VI.

[1]Dat deze heeren goed gezien hebben blijkt uit de volgende cijfers. Bunschoten had in 1907 een bevolking van 2841 inwoners, waarvan 2654 Gereformeerden.VI.Kerstfeest in Nederland.Vroeg en streng was de winter begonnen, en het liet zich niet aanzien dat er spoedig verandering in komen zou. Eerste Kerstdag lichtte vroolijk en helder over het besneeuwde landschap en de bevroren plassen. Doch het was nagenoeg bladstil zoodat de koude niet hinderde, maar weldadig aandeed, de zenuwen staalde en den levenslust verhoogde.Het was een Zondag als 't ware voor feestvieren gemaakt. 't Scheen dat de natuur instemde met het jubellied der gemeente, waarin deze dankend de vleeschwording van haar Hoofd en Middelaar herdacht. „Vrede op aarde!” Die boodschap scheen door de opgaande zon in vurige strepen aan de oosterkim geteekend te worden; ze schitterde in de kristallen van de sneeuwlaag; ze botte uit in het krachtige groengrijze mos onder de boomen, in het goudgele gras op de weilanden; ze klonk zelfs uit den morgengroet, dien de koeien Klaas Beukman tegemoet loeiden, toen hij den stal binnentrad om zijn beesten te verzorgen. Want de geheele wereld is „voor onze oogen als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen,groote en kleine, gelijk letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen, namelijk zijne eeuwige kracht en goddelijkheid.”„Vrede op aarde!” In honderden kerkgebouwen kwamen tienduizenden samen om zich te wiegelen op de zachte kabbeling van leerredenen, waarin hun verteld werd, dat het in de achttienhonderd jaren na Jezus geboorte voortdurend zoo onnoemelijk veel beter geworden was; dat de stikdonkere nacht van de Middeleeuwen, waarin de menschen andersdenkenden verbrandden en radbraakten, nu voor-goed achter ons lag; dat meer verlichte denkbeelden, weldadiger begrippen en menschelijker handelwijzen hadden doen postvatten; dat ieder nu voortaan God naar de inspraak van zijn geweten kon dienen; en dat het nu zoo voortgaan zou: al meer vrede, al minder oorlog, tot eindelijk de geheele aarde één vrederijk zou zijn, en dan...?Dan blijft dat waarschijnlijk wel zoo; want achteruitgang van de redelijke menschheid is ondenkbaar en volmaaktheid is... volmaaktheid.Toch waren er honderden bij honderden—óók goede Christenen—die op dezen vredemorgen meer bepaald werden bij een ander woord, waarin ook van vrede sprake was. Klaas Beukman was de eenige niet, wien de tekst voor de aandacht kwam: „En meynt niet, dat ick gekomen ben om vrede te brengen op de aerde; ick en ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het sweerdt.”Een heel ongepaste tekst op Kerstmorgen! Maar het was Klaas niet euvel te duiden dat hij onwillekeurig aan die woorden dacht, want toen hij in de keuken kwam zaten daar de twee soldaten, gezonden op verzoek vande Synode der Christelijke Kerk, wier leeraren allen den vrede verkondigden; gezonden in naam van den Christelijken koning, die den godsdienstvrede bezworen had; gezonden om zooveel ze vermochten den Christelijken vrede in zijn hart en huis te verstoren.„Zoo, oude jongen!” riep de een; „zal je ons vandaag hier wat te doen geven?”„Ik heb alleen af te wachten wat door u gedaan zal worden,” antwoordde Beukman bedaard.„Kom!” riep de ander; „houd je maar niet zoo van de dommen! Biecht eens gauw op! Komen de Scholtianen vanmorgen hier?”„Hier komt niemand,” hernam Beukman.„Dat is jammer! Zoo'n dag aldoor in huis is lang genoeg! 't Zou een aardige afwisseling wezen om hier de kliek eens uit elkaar te jagen! Waar hokken jullie dan vanmorgen?”„Ik ben niet verplicht u aan te brengen waar de gemeente samenkomt.”„O neen, vrome broeder; bewaar jij je geheim maar! De sergeant zal er wel achter komen, en dan vlieg jullie als witjes!”Klaas Beukman begaf zich, zonder antwoord, naar het vertrek, waar vrouw en kind hem met het ontbijt zaten te wachten.Een uurtje later gingen de beide laatsten naar de woning van den ouderlingReijmeringer, waar een klein gedeelte van de gemeente samenkomen zou.Gedurende de laatste twee maanden had de ijverige predikant Buddingh meermalen vergeefs getracht de gemeentete Loosdrecht te bereiken om daar het heilig Avondmaal te bedienen. Ook een poging, door hem in het nabijgelegen dorpje Kortenhoef aangewend om daar te prediken, was gewelddadig gestuit door politieagenten onder aanvoering van den burgemeester en den hervormden predikant. Buddingh's schuld was het zeker niet, indien eenige gemeente vergeefs op de vervulling van zijn gegeven woord wachtte. Den 1enApril 1836 had hij zijn lidmaatschap van het Hervormd Kerkgenootschap opgezegd en geen zes maanden later was hij reeds voor ongeveer ƒ2000 beboet. Binnen twee jaren zou dat bedrag met proceskosten tot omstreeks ƒ40000 oploopen. Eindelijk werd hij gearresteerd en in de gevangenis gezet, terwijl te Middelburg al zijn huisraad en lijfgoed gerechtelijk verkocht werd, zoo gestreng dat zijn huishoudster met groote moeite een paar kousen wegstopte, opdat hij tenminste iets zou terugvinden, wanneer hij uit de gevangenis ontslagen werd. Maar toen Buddingh dat hoorde, nam hij het zeer kwalijk; hij wilde en mocht geen vervolging ontduiken.Er zou dus door den ouderlingReijmeringereen preek gelezen worden, en wel voor zijn gezin, een zijner nichten die bij hem logeerde, en negen genoodigde leden van de gemeente. Geen enkel artikel van de Nederlandsche wet verbood zulk een samenkomst.Ook bijReijmeringerwas reeds sedert weken een artillerist ingekwartierd. Die nú bij hem woonde was echter pas gekomen, want de gewoonte bracht mee dat de soldaten na twee, drie weken door anderen vervangen werden. Dit had alleen ten doel om het leed te vermeerderen,want men trachtte daardoor te voorkomen dat de soldaten op min of meer vriendschappelijken voet met hun gastheeren zouden komen en zich dus al te betamelijk zouden gaan gedragen.Rustig zat de man zijn pijp te rooken en de binnenkomenden te tellen, dat was zijn plicht.Onverhinderd namen allen plaats. Na opening van de bijeenkomst met gebed, waarbijReijmeringervoorging, werd door dezen Lukas II voorgelezen. Daarna zong de kleine gemeente Psalm XXVII:3. Men gebruikte de berijming van Datheen.„Opdat ick daer magh merken en aenschouwen,Heer, uwes huys seer schoone heerlickheytEn den tempel, vry synde van benouwen,Wel magh alsins doorsien met vrolickheyt.Want als ick sal wezen bezwaert met noot,Ick sal daer verborgen sijn taller tijt,En in een heymelick oort syn bevrydt,En daerna verhooght syn in eeren groot.”Gedurende het gezang verdween de artillerist.De voorlezing van een der leerredenen van Erskine was begonnen. Een der mannen, diaken bij de jeugdige gemeente, ging rond met een busje om de gaven der vergaderden, in 't geheel veertien personen, in te zamelen.Plotseling werd de deur van het vertrek wagenwijd opengeworpen; vier artilleristen marcheerden met dreunenden voetstap naar binnen. Alle vier tegelijk begonnen tierend en vloekend te vragen wat men uitvoerde. Want ze hadden geen geleider en dus geen woordvoerder. De sergeant had hen gezonden, maar was zelf op zijn gemak met een kop koffie en een pijp bij de haard blijvenzitten; hij had zelfs de moeite niet genomen om den korporaal te commandeeren. De mannen wisten zelf wel wat ze doen moesten: de fijnen op straat jagen of gooien, zooals ze verkozen. Dat was een kunst waar geen leiding bij noodig was, en de dienstijver van de manschappen was onverdacht!„Wat voer jij daar uit, ezel!” grauwde een van de mannen tot den diaken. „Centen ophalen? Verboden!” En meteen rukte hij den man het busje uit de hand en keilde het door de kamer, zoodat het rammelend in een hoek bij 't venster terechtkwam.„Sta jij daar te balken?” schreeuwde een ander opReijmeringertoetredend. „Dadelijk stil en daar vandaan! Vooruit!” Met een gevoeligen ribbestoot werd de ouderling van zijn plaats verdreven.„Nou allemaal het gat uit!” „Allo, marsch!” „We zullen je dat gekwezel wel afleeren!” „De heele kamer leeg!” De vier mannen brulden en vloekten om 't hardst.Die niet onmiddellijk aan de ruwe bevelen voldeed, werd „beenen gemaakt.” De een werd bij den kraag gepakt, de ander aan den arm weggesleurd. Allen—uitgenomen de leden van het gezin—waren in een paar minuten op straat gesmeten. Ook de nicht van den huisheer—die natuurlijk meende dat zij tijdelijk tot de huisgenooten behoorde—kreeg bevel om „op te rukken.”„Ik logeer hier,” antwoordde zij.„Dat raakt niet!” schreeuwde de soldaat. „Van logeeren weten we hier niet af! Ga je of ga je niet?” Met die woorden kneep hij haar in den arm, dat ze 't van pijn uitschreeuwde en duwde de arme vrouw naar buiten.Hoeden en overkleeren werden hun, voorzoover men ze dadelijk vinden kon, goedgunstig als oud vuil nageworpen.„Zie zoo, kameraad!” riep een der soldaten, nadat hun heldendaad volbracht was, tot hun achterblijvenden makker. „Nu is je woning weer gezuiverd! Genoegelijk Kerstfeest verder!”De bende verdween. De ingekwartierde soldaat was genadig genoeg omReijmeringersnicht den toegang tot het huis weer te vergunnen. Daarna eischte hij koffie en koek, en morgen versch vleesch, want eindeloos spek en ham stonden hem tegen.Gerrit Beukman en zijn moeder waren veel vroeger weer thuis dan de familie Huiskamp uit de kerk kwam.Daar hadden de menschen een recht stichtelijke preek gehoord. De dominee, die reeds zoo dikwijls het Kerstevangelie behandeld had en niet elk jaar hetzelfde kon zeggen, had ditmaal de aandacht zijner hoorders meer bijzonder bepaald bij Lukas II:7: „En zij baarde haar eerstgeboren zoon, en wond hem in doeken, en legde hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.”VII.Het nieuwste nieuws.Dát had heel wat voeten in de aarde gehad, maar het was eindelijk toch gelukt!Vader en moeder Beukman wilden zoo gaarne dat Gerrit den tweeden Kerstdag 's avonds mee naar de Huiskamp's zou gaan. Gerrit dacht dat hij even graag thuis bleef; maar toch: liefst wilde hij er ook wel heen; hij wist het niet! Indien echter de twee soldaten bleven, zou het te gewaagd zijn om alle drie van huis te gaan.Gelukkig had de burgemeester daar geen zeggen over; anders zou natuurlijk juist dát gebeurd zijn, wat Klaas Beukmannietwilde. De sergeant moest hierin beslissen. En deze was goedgunstig genoeg om de beide soldaten voor dien avond vrijaf te geven. Dat had Beukman waarlijk niet aan eigen verdienste te danken; maar de sergeant hoorde dat het een bezoek bij Hervormden gold, en er was geen reden om leden van de groote Kerk tegen zich in 't harnas te jagen. Daar kwam nog bij dat de burgemeester er tegen was; reden genoeg voor den sergeant om te toonen dathijde baas was. Zoo werd gedurende een uur of drie, vier de inkwartiering en daarmede hetfeitelijke huisarrest geschorst. Het had nog z'n bezwaren, want men moest afwachten hoe de soldaten zouden thuis komen na den geheelen avond in de kroeg gezeten te hebben. Maar daar werd het op gewaagd.Natuurlijk waren de vrienden nauwelijks veilig en rustig bij elkaar gezeten of het gesprek kwam op de gebeurtenissen van den vorigen dag. Want het was bij de onwettige handeling ten huize vanReijmeringerniet gebleven. Op hetzelfde uur waren de vergaderden bij Karsemeijer, den anderen ouderling, op gelijke wijze uiteen gejaagd. Daar hadden de handhavers van wet en orde zich zelfs niet ontzien er met de kolven hunner geweren op in te slaan toen ze niet spoedig genoeg naar hun zin gehoorzaamd werden.„Ik kan toch zoo innig met jullie te doen hebben,” zei vrouw Huiskamp hartelijk; „als ik zie dat je beste van het dorp zoo behandeld worden als dieven en moordenaars. Ik zeg wel tegen Teunis: 't is om bij te huilen!”„Dat mag wel zoo wezen!” antwoordde Klaas Beukman. „Maar er kon wel eens een tijd komen, dat de menschen zullen denken aan wat onze Heiland tot de vrouwen zei:„Ghij dochters van Jeruzalem, en weent niet over mij, maar weent over uselven ende over uwe kinderen!”Want het kon nog wel eens wezen dat er een rechtvaardig oordeel over het land ging en de kandelaar van z'n plaats geweerd werd.”