„Ho, ho!” berispte vader haar, „ik zal de laatste wezen om het goed te praten, maar we moeten oppassen dat we niet overdrijven.”„Ik overdrijf niet, vader. Maar wij weten niet wat er zoo allemaal gebeurt. Daar heb je het geval nog pas-geleden in Kesteren. Dat is verleden week gebeurd en het werd ons verteld door de familie van de menschen. Daar waren nu Woensdag vóór acht dagen des avonds negentien menschen bij elkaar;—ik kan den naam je noemen, bij een kleinen landbouwer Arie de Weert. Zehoorden wel veel rumoer om het huis heen maar gingen voort met preeklezen. Eindelijk hoorden ze lawaai op het dak; niet anders te denken dan het was de wind, want het woei hard. Maar jawel; is 't niet Godgeklaagd? ineens zagen ze vuur. Het heele dak en het achterhuis stonden in volle vlam. Nog net bijtijds konden de geloovigen het huis uit vluchten. Niemand stak een hand uit om te blusschen. Niets is er gered dan het eenige koebeest van de Weert. Ze zouden nu moeten bedelen als er geen Afgescheidenen waren!.... Ik.... ikwilenzalniet langer bij de vervolgers hooren!”Jannetje stampte met den voet op den grond; vader en moeder zaten bedrukt te kijken. Gedurende de eerstvolgende minuten zwegen allen.„Ja, ja!” zei vader Huiskamp eindelijk, „er gebeurt al wat in de wereld!”Zoomin zijn vrouw als zijn dochter gevoelden zich geroepen dit tegen te spreken of te bevestigen.„Drink je koffie eens leeg, beste meid,” zei moeder. „'t Is jammer, niet waar vader? dat zij Zondag niet hier was.”„Hoe dat zoo moeder?” vroeg Jannetje.„Omdat we Zondag morgen nog zoo'n mooie preek van onzen dominee gehoord hebben, ook zoo wat over hetzelfde,” hernam moeder terwijl ze voor alle drie de kommetjes inschonk; „je kreeg er zoo'n inzicht in, zie je.”„Ja,” zei vader, „een dierbare tekst.”„Lees 'm 'reis voor, vader,” vroeg vrouw Huiskamp. Haar man greep den Statenbijbel, die naast het pijpenrek op een kastje stond, sloeg dien open en begon: „Hier heb je het: uit Johannes zes:Van doen af gingen vele syner discipelen terugge ende wandelden niet meer met hem.Jezus dan seyde tot de twaelve: wilt ghijlieden oock niet wechgaen?Simon Petrus dan antwoordde hem: Heere, tot wien sullen wij henengaen? ghij hebt de woorden des eeuwigen levens.Ende wij hebben gelooft ende bekent, dat ghij sijt de Christus de Sone des levendigen Godts.”Vader sloot het heilige boek en zette het weder op zijn plaats.„Dierbaar hè?” vroeg moeder aan Jannetje.„Ja moeder, die tekst is mooi genoeg,” stemde haar dochter toe.„Het wás ook mooi!” zei vrouw Huiskamp weer.„Dat kan wel, moeder,” hernam Jannetje; „maar ik zie nog niet hoe dat iets met de Afscheiding te maken heeft.”„Zie je dát niet, kind? Hoe is 't mogelijk! Hoe dat de Heere Jezus hier nu niet meer lichamelijk rondwandelt, maar hoe dat hij toch in zijn kerk gebleven is en altijd blijven zal; en hoe dat die nu hier de wereld doorgaat, en hoe dat..... ik kan het allemaal niet zoo zeggen!... hoe dat er toen ook al een Judas bij was; en de Heere Jezus dat heel goed wist en hij hem toch niet uit zijn kerk uitstootte; en hoe dat... zie je... als nou maar de ware belijders... e... begrijp je?”Moeder bleef in het schema van de preek steken. „Ik begrijp het nog niet,” zei Jannetje lastig.„Nou,” vulde vader aan; „als die nou maar op de vraag:„Wilt gijlieden ook niet weggaan?” met Petrus zeggen: „Neen, Heere!””Jannetje zweeg.„En getrouw, hè vader?” begon vrouw Huiskamp weer. „Getrouw! Aan het adres van de onbekeerden;ikoordeel u niet, maar het zal wat te zeggen wezen altijd met den Heere gewandeld te hebben en er toch niet bij te behooren. En de geloovigen vermaand om nu ook bij hem te blijven, waar hij ook heengaat en al zijn er Judassen bij; maar niet hetzelfde juk met de ongeloovigen aan te trekken. En toen dat eindelijk allemaal toegepast op de beroering in onze dagen.”Jannetje bleef zwijgen en vader bleef rooken.„En toen,” ging moeder maar weer voort, „dat nagebed. Dat smeeken aan den Heere of toch de eenigheid van de geloovigen mocht openbaar worden; en of we allen maar van de menschen mochten afzien en op hem alleen zien! En of er meer liefde mocht komen en geen wortel van bitterheid opspruiten. En of we niet mochten blijven bij het uitwendige om maar alleen op de belijdenis te kijken, daar je zoo licht het innerlijke leven bij vergeet; en hoe het ons in de eeuwigheid niets helpen zal als onze buurman een zuivere belijdenis had.—Ik kan je zeggen, hij zei me te vroeg Amen, en ik dacht, was je nog maar zoo doorgegaan!”„Ja,” zei vader plechtig; „ik zeg maar: zoolang als je nog zulke getuigenissen te hooren kan krijgen, dan...”„Nu wat dan, vader?”„Dan?.. Nou.. dan.. e.. zooals ik zeg...”„Vader meent maar,” hielp zijn vrouw hem, „dat een mensch z'n eigen wel tweemaal bedenken mag voordat hij daar tegen ingaat.”Een paar minuten stilte.„Weet u ook hoe het Zondag bij Reijmeringer gegaan is?” vroeg Jannetje plotseling.Vader keek onaangenaam verrast op, klopte zijn pijp uit en stopte een versche; toen nam hij een kooltje vuur:„Ja.. pf!.. dàt is nou.. pf.. pf.. zie je.. pf! hoe zal ik zeggen?...”Jannetje wachtte geduldig.„Ja zie je, dáár kan ik me nou ook zoo glad niet bij neerleggen.”„Waarbij niet, vader?”„Daar waren meer dan negentien, zie je, en...”„Ja vader,” viel vrouw Huiskamp hem in de rede; „maar laten we nou eerlijk wezen en zoowel het voor als het tegen zeggen. En dát vond ik nou ook veel te ver getrokken, al zeg ik het zelf; dát was spijkers op laag water zoeken! Ja, er waren er twintig; maar hoe! Neen, daar kan ik nou nog zelfs niet overheen.”„Ik zeg immers ook dat ik het niet kan goedkeuren!” riep vader een beetje kriegel.„Jawel, maar omdat je zoo maar alleen zeit: er waren meer dan negentien. Maar dat ééne schaap van drie maanden, dat was alles.... zie je, ik kan begrijpen dat je de menschen zóó tegen de kerk maakt.”Jannetje wachtte zwijgend; ze was den heelen avond onhandelbaar; ze praatte onophoudelijk telkens als vader en moeder maar liever gehad hadden dat ze haar mond gehouden had; en ze zweeg gedurig als een mof, telkens als ze haar ouders met een enkel woordje uit de verlegenheid had kunnen redden.„Zie je,” zei moeder eindelijk; „de burgemeester kwam tellen en vond negentien groote menschen, nou daar was niets tegen. Maar vrouw Klippers had haar zuigeling van drie maanden meegebracht, en dat was de twintigste. Nou toen wou zij met het kind weggaan maar dat mocht niet, en toen moesten ze allemaal er uit. En tegen Reijmeringer isproces-verbaalopgemaakt, die krijgt nou boete.”„Maar,” vergoelijkte vader; „ze zijn niet geslagen of zoo iets; Reijmeringer moest zelf zeggen dat alles heel fatsoenlijk in z'n werk ging.”„En heeft dominee misschien 's avonds ook stichtelijk gepreekt over dat schandaal?” barstte Jannetje los. „Hoekuntu nog langer bij zoo iets blijven?”„Maar beste meid,” hernam vader; „we zeggen je immers zelf hoe leelijk wij het vinden.”„Jawel: maar ondertusschen doet u er aan meê.”„Wij!” riep moeder, „schaam je je niet?”„Ik meen niets scherps te zeggen, moeder; ik deed er ook aan mee. Ieder die er bij blijft behooren. Van u weten ze dat het uw lust is den Heere te dienen; en dus sterkt u de handen van de vijanden. Zij zeggen natuurlijk dat het zoo kwaad niet zijn kan in een kerk, waar de Huiskampen in blijven. o Gaat u ook over!”„Ik en je moeder vinden geen vrijheid om de kerk te verlaten zoolang de Heere er niet kennelijk geheel uit geweken is.”„Vader, ik vind geen vrijheid om te blijven. Ik vind het vreeslijk om alleen te gaan, maar ik mag niet anders.”„Jannetje,” zei vader, „we kunnen je niet met geweld tegenhouden.”„Maar het is me een verdriet op m'n ouden dag!” jammerde moeder.„Moeder, God weet het, hoe erg ik het vind u verdriet aan te doen, maar ik mag niet anders.”„Nou, kind, dan moet je doen wat je niet laten kan.”„Als je maar niet je dwaling eerst inziet, als het te laat is,” waarschuwde vader nog.***Jannetje, hoewel gewaarschuwd, bleek niet voor overtuiging vatbaar. „Ze is een best kind,” zei moeder, „maar ze heeft haar eigen zinnetje!” Den volgenden dag was ze niet te bewegen mee naar de kerk te gaan. In de samenkomsten der Afgescheidenen kon ze niet komen zonder het getal van negentien te overschrijden. Ze kon het dien dag heel goed zonder preek stellen; ze had meer stichting in de eenzaamheid door haar eenheid met de vervolgden, dan ze door de mooiste preek van den besten Hervormden predikant had kunnen genieten.Maar 's middags liep ze „even” bij Beukman aan, en toen ze een uur later weer naar huis ging, wist Klaas Beukman dat hij 's avonds aan de broeders en zusters mocht mededeelen, dat Jannetje Huiskamp zich bij hen aangesloten had.XV.Diakonale armenzorg.Driekwart eeuw geleden was het verzenden per post van een brief een duur ding, waar gewone menschen alleen toe overgingen wanneer het beslist noodig was. Bovendien hanteerde Klaas Beukman liever drie uren achtereen den ploeg dan een half uur de pen; en zijn vrouw deed aan brieven-schrijven in 't geheel niets. Zoo nu en dan hoorden zij en Gerrit wat van elkander, wanneer boeren uit de beide dorpen elkaar op een of andere markt ontmoet hadden; ook kwamen er wel brieven van Gerrit, maar het was een zeldzaamheid als hij er een van zijn ouders ontving. Het meeste vernamen de ouders en hun kind nog van elkaar door de predikanten, die bijna voortdurend op reis waren om nu hier, dan daar de diensten te leiden.Niet zelden moesten die tochten in het geheim geschieden om de vervolgingen onderweg te voorkomen zoowel als om de bediening des Woords en der Sacramenten in de plaats waar de predikant verwacht werd, niet reeds vooraf onmogelijk te maken door ruchtbaarheid aan zijn komst te geven. Somtijds werden de samenkomstenop zeer afgelegen plaatsen en midden in den nacht gehouden. Zoo kwam, om slechts één voorbeeld te noemen, de predikant Brummelkamp den 19enAugustus 1837 te Bunschoten aan en predikte den 20en, Zondags, des nachts te Malestijn, zooals de notulen het zeer grootsch noemen, dat is: op een boerderij tusschen Bunschoten en Spakenburg, die Malestijn heette. In die godsdienstoefening werd aan een kind het sacrament des doops bediend.De geloovigen werden niet gehangen; hun leeraren werden niet geradbraakt; maar overigens hadden de Afgescheidenen aanleiding genoeg om hun lot in het vrije „Gereformeerde” Nederland te vergelijken met dat van de Hugenoten onder den grooten koning Lodewijk XIV.En indien hun vijanden—vooral die uit de hoogste standen—slechts gedurfd hadden; indien ze de handen vrij genoeg hadden kunnen bewegen, dan zouden ze de kinderen Gods in alle opzichten met de martelaren uit de zeventiende eeuw gelijk gesteld hebben. Sprak Mr. Zevenstern, officier bij de Rechtbank te Appingedam, het niet uit: „Het ware te wenschen dat men de hoofden der bijeenkomsten aan het lijf mocht straffen.” Daarmede bedoelde hij iets anders dan gevangenisstraf, want die werd reeds naar hartelust uitgedeeld. En schreef niet Mr. Thorbecke einde September 1837, als verzet tegen zijn vriend Mr. Groen van Prinsterer, „dat aan de inkwartiering alleen de wettelijke vorm ontbrak?”