[1]Nauwelijks was ook in dit gedeelte van ons land door de Afgescheidenen godsdienstoefening op het water gehouden;—'t geen in andere provinciën reeds vroeger geschied was—; of de burgemeester van Bunschoten ontving de volgende aanschrijving:„No. 901. Kabinet.Utrecht 12 Mei 1837.Men heeft mij op eene indirecte wijze kennelijk gemaakt dat bij de afgescheidenen in uwe gemeente het voornemen zoude bestaan hunne godsdienstoefeningen bij daartoe gunstig weer op zee in schuiten te houden.Ik verzoek UEdg. mij te onderrigten wat hier van zij en in het bevestigende geval mij casu quo deswege eenige bijzonderheden bijv. zoo nopens hun getal, den woordvoerder en hunne verrigtingen mede te deelen.De Staatsraad-Gouverneur van de Provincie Utrecht.L. van Toulon.”X.„Postwinkel.”Het was in de laatste dagen van Maart 1837 nog alles behalve lenteweer. Slechts zoo nu en dan kwam de zon door; meestal werden zware regenvlagen afgewisseld door hevige buien van losse, natte sneeuw. De wegen waren dan ook over 't algemeen veranderd in modderpoelen, die van menschen en beesten bovenmatige inspanning eischten; al viel een ritje niet zóó bezwaarlijk als een week of vier geleden.Den vierden Zaterdag na den dag, waarop mevrouw Karper haar bezoek aan Loosdrecht gebracht had, was voor Klaas Beukman het oogenblik gekomen om zijn reis langs „Postwinkel” naar Amsterdam te ondernemen. Den volgenden Maandag vroeg moest hij in die stad de behandeling van zijn rechtszaak bijwonen. Het gold een boete, die hij opgeloopen had voor het openzetten van zijn huis voor verboden godsdienstoefening.Een bijzondere gunst van zijn God achtte hij het, dat juist een paar dagen tevoren plotseling en onverwacht de inkwartiering—ten minste tijdelijk—was ingetrokken, waarmede hij nu bijna zes maanden, met verkrachtingvan alle wetten des lands, gekweld geweest was. Nu kon hij tenminste met een geruster hart drie dagen van huis gaan en zijne vrouw alleen achterlaten zonder vrees voor ruwe behandeling.Aan den morgen van Zaterdag, den 25enMaart, ongeveer te tien uur, kwam dus de oude bekende huifkar voor. Na hartelijk afscheid van zijn vrouw ging Klaas voor in de kar zitten en nam de teugels in handen. Het vriendinnetje, dat de reis onder zijn geleide maken zou, nam naast hem plaats, en Beukman reed met Jannetje Huiskamp weg.Jannetje ging eens een paar dagen doorbrengen bij oom en tante Builders, die in een der beste straten van de Jordaan te Amsterdam in een manufacturenwinkel een behoorlijk burgerlijk bestaan vonden. Oom en tante waren altijd met haar ouders op den besten voet geweest; de Afscheiding, waartoe beiden overgegaan waren, had daarin geen wijziging gebracht. Ofschoon vader en moeder Huiskamp nu niet bij voorkeur hun dochter daar een Zondag zagen doorbrengen, hadden ze er ook geen overwegend bezwaar tegen. Hetgeen in de laatste maanden in Loosdrecht was voorgevallen, had ook op hen zijne uitwerking niet gemist; de oogen gingen hun hoe langer hoe meer open. Een bekend staatsman heeft eens gezegd: „Alle bescherming is vervolging.” Wellicht kan men nog meer naar waarheid de spreuk omkeeren en zeggen: „Alle vervolging is bescherming.” En Jannetje die heel goed wist, dat ze door die reis om zoo te zeggen midden in de Afscheiding terecht kwam, had daar eigenlijk wel eens zin aan; ze wilde wel eens met eigen oogen zien hoe het toeging in die kringen, waar..... Gerrit toe behoorde.Een bezoek bij mevrouw Karper was nu juist niet hetgeen het eenvoudige landmeisje in de eerste plaats aantrok. Maar daar was geen ontkomen aan, en haar vriend Beukman verzekerde haar, dat dit haar erg meevallen zou.De reizigers werden dan ook allerhartelijkst ontvangen door mevrouw, die hen, doch zonder eenige reden, reeds eenige uren vroeger verwacht had. Ze werden na de eerste begroeting door de vrouw des huizes in een groote zaal gebracht, welke naar de meening van Jannetje in ruimte en prachtige meubileering zeker niet voor de mooiste kamer in het paleis des konings behoefde onder te doen. Daar vonden ze een klein maar zeer gemengd gezelschap bijeen. Juffrouw Rika was ijverig in de weer met het schenken van koffie, die ze met een schaal vol koek door een jonge dienstbode den gasten aanbieden liet. Een paar keurig-gekleede meisjes van acht of negen jaar, blijkbaar uit den hoogeren stand, logeergasten uit Utrecht, stoeiden ongehinderd samen in een hoekje van de groote salon. Twee boeren-echtparen zaten heel gemakkelijk in gesprek met het middelpunt van den kleinen kring, een jongen man in ambtsgewaad, met scherpzinnig maar vriendelijk en openhartig voorkomen, aan wiens rechterzijde de leunstoel voor mevrouw open stond.„Dominee Van Raalte,” sprak mevrouw Karper; „ik breng u hier mijn vriend Klaas Beukman uit Loosdrecht, en mijn jonge vriendin Jannetje Huiskamp.”Dadelijk daarna verdween mevrouw weder om in de huishouding werkzaam te zijn. Zij bracht haar gasten bij elkaar, liet hun geheel vrij en gaf hun haar gezelschap alleen wanneer het haar volkomen gelegen kwam, dat nooitdikwijls of lang het geval was; zonder in 't minst om een hunner of om allen tezamen ook maar eenigszins van haar gewoonten af te wijken. Tenzij hooger belangen dat eischten; maar dan deed ze het niet terwille van haar gast, maar van haar Heere.Dominee Van Raalte had dikwijls genoeg in Loosdrecht gepredikt om Beukman te kennen. Spoedig zaten die beiden in druk gesprek gewikkeld, waarin ook de twee boeren en hun echtgenooten betrokken worden. Dezen—pachters van mevrouw Karper—waren maar even over komen loopen om den predikant te begroeten, wiens leerredenen ze den volgenden dag hoopten te hooren. Ze waren bij de eigenares van de door hen bewoonde hofsteden als vrienden over huis. Er was altijd kans dat in slechte jaren de pachtsom tijdelijk daalde, maar voor opslag behoefden ze levenslang niet te vreezen.„Ik heb verleden Zondag in Amsterdam voorgegaan,” verhaalde dominee Van Raalte; „de vervolging begint ook daar sterk te woeden. De politie heeft het gewone vergaderlokaal van de gemeente gesloten, zoodat we nu samengekomen zijn ten huize van broeder Budde aan den Nieuwe Zijds Achterburgwal bij de Gasthuismolensteeg.”„En is de gemeente daar nog lastig gevallen, dominee?” vroeg een der pachters.„Nog niet!” was het antwoord; „maar....”„Maar?” vroeg Beukman. „Ik denk morgen in Amsterdam te zijn en hoop den dienst bij te wonen.”„Dan wensch ik u van God toe, dat ge dat ongestoord zult kunnen doen, maar ik vrees er voor! Het gemeen wordt daar woelig en van overheidswege wordt nietster bescherming van Gods kerk gedaan. Er zijn morgen verscheidene plaatsen van samenkomst, bijvoorbeeld bij Budde, bij Hoogkamer, bij Buter....”„Ook bij Buter?” viel Beukman dominee in de rede. „Ik hoop bij hem tot Maandag te logeeren. Buter in de Lindenstraat bij de Noorderkerk?”„Dezelfde; een broeder die veel voor den naam des Heeren overheeft! En zal deze juffrouw daar ook zijn?”„Ik ga naar mijn oom en tante Builders, dominee.”„Dien naam herinner ik me niet. Behooren ze ook tot de onzen?”„Ja dominee,—maar ik ben nog Hervormd.”„Het doet me genoegen, juffrouw, dat te hooren.”Jannetje keek den spreker verbaasd aan; ze dacht dat hij haar niet goed verstaan had.„Ja, juffrouw; wanneer iemand zegt dat hij iets nog is, dan schijnt hij uitzicht te hebben binnen niet al te langen tijd iets anders te zijn.”Mevrouw kwam binnen om haar gasten tot den maaltijd te noodigen.„We eten maar vroeg,” zei ze, „want onze broeder Beukman moet nog naar Amsterdam, en zal daar zeker niet graag zoo laat aankomen.”De beide boerenparen namen afscheid, en de overigen volgden mevrouw naar de eetzaal, een fraai vertrek met heerlijk uitzicht over een vijver en verder de buitenplaats in, dat niet minder dan de salon de bewondering van Jannetje gaande maakte.De keurig-gedekte en rijk-voorziene tafel was in de oogen van Jannetje een ware bruiloftsdisch, maar ze gevoeldezich recht op haar gemak; van stijve of hoofsche vormen was geen sprake. Integendeel: alles—behalve de huisgodsdienst waar overvloedig tijd voor genomen werd,—ging zoo gejaagd dat van gezellige gesprekken gedurende het tafelen niets komen kon. Het sterke gestel van mevrouw kende geen vermoeidheid; haar zenuwachtigheid jaagde haar steeds voort. Des zomers verliet ze met zonsopgang haar bed en des winters kon van haar gezegd worden wat de Spreukendichter van de „deugdelijke huisvrouw” getuigt: „Zij staat op als het nog nacht is.” Maar daarom ging ze niet vroeg ter ruste; des avonds zou koning Salomo van haar geschreven hebben: „Haar lamp gaat des nachts niet uit.” Dat was niet altijd even welgevallig in de oogen harer dienstboden, die duchtig ondervonden: „Zij beschouwt de gangen haars huizes.” Maar toch hadden ze er over 't algemeen vrede mee, want het was een uitstekend-goede dienst, en geschikte dienstbodens werken gewoonlijk met lust, wanneer ze van haar meesteres verklaren kunnen: „Het brood der luiheid eet zij niet.”Nauwelijks was de laatste der aanzittenden gereed, waarop mevrouw met kwalijk-verborgen ongeduld had zitten wachten, of het geheele dienstpersoneel werd binnengeroepen om den huisgodsdienst bij te wonen. De paar minuten, die verliepen tusschen het ontbieden en het komen van de meisjes, vulde mevrouw aan door tot Beukman te zeggen: „Vriend Beukman, dadelijk na den dienst moeten wij elkaar even spreken.”Zoodra dominee, wien verzocht was voor te gaan, zijn gebed geëindigd had, stond mevrouw op, wenkte Beukmanen verliet door hem gevolgd het vertrek. De gasten konden zich weer vermaken, of bezighouden, of rusten, elk naar eigen keuze.Het zou niet licht voorkomen dat mevrouw eenige afspraak vergat of eenig voorgenomen plan verwaarloosde. Ze gebruikte dus in haar onderhoud met Beukman zeker vijftien minuten—voor haar doen een langen tijd—om alles te weten te komen wat ze weten wilde omtrent den ontslagen tuinbaas te Middelburg. Hoe ze hem helpen wilde, wist ze nog niet, maar dàt ze het doen zou, stond bij haar vast. En Beukman had voortaan een adres waar hij komen kon zooveel hij wilde.Met evenveel hartelijkheid als haar Loosdrechtsche vrienden verwelkomd waren, werden ze nu weer op reis gezonden; niet omdat mevrouw ze zoo graag vertrekken zag; maar omdat er meer te doen was, omdat ze vóór donker in Amsterdam moesten zijn en omdat het paard genoeg gerust had.„Nu, lieve kind,” zei mevrouw tot afscheid tot Jannetje, „de Heere heilige het aan je hartje.”Daarmee bedoelde ze niet het bezoek van heden, maar den kerkgang van morgen, en vooral de bezwaren welke die haar bezorgen kon.XI.Hoog en laag gemeen.De heer Buter, de vriend van Klaas Beukman, bewoonde in de Lindenstraat tusschen de Noorderkerk en de Lindendwarsstraat een vrij ruim huis. Hij had als winkelier in huishoudelijke artikelen een goed burgerbestaan. Reeds sedert het begin der beweging had hij met zijne vrouw zich van ganscher harte bij de Afscheiding aangesloten; en zij werden gerekend onder de leden, van wier standvastigheid in de vuurproef der vervolging men zich verzekerd houden kon. Dat was gelukkig niets ongewoons. De ouderling van de kleine gemeente, Wormser, die in „De Reformatie” verslag gaf van hetgeen in dit hoofdstuk verhaald wordt, kon er bijvoegen: „Sommigen onzer Amsterdamsche broeders zijn in druk en benauwdheid wegens het voorgevallene. De meesten echter staan goed, welgetroost in den Heere.”Broeder Buter had dus niet geaarzeld, toen „de openbare vergaderplaats der gemeente te Amsterdam, tot straffe voor de openlijk daarin plaats gehad hebbende prediking, laatstelijk van den predikant de Cock, door de politie gesloten was,” zijn huis aan te bieden voor de samenkomsten.Dankbaar werd het aanbod aangenomen, want de zoogenaamde Jordaan was evenals Kattenburg rijk aan gemeenteleden; en er bestond meer dan één reden om den menschen de gelegenheid voor godsdienstoefening zoo dicht mogelijk bij hun woningen te geven; om er slechts één te noemen: hoe korter de afstand is wanneer men onder ketelmuziek, steenworpen en stokslagen naar huis gaat, des te beter.Een ruime achterkamer was bestemd voor de te houden samenkomst, waar—ten einde alle aanmerkingen te ontgaan—behalve de leden des gezins niet meer dan negentien personen bijeen zouden zijn. Die kamer bereikte men door den winkel heen langs een trap achter in de gang.Het ontbijt stond reeds vroeg op den morgen gereed in de voorkamer.Toen de huisvader—het laatstgenoemde vertrek binnen getreden—even naar buiten keek, zag hij dat het weer er niet op verbeterd was. De grijze wolken, die elk zonnestraaltje onderschepten, lieten groote sneeuwvlokken los, welke onmiddellijk bij aanraking met de natte gevels, de zwart-uitgeslagen stoepen en de modderige straat wegsmolten en voortdurend de onreinheid vermeerderden. In de hoeken van de stoepen lagen restanten van het sneeuwijs der vorige dagen nog opgehoopt, vermengd met stukken baksteen, afkomstig van een huis, dat op twintig schreden afstands afgebroken werd. Alles zag er dus even treurig en triestig uit; maar toch werd de aandacht van den heer Buter tot iets anders getrokken.„Mina!” zei hij tot zijn vrouw, die bezig was met brood snijden; „kom eens gauw even kijken. Er staan vier politieagenten voor de deur!”„Wat blief je?” riep juffrouw Buter en liep met het mes in de hand naar het venster. „Al z'n leven! Zou er niemand door mogen?”„Wie weet het!” antwoordde haar man, „maar het is ook mogelijk dat ze hier geplaatst zijn om ons tegen opstootjes te beschermen.”„Het kàn zijn!” zei Klaas Beukman, die ook even was komen kijken. „Maar naar de ondervinding, die wij in Loosdrecht opgedaan hebben, zou ik je raden daar maar niet te vast op te rekenen!”„Zou je 't ook eens even vragen, Hein?” opperde zijn vrouw.„Dat kan in elk geval geen kwaad,” meende haar man en ging naar beneden.Een stuk of wat straatjongens en enkele baliekluivers, die voor hun doen buitengewoon vroeg bij den weg, of waarschijnlijker sedert den vorigen namiddag nog niet thuis geweest waren, stonden met de grootste belangstelling te wachten op de dingen, die komen zouden.Zoodra Buter de voordeur opende, schreeuwde een van de bengels: „Daar heb je den Scholtiaan!”„Dag apenbakkes!” juichte een van z'n kornuiten.„Mijnheer,” zei Buter tot een der agenten, „mag ik vragen waarom er politie voor mijn huis staat?”„Om jou op te hangen!” schreeuwde een van de halfdronken kerels.„Om de orde te bewaren;” antwoordde de man van dewet en begon heen en weer te loopen ten teeken dat de audiëntie afgeloopen was.„Zeg Kees!” krijschte een wijf, dat in nachtjak en met uit de vuile slaapmuts hangende hairen uit een water- en vuur-kelder kwam aanloopen, „misskien lust die Skoltiaan wel een paardevijg?”