I.Staatsmisdaad.Het liep tegen vier uur in den morgen op Zaterdag, den 25enJuni 1836. Klaas Beukman, flinke, gezonde landbouwer van ruim vijftig jaar, stond voor den stal bij zijn boerenwoning te Loosdrecht, en spande zijn bruine merrie voor de huifkar, die zeker nog ouder was dan de eigenaar zelf. Moeder Griet, de boerin, was onderwijl bezig met in de kar een paar beddenkussens recht te leggen op de plank, die voor zitplaats diende.„Zie zoo!” zei ze, „nu kan de stumperd onderweg ten minste nog een beetje uitrusten. Hij heeft maar een korten nacht gehad en hij is toch al niet sterk.”„Zijn kracht is van den Heere, vrouw!” antwoordde Klaas, „maar 't is dikwijls een wonder, hoe hij het uithoudt.”„Ja,” hernam Griet, „er rust kennelijk zegen op zijn werk. Hij kan ook op zich het Schriftwoord toepassen: „Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht.””„Dat geeft de Heere hem! Maar nu is alles klaar en nu moeten we ook weg, anders wordt het te laat. Jan Heining zal er om zes uur zijn.”Moeder Griet ging naar binnen en kwam weldra, terwijlhaar man voorreed, terug met den reiziger dien ze geroepen had. Een tenger man, nauwelijks zeven en twintig jaar oud, maar dien men zeker op 't eerste gezicht zeven en dertig geven zou; klein van stuk, mager, bleek en bijna uitgeput door aanhoudende vermoeienis. Onder het lage, breede voorhoofd fonkelden kleine, donkere, vurige oogen, getuigend van een geestkracht, die gevaren en moeiten eer opzocht dan ontweek. De adelaarsneus, dunne gesloten lippen en vooruitstekende kin teekenden vastheid van wil, die licht tot koppigheid overslaan kon. Baard en knevel waren zorgvuldig weggeschoren; het dichte, kort-geknipte, donkerbruine haar begon reeds hier en daar te grijzen. De linkerarm, dien hij als knaap van twaalf jaar gebroken had en die slecht gezet was, bewoog stijf en moeilijk. De man was geheel in 't zwart; rok, hoog-toegeknoopt vest en korte broek waren van het fijnste laken; de zijden kousen en lage schoenen zaten onberispelijk; zijn hoofddeksel was een driekante hoed of steek. Sieraden droeg hij niet; het zware zilveren horloge was aan een zwart bandje bevestigd. Geheel het voorkomen van den jongen man teekende den rechtzinnigen predikant van goede familie.Dominee Huibert Jacobus Buddingh was den vorigen middag door zijn vriend en broeder Beukman van Vreeland gehaald; had 's avonds in de groote pronkkamer van zijn gastheer gepreekt; en was daarna nog lang met de weinige hoorders in gesprek gebleven. Eerst tegen elf uur waren de vrienden een voor een of twee aan twee huiswaarts gekeerd. Na een nachtrust van nauwelijks vier uren had dominee zich alweer reisvaardig moeten maken. Zijnontbijt bestond uit twee geklutste eieren en een glas melk. Meer had hij niet noodig; hij had het dikwijls minder goed gehad.Totnogtoe was alles heel goed gegaan. Toch kon het nog zijn dat Klaas Beukman ƒ50 en dominee Buddingh ƒ100 boete opliepen voor de gepleegde staatsmisdaad. Want de eerste had zijn huis opengesteld voor een godsdienstoefening zonder verlof gevraagd en verkregen te hebben van burgemeester Hoolwerf. Dat kon hem ƒ20 kosten. En er was bij die gelegenheid een kind gedoopt, dus „onwettig” een der sacramenten bediend; hetgeen de boete verhoogen kon tot ƒ50. De misdadiger, die daarbij voorgegaan was, had dubbele straf verdiend.Want Nederland werd niet getiranniseerd door een nakomeling van den Spanjaard Philips II, maar geregeerd door een afstammeling van Graaf Jan van Nassau, die alles had veil gehad voor de gewetensvrijheid der Nederlanders, zóó zelfs dat hij een tijd gekend had, waarin de bakker den doodarmen vorst geen brood meer op crediet leveren wou. Nederland had een koning uit het stamhuis der Oranje's, die voor heel West-Europa godsdienstvrijheid bevochten en gewaarborgd hadden; een koning, die een Grondwet bezworen had, waarvan artikel 190 luidde: „De volkomen vrijheid van godsdienstige begrippen wordt aan elk gewaarborgd.” Doch op dringend verzoek van de Synode van het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap in 1834 gedaan, ging die volkomen vrijheid van godsdienstige begrippen gepaard met volkomen verbod van godsdienstige woorden en daden, voorzoover die niet in den smaak van genoemde Synode vielen.—„De genade van onzen God en Zaligmaker zij met u en uw huis, lieve zuster!” sprak dominee Buddingh, zijn gastvrouw hartelijk de hand drukkend.„Dank u, dominee, en de Heere geleide u en brenge u veilig in Bunschoten.”„In Gods hand zijn we altijd en overal veilig,”antwoordde hij en stapte in.Klaas Beukman nam plaats voor op de kar, raakte even met de punt van de zweep zijn paard aan, en voort ging het.Doch vlug ging het niet. De zomerzon was aan den wolkloozen hemel opgegaan; de dag beloofde weer even warm te worden als de vorige. Spoedig trokken de laatste nevels op, het geheele landschap werd met goudglans overgoten, de dauwdruppen parelden op bladeren en grassprieten. Het duurde niet lang of de lucht begon van warmte te trillen. De vogels zongen hun hoogste liedjes voor de wijfjes, die op de nestjes zaten te broeien; de bijen gonsden meidoorns en seringen in en uit. Hier en daar was een landbouwer bezig het onkruid uit zijn aardappelveld te wieden, of zag men een flinke boerendeern de koeien melken. Langzaam sukkelde de kar den zwaren zandweg over, nu en dan op een steen stootend of over een kussen dopheide heenwippend.De beide vrienden hadden echter oog noch oor voor het natuurschoon en het lied der schepping. De boer achtte het geraden zich maar te houden alsof hij alleen was, ten minste zoolang de kar nog in de buurt van het dorp reed. Met wijd-uitgestrekte beenen zat hij uit te kijken of zich ook iets verdachts opdeed. Genoeg dorpsgenootenwaren genegen hem den tocht te bemoeilijken, wanneer ze wisten dat hij een „Coksejaanschen” dominee vervoerde. En de dominee kon, achterin gezeten, niet gezien worden, maar evenmin zelf iets zien dan het inwendige van de kar en den rug van zijn vriend. Hij had ook geen behoefte aan praten of uitkijken; zijn geest had genoeg te doen met biddende voorbereiding voor het werk, dat hem dien avond en den volgenden dag wachtte.De kom van het dorp Hilversum werd vermeden; de stilste wegen, al waren ze juist niet de gemakkelijkste, kwamen Klaas Beukman de verkieslijkste voor. Na een rit van bijna twee uren hield de kar stil op een boomrijk, eenzaam plekje, tusschen Baarn en Eemnes. Daar wachtte reeds sedert tien minuten een andere huifkar, waarmee Jan Heining uit Bunschoten gekomen was, om dominee in ontvangst te nemen en daarheen te brengen.Na korte, hartelijke welkomst- en afscheidsgroeten stapte de reiziger opnieuw in en begon de tweede helft van den tocht, die minder aangenaam was dan het eerste gedeelte. De weg was even zwaar en hobbelig, maar miste het rijke lommer. De zon was recht tot kracht gekomen en brandde meedoogenloos op de huif. De warmte in de kleine ruimte werd bijna ondragelijk, geen enkel koeltje woei naar binnen om eenige verademing te brengen. De beide reizigers zegenden het oogenblik, 's morgens te acht uur, toen Heining zijn bezweet bruintje op stal zetten kon, en Buddingh—vriendelijk door de vrouw des huizes verwelkomd—in de groote koele keuken zich met een heerlijk glas versche melk den dorst kon verslaan.Dat was een tegenvallertje voor een groot deel van de Bunschoters. Ze hadden er zoo vast op gerekend, dat de Scholtiaan tegen den avond aankomen zou. Zaterdagsavonds had zoo ongeveer ieder vrijaf en dus heerlijk den tijd om den „fijnen” dominee in te halen met ketelmuziek en te bekogelen met steenen en paardenvijgen. Dat was zoo prettig en daarbij zoo verdienstelijk. Men vereenigde daardoor het nuttige met het aangename. Op meer dan één plaats in ons land stonden niet zelden de burgemeester en de, meestal liberale, dominee schaterend van 't lachen daarnaar te kijken. Als 't maar niet zoover ging dat het paard schichtig werd en er ongelukken konden gebeuren. Maar de Coksejaansche dominee en zijn fijne vriend hadden wel een bebloeden kop en een bedorven pak kleeren verdiend! De koning zelf gaf hun immers het huis vol artilleristen; dat waren ook geen jongejuffrouwen met handschoentjes aan!En nu kwam er niemand! De kerel was zeker bang geworden en had eieren voor z'n geld gekozen! Zoo leeren ze het af!Onderwijl was Buddingh op z'n minst acht uren te vroeg ter plaatse zijner bestemming en zat als vrijwillig gevangene in de kamer van zijn vriend Heining. Hij was gekomen om 's avonds te vijf uur de vergadering te leiden, waarin de Afgescheiden gemeente gesticht en de eerste kerkeraadsleden gekozen zouden worden. Den volgenden dag zouden dezen bevestigd worden en zou de heilige Doop aan niet minder dan twaalf kinderen bediend worden.II.Tweestrijd.Gerrit Beukman wist niet wat hij doen moest.Twee heel-moeilijke vraagstukken tegelijk hielden hem bezig.Hij kon zijn toestand heel wat verbeteren door de benoeming tot hoofdonderwijzer te Bunschoten, waarvan hij twee dagen geleden bericht gekregen had, aan te nemen. Hier—in Loosdrecht—bestond vooreerst weinig kans van vooruitkomen. En een benoeming kwam niet alle dagen voor. Bovendien was het een ongedacht buitenkansje, dat hij deze plaats krijgen kon; men wist heel goed dat zijn ouders zich bij de Afgescheidenen aangesloten hadden. Hij zelf was nog niet toegetreden, maar de familie was dan toch besmet; en dat zou in veel plaatsen reeds voldoende geweest zijn om hem te weren.Hij zelf was nog niet toegetreden. Toch had hij tegen de gedragslijn van zijn ouders eigenlijk niets in te brengen, maar was het veeleer geheel met hen eens. Ook hij zou reeds sedert eenige maanden bij de nieuwe gemeente behoord hebben, indien....; wanneer hij zijn hart eerlijk doorzocht, moest hij wel bekennen: indien erte Loosdrecht geen Jannetje Huiskamp gewoond had.De jonge Beukman was nu even drie en twintig jaar oud. Jannetje was ongeveer drie jaren jonger. De beide ouderparen waren reeds van jongsaf elkanders naaste buren en altijd goede vrienden geweest. Natuurlijk waren de kinderen samen opgegroeid, hadden samen gespeeld, schoolgegaan, bij dominee „geleerd”, en wisten niet beter of ze behoorden bij elkaar. Nooit was er iets onaangenaams tusschen de beide gezinnen voorgevallen, Gerrit en Jannetje gingen met elkaar om als broer en zuster. Geen jongen zou het straffeloos wagen Jannetje verdriet te doen als Gerrit er bij was.Voor den schoolmeester had Gerrit altijd heel veel eerbied gehad; maar meer nog had hij met groote jaloezie den machtigen man benijd, die zoo als onbeperkt alleenheerscher in de school over al de jongens en meisjes regeerde; die strafte en beloonde naar welgevallen; en die zooveel wist, dat alle bewoners van het dorp, van den grootsten tot den kleinsten, behalve dominee en dokter, al hun kennis aan hem te danken hadden.„Als ik een man ben, dan word ik meester!” placht hij vertrouwelijk tot Jannetje te zeggen.„Dat kan niet,” antwoordde zij dan, „er is al een meester.”„Ja, dat begrijpen meisjes zoo niet; maar er zijn een heele boel dorpen, en in elk dorp is een meester noodig.”„Wou je dan naar een ander dorp? En laat je mij en je vader en moeder en Gijs en Santje dan hier en ga je alleen weg?”„Ik laat ze allemaal hier en ik ga ver weg; heel ver naar een groot dorp; en dan neem ik jou mee.”„Dat kan niet, dat willen mijn vader en moeder nooit hebben.”„Niet? Als ik een groote man ben? Dan trouw ik met jou en dan ga je mee!”