[1]Voor zulke zwervers als de leeraren der Afgescheidenenmoesten zijn, was de afstand tusschen Bunschoten en Loosdrecht gering. Die beide dorpen met de tusschenliggende Hilversum en Eemnes werden gewoonlijk op dezelfde rondreis bediend, zoodat, alles in aanmerking genomen, de Beukman's nog dankbaar mochten zijn omdat ze zooveel van elkaar hoorden.Begin Mei had Gerrit van zijn vader een brief ontvangen, die hem brandend-nieuwsgierig naar nadere tijding gemaakt had. Vader was nooit heel spraakzaam, de brieven waren natuurlijk nog aanmerkelijk korter dan de gesprekken. In bedoeld epistel stond, midden tusschen nieuws van allerlei aard: „Bij de Huiskampen is alles nog al zoo hetzelfde behalve dat Jannetje tot ons overgekomen is.”Zou dat werkelijk beteekenen wat Gerrit er zoo gaarne in las? Er was gedurende de eerste weken weinig kans om er achter te komen.Sedert de Kerstvacantie was de jonge man niet meer in Loosdrecht geweest. In gewone omstandigheden zou het hem gemakkelijk gevallen zijn zoo nu en dan Zaterdagsmiddags daarheen en Zondagsavonds terug te wandelen. Maar de vervolging legde hem allerlei andere plichten op. Er viel voor hem veel meer te doen dan het onderwijzen van de kinderen. Wel had de kleine gemeente zeer goed begrepen dat de openbare onderwijzer niet het ambt van ouderling of diaken vervullen kon zonder haar zoowel als zichzelf noodeloos en onherstelbaar in moeite te brengen. Indien hij als ambtsdrager opgetreden ware, zou zijn ontslag slechts een kwestie van zeer korten tijd geweest zijn. En dan zou er heel waarschijnlijk een opvolger gekomen zijn, die „het gouvernementniettegenwerkte”,en die dus met de kinderen der gemeente vrij spel had. Maar dat belette Gerrit niet in allerlei opzichten zijn eenvoudige en minder ontwikkelde geloofsgenooten met raad en daad bij te staan, waarmee hij de handen vol had. Voorzichtigheid gebood hem daarvoor uitsluitend zijn vrijen tijd te gebruiken. Daarenboven was zijn aanwezigheid van groot nut voor het gezin van zijn hospes Kramer, dat voordurend met inkwartiering gekweld werd. Vrouw en kinderen kon men geen oogenblik alleen in huis laten, zoolang de „gezegende werktuigen om Sion uit te breiden” daar nog gebruikt werden. Zijn vriend en hij waren dus om de beurt aan huis gebonden. Ten overvloede was hij sedert den 20enJuni zijn vriend Jan Verlinden als hulponderwijzer kwijt, zoodat voorshands al het werk in de school alleen voor zijne rekening kwam.Met groot verlangen had hij dus zijne zomervacantie van veertien dagen tegemoet gezien.Eindelijk was de groote dag aangebroken. In den vroegen morgen van Zaterdag den 15enJuli stapte Gerrit Beukman in de huifkar van zijn vriend Kramer en nam plaats naast den man, die hem naar Eemnes zou brengen. Vandaar zou hij te voet de reis vervolgen.Wel bracht het paard van Kramers den bovenmeester naar Eemnes, maar de baas had het daartoe midden in den zomer te druk. De teugels van het spannetje waren in handen van Willem Vlok, die voor 't oogenblik toch niets anders te doen had en er zeer vereerd mee was, dat hij dit ritje in den dienst van Beukman en Kramer doen mocht.„En hoe gaat het thuis, Vlok?” vroeg Beukman, toenze de kom van het dorp achter zich hadden en in de heerlijke lucht van den helderen zomermorgen bedaard den mullen zandweg langs reden.„Thuis!” sprak Vlok, niet zonder eenige bitterheid in de stem. „Ja, dàt mag meester wél zeggen!”„Je hebt gelijk, Vlok!” hernam Gerrit; „thuis is, helaas, het rechte woord niet. Hoe gaat het met je vrouw en kinderen?”„Naar de omstandigheden goed, meester, maar de Heere moet bijzondere genade geven om er altijd in te berusten;—we hebben er zeven, zie je, en de oudste moet nog pas elf jaar worden. Maar ik mag nog van geluk spreken als ik zie op mijn lotgenoot de Greef; daar is nog een kind meer en z'n vrouw is maar zwakjes, meester; die ziel moet de tering hebben. Mijn wijf en ik kunnen ten minste door de goedheid Gods nog voort!... Het is wat te zeggen!”Gerrit liet den stumperd uit zijn tabakszak een pijpje stoppen; hij begreep dat er meer behoefte bestond aan een kleine daad van gemeenzaamheid dan aan een groot woord van vertroosting. Ook viel er voor hem meer te hooren dan te zeggen.„Hoe is het nu eigenlijk in z'n werk gegaan?”De man zweeg tot de pijp behoorlijk rondgebrand was en blies met welgevallen een paar rookwolken uit.„Ja; meester is nog zoo lang niet bij ons en weet misschien van het vorige zoo niet af. Kijk—ik en de Greef hadden maar weinig werk en—zooals dat gaat—er kwam zoo nu en dan alweer een kind bij;—maar we werden toch altijd staande gehouden, dat mag ik tot eervan den Heere zeggen; en ook gedurig door deDiakoniegeholpen. En dan hadden we vrij wonen in die twee hutjes! Nou goed; maar langzamerhand kwamen we er wat meer door en er een beetje boven op, en er was geregeld werk te krijgen, zoodat, zie je, de bedeeling ophield. Dat was niet meer dan recht; er waren armer dan wij, en zoowel ik als de Greef mochten er den Heere voor danken voor dat het niet meer hoefde en dat nou een ander kon geholpen worden. Maar we mochten vrij blijven wonen; zie je. Nou dat ging zoo voort—en wat nou de kerk anbelangt, we bleven er allemaal lid. Een mensch heeft wel zijn bedenkingen, maar dat is tot daaraan toe. Alleen vrouw de Greef, die zei soms dat zij er niet hoorde, en dat we dan eigenlijk allemaal er niet hoorden. Nou weet meester nog wel van verleden jaar... ja... toen was je al bij ons, nietwaar?”„Wanneer?” vroeg Gerrit.„Toen dat met Poort; toen die ineens niet meer oefenen mocht?”„Ja;daar was ik bij,” antwoordde Gerrit; „dat heeft voor mij den doorslag gegeven.”„Nou, zie je, daar heb je 't!” vervolgde Vlok; „dat stuitte ons dan ook danig tegen de borst; daar konden we niet overheen. En toen—zooals meester weet, kwamen wij ook bij de Afgescheidenen kerken, maar we gingen niet over, begrijp je. Alleenig vrouw de Greef, zie je,dieging over. Dat ging zoo z'n gangetje, alles goed en wel; je hoorde van niets. Tot nou in eens, gisteren veertien dagen, den laatsten Juni, komt de diaken Klap eens binnenloopen. „Zeg Vlok,” zeit ie; „dat kan zooniet langer.” „Wat kan niet langer, mijnheer?” vraag ik zoo. „Vlok,” zeit ie; „de Greef en jij kunnen hier niet aldoor zoo maar blijven wonen voor niets!” Ik keek er van op, maar recht is recht; en alhoewel ik het op 't oogenblik niet kan betalen, de Heere zal, als het moet, op zijn tijd ook wel uitkomst geven. „Hoeveel zou dan de huur moeten wezen, mijnheer?” vroeg ik zoo langs m'n neus weg. „Ja,” zeit ie, „je kan nog wel op denzelfden voet blijven wonen, maar jullie komt nooit in de kerk.” Ik denk: wat zou er nou komen? „Kijk,” zeit ie, „als je allemaal altijd in de kerk wil komen, dan kan je blijven.” Nou, heel veel vieren en vijven meer... en of we nu al zeien als dat we Hervormd waren; hij hield maar vol: je doet alsof je Afgescheiden bent.Ten langen leste vroeg ik hoe veel of dan de huur zou moeten wezen. Ja, dat zou dan voor mij en de Greef ieder dertig gulden in het jaar beloopen. En daar mochten we dan tot den anderen dag over denken. Vandaag veertien dagen ik er naar toe en De Greef ook, om te zeggen dat we die huur zouden betalen. Dat moest in de kerkeraad komen.Maar jawel: 's Maandags komt Klap en nou vertellen: de kerkeraad wil voor ieder twee borgen hebben. „Willem,” zeit m'n vrouw; „loop 'reis naar boer Kramer, dat is 'n goeie man.” Om nou kort te gaan, wij komen denzelfden avond vertellen, ik en de Greef, als dat Kramer en Heining—uw ouderling,—voor ons allebei borg zouen wezen en we hadden het papier er van in onzen zak. Wij blij dat de zaak nou gezond was.Den dag daaraan, daar komt Klap en Passer de kerkvoogdzeggen: die borgen waren goed en wel, en de zaak was dus tot zoover in orde, maar dan moest er een jaar vooruit betaald worden.”„Waar dienden dan de borgen voor!” vroeg Gerrit.„Ja, meester, ik vertel je net zooals de ronde waarheid is. Dus geld vooruit, daar ging niets van af. Wij terug; en wat we nu toch nooit hadden durven denken: om ons te helpen alhoewel we niet eens bij de gemeente hooren, die twee gaven ieder dertig gulden. „Nou kan je eens zien,” mocht ik zoo tegen de Greef zeggen, „zonder iemand te oordeelen, wat de profeet Maleachi zegt van het onderscheid tusschen hem die God vreest en hem die hem niet vreest.”Wij er weer heen; ieder z'n dertig gulden brengen. „Ja,” zei Passer, „dat is nou goed en wel, maar hoe staat het nou met het kerkgaan?” „Maar mijnheer,” zei ik zoo, „en we betalen nu vooruit?” „Ja,” zeit Klap, „dat gaat er heelemaal buiten om. Want zoo zouden we wel de grootste vijanden in de huisjes kunnen hebben! Je begrijpt wel, het zijn eigendommetjes van de Diakonie!” „Maar mijnheer,” zei de Greef, die een beetje kriegel werd; „dertig gulden is toch dertig gulden!” „Nou zou ik nog brutaal worden toe!” zei Passer. „Jelui moeten beloven, plechtig beloven, dat je met vrouwen en kinderen geregeld en alleen in onze kerk komt en nooit meer die andere vergaderingen zal bijwonen. Want anders moet je op staanden voet eruit!”Nou, toen werd ik toch een oogenblik omgekeerd. Maar toen Klap: „Kijk,” zei die, „als 't nog onze eigen huizen waren, dan was 't wat anders, maar het is heteigendom van de Diakonie, en dátmagik niet tegen de kerk in laten gebruiken.””„Zoo'n huichelaar!” barstte Gerrit los.„Ja,” zei Vlok zachtmoedig; „het wou er bij mij ook niet in. Maar dát konden we niet beloven. „Neem dan je geld maar weer meê,” zei Passer; „dan moet je maar afwachten wat er van komt.””„En toen?” vroeg Gerrit.„Toen? Nou, Donderdag vóór acht dagen werden we met pak en zak er uit gezet. En daar stonden we. Veldwachter Koelewijn moest er van den burgemeester bij wezen. 't Ging hem aan zijn hart, dat kon je zien.”„Ja dàt is een rechtschapen, godvreezend man,” hernam Gerrit.