„Ja 't is moeilijk,” zuchtte vader Huiskamp. „Erisnog zooveel goeds in de groote Kerk, en je denkt dan alweer: weten de menschen wel wat hier al zoo gebeurt?”„Och, vriend!” hernam Klaas, „het heele land doorgebeuren zulke dingen en als ik zoo van andere plaatsen lees, dan moet ik zeggen: wij komen er nog al genadig af. De Heere bewaart ons nog voor veel, dat onze broeders en zusters op andere plaatsen te lijden hebben. Ik zou je daarvan kunnen vertellen en voorlezen dat je 't niet eens gelooven zou.”„Voorlezen?” vroeg vrouw Huiskamp.„Ja voorlezen. Er komt tegenwoordig elke maand een tijdschrift voor ons uit. Maar als je dat leest.... ik wist niet dat de vijanden van Gods volk zoo tekeer gingen. Als je dat leest dan versta je wat de psalmist zegt: Uwe wederpartijders hebben in 't midden van uwe vergaderplaatsen gebrult, sij hebben haere teeckenen tot teeckenen gestelt. Een yeder wert er bekent als een die de bijlen omhooge aenbrengt in de dichtigheyt van een geboomte.”„Kijk!” zei Huiskamp; „ik mag er dan al niet glad voorleggen dat de Afgescheidenen heelemaal op den rechten weg zijn; maar ik ben toch ook zóó niet of ik wil er wel wat van hooren.”„Ik heb,” zei Beukman, „die twee stukken die verschenen zijn meegebracht, en als je wou dan....”.... „dan moest Gerrit er een paar berichten uit voorlezen,” vulde moeder Griet heel gevat aan; „dan kan vader z'n pijpje blijven rooken.”Gerrit wist de oogen van allen en voelde die van Jannetje op zich gevestigd; hij waagde het niet haar aan te zien. Zou zij het liefste hèm hooren?„Ik zal dan maar even voorlezen, vader, wat er over dominee Van Raalte instaat,” zei Gerrit, de afleveringendoorbladerende. „O hier is het: Op Zondag den 23enNovember, laat in den avond zijn te Ommen, provincie Overijsel, een en twintig huizen, waarin gescheidenen van het Hervormd Kerkbestuur woonachtig waren, door het gemeen in onstuimige woede aangevallen, en zijn daarin door eene hagelbui van zware keisteenen, waarmede nog den volgenden morgen de weg bezaaid lag, de glazen en een menigte dakpannen vernield. De Eerw. Van Raalte had aldaar dien dag het avondmaal bediend. Voorzooverre wij weten is niemand van de vervolgde gemeente gekwetst geworden. De burgemeester dier plaats heeft geene pogingen aangewend tot stuiting van dat geweld.”„Jongen! jongen! dat is Godgeklaagd!” riep vrouw Huiskamp.„Wie is die dominee Van Raalte?” vroeg haar man.Jannetje zat zwijgend met schitterende oogen Gerrit aan te zien. Hoe dacht zij over het gehoorde?„Nog een jonge man,” antwoordde Gerrit; „ik denk zoo wat zes en twintig jaar; klein van stuk, maar sterk, en iemand die alles aandurft als hij 't maar voor recht houdt. Ik zal je even voorlezen wat er verder met hem gebeurde. „Te Heemse, provincie Overijsel, alwaar de predikant Van Raalte naar den toestand der gemeente onderzocht en lidmaten had aangenomen, zocht, in den avond van Dingsdag den 22stenNovember, l.l. een twintigtal met stokken gewapende mannen Zijn WelEerwaarde, het voornemen te kennen gevende om hem te dooden. De Heere had het echter zoo bestierd, dat ze Z.Eerw. niet vonden, die door de leidinge Gods naar Ane, een buurtschap onder Gramsbergen, vertrokken was. Na ook denvolgenden dag te Gramsbergen en 's avonds te Dedemsvaart gepredikt te hebben, vertrok Z.Eerw. naar Ommen, dezelfde plaats waar wij gemeld hebben dat de huizen der gescheidenen ten getale vanvijfen twintig (nieteenen twintig) vernield zijn. Aldaar werd eene bijeenkomst, waar Z.Eerw. metzeventiengescheidenen tegenwoordig was, door den Vrederegter van die plaats, die iemand beval alarm te slaan en het gepeupel, waaronder de glazeninwerpers waren, te hulp riep, aangevallen. Spoedig drong het gemeen dan ook in het voorhuis, zich aanbiedende om onzen leeraar er uit te halen, maar schoon wederom in vijf huizen de glazen werden ingeworpen, werd het oproer, door denzelfden Vrederegter nog genoegzaam in tijds gestild om verder geweld te voorkomen. In één oogenblik was de aanvaller in eenen beschermer veranderd door Hem, die de harten in zijne hand heeft. In den morgen van Zaterdag daaraanvolgende vertrok Z.Eerw. naar Den Ham, alwaar in tegenwoordigheid van slechts acht à tien personen door Z.Eerw. werd gedoopt. De burgemeester deed daarop Z.Eerw. onder betuiging dat hij geene oproermakers in de gemeente wilde hebben, arresteeren en in eene herberg brengen, alwaar de predikant gelegenheid had om vijanden der waarheid, aldaar tegenwoordig, het Evangelie te verkondigen. Vandaar werd Z.Eerw., door zeven manschappen, gewapend met pieken, naar Ommen getransporteerd, onder het gejuich der groote menigte, waaronder slechts enkele vromen hun beklag deden. In eene herberg gebracht zijnde, riep de Vrederegter aan de dienaren toe: „Breng hem naar de gevangenis!” Bij het uitgaan zocht men Z.Eerw. te latenvallen en wierp Z.Eerw. in een hok, waar nog een gevangene op stroo lag. Daar werd nog een glas ingesmeten waarover de medegevangene van Z.Eerw. een vreeselijk misbaar maakte. Men bracht vervolgens eene wacht op de been, die het aan geene scheldwoorden liet ontbreken, terwijl sommigen daarvan den wensch te kennen gaven, om Z.Eerw. op te hangen en een ander met de verschrikkelijkste verwenschingen beloofde Z.Eerw. te zullen ombrengen, indien hij ooit weder te Ommen kwam. Den volgenden dag des morgens, werd onze leeraar met twee dienaars en wederom vijftien à twintig man, gewapend met pieken, geweren en pistolen, dezelfde personen, die de glazen hadden ingeworpen, te voet zeven uren ver naar Deventer begeleid. Aldaar werd Z.Eerw. in de gevangenis gebragt, maar door den Officier der Regtbank, die Z.Eerw. zeer vriendelijk toesprak en edelmoedig bijstand bood, ontslagen. Zijne Excellentie de gouverneur van Overijsel schijnt zich deze zaak, nadat zich sommigen der gescheidenen daarover bij Z.Exc. beklaagd hebben, aan te trekken, voor het minst zijn thans te Ommen de soldaten bij gescheidenen en niet-gescheidenen ingekwartierd. Het voorgevallene heeft de banden van gemeenschap versterkt, zoowel te Ommen als in de omliggende gemeenten. De gemeente te Ommen, welke sedert reeds wederom door den predikant Van Raalte bezocht is, is dienzelfden dag met drie en twintig personen vermeerderd, die liever met het volk Gods wenschen kwalijk gehandeld te worden, dan voor eenen tijd de genieting der zonde te hebben (Hebr. XI:25).Bij vonnis van de Regtbank van Zwolle, in dato 24November l.l. is onze leeraar Van Raalte veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, omdat Z.Eerw. eenen burgemeester, die de godsdienstoefening stoorde, vermaand en hem onder het oog gebracht had, dat hij zich een vijand van God en van het volk Gods betoonde. Van dat vonnis is, zoo wij ons niet bedriegen, geappelleerd.””Meermalen was Gerrit onder het lezen gestoord door uitroepen van medelijden en verontwaardiging.„Dat had ik nooit kunnen denken!” zei eindelijk met nadruk vader Huiskamp, zijn pijp uitkloppende.„Maar is daar dan niets tegen te doen?” jammerde zijn vrouw.„Wijworden nu eenmaal buiten alle wetten gesteld,” antwoordde Klaas Beukman. „Overal mogen minder dan twintig menschen vrijelijk samenkomen, maarwijniet.”„Neen, dàt hebben we gisteren nog ondervonden!” zuchtte moeder Beukman.„Ik denk haast,” mengde Jannetje zich voor het eerst in het gesprek, „dat de sergeant dat niet geweten heeft, anders zou hij toch...”„Denk dat maar niet, Jannetje,” viel Gerrit haar in de rede. „De burgemeesters doen precies zóó en die kennen de wet toch wèl. En zelfs de nóg hooger-geplaatsten zijn niet beter dan die sergeant. Wat dunkt je anders van deze kennisgeving:„De waarnemende burgemeester; belast met de politie der stad Hattem, brengt ter kennis van de belanghebbenden, welke in hunne huizen verzamelingen vanminderdan twintig personen tot het houden van godsdienstige oefeningen toelaten, dat hem van hooger hand bevelen zijntoegezonden, onder welke bepalingen dezelve zullen gedoogd worden, en zich daarnaar niet gedragende, aan geregtelijke vervolgingen zullen blootstellen.Deze zijn:1. Dat het verboden is:a.Dat in dergelijke vergaderingen gehouden worden, dezelfde of soortgelijke openbare godsdienstoefeningen, als door de erkende Kerkgenootschappen in bepaaldelijk daartoe bestemde gebouwen worden gevierd, en tot welke elk en een iegelijk vreije toegang heeft, waarin een aan den geestelijken stand toegewijd persoon of leeraar, in geestelijk ambtgewaad optreed, om het werk van de Eeredienst of godsdienst te verrigten.b.Het inzamelen van gaven of giften tot instandhouding van hunne oefeningen.c.Het bedienen van sacramenten, van doop, avondmaal, inzegenen van huwelijken, als andersints.d.Het beroepen van leeraren en het benoemen van ouderlingen, diaconen etc. en het houden van categisatien.e.De aanneming van ledematen, en in een woord alles wat maar eenigsints kan gerekend worden tot kerkelijke of eeredienst te behoren of bij de uitoefening voor de eeredienst der erkende en wettige godsdienstige genootschappen gebruikelijk is, en deze vergaderingen zich enkel kunnen en moeten bepalen tot het zoogenaamde oefening houden, waardoor verstaan wordt, dat eenige personen, in meerder of minder getal, doch altijd onder de twintig (tenzij vergunning gevraagd en verleend zal zijn dit getal te boven te gaan) zich te zamen kunnen vereenigen, om in stilte binnen's huis, met gesloten deurenelkander door onderlinge gesprekken, het lezen van den bijbel, van psalmen, gezangen, of andere godsdienstige werken of geschriften, het doen eener verhandeling, of gemeenschappelijke mededeeling en overdenking hunner denkbeelden en gevoelens, over godsdienstige onderwerpen te leeren, te stichten en te oefenen, zonder verder eenige van die daden te verrigten, die hierboven als de kenmerken en eigenschappen eener eeredienst zijn opgegeven.Almede wordt uitdrukkelijk verstaan, dat de zamenkomsten tot het houden van oefeningen, nergens anders mogen plaats hebben, dan binnenshuis in bewoonde en geslotene woningen en geensints in schuren of andere dergelijke gebouwen, als wordende alle openlijkheid der verrigtingen van die zamenkomsten ten ernstigsten verboden.Hattem, den 17 September 1836.De Waarnemend Burgemeester voornoemdW. C. van Braam.””„Neen maar!” zei vrouw Huiskamp, „daar is het eind van weg!”„En,” ging Gerrit voort; „wat volgde er nu op? Den 26enNovember werden er ongeveer vijf en zestig militairen ingelegerd bij de gescheidene gemeente te Hattem, tien derzelve bij den predikant Brummelkamp, zes bij den diaken Geerlings, en zes bij den man, in wiens huis bijeenkomsten gehouden waren.Het huis van Ds. Brummelkamp werd tevens tot een wachthuis gesteld, waar steeds drie manschappen moesten blijven, en een derzelve gedurende den nacht als schildwacht stond. Een der plaatselijke autoriteitenverklaarde aan den predikant, nadat de militairen den 5enDecember weer vertrokken waren, dat deze inlegering had plaats gehad als een lesje tot straf wegens het houden van openbare godsdienstoefening, en dat, indien het weder gebeurde, de straf veel zwaarder zou zijn.Aan een paar leden der gemeente, die zich bij het plaatselijk bestuur tot bekoming van schadevergoeding hebben aangemeld, is verklaard, dat die niet zoude betaald worden. Het plaatselijk bestuur heeft tevens kunnen goedvinden bij een meisje, dat alleen woont en slechts één vertrek heeft, een der militairen in te legeren.”