hand stond, deinsde terug, alsof hij vreesde, dat hij nu aan de beurt was. Richard en anderen sloegen de handen aan hun zwaard.„Vrees niets, edele hertog,” zeide Saladin even bedaard, alsof er niets ware voorgevallen, „en gij, koninklijke broeder van Engeland, wees niet vertoornd over hetgeen gij gezien hebt. Niet wegens zijn menigvuldig verraad en niet wegens den aanslag, dien hij, volgens getuigenis van zijn eigen schildknaap, tegen het leven van Koning Richard maakte;—niet, omdat hij den prins van Schotland en mij zelven in de woestijn vervolgde, en ons noodzaakte, om het leger door de snelheid onzer paarden te redden;—niet, omdat hij de Maronieten opgestookt had, om ons bij diezelfde gelegenheid aan te vallen, wier plan ik echter verijdelde, door onverwacht een groot getal Arabieren tegen hem aan te voeren;—niet om eene van al deze misdaden ligt hij thans daar, ofschoon die wel zulk eene straf verdienden;—maar omdat hij, nauwelijks een half uur vóór hij onze tegenwoordigheid vergalden, gelijk de samoen den dampkring vergiftigt,zijn makker en medeplichtige, Koenraad van Montserrat, heeft doorstoken, uit vrees, dat deze de schandelijke samenzweringen, waarin zij beide gewikkeld waren, mocht bekennen.”„Hoe! Koenraad vermoord?—en wel door den grootmeester, zijn getuige en meest vertrouwden vriend?” riep Richard uit. „Edele Sultan—ik wilde gaarne uwe woorden niet in twijfel trekken—dit evenwel moet bewezen worden—anders ….”„Hier staat de getuige,” antwoordde Saladin, op den verschrikten dwerg wijzende. „Allah die den glimworm zendt om den nacht te verlichten, kan door de verachtelijkste middelen geheime misdaden doen ontdekken.”De Sultan begon nu de geschiedenis van den dwerg te verhalen, die hierop nederkwam.—In zijne dwaze nieuwsgierigheid, of, zooals hij gedeeltelijk bekende, met het onbestemd plan om een kleinigheid te stelen, was Nebectamus in de tent van Koenraad geraakt, die zijne volgelingen verlaten hadden; eenige hadden ijlings het kamp verlaten, om de tijding zijner nederlaag aan zijn broeder mede te deelen; anderen bedienden zich van de gelegenheid tot smullen, die Saladin hun verschaft had. De gekwetste sliep onder den invloed van Saladin’s verwonderlijken talisman, zoodat de dwerg gelegenheid had, om naar welgevallen rond te zoeken, totdat de schrik bij het hooren van een zwaren tred hem bewoog, zich te verbergen. Hij verschool zich achter een gordijn, maar kon de bewegingen zien, en de woorden hooren van den Grootmeester, die binnentrad, en den ingang van de tent zorgvuldig achter zich dicht maakte. Zijn slachtoffer schrikte uit den slaap op, en het scheen, dat hij dadelijk het voornemen van zijn ouden bondgenoot vermoedde; want het was op een toon van ongerustheid, dat hij hem vroeg, waarom hij hem stoorde?„Ik kom om u de biecht te doen afleggen; en dan den aflaat te geven,” antwoordde de grootmeester.Van hun verder gesprek herinnerde zich de verschrikte dwerg weinig, behalve dat Koenraad den grootmeester smeekte, een geknakt riet niet te breken, en dat de Tempelier hem met een Turkschen dolk het hart doorstak, met de woorden: „accipe hoc”—woorden, die nog lang daarnaar de verschrikte verbeelding van den verscholen getuige kwelden.„Ik heb mij van de waarheid van het verhaal overtuigd,” zeide Saladin, „door het lijk te doen onderzoeken; ik deed dit rampzalige wezen, dat Allah tot ontdekker van de misdaad gemaakt heeft, in uwe tegenwoordigheid de door den moordenaar gesproken woorden herhalen; en gij zelf hebt de uitwerking gezien, die ze op zijn geweten teweeg brachten.”Hier zweeg de Sultan, en de Koning van Engeland was de eerste die het stilzwijgen afbrak:„Indien dit de waarheid is, waaraan ik niet twijfel, hebben wij eene groote daad van gerechtigheid aanschouwd, ofschoon die een geheel ander karakter scheen te hebben. Maar waarom in dit gezelschap? waarom met uwe eigen hand?”„Ik was voornemens het anders te doen geschieden,” antwoordde Saladin; „maar had ik zijne straf niet verhaast, dan zou die geheel afgewend geworden zijn, indien ik hem vergund had om uit mijn beker te drinken, zoo als hij op het punt was te doen, en daar ik dan, zonder de gastvrijheid geschonden te hebben, hem, gelijk hij verdiende, den dood niet had kunnen doen ondergaan. Al had hij mijn vader vermoord, en daarna mijn beker met mij gedeeld, dan had ik geen haar van zijn hoofd durven krenken. Maar genoeg van hem—laat zijn lijk en zijne gedachtenis uit ons midden verwijderd worden.”Het lijk werd weggebracht, en de sporen van de terechtstelling vernietigd of verborgen met eene vaardigheid die bewees, dat het voorval niet zoo geheel ongewoon was, dat het de dienaren en officieren van het huis des Sultans in verlegenheid kon brengen.Maar de Christen vorsten gevoelden, dat het tooneel, hetwelk zij aanschouwd hadden, zwaar op hun geest drukte; en ofschoon zij, op vriendelijk verzoek van den Sultan, hunne plaats bij het gastmaal weder innamen, geschiedde dit echter met het stilzwijgen van twijfel en verbazing. Het gemoed van Richard alleen overwon allen argwaan en verlegenheid. Hij scheen evenwel ook over een voorslag na te denken, alsof hij begeerde, die in de vleiendste en aangenaamste wijze te doen, welke hem mogelijk was. Eindelijk dronk hij een grooten beker wijn ledig, en zich tot den Sultan wendende, wenschte hij te weten, of het niet waar was, dat hij den graaf van Huntingdon met een persoonlijk gevecht had vereerd.Saladin antwoordde glimlachend, dat hij zijn paard en zijne wapenen tegen den erfgenaam van Schotland beproefd had, zoo als de ridders gewoon zijn te doen, wanneer zij elkander in de woestijn ontmoeten—en voegde hij er op bescheiden toon bij, dat, ofschoon de strijd niet geheel beslissend geweest was, hij evenwel van zijn kant niet veel reden had om op den uitslag te roemen. De Schot, van den anderen kant, wees de hem toegekende meerderheid af, en wenschte die aan den Sultan te geven.„Gij hebt eer genoeg in die ontmoeting behaald,” zeide Richard, „en ik benijd u hierom meer, dan om de lonken van Edith Plantagenet, ofschoon een paar daarvan voldoende zouden zijn, om een bloedig dagwerk te betalen.—Maar wat zegt gij, edele vorsten, past het, dat zulk een koninklijke kring van ridderschap opbreke, zonder dat er iets gedaan wordt, waarvan toekomende tijden kunnen spreken? Wat is de nederlaag en dood van een verrader voor eene zoo schoone kring van edele mannen, als hier vergaderd zijn, en die niet scheiden moeten, zonder iets aanschouwd te hebben, dat hunner achting waardiger is. Wat zegt gij, vorstelijke Sultan—zoo wij beide thans en in tegenwoordigheid van dit edel gezelschap den lang gevoerden strijd om dit land van Palestina beslisten, en in eens dezen lastigen oorlog eindigden? Ginds is het strijdperk gereed, en nooit kan het Heidendom een beteren kampvechter verwachten, dan u. Ik wil, zoo zich niet eenwaardiger aanbiedt, mijn handschoen ten voordeele van het Christendom neerleggen, en in alle liefde en eer zullen wij met elkander den strijd op dood en leven aangaan om het bezit van Jeruzalem.”Er volgde een diep stilzwijgen, vol verwachting op hetgeen de Sultan zou antwoorden. Zijne wang en zijn voorhoofd kleurden sterk, en vele van de aanwezenden waren van meening, dat hij aarzelde, of hij de uitdaging zou aannemen, ja dan neen. Eindelijk zeide hij: „Zoo ik voor de heilige stad vocht tegen hen, welke wij als afgodendienaars en aanbidders van blokken en steenen en gesneden beelden beschouwen, zou ik kunnen vertrouwen, dat Allah mijn arm kracht zou verleenen; of zoo ik onder het zwaard van Melec Ric viel, kon ik door geen roemrijker arm in het paradijs komen. Maar Allah heeft Jeruzalem reeds aan de ware geloovigen gegeven, en het zou eene verzoeking van den God des Profeets zijn, zoo ik met mijne persoonlijke kracht en behendigheid datgene op het spel zette, wat ik door mijne groote macht bezit.”„Indien dan niet om Jeruzalem,” hernam Richard op den toon van iemand, die eene gunst van een boezemvriend verzoekt, „laat ons dan ter liefde voor de eer ten minste drie uitvallen met scherpe lansen tegen elkander doen.”„Zelfs dit,” hernam Saladin, half glimlachende over den driftigen ernst van Richard Leeuwenhart voor den strijd, „zelfs dit mag ik volgens de wet niet doen. De meester stelt den herder over de kudde aan, niet om des herders wil, maar om de schapen. Had ik een zoon, die den scepter kon voeren, wanneer ik viel, dan zou ik de vrijheid gehad hebben, even als ik den wil heb, om dit stoute gevecht te ondernemen; maar uw eigen schrift zegt, dat, wanneer de herder verslagen is, de schapen verstrooid worden.”„Gij hebt al het geluk gehad,” zeide Richard, zich met een zucht tot den Graaf van Huntingdon wendende. „Ik zou het beste jaar van mijn leven voor dat ééne halve uur in de nabijheid van den Diamant der woestijn gegeven hebben.”De ridderlijke opgewondenheid van Richard deed de vroolijkheid van het gezelschap ontwaken, en toen zij eindelijk opstonden, om te vertrekken, trad Saladin voorwaarts, en greep Richard’s hand.„Edele Koning van Engeland,” zeide hij, „wij scheiden thans, om elkander nooit weder te ontmoeten. Dat uw verbond verbroken is, om nooit weder hersteld te worden, en dat uw eigen macht veel te gering is om u in staat te stellen uwe onderneming voort te zetten, is u even goed als mij bekend. Ik mag u dat Jeruzalem, hetwelk gij zoo zeer wenscht te bezitten, niet afstaan. Het is voor ons, even als voor u, eene heilige stad. Maar welke andere voorwaarden Richard van Saladin vordert, die zullen hem even welwillend toegestaan worden als gindsche fontein haar water schenkt. Ja, het zou even oprecht toegestaan worden, zoo Richard met slechts twee boogschutters bij hem in de woestijn stond!”De volgende dag zag Richard naar zijne eigene legerplaats terugkeeren, en korten tijd daarna huwde de jonge Graaf van Huntingdon met Edith Plantagenet. De Sultan zond tot geschenk bij deze gelegenheid, den beroemden Talisman; maar, ofschoon er vele genezingen in Europa mede geschiedden, evenaarde toch geene in goeden uitslag en vermaardheid die, welke de Sultan zelf verricht had. Deze is nog in aanwezen, daar de Graaf van Huntingdon hem aan een dapper Schotsch ridder, Sir Mungo of the Lee vermaakt had, in wiens oud en zeer geëerd geslacht deze nog wordt bewaard; en ofschoon betooverde steenen uit de hedendaagsche pharmacopoea verbannen zijn, worden de krachten ervan nog voor het stillen van het bloed in gevallen van hondsdolheid gebruikt.Hier eindigt onze geschiedenis, daar de voorwaarden, waarop Richard zijne veroveringen prijsgaf, in elke geschiedenis van dat tijdvak te vinden zijn.EINDE.
HOOFDSTUK XXVIII.Hoort gij het gekletter van den strijdLans tegen lans, ros tegen ros?Gray.
Hoort gij het gekletter van den strijdLans tegen lans, ros tegen ros?Gray.
Hoort gij het gekletter van den strijdLans tegen lans, ros tegen ros?
Hoort gij het gekletter van den strijd
Lans tegen lans, ros tegen ros?
Gray.