„Meester; let op mijn woorden: Koelewijn gaat denzelfden weg op. Die raakt z'n bestaan kwijt; wat ik je zeg! En toen zaten we op het strand zonder dak boven het hoofd. De burgemeester had een plek er voor aangewezen; maar een die bij hoog tij onder loopt.”„Maar er is nu toch, God zij dank, in voorzien,” zeide Gerrit.„Ja, toen 't zoo'n weer werd hebben meester en de anderen, die we er dan ook nog wel voor bedanken, zoo bij den burgemeester opgespeeld, dat hij ten langen leste wel helpen moest. Nu zijn we weer onderdak. Maar vrouw de Greef heeft het dan leelijk te pakken: dat mensen kan niet zoo tegen weer en wind.”„De Heere zal oordeelen!” zei Gerrit meer tot zichzelf dan tot zijn reisgenoot.„Meester, dat wil d'r nou bij mijn maar niet in datonze gezegende Heiland nou zoo iets van z'n diakenen zou goedvinden. Ik ben niet geleerd en ik kan er niet tegen op; maar ik vraag maar: zou de Heere dat nou bedoeld hebben met het ambt van diaken?.... Maar we bennen er, en hier gaan we uit mekaar.”Met een hartelijken handdruk, waarbij een gulden uit Gerrits hand in die van zijn reisgenoot overging, zei de eerste: „Ik dank je wel, Vlok!.... Voor de kleintjes, hoor!”„Maar meester, dat is te veel. De boer betaalt me.”„Ikbetaalje ook niet; het is een aardigheidje voor de kinderen.”[1]„L'établissement d'un pouvoir préventif permanent dans le demeure des citoyens a besoin, selon moi, d'être autorisé par une loi.”XVI.Toegestemd.De verhouding tusschen Jannetje Huiskamp en haar ouders was zeer goed; alleen „over dat ééne” werd niet meer gesproken. Jannetje had haar lidmaatschap aan den kerkeraad der Hervormde Kerk opgezegd. Maar die opzegging was niet zoo dadelijk aangenomen; het meisje had een bezoek van dominee ontvangen, dat meer dan een uur geduurd had. Dominee had—raak of niet raak,—alle teksten aangehaald, die in zijn oog op het geval toepasselijk waren; zelfs verscheidene teksten, waarvan hij alleen slechts hoopte dat Jannetje ze toepasselijk vinden zou, ofschoon ze naar zijn eigen meening niet zoo rechtstreeks ter zake deden. Van de Hervormde Kerk had hij—onder toestemming dát er veel verkeerds in was,—gezegd: „Verderf het niet, want er is een zegen in!” Hij had de gelijkenis van „het onkruid in den akker” aangehaald; en bij het woord van Jezus: „De akker is de wereld”, gezegd ter nadere toelichting: „dat is dus wat wij nu zouden noemen de volkskerk, begrijp je”. En daarop had Jannetje toestemmend geknikt. Zoodat de dominee, een goedige,naïeveman, reeds gedacht had dat hij er al wasen nu Jannetje gelegenheid gaf om te antwoorden. Doch hij was er nog niet, want zijn vroegere leerlinge had heel onnoozel gevraagd: „Dominee, is de wereld en de Hervormde Kerk dan hetzelfde?” Maar Jannetje was ook geen theoloog!Wat haar eigen zieleheil betrof had dominee haar gewezen op Salomo's waarschuwing: „Vermeng u niet met hen die naar verandering staan;” en op Jezus' vermaning: „Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.” En eindelijk—want dominee, hoe goed hij ook was, toch kon hij wel toornen!—op het schrikkelijk woord van den apostel Judas: „Dezen zijn het die zichzelven afscheiden, natuurlijke menschen, den Geest niet hebbende.” Welnu, duidelijker kon niet—tenminste uit Gods Woord niet—aangetoond worden dat de Afscheiding niet uit God is! Maar Jannetje had daar overheen gepraat door onverwacht met de domme vraag voor den dag te komen: „Dominee, als de engelen eens de maaiers wezen zullen, gebruikt de Heere dan hier al voor de tarwe artilleristen en politieagenten?” En toen was dominee werkelijk boos geworden en had geantwoord dat ze geen grapje van de zaak maken moest, want daar was het te ernstig voor. Jannetje evenwel had op haar beurt dát dominee kwalijk genomen en een beetje spijtig geantwoord dat ze er niet aan dacht om stokslagen van politieagenten, bajonetsteken van artilleristen en met-boter-besmeerde stoepen voor grapjes te houden. En ze was geëindigd met dominee ernstig te verzoeken haar als lidmaat te schrappen. Met een laatste vermaning om toch haar hart niet te verharden, had dominee haar plechtig beloofd dat aan haar verzoek zou voldaan worden.Waarom Jannetje hem dat met zooveel aandrang verzocht vertelde ze dominee echter niet; gedachtig aan het spreekwoord: „Je moet geen slapende honden wakker maken!” Ze las thans geregeld het Tijdschrift „De Reformatie.” En ze had daarin een bericht gevonden, dat haar alle reden van bezorgdheid gaf. Zekere B. J. Ploeg te Klundert—zoo werd daar verhaald—had den 25enNovember 1835 schriftelijk zijn lidmaatschap van de Hervormde kerk opgezegd. In 1836 hadden kerkvoogden en notabelen goedgevonden, ter dekking van de uitgaven tot herstel van het kerkgebouw der Hervormden, een hoofdelijken omslag uit te schrijven, en op grond daarvan ƒ2.50 van Ploeg gevorderd. Deze beriep zich natuurlijk op zijn schriftelijke opzegging en weigerde de betaling. Ofschoon die opzegging door den kerkeraad niet ontkend werd, dagvaardde A. den Engelse, in kwaliteit van kerkvoogd, Ploeg voor den vrederechter in het kanton Zevenbergen. Den 8enAugustus 1836 had de zaak gediend. Tot zijn groote verbazing werd Ploeg veroordeeld tot betaling. Als eenige rechtsgrond werd in het vonnis aangegeven: „Gezien de artt. 30 en 33 van het Reglement op de administratie der kerkelijke fondsen en de kosten van eeredienst der Hervormde Gemeenten in de Provincie Noord Brabant.” De som was zoo klein, dat geen hooger beroep kon aangeteekend worden.Ploeg, die reeds sedert een half jaar ouderling bij de Afgescheiden Gemeente was, betaalde niet; in overleg met zijn medeleden, om te zien wat er van de zaak worden zou. Den 10enSeptember volgde een bevel tot executie. Den 5enOctober werd beslag op zijn inboedel gelegd, en nam zekere Willemse, tot gerechtelijkbewaarder aangesteld, intrek in de woning van Ploeg. Deze had den 16enSeptember een rekwest aan Z. M. den koning ingediend; maar dat bleef onbeantwoord[1]. Den 15enOctober werd de inboedel voor zoover noodig, verkocht. Zoover noodig beteekende: ƒ2.50 hoofdsom en ƒ54.94 gerechtelijke onkosten.Jannetje had die geschiedenis minder tot haar stichting dan tot haar onderricht gelezen; en was blij dat „De Reformatie” door de Hervormden niet de moeite waard geacht werd om er inzage van te nemen. Toch rustte ze niet, voordat ze zeker wist dat de schrapping van haar naam een voldongen feit was. Het verwonderde haar, niet geheel ten onrechte, dat menschen die hun lidmaatschap opzegden, tegen wil en dank op de lidmatenboeken bleven staan[2]. Indien ze wat beter onderwijs genoten had, zou ze geweten hebben dat de groote Lodewijk XIV op dezelfde wijze de Hugenoten Roomsch hield of opnieuw Roomsch maakte. Maar hoe zou ze zich vijftig jaren later verbaasd hebben, indien ze het beleefd had, over het feit dat toen duizenden geroyeerd werden, die er volstrekt niet om gevraagd hadden. Misschien had ze dan nog eens overgelezen wat „De Reformatie” volgen liet op het verhaal van de mishandeling Ploeg aangedaan: „Op grond dat we niet Gereformeerd zijn maar een afzonderlijke secte vormen, worden we door verscheidene Rechtbanken veroordeeld tot het betalen van geldboeten.Doch het schijnt ook al mogelijk te wezen ons geld uit den zak te jagen door eenetegenovergesteldebewering.”***Vader en moeder Huiskamp hadden, volgens vaste gewoonte, den ochtenddienst in de kerk bijgewoond. Ze waren, ook volgens vaste gewoonte, zeer gesticht thuis gekomen. Zóó „getrouw” als vanmorgen had moeder het nog nooit gehoord! En vader antwoordde: „Dat zeg je naar waarheid!” Die nabetrachting was bijna ook vaste gewoonte geworden.Jannetje was thuis gebleven; om redenen haar bekend kon zij pas vanavond gaan. De reden was heel eenvoudig deze, dat de Afgescheidenen, indien ze niet voortdurend mishandeld en uit elkaar gejaagd wilden worden, de rollen zorgvuldig verdeelen moesten en ieder der leden aanwijzen waar en wanneer het zijn beurt zou zijn om de onderlinge samenkomst bij te wonen.In de vergadering ten huize van Reijmeringer had Gerrit tevergeefs naar Jannetje uitgezien. Zoodra tegen half twee het middagmaal afgeloopen was, stapte hij de deur uit om zijn oude buren Huiskamp eens te bezoeken. Van het erf op den grooten weg tredende, zag hij de geliefde zijns harten het ouderlijk huis uit komen en den anderen weg opgaan.Natuurlijk verdween zijn plan om vader en moeder Huiskamp een bezoek te brengen als sneeuw voor de zon. Met enkele stappen had hij het meisje ingehaald.„Goeden middag, Jannetje! Hoe gaat het?”„Wel heb ik....! Goeden middag, Gerrit!” riep het meisje met zooveel verrassing in haar stem, dat Gerrit zich er van verzekerd hield dat ze hem niet vroeger opgemerkt had, toen beiden zich naar buiten begaven. „Ben je de vacantie hier gekomen?”„Ja! Je weet niet hoe ik er naar verlangde! Maar gaat het goed? En hoe maken de oudelui het?”„Al wèl! Al wèl!” antwoordde Jannetje terwijl ze samen voortliepen.„Ik wou juist eens naar je vader en moeder gaan zien.”„Zoo? Maar dan loop je te ver!” antwoordde Jannetje stilstaande, om hem niet nog verder van zijn doel af te brengen.„Ja; maar dat heeft nog op geen kwartiertje haast. Ik mag toch zeker nog wel een eindje meeloopen?” vroeg Gerrit eveneens stilstaande.Een oogenblik keken ze elkaar in de oogen; één oogenblik slechts, maar lang genoeg om Jannetje de hare met een blos te doen neerslaan.Samen gingen ze verder, het meisje begon: „Ik dacht dat....”Wat dacht ze? Dat Gerrit wel komen zou; en was ze daarom uitgegaan? Dat hij niet komen zou; en was ze daarom ook maar niet thuis gebleven? Gerrit durfde niet er naar raden, maar verstoutte zich om te vragen: „Wist je niet dat ik in Loosdrecht zou komen met de vacantie?”„Ja... dat 's te zeggen: we dachten het wel.”„Mijn vader zal het zijn ouden vriend toch wel verteld hebben!”„We zien je ouders niet meer zoo dikwijls als vroeger... dat 's te zeggen...”„Dat 's te zeggen: ze komen niet meer zoo dikwijls bij elkaar aan huis hè?”„Neen!” zei Jannetje kortaf.„Maar daarom zaljijmijn ouders toch wel meer ontmoeten, niet waar?”Jannetje knikte toestemmend. Zwijgend wandelden ze samen een eindje verder.„Ga je... ergens heen?” vroeg Gerrit.„Neen... zoo maar!” was het antwoord.„Hier linksaf komen we in het bosch. Is dat goed?”Opnieuw knikte Jannetje: „Maar moet je nu niet naar vader en moeder?”