„Wat zal daar nog eens het eind van wezen!” zei Huiskamp, toen Gerrit zijn lectuur geëindigd had. „Want zoo kan het niet voortgaan!”Neen! dàt vroegen en oordeelden tienduizenden in den lande met hem. Maar waar 't ook op uitloopen zou: niemand dacht op Kerstdag 1836, dat het eind nog zóó ver in 't verschiet lag. Nog nooit heeft een vervolger van de gemeente zijn berekening goed gemaakt. Is de uitslag der vervolging volslagen mislukking, dan heeft de vijand van Gods Kerk zichzelf staatkundig en maatschappelijk onherstelbaar benadeeld. Daarvan is Spanje sedert 1578 een voorbeeld. Maar nog erger is het, wanneer de vervolger schijnbaar triomfeert en de poorten der hel naar zijn schatting de gemeente overweldigen. Dat toont Frankrijk sedert 1685 bij den dag meer.Zou Nederland—eens de „Herberg van Gods Kerk”—daaraan zich spiegelen?Op geen der Huiskamp's had het gehoorde dieper indruk gemaakt dan op Jannetje. Ze begon de dingen in eenander licht te beschouwen. Toen Gerrit Beukman naar Bunschoten verhuisde, had ze hem vèr, vèr van zich verwijderd geacht. Wat ze gisteren gezien en vandaag gehoord had, plaatste hem in haar oogen ver boven haar. En naarmate hij hooger steeg, gevoelde zij hem minder ver. Dat iemand zijn kerk verliet, zooals zij het noemde, kon ze nog niet goedkeuren. Doch in elk geval was het geen lichtzinnige stap, en iemand die er zich zulke onheilen door op den hals haalde, toonde daardoor zijn moed en oprechtheid.„Dat komt van die akelige Afscheiding!” had Jannetje eenige maanden geleden gejammerd. Maar nu was haar oordeel zooveel zachter geworden, dat ze treurde: „Ik wou dat die Afscheiding nooit gekomen was!”Op zeer verschillende gronden waren alle belanghebbenden dát met haar eens!VIII.Zwarekerkgang.Dik lag het donzig tapijt van de sneeuw over het landschap, en nog steeds sneeuwde het voort. De felle wind joeg de vlokken heen en weer om ze ten slotte grillig neer te werpen, totdat op sommige plaatsen zooveel opeengehoopt was, dat het verkeer er ernstig door bemoeilijkt werd.Voor de deur van het ouderwetsche, degelijke heerenhuis op de groote, fraaie buitenplaats Postwinkel tusschen Abcoude en Baambrugge stond een logge, stevige koets gereed, bespannen met twee flinke bruine paarden. Dicht ingestopt zat de oude verweerde tuinman als koetsier op den bok. Hij had een langen tocht voor zich.De huisdeur werd geopend om de reizigers uit te laten, die in dit weer een rit gingen maken. Een zonderling drietal trad naar buiten.Voorop ging een dame van ongeveer zestigjarigen leeftijd; een tamelijk lange, stevig-gebouwde vrouw met forsch, bijna mannelijk gelaat, maar dat toch nog enkele sporen van vroegere eigenaardige schoonheid vertoonde. Ze was zeer ouderwetsch, maar deftig en zelfs kostbaargekleed. Toch zaten de kleeren niet sierlijk; zelfs niet net, en van onder den diepen hoed sprongen enkele lokken weerbarstig grijs haar tevoorschijn. Met de rechterhand steunde ze tamelijk zwaar op een sterken wandelstok. Ze was wel niet kreupel, maar liep toch min of meer moeilijk; evenwel zou ze er niet aan denken den arm van eenigen heer aan te nemen, al werd die haar hoffelijk aangeboden, of de hulp van haar gezelschapsjuffrouw in te roepen. Maar Piet, de oude koetsier, die van den bok geklauterd was, mocht haar familiaar onder den linkerarm steunen toen ze het rijtuig insteeg. Want de moeder van Piet was de min van mevrouw geweest, en Piet, die een jaar of zes ouder was dan zijne meesteres, wist zich nog best den tijd te herinneren toen hij haar altijd gewoonweg Jansje noemde. Dat was nu wel van Jansje jongejuffrouw, van jongejuffrouw juffrouw en van juffrouw mevrouw geworden, maar toch..... Piet zei wel eens tot zijn vertrouwde vrienden: „In den grond van de zaak is het toch eigenlijk Piet en Jans gebleven.” En in zekeren zin had hij geen ongelijk.Vlak achter mevrouw Karper kwam een heel ander soort van mensch. Met veel gevoel van eigenwaarde, maar toch met betamelijke voorzichtigheid, omdat de stoep zoo glad was, stapte een man van middelbaren leeftijd naar buiten; een groote, beenige, grof-gespierde man met vierkant hoofd en breede gelaatstrekken. Dat hij geheel in het zwart gekleed was, kon men niet zien, want behalve het hoofd verdween de geheele persoon tot aan de hielen in een kolossale blauw-duffelsche jas, van de soort die kuitendekker of nog juister schanslooper genoemdwordt. De steek, die door jarenlangen dienst van zwart rossig-roodbruin geworden was, kenmerkte hem als predikant. Zoodra hij ingestapt was ging hij zonder complimenten naast mevrouw zitten, waarbij de ruimte in zijn voordeel niet nauwkeurig in twee helften verdeeld werd. Doch de reiskoetsen van dien tijd waren breed genoeg.De derde was een spichtige, magere juffrouw van omstreeks vijf en dertig jaar, die eenvoudig maar goed in 't pak zat en steeds bij mevrouw was, behalve 's nachts. Kamenier was ze niet, want mevrouw hielp altijd zichzelve; gezelschapsjuffrouw was ze evenmin, want mevrouw was bijna nooit zonder gezelschap en de jonge dame sprak zelden een paar woorden; dienstbode kon ze ook niet heeten, want zonder haar was het dienstpersoneel ruim compleet; vriendin was ze nog minder, want op dien voet ging mevrouw niet met haar om. Haar plaats in het gezin werd door mevrouw gewoonlijk aangeduid met de woorden: „zoo iemand om me heen;” en in die positie bewees ze haar meesteres van den morgen tot den avond allerlei diensten, die niet onder woorden te brengen maar voor iemand, die er aan gewend is, onmisbaar zijn. De juffrouw ging tegenover mevrouw zitten, maar had daar volstrekt niet het rijk alleen. Verreweg het grootste gedeelte van de voorbank werd ingenomen door pakjes van allerlei aard, een groote kalebas en een wit smoushondje met blauw lintje om den hals.„Al klaar?” vroeg Piet, die als palfrenier dienst deed, op vertrouwelijken toon.„Ja Piet,” antwoordde mevrouw; „en je weet waarheen.”Piet knikte toestemmend, bonsde het portier dicht, besteegzijn verheven zitplaats en reed den weg op.Het was Zaterdag, de 25eFebruari 1837, namiddags om een uur of drie, toen dit gezelschap den tocht begon naar Loosdrecht, waarheen mevrouw Karper haar vriend dominee Waterman bracht. Deze had een paar dagen bij haar gelogeerd en zou morgen in Loosdrecht preeken. Dat wil zeggen hij zou, als er niets in den weg kwam, voorgaan in een gezelschap van minder dan twintig personen. Mevrouw Karper had besloten dien dienst bij te wonen en dus van Zaterdagavond tot Maandagmorgen te Loosdrecht te blijven. De „iemand om haar heen” werd ongevraagd en ongeweigerd meegenomen; of ze daar pleizier in had kwam niet in aanmerking. Mevrouw zag tegen geen kleinigheid op en was aan beboeting en dergelijke dingen reeds gewend. Daar ze zelve reeds een paar keeren vrijgesproken was door de Rechtbank te Amsterdam, besteedde zij haar rijkdom aan het betalen der boeten van geloofsgenooten, voorzoover ze daarvan te hooren kreeg en de vervolgden van haar tusschenkomst gediend waren, hetgeen lang niet bij allen het geval was. Meermalen was ze ook met inkwartiering gestraft; doch daar was geen aardigheid aan. Haar huis had vertrekken in overvloed, en zij had over schatten te beschikken, zoodat ze het niet in haar zak voelde. Veel praktischer was het om minvermogenden en armen op die wijze uit te zuigen en hun het leven ondragelijk te maken.Mevrouw achtte het echter „een paal boven water” dat ieder die bij haar in huis was even weinig als zijzelf met vrees of zenuwachtigheid behebt was. Derhalve had ze tot juffrouw Rika eenvoudig gezegd: „Kind, we gaanmorgen naar Loosdrecht.” En juffrouw Rika wist dat ze geen keus had.Het huis van mevrouw Karper was een herberg der kerk. Haar zalen zette zij open voor het houden van de verboden godsdienstoefeningen; haar overige vertrekken waren altijd als slaapkamers beschikbaar voor predikanten, die een onderkomen zochten op hun zwerftochten door het land, om de kleine gemeenten onder het kruis te bedienen. Allerlei soort van menschen kwamen op die wijze onder haar dak; slechts op deze voorwaarde: dat ze „voor de waarheid waren,” dat is tot de Afgescheidenen behoorden. De Cock, Van Raalte, Brummelkamp, Van Velzen, Sonne, Buddingh, Scholte, waren onder haar gasten; maar ook mannen als Waterman, die nu juist niet met de bovengenoemden op één lijn konden gesteld worden.De afkomst van Waterman lag geheel in het duister. Als zuigeling van vijf of zes maanden was hij aan het strand van de Zuiderzee gevonden, zonder eenige aanwijzing hoegenaamd, die inlichting omtrent hem verschafte. Daar niemand zeggen kon of het ventje gedoopt was, had men hem, misschien voor de tweede maal, het sacrament des doops toegediend en bij die gelegenheid den passenden naam Mozes gegeven. Tenzelfden dage werd hij met den geslachtsnaam Waterman vereerd. De jongen kon goed genoeg leeren en was predikant geworden. De stijf-orthodoxe visschers, die hem gezamenlijk verzorgd hadden, beleefden genoegen van hun liefdewerk. In beschaving had hij het niet veel verder gebracht dan zijn ruwe, welmeenende pleegouders; ten opzichtevan de leer was hij niet uit hun voetspoor geweken. Nauwelijks openbaarde zich de Scheiding of Waterman sloot zich er bij aan. Over bangheid had hij wel eens hooren spreken; bij ondervinding wist hij echter niet wat dat was. Het kostte hem moeite genoeg zich bedaard te houden wanneer een godsdienstoefening, die hij leidde, door de overheid verstoord werd. Zijn vuisten waren even sterk als gewillig, wanneer „de Geest vaardig over hem werd,” zooals hij dat noemde. De geest, dien hij dan bedoelde, was echter meer die van Datheen dan die van Christus. Hij mocht wel eens een enkelen keer een veldwachter, die hem wat ruw aanpakte, allernadrukkelijkst een duw teruggeven, waarvoor hij dan later met de meeste opgewektheid een paar maanden gevangenisstraf onderging.Moeilijk en langzaam sjouwde het groote rijtuig den bijna onbegaanbaren weg langs, tegen den fellen wind in, die met duizenden sneeuwvlokken Piets oogen verblindde. De reizigers merkten daar echter niet veel van, ze schommelden verder onder tamelijk geregeld gesprek tusschen mevrouw en dominee. Toen het onderhoud wegstierf, liet mevrouw zich door juffrouw Rika de kalebas aanreiken. Daaruit haalde ze drie zure appelen en drie messen tevoorschijn, en bediende ieder der aanzittenden met een stel daarvan.„Ik heb maar een deel van het dessert op reis meegenomen,” lichtte ze toe. „Dun schillen hoor! Anders gaat er zooveel van verloren. Ik kan die dikke schillen niet zien!”Dat bevel was echter gemakkelijker gegeven dan volbracht.„Lust u de appelen niet met schil en al, dominee?”vroeg mevrouw, die het aan 't hart ging haar mooie appelen zoo gekerfd te zien. „Rika is nog jong; bijt jij er zoo maar in, kind; dat doe ik ook. Ik zal de messen maar weer bergen.”Ze voegde de daad bij 't woord, voorzoover twee messen betrof. Maar om dominee Waterman het zijne uit handen te krijgen, voordat hij verkoos het te geven, daar was meer kracht van wil en spieren toe noodig dan zelfs zij bezat.„Ik ben er al mee klaar!” riep deze, het raampje naar beneden latende om de schillen naar buiten te werpen.„Wacht!” riep mevrouw; „er zit nog zooveel in!” Maar het was te laat!Op hetzelfde oogenblik stond de koets stil. Piet kwam naar omlaag, opende het portier en trok met de rechterhand aan de pet, bij wijze van salut.„Mevrouw, daar staan we. We kunnen d'r niet verders door.”„Jawel Piet!” antwoordde mevrouw.„Jawel Piet!” bauwde deze haar na. „Neenmevrouw.Ikkan de bruinen niet verder krijgen!”„Vriend!” zei dominee; „doe dat deurtje weer dicht; daar komt nogal kou binnen.”„Jawel!” hernam Piet verwijtend. „En dan? Als dominee er'reis even uitkwam en een handje hielp, zou hij beter doen!”„Wat moet er dan gebeuren, vriend?” vroeg de dominee.„Dat zullen we dán wel zien,” antwoordde Piet lakoniek.Dominee stapte in de sneeuw.„En de juffrouw d'r ook uit! Mevrouw kan wel blijven zitten.”Een oogenblik later stond de juffrouw naast dominee.„Ga jij nou maar even daar bij dien boom wachten,” sprak Piet beschermend. „En dan zullen wij tweeën 'reis kijken of we dat ding weer aan 't rollen kunnen krijgen. Dominee, als jij nou 'reis even aan de spaken van het achterwiel ging, hè? Ik zeg het nou maar alsof je mijns gelijke was. Dan duw ik de bruinen weer terug.”Na heel wat gehaspel gelukte het eindelijk de wielen van het rijtuig weer uit den sneeuwhoop los te worstelen.