„Prettig!” jubelde Jannetje en maakte een rondedansje op haar klompjes.De oude onderwijzer had schik in den jongen, die altijd goed leerde, en wist den ouders aan 't verstand tebrengendat „dit knaapje” voor wat beters dan het boerenvak in de wieg gelegd was. Wat meester zei was altijd waar en dus werd Gerrit, zoodra hij „volleerd” was, kweekeling.Hij had zijn examens met glans afgelegd en was nu de rechterhand van den meester, die daar niet weinig trotsch op was.Jannetje was opgegroeid tot een flinke bloeiende boerendeern, kerngezond, zedig, levendig, en van wie vader en moeder „het beste mochten hopen”. Gerrit was langzamerhand tot de overtuiging gekomen, dat hij geen andere levensgezellin begeerde dan Jannetje Huiskamp. En zij? Zij wist reeds lang wat haar nog nooit gezegd was, maar wat ieder meisje zonder zich ooit te vergissen leest in een enkelen blik van den jongeling, die haar liefheeft.Gerrit moest wel geduld oefenen, want hij verdiende nog niet genoeg; en Jannetje had geduld. En zoo leefden ze als goede vrienden en buren voort, in elkander geloovende; dus hadden ze voorhands nog geen haast.Totdat de groote dag kwam van het eerste verschil tusschen de beide paren ouders, waardoor—wie kon het vooruit zeggen?—ook de verhouding tusschen dekinderen wel veranderen kon. In Loosdrecht ontstond in 1835 een Afgescheiden gemeente; in 't begin zeer klein en onaanzienlijk, maar onder de weinige zielen, die ze telde, behoorden ook Klaas en Grietje Beukman. De ouders van Jannetje gevoelden geen vrijheid om over te gaan. Gelukkig woonde in beider harten oprechte vreeze Gods, zoodat ze zeer goed de beweegredenen verstaan konden, die de Beukmans tot hun stap geleid hadden, al waren ze 't niet met hen eens. Het verschil bracht dus geen verwijdering, maar toch: overalleskon men niet meer zoo vertrouwelijk als vroeger praten. Één onderwerp moest vermeden worden, één onderwerp dat echter niet te scheiden viel van veel andere, die hun allen de hoogsteendierbaarste waren.Indien Gerrit de benoeming naar Bunschoten aannam, zou hij genoeg verdienen om te kunnen trouwen. Maar hij kon op de vingers natellen wat er verder gebeuren zou. De Afscheiding was in Bunschoten krachtig. Reeds in Januari 1836 waren 70 menschen toegetreden, in de eerste week van Februari weer 15, en dat ging maar zoo door. Op dit oogenblik was dominee Buddingh daar om de vergadering te leiden, waarin een kerkeraad gekozen werd. Morgen zouden er niet minder dan twaalf kinderen gedoopt worden. Gerrit wist heel goed dat hij geen drie maanden te Bunschoten wonen zou, of hij was ook Afgescheiden. En dan zou Jannetje hemmisschiennog wel willen hebben, maar vader Huiskamp zou niet zoo gemakkelijk zijn toestemming geven. Nu dacht hij nog niet eens al te diep na over de vraag of hun huwelijk wel gelukkig kon zijn, wanneer hij Afgescheiden was en zij Hervormd bleef.Vader Beukman was te verstandig om bij zijn zoon drang te oefenen. „Het moet waarachtig werk wezen,” had deze gezegd; „daar de Heere niet in toorn op behoeft neer te zien!” En moeder had er bij gevoegd: „Ik hoop dat je er door genade nog eens toe komen mag, maar het moet níet omons!” Toen nu dominee Buddingh kwam logeeren, meende vader: „Je hebt nu een mooie gelegenheid om met hem eens over Bunschoten te spreken.”Gerrit was evenwel slim genoeg geweest om van die „mooie gelegenheid” geen gebruik te maken. Want zoo jong als dominee Buddingh was, had hij toen reeds algemeen den naam, dat hij „je door en door keek.” Die zou binnen vijf minuten weten hoe de vork eigenlijk aan den steel zat. En dan zou hij kort en bondig zeggen: „Broeder, doe wat je roeping en plicht is!” Van geven en nemen, van voor en tegen wegen, wist die niet af. Vooral niet wanneer er „Jannetjes” bij betrokken waren. Daar voelde hij al heel weinig voor; hij is dan ook nooit getrouwd geweest. En het vervelendste was: wanneer men dominee Buddingh in een zaak haalde, dan was hij er niet meer uit te krijgen voordat de zaak zelf uit was. Dan bemoeide hij er zich zoolang mee, tot hij zijn zin gekregen had, of men was levenslang kwade vrienden met hem.Gerrit wist heusch niet wat hij doen moest. En hij voelde heel goed dat hij het, gedeeltelijk ten minste, niet wist omdat hij het liever niet weten wou.Hij kon het in huis niet langer uithouden, greep zijn pet en liep naar buiten. Het was een prachtige zomeravond; het groen van de dennen en de eikenboschjes wasemde onder de stralen van de ondergaande zon heerlijkegeuren uit. Een zacht oosterkoeltje streek den eenzamen wandelaar langs de gloeiende slapen. Maar hij zag niet veel van het natuurschoon, dat hem omringde, en het koeltje gevoelde hij nauwelijks. In gedachten wandelde hij verder en eindelijk de mooie golvende heide op.Plotseling en onverwacht zag hij op geringen afstand voor zich het meisje, dat al zijn gedachten bezighield. Zij kwam, met een licht korfje aan den arm, van Hilversum, den naasten en mooisten weg dwars over de heide; de oneffenheden in den bodem hadden haar totnogtoe aan zijn oog onttrokken. Er was geen gelegenheid haar te ontloopen, hoe gaarne hij dat—voor het eerst van zijn leven—ook gedaan had. Vroolijk glimlachend stak de jonge boerin hem de hand toe.„Waar gaat dat zoo op Zaterdagavond nog naar toe, Gerrit?”„Nergens heen, Jannetje, ik wandel een beetje.”„Best weertje er voor!”„Dat is het!.... Geef mij je mandje, dat mag ik zeker wel voor je dragen!”Jannetje stond hem haar korfje af, gedurende een paar minuten liepen ze zwijgend naast elkaar voort.„Ik heb er in den laatsten tijd wel eens over gedacht,” begon Gerrit eindelijk; „ik zou niet graag mijn heele leven ondermeester blijven.”„Dat is best te begrijpen,” antwoordde Jannetje.„Ik zal ergens anders heen moeten,” ging Gerrit voort.„Je zult hier den meester wel opvolgen,” meende Jannetje; „die wordt al mooi oud.”„Neen, Jannetje, dat is heelemaal niet zeker, en die isook nog heel kras. En ik mag toch niet loopen wachten en verlangen naar zijn dood!”„Wat wou je dan?” vroeg zij heel effen.„Ik zal wel moeten uitkijken.... ik zal als er eens een andere plaats is.... ik wou wel niet graag van Loosdrecht weg, zie je.... maar ik kan....” En Gerrit bleef steken.„Wil je dan ergens anders gaan wonen?” vroeg Jannetje op gedwongen toon.„Willen? Neen. Maar ik moet.”Jannetje keek strak voor zich en zei niets.„Niet ver, zie je. Ik zou graag zoo dikwijls mogelijk mijn ouders bezoeken.”Jannetje bleef zwijgen. „Z'n ouders!” dacht ze, „mij niet!”„Ik kan...” zei Gerrit plotseling met harde stem,„ik meen, de meester in Bunschoten is dood.”„Al een maand!” zei Jannetje en bleef voor zich kijken.„Bunschoten is niet ver,” meende Gerrit.„Bijna vijf uren loopen,” hernam Jannetje, „me dunkt het!”„Ik zal het je maar zeggen: ik ben er benoemd... maar ik heb er niets geen moeite voor gedaan, dat moet je niet denken hoor.”„Waarom zou ik het denken?” vroeg Jannetje stijfjes.„Ik kan er twee honderd gulden meer verdienen, maar ik wou toch niet graag van Loosdrecht weg. Ik zal het daar zoo eenzaam hebben. Ik weet niet wat ik doen moet.”„Niet?” vroeg Jannetje.„Neen, 't is erg moeilijk, Jannetje. Wat zou jij me raden?”„Niets! Ik kan er niet over oordeelen.”Zwijgend liepen ze samen voort. Gerrit keek haar heel verlegen en tersluiks gedurig aan; en Jannetje had een kleur of het tachtig graden in de schaduw was. Waarom zei hij nu verder niets? Ja, dat vroeg hij zichzelf ook! En Jannetje dacht ook iets dergelijks.Eindelijk waren ze bij de boerderij van Huiskamp. Jannetje nam het mandje van Gerrit in ontvangst, zei zacht: „Goeden avond, Gerrit!” stak hem de hand toe en ging het erf op.„Goeden avond, Jannetje!” zei Gerrit en bleef staan.Maar Jannetje was reeds in huis, en hem schoot niets anders over dan langzaam verder te loopen.***„Dat is voorbij! Voor goed voorbij!” snikte Jannetje toen ze in bed lag. „Dat komt door die akelige Afscheiding! Hij gaat weg voor altoos! Wat heb ik me in hem bedrogen!” Eindelijk schreide ze zich in slaap.„Nu weet ik ten minste wat ik doen moet!” zei Gerrit bitter tot zichzelf. „Ik kan gerust weggaan, het kan haar toch niet schelen. Ik had het eigenlijk anders verwacht!” Eerst tegen den morgen woelde hij zich in slaap.Den volgenden Maandag nam Gerrit de benoeming tot hoofdonderwijzer te Bunschoten aan. Hij zag geen enkele reden meer om in Loosdrecht te blijven.III.Het doel gemist.Einde Juli had Gerrit Beukman zich te Bunschoten gevestigd en daar den 1enAugustus zijn werk aanvaard. Zeven weken waren na dien dag verloopen. Hij maakte het goed en gevoelde geen berouw over zijn verandering van woonplaats en werkkring. De herinnering aan het meisje, dat hij bleef liefhebben zonder veel hoop te koesteren op de vervulling van zijn wensch, was niet verzwakt, maar zijn nieuwe roeping nam hoofd en hart te veel in beslag om daar voortdurend aan te denken. Zoowel met Afgescheidenen als met Hervormden was hij over 't algemeen op goeden voet.Het was Zondag, 18 September 1836. De jonge hoofdonderwijzer was vroeg opgestaan en had zich verkwikt door een wandeling in de frissche morgenlucht, die reeds iets van den naderenden herfst deed gevoelen. Thans was hij op den terugweg van Spakenburg en begaf zich naar het vriendelijke oude kerkje.Sedert eenige maanden was de predikantsplaats vacant. Kerkvoogden en notabelen hadden begrepen, dat niets de Afscheiding meer in de hand werkte dan het sluiten vanhet kerkgebouw op Zondag of het lezen van een preek, dat de gemeente gewoonlijk alleen uit nooddwang goedvindt. De kleine Afgescheiden gemeente had tamelijk geregeld bediening des Woords. Zelfs was den vorigen Zondag de jeugdige predikant Brummelkamp overgekomen en had in de ruime woning van Jan Heining het heilig Avondmaal bediend. Den daaropvolgenden dag had hij huisbezoek gedaan.Met toestemming van den consulent en den vollen kerkeraad was aan een der ouderlingen van de Nederlandsch Hervormde Kerk, H. Poort, opgedragen geregeld oefening te houden. Dat hield men—zooals in een der actestukken daarop betrekkelijk, vermeld staat,—voor „een veelbeduidend middel om de zaak der scheiding te stremmen, gelijk dan ook met de daad bewezen is.”Gerrit Beukman ging dien morgen daarheen; hij hoorde dien ouderling met genoegen.Toen hij de kom van het dorp bereikte, vond hij alles in rep en roer. Zooeven waren vier en twintig rijdende artilleristen het stille dorp komen binnendraven en hadden post gevat voor de woning van Jan Heining, waar de Afgescheidenen zouden samenkomen. Vloekend, tierend en de blanke sabels zwaaiend, reden ze heen en weer om de menigte uiteen te jagen, die ze door hun gedrag zelf hadden doen samenstroomen. Evenwel kon ieder, die er zijn wilde, ongehinderd tot aan de belegerde woning doorloopen. Maar daar waren vier man op wacht gesteld door den luitenant, die vooraf in het huis opgave geëischt had van het aantal huisgenooten. Die waren man, vrouw, drie kinderen, een knecht en twee meiden; dus acht personen.„Behalve je zoogenoemde dominee, hè?” riep de luitenant.„Mijnheer,” zei de boer, „er is vanmorgen geen preek, we komen alleen onderling samen.”„Weet goed wat je zegt! Wee je gebeente als je me voorliegt en ik den kerel naderhand toch vind!”De oude Heining beantwoordde deze beleediging alleen met waardig zwijgen.„Jongens,” schreeuwde de officier, naar buiten tredend tot de soldaten; „er zijn er acht; je kunt dus nog elf van die psalmenbalkers binnenlaten; meer niet, hoor je!”„Mijnheer!” waagde Heining te zeggen, „als ik het wel heb mogen er negentien menschen komen, en rekenen de bewoners van het huis niet mee.”