Inleiding.

Inleiding.De mensch is samengesteld uit verschillende organen, waarvan de geslachtsorganen dienen tot instandhouding van de soort, al de overige tot behoud van het individu.Terwijl bij het mannelijk en vrouwelijk individu de geslachtsorganen verschillend zijn, valt voor de overige organen geen wezenlijk onderscheid waar te nemen, noch wat samenstelling, noch wat verrichting betreft.Hun vorm evenwel verschilt dikwijls. Deze vormverschillen, ieder afzonderlijk gering, zijn te zamen genomen zoo groot, dat wij dadelijk het onderscheid tusschen man en vrouw opmerken.Zoo is in het algemeen genomen de vrouw niet zoo groot en zwaar gebouwd als de man. Bij haar meer vetafzetting in het onderhuidsch celweefsel, waardoor haar spieren en de uitsteeksels der beenderen nauwelijks zichtbaar zijn; bij hem daarentegen de spieren gemakkelijker waarneembaar en de beenige uitsteeksels duidelijker in het oog vallend.Borst, buik en billen zijn bij de vrouw eenigszins boogvormig; bij den man min of meer rechtlijnig.De schouderbreedte is bij vrouwen kleiner dan de heupbreedte, bij de mannen is juist het omgekeerde het geval; hiermee staat in verband, dat bij de vrouwen ook de borst smaller is dan de buik en het tegenovergestelde weer bij de mannen valt waar te nemen.De lichaamslengte in haar geheel genomen leert ons, dat bij vrouwen relatief het hoofd langer, de hals korter, de romp langer en de armen en beenen korter zijn dan bij mannen. Vooral de betrekkelijk lange romp en korte beenen van de vrouw zijn opvallend. Haar dijen zijn aanmerkelijk korter en breeder dan van den man en iets binnenwaarts geplaatst, doordien de dijbeenderen onder een eenigszins anderen hoek in het heupgewricht staan.Tot den leeftijd van 9 à 10 jaren zijn de jongens in den regel grooter dan de meisjes; daarna tot aan de puberteitsjaren, den geslachtsrijpen leeftijd, zijn meisjes grooter en zwaarder dan jongens van denzelfden leeftijd. Na dien tijd gaan de jongens weder sterker groeien en overtreffen spoedig de meisjes in lengte en gewicht. Jongens blijven, hoewel langzaam, tot hun 23e jaar groeien, terwijl meisjes reeds op 20-jarigen leeftijd den vollen wasdom bereikt hebben.Na deze algemeene beschouwing zal in de volgende hoofdstukken worden uiteengezet, in hoever de verschillende organen van het lichaam tot de vorming van het vrouwelijke type bijdragen.Eerste afdeeling.De Huid.De huid (cutis), waarmede het geheele menschelijke lichaam is overtrokken, is bij de vrouw zachter en fijner dan bij den man. Zij bestaat uit drie opvolgende lagen: opperhuid (epidermis), lederhuid (corium of derma) en onderhuidsch celweefsel. Bij het Kaukasische menschenras (waartoe wij behooren) is de huid geel-wit van kleur; in de okselholte, aan borsttepel en tepelkring, alsmede aan de uitwendige geslachtsdeelen neemt zij een donkerder tint aan.De huid bevat haren, smeer- en zweetklieren. De in de huid wortelende haren zijn bij den man op meer plaatsen aanwezig dan bij de vrouw. Bij de vrouw komen zij voor op het behaarde gedeelte van het hoofd, hier zelfs in rijke hoeveelheid, vervolgens in de okselholte en op de schaamdeelen; bij vele vrouwen ontwikkelen zich op 45- à 50 jarigen, den zoogen. climacterischen leeftijd, ook op de lip en de kin dikke, sterke haren, die bij sommigen harer een werkelijken baard vormen.De smeerklieren geven een vettige substantie af, welke langs het haar naar buiten treedt. Zij zijn evenals de haren en de zweetklieren in de twee bovenste lagen van de huid gelegen.In de derde laag, het onderhuidsch celweefsel, pleegt zich vet op te hoopen; bij de vrouw is dit in zoo aanzienlijke mate het geval, dat de vormen hierdoor een voor haar karakteristieke volheid en ronding verkrijgen.De huid heeft verschillende bestemmingen te vervullen. Zij is zintuig voor het gevoel, orgaan van afscheiding (zweet en huidsmeer) en helpt mede de inwendige lichaamstemperatuur op bepaalde hoogte te houden.Het Geraamte.De grootte van het lichaam en de lichaamsgestalte worden in hoofdzaak bepaald door de beenderen, die onderling verbonden het geraamte (sceleton) vormen. Zij worden verdeeld in lange of pijpbeenderen, breede of platte beenderen en korte beenderen. Sommige beenderen, zooals de schedelbeenderen, kunnen zich ten opzichte van elkander niet bewegen; andere, zooals die der ledematen, wèl. De beweging komt tot stand in de gewrichten. Deze worden gevormd, doordien twee tegen elkander passende en beweeglijke beenuiteinden door een gemeenschappelijk kapsel worden omgeven en aldus los aan elkander zijn verbonden. Over de gewrichtskapsels heen liggen banden (ligamenta), die de verbinding versterken.Het geraamte wordt ingedeeld in schedel, romp en ledematen.Deschedelis samengesteld uit 22 beenderen, die grootendeels behooren tot de breede, platte beenderen; 8 er van dienen tot vorming van de hersenpan (cranium), de 14 overige zijn de aangezichtsbeenderen (ossa faciei). Met uitzondering van het onderkaaksbeen, zijn al de beenderen van het hoofd vast en onbeweeglijk met elkaar verbonden.Er is slechts een zeer gering onderscheid in de schedels van mannen en vrouwen. Alleen bij nauwkeurige vergelijking ziet men de ontleedkundigeverschillen aan sommige onderdeelen van de beenderen. Het voornaamste en meest in het oog vallend verschil is, dat de schedel van de vrouw lager en vlakker is dan die van den man en dat dientengevolge de bovenste rand van het voorhoofd met de vlakte van de hersenpan bij de vrouw een afgeronden hoek vormt, daarentegen bij den man deze overgang eenigszins schuin naar boven loopt. De schedelbeenderen zijn bij mannen dikker dan bij vrouwen.Derompbestaat uit de wervelkolom (columna vertebralis), het borstbeen (sternum) en de ribben (costae). Hoewel het uit een ontleedkundig oogpunt niet juist is, rekent men toch gewoonlijk bij den romp ook het bekken. Dit bestaat uit drie deelen, de heupbeenderen, het heiligbeen en het stuitbeen.De heupbeenderen nu moest men eigenlijk bij de ledematen rangschikken, evenals dit geschiedt met sleutelbeen en schouderblad. Het heiligbeen en het stuitbeen echter maken deel uit van de wervelkolom en zijn te beschouwen als onderling vergroeide wervels. Overigens bestaat de wervelkolom uit wervels, die hoewel stevig aan elkaar verbonden, toch ten opzichte van elkander beweeglijk zijn.Men onderscheidt 7 hals-, 12 borst- en 5 lendenwervels.Fig. 1. Wervelkolom. (Heitzmann.)Fig. 1.Wervelkolom. (Heitzmann.)aa. halswervels.bb.borstwervels.cc. lendenwervels.d. voorgebergte.e. heiligbeen.f.stuitbeen.De wervelkolom is aan het halsgedeelte eenigszins naar voren, aan het borstgedeelte sterk naar achteren en aan het lendengedeelte weder sterk naar voren gebogen. De sterkste buiging naar voren valt samen met den ondersten rand van den ondersten lendenwervel en heet daar voorgebergte (promontorium).Fig. 1 d.De vrouwelijke wervelkolom heeft in verhouding een langer lendengedeelte dan de mannelijke, de bocht naar voren begint iets hooger.Deborstkas(thorax) wordt gevormd door het borstbeen en de ribben. Het borstbeen (sternum), waaraan men de greep (manubrium), kling (corpus) en punt (processus xyphoideus) onderscheidt, is zijdelings met 7 ribben verbonden.Fig. 2..Het vrouwelijk borstbeen heeft een breeder greep en een smaller, langer kling dan het mannelijke.De borstkas telttwaalfpaarribben. De 7 methet borstbeen vergroeide heeten ware ribben (costae verae), de 5 onderste paren, die het borstbeen niet meer bereiken, noemt men valsche ribben (costae spuriae).Bij de vrouwen zijn de ribben niet zoo sterk gebogen als bij de mannen, terwijl bij haar de twee paar eerste ribben betrekkelijk langer zijn.De vrouwelijke borstkas vertoont in haar geheel een ronderen vorm dan de mannelijke. Zij is korter, smaller, maar wijder.Bij vrouwen, die nauwsluitende corsetten dragen, zich rijgen, zooals men het noemt, schuiven de valsche ribben over elkander en wordt de ruimte van de borstkas verkleind. Zoowel de borst als de buikorganen worden hierdoor van hun plaats gedrongen.De beenderen van de bovenste en ondersteledematenbestaan uit verschillende afdeelingen. Aan de bovenste ledematen onderscheiden wij schouder, bovenarm, onderarm en hand. De schouder bestaat uit sleutelbeen (clavicula),Plaat V No. 13, en schouderblad, (scapula),Plaat V No. 17. Het sleutelbeen van de vrouw is naar verhouding langer dan dat van den man.Fig. 2 Borstkas en Wervelkolom (Heitzmann).Fig. 2Borstkas en Wervelkolom(Heitzmann).a. greep van het borstbeen.b. middelstuk of kling van het borstbeen.c. punt van het borstbeen.De bovenarm bezit slechts één been, het bovenarmbeen (os humeri),Plaat V No. 18, dat bij de vrouw korter is dan bij den man. De onderarm is samengesteld uit ellepijp (ulna) en armpijp (radius).Aan de hand onderscheidt men den uit 8 kleine beenderen gevormden handwortel (carpus), de 5 middelhandsbeenderen (metacarpi) en de beenderen van de 5 vingers (phalanges digitorum manus).De handen van vrouwen zijn in den regel korter en smaller dan die van mannen.De onderste ledematen bestaan, voor zoover wij het heupbeen buiten beschouwing laten, uit bovenbeen, onderbeen en voet.Het bovenbeen bestaat alleen uit het dijbeen (os femoris),Plaat V No 23, dat bij vrouwen aanmerkelijk korter is dan bij mannen. Ook is de stand van het bovenbeen ten opzichte van den romp bij vrouwen anders. Bij de vrouw loopen de bovenbeenen van boven naar beneden min of meer naar elkaar toe, en zijn tegelijkertijd eenigszins buitenwaarts gedraaid.Het onderbeen bestaat uit scheenbeen (tibia) en kuitbeen (fibula).De beenderen van den voet worden, evenals die van de hand, verdeeld in beenderen van den voetwortel (ossa tarsi) van den middelvoet (ossa metatarsi) en van de teenen (phalanges digitorum pedis). Vrouwenvoeten zijn korter en breeder dan mannenvoeten.Thans keeren wij terug tot hetbekken, dat, zooals gezegd is, gevormd wordt door het heiligbeen, het stuitbeen en de beide heupbeenderen.Aan het geraamte is het verschil in geslacht nergens zoo duidelijk merkbaar als aan het bekken. Het vormverschil van dit lichaamsdeel is van groote beteekenis voor de taak, die het gedurende de zwangerschap en bij de bevalling vervult.Fig. 3. Rechter heupbeen, van de buitenzijde gezien (Heitzmann).Fig. 3.Rechter heupbeen, van de buitenzijde gezien (Heitzmann).De fijne, dwarsgestreepte lijntjes over de heupkom getrokken geven de plaats aan waar de drie afzonderlijke beenderen van het heupbeen samenkomen en vergroeien.a. darmbeenskam.b. heupkom.c. neerdalende tak van het zitbeen.d. opklimmende tak van het zitbeen.e. horizontale tak van het schaambeen.f. neerdalende tak van het schaambeen.g. foramen obturatum (gesloten gat).hh.plaats, waar het heupbeen zich met het andere vereenigt en de schaambeensvereeniging ontstaat.Hetheiligbeen(os sacrum),Fig. 4 d, dat tusschen de beide heupbeenderen als ʼt ware ingeschoven en onbeweeglijk daarmede verbonden is,bestaat uit 5, tot één geheel vergroeide, valsche wervels. De vergroeiing begint meestal in het 16e levensjaar en eindigt tegen het 30e jaar. De wervels zijn zoodanig aaneengegroeid, dat het heiligbeen van voren een holle en van achteren een bolle vlakte heeft.Het heiligbeen van een vrouw is breeder, korter en minder gebogen dan dat van een man; ook is zijn lengteas meer naar achteren gericht. Van den vorm van het heiligbeen hangt grootendeels de grootte en gedaante van het bekken af, zoodat dit been het meest bijdraagt tot vorming van het geslachtstype. De zichtbare holten in het heiligbeen dienen tot doortocht van zenuwen en bloedvaten; het heiligbeen is met het stuitbeen (os coccygis),Fig. 4 e, beweeglijk verbonden.Hetheupbeen(os innominatum),Fig. 3, dat een pendant van het schouderblad genoemd kan worden, wordt gevormd door de beenige vergroeiing van drie afzonderlijke stukken, waarvan het grootste en bovenste stuk hetdarmbeen(os ileï), het onderste hetzitbeen(os ischiï) en het zijdelingsche hetschaambeen(os pubis)genoemd wordt. Eerst op ongeveer 16-jarigen leeftijd is de volkomen vergroeiing dezer drie deelen voltooid.Hetdarmbeenontleent zijn naam aan de taak, die het vervult om een deel van de darmen te dragen. Zijn bovenste rand is boogvormig gekromd en draagt den naam van darmbeenskam (crista ossis ileï),Fig. 3 a; die rand is bij de meeste menschen gemakkelijk door de buikbekleedselen heen te voelen.Hetzitbeenwordt verdeeld in drie deelen: het lichaam, den neerdalenden tak en den opklimmenden tak. Het lichaam vormt het onderste gedeelte van de heupkom. De nederdalende tak,Fig. 3 c, eindigt van onderen in een sterken knobbel, den zitbeensknobbel (tuberositas ossis ischiï), waarop bij het zitten de geheele lichaamslast rust.Hetschaambeen wordt verdeeld in een horizontalen en een neerdalenden tak. De horizontale tak,Fig. 3 e, helpt nog mede aan de vorming van de heupkom,Fig. 3 b. Met een breede, ruwe vlakte,Fig 3. h h, grenst hij aan den gelijknamigen tak van de andere zijde en is daarmede verbonden. Deze verbinding heet schaambeensvereeniging (symphysis ossium pubis).Fig. 4 a.Fig. 4. Mannelijk bekken, van voren (Heitzmann.)Fig. 4.Mannelijk bekken, van voren (Heitzmann.)a. schaambeensvereeniging.b. ingang van het kleine bekken.c. voorgebergte.d. heiligbeen.e. stuitbeen.f. darmbeen.De heupkom van het heupbeen dient tot gewrichtsholte voor het hoofd van het dijbeen. Door middel van dit gewricht, het heupgewricht, steunt het geheele bovendeel van het lichaam in staande houding op de onderste ledematen.Het heupbeen bezit een groote ovale opening (foramen obturatum),Fig. 3 g, die, op een kleine ruimte na, door een vlies gesloten wordt.Het vrouwelijke heupbeen is van het mannelijke te onderkennen door een korter en smaller darmbeen en een korter zitbeen; daarentegen is de horizontale tak van het schaambeen langer. De zitbeenknobbels zijn bij vrouwen verder van elkander gelegen dan bij mannen.Men verdeelt het bekken in het groote en het kleine bekken. Het groote bekken vormt als het ware een voortzetting van de buikholte. Het gaat van onderen trechtervormig in het kleine bekken over. Deze overgangsplaats, de ingang van het kleine bekken (apertura pelvis superior),Fig. 4 benFig. 5 a, wordt begrensd door een lijn, die linea terminalis of innominata heet. Bij den man neemt deze lijn, door de sterker voorwaartsche buiging van het voorgebergte, een min of meer hartvormige gedaante aan, terwijl zij bij de vrouw eirond is.Vergelijk Fig. 4 ben5 a.Het kleine bekken vormt een holte, die naar onderen kegelvormig toeloopt. De onderste opening is daardoor kleiner dan de bovenste; zij heeft zoowel bij de vrouw als bij den man een hartvormige gedaante.Hetstuitbeen, dat beweeglijk met het heiligbeen is verbonden, kan naar achteren wijken, waardoor de onderste opening belangrijk verruimd wordt. Dit bevordert een gemakkelijke bevalling.Fig. 5. Vrouwelijk bekken, van voren. (Heitzmann.)Fig. 5.Vrouwelijk bekken, van voren. (Heitzmann.)a. linea terminalis.b. dijbeen.c. voorgebergte.d. zitbeen.e. schaambeen.Eindelijk onderscheidt zich het vrouwelijk bekken nog van het mannelijke daardoor, dat het eerste zwakker gebouwd en korter en wijder is. Wegens deze laatste eigenschappen behoeft het kind bij de geboorte kleiner afstand in het bekken af te leggen en kan dit gemakkelijker geschieden. Van de wijdte van het bekken hangt het meestal af, of de bevalling een natuurlijk verloop neemt. Het is daarom van groot belang, dat de verloskundige deze wijdte reeds vóór de bevalling bepalen kan.Bij jonge kinderen is het verschil in geslacht aan den vorm van het bekken nauwelijks waar te nemen, hoewel de later duidelijk uitgesproken verschillen toch reeds in beginsel aanwezig zijn. Eerst gedurende de ontwikkeling van de geslachtsorganen neemt het bekken voor beide geslachten zijn afzonderlijken vasten vorm aan. Hiertoe werken vele factoren mede. De druk van het gewicht van den romp en het verschil in groei van enkele onderdeelen van het bekken oefenen daarbij wel den meesten invloed uit. Doch ook sommige ziekten gedurende het ontwikkelingstijdperk en de levensomstandigheden der meisjes missen haar uitwerking niet.De vroegere bewering, dat ook de meerdere of mindere beschaving van een volk invloed uitoefent op den vorm van het bekken, is gebleken onjuist te zijn. Wel komen er bij verschillende volkeren ook verschillende bekkenvormen voor, maar daarvoor bestaan andere oorzaken.Een denkbeeldige lijn van boven naar onderen, midden door het bekken getrokken, zoodanig dat zij overal op gelijken afstand van de wanden blijft, noemt men de middellijn of as van het bekken. Zij vormt een naar voren gerichten hollen boog. Wat door het bekken gaat, dus ook het kind bij de geboorte, moet zich in de richting van deze lijn bewegen.Door de zachte deelen, waarmede het bekken in- en uitwendig bekleed is, schijnt het voorkomen een ander dan het beschrevene te zijn.Zoo wordt de ingang van het kleine bekken van achteren door het dikke gedeelte van de groote lendenspieren bekleed en ondergaat daardoor een geringe vernauwing.Plaat V No. 64. In liggende houding met opgetrokken knieën ontspannen zich de groote lendenspieren en wordt die vernauwing daardoor voor een groot gedeelte geneutraliseerd.De grootste verandering in voorkomen ondergaat wel de bekkenuitgang. Terwijl deze bij het skelet geheel open is, wordt hij in werkelijkheid, bij het levende individu, door sterke peesvliezen en door spieren bijna geheel gesloten en hij behoudt bij de vrouw slechts drie kleine openingen.De achterste opening is de aars (anus), de middelste de mond der scheede (ostium vaginae) en de voorste de opening der pisbuis (urethra). Deze openingen zijn alle drie omgeven door sluitspieren, die aan den wil onderworpen zijn.Het gedeelte, tusschen aars en scheede gelegen, wordt bilnaad (perineum) genoemd. Deze vliezige spiermassa gaat aan weerszijden, zonder bepaalde grenzen, in de binnenste vlakte der beenen over. Van den mond der scheede af tot aan den aars neemt de bilnaad in dikte toe. De vrouwelijke bilnaad is korter en breeder dan de mannelijke.De Spieren.Het geraamte is bijna geheel omgeven door spieren. Zij vormen de vleeschmassa van het lichaam en zijn door middel van pezen aan de beenderen verbonden. Een spier is samengesteld uit evenwijdig loopende spiervezels, die tot een bundeltje zijn vereenigd, hetwelk door een dun bindweefselvliesje omgeven is. Vele zulke bundeltjes vereenigen zich tot groote bundels, die dan telkens weder omgeven worden door een bindweefselkokertje, totdat zij ten slotte de geheele spier vormen, die dan in haar geheel omhuld wordt door een dikker vlies.Bij krachtig ontwikkelde spieren, een gevolg van geregelde werkzaamheid, zijn de afzonderlijke spiervezels in aantal toegenomen en heeft de spier daardoor een grooter omvang verkregen. Voortdurende rust en werkeloosheid van een spier veroorzaakt omvangsvermindering (atrophie).De werkzaamheid der spieren bestaat in het zich samentrekken; het is dan alsof de vleeschmassa der spier zwelt en harder wordt. Werkt een spier, dan heeft er in haar weefsel een scheikundig proces plaats, waarbij ontledingsproducten ontstaan, die door het bloed worden weggevoerd. Worden deze ontledingsproducten niet snel genoeg verwijderd, dan hoopen zij zich tijdelijk in het weefsel der spier op en veroorzaken het gevoel van vermoeidheid. Een spier, die niet voortdurend saamgetrokken is, doch afwisselend werkt, kan veel langer doorwerken zonder vermoeid te worden, dan een, die wel voortdurend saamgetrokken is. Vandaar dat het staan, waarbij immers ook spieren werkzaam zijn en wel onafgebroken dezelfde, meer vermoeit dan het gaan, of dat men beter een halven dag onafgebroken met armen en handen kan werken, dan 10 minuten een licht voorwerp met uitgestrekten arm onbeweeglijk vasthouden.Men onderscheidt de spieren inwillekeurigeenonwillekeurige. De willekeurige spieren gehoorzamen aan den wil; wij hebben het in onze macht, ze te doen samentrekken of werkloos te houden. Haar spiervezels zijn, onder het mikroskoop gezien, dwarsgestreept. Al de spieren van het hoofd, den romp en de ledematen behooren tot de willekeurige spieren.De samentrekking der onwillekeurige spieren hebben wij niet in onze macht. Men vindt ze in de bloedvaten, in de baarmoeder, in de maag, in de darmen, enz. In de laatste zijn zij het bijv., die de voortbeweging van het voedsel tot stand brengen. Onder het mikroskoop gezien, vertoonen die spieren geen dwarse strepen.Bij man en vrouw komen over het geheele lichaam dezelfde spieren voor, die ook in bouw, vorm en verrichting geen werkelijk verschil aanbieden. Slechts de spieren van de geslachtsorganen wijken hiervan uit den aard der zaak af.Plaat IIgeeft een groot aantal spieren van de voorzijde van het lichaam te zien, die genummerd werden en waarvan de namen achter de overeenkomstige nummers in de bijgevoegde beschrijving te vinden zijn.Alleen zij hier nog vermeld, dat het lieskanaal,Plaat II No. 41,van de vrouw langer en nauwer is dan dat van den man, waardoor verklaard wordt, dat liesbreuken bij mannen veelvuldiger voorkomen dan bij vrouwen.Een liesbreuk toch ontstaat, wanneer een buikingewand, bijv. een darmlis door het lieskanaal uitzakt.De Bloedsomloop.Het bloed bestaat uit een licht-geel vocht, bloedplasma, waarin zich millioenen van mikroskopisch kleine celletjes bevinden, de z.g. bloedlichaampjes. Het grootste deel daarvan is rood gekleurd; de overige zijn kleurloos.Het bloed vervult in het lichaam de rol van zuurstof in de longen en voedingsstoffen in de spijsverteringsorganen op te nemen en over te brengen naar de verschillende deelen van het lichaam, om daarna de in die lichaamsdeelen ontstaneonbruikbare stoffen weg te voeren naar de plaatsen, vanwaar zij uit het lichaam verwijderd kunnen worden. Te dien einde is het noodzakelijk, dat het bloed aanhoudend door het lichaam stroomt. Deze strooming, die men den bloedsomloop of kringloop noemt, komt tot stand door samentrekkingen van het hart.Hethart(cor) is een holle, kegelvormige spier,Plaat III No. 1–4, die in de borstholte links van haar middellijn gelegen is, doch nog gedeeltelijk door het borstbeen bedekt wordt. Het ligt tusschen de beide longen. De breede basis van het hart is schuin naar boven en zijn top naar beneden gekeerd. Die top, de punt van het hart genoemd, ligt tusschen de 5e en 6e linker rib.De grootte van het hart komt in den regel overeen met de grootte van de vuist. Een vrouwenhart is dikwijls in verhouding iets kleiner dan een mannenhart.De holte van het hart wordt door een middenschot in een rechter en linker helft verdeeld.Plaat V No. 28–32. Beide helften bestaan echter weder uit twee deelen, een kamer (ventriculus) en een voorkamer (atrium). Hartoor (auriculum cordis) noemt men het aanhangsel, dat aan elke voorkamer zit.Plaat III No. 3 en 4.Het hart is dus in vier ruimten verdeeld, twee kamers en twee voorkamers, die ieder een zelfde hoeveelheid bloed kunnen bevatten.De voorkamers zijn wel is waar kleiner dan de kamers, doch zij kunnen niettemin dezelfde hoeveelheid bloed bevatten, omdat zij dunne vliezige wanden bezitten, die zich verder kunnen uitzetten dan de dikke spierwanden van de kamers.Iedere voorkamer staat met de bij haar behoorende kamer in verbinding door een opening, welke door een vlies, het klapvlies, kan afgesloten worden.Fig. 6. Kringloop van het bloed. (Gegenbaur.)Fig. 6.Kringloop van het bloed.(Gegenbaur.)a. linkerhartkamer.b. slagaderen van het lichaam.c. capillairbuisjes.d. begin der aderen.e. aderen van het lichaam.f. rechter voorkamer.g. rechter kamer.h. slagaderen van de longen.i. capillairbuisjes van de longen.j. aderen van de longen.k. linker voorkamer.Wij kunnen den bloedsomloop het gemakkelijkst volgen, wanneer wij ons als inFig. 6, dien kringloop enkelvoudig voorstellen. Uit delinkerkamer,Fig 6a, stroomt het bloed in de groote lichaamsslagader(aorta). Deze gaat eerst met een boog naar boven,Plaat III No. 5 en 6, kromt zich dan naar beneden en verloopt langs de wervelkolom. Op haar weg geeft zij tal van slagaderen af, die naar de verschillende deelen van het lichaam gaan. (InFig. 