„Zoo! Gaan d'r nou maar weer in!” veroorloofde Piet. „Hier, juffie, nou kan je weer op je warme plaatsje gaan zitten, dan gaat Piet maar weer voorop.”„En nu zingen we samen een versje,” zei mevrouw zoodra het rijtuig weer in beweging was.„Psalm 122 vers 1 en 3,” gaf dominee op, en begon onmiddellijk met dreunende stem, zonder te onderzoeken of de beide dames die versjes nu juist wel in de berijming van Datheen van buiten kenden:Soo haest als ick hoore spreken:Welaan, laat ons alle seer saenIn dat huys onses Heeren gaen:Met vreught is mijn hert ontsteken;Dat ons voeten sullen hier naerStaen binnen de poorten eerbaerVan Jerusalem wel gestichtet.Jerusalem is gebouwt vast,En door vrede tsamengepast,En tot een stad Godts fijn gerichtet.Binnen uw mueren wonen sal,Liefde, vrede, met eenigheyt;De huysen en palleysen breytZijn vol van Godts zegening al!Om den wil der broederen mijn,En der vrienden die binnen sijn,Wensch ick u vreed in allen hoecken,Om dat oock Godts Tempel seer reynStaet binnen u mueren niet kleyn,Wil ick steets uwen voorspoet soecken.Een paar broodjes met worst verkortten daarop den tijd. Nog enkele keeren moest dominee even er uit om nieuwe hinderpalen te helpen overwinnen; maar eindelijk tegen vijf uur bereikte de koets behouden en wel, al was het ook een uur te laat, het logement te Loosdrecht.De beide dames bleven daar logeeren; maar dominee werd natuurlijk verwacht en verwelkomd bij den broeder, bij wien aan huis hij den volgenden dag den dienst leiden zou.„En hoe wou jij nu?” vroeg mevrouw aan Piet. „Denk je vanavond nog thuis te komen?”„Daar zal wel een zware wijs op gaan!” zei Piet. „Je komt er altemet niet eens bij dag goed door! Wat denk je van morgen-ochtend, mevrouw?”„Dat is de dag des Heeren, Piet!”„Ja, dat zeg je naar waarheid, mevrouw,” hernam de koetsier, zich verlegen achter het oor krabbend. „En ik ben er ook niet voor; maar aan den anderen kant het zijn onze eigen beesten en ik ben het ook zelf.”„En haal me dan Maandagochtend;” sprak mevrouw, die tegen deze logica niets afdoends wist in te brengen, met hem af.„Zie je, mevrouw,” voegde Piet er nog bij om zijn geweten geheel gerust te stellen; „ik zou wel blijven tot Maandag, maar dat kan nu eenmaal niet van wegens den schimmel en de rest.”IX.Een „schip der Kerk.”De aankomst te Loosdrecht van het rijtuig, waaruit twee dames, een smoushondje en een man met driekanten hoed tevoorschijn kwamen, was niet bijzonder geschikt om de voorgenomen vergadering geheim te houden. Natuurlijk wist binnen vijftien minuten ieder het belangrijk nieuws.Nauwelijks hadden dan ook den volgenden morgen de leden der gemeente in het aangewezen lokaal hun plaatsen ingenomen of de deur werd opengestooten en naar gewoonte traden vier artilleristen binnen, die korte metten maakten. Binnen enkele minuten stonden alle aanwezigen op straat. Gewillig hadden ze op de eerste aanmaning zich verwijderd, maar dat belette niet dat de soldaten hen met duwen en slagen voortdreven. Den dominee werd de tromp van een geweer voorgehouden met de verzekering dat het geladen was en bij het minste verzet stellig gebruikt worden zou.Men was reeds van zins ieder naar zijn eigen huis te gaan, toen de diaken Nicolaas Pos, een van de verdreven vrienden, uitriep: „Broeders en zusters, gaat maar met mij mee!”Allen volgden hun vriend, die den weg insloeg naar de Loosdrechtsche plassen. Ook mevrouw Karper en haar juffrouw gingen mee.Daar lag aan den oever het schip van den diaken. Hij was op de gedachte gekomen om dat voor kerk te gebruiken. Wat van zoo stoute daad ook de gevolgen mochten zijn, men kon in elk geval zeker wezen van een paar rustige uren.Spoedig liepen allen de plank over. Zoodra de laatste aan boord was, staken de eigenaar met zijn knecht en geestverwant van wal.Het was niet gemakkelijk om in de kleine kajuit allen plaats te vinden, maar „waar een wil is, is een weg.” Het benauwde vertrekje was voor de opeengepakte vervolgden, die bijna op elkanders knieën zaten, een voorportaal des hemels. Dominee Waterman kon zich uitnemend in zoo'n toestand schikken; het eenige wat hem hinderde was dat hij zijn stem zoo moest inbinden.In machtelooze woede stond de sergeant aan den oever te vloeken op het gespuis, dat hem zoo slim ontkomen was. Zijn gemoedstoestand werd er niet beter op, toen hij na een korte poos lustig en krachtig over het water hoorde weergalmen: (Ps. 68:5.)Gy verquickt uw volck goedertier,En maekt dat een yegelick dierDaar woont sonder verderven;Uwen kindren deelt gy uw goet,In 't kruys geeft gij hen goeden moet,Sonder troost sy niet sterven;Gij hebt, na uwe goedigheytDen reynen jonckvrouwen bereytEen oorsaeck, soo 't mag blijcken,Om te singen in 't gantsche lant,Als onze vijanden met schantVeltvluchtig moeten wijcken.Toen de dienst afgeloopen was, werden aanstalten gemaakt om weer aan land te gaan.„Geliefden!” vroeg dominee Waterman; „hebben wij het hier niet goed? Gaat het ons niet gelijk de psalmist zegt in Psalm 84:5.Heer, tot wien wij in den noot vlien,Wilt uwen Gesalfden aansien;Want veel beter is slechts een ureIn u huys, dan elders, dit 's klaer,Duysent sijn: beter is oock daerEen wachter te sijn aan de deure,Dan 't is in den palleysen soetDer godtloosen met overvloet.”„Dát hebben we! Dàt is waar!” was het eenparig antwoord.„En waarom,” vroeg de voorganger, „zouden we dan niet samenblijven voor de middag-godsdienstoefening?”Dat woord was uit aller hart gegrepen.Veel mondvoorraad was er niet aan boord; een flink stuk brood en eenige beschuiten, een handvol koffieboonen en een tamelijke hoeveelheid water in het vat. De eigenaar van het scheepje achtte het een eere en voorrecht dien geringen voorraad onder de aanwezige geloofsgenooten te verdeelen, en was slechts met moeite er toe te bewegen om zijn gerechte portie te nemen. Doch deze menschen, die gewoon waren aan het uitschrijven van vastendagen, hadden niet veel behoeften.Het was geen brood der bedruktheid, dat deze volgelingen huns Heeren thans spijzigde. Ze hielden een liefdemaal met zooveel verheffing des harten, dat het kleine groene klaptafeltje met rooden rand in de kajuit hun in een feestdisch veranderd werd.Binnen enkele weken zou de dag komen, waarop dit tafeltje nog hooger historische beteekenis verkrijgen zou; de dag waarop het, met een wit laken bedekt, de beide sacramenten der Christelijke Kerk zou dragen. Dan zou in het nietige kajuitje de predikant Scholte aan twee zuigelingen den heiligen Doop bedienen, en de kleine gemeente daar onder zijn leiding „den dood des Heeren verkondigen totdat hij komt.”„Totdat hij komt!” Is het vreemd dat het vervolgde kuddeke met opgestoken hoofde vroeg: „Hoe lang nog, Heere?”„Nu mogen we nog wel eens een versje samen zingen,” zei mevrouw Karper, die altijd zorgde dat de lofzang niet te lang zweeg.Uit volle borst weerklonk Psalm 138:4:„Als ick door anghst en tegenspoetBen in kleynmoet,Gij mij verquicket;Oock tegen myn wreetste vyantU rechter hantMy hulp toeschicket.Gij zult myn kruys eyndigen hier;Want goedertierZijt gy gestadigh:Het werck uwer handen sult gyVolvoeren vry,o Heer, genadigh.”„Ja,” sprak een der aanwezigen; „wij mogen hier nog ongestoord en van alles wat we noodig hebben voorzien samen nederzitten, en hebben nog niet zooveel van de vervolgingen te lijden;[1]maar ons gebed mag wel dag en nacht opgaan voor de broeders en zusters, die zwaarder beproefd worden. Als je bijvoorbeeld hoort hoe het nu acht dagen vóór Kersttijd in Oosterwolde toegegaan is...!”„Wat is daar gebeurd?” vroegen enkelen.„Daar was,” ging de eerste spreker voort: „door dominee Brummelkamp doop en avondmaal bediend; en onderwijl kwam een veldwachter uit naam van den burgemeester eischen dat allen vertrekken zouden. Maar ze bleven waar ze waren. En 's middags was er weer dienst, die ongestoord kon afloopen. Maar 's avonds kwam een troep militairen het dorp binnenrukken van een officier, vier onderofficieren en zes en twintig mannen. En die werden alle een en dertig ingekwartierd bij mijn neef Klaas Smit, die zijn huis voor de twee godsdienstoefeningenhad gegeven. Ze zijn er langer dan twee weken gebleven, en alle schadevergoeding, waarop hij toch volgens de wet aanspraak had, is geweigerd.”„En wanneer het dan rechtstreeks in het dagelijksch brood voor vrouw en kinderen ingrijpt,” zei daarop moeder Beukman; „dan kan het wel eens donker worden voor de ziel. Daar hebben wij door Gods genade nog geen ondervinding van, maar mijn mans neef Moorhoff te Middelburg heeft dat moeten ondergaan. Die is uit zijn brood gestooten. Hij heeft een certificaat gekregen waar het in ronde woorden in staat. Ik heb hier een afschrift er van, dat hij ons zond. Daar staat: „Ik ondergeteekende verklaar, dat ik mij ten allen tijde bereid houde om ten aanzien van E. Moorhoff, tuinbaas in mijne dienst, de beste getuigenis af te leggen, zoowel ten opzigte van zijne bekwaamheid als van zijn gedrag, en dat hij in die betrekking gedurende 14 jaren bij mijn ouders en 6 jaren bij mij is werkzaam geweest, en dat de reden van zijn vertrek alleenlijk daarin bestaat, dat hij zich van het kerkbestuur heeft afgescheiden.Middelburg, 2 January 1837.J. C. Schorer van de Souburgen.””De verbazing der vrienden was niet zoo groot als hun verontwaardiging. De meesten hunner wisten zelf reeds dergelijke staaltjes van verdraagzaamheid; maar men was niet gewend aan zulke ruiterlijke verklaringen van de vijandschap. Mevrouw Karper nam zich voor deze zaak niet te vergeten. Ze vroeg aan vrouw Beukman eenige nadere bijzonderheden, en vernam toen ook dat KlaasBeukman denkelijk eerstdaags in Amsterdam zou moeten zijn, omdat hij in hooger beroep was gekomen over hem opgelegde boete. Mevrouw rustte niet voordat haar nieuwe vriendin beloofd had, dat haar man op zijn weg daarheen bij mevrouw zou aankomen.Dominee Waterman was er juist de man naar om van de omstandigheden waarin hij zich bevond, zooveel mogelijk partij te trekken. Daarvoor had hij geen wèl-overdachte en nauwkeurig uitgewerkte leerredenen noodig. Hij hield dus de preek, welke voor dien middag bestemd was, achterwege. Zijn ruwe welsprekendheid kon beter tot haar kracht komen door een voor de vuist uitgesproken leerrede over een tekst, die hij thans meer gepast oordeelde.Onmiddellijk na het voorgebed boeide hij zijn hoorders door als zijn onderwerp op te geven Lukas 8:22-25: „Ende het geschiedde in een van die dagen, dat hij in een schip ginck, ende syne discipelen met hem, ende hij seide tot haer, laet ons overvaren aan d' ander syde des meyrs. Ende sij staken af.Ende als sij voeren, viel hij in slaep: ende daer quam een storm van windt op het meyr: ende sij wierden vol waters, ende waren in noodt.Ende sij gingen tot hem, ende weckten hem op, zeggende: Meester, Meester, wij vergaen. Ende hij opgestaen sijnde bestrafte den windt ende de watergolven, ende sij hielden op ende daer wiert stilte.Ende hij seide tot haer: waer is uw geloove? maer sij bevreest sijnde verwonderden haer, seggende tot malkanderen: wie is toch dese, dat hij oock de winden ende het water gebiet, ende sij sijn hem gehoorzaem.”Met gemak en vuur sprak hij langer dan anderhalf uur over dit onderwerp, dat hem zoo rijke stof gaf. Voor zijn hoorders duurde de dienst echter veel te kort.Toen eindelijk het gezelschap weer aan land kwam, stond de veldwachter hen op te wachten. Van allen werden de namen genoteerd; voor ieder hunner zou beboeting volgen. Toch had geen van allen een tittel of jota van de wet overtreden, alleen had dominee gehandeld tegen de uitlegging, welke het laatste koninklijk besluit van de grondwet gaf.Nog denzelfden avond maakte mevrouw Karper kennis met Klaas Beukman, dien ze in zijn huis ging bezoeken.De afspraak, met moeder Grietje gemaakt, werd bekrachtigd. Alleen merkte Klaas op dat misschien een jong vriendinnetje onder zijn geleide naar Amsterdam zou meegaan. Des te aangenamer voor mevrouw, die nooit genoeg gezelschap had naar haar zin.Wèl-voldaan over haar uitstapjekeerdeze den volgenden morgen huiswaarts.

