[1]en is nooit beantwoord.[2]Ja zelfs in sommige boeken nóg staan, omdat er „geen bericht van overlijden inkwam.”XVII.Dubbel ontslagen.Zondag 17 September 1837 zou een drukke dag worden voor de militairen, die nog altijd sedert begin Mei van dat jaar opnieuw in Bunschoten ingelegerd waren, nadat de vervolgden gedurende enkele dagen verademing gekregen hadden. Dien dag moesten ze op verschillende plaatsen tegelijk de orde handhaven.Bij W. Hartog, een der ingezetenen, vergaderden eenige broeders en zusters om straks, na gemeenschappelijk gebed en gezang, een predikatie van Smijtegelt te hooren voorlezen door Jan Verlinden, die werk gevonden had, in het dorp was blijven wonen en de kleine gemeente als diaken diende. De soldaat, die als kwelgeest in Hartog's huis geplaatst was, hinderde de opkomst niet.Toen twintig personen—de bewoners van het huis veiligheidshalve medegerekend—bijeen waren, traden nog twee leden der gemeente binnen.„Goeden morgen samen; we zijn zeker wel de laatsten?”„Broeders,” antwoordde de heer des huizes; „je bent een en twintig en twee en twintig. Zou het misschien ook verstandiger wezen om naar zuster R. Poort te gaan?Daar is ook godsdienstoefening; het is vlak bij en het is nog niet te laat, anders worden we hier allicht binnen een kwartier allemaal de deur uitgezet.”„We willen je niet hinderen!” antwoordden de binnengekomenen. „We gaan dadelijk weg. De Heere zij in je midden.”Ze voegden de daad bij het woord en begaven zich ten spoedigste naar het huis van de weduwe Poort. Daar vonden ze twee militairen voor de deur, maar dezen lieten hen ongehinderd naar binnen gaan.De ruime keuken, die voor de godsdienstoefening ingeruimd was, bevatte ook reeds twintig gemeenteleden. De soldaat, die aanwezig moest zijn om „de orde te bewaren”—schappelijker dan meestal het geval was—telde de aanwezigen, doch zei:„Twee te veel, maar ga jullie je gang maar!”De voorganger, een der ouderlingen, opende daarop de samenkomst met gebed, liet een paar psalmverzen zingen en zou juist overgaan tot het voorlezen van de daartoe bestemde leerrede, toen de deur opengeworpen werd en een sergeant binnentrad.„Ik gebied in naam des konings onmiddellijk uiteen te gaan; je bent boven het bij de wet toegestane getal.”„Ik verzoek u wèl er aan te denken,” antwoordde de voorganger; „dat de beide soldaten buiten, zoowel als de militair, die hier in het lokaal is, belast waren met de zorg dat alles wettig toeging, en dat die geen van drieën aanmerking gemaakt hebben.”„Ik kom hier,” hernam de sergeant, „omdat een vande manschappen, die op wacht staat, den luitenant gewaarschuwd heeft.”„En ik houd het er voor,” gaf de ouderling hem terug, „dat de sergeant geen misbruik zal maken van een handelwijze zijner soldaten, die hij zelf niet goedkeuren kan. Deze vriend was hier gezet om te tellen; we hebben zijn toestemming en zijn dus niet genegen uiteen te gaan voordat de voorlezing geëindigd is.”„Ik zou jelui met de blanke sabel en de bajonet kunnen wegjagen....”„Kunnen;” hernam de ouderling; „kunnen, ja! maar tegen de wet!”„Laat me uitspreken! Ik zou dit kunnen doen, maar wil daar op mijn eigen houtje niet toe overgaan.”Met deze woorden ging de sergeant tot aller verwondering de deur uit. De dienst liep verder ongestoord. Na de voorlezing der leerrede werd met gebed gesloten; de ouderling gaf op en las voor als nazang Ps. 42:2, 6.Mijn tranen ende mijn klachtenZijn mijn spijs die mij steedts voedt;Als men mij vraeght met verachten:Waer is nu uw Godt soo goedt?Ick smelt als ick denck daeraen.Hoe ick voormaels plagh te gaenMet een hoop volcks hier te lande.Om u Heer, te doen offrande.Waerom wilt ghij u zoo quellenEn beroert sijn, o ziel mijn?Wilt gantsch uw hoop op Godt stellen,Van u sal hij gedanckt zijnAls hij door sijn....