6is daarvoor enkel de boogbgenomen.) Ieder van die slagaderen verdeelt zich op haar beurt weder en vormt steeds fijnere slagaderen, totdat ten slotte deze kanaaltjes mikroskopisch fijn worden en dan haarvaten of capillairvaten genoemd worden.Fig. 6 c. De kracht, die noodig is om het bloed door al die groote en kleine vaten te drijven, is zeer groot; van daar dat de spiermassa van de linker kamer sterk ontwikkeld is.De capillairvaten bezitten een zeer dunnen wand, die gemakkelijk vocht doorlaat; daardoor kan het bloed, dat door de capillairvaten stroomt, het vocht, waarin de voedingsstoffen voor de weefsels aanwezig zijn, afgeven en de onbruikbare stoffen, ontledingsproducten, uit de weefsels in zich opnemen.Nadat deze uitwisseling van stoffen is volbracht, vereenigen zich de capillairvaten weder tot wijdere vaten (aderen),Fig. 6 e, die tot nog steeds wijdere samenkomen en eindelijk het bloed verzamelen in de twee groote lichaamsaderen(vena cava superior et inferior),Plaat III No. 9 en 10, welke in derechtervoorkamer uitmonden.Fig. 6 f.Zoodra het bloed in de rechter voorkamer aangekomen is, trekt deze zich samen en wordt het naar de rechter kamer geperst.Fig. 6 g.Daarop volgt de samentrekking van derechterkamer. Het klapvlies, dat tot dusverre de opening tusschen voorkamer en kamer vrij liet, drukt zich nu tegen die opening zoodanig aan, dat het haar geheel afsluit. Het bloed kan daardoor niet naar de voorkamer terug en zoekt een uitweg door het bloedvat, dat naar de longen gaat.Fig. 6 h. Ook dit vat ondergaat spoedig een verdeeling, er ontstaan telkens kleiner vaten en ten slotte weer capillairvaten,Fig. 6 i, die zich daarna weder vereenigen en eindelijk samenkomen in een groot vat, de longader,Fig. 6 j, welke in delinkervoorkamer,Fig. 6 k, uitmondt.Op den weg door de capillairvaten van de long neemt het bloed de ingeademde zuurstof in zich op en komt daarvan voorzien in delinkervoorkamer aan.Zoodra deze gevuld is, volgt de samentrekking en wordt het bloed gestuwd naar de linker kamer, vanwaar dit opnieuw zijn kringloop begint. Reeds werd opgemerkt, dat ook op de grens tusschenlinkervoorkamer en kamer zich een klapvlies bevindt. Bij contractie van de linker kamer sluit dit den weg naar de voorkamer en belet daardoor het terugstroomen van het bloed.Het van zuurstof voorziene, z.g. slagaderlijk bloed bezit een helderroode kleur en loopt door de slagaderen (arteriae) naar de weefsels. Keert het nu door de aderen (venae) naar het hart terug, nadat het de zuurstof heeft afgegeven, dan is het z.g. aderlijk bloed donkerrood, blauwachtig van kleur. Als zoodanig komt het ook in de rechter voorkamer aan, doch zal weldra, na door de rechter kamer te zijn gegaan, in de longen treden en daar nieuwe zuurstof opnemen, koolzuur en andere gassen afgeven en weer als slagaderlijk bloed het linker hart bereiken.Telkens wanneer de kamers zich samentrekken, stoot het hart met de punt tegen den borstwand; men kan zich hiervan overtuigen door den vinger te plaatsen tusschen de 5e en 6e rib en wel eenigszins links onder den linker borsttepel. Bij iedere samentrekking van het linker hart wordt een bloedgolf door de slagaderen gedreven: op sommige plaatsen van het lichaam is dit nu duidelijk voelbaar als men den vinger op de slagader laat rusten. Men noemt dit den polsslag. Polsslag en hartslag geven beide dus te kennen, dat er een samentrekking van de kamers plaats heeft. Linker en rechter kamer doen dit bijna gelijktijdig.Bij den gezonden, volwassen mensch geschiedt dit 65 à 80 maal in de minuut; bij kinderen slaat de pols sneller, bij pasgeborenen ongeveer 140 maal in de minuut. Volgens sommigen bestaat een gering verschil in de snelheid van eenvrouwen- en een mannenpols. Zij nemen aan, voor mannen gemiddeld 70, voor vrouwen gemiddeld 76 slagen in de minuut.Allerlei omstandigheden oefenen, ook in gezonden toestand, invloed uit op de snelheid van den pols. Zij ondergaat verandering na lichaamsinspanning, na het eten, in den slaap, bij temperatuursverandering, enz.Het geheele hart en een gedeelte van de bloedvaten, die er uitkomen en er in terugkeeren, zijn door een vliezigen zak, het hartzakje (pericardium) omgeven. Dit zakje is iets grooter dan het hart; voorzoover het niet geheel met het hart wordt gevuld, is de ruimte door vocht ingenomen.Plaat IIIgeeft een duidelijk beeld van de ligging en van den vorm van het hart en van de voornaamste slagaderen en aderen.Deslagaderen voor de geslachtsorganengaan van de zaadslagaderen (arteriae spermaticae internae) uit,Plaat III No. 23. Gedurende de zwangerschap, doch ook bij verschillende baarmoederziekten nemen zij zeer sterk in doorsnede toe. Deze toename houdt gelijken tred met de omvangstoename van de baarmoeder. Zoowel de stam van de zaadslagader als haar vele vertakkingen nemen er aan deel. Daardoor voert dit netwerk van vaten in zulke gevallen een groote hoeveelheid bloed aan de baarmoeder toe.Tot het vaatstelsel behooren ook de lymphvaten of watervaten. Om zich hiervan een juiste voorstelling te vormen, bedenke men, dat de capillairvaten in weefselspleten liggen en daarin voedingsvocht voor de weefsels afgeven. Het niet verbruikte vocht met de ontledingsproducten moet nu een uitweg hebben. Voor een deel wordt het, zooals wij gezien hebben, met het aderlijk bloed weggevoerd. Voor zoover dit niet het geval is, vloeit het weg door vaatjes, welke door vereeniging der weefselspleten ontstaan. Het vocht noemt men lymph en de vaatjes lymphvaten. Delymphvatenvereenigen zich tot één groot lymphvat en dit mondt uit in een groote ader.Het Zenuwstelsel.De verrichtingen van de afzonderlijke organen van het lichaam worden door middel van het zenuwstelsel tot één geheel vereenigd.Men verdeelt het zenuwstelsel in eencentraalen eenperipheergedeelte. Tot het centraal gedeelte behooren de hersenen en het ruggemerg.In het centraal gedeelte van het zenuwstelsel ontstaan de prikkels, die de werking der spieren opwekken en worden de indrukken, door de zintuigen ontvangen, in voorstellingen en gewaarwordingen omgezet. Het wordt tevens gehouden voor den zetel van het verstand.Het periphere gedeelte van het zenuwstelsel bestaat uit zenuwen (nervi), die alsleidraden, prikkels en indrukken overbrengen en de verschillende organen met het centrale zenuwstelsel in verbinding brengen.Dehersenen(encephalon) zijn in de schedelholte besloten. Ze zijn door drie vliezige hulsels omgeven, die, van buiten naar binnengerekend, onderscheiden worden in harde hersenvlies (dura mater), spinnewebsvlies (arachnoidea) en zachte hersenvlies (pia mater).De bouw der hersenen is zeer gecompliceerd. Hier zij alleen vermeld, dat zij verdeeld worden in groote hersenen (cerebrum), kleine hersenen (cerebellum) en het verlengde merg (medulla oblongata). Zij bestaan uit twee helften, die aan elkander gelijk zijn.De hersenoppervlakte heeft boogsgewijs gekronkelde verhevenheden; deze verhevenheden worden gyri genoemd, terwijl de daartusschen liggende sleuven sulci genoemd worden.Plaat IV No. 1.De beide helften van de groote hersenen zijn door den zoogen. balk (corpus callosum) met elkander verbonden, terwijl de beide helften der kleine hersenen in de brug van Varol (pons Varoli) hun verbindingspunt vinden.Plaat IV No. 2.Het verlengde merg verlaat de schedelholte door het achterhoofdsgat en gaat in het ruggemerg over.Plaat IV No. 3.Men heeft het er langen tijd voor gehouden, dat de hersenen van de vrouw lichter zouden zijn dan die van den man. Vroegere onderzoekers beschouwden het gewicht der hersenen in verhouding tot de lengte van het lichaam en kwamen daardoor tot een foutief resultaat. In den laatsten tijd heeft men redelijker gehandeld. Men bepaalde het hersengewicht in verband met het lichaamsgewicht en kwam zoodoende tot het resultaat, dat de hersenen der vrouwen minstens even zwaar, doch veelal iets zwaarder zijn dan die der mannen. Het is evenwel te begrijpen, dat men uit deze berekening niet mag concludeeren tot meerdere of mindere intelligentie van een der beide geslachten.Ook is beweerd dat verschil in verhouding van de hersendeelen onderling was toe te schrijven aan geslachtsverschil. Men meende namelijk ontdekt te hebben, dat de voorhoofdskwabben van de hersenen in verhouding tot zijn overige deelen bij den man grooter waren dan bij de vrouw en omdat men altijd had aangenomen dat aldaar het verstand zetelde, was de uitkomst van het onderzoek geen verrassing. Het is evenwel gebleken, dat deze ontdekking aan onjuiste waarnemingen moest worden toegeschreven. Onderzoekers van lateren tijd hebben aangetoond, dat de voorhoofdskwabben van de vrouw beter ontwikkeld zijn dan die van den man en hoewel het verschil zeer gering is, het overwicht toch is aan de zijde der vrouw. Laat mij onmiddellijk hieraan toevoegen, dat men in den laatsten tijd twijfel is gaan opperen, of het verstand wel in de voorhoofdskwabben zetelt.Nog andere kenmerkende verschillen heeft men gemeend te vinden, doch telkens bleken zij den toets van het onderzoek niet te kunnen doorstaan, zoodat men dan ook op dit oogenblik geen enkel belangrijk punt van verschil tusschen de hersenen van mannen en vrouwen kan aannemen en zeer zeker in geen enkel opzicht uit de verkregen resultaten een besluit ten nadeele van het intellect der vrouw mag trekken.Keeren wij thans terug tot hetruggemerg(medulla spinalis), het lange, cylindervormige gedeelte van het centrale zenuwstelsel, in de holte van de ruggegraat gelegen en evenals de hersenen door drie vliezen omgeven.Plaat IV No. 4–7. Het eindigt van onderen ter hoogte van den 1en of 2en lenden wervel stomp kegelvormig (conus medullaris), vanwaar een draadvormig uiteinde (filum terminale) verder het ruggemergskanaal doorloopt.Men onderscheidt drie soorten vanzenuwen: gevoels-, bewegings- en sympathische zenuwen.Wordengevoelszenuwen geprikkeld, dan wordt die prikkel overgebracht naar de hersenen en volgt een gewaarwording, bijv. van pijn of warmte, van reuk of geluid.Debewegingszenuwen eindigen alle in de spieren. Worden die zenuwen geprikkeld, dan volgt samentrekking van de daarmede correspondeerende spieren.Gaan wij nu na, uit welke zenuwen de verschillende organen hun zenuwtakken ontvangen, dan blijkt, dat de hersenen 12 paar hersenzenuwen leveren, terwijl uit het ruggemerg 31 paar ruggemergszenuwen haar oorsprong nemen.De 12 paar hersenzenuwen zijn bijna uitsluitend bestemd voor de verschillende deelen van het hoofd. Zij voorzien de zintuigen van zenuwtakken en geven verder gevoels- en bewegingszenuwen voor het hoofd af.De 31 paar ruggemergszenuwen worden bij haar oorsprong in twee takken gescheiden, waarvan de voorste, de dikkere tak, bewegingszenuwen, de achterste, gevoelszenuwen levert.Deze ruggemergszenuwen zijn verdeeld in 8 hals-, 12 borst-, 5 lenden-, 5 heiligbeens- en 1, soms 2 stuitbeenszenuwen. Zij verlaten alle het ruggemergskanaal door de voor hen bestemde opening in de overeenkomstige wervels. Aangezien het ruggemerg op de hoogte van den 1en of 2en lendenwervel eindigt, moeten de lenden-, heiligbeens- en stuitbeenszenuwen dus nog een eind in het ruggemergskanaal afleggen, voor zij de voor ieder harer bestemde uitgangsopening in de wervels bereiken. De zenuwen, die evenwijdig naar beneden loopen, geven een eigenaardigen vorm aan het uiteinde van het ruggemerg, dat daarnaar den naam van paardenstaart (cauda equina) verkregen heeft. OpPlaat IVis dit alles zeer juist afgebeeld.Desympathischezenuwen vormen een afzonderlijke groep. Zij vinden haar oorsprong in twee dikke zenuwkoorden, die langs beide zijden van de wervelkolom loopen. Zij begeleiden hoofdzakelijk de bloedvaten op hun talrijke wegen en regelen de wijdte der kleine slagaderen.De Spijsverteringsorganen.De spijsverteringsorganen (organa digestionis) dienen tot opneming en omzetting van voedingsstoffen; zij vormen een kanaal, waarvan de mondholte (cavum oris) het begin en de aars (anus) het einde vormt. Slechts het begin en het einde is aan den wil onderworpen.De voedingsstoffen worden in de verschillende deelen van het spijsverteringswerktuig omgezet in zoodanigen vorm, dat zij in het bloed kunnen worden opgenomen en in de verschillende weefsels kunnen worden afgescheiden om daar de verbruikte stoffen te vervangen. De aanvoer van nieuwe voedingsstoffen moet gelijk staan met, of meer zijn dan de verbruikte hoeveelheid, anders heeft er achteruitgang van de weefsels plaats.Het geheele voedingsproces berust op een scheikundige omzetting der toegevoerde stoffen. De onbruikbare, niet tot opneming geschikte bestanddeelen gaan tot aan het einde van het darmkanaal door, om daar verwijderd te worden.De spijsverteringsorganen zijn van het begin tot het einde met slijmvlies bekleed. Dit slijmvlies is rijk aan slijmkliertjes en bevat verder veel bloedvaten, lymphvaten en zenuwen.Demondholtemoet als het begin beschouwd worden. Zij vormt een holte, vanbovenbegrensd door een naar voren gelegen hard en naar achteren gelegen zacht gehemelte (palatum durum et molle). Achter aan het zachte gehemelte bevindt zich de huig (uvula), die de keelholte schijnbaar in twee helften verdeelt.Het zachte gehemelte vertoont verder twee verheffingen, die als bogen naar rechts en naar links verloopen; tusschen detweerechtsche en tusschen de twee linksche booghelften ligt telkens een amandel (tonsilla).Aan beidezijdenwordt de mondholte begrensd door de wangen; daarin verloopen de wangspieren (musculi buccinatores).Plaat II No. 13.Deonderkantvan de mondholte wordt grootendeels gevormd door de tong (lingua); deze laat slechts een klein gedeelte van den eigenlijken bodem der mondholte vrij. De tong bestaat uit spieren, waarvan de vezelen in verschillende richtingen verloopen. Hierdoor worden de meest verschillende bewegingen mogelijk gemaakt.In de mondholte wordt het vaste voedsel gekauwd. Dit kauwen geschiedt, doordien de onderkaak op en neer en ook in zijdelingsche richting bewogen wordt; de bovenkaak staat vast. Onder het kauwen wordt de spijsbrok voortdurend verplaatst en wel door middel van de tong, de lipspieren en de wangspieren.Tijdens het kauwen wordt het voedsel innig vermengd met speeksel, een vocht, dat afgescheiden wordt door de speekselklieren, waarvan er aan beide zijden een in de wang nabij het oor ligt: de oorklier (glandula parotis), en die haar uitvoergang dwars door het wangslijmvlies naar de mondholte zendt. Verder liggen nog twee paar speekselklieren in de onderkaak: de onderkaaksklier (glandula submaxillaris) en de ondertongsklier (glandula sublingualis). Van beide paren komen de uitvoergangen onder de tong uit.Door de vermenging met speeksel wordt het doorslikken van de spijsmassa vergemakkelijkt en wordt reeds een gedeelte van het voedsel, bijv. hetgeen uit meel bestaat, zoodanig scheikundig veranderd, dat het geschikt wordt om later in het bloed te worden opgenomen.Is het voedsel gekauwd, dan wordt het ingeslikt en vervolgt daarna zijn weg door denslokdarm(oesophagus),Plaat V No. 39. Van den slokdarm komt het in de maag.Demaag(ventriculus) ligt voor de grootste helft in het linker bovenste gedeelte van de buikholte. Zij stoot van boven aan het middelrif, links van haar ligt de milt en achter haar de alvleeschklier, terwijl zij rechts gedeeltelijk door de lever bedekt wordt. De plaats, waar de slokdarm in de maag overgaat, is de maagingang (cardia) en de overgang van de maag in den twaalfvingerigen darm heet portier (pylorus). Tusschen den maagingang en den maaguitgang ligt de wijde, naar onderen en links sterk uitgebogen zak, de grondvlakte van de maag (fundus ventriculi).Plaat V No. 40.Aan den pylorus wordt de maag van den twaalfvingerigen darm gescheiden door een kringspier, welke van tijd tot tijd geopend wordt om voedsel door te laten.Het spijsverteringsproces, reeds in de mondholte aangevangen, wordt in de maag voortgezet en wel door middel van een vocht, het maagsap, dat door het maagslijmvlies wordt afgescheiden en voornamelijk bestaat uit pepsine en zoutzuur.Dit vocht bezit het vermogen, het eiwit van het voedsel meer geschikt te maken tot opneming in het bloed. Door samentrekking van de in den maagwand gelegen spieren wordt het voedsel innig met het maagsap saamgekneed.Van tijd tot tijd gaat nu, zooals gezegd is, een deel van den maaginhoud in dentwaalfvingerigen darm(duodenum) over. Men verdeelt den darm in dunnen en dikken darm.De dunne darm bestaat weer uit drie deelen: dentwaalfvingerigen(duodenum), dennuchteren(jejunum) en denkronkeldarm(ileum). In het geheel vormt de dunne darm een buis van 5 à 6 Meter lengte, met lissen en bochten, waarvan eenige zelfs tot in de kleine bekkenholte afhangen.Plaat V No. 43 en 44.In den dunnen darm ondergaat het voedsel nieuwe veranderingen, doordien het daar in aanraking komt met twee vochten, de gal en het sap van de alvleeschklier. Beide vochten zorgen voor een verdere omzetting, waardoor opneming in het bloed mogelijk wordt.De gal is een afscheidingsproduct uit delever, de grootste klier van het menschelijk lichaam. De lever (hepar),Plaat V No. 48, is tamelijk week, bezit een bruinroode kleur en is gelegen in de rechter bovenste buikstreek, tegen het middelrif aan. Haar onderste rand moet slechts even onder de ribben uit gevoeld kunnen worden. Bij vrouwen, die zich sterk rijgen, wordt de lever naar onderen geperst en is daardoor veel gemakkelijker waar te nemen.De lever scheidt onophoudelijk gal af, die in de galblaas (cystis fellea),Plaat V No. 49, wordt verzameld en zich gedurende de spijsvertering in den dunnen darm ontlast.De galblaasbuis (ductus choledochus) voert de gal naar den twaalfvingerigen darm.Dealvleeschklier(pancreas),Plaat V No. 42, is een klier, die een lengte heeft van ongeveer 20 cM en een breedte van 3 à 4 cM. Ook haar uitvoergang mondt in het duodenum uit, vlak bij dien van de gal. Het sap der alvleeschklier heeft een groote beteekenis, omdat het op alle bestanddeelen van het voedsel een krachtigen invloed uitoefent.In den dunnen darm wordt eveneens het voedsel gekneed, maar tevens voortbewogen. Deze voortbeweging komt tot stand, doordien de darmwand zich achter de voedselmassa vernauwt en verkort. Dit herhaalt zich telkens met het opvolgend stuk darm en zoo gaat het voort, alsof men van de maag uitgaande, met de vingers den darm drukkende, de voedselmassa voortbeweegt. Zulk een beweging noemt men een wormvormige of peristaltische.Van dendunnendarm gaat de massa nu over in dendikken. Op de plaats van overgang wordt een zak gevormd, de blinde darm (intestinum coecum),Plaat V No. 45. De dikke darm is veel wijder dan de eerste en is ook meer rekbaar. Eerst verloopt hij naar boven tot aan de lever, gaat dan van rechts naar links, om zich vervolgens naar beneden te buigen en in den endeldarm (rectum) over te gaan. Vóór den overgang in den endeldarm noemt men den dikken darm ook wel colon.De opneming van het voedsel in het bloed begint reeds in den maagwand en zet zich verder over het geheele darmkanaal voort. De wijze, waarop dit geschiedt, hier uiteen te zetten, zou tot te groote uitvoerigheid leiden. Slechts zij opgemerkt, dat behalve het vet, al het omgezette voedsel wordt afgevoerd door bloedvaten, welke in maag- en darmwand gelegen zijn. Zoo komt het dan in het bloed der holle ader, in rechter voorkamer, rechter kamer, longcapillaria, linker voorkamer, linker kamer, aorta en stroomt door de slagaderen naar alle deelen van het lichaam. In de fijne haarvaten wordt eindelijk het voedsel aan de weefsels afgegeven. Het vet wordt door een eigen vaatsysteem uit den darmwand afgevoerd, maar dit systeem mondt ten slotte toch ook in het aderlijke bloed uit, zoodat ook het vet den weg van rechter voorkamer, rechter kamer, enz. volgt.Demilt(lien),Plaat V No. 41, behoort eigenlijk niet tot de digestie-organen; zij wordt hier alleen besproken, omdat zij in de buikholte vlak achter of naast de grondvlakte van de maag gelegen is en nog niet is uitgemaakt, welke functie zij eigenlijk te vervullen heeft. Het is een bruinrood orgaan, ter grootte van een vuist, dat buitengewoon vaatrijk is.Het buikvlies (peritoneum) is een volkomen gesloten zak (bij de vrouw wordt het alleen door de buikopeningen van de Fallopiaansche buizen, waarover later, doorboord), waarmede de inwendige oppervlakte van de buik- en bekkenwanden is bekleed (peritoneum parietale) en dat de buik- en bekkeningewanden zoodanig omgeeft, dat deze daardoor geheel overdekt zijn (peritoneum viscerale).De Ademhalingsorganen.Door middel van de ademhalingsorganen wordt zuurstof in het bloed gebracht en worden onbruikbare gasvormige omzettingsproducten, voornamelijk koolzuur, uit het lichaam verwijderd. Tot de ademhalingsorganen behooren de groote luchtwegen en de longen. Langs de luchtwegen, waartoe alleen de neus, het strottenhoofd en de luchtpijp gerekend worden, bereikt de lucht de longen.Deneus(nasus), tegelijkertijd ons reukorgaan, is in normale omstandigheden de eenige toegangsweg tot de longen, daar de doortocht door den mond eigenlijk alleen als noodhulp behoort gebruikt te worden. Doordien deze toegangsweg zoo nauw is en bovendien nog vele bochten vertoont, kan de buitenlucht er slechts langzaam doorgaan en komt zoodoende behoorlijk verwarmd in de longen aan.Hetstrottenhoofd(larynx),Plaat V No. 24, is een uit kraakbeenderen samengesteld orgaan, dat bij den ingang een klepje, strotteklepje (epiglottis) bezit, waardoor die ingang kan afgesloten worden. Het strottenhoofd staat van boven met den mond en den neus in verbinding; van onderen gaat het in de luchtpijp over. Bij het slikken sluit het zeer beweeglijk en veerkrachtig strotteklepje den toegang naar het strottenhoofd af en verhindert daardoor, dat het doorgeslikte in de luchtwegen komt.Het strottenhoofd dient tot orgaan voor stemvorming. Daarvoor zijn binnen in de holte slijmvliesplooien gespannen, die als stembanden dienst doen. Door aldaar aanwezige, talrijke kleine spieren zijn wij in staat de stembanden meer of minder sterk te spannen en daardoor de verschillende tonen in ons geluid te brengen.Het strottenhoofd is bij vrouwen aanmerkelijk kleiner dan bij mannen. Totop ongeveer 15-j. leeftijd is er geen noemenswaardig verschil; daarna ontwikkelt het zich bij jongens veel sterker dan bij meisjes. De stembanden zijn dan ook bij de eersten langer en de stemspleet, de spleet tusschen beide stembanden gelegen, waardoor de in- en uitademingslucht passeeren moet, iets breeder. Het verschil in stem bij mannen en vrouwen is daaraan toe te schrijven.Deluchtpijp(trachea),Plaat V No. 25, is een 10–22 cM. lange buis, uit een aantal (16–20) kraakbeenringen samengesteld, welke door veerkrachtige, vezelachtige banden onderling zijn vereenigd. Op de hoogte van den 4en borstwervel splitst de luchtpijp zich in twee takken, de luchtpijpstakken (bronchi),Plaat V No. 26, die naar de rechter en linker long loopen.De rechter tak, die iets korter en wijder is dan de linker, splitst zich in drieën, voor elke rechter longkwab een; de linker tak verdeelt zich slechts in tweeën, omdat de linker long slechts twee kwabben bezit. In de long wordt elke tak in ontelbaar kleine en steeds fijner wordende takjes verdeeld, die ten slotte alle uitmonden in een fijn, zakvormig blaasje, de longblaasjes. Vele van deze met lucht gevulde longblaasjes vormen te zamen een longlapje en uit een aantal van zulke lapjes zijn de longen opgebouwd.Delongen(pulmones),Plaat V No. 27, zijn twee weeke, sponsachtige organen, die in de beide helften der borstkas een plaats vinden en de holte hiervan geheel vullen. De longslagader, die met de luchtpijpstakken aan de binnenvlakte der longen naar binnen treedt, vertakt zich aldaar evenals de luchtpijpstakken in vele kleine slagaderen, om eindelijk het weefsel van de longblaasjes met een net van capillairen te omgeven. Hierdoor is het bloed in staat, de zuurstof van de ingeademde lucht in zich op te nemen en daarvoor de in het lichaam ontstane, onbruikbare gassen, die het meevoerde, af te geven, welke dan met de lucht worden uitgeademd. Bij verruiming van de borstkas zetten de longen zich uit; de longblaasjes vullen zich dan met versche lucht, wat meninademennoemt. Men spreekt vanuitademen, wanneer de gebruikte lucht de longen verlaat. In- en uitademing gezamenlijk heetademhaling. Door samentrekking van de spieren van de borstkas komt de ademhaling tot stand; dan toch wordt de borstkas verruimd.Een spier, die bij de ademhaling een voorname rol speelt, worde hier afzonderlijk vermeld. Deze spier, het middelrif (diaphragma),Plaat V No. 50, sluit de borstholte geheel van de buikholte af. Rondom aan de ribben bevestigd, bevindt zij zich in toestand van rust bolvormig gespannen in de borstholte. Bij samentrekking wordt de welving van de spier vlak en wordt de borstkas daardoor aanmerkelijk verruimd. De spiermassa bezit in het midden twee openingen, waardoor de slokdarm en de lichaamsslagader van de borst- in de buikholte en de onderste holle ader van de buik- in de borstholte kunnen overgaan.In geheel rustigen, normalen toestand hebben er bij volwassen menschen 16 à 20 ademhalingen in de minuut plaats. Bij kinderen is dit aantal grooter, terwijl ook vrouwen iets sneller ademen dan mannen. Allerlei invloeden kunnen de ademhaling versnellen, zonder dat wij nog met ziekelijke afwijkingen te doen hebben, bijv. bij inspanning der spieren, bij gemoedsaandoeningen, enz.De hoeveelheid lucht, die bij diepste inademing op eenmaal kan ingeademd worden, de vitale capaciteit der longen, is bij mannen grooter dan bij vrouwen.Dat in normalen toestand ook dewijzevan ademhaling bij mannen en vrouwen zou verschillen, heeft men vroeger wel aangenomen, doch later is gebleken, dat dit een dwaling was. Men dacht, dat mannen ademden hoofdzakelijk door samentrekking van het middelrif (buikademhaling); vrouwen daarentegen door samentrekking van de borstspieren (ribben-ademhaling). Het is echter gebleken, dat deze ribbenademhaling, wanneer zij voorkomt bij vrouwen, meestal een gevolg is van te nauw sluitende kleeding, te sterk geregen corsetten, waardoor de uitzetting der borstkas van onderen wordt belemmerd.In de borstholte liggen nog twee klieren, de schildklier (glandula thyreoidea) en de thymusklier (glandula thymus).De schildklier ligt vóór het begin der luchtpijp. Zij is bij vrouwen iets grooter dan bij mannen.De thymusklier ligt achter het bovenste deel van het borstbeen. Deze klier neemt tot het 2e levensjaar in omvang toe, gaat daarna langzamerhand verminderen en is tegen den tijd der geslachtsrijpheid geheel verdwenen.De Pisorganen.Een groot deel der stoffen, die door het stofwisselingsproces in de weefsels worden gevormd en die voor de voeding der organen geen waarde meer hebben, wordt door middel van de pisorganen uit het lichaam verwijderd. Het zijn voornamelijk de stikstofhoudende stoffen, die, in opgelosten toestand, langs dezen weg het lichaam verlaten. Gelijk op bladz. 14 gezegd is, worden zij door het bloed, wanneer dit door de haarvaten der weefsels stroomt, opgenomen, om daarna te worden afgescheiden, wanneer het de nieren passeert.Dit afscheidingsproduct der nieren is de pis (urine).Denieren(renes) zijn boonvormige klieren, van bruinroode kleur. Zij liggen in de lendenstreek, aan beide zijden van de wervelkolom, de linker iets hooger dan de rechter.Plaat V No. 51.Door vetrijk bindweefsel, dat de nieren omgeeft, door het buikvlies, dat haar voorvlakte bekleedt en door de groote bloedvaten, die haar het bloed toevoeren, zijn zij aan haar plaats gebonden. De plaats, waar de groote bloedvaten de nieren ingaan en deze weder verlaten en waar ook de pisleider uittreedt, noemt men de poort van de nier. Somwijlen is een der nieren, meestal de rechter, min of meer bewegelijk. Door zwangerschappen of ziekten kan het gebeuren, dat het bindweefsel om de nier zijn vetrijkdom verliest en de nier daardoor minder stevig bevestigd ligt. Zij verplaatst zich dan af en toe in de buikholte en verkrijgt daardoor den naam van wandelnier.De uitwendige oppervlakte van de nier wordt door een taai, vezelachtig vlies omgeven (capsula fibrosa), dat aan de poort door de in- en uittredende vaten doorboord wordt.Fig. 7 a.Snijdt men de nier in de lengte door, zooals opPlaat V No. 52de linker nier is afgebeeld, dan blijkt, dat haar zelfstandigheid bestaat uit een bruinrood buitenste en een geelwit binnenste gedeelte. Deze bruinroode kleur is hieraan toe te schrijven, dat de nierslagader, aan de poort de nier binnentredende,Plaat V No. 51,en zich steeds fijner vertakkende, doordringt tot het buitenste gedeelte, het zoogen. bastgedeelte, en daar een fijn net van haarvaten vormt. In dit vaatnet wordt de urine afgescheiden. Zij wordt in zeer kleine holten opgevangen en door de pisbuisjes, die in die holten een begin nemen, naar het zoogenaamde nierbekken, in het middenste of merggedeelte van de nier gelegen, gevoerd. De pisbuisjes, aanvankelijk zeer fijn en talrijk, vereenigen zich op hun weg naar het nierbekken en vormen zoodoende steeds wijder wordende buisjes, die eindelijk overgaan in de nierkelken (calices renales), wier uitgangen onmiddellijk in het nierbekken uitmonden.Fig. 7 e.Fig. 7. Lengtedoorsnede van de nier. (Heitzmann.)Fig. 7.Lengtedoorsnede van de nier. (Heitzmann.)a. capsula fibrosa.b. bastzelfstandigheid.c. mergzelfstandigheid.d. nierkelken.e. nierbekken.f. pisleider.Het nierbekken, dat zich in de richting naar de poort trechtervormig vernauwt, gaat aldaar in den pisleider (ureter),Fig. 7 f, over. Onophoudelijk wordt de pis in de nieren afgescheiden, door de pisbuisjes naar de nierkelken gevoerd, door deze in het nierbekken uitgestort en vandaar door den pisleider naar de blaas gebracht. De pisleiders loopen over de groote lendenspier,Plaat V No. 53, naar beneden tot in het kleine bekken en monden daar aan weerszijden onder aan de blaas in deze uit.In depisblaas(vesica urinaria),Plaat V No. 54, wordt de urine opgevangen en kan daar geruimen tijd bewaard worden. De blaas is een zak, met vrij dikken spierwand, die in ledigen toestand achter de schaambeensvereeniging ligt, doch zoodra zij gevuld is, daarboven uitsteekt.De spierlaag is van binnen met slijmvlies bekleed, dat talrijke plooien vormt, wanneer de blaas ledig is. Aan haar bodem bevindt zich een sluitspier, die kringvormig den overgang van blaas in pisbuis omgeeft. Gelijktijdig met de samentrekking van de spierlaag van de blaas opent deze sluitspier zich en verleent aldus de urine een doortocht.Depisbuis(urethra), die de urine uit de blaas buiten het lichaam brengt, is bij de vrouw slechts ongeveer 2 cM lang en mondt boven den ingang der scheede in de schaamspleet uit. Zij is wijder dan de mannelijke pisbuis en kan bovendien nog uitgerekt worden.