Men was overeengekomen, wegens de hitte van het klimaat, dat het godsoordeel, dat thans de verschillende volken bij den Diamant der woestijn had bijeengebracht, een uur na zonsopgang plaats zou hebben.Het groote strijdperk, dat onder toezicht van den ridder van den Luipaard was ingericht, omvatte eene ruimte van hard zand die honderd zestig ellen lang en ruim vijftig breed was. Het strekte zich in de lengte van het noorden naar het zuiden uit, zoodat beide partijen gelijk voordeel van de opgaande zon hadden. Saladin’s koninklijke zetel was aan de westelijke zijde van de omheining opgericht, vlak in het midden, waar men verwachtte, dat de strijders elkander ontmoeten zouden. Daar tegenover was eene galerij met gesloten vensters, zoo ingericht, dat de dames, voor wie deze plaats bestemd was, het gevecht konden aanschouwen, zonder zelven gezien te worden. Er waren ook tronen opgericht; maar de aartshertog, die bemerkte, dat de zijne lager was dan die van Koning Richard, weigerde daarop plaats te nemen; en Leeuwenhart, die zich veel zou hebben laten welgevallen, eer eene formaliteit den strijd zou verhinderd hebben, gaf gereedelijk zijne toestemming, dat de borgen, zoo als zij genoemd werden, gedurende het gevecht te paard zouden blijven. Aan den eenen kant van het strijdperk werd het gevolg van Richard geplaatst, en tegen hen over stonden de begeleiders van den aangeklaagde, Koenraad. Rondom den troon, voor den Sultan bestemd, waren zijne prachtige Georgische wachten opgesteld, en verder was het de omheining door Christen en Mahomedaansche aanschouwers bezet.Lang vóór het aanbreken van den dag was het strijdperk door een nog grooter aantal Sarraceenen omringd, dan Richard den vorigen dag gezien had. Toen de eerste stralen van de schitterende zonneschijf zich boven de woestijn verspreidden, klonk de kreet: „ten gebede—ten gebede!” door den Sultan zelven aangeheven, en door anderen beantwoord, wier rang en ijver hun het recht gaven, als muezzins opte treden. Het was een treffend schouwspel, hen allen op den grond te zien neerzinken, om hun gebed te doen, met het gelaat naar Mekka gekeerd. Maar toen zij van den grond opstonden, schenen de zonnestralen, die nu sterker werden, de meening van den lord van Gilsland van den vorigen avond te bevestigen. Zij werden door tal van speerspitsen weerkaatst, want de lansen zonder punten van den vorigen dag waren er niet meer. De Vaux maakte hierop zijn meester opmerkzaam, die ongeduldig antwoordde, dat hij een onbepaald vertrouwen in de rechtschapenheid van den Sultan stelde; maar dat, zoo de Vaux voor zijn zwaarlijvig lichaam bevreesd was, hij zich kon verwijderen.Kort daarop hoorde men het gedreun der pauken, op wier klank al de Sarraceensche ruiters van hun paard sprongen, en zich nederbogen, alsof zij een tweede morgengebed wilden verrichten. Dit geschiedde om der Koningin met Edith en haar gevolg gelegenheid te geven, van de tent naar de voor haar bestemde galerij te gaan. Vijftig wachten van Saladin’s harem met onbloote sabels begeleidden haar, met bevel, om ieder neder te sabelen, hij mocht prins of boer zijn, die het mocht wagen de dames bij het voorbijgaan aan te zien, of zelfs het hoofd durfden oprichten, voor dat het ophouden der muziek allen zou verkondigen, dat zij in hare galerij waren aangekomen, waar zij door geen nieuwsgierig oog konden worden aanschouwd.Deze bijgeloovige inachtneming van Oosterschen eerbied voor het schoone geslacht deden bij Koningin Berengaria eenige aanmerkingen rijzen, die voor Saladin en zijn vaderland niet zeer gunstig waren. Maar toen haar hol, zooals de koninklijke schoone het geliefde te noemen, door hare zwarte wachters veilig gesloten was en bewaakt, was zij in de noodzakelijkheid om zich te vergenoegen met te zien, en voor het tegenwoordige het nog heerlijker genoegen van gezien te worden ter zijde te stellen.Intusschen stelden de getuigen van beide kampvechters, zoo als hun plicht voorschreef, een onderzoek in, of deze behoorlijk gewapend en voor het gevecht bereid waren. De aartshertog van Oostenrijk had geen haast om dit deel van de plechtigheid te vervullen, daar hij den vorigen avond een goeden roes van Schiras wijn gehad had. Maar de grootmeester der Tempeliers, die meer belang bij den uitslag van den strijd had, was al spoedig voor de tent van Koenraad van Montserrat. Tot zijne groote verbazing weigerden de bedienden hem binnen te laten.„Kent gij mij niet, kerels?” vroeg de grootmeester in de hoogste mate vertoornd.„Zeer goed, zeer dapper en eerwaardig heer,” antwoordde Koenraad’s schildknaap; „maar zelfs gij moogt voor het oogenblik niet binnen—de markies is gereed om te biechten.”„Te biechten!” riep de Tempelier op een toon uit, waarin schrik met verbazing en minachting vermengd was—„en bij wien, vraag ik u?”„Mijn meester heeft mij stilzwijgendheid geboden,” hernam de schildknaap;waarop de grootmeester hem voorbijsnelde en de tent binnentrad.De markies van Montserrat knielde aan de voeten van den kluizenaar van Engaddi, en was op het punt, zijne biecht te beginnen.„Wat beteekent dit, markies?” vroeg de grootmeester; „sta op, schaam u—of zoo gij volstrekt moet biechten, ben ik niet hier?”„Ik heb reeds te dikwijls bij u gebiecht,” antwoordde Koenraad met bleeke wangen en sidderende stem. „Om Gods wil, grootmeester, ga heen, en laat ik mijn geweten aan dien heiligen man ontlasten.”„Waarin is hij heiliger dan ik?” zeide de grootmeester.—„Kluizenaar, profeet, zinnelooze—zeg, zoo gij durft, waarin gij mij overtreft?”„Stout en verdorven man,” antwoordde de kluizenaar, „weet, dat ik gelijk ben aan het getraliede venster, en het goddelijk licht gaat er doorhenen, ofschoon het, helaas! mij zelven niet baat. Gij gelijkt ijzeren staven, die noch zelven licht ontvangen, noch het aan iemand mededeelen.”„Praat niet tegen mij, maar verlaat deze tent,” zeide de grootmeester, „de markies zal dezen morgen niet biechten, of het moet bij mij zijn, want ik verlaat zijne zijde niet.”„Is dituwwelgevallen,” zeide de kluizenaar tot Koenraad, „want meen niet, dat ik dezen trotschen man zal gehoorzamen, zoo gij mijn bijstand blijft begeeren.”„Helaas!” zeide Koenraad besluiteloos, „wat wilt gij dat ik zeggen zal?—Vaarwel voor het oogenblik—wij zullen later met elkander spreken.”„O uitstel!” riep de hermiet uit, „gij zijt een zielemoorder! Ongelukkige, vaarwel—niet voor een tijdlang, maar tot dat wij elkander ontmoeten zullen—onverschillig waar. En wat u betreft,” voegde hij er bij, zich tot den grootmeester wendende, „sidder!”„Sidderen,” hervatte de Tempelier verachtelijk, „ik kan niet, al wilde ik ook.”De kluizenaar hoorde zijn antwoord niet, daar hij de tent reeds had verlaten.„Welaan, schielijk ter zake,” zeide de grootmeester, „daar gij die dwaasheid toch verrichten wilt.—Luister—ik geloof, dat ik uwe meeste zwakheden ken, dus kunnen wij de bijzonderheden daarlaten, daar deze wat te lang zouden duren, en met den aflaat beginnen. Watbeduidt het om de vlekken modder te tellen, wanneer wij op het punt zijn, die van onze handen te wisschen!”„Daar gij weet, wat gij zelf zijt,” zeide Koenraad, „is het godlasterend er van te spreken, een ander te willen vergeven.”„Dat is niet naar den regel, heer markies,” antwoordde de Tempelier, „gij zijt meer nauwgezet dan rechtgeloovig. De aflaat van den slechten priester is van even veel kracht, als die van een heilige—anders moge God den armen boeteling helpen! Welk gekwetste vraagt er naar, of de wondarts, die zijne wonden onderzoekt, schoone handen heeft of niet?—Kom, zullen wij het spel beginnen?”„Neen,” antwoordde Koenraad, „ik wil liever sterven zonder te biechten, dan met het sacrament te spotten.”„Kom, edele markies,” hernam de Tempelier, „vat moed, en spreek niet aldus.Binnen een uur zult gij zegevierende in het strijdperk staan, of in uw helm biechten, gelijk een dapper ridder.”„Helaas, grootmeester!” hervatte Koenraad, „alles voorspelt kwaad in deze zaak. De merkwaardigeontdekkingdoor het instinkt van een hond—het herleven van dezen Schotschen ridder, die optreedt als een spook—alles slechte voorteekens.”„Ba,” zeide de Tempelier, „ik heb u moedig uwe lans uit scherts tegen hem zien zwaaien, en dat wel met gelijke kans van goeden uitslag—verbeeld u, dat gij slechts in het toernooi zijt, en wie staat hem beter in het toernooiveld dan gij?—Komt, knapen en wapendragers, uw meester moet voor den strijd uitgerust worden.”De dienaren traden nu binnen, en begonnen den markies te wapenen.„Welk weer is het buiten?” vroeg Koenraad.„De zon gaat donker op,” antwoordde een schildknaap.„Gij ziet, grootmeester,” vervolgde Koenraad, „niets lacht ons toe.”„Gij zult des te koelbloediger vechten, mijn zoon,” antwoordde de Tempelier, „dank den Hemel, dat Hij de zon dezen morgen getemperd heeft, om u ter wille te zijn.”Zoo schertste de grootmeester; maar zijne spotternijen hadden haar invloed op het gemoed van den markies verloren, en, in weerwil van zijne pogingen om opgewekt te schijnen, deelde de droefgeestigheid zich aan den grootmeester mede.„Deze lafaard,” dacht hij, „zal uit louter flauwheid en lamheid in den strijd bezwijken, en dat noemt hij een gevoelig geweten. Ik, wien visioenen en voorteekenen niet schokken—ik, die vast ben in mijn voornemen, als de levende rots—ik zelf moest den strijd gestreden hebben.—Gave God, dat de Schot hem op de plek doodde; dit zou het beste zijn, zoo hij de overwinning niet behalen kan. Maar er kome wat er wil, hij moet geen anderen biechtvader hebben dan mij—onze zonden zijn te gemeenschappelijk, en hij kon wel eens mijn deel te gelijk met het zijne biechten.”Terwijl deze gedachten hem door zijn hoofd speelden, ging hij voort met den markies bij het wapenen te helpen, maar het geschiedde zwijgend.Het uur was eindelijk daar, de trompetten klonken, de ridders reden het strijdperk binnen, van top tot teen naar behooren gewapend, en gelijk mannen, die voor de eer van een koninkrijk zouden strijden. Zij hadden hunne vizieren open, en, drie malen het strijdperk rond rijdende, vertoonden zij zich aan de toeschouwers. Beide waren aanzienlijke mannen en met een edel gelaat. Maar er stond op het voorhoofd van den Schot mannelijk vertrouwen te lezen, eene straal van hoop, die zelfs naar vroolijkheid zweemde. Op Koenraad’s gelaat integendeel, ofschoon trots en herhaalde pogingen veel van zijn natuurlijken moed teruggeroepen hadden, zweefde nog eene wolk van onheilspellende moedeloosheid. Zelfs zijn paard scheen niet zoo licht en vurig op het trompetgeschal te trappelen, als de edele Arabier, dien sir Kenneth bereed; en de spreukspreker schudde het hoofd, terwijl hij opmerkte, dat de uitdager om het strijdperk reed volgens den loop der zon, dat is van de rechterhand naar de linker, maar de aangeklaagde dit van de linker naar de rechter deed, wat men in de meeste landen als een slecht voorteeken beschouwt.Een altaar was voor deze gelegenheid opgericht, juist beneden de galerij, waarop de Koningin gezeten was, en daarnaast stond de kluizenaar in de kleeding zijner orde als karmeliter monnik. Er waren ook andere geestelijken tegenwoordig. Naar dit altaar werden de aanklager en de aangeklaagde achtereenvolgens door hunne getuigen geleid. Beide ridders stegen af, en ieder bezwoer de rechtvaardigheid zijner zaak door een plechtigen eed op het Evangelie, en zij baden, dat de uitslag van den strijd mocht overeenstemmen met de waarheid of valschheid van hetgeen zij bezworen hadden. Zij zwoeren ook, dat zij naar ridder wijze en met de gewone wapens kwamen strijden, en zich het gebruik van tooverspreuken, betooveringen of magische kunsten, ten einde de zege op hunne zijde te brengen, ontzegden. De aanklager deed zijn eed met vaste mannelijke stem en een stout en opgeruimd gelaat. Toen de plechtigheid ten einde was, zag hij naar de galerij op, en boog het hoofd, als ter eere van die onzichtbare schoonheden, die daarin verborgen waren; hierop sprong hij, geheel gewapend zoo als hij was, in den zadel, zonder een stijgbeugel te gebruiken en liet zich door zijn paard in huppelende sprongen naar zijne standplaats brengen aan het oostelijke einde van het strijdperk. Koenraad verscheen ook met genoegzame driestheid voor het altaar; maar toen hij den eed aflegde, klonk het hol, alsof die in zijn helm verstikt werd. De lippen, waarmede hij zich op den hemel beriep, ten einde de overwinning aan de zaak te verleenen, verbleekten, terwijl zij den goddeloozen meineed uitten. Toen hij zich omwendde om zijn paard te bestijgen, naderde de grootmeester dichter tot hem, alsof hij iets aan zijn halskraag verhelpen wilde, en fluisterde hem toe: „Dwaze bloodaard! roep uw moed terug, en vecht dapper in dezen strijd, anders, bij den hemel, zoo gij hem al mocht ontkomen, zult gijmijniet ontgaan!”De woeste toon, waarop hem dit gezegd werd, voltooide misschiende verwarring van den markies, want hij struikelde, toen hij te paard wilde stijgen; en ofschoon hij staan bleef, met zijne gewone vlugheid in den zadel sprong, en zijne behendigheid in het paardrijden aan den dag legde, toen hij zijne plaats tegenover den aanklager innam, ontging dit voorval evenwel niet aan hen, welke op voorteekens letten, die het lot van den dag konden voorspellen. De priesters, na een plechtig gebed, dat God de rechtvaardigheid van den strijd mocht aan den dag brengen, verlieten het strijdperk. De trompetten van den aanklager lieten zich toen luid hooren, en een wapenheraut riep aan het oostelijke uiteinde van het strijdperk uit: „Hier staat een goed ridder, sir Kenneth van Schotland, kampvechter van zijne Majesteit den Koning Richard van Engeland, die Koenraad, markies van Montserrat, van schandelijk verraad en beschimping, genoemden Koning aangedaan, beschuldigt.”Toen de woorden „Kenneth van Schotland” den naam van den kampioen, die tot hiertoe nog niet algemeen bekend was, gehoord werden, weerklonken luide kreten van toejuiching onder het gevolg van Koning Richard, en nauwelijks kon men, trots de herhaalde bevelen tot stilzwijgen, het antwoord van den aangeklaagde hooren. Deze beweerde natuurlijk zijne onschuld, en verklaarde zich bereid daarvoor met zijn lichaam in te staan. De schildknapen der strijders naderden thans, en gaven elk zijn schild en zijne lans, hen helpende om het eerste om den hals te hangen, opdat de beide handen, vrij mochten blijven,—de eene om den teugel te bestieren, de andere om de lans te kunnen hanteeren.Het schild