[1]Dat deze heeren goed gezien hebben blijkt uit de volgende cijfers. Bunschoten had in 1907 een bevolking van 2841 inwoners, waarvan 2654 Gereformeerden.

[1]Dat deze heeren goed gezien hebben blijkt uit de volgende cijfers. Bunschoten had in 1907 een bevolking van 2841 inwoners, waarvan 2654 Gereformeerden.

Vroeg en streng was de winter begonnen, en het liet zich niet aanzien dat er spoedig verandering in komen zou. Eerste Kerstdag lichtte vroolijk en helder over het besneeuwde landschap en de bevroren plassen. Doch het was nagenoeg bladstil zoodat de koude niet hinderde, maar weldadig aandeed, de zenuwen staalde en den levenslust verhoogde.

Het was een Zondag als 't ware voor feestvieren gemaakt. 't Scheen dat de natuur instemde met het jubellied der gemeente, waarin deze dankend de vleeschwording van haar Hoofd en Middelaar herdacht. „Vrede op aarde!” Die boodschap scheen door de opgaande zon in vurige strepen aan de oosterkim geteekend te worden; ze schitterde in de kristallen van de sneeuwlaag; ze botte uit in het krachtige groengrijze mos onder de boomen, in het goudgele gras op de weilanden; ze klonk zelfs uit den morgengroet, dien de koeien Klaas Beukman tegemoet loeiden, toen hij den stal binnentrad om zijn beesten te verzorgen. Want de geheele wereld is „voor onze oogen als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen,groote en kleine, gelijk letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen, namelijk zijne eeuwige kracht en goddelijkheid.”

„Vrede op aarde!” In honderden kerkgebouwen kwamen tienduizenden samen om zich te wiegelen op de zachte kabbeling van leerredenen, waarin hun verteld werd, dat het in de achttienhonderd jaren na Jezus geboorte voortdurend zoo onnoemelijk veel beter geworden was; dat de stikdonkere nacht van de Middeleeuwen, waarin de menschen andersdenkenden verbrandden en radbraakten, nu voor-goed achter ons lag; dat meer verlichte denkbeelden, weldadiger begrippen en menschelijker handelwijzen hadden doen postvatten; dat ieder nu voortaan God naar de inspraak van zijn geweten kon dienen; en dat het nu zoo voortgaan zou: al meer vrede, al minder oorlog, tot eindelijk de geheele aarde één vrederijk zou zijn, en dan...?Dan blijft dat waarschijnlijk wel zoo; want achteruitgang van de redelijke menschheid is ondenkbaar en volmaaktheid is... volmaaktheid.

Toch waren er honderden bij honderden—óók goede Christenen—die op dezen vredemorgen meer bepaald werden bij een ander woord, waarin ook van vrede sprake was. Klaas Beukman was de eenige niet, wien de tekst voor de aandacht kwam: „En meynt niet, dat ick gekomen ben om vrede te brengen op de aerde; ick en ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het sweerdt.”

Een heel ongepaste tekst op Kerstmorgen! Maar het was Klaas niet euvel te duiden dat hij onwillekeurig aan die woorden dacht, want toen hij in de keuken kwam zaten daar de twee soldaten, gezonden op verzoek vande Synode der Christelijke Kerk, wier leeraren allen den vrede verkondigden; gezonden in naam van den Christelijken koning, die den godsdienstvrede bezworen had; gezonden om zooveel ze vermochten den Christelijken vrede in zijn hart en huis te verstoren.

„Zoo, oude jongen!” riep de een; „zal je ons vandaag hier wat te doen geven?”

„Ik heb alleen af te wachten wat door u gedaan zal worden,” antwoordde Beukman bedaard.

„Kom!” riep de ander; „houd je maar niet zoo van de dommen! Biecht eens gauw op! Komen de Scholtianen vanmorgen hier?”

„Hier komt niemand,” hernam Beukman.

„Dat is jammer! Zoo'n dag aldoor in huis is lang genoeg! 't Zou een aardige afwisseling wezen om hier de kliek eens uit elkaar te jagen! Waar hokken jullie dan vanmorgen?”

„Ik ben niet verplicht u aan te brengen waar de gemeente samenkomt.”

„O neen, vrome broeder; bewaar jij je geheim maar! De sergeant zal er wel achter komen, en dan vlieg jullie als witjes!”

Klaas Beukman begaf zich, zonder antwoord, naar het vertrek, waar vrouw en kind hem met het ontbijt zaten te wachten.

Een uurtje later gingen de beide laatsten naar de woning van den ouderlingReijmeringer, waar een klein gedeelte van de gemeente samenkomen zou.

Gedurende de laatste twee maanden had de ijverige predikant Buddingh meermalen vergeefs getracht de gemeentete Loosdrecht te bereiken om daar het heilig Avondmaal te bedienen. Ook een poging, door hem in het nabijgelegen dorpje Kortenhoef aangewend om daar te prediken, was gewelddadig gestuit door politieagenten onder aanvoering van den burgemeester en den hervormden predikant. Buddingh's schuld was het zeker niet, indien eenige gemeente vergeefs op de vervulling van zijn gegeven woord wachtte. Den 1enApril 1836 had hij zijn lidmaatschap van het Hervormd Kerkgenootschap opgezegd en geen zes maanden later was hij reeds voor ongeveer ƒ2000 beboet. Binnen twee jaren zou dat bedrag met proceskosten tot omstreeks ƒ40000 oploopen. Eindelijk werd hij gearresteerd en in de gevangenis gezet, terwijl te Middelburg al zijn huisraad en lijfgoed gerechtelijk verkocht werd, zoo gestreng dat zijn huishoudster met groote moeite een paar kousen wegstopte, opdat hij tenminste iets zou terugvinden, wanneer hij uit de gevangenis ontslagen werd. Maar toen Buddingh dat hoorde, nam hij het zeer kwalijk; hij wilde en mocht geen vervolging ontduiken.

Er zou dus door den ouderlingReijmeringereen preek gelezen worden, en wel voor zijn gezin, een zijner nichten die bij hem logeerde, en negen genoodigde leden van de gemeente. Geen enkel artikel van de Nederlandsche wet verbood zulk een samenkomst.

Ook bijReijmeringerwas reeds sedert weken een artillerist ingekwartierd. Die nú bij hem woonde was echter pas gekomen, want de gewoonte bracht mee dat de soldaten na twee, drie weken door anderen vervangen werden. Dit had alleen ten doel om het leed te vermeerderen,want men trachtte daardoor te voorkomen dat de soldaten op min of meer vriendschappelijken voet met hun gastheeren zouden komen en zich dus al te betamelijk zouden gaan gedragen.

Rustig zat de man zijn pijp te rooken en de binnenkomenden te tellen, dat was zijn plicht.

Onverhinderd namen allen plaats. Na opening van de bijeenkomst met gebed, waarbijReijmeringervoorging, werd door dezen Lukas II voorgelezen. Daarna zong de kleine gemeente Psalm XXVII:3. Men gebruikte de berijming van Datheen.

„Opdat ick daer magh merken en aenschouwen,Heer, uwes huys seer schoone heerlickheytEn den tempel, vry synde van benouwen,Wel magh alsins doorsien met vrolickheyt.Want als ick sal wezen bezwaert met noot,Ick sal daer verborgen sijn taller tijt,En in een heymelick oort syn bevrydt,En daerna verhooght syn in eeren groot.”

Gedurende het gezang verdween de artillerist.

De voorlezing van een der leerredenen van Erskine was begonnen. Een der mannen, diaken bij de jeugdige gemeente, ging rond met een busje om de gaven der vergaderden, in 't geheel veertien personen, in te zamelen.

Plotseling werd de deur van het vertrek wagenwijd opengeworpen; vier artilleristen marcheerden met dreunenden voetstap naar binnen. Alle vier tegelijk begonnen tierend en vloekend te vragen wat men uitvoerde. Want ze hadden geen geleider en dus geen woordvoerder. De sergeant had hen gezonden, maar was zelf op zijn gemak met een kop koffie en een pijp bij de haard blijvenzitten; hij had zelfs de moeite niet genomen om den korporaal te commandeeren. De mannen wisten zelf wel wat ze doen moesten: de fijnen op straat jagen of gooien, zooals ze verkozen. Dat was een kunst waar geen leiding bij noodig was, en de dienstijver van de manschappen was onverdacht!

„Wat voer jij daar uit, ezel!” grauwde een van de mannen tot den diaken. „Centen ophalen? Verboden!” En meteen rukte hij den man het busje uit de hand en keilde het door de kamer, zoodat het rammelend in een hoek bij 't venster terechtkwam.

„Sta jij daar te balken?” schreeuwde een ander opReijmeringertoetredend. „Dadelijk stil en daar vandaan! Vooruit!” Met een gevoeligen ribbestoot werd de ouderling van zijn plaats verdreven.

„Nou allemaal het gat uit!” „Allo, marsch!” „We zullen je dat gekwezel wel afleeren!” „De heele kamer leeg!” De vier mannen brulden en vloekten om 't hardst.

Die niet onmiddellijk aan de ruwe bevelen voldeed, werd „beenen gemaakt.” De een werd bij den kraag gepakt, de ander aan den arm weggesleurd. Allen—uitgenomen de leden van het gezin—waren in een paar minuten op straat gesmeten. Ook de nicht van den huisheer—die natuurlijk meende dat zij tijdelijk tot de huisgenooten behoorde—kreeg bevel om „op te rukken.”

„Ik logeer hier,” antwoordde zij.

„Dat raakt niet!” schreeuwde de soldaat. „Van logeeren weten we hier niet af! Ga je of ga je niet?” Met die woorden kneep hij haar in den arm, dat ze 't van pijn uitschreeuwde en duwde de arme vrouw naar buiten.

Hoeden en overkleeren werden hun, voorzoover men ze dadelijk vinden kon, goedgunstig als oud vuil nageworpen.

„Zie zoo, kameraad!” riep een der soldaten, nadat hun heldendaad volbracht was, tot hun achterblijvenden makker. „Nu is je woning weer gezuiverd! Genoegelijk Kerstfeest verder!”

De bende verdween. De ingekwartierde soldaat was genadig genoeg omReijmeringersnicht den toegang tot het huis weer te vergunnen. Daarna eischte hij koffie en koek, en morgen versch vleesch, want eindeloos spek en ham stonden hem tegen.

Gerrit Beukman en zijn moeder waren veel vroeger weer thuis dan de familie Huiskamp uit de kerk kwam.

Daar hadden de menschen een recht stichtelijke preek gehoord. De dominee, die reeds zoo dikwijls het Kerstevangelie behandeld had en niet elk jaar hetzelfde kon zeggen, had ditmaal de aandacht zijner hoorders meer bijzonder bepaald bij Lukas II:7: „En zij baarde haar eerstgeboren zoon, en wond hem in doeken, en legde hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.”

Dát had heel wat voeten in de aarde gehad, maar het was eindelijk toch gelukt!

Vader en moeder Beukman wilden zoo gaarne dat Gerrit den tweeden Kerstdag 's avonds mee naar de Huiskamp's zou gaan. Gerrit dacht dat hij even graag thuis bleef; maar toch: liefst wilde hij er ook wel heen; hij wist het niet! Indien echter de twee soldaten bleven, zou het te gewaagd zijn om alle drie van huis te gaan.

Gelukkig had de burgemeester daar geen zeggen over; anders zou natuurlijk juist dát gebeurd zijn, wat Klaas Beukmannietwilde. De sergeant moest hierin beslissen. En deze was goedgunstig genoeg om de beide soldaten voor dien avond vrijaf te geven. Dat had Beukman waarlijk niet aan eigen verdienste te danken; maar de sergeant hoorde dat het een bezoek bij Hervormden gold, en er was geen reden om leden van de groote Kerk tegen zich in 't harnas te jagen. Daar kwam nog bij dat de burgemeester er tegen was; reden genoeg voor den sergeant om te toonen dathijde baas was. Zoo werd gedurende een uur of drie, vier de inkwartiering en daarmede hetfeitelijke huisarrest geschorst. Het had nog z'n bezwaren, want men moest afwachten hoe de soldaten zouden thuis komen na den geheelen avond in de kroeg gezeten te hebben. Maar daar werd het op gewaagd.

Natuurlijk waren de vrienden nauwelijks veilig en rustig bij elkaar gezeten of het gesprek kwam op de gebeurtenissen van den vorigen dag. Want het was bij de onwettige handeling ten huize vanReijmeringerniet gebleven. Op hetzelfde uur waren de vergaderden bij Karsemeijer, den anderen ouderling, op gelijke wijze uiteen gejaagd. Daar hadden de handhavers van wet en orde zich zelfs niet ontzien er met de kolven hunner geweren op in te slaan toen ze niet spoedig genoeg naar hun zin gehoorzaamd werden.

„Ik kan toch zoo innig met jullie te doen hebben,” zei vrouw Huiskamp hartelijk; „als ik zie dat je beste van het dorp zoo behandeld worden als dieven en moordenaars. Ik zeg wel tegen Teunis: 't is om bij te huilen!”

„Dat mag wel zoo wezen!” antwoordde Klaas Beukman. „Maar er kon wel eens een tijd komen, dat de menschen zullen denken aan wat onze Heiland tot de vrouwen zei:„Ghij dochters van Jeruzalem, en weent niet over mij, maar weent over uselven ende over uwe kinderen!”Want het kon nog wel eens wezen dat er een rechtvaardig oordeel over het land ging en de kandelaar van z'n plaats geweerd werd.”

„Ja 't is moeilijk,” zuchtte vader Huiskamp. „Erisnog zooveel goeds in de groote Kerk, en je denkt dan alweer: weten de menschen wel wat hier al zoo gebeurt?”