Inleiding.De mensch is samengesteld uit verschillende organen, waarvan de geslachtsorganen dienen tot instandhouding van de soort, al de overige tot behoud van het individu.Terwijl bij het mannelijk en vrouwelijk individu de geslachtsorganen verschillend zijn, valt voor de overige organen geen wezenlijk onderscheid waar te nemen, noch wat samenstelling, noch wat verrichting betreft.Hun vorm evenwel verschilt dikwijls. Deze vormverschillen, ieder afzonderlijk gering, zijn te zamen genomen zoo groot, dat wij dadelijk het onderscheid tusschen man en vrouw opmerken.Zoo is in het algemeen genomen de vrouw niet zoo groot en zwaar gebouwd als de man. Bij haar meer vetafzetting in het onderhuidsch celweefsel, waardoor haar spieren en de uitsteeksels der beenderen nauwelijks zichtbaar zijn; bij hem daarentegen de spieren gemakkelijker waarneembaar en de beenige uitsteeksels duidelijker in het oog vallend.Borst, buik en billen zijn bij de vrouw eenigszins boogvormig; bij den man min of meer rechtlijnig.De schouderbreedte is bij vrouwen kleiner dan de heupbreedte, bij de mannen is juist het omgekeerde het geval; hiermee staat in verband, dat bij de vrouwen ook de borst smaller is dan de buik en het tegenovergestelde weer bij de mannen valt waar te nemen.De lichaamslengte in haar geheel genomen leert ons, dat bij vrouwen relatief het hoofd langer, de hals korter, de romp langer en de armen en beenen korter zijn dan bij mannen. Vooral de betrekkelijk lange romp en korte beenen van de vrouw zijn opvallend. Haar dijen zijn aanmerkelijk korter en breeder dan van den man en iets binnenwaarts geplaatst, doordien de dijbeenderen onder een eenigszins anderen hoek in het heupgewricht staan.Tot den leeftijd van 9 à 10 jaren zijn de jongens in den regel grooter dan de meisjes; daarna tot aan de puberteitsjaren, den geslachtsrijpen leeftijd, zijn meisjes grooter en zwaarder dan jongens van denzelfden leeftijd. Na dien tijd gaan de jongens weder sterker groeien en overtreffen spoedig de meisjes in lengte en gewicht. Jongens blijven, hoewel langzaam, tot hun 23e jaar groeien, terwijl meisjes reeds op 20-jarigen leeftijd den vollen wasdom bereikt hebben.Na deze algemeene beschouwing zal in de volgende hoofdstukken worden uiteengezet, in hoever de verschillende organen van het lichaam tot de vorming van het vrouwelijke type bijdragen.

De mensch is samengesteld uit verschillende organen, waarvan de geslachtsorganen dienen tot instandhouding van de soort, al de overige tot behoud van het individu.

Terwijl bij het mannelijk en vrouwelijk individu de geslachtsorganen verschillend zijn, valt voor de overige organen geen wezenlijk onderscheid waar te nemen, noch wat samenstelling, noch wat verrichting betreft.

Hun vorm evenwel verschilt dikwijls. Deze vormverschillen, ieder afzonderlijk gering, zijn te zamen genomen zoo groot, dat wij dadelijk het onderscheid tusschen man en vrouw opmerken.

Zoo is in het algemeen genomen de vrouw niet zoo groot en zwaar gebouwd als de man. Bij haar meer vetafzetting in het onderhuidsch celweefsel, waardoor haar spieren en de uitsteeksels der beenderen nauwelijks zichtbaar zijn; bij hem daarentegen de spieren gemakkelijker waarneembaar en de beenige uitsteeksels duidelijker in het oog vallend.

Borst, buik en billen zijn bij de vrouw eenigszins boogvormig; bij den man min of meer rechtlijnig.

De schouderbreedte is bij vrouwen kleiner dan de heupbreedte, bij de mannen is juist het omgekeerde het geval; hiermee staat in verband, dat bij de vrouwen ook de borst smaller is dan de buik en het tegenovergestelde weer bij de mannen valt waar te nemen.

De lichaamslengte in haar geheel genomen leert ons, dat bij vrouwen relatief het hoofd langer, de hals korter, de romp langer en de armen en beenen korter zijn dan bij mannen. Vooral de betrekkelijk lange romp en korte beenen van de vrouw zijn opvallend. Haar dijen zijn aanmerkelijk korter en breeder dan van den man en iets binnenwaarts geplaatst, doordien de dijbeenderen onder een eenigszins anderen hoek in het heupgewricht staan.

Tot den leeftijd van 9 à 10 jaren zijn de jongens in den regel grooter dan de meisjes; daarna tot aan de puberteitsjaren, den geslachtsrijpen leeftijd, zijn meisjes grooter en zwaarder dan jongens van denzelfden leeftijd. Na dien tijd gaan de jongens weder sterker groeien en overtreffen spoedig de meisjes in lengte en gewicht. Jongens blijven, hoewel langzaam, tot hun 23e jaar groeien, terwijl meisjes reeds op 20-jarigen leeftijd den vollen wasdom bereikt hebben.

Na deze algemeene beschouwing zal in de volgende hoofdstukken worden uiteengezet, in hoever de verschillende organen van het lichaam tot de vorming van het vrouwelijke type bijdragen.