„Neen!” stootte Gerrit plotseling vastberaden met harde stem uit. „Als ik mag ga ik met jou mee, want ik wou je wat zeggen.”Ze hadden de door Gerrit bedoelde laan ingeslagen, en waren, nu buiten de kom van het dorp, vrij-wel zeker dat ze bijna of in 't geheel niemand ontmoeten zouden. Alles rondom hen was vriendelijk en vroolijk en ademde sabbatsstilte. Boven hun hoofden waren de koolmeesjes ijverig bezig met het zoeken en verslinden van insecten en larven. Met een vlugheid en behendigheid, die de apen hun hadden kunnen benijden, voerden de mooie vogeltjes allerlei toeren uit; hingen zich aan één pootje, 't kopje omlaag, aan het dunste takje op, pikten het ledig en schoten plotseling en pijlsnel naar een ander twijgje. De vinken fladderden het jonge paar voor de voeten, telkens een eindje verder naarmate de beidemenschen langzaam voortliepen. Dwars over den weg huppelde een eekhoorn om den naastbijzijnden boom te bereiken. Op een open plekje dommelden tien, twaalf konijnen in het zonnetje, om weg te rennen zoodra ze de naderende voetstappen hoorden. In de verte stierf het gekraai van een paar hanen weg, die elkaar antwoordden, en rondom overstemd werden door de lijsters, die zoo druk allerlei zang van andere vogels nabootsten, dat ze hun eigen taaltje niet meer hooren deden. Prachtige groote juffers snorden op de gouden of smaragden vleugels om hen heen, en van uit den hoogen beuk hoorden ze het eentonige, slaperig-vredige: „Koe-ke-roe koe-ke-roe!” van de houtduif.Doch hanen, lijsters en houtduiven konden elk op zijn eigen manier zeggen en zingen wat ze wilden: Gerrit en Jannetje hadden slechts ooren voor wat de een tot den ander spreken zou en—wat niet kwam!Gerrit, die „wat wou zeggen,” bracht het niet verder dan: „Wat is het hier mooi!”„Heel mooi,” bevestigde Jannetje stijfjes.„Er is heel wat gebeurd sedert een jaar geleden,” zei Gerrit.Hij geloofde haast, maar wist het niet zeker, dat Jannetje lispelde: „Dat is er!”„En er is geloof ik een groote reden weggevallen, waarom.....”Jannetje zag even vragend op.... „waarom ik niet zou kunnen vragen...” ging Gerrit eensklaps voort. „o Jannetje; we kennen elkaar al van kleine kinderen af... ik voelde het toen ik verledenjaar wegging.... maar toen mocht ik het niet zeggen... ik wist niet of je dat toen wel wou... maar nu hoop ik het... o lieve Jannetje, ik kan niet zonder je leven!”„O!” was al wat het meisje uiten kon. Ze bleef staan. Gerrit vatte haar linkerhand, die ze niet wegtrok. Met de rechterhand bedekte ze haar oogen.„Jannetje, zeg me: heb ik me bedrogen? Zeg me wat!”Zwijgend schudde de jonge vrouw ontkennend het hoofd.Hadhij zich niet bedrogen? Of wou zij niets zeggen?„Zeg toch wat, Jannetje! Ik wist wel dat ik—eens in Bunschoten, niet lang buiten de Scheiding blijven zou;—ik mocht dus toen nog niet vragen.... maar nu... ik heb het uit een brief van vader gelezen.... en God gedankt.... toen kwam er weer hoop in mijn hart...! o Laat me niet zonder antwoord!”„Wat zal vader...” was het eenige, dat het meisje zeggen kon.„Vader Huiskamp, meen je? Als ik maar eerst weet dat ik met hem er over spreken mag, dan komt dát wel in orde!”„Ik weet niet of vader het goedvindt!”„Ja!Als ik maar mag zeggen: vader Huiskamp, je dochter vindt het goed.”Jannetje antwoordde niet. Gerrit begreep daaruit dat zij niet tegensprak. Hij liet haar hand los en sloot haar in zijn armen om den eersten vurigen kus haar op de lippen te drukken.Wat viel er al niet over en weer te bespreken en te vertellen tusschen die beide gelukkige menschenkinderen, die daar aan den boschrand op het kussen vanbloeiende struikheide in den vollen zonneschijn zij aan zij zaten! Het sprak zoo vanzelf datzijbeiden één werden. En toch hoe licht zou hetgeen vanzelf sprak niet gebeurd zijn!Poëtisch waren ze geen van beiden aangelegd; hoe een verloving eigenlijk behoort te geschieden, was hun onbekend; dat er misschien iets romantisch was of behoorde te zijn in dit uurtje wisten ze niet. Het eenige van dien aard, wat Gerrit zei, was: „Dat is door de omstandigheden een dubbeltje op z'n kant geweest!” En het eenige wat Jannetje daarop antwoordde was: „Maar de Heere heeft alles wélgemaakt.” Overigens was hun verloving meer voor anderen dan voor henzelven poëtisch en romantisch. Hun kerk wasonder het kruis! En dat kruis wierp zijn slagschaduw over geheel het dagelijksch leven van al haar leden. Galg, galeien en vrouwengevangenissen voor Gods kinderen had Nederland niet van Frankrijk overgenomen; maar ons land—eenmaal de bakermat der vrijheid en de herberg der kerk—had wel eenCode Pénalgekregen. En dat was genoeg in de handen van machthebbers in staat en kerk, die het gaarne gebruikten, om Nederland, voor zoover gewetensvrijheid betrof, aan het Frankrijk der zeventiende eeuw gelijk te maken. „De vader zal tegen den zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen den vader; de moeder tegen de dochter, en de dochter tegen de moeder.” Wat zouden Jannetjes ouders? En indien dat goed liep, toch wisten de jong-verloofden zeer wel dat ze telkens wanneer ze met de gemeente samenkwamen, blootstonden voor den martelaarsdood in de volle beteekenis des woords. Eén slagmet den stok van een vijandigen politieagent, één bajonetsteek van een liederlijken soldaat, in naam van koning en kerk, op verzoek van de Synode en op bevel van burgemeester of luitenant toegebracht, kon hen hunne belijdenis met hun bloed doen bezegelen. Ze zouden de eenigen niet geweest zijn, wien dat overkwam. En indien 't zóó erg niet liep: één kwaadaardige gril van willekeur bij gouverneur der provincie of schoolopziener kon hen op staanden voet broodeloos maken.„Een, twee, drie, vier!” telde Jannetje opspringend; „vier uur, ze zullen niet weten waar ik blijf!” Vier heldere tonen uit het kerktorentje van hun dorp hadden hun oor getroffen;—het eenige voordeel dat ze nog hadden van het kerkgebouw, dat toch ook het hunne was.Tamelijk snel begaven ze zich huiswaarts.„Mag ik vanavond je ouders komen spreken?” vroeg Gerrit zijn geliefde.„Vanavond is mijn kerkbeurt,” antwoordde Jannetje; „en misschien is het goed dat ik eerst.... Neen, kom morgenavond.”Het was voor vader en moeder Beukman een heerlijk bericht, dat hun zoon hun bracht. Van hun ouderlijken zegen konden de jongelui zich verzekerd houden.Wat zou vader Huiskamp zeggen?Dat had erger kunnen uitvallen dan het deed.TeunisHuiskamp zat—heel conservatief in zijn gemoedelijke rechtzinnigheid en zijn Hervormde-kerk kerkisme vast; maar het was geen doode orthodoxie en geen verketterend kerkisme. Een alleen-zaligmakende leer of kerk had hij nooit gehad.Maandags avonds zat Gerrit nauwelijks een kwartier bij zijn buren in de gezellige keuken een pijpje te rooken,—Jannetje had het in haar eigen opkamertje erg druk—of zonder veel omwegen kwam hij met de groote zaak tevoorschijn.„Buurman Huiskamp; ik heb gisteren middag een poosje met je dochter gesproken.”„Zoo, zoo!” bromde Huiskamp, die er reeds alles van begreep.„Wel! wel!” riep moeder, die dat bericht reeds een paar jaren vroeger verwacht had.„Ja; en Jannetje zei dat ik maar eens met u moest spreken.”„Zoo, zoo!”„En nu kwam ik u vragen om het goed te vinden als wij het samen eens worden.”„Zoo, zoo!”Huiskamp zat met kennelijk genot kleine rookwolkjes uit te blazen; moeder ging ijverig met haar breikous voort.Iedere oningewijde zou gedacht hebben dat het gesprek op het doode punt aangeland was; maar Gerrit begreep uit de houding der beide mogendheden dat de zaak nog niet zoo ongunstig stond.„Vader, zeg je nou niets?” vroeg de boerin eindelijk aan haar man.„Wat zal ik zeggen?”„Wel! wat je d'r van denkt. Ik voor mij, als ik er wat in te zeggen zal hebben, dan moet ik eerlijk bekennen dat voorzooveel mij aanbelangt....”„En zei Jannetje niets meer?” viel vader Huiskampzijn vrouw in de rede; want hij zag tot zijn verdriet dat die alweer met haar gewone vrouwelijke haastigheid de zaak hals-over-kop tot beslissing dreef. „Laten we 'reis eerst verder hooren!”„Och, buurman,” antwoordde Gerrit; „wat zou ze zeggen?.... we hebben een heele poos met elkaar gepraat,.... maar we kennen elkander zooals je weet van jongsaf en waren altijd samen. En het eenige waar ik vroeger nog wel bang voor wezen kon, is nu ook opgelost.”„Ja,” zei moeder Huiskamp, zonder de dubbelzinnigheid te bedoelen, die in haar woorden lag, „dat is ons dan ook een groot verdriet.”„Als ze mij nou vooruit gevraagd had,” verzekerde vader Huiskamp; „dan zou ik gezeid hebben: kind, weet wèl wat je doet.”„Buurman!” pleitte Gerrit weer; „ik geloof dat ze goed geweten heeft wat ze deed.”„Hm!” bromde Huiskamp.....„en dat we samen voor het aangezicht des Heeren de zaak besproken hebben.”„Hm!”„Ik hoop nu maar van de goede vrienden mijner ouders, dat ze me met een gunstig antwoord zullen verblijden.”„Hoor 'reis,” zei vader na een heele poos zwijgend te hebben zitten rooken, „als Jannetje bij ons was gebleven, dan had je haarnietgekregen! Wat jij moeder?”„Je meent, vader, nadat Gerrit van ons is weggegaan.”Vader knikte toestemmend: „Maar nou ze allebei....”„Ja, ik zeg maar altijd, Jannetje is een best kind, en goed ook; maar ze heeft zoo haar eigen zinnetje.”„Niet dat ik zou willen zeggen,” vervolgde vader, „als dat er geen ware kinderen Gods onder de Afgescheidenen zijn; dat is er ver vandaan! Ik heb er menigeen van mijn beste vrinden onder, van wien ik het goede al jaren lang gelooven mag. Maar ik vraag maar: waar dient het toe?”„Ja,” zuchtte moeder; „maar het geval ligt er nu eenmaal toe. En je kan ook nooit weten hoe de Heere met een krommen stok nog eens een rechten slag geeft.”Gerrit zat met taai geduld den uitslag van die beraadslagingen af te wachten, zonder eenige neiging te voelen om op de kerkrechtelijke geschillen in te gaan.Vrouw Huiskamp schonk hem een kop koffie in en het hoofd des gezins schoof hem den tabakspot toe. Gunstiger voorteeken had hij niet kunnen verlangen.Eindelijk zei vader—die 'n minuut of vijf vergeefs gewacht had of Gerrit ook nog eens het woord zou nemen:—„Nou dan mot het dan maar! Wat jij, vrouw?”„Als vader er mee vereenigd is, zal ik er niets tegen zeggen!”Zwijgend drukte Gerrit beiden hartelijk de hand.„Ja, van dat verschil....” begon vader opnieuw;.... „maar ik zal er het zwijgen toe doen.”„Vader,”vroeg zijn vrouw; „zal ik Jannetje nou maar eens roepen?”„Ja, dan maar!”Met Jannetje ging het vlugger; die antwoordde op devraag: „Zult gij met dezen man trekken?” al even spoedig als eens Rebekka, kort en goed: „Ik zal trekken.”„Die vrouwen!” zuchtte vader hoofschuddend; „allemaal één pot nat... Maar laten we nu het aangezicht des Heeren zoeken.”
„Ho, ho!” berispte vader haar, „ik zal de laatste wezen om het goed te praten, maar we moeten oppassen dat we niet overdrijven.”