van den Schot vertoonde zijn oud wapen, den Luipaard, maar er waren een halsband en eene gebroken keten bijgevoegd, als toespeling op zijne onlangs geleden slavernij. Het schild van den markies droeg, in verband met zijn titel, een zaagsgewijze gescheurden en rotsachtigen berg. Ieder zwaaide zijne lans boven het hoofd, alsof hij het gewicht en de sterkte van het zware wapen wilde beproeven, en legde ze toen in de rust. De getuigen, herauten en schildknapen trokken zich thans naar de barrière terug, en de strijdenden waren tegenover elkander gezeten, gelaat tegen gelaat, met gevelde lans en gesloten vizier, terwijl de menschelijke gedaante zoo volkomen verborgen was, dat zij er eer als standbeelden van gegoten ijzer, dan wezens van vleesch en bloed uitzagen. De stilte der verwachting was thans algemeen—ieder ademde zwaarder, en de ziel van elk scheen in zijne oogen te zitten, terwijl er geen geluid te hooren was, dan het gebriesch en gestamp der edele rossen, die, gevoelende, wat er gebeuren zou, ongeduldig waren om vooruit te schieten. Zij stonden aldus ongeveer drie minuten lang, toen, op een door den Sultan gegeven teeken, honderd instrumenten de lucht door hun metalen geluid vervulden; en elke kampioen zijn paard de sporen gevende, en den teugel vierende, renden de paarden in vollen galop voorwaarts, en de ridders ontmoetten elkander in het midden van het strijdperk met een schok, aan een donderslag gelijk. De overwinning was niettwijfelachtig,—neen zelfs geen oogenblik. Koenraad toonde inderdaad, dat hij een geoefend krijgsman was; want hij trof zijne tegenpartij ridderlijk midden in zijn schild, terwijl hij zijne lans zoo recht en krachtig hield, dat ze tot aan zijn ijzeren handschoen in splinters vloog. Sir Kenneth’s paard deinsde eenige ellen achteruit, en vielop zijne schenkels, maar de ruiter hielp het gemakkelijk met hand en teugel op. Maar voor Koenraad was er geen herstellen aan. De lans van Sir Kenneth was door zijn schild gedrongen, en verder door een borstharnas met Milaneesch staal beslagen, en door een geweven maliënkolder, die onder het borstharnas gedragen werd, hij had hem diep in den boezem gewond en hem uit den zadel gelicht, terwijl de punt van de lans in de wond bleef zitten. De getuigen, herauten en Saladin zelf drongen om den gekwetsten ridder; terwijl sir Kenneth, die reeds zijn zwaard getrokken had, eer hij nog ontdekte, dat zijn tegenstander geheel hulpeloos was, hem thans beval zijne schuld te bekennen. De helm werd in allerijl losgemaakt, en de gewonde, wild ten hemel ziende, hernam: „Wat wilt gij meer?—God heeft rechtvaardig beslist—ik ben schuldig—maar er zijn erger verraders in het kamp dan ik.—Uit medelijden voor mijne ziel, brengt mij een biechtvader!”Onder het uitspreken dezer woorden kwam hij weder bij.„Den talisman—het krachtig geneesmiddel, koninklijke broeder,” zeide Koning Richard tegen Saladin.„De verrader,” antwoordde Saladin, „is veeleer waard, om uit het strijdperk bij de hielen naar den galg gesleept te worden, dan de kracht van den talisman hier toe te passen;—en er spreekt zulk een noodlot uit zijne blikken,” voegde hij er bij, na den gewonden strak te hebben aangezien; „dat, al kon zijne wond genezen, Azraël’s zegel op het voorhoofd van den ellendeling niet verdwijnen zal.”„Niettemin,” hervatte Richard, „bid ik u, om voor hem te doen wat gij kunt, opdat hij ten minste tijd tot biechten moge hebben.—Vermoord niet ziel en lichaam te gelijk! Voor hem kan een half uur levens tienduizend malen meer waard zijn, dan het leven van den oudsten aartsvader.”„Aan den wensch van mijn koninklijken broeder zal voldaan worden,” hernam Saladin. „Slaven, draagt dien gekwetsten man naar onze tent.”„Doet dat niet,” zeide de Tempelier, die tot hiertoe somber en stilzwijgend toegezien had. „De koninklijke hertog van Oostenrijk en ik zelf zullen niet toelaten, dat deze ongelukkige vorst aan de Sarraceenen overgegeven worde, opdat zij hunne toovermiddelen aan hem beproeven. Wij zijn zijne getuigen, en verlangen, dat hij aan onze zorgen toevertrouwd worden.”„Dat wil zeggen, gij weigert de zekere middelen, die tot zijn herstel aangeboden worden?” vroeg Richard.„Dat niet,” hervatte de grootmeester zich herstellende.—„Indien de Sultan behoorlijke geneesmiddelen gebruikt, kan hij den patiënt in mijne tent behandelen.”„Doe dat, bid ik u, goede broeder,” zeide Richard tot Saladin, „ofschoon het verlof ongaarne is toegestaan.—Maar nu tot een vroolijker werk.—Klinkt, trompetten—schettert ter eere van Engeland en Engelands kampvechter!”Trommels, klaroenen, trompetten en cymbalen lieten zich te gelijkhooren, en het zware en regelmatige gejuich, dat sedert eeuwen de kreet van de Engelschen geweest is, klonk te midden van het schel en regelmatig gegil der Arabieren, als het donderen van een orgel te midden van een huilenden storm. Ten laatste ontstond er stilte.„Dappere ridder van den Luipaard,” vervolgde Leeuwenhart, „gij hebt getoond, dat de Neger zijne huid kan veranderen, en de Luipaard zijne vlekken, hoewel de geestelijken zich op de heilige Schrift voor de onmogelijkheid daarvan beroepen. Maar ik heb u nog meer te zeggen, wanneer ik u zal geleid hebben in tegenwoordigheid der dames, de beste rechters en belooners van ridderlijke daden.”De ridder van den Luipaard gaf door eene buiging zijne toestemming te kennen.„En ook gij, vorstelijke Saladin, zult u naar deze begeven. Ik verzeker u, dat onze gemalin meenen zal niet welkom te zijn geweest, indien haar de gelegenheid ontbreekt, om haar koninklijken gastheer voor het allervorstelijkst onthaal te danken.”Saladin boog het hoofd beleefd, maar wees de uitnoodiging van de hand.„Ik moet mij bij den gekwetste vervoegen,” zeide hij. „De geneesheer verlaat zijn patiënt evenmin als de kampvechter het strijdperk, al werd hij ook in een lustoord als het paradijs, geroepen. En voorts, koninklijke Richard, moet gij weten, dat het Oostersche bloed in tegenwoordigheid van de schoonheid niet zoo kalm vloeit, als dat van uw land. Wat zegt het Boek zelf?—Haar oog is als het scherp van het zwaard des Profeets; wie zal het aanzien? Hij, die niet verbrand wil worden, zorgt, dat hij niet op gloeiende asch treedt—de wijzen spreiden het vlas niet uit voor eene flikkerende toorts.—Hij, zegt de wijze, die een schat verloren heeft, handelt onverstandig, wanneer hij zijn hoofd omwendt, om er naar te zien.”Men mag aannemen dat Richard de redenen van kieschheid eerbiedigde, die voortsproten uit zeden, zoo verschillend van de zijne, en drong niet verder met zijn verzoek bij hem aan.„Deze middag,” zeide de Sultan heengaande, „hoop ik, dat gij een koude maaltijd onder de zwarte kameelhuid van een opperhoofd uit Kurdistan zult willen aannemen.”Dezelfde uitnoodiging werd aan alle andere Christenen gedaan, die aanzienlijk genoeg waren, om aan een feest, dat voor Vorsten bereid was, deel te nemen.„Luister,” zeide Richard; „de pauken kondigen aan, dat onze gemalin en haar gevolg de galerij verlaten—en zie, de tulbanden buigen ter aarde, of zij door een vernielenden engel werden neder-geworpen. Allen liggen daar, alsof de blik van het oog eens Arabier’s den glans van eene vrouwenwang kon bezoedelen! Kom, wij willen naar de tent, en onzen overwinnaar in zegepraal daarheen geleiden.—Hoe beklaag ik dezen edelen Sultan, die niets meer van de liefde kent, dan van wezens van mindere natuur.”Blondel stemde zijne harp tot hare meestverheven accoorden, omde intrede van den overwinnaar in de tent van Koningin Berengaria te begroeten. Hij trad binnen, aan iedere zijde met een zijner getuigen, Richard en Willem Langzwaard, en knielde bevallig voor de Koningin neder, ofschoon zijne hulde grootendeels zwijgende, bewezen werd aan Edith, die aan hare rechterhand was gezeten.„Ontwapen hem dames,” zeide de Koning, wiens grootste genot bestond in de uitoefening van dergelijke ridderlijke gebruiken.—„Laat de Schoonheid de Ridderschap vereeren! Maak zijne sporen los, Berengaria, hoewel eene Koningin, zijt gij hem alle blijken van gunst verschuldigd, die gij in staat zijt te geven,—ontdoe hem van zijn helm, Edith;—met deze hand moet gij het doen, al waart gij de meest trotsche Plantagenet van den geheelen stam, en hij de armste ridder op aarde!”Beide dames gehoorzaamden aan het koninklijk bevel, Berengaria met driftigen ijver, alsof zij begeerig was, aan den wil van haar gemaal te voldoen, en Edith, beurtelings blozende en verbleekende, terwijl zij langzaam en onhandig met den bijstand van Langzwaard de banden losmaakte, die den helm aan den halskraag bevestigden.„En wat verwacht gij onder dat metalen bekleedsel?” zeide Richard, toen de weggenomen helm het edele gelaat van sir Kenneth vertoonde, terwijl het gloeide door de laatste inspanning en niet minder van aandoening. „Wat denkt gij van hem, gij dapperen en schoonen?” vroeg Richard.„Gelijkt hij op een Ethiopischen slaaf, of vertoont hij het gelaat van een gelukzoeker zonder afkomst of naam? Neen bij mijn goed zwaard!—Hier eindigen zijne verschillende vermommingen. Hij heeft voor u geknield, onbekend behalve door zijne eigen waarde—hij rijst op, evenzeer hoogverheven door zijne geboorte en door zijn vermogen. De avontuurlijke ridder, Kenneth, staat op als David Graaf van Huntingdon, Kroonprins van Schotland.”Eene algemeene kreet van verbazing werd gehoord, en Edith liet den helm, dien zij zoo even afgenomen had, uit hare hand vallen.„Ja, mijne heeren,” ging de Koning voort, „zoo is het. Gij weet, hoe Schotland ons misleidde, toen het ons beloofde, dezen moedigen graaf met een dapper korps van de besten en edelsten te zenden, om onze wapenen in het veroveren van Palestina te steunen, maar in gebreke bleef, zijne verbintenissen na te komen. Deze edele jongeling, onder wiens aanvoering de Schotsche kruisvaarders ten strijde hadden moeten trekken, hield het voor laaghartig, dat zijn arm aan den heiligen oorlog zou onttrokken worden, en vereenigde zich in Sicilië met een klein gevolg van aan hem gehechte trouwe dienaars, dat door vele zijner landslieden, aan wie de rang van hun bevelhebber bekend was, vermeerderd werd. De vertrouwden van den koninklijken prins waren allen, op een ouden schildknaap na, door den dood weggerukt, toen zijn maar al te goed bewaard geheim, mij bijna in den persoon van een Schotschen avonturier een jong vorst van de schoonste verwachting had doen opofferen.—Waarom hebt gij uwe rang verzwegen, edele Huntingdon, toen die door mijn haastig en driftig vonnisin gevaar gebracht werd?—Was dit, omdat gij Richard in staat hieldt, om van het voordeel misbruik te maken, dat ik toen had op den erfgenaam van een Koning, dien ik zoo menigmaal vijandig bevonden had?”„Dit onrecht deed ik u niet, koninklijke Richard,” antwoordde de graaf van Huntingdon; „maar mijn hoogmoed gedoogde niet, dat ik mij als prins van Schotland zou doen kennen, om mijn leven te redden, dat door een gebrek van trouw aan mijn plicht in gevaar was gebracht. En bovendien had ik eene gelofte gedaan om mijn rang onbekend te doen blijven, totdat de kruistocht zou geëindigd zijn. Ook heb ik er geene melding van gemaakt, behalvein articulo mortis(in het oogenblik des doods) en onder het zegel der biecht, aan gindschen eerwaardigen kluizenaar.”„Het was dus de bekendheid met dit geheim, dat den goeden man zoo bij mij deed aandringen, om mijn gestreng vonnis te herroepen?” zeide Richard. „Terecht zeide hij, dat, zoo deze brave ridder op mijn bevel ware ter dood gebracht geworden, ik de daad ongedaan zou gewenscht hebben, al had mij dit ook een lid mijns lichaams gekost.—Een lid!—Ik zou het ongedaan gewenscht hebben, al had mij dit mijn leven gekost; daar de wereld zou gezegd hebben, dat Richard misbruik had gemaakt van den toestand, waarin de erfgenaam van Schotland zich door zijn vertrouwen in zijn edelmoedigheid had geplaatst.”„Maar mogen wij van uwe Majesteit vernemen, door welk vreemd en gelukkig toeval dit raadsel eindelijk is opgelost?” vroeg Koningin Berengaria.„Er werden ons brieven uit Engeland overgebracht,” zeide de Koning, „waaruit wij vernamen, onder andere onaangename tijdingen, dat de Koning van Schotland drie van onze edelen, die op eene bedevaart naar St. Ninian waren, gevat, en als reden opgegeven had, dat zijn erfgenaam, dien hij veronderstelde, in de rijen der Duitsche ridders tegen de heidenen in Pruisen te vechten, inderdaad in onze legerplaats en in onze macht was; en daarom was Willem voornemens, deze edelen als gijzelaars voor zijne veiligheid te houden. Dit gaf mij het eerste licht omtrent den wezenlijken rang van den ridder van den Luipaard, en mijne vermoedens werden door de Vaux bevestigd, die bij zijne terugkomst uit Askalon, den eenigen dienaar van den graaf vanHuntingdonhad teruggebracht. Deze, een domme slaaf, was dertig mijlen ver gereisd, om de Vaux een geheim mede te deelen, dat hij mij had moeten toevertrouwen.”„Den oudeStrauchanmoet men niet te hard vallen,” zeide de lord van Gilsland. „Hij wist bij ondervinding, dat mijn hart wat zachter is, dan wanneer ik mij Plantagenet noemde.”„Uw hart zacht! Gij stuk oud ijzer—gij Cumberlandsche keisteen!” riep de Koning uit.—„Wij Plantagenets kunnen op zachte en gevoelvolle harten roemen. Edith,” ging hij voort zich tot zijne nicht wendende met eene uitdrukking, die het bloed in hare wangen deedstijgen, „geef mij uwe hand, schoone nicht, en geef mij de uwe, prins van Schotland.”„Laat af, mylord,” antwoordde Edith, terugtredende, en trachtende hare verwarring te verbergen, onder eene poging om over de lichtgeloovigheid van haar koninklijken broeder te spotten. „Herinnert gij u niet, dat mijne hand het teeken moest zijn, om de Sarraceenen en Arabieren, Saladin en zijne geheele getulbande bende tot Christenen te bekeeren?”„Ja, maar de wind der profetie is gedraaid, en waait nu uit een anderen hoek,” zeide Richard.„Spot niet, vrees dat uwe banden nog krachtiger zullen worden,” zeide de kluizenaar, vooruit tredende. „De hemel schrijft niets dan waarheid in zijne oorkonden. Het zijn de oogen van den mensch, die te zwak zijn, om het schrift goed te lezen. „Weet, dat, toen Saladin en Kenneth van Schotland in mijne grot sliepen, ik in de sterren las, dat er onder mijn dak een vorst rustte, die de geboren vijand van Richard was, en met wien het noodlot van Edith Plantagenet moest verbonden worden. Kon ik twijfelen, dat dit Saladin moest zijn, wiens rang mij wel bekend was, daar hij mijne cel dikwijls bezocht, om over de wentelingen der hemelsche lichamen te spreken?