„Daar zeg je zoo wat, Mottige Mie!” bulderde Kees en bukte zich reeds om het voorgestelde projectiel te zoeken.De politieagenten bewaarden de orde—bij zichzelven; ze stonden zoo kalm en onbeweeglijk alsof ze in een wassen-beeldenspel opgezet waren.Buter sloot spoedig de deur; hij wist genoeg!De huisgodsdienst vóór het ontbijt werd niet zoo maar voor den vorm gehouden! Met ernst en aandrang smeekte de huisvader, toen hij in het gebed voorging, om den bijstand des Heeren Heeren, en om de genade die noodig was ten einde geduldig en blijmoedig het lijden te verdragen, dat bijna zeker binnen enkele uren ter wille van Gods naam over hen komen zou. Hartelijk stemden zijne vrouw, zijn beide dochters, het dienstmeisje en zijn gast met hem in. De kleine groep verkwikte en versterkte zich daarna door de lezing van 1 Petr. IV:12-19:„Geliefde, en houdt u niet vreemt over de hitte der verdruckinge onder u, die u geschiet, tot versoeckinge, als of u yet vreemts overquamen.Maar gelyck ghy gemeynschap hebt aen het lijden Christi, also verblydt u; opdat ghy oock in de openbaringe sijner heerlickheyt u mooght verblyden ende verheugen.Indien ghy gesmadight wordt om den name Christi, so zyt ghy saligh: want de geest der heerlyckheit en de Geest Godts rust op u, wat haer aengaet hij wort wel gelasterd, maer wat u aengaet hij wordt verheerlickt.Doch dat niemandt van u en lyde als een doodtslager, of dief, ofte quaetdoender, ofte als een die sich met eens anders doen bemoeyt:Maer indien yemandt lijdt als een Christen, die en schame sich niet, maer verheerlicke God in desen deele.Want het is de tijdt dat het oordeel beginne van het huys Godts: ende indien het eerst van ons begint, welck sal het eynde sijn dergene die den Euangelio Godts ongehoorsaem sijn?Ende indien de rechtveerdige nauwelicks saligh wort, waar sal de godtloose ende sondaer verschynen?Soo dan oock die lyden nae den wille Godts, dat sy hare sielen hem als den getrouwen schepper bevelen met weldoen.”Het is waar, de heer Buter las dat in oud-Hollandsch voor, en was door die gehechtheid aan de taal der vaderen wel honderd jaren bij zijn tijd ten achter. De heeren van de Haagsche Synode, die daarom met spot en verachting op hem neerzagen, schreven veel mooier Hollandsch! Zie maar eens welk ontzaglijk verschil:„De Commissie (uit de Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk) heeft geoordeeld, eerstelijk wat betreft het houden van onwettige godsdienstige bijeenkomsten, waardoor ook in nabij gelegene provincien aanleiding tot wanorde en tot scheuring werd gegeven, Zijne Excellentie den Minister belast met de generale directievoor de zaken der Hervormde Kerk, dringend te moeten verzoeken ter aanwending van zijne tusschenkomst en veelvermogende pogingen bij Zijne Excellentie den Minister van Justitie, ten einde van wege laatstgemelde eene krachtige aanschrijving moge worden uitgevaardigd aan de officieren en ambtenaren onder deszelfs ministerieel departement, met name in de Provinciën Groningen en Drenthe behoorende, ten einde ook zonder aangifte van eenige contraventie tegen de bestaande wetten, met allen ijver werkzaam te zijn ter handhaving der artikelen 291-294 van het strafwetboek voor het koningrijk, van welk verzoek Z.Ex. den Minister van Justitie afschrift is toegezonden.H. H. Donker Curtius,Pres.J. J. Dermout,Secr.”Dat ouderwetsche Hollandsch van Buter is misschien vloeiender; maar die nieuwe taal van de Synode slaat er beter op los!Even over half tien kwamen de „kerkgangers,” achttien in getal, want om gewaarborgd te zijn tegen alle spitsvondigheid werd Beukman voor den negentienden gerekend. Onder die achttien waren ook mijnheer en juffrouw Builders en Jannetje Huiskamp.De aankomenden hadden weinig last van de kijkers, die langzamerhand sterk in aantal toegenomen waren. Ze werden alleen slechts nagejouwd en uitgescholden, terwijl een enkele maal een vuil stuk sneeuw hun om de ooren vloog. Geen hunner had eenig voordeel gehad van de aanwezigheid der politieagenten.Op straat ging het tamelijk luidruchtig toe. Boven het gejoel en gestommel uit klonken telkens de kreten: „Coksejanen! Scholtianen! Fijne beschuiten!”[1]„Ik zag,” zei een van de broeders: „bij Steenhorst in de Nieuwe Leliestraat ook politie voor de deur.”[2]„En ik,” sprak een ander, „hetzelfde bij Hoogkamer op den Nieuwe Zijds Voorburgwal. De politie schijnt het zich vandaag al bijzonder aan te trekken.”„Broeders en zusters,” zei Buter; „laat de politie voor wat ze is. Onze hulpe is in den name des Heeren, die hemel ende aerde gemaeckt heeft. Maar het is tien uur. We zullen beginnen.”De heer Buter zou een leerrede van Van der Groe voorlezen, en opende de vergadering met gebed. In het achtervertrek hoorde men het straatrumoer wel, maar niet sterk genoeg om er ernstig door gestoord te worden. Na het gebed gaf de voorganger op te zingen Ps. 46:1.Als ons de noot overvalt krachtigh,Ons borcht en heyl is God almachtigh;Sulcks bevinden wij in den noot,En hebben in hem troost seer groot.Dies vreesen wij in geenen dinge,Al waer 't dat de werelt verginge,En de bergen hen wierpen snelIn 't midden der zee diep en fel.Nauwelijks waren de eerste tonen van het lied aangeheven, of een helsch geraas en getier deed zich hooren. Half-dronken leegloopers bulderden vloeken en verwenschingen; de straatjeugd maakte muziek met fluitjes en ratels; gillend en krijschend klonken de scheldwoorden der vrouwen boven alles uit. Het gerinkel van glasscherven getuigde van wat er in de voorkamer gebeurde.„Jongens!” schreeuwden een paar kerels; „help reis een handje! Die winkelkast en de deur motte open!”De winkelkast was op ouderwetsche wijze als balkon naar buiten gebouwd een voet of twee over de rooilijn heen. Ze was afgesloten door luiken, die aan de straatzijde waren verzekerd met ijzeren handboomen, kruiselings gelegd en van hangsloten voorzien.De oproeping vond gretig gehoor. In een oogwenk waren een paar ijzeren bouten bij de hand om de kruisboomen te forceeren. Spoedig was dit gelukt, en nu begon een bombardement, waarvoor onmiddellijk glazen en sponningen van het winkelraam bezweken en van de uitgestalde koopwaren niets breekbaars heel bleef.Van preeklezen was geen sprake meer. De vrienden zaten weerloos bijeen als een kuddeke, dat vreezen moest elk oogenblik door de wolven besprongen te worden.Eindelijk trad de politie op. De hoofdagent ging voor de deur staan en hield een toespraak tot het grauw.„Jongens, nou make jullie het wat al te bont!”Luid gejuich volgde op deze ontboezeming.„Hoor hèm ereis! Zeg, ouwe jongen, jij bent toch geen Skoltiaan? Kan je denken! dan was ie al lang de laanuit! Ga weg, smeris! anders krijg je bij ongeluk een steen tegen je kop!”[3]„Wacht nou een amerijtje!” raadde de agent gemoedelijk; „dan selle me d'r een eind aan maken. Hou jullie je nou even kalm, dan gaane wij na binne!”„Hoera! De Skoltianen komme d'r uit!”„Ga jij gerust je gang, vader!” riep een forsche kerel. „Ik zal ze hier wel even zoet houen!”(Tot den volkshoop). „Houe jullie je pooten nou een oogenblikkie tuis! Of wat let me: je krijgt met Rooie Hannes te doen! Wie wil er een pak op z'n nuchtere maag hebben! Toone jelui nou dat er tegenonsgeen pelisie noodig is! Als je nou zoet je beurt afwacht, komme binne vijf minuten de Skoltiane buite!”„Hoera voor Rooie Hannes! Dat beloven we je, hoor!”„En wie heit er nou net als ikke een paar cente voor over,” ging de plaatsvervanger der politie voort, „om as ordelijke burgers de pelisie een handje te helpen? Dan sel je een grap beleven! Lange Trijn, verkoop jijmijnnou' ereis een halfpondje boter voor de laagste prijs!”Een donderend Hoera! bewees dat de bedoeling van Rooie Hannes begrepen was. Binnen twintig tellen was Lange Trijn met de boter terug.Onderwijl was de hoofdagent tot het besluit gekomen dat er een eind aan het relletje moest gemaakt worden.„Mannen!” zei hij plechtig tot zijn manschappen: „wij bennen hier om wanordelijkheden te voorkomen! Nou zou d'r niks niemendal gebeurd zijn, als ze daar binnen d'rmond gehouen hadden. Maar je kon dat zingen wel een straat ver hooren! Dát maakt de lui duivelsch. Dus ze motten d'r uit! Want zij maken het oproer! Vooruit; naar binnen.”Aan het hoofd der manschappen trad hij door de opening van de vernielde winkelkast naar binnen.„Jullie blijven hier!” commandeerde hij twee man; „de deur open, en zorg dat er niemand van de straat binnen komt! En jij!” (tot den derden) „mee naar boven!”De beide politieagenten, die op order van hun chef de voordeur openden, werden verrast door het zien van Mottige Mie en Lange Trui, die onder toezicht van Rooie Hannes ijverig bezig waren de stoep met boter te besmeren.„Houe jullie je nou luikes!” raadde Rooie Hannes den agenten met een vertrouwelijk knipoogje; „dan sel je een lolletje beleven!”De deur van de achterkamer werd opengestooten.„Hoeveel ben jelui?” riep de hoofdagent binnenkomend, „Keyser, tel ze!”Keyser telde. „Drie en twintig, agent!”„Overtreding!” (Tot Buter). „Zeg jij; jij bent zeker de baas van dit honden- en apenspel?”„Ik woon hier,” antwoordde Buter zoo kalm mogelijk.„Dan weet je wel dat er een stuk of vier te veel benne.”„Mijn vrouw, twee dochters, een dienstmeisje en ik zijn vijf; vijf van de drie en twintig blijft achttien.”„Nou ja, goed! Waarom heb je de heele buurt bij elkaar geschreeuwd met je psalmenzingerij? Jullie maakt volksoploopen en oproer. Dadelijk er uit!”„Waarom moeten....” begon Buter.„Alla!” schreeuwde de agent, trad op den weerloozen man toe, greep hem in de borst en slingerde hem een eind de kamer door. De beide agenten trokken hun wapenstokken en begonnen woest op de vergaderden in te slaan. Menigeen liep leelijk klappen op. Ze werden de trap afgejaagd; het was meer geluk dan wijsheid dat allen beneden kwamen zonder nek, armen of beenen te breken.'t Werd er niet beter op toen ze in den winkel waren. De twee bij de voordeur geposteerde agenten voegden zich bij hun makkers en dreven de geloovigen met stooten en stokslagen naar den uitgang. Van de straat af vloog een zwerm van stukken sneeuwijs, steenen, drek en scherven van den verwoesten winkelvoorraad naar binnen.Plotseling weerklonk een felle angstkreet. De eerste broeder, die naar buiten kwam, was op de botergladde stoep uitgegleden, en als een steen voorover tegen den grond geslagen. Juichend sleurde het grauw hem bij armen en kleederen verder. Sullend en glijdend kwamen de overigen het huis uit.„Ruimte daar!” hoorde men eensklaps boven al het rumoer uit.Twintig soldaten van de 18eafdeeling Infanterie kwamen de straat ingerukt. Een paar leden van de Hervormde Kerk, welke dien weg langs kwamen, hadden het godgeklaagd schandaal niet werkloos kunnen aanzien, maar waren hulp gaan halen.De menigte week uiteen; de verdrevenen konden zich weder verzamelen. De familie Buter mocht zich weer binnenshuis begeven; ook Klaas Beukman zag gelegenheid binnen te komen; de overigen mochten zich verwijderen.Maar verder ging de zoogenaamde hulp niet; de soldaten beletten niet, dat „velen erbarmelijk werden mishandeld, in den modder geworpen, geschopt en sommigen licht gekwetst. Gods volk, ook de niet-gescheidenen, stond op straat luidkeels te weenen.” Enkele deuren in de buurt werden geopend; men riep hier en daar de vrouwen binnen om haar andere kleederen te leenen, want haar eigen plunje was zoo gehavend, dat de draagsters niet voegzaam over straat konden gaan.Een paar der broeders begaven zich naar den commissaris van politie om hun beklag in te dienen. Den poveren uitslag van dat bezoek vindt men in de volgende woorden uit het verslag opgeteekend: „De commissaris van politie heeft uitdrukkelijk verklaard, dat hij ten deze slechts als machine handelde. Daarin heeft hij recht, dat de door ons verlatene, afhoereerende geestelijkheid, die het eerst ons ten prooi gaf aan de wereldlijke macht, meerdere schuld heeft.”Jannetje had haar eersten kerkgang bij de Afgescheidenen achter den rug. Persoonlijk was ze er nog al goed afgekomen; alleen haar bovenkleeding was bedorven. Oom Builders bereikte blootshoofds en met een bloedigen schram boven het linkeroog zijn huis, en tante moest met bont-en-blauw-geslagen schouders en een aanval van koorts naar bed.Maar nu wist het oprechte meisje waar zij bij behoorde! Het was reeds niet meer: die akelige Afscheiding; ook wilde ze nu niet langer „dat die Afscheiding er niet was.” Van dien morgen af behoorde zij onder degenen van welken het verslag meldt: „Van de mishandelden roemen er velen, dat zij waardig zijn geacht, om den name Christi smaadheid te dragen.”[1]De beide eerste scheldwoorden naar de predikanten de Cock en Scholte. Ten onrechte wordt van het derde de eer der uitvinding aan Justus Van Maurik jr. toegekend.[2]Op dien dag werden zeventien huizen, waar bekende Afgescheidenen woonden, door de politie „bewaakt.”[3]Smeris en klabak zijn twee Amsterdamsche vertalingen van het woord politieagent.XII.Van „hooger hand.”De burgemeester van Bunschoten zat met veel gewichtigheid in zijn kamer in het Raadhuis de ingekomen stukken te lezen. Ze waren niet zeer talrijk en de inhoud had niet veel om 't lijf, zoodat de Edel Achtbare zeer spoedig met dit werk gereed zou geweest zijn, indien hij nog iets anders te doen had gehad; maar dat was het geval niet. Derhalve kon hij aan het belangrijkste van de paperassen zijn geheele aandacht geven en onmiddellijk handelend optreden.Dat was dan ook geen kleinigheid: een schrijven van Zijne Excellentie den Gouverneur der Provincie Utrecht, den heer Van Toulon. De gouverneur was altijd zeer welwillend voor onzen burgervader; des te meer verraste en schokte hem de inhoud van dezen brief. Hij had het epistel nu wel drie maal gelezen, maar kon het zich toch niet ontveinzen: hoe poesvriendelijk de vorm ook mocht zijn, Zijn Edel Achtbare werd door Zijne Excellentie op de vingers getikt! Dat is nooit zeer aangenaam, maar een onwillekeurig verzuim is toch denkbaar en vergeeflijk; we zijn allen menschen en één mensch gaat maar ééngang! Doch nu.... eigenlijk verdacht te worden van inschikkelijkheid voor een van die verwenschte scheurmakers...hij: burgemeester, allergetrouwst dienaar van Zijne Majesteit, kerkvoogd van de „groote” kerk, persoonlijk bevriend met meer dan één lid van de Haagsche Synode; volbloed-oom van twee en neef van drie andere Hervormde predikanten... dát was om er een beroerte van te krijgen!De burgemeester dronk een glas water en belde heftig.De bode kwam binnen.„Veldwachter Koelewijn!” beval Zijn Edel Achtbare norsch en kortweg.De bode af.„Hij moet me kalm zien!” zei de burgemeester tot zichzelf en stak gauw een versche pijp tabak op; iemand die rookt is normaal.Veldwachter binnen; blijft in militaire houding op behoorlijken afstand van den hooggeplaatsten man staan.„Zeg, Koelewijn, wat.... e.... wat ben jij van je geloof?”„Hervormd, Edel Achtbare!”„Zoo! Maar.... e.... je hoort toch in je hart eigenlijk bij dat canalje.”Het is min of meer moeilijk om op zoo vage en zoo vleiende onderstelling te antwoorden: „Tot uw dienst, Edel Achtbare!” Veldwachter Koelewijn vergenoegde zich dus met te zeggen „Ik behoor tot de Nederlandsche Hervormde kerk, Edel Achtbare.”„Je heult, zeg ik je, met de Separatisten!” bulderde het achtbaar hoofd der gemeente, wiens gemoed degouwsche-pijp-kalmte begon te verliezen en opnieuw de beroerte-opwinding naderde.„Als ik zoo vrij mag zijn, Edel Achtbare, welk bewijs—”„Welk bewijs? Je bent er orthodox genoeg voor, kerel!”De veldwachter zweeg; het is uiterst moeilijk uit te maken hoe orthodox iemand wezen moet om met canalje te heulen.