„Zwijg kerel!” dreunde plotseling een zware stem door het vertrek.Luitenant Veere was naar binnen gestapt, gevolgd door den sergeant, zes gewone manschappen en veldwachter Koelewijn. Allen, behalve de luitenant, bleven aan den ingang staan, maar de luitenant trok de sabel, liep op den ouderling toe, rukte hem het psalmboek uit de hand en smeet dat met een vloek door 't geheele vertrek heen in een hoek.„En nu direct de deur uit!”„Met welke volmacht handelt ge zoo?” vroeg de ouderling.„Wou je dát weten? Kijk hier!” De officier hield den weerloozen man de blanke sabel voor oogen. „Volmacht genoeg tegen jou en je gelijken! En nu geen praatjes meer of je krijgt de volmacht te voelen!”De ouderling bewoog zich niet.„Veldwachter!” schreeuwde de luitenant; „haal dien vent weg!”„Met uw verlof, luitenant,” antwoordde Koelewijn waardig; „zonder order van het hoofd van politie mag ik niemand arresteeren dan die er door wangedrag aanleiding toe geeft.”„Wat doe je dan hier?” schreeuwde de luitenant met een paar vreeslijke vloeken.„Ik heb order van den burgemeester om met u mee te gaan; meer niet.”„Ik zal jou wel vinden!.... Hier, mannen!”De vier soldaten naderden.„Gooi hem de deur uit, en dan de rest naar buiten.”Onmiddellijk werd de ouderling door vier paar ruwe vuisten aangegrepen, weggesleurd en met een smak het huis uitgeworpen.„Nu jullie! Alla!” raasde de luitenant.Binnen twintig tellen was de keuken leeggejaagd; alleen de bewoonster van het huis had met groote moeite gedaan gekregen, dat zij niet haar eigen woning uitgesmeten werd.Het speet den luitenant genoeg dat hij zoo laat gekomen was; ja bijna te laat, want er zijn geen vijf minuten noodig om twee psalmverzen te zingen. Maar het onkruid der Afgescheidenen wies zoo snel, dat er bijna te veel werk aan den winkel kwam voor één overste. Eerst was de luitenant gewaarschuwd door den soldaat, die bij Hartog ingekwartierd was. Juist zou hij daarheen gaan, toen een der soldaten, die bij de weduwe Poort op wacht gesteld waren, rapport van wetsovertreding brengen kwam. Hij liet dus den sergeant ontbieden en zond dien naar het laatstgenoemde adres, terwijl hij zelf wel even bij Hartog „den boel opscheppen zou.” Maar er viel niets op te scheppen; er was niemand in „geestelijk gewaad;” er was geen ouderling, geen diaken, en hoe hij ook telde en zocht, het geheele huis door, tot zelfs in kasten en onder het beddegoed in de bedsteden: twintig bleef twintig, en vier inwonenden die vrij waren, van de twintig afgetrokken, bleef slechts zestien. Helaas, vijf te weinig om ze met bajonet of sabel op straat te jagen. Toch maakte hij zekerheidshalve proces-verbaal op.In zijn kwartier terugkeerend, vond hij daar dien ezel van een sergeant, die zich met een kluitje in het riet hadlaten sturen. Dus moest hij er al weer zelf op uit! Zijn ijver voor het welzijn des vaderlands belette hem den twee en twintig oproerlingen de laatste vijf minuten te schenken. Toch hoe dolgraag hij ook zulk werk deed: geregeld elken Zondag één troep was prettiger.Maar dien veldwachter zou hij wel vinden! En hij was zoo goed als zijn woord. Wel gingen er een paar weken voorbij, zoodat Hartog en Koelewijn zich reeds verbeeldden, dat de zaak met een sisser afliep, doch uitstel was geen afstel.Den 2enOctober werden Hartog en Verlinden beiden gedagvaardom den5endaaraanvolgend voor de Rechtbank van correctioneele zaken te Amersfoort te verschijnen. De wegen der gerechtigheid in die dagen waren onbegrijpelijk. Verlinden, die de verboden godsdienstoefening geleid had, werd vrijgespoken; Hartog, die daarvoor zijn huis geleend had, werd veroordeeld tot betaling van ƒ10.