—Voorts, de lichten aan het uitspansel verkondigden, dat deze Vorst, de gemaal van Edith Plantagenet, een Christen moest zijn; en ik—zwak en onbezonnen uitlegger!—leidde daaruit de bekeering af van den edelen Sultan, wiens goede hoedanigheden hem dikwijls tot het betere geloof deden neigen. Het gevoel mijner zwakheid heeft mij tot het stof vernederd, maar in het stof heb ik troost gevonden! Ik heb het lot van anderen niet goed gelezen—wie kan mij verzekeren, dat ik mij niet in mijn eigen lot misrekend heb? God wil niet, dat wij in het huis van zijnen raad dringen of zijne verholen geheimen bespieden. Wij moeten zijn tijd met waken en gebed—met vrees en hoop afwachten. Ik kwam hierheen als de ernstige ziener—de trotsche profeet—ervaren genoeg, naar ik meende, om vorsten te onderwijzen, en zelfs met bovennatuurlijke kracht begaafd, maar met een last bezwaard, dien ik dacht, dat alleen mijne schouders hadden kunnen dragen. Maar mijne banden zijn verbroken! Ik ga van hier vernederd in mijne onwetendheid, boetvaardig—maar niet zonder hoop.”Met deze woorden verwijderde hij zich uit de bijeenzijnden, en men verhaalt, dat van dit tijdstip af zijne aanvallen van zinneloosheid zelden terugkeerden, en zijne boetedoeningen van zachteren aard waren, en met beter hoop op de toekomst gepaard gingen. Zoo veel eigenwaan ligt er zelfs in de krankzinnigheid opgesloten, dat het besef, dat hij eene ongegronde voorspelling met zoo veel overtuiging gekoesterd en uitgedrukt had, scheen te werken als het verlies van bloed op het menschelijk lichaam, om den gespannen toestand der hersenen te wijzigen en te doen verminderen.Het is onnoodig, de gesprekken in de koninklijke tent verder te volgen, of te onderzoeken, of David, graaf van Huntingdon, even stomin tegenwoordigheid van Edith Plantagenet was, als toen hij verplicht was in het karakter van een avonturier zonder afkomst of naam te handelen. Men mag vrij gelooven, dat hij daar met behoorlijken ernst den hartstocht openbaarde, waaraan hij het te voren zoo dikwijls moeilijk gevonden had, woorden te geven.Het middaguur naderde thans en Saladin wachtte om de Christen vorsten in eene tent te ontvangen, welke, behalve hare ruime uitgestrektheid, weinig van het gewone verblijf van den Kurd of Arabier verschilde; evenwel was onder haar wijd en donker bekleedsel een gastmaal naar de overvloedigste Oostersche gewoonte bereid, dat op tapijten van de rijkste stoffen uitgespreid was, terwijl er kussens voor de gasten gelegd waren. Maar wij kunnen ons niet bezighouden, het goud- en zilverlaken—het krachtig Arabisch borduursel, de shawls van kasjmir—en het Indisch neteldoek, te beschrijven, die hier in al hun glans ten toon gespreid waren; noch veel minder het verschillende suikerwerk, ragouts met rijst van verschillende kleuren omgeven, met al de andere lekkernijen van de Oostersche kookkunst op te noemen; en hunne geheel gebraden lammeren, en wild en gevogelte als pasteien toebereid, waren in gouden, zilveren en porceleinen vazen opgedischt en afgewisseld met groote bekers sorbet, die in sneeuw en ijs uit de holen van den berg Libanon verkoeld waren. Een prachtige stapel kussens boven aan de tafel scheen bestemd voor den aanlegger van het feest en zulke hooge personen, die hij mocht uitnoodigen, om deze plaats van onderscheiding te deelen, terwijl, van boven van de tent in alle richtingen, maar boven deze verheven plaats in het bijzonder, menige banier en menig vaandel wapperde, de zegeteekenen van gewonnen veldslagen en onderworpen koninkrijken. Maar onder en boven deze stak aan eene lange lans een lijklaken, de banier des doods, met dit veelzeggend opschrift: „Saladin, Koning der Koningen, de overwinnaar der overwinnaars—Saladin moet sterven.” Te midden van deze toebereidselen stonden de slaven, welke deze ververschingen opgebracht hadden, met gebogen hoofden en gekruiste armen, stom en roerloos als gedenkteekenen van overledenen, of als automaten, die de aanraking van den kunstenaar afwachtten, om hen in beweging te brengen.Terwijl de Sultan, die, gelijk de meesten, met de bijgeloovigheden van zijn tijd behebt was, de komst van zijne vorstelijke gasten afwachtte, stond hij peinzend gebogen over een horoskoop en eene daarmede verbonden perkamentrol, die hem de kluizenaar van Engaddi bij zijn vertrek uit het leger gezonden had.„Zonderlinge en geheimzinnige wetenschap,” zeide hij in zich zelven, „die, voorwendende den sluier der toekomst op te lichten, diegene misleidt, die zij schijnt te leiden, en het tooneel verduistert, dat zij voorgeeft te verlichten! Wie zou niet gezegd hebben, dat ik die gevaarlijkste vijand voor Richard was, wiens vijandschap door de verbintenis met zijne nicht eindigen moest? Toch blijkt het nu, dat eene vereeniging tusschen dezen dapperen graaf en de dame eene verzoening tusschen Richard en Schotland zal teweeg brengen, eengevaarlijker vijand dan ik, zooals eene wilde kat in de kamer meer te vreezen is, dan een leeuw in een afgelegen woestijn.—Maar toch,” vervolgde hij bij zich zelven, „de berekening toonde aan, dat deze echtgenoot een Christen moest zijn.—Christen?” herhaalde hij na eene poos zwijgen,—„dat gaf den zinneloozen dweper de hoop, dat ik mijn geloof zou afzweren! maar mij, den getrouwen aanhanger van den Profeet—mij moest het uit den droom geholpen hebben. „Ziedaar, geheimzinnige rol,” voegde hij er bij, die onder den stapel kussens werpende; „vreemd en noodlottig zijn uw voorspellingen, daar zij, zelfs wanneer zij op zich zelven waarheid behelzen, bij hem, die de meening trachten te ontcijferen, al de uitwerkselen der valschheid hebben …. Hoe nu! wat beteekent die stoornis!”Hij sprak tot den dwerg Nebectamus, die zeer ontroerd in de tent stortte, terwijl ieder van zijne vreemde en ongeëvenredigde trekken door den schrik tot nog grooter leelijkheid verwrongen waren,—zijne oogen stijf, zijn mond open, zijne handen met de rimpelige en mismaakte vingers wild uitgestrekt.„Wat is er nu?” vroeg de Sultan op gestrengen toon.„Accipe hoc!(Neem dat)” kermde de dwerg:„Ha! wat zegt gij?” vroeg Saladin op nieuw.„Accipe hoc!” hernam het door schrik getroffen schepsel, misschien zonder te weten, dat hij dezelfde woorden als te voren herhaalde.„Vertrek, ik heb geen lust voor zotternijen!”„Ook ik ben niet langer een gek,” hervatte de dwerg, „dan om mijne zotheid en mijn vernuft te helpen, om mijn brood te verdienen, arm, ellendig schepsel dat ik ben.—Hoor, hoor mij, groote Sultan!”„Welnu, zoo gij over wezenlijk onrecht te klagen hebt,” antwoordde Saladin, „gek of wijs, dan hebt gij recht op het oor des Konings—Kom herwaarts met mij.” Hierop geleidde hij hem in het binnenste der tent.Wat ook het onderwerp van hun gesprek was, het werd spoedig afgebroken door het schetteren der trompetten, dat de komst van de Christen vorsten aankondigde, die Saladin koninklijk in zijne tent verwelkomde, zoo als aan hun rang en den zijnen betaamde. Maar vooral begroette hij den jongen graaf van Huntingdon, en wenschte hem edelmoedig geluk met zijne vooruitzichten, ofschoon zij die, welke hij zelf gekoesterd had, schenen te hebben belemmerd en verijdeld.„Maar meen niet, edel jongeling,” zeide de Sultan, „dat de prins van Schotland meer welkom bij Saladin is, dan Kenneth het den eenzamen Ilderim was, toen zij elkander in de woestijn ontmoetten, of de ongelukkige Ethiopiër den Hakim Adonbec. Een braaf en edel karakter, gelijk het uwe, heeft eene waarde, die van stand en geboorte onafhankelijk is, gelijk de koele dronk, dien ik u hier aanbied, even aangenaam uit een aarden vaas, als uit een gouden beker smaakt.”De graaf van Huntingdon gaf een gepast antwoord, en betuigde zijne erkentelijkheid voor de verschillende gewichtige diensten, die hijvan den edelmoedigen Sultan ontvangen had; maar toen hij Saladin met den beker sorbet, dien de Sultan hem had aangeboden, bescheid gedaan had, kon hij zich niet weerhouden, om glimlachend op te merken: „de dappere ridder Ilderim kende den ijsvorm niet, maar de milde Sultan verkoelt zijn sorbet met sneeuw.”„Verlangt gij, dat een Arabier of Kurd even verstandig als een Hakim zou zijn?” vroeg de Sultan. „Hij, die eene vermomming aanneemt, moet het gevoel van zijn hart en de geleerdheid van zijn hoofd met zijn aangenomen gewaad doen overeenstemmen. Ik wenschte te zien, hoe een dapper en eerzaam ridder uit Frangistan in een strijd met een opperhoofd, als ik toen scheen, zich zou gedragen; en ik betwijfelde de waarheid van een bekend feit, om te zien, door welke bewijsgronden gij uw gezegde zoudt staven.”Terwijl zij spraken, werd de aartshertog van Oostenrijk, die een weinig ter zijde stond getroffen, door deze opmerking over den door ijs verkoelden sorbet, en vatte met een glans van genoegen op zijn gelaat en eenige ongemanierdheid den grooten beker, toen de Graaf van Huntingdon op het punt stond, dien weder neer te zetten.„Allerheerlijkst!” riep hij na eene diepe teug uit, die het heete weêr en de koortsachtigheid, een gevolg van den vorigen dag, dubbel aangenaam had gemaakt. Hij zuchtte, toen hij den beker aan den grootmeester der Tempeliers overhandigde. Saladin gaf den dwerg een teeken; deze trad vooruit, sprak met luide stem de woorden: „accipe hoc!” De Tempelier schrikte terug, doch herstelde zich spoedig, en, misschien om zijne verlegenheid te verbergen, bracht hij den beker aan zijne lippen—maar deze lippen raakten slechts den rand van dien beker. Saladin’s sabel verliet zijne scheede, als de bliksem de wolk verlaat. Hij zwaaide die in de lucht—en het hoofd van den Grootmeester rolde naar het uiterste einde der tent.Er ontstond een algemeene kreet van verraad, en de aartshertog, die het naast aan Saladin met de bloedige sabel in de hand stond, deinsde terug, alsof hij vreesde, dat hij nu aan de beurt was. Richard en anderen sloegen de handen aan hun zwaard.„Vrees niets, edele hertog,” zeide Saladin even bedaard, alsof er niets ware voorgevallen, „en gij, koninklijke broeder van Engeland, wees niet vertoornd over hetgeen gij gezien hebt. Niet wegens zijn menigvuldig verraad en niet wegens den aanslag, dien hij, volgens getuigenis van zijn eigen schildknaap, tegen het leven van Koning Richard maakte;—niet, omdat hij den prins van Schotland en mij zelven in de woestijn vervolgde, en ons noodzaakte, om het leger door de snelheid onzer paarden te redden;—niet, omdat hij de Maronieten opgestookt had, om ons bij diezelfde gelegenheid aan te vallen, wier plan ik echter verijdelde, door onverwacht een groot getal Arabieren tegen hem aan te voeren;—niet om eene van al deze misdaden ligt hij thans daar, ofschoon die wel zulk eene straf verdienden;—maar omdat hij, nauwelijks een half uur vóór hij onze tegenwoordigheid vergalden, gelijk de samoen den dampkring vergiftigt,zijn makker en medeplichtige, Koenraad van Montserrat, heeft doorstoken, uit vrees, dat deze de schandelijke samenzweringen, waarin zij beide gewikkeld waren, mocht bekennen.”„Hoe! Koenraad vermoord?—en wel door den grootmeester, zijn getuige en meest vertrouwden vriend?” riep Richard uit. „Edele Sultan—ik wilde gaarne uwe woorden niet in twijfel trekken—dit evenwel moet bewezen worden—anders ….”„Hier staat de getuige,” antwoordde Saladin, op den verschrikten dwerg wijzende. „Allah die den glimworm zendt om den nacht te verlichten, kan door de verachtelijkste middelen geheime misdaden doen ontdekken.”De Sultan begon nu de geschiedenis van den dwerg te verhalen, die hierop nederkwam.—In zijne dwaze nieuwsgierigheid, of, zooals hij gedeeltelijk bekende, met het onbestemd plan om een kleinigheid te stelen, was Nebectamus in de tent van Koenraad geraakt, die zijne volgelingen verlaten hadden; eenige hadden ijlings het kamp verlaten, om de tijding zijner nederlaag aan zijn broeder mede te deelen; anderen bedienden zich van de gelegenheid tot smullen, die Saladin hun verschaft had. De gekwetste sliep onder den invloed van Saladin’s verwonderlijken talisman, zoodat de dwerg gelegenheid had, om naar welgevallen rond te zoeken, totdat de schrik bij het hooren van een zwaren tred hem bewoog, zich te verbergen. Hij verschool zich achter een gordijn, maar kon de bewegingen zien, en de woorden hooren van den Grootmeester, die binnentrad, en den ingang van de tent zorgvuldig achter zich dicht maakte. Zijn slachtoffer schrikte uit den slaap op, en het scheen, dat hij dadelijk het voornemen van zijn ouden bondgenoot vermoedde; want het was op een toon van ongerustheid, dat hij hem vroeg, waarom hij hem stoorde?„Ik kom om u de biecht te doen afleggen; en dan den aflaat te geven,” antwoordde de grootmeester.Van hun verder gesprek herinnerde zich de verschrikte dwerg weinig, behalve dat Koenraad den grootmeester smeekte, een geknakt riet niet te breken, en dat de Tempelier hem met een Turkschen dolk het hart doorstak, met de woorden: „accipe hoc”—woorden, die nog lang daarnaar de verschrikte verbeelding van den verscholen getuige kwelden.„Ik heb mij van de waarheid van het verhaal overtuigd,” zeide Saladin, „door het lijk te doen onderzoeken; ik deed dit rampzalige wezen, dat Allah tot ontdekker van de misdaad gemaakt heeft, in uwe tegenwoordigheid de door den moordenaar gesproken woorden herhalen; en gij zelf hebt de uitwerking gezien, die ze op zijn geweten teweeg brachten.”Hier zweeg de Sultan, en de Koning van Engeland was de eerste die het stilzwijgen afbrak:„Indien dit de waarheid is, waaraan ik niet twijfel, hebben wij eene groote daad van gerechtigheid aanschouwd, ofschoon die een geheel ander karakter scheen te hebben. Maar waarom in dit gezelschap? waarom met uwe eigen hand?”