„Nu, wat heb je daarop te zeggen? Antwoord jemijniet? Als ik één woord spreek, ben je ontslagen!”Onwillekeurig dacht de eenvoudige veldwachter aan een ander hooggeplaatst man, die ongeveer achttien eeuwen geleden hetzelfde gezegd had tot een gevangene... tot zijn eeuwige schade.„Edel Achtbare, ik kan niet anders zeggen dan ik u al gezegd heb!”„Hm! Je bent een rechte sfinx!”De veldwachter zweeg; hij was in de verte niet zoo ontwikkeld als de burgemeester en had dus niet de eer te begrijpen met welken geest of welk beest hij thans vergeleken werd.„Kijk hier!” ging de burgervader voort, een brief in folio-formaat in de hoogte houdend. „Van hooger hand, van niemand minder dan Zijne Excellentie den Gouverneur der Provincie Utrecht; die me opdraagt ten spoedigste te berichten of veldwachter Koelewijn in betrekking alsambtenaar, dan wel alsseparatist, in de vergaderingen der scheurmakers geweest is. In het laatste geval moet ik dadelijk een ander als veldwachter voordragen en word je onmiddellijk ontslagen.”„Edel Achtbare, ik herhaal dat ik lid ben van de HervormdeKerk en niet Afgescheiden. Maar als ik zoo vrij mag wezen te vragen of iemand mij aangeklaagd heeft..”„Jawel, ik wil open kaart met je spelen, want ik.... wel je bent altijd goed voor je werk geweest... ik heb niets op je aan te merken. Luitenant Van der Poort is maar heel weinig ingenomen met je houding, wanneer de onwettige vergaderingen door hem ontbonden worden. Jij gaat dan zoo zacht met die snuiters om alsof ze van kraakporselein waren, en zoo wek je verdenking.”„Edel Achtbare; ik behandel ze menschelijk.”„Kletspraat! Je hebt je te houden aan de bevelen van den luitenant! Die heeft over je gerapporteerd aan Zijne Excellentie. Nu, jij kent luitenant Van der Poort even goed als ik als een hoogst-beschaafd man, die...”Luid en dringend kloppen aan de deur noodzaakte den burgemeester zijn lofspraak op den luitenant af te breken. „Binnen!..... Wat is er? Ik ben immers en besogne!”„Edel Achtbare, Sergeant Spruiter verzoekt zeer dringend dadelijk toegelaten te worden.”„Waarom heb je hem niet gezegd dat ik in conferentie ben?”„Dat heb ik gezegd, Edel Achtbare; het helpt niets. De sergeant zegt hij moet en zal u onmiddellijk spreken.”„Laat hem dan maar binnen... Koelewijn, wacht even buiten.”Eenige oogenblikken later trad de sergeant de kamer in.„Wel sergeant?”„Edel Achtbare! ik kom uw hulp inroepen als hoofd der politie.”„Tegen de separatisten? Zendt luitenant Van der Poort je hierheen?”„Verekskuseer, Edel Achtbare! Het is juist van wegens den luitenant.”„Ja, die stuurt je hè?”„Nogmaals verekskuseer; ik ben tijdelijk eerst-aanwezend. De luitenant is zoo raar, altemet net alsof hij niet goed bij z'n positieven is.”„Wat blief je?”„Jawel Edel Achtbare! Hij loopt met uw verlof al door maar te bidden en te vloeken, en z'n eigen vuistslagen te geven, en te schreeuwen en te gillen van heb-ik-jou-daar! Zoodat ik maar een man of vier bij hem gezet heb om ongelukken te voorkomen, en nu met versnelden pas bijUEdel Achtbarekwam. Ik kan geen verstandig woord aan hem kwijt raken en we hebben z'n sabel al moeten wegmoffelen, want hij wou z'n eigen tekortdoen.”„Zoo, zoo! Goed. Ga maar vooruit, sergeant! Ik kom bij je.”Sergeant, na militair saluut, verdween.De burgemeester schoot zijn winterjas aan, want het was een koud dagje in Maart, en ging de kamer uit. Daar stond, volgens bekomen order, de veldwachter totdat hij weer binnengeroepen zou worden.„Ga maar mee, Koelewijn,”zei de burgemeester, haastig voortloopend; „er schijnt iets met luitenant Van der Poort niet in orde te zijn.”Het tooneel, dat burgemeester en veldwachter een minuut of tien later te zien kregen, toen ze de kamer binnentraden waar de luitenant zich bevond, was wel geschiktom hun, ieder op z'n eigen manier, aan het zooeven gehouden gesprek te herinneren.Tusschen het venster en den schoorsteen tegen den muur, in een grooten leuningstoel, zat de luitenant in volle uniform. Zijn beenen waren met een strik aan elkaar gesnoerd; aan elken arm werd hij door een sterken soldaat vastgehouden. De mannen moesten alle kracht inspannen om hem meester te blijven. In het vuurrood gelaat rolden de oogen woest heen en weer. Onophoudelijk vervulde de ongelukkige het vertrek met zijn gebrul.„Verloren! Verloren! Ik heb ze uit elkaar laten ranselen! Ik heb de gemeente van den levenden God vervolgd! Voor eeuwig verdoemd! Ik heb zijn oogappel aangeraakt! Voor mij is geen vergeving! Verloren! Verloren!”De burgemeester beproefde een paar woorden tot hem te spreken, maar vergeefs. De krankzinnige gaf geen enkel blijk dat hij er iets van begreep, maar bleef onafgebroken zijn wanhoopskreten uitstooten.„Haal een rijtuig!” beval de burgemeester den veldwachter.Geen half uur daarna reed een gesloten wagen, met twee paarden bespannen, zoo snel mogelijk den weg op naar Utrecht. Aan handen en voeten geboeid, door drie zijner soldaten in bedwang gehouden, werd de luitenant overgebracht. Voorop naast den boer, die als koetsier dienst deed, zat veldwachter Koelewijn met het bevelschrift en de overige noodige papieren van den burgemeester in den zak.XIII.De ondermeester.Z.Exc. de gouverneur des konings in de provincie Utrecht kreeg op zijn schrijven aan den burgemeester van Bunschoten om inlichtingen omtrent den veldwachter Koelewijn twee antwoorden; dat is een meer dan hij verwacht had en evenzeer een meer dan hij begeerde.De burgemeester berichtte hem dat hij onmiddellijk het strengste onderzoek ingesteld had, maar totnogtoe geen redenen gevonden om den veldwachter voor ontslag voor te dragen. De zaak bleef hem echter, zooals vanzelf sprak, „een punt van voortdurende waarneming”.Doch ongeveer terzelfder tijd kwam er een brief van iemand, die zich Jan Verlinden noemde en zich bekend maakte als ondermeester aan de school te Bunschoten. Naar het scheen had dat jonge mensch heel wat noten op z'n zang. De stijl van den brief was goed, maar de inhoud alleronbetamelijkst. Genoemde Jan Verlinden schreef dat de veldwachter alleen daarom zich aan het hoofd der patrouilles bevonden had, omdat de gescheidenen aan den burgemeester betuigd hadden, dat ze voortaan voor elken soldaat, die zonder van burgemeester of politieagentvergezeld te zijn, binnendringen wilde ter storing van de godsdienstoefening, zooals meermalen had plaatsgehad, hunne woning zouden sluiten.Z.Exc. kon niet anders dan volmondig erkennen dat de gescheidenen in dit opzicht de letter der wet in hun voordeel hadden. Maar Z.Exc. had, evenals al zijn geestverwanten en in 't algemeen alle verlichte menschen, een afkeer van letterknechterij. Z.Exc. en zijn vrienden hadden wel iets van den schooljongen, die de volgende beschrijving van den kreeft gaf: „De kreeft is een roode visch, die altijd achteruit loopt.” Waarop de examinator antwoordde: „De kreeft is geen visch maar een schaaldier, hij is rood alleen wanneer hij gekookt is, en heeft slechts den schijn van achteruit te loopen; overigens is het antwoord heel goed.” Want volgens deletterder wet was geen der samenkomsten van de gescheidenen een „associatie”; volgens deletterder wet mochten minder dan twintig personen vrijelijk samenkomen; volgens deletterder wet is achttien en al wat daaronder is minder dan negentien; volgens deletterder wet moest alle inkwartiering gelijkelijk over de inwoners van een plaats verdeeld worden; volgens de letter der wet moesten alle inkwartieringskosten behoorlijk vergoed worden; en volgens deletterder wet behoefde niemand een soldaat of een patrouille zonder burgemeester of veldwachter met schriftelijke volmacht van den burgemeester in zijn huis toe te laten. Doch: „de letter doodt, maar de geest maakt levend;” Z.Exc. was niet de eerste en zou de laatste niet zijn van de ongeloovigen, die dezen tekst uit Gods Woord misbruiken zoo dikwijls het in hunkraam tepaskomt om hun eigen willekeur goed te praten.Wat Z.Exc. echter geheel van zijn stuk bracht, dat was het slot van den brief. Hij kon zijn eigen oogen niet gelooven! „Overigens kan Uwe Excellentie er verzekerd van zijn, dat de door haar gezonden militairen gezegende werktuigen zijn om Sion uit te breiden.”Zoo'n kwajongen! Hij zou antwoord hebben!En hij kreeg antwoord.Den 14enApril 1837 ontving Jan Verlinden een briefje van den schoolopziener in het 3e district Utrecht, waarin hem gemeld werd, „dat het Gouvernement plan had hem de school te ontzeggen,niet zoozeerom zijn godsdienstige denkwijze, dan wel omdat hij bevonden werd zich tegen het Gouvernement aan te kanten. Hem werd nog gelegenheid gegeven om te verklaren of hij voortaan aan den wil van het Gouvernement zich zou zoeken te onderwerpen, dan of hij dacht voor te gaan met hetzelve tegen te werken.”„Zou dit briefje”—zoo vroeg de jonge man zich af—„ook in verband kunnen staan met hetgeen gisteren gebeurd is?”Dien dag had hij gedwongen te Amersfoort doorgebracht. Jan Verlinden was een paar weken geleden aangeklaagd dat hij in een godsdienstige samenkomst, den 19enMaart gehouden en uiteengejaagd, een der militairen een duw gegeven had. Indien dit vergrijp bewezen kon worden, zou het hem eenige maanden gevangenisstraf op den hals halen. Zijn vijanden twijfelden niet aan dien afloop want drie van de toen aanwezige militairen hadden de aanklacht van hun makker met eede bevestigd.Men keek dus heel verwonderd toen de jonge man bewijzen kon dat hij op 'tzelfde oogenblik, waarop hij het vergrijp gepleegd hebben zou, zich in een ander huis te Bunschoten bevond. Aangezien Afgescheidenen, in hoeveel opzichten ook van Hervormden verschillend, toch dit met hen gemeen hebben, dat ze zich niet op twee plaatsen tegelijk bevinden kunnen, werd Jan Verlinden door de Rechtbank vrijgesproken.De jonge man verzuimde niet den schoolopziener te antwoorden—alweer een antwoord dat eigenlijk zoo'n Afgescheiden meester niet voegde. Hij schreef „dat hij zich met die zaak niet kon of mocht inlaten tenzij hij schriftelijk verstaan had,welkebeschuldigingen of bezwaren het Gouvernement tegen zijn persoon had en of die van zulk een aard konden zijn om hem de school te ontzeggen.”De kleine gemeente onder het kruis had, tegen alle verwachtingen in, het heerlijk Pinksterfeest betrekkelijk ongestoord kunnen vieren. Alleen was op den eersten dag ten huize van een der broederen een godsdienstoefening op zeer bijzondere wijze gestoord. Slechts negentien personen waren aanwezig, maar luitenant Van der Does, de opvolger van den ongelukkigen krankzinnige, had goedgevonden „ter voorkoming van overtreding,” niet alleen een militaire wacht voor het huis te plaatsen, maar ook twee militairen in de kamer te posteeren. Deze hielden zich rustig tot ongeveer in het midden der oefening, toen plotseling de vergaderden opgeschrikt werden door een hunner, die zoo luid mogelijk riep:„Wonen alle die hier zijn in Bunschoten?”„Ik zou u wel willen verzoeken,” sprak de dienstdoende ouderling, „onze godsdienstoefening niet te storen.”Zonder antwoord te geven trad de soldaat op een bejaarde vrouw toe, die onder het gehoor zat, legde haar de hand zwaar op den schouder en vroeg: „Waar woon jij?”„In Spakenburg!” antwoordde ze verschrikt.„Direct er uit!” schreeuwde hij, greep haar bij den arm, noodzaakte haar op te staan, duwde haar de kamer door en wierp haar met een flinken zet de deur uit.„Ga nou je gang maar!” veroorloofde hij genadig den ouderling.Zulke rechtsverkrachting werd evenwel onder de kleinigheden gerekend.„De groote vraag is echter,” merkte Jan Verlinden aan, „of de soldaat op eigen gezag gehandeld dan wel een order van den luitenant uitgevoerd heeft.”Dat zou niet lang een open vraag blijven.Den avond vóór Pinkster waren de infanteristen Pronkert en Drieling ingekwartierd bij W. van der Kolk, ontvanger der Eem- en havengelden. Het viel den geplaagden landbouwer, die klein behuisd was, moeilijk genoeg om de beide manschappen behoorlijk onderdak te brengen, doch de mannen waren zeer handelbaar en tevreden met hun logies.Laat in den namiddag van Dinsdag na Pinkster, den 16enMei, zaten de huisgenooten, terwijl de ingekwartierden afwezig waren, rustig bijeen.„O,wat gebeurt daar!” riep plotseling de huismoeder.Hevig geklop en gebons op de voordeur werd gehoord. Twee stemmen schreeuwden door elkaar: „Doe voor dedie en dat dadelijk open, ellendelingen! Wou je de militairen buitensluiten? Open, zeg ik je, ontuig! of we trappen de deur in! En dan rijgen we je een voor een aan de bajonet!”De gruwelijkste vloeken doorspekten deze bedreigingen. Soms werd alles onverstaanbaar gemaakt door de kolfstooten, waarmee de deur gerammeid en deerlijk beschadigd werd.Van der Kolk ijlde naar de voordeur en riep door het sleutelgat: „Heeren, weest zoo goed als naar gewoonte de zijdeur door te komen, langs het kantoor; deze deur gaat nooit open.”„Verwaande kwast!” werd hem als antwoord tegengebruld. „Kommandeer jij ons? Dadelijk open of.... Ik verkieshierin te komen, begrijp je!”De deur kraakte onder de slagen en de trappen. Ten einde erger te voorkomen, haastte de huisheer zich de deur open te sluiten.Hij werd opzij geworpen, de beide militairen stapten de huiskamer binnen en vielen op een paar stoelen neder.„Een beetje op zij!” grauwde Pronkert de vrouw des huizes toe. „Sta maar 'reis op, lui oud wijf, en breng brood, boter en een paar goeie porties vleesch.”„En jij, vrome non!” beval Drieling tegen een der dochters, „dadelijk een flesch of wat goed-belegen bier!” (Tot den zoon des huizes): „Hier, kwajongen; zet even netjes die twee geweren daar in den hoek!”Zooveel mogelijk werden de bevelen gehoorzaamd. Men wist uit anderer ondervinding dat ergerlijke mishandelinghet gevolg van tegenstribbelen kon zijn. De beide kerels waren echter zoo welwillend ditmaal met ham inplaats van versch vleesch genoegen te nemen.Nadat ze onder ruwe scherts naar hartelust gegeten en gedronken hadden, nam Drieling het woord.„Zeg eens, oude jongen; ik verkies niet langer in dat hok te slapen, waar we nu drie nachten gelegen hebben.”Een vrij-groote kamer was ter beschikking van de manschappen gesteld, maar de zoon des huizes moest daar ook slapen, waartegen de beide soldaten totnogtoe geen bezwaar gehad hadden.„Heeren, wij zijn klein behuisd; er is geen andere kamer.”„Kom, Drieling,” zei Pronkert tot zijn kameraad, „dan zullen we zelf maar even dat zaakje opknappen.”Ze liepen de kamer uit, maar kwamen na enkele minuten weer binnen.„Scholtiaan,” riep Pronkert, „dat kantoor van je is ruim en goed; daar is ook een bedstee. Je wijf maakt daar dadelijk een bed in de bedstee en een veldbed op den grond, hoor je! Dan zullen m'n kameraad en ik voorloopig er genoegen mee nemen om samen in één kamer te slapen. En dan mag je nog van geluk spreken dat je zoo schappelijk behandeld wordt.”„Mijnheer, dat is het kantoor voor mij als ontvanger van de Eem- en havengelden; daar heb ik geen beschikking over.”„Dat hoeft ook niet, vrome kwezel!” grijnsde de andere soldaat. „Wijbeschikken er over en dat is voor jou voldoende.”„Mijnheer; ik mag wezenlijk niet....”„Kom Pronkert!” zei Drieling, „dan moeten we zelf maar even het beddegoed halen!”