„Och, vriend!” hernam Klaas, „het heele land doorgebeuren zulke dingen en als ik zoo van andere plaatsen lees, dan moet ik zeggen: wij komen er nog al genadig af. De Heere bewaart ons nog voor veel, dat onze broeders en zusters op andere plaatsen te lijden hebben. Ik zou je daarvan kunnen vertellen en voorlezen dat je 't niet eens gelooven zou.”

„Voorlezen?” vroeg vrouw Huiskamp.

„Ja voorlezen. Er komt tegenwoordig elke maand een tijdschrift voor ons uit. Maar als je dat leest.... ik wist niet dat de vijanden van Gods volk zoo tekeer gingen. Als je dat leest dan versta je wat de psalmist zegt: Uwe wederpartijders hebben in 't midden van uwe vergaderplaatsen gebrult, sij hebben haere teeckenen tot teeckenen gestelt. Een yeder wert er bekent als een die de bijlen omhooge aenbrengt in de dichtigheyt van een geboomte.”

„Kijk!” zei Huiskamp; „ik mag er dan al niet glad voorleggen dat de Afgescheidenen heelemaal op den rechten weg zijn; maar ik ben toch ook zóó niet of ik wil er wel wat van hooren.”

„Ik heb,” zei Beukman, „die twee stukken die verschenen zijn meegebracht, en als je wou dan....”

.... „dan moest Gerrit er een paar berichten uit voorlezen,” vulde moeder Griet heel gevat aan; „dan kan vader z'n pijpje blijven rooken.”

Gerrit wist de oogen van allen en voelde die van Jannetje op zich gevestigd; hij waagde het niet haar aan te zien. Zou zij het liefste hèm hooren?

„Ik zal dan maar even voorlezen, vader, wat er over dominee Van Raalte instaat,” zei Gerrit, de afleveringendoorbladerende. „O hier is het: Op Zondag den 23enNovember, laat in den avond zijn te Ommen, provincie Overijsel, een en twintig huizen, waarin gescheidenen van het Hervormd Kerkbestuur woonachtig waren, door het gemeen in onstuimige woede aangevallen, en zijn daarin door eene hagelbui van zware keisteenen, waarmede nog den volgenden morgen de weg bezaaid lag, de glazen en een menigte dakpannen vernield. De Eerw. Van Raalte had aldaar dien dag het avondmaal bediend. Voorzooverre wij weten is niemand van de vervolgde gemeente gekwetst geworden. De burgemeester dier plaats heeft geene pogingen aangewend tot stuiting van dat geweld.”

„Jongen! jongen! dat is Godgeklaagd!” riep vrouw Huiskamp.

„Wie is die dominee Van Raalte?” vroeg haar man.

Jannetje zat zwijgend met schitterende oogen Gerrit aan te zien. Hoe dacht zij over het gehoorde?

„Nog een jonge man,” antwoordde Gerrit; „ik denk zoo wat zes en twintig jaar; klein van stuk, maar sterk, en iemand die alles aandurft als hij 't maar voor recht houdt. Ik zal je even voorlezen wat er verder met hem gebeurde. „Te Heemse, provincie Overijsel, alwaar de predikant Van Raalte naar den toestand der gemeente onderzocht en lidmaten had aangenomen, zocht, in den avond van Dingsdag den 22stenNovember, l.l. een twintigtal met stokken gewapende mannen Zijn WelEerwaarde, het voornemen te kennen gevende om hem te dooden. De Heere had het echter zoo bestierd, dat ze Z.Eerw. niet vonden, die door de leidinge Gods naar Ane, een buurtschap onder Gramsbergen, vertrokken was. Na ook denvolgenden dag te Gramsbergen en 's avonds te Dedemsvaart gepredikt te hebben, vertrok Z.Eerw. naar Ommen, dezelfde plaats waar wij gemeld hebben dat de huizen der gescheidenen ten getale vanvijfen twintig (nieteenen twintig) vernield zijn. Aldaar werd eene bijeenkomst, waar Z.Eerw. metzeventiengescheidenen tegenwoordig was, door den Vrederegter van die plaats, die iemand beval alarm te slaan en het gepeupel, waaronder de glazeninwerpers waren, te hulp riep, aangevallen. Spoedig drong het gemeen dan ook in het voorhuis, zich aanbiedende om onzen leeraar er uit te halen, maar schoon wederom in vijf huizen de glazen werden ingeworpen, werd het oproer, door denzelfden Vrederegter nog genoegzaam in tijds gestild om verder geweld te voorkomen. In één oogenblik was de aanvaller in eenen beschermer veranderd door Hem, die de harten in zijne hand heeft. In den morgen van Zaterdag daaraanvolgende vertrok Z.Eerw. naar Den Ham, alwaar in tegenwoordigheid van slechts acht à tien personen door Z.Eerw. werd gedoopt. De burgemeester deed daarop Z.Eerw. onder betuiging dat hij geene oproermakers in de gemeente wilde hebben, arresteeren en in eene herberg brengen, alwaar de predikant gelegenheid had om vijanden der waarheid, aldaar tegenwoordig, het Evangelie te verkondigen. Vandaar werd Z.Eerw., door zeven manschappen, gewapend met pieken, naar Ommen getransporteerd, onder het gejuich der groote menigte, waaronder slechts enkele vromen hun beklag deden. In eene herberg gebracht zijnde, riep de Vrederegter aan de dienaren toe: „Breng hem naar de gevangenis!” Bij het uitgaan zocht men Z.Eerw. te latenvallen en wierp Z.Eerw. in een hok, waar nog een gevangene op stroo lag. Daar werd nog een glas ingesmeten waarover de medegevangene van Z.Eerw. een vreeselijk misbaar maakte. Men bracht vervolgens eene wacht op de been, die het aan geene scheldwoorden liet ontbreken, terwijl sommigen daarvan den wensch te kennen gaven, om Z.Eerw. op te hangen en een ander met de verschrikkelijkste verwenschingen beloofde Z.Eerw. te zullen ombrengen, indien hij ooit weder te Ommen kwam. Den volgenden dag des morgens, werd onze leeraar met twee dienaars en wederom vijftien à twintig man, gewapend met pieken, geweren en pistolen, dezelfde personen, die de glazen hadden ingeworpen, te voet zeven uren ver naar Deventer begeleid. Aldaar werd Z.Eerw. in de gevangenis gebragt, maar door den Officier der Regtbank, die Z.Eerw. zeer vriendelijk toesprak en edelmoedig bijstand bood, ontslagen. Zijne Excellentie de gouverneur van Overijsel schijnt zich deze zaak, nadat zich sommigen der gescheidenen daarover bij Z.Exc. beklaagd hebben, aan te trekken, voor het minst zijn thans te Ommen de soldaten bij gescheidenen en niet-gescheidenen ingekwartierd. Het voorgevallene heeft de banden van gemeenschap versterkt, zoowel te Ommen als in de omliggende gemeenten. De gemeente te Ommen, welke sedert reeds wederom door den predikant Van Raalte bezocht is, is dienzelfden dag met drie en twintig personen vermeerderd, die liever met het volk Gods wenschen kwalijk gehandeld te worden, dan voor eenen tijd de genieting der zonde te hebben (Hebr. XI:25).

Bij vonnis van de Regtbank van Zwolle, in dato 24November l.l. is onze leeraar Van Raalte veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, omdat Z.Eerw. eenen burgemeester, die de godsdienstoefening stoorde, vermaand en hem onder het oog gebracht had, dat hij zich een vijand van God en van het volk Gods betoonde. Van dat vonnis is, zoo wij ons niet bedriegen, geappelleerd.””

Meermalen was Gerrit onder het lezen gestoord door uitroepen van medelijden en verontwaardiging.

„Dat had ik nooit kunnen denken!” zei eindelijk met nadruk vader Huiskamp, zijn pijp uitkloppende.

„Maar is daar dan niets tegen te doen?” jammerde zijn vrouw.

„Wijworden nu eenmaal buiten alle wetten gesteld,” antwoordde Klaas Beukman. „Overal mogen minder dan twintig menschen vrijelijk samenkomen, maarwijniet.”

„Neen, dàt hebben we gisteren nog ondervonden!” zuchtte moeder Beukman.

„Ik denk haast,” mengde Jannetje zich voor het eerst in het gesprek, „dat de sergeant dat niet geweten heeft, anders zou hij toch...”

„Denk dat maar niet, Jannetje,” viel Gerrit haar in de rede. „De burgemeesters doen precies zóó en die kennen de wet toch wèl. En zelfs de nóg hooger-geplaatsten zijn niet beter dan die sergeant. Wat dunkt je anders van deze kennisgeving:

„De waarnemende burgemeester; belast met de politie der stad Hattem, brengt ter kennis van de belanghebbenden, welke in hunne huizen verzamelingen vanminderdan twintig personen tot het houden van godsdienstige oefeningen toelaten, dat hem van hooger hand bevelen zijntoegezonden, onder welke bepalingen dezelve zullen gedoogd worden, en zich daarnaar niet gedragende, aan geregtelijke vervolgingen zullen blootstellen.

Deze zijn:

1. Dat het verboden is:

a.Dat in dergelijke vergaderingen gehouden worden, dezelfde of soortgelijke openbare godsdienstoefeningen, als door de erkende Kerkgenootschappen in bepaaldelijk daartoe bestemde gebouwen worden gevierd, en tot welke elk en een iegelijk vreije toegang heeft, waarin een aan den geestelijken stand toegewijd persoon of leeraar, in geestelijk ambtgewaad optreed, om het werk van de Eeredienst of godsdienst te verrigten.

b.Het inzamelen van gaven of giften tot instandhouding van hunne oefeningen.

c.Het bedienen van sacramenten, van doop, avondmaal, inzegenen van huwelijken, als andersints.

d.Het beroepen van leeraren en het benoemen van ouderlingen, diaconen etc. en het houden van categisatien.

e.De aanneming van ledematen, en in een woord alles wat maar eenigsints kan gerekend worden tot kerkelijke of eeredienst te behoren of bij de uitoefening voor de eeredienst der erkende en wettige godsdienstige genootschappen gebruikelijk is, en deze vergaderingen zich enkel kunnen en moeten bepalen tot het zoogenaamde oefening houden, waardoor verstaan wordt, dat eenige personen, in meerder of minder getal, doch altijd onder de twintig (tenzij vergunning gevraagd en verleend zal zijn dit getal te boven te gaan) zich te zamen kunnen vereenigen, om in stilte binnen's huis, met gesloten deurenelkander door onderlinge gesprekken, het lezen van den bijbel, van psalmen, gezangen, of andere godsdienstige werken of geschriften, het doen eener verhandeling, of gemeenschappelijke mededeeling en overdenking hunner denkbeelden en gevoelens, over godsdienstige onderwerpen te leeren, te stichten en te oefenen, zonder verder eenige van die daden te verrigten, die hierboven als de kenmerken en eigenschappen eener eeredienst zijn opgegeven.

Almede wordt uitdrukkelijk verstaan, dat de zamenkomsten tot het houden van oefeningen, nergens anders mogen plaats hebben, dan binnenshuis in bewoonde en geslotene woningen en geensints in schuren of andere dergelijke gebouwen, als wordende alle openlijkheid der verrigtingen van die zamenkomsten ten ernstigsten verboden.

Hattem, den 17 September 1836.De Waarnemend Burgemeester voornoemdW. C. van Braam.””

„Neen maar!” zei vrouw Huiskamp, „daar is het eind van weg!”

„En,” ging Gerrit voort; „wat volgde er nu op? Den 26enNovember werden er ongeveer vijf en zestig militairen ingelegerd bij de gescheidene gemeente te Hattem, tien derzelve bij den predikant Brummelkamp, zes bij den diaken Geerlings, en zes bij den man, in wiens huis bijeenkomsten gehouden waren.

Het huis van Ds. Brummelkamp werd tevens tot een wachthuis gesteld, waar steeds drie manschappen moesten blijven, en een derzelve gedurende den nacht als schildwacht stond. Een der plaatselijke autoriteitenverklaarde aan den predikant, nadat de militairen den 5enDecember weer vertrokken waren, dat deze inlegering had plaats gehad als een lesje tot straf wegens het houden van openbare godsdienstoefening, en dat, indien het weder gebeurde, de straf veel zwaarder zou zijn.

Aan een paar leden der gemeente, die zich bij het plaatselijk bestuur tot bekoming van schadevergoeding hebben aangemeld, is verklaard, dat die niet zoude betaald worden. Het plaatselijk bestuur heeft tevens kunnen goedvinden bij een meisje, dat alleen woont en slechts één vertrek heeft, een der militairen in te legeren.”

„Wat zal daar nog eens het eind van wezen!” zei Huiskamp, toen Gerrit zijn lectuur geëindigd had. „Want zoo kan het niet voortgaan!”

Neen! dàt vroegen en oordeelden tienduizenden in den lande met hem. Maar waar 't ook op uitloopen zou: niemand dacht op Kerstdag 1836, dat het eind nog zóó ver in 't verschiet lag. Nog nooit heeft een vervolger van de gemeente zijn berekening goed gemaakt. Is de uitslag der vervolging volslagen mislukking, dan heeft de vijand van Gods Kerk zichzelf staatkundig en maatschappelijk onherstelbaar benadeeld. Daarvan is Spanje sedert 1578 een voorbeeld. Maar nog erger is het, wanneer de vervolger schijnbaar triomfeert en de poorten der hel naar zijn schatting de gemeente overweldigen. Dat toont Frankrijk sedert 1685 bij den dag meer.