„Houd je bek! Er komen er zooveel en zoo weinig als ik wil! Elf, hoor jongens! Geen een fijne meer!”Zoodra elf waren toegelaten, werden de overigen kort en ruw teruggewezen. Zonder verzet, zelfs niet door een enkel woord, onderwierp men zich aan dien willekeur.Bedroefd en beschaamd ging Gerrit het kerkgebouw binnen. Hij hoorde dien morgen van den ouderling Poort een recht-stichtelijke oefening, maar hij had er niet veel aan. Zijn gedachten waren met heel andere dingen bezig. Hij moest wel denken aan al wat gebeurd was sedert zijn gesprek met Jannetje, dat den doorslag gegeven had om hem naar Bunschoten te doen verhuizen.Voor de godsdienstoefening, welke den 26stenJuni door dominee Buddingh geleid was, had Niezen zijn huis afgestaan. Hij was daarvoor door de Rechtbank te Amersfoort met ƒ20.- beboet. Niezen was in hooger beroep gekomen, maar wachtte daarvan nog den uitslag. De oudeBeukman had zijn zoon een paar weken geleden bezocht en hem verteld, dat te Loosdrecht eenige lanciers ingekwartierd waren geweest, doch uitsluitend bij Afgescheidenen, hetgeen tegen de wet was. Gelukkig had de overlast slechts één etmaal geduurd, het was meer bedoeld als proefje om schrik aan te jagen.En nu... nu zathijonder een prediking, waarvan hij niet anders zeggen kon dan dat hij de waarheid hoorde, maar waarvan hij wist, dat ze gehouden werd om de Afgescheidenen zooveel mogelijk in hun wettelijke vrijheid te belemmeren.Onwillekeurig dacht Gerrit aan het woord van den apostel Paulus aan de Philippensen: „Genen verkondigen wel Christus uit twisting, niet zuiver, meenende aan mijne banden verdrukking toe te brengen; doch dezen uit liefde.” Maar hij kon en mocht er niet als Paulus bijvoegen: Wat dan? Nochtans wordt Christus op allerlei wijzen, hetzij onder een deksel, hetzij in der waarheid verkondigd, en daarin verblijd ik mij, ja, ik zal mij ook verblijden. Want zooals hij daar zat, was hij veel meer schuldig aan de „verkondiging uit twisting”. Zijn geweten zei hem, tegen alle redeneering en aangevoerde bijbelteksten in, dat hij niet op die plaats behoorde.Toen de kerk uitging zaten twintig van de soldaten te zwetsen en te drinken voor de stadsherberg. Er was ook eigenlijk voor de vier overigen geen werk, want de menschen waren zoo gedwee als lammeren. Des namiddags tegen vijf uur werd onverwachts de geheele troep samengeblazen en reed spoorslags naar Utrecht terug. Vurig dankten de dorpelingen den Heere, omdat ze—ditmaal althans—erzonder de gevreesde inkwartiering afkwamen. Het was niets anders geweest dan noodelooze en wettelooze plagerij van den gouverneur der provincie Utrecht, die elke gelegenheid tebaatnam om zijn haat tegen gewetensvrijheid en godsvrucht te koelen. Voor ditmaal was men dus met den schrik vrijgekomen; maar de luitenant had bij alle duivels uit de hel gezworen, dat als hij nog eens gezonden werd de Scholtianen er anders van lusten zouden.Op tweeërlei wijze hielpen dus de vijanden de gemeente der Afgescheidenen te Bunschoten zich uitbreiden: door vrome godsdienstoefeningen en door barbaarsche vervolging. Er was geen noemenswaard verschil tusschen hetgeen de ouderling Poort verkondigde en hetgeen men in de vergadering der Afgescheidenen te hooren kreeg. „Waarom kunnen ze dan niet allen bij Poort komen?” vroeg de een. „Maar waarom mogen ze niet in een huis een straat verder naar 't zelfde luisteren als ze dat liever willen?” wierp de ander tegen.In elk geval, dat waren beide partijen eens, was dat geen zaak die den Staatsraad-gouverneur van Utrecht, den heer Van Toulon, aanging. Wat kon het hem schelen hoe en waar eenige boeren en visschers naar de kerk gingen?Den volgenden dag vervoegden zich twaalf Hervormden bij ouderling Niezen, en verzochten hem tot de gemeente toegelaten te worden. Een hunner was Gerrit Beukman.IV.Goede buurschap.„Kijk, daar doe je nou wel aan! Komt er maar in!”Met die woorden begroette Klaas Beukman zijn buren Teunis en Gijsje Huiskamp, die op den avond van den laatsten September de klink van de buitendeur oplichtten en de ruime keuken inkeken om hun oude vrienden weer eens een bezoek te brengen.„Ja,” antwoordde Huiskamp; „ik dacht ik moet toch weer eens bij buurman Klaas een pijpje gaan stoppen. We moeten niet van elkaar afwennig worden.”„Je hebt nòg gelijk, buurman,” riep moeder Griet, die rustig bleef zitten, de voeten op de koperen stoof en de kat op haar breeden schoot.Even later zaten de vier geburen gezellig bij elkaar, ieder met een groote kom dampende koffie en een stuk koek; de beide mannen bovendien gemoedelijk hun pijpen rookende. Op zijn minst een uur lang liep het gesprek, kalm en met betamelijke tusschenpoozen van algeheel zwijgen, over koetjes en kalfjes. Maar Klaas Beukman wist vast en zeker dat zijn oude vriend Teunis Huiskamp iets op het hart had; en Teunis was er vast van overtuigddat zijn buurman daar met Jobsgeduld op zat te wachten. Maar ieder hunner wilde van den ander dat hij het eerste woord zeggen of de eerste vraag doen zou.„Het is dan maar een rare wereld tegenwoordig,” begon Huiskamp eindelijk.„Zeg dat wèl!” beaamde Beukman rustig; hij wist dat er nu aanstalten gemaakt werden om er mee voor den dag te komen.„Als je blieft, Teunis!” zei moeder Griet. Dit had echter geen betrekking op zijn ontboezeming; ze gaf hem een nieuw kop koffie en leidde daardoor schijnbaar zijn aandacht weer van zijn onderwerp af. Doch ze wist wel dat integendeel de zaak daardoor bespoedigd werd, want ze hielp hem onmiddellijk aan den omweg, dien hij in elk geval later toch noodig hebben zou.„Dank je, Grietemeuë; je kan tegenwoordig wel wat warms gebruiken.”„Het begint al aardig 's nachts te vriezen,” sprak Gijsje, een stevige, breede boerin.„Maar aan de warmte van binnen hindert dat niet, als 't goed is,” merkte Teunis heel wijsgeerig op.„Neen!” antwoordde Klaas, die met opzet niet begreep dat zijn vriend met „van binnen” het hart bedoelde; „als je door Gods goedheid nog een flink vuur in de schouw mag hebben en er hangen nog hammen en worsten in den rook, dan moet je zeggen: Wat onderscheidt mij!”Teunis was tot zijn genoegen door hetgeen Klaas gezegd had op een nieuw kronkelpaadje gebracht. „Is je varken nog al goed uitgevallen?” vroeg hij.„Och ja, we mogen overvloed hebben. En als de Heereje dan de gezondheid en de krachten er bij geeft, dat je het zelf met smaak mag eten, dan kan je Hem daar nog wel'reis hartelijk voor danken.”„En als er dan zoo nu en dan ook een kluifje voor een arm mensch mag overschieten,” voegde moeder Grietje daaraan toe; „dan is dat dubbele genade.”„Als de Heere je dan maar bewaart voor opeters, die je liever van achteren dan van voren ziet, dan.......” ging Teunis voort, plotseling een reuzenschrede nader tot het doel komend.„De Heere belooft bij Maleachi den profeet: Ende ick sal om uwentwille den opeter schelden!” hernam Klaas, die hardnekkig weigerde zijn vriend te begrijpen, zoolang die niet in ronde woorden sprak.„Ik heb vanmiddag nog even den burgemeester gesproken,” deelde Teunis mee, eensklaps van onderwerp veranderende.„Zoo!” antwoordde Klaas en bleef stevig doorrooken.„Ja,” bevestigde Teunis en rookte ook verder.„En wat hoor je tegenwoordig van je Gerrit?” vroeg Gijsje;—veel te snel naar den zin van haar man, want ze viel met die vraag met de deur in huis. Maar zoo zijn de vrouwen nu eenmaal; die kunnen nooit eens de kat uit den boom kijken!„'t Gaat wèl,” antwoordde zijn moeder; „hij kan het met allemaal nogal goed vinden.”„Als er in Bunschoten ook zulke dingen gebeuren als hier.....” begon Teunis met een zweem van hoop dat Klaas hem in de rede vallen zou. Maar Klaas dacht er niet aan.... „dan kon dat de menschen nog wel eens tegen elkander verdeelen,” voltooide Teunis zijn zin.„Dat is dan ook op vele plaatsen het geval,” antwoordde Klaas. „Kijk, buurman, ik en Griet danken er den Heere voor dat wij ook verwaardigd worden om iets voor zijn naam te mogen lijden; maar niet minder zijn we dankbaar dat onze oude vrienden ons daarom niet verstooten of verlaten.”Nu was het ijs gebroken.„Daar zou dan ook heel wat moeten gebeuren eer wij Klaas en Griet met den nek zouden aankijken,” zei Teunis. „Toen daar zoo vergangenen Zondag vóór acht dagen twee lansiers bij onze oude buren in huis gezet werden, zei ik toch: „Gijs, zei ik, ze mogen wezen wat ze willen, maar dat hebben ze aan niemand verdiend.””„Neen,” hernam Gijsje, „ik kon het met geen droge oogen aanzien. Dat je van de groote Kerk af bent, is al erg genoeg; en nu dát er nog bij!”„Het heeft gelukkig kort geduurd,” antwoordde moeder Grietje, die verstandig genoeg was om op de zonderlinge logica van haar vriendin niet in te gaan; „en de Heere heeft met zijn terughoudende kracht beslag gelegd op de militairen, zoodat ze zich nogal ordelijk gedroegen.”„En we mochten zoo genade krijgen,” voegde Klaas er bij, „om te roemen in de verdrukking.”„De burgemeester vertelde me nog van je zoon,” zei Teunis, die eindelijk ter zake kwam; „en ik en Gijs dachten zoo, dat moesten we je toch even komen zeggen.”„Wat is met onzen Gerrit?” vroeg moeder Grietje verschrikt.„Neen, niets; maar hij had van den burgemeester van Bunschoten een boodschap gekregen dat de nieuwe meester nu ook al bij de Scholtianen hoorde.”„De Heere zij gedankt!” riep Gerrits moeder.„Ja, dát is nou tot daaraan toe; maar hij was door 't kwade heen en zei: dat is een bedorven ei uit dat vuile nest! Ik zal 'm een lesje geven!—Bij de eerste gelegenheid de beste.... Nou, we zijn altijd te goede vrinden geweest en ik wou het je even gaan zeggen.”„Ja,” zei Gijsje, „misschien loopt het zoo'n vaart niet, maar Jannetje zei ook: dat weten ze misschien nog niet; 't zou leelijk wezen als je 't voor je hield!”Klaas Beukman zat met gespannen gelaatstrekken zoo zwaar aan zijn pijp te zuigen, dat hij zich in een wolk van rook hulde.„Ja,” zei Gijsje, „'t is zonde dat we 't je moeten aanzeggen en het zal je wel aangrijpen. Maar het is toch beter dat je 't weet.”Klaas nam de pijp uit zijn mond en keek zijn buurvriendin dankbaar aan. „Gijsje,” zei hij, „ik en Griet danken je wel. Maar onze Heere Jezus heeft gezegd: In de werelt sult ghij verdruckinge hebben, maar hebbet goeden moedt, ick hebbe de werelt overwonnen.”„Ik kan jaloersch van je wezen,” zei Teunis, „maar ik kan het niet inzien.”„Mocht het den Heere behagen het je te leeren inzien, vriend.”