„O neen!” riep de huismoeder verschrikt.Drieling schaterde van 't lachen. „Als je ze een handje helpen wil, is 't ook weer niet goed! Vooruit dan, geliefde zuster!”De slaapplaatsen werden in het kantoor in orde gemaakt. Naar het scheen kwam nu de woestheid van de beide militairen een weinig tot bedaren.'s Avonds zaten ze bij de huisgenooten een pijp te rooken. Jan Verlinden was zijn vrienden eens komen bezoeken, en zat ook in 't gezelschap.„Ik hoop dat alles nu naar genoegen is?” vroeg Van der Kolk.„Och!” zei Pronkert, „ik geloof niet dat je anders zooveel last van mijn en m'n kameraad gehad hebt, wel vadertje?”„Neen,”vulde Drieling aan; „er zijn wel kwaadaardiger rakkers in onze compagnie, al zeg ik 't zelf.”„Nu de vrienden er toch over doorpraten,”ging Van der Kolk voort; „moet ik eerlijk zeggen dat wij het ons ook al niet begrijpen konden.”„Ja, maar wat moet je doen!” zuchtte Pronkert; „ik ga ook niet graag een week of wat de doos in!”„En waarom zou je de doos ingaan, vrind?” vroeg Van der Kolk.„Kijk, het zit 'm zóó!” lichtte de soldaat toe. „We hadden order van den luitenant om niet anders dan door de voordeur naar binnen te willen...”„En,”voegde Drieling er bij, „om eigenlijk met alles ontevreden te wezen en het je zoo lastig mogelijk te maken.”„Maar dat mag de luitenant toch niet bevelen!” riep Verlinden verontwaardigd.„Ja wat mag of niet mag! Daar heeft een gewoon soldaat geen zeggen of oordeelen over,” hernam Drieling. „In dienst heb je te doen wat je geheeten wordt. Ik wil je dan ook wel zeggen dat ik voor mij er met plezier voor teekenen wil om m'n heele verdere leven alle nachten zoo goed te liggen als de laatste drie nachten.”„Nu begrijp ik er niets meer van!” riep Van der Kolk; „en er moest met alle geweld een andere slaapplaats voor je klaargemaakt worden!”„Wat zal ik je zeggen!” antwoordde Drieling, „je kan me gelooven, heel veel soldaten hebben er een broertje aan dood om jullie zoo'n overlast aan te doen. Voor mijn part mag je dag en nacht psalmen zingen en bidden, zie je! Je mag het laten óók, zie je! Mijn 'n zorg! Maar ik kan je met een woord van waarheid verklaren, dat de luitenant ons heel pertinent bevel gegeven heeft om zoo tegen je tekeer te gaan; niet waar, Pronkert?”„Ja”; beaamde deze; „hij zei: jullie bent veel te zacht voor dat ontuig! Ik verkies dat je een beetje den beest speelt en ze 'reis frisch uitvloekt en niet met alles tevreden bent. Dat waren z'n eigen woorden. En anders, zei hij, zal ik zorgen dat je een maand de kast ingaat!”Een geweldige stoot tegen de voordeur schrikte het gezelschap op. Van der Kolk ging naar voren om maar dadelijk open te doen. De luitenant in eigen persoon trad binnen, liep den huisvader onderst-boven en kwam de kamer in.„Gaat alles goed?” vroeg hij aan de mannen, die onmiddellijk militaire houding aangenomen hadden.„Opperbest, luitenant!”„Gedaan zooals ik bevolen heb?”„Ja, luitenant.”„Nu... niet te zoetsappig, hoor jongens?”De luitenant wilde vertrekken, maar de jonge Verlinden trad hem in den weg.„Luitenant, wat hier vanmiddag op uw bevel geschied is, noem iklaag!”Tot antwoord ontving hij een ribbestoot, die hem wankelen deed. De luitenant verliet hoonlachend kamer en huis.„Jongeheer!” waagde Pronkert te zeggen, zoodra de officieele beul verdwenen was, „je hebt geen ongelijk; maar 't zalmijbenieuwen of dát je niet opbreken zal!”Het bleek weldra dat de soldaten hun luitenant goed kenden.Twee dagen later kreeg Verlinden een dagvaarding thuis tegen Vrijdag den 9enJuni 1837 voor de correctioneele Rechtbank te Amersfoort, wegens beleediging van een officier in functie. Ter terechtzitting werden alle feiten wederzijds erkend. Verlinden had dus gemeend dat de Rechtbank in elk geval zeer verzachtende omstandigheden in aanmerking nemen zou. Maar den 15dendier maand werd hij veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf en de kosten van het proces. Zooals men denken kan, ging hij in hooger beroep.De straf voor die laatste oproerige handeling bleef niet uit. Den 20enJuni kreeg Gerrit Beukman, de hoofdonderwijzer, een brief van den volgenden inhoud:„Amersfoort, 19 Junij 1837.Deze is dienende om u kennis te geven, dat de naar aanleiding van art. 6 van het huishoudelijk schoolreglement voor de provincie Utrecht, door mij verleende goedkeuring tot het opnemen van uwen ondermeester wordt ingetrokken, u verzoekende en desnoods gelastende, na ontvangst dezer denzelven als zoodanig niet verder op uwe school werkzaam te doen zijn, totdat door mij of door de provinciale Commissie van onderwijs, ten dezen nader zal zijn gedisponeerd. Van den ontvangst dezes, verzoek ik u mij bericht te geven.De Heer Burgemeester is door mij uitgenoodigd, mij van de niet nakoming van boven vermelden last onverwijld kennis geven.De schoolopziener van het 3edistr. Utrecht,H. G. Schluiter.”De ondermeester was dus ontslagen zonder vorm van proces en zonder opgave van redenen. De eenige van wien hij zelf het vernam, was de hoofdonderwijzer.Den 20enJuli diende zijn zaak in hooger beroep in Amsterdam. Hij werd veroordeeld tot eene maand gevangenisstraf en de kosten. Het vonnis werd onmiddellijk tenuitvoergelegd.Aan den avond van den 19enAugustus keerde Verlinden uit de gevangenis te Bunschoten terug, om daar.... in de eerste plaats te zorgen voor de betaling van de proceskosten en daarna te zien hoe hij nu verder aan den kost komen zou.XIV.Jannetjes besluit.„Zoo meid, daar hebben we je gezond en wel terug! Nou, je hebt het uitgehouden, moet ik zeggen!” Met die woorden gaf moeder Huiskamp haar Jannetje eenige hartelijke zoenen, toen ze Zaterdagsavonds, na veertiendaagsch verblijf in Amsterdam, het ouderlijk huis weer binnentrad. „Kijk, kind, je bent op een mooien tijd thuis. Vader komt er aan; ik zou net de karnemelk opdoen. Wat blijft het nog vroeg donker worden, hè! Kom bij het licht!”Moeder nam haar mee naar binnen, waar de lamp reeds stond te branden, en bekeek haar dochter met zooveel hartelijkheid alsof die evenveel jaren afwezig was geweest als het weken geduurd had.„Zoo heeft de Heere je weer veilig bij ons gebracht hè?” praatte de goedige vrouw voort. „Het is nu wel zoo'n afstand niet, maar je weet toch nooit wat er kan gebeuren! Een ongeluk ligt in een klein hoekje. Maar....”Jannetje kwam nu in de schemering, die men bij gebrek aan beter het volle licht moest noemen.„Maar... ben je... is dat?... zie ik wis of mis, heb je den eigensten hoed op?”„Neen, moeder, ik heb een nieuwen moeten koopen, want de mijne was bedorven. Kijk maar eens goed naar me! Zie je ook niet wat vreemds aan mijn mantel?”„Nou je 't zeit! Wel, heb ik van m'n leven! Je hebt een anderen mantel om! Wat is er gebeurd, kind? Je hebt toch geen ongeluk gehad?”„Dat is een heele geschiedenis, moeder. Ik ben in de modder gevallen, maar het is goed afgeloopen. Vanavond zal ik je dat eens in kleuren en geuren vertellen. Ik heb honger!... o Gelukkig, daar is vader.”De klink van de deur werd opgelicht; vader Huiskamp stapte binnen, schopte achter de voordeur de klompen uit en kwam op de dikke zwart-wollen kousen de keuken binnen.„Goeien avond,” zei vader, ging op Jannetje los, kneep haar even in den linkerwang bij wijze van welkomstkus en zei bedaard: „De Heere zegene je ingang, kind! Zoo moeder, schep nou maar op!”Huiskamp nam in zijn honderdjarigen leuningstoel aan 't hoofd van de klaptafel plaats en zette de voeten op de verwarmde koperen stoof, die voor hem gereed stond. Twee knechts en twee stevige boerendeerns kwamen binnen en schikten bij; nadat ieder hunner op z'n beurt „Dag Jannetje!” gezegd had.De reizigster had onderwijl hoed en mantel afgelegd en voor moeder de stroop uit de keukenkast genomen en op de klaptafel gezet, terwijl de vrouw des huizes de groote schaal vol karnemelk met gort opdroeg. Moeder nam rechts en Jannetje nam links naast vader plaats.De heer des huizes nam z'n pet af en bromde:„Nou!”Daardoor werden de aanzittenden uitgenoodigd zich met hem in het gebed te vereenigen.Vader Huiskamp was gewoon voor te gaan in gebed; kort, zeer kort, want anders werd de karnemelk noodeloos koud. Straks, na het eten, had men beter den tijd. Dan zou hij tot besluit van den dag nog een hoofdstuk uit de profetieën van Jeremia lezen en eindigen met een gebed, waarin letterlijk alle nood der Christenheid, voorzoover hij er mede bekend was, uitvoerig herdacht zou worden; en dán zou hij op geen vijf minuten zien.Onderwijl de karnemelk, die kokend-heet opgedaan was, een beetje besloeg, at ieder eenige ferme sneden bruine stoeten met boter; niet overmatig, maar toch zooveel dat een stadsmensen het voor dien dag daarbij maar laten zou. Toen volgde voor ieder de karnemelk, ook niet heel veel, slechts twee diepe borden vol, niet zoozeer als voedsel dan wel om „de holletjes in de maag te laten vol loopen.”Toen eindelijk avondeten en huisgodsdienstoefening afgeloopen waren, het dienstpersoneel zich verwijderd had, en moeder de vrouw bezig was voor de koffie te zorgen, stak vader een pijp op en zei: „En vertel nou' reis.”Naar eer en plicht begon Jannetje met de hartelijke groeten van oom en tante Builders over te brengen en te zeggen „dat ze allebei nu weer heelemaal beter waren.”„Scheelden ze dan wat?” vroeg moeder verwonderd.„Neen,” zei Jannetje; „ze waren heel wel; maar Zondag vóór acht dagen is tante met de koorts en erge pijn in de schouders naar bed gegaan.”„Ja, dat is koorts;” besliste vader; „dan heb je altijd pijn in je schouderbladen.”„Goed kamillendrinken en zweeten!” raadde moeder aan, alsof ze voor het ziekbed stond.„Neen,” zei Jannetje weer, „het was omdat ze zoo geslagen was, en oom....”„Kind!” riep vrouw Huiskamp. „M'n eenige zuster! Maar hoe zat dat dan?”„Laat u me nou geregeld doorvertellen,” zei Jannetje, die zich verbeeldde dat haar verslag niets aan duidelijkheid te wenschen overliet. „Waar was ik ook weer? o Ja, oom had een diepe snee boven z'n linkeroog en kwam zonder hoed thuis.”„En hoe kwam dat nu weer?” vroeg vader van uit de rookwolken, waarin hij zich gestadig hulde.„Ja, ziet u, doordat we uit de kerk kwamen,” lichtte Jannetje toe, alsof de kerk een speciale inrichting was om afgeranseld en gewond te worden.„Ik heb ook al een nieuwe hoed en mantel moeten koopen.”„Kind, je maakt me zoo ongerust!” begon moeder weer.„Vrouw, laat zij nou vertellen,” vermaande vader, wiens zenuwen sterk genoeg waren om steeds de vermaning van Salomo na te leven: „Vreest niet voor haastigen schrik.”„Kijk,” zei Jannetje, „het zit zóó: de Afgescheidenen in Amsterdam houden, omdat de stad zoo groot is, wel op twintig plaatsen kerk. En zoo waren wij dan naar mijnheer Buter in de Lindenstraat gegaan. En alles ging goed; maar voor de deur stonden ze te schelden en te vloeken en de glazen in te gooien. En omhalf-elfkwamentwee politieagenten boven, achter waar wij zaten....”„Was de deur dan open?” vroeg moeder.„Welneen, maar we merkten later dat ze de winkelkast opengebroken hadden.... en liepen naar binnen en begonnen ons allemaal met stokken te slaan, en naar buiten te duwen, en de trappen af te gooien, en de deur uit te jagen. De stoep hadden ze met boter besmeerd en we vielen allemaal naar buiten, en ze ranselden ons af, en het volk gooide met steenen en vuil. En tante, die kon zoo hard niet loopen, die goeie ziel, die kreeg van een agent een pak slaag met een stok. En ze hadden in den winkel al het aardewerk kapot geslagen, want die mijnheer Buter is winkelier in aardewerk en zulk goed, en ze gooiden ons met de stukken van zijn eigen potten en pannen, en oom kreeg een scherf boven z'n linker oog, 't was op het kantje af dat ze hem het oog uit z'n hoofd gooiden! En 's middags moest het bij oom dichtgenaaid worden; en tante ziek naar bed. Mijn kleeren waren heelemaal bedorven. Nu ik er weer zoo inkom....”Jannetje barstte in tranen uit, legde de armen op tafel en het hoofd op de armen, en begon hartstochtelijk te snikken.„Zoo, zoo!” gromde vader en smoorde zijn verontwaardiging door heftige trekken aan zijn pijp.Moeder haastte zich om wat valeriaan klaar te maken.„Hier schaap, drink 'ereis, maar dat is verschrikkelijk! Waar moet dat naar toe! Och Heere, geef uitkomst.”Jannetje hief het hoofd op, dronk werktuigelijk het rood-en-groen-gebloemde kopje leeg en kwam weer wat tot bedaren.„Ikwilnu niet langer! Ikkanniet en ikmagniet! Als je bij zoo iets bij bent geweest, dan voel je dat jedaarbij hoort! Liever met het volk Gods kwalijk gehandeld te worden dan... hoe staat het er ook weer? Werktuigen van den satan zijn ze, dáár! De Heere zal het bezoeken!”„Kind! Kind!” vermaande moeder. „Bezondig je niet! Er zijn nog heel wat ware vromen onder!”„Ja,” antwoordde het meisje, door haar rechtsgevoel en haar liefde tot Gods kinderen welsprekend gemaakt, „juist, moeder, daar heb je 't! Dat is juist de kunst van de hel! Dat gemeene volk, die dronkelappen en die slordige wijven en die straatjongens zouen niets kunnen doen als ze niet wisten dat dominees en burgemeesters het heel mooi vonden. Die agenten zouden weerlooze oude vrouwen niet doodranselen als er geen koning en geen gouverneurs en geen rechters achter zaten. Als er dan ware vromen onder zijn, dan zullen die het zwaar te verantwoorden hebben!”„En ben je den tweeden Zondag nog naar de kerk geweest?” vroeg vader, die onrustig werd en daarom beproefde Jannetjes woordenstroom in andere bedding te leiden.De goede man had echter onbewust het verkeerde middel gekozen om zijn dochter te kalmeeren.„Neen, vader; ik mocht niet van den commissaris van politie.”„Wat is dat nu weer!” vroeg moeder. „Kan de commissaris van politie je dan verbieden om naar de kerk te gaan!”„Ja, 't is toch zoo! Al de huizen, waar de Afgescheidenen gewoon zijn, worden door agenten bewaakt en Zondags wordt aan ieder, die er in gaat, z'n naam en woonplaats gevraagd; en de commissaris heeft hun laten weten, dat hij order had gekregen om voortaan geen enkelen vreemde van buiten toe te laten. Dus kon ik Zondag niet met oom en tante mee!”„Ben je dus Zondag heelemaal niet naar de kerk geweest, kind?” vroeg moeder met een zweem van afkeuring in den toon.„Neen, moeder, dat was me immers onmogelijk, zooals je ziet!”„Ende laat ons onse onderlinghe bijeenkomste niet nalaten!” zei vader, ernstig den vinger zwaaiend. „Dat is niet goed, Jannetje!”„Vader, ikkanniet meer! Ikkanniet kalm en veilig in mooie kerken zitten, al preekte daar ook een engel uit den hemel, onderwijl de kinderen Gods door de menschen, die over die kerken regeeren, als beesten verjaagd en vermoord worden!”
[1]Nauwelijks was ook in dit gedeelte van ons land door de Afgescheidenen godsdienstoefening op het water gehouden;—'t geen in andere provinciën reeds vroeger geschied was—; of de burgemeester van Bunschoten ontving de volgende aanschrijving:„No. 901. Kabinet.Utrecht 12 Mei 1837.Men heeft mij op eene indirecte wijze kennelijk gemaakt dat bij de afgescheidenen in uwe gemeente het voornemen zoude bestaan hunne godsdienstoefeningen bij daartoe gunstig weer op zee in schuiten te houden.Ik verzoek UEdg. mij te onderrigten wat hier van zij en in het bevestigende geval mij casu quo deswege eenige bijzonderheden bijv. zoo nopens hun getal, den woordvoerder en hunne verrigtingen mede te deelen.De Staatsraad-Gouverneur van de Provincie Utrecht.L. van Toulon.”