Zou Nederland—eens de „Herberg van Gods Kerk”—daaraan zich spiegelen?

Op geen der Huiskamp's had het gehoorde dieper indruk gemaakt dan op Jannetje. Ze begon de dingen in eenander licht te beschouwen. Toen Gerrit Beukman naar Bunschoten verhuisde, had ze hem vèr, vèr van zich verwijderd geacht. Wat ze gisteren gezien en vandaag gehoord had, plaatste hem in haar oogen ver boven haar. En naarmate hij hooger steeg, gevoelde zij hem minder ver. Dat iemand zijn kerk verliet, zooals zij het noemde, kon ze nog niet goedkeuren. Doch in elk geval was het geen lichtzinnige stap, en iemand die er zich zulke onheilen door op den hals haalde, toonde daardoor zijn moed en oprechtheid.

„Dat komt van die akelige Afscheiding!” had Jannetje eenige maanden geleden gejammerd. Maar nu was haar oordeel zooveel zachter geworden, dat ze treurde: „Ik wou dat die Afscheiding nooit gekomen was!”

Op zeer verschillende gronden waren alle belanghebbenden dát met haar eens!

Dik lag het donzig tapijt van de sneeuw over het landschap, en nog steeds sneeuwde het voort. De felle wind joeg de vlokken heen en weer om ze ten slotte grillig neer te werpen, totdat op sommige plaatsen zooveel opeengehoopt was, dat het verkeer er ernstig door bemoeilijkt werd.

Voor de deur van het ouderwetsche, degelijke heerenhuis op de groote, fraaie buitenplaats Postwinkel tusschen Abcoude en Baambrugge stond een logge, stevige koets gereed, bespannen met twee flinke bruine paarden. Dicht ingestopt zat de oude verweerde tuinman als koetsier op den bok. Hij had een langen tocht voor zich.

De huisdeur werd geopend om de reizigers uit te laten, die in dit weer een rit gingen maken. Een zonderling drietal trad naar buiten.

Voorop ging een dame van ongeveer zestigjarigen leeftijd; een tamelijk lange, stevig-gebouwde vrouw met forsch, bijna mannelijk gelaat, maar dat toch nog enkele sporen van vroegere eigenaardige schoonheid vertoonde. Ze was zeer ouderwetsch, maar deftig en zelfs kostbaargekleed. Toch zaten de kleeren niet sierlijk; zelfs niet net, en van onder den diepen hoed sprongen enkele lokken weerbarstig grijs haar tevoorschijn. Met de rechterhand steunde ze tamelijk zwaar op een sterken wandelstok. Ze was wel niet kreupel, maar liep toch min of meer moeilijk; evenwel zou ze er niet aan denken den arm van eenigen heer aan te nemen, al werd die haar hoffelijk aangeboden, of de hulp van haar gezelschapsjuffrouw in te roepen. Maar Piet, de oude koetsier, die van den bok geklauterd was, mocht haar familiaar onder den linkerarm steunen toen ze het rijtuig insteeg. Want de moeder van Piet was de min van mevrouw geweest, en Piet, die een jaar of zes ouder was dan zijne meesteres, wist zich nog best den tijd te herinneren toen hij haar altijd gewoonweg Jansje noemde. Dat was nu wel van Jansje jongejuffrouw, van jongejuffrouw juffrouw en van juffrouw mevrouw geworden, maar toch..... Piet zei wel eens tot zijn vertrouwde vrienden: „In den grond van de zaak is het toch eigenlijk Piet en Jans gebleven.” En in zekeren zin had hij geen ongelijk.

Vlak achter mevrouw Karper kwam een heel ander soort van mensch. Met veel gevoel van eigenwaarde, maar toch met betamelijke voorzichtigheid, omdat de stoep zoo glad was, stapte een man van middelbaren leeftijd naar buiten; een groote, beenige, grof-gespierde man met vierkant hoofd en breede gelaatstrekken. Dat hij geheel in het zwart gekleed was, kon men niet zien, want behalve het hoofd verdween de geheele persoon tot aan de hielen in een kolossale blauw-duffelsche jas, van de soort die kuitendekker of nog juister schanslooper genoemdwordt. De steek, die door jarenlangen dienst van zwart rossig-roodbruin geworden was, kenmerkte hem als predikant. Zoodra hij ingestapt was ging hij zonder complimenten naast mevrouw zitten, waarbij de ruimte in zijn voordeel niet nauwkeurig in twee helften verdeeld werd. Doch de reiskoetsen van dien tijd waren breed genoeg.

De derde was een spichtige, magere juffrouw van omstreeks vijf en dertig jaar, die eenvoudig maar goed in 't pak zat en steeds bij mevrouw was, behalve 's nachts. Kamenier was ze niet, want mevrouw hielp altijd zichzelve; gezelschapsjuffrouw was ze evenmin, want mevrouw was bijna nooit zonder gezelschap en de jonge dame sprak zelden een paar woorden; dienstbode kon ze ook niet heeten, want zonder haar was het dienstpersoneel ruim compleet; vriendin was ze nog minder, want op dien voet ging mevrouw niet met haar om. Haar plaats in het gezin werd door mevrouw gewoonlijk aangeduid met de woorden: „zoo iemand om me heen;” en in die positie bewees ze haar meesteres van den morgen tot den avond allerlei diensten, die niet onder woorden te brengen maar voor iemand, die er aan gewend is, onmisbaar zijn. De juffrouw ging tegenover mevrouw zitten, maar had daar volstrekt niet het rijk alleen. Verreweg het grootste gedeelte van de voorbank werd ingenomen door pakjes van allerlei aard, een groote kalebas en een wit smoushondje met blauw lintje om den hals.

„Al klaar?” vroeg Piet, die als palfrenier dienst deed, op vertrouwelijken toon.

„Ja Piet,” antwoordde mevrouw; „en je weet waarheen.”

Piet knikte toestemmend, bonsde het portier dicht, besteegzijn verheven zitplaats en reed den weg op.

Het was Zaterdag, de 25eFebruari 1837, namiddags om een uur of drie, toen dit gezelschap den tocht begon naar Loosdrecht, waarheen mevrouw Karper haar vriend dominee Waterman bracht. Deze had een paar dagen bij haar gelogeerd en zou morgen in Loosdrecht preeken. Dat wil zeggen hij zou, als er niets in den weg kwam, voorgaan in een gezelschap van minder dan twintig personen. Mevrouw Karper had besloten dien dienst bij te wonen en dus van Zaterdagavond tot Maandagmorgen te Loosdrecht te blijven. De „iemand om haar heen” werd ongevraagd en ongeweigerd meegenomen; of ze daar pleizier in had kwam niet in aanmerking. Mevrouw zag tegen geen kleinigheid op en was aan beboeting en dergelijke dingen reeds gewend. Daar ze zelve reeds een paar keeren vrijgesproken was door de Rechtbank te Amsterdam, besteedde zij haar rijkdom aan het betalen der boeten van geloofsgenooten, voorzoover ze daarvan te hooren kreeg en de vervolgden van haar tusschenkomst gediend waren, hetgeen lang niet bij allen het geval was. Meermalen was ze ook met inkwartiering gestraft; doch daar was geen aardigheid aan. Haar huis had vertrekken in overvloed, en zij had over schatten te beschikken, zoodat ze het niet in haar zak voelde. Veel praktischer was het om minvermogenden en armen op die wijze uit te zuigen en hun het leven ondragelijk te maken.

Mevrouw achtte het echter „een paal boven water” dat ieder die bij haar in huis was even weinig als zijzelf met vrees of zenuwachtigheid behebt was. Derhalve had ze tot juffrouw Rika eenvoudig gezegd: „Kind, we gaanmorgen naar Loosdrecht.” En juffrouw Rika wist dat ze geen keus had.

Het huis van mevrouw Karper was een herberg der kerk. Haar zalen zette zij open voor het houden van de verboden godsdienstoefeningen; haar overige vertrekken waren altijd als slaapkamers beschikbaar voor predikanten, die een onderkomen zochten op hun zwerftochten door het land, om de kleine gemeenten onder het kruis te bedienen. Allerlei soort van menschen kwamen op die wijze onder haar dak; slechts op deze voorwaarde: dat ze „voor de waarheid waren,” dat is tot de Afgescheidenen behoorden. De Cock, Van Raalte, Brummelkamp, Van Velzen, Sonne, Buddingh, Scholte, waren onder haar gasten; maar ook mannen als Waterman, die nu juist niet met de bovengenoemden op één lijn konden gesteld worden.

De afkomst van Waterman lag geheel in het duister. Als zuigeling van vijf of zes maanden was hij aan het strand van de Zuiderzee gevonden, zonder eenige aanwijzing hoegenaamd, die inlichting omtrent hem verschafte. Daar niemand zeggen kon of het ventje gedoopt was, had men hem, misschien voor de tweede maal, het sacrament des doops toegediend en bij die gelegenheid den passenden naam Mozes gegeven. Tenzelfden dage werd hij met den geslachtsnaam Waterman vereerd. De jongen kon goed genoeg leeren en was predikant geworden. De stijf-orthodoxe visschers, die hem gezamenlijk verzorgd hadden, beleefden genoegen van hun liefdewerk. In beschaving had hij het niet veel verder gebracht dan zijn ruwe, welmeenende pleegouders; ten opzichtevan de leer was hij niet uit hun voetspoor geweken. Nauwelijks openbaarde zich de Scheiding of Waterman sloot zich er bij aan. Over bangheid had hij wel eens hooren spreken; bij ondervinding wist hij echter niet wat dat was. Het kostte hem moeite genoeg zich bedaard te houden wanneer een godsdienstoefening, die hij leidde, door de overheid verstoord werd. Zijn vuisten waren even sterk als gewillig, wanneer „de Geest vaardig over hem werd,” zooals hij dat noemde. De geest, dien hij dan bedoelde, was echter meer die van Datheen dan die van Christus. Hij mocht wel eens een enkelen keer een veldwachter, die hem wat ruw aanpakte, allernadrukkelijkst een duw teruggeven, waarvoor hij dan later met de meeste opgewektheid een paar maanden gevangenisstraf onderging.

Moeilijk en langzaam sjouwde het groote rijtuig den bijna onbegaanbaren weg langs, tegen den fellen wind in, die met duizenden sneeuwvlokken Piets oogen verblindde. De reizigers merkten daar echter niet veel van, ze schommelden verder onder tamelijk geregeld gesprek tusschen mevrouw en dominee. Toen het onderhoud wegstierf, liet mevrouw zich door juffrouw Rika de kalebas aanreiken. Daaruit haalde ze drie zure appelen en drie messen tevoorschijn, en bediende ieder der aanzittenden met een stel daarvan.

„Ik heb maar een deel van het dessert op reis meegenomen,” lichtte ze toe. „Dun schillen hoor! Anders gaat er zooveel van verloren. Ik kan die dikke schillen niet zien!”

Dat bevel was echter gemakkelijker gegeven dan volbracht.

„Lust u de appelen niet met schil en al, dominee?”vroeg mevrouw, die het aan 't hart ging haar mooie appelen zoo gekerfd te zien. „Rika is nog jong; bijt jij er zoo maar in, kind; dat doe ik ook. Ik zal de messen maar weer bergen.”

Ze voegde de daad bij 't woord, voorzoover twee messen betrof. Maar om dominee Waterman het zijne uit handen te krijgen, voordat hij verkoos het te geven, daar was meer kracht van wil en spieren toe noodig dan zelfs zij bezat.

„Ik ben er al mee klaar!” riep deze, het raampje naar beneden latende om de schillen naar buiten te werpen.

„Wacht!” riep mevrouw; „er zit nog zooveel in!” Maar het was te laat!

Op hetzelfde oogenblik stond de koets stil. Piet kwam naar omlaag, opende het portier en trok met de rechterhand aan de pet, bij wijze van salut.

„Mevrouw, daar staan we. We kunnen d'r niet verders door.”

„Jawel Piet!” antwoordde mevrouw.

„Jawel Piet!” bauwde deze haar na. „Neenmevrouw.Ikkan de bruinen niet verder krijgen!”

„Vriend!” zei dominee; „doe dat deurtje weer dicht; daar komt nogal kou binnen.”

„Jawel!” hernam Piet verwijtend. „En dan? Als dominee er'reis even uitkwam en een handje hielp, zou hij beter doen!”

„Wat moet er dan gebeuren, vriend?” vroeg de dominee.

„Dat zullen we dán wel zien,” antwoordde Piet lakoniek.

Dominee stapte in de sneeuw.

„En de juffrouw d'r ook uit! Mevrouw kan wel blijven zitten.”

Een oogenblik later stond de juffrouw naast dominee.

„Ga jij nou maar even daar bij dien boom wachten,” sprak Piet beschermend. „En dan zullen wij tweeën 'reis kijken of we dat ding weer aan 't rollen kunnen krijgen. Dominee, als jij nou 'reis even aan de spaken van het achterwiel ging, hè? Ik zeg het nou maar alsof je mijns gelijke was. Dan duw ik de bruinen weer terug.”

Na heel wat gehaspel gelukte het eindelijk de wielen van het rijtuig weer uit den sneeuwhoop los te worstelen.

„Zoo! Gaan d'r nou maar weer in!” veroorloofde Piet. „Hier, juffie, nou kan je weer op je warme plaatsje gaan zitten, dan gaat Piet maar weer voorop.”

„En nu zingen we samen een versje,” zei mevrouw zoodra het rijtuig weer in beweging was.