Eerste afdeeling.De Huid.De huid (cutis), waarmede het geheele menschelijke lichaam is overtrokken, is bij de vrouw zachter en fijner dan bij den man. Zij bestaat uit drie opvolgende lagen: opperhuid (epidermis), lederhuid (corium of derma) en onderhuidsch celweefsel. Bij het Kaukasische menschenras (waartoe wij behooren) is de huid geel-wit van kleur; in de okselholte, aan borsttepel en tepelkring, alsmede aan de uitwendige geslachtsdeelen neemt zij een donkerder tint aan.De huid bevat haren, smeer- en zweetklieren. De in de huid wortelende haren zijn bij den man op meer plaatsen aanwezig dan bij de vrouw. Bij de vrouw komen zij voor op het behaarde gedeelte van het hoofd, hier zelfs in rijke hoeveelheid, vervolgens in de okselholte en op de schaamdeelen; bij vele vrouwen ontwikkelen zich op 45- à 50 jarigen, den zoogen. climacterischen leeftijd, ook op de lip en de kin dikke, sterke haren, die bij sommigen harer een werkelijken baard vormen.De smeerklieren geven een vettige substantie af, welke langs het haar naar buiten treedt. Zij zijn evenals de haren en de zweetklieren in de twee bovenste lagen van de huid gelegen.In de derde laag, het onderhuidsch celweefsel, pleegt zich vet op te hoopen; bij de vrouw is dit in zoo aanzienlijke mate het geval, dat de vormen hierdoor een voor haar karakteristieke volheid en ronding verkrijgen.De huid heeft verschillende bestemmingen te vervullen. Zij is zintuig voor het gevoel, orgaan van afscheiding (zweet en huidsmeer) en helpt mede de inwendige lichaamstemperatuur op bepaalde hoogte te houden.Het Geraamte.De grootte van het lichaam en de lichaamsgestalte worden in hoofdzaak bepaald door de beenderen, die onderling verbonden het geraamte (sceleton) vormen. Zij worden verdeeld in lange of pijpbeenderen, breede of platte beenderen en korte beenderen. Sommige beenderen, zooals de schedelbeenderen, kunnen zich ten opzichte van elkander niet bewegen; andere, zooals die der ledematen, wèl. De beweging komt tot stand in de gewrichten. Deze worden gevormd, doordien twee tegen elkander passende en beweeglijke beenuiteinden door een gemeenschappelijk kapsel worden omgeven en aldus los aan elkander zijn verbonden. Over de gewrichtskapsels heen liggen banden (ligamenta), die de verbinding versterken.Het geraamte wordt ingedeeld in schedel, romp en ledematen.Deschedelis samengesteld uit 22 beenderen, die grootendeels behooren tot de breede, platte beenderen; 8 er van dienen tot vorming van de hersenpan (cranium), de 14 overige zijn de aangezichtsbeenderen (ossa faciei). Met uitzondering van het onderkaaksbeen, zijn al de beenderen van het hoofd vast en onbeweeglijk met elkaar verbonden.Er is slechts een zeer gering onderscheid in de schedels van mannen en vrouwen. Alleen bij nauwkeurige vergelijking ziet men de ontleedkundigeverschillen aan sommige onderdeelen van de beenderen. Het voornaamste en meest in het oog vallend verschil is, dat de schedel van de vrouw lager en vlakker is dan die van den man en dat dientengevolge de bovenste rand van het voorhoofd met de vlakte van de hersenpan bij de vrouw een afgeronden hoek vormt, daarentegen bij den man deze overgang eenigszins schuin naar boven loopt. De schedelbeenderen zijn bij mannen dikker dan bij vrouwen.Derompbestaat uit de wervelkolom (columna vertebralis), het borstbeen (sternum) en de ribben (costae). Hoewel het uit een ontleedkundig oogpunt niet juist is, rekent men toch gewoonlijk bij den romp ook het bekken. Dit bestaat uit drie deelen, de heupbeenderen, het heiligbeen en het stuitbeen.De heupbeenderen nu moest men eigenlijk bij de ledematen rangschikken, evenals dit geschiedt met sleutelbeen en schouderblad. Het heiligbeen en het stuitbeen echter maken deel uit van de wervelkolom en zijn te beschouwen als onderling vergroeide wervels. Overigens bestaat de wervelkolom uit wervels, die hoewel stevig aan elkaar verbonden, toch ten opzichte van elkander beweeglijk zijn.Men onderscheidt 7 hals-, 12 borst- en 5 lendenwervels.Fig. 1. Wervelkolom. (Heitzmann.)Fig. 1.Wervelkolom. (Heitzmann.)aa. halswervels.bb.borstwervels.cc. lendenwervels.d. voorgebergte.e. heiligbeen.f.stuitbeen.De wervelkolom is aan het halsgedeelte eenigszins naar voren, aan het borstgedeelte sterk naar achteren en aan het lendengedeelte weder sterk naar voren gebogen. De sterkste buiging naar voren valt samen met den ondersten rand van den ondersten lendenwervel en heet daar voorgebergte (promontorium).Fig. 1 d.De vrouwelijke wervelkolom heeft in verhouding een langer lendengedeelte dan de mannelijke, de bocht naar voren begint iets hooger.Deborstkas(thorax) wordt gevormd door het borstbeen en de ribben. Het borstbeen (sternum), waaraan men de greep (manubrium), kling (corpus) en punt (processus xyphoideus) onderscheidt, is zijdelings met 7 ribben verbonden.Fig. 2..Het vrouwelijk borstbeen heeft een breeder greep en een smaller, langer kling dan het mannelijke.De borstkas telttwaalfpaarribben. De 7 methet borstbeen vergroeide heeten ware ribben (costae verae), de 5 onderste paren, die het borstbeen niet meer bereiken, noemt men valsche ribben (costae spuriae).Bij de vrouwen zijn de ribben niet zoo sterk gebogen als bij de mannen, terwijl bij haar de twee paar eerste ribben betrekkelijk langer zijn.De vrouwelijke borstkas vertoont in haar geheel een ronderen vorm dan de mannelijke. Zij is korter, smaller, maar wijder.Bij vrouwen, die nauwsluitende corsetten dragen, zich rijgen, zooals men het noemt, schuiven de valsche ribben over elkander en wordt de ruimte van de borstkas verkleind. Zoowel de borst als de buikorganen worden hierdoor van hun plaats gedrongen.De beenderen van de bovenste en ondersteledematenbestaan uit verschillende afdeelingen. Aan de bovenste ledematen onderscheiden wij schouder, bovenarm, onderarm en hand. De schouder bestaat uit sleutelbeen (clavicula),Plaat V No. 13, en schouderblad, (scapula),Plaat V No. 17. Het sleutelbeen van de vrouw is naar verhouding langer dan dat van den man.Fig. 2 Borstkas en Wervelkolom (Heitzmann).Fig. 2Borstkas en Wervelkolom(Heitzmann).a. greep van het borstbeen.b. middelstuk of kling van het borstbeen.c. punt van het borstbeen.De bovenarm bezit slechts één been, het bovenarmbeen (os humeri),Plaat V No. 18, dat bij de vrouw korter is dan bij den man. De onderarm is samengesteld uit ellepijp (ulna) en armpijp (radius).Aan de hand onderscheidt men den uit 8 kleine beenderen gevormden handwortel (carpus), de 5 middelhandsbeenderen (metacarpi) en de beenderen van de 5 vingers (phalanges digitorum manus).De handen van vrouwen zijn in den regel korter en smaller dan die van mannen.De onderste ledematen bestaan, voor zoover wij het heupbeen buiten beschouwing laten, uit bovenbeen, onderbeen en voet.Het bovenbeen bestaat alleen uit het dijbeen (os femoris),Plaat V No 23, dat bij vrouwen aanmerkelijk korter is dan bij mannen. Ook is de stand van het bovenbeen ten opzichte van den romp bij vrouwen anders. Bij de vrouw loopen de bovenbeenen van boven naar beneden min of meer naar elkaar toe, en zijn tegelijkertijd eenigszins buitenwaarts gedraaid.Het onderbeen bestaat uit scheenbeen (tibia) en kuitbeen (fibula).De beenderen van den voet worden, evenals die van de hand, verdeeld in beenderen van den voetwortel (ossa tarsi) van den middelvoet (ossa metatarsi) en van de teenen (phalanges digitorum pedis). Vrouwenvoeten zijn korter en breeder dan mannenvoeten.Thans keeren wij terug tot hetbekken, dat, zooals gezegd is, gevormd wordt door het heiligbeen, het stuitbeen en de beide heupbeenderen.Aan het geraamte is het verschil in geslacht nergens zoo duidelijk merkbaar als aan het bekken. Het vormverschil van dit lichaamsdeel is van groote beteekenis voor de taak, die het gedurende de zwangerschap en bij de bevalling vervult.Fig. 3. Rechter heupbeen, van de buitenzijde gezien (Heitzmann).Fig. 3.Rechter heupbeen, van de buitenzijde gezien (Heitzmann).De fijne, dwarsgestreepte lijntjes over de heupkom getrokken geven de plaats aan waar de drie afzonderlijke beenderen van het heupbeen samenkomen en vergroeien.a. darmbeenskam.b. heupkom.c. neerdalende tak van het zitbeen.d. opklimmende tak van het zitbeen.e. horizontale tak van het schaambeen.f. neerdalende tak van het schaambeen.g. foramen obturatum (gesloten gat).hh.plaats, waar het heupbeen zich met het andere vereenigt en de schaambeensvereeniging ontstaat.Hetheiligbeen(os sacrum),Fig. 4 d, dat tusschen de beide heupbeenderen als ʼt ware ingeschoven en onbeweeglijk daarmede verbonden is,bestaat uit 5, tot één geheel vergroeide, valsche wervels. De vergroeiing begint meestal in het 16e levensjaar en eindigt tegen het 30e jaar. De wervels zijn zoodanig aaneengegroeid, dat het heiligbeen van voren een holle en van achteren een bolle vlakte heeft.Het heiligbeen van een vrouw is breeder, korter en minder gebogen dan dat van een man; ook is zijn lengteas meer naar achteren gericht. Van den vorm van het heiligbeen hangt grootendeels de grootte en gedaante van het bekken af, zoodat dit been het meest bijdraagt tot vorming van het geslachtstype. De zichtbare holten in het heiligbeen dienen tot doortocht van zenuwen en bloedvaten; het heiligbeen is met het stuitbeen (os coccygis),Fig. 4 e, beweeglijk verbonden.Hetheupbeen(os innominatum),Fig. 3, dat een pendant van het schouderblad genoemd kan worden, wordt gevormd door de beenige vergroeiing van drie afzonderlijke stukken, waarvan het grootste en bovenste stuk hetdarmbeen(os ileï), het onderste hetzitbeen(os ischiï) en het zijdelingsche hetschaambeen(os pubis)genoemd wordt. Eerst op ongeveer 16-jarigen leeftijd is de volkomen vergroeiing dezer drie deelen voltooid.Hetdarmbeenontleent zijn naam aan de taak, die het vervult om een deel van de darmen te dragen. Zijn bovenste rand is boogvormig gekromd en draagt den naam van darmbeenskam (crista ossis ileï),Fig. 3 a; die rand is bij de meeste menschen gemakkelijk door de buikbekleedselen heen te voelen.Hetzitbeenwordt verdeeld in drie deelen: het lichaam, den neerdalenden tak en den opklimmenden tak. Het lichaam vormt het onderste gedeelte van de heupkom. De nederdalende tak,Fig. 3 c, eindigt van onderen in een sterken knobbel, den zitbeensknobbel (tuberositas ossis ischiï), waarop bij het zitten de geheele lichaamslast rust.Hetschaambeen wordt verdeeld in een horizontalen en een neerdalenden tak. De horizontale tak,Fig. 3 e, helpt nog mede aan de vorming van de heupkom,Fig. 3 b. Met een breede, ruwe vlakte,Fig 3. h h, grenst hij aan den gelijknamigen tak van de andere zijde en is daarmede verbonden. Deze verbinding heet schaambeensvereeniging (symphysis ossium pubis).Fig. 4 a.Fig. 4. Mannelijk bekken, van voren (Heitzmann.)Fig. 4.Mannelijk bekken, van voren (Heitzmann.)a. schaambeensvereeniging.b. ingang van het kleine bekken.c. voorgebergte.d. heiligbeen.e. stuitbeen.f. darmbeen.De heupkom van het heupbeen dient tot gewrichtsholte voor het hoofd van het dijbeen. Door middel van dit gewricht, het heupgewricht, steunt het geheele bovendeel van het lichaam in staande houding op de onderste ledematen.Het heupbeen bezit een groote ovale opening (foramen obturatum),Fig. 3 g, die, op een kleine ruimte na, door een vlies gesloten wordt.Het vrouwelijke heupbeen is van het mannelijke te onderkennen door een korter en smaller darmbeen en een korter zitbeen; daarentegen is de horizontale tak van het schaambeen langer. De zitbeenknobbels zijn bij vrouwen verder van elkander gelegen dan bij mannen.Men verdeelt het bekken in het groote en het kleine bekken. Het groote bekken vormt als het ware een voortzetting van de buikholte. Het gaat van onderen trechtervormig in het kleine bekken over. Deze overgangsplaats, de ingang van het kleine bekken (apertura pelvis superior),Fig. 4 benFig. 5 a, wordt begrensd door een lijn, die linea terminalis of innominata heet. Bij den man neemt deze lijn, door de sterker voorwaartsche buiging van het voorgebergte, een min of meer hartvormige gedaante aan, terwijl zij bij de vrouw eirond is.Vergelijk Fig. 4 ben5 a.Het kleine bekken vormt een holte, die naar onderen kegelvormig toeloopt. De onderste opening is daardoor kleiner dan de bovenste; zij heeft zoowel bij de vrouw als bij den man een hartvormige gedaante.Hetstuitbeen, dat beweeglijk met het heiligbeen is verbonden, kan naar achteren wijken, waardoor de onderste opening belangrijk verruimd wordt. Dit bevordert een gemakkelijke bevalling.Fig. 5. Vrouwelijk bekken, van voren. (Heitzmann.)Fig. 5.Vrouwelijk bekken, van voren. (Heitzmann.)a. linea terminalis.b. dijbeen.c. voorgebergte.d. zitbeen.e. schaambeen.Eindelijk onderscheidt zich het vrouwelijk bekken nog van het mannelijke daardoor, dat het eerste zwakker gebouwd en korter en wijder is. Wegens deze laatste eigenschappen behoeft het kind bij de geboorte kleiner afstand in het bekken af te leggen en kan dit gemakkelijker geschieden. Van de wijdte van het bekken hangt het meestal af, of de bevalling een natuurlijk verloop neemt. Het is daarom van groot belang, dat de verloskundige deze wijdte reeds vóór de bevalling bepalen kan.Bij jonge kinderen is het verschil in geslacht aan den vorm van het bekken nauwelijks waar te nemen, hoewel de later duidelijk uitgesproken verschillen toch reeds in beginsel aanwezig zijn. Eerst gedurende de ontwikkeling van de geslachtsorganen neemt het bekken voor beide geslachten zijn afzonderlijken vasten vorm aan. Hiertoe werken vele factoren mede. De druk van het gewicht van den romp en het verschil in groei van enkele onderdeelen van het bekken oefenen daarbij wel den meesten invloed uit. Doch ook sommige ziekten gedurende het ontwikkelingstijdperk en de levensomstandigheden der meisjes missen haar uitwerking niet.De vroegere bewering, dat ook de meerdere of mindere beschaving van een volk invloed uitoefent op den vorm van het bekken, is gebleken onjuist te zijn. Wel komen er bij verschillende volkeren ook verschillende bekkenvormen voor, maar daarvoor bestaan andere oorzaken.Een denkbeeldige lijn van boven naar onderen, midden door het bekken getrokken, zoodanig dat zij overal op gelijken afstand van de wanden blijft, noemt men de middellijn of as van het bekken. Zij vormt een naar voren gerichten hollen boog. Wat door het bekken gaat, dus ook het kind bij de geboorte, moet zich in de richting van deze lijn bewegen.Door de zachte deelen, waarmede het bekken in- en uitwendig bekleed is, schijnt het voorkomen een ander dan het beschrevene te zijn.Zoo wordt de ingang van het kleine bekken van achteren door het dikke gedeelte van de groote lendenspieren bekleed en ondergaat daardoor een geringe vernauwing.Plaat V No. 64. In liggende houding met opgetrokken knieën ontspannen zich de groote lendenspieren en wordt die vernauwing daardoor voor een groot gedeelte geneutraliseerd.De grootste verandering in voorkomen ondergaat wel de bekkenuitgang. Terwijl deze bij het skelet geheel open is, wordt hij in werkelijkheid, bij het levende individu, door sterke peesvliezen en door spieren bijna geheel gesloten en hij behoudt bij de vrouw slechts drie kleine openingen.De achterste opening is de aars (anus), de middelste de mond der scheede (ostium vaginae) en de voorste de opening der pisbuis (urethra). Deze openingen zijn alle drie omgeven door sluitspieren, die aan den wil onderworpen zijn.Het gedeelte, tusschen aars en scheede gelegen, wordt bilnaad (perineum) genoemd. Deze vliezige spiermassa gaat aan weerszijden, zonder bepaalde grenzen, in de binnenste vlakte der beenen over. Van den mond der scheede af tot aan den aars neemt de bilnaad in dikte toe. De vrouwelijke bilnaad is korter en breeder dan de mannelijke.De Spieren.Het geraamte is bijna geheel omgeven door spieren. Zij vormen de vleeschmassa van het lichaam en zijn door middel van pezen aan de beenderen verbonden. Een spier is samengesteld uit evenwijdig loopende spiervezels, die tot een bundeltje zijn vereenigd, hetwelk door een dun bindweefselvliesje omgeven is. Vele zulke bundeltjes vereenigen zich tot groote bundels, die dan telkens weder omgeven worden door een bindweefselkokertje, totdat zij ten slotte de geheele spier vormen, die dan in haar geheel omhuld wordt door een dikker vlies.Bij krachtig ontwikkelde spieren, een gevolg van geregelde werkzaamheid, zijn de afzonderlijke spiervezels in aantal toegenomen en heeft de spier daardoor een grooter omvang verkregen. Voortdurende rust en werkeloosheid van een spier veroorzaakt omvangsvermindering (atrophie).De werkzaamheid der spieren bestaat in het zich samentrekken; het is dan alsof de vleeschmassa der spier zwelt en harder wordt. Werkt een spier, dan heeft er in haar weefsel een scheikundig proces plaats, waarbij ontledingsproducten ontstaan, die door het bloed worden weggevoerd. Worden deze ontledingsproducten niet snel genoeg verwijderd, dan hoopen zij zich tijdelijk in het weefsel der spier op en veroorzaken het gevoel van vermoeidheid. Een spier, die niet voortdurend saamgetrokken is, doch afwisselend werkt, kan veel langer doorwerken zonder vermoeid te worden, dan een, die wel voortdurend saamgetrokken is. Vandaar dat het staan, waarbij immers ook spieren werkzaam zijn en wel onafgebroken dezelfde, meer vermoeit dan het gaan, of dat men beter een halven dag onafgebroken met armen en handen kan werken, dan 10 minuten een licht voorwerp met uitgestrekten arm onbeweeglijk vasthouden.Men onderscheidt de spieren inwillekeurigeenonwillekeurige. De willekeurige spieren gehoorzamen aan den wil; wij hebben het in onze macht, ze te doen samentrekken of werkloos te houden. Haar spiervezels zijn, onder het mikroskoop gezien, dwarsgestreept. Al de spieren van het hoofd, den romp en de ledematen behooren tot de willekeurige spieren.De samentrekking der onwillekeurige spieren hebben wij niet in onze macht. Men vindt ze in de bloedvaten, in de baarmoeder, in de maag, in de darmen, enz. In de laatste zijn zij het bijv., die de voortbeweging van het voedsel tot stand brengen. Onder het mikroskoop gezien, vertoonen die spieren geen dwarse strepen.Bij man en vrouw komen over het geheele lichaam dezelfde spieren voor, die ook in bouw, vorm en verrichting geen werkelijk verschil aanbieden. Slechts de spieren van de geslachtsorganen wijken hiervan uit den aard der zaak af.Plaat IIgeeft een groot aantal spieren van de voorzijde van het lichaam te zien, die genummerd werden en waarvan de namen achter de overeenkomstige nummers in de bijgevoegde beschrijving te vinden zijn.Alleen zij hier nog vermeld, dat het lieskanaal,Plaat II No. 41,van de vrouw langer en nauwer is dan dat van den man, waardoor verklaard wordt, dat liesbreuken bij mannen veelvuldiger voorkomen dan bij vrouwen.Een liesbreuk toch ontstaat, wanneer een buikingewand, bijv. een darmlis door het lieskanaal uitzakt.De Bloedsomloop.Het bloed bestaat uit een licht-geel vocht, bloedplasma, waarin zich millioenen van mikroskopisch kleine celletjes bevinden, de z.g. bloedlichaampjes. Het grootste deel daarvan is rood gekleurd; de overige zijn kleurloos.Het bloed vervult in het lichaam de rol van zuurstof in de longen en voedingsstoffen in de spijsverteringsorganen op te nemen en over te brengen naar de verschillende deelen van het lichaam, om daarna de in die lichaamsdeelen ontstaneonbruikbare stoffen weg te voeren naar de plaatsen, vanwaar zij uit het lichaam verwijderd kunnen worden. Te dien einde is het noodzakelijk, dat het bloed aanhoudend door het lichaam stroomt. Deze strooming, die men den bloedsomloop of kringloop noemt, komt tot stand door samentrekkingen van het hart.Hethart(cor) is een holle, kegelvormige spier,Plaat III No. 1–4, die in de borstholte links van haar middellijn gelegen is, doch nog gedeeltelijk door het borstbeen bedekt wordt. Het ligt tusschen de beide longen. De breede basis van het hart is schuin naar boven en zijn top naar beneden gekeerd. Die top, de punt van het hart genoemd, ligt tusschen de 5e en 6e linker rib.De grootte van het hart komt in den regel overeen met de grootte van de vuist. Een vrouwenhart is dikwijls in verhouding iets kleiner dan een mannenhart.De holte van het hart wordt door een middenschot in een rechter en linker helft verdeeld.Plaat V No. 28–32. Beide helften bestaan echter weder uit twee deelen, een kamer (ventriculus) en een voorkamer (atrium). Hartoor (auriculum cordis) noemt men het aanhangsel, dat aan elke voorkamer zit.Plaat III No. 3 en 4.Het hart is dus in vier ruimten verdeeld, twee kamers en twee voorkamers, die ieder een zelfde hoeveelheid bloed kunnen bevatten.De voorkamers zijn wel is waar kleiner dan de kamers, doch zij kunnen niettemin dezelfde hoeveelheid bloed bevatten, omdat zij dunne vliezige wanden bezitten, die zich verder kunnen uitzetten dan de dikke spierwanden van de kamers.Iedere voorkamer staat met de bij haar behoorende kamer in verbinding door een opening, welke door een vlies, het klapvlies, kan afgesloten worden.Fig. 6. Kringloop van het bloed. (Gegenbaur.)Fig. 6.Kringloop van het bloed.(Gegenbaur.)a. linkerhartkamer.b. slagaderen van het lichaam.c. capillairbuisjes.d. begin der aderen.e. aderen van het lichaam.f. rechter voorkamer.g. rechter kamer.h. slagaderen van de longen.i. capillairbuisjes van de longen.j. aderen van de longen.k. linker voorkamer.Wij kunnen den bloedsomloop het gemakkelijkst volgen, wanneer wij ons als inFig. 6, dien kringloop enkelvoudig voorstellen. Uit delinkerkamer,Fig 6a, stroomt het bloed in de groote lichaamsslagader(aorta). Deze gaat eerst met een boog naar boven,Plaat III No. 5 en 6, kromt zich dan naar beneden en verloopt langs de wervelkolom. Op haar weg geeft zij tal van slagaderen af, die naar de verschillende deelen van het lichaam gaan. (InFig. 6is daarvoor enkel de boogbgenomen.) Ieder van die slagaderen verdeelt zich op haar beurt weder en vormt steeds fijnere slagaderen, totdat ten slotte deze kanaaltjes mikroskopisch fijn worden en dan haarvaten of capillairvaten genoemd worden.Fig. 6 c. De kracht, die noodig is om het bloed door al die groote en kleine vaten te drijven, is zeer groot; van daar dat de spiermassa van de linker kamer sterk ontwikkeld is.De capillairvaten bezitten een zeer dunnen wand, die gemakkelijk vocht doorlaat; daardoor kan het bloed, dat door de capillairvaten stroomt, het vocht, waarin de voedingsstoffen voor de weefsels aanwezig zijn, afgeven en de onbruikbare stoffen, ontledingsproducten, uit de weefsels in zich opnemen.Nadat deze uitwisseling van stoffen is volbracht, vereenigen zich de capillairvaten weder tot wijdere vaten (aderen),Fig. 6 e, die tot nog steeds wijdere samenkomen en eindelijk het bloed verzamelen in de twee groote lichaamsaderen(vena cava superior et inferior),Plaat III No. 9 en 10, welke in derechtervoorkamer uitmonden.Fig. 6 f.Zoodra het bloed in de rechter voorkamer aangekomen is, trekt deze zich samen en wordt het naar de rechter kamer geperst.Fig. 6 g.Daarop volgt de samentrekking van derechterkamer. Het klapvlies, dat tot dusverre de opening tusschen voorkamer en kamer vrij liet, drukt zich nu tegen die opening zoodanig aan, dat het haar geheel afsluit. Het bloed kan daardoor niet naar de voorkamer terug en zoekt een uitweg door het bloedvat, dat naar de longen gaat.Fig. 6 h. Ook dit vat ondergaat spoedig een verdeeling, er ontstaan telkens kleiner vaten en ten slotte weer capillairvaten,Fig. 6 i, die zich daarna weder vereenigen en eindelijk samenkomen in een groot vat, de longader,Fig. 6 j, welke in delinkervoorkamer,Fig. 6 k, uitmondt.Op den weg door de capillairvaten van de long neemt het bloed de ingeademde zuurstof in zich op en komt daarvan voorzien in delinkervoorkamer aan.Zoodra deze gevuld is, volgt de samentrekking en wordt het bloed gestuwd naar de linker kamer, vanwaar dit opnieuw zijn kringloop begint. Reeds werd opgemerkt, dat ook op de grens tusschenlinkervoorkamer en kamer zich een klapvlies bevindt. Bij contractie van de linker kamer sluit dit den weg naar de voorkamer en belet daardoor het terugstroomen van het bloed.Het van zuurstof voorziene, z.g. slagaderlijk bloed bezit een helderroode kleur en loopt door de slagaderen (arteriae) naar de weefsels. Keert het nu door de aderen (venae) naar het hart terug, nadat het de zuurstof heeft afgegeven, dan is het z.g. aderlijk bloed donkerrood, blauwachtig van kleur. Als zoodanig komt het ook in de rechter voorkamer aan, doch zal weldra, na door de rechter kamer te zijn gegaan, in de longen treden en daar nieuwe zuurstof opnemen, koolzuur en andere gassen afgeven en weer als slagaderlijk bloed het linker hart bereiken.Telkens wanneer de kamers zich samentrekken, stoot het hart met de punt tegen den borstwand; men kan zich hiervan overtuigen door den vinger te plaatsen tusschen de 5e en 6e rib en wel eenigszins links onder den linker borsttepel. Bij iedere samentrekking van het linker hart wordt een bloedgolf door de slagaderen gedreven: op sommige plaatsen van het lichaam is dit nu duidelijk voelbaar als men den vinger op de slagader laat rusten. Men noemt dit den polsslag. Polsslag en hartslag geven beide dus te kennen, dat er een samentrekking van de kamers plaats heeft. Linker en rechter kamer doen dit bijna gelijktijdig.Bij den gezonden, volwassen mensch geschiedt dit 65 à 80 maal in de minuut; bij kinderen slaat de pols sneller, bij pasgeborenen ongeveer 140 maal in de minuut. Volgens sommigen bestaat een gering verschil in de snelheid van eenvrouwen- en een mannenpols. Zij nemen aan, voor mannen gemiddeld 70, voor vrouwen gemiddeld 76 slagen in de minuut.Allerlei omstandigheden oefenen, ook in gezonden toestand, invloed uit op de snelheid van den pols. Zij ondergaat verandering na lichaamsinspanning, na het eten, in den slaap, bij temperatuursverandering, enz.Het geheele hart en een gedeelte van de bloedvaten, die er uitkomen en er in terugkeeren, zijn door een vliezigen zak, het hartzakje (pericardium) omgeven. Dit zakje is iets grooter dan het hart; voorzoover het niet geheel met het hart wordt gevuld, is de ruimte door vocht ingenomen.Plaat IIIgeeft een duidelijk beeld van de ligging en van den vorm van het hart en van de voornaamste slagaderen en aderen.Deslagaderen voor de geslachtsorganengaan van de zaadslagaderen (arteriae spermaticae internae) uit,Plaat III No. 23. Gedurende de zwangerschap, doch ook bij verschillende baarmoederziekten nemen zij zeer sterk in doorsnede toe. Deze toename houdt gelijken tred met de omvangstoename van de baarmoeder. Zoowel de stam van de zaadslagader als haar vele vertakkingen nemen er aan deel. Daardoor voert dit netwerk van vaten in zulke gevallen een groote hoeveelheid bloed aan de baarmoeder toe.Tot het vaatstelsel behooren ook de lymphvaten of watervaten. Om zich hiervan een juiste voorstelling te vormen, bedenke men, dat de capillairvaten in weefselspleten liggen en daarin voedingsvocht voor de weefsels afgeven. Het niet verbruikte vocht met de ontledingsproducten moet nu een uitweg hebben. Voor een deel wordt het, zooals wij gezien hebben, met het aderlijk bloed weggevoerd. Voor zoover dit niet het geval is, vloeit het weg door vaatjes, welke door vereeniging der weefselspleten ontstaan. Het vocht noemt men lymph en de vaatjes lymphvaten. Delymphvatenvereenigen zich tot één groot lymphvat en dit mondt uit in een groote ader.Het Zenuwstelsel.De verrichtingen van de afzonderlijke organen van het lichaam worden door middel van het zenuwstelsel tot één geheel vereenigd.Men verdeelt het zenuwstelsel in eencentraalen eenperipheergedeelte. Tot het centraal gedeelte behooren de hersenen en het ruggemerg.In het centraal gedeelte van het zenuwstelsel ontstaan de prikkels, die de werking der spieren opwekken en worden de indrukken, door de zintuigen ontvangen, in voorstellingen en gewaarwordingen omgezet. Het wordt tevens gehouden voor den zetel van het verstand.Het periphere gedeelte van het zenuwstelsel bestaat uit zenuwen (nervi), die alsleidraden, prikkels en indrukken overbrengen en de verschillende organen met het centrale zenuwstelsel in verbinding brengen.Dehersenen(encephalon) zijn in de schedelholte besloten. Ze zijn door drie vliezige hulsels omgeven, die, van buiten naar binnengerekend, onderscheiden worden in harde hersenvlies (dura mater), spinnewebsvlies (arachnoidea) en zachte hersenvlies (pia mater).De bouw der hersenen is zeer gecompliceerd. Hier zij alleen vermeld, dat zij verdeeld worden in groote hersenen (cerebrum), kleine hersenen (cerebellum) en het verlengde merg (medulla oblongata). Zij bestaan uit twee helften, die aan elkander gelijk zijn.De hersenoppervlakte heeft boogsgewijs gekronkelde verhevenheden; deze verhevenheden worden gyri genoemd, terwijl de daartusschen liggende sleuven sulci genoemd worden.Plaat IV No. 1.De beide helften van de groote hersenen zijn door den zoogen. balk (corpus callosum) met elkander verbonden, terwijl de beide helften der kleine hersenen in de brug van Varol (pons Varoli) hun verbindingspunt vinden.Plaat IV No. 2.Het verlengde merg verlaat de schedelholte door het achterhoofdsgat en gaat in het ruggemerg over.Plaat IV No. 3.Men heeft het er langen tijd voor gehouden, dat de hersenen van de vrouw lichter zouden zijn dan die van den man. Vroegere onderzoekers beschouwden het gewicht der hersenen in verhouding tot de lengte van het lichaam en kwamen daardoor tot een foutief resultaat. In den laatsten tijd heeft men redelijker gehandeld. Men bepaalde het hersengewicht in verband met het lichaamsgewicht en kwam zoodoende tot het resultaat, dat de hersenen der vrouwen minstens even zwaar, doch veelal iets zwaarder zijn dan die der mannen. Het is evenwel te begrijpen, dat men uit deze berekening niet mag concludeeren tot meerdere of mindere intelligentie van een der beide geslachten.Ook is beweerd dat verschil in verhouding van de hersendeelen onderling was toe te schrijven aan geslachtsverschil. Men meende namelijk ontdekt te hebben, dat de voorhoofdskwabben van de hersenen in verhouding tot zijn overige deelen bij den man grooter waren dan bij de vrouw en omdat men altijd had aangenomen dat aldaar het verstand zetelde, was de uitkomst van het onderzoek geen verrassing. Het is evenwel gebleken, dat deze ontdekking aan onjuiste waarnemingen moest worden toegeschreven. Onderzoekers van lateren tijd hebben aangetoond, dat de voorhoofdskwabben van de vrouw beter ontwikkeld zijn dan die van den man en hoewel het verschil zeer gering is, het overwicht toch is aan de zijde der vrouw. Laat mij onmiddellijk hieraan toevoegen, dat men in den laatsten tijd twijfel is gaan opperen, of het verstand wel in de voorhoofdskwabben zetelt.Nog andere kenmerkende verschillen heeft men gemeend te vinden, doch telkens bleken zij den toets van het onderzoek niet te kunnen doorstaan, zoodat men dan ook op dit oogenblik geen enkel belangrijk punt van verschil tusschen de hersenen van mannen en vrouwen kan aannemen en zeer zeker in geen enkel opzicht uit de verkregen resultaten een besluit ten nadeele van het intellect der vrouw mag trekken.Keeren wij thans terug tot hetruggemerg(medulla spinalis), het lange, cylindervormige gedeelte van het centrale zenuwstelsel, in de holte van de ruggegraat gelegen en evenals de hersenen door drie vliezen omgeven.Plaat IV No. 4–7. Het eindigt van onderen ter hoogte van den 1en of 2en lenden wervel stomp kegelvormig (conus medullaris), vanwaar een draadvormig uiteinde (filum terminale) verder het ruggemergskanaal doorloopt.Men onderscheidt drie soorten vanzenuwen: gevoels-, bewegings- en sympathische zenuwen.Wordengevoelszenuwen geprikkeld, dan wordt die prikkel overgebracht naar de hersenen en volgt een gewaarwording, bijv. van pijn of warmte, van reuk of geluid.Debewegingszenuwen eindigen alle in de spieren. Worden die zenuwen geprikkeld, dan volgt samentrekking van de daarmede correspondeerende spieren.Gaan wij nu na, uit welke zenuwen de verschillende organen hun zenuwtakken ontvangen, dan blijkt, dat de hersenen 12 paar hersenzenuwen leveren, terwijl uit het ruggemerg 31 paar ruggemergszenuwen haar oorsprong nemen.De 12 paar hersenzenuwen zijn bijna uitsluitend bestemd voor de verschillende deelen van het hoofd. Zij voorzien de zintuigen van zenuwtakken en geven verder gevoels- en bewegingszenuwen voor het hoofd af.De 31 paar ruggemergszenuwen worden bij haar oorsprong in twee takken gescheiden, waarvan de voorste, de dikkere tak, bewegingszenuwen, de achterste, gevoelszenuwen levert.Deze ruggemergszenuwen zijn verdeeld in 8 hals-, 12 borst-, 5 lenden-, 5 heiligbeens- en 1, soms 2 stuitbeenszenuwen. Zij verlaten alle het ruggemergskanaal door de voor hen bestemde opening in de overeenkomstige wervels. Aangezien het ruggemerg op de hoogte van den 1en of 2en lendenwervel eindigt, moeten de lenden-, heiligbeens- en stuitbeenszenuwen dus nog een eind in het ruggemergskanaal afleggen, voor zij de voor ieder harer bestemde uitgangsopening in de wervels bereiken. De zenuwen, die evenwijdig naar beneden loopen, geven een eigenaardigen vorm aan het uiteinde van het ruggemerg, dat daarnaar den naam van paardenstaart (cauda equina) verkregen heeft. OpPlaat IVis dit alles zeer juist afgebeeld.Desympathischezenuwen vormen een afzonderlijke groep. Zij vinden haar oorsprong in twee dikke zenuwkoorden, die langs beide zijden van de wervelkolom loopen. Zij begeleiden hoofdzakelijk de bloedvaten op hun talrijke wegen en regelen de wijdte der kleine slagaderen.De Spijsverteringsorganen.De spijsverteringsorganen (organa digestionis) dienen tot opneming en omzetting van voedingsstoffen; zij vormen een kanaal, waarvan de mondholte (cavum oris) het begin en de aars (anus) het einde vormt. Slechts het begin en het einde is aan den wil onderworpen.De voedingsstoffen worden in de verschillende deelen van het spijsverteringswerktuig omgezet in zoodanigen vorm, dat zij in het bloed kunnen worden opgenomen en in de verschillende weefsels kunnen worden afgescheiden om daar de verbruikte stoffen te vervangen. De aanvoer van nieuwe voedingsstoffen moet gelijk staan met, of meer zijn dan de verbruikte hoeveelheid, anders heeft er achteruitgang van de weefsels plaats.Het geheele voedingsproces berust op een scheikundige omzetting der toegevoerde stoffen. De onbruikbare, niet tot opneming geschikte bestanddeelen gaan tot aan het einde van het darmkanaal door, om daar verwijderd te worden.De spijsverteringsorganen zijn van het begin tot het einde met slijmvlies bekleed. Dit slijmvlies is rijk aan slijmkliertjes en bevat verder veel bloedvaten, lymphvaten en zenuwen.Demondholtemoet als het begin beschouwd worden. Zij vormt een holte, vanbovenbegrensd door een naar voren gelegen hard en naar achteren gelegen zacht gehemelte (palatum durum et molle). Achter aan het zachte gehemelte bevindt zich de huig (uvula), die de keelholte schijnbaar in twee helften verdeelt.Het zachte gehemelte vertoont verder twee verheffingen, die als bogen naar rechts en naar links verloopen; tusschen detweerechtsche en tusschen de twee linksche booghelften ligt telkens een amandel (tonsilla).Aan beidezijdenwordt de mondholte begrensd door de wangen; daarin verloopen de wangspieren (musculi buccinatores).Plaat II No. 13.Deonderkantvan de mondholte wordt grootendeels gevormd door de tong (lingua); deze laat slechts een klein gedeelte van den eigenlijken bodem der mondholte vrij. De tong bestaat uit spieren, waarvan de vezelen in verschillende richtingen verloopen. Hierdoor worden de meest verschillende bewegingen mogelijk gemaakt.In de mondholte wordt het vaste voedsel gekauwd. Dit kauwen geschiedt, doordien de onderkaak op en neer en ook in zijdelingsche richting bewogen wordt; de bovenkaak staat vast. Onder het kauwen wordt de spijsbrok voortdurend verplaatst en wel door middel van de tong, de lipspieren en de wangspieren.Tijdens het kauwen wordt het voedsel innig vermengd met speeksel, een vocht, dat afgescheiden wordt door de speekselklieren, waarvan er aan beide zijden een in de wang nabij het oor ligt: de oorklier (glandula parotis), en die haar uitvoergang dwars door het wangslijmvlies naar de mondholte zendt. Verder liggen nog twee paar speekselklieren in de onderkaak: de onderkaaksklier (glandula submaxillaris) en de ondertongsklier (glandula sublingualis). Van beide paren komen de uitvoergangen onder de tong uit.Door de vermenging met speeksel wordt het doorslikken van de spijsmassa vergemakkelijkt en wordt reeds een gedeelte van het voedsel, bijv. hetgeen uit meel bestaat, zoodanig scheikundig veranderd, dat het geschikt wordt om later in het bloed te worden opgenomen.Is het voedsel gekauwd, dan wordt het ingeslikt en vervolgt daarna zijn weg door denslokdarm(oesophagus),Plaat V No. 39. Van den slokdarm komt het in de maag.Demaag(ventriculus) ligt voor de grootste helft in het linker bovenste gedeelte van de buikholte. Zij stoot van boven aan het middelrif, links van haar ligt de milt en achter haar de alvleeschklier, terwijl zij rechts gedeeltelijk door de lever bedekt wordt. De plaats, waar de slokdarm in de maag overgaat, is de maagingang (cardia) en de overgang van de maag in den twaalfvingerigen darm heet portier (pylorus). Tusschen den maagingang en den maaguitgang ligt de wijde, naar onderen en links sterk uitgebogen zak, de grondvlakte van de maag (fundus ventriculi).Plaat V No. 40.Aan den pylorus wordt de maag van den twaalfvingerigen darm gescheiden door een kringspier, welke van tijd tot tijd geopend wordt om voedsel door te laten.Het spijsverteringsproces, reeds in de mondholte aangevangen, wordt in de maag voortgezet en wel door middel van een vocht, het maagsap, dat door het maagslijmvlies wordt afgescheiden en voornamelijk bestaat uit pepsine en zoutzuur.Dit vocht bezit het vermogen, het eiwit van het voedsel meer geschikt te maken tot opneming in het bloed. Door samentrekking van de in den maagwand gelegen spieren wordt het voedsel innig met het maagsap saamgekneed.Van tijd tot tijd gaat nu, zooals gezegd is, een deel van den maaginhoud in dentwaalfvingerigen darm(duodenum) over. Men verdeelt den darm in dunnen en dikken darm.De dunne darm bestaat weer uit drie deelen: dentwaalfvingerigen(duodenum), dennuchteren(jejunum) en denkronkeldarm(ileum). In het geheel vormt de dunne darm een buis van 5 à 6 Meter lengte, met lissen en bochten, waarvan eenige zelfs tot in de kleine bekkenholte afhangen.Plaat V No. 43 en 44.In den dunnen darm ondergaat het voedsel nieuwe veranderingen, doordien het daar in aanraking komt met twee vochten, de gal en het sap van de alvleeschklier. Beide vochten zorgen voor een verdere omzetting, waardoor opneming in het bloed mogelijk wordt.De gal is een afscheidingsproduct uit delever, de grootste klier van het menschelijk lichaam. De lever (hepar),Plaat V No. 48, is tamelijk week, bezit een bruinroode kleur en is gelegen in de rechter bovenste buikstreek, tegen het middelrif aan. Haar onderste rand moet slechts even onder de ribben uit gevoeld kunnen worden. Bij vrouwen, die zich sterk rijgen, wordt de lever naar onderen geperst en is daardoor veel gemakkelijker waar te nemen.De lever scheidt onophoudelijk gal af, die in de galblaas (cystis fellea),Plaat V No. 49, wordt verzameld en zich gedurende de spijsvertering in den dunnen darm ontlast.De galblaasbuis (ductus choledochus) voert de gal naar den twaalfvingerigen darm.Dealvleeschklier(pancreas),Plaat V No. 42, is een klier, die een lengte heeft van ongeveer 20 cM en een breedte van 3 à 4 cM. Ook haar uitvoergang mondt in het duodenum uit, vlak bij dien van de gal. Het sap der alvleeschklier heeft een groote beteekenis, omdat het op alle bestanddeelen van het voedsel een krachtigen invloed uitoefent.In den dunnen darm wordt eveneens het voedsel gekneed, maar tevens voortbewogen. Deze voortbeweging komt tot stand, doordien de darmwand zich achter de voedselmassa vernauwt en verkort. Dit herhaalt zich telkens met het opvolgend stuk darm en zoo gaat het voort, alsof men van de maag uitgaande, met de vingers den darm drukkende, de voedselmassa voortbeweegt. Zulk een beweging noemt men een wormvormige of peristaltische.Van dendunnendarm gaat de massa nu over in dendikken. Op de plaats van overgang wordt een zak gevormd, de blinde darm (intestinum coecum),Plaat V No. 45. De dikke darm is veel wijder dan de eerste en is ook meer rekbaar. Eerst verloopt hij naar boven tot aan de lever, gaat dan van rechts naar links, om zich vervolgens naar beneden te buigen en in den endeldarm (rectum) over te gaan. Vóór den overgang in den endeldarm noemt men den dikken darm ook wel colon.De opneming van het voedsel in het bloed begint reeds in den maagwand en zet zich verder over het geheele darmkanaal voort. De wijze, waarop dit geschiedt, hier uiteen te zetten, zou tot te groote uitvoerigheid leiden. Slechts zij opgemerkt, dat behalve het vet, al het omgezette voedsel wordt afgevoerd door bloedvaten, welke in maag- en darmwand gelegen zijn. Zoo komt het dan in het bloed der holle ader, in rechter voorkamer, rechter kamer, longcapillaria, linker voorkamer, linker kamer, aorta en stroomt door de slagaderen naar alle deelen van het lichaam. In de fijne haarvaten wordt eindelijk het voedsel aan de weefsels afgegeven. Het vet wordt door een eigen vaatsysteem uit den darmwand afgevoerd, maar dit systeem mondt ten slotte toch ook in het aderlijke bloed uit, zoodat ook het vet den weg van rechter voorkamer, rechter kamer, enz. volgt.Demilt(lien),Plaat V No. 41, behoort eigenlijk niet tot de digestie-organen; zij wordt hier alleen besproken, omdat zij in de buikholte vlak achter of naast de grondvlakte van de maag gelegen is en nog niet is uitgemaakt, welke functie zij eigenlijk te vervullen heeft. Het is een bruinrood orgaan, ter grootte van een vuist, dat buitengewoon vaatrijk is.Het buikvlies (peritoneum) is een volkomen gesloten zak (bij de vrouw wordt het alleen door de buikopeningen van de Fallopiaansche buizen, waarover later, doorboord), waarmede de inwendige oppervlakte van de buik- en bekkenwanden is bekleed (peritoneum parietale) en dat de buik- en bekkeningewanden zoodanig omgeeft, dat deze daardoor geheel overdekt zijn (peritoneum viscerale).De Ademhalingsorganen.Door middel van de ademhalingsorganen wordt zuurstof in het bloed gebracht en worden onbruikbare gasvormige omzettingsproducten, voornamelijk koolzuur, uit het lichaam verwijderd. Tot de ademhalingsorganen behooren de groote luchtwegen en de longen. Langs de luchtwegen, waartoe alleen de neus, het strottenhoofd en de luchtpijp gerekend worden, bereikt de lucht de longen.Deneus(nasus), tegelijkertijd ons reukorgaan, is in normale omstandigheden de eenige toegangsweg tot de longen, daar de doortocht door den mond eigenlijk alleen als noodhulp behoort gebruikt te worden. Doordien deze toegangsweg zoo nauw is en bovendien nog vele bochten vertoont, kan de buitenlucht er slechts langzaam doorgaan en komt zoodoende behoorlijk verwarmd in de longen aan.Hetstrottenhoofd(larynx),Plaat V No. 24, is een uit kraakbeenderen samengesteld orgaan, dat bij den ingang een klepje, strotteklepje (epiglottis) bezit, waardoor die ingang kan afgesloten worden. Het strottenhoofd staat van boven met den mond en den neus in verbinding; van onderen gaat het in de luchtpijp over. Bij het slikken sluit het zeer beweeglijk en veerkrachtig strotteklepje den toegang naar het strottenhoofd af en verhindert daardoor, dat het doorgeslikte in de luchtwegen komt.Het strottenhoofd dient tot orgaan voor stemvorming. Daarvoor zijn binnen in de holte slijmvliesplooien gespannen, die als stembanden dienst doen. Door aldaar aanwezige, talrijke kleine spieren zijn wij in staat de stembanden meer of minder sterk te spannen en daardoor de verschillende tonen in ons geluid te brengen.Het strottenhoofd is bij vrouwen aanmerkelijk kleiner dan bij mannen. Totop ongeveer 15-j. leeftijd is er geen noemenswaardig verschil; daarna ontwikkelt het zich bij jongens veel sterker dan bij meisjes. De stembanden zijn dan ook bij de eersten langer en de stemspleet, de spleet tusschen beide stembanden gelegen, waardoor de in- en uitademingslucht passeeren moet, iets breeder. Het verschil in stem bij mannen en vrouwen is daaraan toe te schrijven.Deluchtpijp(trachea),Plaat V No. 25, is een 10–22 cM. lange buis, uit een aantal (16–20) kraakbeenringen samengesteld, welke door veerkrachtige, vezelachtige banden onderling zijn vereenigd. Op de hoogte van den 4en borstwervel splitst de luchtpijp zich in twee takken, de luchtpijpstakken (bronchi),Plaat V No. 26, die naar de rechter en linker long loopen.De rechter tak, die iets korter en wijder is dan de linker, splitst zich in drieën, voor elke rechter longkwab een; de linker tak verdeelt zich slechts in tweeën, omdat de linker long slechts twee kwabben bezit. In de long wordt elke tak in ontelbaar kleine en steeds fijner wordende takjes verdeeld, die ten slotte alle uitmonden in een fijn, zakvormig blaasje, de longblaasjes. Vele van deze met lucht gevulde longblaasjes vormen te zamen een longlapje en uit een aantal van zulke lapjes zijn de longen opgebouwd.Delongen(pulmones),Plaat V No. 27, zijn twee weeke, sponsachtige organen, die in de beide helften der borstkas een plaats vinden en de holte hiervan geheel vullen. De longslagader, die met de luchtpijpstakken aan de binnenvlakte der longen naar binnen treedt, vertakt zich aldaar evenals de luchtpijpstakken in vele kleine slagaderen, om eindelijk het weefsel van de longblaasjes met een net van capillairen te omgeven. Hierdoor is het bloed in staat, de zuurstof van de ingeademde lucht in zich op te nemen en daarvoor de in het lichaam ontstane, onbruikbare gassen, die het meevoerde, af te geven, welke dan met de lucht worden uitgeademd. Bij verruiming van de borstkas zetten de longen zich uit; de longblaasjes vullen zich dan met versche lucht, wat meninademennoemt. Men spreekt vanuitademen, wanneer de gebruikte lucht de longen verlaat. In- en uitademing gezamenlijk heetademhaling. Door samentrekking van de spieren van de borstkas komt de ademhaling tot stand; dan toch wordt de borstkas verruimd.Een spier, die bij de ademhaling een voorname rol speelt, worde hier afzonderlijk vermeld. Deze spier, het middelrif (diaphragma),Plaat V No. 50, sluit de borstholte geheel van de buikholte af. Rondom aan de ribben bevestigd, bevindt zij zich in toestand van rust bolvormig gespannen in de borstholte. Bij samentrekking wordt de welving van de spier vlak en wordt de borstkas daardoor aanmerkelijk verruimd. De spiermassa bezit in het midden twee openingen, waardoor de slokdarm en de lichaamsslagader van de borst- in de buikholte en de onderste holle ader van de buik- in de borstholte kunnen overgaan.In geheel rustigen, normalen toestand hebben er bij volwassen menschen 16 à 20 ademhalingen in de minuut plaats. Bij kinderen is dit aantal grooter, terwijl ook vrouwen iets sneller ademen dan mannen. Allerlei invloeden kunnen de ademhaling versnellen, zonder dat wij nog met ziekelijke afwijkingen te doen hebben, bijv. bij inspanning der spieren, bij gemoedsaandoeningen, enz.De hoeveelheid lucht, die bij diepste inademing op eenmaal kan ingeademd worden, de vitale capaciteit der longen, is bij mannen grooter dan bij vrouwen.Dat in normalen toestand ook dewijzevan ademhaling bij mannen en vrouwen zou verschillen, heeft men vroeger wel aangenomen, doch later is gebleken, dat dit een dwaling was. Men dacht, dat mannen ademden hoofdzakelijk door samentrekking van het middelrif (buikademhaling); vrouwen daarentegen door samentrekking van de borstspieren (ribben-ademhaling). Het is echter gebleken, dat deze ribbenademhaling, wanneer zij voorkomt bij vrouwen, meestal een gevolg is van te nauw sluitende kleeding, te sterk geregen corsetten, waardoor de uitzetting der borstkas van onderen wordt belemmerd.In de borstholte liggen nog twee klieren, de schildklier (glandula thyreoidea) en de thymusklier (glandula thymus).De schildklier ligt vóór het begin der luchtpijp. Zij is bij vrouwen iets grooter dan bij mannen.De thymusklier ligt achter het bovenste deel van het borstbeen. Deze klier neemt tot het 2e levensjaar in omvang toe, gaat daarna langzamerhand verminderen en is tegen den tijd der geslachtsrijpheid geheel verdwenen.De Pisorganen.Een groot deel der stoffen, die door het stofwisselingsproces in de weefsels worden gevormd en die voor de voeding der organen geen waarde meer hebben, wordt door middel van de pisorganen uit het lichaam verwijderd. Het zijn voornamelijk de stikstofhoudende stoffen, die, in opgelosten toestand, langs dezen weg het lichaam verlaten. Gelijk op bladz. 14 gezegd is, worden zij door het bloed, wanneer dit door de haarvaten der weefsels stroomt, opgenomen, om daarna te worden afgescheiden, wanneer het de nieren passeert.Dit afscheidingsproduct der nieren is de pis (urine).Denieren(renes) zijn boonvormige klieren, van bruinroode kleur. Zij liggen in de lendenstreek, aan beide zijden van de wervelkolom, de linker iets hooger dan de rechter.Plaat V No. 51.Door vetrijk bindweefsel, dat de nieren omgeeft, door het buikvlies, dat haar voorvlakte bekleedt en door de groote bloedvaten, die haar het bloed toevoeren, zijn zij aan haar plaats gebonden. De plaats, waar de groote bloedvaten de nieren ingaan en deze weder verlaten en waar ook de pisleider uittreedt, noemt men de poort van de nier. Somwijlen is een der nieren, meestal de rechter, min of meer bewegelijk. Door zwangerschappen of ziekten kan het gebeuren, dat het bindweefsel om de nier zijn vetrijkdom verliest en de nier daardoor minder stevig bevestigd ligt. Zij verplaatst zich dan af en toe in de buikholte en verkrijgt daardoor den naam van wandelnier.De uitwendige oppervlakte van de nier wordt door een taai, vezelachtig vlies omgeven (capsula fibrosa), dat aan de poort door de in- en uittredende vaten doorboord wordt.Fig. 7 a.Snijdt men de nier in de lengte door, zooals opPlaat V No. 52de linker nier is afgebeeld, dan blijkt, dat haar zelfstandigheid bestaat uit een bruinrood buitenste en een geelwit binnenste gedeelte. Deze bruinroode kleur is hieraan toe te schrijven, dat de nierslagader, aan de poort de nier binnentredende,Plaat V No. 51,en zich steeds fijner vertakkende, doordringt tot het buitenste gedeelte, het zoogen. bastgedeelte, en daar een fijn net van haarvaten vormt. In dit vaatnet wordt de urine afgescheiden. Zij wordt in zeer kleine holten opgevangen en door de pisbuisjes, die in die holten een begin nemen, naar het zoogenaamde nierbekken, in het middenste of merggedeelte van de nier gelegen, gevoerd. De pisbuisjes, aanvankelijk zeer fijn en talrijk, vereenigen zich op hun weg naar het nierbekken en vormen zoodoende steeds wijder wordende buisjes, die eindelijk overgaan in de nierkelken (calices renales), wier uitgangen onmiddellijk in het nierbekken uitmonden.Fig. 7 e.Fig. 7. Lengtedoorsnede van de nier. (Heitzmann.)Fig. 7.Lengtedoorsnede van de nier. (Heitzmann.)a. capsula fibrosa.b. bastzelfstandigheid.c. mergzelfstandigheid.d. nierkelken.e. nierbekken.f. pisleider.Het nierbekken, dat zich in de richting naar de poort trechtervormig vernauwt, gaat aldaar in den pisleider (ureter),Fig. 7 f, over. Onophoudelijk wordt de pis in de nieren afgescheiden, door de pisbuisjes naar de nierkelken gevoerd, door deze in het nierbekken uitgestort en vandaar door den pisleider naar de blaas gebracht. De pisleiders loopen over de groote lendenspier,Plaat V No. 53, naar beneden tot in het kleine bekken en monden daar aan weerszijden onder aan de blaas in deze uit.In depisblaas(vesica urinaria),Plaat V No. 54, wordt de urine opgevangen en kan daar geruimen tijd bewaard worden. De blaas is een zak, met vrij dikken spierwand, die in ledigen toestand achter de schaambeensvereeniging ligt, doch zoodra zij gevuld is, daarboven uitsteekt.De spierlaag is van binnen met slijmvlies bekleed, dat talrijke plooien vormt, wanneer de blaas ledig is. Aan haar bodem bevindt zich een sluitspier, die kringvormig den overgang van blaas in pisbuis omgeeft. Gelijktijdig met de samentrekking van de spierlaag van de blaas opent deze sluitspier zich en verleent aldus de urine een doortocht.Depisbuis(urethra), die de urine uit de blaas buiten het lichaam brengt, is bij de vrouw slechts ongeveer 2 cM lang en mondt boven den ingang der scheede in de schaamspleet uit. Zij is wijder dan de mannelijke pisbuis en kan bovendien nog uitgerekt worden.