„Ik was voornemens het anders te doen geschieden,” antwoordde Saladin; „maar had ik zijne straf niet verhaast, dan zou die geheel afgewend geworden zijn, indien ik hem vergund had om uit mijn beker te drinken, zoo als hij op het punt was te doen, en daar ik dan, zonder de gastvrijheid geschonden te hebben, hem, gelijk hij verdiende, den dood niet had kunnen doen ondergaan. Al had hij mijn vader vermoord, en daarna mijn beker met mij gedeeld, dan had ik geen haar van zijn hoofd durven krenken. Maar genoeg van hem—laat zijn lijk en zijne gedachtenis uit ons midden verwijderd worden.”Het lijk werd weggebracht, en de sporen van de terechtstelling vernietigd of verborgen met eene vaardigheid die bewees, dat het voorval niet zoo geheel ongewoon was, dat het de dienaren en officieren van het huis des Sultans in verlegenheid kon brengen.Maar de Christen vorsten gevoelden, dat het tooneel, hetwelk zij aanschouwd hadden, zwaar op hun geest drukte; en ofschoon zij, op vriendelijk verzoek van den Sultan, hunne plaats bij het gastmaal weder innamen, geschiedde dit echter met het stilzwijgen van twijfel en verbazing. Het gemoed van Richard alleen overwon allen argwaan en verlegenheid. Hij scheen evenwel ook over een voorslag na te denken, alsof hij begeerde, die in de vleiendste en aangenaamste wijze te doen, welke hem mogelijk was. Eindelijk dronk hij een grooten beker wijn ledig, en zich tot den Sultan wendende, wenschte hij te weten, of het niet waar was, dat hij den graaf van Huntingdon met een persoonlijk gevecht had vereerd.Saladin antwoordde glimlachend, dat hij zijn paard en zijne wapenen tegen den erfgenaam van Schotland beproefd had, zoo als de ridders gewoon zijn te doen, wanneer zij elkander in de woestijn ontmoeten—en voegde hij er op bescheiden toon bij, dat, ofschoon de strijd niet geheel beslissend geweest was, hij evenwel van zijn kant niet veel reden had om op den uitslag te roemen. De Schot, van den anderen kant, wees de hem toegekende meerderheid af, en wenschte die aan den Sultan te geven.„Gij hebt eer genoeg in die ontmoeting behaald,” zeide Richard, „en ik benijd u hierom meer, dan om de lonken van Edith Plantagenet, ofschoon een paar daarvan voldoende zouden zijn, om een bloedig dagwerk te betalen.—Maar wat zegt gij, edele vorsten, past het, dat zulk een koninklijke kring van ridderschap opbreke, zonder dat er iets gedaan wordt, waarvan toekomende tijden kunnen spreken? Wat is de nederlaag en dood van een verrader voor eene zoo schoone kring van edele mannen, als hier vergaderd zijn, en die niet scheiden moeten, zonder iets aanschouwd te hebben, dat hunner achting waardiger is. Wat zegt gij, vorstelijke Sultan—zoo wij beide thans en in tegenwoordigheid van dit edel gezelschap den lang gevoerden strijd om dit land van Palestina beslisten, en in eens dezen lastigen oorlog eindigden? Ginds is het strijdperk gereed, en nooit kan het Heidendom een beteren kampvechter verwachten, dan u. Ik wil, zoo zich niet eenwaardiger aanbiedt, mijn handschoen ten voordeele van het Christendom neerleggen, en in alle liefde en eer zullen wij met elkander den strijd op dood en leven aangaan om het bezit van Jeruzalem.”Er volgde een diep stilzwijgen, vol verwachting op hetgeen de Sultan zou antwoorden. Zijne wang en zijn voorhoofd kleurden sterk, en vele van de aanwezenden waren van meening, dat hij aarzelde, of hij de uitdaging zou aannemen, ja dan neen. Eindelijk zeide hij: „Zoo ik voor de heilige stad vocht tegen hen, welke wij als afgodendienaars en aanbidders van blokken en steenen en gesneden beelden beschouwen, zou ik kunnen vertrouwen, dat Allah mijn arm kracht zou verleenen; of zoo ik onder het zwaard van Melec Ric viel, kon ik door geen roemrijker arm in het paradijs komen. Maar Allah heeft Jeruzalem reeds aan de ware geloovigen gegeven, en het zou eene verzoeking van den God des Profeets zijn, zoo ik met mijne persoonlijke kracht en behendigheid datgene op het spel zette, wat ik door mijne groote macht bezit.”„Indien dan niet om Jeruzalem,” hernam Richard op den toon van iemand, die eene gunst van een boezemvriend verzoekt, „laat ons dan ter liefde voor de eer ten minste drie uitvallen met scherpe lansen tegen elkander doen.”„Zelfs dit,” hernam Saladin, half glimlachende over den driftigen ernst van Richard Leeuwenhart voor den strijd, „zelfs dit mag ik volgens de wet niet doen. De meester stelt den herder over de kudde aan, niet om des herders wil, maar om de schapen. Had ik een zoon, die den scepter kon voeren, wanneer ik viel, dan zou ik de vrijheid gehad hebben, even als ik den wil heb, om dit stoute gevecht te ondernemen; maar uw eigen schrift zegt, dat, wanneer de herder verslagen is, de schapen verstrooid worden.”„Gij hebt al het geluk gehad,” zeide Richard, zich met een zucht tot den Graaf van Huntingdon wendende. „Ik zou het beste jaar van mijn leven voor dat ééne halve uur in de nabijheid van den Diamant der woestijn gegeven hebben.”De ridderlijke opgewondenheid van Richard deed de vroolijkheid van het gezelschap ontwaken, en toen zij eindelijk opstonden, om te vertrekken, trad Saladin voorwaarts, en greep Richard’s hand.„Edele Koning van Engeland,” zeide hij, „wij scheiden thans, om elkander nooit weder te ontmoeten. Dat uw verbond verbroken is, om nooit weder hersteld te worden, en dat uw eigen macht veel te gering is om u in staat te stellen uwe onderneming voort te zetten, is u even goed als mij bekend. Ik mag u dat Jeruzalem, hetwelk gij zoo zeer wenscht te bezitten, niet afstaan. Het is voor ons, even als voor u, eene heilige stad. Maar welke andere voorwaarden Richard van Saladin vordert, die zullen hem even welwillend toegestaan worden als gindsche fontein haar water schenkt. Ja, het zou even oprecht toegestaan worden, zoo Richard met slechts twee boogschutters bij hem in de woestijn stond!”De volgende dag zag Richard naar zijne eigene legerplaats terugkeeren, en korten tijd daarna huwde de jonge Graaf van Huntingdon met Edith Plantagenet. De Sultan zond tot geschenk bij deze gelegenheid, den beroemden Talisman; maar, ofschoon er vele genezingen in Europa mede geschiedden, evenaarde toch geene in goeden uitslag en vermaardheid die, welke de Sultan zelf verricht had. Deze is nog in aanwezen, daar de Graaf van Huntingdon hem aan een dapper Schotsch ridder, Sir Mungo of the Lee vermaakt had, in wiens oud en zeer geëerd geslacht deze nog wordt bewaard; en ofschoon betooverde steenen uit de hedendaagsche pharmacopoea verbannen zijn, worden de krachten ervan nog voor het stillen van het bloed in gevallen van hondsdolheid gebruikt.Hier eindigt onze geschiedenis, daar de voorwaarden, waarop Richard zijne veroveringen prijsgaf, in elke geschiedenis van dat tijdvak te vinden zijn.EINDE.
Men was overeengekomen, wegens de hitte van het klimaat, dat het godsoordeel, dat thans de verschillende volken bij den Diamant der woestijn had bijeengebracht, een uur na zonsopgang plaats zou hebben.Het groote strijdperk, dat onder toezicht van den ridder van den Luipaard was ingericht, omvatte eene ruimte van hard zand die honderd zestig ellen lang en ruim vijftig breed was. Het strekte zich in de lengte van het noorden naar het zuiden uit, zoodat beide partijen gelijk voordeel van de opgaande zon hadden. Saladin’s koninklijke zetel was aan de westelijke zijde van de omheining opgericht, vlak in het midden, waar men verwachtte, dat de strijders elkander ontmoeten zouden. Daar tegenover was eene galerij met gesloten vensters, zoo ingericht, dat de dames, voor wie deze plaats bestemd was, het gevecht konden aanschouwen, zonder zelven gezien te worden. Er waren ook tronen opgericht; maar de aartshertog, die bemerkte, dat de zijne lager was dan die van Koning Richard, weigerde daarop plaats te nemen; en Leeuwenhart, die zich veel zou hebben laten welgevallen, eer eene formaliteit den strijd zou verhinderd hebben, gaf gereedelijk zijne toestemming, dat de borgen, zoo als zij genoemd werden, gedurende het gevecht te paard zouden blijven. Aan den eenen kant van het strijdperk werd het gevolg van Richard geplaatst, en tegen hen over stonden de begeleiders van den aangeklaagde, Koenraad. Rondom den troon, voor den Sultan bestemd, waren zijne prachtige Georgische wachten opgesteld, en verder was het de omheining door Christen en Mahomedaansche aanschouwers bezet.
Lang vóór het aanbreken van den dag was het strijdperk door een nog grooter aantal Sarraceenen omringd, dan Richard den vorigen dag gezien had. Toen de eerste stralen van de schitterende zonneschijf zich boven de woestijn verspreidden, klonk de kreet: „ten gebede—ten gebede!” door den Sultan zelven aangeheven, en door anderen beantwoord, wier rang en ijver hun het recht gaven, als muezzins opte treden. Het was een treffend schouwspel, hen allen op den grond te zien neerzinken, om hun gebed te doen, met het gelaat naar Mekka gekeerd. Maar toen zij van den grond opstonden, schenen de zonnestralen, die nu sterker werden, de meening van den lord van Gilsland van den vorigen avond te bevestigen. Zij werden door tal van speerspitsen weerkaatst, want de lansen zonder punten van den vorigen dag waren er niet meer. De Vaux maakte hierop zijn meester opmerkzaam, die ongeduldig antwoordde, dat hij een onbepaald vertrouwen in de rechtschapenheid van den Sultan stelde; maar dat, zoo de Vaux voor zijn zwaarlijvig lichaam bevreesd was, hij zich kon verwijderen.
Kort daarop hoorde men het gedreun der pauken, op wier klank al de Sarraceensche ruiters van hun paard sprongen, en zich nederbogen, alsof zij een tweede morgengebed wilden verrichten. Dit geschiedde om der Koningin met Edith en haar gevolg gelegenheid te geven, van de tent naar de voor haar bestemde galerij te gaan. Vijftig wachten van Saladin’s harem met onbloote sabels begeleidden haar, met bevel, om ieder neder te sabelen, hij mocht prins of boer zijn, die het mocht wagen de dames bij het voorbijgaan aan te zien, of zelfs het hoofd durfden oprichten, voor dat het ophouden der muziek allen zou verkondigen, dat zij in hare galerij waren aangekomen, waar zij door geen nieuwsgierig oog konden worden aanschouwd.
Deze bijgeloovige inachtneming van Oosterschen eerbied voor het schoone geslacht deden bij Koningin Berengaria eenige aanmerkingen rijzen, die voor Saladin en zijn vaderland niet zeer gunstig waren. Maar toen haar hol, zooals de koninklijke schoone het geliefde te noemen, door hare zwarte wachters veilig gesloten was en bewaakt, was zij in de noodzakelijkheid om zich te vergenoegen met te zien, en voor het tegenwoordige het nog heerlijker genoegen van gezien te worden ter zijde te stellen.
Intusschen stelden de getuigen van beide kampvechters, zoo als hun plicht voorschreef, een onderzoek in, of deze behoorlijk gewapend en voor het gevecht bereid waren. De aartshertog van Oostenrijk had geen haast om dit deel van de plechtigheid te vervullen, daar hij den vorigen avond een goeden roes van Schiras wijn gehad had. Maar de grootmeester der Tempeliers, die meer belang bij den uitslag van den strijd had, was al spoedig voor de tent van Koenraad van Montserrat. Tot zijne groote verbazing weigerden de bedienden hem binnen te laten.
„Kent gij mij niet, kerels?” vroeg de grootmeester in de hoogste mate vertoornd.
„Zeer goed, zeer dapper en eerwaardig heer,” antwoordde Koenraad’s schildknaap; „maar zelfs gij moogt voor het oogenblik niet binnen—de markies is gereed om te biechten.”
„Te biechten!” riep de Tempelier op een toon uit, waarin schrik met verbazing en minachting vermengd was—„en bij wien, vraag ik u?”
„Mijn meester heeft mij stilzwijgendheid geboden,” hernam de schildknaap;waarop de grootmeester hem voorbijsnelde en de tent binnentrad.
De markies van Montserrat knielde aan de voeten van den kluizenaar van Engaddi, en was op het punt, zijne biecht te beginnen.
„Wat beteekent dit, markies?” vroeg de grootmeester; „sta op, schaam u—of zoo gij volstrekt moet biechten, ben ik niet hier?”
„Ik heb reeds te dikwijls bij u gebiecht,” antwoordde Koenraad met bleeke wangen en sidderende stem. „Om Gods wil, grootmeester, ga heen, en laat ik mijn geweten aan dien heiligen man ontlasten.”
„Waarin is hij heiliger dan ik?” zeide de grootmeester.—„Kluizenaar, profeet, zinnelooze—zeg, zoo gij durft, waarin gij mij overtreft?”
„Stout en verdorven man,” antwoordde de kluizenaar, „weet, dat ik gelijk ben aan het getraliede venster, en het goddelijk licht gaat er doorhenen, ofschoon het, helaas! mij zelven niet baat. Gij gelijkt ijzeren staven, die noch zelven licht ontvangen, noch het aan iemand mededeelen.”
„Praat niet tegen mij, maar verlaat deze tent,” zeide de grootmeester, „de markies zal dezen morgen niet biechten, of het moet bij mij zijn, want ik verlaat zijne zijde niet.”
„Is dituwwelgevallen,” zeide de kluizenaar tot Koenraad, „want meen niet, dat ik dezen trotschen man zal gehoorzamen, zoo gij mijn bijstand blijft begeeren.”
„Helaas!” zeide Koenraad besluiteloos, „wat wilt gij dat ik zeggen zal?—Vaarwel voor het oogenblik—wij zullen later met elkander spreken.”
„O uitstel!” riep de hermiet uit, „gij zijt een zielemoorder! Ongelukkige, vaarwel—niet voor een tijdlang, maar tot dat wij elkander ontmoeten zullen—onverschillig waar. En wat u betreft,” voegde hij er bij, zich tot den grootmeester wendende, „sidder!”
„Sidderen,” hervatte de Tempelier verachtelijk, „ik kan niet, al wilde ik ook.”
De kluizenaar hoorde zijn antwoord niet, daar hij de tent reeds had verlaten.
„Welaan, schielijk ter zake,” zeide de grootmeester, „daar gij die dwaasheid toch verrichten wilt.—Luister—ik geloof, dat ik uwe meeste zwakheden ken, dus kunnen wij de bijzonderheden daarlaten, daar deze wat te lang zouden duren, en met den aflaat beginnen. Watbeduidt het om de vlekken modder te tellen, wanneer wij op het punt zijn, die van onze handen te wisschen!”
„Daar gij weet, wat gij zelf zijt,” zeide Koenraad, „is het godlasterend er van te spreken, een ander te willen vergeven.”
„Dat is niet naar den regel, heer markies,” antwoordde de Tempelier, „gij zijt meer nauwgezet dan rechtgeloovig. De aflaat van den slechten priester is van even veel kracht, als die van een heilige—anders moge God den armen boeteling helpen! Welk gekwetste vraagt er naar, of de wondarts, die zijne wonden onderzoekt, schoone handen heeft of niet?—Kom, zullen wij het spel beginnen?”
„Neen,” antwoordde Koenraad, „ik wil liever sterven zonder te biechten, dan met het sacrament te spotten.”
„Kom, edele markies,” hernam de Tempelier, „vat moed, en spreek niet aldus.Binnen een uur zult gij zegevierende in het strijdperk staan, of in uw helm biechten, gelijk een dapper ridder.”
„Helaas, grootmeester!” hervatte Koenraad, „alles voorspelt kwaad in deze zaak. De merkwaardigeontdekkingdoor het instinkt van een hond—het herleven van dezen Schotschen ridder, die optreedt als een spook—alles slechte voorteekens.”
„Ba,” zeide de Tempelier, „ik heb u moedig uwe lans uit scherts tegen hem zien zwaaien, en dat wel met gelijke kans van goeden uitslag—verbeeld u, dat gij slechts in het toernooi zijt, en wie staat hem beter in het toernooiveld dan gij?—Komt, knapen en wapendragers, uw meester moet voor den strijd uitgerust worden.”