.... „Maargoedvinden, neen!” ging Teunis voort. „Zie je, wat je bewogen heeft om er uit te gaan, begrijp ik niet; maar dat ze zoo iemand als waar ik jou voor ken,daarom molesteeren!.... Maar het wordt tijd; ik wensch je den vrede!”De goede buren waren te weinig op hun gemak om van de Beukmans tekst en uitleg te krijgen, en gingen dus maar gauw heen. Eigenlijk begon er heel flauw in hun harten een stemmetje te zeggen: En aan dat molesteeren van je vrienden doe je wèlbezien ook mee, door aan den anderen kant te staan. Ze hadden evenwel vooreerst nog volstrekt geen zin om al te nauwkeurig naar dat stemmetje te luisteren.De Beukmans bleven dus gewaarschuwd achter. Maar het was een waarschuwing waar ze niet veel mee konden doen!V.Rechtloos.Klaas Beukman had niet lang behoeven te wachten op de vervulling van de bedreiging, die hem door zijn vriend overgebracht was. Zondags den 2enOctober rukten vijftien man van het depôt der 10e Afdeeling Infanterie het vredige dorpje binnen, waarvan twee bij hem ingekwartierd werden. Van de overigen werd slechts één man in elk door den burgemeester aangewezen huis, doch alleen bij Afgescheidenen, onder dak gebracht.De manschappen hadden streng bevel gekregen des Zondags den geheelen dag in hun kwartieren te blijven en onmiddellijk den sergeant te waarschuwen zoodra er een samenkomst gehouden werd, al bestond de vergadering ook slechts uit zes personen. Wel was er geen letter in eenige Nederlandsche wet te vinden, welke dat gebood of er vrijheid toe gaf, maar de Afgescheidenen stonden buiten de wet, vooral voorzoover de inkwartiering betrof. In alle plaatsen, die onder de hoogere rechtspraak van Amsterdam behoorden, hielp beboeting niets, want de vervolgden, die te Amersfoort en te Utrecht in boeten geslagen werden, kwamen in hooger beroep en werdengeregeld door de rechtvaardige Rechtbank van Amsterdam vrijgesproken. Hetzelfde geschiedde door de Rechtbank te Heerenveen. Doch deze beide rechtbanken waren de eenige uitzonderingen op den algemeenen toestand.Kon men hen in de ressorten van die beide Rechtbanken dus niet door beboeting kwellen, des te meer en des te ijveriger werd van het schandelijk middel van inkwartiering gebruik gemaakt. Daartegen was geen hooger beroep. Slechts één middel kon tegen dien willekeur beproefd worden: adressen aan den koning. Zoo veel mogelijk werd echter het indienen van adressen bemoeilijkt. Bij Koninklijk besluit van 5 Juli 1836 werd bepaald dat de handteekeningen van adressanten gecertificeerd en de adressen daarna door tusschenkomst van den gouverneur der provincie ingezonden moesten worden. Op verscheidene plaatsen, onder anderen zelfs te Amsterdam, werd door deburgemeesters de verplichte certificatie geweigerd. Toen men die eindelijk na veel tegenkanting verkregen had, vond de gouverneur der provincie Utrecht goed de hem gezonden behoorlijk gecertificeerde adressen te weigeren en aan de adressanten terug te zenden: met opgaaf van de zoogenaamde reden: „dat ze niet voldoende waren.” Wat die uitdrukking beteekende weet nu nog niemand. Ten einde raad zonden de adressanten hun stukken nu rechtstreeks aan den koning en drukten, omdat ze nog vreezen moesten dat de adressen den koning niet bereiken zouden, het hoofdadres af in het eerste nummer van „De Reformatie,” het „Tijdschrift der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland,” dat mede aan deze rechtsverkrachting zijn ontstaan te danken had, en waarvantien jaargangen verschenen, die een onschatbare bron zijn voor de kennis van de geloofsvervolging in Nederland.Met hoeveel willekeur de plaatselijke overheden te werk gingen, blijkt genoegzaam uit hetgeen in dat adres sub. V verzocht werd. Men leest daar:„Dat wij, tengevolge van dit alles, aan Uwe Majesteit dringend verzoeken, de openbare Magten in het Rijk, die dit eenigzins kan aangaan, nadrukkelijk aan te bevelen om ons in de vervaardiging en gebruikmaking van plaatsen tot onze openbare Godsdienstoefeningen niet te storen, en te zorgen dat de verstoorders van de openbare Godsdienstoefeningen naar de wetten des Lands gestraft worden; dewijl de Overheid daartoe het zwaard draagt, om de boozen te straffen en de vromen te beschermen.”Het adres bleef onbeantwoord en hielp niets.Met verlangen had Gerrit Beukman de Kerstvacantie tegemoet gezien, die hij in het ouderlijk huis dacht door te brengen. De gelegenheid om van elkander iets te vernemen of voor briefwisseling was gering en voor veelvuldig persoonlijk bezoek was de afstand tusschen Loosdrecht en Bunschoten te groot. Bovendien waren zijn ouders door de inkwartiering—welke zij zonder tusschenpoos langer dan zes maanden verduren moesten zonder er één cent van de bij de wet bepaalde vergoeding voor te krijgen—aan huis gebonden. Slechts wanneer de beide soldaten voor korten tijd afwezig waren, kon Klaas Beukman zijn vrouw alleen thuis laten, want „De Reformatie” waarop hij natuurlijk ingeteekend had, had hem bijtijds geleerd hoe het op sommige plaatsen toeging.Hij had in de eerste aflevering reeds gelezen: „Te Oenkerk (Prov. Vriesland) zijn vijf en twintig soldaten bij vijf huisgezinnen, waarvan de hoofden leden der gescheidene gemeente zijn, ingekwartierd. In een dier huizen, waarin slechts ééne woonkamer, die door man, vrouw en vijf kinderen wordt bewoond, zijn, niettegenstaande de bedlegerigheid der vrouw, acht soldaten gehuisvest.”In de volgende aflevering had hij een bericht uit Hattem gevonden, dat eindigde met de onderstaande woorden: „Het plaatselijk bestuur heeft kunnen goed vinden bij een meisje, datalleenwoont en slechtséénvertrek heeft, een der militairen in te legeren.”Klaas Beukman kon dus niet anders dan in geval van noodzaak buitenshuis zijn, tenzij hij wist dat de soldaten tijdelijk afwezig waren.Eindelijk Zaterdags 24 December kwam Gerrit te Loosdrecht aan. Hoeveel was er te bespreken! Hoeveel nieuws had men elkaar te vertellen! En.... zou hij ook Jannetje nog ontmoeten! En hoe zou dat gaan?De inkwartiering voor de Beukmans was wel kwellend, maar ze kwamen er toch nog genadig af in vergelijking met velen hunner geestverwanten. Hun woning was ruim genoeg om de beide soldaten in een vertrek alleen te laten en samen ergens anders te vertoeven; terwijl de middelen om de ongewenschte gasten op het punt van voedsel en drinken tevreden te stellen hun niet ontbraken, ofschoon de soldaten gewoon waren, soms zelfs order kregen, veel rijker onderhoud te eischen dan de wet voorschreef. Kregen ze dat in den zin dan was er voor de vogelvrij-verklaarden bijna nooit recht te krijgen en kondenze alleen kiezen tusschen toegeven en mishandeld worden.De Zaterdagavond werd dus door de oudelui Beukman met hun zoon in levendig, ongestoord gesprek doorgebracht.Uitvoerig verhaalde Gerrit hoe het voorgevallene van den 18denSeptember bij hem den doorslag gegeven had om zich bij de Afgescheidenen te voegen.„De Heere was me te machtig geworden,” zei hij. „Ik zag toen duidelijk hoe alle pogingen in het werk gesteld werden om de ware Kerke Christi te onderdrukken, en zoo mogelijk te vernietigen, en hoe ik niet meer mocht blijven onder kerkbesturen, die zoowel goddelooze soldaten als vrome ouderlingen gebruiken om hun satanisch doel te bereiken. En dat ik niet verkeerd gezien had, bleek me een week of wat later. Want den 23stenOctober 's avonds zou ouderling Poort als gewoonlijk weer oefenen. Er waren toen twintig rijdende artilleristen bij de Afgescheidenen ingekwartierd. Wij bereidden ons reeds voor om de gewone kwellingen bij onze godsdienstoefening in de kracht des Heeren te doorstaan; toen onverwacht het dreigend onheil afgewend werd op een wijze, die niemand voorzien kon. Toen de menschen naar de Hervormde kerk kwamen, vonden ze de deur gesloten en den toegang versperd door de artilleristen. Poort mocht er niet oefenen.”„Wat nu?” vroeg vader Beukman verwonderd. „En waarom niet?”„Ja, dat vroegen alle menschen elkaar ook. 't Kwam echter spoedig voor den dag. Poort preekte te goed. Er was geen verschil tusschen wat hij zei en wat men bij ons te hooren kreeg. Daardoor werkte het middel verkeerd.De hoorders van Poort bleven voorloopig nog wel Hervormd, maar werden jegens ons zeer goed gezind.”„En toen?” vroeg Beukman.„Den volgenden dag zonden een kerkvoogd en een notabel een adres over deze gebeurtenis aan het Gouvernement. Ik heb er een afschrift van.”„Lees voor, Gerrit!” riep zijn moeder vol vuur.Gerrit las:„De ondergeteekenden L. Duyst, kerkvoogd, en H. Schaap, notabel bij de gemeente der Hervormden te Bunschoten, achten in de tegenwoordige omstandigheden dat het hun plicht is, om met verschuldigden eerbied ter kennisse van Uwe Excellentie te brengen, dat onze ambtsbroeders onder geleide van den Wachtmeester Lamers en den Burgemeester Z. Hoolwerf, bij missive van 23 dezer het gebeurde van dien dag in eenen hatelijken zin aan Uwe Excellentie hebben voorgesteld, en tegen onze toestemming gewerkt hebben. Het was aan de kerkvoogden en notabelen bekend, dat sedert eenigen tijd de ouderling Poort, met toestemming van den consulent, alsmede van den predikant en vollen kerkeraad, publiek in de kerk te Bunschoten oefening hield, als zijnde een veelbeduidend middel om de zaak der scheiding te stremmen, gelijk dan ook met de daad bewezen is. Maar nu door tusschenkomende omstandigheden de predikant verkoos om zonder den ouderling Poort de huisbezoeking in de gemeente te doen, hoewel dezen alsnog zulks nimmer geweigerd heeft; maakten zij, die weinig belangstellen in de wezenlijke welvaart der gemeente, van die gelegenheid gebruik en brachten het met de daad zooverre, dat depredikant zijne toestemming introk. Poort, alsnog toestemming van Consulent en Kerkeraad hebbende, liet op verzoek van den Kerkeraad, de gemeente als naar gewoonte komen tot de openbare plaats des gehoors. Doch hoe godtergende en rustverstorende, terwijl het licht reeds ontstoken en de gemeente tot aan de deuren van de kerk genaderd was, werd ons de ingang door een detachement Artilleristen belet, en op last van eenigen uit ons kerkelijk college, de deuren van het gebouw gesloten, terwijl er zeker een schaar van meer dan 300 menschen schandelijk teleurgesteld werd. Uwe Excellentie gevoelt dat uit zulk een geval de bedenkelijkste gevolgen kunnen voortkomen; maar de allezins vreedzame ingezetenen keerden wel bedroefd, maar rustig naar hunne woningen terug. Alleen heeft het die uitwerking, dat er een aanzienlijk getal van de voornaamsten der gemeente tot de Separatisten zijn overgegaan, en wij zien zeer duidelijk den ondergang der Hervormden bij zulk een handelwijs tegemoet.”[1]„Merkwaardig!” riep vader Beukman uit. „Wij mogen nu ook wel zeggen wat Jozef tot zijne broeders sprak: „Ghijlieden wel, ghij hebt quaedt tegen mij gedacht, doch Godt heeft dat ten goede gedacht opdat hij dede gelijck het te desen dage is om een groot volck in 't leven te behouden.””„Zoo is het vader,” antwoordde Gerrit. „De menschen zagen nu dat niet de personen, maar de waarheid bij de Hervormdenwordt uitgestooten. En daarom komen nu velen daarheen, waar de waarheid heen gevlucht is, en letten niet meer op de personen.”„Zoo zal het hier ook gaan,” hernam vader Beukman. „De broeders en zusters mogen door Gods genade de rooving hunner goederen met blijdschap aanzien, en van degenen die buiten staan, worden vele harten tot ons geneigd. Daar heb je de Huiskamps; ze kwamen ons waarschuwen en meteen van jou overgang vertellen. Dat hadden ze van den burgemeester gehoord en die was er woedend om. En toen kwamen ze...”„Ja,” zei moeder met vrouwelijken takt, „dadelijk had Jannetje hun gezegd: dat moet u ze gaan vertellen. We gaan er Maandagavond eens overloopen.”„Weten ze dat al?” vroeg Gerrit gespannen.„Ja zeker,” antwoordde moeder. „Ze vroegen het een paar dagen geleden.”„Kom!” zei vader, „we zullen nu eindigen. Morgen ochtend kan jij, als de Heere wil, met moeder naarReijmeringergaan, daar komen enkele vrienden samen. We verdeelen het om overal onder het getal te blijven. Dan zijn de vijanden machteloos. En dan ga ik morgenavond. Ik zal nu den 124enPsalm lezen.”De eerwaardige landman nam den grooten familiebijbel en las eerbiedig en ondanks de Duitsche letters vlot:„Een lied Hammaälôth, van David: 't en waere de Heere, die bij ons geweest is, segge nu Israël:'t En ware de Heere, die bij ons geweest is, als de menschen tegen ons opstonden:Doe souden zij ons levendigh verslonden hebben, als haren toorn tegen ons ontstack.Doe souden ons de wateren overloopen hebben; een stroom soude over onze zielen gegaan hebben.Doe souden de stoute wateren over onze ziele gegaan zijn.De Heere sij gelooft, die ons in hare tanden niet en heeft overgegeven tot eenen roof.Onze ziele is ontkomen als een vogel, uyt den strick der vogelvangers, de strick is gebroken, ende wij zijn ontkomen.Onze hulpe is in den name des Heeren, die hemel ende aarde gemaeckt heeft.”Daarna ging hij voor in ootmoedig dankgebed en begaf men zich ter ruste.