„Ik overdrijf niet, vader. Maar wij weten niet wat er zoo allemaal gebeurt. Daar heb je het geval nog pas-geleden in Kesteren. Dat is verleden week gebeurd en het werd ons verteld door de familie van de menschen. Daar waren nu Woensdag vóór acht dagen des avonds negentien menschen bij elkaar;—ik kan den naam je noemen, bij een kleinen landbouwer Arie de Weert. Zehoorden wel veel rumoer om het huis heen maar gingen voort met preeklezen. Eindelijk hoorden ze lawaai op het dak; niet anders te denken dan het was de wind, want het woei hard. Maar jawel; is 't niet Godgeklaagd? ineens zagen ze vuur. Het heele dak en het achterhuis stonden in volle vlam. Nog net bijtijds konden de geloovigen het huis uit vluchten. Niemand stak een hand uit om te blusschen. Niets is er gered dan het eenige koebeest van de Weert. Ze zouden nu moeten bedelen als er geen Afgescheidenen waren!.... Ik.... ikwilenzalniet langer bij de vervolgers hooren!”
Jannetje stampte met den voet op den grond; vader en moeder zaten bedrukt te kijken. Gedurende de eerstvolgende minuten zwegen allen.
„Ja, ja!” zei vader Huiskamp eindelijk, „er gebeurt al wat in de wereld!”
Zoomin zijn vrouw als zijn dochter gevoelden zich geroepen dit tegen te spreken of te bevestigen.
„Drink je koffie eens leeg, beste meid,” zei moeder. „'t Is jammer, niet waar vader? dat zij Zondag niet hier was.”
„Hoe dat zoo moeder?” vroeg Jannetje.
„Omdat we Zondag morgen nog zoo'n mooie preek van onzen dominee gehoord hebben, ook zoo wat over hetzelfde,” hernam moeder terwijl ze voor alle drie de kommetjes inschonk; „je kreeg er zoo'n inzicht in, zie je.”
„Ja,” zei vader, „een dierbare tekst.”
„Lees 'm 'reis voor, vader,” vroeg vrouw Huiskamp. Haar man greep den Statenbijbel, die naast het pijpenrek op een kastje stond, sloeg dien open en begon: „Hier heb je het: uit Johannes zes:
Van doen af gingen vele syner discipelen terugge ende wandelden niet meer met hem.
Jezus dan seyde tot de twaelve: wilt ghijlieden oock niet wechgaen?
Simon Petrus dan antwoordde hem: Heere, tot wien sullen wij henengaen? ghij hebt de woorden des eeuwigen levens.
Ende wij hebben gelooft ende bekent, dat ghij sijt de Christus de Sone des levendigen Godts.”
Vader sloot het heilige boek en zette het weder op zijn plaats.
„Dierbaar hè?” vroeg moeder aan Jannetje.
„Ja moeder, die tekst is mooi genoeg,” stemde haar dochter toe.
„Het wás ook mooi!” zei vrouw Huiskamp weer.
„Dat kan wel, moeder,” hernam Jannetje; „maar ik zie nog niet hoe dat iets met de Afscheiding te maken heeft.”
„Zie je dát niet, kind? Hoe is 't mogelijk! Hoe dat de Heere Jezus hier nu niet meer lichamelijk rondwandelt, maar hoe dat hij toch in zijn kerk gebleven is en altijd blijven zal; en hoe dat die nu hier de wereld doorgaat, en hoe dat..... ik kan het allemaal niet zoo zeggen!... hoe dat er toen ook al een Judas bij was; en de Heere Jezus dat heel goed wist en hij hem toch niet uit zijn kerk uitstootte; en hoe dat... zie je... als nou maar de ware belijders... e... begrijp je?”
Moeder bleef in het schema van de preek steken. „Ik begrijp het nog niet,” zei Jannetje lastig.
„Nou,” vulde vader aan; „als die nou maar op de vraag:„Wilt gijlieden ook niet weggaan?” met Petrus zeggen: „Neen, Heere!””
Jannetje zweeg.
„En getrouw, hè vader?” begon vrouw Huiskamp weer. „Getrouw! Aan het adres van de onbekeerden;ikoordeel u niet, maar het zal wat te zeggen wezen altijd met den Heere gewandeld te hebben en er toch niet bij te behooren. En de geloovigen vermaand om nu ook bij hem te blijven, waar hij ook heengaat en al zijn er Judassen bij; maar niet hetzelfde juk met de ongeloovigen aan te trekken. En toen dat eindelijk allemaal toegepast op de beroering in onze dagen.”
Jannetje bleef zwijgen en vader bleef rooken.
„En toen,” ging moeder maar weer voort, „dat nagebed. Dat smeeken aan den Heere of toch de eenigheid van de geloovigen mocht openbaar worden; en of we allen maar van de menschen mochten afzien en op hem alleen zien! En of er meer liefde mocht komen en geen wortel van bitterheid opspruiten. En of we niet mochten blijven bij het uitwendige om maar alleen op de belijdenis te kijken, daar je zoo licht het innerlijke leven bij vergeet; en hoe het ons in de eeuwigheid niets helpen zal als onze buurman een zuivere belijdenis had.—Ik kan je zeggen, hij zei me te vroeg Amen, en ik dacht, was je nog maar zoo doorgegaan!”
„Ja,” zei vader plechtig; „ik zeg maar: zoolang als je nog zulke getuigenissen te hooren kan krijgen, dan...”
„Nu wat dan, vader?”
„Dan?.. Nou.. dan.. e.. zooals ik zeg...”
„Vader meent maar,” hielp zijn vrouw hem, „dat een mensch z'n eigen wel tweemaal bedenken mag voordat hij daar tegen ingaat.”
Een paar minuten stilte.
„Weet u ook hoe het Zondag bij Reijmeringer gegaan is?” vroeg Jannetje plotseling.
Vader keek onaangenaam verrast op, klopte zijn pijp uit en stopte een versche; toen nam hij een kooltje vuur:
„Ja.. pf!.. dàt is nou.. pf.. pf.. zie je.. pf! hoe zal ik zeggen?...”
Jannetje wachtte geduldig.
„Ja zie je, dáár kan ik me nou ook zoo glad niet bij neerleggen.”
„Waarbij niet, vader?”
„Daar waren meer dan negentien, zie je, en...”
„Ja vader,” viel vrouw Huiskamp hem in de rede; „maar laten we nou eerlijk wezen en zoowel het voor als het tegen zeggen. En dát vond ik nou ook veel te ver getrokken, al zeg ik het zelf; dát was spijkers op laag water zoeken! Ja, er waren er twintig; maar hoe! Neen, daar kan ik nou nog zelfs niet overheen.”
„Ik zeg immers ook dat ik het niet kan goedkeuren!” riep vader een beetje kriegel.
„Jawel, maar omdat je zoo maar alleen zeit: er waren meer dan negentien. Maar dat ééne schaap van drie maanden, dat was alles.... zie je, ik kan begrijpen dat je de menschen zóó tegen de kerk maakt.”
Jannetje wachtte zwijgend; ze was den heelen avond onhandelbaar; ze praatte onophoudelijk telkens als vader en moeder maar liever gehad hadden dat ze haar mond gehouden had; en ze zweeg gedurig als een mof, telkens als ze haar ouders met een enkel woordje uit de verlegenheid had kunnen redden.
„Zie je,” zei moeder eindelijk; „de burgemeester kwam tellen en vond negentien groote menschen, nou daar was niets tegen. Maar vrouw Klippers had haar zuigeling van drie maanden meegebracht, en dat was de twintigste. Nou toen wou zij met het kind weggaan maar dat mocht niet, en toen moesten ze allemaal er uit. En tegen Reijmeringer isproces-verbaalopgemaakt, die krijgt nou boete.”
„Maar,” vergoelijkte vader; „ze zijn niet geslagen of zoo iets; Reijmeringer moest zelf zeggen dat alles heel fatsoenlijk in z'n werk ging.”
„En heeft dominee misschien 's avonds ook stichtelijk gepreekt over dat schandaal?” barstte Jannetje los. „Hoekuntu nog langer bij zoo iets blijven?”
„Maar beste meid,” hernam vader; „we zeggen je immers zelf hoe leelijk wij het vinden.”
„Jawel: maar ondertusschen doet u er aan meê.”
„Wij!” riep moeder, „schaam je je niet?”
„Ik meen niets scherps te zeggen, moeder; ik deed er ook aan mee. Ieder die er bij blijft behooren. Van u weten ze dat het uw lust is den Heere te dienen; en dus sterkt u de handen van de vijanden. Zij zeggen natuurlijk dat het zoo kwaad niet zijn kan in een kerk, waar de Huiskampen in blijven. o Gaat u ook over!”
„Ik en je moeder vinden geen vrijheid om de kerk te verlaten zoolang de Heere er niet kennelijk geheel uit geweken is.”
„Vader, ik vind geen vrijheid om te blijven. Ik vind het vreeslijk om alleen te gaan, maar ik mag niet anders.”
„Jannetje,” zei vader, „we kunnen je niet met geweld tegenhouden.”
„Maar het is me een verdriet op m'n ouden dag!” jammerde moeder.
„Moeder, God weet het, hoe erg ik het vind u verdriet aan te doen, maar ik mag niet anders.”
„Nou, kind, dan moet je doen wat je niet laten kan.”
„Als je maar niet je dwaling eerst inziet, als het te laat is,” waarschuwde vader nog.
***
Jannetje, hoewel gewaarschuwd, bleek niet voor overtuiging vatbaar. „Ze is een best kind,” zei moeder, „maar ze heeft haar eigen zinnetje!” Den volgenden dag was ze niet te bewegen mee naar de kerk te gaan. In de samenkomsten der Afgescheidenen kon ze niet komen zonder het getal van negentien te overschrijden. Ze kon het dien dag heel goed zonder preek stellen; ze had meer stichting in de eenzaamheid door haar eenheid met de vervolgden, dan ze door de mooiste preek van den besten Hervormden predikant had kunnen genieten.
Maar 's middags liep ze „even” bij Beukman aan, en toen ze een uur later weer naar huis ging, wist Klaas Beukman dat hij 's avonds aan de broeders en zusters mocht mededeelen, dat Jannetje Huiskamp zich bij hen aangesloten had.
Driekwart eeuw geleden was het verzenden per post van een brief een duur ding, waar gewone menschen alleen toe overgingen wanneer het beslist noodig was. Bovendien hanteerde Klaas Beukman liever drie uren achtereen den ploeg dan een half uur de pen; en zijn vrouw deed aan brieven-schrijven in 't geheel niets. Zoo nu en dan hoorden zij en Gerrit wat van elkander, wanneer boeren uit de beide dorpen elkaar op een of andere markt ontmoet hadden; ook kwamen er wel brieven van Gerrit, maar het was een zeldzaamheid als hij er een van zijn ouders ontving. Het meeste vernamen de ouders en hun kind nog van elkaar door de predikanten, die bijna voortdurend op reis waren om nu hier, dan daar de diensten te leiden.
Niet zelden moesten die tochten in het geheim geschieden om de vervolgingen onderweg te voorkomen zoowel als om de bediening des Woords en der Sacramenten in de plaats waar de predikant verwacht werd, niet reeds vooraf onmogelijk te maken door ruchtbaarheid aan zijn komst te geven. Somtijds werden de samenkomstenop zeer afgelegen plaatsen en midden in den nacht gehouden. Zoo kwam, om slechts één voorbeeld te noemen, de predikant Brummelkamp den 19enAugustus 1837 te Bunschoten aan en predikte den 20en, Zondags, des nachts te Malestijn, zooals de notulen het zeer grootsch noemen, dat is: op een boerderij tusschen Bunschoten en Spakenburg, die Malestijn heette. In die godsdienstoefening werd aan een kind het sacrament des doops bediend.
De geloovigen werden niet gehangen; hun leeraren werden niet geradbraakt; maar overigens hadden de Afgescheidenen aanleiding genoeg om hun lot in het vrije „Gereformeerde” Nederland te vergelijken met dat van de Hugenoten onder den grooten koning Lodewijk XIV.