[1]Nauwelijks was ook in dit gedeelte van ons land door de Afgescheidenen godsdienstoefening op het water gehouden;—'t geen in andere provinciën reeds vroeger geschied was—; of de burgemeester van Bunschoten ontving de volgende aanschrijving:
„No. 901. Kabinet.Utrecht 12 Mei 1837.
Men heeft mij op eene indirecte wijze kennelijk gemaakt dat bij de afgescheidenen in uwe gemeente het voornemen zoude bestaan hunne godsdienstoefeningen bij daartoe gunstig weer op zee in schuiten te houden.
Ik verzoek UEdg. mij te onderrigten wat hier van zij en in het bevestigende geval mij casu quo deswege eenige bijzonderheden bijv. zoo nopens hun getal, den woordvoerder en hunne verrigtingen mede te deelen.
De Staatsraad-Gouverneur van de Provincie Utrecht.L. van Toulon.”
Het was in de laatste dagen van Maart 1837 nog alles behalve lenteweer. Slechts zoo nu en dan kwam de zon door; meestal werden zware regenvlagen afgewisseld door hevige buien van losse, natte sneeuw. De wegen waren dan ook over 't algemeen veranderd in modderpoelen, die van menschen en beesten bovenmatige inspanning eischten; al viel een ritje niet zóó bezwaarlijk als een week of vier geleden.
Den vierden Zaterdag na den dag, waarop mevrouw Karper haar bezoek aan Loosdrecht gebracht had, was voor Klaas Beukman het oogenblik gekomen om zijn reis langs „Postwinkel” naar Amsterdam te ondernemen. Den volgenden Maandag vroeg moest hij in die stad de behandeling van zijn rechtszaak bijwonen. Het gold een boete, die hij opgeloopen had voor het openzetten van zijn huis voor verboden godsdienstoefening.
Een bijzondere gunst van zijn God achtte hij het, dat juist een paar dagen tevoren plotseling en onverwacht de inkwartiering—ten minste tijdelijk—was ingetrokken, waarmede hij nu bijna zes maanden, met verkrachtingvan alle wetten des lands, gekweld geweest was. Nu kon hij tenminste met een geruster hart drie dagen van huis gaan en zijne vrouw alleen achterlaten zonder vrees voor ruwe behandeling.
Aan den morgen van Zaterdag, den 25enMaart, ongeveer te tien uur, kwam dus de oude bekende huifkar voor. Na hartelijk afscheid van zijn vrouw ging Klaas voor in de kar zitten en nam de teugels in handen. Het vriendinnetje, dat de reis onder zijn geleide maken zou, nam naast hem plaats, en Beukman reed met Jannetje Huiskamp weg.
Jannetje ging eens een paar dagen doorbrengen bij oom en tante Builders, die in een der beste straten van de Jordaan te Amsterdam in een manufacturenwinkel een behoorlijk burgerlijk bestaan vonden. Oom en tante waren altijd met haar ouders op den besten voet geweest; de Afscheiding, waartoe beiden overgegaan waren, had daarin geen wijziging gebracht. Ofschoon vader en moeder Huiskamp nu niet bij voorkeur hun dochter daar een Zondag zagen doorbrengen, hadden ze er ook geen overwegend bezwaar tegen. Hetgeen in de laatste maanden in Loosdrecht was voorgevallen, had ook op hen zijne uitwerking niet gemist; de oogen gingen hun hoe langer hoe meer open. Een bekend staatsman heeft eens gezegd: „Alle bescherming is vervolging.” Wellicht kan men nog meer naar waarheid de spreuk omkeeren en zeggen: „Alle vervolging is bescherming.” En Jannetje die heel goed wist, dat ze door die reis om zoo te zeggen midden in de Afscheiding terecht kwam, had daar eigenlijk wel eens zin aan; ze wilde wel eens met eigen oogen zien hoe het toeging in die kringen, waar..... Gerrit toe behoorde.
Een bezoek bij mevrouw Karper was nu juist niet hetgeen het eenvoudige landmeisje in de eerste plaats aantrok. Maar daar was geen ontkomen aan, en haar vriend Beukman verzekerde haar, dat dit haar erg meevallen zou.
De reizigers werden dan ook allerhartelijkst ontvangen door mevrouw, die hen, doch zonder eenige reden, reeds eenige uren vroeger verwacht had. Ze werden na de eerste begroeting door de vrouw des huizes in een groote zaal gebracht, welke naar de meening van Jannetje in ruimte en prachtige meubileering zeker niet voor de mooiste kamer in het paleis des konings behoefde onder te doen. Daar vonden ze een klein maar zeer gemengd gezelschap bijeen. Juffrouw Rika was ijverig in de weer met het schenken van koffie, die ze met een schaal vol koek door een jonge dienstbode den gasten aanbieden liet. Een paar keurig-gekleede meisjes van acht of negen jaar, blijkbaar uit den hoogeren stand, logeergasten uit Utrecht, stoeiden ongehinderd samen in een hoekje van de groote salon. Twee boeren-echtparen zaten heel gemakkelijk in gesprek met het middelpunt van den kleinen kring, een jongen man in ambtsgewaad, met scherpzinnig maar vriendelijk en openhartig voorkomen, aan wiens rechterzijde de leunstoel voor mevrouw open stond.
„Dominee Van Raalte,” sprak mevrouw Karper; „ik breng u hier mijn vriend Klaas Beukman uit Loosdrecht, en mijn jonge vriendin Jannetje Huiskamp.”
Dadelijk daarna verdween mevrouw weder om in de huishouding werkzaam te zijn. Zij bracht haar gasten bij elkaar, liet hun geheel vrij en gaf hun haar gezelschap alleen wanneer het haar volkomen gelegen kwam, dat nooitdikwijls of lang het geval was; zonder in 't minst om een hunner of om allen tezamen ook maar eenigszins van haar gewoonten af te wijken. Tenzij hooger belangen dat eischten; maar dan deed ze het niet terwille van haar gast, maar van haar Heere.
Dominee Van Raalte had dikwijls genoeg in Loosdrecht gepredikt om Beukman te kennen. Spoedig zaten die beiden in druk gesprek gewikkeld, waarin ook de twee boeren en hun echtgenooten betrokken worden. Dezen—pachters van mevrouw Karper—waren maar even over komen loopen om den predikant te begroeten, wiens leerredenen ze den volgenden dag hoopten te hooren. Ze waren bij de eigenares van de door hen bewoonde hofsteden als vrienden over huis. Er was altijd kans dat in slechte jaren de pachtsom tijdelijk daalde, maar voor opslag behoefden ze levenslang niet te vreezen.
„Ik heb verleden Zondag in Amsterdam voorgegaan,” verhaalde dominee Van Raalte; „de vervolging begint ook daar sterk te woeden. De politie heeft het gewone vergaderlokaal van de gemeente gesloten, zoodat we nu samengekomen zijn ten huize van broeder Budde aan den Nieuwe Zijds Achterburgwal bij de Gasthuismolensteeg.”
„En is de gemeente daar nog lastig gevallen, dominee?” vroeg een der pachters.
„Nog niet!” was het antwoord; „maar....”
„Maar?” vroeg Beukman. „Ik denk morgen in Amsterdam te zijn en hoop den dienst bij te wonen.”
„Dan wensch ik u van God toe, dat ge dat ongestoord zult kunnen doen, maar ik vrees er voor! Het gemeen wordt daar woelig en van overheidswege wordt nietster bescherming van Gods kerk gedaan. Er zijn morgen verscheidene plaatsen van samenkomst, bijvoorbeeld bij Budde, bij Hoogkamer, bij Buter....”
„Ook bij Buter?” viel Beukman dominee in de rede. „Ik hoop bij hem tot Maandag te logeeren. Buter in de Lindenstraat bij de Noorderkerk?”
„Dezelfde; een broeder die veel voor den naam des Heeren overheeft! En zal deze juffrouw daar ook zijn?”
„Ik ga naar mijn oom en tante Builders, dominee.”
„Dien naam herinner ik me niet. Behooren ze ook tot de onzen?”
„Ja dominee,—maar ik ben nog Hervormd.”
„Het doet me genoegen, juffrouw, dat te hooren.”
Jannetje keek den spreker verbaasd aan; ze dacht dat hij haar niet goed verstaan had.
„Ja, juffrouw; wanneer iemand zegt dat hij iets nog is, dan schijnt hij uitzicht te hebben binnen niet al te langen tijd iets anders te zijn.”
Mevrouw kwam binnen om haar gasten tot den maaltijd te noodigen.
„We eten maar vroeg,” zei ze, „want onze broeder Beukman moet nog naar Amsterdam, en zal daar zeker niet graag zoo laat aankomen.”
De beide boerenparen namen afscheid, en de overigen volgden mevrouw naar de eetzaal, een fraai vertrek met heerlijk uitzicht over een vijver en verder de buitenplaats in, dat niet minder dan de salon de bewondering van Jannetje gaande maakte.
De keurig-gedekte en rijk-voorziene tafel was in de oogen van Jannetje een ware bruiloftsdisch, maar ze gevoeldezich recht op haar gemak; van stijve of hoofsche vormen was geen sprake. Integendeel: alles—behalve de huisgodsdienst waar overvloedig tijd voor genomen werd,—ging zoo gejaagd dat van gezellige gesprekken gedurende het tafelen niets komen kon. Het sterke gestel van mevrouw kende geen vermoeidheid; haar zenuwachtigheid jaagde haar steeds voort. Des zomers verliet ze met zonsopgang haar bed en des winters kon van haar gezegd worden wat de Spreukendichter van de „deugdelijke huisvrouw” getuigt: „Zij staat op als het nog nacht is.” Maar daarom ging ze niet vroeg ter ruste; des avonds zou koning Salomo van haar geschreven hebben: „Haar lamp gaat des nachts niet uit.” Dat was niet altijd even welgevallig in de oogen harer dienstboden, die duchtig ondervonden: „Zij beschouwt de gangen haars huizes.” Maar toch hadden ze er over 't algemeen vrede mee, want het was een uitstekend-goede dienst, en geschikte dienstbodens werken gewoonlijk met lust, wanneer ze van haar meesteres verklaren kunnen: „Het brood der luiheid eet zij niet.”
Nauwelijks was de laatste der aanzittenden gereed, waarop mevrouw met kwalijk-verborgen ongeduld had zitten wachten, of het geheele dienstpersoneel werd binnengeroepen om den huisgodsdienst bij te wonen. De paar minuten, die verliepen tusschen het ontbieden en het komen van de meisjes, vulde mevrouw aan door tot Beukman te zeggen: „Vriend Beukman, dadelijk na den dienst moeten wij elkaar even spreken.”
Zoodra dominee, wien verzocht was voor te gaan, zijn gebed geëindigd had, stond mevrouw op, wenkte Beukmanen verliet door hem gevolgd het vertrek. De gasten konden zich weer vermaken, of bezighouden, of rusten, elk naar eigen keuze.
Het zou niet licht voorkomen dat mevrouw eenige afspraak vergat of eenig voorgenomen plan verwaarloosde. Ze gebruikte dus in haar onderhoud met Beukman zeker vijftien minuten—voor haar doen een langen tijd—om alles te weten te komen wat ze weten wilde omtrent den ontslagen tuinbaas te Middelburg. Hoe ze hem helpen wilde, wist ze nog niet, maar dàt ze het doen zou, stond bij haar vast. En Beukman had voortaan een adres waar hij komen kon zooveel hij wilde.
Met evenveel hartelijkheid als haar Loosdrechtsche vrienden verwelkomd waren, werden ze nu weer op reis gezonden; niet omdat mevrouw ze zoo graag vertrekken zag; maar omdat er meer te doen was, omdat ze vóór donker in Amsterdam moesten zijn en omdat het paard genoeg gerust had.
„Nu, lieve kind,” zei mevrouw tot afscheid tot Jannetje, „de Heere heilige het aan je hartje.”
Daarmee bedoelde ze niet het bezoek van heden, maar den kerkgang van morgen, en vooral de bezwaren welke die haar bezorgen kon.
De heer Buter, de vriend van Klaas Beukman, bewoonde in de Lindenstraat tusschen de Noorderkerk en de Lindendwarsstraat een vrij ruim huis. Hij had als winkelier in huishoudelijke artikelen een goed burgerbestaan. Reeds sedert het begin der beweging had hij met zijne vrouw zich van ganscher harte bij de Afscheiding aangesloten; en zij werden gerekend onder de leden, van wier standvastigheid in de vuurproef der vervolging men zich verzekerd houden kon. Dat was gelukkig niets ongewoons. De ouderling van de kleine gemeente, Wormser, die in „De Reformatie” verslag gaf van hetgeen in dit hoofdstuk verhaald wordt, kon er bijvoegen: „Sommigen onzer Amsterdamsche broeders zijn in druk en benauwdheid wegens het voorgevallene. De meesten echter staan goed, welgetroost in den Heere.”
Broeder Buter had dus niet geaarzeld, toen „de openbare vergaderplaats der gemeente te Amsterdam, tot straffe voor de openlijk daarin plaats gehad hebbende prediking, laatstelijk van den predikant de Cock, door de politie gesloten was,” zijn huis aan te bieden voor de samenkomsten.Dankbaar werd het aanbod aangenomen, want de zoogenaamde Jordaan was evenals Kattenburg rijk aan gemeenteleden; en er bestond meer dan één reden om den menschen de gelegenheid voor godsdienstoefening zoo dicht mogelijk bij hun woningen te geven; om er slechts één te noemen: hoe korter de afstand is wanneer men onder ketelmuziek, steenworpen en stokslagen naar huis gaat, des te beter.
Een ruime achterkamer was bestemd voor de te houden samenkomst, waar—ten einde alle aanmerkingen te ontgaan—behalve de leden des gezins niet meer dan negentien personen bijeen zouden zijn. Die kamer bereikte men door den winkel heen langs een trap achter in de gang.
Het ontbijt stond reeds vroeg op den morgen gereed in de voorkamer.
Toen de huisvader—het laatstgenoemde vertrek binnen getreden—even naar buiten keek, zag hij dat het weer er niet op verbeterd was. De grijze wolken, die elk zonnestraaltje onderschepten, lieten groote sneeuwvlokken los, welke onmiddellijk bij aanraking met de natte gevels, de zwart-uitgeslagen stoepen en de modderige straat wegsmolten en voortdurend de onreinheid vermeerderden. In de hoeken van de stoepen lagen restanten van het sneeuwijs der vorige dagen nog opgehoopt, vermengd met stukken baksteen, afkomstig van een huis, dat op twintig schreden afstands afgebroken werd. Alles zag er dus even treurig en triestig uit; maar toch werd de aandacht van den heer Buter tot iets anders getrokken.
„Mina!” zei hij tot zijn vrouw, die bezig was met brood snijden; „kom eens gauw even kijken. Er staan vier politieagenten voor de deur!”
„Wat blief je?” riep juffrouw Buter en liep met het mes in de hand naar het venster. „Al z'n leven! Zou er niemand door mogen?”
„Wie weet het!” antwoordde haar man, „maar het is ook mogelijk dat ze hier geplaatst zijn om ons tegen opstootjes te beschermen.”
„Het kàn zijn!” zei Klaas Beukman, die ook even was komen kijken. „Maar naar de ondervinding, die wij in Loosdrecht opgedaan hebben, zou ik je raden daar maar niet te vast op te rekenen!”
„Zou je 't ook eens even vragen, Hein?” opperde zijn vrouw.
„Dat kan in elk geval geen kwaad,” meende haar man en ging naar beneden.
Een stuk of wat straatjongens en enkele baliekluivers, die voor hun doen buitengewoon vroeg bij den weg, of waarschijnlijker sedert den vorigen namiddag nog niet thuis geweest waren, stonden met de grootste belangstelling te wachten op de dingen, die komen zouden.
Zoodra Buter de voordeur opende, schreeuwde een van de bengels: „Daar heb je den Scholtiaan!”
„Dag apenbakkes!” juichte een van z'n kornuiten.
„Mijnheer,” zei Buter tot een der agenten, „mag ik vragen waarom er politie voor mijn huis staat?”
„Om jou op te hangen!” schreeuwde een van de halfdronken kerels.
„Om de orde te bewaren;” antwoordde de man van dewet en begon heen en weer te loopen ten teeken dat de audiëntie afgeloopen was.
„Zeg Kees!” krijschte een wijf, dat in nachtjak en met uit de vuile slaapmuts hangende hairen uit een water- en vuur-kelder kwam aanloopen, „misskien lust die Skoltiaan wel een paardevijg?”
„Daar zeg je zoo wat, Mottige Mie!” bulderde Kees en bukte zich reeds om het voorgestelde projectiel te zoeken.
De politieagenten bewaarden de orde—bij zichzelven; ze stonden zoo kalm en onbeweeglijk alsof ze in een wassen-beeldenspel opgezet waren.
Buter sloot spoedig de deur; hij wist genoeg!