Het liep tegen vier uur in den morgen op Zaterdag, den 25enJuni 1836. Klaas Beukman, flinke, gezonde landbouwer van ruim vijftig jaar, stond voor den stal bij zijn boerenwoning te Loosdrecht, en spande zijn bruine merrie voor de huifkar, die zeker nog ouder was dan de eigenaar zelf. Moeder Griet, de boerin, was onderwijl bezig met in de kar een paar beddenkussens recht te leggen op de plank, die voor zitplaats diende.
„Zie zoo!” zei ze, „nu kan de stumperd onderweg ten minste nog een beetje uitrusten. Hij heeft maar een korten nacht gehad en hij is toch al niet sterk.”
„Zijn kracht is van den Heere, vrouw!” antwoordde Klaas, „maar 't is dikwijls een wonder, hoe hij het uithoudt.”
„Ja,” hernam Griet, „er rust kennelijk zegen op zijn werk. Hij kan ook op zich het Schriftwoord toepassen: „Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht.””
„Dat geeft de Heere hem! Maar nu is alles klaar en nu moeten we ook weg, anders wordt het te laat. Jan Heining zal er om zes uur zijn.”
Moeder Griet ging naar binnen en kwam weldra, terwijlhaar man voorreed, terug met den reiziger dien ze geroepen had. Een tenger man, nauwelijks zeven en twintig jaar oud, maar dien men zeker op 't eerste gezicht zeven en dertig geven zou; klein van stuk, mager, bleek en bijna uitgeput door aanhoudende vermoeienis. Onder het lage, breede voorhoofd fonkelden kleine, donkere, vurige oogen, getuigend van een geestkracht, die gevaren en moeiten eer opzocht dan ontweek. De adelaarsneus, dunne gesloten lippen en vooruitstekende kin teekenden vastheid van wil, die licht tot koppigheid overslaan kon. Baard en knevel waren zorgvuldig weggeschoren; het dichte, kort-geknipte, donkerbruine haar begon reeds hier en daar te grijzen. De linkerarm, dien hij als knaap van twaalf jaar gebroken had en die slecht gezet was, bewoog stijf en moeilijk. De man was geheel in 't zwart; rok, hoog-toegeknoopt vest en korte broek waren van het fijnste laken; de zijden kousen en lage schoenen zaten onberispelijk; zijn hoofddeksel was een driekante hoed of steek. Sieraden droeg hij niet; het zware zilveren horloge was aan een zwart bandje bevestigd. Geheel het voorkomen van den jongen man teekende den rechtzinnigen predikant van goede familie.
Dominee Huibert Jacobus Buddingh was den vorigen middag door zijn vriend en broeder Beukman van Vreeland gehaald; had 's avonds in de groote pronkkamer van zijn gastheer gepreekt; en was daarna nog lang met de weinige hoorders in gesprek gebleven. Eerst tegen elf uur waren de vrienden een voor een of twee aan twee huiswaarts gekeerd. Na een nachtrust van nauwelijks vier uren had dominee zich alweer reisvaardig moeten maken. Zijnontbijt bestond uit twee geklutste eieren en een glas melk. Meer had hij niet noodig; hij had het dikwijls minder goed gehad.
Totnogtoe was alles heel goed gegaan. Toch kon het nog zijn dat Klaas Beukman ƒ50 en dominee Buddingh ƒ100 boete opliepen voor de gepleegde staatsmisdaad. Want de eerste had zijn huis opengesteld voor een godsdienstoefening zonder verlof gevraagd en verkregen te hebben van burgemeester Hoolwerf. Dat kon hem ƒ20 kosten. En er was bij die gelegenheid een kind gedoopt, dus „onwettig” een der sacramenten bediend; hetgeen de boete verhoogen kon tot ƒ50. De misdadiger, die daarbij voorgegaan was, had dubbele straf verdiend.
Want Nederland werd niet getiranniseerd door een nakomeling van den Spanjaard Philips II, maar geregeerd door een afstammeling van Graaf Jan van Nassau, die alles had veil gehad voor de gewetensvrijheid der Nederlanders, zóó zelfs dat hij een tijd gekend had, waarin de bakker den doodarmen vorst geen brood meer op crediet leveren wou. Nederland had een koning uit het stamhuis der Oranje's, die voor heel West-Europa godsdienstvrijheid bevochten en gewaarborgd hadden; een koning, die een Grondwet bezworen had, waarvan artikel 190 luidde: „De volkomen vrijheid van godsdienstige begrippen wordt aan elk gewaarborgd.” Doch op dringend verzoek van de Synode van het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap in 1834 gedaan, ging die volkomen vrijheid van godsdienstige begrippen gepaard met volkomen verbod van godsdienstige woorden en daden, voorzoover die niet in den smaak van genoemde Synode vielen.—
„De genade van onzen God en Zaligmaker zij met u en uw huis, lieve zuster!” sprak dominee Buddingh, zijn gastvrouw hartelijk de hand drukkend.
„Dank u, dominee, en de Heere geleide u en brenge u veilig in Bunschoten.”
„In Gods hand zijn we altijd en overal veilig,”antwoordde hij en stapte in.
Klaas Beukman nam plaats voor op de kar, raakte even met de punt van de zweep zijn paard aan, en voort ging het.
Doch vlug ging het niet. De zomerzon was aan den wolkloozen hemel opgegaan; de dag beloofde weer even warm te worden als de vorige. Spoedig trokken de laatste nevels op, het geheele landschap werd met goudglans overgoten, de dauwdruppen parelden op bladeren en grassprieten. Het duurde niet lang of de lucht begon van warmte te trillen. De vogels zongen hun hoogste liedjes voor de wijfjes, die op de nestjes zaten te broeien; de bijen gonsden meidoorns en seringen in en uit. Hier en daar was een landbouwer bezig het onkruid uit zijn aardappelveld te wieden, of zag men een flinke boerendeern de koeien melken. Langzaam sukkelde de kar den zwaren zandweg over, nu en dan op een steen stootend of over een kussen dopheide heenwippend.
De beide vrienden hadden echter oog noch oor voor het natuurschoon en het lied der schepping. De boer achtte het geraden zich maar te houden alsof hij alleen was, ten minste zoolang de kar nog in de buurt van het dorp reed. Met wijd-uitgestrekte beenen zat hij uit te kijken of zich ook iets verdachts opdeed. Genoeg dorpsgenootenwaren genegen hem den tocht te bemoeilijken, wanneer ze wisten dat hij een „Coksejaanschen” dominee vervoerde. En de dominee kon, achterin gezeten, niet gezien worden, maar evenmin zelf iets zien dan het inwendige van de kar en den rug van zijn vriend. Hij had ook geen behoefte aan praten of uitkijken; zijn geest had genoeg te doen met biddende voorbereiding voor het werk, dat hem dien avond en den volgenden dag wachtte.
De kom van het dorp Hilversum werd vermeden; de stilste wegen, al waren ze juist niet de gemakkelijkste, kwamen Klaas Beukman de verkieslijkste voor. Na een rit van bijna twee uren hield de kar stil op een boomrijk, eenzaam plekje, tusschen Baarn en Eemnes. Daar wachtte reeds sedert tien minuten een andere huifkar, waarmee Jan Heining uit Bunschoten gekomen was, om dominee in ontvangst te nemen en daarheen te brengen.
Na korte, hartelijke welkomst- en afscheidsgroeten stapte de reiziger opnieuw in en begon de tweede helft van den tocht, die minder aangenaam was dan het eerste gedeelte. De weg was even zwaar en hobbelig, maar miste het rijke lommer. De zon was recht tot kracht gekomen en brandde meedoogenloos op de huif. De warmte in de kleine ruimte werd bijna ondragelijk, geen enkel koeltje woei naar binnen om eenige verademing te brengen. De beide reizigers zegenden het oogenblik, 's morgens te acht uur, toen Heining zijn bezweet bruintje op stal zetten kon, en Buddingh—vriendelijk door de vrouw des huizes verwelkomd—in de groote koele keuken zich met een heerlijk glas versche melk den dorst kon verslaan.
Dat was een tegenvallertje voor een groot deel van de Bunschoters. Ze hadden er zoo vast op gerekend, dat de Scholtiaan tegen den avond aankomen zou. Zaterdagsavonds had zoo ongeveer ieder vrijaf en dus heerlijk den tijd om den „fijnen” dominee in te halen met ketelmuziek en te bekogelen met steenen en paardenvijgen. Dat was zoo prettig en daarbij zoo verdienstelijk. Men vereenigde daardoor het nuttige met het aangename. Op meer dan één plaats in ons land stonden niet zelden de burgemeester en de, meestal liberale, dominee schaterend van 't lachen daarnaar te kijken. Als 't maar niet zoover ging dat het paard schichtig werd en er ongelukken konden gebeuren. Maar de Coksejaansche dominee en zijn fijne vriend hadden wel een bebloeden kop en een bedorven pak kleeren verdiend! De koning zelf gaf hun immers het huis vol artilleristen; dat waren ook geen jongejuffrouwen met handschoentjes aan!
En nu kwam er niemand! De kerel was zeker bang geworden en had eieren voor z'n geld gekozen! Zoo leeren ze het af!
Onderwijl was Buddingh op z'n minst acht uren te vroeg ter plaatse zijner bestemming en zat als vrijwillig gevangene in de kamer van zijn vriend Heining. Hij was gekomen om 's avonds te vijf uur de vergadering te leiden, waarin de Afgescheiden gemeente gesticht en de eerste kerkeraadsleden gekozen zouden worden. Den volgenden dag zouden dezen bevestigd worden en zou de heilige Doop aan niet minder dan twaalf kinderen bediend worden.
Gerrit Beukman wist niet wat hij doen moest.
Twee heel-moeilijke vraagstukken tegelijk hielden hem bezig.
Hij kon zijn toestand heel wat verbeteren door de benoeming tot hoofdonderwijzer te Bunschoten, waarvan hij twee dagen geleden bericht gekregen had, aan te nemen. Hier—in Loosdrecht—bestond vooreerst weinig kans van vooruitkomen. En een benoeming kwam niet alle dagen voor. Bovendien was het een ongedacht buitenkansje, dat hij deze plaats krijgen kon; men wist heel goed dat zijn ouders zich bij de Afgescheidenen aangesloten hadden. Hij zelf was nog niet toegetreden, maar de familie was dan toch besmet; en dat zou in veel plaatsen reeds voldoende geweest zijn om hem te weren.
Hij zelf was nog niet toegetreden. Toch had hij tegen de gedragslijn van zijn ouders eigenlijk niets in te brengen, maar was het veeleer geheel met hen eens. Ook hij zou reeds sedert eenige maanden bij de nieuwe gemeente behoord hebben, indien....; wanneer hij zijn hart eerlijk doorzocht, moest hij wel bekennen: indien erte Loosdrecht geen Jannetje Huiskamp gewoond had.
De jonge Beukman was nu even drie en twintig jaar oud. Jannetje was ongeveer drie jaren jonger. De beide ouderparen waren reeds van jongsaf elkanders naaste buren en altijd goede vrienden geweest. Natuurlijk waren de kinderen samen opgegroeid, hadden samen gespeeld, schoolgegaan, bij dominee „geleerd”, en wisten niet beter of ze behoorden bij elkaar. Nooit was er iets onaangenaams tusschen de beide gezinnen voorgevallen, Gerrit en Jannetje gingen met elkaar om als broer en zuster. Geen jongen zou het straffeloos wagen Jannetje verdriet te doen als Gerrit er bij was.
Voor den schoolmeester had Gerrit altijd heel veel eerbied gehad; maar meer nog had hij met groote jaloezie den machtigen man benijd, die zoo als onbeperkt alleenheerscher in de school over al de jongens en meisjes regeerde; die strafte en beloonde naar welgevallen; en die zooveel wist, dat alle bewoners van het dorp, van den grootsten tot den kleinsten, behalve dominee en dokter, al hun kennis aan hem te danken hadden.
„Als ik een man ben, dan word ik meester!” placht hij vertrouwelijk tot Jannetje te zeggen.
„Dat kan niet,” antwoordde zij dan, „er is al een meester.”
„Ja, dat begrijpen meisjes zoo niet; maar er zijn een heele boel dorpen, en in elk dorp is een meester noodig.”
„Wou je dan naar een ander dorp? En laat je mij en je vader en moeder en Gijs en Santje dan hier en ga je alleen weg?”
„Ik laat ze allemaal hier en ik ga ver weg; heel ver naar een groot dorp; en dan neem ik jou mee.”
„Dat kan niet, dat willen mijn vader en moeder nooit hebben.”
„Niet? Als ik een groote man ben? Dan trouw ik met jou en dan ga je mee!”
„Prettig!” jubelde Jannetje en maakte een rondedansje op haar klompjes.
De oude onderwijzer had schik in den jongen, die altijd goed leerde, en wist den ouders aan 't verstand tebrengendat „dit knaapje” voor wat beters dan het boerenvak in de wieg gelegd was. Wat meester zei was altijd waar en dus werd Gerrit, zoodra hij „volleerd” was, kweekeling.
Hij had zijn examens met glans afgelegd en was nu de rechterhand van den meester, die daar niet weinig trotsch op was.