De Huid.De huid (cutis), waarmede het geheele menschelijke lichaam is overtrokken, is bij de vrouw zachter en fijner dan bij den man. Zij bestaat uit drie opvolgende lagen: opperhuid (epidermis), lederhuid (corium of derma) en onderhuidsch celweefsel. Bij het Kaukasische menschenras (waartoe wij behooren) is de huid geel-wit van kleur; in de okselholte, aan borsttepel en tepelkring, alsmede aan de uitwendige geslachtsdeelen neemt zij een donkerder tint aan.De huid bevat haren, smeer- en zweetklieren. De in de huid wortelende haren zijn bij den man op meer plaatsen aanwezig dan bij de vrouw. Bij de vrouw komen zij voor op het behaarde gedeelte van het hoofd, hier zelfs in rijke hoeveelheid, vervolgens in de okselholte en op de schaamdeelen; bij vele vrouwen ontwikkelen zich op 45- à 50 jarigen, den zoogen. climacterischen leeftijd, ook op de lip en de kin dikke, sterke haren, die bij sommigen harer een werkelijken baard vormen.De smeerklieren geven een vettige substantie af, welke langs het haar naar buiten treedt. Zij zijn evenals de haren en de zweetklieren in de twee bovenste lagen van de huid gelegen.In de derde laag, het onderhuidsch celweefsel, pleegt zich vet op te hoopen; bij de vrouw is dit in zoo aanzienlijke mate het geval, dat de vormen hierdoor een voor haar karakteristieke volheid en ronding verkrijgen.De huid heeft verschillende bestemmingen te vervullen. Zij is zintuig voor het gevoel, orgaan van afscheiding (zweet en huidsmeer) en helpt mede de inwendige lichaamstemperatuur op bepaalde hoogte te houden.

De huid (cutis), waarmede het geheele menschelijke lichaam is overtrokken, is bij de vrouw zachter en fijner dan bij den man. Zij bestaat uit drie opvolgende lagen: opperhuid (epidermis), lederhuid (corium of derma) en onderhuidsch celweefsel. Bij het Kaukasische menschenras (waartoe wij behooren) is de huid geel-wit van kleur; in de okselholte, aan borsttepel en tepelkring, alsmede aan de uitwendige geslachtsdeelen neemt zij een donkerder tint aan.

De huid bevat haren, smeer- en zweetklieren. De in de huid wortelende haren zijn bij den man op meer plaatsen aanwezig dan bij de vrouw. Bij de vrouw komen zij voor op het behaarde gedeelte van het hoofd, hier zelfs in rijke hoeveelheid, vervolgens in de okselholte en op de schaamdeelen; bij vele vrouwen ontwikkelen zich op 45- à 50 jarigen, den zoogen. climacterischen leeftijd, ook op de lip en de kin dikke, sterke haren, die bij sommigen harer een werkelijken baard vormen.

De smeerklieren geven een vettige substantie af, welke langs het haar naar buiten treedt. Zij zijn evenals de haren en de zweetklieren in de twee bovenste lagen van de huid gelegen.

In de derde laag, het onderhuidsch celweefsel, pleegt zich vet op te hoopen; bij de vrouw is dit in zoo aanzienlijke mate het geval, dat de vormen hierdoor een voor haar karakteristieke volheid en ronding verkrijgen.

De huid heeft verschillende bestemmingen te vervullen. Zij is zintuig voor het gevoel, orgaan van afscheiding (zweet en huidsmeer) en helpt mede de inwendige lichaamstemperatuur op bepaalde hoogte te houden.

Het Geraamte.De grootte van het lichaam en de lichaamsgestalte worden in hoofdzaak bepaald door de beenderen, die onderling verbonden het geraamte (sceleton) vormen. Zij worden verdeeld in lange of pijpbeenderen, breede of platte beenderen en korte beenderen. Sommige beenderen, zooals de schedelbeenderen, kunnen zich ten opzichte van elkander niet bewegen; andere, zooals die der ledematen, wèl. De beweging komt tot stand in de gewrichten. Deze worden gevormd, doordien twee tegen elkander passende en beweeglijke beenuiteinden door een gemeenschappelijk kapsel worden omgeven en aldus los aan elkander zijn verbonden. Over de gewrichtskapsels heen liggen banden (ligamenta), die de verbinding versterken.Het geraamte wordt ingedeeld in schedel, romp en ledematen.Deschedelis samengesteld uit 22 beenderen, die grootendeels behooren tot de breede, platte beenderen; 8 er van dienen tot vorming van de hersenpan (cranium), de 14 overige zijn de aangezichtsbeenderen (ossa faciei). Met uitzondering van het onderkaaksbeen, zijn al de beenderen van het hoofd vast en onbeweeglijk met elkaar verbonden.Er is slechts een zeer gering onderscheid in de schedels van mannen en vrouwen. Alleen bij nauwkeurige vergelijking ziet men de ontleedkundigeverschillen aan sommige onderdeelen van de beenderen. Het voornaamste en meest in het oog vallend verschil is, dat de schedel van de vrouw lager en vlakker is dan die van den man en dat dientengevolge de bovenste rand van het voorhoofd met de vlakte van de hersenpan bij de vrouw een afgeronden hoek vormt, daarentegen bij den man deze overgang eenigszins schuin naar boven loopt. De schedelbeenderen zijn bij mannen dikker dan bij vrouwen.Derompbestaat uit de wervelkolom (columna vertebralis), het borstbeen (sternum) en de ribben (costae). Hoewel het uit een ontleedkundig oogpunt niet juist is, rekent men toch gewoonlijk bij den romp ook het bekken. Dit bestaat uit drie deelen, de heupbeenderen, het heiligbeen en het stuitbeen.De heupbeenderen nu moest men eigenlijk bij de ledematen rangschikken, evenals dit geschiedt met sleutelbeen en schouderblad. Het heiligbeen en het stuitbeen echter maken deel uit van de wervelkolom en zijn te beschouwen als onderling vergroeide wervels. Overigens bestaat de wervelkolom uit wervels, die hoewel stevig aan elkaar verbonden, toch ten opzichte van elkander beweeglijk zijn.Men onderscheidt 7 hals-, 12 borst- en 5 lendenwervels.Fig. 1. Wervelkolom. (Heitzmann.)Fig. 1.Wervelkolom. (Heitzmann.)aa. halswervels.bb.borstwervels.cc. lendenwervels.d. voorgebergte.e. heiligbeen.f.stuitbeen.De wervelkolom is aan het halsgedeelte eenigszins naar voren, aan het borstgedeelte sterk naar achteren en aan het lendengedeelte weder sterk naar voren gebogen. De sterkste buiging naar voren valt samen met den ondersten rand van den ondersten lendenwervel en heet daar voorgebergte (promontorium).Fig. 1 d.De vrouwelijke wervelkolom heeft in verhouding een langer lendengedeelte dan de mannelijke, de bocht naar voren begint iets hooger.Deborstkas(thorax) wordt gevormd door het borstbeen en de ribben. Het borstbeen (sternum), waaraan men de greep (manubrium), kling (corpus) en punt (processus xyphoideus) onderscheidt, is zijdelings met 7 ribben verbonden.Fig. 2..Het vrouwelijk borstbeen heeft een breeder greep en een smaller, langer kling dan het mannelijke.De borstkas telttwaalfpaarribben. De 7 methet borstbeen vergroeide heeten ware ribben (costae verae), de 5 onderste paren, die het borstbeen niet meer bereiken, noemt men valsche ribben (costae spuriae).Bij de vrouwen zijn de ribben niet zoo sterk gebogen als bij de mannen, terwijl bij haar de twee paar eerste ribben betrekkelijk langer zijn.De vrouwelijke borstkas vertoont in haar geheel een ronderen vorm dan de mannelijke. Zij is korter, smaller, maar wijder.Bij vrouwen, die nauwsluitende corsetten dragen, zich rijgen, zooals men het noemt, schuiven de valsche ribben over elkander en wordt de ruimte van de borstkas verkleind. Zoowel de borst als de buikorganen worden hierdoor van hun plaats gedrongen.De beenderen van de bovenste en ondersteledematenbestaan uit verschillende afdeelingen. Aan de bovenste ledematen onderscheiden wij schouder, bovenarm, onderarm en hand. De schouder bestaat uit sleutelbeen (clavicula),Plaat V No. 13, en schouderblad, (scapula),Plaat V No. 17. Het sleutelbeen van de vrouw is naar verhouding langer dan dat van den man.Fig. 2 Borstkas en Wervelkolom (Heitzmann).Fig. 2Borstkas en Wervelkolom(Heitzmann).a. greep van het borstbeen.b. middelstuk of kling van het borstbeen.c. punt van het borstbeen.De bovenarm bezit slechts één been, het bovenarmbeen (os humeri),Plaat V No. 18, dat bij de vrouw korter is dan bij den man. De onderarm is samengesteld uit ellepijp (ulna) en armpijp (radius).Aan de hand onderscheidt men den uit 8 kleine beenderen gevormden handwortel (carpus), de 5 middelhandsbeenderen (metacarpi) en de beenderen van de 5 vingers (phalanges digitorum manus).De handen van vrouwen zijn in den regel korter en smaller dan die van mannen.De onderste ledematen bestaan, voor zoover wij het heupbeen buiten beschouwing laten, uit bovenbeen, onderbeen en voet.Het bovenbeen bestaat alleen uit het dijbeen (os femoris),Plaat V No 23, dat bij vrouwen aanmerkelijk korter is dan bij mannen. Ook is de stand van het bovenbeen ten opzichte van den romp bij vrouwen anders. Bij de vrouw loopen de bovenbeenen van boven naar beneden min of meer naar elkaar toe, en zijn tegelijkertijd eenigszins buitenwaarts gedraaid.Het onderbeen bestaat uit scheenbeen (tibia) en kuitbeen (fibula).De beenderen van den voet worden, evenals die van de hand, verdeeld in beenderen van den voetwortel (ossa tarsi) van den middelvoet (ossa metatarsi) en van de teenen (phalanges digitorum pedis). Vrouwenvoeten zijn korter en breeder dan mannenvoeten.Thans keeren wij terug tot hetbekken, dat, zooals gezegd is, gevormd wordt door het heiligbeen, het stuitbeen en de beide heupbeenderen.Aan het geraamte is het verschil in geslacht nergens zoo duidelijk merkbaar als aan het bekken. Het vormverschil van dit lichaamsdeel is van groote beteekenis voor de taak, die het gedurende de zwangerschap en bij de bevalling vervult.Fig. 3. Rechter heupbeen, van de buitenzijde gezien (Heitzmann).Fig. 3.Rechter heupbeen, van de buitenzijde gezien (Heitzmann).De fijne, dwarsgestreepte lijntjes over de heupkom getrokken geven de plaats aan waar de drie afzonderlijke beenderen van het heupbeen samenkomen en vergroeien.a. darmbeenskam.b. heupkom.c. neerdalende tak van het zitbeen.d. opklimmende tak van het zitbeen.e. horizontale tak van het schaambeen.f. neerdalende tak van het schaambeen.g. foramen obturatum (gesloten gat).hh.plaats, waar het heupbeen zich met het andere vereenigt en de schaambeensvereeniging ontstaat.Hetheiligbeen(os sacrum),Fig. 4 d, dat tusschen de beide heupbeenderen als ʼt ware ingeschoven en onbeweeglijk daarmede verbonden is,bestaat uit 5, tot één geheel vergroeide, valsche wervels. De vergroeiing begint meestal in het 16e levensjaar en eindigt tegen het 30e jaar. De wervels zijn zoodanig aaneengegroeid, dat het heiligbeen van voren een holle en van achteren een bolle vlakte heeft.Het heiligbeen van een vrouw is breeder, korter en minder gebogen dan dat van een man; ook is zijn lengteas meer naar achteren gericht. Van den vorm van het heiligbeen hangt grootendeels de grootte en gedaante van het bekken af, zoodat dit been het meest bijdraagt tot vorming van het geslachtstype. De zichtbare holten in het heiligbeen dienen tot doortocht van zenuwen en bloedvaten; het heiligbeen is met het stuitbeen (os coccygis),Fig. 4 e, beweeglijk verbonden.Hetheupbeen(os innominatum),Fig. 3, dat een pendant van het schouderblad genoemd kan worden, wordt gevormd door de beenige vergroeiing van drie afzonderlijke stukken, waarvan het grootste en bovenste stuk hetdarmbeen(os ileï), het onderste hetzitbeen(os ischiï) en het zijdelingsche hetschaambeen(os pubis)genoemd wordt. Eerst op ongeveer 16-jarigen leeftijd is de volkomen vergroeiing dezer drie deelen voltooid.Hetdarmbeenontleent zijn naam aan de taak, die het vervult om een deel van de darmen te dragen. Zijn bovenste rand is boogvormig gekromd en draagt den naam van darmbeenskam (crista ossis ileï),Fig. 3 a; die rand is bij de meeste menschen gemakkelijk door de buikbekleedselen heen te voelen.Hetzitbeenwordt verdeeld in drie deelen: het lichaam, den neerdalenden tak en den opklimmenden tak. Het lichaam vormt het onderste gedeelte van de heupkom. De nederdalende tak,Fig. 3 c, eindigt van onderen in een sterken knobbel, den zitbeensknobbel (tuberositas ossis ischiï), waarop bij het zitten de geheele lichaamslast rust.Hetschaambeen wordt verdeeld in een horizontalen en een neerdalenden tak. De horizontale tak,Fig. 3 e, helpt nog mede aan de vorming van de heupkom,Fig. 3 b. Met een breede, ruwe vlakte,Fig 3. h h, grenst hij aan den gelijknamigen tak van de andere zijde en is daarmede verbonden. Deze verbinding heet schaambeensvereeniging (symphysis ossium pubis).Fig. 4 a.Fig. 4. Mannelijk bekken, van voren (Heitzmann.)Fig. 4.Mannelijk bekken, van voren (Heitzmann.)a. schaambeensvereeniging.b. ingang van het kleine bekken.c. voorgebergte.d. heiligbeen.e. stuitbeen.f. darmbeen.De heupkom van het heupbeen dient tot gewrichtsholte voor het hoofd van het dijbeen. Door middel van dit gewricht, het heupgewricht, steunt het geheele bovendeel van het lichaam in staande houding op de onderste ledematen.Het heupbeen bezit een groote ovale opening (foramen obturatum),Fig. 3 g, die, op een kleine ruimte na, door een vlies gesloten wordt.Het vrouwelijke heupbeen is van het mannelijke te onderkennen door een korter en smaller darmbeen en een korter zitbeen; daarentegen is de horizontale tak van het schaambeen langer. De zitbeenknobbels zijn bij vrouwen verder van elkander gelegen dan bij mannen.Men verdeelt het bekken in het groote en het kleine bekken. Het groote bekken vormt als het ware een voortzetting van de buikholte. Het gaat van onderen trechtervormig in het kleine bekken over. Deze overgangsplaats, de ingang van het kleine bekken (apertura pelvis superior),Fig. 4 benFig. 5 a, wordt begrensd door een lijn, die linea terminalis of innominata heet. Bij den man neemt deze lijn, door de sterker voorwaartsche buiging van het voorgebergte, een min of meer hartvormige gedaante aan, terwijl zij bij de vrouw eirond is.Vergelijk Fig. 4 ben5 a.Het kleine bekken vormt een holte, die naar onderen kegelvormig toeloopt. De onderste opening is daardoor kleiner dan de bovenste; zij heeft zoowel bij de vrouw als bij den man een hartvormige gedaante.Hetstuitbeen, dat beweeglijk met het heiligbeen is verbonden, kan naar achteren wijken, waardoor de onderste opening belangrijk verruimd wordt. Dit bevordert een gemakkelijke bevalling.Fig. 5. Vrouwelijk bekken, van voren. (Heitzmann.)Fig. 5.Vrouwelijk bekken, van voren. (Heitzmann.)a. linea terminalis.b. dijbeen.c. voorgebergte.d. zitbeen.e. schaambeen.Eindelijk onderscheidt zich het vrouwelijk bekken nog van het mannelijke daardoor, dat het eerste zwakker gebouwd en korter en wijder is. Wegens deze laatste eigenschappen behoeft het kind bij de geboorte kleiner afstand in het bekken af te leggen en kan dit gemakkelijker geschieden. Van de wijdte van het bekken hangt het meestal af, of de bevalling een natuurlijk verloop neemt. Het is daarom van groot belang, dat de verloskundige deze wijdte reeds vóór de bevalling bepalen kan.Bij jonge kinderen is het verschil in geslacht aan den vorm van het bekken nauwelijks waar te nemen, hoewel de later duidelijk uitgesproken verschillen toch reeds in beginsel aanwezig zijn. Eerst gedurende de ontwikkeling van de geslachtsorganen neemt het bekken voor beide geslachten zijn afzonderlijken vasten vorm aan. Hiertoe werken vele factoren mede. De druk van het gewicht van den romp en het verschil in groei van enkele onderdeelen van het bekken oefenen daarbij wel den meesten invloed uit. Doch ook sommige ziekten gedurende het ontwikkelingstijdperk en de levensomstandigheden der meisjes missen haar uitwerking niet.De vroegere bewering, dat ook de meerdere of mindere beschaving van een volk invloed uitoefent op den vorm van het bekken, is gebleken onjuist te zijn. Wel komen er bij verschillende volkeren ook verschillende bekkenvormen voor, maar daarvoor bestaan andere oorzaken.Een denkbeeldige lijn van boven naar onderen, midden door het bekken getrokken, zoodanig dat zij overal op gelijken afstand van de wanden blijft, noemt men de middellijn of as van het bekken. Zij vormt een naar voren gerichten hollen boog. Wat door het bekken gaat, dus ook het kind bij de geboorte, moet zich in de richting van deze lijn bewegen.Door de zachte deelen, waarmede het bekken in- en uitwendig bekleed is, schijnt het voorkomen een ander dan het beschrevene te zijn.Zoo wordt de ingang van het kleine bekken van achteren door het dikke gedeelte van de groote lendenspieren bekleed en ondergaat daardoor een geringe vernauwing.Plaat V No. 64. In liggende houding met opgetrokken knieën ontspannen zich de groote lendenspieren en wordt die vernauwing daardoor voor een groot gedeelte geneutraliseerd.De grootste verandering in voorkomen ondergaat wel de bekkenuitgang. Terwijl deze bij het skelet geheel open is, wordt hij in werkelijkheid, bij het levende individu, door sterke peesvliezen en door spieren bijna geheel gesloten en hij behoudt bij de vrouw slechts drie kleine openingen.De achterste opening is de aars (anus), de middelste de mond der scheede (ostium vaginae) en de voorste de opening der pisbuis (urethra). Deze openingen zijn alle drie omgeven door sluitspieren, die aan den wil onderworpen zijn.Het gedeelte, tusschen aars en scheede gelegen, wordt bilnaad (perineum) genoemd. Deze vliezige spiermassa gaat aan weerszijden, zonder bepaalde grenzen, in de binnenste vlakte der beenen over. Van den mond der scheede af tot aan den aars neemt de bilnaad in dikte toe. De vrouwelijke bilnaad is korter en breeder dan de mannelijke.

De grootte van het lichaam en de lichaamsgestalte worden in hoofdzaak bepaald door de beenderen, die onderling verbonden het geraamte (sceleton) vormen. Zij worden verdeeld in lange of pijpbeenderen, breede of platte beenderen en korte beenderen. Sommige beenderen, zooals de schedelbeenderen, kunnen zich ten opzichte van elkander niet bewegen; andere, zooals die der ledematen, wèl. De beweging komt tot stand in de gewrichten. Deze worden gevormd, doordien twee tegen elkander passende en beweeglijke beenuiteinden door een gemeenschappelijk kapsel worden omgeven en aldus los aan elkander zijn verbonden. Over de gewrichtskapsels heen liggen banden (ligamenta), die de verbinding versterken.

Het geraamte wordt ingedeeld in schedel, romp en ledematen.

Deschedelis samengesteld uit 22 beenderen, die grootendeels behooren tot de breede, platte beenderen; 8 er van dienen tot vorming van de hersenpan (cranium), de 14 overige zijn de aangezichtsbeenderen (ossa faciei). Met uitzondering van het onderkaaksbeen, zijn al de beenderen van het hoofd vast en onbeweeglijk met elkaar verbonden.

Er is slechts een zeer gering onderscheid in de schedels van mannen en vrouwen. Alleen bij nauwkeurige vergelijking ziet men de ontleedkundigeverschillen aan sommige onderdeelen van de beenderen. Het voornaamste en meest in het oog vallend verschil is, dat de schedel van de vrouw lager en vlakker is dan die van den man en dat dientengevolge de bovenste rand van het voorhoofd met de vlakte van de hersenpan bij de vrouw een afgeronden hoek vormt, daarentegen bij den man deze overgang eenigszins schuin naar boven loopt. De schedelbeenderen zijn bij mannen dikker dan bij vrouwen.

Derompbestaat uit de wervelkolom (columna vertebralis), het borstbeen (sternum) en de ribben (costae). Hoewel het uit een ontleedkundig oogpunt niet juist is, rekent men toch gewoonlijk bij den romp ook het bekken. Dit bestaat uit drie deelen, de heupbeenderen, het heiligbeen en het stuitbeen.

De heupbeenderen nu moest men eigenlijk bij de ledematen rangschikken, evenals dit geschiedt met sleutelbeen en schouderblad. Het heiligbeen en het stuitbeen echter maken deel uit van de wervelkolom en zijn te beschouwen als onderling vergroeide wervels. Overigens bestaat de wervelkolom uit wervels, die hoewel stevig aan elkaar verbonden, toch ten opzichte van elkander beweeglijk zijn.

Men onderscheidt 7 hals-, 12 borst- en 5 lendenwervels.

Fig. 1. Wervelkolom. (Heitzmann.)Fig. 1.Wervelkolom. (Heitzmann.)aa. halswervels.bb.borstwervels.cc. lendenwervels.d. voorgebergte.e. heiligbeen.f.stuitbeen.

Fig. 1.Wervelkolom. (Heitzmann.)

aa. halswervels.bb.borstwervels.cc. lendenwervels.d. voorgebergte.e. heiligbeen.f.stuitbeen.

De wervelkolom is aan het halsgedeelte eenigszins naar voren, aan het borstgedeelte sterk naar achteren en aan het lendengedeelte weder sterk naar voren gebogen. De sterkste buiging naar voren valt samen met den ondersten rand van den ondersten lendenwervel en heet daar voorgebergte (promontorium).Fig. 1 d.

De vrouwelijke wervelkolom heeft in verhouding een langer lendengedeelte dan de mannelijke, de bocht naar voren begint iets hooger.

Deborstkas(thorax) wordt gevormd door het borstbeen en de ribben. Het borstbeen (sternum), waaraan men de greep (manubrium), kling (corpus) en punt (processus xyphoideus) onderscheidt, is zijdelings met 7 ribben verbonden.Fig. 2..

Het vrouwelijk borstbeen heeft een breeder greep en een smaller, langer kling dan het mannelijke.

De borstkas telttwaalfpaarribben. De 7 methet borstbeen vergroeide heeten ware ribben (costae verae), de 5 onderste paren, die het borstbeen niet meer bereiken, noemt men valsche ribben (costae spuriae).

Bij de vrouwen zijn de ribben niet zoo sterk gebogen als bij de mannen, terwijl bij haar de twee paar eerste ribben betrekkelijk langer zijn.

De vrouwelijke borstkas vertoont in haar geheel een ronderen vorm dan de mannelijke. Zij is korter, smaller, maar wijder.

Bij vrouwen, die nauwsluitende corsetten dragen, zich rijgen, zooals men het noemt, schuiven de valsche ribben over elkander en wordt de ruimte van de borstkas verkleind. Zoowel de borst als de buikorganen worden hierdoor van hun plaats gedrongen.

De beenderen van de bovenste en ondersteledematenbestaan uit verschillende afdeelingen. Aan de bovenste ledematen onderscheiden wij schouder, bovenarm, onderarm en hand. De schouder bestaat uit sleutelbeen (clavicula),Plaat V No. 13, en schouderblad, (scapula),Plaat V No. 17. Het sleutelbeen van de vrouw is naar verhouding langer dan dat van den man.

Fig. 2 Borstkas en Wervelkolom (Heitzmann).Fig. 2Borstkas en Wervelkolom(Heitzmann).a. greep van het borstbeen.b. middelstuk of kling van het borstbeen.c. punt van het borstbeen.

Fig. 2Borstkas en Wervelkolom(Heitzmann).

De bovenarm bezit slechts één been, het bovenarmbeen (os humeri),Plaat V No. 18, dat bij de vrouw korter is dan bij den man. De onderarm is samengesteld uit ellepijp (ulna) en armpijp (radius).

Aan de hand onderscheidt men den uit 8 kleine beenderen gevormden handwortel (carpus), de 5 middelhandsbeenderen (metacarpi) en de beenderen van de 5 vingers (phalanges digitorum manus).

De handen van vrouwen zijn in den regel korter en smaller dan die van mannen.

De onderste ledematen bestaan, voor zoover wij het heupbeen buiten beschouwing laten, uit bovenbeen, onderbeen en voet.

Het bovenbeen bestaat alleen uit het dijbeen (os femoris),Plaat V No 23, dat bij vrouwen aanmerkelijk korter is dan bij mannen. Ook is de stand van het bovenbeen ten opzichte van den romp bij vrouwen anders. Bij de vrouw loopen de bovenbeenen van boven naar beneden min of meer naar elkaar toe, en zijn tegelijkertijd eenigszins buitenwaarts gedraaid.

Het onderbeen bestaat uit scheenbeen (tibia) en kuitbeen (fibula).

De beenderen van den voet worden, evenals die van de hand, verdeeld in beenderen van den voetwortel (ossa tarsi) van den middelvoet (ossa metatarsi) en van de teenen (phalanges digitorum pedis). Vrouwenvoeten zijn korter en breeder dan mannenvoeten.

Thans keeren wij terug tot hetbekken, dat, zooals gezegd is, gevormd wordt door het heiligbeen, het stuitbeen en de beide heupbeenderen.

Aan het geraamte is het verschil in geslacht nergens zoo duidelijk merkbaar als aan het bekken. Het vormverschil van dit lichaamsdeel is van groote beteekenis voor de taak, die het gedurende de zwangerschap en bij de bevalling vervult.

Fig. 3. Rechter heupbeen, van de buitenzijde gezien (Heitzmann).Fig. 3.Rechter heupbeen, van de buitenzijde gezien (Heitzmann).De fijne, dwarsgestreepte lijntjes over de heupkom getrokken geven de plaats aan waar de drie afzonderlijke beenderen van het heupbeen samenkomen en vergroeien.a. darmbeenskam.b. heupkom.c. neerdalende tak van het zitbeen.d. opklimmende tak van het zitbeen.e. horizontale tak van het schaambeen.f. neerdalende tak van het schaambeen.g. foramen obturatum (gesloten gat).hh.plaats, waar het heupbeen zich met het andere vereenigt en de schaambeensvereeniging ontstaat.