De huisgodsdienst vóór het ontbijt werd niet zoo maar voor den vorm gehouden! Met ernst en aandrang smeekte de huisvader, toen hij in het gebed voorging, om den bijstand des Heeren Heeren, en om de genade die noodig was ten einde geduldig en blijmoedig het lijden te verdragen, dat bijna zeker binnen enkele uren ter wille van Gods naam over hen komen zou. Hartelijk stemden zijne vrouw, zijn beide dochters, het dienstmeisje en zijn gast met hem in. De kleine groep verkwikte en versterkte zich daarna door de lezing van 1 Petr. IV:12-19:
„Geliefde, en houdt u niet vreemt over de hitte der verdruckinge onder u, die u geschiet, tot versoeckinge, als of u yet vreemts overquamen.
Maar gelyck ghy gemeynschap hebt aen het lijden Christi, also verblydt u; opdat ghy oock in de openbaringe sijner heerlickheyt u mooght verblyden ende verheugen.
Indien ghy gesmadight wordt om den name Christi, so zyt ghy saligh: want de geest der heerlyckheit en de Geest Godts rust op u, wat haer aengaet hij wort wel gelasterd, maer wat u aengaet hij wordt verheerlickt.
Doch dat niemandt van u en lyde als een doodtslager, of dief, ofte quaetdoender, ofte als een die sich met eens anders doen bemoeyt:
Maer indien yemandt lijdt als een Christen, die en schame sich niet, maer verheerlicke God in desen deele.
Want het is de tijdt dat het oordeel beginne van het huys Godts: ende indien het eerst van ons begint, welck sal het eynde sijn dergene die den Euangelio Godts ongehoorsaem sijn?
Ende indien de rechtveerdige nauwelicks saligh wort, waar sal de godtloose ende sondaer verschynen?
Soo dan oock die lyden nae den wille Godts, dat sy hare sielen hem als den getrouwen schepper bevelen met weldoen.”
Het is waar, de heer Buter las dat in oud-Hollandsch voor, en was door die gehechtheid aan de taal der vaderen wel honderd jaren bij zijn tijd ten achter. De heeren van de Haagsche Synode, die daarom met spot en verachting op hem neerzagen, schreven veel mooier Hollandsch! Zie maar eens welk ontzaglijk verschil:
„De Commissie (uit de Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk) heeft geoordeeld, eerstelijk wat betreft het houden van onwettige godsdienstige bijeenkomsten, waardoor ook in nabij gelegene provincien aanleiding tot wanorde en tot scheuring werd gegeven, Zijne Excellentie den Minister belast met de generale directievoor de zaken der Hervormde Kerk, dringend te moeten verzoeken ter aanwending van zijne tusschenkomst en veelvermogende pogingen bij Zijne Excellentie den Minister van Justitie, ten einde van wege laatstgemelde eene krachtige aanschrijving moge worden uitgevaardigd aan de officieren en ambtenaren onder deszelfs ministerieel departement, met name in de Provinciën Groningen en Drenthe behoorende, ten einde ook zonder aangifte van eenige contraventie tegen de bestaande wetten, met allen ijver werkzaam te zijn ter handhaving der artikelen 291-294 van het strafwetboek voor het koningrijk, van welk verzoek Z.Ex. den Minister van Justitie afschrift is toegezonden.
H. H. Donker Curtius,Pres.J. J. Dermout,Secr.”
Dat ouderwetsche Hollandsch van Buter is misschien vloeiender; maar die nieuwe taal van de Synode slaat er beter op los!
Even over half tien kwamen de „kerkgangers,” achttien in getal, want om gewaarborgd te zijn tegen alle spitsvondigheid werd Beukman voor den negentienden gerekend. Onder die achttien waren ook mijnheer en juffrouw Builders en Jannetje Huiskamp.
De aankomenden hadden weinig last van de kijkers, die langzamerhand sterk in aantal toegenomen waren. Ze werden alleen slechts nagejouwd en uitgescholden, terwijl een enkele maal een vuil stuk sneeuw hun om de ooren vloog. Geen hunner had eenig voordeel gehad van de aanwezigheid der politieagenten.
Op straat ging het tamelijk luidruchtig toe. Boven het gejoel en gestommel uit klonken telkens de kreten: „Coksejanen! Scholtianen! Fijne beschuiten!”[1]
„Ik zag,” zei een van de broeders: „bij Steenhorst in de Nieuwe Leliestraat ook politie voor de deur.”[2]
„En ik,” sprak een ander, „hetzelfde bij Hoogkamer op den Nieuwe Zijds Voorburgwal. De politie schijnt het zich vandaag al bijzonder aan te trekken.”
„Broeders en zusters,” zei Buter; „laat de politie voor wat ze is. Onze hulpe is in den name des Heeren, die hemel ende aerde gemaeckt heeft. Maar het is tien uur. We zullen beginnen.”
De heer Buter zou een leerrede van Van der Groe voorlezen, en opende de vergadering met gebed. In het achtervertrek hoorde men het straatrumoer wel, maar niet sterk genoeg om er ernstig door gestoord te worden. Na het gebed gaf de voorganger op te zingen Ps. 46:1.
Als ons de noot overvalt krachtigh,Ons borcht en heyl is God almachtigh;Sulcks bevinden wij in den noot,En hebben in hem troost seer groot.Dies vreesen wij in geenen dinge,Al waer 't dat de werelt verginge,En de bergen hen wierpen snelIn 't midden der zee diep en fel.
Nauwelijks waren de eerste tonen van het lied aangeheven, of een helsch geraas en getier deed zich hooren. Half-dronken leegloopers bulderden vloeken en verwenschingen; de straatjeugd maakte muziek met fluitjes en ratels; gillend en krijschend klonken de scheldwoorden der vrouwen boven alles uit. Het gerinkel van glasscherven getuigde van wat er in de voorkamer gebeurde.
„Jongens!” schreeuwden een paar kerels; „help reis een handje! Die winkelkast en de deur motte open!”
De winkelkast was op ouderwetsche wijze als balkon naar buiten gebouwd een voet of twee over de rooilijn heen. Ze was afgesloten door luiken, die aan de straatzijde waren verzekerd met ijzeren handboomen, kruiselings gelegd en van hangsloten voorzien.
De oproeping vond gretig gehoor. In een oogwenk waren een paar ijzeren bouten bij de hand om de kruisboomen te forceeren. Spoedig was dit gelukt, en nu begon een bombardement, waarvoor onmiddellijk glazen en sponningen van het winkelraam bezweken en van de uitgestalde koopwaren niets breekbaars heel bleef.
Van preeklezen was geen sprake meer. De vrienden zaten weerloos bijeen als een kuddeke, dat vreezen moest elk oogenblik door de wolven besprongen te worden.
Eindelijk trad de politie op. De hoofdagent ging voor de deur staan en hield een toespraak tot het grauw.
„Jongens, nou make jullie het wat al te bont!”
Luid gejuich volgde op deze ontboezeming.
„Hoor hèm ereis! Zeg, ouwe jongen, jij bent toch geen Skoltiaan? Kan je denken! dan was ie al lang de laanuit! Ga weg, smeris! anders krijg je bij ongeluk een steen tegen je kop!”[3]
„Wacht nou een amerijtje!” raadde de agent gemoedelijk; „dan selle me d'r een eind aan maken. Hou jullie je nou even kalm, dan gaane wij na binne!”
„Hoera! De Skoltianen komme d'r uit!”
„Ga jij gerust je gang, vader!” riep een forsche kerel. „Ik zal ze hier wel even zoet houen!”(Tot den volkshoop). „Houe jullie je pooten nou een oogenblikkie tuis! Of wat let me: je krijgt met Rooie Hannes te doen! Wie wil er een pak op z'n nuchtere maag hebben! Toone jelui nou dat er tegenonsgeen pelisie noodig is! Als je nou zoet je beurt afwacht, komme binne vijf minuten de Skoltiane buite!”
„Hoera voor Rooie Hannes! Dat beloven we je, hoor!”
„En wie heit er nou net als ikke een paar cente voor over,” ging de plaatsvervanger der politie voort, „om as ordelijke burgers de pelisie een handje te helpen? Dan sel je een grap beleven! Lange Trijn, verkoop jijmijnnou' ereis een halfpondje boter voor de laagste prijs!”
Een donderend Hoera! bewees dat de bedoeling van Rooie Hannes begrepen was. Binnen twintig tellen was Lange Trijn met de boter terug.
Onderwijl was de hoofdagent tot het besluit gekomen dat er een eind aan het relletje moest gemaakt worden.
„Mannen!” zei hij plechtig tot zijn manschappen: „wij bennen hier om wanordelijkheden te voorkomen! Nou zou d'r niks niemendal gebeurd zijn, als ze daar binnen d'rmond gehouen hadden. Maar je kon dat zingen wel een straat ver hooren! Dát maakt de lui duivelsch. Dus ze motten d'r uit! Want zij maken het oproer! Vooruit; naar binnen.”
Aan het hoofd der manschappen trad hij door de opening van de vernielde winkelkast naar binnen.
„Jullie blijven hier!” commandeerde hij twee man; „de deur open, en zorg dat er niemand van de straat binnen komt! En jij!” (tot den derden) „mee naar boven!”
De beide politieagenten, die op order van hun chef de voordeur openden, werden verrast door het zien van Mottige Mie en Lange Trui, die onder toezicht van Rooie Hannes ijverig bezig waren de stoep met boter te besmeren.
„Houe jullie je nou luikes!” raadde Rooie Hannes den agenten met een vertrouwelijk knipoogje; „dan sel je een lolletje beleven!”
De deur van de achterkamer werd opengestooten.
„Hoeveel ben jelui?” riep de hoofdagent binnenkomend, „Keyser, tel ze!”
Keyser telde. „Drie en twintig, agent!”
„Overtreding!” (Tot Buter). „Zeg jij; jij bent zeker de baas van dit honden- en apenspel?”
„Ik woon hier,” antwoordde Buter zoo kalm mogelijk.
„Dan weet je wel dat er een stuk of vier te veel benne.”
„Mijn vrouw, twee dochters, een dienstmeisje en ik zijn vijf; vijf van de drie en twintig blijft achttien.”
„Nou ja, goed! Waarom heb je de heele buurt bij elkaar geschreeuwd met je psalmenzingerij? Jullie maakt volksoploopen en oproer. Dadelijk er uit!”
„Waarom moeten....” begon Buter.
„Alla!” schreeuwde de agent, trad op den weerloozen man toe, greep hem in de borst en slingerde hem een eind de kamer door. De beide agenten trokken hun wapenstokken en begonnen woest op de vergaderden in te slaan. Menigeen liep leelijk klappen op. Ze werden de trap afgejaagd; het was meer geluk dan wijsheid dat allen beneden kwamen zonder nek, armen of beenen te breken.
't Werd er niet beter op toen ze in den winkel waren. De twee bij de voordeur geposteerde agenten voegden zich bij hun makkers en dreven de geloovigen met stooten en stokslagen naar den uitgang. Van de straat af vloog een zwerm van stukken sneeuwijs, steenen, drek en scherven van den verwoesten winkelvoorraad naar binnen.
Plotseling weerklonk een felle angstkreet. De eerste broeder, die naar buiten kwam, was op de botergladde stoep uitgegleden, en als een steen voorover tegen den grond geslagen. Juichend sleurde het grauw hem bij armen en kleederen verder. Sullend en glijdend kwamen de overigen het huis uit.
„Ruimte daar!” hoorde men eensklaps boven al het rumoer uit.
Twintig soldaten van de 18eafdeeling Infanterie kwamen de straat ingerukt. Een paar leden van de Hervormde Kerk, welke dien weg langs kwamen, hadden het godgeklaagd schandaal niet werkloos kunnen aanzien, maar waren hulp gaan halen.
De menigte week uiteen; de verdrevenen konden zich weder verzamelen. De familie Buter mocht zich weer binnenshuis begeven; ook Klaas Beukman zag gelegenheid binnen te komen; de overigen mochten zich verwijderen.Maar verder ging de zoogenaamde hulp niet; de soldaten beletten niet, dat „velen erbarmelijk werden mishandeld, in den modder geworpen, geschopt en sommigen licht gekwetst. Gods volk, ook de niet-gescheidenen, stond op straat luidkeels te weenen.” Enkele deuren in de buurt werden geopend; men riep hier en daar de vrouwen binnen om haar andere kleederen te leenen, want haar eigen plunje was zoo gehavend, dat de draagsters niet voegzaam over straat konden gaan.
Een paar der broeders begaven zich naar den commissaris van politie om hun beklag in te dienen. Den poveren uitslag van dat bezoek vindt men in de volgende woorden uit het verslag opgeteekend: „De commissaris van politie heeft uitdrukkelijk verklaard, dat hij ten deze slechts als machine handelde. Daarin heeft hij recht, dat de door ons verlatene, afhoereerende geestelijkheid, die het eerst ons ten prooi gaf aan de wereldlijke macht, meerdere schuld heeft.”
Jannetje had haar eersten kerkgang bij de Afgescheidenen achter den rug. Persoonlijk was ze er nog al goed afgekomen; alleen haar bovenkleeding was bedorven. Oom Builders bereikte blootshoofds en met een bloedigen schram boven het linkeroog zijn huis, en tante moest met bont-en-blauw-geslagen schouders en een aanval van koorts naar bed.
Maar nu wist het oprechte meisje waar zij bij behoorde! Het was reeds niet meer: die akelige Afscheiding; ook wilde ze nu niet langer „dat die Afscheiding er niet was.” Van dien morgen af behoorde zij onder degenen van welken het verslag meldt: „Van de mishandelden roemen er velen, dat zij waardig zijn geacht, om den name Christi smaadheid te dragen.”
[1]De beide eerste scheldwoorden naar de predikanten de Cock en Scholte. Ten onrechte wordt van het derde de eer der uitvinding aan Justus Van Maurik jr. toegekend.
[1]De beide eerste scheldwoorden naar de predikanten de Cock en Scholte. Ten onrechte wordt van het derde de eer der uitvinding aan Justus Van Maurik jr. toegekend.
[2]Op dien dag werden zeventien huizen, waar bekende Afgescheidenen woonden, door de politie „bewaakt.”
[2]Op dien dag werden zeventien huizen, waar bekende Afgescheidenen woonden, door de politie „bewaakt.”
[3]Smeris en klabak zijn twee Amsterdamsche vertalingen van het woord politieagent.
[3]Smeris en klabak zijn twee Amsterdamsche vertalingen van het woord politieagent.
De burgemeester van Bunschoten zat met veel gewichtigheid in zijn kamer in het Raadhuis de ingekomen stukken te lezen. Ze waren niet zeer talrijk en de inhoud had niet veel om 't lijf, zoodat de Edel Achtbare zeer spoedig met dit werk gereed zou geweest zijn, indien hij nog iets anders te doen had gehad; maar dat was het geval niet. Derhalve kon hij aan het belangrijkste van de paperassen zijn geheele aandacht geven en onmiddellijk handelend optreden.
Dat was dan ook geen kleinigheid: een schrijven van Zijne Excellentie den Gouverneur der Provincie Utrecht, den heer Van Toulon. De gouverneur was altijd zeer welwillend voor onzen burgervader; des te meer verraste en schokte hem de inhoud van dezen brief. Hij had het epistel nu wel drie maal gelezen, maar kon het zich toch niet ontveinzen: hoe poesvriendelijk de vorm ook mocht zijn, Zijn Edel Achtbare werd door Zijne Excellentie op de vingers getikt! Dat is nooit zeer aangenaam, maar een onwillekeurig verzuim is toch denkbaar en vergeeflijk; we zijn allen menschen en één mensch gaat maar ééngang! Doch nu.... eigenlijk verdacht te worden van inschikkelijkheid voor een van die verwenschte scheurmakers...hij: burgemeester, allergetrouwst dienaar van Zijne Majesteit, kerkvoogd van de „groote” kerk, persoonlijk bevriend met meer dan één lid van de Haagsche Synode; volbloed-oom van twee en neef van drie andere Hervormde predikanten... dát was om er een beroerte van te krijgen!
De burgemeester dronk een glas water en belde heftig.
De bode kwam binnen.
„Veldwachter Koelewijn!” beval Zijn Edel Achtbare norsch en kortweg.
De bode af.
„Hij moet me kalm zien!” zei de burgemeester tot zichzelf en stak gauw een versche pijp tabak op; iemand die rookt is normaal.
Veldwachter binnen; blijft in militaire houding op behoorlijken afstand van den hooggeplaatsten man staan.
„Zeg, Koelewijn, wat.... e.... wat ben jij van je geloof?”
„Hervormd, Edel Achtbare!”
„Zoo! Maar.... e.... je hoort toch in je hart eigenlijk bij dat canalje.”
Het is min of meer moeilijk om op zoo vage en zoo vleiende onderstelling te antwoorden: „Tot uw dienst, Edel Achtbare!” Veldwachter Koelewijn vergenoegde zich dus met te zeggen „Ik behoor tot de Nederlandsche Hervormde kerk, Edel Achtbare.”
„Je heult, zeg ik je, met de Separatisten!” bulderde het achtbaar hoofd der gemeente, wiens gemoed degouwsche-pijp-kalmte begon te verliezen en opnieuw de beroerte-opwinding naderde.