- boete en de gerechtskosten. De overwegingen, welke tot die fraaie uitspraak geleid hadden, waren zoo diepzinnig, dat ook de Rechtbank te Amsterdam er niet bij kon en het vonnis in hooger beroep vernietigde.Koelewijn kwam er minder goed af.Woensdag, den 11enOctober, kwam de veldwachter als gewoonlijk 's morgens aan het raadhuis, om de bevelen van den burgemeester te ontvangen. Nadat de loopende zaken behandeld waren, en terwijl de veldwachter reeds meende dat hij zou kunnen vertrekken, zei de burgervader: „Koelewijn, ik heb je nog even iets te zeggen. Je hebt het al weer verkorven.”„Wat is er tot uw dienst, Edel Achtbare?”„Ja; dat ziet er leelijk voor je uit! Ik heb hier een briefvan Zijne Excellentie den Gouverneur van Utrecht, die over je handelt. Je hebt geweigerd de bevelen van luitenant Veere op te volgen, hé?”„Edel Achtbare, ik wist niet dat ik onder de bevelen van een luitenant kon staan.”„Nu ja; laten we nu niet over een paar woorden kibbelen! Maar den 17enSeptember bij de weduwe Poort aan huis werd je gelast dien separatist, die daar stond voor te lezen, de deur uit te zetten en dat heb je geweigerd. Waarom was dat?”„Edel Achtbare, omdat die man zich niet misdroeg en er geen order van UEdel Achtbare was om hem te arresteeren.”„Goed! já, daar zal ik niets tegen zeggen; maar nu heb je daardoor jezelf leelijk de deur uitgezet. Dát was toch zeker je bedoeling niet! Ik heb hier je ontslag.”De burgemeester overhandigde den veldwachter een papier. Koelewijn las het; ja, alles was in orde: datum, inhoud, zegel, handteekening, alles; alleen het rechtsbeginsel ontbrak; maar dat deed er minder toe, het machtsbeginsel was er, en dát was voldoende. Of Koelewijn dat stuk eens of honderd maal las, er viel niet aan te veranderen; hij kon tot den dag uitbetaald worden en was ontslagen met ingang op 10 October 1837.„Wat zeg je daarvan?” vroeg de burgervader.„Gods wil geschiede!Hijziet het onrecht!”„En wat nu je betrekking als dorpsbode aangaat.... ja!... dát...”„Edel Achtbare, tusschen die twee betrekkingen bestaat toch geen verband.”„Neen, verband, als je 't zóó noemen wil, eigenlijk niet. Maar zie je, er is toch groot bezwaar. Die post wordt wel door den Ambachtsheer begeven, en afgezet ben je nog niet, maar het is toch erg gevaarlijk—gevaarlijk voormij, begrijp je? om je maar aldoor daarvoor te blijven betalen alsof er geen vuiltje aan de lucht was.”„Mag ik dan ook geen dorpsbode meer zijn, Edel Achtbare? Met vrouw en drie kinderen! En den winter voor de deur! Waar moeten we dan van leven?”„Ja; hetisberoerd! Maar ik weet niet waar ik je uit betalen moet... Kerel, had dan ook naar raad geluisterd! Ik heb je zoo duidelijk gewaarschuwd, maar jij was altijd op de hand van de Separatisten; die oproermakers! Nu zie je en ondervind je de gevolgen!”„DusEdel Achtbare, van vandaag af krijg ik ook mijn traktement als dorpsbode niet meer?UEdel Achtbarebetaalt me niet meer uit?”„N... neen! Ik zou niet weten waarvan! Als 't weer in orde komt....”„Maar ikbenniet afgezet!” riep Koelewijn, die ditmaal het „Edel Achtbare” vergat.„Afgezet ben jeniet, maar zoo goed als.... Ik weet waarlijk niet.... Maar kijk, of we nu lang of kort samen praten, daar wordt de zaak niet beter om. Hier heb je mandaat als veldwachter.... en hier als dorpsbode.... ga nu met die twee dingen meteen naar den ontvanger, dan betaalt die je dadelijk uit. Dan heb je direct wat geld in handen. Nu.... goeden morgen!”„MaarEdel Achtbare....”