„Psalm 122 vers 1 en 3,” gaf dominee op, en begon onmiddellijk met dreunende stem, zonder te onderzoeken of de beide dames die versjes nu juist wel in de berijming van Datheen van buiten kenden:

Soo haest als ick hoore spreken:Welaan, laat ons alle seer saenIn dat huys onses Heeren gaen:Met vreught is mijn hert ontsteken;Dat ons voeten sullen hier naerStaen binnen de poorten eerbaerVan Jerusalem wel gestichtet.Jerusalem is gebouwt vast,En door vrede tsamengepast,En tot een stad Godts fijn gerichtet.Binnen uw mueren wonen sal,Liefde, vrede, met eenigheyt;De huysen en palleysen breytZijn vol van Godts zegening al!Om den wil der broederen mijn,En der vrienden die binnen sijn,Wensch ick u vreed in allen hoecken,Om dat oock Godts Tempel seer reynStaet binnen u mueren niet kleyn,Wil ick steets uwen voorspoet soecken.

Een paar broodjes met worst verkortten daarop den tijd. Nog enkele keeren moest dominee even er uit om nieuwe hinderpalen te helpen overwinnen; maar eindelijk tegen vijf uur bereikte de koets behouden en wel, al was het ook een uur te laat, het logement te Loosdrecht.

De beide dames bleven daar logeeren; maar dominee werd natuurlijk verwacht en verwelkomd bij den broeder, bij wien aan huis hij den volgenden dag den dienst leiden zou.

„En hoe wou jij nu?” vroeg mevrouw aan Piet. „Denk je vanavond nog thuis te komen?”

„Daar zal wel een zware wijs op gaan!” zei Piet. „Je komt er altemet niet eens bij dag goed door! Wat denk je van morgen-ochtend, mevrouw?”

„Dat is de dag des Heeren, Piet!”

„Ja, dat zeg je naar waarheid, mevrouw,” hernam de koetsier, zich verlegen achter het oor krabbend. „En ik ben er ook niet voor; maar aan den anderen kant het zijn onze eigen beesten en ik ben het ook zelf.”

„En haal me dan Maandagochtend;” sprak mevrouw, die tegen deze logica niets afdoends wist in te brengen, met hem af.

„Zie je, mevrouw,” voegde Piet er nog bij om zijn geweten geheel gerust te stellen; „ik zou wel blijven tot Maandag, maar dat kan nu eenmaal niet van wegens den schimmel en de rest.”

De aankomst te Loosdrecht van het rijtuig, waaruit twee dames, een smoushondje en een man met driekanten hoed tevoorschijn kwamen, was niet bijzonder geschikt om de voorgenomen vergadering geheim te houden. Natuurlijk wist binnen vijftien minuten ieder het belangrijk nieuws.

Nauwelijks hadden dan ook den volgenden morgen de leden der gemeente in het aangewezen lokaal hun plaatsen ingenomen of de deur werd opengestooten en naar gewoonte traden vier artilleristen binnen, die korte metten maakten. Binnen enkele minuten stonden alle aanwezigen op straat. Gewillig hadden ze op de eerste aanmaning zich verwijderd, maar dat belette niet dat de soldaten hen met duwen en slagen voortdreven. Den dominee werd de tromp van een geweer voorgehouden met de verzekering dat het geladen was en bij het minste verzet stellig gebruikt worden zou.

Men was reeds van zins ieder naar zijn eigen huis te gaan, toen de diaken Nicolaas Pos, een van de verdreven vrienden, uitriep: „Broeders en zusters, gaat maar met mij mee!”

Allen volgden hun vriend, die den weg insloeg naar de Loosdrechtsche plassen. Ook mevrouw Karper en haar juffrouw gingen mee.

Daar lag aan den oever het schip van den diaken. Hij was op de gedachte gekomen om dat voor kerk te gebruiken. Wat van zoo stoute daad ook de gevolgen mochten zijn, men kon in elk geval zeker wezen van een paar rustige uren.

Spoedig liepen allen de plank over. Zoodra de laatste aan boord was, staken de eigenaar met zijn knecht en geestverwant van wal.

Het was niet gemakkelijk om in de kleine kajuit allen plaats te vinden, maar „waar een wil is, is een weg.” Het benauwde vertrekje was voor de opeengepakte vervolgden, die bijna op elkanders knieën zaten, een voorportaal des hemels. Dominee Waterman kon zich uitnemend in zoo'n toestand schikken; het eenige wat hem hinderde was dat hij zijn stem zoo moest inbinden.

In machtelooze woede stond de sergeant aan den oever te vloeken op het gespuis, dat hem zoo slim ontkomen was. Zijn gemoedstoestand werd er niet beter op, toen hij na een korte poos lustig en krachtig over het water hoorde weergalmen: (Ps. 68:5.)

Gy verquickt uw volck goedertier,En maekt dat een yegelick dierDaar woont sonder verderven;Uwen kindren deelt gy uw goet,In 't kruys geeft gij hen goeden moet,Sonder troost sy niet sterven;Gij hebt, na uwe goedigheytDen reynen jonckvrouwen bereytEen oorsaeck, soo 't mag blijcken,Om te singen in 't gantsche lant,Als onze vijanden met schantVeltvluchtig moeten wijcken.

Toen de dienst afgeloopen was, werden aanstalten gemaakt om weer aan land te gaan.

„Geliefden!” vroeg dominee Waterman; „hebben wij het hier niet goed? Gaat het ons niet gelijk de psalmist zegt in Psalm 84:5.

Heer, tot wien wij in den noot vlien,Wilt uwen Gesalfden aansien;Want veel beter is slechts een ureIn u huys, dan elders, dit 's klaer,Duysent sijn: beter is oock daerEen wachter te sijn aan de deure,Dan 't is in den palleysen soetDer godtloosen met overvloet.”

„Dát hebben we! Dàt is waar!” was het eenparig antwoord.

„En waarom,” vroeg de voorganger, „zouden we dan niet samenblijven voor de middag-godsdienstoefening?”

Dat woord was uit aller hart gegrepen.

Veel mondvoorraad was er niet aan boord; een flink stuk brood en eenige beschuiten, een handvol koffieboonen en een tamelijke hoeveelheid water in het vat. De eigenaar van het scheepje achtte het een eere en voorrecht dien geringen voorraad onder de aanwezige geloofsgenooten te verdeelen, en was slechts met moeite er toe te bewegen om zijn gerechte portie te nemen. Doch deze menschen, die gewoon waren aan het uitschrijven van vastendagen, hadden niet veel behoeften.

Het was geen brood der bedruktheid, dat deze volgelingen huns Heeren thans spijzigde. Ze hielden een liefdemaal met zooveel verheffing des harten, dat het kleine groene klaptafeltje met rooden rand in de kajuit hun in een feestdisch veranderd werd.

Binnen enkele weken zou de dag komen, waarop dit tafeltje nog hooger historische beteekenis verkrijgen zou; de dag waarop het, met een wit laken bedekt, de beide sacramenten der Christelijke Kerk zou dragen. Dan zou in het nietige kajuitje de predikant Scholte aan twee zuigelingen den heiligen Doop bedienen, en de kleine gemeente daar onder zijn leiding „den dood des Heeren verkondigen totdat hij komt.”

„Totdat hij komt!” Is het vreemd dat het vervolgde kuddeke met opgestoken hoofde vroeg: „Hoe lang nog, Heere?”

„Nu mogen we nog wel eens een versje samen zingen,” zei mevrouw Karper, die altijd zorgde dat de lofzang niet te lang zweeg.

Uit volle borst weerklonk Psalm 138:4:

„Als ick door anghst en tegenspoetBen in kleynmoet,Gij mij verquicket;Oock tegen myn wreetste vyantU rechter hantMy hulp toeschicket.Gij zult myn kruys eyndigen hier;Want goedertierZijt gy gestadigh:Het werck uwer handen sult gyVolvoeren vry,o Heer, genadigh.”

„Ja,” sprak een der aanwezigen; „wij mogen hier nog ongestoord en van alles wat we noodig hebben voorzien samen nederzitten, en hebben nog niet zooveel van de vervolgingen te lijden;[1]maar ons gebed mag wel dag en nacht opgaan voor de broeders en zusters, die zwaarder beproefd worden. Als je bijvoorbeeld hoort hoe het nu acht dagen vóór Kersttijd in Oosterwolde toegegaan is...!”

„Wat is daar gebeurd?” vroegen enkelen.

„Daar was,” ging de eerste spreker voort: „door dominee Brummelkamp doop en avondmaal bediend; en onderwijl kwam een veldwachter uit naam van den burgemeester eischen dat allen vertrekken zouden. Maar ze bleven waar ze waren. En 's middags was er weer dienst, die ongestoord kon afloopen. Maar 's avonds kwam een troep militairen het dorp binnenrukken van een officier, vier onderofficieren en zes en twintig mannen. En die werden alle een en dertig ingekwartierd bij mijn neef Klaas Smit, die zijn huis voor de twee godsdienstoefeningenhad gegeven. Ze zijn er langer dan twee weken gebleven, en alle schadevergoeding, waarop hij toch volgens de wet aanspraak had, is geweigerd.”

„En wanneer het dan rechtstreeks in het dagelijksch brood voor vrouw en kinderen ingrijpt,” zei daarop moeder Beukman; „dan kan het wel eens donker worden voor de ziel. Daar hebben wij door Gods genade nog geen ondervinding van, maar mijn mans neef Moorhoff te Middelburg heeft dat moeten ondergaan. Die is uit zijn brood gestooten. Hij heeft een certificaat gekregen waar het in ronde woorden in staat. Ik heb hier een afschrift er van, dat hij ons zond. Daar staat: „Ik ondergeteekende verklaar, dat ik mij ten allen tijde bereid houde om ten aanzien van E. Moorhoff, tuinbaas in mijne dienst, de beste getuigenis af te leggen, zoowel ten opzigte van zijne bekwaamheid als van zijn gedrag, en dat hij in die betrekking gedurende 14 jaren bij mijn ouders en 6 jaren bij mij is werkzaam geweest, en dat de reden van zijn vertrek alleenlijk daarin bestaat, dat hij zich van het kerkbestuur heeft afgescheiden.

Middelburg, 2 January 1837.

J. C. Schorer van de Souburgen.””

De verbazing der vrienden was niet zoo groot als hun verontwaardiging. De meesten hunner wisten zelf reeds dergelijke staaltjes van verdraagzaamheid; maar men was niet gewend aan zulke ruiterlijke verklaringen van de vijandschap. Mevrouw Karper nam zich voor deze zaak niet te vergeten. Ze vroeg aan vrouw Beukman eenige nadere bijzonderheden, en vernam toen ook dat KlaasBeukman denkelijk eerstdaags in Amsterdam zou moeten zijn, omdat hij in hooger beroep was gekomen over hem opgelegde boete. Mevrouw rustte niet voordat haar nieuwe vriendin beloofd had, dat haar man op zijn weg daarheen bij mevrouw zou aankomen.

Dominee Waterman was er juist de man naar om van de omstandigheden waarin hij zich bevond, zooveel mogelijk partij te trekken. Daarvoor had hij geen wèl-overdachte en nauwkeurig uitgewerkte leerredenen noodig. Hij hield dus de preek, welke voor dien middag bestemd was, achterwege. Zijn ruwe welsprekendheid kon beter tot haar kracht komen door een voor de vuist uitgesproken leerrede over een tekst, die hij thans meer gepast oordeelde.

Onmiddellijk na het voorgebed boeide hij zijn hoorders door als zijn onderwerp op te geven Lukas 8:22-25: „Ende het geschiedde in een van die dagen, dat hij in een schip ginck, ende syne discipelen met hem, ende hij seide tot haer, laet ons overvaren aan d' ander syde des meyrs. Ende sij staken af.

Ende als sij voeren, viel hij in slaep: ende daer quam een storm van windt op het meyr: ende sij wierden vol waters, ende waren in noodt.

Ende sij gingen tot hem, ende weckten hem op, zeggende: Meester, Meester, wij vergaen. Ende hij opgestaen sijnde bestrafte den windt ende de watergolven, ende sij hielden op ende daer wiert stilte.

Ende hij seide tot haer: waer is uw geloove? maer sij bevreest sijnde verwonderden haer, seggende tot malkanderen: wie is toch dese, dat hij oock de winden ende het water gebiet, ende sij sijn hem gehoorzaem.”

Met gemak en vuur sprak hij langer dan anderhalf uur over dit onderwerp, dat hem zoo rijke stof gaf. Voor zijn hoorders duurde de dienst echter veel te kort.

Toen eindelijk het gezelschap weer aan land kwam, stond de veldwachter hen op te wachten. Van allen werden de namen genoteerd; voor ieder hunner zou beboeting volgen. Toch had geen van allen een tittel of jota van de wet overtreden, alleen had dominee gehandeld tegen de uitlegging, welke het laatste koninklijk besluit van de grondwet gaf.

Nog denzelfden avond maakte mevrouw Karper kennis met Klaas Beukman, dien ze in zijn huis ging bezoeken.

De afspraak, met moeder Grietje gemaakt, werd bekrachtigd. Alleen merkte Klaas op dat misschien een jong vriendinnetje onder zijn geleide naar Amsterdam zou meegaan. Des te aangenamer voor mevrouw, die nooit genoeg gezelschap had naar haar zin.

Wèl-voldaan over haar uitstapjekeerdeze den volgenden morgen huiswaarts.


Back to IndexNext