„Als ik zoo vrij mag zijn, Edel Achtbare, welk bewijs—”
„Welk bewijs? Je bent er orthodox genoeg voor, kerel!”
De veldwachter zweeg; het is uiterst moeilijk uit te maken hoe orthodox iemand wezen moet om met canalje te heulen.
„Nu, wat heb je daarop te zeggen? Antwoord jemijniet? Als ik één woord spreek, ben je ontslagen!”
Onwillekeurig dacht de eenvoudige veldwachter aan een ander hooggeplaatst man, die ongeveer achttien eeuwen geleden hetzelfde gezegd had tot een gevangene... tot zijn eeuwige schade.
„Edel Achtbare, ik kan niet anders zeggen dan ik u al gezegd heb!”
„Hm! Je bent een rechte sfinx!”
De veldwachter zweeg; hij was in de verte niet zoo ontwikkeld als de burgemeester en had dus niet de eer te begrijpen met welken geest of welk beest hij thans vergeleken werd.
„Kijk hier!” ging de burgervader voort, een brief in folio-formaat in de hoogte houdend. „Van hooger hand, van niemand minder dan Zijne Excellentie den Gouverneur der Provincie Utrecht; die me opdraagt ten spoedigste te berichten of veldwachter Koelewijn in betrekking alsambtenaar, dan wel alsseparatist, in de vergaderingen der scheurmakers geweest is. In het laatste geval moet ik dadelijk een ander als veldwachter voordragen en word je onmiddellijk ontslagen.”
„Edel Achtbare, ik herhaal dat ik lid ben van de HervormdeKerk en niet Afgescheiden. Maar als ik zoo vrij mag wezen te vragen of iemand mij aangeklaagd heeft..”
„Jawel, ik wil open kaart met je spelen, want ik.... wel je bent altijd goed voor je werk geweest... ik heb niets op je aan te merken. Luitenant Van der Poort is maar heel weinig ingenomen met je houding, wanneer de onwettige vergaderingen door hem ontbonden worden. Jij gaat dan zoo zacht met die snuiters om alsof ze van kraakporselein waren, en zoo wek je verdenking.”
„Edel Achtbare; ik behandel ze menschelijk.”
„Kletspraat! Je hebt je te houden aan de bevelen van den luitenant! Die heeft over je gerapporteerd aan Zijne Excellentie. Nu, jij kent luitenant Van der Poort even goed als ik als een hoogst-beschaafd man, die...”
Luid en dringend kloppen aan de deur noodzaakte den burgemeester zijn lofspraak op den luitenant af te breken. „Binnen!..... Wat is er? Ik ben immers en besogne!”
„Edel Achtbare, Sergeant Spruiter verzoekt zeer dringend dadelijk toegelaten te worden.”
„Waarom heb je hem niet gezegd dat ik in conferentie ben?”
„Dat heb ik gezegd, Edel Achtbare; het helpt niets. De sergeant zegt hij moet en zal u onmiddellijk spreken.”
„Laat hem dan maar binnen... Koelewijn, wacht even buiten.”
Eenige oogenblikken later trad de sergeant de kamer in.
„Wel sergeant?”
„Edel Achtbare! ik kom uw hulp inroepen als hoofd der politie.”
„Tegen de separatisten? Zendt luitenant Van der Poort je hierheen?”
„Verekskuseer, Edel Achtbare! Het is juist van wegens den luitenant.”
„Ja, die stuurt je hè?”
„Nogmaals verekskuseer; ik ben tijdelijk eerst-aanwezend. De luitenant is zoo raar, altemet net alsof hij niet goed bij z'n positieven is.”
„Wat blief je?”
„Jawel Edel Achtbare! Hij loopt met uw verlof al door maar te bidden en te vloeken, en z'n eigen vuistslagen te geven, en te schreeuwen en te gillen van heb-ik-jou-daar! Zoodat ik maar een man of vier bij hem gezet heb om ongelukken te voorkomen, en nu met versnelden pas bijUEdel Achtbarekwam. Ik kan geen verstandig woord aan hem kwijt raken en we hebben z'n sabel al moeten wegmoffelen, want hij wou z'n eigen tekortdoen.”
„Zoo, zoo! Goed. Ga maar vooruit, sergeant! Ik kom bij je.”
Sergeant, na militair saluut, verdween.
De burgemeester schoot zijn winterjas aan, want het was een koud dagje in Maart, en ging de kamer uit. Daar stond, volgens bekomen order, de veldwachter totdat hij weer binnengeroepen zou worden.
„Ga maar mee, Koelewijn,”zei de burgemeester, haastig voortloopend; „er schijnt iets met luitenant Van der Poort niet in orde te zijn.”
Het tooneel, dat burgemeester en veldwachter een minuut of tien later te zien kregen, toen ze de kamer binnentraden waar de luitenant zich bevond, was wel geschiktom hun, ieder op z'n eigen manier, aan het zooeven gehouden gesprek te herinneren.
Tusschen het venster en den schoorsteen tegen den muur, in een grooten leuningstoel, zat de luitenant in volle uniform. Zijn beenen waren met een strik aan elkaar gesnoerd; aan elken arm werd hij door een sterken soldaat vastgehouden. De mannen moesten alle kracht inspannen om hem meester te blijven. In het vuurrood gelaat rolden de oogen woest heen en weer. Onophoudelijk vervulde de ongelukkige het vertrek met zijn gebrul.
„Verloren! Verloren! Ik heb ze uit elkaar laten ranselen! Ik heb de gemeente van den levenden God vervolgd! Voor eeuwig verdoemd! Ik heb zijn oogappel aangeraakt! Voor mij is geen vergeving! Verloren! Verloren!”
De burgemeester beproefde een paar woorden tot hem te spreken, maar vergeefs. De krankzinnige gaf geen enkel blijk dat hij er iets van begreep, maar bleef onafgebroken zijn wanhoopskreten uitstooten.
„Haal een rijtuig!” beval de burgemeester den veldwachter.
Geen half uur daarna reed een gesloten wagen, met twee paarden bespannen, zoo snel mogelijk den weg op naar Utrecht. Aan handen en voeten geboeid, door drie zijner soldaten in bedwang gehouden, werd de luitenant overgebracht. Voorop naast den boer, die als koetsier dienst deed, zat veldwachter Koelewijn met het bevelschrift en de overige noodige papieren van den burgemeester in den zak.
Z.Exc. de gouverneur des konings in de provincie Utrecht kreeg op zijn schrijven aan den burgemeester van Bunschoten om inlichtingen omtrent den veldwachter Koelewijn twee antwoorden; dat is een meer dan hij verwacht had en evenzeer een meer dan hij begeerde.
De burgemeester berichtte hem dat hij onmiddellijk het strengste onderzoek ingesteld had, maar totnogtoe geen redenen gevonden om den veldwachter voor ontslag voor te dragen. De zaak bleef hem echter, zooals vanzelf sprak, „een punt van voortdurende waarneming”.
Doch ongeveer terzelfder tijd kwam er een brief van iemand, die zich Jan Verlinden noemde en zich bekend maakte als ondermeester aan de school te Bunschoten. Naar het scheen had dat jonge mensch heel wat noten op z'n zang. De stijl van den brief was goed, maar de inhoud alleronbetamelijkst. Genoemde Jan Verlinden schreef dat de veldwachter alleen daarom zich aan het hoofd der patrouilles bevonden had, omdat de gescheidenen aan den burgemeester betuigd hadden, dat ze voortaan voor elken soldaat, die zonder van burgemeester of politieagentvergezeld te zijn, binnendringen wilde ter storing van de godsdienstoefening, zooals meermalen had plaatsgehad, hunne woning zouden sluiten.
Z.Exc. kon niet anders dan volmondig erkennen dat de gescheidenen in dit opzicht de letter der wet in hun voordeel hadden. Maar Z.Exc. had, evenals al zijn geestverwanten en in 't algemeen alle verlichte menschen, een afkeer van letterknechterij. Z.Exc. en zijn vrienden hadden wel iets van den schooljongen, die de volgende beschrijving van den kreeft gaf: „De kreeft is een roode visch, die altijd achteruit loopt.” Waarop de examinator antwoordde: „De kreeft is geen visch maar een schaaldier, hij is rood alleen wanneer hij gekookt is, en heeft slechts den schijn van achteruit te loopen; overigens is het antwoord heel goed.” Want volgens deletterder wet was geen der samenkomsten van de gescheidenen een „associatie”; volgens deletterder wet mochten minder dan twintig personen vrijelijk samenkomen; volgens deletterder wet is achttien en al wat daaronder is minder dan negentien; volgens deletterder wet moest alle inkwartiering gelijkelijk over de inwoners van een plaats verdeeld worden; volgens de letter der wet moesten alle inkwartieringskosten behoorlijk vergoed worden; en volgens deletterder wet behoefde niemand een soldaat of een patrouille zonder burgemeester of veldwachter met schriftelijke volmacht van den burgemeester in zijn huis toe te laten. Doch: „de letter doodt, maar de geest maakt levend;” Z.Exc. was niet de eerste en zou de laatste niet zijn van de ongeloovigen, die dezen tekst uit Gods Woord misbruiken zoo dikwijls het in hunkraam tepaskomt om hun eigen willekeur goed te praten.
Wat Z.Exc. echter geheel van zijn stuk bracht, dat was het slot van den brief. Hij kon zijn eigen oogen niet gelooven! „Overigens kan Uwe Excellentie er verzekerd van zijn, dat de door haar gezonden militairen gezegende werktuigen zijn om Sion uit te breiden.”
Zoo'n kwajongen! Hij zou antwoord hebben!
En hij kreeg antwoord.
Den 14enApril 1837 ontving Jan Verlinden een briefje van den schoolopziener in het 3e district Utrecht, waarin hem gemeld werd, „dat het Gouvernement plan had hem de school te ontzeggen,niet zoozeerom zijn godsdienstige denkwijze, dan wel omdat hij bevonden werd zich tegen het Gouvernement aan te kanten. Hem werd nog gelegenheid gegeven om te verklaren of hij voortaan aan den wil van het Gouvernement zich zou zoeken te onderwerpen, dan of hij dacht voor te gaan met hetzelve tegen te werken.”
„Zou dit briefje”—zoo vroeg de jonge man zich af—„ook in verband kunnen staan met hetgeen gisteren gebeurd is?”
Dien dag had hij gedwongen te Amersfoort doorgebracht. Jan Verlinden was een paar weken geleden aangeklaagd dat hij in een godsdienstige samenkomst, den 19enMaart gehouden en uiteengejaagd, een der militairen een duw gegeven had. Indien dit vergrijp bewezen kon worden, zou het hem eenige maanden gevangenisstraf op den hals halen. Zijn vijanden twijfelden niet aan dien afloop want drie van de toen aanwezige militairen hadden de aanklacht van hun makker met eede bevestigd.Men keek dus heel verwonderd toen de jonge man bewijzen kon dat hij op 'tzelfde oogenblik, waarop hij het vergrijp gepleegd hebben zou, zich in een ander huis te Bunschoten bevond. Aangezien Afgescheidenen, in hoeveel opzichten ook van Hervormden verschillend, toch dit met hen gemeen hebben, dat ze zich niet op twee plaatsen tegelijk bevinden kunnen, werd Jan Verlinden door de Rechtbank vrijgesproken.
De jonge man verzuimde niet den schoolopziener te antwoorden—alweer een antwoord dat eigenlijk zoo'n Afgescheiden meester niet voegde. Hij schreef „dat hij zich met die zaak niet kon of mocht inlaten tenzij hij schriftelijk verstaan had,welkebeschuldigingen of bezwaren het Gouvernement tegen zijn persoon had en of die van zulk een aard konden zijn om hem de school te ontzeggen.”
De kleine gemeente onder het kruis had, tegen alle verwachtingen in, het heerlijk Pinksterfeest betrekkelijk ongestoord kunnen vieren. Alleen was op den eersten dag ten huize van een der broederen een godsdienstoefening op zeer bijzondere wijze gestoord. Slechts negentien personen waren aanwezig, maar luitenant Van der Does, de opvolger van den ongelukkigen krankzinnige, had goedgevonden „ter voorkoming van overtreding,” niet alleen een militaire wacht voor het huis te plaatsen, maar ook twee militairen in de kamer te posteeren. Deze hielden zich rustig tot ongeveer in het midden der oefening, toen plotseling de vergaderden opgeschrikt werden door een hunner, die zoo luid mogelijk riep:
„Wonen alle die hier zijn in Bunschoten?”
„Ik zou u wel willen verzoeken,” sprak de dienstdoende ouderling, „onze godsdienstoefening niet te storen.”
Zonder antwoord te geven trad de soldaat op een bejaarde vrouw toe, die onder het gehoor zat, legde haar de hand zwaar op den schouder en vroeg: „Waar woon jij?”
„In Spakenburg!” antwoordde ze verschrikt.
„Direct er uit!” schreeuwde hij, greep haar bij den arm, noodzaakte haar op te staan, duwde haar de kamer door en wierp haar met een flinken zet de deur uit.
„Ga nou je gang maar!” veroorloofde hij genadig den ouderling.
Zulke rechtsverkrachting werd evenwel onder de kleinigheden gerekend.
„De groote vraag is echter,” merkte Jan Verlinden aan, „of de soldaat op eigen gezag gehandeld dan wel een order van den luitenant uitgevoerd heeft.”
Dat zou niet lang een open vraag blijven.
Den avond vóór Pinkster waren de infanteristen Pronkert en Drieling ingekwartierd bij W. van der Kolk, ontvanger der Eem- en havengelden. Het viel den geplaagden landbouwer, die klein behuisd was, moeilijk genoeg om de beide manschappen behoorlijk onderdak te brengen, doch de mannen waren zeer handelbaar en tevreden met hun logies.
Laat in den namiddag van Dinsdag na Pinkster, den 16enMei, zaten de huisgenooten, terwijl de ingekwartierden afwezig waren, rustig bijeen.
„O,wat gebeurt daar!” riep plotseling de huismoeder.
Hevig geklop en gebons op de voordeur werd gehoord. Twee stemmen schreeuwden door elkaar: „Doe voor dedie en dat dadelijk open, ellendelingen! Wou je de militairen buitensluiten? Open, zeg ik je, ontuig! of we trappen de deur in! En dan rijgen we je een voor een aan de bajonet!”
De gruwelijkste vloeken doorspekten deze bedreigingen. Soms werd alles onverstaanbaar gemaakt door de kolfstooten, waarmee de deur gerammeid en deerlijk beschadigd werd.
Van der Kolk ijlde naar de voordeur en riep door het sleutelgat: „Heeren, weest zoo goed als naar gewoonte de zijdeur door te komen, langs het kantoor; deze deur gaat nooit open.”
„Verwaande kwast!” werd hem als antwoord tegengebruld. „Kommandeer jij ons? Dadelijk open of.... Ik verkieshierin te komen, begrijp je!”
De deur kraakte onder de slagen en de trappen. Ten einde erger te voorkomen, haastte de huisheer zich de deur open te sluiten.
Hij werd opzij geworpen, de beide militairen stapten de huiskamer binnen en vielen op een paar stoelen neder.
„Een beetje op zij!” grauwde Pronkert de vrouw des huizes toe. „Sta maar 'reis op, lui oud wijf, en breng brood, boter en een paar goeie porties vleesch.”
„En jij, vrome non!” beval Drieling tegen een der dochters, „dadelijk een flesch of wat goed-belegen bier!” (Tot den zoon des huizes): „Hier, kwajongen; zet even netjes die twee geweren daar in den hoek!”
Zooveel mogelijk werden de bevelen gehoorzaamd. Men wist uit anderer ondervinding dat ergerlijke mishandelinghet gevolg van tegenstribbelen kon zijn. De beide kerels waren echter zoo welwillend ditmaal met ham inplaats van versch vleesch genoegen te nemen.
Nadat ze onder ruwe scherts naar hartelust gegeten en gedronken hadden, nam Drieling het woord.
„Zeg eens, oude jongen; ik verkies niet langer in dat hok te slapen, waar we nu drie nachten gelegen hebben.”
Een vrij-groote kamer was ter beschikking van de manschappen gesteld, maar de zoon des huizes moest daar ook slapen, waartegen de beide soldaten totnogtoe geen bezwaar gehad hadden.
„Heeren, wij zijn klein behuisd; er is geen andere kamer.”
„Kom, Drieling,” zei Pronkert tot zijn kameraad, „dan zullen we zelf maar even dat zaakje opknappen.”
Ze liepen de kamer uit, maar kwamen na enkele minuten weer binnen.
„Scholtiaan,” riep Pronkert, „dat kantoor van je is ruim en goed; daar is ook een bedstee. Je wijf maakt daar dadelijk een bed in de bedstee en een veldbed op den grond, hoor je! Dan zullen m'n kameraad en ik voorloopig er genoegen mee nemen om samen in één kamer te slapen. En dan mag je nog van geluk spreken dat je zoo schappelijk behandeld wordt.”
„Mijnheer, dat is het kantoor voor mij als ontvanger van de Eem- en havengelden; daar heb ik geen beschikking over.”