En indien hun vijanden—vooral die uit de hoogste standen—slechts gedurfd hadden; indien ze de handen vrij genoeg hadden kunnen bewegen, dan zouden ze de kinderen Gods in alle opzichten met de martelaren uit de zeventiende eeuw gelijk gesteld hebben. Sprak Mr. Zevenstern, officier bij de Rechtbank te Appingedam, het niet uit: „Het ware te wenschen dat men de hoofden der bijeenkomsten aan het lijf mocht straffen.” Daarmede bedoelde hij iets anders dan gevangenisstraf, want die werd reeds naar hartelust uitgedeeld. En schreef niet Mr. Thorbecke einde September 1837, als verzet tegen zijn vriend Mr. Groen van Prinsterer, „dat aan de inkwartiering alleen de wettelijke vorm ontbrak?”[1]
Voor zulke zwervers als de leeraren der Afgescheidenenmoesten zijn, was de afstand tusschen Bunschoten en Loosdrecht gering. Die beide dorpen met de tusschenliggende Hilversum en Eemnes werden gewoonlijk op dezelfde rondreis bediend, zoodat, alles in aanmerking genomen, de Beukman's nog dankbaar mochten zijn omdat ze zooveel van elkaar hoorden.
Begin Mei had Gerrit van zijn vader een brief ontvangen, die hem brandend-nieuwsgierig naar nadere tijding gemaakt had. Vader was nooit heel spraakzaam, de brieven waren natuurlijk nog aanmerkelijk korter dan de gesprekken. In bedoeld epistel stond, midden tusschen nieuws van allerlei aard: „Bij de Huiskampen is alles nog al zoo hetzelfde behalve dat Jannetje tot ons overgekomen is.”
Zou dat werkelijk beteekenen wat Gerrit er zoo gaarne in las? Er was gedurende de eerste weken weinig kans om er achter te komen.
Sedert de Kerstvacantie was de jonge man niet meer in Loosdrecht geweest. In gewone omstandigheden zou het hem gemakkelijk gevallen zijn zoo nu en dan Zaterdagsmiddags daarheen en Zondagsavonds terug te wandelen. Maar de vervolging legde hem allerlei andere plichten op. Er viel voor hem veel meer te doen dan het onderwijzen van de kinderen. Wel had de kleine gemeente zeer goed begrepen dat de openbare onderwijzer niet het ambt van ouderling of diaken vervullen kon zonder haar zoowel als zichzelf noodeloos en onherstelbaar in moeite te brengen. Indien hij als ambtsdrager opgetreden ware, zou zijn ontslag slechts een kwestie van zeer korten tijd geweest zijn. En dan zou er heel waarschijnlijk een opvolger gekomen zijn, die „het gouvernementniettegenwerkte”,en die dus met de kinderen der gemeente vrij spel had. Maar dat belette Gerrit niet in allerlei opzichten zijn eenvoudige en minder ontwikkelde geloofsgenooten met raad en daad bij te staan, waarmee hij de handen vol had. Voorzichtigheid gebood hem daarvoor uitsluitend zijn vrijen tijd te gebruiken. Daarenboven was zijn aanwezigheid van groot nut voor het gezin van zijn hospes Kramer, dat voordurend met inkwartiering gekweld werd. Vrouw en kinderen kon men geen oogenblik alleen in huis laten, zoolang de „gezegende werktuigen om Sion uit te breiden” daar nog gebruikt werden. Zijn vriend en hij waren dus om de beurt aan huis gebonden. Ten overvloede was hij sedert den 20enJuni zijn vriend Jan Verlinden als hulponderwijzer kwijt, zoodat voorshands al het werk in de school alleen voor zijne rekening kwam.
Met groot verlangen had hij dus zijne zomervacantie van veertien dagen tegemoet gezien.
Eindelijk was de groote dag aangebroken. In den vroegen morgen van Zaterdag den 15enJuli stapte Gerrit Beukman in de huifkar van zijn vriend Kramer en nam plaats naast den man, die hem naar Eemnes zou brengen. Vandaar zou hij te voet de reis vervolgen.
Wel bracht het paard van Kramers den bovenmeester naar Eemnes, maar de baas had het daartoe midden in den zomer te druk. De teugels van het spannetje waren in handen van Willem Vlok, die voor 't oogenblik toch niets anders te doen had en er zeer vereerd mee was, dat hij dit ritje in den dienst van Beukman en Kramer doen mocht.
„En hoe gaat het thuis, Vlok?” vroeg Beukman, toenze de kom van het dorp achter zich hadden en in de heerlijke lucht van den helderen zomermorgen bedaard den mullen zandweg langs reden.
„Thuis!” sprak Vlok, niet zonder eenige bitterheid in de stem. „Ja, dàt mag meester wél zeggen!”
„Je hebt gelijk, Vlok!” hernam Gerrit; „thuis is, helaas, het rechte woord niet. Hoe gaat het met je vrouw en kinderen?”
„Naar de omstandigheden goed, meester, maar de Heere moet bijzondere genade geven om er altijd in te berusten;—we hebben er zeven, zie je, en de oudste moet nog pas elf jaar worden. Maar ik mag nog van geluk spreken als ik zie op mijn lotgenoot de Greef; daar is nog een kind meer en z'n vrouw is maar zwakjes, meester; die ziel moet de tering hebben. Mijn wijf en ik kunnen ten minste door de goedheid Gods nog voort!... Het is wat te zeggen!”
Gerrit liet den stumperd uit zijn tabakszak een pijpje stoppen; hij begreep dat er meer behoefte bestond aan een kleine daad van gemeenzaamheid dan aan een groot woord van vertroosting. Ook viel er voor hem meer te hooren dan te zeggen.
„Hoe is het nu eigenlijk in z'n werk gegaan?”
De man zweeg tot de pijp behoorlijk rondgebrand was en blies met welgevallen een paar rookwolken uit.
„Ja; meester is nog zoo lang niet bij ons en weet misschien van het vorige zoo niet af. Kijk—ik en de Greef hadden maar weinig werk en—zooals dat gaat—er kwam zoo nu en dan alweer een kind bij;—maar we werden toch altijd staande gehouden, dat mag ik tot eervan den Heere zeggen; en ook gedurig door deDiakoniegeholpen. En dan hadden we vrij wonen in die twee hutjes! Nou goed; maar langzamerhand kwamen we er wat meer door en er een beetje boven op, en er was geregeld werk te krijgen, zoodat, zie je, de bedeeling ophield. Dat was niet meer dan recht; er waren armer dan wij, en zoowel ik als de Greef mochten er den Heere voor danken voor dat het niet meer hoefde en dat nou een ander kon geholpen worden. Maar we mochten vrij blijven wonen; zie je. Nou dat ging zoo voort—en wat nou de kerk anbelangt, we bleven er allemaal lid. Een mensch heeft wel zijn bedenkingen, maar dat is tot daaraan toe. Alleen vrouw de Greef, die zei soms dat zij er niet hoorde, en dat we dan eigenlijk allemaal er niet hoorden. Nou weet meester nog wel van verleden jaar... ja... toen was je al bij ons, nietwaar?”
„Wanneer?” vroeg Gerrit.
„Toen dat met Poort; toen die ineens niet meer oefenen mocht?”
„Ja;daar was ik bij,” antwoordde Gerrit; „dat heeft voor mij den doorslag gegeven.”
„Nou, zie je, daar heb je 't!” vervolgde Vlok; „dat stuitte ons dan ook danig tegen de borst; daar konden we niet overheen. En toen—zooals meester weet, kwamen wij ook bij de Afgescheidenen kerken, maar we gingen niet over, begrijp je. Alleenig vrouw de Greef, zie je,dieging over. Dat ging zoo z'n gangetje, alles goed en wel; je hoorde van niets. Tot nou in eens, gisteren veertien dagen, den laatsten Juni, komt de diaken Klap eens binnenloopen. „Zeg Vlok,” zeit ie; „dat kan zooniet langer.” „Wat kan niet langer, mijnheer?” vraag ik zoo. „Vlok,” zeit ie; „de Greef en jij kunnen hier niet aldoor zoo maar blijven wonen voor niets!” Ik keek er van op, maar recht is recht; en alhoewel ik het op 't oogenblik niet kan betalen, de Heere zal, als het moet, op zijn tijd ook wel uitkomst geven. „Hoeveel zou dan de huur moeten wezen, mijnheer?” vroeg ik zoo langs m'n neus weg. „Ja,” zeit ie, „je kan nog wel op denzelfden voet blijven wonen, maar jullie komt nooit in de kerk.” Ik denk: wat zou er nou komen? „Kijk,” zeit ie, „als je allemaal altijd in de kerk wil komen, dan kan je blijven.” Nou, heel veel vieren en vijven meer... en of we nu al zeien als dat we Hervormd waren; hij hield maar vol: je doet alsof je Afgescheiden bent.
Ten langen leste vroeg ik hoe veel of dan de huur zou moeten wezen. Ja, dat zou dan voor mij en de Greef ieder dertig gulden in het jaar beloopen. En daar mochten we dan tot den anderen dag over denken. Vandaag veertien dagen ik er naar toe en De Greef ook, om te zeggen dat we die huur zouden betalen. Dat moest in de kerkeraad komen.
Maar jawel: 's Maandags komt Klap en nou vertellen: de kerkeraad wil voor ieder twee borgen hebben. „Willem,” zeit m'n vrouw; „loop 'reis naar boer Kramer, dat is 'n goeie man.” Om nou kort te gaan, wij komen denzelfden avond vertellen, ik en de Greef, als dat Kramer en Heining—uw ouderling,—voor ons allebei borg zouen wezen en we hadden het papier er van in onzen zak. Wij blij dat de zaak nou gezond was.
Den dag daaraan, daar komt Klap en Passer de kerkvoogdzeggen: die borgen waren goed en wel, en de zaak was dus tot zoover in orde, maar dan moest er een jaar vooruit betaald worden.”
„Waar dienden dan de borgen voor!” vroeg Gerrit.
„Ja, meester, ik vertel je net zooals de ronde waarheid is. Dus geld vooruit, daar ging niets van af. Wij terug; en wat we nu toch nooit hadden durven denken: om ons te helpen alhoewel we niet eens bij de gemeente hooren, die twee gaven ieder dertig gulden. „Nou kan je eens zien,” mocht ik zoo tegen de Greef zeggen, „zonder iemand te oordeelen, wat de profeet Maleachi zegt van het onderscheid tusschen hem die God vreest en hem die hem niet vreest.”
Wij er weer heen; ieder z'n dertig gulden brengen. „Ja,” zei Passer, „dat is nou goed en wel, maar hoe staat het nou met het kerkgaan?” „Maar mijnheer,” zei ik zoo, „en we betalen nu vooruit?” „Ja,” zeit Klap, „dat gaat er heelemaal buiten om. Want zoo zouden we wel de grootste vijanden in de huisjes kunnen hebben! Je begrijpt wel, het zijn eigendommetjes van de Diakonie!” „Maar mijnheer,” zei de Greef, die een beetje kriegel werd; „dertig gulden is toch dertig gulden!” „Nou zou ik nog brutaal worden toe!” zei Passer. „Jelui moeten beloven, plechtig beloven, dat je met vrouwen en kinderen geregeld en alleen in onze kerk komt en nooit meer die andere vergaderingen zal bijwonen. Want anders moet je op staanden voet eruit!”
Nou, toen werd ik toch een oogenblik omgekeerd. Maar toen Klap: „Kijk,” zei die, „als 't nog onze eigen huizen waren, dan was 't wat anders, maar het is heteigendom van de Diakonie, en dátmagik niet tegen de kerk in laten gebruiken.””
„Zoo'n huichelaar!” barstte Gerrit los.
„Ja,” zei Vlok zachtmoedig; „het wou er bij mij ook niet in. Maar dát konden we niet beloven. „Neem dan je geld maar weer meê,” zei Passer; „dan moet je maar afwachten wat er van komt.””
„En toen?” vroeg Gerrit.
„Toen? Nou, Donderdag vóór acht dagen werden we met pak en zak er uit gezet. En daar stonden we. Veldwachter Koelewijn moest er van den burgemeester bij wezen. 't Ging hem aan zijn hart, dat kon je zien.”
„Ja dàt is een rechtschapen, godvreezend man,” hernam Gerrit.
„Meester; let op mijn woorden: Koelewijn gaat denzelfden weg op. Die raakt z'n bestaan kwijt; wat ik je zeg! En toen zaten we op het strand zonder dak boven het hoofd. De burgemeester had een plek er voor aangewezen; maar een die bij hoog tij onder loopt.”