De dienaren traden nu binnen, en begonnen den markies te wapenen.
„Welk weer is het buiten?” vroeg Koenraad.
„De zon gaat donker op,” antwoordde een schildknaap.
„Gij ziet, grootmeester,” vervolgde Koenraad, „niets lacht ons toe.”
„Gij zult des te koelbloediger vechten, mijn zoon,” antwoordde de Tempelier, „dank den Hemel, dat Hij de zon dezen morgen getemperd heeft, om u ter wille te zijn.”
Zoo schertste de grootmeester; maar zijne spotternijen hadden haar invloed op het gemoed van den markies verloren, en, in weerwil van zijne pogingen om opgewekt te schijnen, deelde de droefgeestigheid zich aan den grootmeester mede.
„Deze lafaard,” dacht hij, „zal uit louter flauwheid en lamheid in den strijd bezwijken, en dat noemt hij een gevoelig geweten. Ik, wien visioenen en voorteekenen niet schokken—ik, die vast ben in mijn voornemen, als de levende rots—ik zelf moest den strijd gestreden hebben.—Gave God, dat de Schot hem op de plek doodde; dit zou het beste zijn, zoo hij de overwinning niet behalen kan. Maar er kome wat er wil, hij moet geen anderen biechtvader hebben dan mij—onze zonden zijn te gemeenschappelijk, en hij kon wel eens mijn deel te gelijk met het zijne biechten.”
Terwijl deze gedachten hem door zijn hoofd speelden, ging hij voort met den markies bij het wapenen te helpen, maar het geschiedde zwijgend.
Het uur was eindelijk daar, de trompetten klonken, de ridders reden het strijdperk binnen, van top tot teen naar behooren gewapend, en gelijk mannen, die voor de eer van een koninkrijk zouden strijden. Zij hadden hunne vizieren open, en, drie malen het strijdperk rond rijdende, vertoonden zij zich aan de toeschouwers. Beide waren aanzienlijke mannen en met een edel gelaat. Maar er stond op het voorhoofd van den Schot mannelijk vertrouwen te lezen, eene straal van hoop, die zelfs naar vroolijkheid zweemde. Op Koenraad’s gelaat integendeel, ofschoon trots en herhaalde pogingen veel van zijn natuurlijken moed teruggeroepen hadden, zweefde nog eene wolk van onheilspellende moedeloosheid. Zelfs zijn paard scheen niet zoo licht en vurig op het trompetgeschal te trappelen, als de edele Arabier, dien sir Kenneth bereed; en de spreukspreker schudde het hoofd, terwijl hij opmerkte, dat de uitdager om het strijdperk reed volgens den loop der zon, dat is van de rechterhand naar de linker, maar de aangeklaagde dit van de linker naar de rechter deed, wat men in de meeste landen als een slecht voorteeken beschouwt.
Een altaar was voor deze gelegenheid opgericht, juist beneden de galerij, waarop de Koningin gezeten was, en daarnaast stond de kluizenaar in de kleeding zijner orde als karmeliter monnik. Er waren ook andere geestelijken tegenwoordig. Naar dit altaar werden de aanklager en de aangeklaagde achtereenvolgens door hunne getuigen geleid. Beide ridders stegen af, en ieder bezwoer de rechtvaardigheid zijner zaak door een plechtigen eed op het Evangelie, en zij baden, dat de uitslag van den strijd mocht overeenstemmen met de waarheid of valschheid van hetgeen zij bezworen hadden. Zij zwoeren ook, dat zij naar ridder wijze en met de gewone wapens kwamen strijden, en zich het gebruik van tooverspreuken, betooveringen of magische kunsten, ten einde de zege op hunne zijde te brengen, ontzegden. De aanklager deed zijn eed met vaste mannelijke stem en een stout en opgeruimd gelaat. Toen de plechtigheid ten einde was, zag hij naar de galerij op, en boog het hoofd, als ter eere van die onzichtbare schoonheden, die daarin verborgen waren; hierop sprong hij, geheel gewapend zoo als hij was, in den zadel, zonder een stijgbeugel te gebruiken en liet zich door zijn paard in huppelende sprongen naar zijne standplaats brengen aan het oostelijke einde van het strijdperk. Koenraad verscheen ook met genoegzame driestheid voor het altaar; maar toen hij den eed aflegde, klonk het hol, alsof die in zijn helm verstikt werd. De lippen, waarmede hij zich op den hemel beriep, ten einde de overwinning aan de zaak te verleenen, verbleekten, terwijl zij den goddeloozen meineed uitten. Toen hij zich omwendde om zijn paard te bestijgen, naderde de grootmeester dichter tot hem, alsof hij iets aan zijn halskraag verhelpen wilde, en fluisterde hem toe: „Dwaze bloodaard! roep uw moed terug, en vecht dapper in dezen strijd, anders, bij den hemel, zoo gij hem al mocht ontkomen, zult gijmijniet ontgaan!”
De woeste toon, waarop hem dit gezegd werd, voltooide misschiende verwarring van den markies, want hij struikelde, toen hij te paard wilde stijgen; en ofschoon hij staan bleef, met zijne gewone vlugheid in den zadel sprong, en zijne behendigheid in het paardrijden aan den dag legde, toen hij zijne plaats tegenover den aanklager innam, ontging dit voorval evenwel niet aan hen, welke op voorteekens letten, die het lot van den dag konden voorspellen. De priesters, na een plechtig gebed, dat God de rechtvaardigheid van den strijd mocht aan den dag brengen, verlieten het strijdperk. De trompetten van den aanklager lieten zich toen luid hooren, en een wapenheraut riep aan het oostelijke uiteinde van het strijdperk uit: „Hier staat een goed ridder, sir Kenneth van Schotland, kampvechter van zijne Majesteit den Koning Richard van Engeland, die Koenraad, markies van Montserrat, van schandelijk verraad en beschimping, genoemden Koning aangedaan, beschuldigt.”
Toen de woorden „Kenneth van Schotland” den naam van den kampioen, die tot hiertoe nog niet algemeen bekend was, gehoord werden, weerklonken luide kreten van toejuiching onder het gevolg van Koning Richard, en nauwelijks kon men, trots de herhaalde bevelen tot stilzwijgen, het antwoord van den aangeklaagde hooren. Deze beweerde natuurlijk zijne onschuld, en verklaarde zich bereid daarvoor met zijn lichaam in te staan. De schildknapen der strijders naderden thans, en gaven elk zijn schild en zijne lans, hen helpende om het eerste om den hals te hangen, opdat de beide handen, vrij mochten blijven,—de eene om den teugel te bestieren, de andere om de lans te kunnen hanteeren.
Het schild van den Schot vertoonde zijn oud wapen, den Luipaard, maar er waren een halsband en eene gebroken keten bijgevoegd, als toespeling op zijne onlangs geleden slavernij. Het schild van den markies droeg, in verband met zijn titel, een zaagsgewijze gescheurden en rotsachtigen berg. Ieder zwaaide zijne lans boven het hoofd, alsof hij het gewicht en de sterkte van het zware wapen wilde beproeven, en legde ze toen in de rust. De getuigen, herauten en schildknapen trokken zich thans naar de barrière terug, en de strijdenden waren tegenover elkander gezeten, gelaat tegen gelaat, met gevelde lans en gesloten vizier, terwijl de menschelijke gedaante zoo volkomen verborgen was, dat zij er eer als standbeelden van gegoten ijzer, dan wezens van vleesch en bloed uitzagen. De stilte der verwachting was thans algemeen—ieder ademde zwaarder, en de ziel van elk scheen in zijne oogen te zitten, terwijl er geen geluid te hooren was, dan het gebriesch en gestamp der edele rossen, die, gevoelende, wat er gebeuren zou, ongeduldig waren om vooruit te schieten. Zij stonden aldus ongeveer drie minuten lang, toen, op een door den Sultan gegeven teeken, honderd instrumenten de lucht door hun metalen geluid vervulden; en elke kampioen zijn paard de sporen gevende, en den teugel vierende, renden de paarden in vollen galop voorwaarts, en de ridders ontmoetten elkander in het midden van het strijdperk met een schok, aan een donderslag gelijk. De overwinning was niettwijfelachtig,—neen zelfs geen oogenblik. Koenraad toonde inderdaad, dat hij een geoefend krijgsman was; want hij trof zijne tegenpartij ridderlijk midden in zijn schild, terwijl hij zijne lans zoo recht en krachtig hield, dat ze tot aan zijn ijzeren handschoen in splinters vloog. Sir Kenneth’s paard deinsde eenige ellen achteruit, en vielop zijne schenkels, maar de ruiter hielp het gemakkelijk met hand en teugel op. Maar voor Koenraad was er geen herstellen aan. De lans van Sir Kenneth was door zijn schild gedrongen, en verder door een borstharnas met Milaneesch staal beslagen, en door een geweven maliënkolder, die onder het borstharnas gedragen werd, hij had hem diep in den boezem gewond en hem uit den zadel gelicht, terwijl de punt van de lans in de wond bleef zitten. De getuigen, herauten en Saladin zelf drongen om den gekwetsten ridder; terwijl sir Kenneth, die reeds zijn zwaard getrokken had, eer hij nog ontdekte, dat zijn tegenstander geheel hulpeloos was, hem thans beval zijne schuld te bekennen. De helm werd in allerijl losgemaakt, en de gewonde, wild ten hemel ziende, hernam: „Wat wilt gij meer?—God heeft rechtvaardig beslist—ik ben schuldig—maar er zijn erger verraders in het kamp dan ik.—Uit medelijden voor mijne ziel, brengt mij een biechtvader!”
Onder het uitspreken dezer woorden kwam hij weder bij.
„Den talisman—het krachtig geneesmiddel, koninklijke broeder,” zeide Koning Richard tegen Saladin.
„De verrader,” antwoordde Saladin, „is veeleer waard, om uit het strijdperk bij de hielen naar den galg gesleept te worden, dan de kracht van den talisman hier toe te passen;—en er spreekt zulk een noodlot uit zijne blikken,” voegde hij er bij, na den gewonden strak te hebben aangezien; „dat, al kon zijne wond genezen, Azraël’s zegel op het voorhoofd van den ellendeling niet verdwijnen zal.”
„Niettemin,” hervatte Richard, „bid ik u, om voor hem te doen wat gij kunt, opdat hij ten minste tijd tot biechten moge hebben.—Vermoord niet ziel en lichaam te gelijk! Voor hem kan een half uur levens tienduizend malen meer waard zijn, dan het leven van den oudsten aartsvader.”
„Aan den wensch van mijn koninklijken broeder zal voldaan worden,” hernam Saladin. „Slaven, draagt dien gekwetsten man naar onze tent.”
„Doet dat niet,” zeide de Tempelier, die tot hiertoe somber en stilzwijgend toegezien had. „De koninklijke hertog van Oostenrijk en ik zelf zullen niet toelaten, dat deze ongelukkige vorst aan de Sarraceenen overgegeven worde, opdat zij hunne toovermiddelen aan hem beproeven. Wij zijn zijne getuigen, en verlangen, dat hij aan onze zorgen toevertrouwd worden.”
„Dat wil zeggen, gij weigert de zekere middelen, die tot zijn herstel aangeboden worden?” vroeg Richard.
„Dat niet,” hervatte de grootmeester zich herstellende.—„Indien de Sultan behoorlijke geneesmiddelen gebruikt, kan hij den patiënt in mijne tent behandelen.”
„Doe dat, bid ik u, goede broeder,” zeide Richard tot Saladin, „ofschoon het verlof ongaarne is toegestaan.—Maar nu tot een vroolijker werk.—Klinkt, trompetten—schettert ter eere van Engeland en Engelands kampvechter!”
Trommels, klaroenen, trompetten en cymbalen lieten zich te gelijkhooren, en het zware en regelmatige gejuich, dat sedert eeuwen de kreet van de Engelschen geweest is, klonk te midden van het schel en regelmatig gegil der Arabieren, als het donderen van een orgel te midden van een huilenden storm. Ten laatste ontstond er stilte.
„Dappere ridder van den Luipaard,” vervolgde Leeuwenhart, „gij hebt getoond, dat de Neger zijne huid kan veranderen, en de Luipaard zijne vlekken, hoewel de geestelijken zich op de heilige Schrift voor de onmogelijkheid daarvan beroepen. Maar ik heb u nog meer te zeggen, wanneer ik u zal geleid hebben in tegenwoordigheid der dames, de beste rechters en belooners van ridderlijke daden.”
De ridder van den Luipaard gaf door eene buiging zijne toestemming te kennen.
„En ook gij, vorstelijke Saladin, zult u naar deze begeven. Ik verzeker u, dat onze gemalin meenen zal niet welkom te zijn geweest, indien haar de gelegenheid ontbreekt, om haar koninklijken gastheer voor het allervorstelijkst onthaal te danken.”
Saladin boog het hoofd beleefd, maar wees de uitnoodiging van de hand.
„Ik moet mij bij den gekwetste vervoegen,” zeide hij. „De geneesheer verlaat zijn patiënt evenmin als de kampvechter het strijdperk, al werd hij ook in een lustoord als het paradijs, geroepen. En voorts, koninklijke Richard, moet gij weten, dat het Oostersche bloed in tegenwoordigheid van de schoonheid niet zoo kalm vloeit, als dat van uw land. Wat zegt het Boek zelf?—Haar oog is als het scherp van het zwaard des Profeets; wie zal het aanzien? Hij, die niet verbrand wil worden, zorgt, dat hij niet op gloeiende asch treedt—de wijzen spreiden het vlas niet uit voor eene flikkerende toorts.—Hij, zegt de wijze, die een schat verloren heeft, handelt onverstandig, wanneer hij zijn hoofd omwendt, om er naar te zien.”
Men mag aannemen dat Richard de redenen van kieschheid eerbiedigde, die voortsproten uit zeden, zoo verschillend van de zijne, en drong niet verder met zijn verzoek bij hem aan.
„Deze middag,” zeide de Sultan heengaande, „hoop ik, dat gij een koude maaltijd onder de zwarte kameelhuid van een opperhoofd uit Kurdistan zult willen aannemen.”
Dezelfde uitnoodiging werd aan alle andere Christenen gedaan, die aanzienlijk genoeg waren, om aan een feest, dat voor Vorsten bereid was, deel te nemen.
„Luister,” zeide Richard; „de pauken kondigen aan, dat onze gemalin en haar gevolg de galerij verlaten—en zie, de tulbanden buigen ter aarde, of zij door een vernielenden engel werden neder-geworpen. Allen liggen daar, alsof de blik van het oog eens Arabier’s den glans van eene vrouwenwang kon bezoedelen! Kom, wij willen naar de tent, en onzen overwinnaar in zegepraal daarheen geleiden.—Hoe beklaag ik dezen edelen Sultan, die niets meer van de liefde kent, dan van wezens van mindere natuur.”
Blondel stemde zijne harp tot hare meestverheven accoorden, omde intrede van den overwinnaar in de tent van Koningin Berengaria te begroeten. Hij trad binnen, aan iedere zijde met een zijner getuigen, Richard en Willem Langzwaard, en knielde bevallig voor de Koningin neder, ofschoon zijne hulde grootendeels zwijgende, bewezen werd aan Edith, die aan hare rechterhand was gezeten.