Fig. 3.Rechter heupbeen, van de buitenzijde gezien (Heitzmann).

De fijne, dwarsgestreepte lijntjes over de heupkom getrokken geven de plaats aan waar de drie afzonderlijke beenderen van het heupbeen samenkomen en vergroeien.a. darmbeenskam.b. heupkom.c. neerdalende tak van het zitbeen.d. opklimmende tak van het zitbeen.e. horizontale tak van het schaambeen.f. neerdalende tak van het schaambeen.g. foramen obturatum (gesloten gat).hh.plaats, waar het heupbeen zich met het andere vereenigt en de schaambeensvereeniging ontstaat.

Hetheiligbeen(os sacrum),Fig. 4 d, dat tusschen de beide heupbeenderen als ʼt ware ingeschoven en onbeweeglijk daarmede verbonden is,bestaat uit 5, tot één geheel vergroeide, valsche wervels. De vergroeiing begint meestal in het 16e levensjaar en eindigt tegen het 30e jaar. De wervels zijn zoodanig aaneengegroeid, dat het heiligbeen van voren een holle en van achteren een bolle vlakte heeft.

Het heiligbeen van een vrouw is breeder, korter en minder gebogen dan dat van een man; ook is zijn lengteas meer naar achteren gericht. Van den vorm van het heiligbeen hangt grootendeels de grootte en gedaante van het bekken af, zoodat dit been het meest bijdraagt tot vorming van het geslachtstype. De zichtbare holten in het heiligbeen dienen tot doortocht van zenuwen en bloedvaten; het heiligbeen is met het stuitbeen (os coccygis),Fig. 4 e, beweeglijk verbonden.

Hetheupbeen(os innominatum),Fig. 3, dat een pendant van het schouderblad genoemd kan worden, wordt gevormd door de beenige vergroeiing van drie afzonderlijke stukken, waarvan het grootste en bovenste stuk hetdarmbeen(os ileï), het onderste hetzitbeen(os ischiï) en het zijdelingsche hetschaambeen(os pubis)genoemd wordt. Eerst op ongeveer 16-jarigen leeftijd is de volkomen vergroeiing dezer drie deelen voltooid.

Hetdarmbeenontleent zijn naam aan de taak, die het vervult om een deel van de darmen te dragen. Zijn bovenste rand is boogvormig gekromd en draagt den naam van darmbeenskam (crista ossis ileï),Fig. 3 a; die rand is bij de meeste menschen gemakkelijk door de buikbekleedselen heen te voelen.

Hetzitbeenwordt verdeeld in drie deelen: het lichaam, den neerdalenden tak en den opklimmenden tak. Het lichaam vormt het onderste gedeelte van de heupkom. De nederdalende tak,Fig. 3 c, eindigt van onderen in een sterken knobbel, den zitbeensknobbel (tuberositas ossis ischiï), waarop bij het zitten de geheele lichaamslast rust.

Hetschaambeen wordt verdeeld in een horizontalen en een neerdalenden tak. De horizontale tak,Fig. 3 e, helpt nog mede aan de vorming van de heupkom,Fig. 3 b. Met een breede, ruwe vlakte,Fig 3. h h, grenst hij aan den gelijknamigen tak van de andere zijde en is daarmede verbonden. Deze verbinding heet schaambeensvereeniging (symphysis ossium pubis).Fig. 4 a.

Fig. 4. Mannelijk bekken, van voren (Heitzmann.)Fig. 4.Mannelijk bekken, van voren (Heitzmann.)a. schaambeensvereeniging.b. ingang van het kleine bekken.c. voorgebergte.d. heiligbeen.e. stuitbeen.f. darmbeen.

Fig. 4.Mannelijk bekken, van voren (Heitzmann.)

a. schaambeensvereeniging.b. ingang van het kleine bekken.c. voorgebergte.d. heiligbeen.e. stuitbeen.f. darmbeen.

De heupkom van het heupbeen dient tot gewrichtsholte voor het hoofd van het dijbeen. Door middel van dit gewricht, het heupgewricht, steunt het geheele bovendeel van het lichaam in staande houding op de onderste ledematen.

Het heupbeen bezit een groote ovale opening (foramen obturatum),Fig. 3 g, die, op een kleine ruimte na, door een vlies gesloten wordt.

Het vrouwelijke heupbeen is van het mannelijke te onderkennen door een korter en smaller darmbeen en een korter zitbeen; daarentegen is de horizontale tak van het schaambeen langer. De zitbeenknobbels zijn bij vrouwen verder van elkander gelegen dan bij mannen.

Men verdeelt het bekken in het groote en het kleine bekken. Het groote bekken vormt als het ware een voortzetting van de buikholte. Het gaat van onderen trechtervormig in het kleine bekken over. Deze overgangsplaats, de ingang van het kleine bekken (apertura pelvis superior),Fig. 4 benFig. 5 a, wordt begrensd door een lijn, die linea terminalis of innominata heet. Bij den man neemt deze lijn, door de sterker voorwaartsche buiging van het voorgebergte, een min of meer hartvormige gedaante aan, terwijl zij bij de vrouw eirond is.Vergelijk Fig. 4 ben5 a.

Het kleine bekken vormt een holte, die naar onderen kegelvormig toeloopt. De onderste opening is daardoor kleiner dan de bovenste; zij heeft zoowel bij de vrouw als bij den man een hartvormige gedaante.

Hetstuitbeen, dat beweeglijk met het heiligbeen is verbonden, kan naar achteren wijken, waardoor de onderste opening belangrijk verruimd wordt. Dit bevordert een gemakkelijke bevalling.

Fig. 5. Vrouwelijk bekken, van voren. (Heitzmann.)Fig. 5.Vrouwelijk bekken, van voren. (Heitzmann.)a. linea terminalis.b. dijbeen.c. voorgebergte.d. zitbeen.e. schaambeen.

Fig. 5.Vrouwelijk bekken, van voren. (Heitzmann.)

a. linea terminalis.b. dijbeen.c. voorgebergte.d. zitbeen.e. schaambeen.

Eindelijk onderscheidt zich het vrouwelijk bekken nog van het mannelijke daardoor, dat het eerste zwakker gebouwd en korter en wijder is. Wegens deze laatste eigenschappen behoeft het kind bij de geboorte kleiner afstand in het bekken af te leggen en kan dit gemakkelijker geschieden. Van de wijdte van het bekken hangt het meestal af, of de bevalling een natuurlijk verloop neemt. Het is daarom van groot belang, dat de verloskundige deze wijdte reeds vóór de bevalling bepalen kan.

Bij jonge kinderen is het verschil in geslacht aan den vorm van het bekken nauwelijks waar te nemen, hoewel de later duidelijk uitgesproken verschillen toch reeds in beginsel aanwezig zijn. Eerst gedurende de ontwikkeling van de geslachtsorganen neemt het bekken voor beide geslachten zijn afzonderlijken vasten vorm aan. Hiertoe werken vele factoren mede. De druk van het gewicht van den romp en het verschil in groei van enkele onderdeelen van het bekken oefenen daarbij wel den meesten invloed uit. Doch ook sommige ziekten gedurende het ontwikkelingstijdperk en de levensomstandigheden der meisjes missen haar uitwerking niet.

De vroegere bewering, dat ook de meerdere of mindere beschaving van een volk invloed uitoefent op den vorm van het bekken, is gebleken onjuist te zijn. Wel komen er bij verschillende volkeren ook verschillende bekkenvormen voor, maar daarvoor bestaan andere oorzaken.

Een denkbeeldige lijn van boven naar onderen, midden door het bekken getrokken, zoodanig dat zij overal op gelijken afstand van de wanden blijft, noemt men de middellijn of as van het bekken. Zij vormt een naar voren gerichten hollen boog. Wat door het bekken gaat, dus ook het kind bij de geboorte, moet zich in de richting van deze lijn bewegen.

Door de zachte deelen, waarmede het bekken in- en uitwendig bekleed is, schijnt het voorkomen een ander dan het beschrevene te zijn.

Zoo wordt de ingang van het kleine bekken van achteren door het dikke gedeelte van de groote lendenspieren bekleed en ondergaat daardoor een geringe vernauwing.Plaat V No. 64. In liggende houding met opgetrokken knieën ontspannen zich de groote lendenspieren en wordt die vernauwing daardoor voor een groot gedeelte geneutraliseerd.

De grootste verandering in voorkomen ondergaat wel de bekkenuitgang. Terwijl deze bij het skelet geheel open is, wordt hij in werkelijkheid, bij het levende individu, door sterke peesvliezen en door spieren bijna geheel gesloten en hij behoudt bij de vrouw slechts drie kleine openingen.

De achterste opening is de aars (anus), de middelste de mond der scheede (ostium vaginae) en de voorste de opening der pisbuis (urethra). Deze openingen zijn alle drie omgeven door sluitspieren, die aan den wil onderworpen zijn.

Het gedeelte, tusschen aars en scheede gelegen, wordt bilnaad (perineum) genoemd. Deze vliezige spiermassa gaat aan weerszijden, zonder bepaalde grenzen, in de binnenste vlakte der beenen over. Van den mond der scheede af tot aan den aars neemt de bilnaad in dikte toe. De vrouwelijke bilnaad is korter en breeder dan de mannelijke.

De Spieren.Het geraamte is bijna geheel omgeven door spieren. Zij vormen de vleeschmassa van het lichaam en zijn door middel van pezen aan de beenderen verbonden. Een spier is samengesteld uit evenwijdig loopende spiervezels, die tot een bundeltje zijn vereenigd, hetwelk door een dun bindweefselvliesje omgeven is. Vele zulke bundeltjes vereenigen zich tot groote bundels, die dan telkens weder omgeven worden door een bindweefselkokertje, totdat zij ten slotte de geheele spier vormen, die dan in haar geheel omhuld wordt door een dikker vlies.Bij krachtig ontwikkelde spieren, een gevolg van geregelde werkzaamheid, zijn de afzonderlijke spiervezels in aantal toegenomen en heeft de spier daardoor een grooter omvang verkregen. Voortdurende rust en werkeloosheid van een spier veroorzaakt omvangsvermindering (atrophie).De werkzaamheid der spieren bestaat in het zich samentrekken; het is dan alsof de vleeschmassa der spier zwelt en harder wordt. Werkt een spier, dan heeft er in haar weefsel een scheikundig proces plaats, waarbij ontledingsproducten ontstaan, die door het bloed worden weggevoerd. Worden deze ontledingsproducten niet snel genoeg verwijderd, dan hoopen zij zich tijdelijk in het weefsel der spier op en veroorzaken het gevoel van vermoeidheid. Een spier, die niet voortdurend saamgetrokken is, doch afwisselend werkt, kan veel langer doorwerken zonder vermoeid te worden, dan een, die wel voortdurend saamgetrokken is. Vandaar dat het staan, waarbij immers ook spieren werkzaam zijn en wel onafgebroken dezelfde, meer vermoeit dan het gaan, of dat men beter een halven dag onafgebroken met armen en handen kan werken, dan 10 minuten een licht voorwerp met uitgestrekten arm onbeweeglijk vasthouden.Men onderscheidt de spieren inwillekeurigeenonwillekeurige. De willekeurige spieren gehoorzamen aan den wil; wij hebben het in onze macht, ze te doen samentrekken of werkloos te houden. Haar spiervezels zijn, onder het mikroskoop gezien, dwarsgestreept. Al de spieren van het hoofd, den romp en de ledematen behooren tot de willekeurige spieren.De samentrekking der onwillekeurige spieren hebben wij niet in onze macht. Men vindt ze in de bloedvaten, in de baarmoeder, in de maag, in de darmen, enz. In de laatste zijn zij het bijv., die de voortbeweging van het voedsel tot stand brengen. Onder het mikroskoop gezien, vertoonen die spieren geen dwarse strepen.Bij man en vrouw komen over het geheele lichaam dezelfde spieren voor, die ook in bouw, vorm en verrichting geen werkelijk verschil aanbieden. Slechts de spieren van de geslachtsorganen wijken hiervan uit den aard der zaak af.Plaat IIgeeft een groot aantal spieren van de voorzijde van het lichaam te zien, die genummerd werden en waarvan de namen achter de overeenkomstige nummers in de bijgevoegde beschrijving te vinden zijn.Alleen zij hier nog vermeld, dat het lieskanaal,Plaat II No. 41,van de vrouw langer en nauwer is dan dat van den man, waardoor verklaard wordt, dat liesbreuken bij mannen veelvuldiger voorkomen dan bij vrouwen.Een liesbreuk toch ontstaat, wanneer een buikingewand, bijv. een darmlis door het lieskanaal uitzakt.

Het geraamte is bijna geheel omgeven door spieren. Zij vormen de vleeschmassa van het lichaam en zijn door middel van pezen aan de beenderen verbonden. Een spier is samengesteld uit evenwijdig loopende spiervezels, die tot een bundeltje zijn vereenigd, hetwelk door een dun bindweefselvliesje omgeven is. Vele zulke bundeltjes vereenigen zich tot groote bundels, die dan telkens weder omgeven worden door een bindweefselkokertje, totdat zij ten slotte de geheele spier vormen, die dan in haar geheel omhuld wordt door een dikker vlies.

Bij krachtig ontwikkelde spieren, een gevolg van geregelde werkzaamheid, zijn de afzonderlijke spiervezels in aantal toegenomen en heeft de spier daardoor een grooter omvang verkregen. Voortdurende rust en werkeloosheid van een spier veroorzaakt omvangsvermindering (atrophie).

De werkzaamheid der spieren bestaat in het zich samentrekken; het is dan alsof de vleeschmassa der spier zwelt en harder wordt. Werkt een spier, dan heeft er in haar weefsel een scheikundig proces plaats, waarbij ontledingsproducten ontstaan, die door het bloed worden weggevoerd. Worden deze ontledingsproducten niet snel genoeg verwijderd, dan hoopen zij zich tijdelijk in het weefsel der spier op en veroorzaken het gevoel van vermoeidheid. Een spier, die niet voortdurend saamgetrokken is, doch afwisselend werkt, kan veel langer doorwerken zonder vermoeid te worden, dan een, die wel voortdurend saamgetrokken is. Vandaar dat het staan, waarbij immers ook spieren werkzaam zijn en wel onafgebroken dezelfde, meer vermoeit dan het gaan, of dat men beter een halven dag onafgebroken met armen en handen kan werken, dan 10 minuten een licht voorwerp met uitgestrekten arm onbeweeglijk vasthouden.

Men onderscheidt de spieren inwillekeurigeenonwillekeurige. De willekeurige spieren gehoorzamen aan den wil; wij hebben het in onze macht, ze te doen samentrekken of werkloos te houden. Haar spiervezels zijn, onder het mikroskoop gezien, dwarsgestreept. Al de spieren van het hoofd, den romp en de ledematen behooren tot de willekeurige spieren.

De samentrekking der onwillekeurige spieren hebben wij niet in onze macht. Men vindt ze in de bloedvaten, in de baarmoeder, in de maag, in de darmen, enz. In de laatste zijn zij het bijv., die de voortbeweging van het voedsel tot stand brengen. Onder het mikroskoop gezien, vertoonen die spieren geen dwarse strepen.

Bij man en vrouw komen over het geheele lichaam dezelfde spieren voor, die ook in bouw, vorm en verrichting geen werkelijk verschil aanbieden. Slechts de spieren van de geslachtsorganen wijken hiervan uit den aard der zaak af.

Plaat IIgeeft een groot aantal spieren van de voorzijde van het lichaam te zien, die genummerd werden en waarvan de namen achter de overeenkomstige nummers in de bijgevoegde beschrijving te vinden zijn.

Alleen zij hier nog vermeld, dat het lieskanaal,Plaat II No. 41,van de vrouw langer en nauwer is dan dat van den man, waardoor verklaard wordt, dat liesbreuken bij mannen veelvuldiger voorkomen dan bij vrouwen.

Een liesbreuk toch ontstaat, wanneer een buikingewand, bijv. een darmlis door het lieskanaal uitzakt.

De Bloedsomloop.Het bloed bestaat uit een licht-geel vocht, bloedplasma, waarin zich millioenen van mikroskopisch kleine celletjes bevinden, de z.g. bloedlichaampjes. Het grootste deel daarvan is rood gekleurd; de overige zijn kleurloos.Het bloed vervult in het lichaam de rol van zuurstof in de longen en voedingsstoffen in de spijsverteringsorganen op te nemen en over te brengen naar de verschillende deelen van het lichaam, om daarna de in die lichaamsdeelen ontstaneonbruikbare stoffen weg te voeren naar de plaatsen, vanwaar zij uit het lichaam verwijderd kunnen worden. Te dien einde is het noodzakelijk, dat het bloed aanhoudend door het lichaam stroomt. Deze strooming, die men den bloedsomloop of kringloop noemt, komt tot stand door samentrekkingen van het hart.Hethart(cor) is een holle, kegelvormige spier,Plaat III No. 1–4, die in de borstholte links van haar middellijn gelegen is, doch nog gedeeltelijk door het borstbeen bedekt wordt. Het ligt tusschen de beide longen. De breede basis van het hart is schuin naar boven en zijn top naar beneden gekeerd. Die top, de punt van het hart genoemd, ligt tusschen de 5e en 6e linker rib.De grootte van het hart komt in den regel overeen met de grootte van de vuist. Een vrouwenhart is dikwijls in verhouding iets kleiner dan een mannenhart.De holte van het hart wordt door een middenschot in een rechter en linker helft verdeeld.Plaat V No. 28–32. Beide helften bestaan echter weder uit twee deelen, een kamer (ventriculus) en een voorkamer (atrium). Hartoor (auriculum cordis) noemt men het aanhangsel, dat aan elke voorkamer zit.Plaat III No. 3 en 4.Het hart is dus in vier ruimten verdeeld, twee kamers en twee voorkamers, die ieder een zelfde hoeveelheid bloed kunnen bevatten.De voorkamers zijn wel is waar kleiner dan de kamers, doch zij kunnen niettemin dezelfde hoeveelheid bloed bevatten, omdat zij dunne vliezige wanden bezitten, die zich verder kunnen uitzetten dan de dikke spierwanden van de kamers.Iedere voorkamer staat met de bij haar behoorende kamer in verbinding door een opening, welke door een vlies, het klapvlies, kan afgesloten worden.Fig. 6. Kringloop van het bloed. (Gegenbaur.)Fig. 6.Kringloop van het bloed.(Gegenbaur.)a. linkerhartkamer.b. slagaderen van het lichaam.c. capillairbuisjes.d. begin der aderen.e. aderen van het lichaam.f. rechter voorkamer.g. rechter kamer.h. slagaderen van de longen.i. capillairbuisjes van de longen.j. aderen van de longen.k. linker voorkamer.Wij kunnen den bloedsomloop het gemakkelijkst volgen, wanneer wij ons als inFig. 6, dien kringloop enkelvoudig voorstellen. Uit delinkerkamer,Fig 6a, stroomt het bloed in de groote lichaamsslagader(aorta). Deze gaat eerst met een boog naar boven,Plaat III No. 5 en 6, kromt zich dan naar beneden en verloopt langs de wervelkolom. Op haar weg geeft zij tal van slagaderen af, die naar de verschillende deelen van het lichaam gaan. (InFig. 6is daarvoor enkel de boogbgenomen.) Ieder van die slagaderen verdeelt zich op haar beurt weder en vormt steeds fijnere slagaderen, totdat ten slotte deze kanaaltjes mikroskopisch fijn worden en dan haarvaten of capillairvaten genoemd worden.Fig. 6 c. De kracht, die noodig is om het bloed door al die groote en kleine vaten te drijven, is zeer groot; van daar dat de spiermassa van de linker kamer sterk ontwikkeld is.De capillairvaten bezitten een zeer dunnen wand, die gemakkelijk vocht doorlaat; daardoor kan het bloed, dat door de capillairvaten stroomt, het vocht, waarin de voedingsstoffen voor de weefsels aanwezig zijn, afgeven en de onbruikbare stoffen, ontledingsproducten, uit de weefsels in zich opnemen.Nadat deze uitwisseling van stoffen is volbracht, vereenigen zich de capillairvaten weder tot wijdere vaten (aderen),Fig. 6 e, die tot nog steeds wijdere samenkomen en eindelijk het bloed verzamelen in de twee groote lichaamsaderen(vena cava superior et inferior),Plaat III No. 9 en 10, welke in derechtervoorkamer uitmonden.Fig. 6 f.Zoodra het bloed in de rechter voorkamer aangekomen is, trekt deze zich samen en wordt het naar de rechter kamer geperst.Fig. 6 g.Daarop volgt de samentrekking van derechterkamer. Het klapvlies, dat tot dusverre de opening tusschen voorkamer en kamer vrij liet, drukt zich nu tegen die opening zoodanig aan, dat het haar geheel afsluit. Het bloed kan daardoor niet naar de voorkamer terug en zoekt een uitweg door het bloedvat, dat naar de longen gaat.Fig. 6 h. Ook dit vat ondergaat spoedig een verdeeling, er ontstaan telkens kleiner vaten en ten slotte weer capillairvaten,Fig. 6 i, die zich daarna weder vereenigen en eindelijk samenkomen in een groot vat, de longader,Fig. 6 j, welke in delinkervoorkamer,Fig. 6 k, uitmondt.Op den weg door de capillairvaten van de long neemt het bloed de ingeademde zuurstof in zich op en komt daarvan voorzien in delinkervoorkamer aan.Zoodra deze gevuld is, volgt de samentrekking en wordt het bloed gestuwd naar de linker kamer, vanwaar dit opnieuw zijn kringloop begint. Reeds werd opgemerkt, dat ook op de grens tusschenlinkervoorkamer en kamer zich een klapvlies bevindt. Bij contractie van de linker kamer sluit dit den weg naar de voorkamer en belet daardoor het terugstroomen van het bloed.Het van zuurstof voorziene, z.g. slagaderlijk bloed bezit een helderroode kleur en loopt door de slagaderen (arteriae) naar de weefsels. Keert het nu door de aderen (venae) naar het hart terug, nadat het de zuurstof heeft afgegeven, dan is het z.g. aderlijk bloed donkerrood, blauwachtig van kleur. Als zoodanig komt het ook in de rechter voorkamer aan, doch zal weldra, na door de rechter kamer te zijn gegaan, in de longen treden en daar nieuwe zuurstof opnemen, koolzuur en andere gassen afgeven en weer als slagaderlijk bloed het linker hart bereiken.Telkens wanneer de kamers zich samentrekken, stoot het hart met de punt tegen den borstwand; men kan zich hiervan overtuigen door den vinger te plaatsen tusschen de 5e en 6e rib en wel eenigszins links onder den linker borsttepel. Bij iedere samentrekking van het linker hart wordt een bloedgolf door de slagaderen gedreven: op sommige plaatsen van het lichaam is dit nu duidelijk voelbaar als men den vinger op de slagader laat rusten. Men noemt dit den polsslag. Polsslag en hartslag geven beide dus te kennen, dat er een samentrekking van de kamers plaats heeft. Linker en rechter kamer doen dit bijna gelijktijdig.Bij den gezonden, volwassen mensch geschiedt dit 65 à 80 maal in de minuut; bij kinderen slaat de pols sneller, bij pasgeborenen ongeveer 140 maal in de minuut. Volgens sommigen bestaat een gering verschil in de snelheid van eenvrouwen- en een mannenpols. Zij nemen aan, voor mannen gemiddeld 70, voor vrouwen gemiddeld 76 slagen in de minuut.Allerlei omstandigheden oefenen, ook in gezonden toestand, invloed uit op de snelheid van den pols. Zij ondergaat verandering na lichaamsinspanning, na het eten, in den slaap, bij temperatuursverandering, enz.Het geheele hart en een gedeelte van de bloedvaten, die er uitkomen en er in terugkeeren, zijn door een vliezigen zak, het hartzakje (pericardium) omgeven. Dit zakje is iets grooter dan het hart; voorzoover het niet geheel met het hart wordt gevuld, is de ruimte door vocht ingenomen.Plaat IIIgeeft een duidelijk beeld van de ligging en van den vorm van het hart en van de voornaamste slagaderen en aderen.Deslagaderen voor de geslachtsorganengaan van de zaadslagaderen (arteriae spermaticae internae) uit,Plaat III No. 23. Gedurende de zwangerschap, doch ook bij verschillende baarmoederziekten nemen zij zeer sterk in doorsnede toe. Deze toename houdt gelijken tred met de omvangstoename van de baarmoeder. Zoowel de stam van de zaadslagader als haar vele vertakkingen nemen er aan deel. Daardoor voert dit netwerk van vaten in zulke gevallen een groote hoeveelheid bloed aan de baarmoeder toe.Tot het vaatstelsel behooren ook de lymphvaten of watervaten. Om zich hiervan een juiste voorstelling te vormen, bedenke men, dat de capillairvaten in weefselspleten liggen en daarin voedingsvocht voor de weefsels afgeven. Het niet verbruikte vocht met de ontledingsproducten moet nu een uitweg hebben. Voor een deel wordt het, zooals wij gezien hebben, met het aderlijk bloed weggevoerd. Voor zoover dit niet het geval is, vloeit het weg door vaatjes, welke door vereeniging der weefselspleten ontstaan. Het vocht noemt men lymph en de vaatjes lymphvaten. Delymphvatenvereenigen zich tot één groot lymphvat en dit mondt uit in een groote ader.

Het bloed bestaat uit een licht-geel vocht, bloedplasma, waarin zich millioenen van mikroskopisch kleine celletjes bevinden, de z.g. bloedlichaampjes. Het grootste deel daarvan is rood gekleurd; de overige zijn kleurloos.

Het bloed vervult in het lichaam de rol van zuurstof in de longen en voedingsstoffen in de spijsverteringsorganen op te nemen en over te brengen naar de verschillende deelen van het lichaam, om daarna de in die lichaamsdeelen ontstaneonbruikbare stoffen weg te voeren naar de plaatsen, vanwaar zij uit het lichaam verwijderd kunnen worden. Te dien einde is het noodzakelijk, dat het bloed aanhoudend door het lichaam stroomt. Deze strooming, die men den bloedsomloop of kringloop noemt, komt tot stand door samentrekkingen van het hart.

Hethart(cor) is een holle, kegelvormige spier,Plaat III No. 1–4, die in de borstholte links van haar middellijn gelegen is, doch nog gedeeltelijk door het borstbeen bedekt wordt. Het ligt tusschen de beide longen. De breede basis van het hart is schuin naar boven en zijn top naar beneden gekeerd. Die top, de punt van het hart genoemd, ligt tusschen de 5e en 6e linker rib.

De grootte van het hart komt in den regel overeen met de grootte van de vuist. Een vrouwenhart is dikwijls in verhouding iets kleiner dan een mannenhart.

De holte van het hart wordt door een middenschot in een rechter en linker helft verdeeld.Plaat V No. 28–32. Beide helften bestaan echter weder uit twee deelen, een kamer (ventriculus) en een voorkamer (atrium). Hartoor (auriculum cordis) noemt men het aanhangsel, dat aan elke voorkamer zit.Plaat III No. 3 en 4.

Het hart is dus in vier ruimten verdeeld, twee kamers en twee voorkamers, die ieder een zelfde hoeveelheid bloed kunnen bevatten.

De voorkamers zijn wel is waar kleiner dan de kamers, doch zij kunnen niettemin dezelfde hoeveelheid bloed bevatten, omdat zij dunne vliezige wanden bezitten, die zich verder kunnen uitzetten dan de dikke spierwanden van de kamers.

Iedere voorkamer staat met de bij haar behoorende kamer in verbinding door een opening, welke door een vlies, het klapvlies, kan afgesloten worden.

Fig. 6. Kringloop van het bloed. (Gegenbaur.)Fig. 6.Kringloop van het bloed.(Gegenbaur.)a. linkerhartkamer.b. slagaderen van het lichaam.c. capillairbuisjes.d. begin der aderen.e. aderen van het lichaam.f. rechter voorkamer.g. rechter kamer.h. slagaderen van de longen.i. capillairbuisjes van de longen.j. aderen van de longen.k. linker voorkamer.

Fig. 6.Kringloop van het bloed.(Gegenbaur.)

Wij kunnen den bloedsomloop het gemakkelijkst volgen, wanneer wij ons als inFig. 6, dien kringloop enkelvoudig voorstellen. Uit delinkerkamer,Fig 6a, stroomt het bloed in de groote lichaamsslagader(aorta). Deze gaat eerst met een boog naar boven,Plaat III No. 5 en 6, kromt zich dan naar beneden en verloopt langs de wervelkolom. Op haar weg geeft zij tal van slagaderen af, die naar de verschillende deelen van het lichaam gaan. (InFig. 6is daarvoor enkel de boogbgenomen.) Ieder van die slagaderen verdeelt zich op haar beurt weder en vormt steeds fijnere slagaderen, totdat ten slotte deze kanaaltjes mikroskopisch fijn worden en dan haarvaten of capillairvaten genoemd worden.Fig. 6 c. De kracht, die noodig is om het bloed door al die groote en kleine vaten te drijven, is zeer groot; van daar dat de spiermassa van de linker kamer sterk ontwikkeld is.

De capillairvaten bezitten een zeer dunnen wand, die gemakkelijk vocht doorlaat; daardoor kan het bloed, dat door de capillairvaten stroomt, het vocht, waarin de voedingsstoffen voor de weefsels aanwezig zijn, afgeven en de onbruikbare stoffen, ontledingsproducten, uit de weefsels in zich opnemen.

Nadat deze uitwisseling van stoffen is volbracht, vereenigen zich de capillairvaten weder tot wijdere vaten (aderen),Fig. 6 e, die tot nog steeds wijdere samenkomen en eindelijk het bloed verzamelen in de twee groote lichaamsaderen(vena cava superior et inferior),Plaat III No. 9 en 10, welke in derechtervoorkamer uitmonden.Fig. 6 f.

Zoodra het bloed in de rechter voorkamer aangekomen is, trekt deze zich samen en wordt het naar de rechter kamer geperst.Fig. 6 g.