„Maar er is nu toch, God zij dank, in voorzien,” zeide Gerrit.
„Ja, toen 't zoo'n weer werd hebben meester en de anderen, die we er dan ook nog wel voor bedanken, zoo bij den burgemeester opgespeeld, dat hij ten langen leste wel helpen moest. Nu zijn we weer onderdak. Maar vrouw de Greef heeft het dan leelijk te pakken: dat mensen kan niet zoo tegen weer en wind.”
„De Heere zal oordeelen!” zei Gerrit meer tot zichzelf dan tot zijn reisgenoot.
„Meester, dat wil d'r nou bij mijn maar niet in datonze gezegende Heiland nou zoo iets van z'n diakenen zou goedvinden. Ik ben niet geleerd en ik kan er niet tegen op; maar ik vraag maar: zou de Heere dat nou bedoeld hebben met het ambt van diaken?.... Maar we bennen er, en hier gaan we uit mekaar.”
Met een hartelijken handdruk, waarbij een gulden uit Gerrits hand in die van zijn reisgenoot overging, zei de eerste: „Ik dank je wel, Vlok!.... Voor de kleintjes, hoor!”
„Maar meester, dat is te veel. De boer betaalt me.”
„Ikbetaalje ook niet; het is een aardigheidje voor de kinderen.”
[1]„L'établissement d'un pouvoir préventif permanent dans le demeure des citoyens a besoin, selon moi, d'être autorisé par une loi.”
[1]„L'établissement d'un pouvoir préventif permanent dans le demeure des citoyens a besoin, selon moi, d'être autorisé par une loi.”
De verhouding tusschen Jannetje Huiskamp en haar ouders was zeer goed; alleen „over dat ééne” werd niet meer gesproken. Jannetje had haar lidmaatschap aan den kerkeraad der Hervormde Kerk opgezegd. Maar die opzegging was niet zoo dadelijk aangenomen; het meisje had een bezoek van dominee ontvangen, dat meer dan een uur geduurd had. Dominee had—raak of niet raak,—alle teksten aangehaald, die in zijn oog op het geval toepasselijk waren; zelfs verscheidene teksten, waarvan hij alleen slechts hoopte dat Jannetje ze toepasselijk vinden zou, ofschoon ze naar zijn eigen meening niet zoo rechtstreeks ter zake deden. Van de Hervormde Kerk had hij—onder toestemming dát er veel verkeerds in was,—gezegd: „Verderf het niet, want er is een zegen in!” Hij had de gelijkenis van „het onkruid in den akker” aangehaald; en bij het woord van Jezus: „De akker is de wereld”, gezegd ter nadere toelichting: „dat is dus wat wij nu zouden noemen de volkskerk, begrijp je”. En daarop had Jannetje toestemmend geknikt. Zoodat de dominee, een goedige,naïeveman, reeds gedacht had dat hij er al wasen nu Jannetje gelegenheid gaf om te antwoorden. Doch hij was er nog niet, want zijn vroegere leerlinge had heel onnoozel gevraagd: „Dominee, is de wereld en de Hervormde Kerk dan hetzelfde?” Maar Jannetje was ook geen theoloog!
Wat haar eigen zieleheil betrof had dominee haar gewezen op Salomo's waarschuwing: „Vermeng u niet met hen die naar verandering staan;” en op Jezus' vermaning: „Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.” En eindelijk—want dominee, hoe goed hij ook was, toch kon hij wel toornen!—op het schrikkelijk woord van den apostel Judas: „Dezen zijn het die zichzelven afscheiden, natuurlijke menschen, den Geest niet hebbende.” Welnu, duidelijker kon niet—tenminste uit Gods Woord niet—aangetoond worden dat de Afscheiding niet uit God is! Maar Jannetje had daar overheen gepraat door onverwacht met de domme vraag voor den dag te komen: „Dominee, als de engelen eens de maaiers wezen zullen, gebruikt de Heere dan hier al voor de tarwe artilleristen en politieagenten?” En toen was dominee werkelijk boos geworden en had geantwoord dat ze geen grapje van de zaak maken moest, want daar was het te ernstig voor. Jannetje evenwel had op haar beurt dát dominee kwalijk genomen en een beetje spijtig geantwoord dat ze er niet aan dacht om stokslagen van politieagenten, bajonetsteken van artilleristen en met-boter-besmeerde stoepen voor grapjes te houden. En ze was geëindigd met dominee ernstig te verzoeken haar als lidmaat te schrappen. Met een laatste vermaning om toch haar hart niet te verharden, had dominee haar plechtig beloofd dat aan haar verzoek zou voldaan worden.
Waarom Jannetje hem dat met zooveel aandrang verzocht vertelde ze dominee echter niet; gedachtig aan het spreekwoord: „Je moet geen slapende honden wakker maken!” Ze las thans geregeld het Tijdschrift „De Reformatie.” En ze had daarin een bericht gevonden, dat haar alle reden van bezorgdheid gaf. Zekere B. J. Ploeg te Klundert—zoo werd daar verhaald—had den 25enNovember 1835 schriftelijk zijn lidmaatschap van de Hervormde kerk opgezegd. In 1836 hadden kerkvoogden en notabelen goedgevonden, ter dekking van de uitgaven tot herstel van het kerkgebouw der Hervormden, een hoofdelijken omslag uit te schrijven, en op grond daarvan ƒ2.50 van Ploeg gevorderd. Deze beriep zich natuurlijk op zijn schriftelijke opzegging en weigerde de betaling. Ofschoon die opzegging door den kerkeraad niet ontkend werd, dagvaardde A. den Engelse, in kwaliteit van kerkvoogd, Ploeg voor den vrederechter in het kanton Zevenbergen. Den 8enAugustus 1836 had de zaak gediend. Tot zijn groote verbazing werd Ploeg veroordeeld tot betaling. Als eenige rechtsgrond werd in het vonnis aangegeven: „Gezien de artt. 30 en 33 van het Reglement op de administratie der kerkelijke fondsen en de kosten van eeredienst der Hervormde Gemeenten in de Provincie Noord Brabant.” De som was zoo klein, dat geen hooger beroep kon aangeteekend worden.
Ploeg, die reeds sedert een half jaar ouderling bij de Afgescheiden Gemeente was, betaalde niet; in overleg met zijn medeleden, om te zien wat er van de zaak worden zou. Den 10enSeptember volgde een bevel tot executie. Den 5enOctober werd beslag op zijn inboedel gelegd, en nam zekere Willemse, tot gerechtelijkbewaarder aangesteld, intrek in de woning van Ploeg. Deze had den 16enSeptember een rekwest aan Z. M. den koning ingediend; maar dat bleef onbeantwoord[1]. Den 15enOctober werd de inboedel voor zoover noodig, verkocht. Zoover noodig beteekende: ƒ2.50 hoofdsom en ƒ54.94 gerechtelijke onkosten.
Jannetje had die geschiedenis minder tot haar stichting dan tot haar onderricht gelezen; en was blij dat „De Reformatie” door de Hervormden niet de moeite waard geacht werd om er inzage van te nemen. Toch rustte ze niet, voordat ze zeker wist dat de schrapping van haar naam een voldongen feit was. Het verwonderde haar, niet geheel ten onrechte, dat menschen die hun lidmaatschap opzegden, tegen wil en dank op de lidmatenboeken bleven staan[2]. Indien ze wat beter onderwijs genoten had, zou ze geweten hebben dat de groote Lodewijk XIV op dezelfde wijze de Hugenoten Roomsch hield of opnieuw Roomsch maakte. Maar hoe zou ze zich vijftig jaren later verbaasd hebben, indien ze het beleefd had, over het feit dat toen duizenden geroyeerd werden, die er volstrekt niet om gevraagd hadden. Misschien had ze dan nog eens overgelezen wat „De Reformatie” volgen liet op het verhaal van de mishandeling Ploeg aangedaan: „Op grond dat we niet Gereformeerd zijn maar een afzonderlijke secte vormen, worden we door verscheidene Rechtbanken veroordeeld tot het betalen van geldboeten.Doch het schijnt ook al mogelijk te wezen ons geld uit den zak te jagen door eenetegenovergesteldebewering.”
***
Vader en moeder Huiskamp hadden, volgens vaste gewoonte, den ochtenddienst in de kerk bijgewoond. Ze waren, ook volgens vaste gewoonte, zeer gesticht thuis gekomen. Zóó „getrouw” als vanmorgen had moeder het nog nooit gehoord! En vader antwoordde: „Dat zeg je naar waarheid!” Die nabetrachting was bijna ook vaste gewoonte geworden.
Jannetje was thuis gebleven; om redenen haar bekend kon zij pas vanavond gaan. De reden was heel eenvoudig deze, dat de Afgescheidenen, indien ze niet voortdurend mishandeld en uit elkaar gejaagd wilden worden, de rollen zorgvuldig verdeelen moesten en ieder der leden aanwijzen waar en wanneer het zijn beurt zou zijn om de onderlinge samenkomst bij te wonen.
In de vergadering ten huize van Reijmeringer had Gerrit tevergeefs naar Jannetje uitgezien. Zoodra tegen half twee het middagmaal afgeloopen was, stapte hij de deur uit om zijn oude buren Huiskamp eens te bezoeken. Van het erf op den grooten weg tredende, zag hij de geliefde zijns harten het ouderlijk huis uit komen en den anderen weg opgaan.
Natuurlijk verdween zijn plan om vader en moeder Huiskamp een bezoek te brengen als sneeuw voor de zon. Met enkele stappen had hij het meisje ingehaald.
„Goeden middag, Jannetje! Hoe gaat het?”
„Wel heb ik....! Goeden middag, Gerrit!” riep het meisje met zooveel verrassing in haar stem, dat Gerrit zich er van verzekerd hield dat ze hem niet vroeger opgemerkt had, toen beiden zich naar buiten begaven. „Ben je de vacantie hier gekomen?”
„Ja! Je weet niet hoe ik er naar verlangde! Maar gaat het goed? En hoe maken de oudelui het?”
„Al wèl! Al wèl!” antwoordde Jannetje terwijl ze samen voortliepen.
„Ik wou juist eens naar je vader en moeder gaan zien.”
„Zoo? Maar dan loop je te ver!” antwoordde Jannetje stilstaande, om hem niet nog verder van zijn doel af te brengen.
„Ja; maar dat heeft nog op geen kwartiertje haast. Ik mag toch zeker nog wel een eindje meeloopen?” vroeg Gerrit eveneens stilstaande.
Een oogenblik keken ze elkaar in de oogen; één oogenblik slechts, maar lang genoeg om Jannetje de hare met een blos te doen neerslaan.
Samen gingen ze verder, het meisje begon: „Ik dacht dat....”
Wat dacht ze? Dat Gerrit wel komen zou; en was ze daarom uitgegaan? Dat hij niet komen zou; en was ze daarom ook maar niet thuis gebleven? Gerrit durfde niet er naar raden, maar verstoutte zich om te vragen: „Wist je niet dat ik in Loosdrecht zou komen met de vacantie?”
„Ja... dat 's te zeggen: we dachten het wel.”
„Mijn vader zal het zijn ouden vriend toch wel verteld hebben!”
„We zien je ouders niet meer zoo dikwijls als vroeger... dat 's te zeggen...”
„Dat 's te zeggen: ze komen niet meer zoo dikwijls bij elkaar aan huis hè?”
„Neen!” zei Jannetje kortaf.
„Maar daarom zaljijmijn ouders toch wel meer ontmoeten, niet waar?”
Jannetje knikte toestemmend. Zwijgend wandelden ze samen een eindje verder.
„Ga je... ergens heen?” vroeg Gerrit.
„Neen... zoo maar!” was het antwoord.
„Hier linksaf komen we in het bosch. Is dat goed?”
Opnieuw knikte Jannetje: „Maar moet je nu niet naar vader en moeder?”
„Neen!” stootte Gerrit plotseling vastberaden met harde stem uit. „Als ik mag ga ik met jou mee, want ik wou je wat zeggen.”