„Ontwapen hem dames,” zeide de Koning, wiens grootste genot bestond in de uitoefening van dergelijke ridderlijke gebruiken.—„Laat de Schoonheid de Ridderschap vereeren! Maak zijne sporen los, Berengaria, hoewel eene Koningin, zijt gij hem alle blijken van gunst verschuldigd, die gij in staat zijt te geven,—ontdoe hem van zijn helm, Edith;—met deze hand moet gij het doen, al waart gij de meest trotsche Plantagenet van den geheelen stam, en hij de armste ridder op aarde!”
Beide dames gehoorzaamden aan het koninklijk bevel, Berengaria met driftigen ijver, alsof zij begeerig was, aan den wil van haar gemaal te voldoen, en Edith, beurtelings blozende en verbleekende, terwijl zij langzaam en onhandig met den bijstand van Langzwaard de banden losmaakte, die den helm aan den halskraag bevestigden.
„En wat verwacht gij onder dat metalen bekleedsel?” zeide Richard, toen de weggenomen helm het edele gelaat van sir Kenneth vertoonde, terwijl het gloeide door de laatste inspanning en niet minder van aandoening. „Wat denkt gij van hem, gij dapperen en schoonen?” vroeg Richard.„Gelijkt hij op een Ethiopischen slaaf, of vertoont hij het gelaat van een gelukzoeker zonder afkomst of naam? Neen bij mijn goed zwaard!—Hier eindigen zijne verschillende vermommingen. Hij heeft voor u geknield, onbekend behalve door zijne eigen waarde—hij rijst op, evenzeer hoogverheven door zijne geboorte en door zijn vermogen. De avontuurlijke ridder, Kenneth, staat op als David Graaf van Huntingdon, Kroonprins van Schotland.”
Eene algemeene kreet van verbazing werd gehoord, en Edith liet den helm, dien zij zoo even afgenomen had, uit hare hand vallen.
„Ja, mijne heeren,” ging de Koning voort, „zoo is het. Gij weet, hoe Schotland ons misleidde, toen het ons beloofde, dezen moedigen graaf met een dapper korps van de besten en edelsten te zenden, om onze wapenen in het veroveren van Palestina te steunen, maar in gebreke bleef, zijne verbintenissen na te komen. Deze edele jongeling, onder wiens aanvoering de Schotsche kruisvaarders ten strijde hadden moeten trekken, hield het voor laaghartig, dat zijn arm aan den heiligen oorlog zou onttrokken worden, en vereenigde zich in Sicilië met een klein gevolg van aan hem gehechte trouwe dienaars, dat door vele zijner landslieden, aan wie de rang van hun bevelhebber bekend was, vermeerderd werd. De vertrouwden van den koninklijken prins waren allen, op een ouden schildknaap na, door den dood weggerukt, toen zijn maar al te goed bewaard geheim, mij bijna in den persoon van een Schotschen avonturier een jong vorst van de schoonste verwachting had doen opofferen.—Waarom hebt gij uwe rang verzwegen, edele Huntingdon, toen die door mijn haastig en driftig vonnisin gevaar gebracht werd?—Was dit, omdat gij Richard in staat hieldt, om van het voordeel misbruik te maken, dat ik toen had op den erfgenaam van een Koning, dien ik zoo menigmaal vijandig bevonden had?”
„Dit onrecht deed ik u niet, koninklijke Richard,” antwoordde de graaf van Huntingdon; „maar mijn hoogmoed gedoogde niet, dat ik mij als prins van Schotland zou doen kennen, om mijn leven te redden, dat door een gebrek van trouw aan mijn plicht in gevaar was gebracht. En bovendien had ik eene gelofte gedaan om mijn rang onbekend te doen blijven, totdat de kruistocht zou geëindigd zijn. Ook heb ik er geene melding van gemaakt, behalvein articulo mortis(in het oogenblik des doods) en onder het zegel der biecht, aan gindschen eerwaardigen kluizenaar.”
„Het was dus de bekendheid met dit geheim, dat den goeden man zoo bij mij deed aandringen, om mijn gestreng vonnis te herroepen?” zeide Richard. „Terecht zeide hij, dat, zoo deze brave ridder op mijn bevel ware ter dood gebracht geworden, ik de daad ongedaan zou gewenscht hebben, al had mij dit ook een lid mijns lichaams gekost.—Een lid!—Ik zou het ongedaan gewenscht hebben, al had mij dit mijn leven gekost; daar de wereld zou gezegd hebben, dat Richard misbruik had gemaakt van den toestand, waarin de erfgenaam van Schotland zich door zijn vertrouwen in zijn edelmoedigheid had geplaatst.”
„Maar mogen wij van uwe Majesteit vernemen, door welk vreemd en gelukkig toeval dit raadsel eindelijk is opgelost?” vroeg Koningin Berengaria.
„Er werden ons brieven uit Engeland overgebracht,” zeide de Koning, „waaruit wij vernamen, onder andere onaangename tijdingen, dat de Koning van Schotland drie van onze edelen, die op eene bedevaart naar St. Ninian waren, gevat, en als reden opgegeven had, dat zijn erfgenaam, dien hij veronderstelde, in de rijen der Duitsche ridders tegen de heidenen in Pruisen te vechten, inderdaad in onze legerplaats en in onze macht was; en daarom was Willem voornemens, deze edelen als gijzelaars voor zijne veiligheid te houden. Dit gaf mij het eerste licht omtrent den wezenlijken rang van den ridder van den Luipaard, en mijne vermoedens werden door de Vaux bevestigd, die bij zijne terugkomst uit Askalon, den eenigen dienaar van den graaf vanHuntingdonhad teruggebracht. Deze, een domme slaaf, was dertig mijlen ver gereisd, om de Vaux een geheim mede te deelen, dat hij mij had moeten toevertrouwen.”
„Den oudeStrauchanmoet men niet te hard vallen,” zeide de lord van Gilsland. „Hij wist bij ondervinding, dat mijn hart wat zachter is, dan wanneer ik mij Plantagenet noemde.”
„Uw hart zacht! Gij stuk oud ijzer—gij Cumberlandsche keisteen!” riep de Koning uit.—„Wij Plantagenets kunnen op zachte en gevoelvolle harten roemen. Edith,” ging hij voort zich tot zijne nicht wendende met eene uitdrukking, die het bloed in hare wangen deedstijgen, „geef mij uwe hand, schoone nicht, en geef mij de uwe, prins van Schotland.”
„Laat af, mylord,” antwoordde Edith, terugtredende, en trachtende hare verwarring te verbergen, onder eene poging om over de lichtgeloovigheid van haar koninklijken broeder te spotten. „Herinnert gij u niet, dat mijne hand het teeken moest zijn, om de Sarraceenen en Arabieren, Saladin en zijne geheele getulbande bende tot Christenen te bekeeren?”
„Ja, maar de wind der profetie is gedraaid, en waait nu uit een anderen hoek,” zeide Richard.
„Spot niet, vrees dat uwe banden nog krachtiger zullen worden,” zeide de kluizenaar, vooruit tredende. „De hemel schrijft niets dan waarheid in zijne oorkonden. Het zijn de oogen van den mensch, die te zwak zijn, om het schrift goed te lezen. „Weet, dat, toen Saladin en Kenneth van Schotland in mijne grot sliepen, ik in de sterren las, dat er onder mijn dak een vorst rustte, die de geboren vijand van Richard was, en met wien het noodlot van Edith Plantagenet moest verbonden worden. Kon ik twijfelen, dat dit Saladin moest zijn, wiens rang mij wel bekend was, daar hij mijne cel dikwijls bezocht, om over de wentelingen der hemelsche lichamen te spreken?—Voorts, de lichten aan het uitspansel verkondigden, dat deze Vorst, de gemaal van Edith Plantagenet, een Christen moest zijn; en ik—zwak en onbezonnen uitlegger!—leidde daaruit de bekeering af van den edelen Sultan, wiens goede hoedanigheden hem dikwijls tot het betere geloof deden neigen. Het gevoel mijner zwakheid heeft mij tot het stof vernederd, maar in het stof heb ik troost gevonden! Ik heb het lot van anderen niet goed gelezen—wie kan mij verzekeren, dat ik mij niet in mijn eigen lot misrekend heb? God wil niet, dat wij in het huis van zijnen raad dringen of zijne verholen geheimen bespieden. Wij moeten zijn tijd met waken en gebed—met vrees en hoop afwachten. Ik kwam hierheen als de ernstige ziener—de trotsche profeet—ervaren genoeg, naar ik meende, om vorsten te onderwijzen, en zelfs met bovennatuurlijke kracht begaafd, maar met een last bezwaard, dien ik dacht, dat alleen mijne schouders hadden kunnen dragen. Maar mijne banden zijn verbroken! Ik ga van hier vernederd in mijne onwetendheid, boetvaardig—maar niet zonder hoop.”
Met deze woorden verwijderde hij zich uit de bijeenzijnden, en men verhaalt, dat van dit tijdstip af zijne aanvallen van zinneloosheid zelden terugkeerden, en zijne boetedoeningen van zachteren aard waren, en met beter hoop op de toekomst gepaard gingen. Zoo veel eigenwaan ligt er zelfs in de krankzinnigheid opgesloten, dat het besef, dat hij eene ongegronde voorspelling met zoo veel overtuiging gekoesterd en uitgedrukt had, scheen te werken als het verlies van bloed op het menschelijk lichaam, om den gespannen toestand der hersenen te wijzigen en te doen verminderen.
Het is onnoodig, de gesprekken in de koninklijke tent verder te volgen, of te onderzoeken, of David, graaf van Huntingdon, even stomin tegenwoordigheid van Edith Plantagenet was, als toen hij verplicht was in het karakter van een avonturier zonder afkomst of naam te handelen. Men mag vrij gelooven, dat hij daar met behoorlijken ernst den hartstocht openbaarde, waaraan hij het te voren zoo dikwijls moeilijk gevonden had, woorden te geven.
Het middaguur naderde thans en Saladin wachtte om de Christen vorsten in eene tent te ontvangen, welke, behalve hare ruime uitgestrektheid, weinig van het gewone verblijf van den Kurd of Arabier verschilde; evenwel was onder haar wijd en donker bekleedsel een gastmaal naar de overvloedigste Oostersche gewoonte bereid, dat op tapijten van de rijkste stoffen uitgespreid was, terwijl er kussens voor de gasten gelegd waren. Maar wij kunnen ons niet bezighouden, het goud- en zilverlaken—het krachtig Arabisch borduursel, de shawls van kasjmir—en het Indisch neteldoek, te beschrijven, die hier in al hun glans ten toon gespreid waren; noch veel minder het verschillende suikerwerk, ragouts met rijst van verschillende kleuren omgeven, met al de andere lekkernijen van de Oostersche kookkunst op te noemen; en hunne geheel gebraden lammeren, en wild en gevogelte als pasteien toebereid, waren in gouden, zilveren en porceleinen vazen opgedischt en afgewisseld met groote bekers sorbet, die in sneeuw en ijs uit de holen van den berg Libanon verkoeld waren. Een prachtige stapel kussens boven aan de tafel scheen bestemd voor den aanlegger van het feest en zulke hooge personen, die hij mocht uitnoodigen, om deze plaats van onderscheiding te deelen, terwijl, van boven van de tent in alle richtingen, maar boven deze verheven plaats in het bijzonder, menige banier en menig vaandel wapperde, de zegeteekenen van gewonnen veldslagen en onderworpen koninkrijken. Maar onder en boven deze stak aan eene lange lans een lijklaken, de banier des doods, met dit veelzeggend opschrift: „Saladin, Koning der Koningen, de overwinnaar der overwinnaars—Saladin moet sterven.” Te midden van deze toebereidselen stonden de slaven, welke deze ververschingen opgebracht hadden, met gebogen hoofden en gekruiste armen, stom en roerloos als gedenkteekenen van overledenen, of als automaten, die de aanraking van den kunstenaar afwachtten, om hen in beweging te brengen.
Terwijl de Sultan, die, gelijk de meesten, met de bijgeloovigheden van zijn tijd behebt was, de komst van zijne vorstelijke gasten afwachtte, stond hij peinzend gebogen over een horoskoop en eene daarmede verbonden perkamentrol, die hem de kluizenaar van Engaddi bij zijn vertrek uit het leger gezonden had.
„Zonderlinge en geheimzinnige wetenschap,” zeide hij in zich zelven, „die, voorwendende den sluier der toekomst op te lichten, diegene misleidt, die zij schijnt te leiden, en het tooneel verduistert, dat zij voorgeeft te verlichten! Wie zou niet gezegd hebben, dat ik die gevaarlijkste vijand voor Richard was, wiens vijandschap door de verbintenis met zijne nicht eindigen moest? Toch blijkt het nu, dat eene vereeniging tusschen dezen dapperen graaf en de dame eene verzoening tusschen Richard en Schotland zal teweeg brengen, eengevaarlijker vijand dan ik, zooals eene wilde kat in de kamer meer te vreezen is, dan een leeuw in een afgelegen woestijn.—Maar toch,” vervolgde hij bij zich zelven, „de berekening toonde aan, dat deze echtgenoot een Christen moest zijn.—Christen?” herhaalde hij na eene poos zwijgen,—„dat gaf den zinneloozen dweper de hoop, dat ik mijn geloof zou afzweren! maar mij, den getrouwen aanhanger van den Profeet—mij moest het uit den droom geholpen hebben. „Ziedaar, geheimzinnige rol,” voegde hij er bij, die onder den stapel kussens werpende; „vreemd en noodlottig zijn uw voorspellingen, daar zij, zelfs wanneer zij op zich zelven waarheid behelzen, bij hem, die de meening trachten te ontcijferen, al de uitwerkselen der valschheid hebben …. Hoe nu! wat beteekent die stoornis!”
Hij sprak tot den dwerg Nebectamus, die zeer ontroerd in de tent stortte, terwijl ieder van zijne vreemde en ongeëvenredigde trekken door den schrik tot nog grooter leelijkheid verwrongen waren,—zijne oogen stijf, zijn mond open, zijne handen met de rimpelige en mismaakte vingers wild uitgestrekt.
„Wat is er nu?” vroeg de Sultan op gestrengen toon.
„Accipe hoc!(Neem dat)” kermde de dwerg:
„Ha! wat zegt gij?” vroeg Saladin op nieuw.
„Accipe hoc!” hernam het door schrik getroffen schepsel, misschien zonder te weten, dat hij dezelfde woorden als te voren herhaalde.
„Vertrek, ik heb geen lust voor zotternijen!”
„Ook ik ben niet langer een gek,” hervatte de dwerg, „dan om mijne zotheid en mijn vernuft te helpen, om mijn brood te verdienen, arm, ellendig schepsel dat ik ben.—Hoor, hoor mij, groote Sultan!”
„Welnu, zoo gij over wezenlijk onrecht te klagen hebt,” antwoordde Saladin, „gek of wijs, dan hebt gij recht op het oor des Konings—Kom herwaarts met mij.” Hierop geleidde hij hem in het binnenste der tent.