Daarop volgt de samentrekking van derechterkamer. Het klapvlies, dat tot dusverre de opening tusschen voorkamer en kamer vrij liet, drukt zich nu tegen die opening zoodanig aan, dat het haar geheel afsluit. Het bloed kan daardoor niet naar de voorkamer terug en zoekt een uitweg door het bloedvat, dat naar de longen gaat.Fig. 6 h. Ook dit vat ondergaat spoedig een verdeeling, er ontstaan telkens kleiner vaten en ten slotte weer capillairvaten,Fig. 6 i, die zich daarna weder vereenigen en eindelijk samenkomen in een groot vat, de longader,Fig. 6 j, welke in delinkervoorkamer,Fig. 6 k, uitmondt.

Op den weg door de capillairvaten van de long neemt het bloed de ingeademde zuurstof in zich op en komt daarvan voorzien in delinkervoorkamer aan.

Zoodra deze gevuld is, volgt de samentrekking en wordt het bloed gestuwd naar de linker kamer, vanwaar dit opnieuw zijn kringloop begint. Reeds werd opgemerkt, dat ook op de grens tusschenlinkervoorkamer en kamer zich een klapvlies bevindt. Bij contractie van de linker kamer sluit dit den weg naar de voorkamer en belet daardoor het terugstroomen van het bloed.

Het van zuurstof voorziene, z.g. slagaderlijk bloed bezit een helderroode kleur en loopt door de slagaderen (arteriae) naar de weefsels. Keert het nu door de aderen (venae) naar het hart terug, nadat het de zuurstof heeft afgegeven, dan is het z.g. aderlijk bloed donkerrood, blauwachtig van kleur. Als zoodanig komt het ook in de rechter voorkamer aan, doch zal weldra, na door de rechter kamer te zijn gegaan, in de longen treden en daar nieuwe zuurstof opnemen, koolzuur en andere gassen afgeven en weer als slagaderlijk bloed het linker hart bereiken.

Telkens wanneer de kamers zich samentrekken, stoot het hart met de punt tegen den borstwand; men kan zich hiervan overtuigen door den vinger te plaatsen tusschen de 5e en 6e rib en wel eenigszins links onder den linker borsttepel. Bij iedere samentrekking van het linker hart wordt een bloedgolf door de slagaderen gedreven: op sommige plaatsen van het lichaam is dit nu duidelijk voelbaar als men den vinger op de slagader laat rusten. Men noemt dit den polsslag. Polsslag en hartslag geven beide dus te kennen, dat er een samentrekking van de kamers plaats heeft. Linker en rechter kamer doen dit bijna gelijktijdig.

Bij den gezonden, volwassen mensch geschiedt dit 65 à 80 maal in de minuut; bij kinderen slaat de pols sneller, bij pasgeborenen ongeveer 140 maal in de minuut. Volgens sommigen bestaat een gering verschil in de snelheid van eenvrouwen- en een mannenpols. Zij nemen aan, voor mannen gemiddeld 70, voor vrouwen gemiddeld 76 slagen in de minuut.

Allerlei omstandigheden oefenen, ook in gezonden toestand, invloed uit op de snelheid van den pols. Zij ondergaat verandering na lichaamsinspanning, na het eten, in den slaap, bij temperatuursverandering, enz.

Het geheele hart en een gedeelte van de bloedvaten, die er uitkomen en er in terugkeeren, zijn door een vliezigen zak, het hartzakje (pericardium) omgeven. Dit zakje is iets grooter dan het hart; voorzoover het niet geheel met het hart wordt gevuld, is de ruimte door vocht ingenomen.

Plaat IIIgeeft een duidelijk beeld van de ligging en van den vorm van het hart en van de voornaamste slagaderen en aderen.

Deslagaderen voor de geslachtsorganengaan van de zaadslagaderen (arteriae spermaticae internae) uit,Plaat III No. 23. Gedurende de zwangerschap, doch ook bij verschillende baarmoederziekten nemen zij zeer sterk in doorsnede toe. Deze toename houdt gelijken tred met de omvangstoename van de baarmoeder. Zoowel de stam van de zaadslagader als haar vele vertakkingen nemen er aan deel. Daardoor voert dit netwerk van vaten in zulke gevallen een groote hoeveelheid bloed aan de baarmoeder toe.

Tot het vaatstelsel behooren ook de lymphvaten of watervaten. Om zich hiervan een juiste voorstelling te vormen, bedenke men, dat de capillairvaten in weefselspleten liggen en daarin voedingsvocht voor de weefsels afgeven. Het niet verbruikte vocht met de ontledingsproducten moet nu een uitweg hebben. Voor een deel wordt het, zooals wij gezien hebben, met het aderlijk bloed weggevoerd. Voor zoover dit niet het geval is, vloeit het weg door vaatjes, welke door vereeniging der weefselspleten ontstaan. Het vocht noemt men lymph en de vaatjes lymphvaten. Delymphvatenvereenigen zich tot één groot lymphvat en dit mondt uit in een groote ader.

Het Zenuwstelsel.De verrichtingen van de afzonderlijke organen van het lichaam worden door middel van het zenuwstelsel tot één geheel vereenigd.Men verdeelt het zenuwstelsel in eencentraalen eenperipheergedeelte. Tot het centraal gedeelte behooren de hersenen en het ruggemerg.In het centraal gedeelte van het zenuwstelsel ontstaan de prikkels, die de werking der spieren opwekken en worden de indrukken, door de zintuigen ontvangen, in voorstellingen en gewaarwordingen omgezet. Het wordt tevens gehouden voor den zetel van het verstand.Het periphere gedeelte van het zenuwstelsel bestaat uit zenuwen (nervi), die alsleidraden, prikkels en indrukken overbrengen en de verschillende organen met het centrale zenuwstelsel in verbinding brengen.Dehersenen(encephalon) zijn in de schedelholte besloten. Ze zijn door drie vliezige hulsels omgeven, die, van buiten naar binnengerekend, onderscheiden worden in harde hersenvlies (dura mater), spinnewebsvlies (arachnoidea) en zachte hersenvlies (pia mater).De bouw der hersenen is zeer gecompliceerd. Hier zij alleen vermeld, dat zij verdeeld worden in groote hersenen (cerebrum), kleine hersenen (cerebellum) en het verlengde merg (medulla oblongata). Zij bestaan uit twee helften, die aan elkander gelijk zijn.De hersenoppervlakte heeft boogsgewijs gekronkelde verhevenheden; deze verhevenheden worden gyri genoemd, terwijl de daartusschen liggende sleuven sulci genoemd worden.Plaat IV No. 1.De beide helften van de groote hersenen zijn door den zoogen. balk (corpus callosum) met elkander verbonden, terwijl de beide helften der kleine hersenen in de brug van Varol (pons Varoli) hun verbindingspunt vinden.Plaat IV No. 2.Het verlengde merg verlaat de schedelholte door het achterhoofdsgat en gaat in het ruggemerg over.Plaat IV No. 3.Men heeft het er langen tijd voor gehouden, dat de hersenen van de vrouw lichter zouden zijn dan die van den man. Vroegere onderzoekers beschouwden het gewicht der hersenen in verhouding tot de lengte van het lichaam en kwamen daardoor tot een foutief resultaat. In den laatsten tijd heeft men redelijker gehandeld. Men bepaalde het hersengewicht in verband met het lichaamsgewicht en kwam zoodoende tot het resultaat, dat de hersenen der vrouwen minstens even zwaar, doch veelal iets zwaarder zijn dan die der mannen. Het is evenwel te begrijpen, dat men uit deze berekening niet mag concludeeren tot meerdere of mindere intelligentie van een der beide geslachten.Ook is beweerd dat verschil in verhouding van de hersendeelen onderling was toe te schrijven aan geslachtsverschil. Men meende namelijk ontdekt te hebben, dat de voorhoofdskwabben van de hersenen in verhouding tot zijn overige deelen bij den man grooter waren dan bij de vrouw en omdat men altijd had aangenomen dat aldaar het verstand zetelde, was de uitkomst van het onderzoek geen verrassing. Het is evenwel gebleken, dat deze ontdekking aan onjuiste waarnemingen moest worden toegeschreven. Onderzoekers van lateren tijd hebben aangetoond, dat de voorhoofdskwabben van de vrouw beter ontwikkeld zijn dan die van den man en hoewel het verschil zeer gering is, het overwicht toch is aan de zijde der vrouw. Laat mij onmiddellijk hieraan toevoegen, dat men in den laatsten tijd twijfel is gaan opperen, of het verstand wel in de voorhoofdskwabben zetelt.Nog andere kenmerkende verschillen heeft men gemeend te vinden, doch telkens bleken zij den toets van het onderzoek niet te kunnen doorstaan, zoodat men dan ook op dit oogenblik geen enkel belangrijk punt van verschil tusschen de hersenen van mannen en vrouwen kan aannemen en zeer zeker in geen enkel opzicht uit de verkregen resultaten een besluit ten nadeele van het intellect der vrouw mag trekken.Keeren wij thans terug tot hetruggemerg(medulla spinalis), het lange, cylindervormige gedeelte van het centrale zenuwstelsel, in de holte van de ruggegraat gelegen en evenals de hersenen door drie vliezen omgeven.Plaat IV No. 4–7. Het eindigt van onderen ter hoogte van den 1en of 2en lenden wervel stomp kegelvormig (conus medullaris), vanwaar een draadvormig uiteinde (filum terminale) verder het ruggemergskanaal doorloopt.Men onderscheidt drie soorten vanzenuwen: gevoels-, bewegings- en sympathische zenuwen.Wordengevoelszenuwen geprikkeld, dan wordt die prikkel overgebracht naar de hersenen en volgt een gewaarwording, bijv. van pijn of warmte, van reuk of geluid.Debewegingszenuwen eindigen alle in de spieren. Worden die zenuwen geprikkeld, dan volgt samentrekking van de daarmede correspondeerende spieren.Gaan wij nu na, uit welke zenuwen de verschillende organen hun zenuwtakken ontvangen, dan blijkt, dat de hersenen 12 paar hersenzenuwen leveren, terwijl uit het ruggemerg 31 paar ruggemergszenuwen haar oorsprong nemen.De 12 paar hersenzenuwen zijn bijna uitsluitend bestemd voor de verschillende deelen van het hoofd. Zij voorzien de zintuigen van zenuwtakken en geven verder gevoels- en bewegingszenuwen voor het hoofd af.De 31 paar ruggemergszenuwen worden bij haar oorsprong in twee takken gescheiden, waarvan de voorste, de dikkere tak, bewegingszenuwen, de achterste, gevoelszenuwen levert.Deze ruggemergszenuwen zijn verdeeld in 8 hals-, 12 borst-, 5 lenden-, 5 heiligbeens- en 1, soms 2 stuitbeenszenuwen. Zij verlaten alle het ruggemergskanaal door de voor hen bestemde opening in de overeenkomstige wervels. Aangezien het ruggemerg op de hoogte van den 1en of 2en lendenwervel eindigt, moeten de lenden-, heiligbeens- en stuitbeenszenuwen dus nog een eind in het ruggemergskanaal afleggen, voor zij de voor ieder harer bestemde uitgangsopening in de wervels bereiken. De zenuwen, die evenwijdig naar beneden loopen, geven een eigenaardigen vorm aan het uiteinde van het ruggemerg, dat daarnaar den naam van paardenstaart (cauda equina) verkregen heeft. OpPlaat IVis dit alles zeer juist afgebeeld.Desympathischezenuwen vormen een afzonderlijke groep. Zij vinden haar oorsprong in twee dikke zenuwkoorden, die langs beide zijden van de wervelkolom loopen. Zij begeleiden hoofdzakelijk de bloedvaten op hun talrijke wegen en regelen de wijdte der kleine slagaderen.

De verrichtingen van de afzonderlijke organen van het lichaam worden door middel van het zenuwstelsel tot één geheel vereenigd.

Men verdeelt het zenuwstelsel in eencentraalen eenperipheergedeelte. Tot het centraal gedeelte behooren de hersenen en het ruggemerg.

In het centraal gedeelte van het zenuwstelsel ontstaan de prikkels, die de werking der spieren opwekken en worden de indrukken, door de zintuigen ontvangen, in voorstellingen en gewaarwordingen omgezet. Het wordt tevens gehouden voor den zetel van het verstand.

Het periphere gedeelte van het zenuwstelsel bestaat uit zenuwen (nervi), die alsleidraden, prikkels en indrukken overbrengen en de verschillende organen met het centrale zenuwstelsel in verbinding brengen.

Dehersenen(encephalon) zijn in de schedelholte besloten. Ze zijn door drie vliezige hulsels omgeven, die, van buiten naar binnengerekend, onderscheiden worden in harde hersenvlies (dura mater), spinnewebsvlies (arachnoidea) en zachte hersenvlies (pia mater).

De bouw der hersenen is zeer gecompliceerd. Hier zij alleen vermeld, dat zij verdeeld worden in groote hersenen (cerebrum), kleine hersenen (cerebellum) en het verlengde merg (medulla oblongata). Zij bestaan uit twee helften, die aan elkander gelijk zijn.

De hersenoppervlakte heeft boogsgewijs gekronkelde verhevenheden; deze verhevenheden worden gyri genoemd, terwijl de daartusschen liggende sleuven sulci genoemd worden.Plaat IV No. 1.

De beide helften van de groote hersenen zijn door den zoogen. balk (corpus callosum) met elkander verbonden, terwijl de beide helften der kleine hersenen in de brug van Varol (pons Varoli) hun verbindingspunt vinden.Plaat IV No. 2.

Het verlengde merg verlaat de schedelholte door het achterhoofdsgat en gaat in het ruggemerg over.Plaat IV No. 3.

Men heeft het er langen tijd voor gehouden, dat de hersenen van de vrouw lichter zouden zijn dan die van den man. Vroegere onderzoekers beschouwden het gewicht der hersenen in verhouding tot de lengte van het lichaam en kwamen daardoor tot een foutief resultaat. In den laatsten tijd heeft men redelijker gehandeld. Men bepaalde het hersengewicht in verband met het lichaamsgewicht en kwam zoodoende tot het resultaat, dat de hersenen der vrouwen minstens even zwaar, doch veelal iets zwaarder zijn dan die der mannen. Het is evenwel te begrijpen, dat men uit deze berekening niet mag concludeeren tot meerdere of mindere intelligentie van een der beide geslachten.

Ook is beweerd dat verschil in verhouding van de hersendeelen onderling was toe te schrijven aan geslachtsverschil. Men meende namelijk ontdekt te hebben, dat de voorhoofdskwabben van de hersenen in verhouding tot zijn overige deelen bij den man grooter waren dan bij de vrouw en omdat men altijd had aangenomen dat aldaar het verstand zetelde, was de uitkomst van het onderzoek geen verrassing. Het is evenwel gebleken, dat deze ontdekking aan onjuiste waarnemingen moest worden toegeschreven. Onderzoekers van lateren tijd hebben aangetoond, dat de voorhoofdskwabben van de vrouw beter ontwikkeld zijn dan die van den man en hoewel het verschil zeer gering is, het overwicht toch is aan de zijde der vrouw. Laat mij onmiddellijk hieraan toevoegen, dat men in den laatsten tijd twijfel is gaan opperen, of het verstand wel in de voorhoofdskwabben zetelt.

Nog andere kenmerkende verschillen heeft men gemeend te vinden, doch telkens bleken zij den toets van het onderzoek niet te kunnen doorstaan, zoodat men dan ook op dit oogenblik geen enkel belangrijk punt van verschil tusschen de hersenen van mannen en vrouwen kan aannemen en zeer zeker in geen enkel opzicht uit de verkregen resultaten een besluit ten nadeele van het intellect der vrouw mag trekken.

Keeren wij thans terug tot hetruggemerg(medulla spinalis), het lange, cylindervormige gedeelte van het centrale zenuwstelsel, in de holte van de ruggegraat gelegen en evenals de hersenen door drie vliezen omgeven.Plaat IV No. 4–7. Het eindigt van onderen ter hoogte van den 1en of 2en lenden wervel stomp kegelvormig (conus medullaris), vanwaar een draadvormig uiteinde (filum terminale) verder het ruggemergskanaal doorloopt.

Men onderscheidt drie soorten vanzenuwen: gevoels-, bewegings- en sympathische zenuwen.

Wordengevoelszenuwen geprikkeld, dan wordt die prikkel overgebracht naar de hersenen en volgt een gewaarwording, bijv. van pijn of warmte, van reuk of geluid.

Debewegingszenuwen eindigen alle in de spieren. Worden die zenuwen geprikkeld, dan volgt samentrekking van de daarmede correspondeerende spieren.

Gaan wij nu na, uit welke zenuwen de verschillende organen hun zenuwtakken ontvangen, dan blijkt, dat de hersenen 12 paar hersenzenuwen leveren, terwijl uit het ruggemerg 31 paar ruggemergszenuwen haar oorsprong nemen.

De 12 paar hersenzenuwen zijn bijna uitsluitend bestemd voor de verschillende deelen van het hoofd. Zij voorzien de zintuigen van zenuwtakken en geven verder gevoels- en bewegingszenuwen voor het hoofd af.

De 31 paar ruggemergszenuwen worden bij haar oorsprong in twee takken gescheiden, waarvan de voorste, de dikkere tak, bewegingszenuwen, de achterste, gevoelszenuwen levert.

Deze ruggemergszenuwen zijn verdeeld in 8 hals-, 12 borst-, 5 lenden-, 5 heiligbeens- en 1, soms 2 stuitbeenszenuwen. Zij verlaten alle het ruggemergskanaal door de voor hen bestemde opening in de overeenkomstige wervels. Aangezien het ruggemerg op de hoogte van den 1en of 2en lendenwervel eindigt, moeten de lenden-, heiligbeens- en stuitbeenszenuwen dus nog een eind in het ruggemergskanaal afleggen, voor zij de voor ieder harer bestemde uitgangsopening in de wervels bereiken. De zenuwen, die evenwijdig naar beneden loopen, geven een eigenaardigen vorm aan het uiteinde van het ruggemerg, dat daarnaar den naam van paardenstaart (cauda equina) verkregen heeft. OpPlaat IVis dit alles zeer juist afgebeeld.

Desympathischezenuwen vormen een afzonderlijke groep. Zij vinden haar oorsprong in twee dikke zenuwkoorden, die langs beide zijden van de wervelkolom loopen. Zij begeleiden hoofdzakelijk de bloedvaten op hun talrijke wegen en regelen de wijdte der kleine slagaderen.

De Spijsverteringsorganen.De spijsverteringsorganen (organa digestionis) dienen tot opneming en omzetting van voedingsstoffen; zij vormen een kanaal, waarvan de mondholte (cavum oris) het begin en de aars (anus) het einde vormt. Slechts het begin en het einde is aan den wil onderworpen.De voedingsstoffen worden in de verschillende deelen van het spijsverteringswerktuig omgezet in zoodanigen vorm, dat zij in het bloed kunnen worden opgenomen en in de verschillende weefsels kunnen worden afgescheiden om daar de verbruikte stoffen te vervangen. De aanvoer van nieuwe voedingsstoffen moet gelijk staan met, of meer zijn dan de verbruikte hoeveelheid, anders heeft er achteruitgang van de weefsels plaats.Het geheele voedingsproces berust op een scheikundige omzetting der toegevoerde stoffen. De onbruikbare, niet tot opneming geschikte bestanddeelen gaan tot aan het einde van het darmkanaal door, om daar verwijderd te worden.De spijsverteringsorganen zijn van het begin tot het einde met slijmvlies bekleed. Dit slijmvlies is rijk aan slijmkliertjes en bevat verder veel bloedvaten, lymphvaten en zenuwen.Demondholtemoet als het begin beschouwd worden. Zij vormt een holte, vanbovenbegrensd door een naar voren gelegen hard en naar achteren gelegen zacht gehemelte (palatum durum et molle). Achter aan het zachte gehemelte bevindt zich de huig (uvula), die de keelholte schijnbaar in twee helften verdeelt.Het zachte gehemelte vertoont verder twee verheffingen, die als bogen naar rechts en naar links verloopen; tusschen detweerechtsche en tusschen de twee linksche booghelften ligt telkens een amandel (tonsilla).Aan beidezijdenwordt de mondholte begrensd door de wangen; daarin verloopen de wangspieren (musculi buccinatores).Plaat II No. 13.Deonderkantvan de mondholte wordt grootendeels gevormd door de tong (lingua); deze laat slechts een klein gedeelte van den eigenlijken bodem der mondholte vrij. De tong bestaat uit spieren, waarvan de vezelen in verschillende richtingen verloopen. Hierdoor worden de meest verschillende bewegingen mogelijk gemaakt.In de mondholte wordt het vaste voedsel gekauwd. Dit kauwen geschiedt, doordien de onderkaak op en neer en ook in zijdelingsche richting bewogen wordt; de bovenkaak staat vast. Onder het kauwen wordt de spijsbrok voortdurend verplaatst en wel door middel van de tong, de lipspieren en de wangspieren.Tijdens het kauwen wordt het voedsel innig vermengd met speeksel, een vocht, dat afgescheiden wordt door de speekselklieren, waarvan er aan beide zijden een in de wang nabij het oor ligt: de oorklier (glandula parotis), en die haar uitvoergang dwars door het wangslijmvlies naar de mondholte zendt. Verder liggen nog twee paar speekselklieren in de onderkaak: de onderkaaksklier (glandula submaxillaris) en de ondertongsklier (glandula sublingualis). Van beide paren komen de uitvoergangen onder de tong uit.Door de vermenging met speeksel wordt het doorslikken van de spijsmassa vergemakkelijkt en wordt reeds een gedeelte van het voedsel, bijv. hetgeen uit meel bestaat, zoodanig scheikundig veranderd, dat het geschikt wordt om later in het bloed te worden opgenomen.Is het voedsel gekauwd, dan wordt het ingeslikt en vervolgt daarna zijn weg door denslokdarm(oesophagus),Plaat V No. 39. Van den slokdarm komt het in de maag.Demaag(ventriculus) ligt voor de grootste helft in het linker bovenste gedeelte van de buikholte. Zij stoot van boven aan het middelrif, links van haar ligt de milt en achter haar de alvleeschklier, terwijl zij rechts gedeeltelijk door de lever bedekt wordt. De plaats, waar de slokdarm in de maag overgaat, is de maagingang (cardia) en de overgang van de maag in den twaalfvingerigen darm heet portier (pylorus). Tusschen den maagingang en den maaguitgang ligt de wijde, naar onderen en links sterk uitgebogen zak, de grondvlakte van de maag (fundus ventriculi).Plaat V No. 40.Aan den pylorus wordt de maag van den twaalfvingerigen darm gescheiden door een kringspier, welke van tijd tot tijd geopend wordt om voedsel door te laten.Het spijsverteringsproces, reeds in de mondholte aangevangen, wordt in de maag voortgezet en wel door middel van een vocht, het maagsap, dat door het maagslijmvlies wordt afgescheiden en voornamelijk bestaat uit pepsine en zoutzuur.Dit vocht bezit het vermogen, het eiwit van het voedsel meer geschikt te maken tot opneming in het bloed. Door samentrekking van de in den maagwand gelegen spieren wordt het voedsel innig met het maagsap saamgekneed.Van tijd tot tijd gaat nu, zooals gezegd is, een deel van den maaginhoud in dentwaalfvingerigen darm(duodenum) over. Men verdeelt den darm in dunnen en dikken darm.De dunne darm bestaat weer uit drie deelen: dentwaalfvingerigen(duodenum), dennuchteren(jejunum) en denkronkeldarm(ileum). In het geheel vormt de dunne darm een buis van 5 à 6 Meter lengte, met lissen en bochten, waarvan eenige zelfs tot in de kleine bekkenholte afhangen.Plaat V No. 43 en 44.In den dunnen darm ondergaat het voedsel nieuwe veranderingen, doordien het daar in aanraking komt met twee vochten, de gal en het sap van de alvleeschklier. Beide vochten zorgen voor een verdere omzetting, waardoor opneming in het bloed mogelijk wordt.De gal is een afscheidingsproduct uit delever, de grootste klier van het menschelijk lichaam. De lever (hepar),Plaat V No. 48, is tamelijk week, bezit een bruinroode kleur en is gelegen in de rechter bovenste buikstreek, tegen het middelrif aan. Haar onderste rand moet slechts even onder de ribben uit gevoeld kunnen worden. Bij vrouwen, die zich sterk rijgen, wordt de lever naar onderen geperst en is daardoor veel gemakkelijker waar te nemen.De lever scheidt onophoudelijk gal af, die in de galblaas (cystis fellea),Plaat V No. 49, wordt verzameld en zich gedurende de spijsvertering in den dunnen darm ontlast.De galblaasbuis (ductus choledochus) voert de gal naar den twaalfvingerigen darm.Dealvleeschklier(pancreas),Plaat V No. 42, is een klier, die een lengte heeft van ongeveer 20 cM en een breedte van 3 à 4 cM. Ook haar uitvoergang mondt in het duodenum uit, vlak bij dien van de gal. Het sap der alvleeschklier heeft een groote beteekenis, omdat het op alle bestanddeelen van het voedsel een krachtigen invloed uitoefent.In den dunnen darm wordt eveneens het voedsel gekneed, maar tevens voortbewogen. Deze voortbeweging komt tot stand, doordien de darmwand zich achter de voedselmassa vernauwt en verkort. Dit herhaalt zich telkens met het opvolgend stuk darm en zoo gaat het voort, alsof men van de maag uitgaande, met de vingers den darm drukkende, de voedselmassa voortbeweegt. Zulk een beweging noemt men een wormvormige of peristaltische.Van dendunnendarm gaat de massa nu over in dendikken. Op de plaats van overgang wordt een zak gevormd, de blinde darm (intestinum coecum),Plaat V No. 45. De dikke darm is veel wijder dan de eerste en is ook meer rekbaar. Eerst verloopt hij naar boven tot aan de lever, gaat dan van rechts naar links, om zich vervolgens naar beneden te buigen en in den endeldarm (rectum) over te gaan. Vóór den overgang in den endeldarm noemt men den dikken darm ook wel colon.De opneming van het voedsel in het bloed begint reeds in den maagwand en zet zich verder over het geheele darmkanaal voort. De wijze, waarop dit geschiedt, hier uiteen te zetten, zou tot te groote uitvoerigheid leiden. Slechts zij opgemerkt, dat behalve het vet, al het omgezette voedsel wordt afgevoerd door bloedvaten, welke in maag- en darmwand gelegen zijn. Zoo komt het dan in het bloed der holle ader, in rechter voorkamer, rechter kamer, longcapillaria, linker voorkamer, linker kamer, aorta en stroomt door de slagaderen naar alle deelen van het lichaam. In de fijne haarvaten wordt eindelijk het voedsel aan de weefsels afgegeven. Het vet wordt door een eigen vaatsysteem uit den darmwand afgevoerd, maar dit systeem mondt ten slotte toch ook in het aderlijke bloed uit, zoodat ook het vet den weg van rechter voorkamer, rechter kamer, enz. volgt.Demilt(lien),Plaat V No. 41, behoort eigenlijk niet tot de digestie-organen; zij wordt hier alleen besproken, omdat zij in de buikholte vlak achter of naast de grondvlakte van de maag gelegen is en nog niet is uitgemaakt, welke functie zij eigenlijk te vervullen heeft. Het is een bruinrood orgaan, ter grootte van een vuist, dat buitengewoon vaatrijk is.Het buikvlies (peritoneum) is een volkomen gesloten zak (bij de vrouw wordt het alleen door de buikopeningen van de Fallopiaansche buizen, waarover later, doorboord), waarmede de inwendige oppervlakte van de buik- en bekkenwanden is bekleed (peritoneum parietale) en dat de buik- en bekkeningewanden zoodanig omgeeft, dat deze daardoor geheel overdekt zijn (peritoneum viscerale).

De spijsverteringsorganen (organa digestionis) dienen tot opneming en omzetting van voedingsstoffen; zij vormen een kanaal, waarvan de mondholte (cavum oris) het begin en de aars (anus) het einde vormt. Slechts het begin en het einde is aan den wil onderworpen.

De voedingsstoffen worden in de verschillende deelen van het spijsverteringswerktuig omgezet in zoodanigen vorm, dat zij in het bloed kunnen worden opgenomen en in de verschillende weefsels kunnen worden afgescheiden om daar de verbruikte stoffen te vervangen. De aanvoer van nieuwe voedingsstoffen moet gelijk staan met, of meer zijn dan de verbruikte hoeveelheid, anders heeft er achteruitgang van de weefsels plaats.

Het geheele voedingsproces berust op een scheikundige omzetting der toegevoerde stoffen. De onbruikbare, niet tot opneming geschikte bestanddeelen gaan tot aan het einde van het darmkanaal door, om daar verwijderd te worden.

De spijsverteringsorganen zijn van het begin tot het einde met slijmvlies bekleed. Dit slijmvlies is rijk aan slijmkliertjes en bevat verder veel bloedvaten, lymphvaten en zenuwen.

Demondholtemoet als het begin beschouwd worden. Zij vormt een holte, vanbovenbegrensd door een naar voren gelegen hard en naar achteren gelegen zacht gehemelte (palatum durum et molle). Achter aan het zachte gehemelte bevindt zich de huig (uvula), die de keelholte schijnbaar in twee helften verdeelt.

Het zachte gehemelte vertoont verder twee verheffingen, die als bogen naar rechts en naar links verloopen; tusschen detweerechtsche en tusschen de twee linksche booghelften ligt telkens een amandel (tonsilla).

Aan beidezijdenwordt de mondholte begrensd door de wangen; daarin verloopen de wangspieren (musculi buccinatores).Plaat II No. 13.

Deonderkantvan de mondholte wordt grootendeels gevormd door de tong (lingua); deze laat slechts een klein gedeelte van den eigenlijken bodem der mondholte vrij. De tong bestaat uit spieren, waarvan de vezelen in verschillende richtingen verloopen. Hierdoor worden de meest verschillende bewegingen mogelijk gemaakt.