Jannetje was opgegroeid tot een flinke bloeiende boerendeern, kerngezond, zedig, levendig, en van wie vader en moeder „het beste mochten hopen”. Gerrit was langzamerhand tot de overtuiging gekomen, dat hij geen andere levensgezellin begeerde dan Jannetje Huiskamp. En zij? Zij wist reeds lang wat haar nog nooit gezegd was, maar wat ieder meisje zonder zich ooit te vergissen leest in een enkelen blik van den jongeling, die haar liefheeft.
Gerrit moest wel geduld oefenen, want hij verdiende nog niet genoeg; en Jannetje had geduld. En zoo leefden ze als goede vrienden en buren voort, in elkander geloovende; dus hadden ze voorhands nog geen haast.
Totdat de groote dag kwam van het eerste verschil tusschen de beide paren ouders, waardoor—wie kon het vooruit zeggen?—ook de verhouding tusschen dekinderen wel veranderen kon. In Loosdrecht ontstond in 1835 een Afgescheiden gemeente; in 't begin zeer klein en onaanzienlijk, maar onder de weinige zielen, die ze telde, behoorden ook Klaas en Grietje Beukman. De ouders van Jannetje gevoelden geen vrijheid om over te gaan. Gelukkig woonde in beider harten oprechte vreeze Gods, zoodat ze zeer goed de beweegredenen verstaan konden, die de Beukmans tot hun stap geleid hadden, al waren ze 't niet met hen eens. Het verschil bracht dus geen verwijdering, maar toch: overalleskon men niet meer zoo vertrouwelijk als vroeger praten. Één onderwerp moest vermeden worden, één onderwerp dat echter niet te scheiden viel van veel andere, die hun allen de hoogsteendierbaarste waren.
Indien Gerrit de benoeming naar Bunschoten aannam, zou hij genoeg verdienen om te kunnen trouwen. Maar hij kon op de vingers natellen wat er verder gebeuren zou. De Afscheiding was in Bunschoten krachtig. Reeds in Januari 1836 waren 70 menschen toegetreden, in de eerste week van Februari weer 15, en dat ging maar zoo door. Op dit oogenblik was dominee Buddingh daar om de vergadering te leiden, waarin een kerkeraad gekozen werd. Morgen zouden er niet minder dan twaalf kinderen gedoopt worden. Gerrit wist heel goed dat hij geen drie maanden te Bunschoten wonen zou, of hij was ook Afgescheiden. En dan zou Jannetje hemmisschiennog wel willen hebben, maar vader Huiskamp zou niet zoo gemakkelijk zijn toestemming geven. Nu dacht hij nog niet eens al te diep na over de vraag of hun huwelijk wel gelukkig kon zijn, wanneer hij Afgescheiden was en zij Hervormd bleef.
Vader Beukman was te verstandig om bij zijn zoon drang te oefenen. „Het moet waarachtig werk wezen,” had deze gezegd; „daar de Heere niet in toorn op behoeft neer te zien!” En moeder had er bij gevoegd: „Ik hoop dat je er door genade nog eens toe komen mag, maar het moet níet omons!” Toen nu dominee Buddingh kwam logeeren, meende vader: „Je hebt nu een mooie gelegenheid om met hem eens over Bunschoten te spreken.”
Gerrit was evenwel slim genoeg geweest om van die „mooie gelegenheid” geen gebruik te maken. Want zoo jong als dominee Buddingh was, had hij toen reeds algemeen den naam, dat hij „je door en door keek.” Die zou binnen vijf minuten weten hoe de vork eigenlijk aan den steel zat. En dan zou hij kort en bondig zeggen: „Broeder, doe wat je roeping en plicht is!” Van geven en nemen, van voor en tegen wegen, wist die niet af. Vooral niet wanneer er „Jannetjes” bij betrokken waren. Daar voelde hij al heel weinig voor; hij is dan ook nooit getrouwd geweest. En het vervelendste was: wanneer men dominee Buddingh in een zaak haalde, dan was hij er niet meer uit te krijgen voordat de zaak zelf uit was. Dan bemoeide hij er zich zoolang mee, tot hij zijn zin gekregen had, of men was levenslang kwade vrienden met hem.
Gerrit wist heusch niet wat hij doen moest. En hij voelde heel goed dat hij het, gedeeltelijk ten minste, niet wist omdat hij het liever niet weten wou.
Hij kon het in huis niet langer uithouden, greep zijn pet en liep naar buiten. Het was een prachtige zomeravond; het groen van de dennen en de eikenboschjes wasemde onder de stralen van de ondergaande zon heerlijkegeuren uit. Een zacht oosterkoeltje streek den eenzamen wandelaar langs de gloeiende slapen. Maar hij zag niet veel van het natuurschoon, dat hem omringde, en het koeltje gevoelde hij nauwelijks. In gedachten wandelde hij verder en eindelijk de mooie golvende heide op.
Plotseling en onverwacht zag hij op geringen afstand voor zich het meisje, dat al zijn gedachten bezighield. Zij kwam, met een licht korfje aan den arm, van Hilversum, den naasten en mooisten weg dwars over de heide; de oneffenheden in den bodem hadden haar totnogtoe aan zijn oog onttrokken. Er was geen gelegenheid haar te ontloopen, hoe gaarne hij dat—voor het eerst van zijn leven—ook gedaan had. Vroolijk glimlachend stak de jonge boerin hem de hand toe.
„Waar gaat dat zoo op Zaterdagavond nog naar toe, Gerrit?”
„Nergens heen, Jannetje, ik wandel een beetje.”
„Best weertje er voor!”
„Dat is het!.... Geef mij je mandje, dat mag ik zeker wel voor je dragen!”
Jannetje stond hem haar korfje af, gedurende een paar minuten liepen ze zwijgend naast elkaar voort.
„Ik heb er in den laatsten tijd wel eens over gedacht,” begon Gerrit eindelijk; „ik zou niet graag mijn heele leven ondermeester blijven.”
„Dat is best te begrijpen,” antwoordde Jannetje.
„Ik zal ergens anders heen moeten,” ging Gerrit voort.
„Je zult hier den meester wel opvolgen,” meende Jannetje; „die wordt al mooi oud.”
„Neen, Jannetje, dat is heelemaal niet zeker, en die isook nog heel kras. En ik mag toch niet loopen wachten en verlangen naar zijn dood!”
„Wat wou je dan?” vroeg zij heel effen.
„Ik zal wel moeten uitkijken.... ik zal als er eens een andere plaats is.... ik wou wel niet graag van Loosdrecht weg, zie je.... maar ik kan....” En Gerrit bleef steken.
„Wil je dan ergens anders gaan wonen?” vroeg Jannetje op gedwongen toon.
„Willen? Neen. Maar ik moet.”
Jannetje keek strak voor zich en zei niets.
„Niet ver, zie je. Ik zou graag zoo dikwijls mogelijk mijn ouders bezoeken.”
Jannetje bleef zwijgen. „Z'n ouders!” dacht ze, „mij niet!”
„Ik kan...” zei Gerrit plotseling met harde stem,„ik meen, de meester in Bunschoten is dood.”
„Al een maand!” zei Jannetje en bleef voor zich kijken.
„Bunschoten is niet ver,” meende Gerrit.
„Bijna vijf uren loopen,” hernam Jannetje, „me dunkt het!”
„Ik zal het je maar zeggen: ik ben er benoemd... maar ik heb er niets geen moeite voor gedaan, dat moet je niet denken hoor.”
„Waarom zou ik het denken?” vroeg Jannetje stijfjes.
„Ik kan er twee honderd gulden meer verdienen, maar ik wou toch niet graag van Loosdrecht weg. Ik zal het daar zoo eenzaam hebben. Ik weet niet wat ik doen moet.”
„Niet?” vroeg Jannetje.
„Neen, 't is erg moeilijk, Jannetje. Wat zou jij me raden?”
„Niets! Ik kan er niet over oordeelen.”
Zwijgend liepen ze samen voort. Gerrit keek haar heel verlegen en tersluiks gedurig aan; en Jannetje had een kleur of het tachtig graden in de schaduw was. Waarom zei hij nu verder niets? Ja, dat vroeg hij zichzelf ook! En Jannetje dacht ook iets dergelijks.
Eindelijk waren ze bij de boerderij van Huiskamp. Jannetje nam het mandje van Gerrit in ontvangst, zei zacht: „Goeden avond, Gerrit!” stak hem de hand toe en ging het erf op.
„Goeden avond, Jannetje!” zei Gerrit en bleef staan.
Maar Jannetje was reeds in huis, en hem schoot niets anders over dan langzaam verder te loopen.
***
„Dat is voorbij! Voor goed voorbij!” snikte Jannetje toen ze in bed lag. „Dat komt door die akelige Afscheiding! Hij gaat weg voor altoos! Wat heb ik me in hem bedrogen!” Eindelijk schreide ze zich in slaap.
„Nu weet ik ten minste wat ik doen moet!” zei Gerrit bitter tot zichzelf. „Ik kan gerust weggaan, het kan haar toch niet schelen. Ik had het eigenlijk anders verwacht!” Eerst tegen den morgen woelde hij zich in slaap.
Den volgenden Maandag nam Gerrit de benoeming tot hoofdonderwijzer te Bunschoten aan. Hij zag geen enkele reden meer om in Loosdrecht te blijven.
Einde Juli had Gerrit Beukman zich te Bunschoten gevestigd en daar den 1enAugustus zijn werk aanvaard. Zeven weken waren na dien dag verloopen. Hij maakte het goed en gevoelde geen berouw over zijn verandering van woonplaats en werkkring. De herinnering aan het meisje, dat hij bleef liefhebben zonder veel hoop te koesteren op de vervulling van zijn wensch, was niet verzwakt, maar zijn nieuwe roeping nam hoofd en hart te veel in beslag om daar voortdurend aan te denken. Zoowel met Afgescheidenen als met Hervormden was hij over 't algemeen op goeden voet.
Het was Zondag, 18 September 1836. De jonge hoofdonderwijzer was vroeg opgestaan en had zich verkwikt door een wandeling in de frissche morgenlucht, die reeds iets van den naderenden herfst deed gevoelen. Thans was hij op den terugweg van Spakenburg en begaf zich naar het vriendelijke oude kerkje.
Sedert eenige maanden was de predikantsplaats vacant. Kerkvoogden en notabelen hadden begrepen, dat niets de Afscheiding meer in de hand werkte dan het sluiten vanhet kerkgebouw op Zondag of het lezen van een preek, dat de gemeente gewoonlijk alleen uit nooddwang goedvindt. De kleine Afgescheiden gemeente had tamelijk geregeld bediening des Woords. Zelfs was den vorigen Zondag de jeugdige predikant Brummelkamp overgekomen en had in de ruime woning van Jan Heining het heilig Avondmaal bediend. Den daaropvolgenden dag had hij huisbezoek gedaan.
Met toestemming van den consulent en den vollen kerkeraad was aan een der ouderlingen van de Nederlandsch Hervormde Kerk, H. Poort, opgedragen geregeld oefening te houden. Dat hield men—zooals in een der actestukken daarop betrekkelijk, vermeld staat,—voor „een veelbeduidend middel om de zaak der scheiding te stremmen, gelijk dan ook met de daad bewezen is.”
Gerrit Beukman ging dien morgen daarheen; hij hoorde dien ouderling met genoegen.
Toen hij de kom van het dorp bereikte, vond hij alles in rep en roer. Zooeven waren vier en twintig rijdende artilleristen het stille dorp komen binnendraven en hadden post gevat voor de woning van Jan Heining, waar de Afgescheidenen zouden samenkomen. Vloekend, tierend en de blanke sabels zwaaiend, reden ze heen en weer om de menigte uiteen te jagen, die ze door hun gedrag zelf hadden doen samenstroomen. Evenwel kon ieder, die er zijn wilde, ongehinderd tot aan de belegerde woning doorloopen. Maar daar waren vier man op wacht gesteld door den luitenant, die vooraf in het huis opgave geëischt had van het aantal huisgenooten. Die waren man, vrouw, drie kinderen, een knecht en twee meiden; dus acht personen.
„Behalve je zoogenoemde dominee, hè?” riep de luitenant.
„Mijnheer,” zei de boer, „er is vanmorgen geen preek, we komen alleen onderling samen.”
„Weet goed wat je zegt! Wee je gebeente als je me voorliegt en ik den kerel naderhand toch vind!”
De oude Heining beantwoordde deze beleediging alleen met waardig zwijgen.
„Jongens,” schreeuwde de officier, naar buiten tredend tot de soldaten; „er zijn er acht; je kunt dus nog elf van die psalmenbalkers binnenlaten; meer niet, hoor je!”
„Mijnheer!” waagde Heining te zeggen, „als ik het wel heb mogen er negentien menschen komen, en rekenen de bewoners van het huis niet mee.”
„Houd je bek! Er komen er zooveel en zoo weinig als ik wil! Elf, hoor jongens! Geen een fijne meer!”
Zoodra elf waren toegelaten, werden de overigen kort en ruw teruggewezen. Zonder verzet, zelfs niet door een enkel woord, onderwierp men zich aan dien willekeur.