„Dat hoeft ook niet, vrome kwezel!” grijnsde de andere soldaat. „Wijbeschikken er over en dat is voor jou voldoende.”
„Mijnheer; ik mag wezenlijk niet....”
„Kom Pronkert!” zei Drieling, „dan moeten we zelf maar even het beddegoed halen!”
„O neen!” riep de huismoeder verschrikt.
Drieling schaterde van 't lachen. „Als je ze een handje helpen wil, is 't ook weer niet goed! Vooruit dan, geliefde zuster!”
De slaapplaatsen werden in het kantoor in orde gemaakt. Naar het scheen kwam nu de woestheid van de beide militairen een weinig tot bedaren.
's Avonds zaten ze bij de huisgenooten een pijp te rooken. Jan Verlinden was zijn vrienden eens komen bezoeken, en zat ook in 't gezelschap.
„Ik hoop dat alles nu naar genoegen is?” vroeg Van der Kolk.
„Och!” zei Pronkert, „ik geloof niet dat je anders zooveel last van mijn en m'n kameraad gehad hebt, wel vadertje?”
„Neen,”vulde Drieling aan; „er zijn wel kwaadaardiger rakkers in onze compagnie, al zeg ik 't zelf.”
„Nu de vrienden er toch over doorpraten,”ging Van der Kolk voort; „moet ik eerlijk zeggen dat wij het ons ook al niet begrijpen konden.”
„Ja, maar wat moet je doen!” zuchtte Pronkert; „ik ga ook niet graag een week of wat de doos in!”
„En waarom zou je de doos ingaan, vrind?” vroeg Van der Kolk.
„Kijk, het zit 'm zóó!” lichtte de soldaat toe. „We hadden order van den luitenant om niet anders dan door de voordeur naar binnen te willen...”
„En,”voegde Drieling er bij, „om eigenlijk met alles ontevreden te wezen en het je zoo lastig mogelijk te maken.”
„Maar dat mag de luitenant toch niet bevelen!” riep Verlinden verontwaardigd.
„Ja wat mag of niet mag! Daar heeft een gewoon soldaat geen zeggen of oordeelen over,” hernam Drieling. „In dienst heb je te doen wat je geheeten wordt. Ik wil je dan ook wel zeggen dat ik voor mij er met plezier voor teekenen wil om m'n heele verdere leven alle nachten zoo goed te liggen als de laatste drie nachten.”
„Nu begrijp ik er niets meer van!” riep Van der Kolk; „en er moest met alle geweld een andere slaapplaats voor je klaargemaakt worden!”
„Wat zal ik je zeggen!” antwoordde Drieling, „je kan me gelooven, heel veel soldaten hebben er een broertje aan dood om jullie zoo'n overlast aan te doen. Voor mijn part mag je dag en nacht psalmen zingen en bidden, zie je! Je mag het laten óók, zie je! Mijn 'n zorg! Maar ik kan je met een woord van waarheid verklaren, dat de luitenant ons heel pertinent bevel gegeven heeft om zoo tegen je tekeer te gaan; niet waar, Pronkert?”
„Ja”; beaamde deze; „hij zei: jullie bent veel te zacht voor dat ontuig! Ik verkies dat je een beetje den beest speelt en ze 'reis frisch uitvloekt en niet met alles tevreden bent. Dat waren z'n eigen woorden. En anders, zei hij, zal ik zorgen dat je een maand de kast ingaat!”
Een geweldige stoot tegen de voordeur schrikte het gezelschap op. Van der Kolk ging naar voren om maar dadelijk open te doen. De luitenant in eigen persoon trad binnen, liep den huisvader onderst-boven en kwam de kamer in.
„Gaat alles goed?” vroeg hij aan de mannen, die onmiddellijk militaire houding aangenomen hadden.
„Opperbest, luitenant!”
„Gedaan zooals ik bevolen heb?”
„Ja, luitenant.”
„Nu... niet te zoetsappig, hoor jongens?”
De luitenant wilde vertrekken, maar de jonge Verlinden trad hem in den weg.
„Luitenant, wat hier vanmiddag op uw bevel geschied is, noem iklaag!”
Tot antwoord ontving hij een ribbestoot, die hem wankelen deed. De luitenant verliet hoonlachend kamer en huis.
„Jongeheer!” waagde Pronkert te zeggen, zoodra de officieele beul verdwenen was, „je hebt geen ongelijk; maar 't zalmijbenieuwen of dát je niet opbreken zal!”
Het bleek weldra dat de soldaten hun luitenant goed kenden.
Twee dagen later kreeg Verlinden een dagvaarding thuis tegen Vrijdag den 9enJuni 1837 voor de correctioneele Rechtbank te Amersfoort, wegens beleediging van een officier in functie. Ter terechtzitting werden alle feiten wederzijds erkend. Verlinden had dus gemeend dat de Rechtbank in elk geval zeer verzachtende omstandigheden in aanmerking nemen zou. Maar den 15dendier maand werd hij veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf en de kosten van het proces. Zooals men denken kan, ging hij in hooger beroep.
De straf voor die laatste oproerige handeling bleef niet uit. Den 20enJuni kreeg Gerrit Beukman, de hoofdonderwijzer, een brief van den volgenden inhoud:
„Amersfoort, 19 Junij 1837.
Deze is dienende om u kennis te geven, dat de naar aanleiding van art. 6 van het huishoudelijk schoolreglement voor de provincie Utrecht, door mij verleende goedkeuring tot het opnemen van uwen ondermeester wordt ingetrokken, u verzoekende en desnoods gelastende, na ontvangst dezer denzelven als zoodanig niet verder op uwe school werkzaam te doen zijn, totdat door mij of door de provinciale Commissie van onderwijs, ten dezen nader zal zijn gedisponeerd. Van den ontvangst dezes, verzoek ik u mij bericht te geven.
De Heer Burgemeester is door mij uitgenoodigd, mij van de niet nakoming van boven vermelden last onverwijld kennis geven.
De schoolopziener van het 3edistr. Utrecht,H. G. Schluiter.”
De ondermeester was dus ontslagen zonder vorm van proces en zonder opgave van redenen. De eenige van wien hij zelf het vernam, was de hoofdonderwijzer.
Den 20enJuli diende zijn zaak in hooger beroep in Amsterdam. Hij werd veroordeeld tot eene maand gevangenisstraf en de kosten. Het vonnis werd onmiddellijk tenuitvoergelegd.
Aan den avond van den 19enAugustus keerde Verlinden uit de gevangenis te Bunschoten terug, om daar.... in de eerste plaats te zorgen voor de betaling van de proceskosten en daarna te zien hoe hij nu verder aan den kost komen zou.
„Zoo meid, daar hebben we je gezond en wel terug! Nou, je hebt het uitgehouden, moet ik zeggen!” Met die woorden gaf moeder Huiskamp haar Jannetje eenige hartelijke zoenen, toen ze Zaterdagsavonds, na veertiendaagsch verblijf in Amsterdam, het ouderlijk huis weer binnentrad. „Kijk, kind, je bent op een mooien tijd thuis. Vader komt er aan; ik zou net de karnemelk opdoen. Wat blijft het nog vroeg donker worden, hè! Kom bij het licht!”
Moeder nam haar mee naar binnen, waar de lamp reeds stond te branden, en bekeek haar dochter met zooveel hartelijkheid alsof die evenveel jaren afwezig was geweest als het weken geduurd had.
„Zoo heeft de Heere je weer veilig bij ons gebracht hè?” praatte de goedige vrouw voort. „Het is nu wel zoo'n afstand niet, maar je weet toch nooit wat er kan gebeuren! Een ongeluk ligt in een klein hoekje. Maar....”
Jannetje kwam nu in de schemering, die men bij gebrek aan beter het volle licht moest noemen.
„Maar... ben je... is dat?... zie ik wis of mis, heb je den eigensten hoed op?”
„Neen, moeder, ik heb een nieuwen moeten koopen, want de mijne was bedorven. Kijk maar eens goed naar me! Zie je ook niet wat vreemds aan mijn mantel?”
„Nou je 't zeit! Wel, heb ik van m'n leven! Je hebt een anderen mantel om! Wat is er gebeurd, kind? Je hebt toch geen ongeluk gehad?”
„Dat is een heele geschiedenis, moeder. Ik ben in de modder gevallen, maar het is goed afgeloopen. Vanavond zal ik je dat eens in kleuren en geuren vertellen. Ik heb honger!... o Gelukkig, daar is vader.”
De klink van de deur werd opgelicht; vader Huiskamp stapte binnen, schopte achter de voordeur de klompen uit en kwam op de dikke zwart-wollen kousen de keuken binnen.
„Goeien avond,” zei vader, ging op Jannetje los, kneep haar even in den linkerwang bij wijze van welkomstkus en zei bedaard: „De Heere zegene je ingang, kind! Zoo moeder, schep nou maar op!”
Huiskamp nam in zijn honderdjarigen leuningstoel aan 't hoofd van de klaptafel plaats en zette de voeten op de verwarmde koperen stoof, die voor hem gereed stond. Twee knechts en twee stevige boerendeerns kwamen binnen en schikten bij; nadat ieder hunner op z'n beurt „Dag Jannetje!” gezegd had.
De reizigster had onderwijl hoed en mantel afgelegd en voor moeder de stroop uit de keukenkast genomen en op de klaptafel gezet, terwijl de vrouw des huizes de groote schaal vol karnemelk met gort opdroeg. Moeder nam rechts en Jannetje nam links naast vader plaats.
De heer des huizes nam z'n pet af en bromde:„Nou!”Daardoor werden de aanzittenden uitgenoodigd zich met hem in het gebed te vereenigen.
Vader Huiskamp was gewoon voor te gaan in gebed; kort, zeer kort, want anders werd de karnemelk noodeloos koud. Straks, na het eten, had men beter den tijd. Dan zou hij tot besluit van den dag nog een hoofdstuk uit de profetieën van Jeremia lezen en eindigen met een gebed, waarin letterlijk alle nood der Christenheid, voorzoover hij er mede bekend was, uitvoerig herdacht zou worden; en dán zou hij op geen vijf minuten zien.
Onderwijl de karnemelk, die kokend-heet opgedaan was, een beetje besloeg, at ieder eenige ferme sneden bruine stoeten met boter; niet overmatig, maar toch zooveel dat een stadsmensen het voor dien dag daarbij maar laten zou. Toen volgde voor ieder de karnemelk, ook niet heel veel, slechts twee diepe borden vol, niet zoozeer als voedsel dan wel om „de holletjes in de maag te laten vol loopen.”
Toen eindelijk avondeten en huisgodsdienstoefening afgeloopen waren, het dienstpersoneel zich verwijderd had, en moeder de vrouw bezig was voor de koffie te zorgen, stak vader een pijp op en zei: „En vertel nou' reis.”
Naar eer en plicht begon Jannetje met de hartelijke groeten van oom en tante Builders over te brengen en te zeggen „dat ze allebei nu weer heelemaal beter waren.”
„Scheelden ze dan wat?” vroeg moeder verwonderd.
„Neen,” zei Jannetje; „ze waren heel wel; maar Zondag vóór acht dagen is tante met de koorts en erge pijn in de schouders naar bed gegaan.”
„Ja, dat is koorts;” besliste vader; „dan heb je altijd pijn in je schouderbladen.”
„Goed kamillendrinken en zweeten!” raadde moeder aan, alsof ze voor het ziekbed stond.
„Neen,” zei Jannetje weer, „het was omdat ze zoo geslagen was, en oom....”
„Kind!” riep vrouw Huiskamp. „M'n eenige zuster! Maar hoe zat dat dan?”
„Laat u me nou geregeld doorvertellen,” zei Jannetje, die zich verbeeldde dat haar verslag niets aan duidelijkheid te wenschen overliet. „Waar was ik ook weer? o Ja, oom had een diepe snee boven z'n linkeroog en kwam zonder hoed thuis.”
„En hoe kwam dat nu weer?” vroeg vader van uit de rookwolken, waarin hij zich gestadig hulde.
„Ja, ziet u, doordat we uit de kerk kwamen,” lichtte Jannetje toe, alsof de kerk een speciale inrichting was om afgeranseld en gewond te worden.„Ik heb ook al een nieuwe hoed en mantel moeten koopen.”
„Kind, je maakt me zoo ongerust!” begon moeder weer.
„Vrouw, laat zij nou vertellen,” vermaande vader, wiens zenuwen sterk genoeg waren om steeds de vermaning van Salomo na te leven: „Vreest niet voor haastigen schrik.”
„Kijk,” zei Jannetje, „het zit zóó: de Afgescheidenen in Amsterdam houden, omdat de stad zoo groot is, wel op twintig plaatsen kerk. En zoo waren wij dan naar mijnheer Buter in de Lindenstraat gegaan. En alles ging goed; maar voor de deur stonden ze te schelden en te vloeken en de glazen in te gooien. En omhalf-elfkwamentwee politieagenten boven, achter waar wij zaten....”
„Was de deur dan open?” vroeg moeder.
„Welneen, maar we merkten later dat ze de winkelkast opengebroken hadden.... en liepen naar binnen en begonnen ons allemaal met stokken te slaan, en naar buiten te duwen, en de trappen af te gooien, en de deur uit te jagen. De stoep hadden ze met boter besmeerd en we vielen allemaal naar buiten, en ze ranselden ons af, en het volk gooide met steenen en vuil. En tante, die kon zoo hard niet loopen, die goeie ziel, die kreeg van een agent een pak slaag met een stok. En ze hadden in den winkel al het aardewerk kapot geslagen, want die mijnheer Buter is winkelier in aardewerk en zulk goed, en ze gooiden ons met de stukken van zijn eigen potten en pannen, en oom kreeg een scherf boven z'n linker oog, 't was op het kantje af dat ze hem het oog uit z'n hoofd gooiden! En 's middags moest het bij oom dichtgenaaid worden; en tante ziek naar bed. Mijn kleeren waren heelemaal bedorven. Nu ik er weer zoo inkom....”
Jannetje barstte in tranen uit, legde de armen op tafel en het hoofd op de armen, en begon hartstochtelijk te snikken.
„Zoo, zoo!” gromde vader en smoorde zijn verontwaardiging door heftige trekken aan zijn pijp.
Moeder haastte zich om wat valeriaan klaar te maken.
„Hier schaap, drink 'ereis, maar dat is verschrikkelijk! Waar moet dat naar toe! Och Heere, geef uitkomst.”
Jannetje hief het hoofd op, dronk werktuigelijk het rood-en-groen-gebloemde kopje leeg en kwam weer wat tot bedaren.
„Ikwilnu niet langer! Ikkanniet en ikmagniet! Als je bij zoo iets bij bent geweest, dan voel je dat jedaarbij hoort! Liever met het volk Gods kwalijk gehandeld te worden dan... hoe staat het er ook weer? Werktuigen van den satan zijn ze, dáár! De Heere zal het bezoeken!”
„Kind! Kind!” vermaande moeder. „Bezondig je niet! Er zijn nog heel wat ware vromen onder!”
„Ja,” antwoordde het meisje, door haar rechtsgevoel en haar liefde tot Gods kinderen welsprekend gemaakt, „juist, moeder, daar heb je 't! Dat is juist de kunst van de hel! Dat gemeene volk, die dronkelappen en die slordige wijven en die straatjongens zouen niets kunnen doen als ze niet wisten dat dominees en burgemeesters het heel mooi vonden. Die agenten zouden weerlooze oude vrouwen niet doodranselen als er geen koning en geen gouverneurs en geen rechters achter zaten. Als er dan ware vromen onder zijn, dan zullen die het zwaar te verantwoorden hebben!”
„En ben je den tweeden Zondag nog naar de kerk geweest?” vroeg vader, die onrustig werd en daarom beproefde Jannetjes woordenstroom in andere bedding te leiden.
De goede man had echter onbewust het verkeerde middel gekozen om zijn dochter te kalmeeren.
„Neen, vader; ik mocht niet van den commissaris van politie.”
„Wat is dat nu weer!” vroeg moeder. „Kan de commissaris van politie je dan verbieden om naar de kerk te gaan!”
„Ja, 't is toch zoo! Al de huizen, waar de Afgescheidenen gewoon zijn, worden door agenten bewaakt en Zondags wordt aan ieder, die er in gaat, z'n naam en woonplaats gevraagd; en de commissaris heeft hun laten weten, dat hij order had gekregen om voortaan geen enkelen vreemde van buiten toe te laten. Dus kon ik Zondag niet met oom en tante mee!”
„Ben je dus Zondag heelemaal niet naar de kerk geweest, kind?” vroeg moeder met een zweem van afkeuring in den toon.
„Neen, moeder, dat was me immers onmogelijk, zooals je ziet!”
„Ende laat ons onse onderlinghe bijeenkomste niet nalaten!” zei vader, ernstig den vinger zwaaiend. „Dat is niet goed, Jannetje!”
„Vader, ikkanniet meer! Ikkanniet kalm en veilig in mooie kerken zitten, al preekte daar ook een engel uit den hemel, onderwijl de kinderen Gods door de menschen, die over die kerken regeeren, als beesten verjaagd en vermoord worden!”