In de mondholte wordt het vaste voedsel gekauwd. Dit kauwen geschiedt, doordien de onderkaak op en neer en ook in zijdelingsche richting bewogen wordt; de bovenkaak staat vast. Onder het kauwen wordt de spijsbrok voortdurend verplaatst en wel door middel van de tong, de lipspieren en de wangspieren.

Tijdens het kauwen wordt het voedsel innig vermengd met speeksel, een vocht, dat afgescheiden wordt door de speekselklieren, waarvan er aan beide zijden een in de wang nabij het oor ligt: de oorklier (glandula parotis), en die haar uitvoergang dwars door het wangslijmvlies naar de mondholte zendt. Verder liggen nog twee paar speekselklieren in de onderkaak: de onderkaaksklier (glandula submaxillaris) en de ondertongsklier (glandula sublingualis). Van beide paren komen de uitvoergangen onder de tong uit.

Door de vermenging met speeksel wordt het doorslikken van de spijsmassa vergemakkelijkt en wordt reeds een gedeelte van het voedsel, bijv. hetgeen uit meel bestaat, zoodanig scheikundig veranderd, dat het geschikt wordt om later in het bloed te worden opgenomen.

Is het voedsel gekauwd, dan wordt het ingeslikt en vervolgt daarna zijn weg door denslokdarm(oesophagus),Plaat V No. 39. Van den slokdarm komt het in de maag.

Demaag(ventriculus) ligt voor de grootste helft in het linker bovenste gedeelte van de buikholte. Zij stoot van boven aan het middelrif, links van haar ligt de milt en achter haar de alvleeschklier, terwijl zij rechts gedeeltelijk door de lever bedekt wordt. De plaats, waar de slokdarm in de maag overgaat, is de maagingang (cardia) en de overgang van de maag in den twaalfvingerigen darm heet portier (pylorus). Tusschen den maagingang en den maaguitgang ligt de wijde, naar onderen en links sterk uitgebogen zak, de grondvlakte van de maag (fundus ventriculi).Plaat V No. 40.

Aan den pylorus wordt de maag van den twaalfvingerigen darm gescheiden door een kringspier, welke van tijd tot tijd geopend wordt om voedsel door te laten.

Het spijsverteringsproces, reeds in de mondholte aangevangen, wordt in de maag voortgezet en wel door middel van een vocht, het maagsap, dat door het maagslijmvlies wordt afgescheiden en voornamelijk bestaat uit pepsine en zoutzuur.

Dit vocht bezit het vermogen, het eiwit van het voedsel meer geschikt te maken tot opneming in het bloed. Door samentrekking van de in den maagwand gelegen spieren wordt het voedsel innig met het maagsap saamgekneed.

Van tijd tot tijd gaat nu, zooals gezegd is, een deel van den maaginhoud in dentwaalfvingerigen darm(duodenum) over. Men verdeelt den darm in dunnen en dikken darm.

De dunne darm bestaat weer uit drie deelen: dentwaalfvingerigen(duodenum), dennuchteren(jejunum) en denkronkeldarm(ileum). In het geheel vormt de dunne darm een buis van 5 à 6 Meter lengte, met lissen en bochten, waarvan eenige zelfs tot in de kleine bekkenholte afhangen.Plaat V No. 43 en 44.

In den dunnen darm ondergaat het voedsel nieuwe veranderingen, doordien het daar in aanraking komt met twee vochten, de gal en het sap van de alvleeschklier. Beide vochten zorgen voor een verdere omzetting, waardoor opneming in het bloed mogelijk wordt.

De gal is een afscheidingsproduct uit delever, de grootste klier van het menschelijk lichaam. De lever (hepar),Plaat V No. 48, is tamelijk week, bezit een bruinroode kleur en is gelegen in de rechter bovenste buikstreek, tegen het middelrif aan. Haar onderste rand moet slechts even onder de ribben uit gevoeld kunnen worden. Bij vrouwen, die zich sterk rijgen, wordt de lever naar onderen geperst en is daardoor veel gemakkelijker waar te nemen.

De lever scheidt onophoudelijk gal af, die in de galblaas (cystis fellea),Plaat V No. 49, wordt verzameld en zich gedurende de spijsvertering in den dunnen darm ontlast.

De galblaasbuis (ductus choledochus) voert de gal naar den twaalfvingerigen darm.

Dealvleeschklier(pancreas),Plaat V No. 42, is een klier, die een lengte heeft van ongeveer 20 cM en een breedte van 3 à 4 cM. Ook haar uitvoergang mondt in het duodenum uit, vlak bij dien van de gal. Het sap der alvleeschklier heeft een groote beteekenis, omdat het op alle bestanddeelen van het voedsel een krachtigen invloed uitoefent.

In den dunnen darm wordt eveneens het voedsel gekneed, maar tevens voortbewogen. Deze voortbeweging komt tot stand, doordien de darmwand zich achter de voedselmassa vernauwt en verkort. Dit herhaalt zich telkens met het opvolgend stuk darm en zoo gaat het voort, alsof men van de maag uitgaande, met de vingers den darm drukkende, de voedselmassa voortbeweegt. Zulk een beweging noemt men een wormvormige of peristaltische.

Van dendunnendarm gaat de massa nu over in dendikken. Op de plaats van overgang wordt een zak gevormd, de blinde darm (intestinum coecum),Plaat V No. 45. De dikke darm is veel wijder dan de eerste en is ook meer rekbaar. Eerst verloopt hij naar boven tot aan de lever, gaat dan van rechts naar links, om zich vervolgens naar beneden te buigen en in den endeldarm (rectum) over te gaan. Vóór den overgang in den endeldarm noemt men den dikken darm ook wel colon.

De opneming van het voedsel in het bloed begint reeds in den maagwand en zet zich verder over het geheele darmkanaal voort. De wijze, waarop dit geschiedt, hier uiteen te zetten, zou tot te groote uitvoerigheid leiden. Slechts zij opgemerkt, dat behalve het vet, al het omgezette voedsel wordt afgevoerd door bloedvaten, welke in maag- en darmwand gelegen zijn. Zoo komt het dan in het bloed der holle ader, in rechter voorkamer, rechter kamer, longcapillaria, linker voorkamer, linker kamer, aorta en stroomt door de slagaderen naar alle deelen van het lichaam. In de fijne haarvaten wordt eindelijk het voedsel aan de weefsels afgegeven. Het vet wordt door een eigen vaatsysteem uit den darmwand afgevoerd, maar dit systeem mondt ten slotte toch ook in het aderlijke bloed uit, zoodat ook het vet den weg van rechter voorkamer, rechter kamer, enz. volgt.

Demilt(lien),Plaat V No. 41, behoort eigenlijk niet tot de digestie-organen; zij wordt hier alleen besproken, omdat zij in de buikholte vlak achter of naast de grondvlakte van de maag gelegen is en nog niet is uitgemaakt, welke functie zij eigenlijk te vervullen heeft. Het is een bruinrood orgaan, ter grootte van een vuist, dat buitengewoon vaatrijk is.

Het buikvlies (peritoneum) is een volkomen gesloten zak (bij de vrouw wordt het alleen door de buikopeningen van de Fallopiaansche buizen, waarover later, doorboord), waarmede de inwendige oppervlakte van de buik- en bekkenwanden is bekleed (peritoneum parietale) en dat de buik- en bekkeningewanden zoodanig omgeeft, dat deze daardoor geheel overdekt zijn (peritoneum viscerale).

De Ademhalingsorganen.Door middel van de ademhalingsorganen wordt zuurstof in het bloed gebracht en worden onbruikbare gasvormige omzettingsproducten, voornamelijk koolzuur, uit het lichaam verwijderd. Tot de ademhalingsorganen behooren de groote luchtwegen en de longen. Langs de luchtwegen, waartoe alleen de neus, het strottenhoofd en de luchtpijp gerekend worden, bereikt de lucht de longen.Deneus(nasus), tegelijkertijd ons reukorgaan, is in normale omstandigheden de eenige toegangsweg tot de longen, daar de doortocht door den mond eigenlijk alleen als noodhulp behoort gebruikt te worden. Doordien deze toegangsweg zoo nauw is en bovendien nog vele bochten vertoont, kan de buitenlucht er slechts langzaam doorgaan en komt zoodoende behoorlijk verwarmd in de longen aan.Hetstrottenhoofd(larynx),Plaat V No. 24, is een uit kraakbeenderen samengesteld orgaan, dat bij den ingang een klepje, strotteklepje (epiglottis) bezit, waardoor die ingang kan afgesloten worden. Het strottenhoofd staat van boven met den mond en den neus in verbinding; van onderen gaat het in de luchtpijp over. Bij het slikken sluit het zeer beweeglijk en veerkrachtig strotteklepje den toegang naar het strottenhoofd af en verhindert daardoor, dat het doorgeslikte in de luchtwegen komt.Het strottenhoofd dient tot orgaan voor stemvorming. Daarvoor zijn binnen in de holte slijmvliesplooien gespannen, die als stembanden dienst doen. Door aldaar aanwezige, talrijke kleine spieren zijn wij in staat de stembanden meer of minder sterk te spannen en daardoor de verschillende tonen in ons geluid te brengen.Het strottenhoofd is bij vrouwen aanmerkelijk kleiner dan bij mannen. Totop ongeveer 15-j. leeftijd is er geen noemenswaardig verschil; daarna ontwikkelt het zich bij jongens veel sterker dan bij meisjes. De stembanden zijn dan ook bij de eersten langer en de stemspleet, de spleet tusschen beide stembanden gelegen, waardoor de in- en uitademingslucht passeeren moet, iets breeder. Het verschil in stem bij mannen en vrouwen is daaraan toe te schrijven.Deluchtpijp(trachea),Plaat V No. 25, is een 10–22 cM. lange buis, uit een aantal (16–20) kraakbeenringen samengesteld, welke door veerkrachtige, vezelachtige banden onderling zijn vereenigd. Op de hoogte van den 4en borstwervel splitst de luchtpijp zich in twee takken, de luchtpijpstakken (bronchi),Plaat V No. 26, die naar de rechter en linker long loopen.De rechter tak, die iets korter en wijder is dan de linker, splitst zich in drieën, voor elke rechter longkwab een; de linker tak verdeelt zich slechts in tweeën, omdat de linker long slechts twee kwabben bezit. In de long wordt elke tak in ontelbaar kleine en steeds fijner wordende takjes verdeeld, die ten slotte alle uitmonden in een fijn, zakvormig blaasje, de longblaasjes. Vele van deze met lucht gevulde longblaasjes vormen te zamen een longlapje en uit een aantal van zulke lapjes zijn de longen opgebouwd.Delongen(pulmones),Plaat V No. 27, zijn twee weeke, sponsachtige organen, die in de beide helften der borstkas een plaats vinden en de holte hiervan geheel vullen. De longslagader, die met de luchtpijpstakken aan de binnenvlakte der longen naar binnen treedt, vertakt zich aldaar evenals de luchtpijpstakken in vele kleine slagaderen, om eindelijk het weefsel van de longblaasjes met een net van capillairen te omgeven. Hierdoor is het bloed in staat, de zuurstof van de ingeademde lucht in zich op te nemen en daarvoor de in het lichaam ontstane, onbruikbare gassen, die het meevoerde, af te geven, welke dan met de lucht worden uitgeademd. Bij verruiming van de borstkas zetten de longen zich uit; de longblaasjes vullen zich dan met versche lucht, wat meninademennoemt. Men spreekt vanuitademen, wanneer de gebruikte lucht de longen verlaat. In- en uitademing gezamenlijk heetademhaling. Door samentrekking van de spieren van de borstkas komt de ademhaling tot stand; dan toch wordt de borstkas verruimd.Een spier, die bij de ademhaling een voorname rol speelt, worde hier afzonderlijk vermeld. Deze spier, het middelrif (diaphragma),Plaat V No. 50, sluit de borstholte geheel van de buikholte af. Rondom aan de ribben bevestigd, bevindt zij zich in toestand van rust bolvormig gespannen in de borstholte. Bij samentrekking wordt de welving van de spier vlak en wordt de borstkas daardoor aanmerkelijk verruimd. De spiermassa bezit in het midden twee openingen, waardoor de slokdarm en de lichaamsslagader van de borst- in de buikholte en de onderste holle ader van de buik- in de borstholte kunnen overgaan.In geheel rustigen, normalen toestand hebben er bij volwassen menschen 16 à 20 ademhalingen in de minuut plaats. Bij kinderen is dit aantal grooter, terwijl ook vrouwen iets sneller ademen dan mannen. Allerlei invloeden kunnen de ademhaling versnellen, zonder dat wij nog met ziekelijke afwijkingen te doen hebben, bijv. bij inspanning der spieren, bij gemoedsaandoeningen, enz.De hoeveelheid lucht, die bij diepste inademing op eenmaal kan ingeademd worden, de vitale capaciteit der longen, is bij mannen grooter dan bij vrouwen.Dat in normalen toestand ook dewijzevan ademhaling bij mannen en vrouwen zou verschillen, heeft men vroeger wel aangenomen, doch later is gebleken, dat dit een dwaling was. Men dacht, dat mannen ademden hoofdzakelijk door samentrekking van het middelrif (buikademhaling); vrouwen daarentegen door samentrekking van de borstspieren (ribben-ademhaling). Het is echter gebleken, dat deze ribbenademhaling, wanneer zij voorkomt bij vrouwen, meestal een gevolg is van te nauw sluitende kleeding, te sterk geregen corsetten, waardoor de uitzetting der borstkas van onderen wordt belemmerd.In de borstholte liggen nog twee klieren, de schildklier (glandula thyreoidea) en de thymusklier (glandula thymus).De schildklier ligt vóór het begin der luchtpijp. Zij is bij vrouwen iets grooter dan bij mannen.De thymusklier ligt achter het bovenste deel van het borstbeen. Deze klier neemt tot het 2e levensjaar in omvang toe, gaat daarna langzamerhand verminderen en is tegen den tijd der geslachtsrijpheid geheel verdwenen.

Door middel van de ademhalingsorganen wordt zuurstof in het bloed gebracht en worden onbruikbare gasvormige omzettingsproducten, voornamelijk koolzuur, uit het lichaam verwijderd. Tot de ademhalingsorganen behooren de groote luchtwegen en de longen. Langs de luchtwegen, waartoe alleen de neus, het strottenhoofd en de luchtpijp gerekend worden, bereikt de lucht de longen.

Deneus(nasus), tegelijkertijd ons reukorgaan, is in normale omstandigheden de eenige toegangsweg tot de longen, daar de doortocht door den mond eigenlijk alleen als noodhulp behoort gebruikt te worden. Doordien deze toegangsweg zoo nauw is en bovendien nog vele bochten vertoont, kan de buitenlucht er slechts langzaam doorgaan en komt zoodoende behoorlijk verwarmd in de longen aan.

Hetstrottenhoofd(larynx),Plaat V No. 24, is een uit kraakbeenderen samengesteld orgaan, dat bij den ingang een klepje, strotteklepje (epiglottis) bezit, waardoor die ingang kan afgesloten worden. Het strottenhoofd staat van boven met den mond en den neus in verbinding; van onderen gaat het in de luchtpijp over. Bij het slikken sluit het zeer beweeglijk en veerkrachtig strotteklepje den toegang naar het strottenhoofd af en verhindert daardoor, dat het doorgeslikte in de luchtwegen komt.

Het strottenhoofd dient tot orgaan voor stemvorming. Daarvoor zijn binnen in de holte slijmvliesplooien gespannen, die als stembanden dienst doen. Door aldaar aanwezige, talrijke kleine spieren zijn wij in staat de stembanden meer of minder sterk te spannen en daardoor de verschillende tonen in ons geluid te brengen.

Het strottenhoofd is bij vrouwen aanmerkelijk kleiner dan bij mannen. Totop ongeveer 15-j. leeftijd is er geen noemenswaardig verschil; daarna ontwikkelt het zich bij jongens veel sterker dan bij meisjes. De stembanden zijn dan ook bij de eersten langer en de stemspleet, de spleet tusschen beide stembanden gelegen, waardoor de in- en uitademingslucht passeeren moet, iets breeder. Het verschil in stem bij mannen en vrouwen is daaraan toe te schrijven.

Deluchtpijp(trachea),Plaat V No. 25, is een 10–22 cM. lange buis, uit een aantal (16–20) kraakbeenringen samengesteld, welke door veerkrachtige, vezelachtige banden onderling zijn vereenigd. Op de hoogte van den 4en borstwervel splitst de luchtpijp zich in twee takken, de luchtpijpstakken (bronchi),Plaat V No. 26, die naar de rechter en linker long loopen.

De rechter tak, die iets korter en wijder is dan de linker, splitst zich in drieën, voor elke rechter longkwab een; de linker tak verdeelt zich slechts in tweeën, omdat de linker long slechts twee kwabben bezit. In de long wordt elke tak in ontelbaar kleine en steeds fijner wordende takjes verdeeld, die ten slotte alle uitmonden in een fijn, zakvormig blaasje, de longblaasjes. Vele van deze met lucht gevulde longblaasjes vormen te zamen een longlapje en uit een aantal van zulke lapjes zijn de longen opgebouwd.

Delongen(pulmones),Plaat V No. 27, zijn twee weeke, sponsachtige organen, die in de beide helften der borstkas een plaats vinden en de holte hiervan geheel vullen. De longslagader, die met de luchtpijpstakken aan de binnenvlakte der longen naar binnen treedt, vertakt zich aldaar evenals de luchtpijpstakken in vele kleine slagaderen, om eindelijk het weefsel van de longblaasjes met een net van capillairen te omgeven. Hierdoor is het bloed in staat, de zuurstof van de ingeademde lucht in zich op te nemen en daarvoor de in het lichaam ontstane, onbruikbare gassen, die het meevoerde, af te geven, welke dan met de lucht worden uitgeademd. Bij verruiming van de borstkas zetten de longen zich uit; de longblaasjes vullen zich dan met versche lucht, wat meninademennoemt. Men spreekt vanuitademen, wanneer de gebruikte lucht de longen verlaat. In- en uitademing gezamenlijk heetademhaling. Door samentrekking van de spieren van de borstkas komt de ademhaling tot stand; dan toch wordt de borstkas verruimd.

Een spier, die bij de ademhaling een voorname rol speelt, worde hier afzonderlijk vermeld. Deze spier, het middelrif (diaphragma),Plaat V No. 50, sluit de borstholte geheel van de buikholte af. Rondom aan de ribben bevestigd, bevindt zij zich in toestand van rust bolvormig gespannen in de borstholte. Bij samentrekking wordt de welving van de spier vlak en wordt de borstkas daardoor aanmerkelijk verruimd. De spiermassa bezit in het midden twee openingen, waardoor de slokdarm en de lichaamsslagader van de borst- in de buikholte en de onderste holle ader van de buik- in de borstholte kunnen overgaan.

In geheel rustigen, normalen toestand hebben er bij volwassen menschen 16 à 20 ademhalingen in de minuut plaats. Bij kinderen is dit aantal grooter, terwijl ook vrouwen iets sneller ademen dan mannen. Allerlei invloeden kunnen de ademhaling versnellen, zonder dat wij nog met ziekelijke afwijkingen te doen hebben, bijv. bij inspanning der spieren, bij gemoedsaandoeningen, enz.

De hoeveelheid lucht, die bij diepste inademing op eenmaal kan ingeademd worden, de vitale capaciteit der longen, is bij mannen grooter dan bij vrouwen.Dat in normalen toestand ook dewijzevan ademhaling bij mannen en vrouwen zou verschillen, heeft men vroeger wel aangenomen, doch later is gebleken, dat dit een dwaling was. Men dacht, dat mannen ademden hoofdzakelijk door samentrekking van het middelrif (buikademhaling); vrouwen daarentegen door samentrekking van de borstspieren (ribben-ademhaling). Het is echter gebleken, dat deze ribbenademhaling, wanneer zij voorkomt bij vrouwen, meestal een gevolg is van te nauw sluitende kleeding, te sterk geregen corsetten, waardoor de uitzetting der borstkas van onderen wordt belemmerd.

In de borstholte liggen nog twee klieren, de schildklier (glandula thyreoidea) en de thymusklier (glandula thymus).

De schildklier ligt vóór het begin der luchtpijp. Zij is bij vrouwen iets grooter dan bij mannen.

De thymusklier ligt achter het bovenste deel van het borstbeen. Deze klier neemt tot het 2e levensjaar in omvang toe, gaat daarna langzamerhand verminderen en is tegen den tijd der geslachtsrijpheid geheel verdwenen.

De Pisorganen.Een groot deel der stoffen, die door het stofwisselingsproces in de weefsels worden gevormd en die voor de voeding der organen geen waarde meer hebben, wordt door middel van de pisorganen uit het lichaam verwijderd. Het zijn voornamelijk de stikstofhoudende stoffen, die, in opgelosten toestand, langs dezen weg het lichaam verlaten. Gelijk op bladz. 14 gezegd is, worden zij door het bloed, wanneer dit door de haarvaten der weefsels stroomt, opgenomen, om daarna te worden afgescheiden, wanneer het de nieren passeert.Dit afscheidingsproduct der nieren is de pis (urine).Denieren(renes) zijn boonvormige klieren, van bruinroode kleur. Zij liggen in de lendenstreek, aan beide zijden van de wervelkolom, de linker iets hooger dan de rechter.Plaat V No. 51.Door vetrijk bindweefsel, dat de nieren omgeeft, door het buikvlies, dat haar voorvlakte bekleedt en door de groote bloedvaten, die haar het bloed toevoeren, zijn zij aan haar plaats gebonden. De plaats, waar de groote bloedvaten de nieren ingaan en deze weder verlaten en waar ook de pisleider uittreedt, noemt men de poort van de nier. Somwijlen is een der nieren, meestal de rechter, min of meer bewegelijk. Door zwangerschappen of ziekten kan het gebeuren, dat het bindweefsel om de nier zijn vetrijkdom verliest en de nier daardoor minder stevig bevestigd ligt. Zij verplaatst zich dan af en toe in de buikholte en verkrijgt daardoor den naam van wandelnier.De uitwendige oppervlakte van de nier wordt door een taai, vezelachtig vlies omgeven (capsula fibrosa), dat aan de poort door de in- en uittredende vaten doorboord wordt.Fig. 7 a.Snijdt men de nier in de lengte door, zooals opPlaat V No. 52de linker nier is afgebeeld, dan blijkt, dat haar zelfstandigheid bestaat uit een bruinrood buitenste en een geelwit binnenste gedeelte. Deze bruinroode kleur is hieraan toe te schrijven, dat de nierslagader, aan de poort de nier binnentredende,Plaat V No. 51,en zich steeds fijner vertakkende, doordringt tot het buitenste gedeelte, het zoogen. bastgedeelte, en daar een fijn net van haarvaten vormt. In dit vaatnet wordt de urine afgescheiden. Zij wordt in zeer kleine holten opgevangen en door de pisbuisjes, die in die holten een begin nemen, naar het zoogenaamde nierbekken, in het middenste of merggedeelte van de nier gelegen, gevoerd. De pisbuisjes, aanvankelijk zeer fijn en talrijk, vereenigen zich op hun weg naar het nierbekken en vormen zoodoende steeds wijder wordende buisjes, die eindelijk overgaan in de nierkelken (calices renales), wier uitgangen onmiddellijk in het nierbekken uitmonden.Fig. 7 e.Fig. 7. Lengtedoorsnede van de nier. (Heitzmann.)Fig. 7.Lengtedoorsnede van de nier. (Heitzmann.)a. capsula fibrosa.b. bastzelfstandigheid.c. mergzelfstandigheid.d. nierkelken.e. nierbekken.f. pisleider.Het nierbekken, dat zich in de richting naar de poort trechtervormig vernauwt, gaat aldaar in den pisleider (ureter),Fig. 7 f, over. Onophoudelijk wordt de pis in de nieren afgescheiden, door de pisbuisjes naar de nierkelken gevoerd, door deze in het nierbekken uitgestort en vandaar door den pisleider naar de blaas gebracht. De pisleiders loopen over de groote lendenspier,Plaat V No. 53, naar beneden tot in het kleine bekken en monden daar aan weerszijden onder aan de blaas in deze uit.In depisblaas(vesica urinaria),Plaat V No. 54, wordt de urine opgevangen en kan daar geruimen tijd bewaard worden. De blaas is een zak, met vrij dikken spierwand, die in ledigen toestand achter de schaambeensvereeniging ligt, doch zoodra zij gevuld is, daarboven uitsteekt.De spierlaag is van binnen met slijmvlies bekleed, dat talrijke plooien vormt, wanneer de blaas ledig is. Aan haar bodem bevindt zich een sluitspier, die kringvormig den overgang van blaas in pisbuis omgeeft. Gelijktijdig met de samentrekking van de spierlaag van de blaas opent deze sluitspier zich en verleent aldus de urine een doortocht.Depisbuis(urethra), die de urine uit de blaas buiten het lichaam brengt, is bij de vrouw slechts ongeveer 2 cM lang en mondt boven den ingang der scheede in de schaamspleet uit. Zij is wijder dan de mannelijke pisbuis en kan bovendien nog uitgerekt worden.

Een groot deel der stoffen, die door het stofwisselingsproces in de weefsels worden gevormd en die voor de voeding der organen geen waarde meer hebben, wordt door middel van de pisorganen uit het lichaam verwijderd. Het zijn voornamelijk de stikstofhoudende stoffen, die, in opgelosten toestand, langs dezen weg het lichaam verlaten. Gelijk op bladz. 14 gezegd is, worden zij door het bloed, wanneer dit door de haarvaten der weefsels stroomt, opgenomen, om daarna te worden afgescheiden, wanneer het de nieren passeert.

Dit afscheidingsproduct der nieren is de pis (urine).

Denieren(renes) zijn boonvormige klieren, van bruinroode kleur. Zij liggen in de lendenstreek, aan beide zijden van de wervelkolom, de linker iets hooger dan de rechter.Plaat V No. 51.

Door vetrijk bindweefsel, dat de nieren omgeeft, door het buikvlies, dat haar voorvlakte bekleedt en door de groote bloedvaten, die haar het bloed toevoeren, zijn zij aan haar plaats gebonden. De plaats, waar de groote bloedvaten de nieren ingaan en deze weder verlaten en waar ook de pisleider uittreedt, noemt men de poort van de nier. Somwijlen is een der nieren, meestal de rechter, min of meer bewegelijk. Door zwangerschappen of ziekten kan het gebeuren, dat het bindweefsel om de nier zijn vetrijkdom verliest en de nier daardoor minder stevig bevestigd ligt. Zij verplaatst zich dan af en toe in de buikholte en verkrijgt daardoor den naam van wandelnier.

De uitwendige oppervlakte van de nier wordt door een taai, vezelachtig vlies omgeven (capsula fibrosa), dat aan de poort door de in- en uittredende vaten doorboord wordt.Fig. 7 a.

Snijdt men de nier in de lengte door, zooals opPlaat V No. 52de linker nier is afgebeeld, dan blijkt, dat haar zelfstandigheid bestaat uit een bruinrood buitenste en een geelwit binnenste gedeelte. Deze bruinroode kleur is hieraan toe te schrijven, dat de nierslagader, aan de poort de nier binnentredende,Plaat V No. 51,en zich steeds fijner vertakkende, doordringt tot het buitenste gedeelte, het zoogen. bastgedeelte, en daar een fijn net van haarvaten vormt. In dit vaatnet wordt de urine afgescheiden. Zij wordt in zeer kleine holten opgevangen en door de pisbuisjes, die in die holten een begin nemen, naar het zoogenaamde nierbekken, in het middenste of merggedeelte van de nier gelegen, gevoerd. De pisbuisjes, aanvankelijk zeer fijn en talrijk, vereenigen zich op hun weg naar het nierbekken en vormen zoodoende steeds wijder wordende buisjes, die eindelijk overgaan in de nierkelken (calices renales), wier uitgangen onmiddellijk in het nierbekken uitmonden.Fig. 7 e.

Fig. 7. Lengtedoorsnede van de nier. (Heitzmann.)Fig. 7.Lengtedoorsnede van de nier. (Heitzmann.)a. capsula fibrosa.b. bastzelfstandigheid.c. mergzelfstandigheid.d. nierkelken.e. nierbekken.f. pisleider.

Fig. 7.Lengtedoorsnede van de nier. (Heitzmann.)

a. capsula fibrosa.b. bastzelfstandigheid.c. mergzelfstandigheid.d. nierkelken.e. nierbekken.f. pisleider.

Het nierbekken, dat zich in de richting naar de poort trechtervormig vernauwt, gaat aldaar in den pisleider (ureter),Fig. 7 f, over. Onophoudelijk wordt de pis in de nieren afgescheiden, door de pisbuisjes naar de nierkelken gevoerd, door deze in het nierbekken uitgestort en vandaar door den pisleider naar de blaas gebracht. De pisleiders loopen over de groote lendenspier,Plaat V No. 53, naar beneden tot in het kleine bekken en monden daar aan weerszijden onder aan de blaas in deze uit.

In depisblaas(vesica urinaria),Plaat V No. 54, wordt de urine opgevangen en kan daar geruimen tijd bewaard worden. De blaas is een zak, met vrij dikken spierwand, die in ledigen toestand achter de schaambeensvereeniging ligt, doch zoodra zij gevuld is, daarboven uitsteekt.

De spierlaag is van binnen met slijmvlies bekleed, dat talrijke plooien vormt, wanneer de blaas ledig is. Aan haar bodem bevindt zich een sluitspier, die kringvormig den overgang van blaas in pisbuis omgeeft. Gelijktijdig met de samentrekking van de spierlaag van de blaas opent deze sluitspier zich en verleent aldus de urine een doortocht.

Depisbuis(urethra), die de urine uit de blaas buiten het lichaam brengt, is bij de vrouw slechts ongeveer 2 cM lang en mondt boven den ingang der scheede in de schaamspleet uit. Zij is wijder dan de mannelijke pisbuis en kan bovendien nog uitgerekt worden.


Back to IndexNext