Bedroefd en beschaamd ging Gerrit het kerkgebouw binnen. Hij hoorde dien morgen van den ouderling Poort een recht-stichtelijke oefening, maar hij had er niet veel aan. Zijn gedachten waren met heel andere dingen bezig. Hij moest wel denken aan al wat gebeurd was sedert zijn gesprek met Jannetje, dat den doorslag gegeven had om hem naar Bunschoten te doen verhuizen.
Voor de godsdienstoefening, welke den 26stenJuni door dominee Buddingh geleid was, had Niezen zijn huis afgestaan. Hij was daarvoor door de Rechtbank te Amersfoort met ƒ20.- beboet. Niezen was in hooger beroep gekomen, maar wachtte daarvan nog den uitslag. De oudeBeukman had zijn zoon een paar weken geleden bezocht en hem verteld, dat te Loosdrecht eenige lanciers ingekwartierd waren geweest, doch uitsluitend bij Afgescheidenen, hetgeen tegen de wet was. Gelukkig had de overlast slechts één etmaal geduurd, het was meer bedoeld als proefje om schrik aan te jagen.
En nu... nu zathijonder een prediking, waarvan hij niet anders zeggen kon dan dat hij de waarheid hoorde, maar waarvan hij wist, dat ze gehouden werd om de Afgescheidenen zooveel mogelijk in hun wettelijke vrijheid te belemmeren.
Onwillekeurig dacht Gerrit aan het woord van den apostel Paulus aan de Philippensen: „Genen verkondigen wel Christus uit twisting, niet zuiver, meenende aan mijne banden verdrukking toe te brengen; doch dezen uit liefde.” Maar hij kon en mocht er niet als Paulus bijvoegen: Wat dan? Nochtans wordt Christus op allerlei wijzen, hetzij onder een deksel, hetzij in der waarheid verkondigd, en daarin verblijd ik mij, ja, ik zal mij ook verblijden. Want zooals hij daar zat, was hij veel meer schuldig aan de „verkondiging uit twisting”. Zijn geweten zei hem, tegen alle redeneering en aangevoerde bijbelteksten in, dat hij niet op die plaats behoorde.
Toen de kerk uitging zaten twintig van de soldaten te zwetsen en te drinken voor de stadsherberg. Er was ook eigenlijk voor de vier overigen geen werk, want de menschen waren zoo gedwee als lammeren. Des namiddags tegen vijf uur werd onverwachts de geheele troep samengeblazen en reed spoorslags naar Utrecht terug. Vurig dankten de dorpelingen den Heere, omdat ze—ditmaal althans—erzonder de gevreesde inkwartiering afkwamen. Het was niets anders geweest dan noodelooze en wettelooze plagerij van den gouverneur der provincie Utrecht, die elke gelegenheid tebaatnam om zijn haat tegen gewetensvrijheid en godsvrucht te koelen. Voor ditmaal was men dus met den schrik vrijgekomen; maar de luitenant had bij alle duivels uit de hel gezworen, dat als hij nog eens gezonden werd de Scholtianen er anders van lusten zouden.
Op tweeërlei wijze hielpen dus de vijanden de gemeente der Afgescheidenen te Bunschoten zich uitbreiden: door vrome godsdienstoefeningen en door barbaarsche vervolging. Er was geen noemenswaard verschil tusschen hetgeen de ouderling Poort verkondigde en hetgeen men in de vergadering der Afgescheidenen te hooren kreeg. „Waarom kunnen ze dan niet allen bij Poort komen?” vroeg de een. „Maar waarom mogen ze niet in een huis een straat verder naar 't zelfde luisteren als ze dat liever willen?” wierp de ander tegen.
In elk geval, dat waren beide partijen eens, was dat geen zaak die den Staatsraad-gouverneur van Utrecht, den heer Van Toulon, aanging. Wat kon het hem schelen hoe en waar eenige boeren en visschers naar de kerk gingen?
Den volgenden dag vervoegden zich twaalf Hervormden bij ouderling Niezen, en verzochten hem tot de gemeente toegelaten te worden. Een hunner was Gerrit Beukman.
„Kijk, daar doe je nou wel aan! Komt er maar in!”
Met die woorden begroette Klaas Beukman zijn buren Teunis en Gijsje Huiskamp, die op den avond van den laatsten September de klink van de buitendeur oplichtten en de ruime keuken inkeken om hun oude vrienden weer eens een bezoek te brengen.
„Ja,” antwoordde Huiskamp; „ik dacht ik moet toch weer eens bij buurman Klaas een pijpje gaan stoppen. We moeten niet van elkaar afwennig worden.”
„Je hebt nòg gelijk, buurman,” riep moeder Griet, die rustig bleef zitten, de voeten op de koperen stoof en de kat op haar breeden schoot.
Even later zaten de vier geburen gezellig bij elkaar, ieder met een groote kom dampende koffie en een stuk koek; de beide mannen bovendien gemoedelijk hun pijpen rookende. Op zijn minst een uur lang liep het gesprek, kalm en met betamelijke tusschenpoozen van algeheel zwijgen, over koetjes en kalfjes. Maar Klaas Beukman wist vast en zeker dat zijn oude vriend Teunis Huiskamp iets op het hart had; en Teunis was er vast van overtuigddat zijn buurman daar met Jobsgeduld op zat te wachten. Maar ieder hunner wilde van den ander dat hij het eerste woord zeggen of de eerste vraag doen zou.
„Het is dan maar een rare wereld tegenwoordig,” begon Huiskamp eindelijk.
„Zeg dat wèl!” beaamde Beukman rustig; hij wist dat er nu aanstalten gemaakt werden om er mee voor den dag te komen.
„Als je blieft, Teunis!” zei moeder Griet. Dit had echter geen betrekking op zijn ontboezeming; ze gaf hem een nieuw kop koffie en leidde daardoor schijnbaar zijn aandacht weer van zijn onderwerp af. Doch ze wist wel dat integendeel de zaak daardoor bespoedigd werd, want ze hielp hem onmiddellijk aan den omweg, dien hij in elk geval later toch noodig hebben zou.
„Dank je, Grietemeuë; je kan tegenwoordig wel wat warms gebruiken.”
„Het begint al aardig 's nachts te vriezen,” sprak Gijsje, een stevige, breede boerin.
„Maar aan de warmte van binnen hindert dat niet, als 't goed is,” merkte Teunis heel wijsgeerig op.
„Neen!” antwoordde Klaas, die met opzet niet begreep dat zijn vriend met „van binnen” het hart bedoelde; „als je door Gods goedheid nog een flink vuur in de schouw mag hebben en er hangen nog hammen en worsten in den rook, dan moet je zeggen: Wat onderscheidt mij!”
Teunis was tot zijn genoegen door hetgeen Klaas gezegd had op een nieuw kronkelpaadje gebracht. „Is je varken nog al goed uitgevallen?” vroeg hij.
„Och ja, we mogen overvloed hebben. En als de Heereje dan de gezondheid en de krachten er bij geeft, dat je het zelf met smaak mag eten, dan kan je Hem daar nog wel'reis hartelijk voor danken.”
„En als er dan zoo nu en dan ook een kluifje voor een arm mensch mag overschieten,” voegde moeder Grietje daaraan toe; „dan is dat dubbele genade.”
„Als de Heere je dan maar bewaart voor opeters, die je liever van achteren dan van voren ziet, dan.......” ging Teunis voort, plotseling een reuzenschrede nader tot het doel komend.
„De Heere belooft bij Maleachi den profeet: Ende ick sal om uwentwille den opeter schelden!” hernam Klaas, die hardnekkig weigerde zijn vriend te begrijpen, zoolang die niet in ronde woorden sprak.
„Ik heb vanmiddag nog even den burgemeester gesproken,” deelde Teunis mee, eensklaps van onderwerp veranderende.
„Zoo!” antwoordde Klaas en bleef stevig doorrooken.
„Ja,” bevestigde Teunis en rookte ook verder.
„En wat hoor je tegenwoordig van je Gerrit?” vroeg Gijsje;—veel te snel naar den zin van haar man, want ze viel met die vraag met de deur in huis. Maar zoo zijn de vrouwen nu eenmaal; die kunnen nooit eens de kat uit den boom kijken!
„'t Gaat wèl,” antwoordde zijn moeder; „hij kan het met allemaal nogal goed vinden.”
„Als er in Bunschoten ook zulke dingen gebeuren als hier.....” begon Teunis met een zweem van hoop dat Klaas hem in de rede vallen zou. Maar Klaas dacht er niet aan.
... „dan kon dat de menschen nog wel eens tegen elkander verdeelen,” voltooide Teunis zijn zin.
„Dat is dan ook op vele plaatsen het geval,” antwoordde Klaas. „Kijk, buurman, ik en Griet danken er den Heere voor dat wij ook verwaardigd worden om iets voor zijn naam te mogen lijden; maar niet minder zijn we dankbaar dat onze oude vrienden ons daarom niet verstooten of verlaten.”
Nu was het ijs gebroken.
„Daar zou dan ook heel wat moeten gebeuren eer wij Klaas en Griet met den nek zouden aankijken,” zei Teunis. „Toen daar zoo vergangenen Zondag vóór acht dagen twee lansiers bij onze oude buren in huis gezet werden, zei ik toch: „Gijs, zei ik, ze mogen wezen wat ze willen, maar dat hebben ze aan niemand verdiend.””
„Neen,” hernam Gijsje, „ik kon het met geen droge oogen aanzien. Dat je van de groote Kerk af bent, is al erg genoeg; en nu dát er nog bij!”
„Het heeft gelukkig kort geduurd,” antwoordde moeder Grietje, die verstandig genoeg was om op de zonderlinge logica van haar vriendin niet in te gaan; „en de Heere heeft met zijn terughoudende kracht beslag gelegd op de militairen, zoodat ze zich nogal ordelijk gedroegen.”
„En we mochten zoo genade krijgen,” voegde Klaas er bij, „om te roemen in de verdrukking.”
„De burgemeester vertelde me nog van je zoon,” zei Teunis, die eindelijk ter zake kwam; „en ik en Gijs dachten zoo, dat moesten we je toch even komen zeggen.”
„Wat is met onzen Gerrit?” vroeg moeder Grietje verschrikt.
„Neen, niets; maar hij had van den burgemeester van Bunschoten een boodschap gekregen dat de nieuwe meester nu ook al bij de Scholtianen hoorde.”
„De Heere zij gedankt!” riep Gerrits moeder.
„Ja, dát is nou tot daaraan toe; maar hij was door 't kwade heen en zei: dat is een bedorven ei uit dat vuile nest! Ik zal 'm een lesje geven!—Bij de eerste gelegenheid de beste.... Nou, we zijn altijd te goede vrinden geweest en ik wou het je even gaan zeggen.”
„Ja,” zei Gijsje, „misschien loopt het zoo'n vaart niet, maar Jannetje zei ook: dat weten ze misschien nog niet; 't zou leelijk wezen als je 't voor je hield!”
Klaas Beukman zat met gespannen gelaatstrekken zoo zwaar aan zijn pijp te zuigen, dat hij zich in een wolk van rook hulde.
„Ja,” zei Gijsje, „'t is zonde dat we 't je moeten aanzeggen en het zal je wel aangrijpen. Maar het is toch beter dat je 't weet.”
Klaas nam de pijp uit zijn mond en keek zijn buurvriendin dankbaar aan. „Gijsje,” zei hij, „ik en Griet danken je wel. Maar onze Heere Jezus heeft gezegd: In de werelt sult ghij verdruckinge hebben, maar hebbet goeden moedt, ick hebbe de werelt overwonnen.”
„Ik kan jaloersch van je wezen,” zei Teunis, „maar ik kan het niet inzien.”
„Mocht het den Heere behagen het je te leeren inzien, vriend.”
.... „Maargoedvinden, neen!” ging Teunis voort. „Zie je, wat je bewogen heeft om er uit te gaan, begrijp ik niet; maar dat ze zoo iemand als waar ik jou voor ken,daarom molesteeren!.... Maar het wordt tijd; ik wensch je den vrede!”
De goede buren waren te weinig op hun gemak om van de Beukmans tekst en uitleg te krijgen, en gingen dus maar gauw heen. Eigenlijk begon er heel flauw in hun harten een stemmetje te zeggen: En aan dat molesteeren van je vrienden doe je wèlbezien ook mee, door aan den anderen kant te staan. Ze hadden evenwel vooreerst nog volstrekt geen zin om al te nauwkeurig naar dat stemmetje te luisteren.
De Beukmans bleven dus gewaarschuwd achter. Maar het was een waarschuwing waar ze niet veel mee konden doen!
Klaas Beukman had niet lang behoeven te wachten op de vervulling van de bedreiging, die hem door zijn vriend overgebracht was. Zondags den 2enOctober rukten vijftien man van het depôt der 10e Afdeeling Infanterie het vredige dorpje binnen, waarvan twee bij hem ingekwartierd werden. Van de overigen werd slechts één man in elk door den burgemeester aangewezen huis, doch alleen bij Afgescheidenen, onder dak gebracht.