Ze hadden de door Gerrit bedoelde laan ingeslagen, en waren, nu buiten de kom van het dorp, vrij-wel zeker dat ze bijna of in 't geheel niemand ontmoeten zouden. Alles rondom hen was vriendelijk en vroolijk en ademde sabbatsstilte. Boven hun hoofden waren de koolmeesjes ijverig bezig met het zoeken en verslinden van insecten en larven. Met een vlugheid en behendigheid, die de apen hun hadden kunnen benijden, voerden de mooie vogeltjes allerlei toeren uit; hingen zich aan één pootje, 't kopje omlaag, aan het dunste takje op, pikten het ledig en schoten plotseling en pijlsnel naar een ander twijgje. De vinken fladderden het jonge paar voor de voeten, telkens een eindje verder naarmate de beidemenschen langzaam voortliepen. Dwars over den weg huppelde een eekhoorn om den naastbijzijnden boom te bereiken. Op een open plekje dommelden tien, twaalf konijnen in het zonnetje, om weg te rennen zoodra ze de naderende voetstappen hoorden. In de verte stierf het gekraai van een paar hanen weg, die elkaar antwoordden, en rondom overstemd werden door de lijsters, die zoo druk allerlei zang van andere vogels nabootsten, dat ze hun eigen taaltje niet meer hooren deden. Prachtige groote juffers snorden op de gouden of smaragden vleugels om hen heen, en van uit den hoogen beuk hoorden ze het eentonige, slaperig-vredige: „Koe-ke-roe koe-ke-roe!” van de houtduif.
Doch hanen, lijsters en houtduiven konden elk op zijn eigen manier zeggen en zingen wat ze wilden: Gerrit en Jannetje hadden slechts ooren voor wat de een tot den ander spreken zou en—wat niet kwam!
Gerrit, die „wat wou zeggen,” bracht het niet verder dan: „Wat is het hier mooi!”
„Heel mooi,” bevestigde Jannetje stijfjes.
„Er is heel wat gebeurd sedert een jaar geleden,” zei Gerrit.
Hij geloofde haast, maar wist het niet zeker, dat Jannetje lispelde: „Dat is er!”
„En er is geloof ik een groote reden weggevallen, waarom.....”
Jannetje zag even vragend op.
... „waarom ik niet zou kunnen vragen...” ging Gerrit eensklaps voort. „o Jannetje; we kennen elkaar al van kleine kinderen af... ik voelde het toen ik verledenjaar wegging.... maar toen mocht ik het niet zeggen... ik wist niet of je dat toen wel wou... maar nu hoop ik het... o lieve Jannetje, ik kan niet zonder je leven!”
„O!” was al wat het meisje uiten kon. Ze bleef staan. Gerrit vatte haar linkerhand, die ze niet wegtrok. Met de rechterhand bedekte ze haar oogen.
„Jannetje, zeg me: heb ik me bedrogen? Zeg me wat!”
Zwijgend schudde de jonge vrouw ontkennend het hoofd.Hadhij zich niet bedrogen? Of wou zij niets zeggen?
„Zeg toch wat, Jannetje! Ik wist wel dat ik—eens in Bunschoten, niet lang buiten de Scheiding blijven zou;—ik mocht dus toen nog niet vragen.... maar nu... ik heb het uit een brief van vader gelezen.... en God gedankt.... toen kwam er weer hoop in mijn hart...! o Laat me niet zonder antwoord!”
„Wat zal vader...” was het eenige, dat het meisje zeggen kon.
„Vader Huiskamp, meen je? Als ik maar eerst weet dat ik met hem er over spreken mag, dan komt dát wel in orde!”
„Ik weet niet of vader het goedvindt!”
„Ja!Als ik maar mag zeggen: vader Huiskamp, je dochter vindt het goed.”
Jannetje antwoordde niet. Gerrit begreep daaruit dat zij niet tegensprak. Hij liet haar hand los en sloot haar in zijn armen om den eersten vurigen kus haar op de lippen te drukken.
Wat viel er al niet over en weer te bespreken en te vertellen tusschen die beide gelukkige menschenkinderen, die daar aan den boschrand op het kussen vanbloeiende struikheide in den vollen zonneschijn zij aan zij zaten! Het sprak zoo vanzelf datzijbeiden één werden. En toch hoe licht zou hetgeen vanzelf sprak niet gebeurd zijn!
Poëtisch waren ze geen van beiden aangelegd; hoe een verloving eigenlijk behoort te geschieden, was hun onbekend; dat er misschien iets romantisch was of behoorde te zijn in dit uurtje wisten ze niet. Het eenige van dien aard, wat Gerrit zei, was: „Dat is door de omstandigheden een dubbeltje op z'n kant geweest!” En het eenige wat Jannetje daarop antwoordde was: „Maar de Heere heeft alles wélgemaakt.” Overigens was hun verloving meer voor anderen dan voor henzelven poëtisch en romantisch. Hun kerk wasonder het kruis! En dat kruis wierp zijn slagschaduw over geheel het dagelijksch leven van al haar leden. Galg, galeien en vrouwengevangenissen voor Gods kinderen had Nederland niet van Frankrijk overgenomen; maar ons land—eenmaal de bakermat der vrijheid en de herberg der kerk—had wel eenCode Pénalgekregen. En dat was genoeg in de handen van machthebbers in staat en kerk, die het gaarne gebruikten, om Nederland, voor zoover gewetensvrijheid betrof, aan het Frankrijk der zeventiende eeuw gelijk te maken. „De vader zal tegen den zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen den vader; de moeder tegen de dochter, en de dochter tegen de moeder.” Wat zouden Jannetjes ouders? En indien dat goed liep, toch wisten de jong-verloofden zeer wel dat ze telkens wanneer ze met de gemeente samenkwamen, blootstonden voor den martelaarsdood in de volle beteekenis des woords. Eén slagmet den stok van een vijandigen politieagent, één bajonetsteek van een liederlijken soldaat, in naam van koning en kerk, op verzoek van de Synode en op bevel van burgemeester of luitenant toegebracht, kon hen hunne belijdenis met hun bloed doen bezegelen. Ze zouden de eenigen niet geweest zijn, wien dat overkwam. En indien 't zóó erg niet liep: één kwaadaardige gril van willekeur bij gouverneur der provincie of schoolopziener kon hen op staanden voet broodeloos maken.
„Een, twee, drie, vier!” telde Jannetje opspringend; „vier uur, ze zullen niet weten waar ik blijf!” Vier heldere tonen uit het kerktorentje van hun dorp hadden hun oor getroffen;—het eenige voordeel dat ze nog hadden van het kerkgebouw, dat toch ook het hunne was.
Tamelijk snel begaven ze zich huiswaarts.
„Mag ik vanavond je ouders komen spreken?” vroeg Gerrit zijn geliefde.
„Vanavond is mijn kerkbeurt,” antwoordde Jannetje; „en misschien is het goed dat ik eerst.... Neen, kom morgenavond.”
Het was voor vader en moeder Beukman een heerlijk bericht, dat hun zoon hun bracht. Van hun ouderlijken zegen konden de jongelui zich verzekerd houden.
Wat zou vader Huiskamp zeggen?
Dat had erger kunnen uitvallen dan het deed.
TeunisHuiskamp zat—heel conservatief in zijn gemoedelijke rechtzinnigheid en zijn Hervormde-kerk kerkisme vast; maar het was geen doode orthodoxie en geen verketterend kerkisme. Een alleen-zaligmakende leer of kerk had hij nooit gehad.
Maandags avonds zat Gerrit nauwelijks een kwartier bij zijn buren in de gezellige keuken een pijpje te rooken,—Jannetje had het in haar eigen opkamertje erg druk—of zonder veel omwegen kwam hij met de groote zaak tevoorschijn.
„Buurman Huiskamp; ik heb gisteren middag een poosje met je dochter gesproken.”
„Zoo, zoo!” bromde Huiskamp, die er reeds alles van begreep.
„Wel! wel!” riep moeder, die dat bericht reeds een paar jaren vroeger verwacht had.
„Ja; en Jannetje zei dat ik maar eens met u moest spreken.”
„Zoo, zoo!”
„En nu kwam ik u vragen om het goed te vinden als wij het samen eens worden.”
„Zoo, zoo!”
Huiskamp zat met kennelijk genot kleine rookwolkjes uit te blazen; moeder ging ijverig met haar breikous voort.
Iedere oningewijde zou gedacht hebben dat het gesprek op het doode punt aangeland was; maar Gerrit begreep uit de houding der beide mogendheden dat de zaak nog niet zoo ongunstig stond.
„Vader, zeg je nou niets?” vroeg de boerin eindelijk aan haar man.
„Wat zal ik zeggen?”
„Wel! wat je d'r van denkt. Ik voor mij, als ik er wat in te zeggen zal hebben, dan moet ik eerlijk bekennen dat voorzooveel mij aanbelangt....”
„En zei Jannetje niets meer?” viel vader Huiskampzijn vrouw in de rede; want hij zag tot zijn verdriet dat die alweer met haar gewone vrouwelijke haastigheid de zaak hals-over-kop tot beslissing dreef. „Laten we 'reis eerst verder hooren!”
„Och, buurman,” antwoordde Gerrit; „wat zou ze zeggen?.... we hebben een heele poos met elkaar gepraat,.... maar we kennen elkander zooals je weet van jongsaf en waren altijd samen. En het eenige waar ik vroeger nog wel bang voor wezen kon, is nu ook opgelost.”
„Ja,” zei moeder Huiskamp, zonder de dubbelzinnigheid te bedoelen, die in haar woorden lag, „dat is ons dan ook een groot verdriet.”
„Als ze mij nou vooruit gevraagd had,” verzekerde vader Huiskamp; „dan zou ik gezeid hebben: kind, weet wèl wat je doet.”
„Buurman!” pleitte Gerrit weer; „ik geloof dat ze goed geweten heeft wat ze deed.”
„Hm!” bromde Huiskamp.
....„en dat we samen voor het aangezicht des Heeren de zaak besproken hebben.”
„Hm!”
„Ik hoop nu maar van de goede vrienden mijner ouders, dat ze me met een gunstig antwoord zullen verblijden.”
„Hoor 'reis,” zei vader na een heele poos zwijgend te hebben zitten rooken, „als Jannetje bij ons was gebleven, dan had je haarnietgekregen! Wat jij moeder?”
„Je meent, vader, nadat Gerrit van ons is weggegaan.”
Vader knikte toestemmend: „Maar nou ze allebei....”
„Ja, ik zeg maar altijd, Jannetje is een best kind, en goed ook; maar ze heeft zoo haar eigen zinnetje.”
„Niet dat ik zou willen zeggen,” vervolgde vader, „als dat er geen ware kinderen Gods onder de Afgescheidenen zijn; dat is er ver vandaan! Ik heb er menigeen van mijn beste vrinden onder, van wien ik het goede al jaren lang gelooven mag. Maar ik vraag maar: waar dient het toe?”
„Ja,” zuchtte moeder; „maar het geval ligt er nu eenmaal toe. En je kan ook nooit weten hoe de Heere met een krommen stok nog eens een rechten slag geeft.”
Gerrit zat met taai geduld den uitslag van die beraadslagingen af te wachten, zonder eenige neiging te voelen om op de kerkrechtelijke geschillen in te gaan.
Vrouw Huiskamp schonk hem een kop koffie in en het hoofd des gezins schoof hem den tabakspot toe. Gunstiger voorteeken had hij niet kunnen verlangen.
Eindelijk zei vader—die 'n minuut of vijf vergeefs gewacht had of Gerrit ook nog eens het woord zou nemen:—
„Nou dan mot het dan maar! Wat jij, vrouw?”
„Als vader er mee vereenigd is, zal ik er niets tegen zeggen!”
Zwijgend drukte Gerrit beiden hartelijk de hand.
„Ja, van dat verschil....” begon vader opnieuw;.... „maar ik zal er het zwijgen toe doen.”
„Vader,”vroeg zijn vrouw; „zal ik Jannetje nou maar eens roepen?”
„Ja, dan maar!”
Met Jannetje ging het vlugger; die antwoordde op devraag: „Zult gij met dezen man trekken?” al even spoedig als eens Rebekka, kort en goed: „Ik zal trekken.”
„Die vrouwen!” zuchtte vader hoofschuddend; „allemaal één pot nat... Maar laten we nu het aangezicht des Heeren zoeken.”