Wat ook het onderwerp van hun gesprek was, het werd spoedig afgebroken door het schetteren der trompetten, dat de komst van de Christen vorsten aankondigde, die Saladin koninklijk in zijne tent verwelkomde, zoo als aan hun rang en den zijnen betaamde. Maar vooral begroette hij den jongen graaf van Huntingdon, en wenschte hem edelmoedig geluk met zijne vooruitzichten, ofschoon zij die, welke hij zelf gekoesterd had, schenen te hebben belemmerd en verijdeld.
„Maar meen niet, edel jongeling,” zeide de Sultan, „dat de prins van Schotland meer welkom bij Saladin is, dan Kenneth het den eenzamen Ilderim was, toen zij elkander in de woestijn ontmoetten, of de ongelukkige Ethiopiër den Hakim Adonbec. Een braaf en edel karakter, gelijk het uwe, heeft eene waarde, die van stand en geboorte onafhankelijk is, gelijk de koele dronk, dien ik u hier aanbied, even aangenaam uit een aarden vaas, als uit een gouden beker smaakt.”
De graaf van Huntingdon gaf een gepast antwoord, en betuigde zijne erkentelijkheid voor de verschillende gewichtige diensten, die hijvan den edelmoedigen Sultan ontvangen had; maar toen hij Saladin met den beker sorbet, dien de Sultan hem had aangeboden, bescheid gedaan had, kon hij zich niet weerhouden, om glimlachend op te merken: „de dappere ridder Ilderim kende den ijsvorm niet, maar de milde Sultan verkoelt zijn sorbet met sneeuw.”
„Verlangt gij, dat een Arabier of Kurd even verstandig als een Hakim zou zijn?” vroeg de Sultan. „Hij, die eene vermomming aanneemt, moet het gevoel van zijn hart en de geleerdheid van zijn hoofd met zijn aangenomen gewaad doen overeenstemmen. Ik wenschte te zien, hoe een dapper en eerzaam ridder uit Frangistan in een strijd met een opperhoofd, als ik toen scheen, zich zou gedragen; en ik betwijfelde de waarheid van een bekend feit, om te zien, door welke bewijsgronden gij uw gezegde zoudt staven.”
Terwijl zij spraken, werd de aartshertog van Oostenrijk, die een weinig ter zijde stond getroffen, door deze opmerking over den door ijs verkoelden sorbet, en vatte met een glans van genoegen op zijn gelaat en eenige ongemanierdheid den grooten beker, toen de Graaf van Huntingdon op het punt stond, dien weder neer te zetten.
„Allerheerlijkst!” riep hij na eene diepe teug uit, die het heete weêr en de koortsachtigheid, een gevolg van den vorigen dag, dubbel aangenaam had gemaakt. Hij zuchtte, toen hij den beker aan den grootmeester der Tempeliers overhandigde. Saladin gaf den dwerg een teeken; deze trad vooruit, sprak met luide stem de woorden: „accipe hoc!” De Tempelier schrikte terug, doch herstelde zich spoedig, en, misschien om zijne verlegenheid te verbergen, bracht hij den beker aan zijne lippen—maar deze lippen raakten slechts den rand van dien beker. Saladin’s sabel verliet zijne scheede, als de bliksem de wolk verlaat. Hij zwaaide die in de lucht—en het hoofd van den Grootmeester rolde naar het uiterste einde der tent.
Er ontstond een algemeene kreet van verraad, en de aartshertog, die het naast aan Saladin met de bloedige sabel in de hand stond, deinsde terug, alsof hij vreesde, dat hij nu aan de beurt was. Richard en anderen sloegen de handen aan hun zwaard.
„Vrees niets, edele hertog,” zeide Saladin even bedaard, alsof er niets ware voorgevallen, „en gij, koninklijke broeder van Engeland, wees niet vertoornd over hetgeen gij gezien hebt. Niet wegens zijn menigvuldig verraad en niet wegens den aanslag, dien hij, volgens getuigenis van zijn eigen schildknaap, tegen het leven van Koning Richard maakte;—niet, omdat hij den prins van Schotland en mij zelven in de woestijn vervolgde, en ons noodzaakte, om het leger door de snelheid onzer paarden te redden;—niet, omdat hij de Maronieten opgestookt had, om ons bij diezelfde gelegenheid aan te vallen, wier plan ik echter verijdelde, door onverwacht een groot getal Arabieren tegen hem aan te voeren;—niet om eene van al deze misdaden ligt hij thans daar, ofschoon die wel zulk eene straf verdienden;—maar omdat hij, nauwelijks een half uur vóór hij onze tegenwoordigheid vergalden, gelijk de samoen den dampkring vergiftigt,zijn makker en medeplichtige, Koenraad van Montserrat, heeft doorstoken, uit vrees, dat deze de schandelijke samenzweringen, waarin zij beide gewikkeld waren, mocht bekennen.”
„Hoe! Koenraad vermoord?—en wel door den grootmeester, zijn getuige en meest vertrouwden vriend?” riep Richard uit. „Edele Sultan—ik wilde gaarne uwe woorden niet in twijfel trekken—dit evenwel moet bewezen worden—anders ….”
„Hier staat de getuige,” antwoordde Saladin, op den verschrikten dwerg wijzende. „Allah die den glimworm zendt om den nacht te verlichten, kan door de verachtelijkste middelen geheime misdaden doen ontdekken.”
De Sultan begon nu de geschiedenis van den dwerg te verhalen, die hierop nederkwam.—In zijne dwaze nieuwsgierigheid, of, zooals hij gedeeltelijk bekende, met het onbestemd plan om een kleinigheid te stelen, was Nebectamus in de tent van Koenraad geraakt, die zijne volgelingen verlaten hadden; eenige hadden ijlings het kamp verlaten, om de tijding zijner nederlaag aan zijn broeder mede te deelen; anderen bedienden zich van de gelegenheid tot smullen, die Saladin hun verschaft had. De gekwetste sliep onder den invloed van Saladin’s verwonderlijken talisman, zoodat de dwerg gelegenheid had, om naar welgevallen rond te zoeken, totdat de schrik bij het hooren van een zwaren tred hem bewoog, zich te verbergen. Hij verschool zich achter een gordijn, maar kon de bewegingen zien, en de woorden hooren van den Grootmeester, die binnentrad, en den ingang van de tent zorgvuldig achter zich dicht maakte. Zijn slachtoffer schrikte uit den slaap op, en het scheen, dat hij dadelijk het voornemen van zijn ouden bondgenoot vermoedde; want het was op een toon van ongerustheid, dat hij hem vroeg, waarom hij hem stoorde?
„Ik kom om u de biecht te doen afleggen; en dan den aflaat te geven,” antwoordde de grootmeester.
Van hun verder gesprek herinnerde zich de verschrikte dwerg weinig, behalve dat Koenraad den grootmeester smeekte, een geknakt riet niet te breken, en dat de Tempelier hem met een Turkschen dolk het hart doorstak, met de woorden: „accipe hoc”—woorden, die nog lang daarnaar de verschrikte verbeelding van den verscholen getuige kwelden.
„Ik heb mij van de waarheid van het verhaal overtuigd,” zeide Saladin, „door het lijk te doen onderzoeken; ik deed dit rampzalige wezen, dat Allah tot ontdekker van de misdaad gemaakt heeft, in uwe tegenwoordigheid de door den moordenaar gesproken woorden herhalen; en gij zelf hebt de uitwerking gezien, die ze op zijn geweten teweeg brachten.”
Hier zweeg de Sultan, en de Koning van Engeland was de eerste die het stilzwijgen afbrak:
„Indien dit de waarheid is, waaraan ik niet twijfel, hebben wij eene groote daad van gerechtigheid aanschouwd, ofschoon die een geheel ander karakter scheen te hebben. Maar waarom in dit gezelschap? waarom met uwe eigen hand?”
„Ik was voornemens het anders te doen geschieden,” antwoordde Saladin; „maar had ik zijne straf niet verhaast, dan zou die geheel afgewend geworden zijn, indien ik hem vergund had om uit mijn beker te drinken, zoo als hij op het punt was te doen, en daar ik dan, zonder de gastvrijheid geschonden te hebben, hem, gelijk hij verdiende, den dood niet had kunnen doen ondergaan. Al had hij mijn vader vermoord, en daarna mijn beker met mij gedeeld, dan had ik geen haar van zijn hoofd durven krenken. Maar genoeg van hem—laat zijn lijk en zijne gedachtenis uit ons midden verwijderd worden.”
Het lijk werd weggebracht, en de sporen van de terechtstelling vernietigd of verborgen met eene vaardigheid die bewees, dat het voorval niet zoo geheel ongewoon was, dat het de dienaren en officieren van het huis des Sultans in verlegenheid kon brengen.
Maar de Christen vorsten gevoelden, dat het tooneel, hetwelk zij aanschouwd hadden, zwaar op hun geest drukte; en ofschoon zij, op vriendelijk verzoek van den Sultan, hunne plaats bij het gastmaal weder innamen, geschiedde dit echter met het stilzwijgen van twijfel en verbazing. Het gemoed van Richard alleen overwon allen argwaan en verlegenheid. Hij scheen evenwel ook over een voorslag na te denken, alsof hij begeerde, die in de vleiendste en aangenaamste wijze te doen, welke hem mogelijk was. Eindelijk dronk hij een grooten beker wijn ledig, en zich tot den Sultan wendende, wenschte hij te weten, of het niet waar was, dat hij den graaf van Huntingdon met een persoonlijk gevecht had vereerd.
Saladin antwoordde glimlachend, dat hij zijn paard en zijne wapenen tegen den erfgenaam van Schotland beproefd had, zoo als de ridders gewoon zijn te doen, wanneer zij elkander in de woestijn ontmoeten—en voegde hij er op bescheiden toon bij, dat, ofschoon de strijd niet geheel beslissend geweest was, hij evenwel van zijn kant niet veel reden had om op den uitslag te roemen. De Schot, van den anderen kant, wees de hem toegekende meerderheid af, en wenschte die aan den Sultan te geven.
„Gij hebt eer genoeg in die ontmoeting behaald,” zeide Richard, „en ik benijd u hierom meer, dan om de lonken van Edith Plantagenet, ofschoon een paar daarvan voldoende zouden zijn, om een bloedig dagwerk te betalen.—Maar wat zegt gij, edele vorsten, past het, dat zulk een koninklijke kring van ridderschap opbreke, zonder dat er iets gedaan wordt, waarvan toekomende tijden kunnen spreken? Wat is de nederlaag en dood van een verrader voor eene zoo schoone kring van edele mannen, als hier vergaderd zijn, en die niet scheiden moeten, zonder iets aanschouwd te hebben, dat hunner achting waardiger is. Wat zegt gij, vorstelijke Sultan—zoo wij beide thans en in tegenwoordigheid van dit edel gezelschap den lang gevoerden strijd om dit land van Palestina beslisten, en in eens dezen lastigen oorlog eindigden? Ginds is het strijdperk gereed, en nooit kan het Heidendom een beteren kampvechter verwachten, dan u. Ik wil, zoo zich niet eenwaardiger aanbiedt, mijn handschoen ten voordeele van het Christendom neerleggen, en in alle liefde en eer zullen wij met elkander den strijd op dood en leven aangaan om het bezit van Jeruzalem.”
Er volgde een diep stilzwijgen, vol verwachting op hetgeen de Sultan zou antwoorden. Zijne wang en zijn voorhoofd kleurden sterk, en vele van de aanwezenden waren van meening, dat hij aarzelde, of hij de uitdaging zou aannemen, ja dan neen. Eindelijk zeide hij: „Zoo ik voor de heilige stad vocht tegen hen, welke wij als afgodendienaars en aanbidders van blokken en steenen en gesneden beelden beschouwen, zou ik kunnen vertrouwen, dat Allah mijn arm kracht zou verleenen; of zoo ik onder het zwaard van Melec Ric viel, kon ik door geen roemrijker arm in het paradijs komen. Maar Allah heeft Jeruzalem reeds aan de ware geloovigen gegeven, en het zou eene verzoeking van den God des Profeets zijn, zoo ik met mijne persoonlijke kracht en behendigheid datgene op het spel zette, wat ik door mijne groote macht bezit.”
„Indien dan niet om Jeruzalem,” hernam Richard op den toon van iemand, die eene gunst van een boezemvriend verzoekt, „laat ons dan ter liefde voor de eer ten minste drie uitvallen met scherpe lansen tegen elkander doen.”
„Zelfs dit,” hernam Saladin, half glimlachende over den driftigen ernst van Richard Leeuwenhart voor den strijd, „zelfs dit mag ik volgens de wet niet doen. De meester stelt den herder over de kudde aan, niet om des herders wil, maar om de schapen. Had ik een zoon, die den scepter kon voeren, wanneer ik viel, dan zou ik de vrijheid gehad hebben, even als ik den wil heb, om dit stoute gevecht te ondernemen; maar uw eigen schrift zegt, dat, wanneer de herder verslagen is, de schapen verstrooid worden.”
„Gij hebt al het geluk gehad,” zeide Richard, zich met een zucht tot den Graaf van Huntingdon wendende. „Ik zou het beste jaar van mijn leven voor dat ééne halve uur in de nabijheid van den Diamant der woestijn gegeven hebben.”
De ridderlijke opgewondenheid van Richard deed de vroolijkheid van het gezelschap ontwaken, en toen zij eindelijk opstonden, om te vertrekken, trad Saladin voorwaarts, en greep Richard’s hand.
„Edele Koning van Engeland,” zeide hij, „wij scheiden thans, om elkander nooit weder te ontmoeten. Dat uw verbond verbroken is, om nooit weder hersteld te worden, en dat uw eigen macht veel te gering is om u in staat te stellen uwe onderneming voort te zetten, is u even goed als mij bekend. Ik mag u dat Jeruzalem, hetwelk gij zoo zeer wenscht te bezitten, niet afstaan. Het is voor ons, even als voor u, eene heilige stad. Maar welke andere voorwaarden Richard van Saladin vordert, die zullen hem even welwillend toegestaan worden als gindsche fontein haar water schenkt. Ja, het zou even oprecht toegestaan worden, zoo Richard met slechts twee boogschutters bij hem in de woestijn stond!”
De volgende dag zag Richard naar zijne eigene legerplaats terugkeeren, en korten tijd daarna huwde de jonge Graaf van Huntingdon met Edith Plantagenet. De Sultan zond tot geschenk bij deze gelegenheid, den beroemden Talisman; maar, ofschoon er vele genezingen in Europa mede geschiedden, evenaarde toch geene in goeden uitslag en vermaardheid die, welke de Sultan zelf verricht had. Deze is nog in aanwezen, daar de Graaf van Huntingdon hem aan een dapper Schotsch ridder, Sir Mungo of the Lee vermaakt had, in wiens oud en zeer geëerd geslacht deze nog wordt bewaard; en ofschoon betooverde steenen uit de hedendaagsche pharmacopoea verbannen zijn, worden de krachten ervan nog voor het stillen van het bloed in gevallen van hondsdolheid gebruikt.
Hier eindigt onze geschiedenis, daar de voorwaarden, waarop Richard zijne veroveringen prijsgaf, in elke geschiedenis van dat tijdvak te vinden zijn.
EINDE.