De manschappen hadden streng bevel gekregen des Zondags den geheelen dag in hun kwartieren te blijven en onmiddellijk den sergeant te waarschuwen zoodra er een samenkomst gehouden werd, al bestond de vergadering ook slechts uit zes personen. Wel was er geen letter in eenige Nederlandsche wet te vinden, welke dat gebood of er vrijheid toe gaf, maar de Afgescheidenen stonden buiten de wet, vooral voorzoover de inkwartiering betrof. In alle plaatsen, die onder de hoogere rechtspraak van Amsterdam behoorden, hielp beboeting niets, want de vervolgden, die te Amersfoort en te Utrecht in boeten geslagen werden, kwamen in hooger beroep en werdengeregeld door de rechtvaardige Rechtbank van Amsterdam vrijgesproken. Hetzelfde geschiedde door de Rechtbank te Heerenveen. Doch deze beide rechtbanken waren de eenige uitzonderingen op den algemeenen toestand.
Kon men hen in de ressorten van die beide Rechtbanken dus niet door beboeting kwellen, des te meer en des te ijveriger werd van het schandelijk middel van inkwartiering gebruik gemaakt. Daartegen was geen hooger beroep. Slechts één middel kon tegen dien willekeur beproefd worden: adressen aan den koning. Zoo veel mogelijk werd echter het indienen van adressen bemoeilijkt. Bij Koninklijk besluit van 5 Juli 1836 werd bepaald dat de handteekeningen van adressanten gecertificeerd en de adressen daarna door tusschenkomst van den gouverneur der provincie ingezonden moesten worden. Op verscheidene plaatsen, onder anderen zelfs te Amsterdam, werd door deburgemeesters de verplichte certificatie geweigerd. Toen men die eindelijk na veel tegenkanting verkregen had, vond de gouverneur der provincie Utrecht goed de hem gezonden behoorlijk gecertificeerde adressen te weigeren en aan de adressanten terug te zenden: met opgaaf van de zoogenaamde reden: „dat ze niet voldoende waren.” Wat die uitdrukking beteekende weet nu nog niemand. Ten einde raad zonden de adressanten hun stukken nu rechtstreeks aan den koning en drukten, omdat ze nog vreezen moesten dat de adressen den koning niet bereiken zouden, het hoofdadres af in het eerste nummer van „De Reformatie,” het „Tijdschrift der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland,” dat mede aan deze rechtsverkrachting zijn ontstaan te danken had, en waarvantien jaargangen verschenen, die een onschatbare bron zijn voor de kennis van de geloofsvervolging in Nederland.
Met hoeveel willekeur de plaatselijke overheden te werk gingen, blijkt genoegzaam uit hetgeen in dat adres sub. V verzocht werd. Men leest daar:
„Dat wij, tengevolge van dit alles, aan Uwe Majesteit dringend verzoeken, de openbare Magten in het Rijk, die dit eenigzins kan aangaan, nadrukkelijk aan te bevelen om ons in de vervaardiging en gebruikmaking van plaatsen tot onze openbare Godsdienstoefeningen niet te storen, en te zorgen dat de verstoorders van de openbare Godsdienstoefeningen naar de wetten des Lands gestraft worden; dewijl de Overheid daartoe het zwaard draagt, om de boozen te straffen en de vromen te beschermen.”
Het adres bleef onbeantwoord en hielp niets.
Met verlangen had Gerrit Beukman de Kerstvacantie tegemoet gezien, die hij in het ouderlijk huis dacht door te brengen. De gelegenheid om van elkander iets te vernemen of voor briefwisseling was gering en voor veelvuldig persoonlijk bezoek was de afstand tusschen Loosdrecht en Bunschoten te groot. Bovendien waren zijn ouders door de inkwartiering—welke zij zonder tusschenpoos langer dan zes maanden verduren moesten zonder er één cent van de bij de wet bepaalde vergoeding voor te krijgen—aan huis gebonden. Slechts wanneer de beide soldaten voor korten tijd afwezig waren, kon Klaas Beukman zijn vrouw alleen thuis laten, want „De Reformatie” waarop hij natuurlijk ingeteekend had, had hem bijtijds geleerd hoe het op sommige plaatsen toeging.Hij had in de eerste aflevering reeds gelezen: „Te Oenkerk (Prov. Vriesland) zijn vijf en twintig soldaten bij vijf huisgezinnen, waarvan de hoofden leden der gescheidene gemeente zijn, ingekwartierd. In een dier huizen, waarin slechts ééne woonkamer, die door man, vrouw en vijf kinderen wordt bewoond, zijn, niettegenstaande de bedlegerigheid der vrouw, acht soldaten gehuisvest.”
In de volgende aflevering had hij een bericht uit Hattem gevonden, dat eindigde met de onderstaande woorden: „Het plaatselijk bestuur heeft kunnen goed vinden bij een meisje, datalleenwoont en slechtséénvertrek heeft, een der militairen in te legeren.”
Klaas Beukman kon dus niet anders dan in geval van noodzaak buitenshuis zijn, tenzij hij wist dat de soldaten tijdelijk afwezig waren.
Eindelijk Zaterdags 24 December kwam Gerrit te Loosdrecht aan. Hoeveel was er te bespreken! Hoeveel nieuws had men elkaar te vertellen! En.... zou hij ook Jannetje nog ontmoeten! En hoe zou dat gaan?
De inkwartiering voor de Beukmans was wel kwellend, maar ze kwamen er toch nog genadig af in vergelijking met velen hunner geestverwanten. Hun woning was ruim genoeg om de beide soldaten in een vertrek alleen te laten en samen ergens anders te vertoeven; terwijl de middelen om de ongewenschte gasten op het punt van voedsel en drinken tevreden te stellen hun niet ontbraken, ofschoon de soldaten gewoon waren, soms zelfs order kregen, veel rijker onderhoud te eischen dan de wet voorschreef. Kregen ze dat in den zin dan was er voor de vogelvrij-verklaarden bijna nooit recht te krijgen en kondenze alleen kiezen tusschen toegeven en mishandeld worden.
De Zaterdagavond werd dus door de oudelui Beukman met hun zoon in levendig, ongestoord gesprek doorgebracht.
Uitvoerig verhaalde Gerrit hoe het voorgevallene van den 18denSeptember bij hem den doorslag gegeven had om zich bij de Afgescheidenen te voegen.
„De Heere was me te machtig geworden,” zei hij. „Ik zag toen duidelijk hoe alle pogingen in het werk gesteld werden om de ware Kerke Christi te onderdrukken, en zoo mogelijk te vernietigen, en hoe ik niet meer mocht blijven onder kerkbesturen, die zoowel goddelooze soldaten als vrome ouderlingen gebruiken om hun satanisch doel te bereiken. En dat ik niet verkeerd gezien had, bleek me een week of wat later. Want den 23stenOctober 's avonds zou ouderling Poort als gewoonlijk weer oefenen. Er waren toen twintig rijdende artilleristen bij de Afgescheidenen ingekwartierd. Wij bereidden ons reeds voor om de gewone kwellingen bij onze godsdienstoefening in de kracht des Heeren te doorstaan; toen onverwacht het dreigend onheil afgewend werd op een wijze, die niemand voorzien kon. Toen de menschen naar de Hervormde kerk kwamen, vonden ze de deur gesloten en den toegang versperd door de artilleristen. Poort mocht er niet oefenen.”
„Wat nu?” vroeg vader Beukman verwonderd. „En waarom niet?”
„Ja, dat vroegen alle menschen elkaar ook. 't Kwam echter spoedig voor den dag. Poort preekte te goed. Er was geen verschil tusschen wat hij zei en wat men bij ons te hooren kreeg. Daardoor werkte het middel verkeerd.De hoorders van Poort bleven voorloopig nog wel Hervormd, maar werden jegens ons zeer goed gezind.”
„En toen?” vroeg Beukman.
„Den volgenden dag zonden een kerkvoogd en een notabel een adres over deze gebeurtenis aan het Gouvernement. Ik heb er een afschrift van.”
„Lees voor, Gerrit!” riep zijn moeder vol vuur.
Gerrit las:
„De ondergeteekenden L. Duyst, kerkvoogd, en H. Schaap, notabel bij de gemeente der Hervormden te Bunschoten, achten in de tegenwoordige omstandigheden dat het hun plicht is, om met verschuldigden eerbied ter kennisse van Uwe Excellentie te brengen, dat onze ambtsbroeders onder geleide van den Wachtmeester Lamers en den Burgemeester Z. Hoolwerf, bij missive van 23 dezer het gebeurde van dien dag in eenen hatelijken zin aan Uwe Excellentie hebben voorgesteld, en tegen onze toestemming gewerkt hebben. Het was aan de kerkvoogden en notabelen bekend, dat sedert eenigen tijd de ouderling Poort, met toestemming van den consulent, alsmede van den predikant en vollen kerkeraad, publiek in de kerk te Bunschoten oefening hield, als zijnde een veelbeduidend middel om de zaak der scheiding te stremmen, gelijk dan ook met de daad bewezen is. Maar nu door tusschenkomende omstandigheden de predikant verkoos om zonder den ouderling Poort de huisbezoeking in de gemeente te doen, hoewel dezen alsnog zulks nimmer geweigerd heeft; maakten zij, die weinig belangstellen in de wezenlijke welvaart der gemeente, van die gelegenheid gebruik en brachten het met de daad zooverre, dat depredikant zijne toestemming introk. Poort, alsnog toestemming van Consulent en Kerkeraad hebbende, liet op verzoek van den Kerkeraad, de gemeente als naar gewoonte komen tot de openbare plaats des gehoors. Doch hoe godtergende en rustverstorende, terwijl het licht reeds ontstoken en de gemeente tot aan de deuren van de kerk genaderd was, werd ons de ingang door een detachement Artilleristen belet, en op last van eenigen uit ons kerkelijk college, de deuren van het gebouw gesloten, terwijl er zeker een schaar van meer dan 300 menschen schandelijk teleurgesteld werd. Uwe Excellentie gevoelt dat uit zulk een geval de bedenkelijkste gevolgen kunnen voortkomen; maar de allezins vreedzame ingezetenen keerden wel bedroefd, maar rustig naar hunne woningen terug. Alleen heeft het die uitwerking, dat er een aanzienlijk getal van de voornaamsten der gemeente tot de Separatisten zijn overgegaan, en wij zien zeer duidelijk den ondergang der Hervormden bij zulk een handelwijs tegemoet.”[1]
„Merkwaardig!” riep vader Beukman uit. „Wij mogen nu ook wel zeggen wat Jozef tot zijne broeders sprak: „Ghijlieden wel, ghij hebt quaedt tegen mij gedacht, doch Godt heeft dat ten goede gedacht opdat hij dede gelijck het te desen dage is om een groot volck in 't leven te behouden.””
„Zoo is het vader,” antwoordde Gerrit. „De menschen zagen nu dat niet de personen, maar de waarheid bij de Hervormdenwordt uitgestooten. En daarom komen nu velen daarheen, waar de waarheid heen gevlucht is, en letten niet meer op de personen.”
„Zoo zal het hier ook gaan,” hernam vader Beukman. „De broeders en zusters mogen door Gods genade de rooving hunner goederen met blijdschap aanzien, en van degenen die buiten staan, worden vele harten tot ons geneigd. Daar heb je de Huiskamps; ze kwamen ons waarschuwen en meteen van jou overgang vertellen. Dat hadden ze van den burgemeester gehoord en die was er woedend om. En toen kwamen ze...”
„Ja,” zei moeder met vrouwelijken takt, „dadelijk had Jannetje hun gezegd: dat moet u ze gaan vertellen. We gaan er Maandagavond eens overloopen.”
„Weten ze dat al?” vroeg Gerrit gespannen.
„Ja zeker,” antwoordde moeder. „Ze vroegen het een paar dagen geleden.”
„Kom!” zei vader, „we zullen nu eindigen. Morgen ochtend kan jij, als de Heere wil, met moeder naarReijmeringergaan, daar komen enkele vrienden samen. We verdeelen het om overal onder het getal te blijven. Dan zijn de vijanden machteloos. En dan ga ik morgenavond. Ik zal nu den 124enPsalm lezen.”
De eerwaardige landman nam den grooten familiebijbel en las eerbiedig en ondanks de Duitsche letters vlot:
„Een lied Hammaälôth, van David: 't en waere de Heere, die bij ons geweest is, segge nu Israël:
't En ware de Heere, die bij ons geweest is, als de menschen tegen ons opstonden:
Doe souden zij ons levendigh verslonden hebben, als haren toorn tegen ons ontstack.
Doe souden ons de wateren overloopen hebben; een stroom soude over onze zielen gegaan hebben.
Doe souden de stoute wateren over onze ziele gegaan zijn.
De Heere sij gelooft, die ons in hare tanden niet en heeft overgegeven tot eenen roof.
Onze ziele is ontkomen als een vogel, uyt den strick der vogelvangers, de strick is gebroken, ende wij zijn ontkomen.
Onze hulpe is in den name des Heeren, die hemel ende aarde gemaeckt heeft.”
Daarna ging hij voor in ootmoedig dankgebed en begaf men zich ter ruste.