„Hoor eens,”zei de burgemeester op zijn horloge kijkende,„ik heb vanmorgen heel wat te doen, en straks komt er weer iemand om me te spreken, zoodat onze conferentie nu is afgeloopen. Maar ik wou er toch even den tijd afnemen om het je zelf te zeggen!.... Dag Koelewijn!”Burgemeester wuifde de hand tot afscheidsgroet en wees meteen naar de deur.Langzaam ging de veldwachter de kamer uit.„Hoe soude 't Godt weten? Ende sou'er wetenschap zijn bij den Allerhoochsten?” Deze wanhoopskreet van Asaf wrong zich ook uit het hart van den eenvoudigen veldwachter naar boven, toen hij met z'n handjevol geld bij den ontvanger vandaan kwam. Want eerst aan het einde van zijn psalm zong Asaf: „Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid!” En veldwachter Koelewijn had ook eenigen tijd noodig eer deze geloofsroem de zijne was.„Straks komt er iemand anders om me te spreken,”had de burgervader tot den ontslagen veldwachter gezegd. Die iemand anders naderde even over half-twaalf juist het raadhuis toen Koelewijn de stoep afkwam.„Goeden morgen, Koelewijn! Wat kijk je neerslachtig, beste vriend!”„Ja, meester,”gaf Koelewijn Gerrit Beukman ten antwoord, „daar is vleesch en bloed ook maar niet zoo op slag mee vereenigd.” In korte woorden verhaalde hij wat zooeven geschied was.„Het is schandelijk!” riep Gerrit verontwaardigd. „Ik ben ook ontboden.”„Dan sta de Heere je bij, meester!”Met hartelijken handdruk scheiden de broeders van elkaar.Beukman werd dadelijk bij den burgemeester toegelaten.„Zoo meester! Ga zitten; ik zal u niet lang aan de praat houden; maar ik heb van hooger hand een heel duidelijke wenk gekregen.„Is alles in zijn school wel richtig?” wordt me gevraagd. „En is hij bereid om alle landswetten vrijwillig te gehoorzamen?” Je bent Separatist hè?”„Burgemeester, ik ben lid van de Afgescheiden Gemeente.”„Dan mag je wel driedubbel op je tellen passen, man. Er is geen reden waarom je den weg van Jan Verlinden op zou willen, hè?”„Burgemeester, zeg me maar ronduit: ligt mijn ontslag gereed?”„Gereed zal ik nog niet zeggen, maar.... Ik voor mij zou niet graag verandering zien, en de heele bevolking mag je graag lijden.... en toch.... als je soms ouderling of diaken, zoo noemen jullie het immers ook? ging spelen, of als ze je in onwettige samenkomsten snapten, dan zou ik je voor niets kunnen instaan; begrepen?”„Burgemeester, ik dank u!.... Maar Gods wil geschiede!”„Ja, zoo! dat zeggen jullie allemaal naar 't schijnt. Nu... je weet er nu alles van!”Met deftig handgebaar gaf burgemeester afscheid.„Und dennoch! sprak de groote Luther driehonderd jaar geleden!” dacht Gerrit bij het naar huis gaan. „En in Gods kracht zeg ik hem na: En toch!”XVIII.„Onder het kruis.”Vader en moeder Huiskamp zaten met Jannetje, na volbrachte dagtaak, onder de geschoren lindeboomen op de groene bank voor het huis een luchtje te scheppen. Het was een heldere zachte avond in de eerste helft van Mei 1838.„Dus als ik het nou goed begrijp,” zei vader langzaam tot zijne dochter, „dan zou dat den vijftienden van de volgende maand wezen.”„Ja vader,” antwoordde Jannetje gelaten; zeker reeds voor de tiende maal in de laatste drie dagen; „dat is Vrijdag den 15enJuni.”„Zoo, zoo! Ik zie d'r nog geen gat in!” hernam vader, evenzoo zeker voor de tiende maal in de laatste drie dagen.„Hoe bedoel je dat, vader?”„Hoe dat dát gaan moet.”„Maar, vader, je hebt toch je toestemming gegeven en moeder ook; en de ouders van Gerrit vinden het ook best; en....”„Ja, dat is allemaal goed en wel, maar ik bedoel verder, zie je.”„En Gerrit heeft toch een goede betrekking; en we zijn ook zoo jong niet meer....”„Neen.... wat dát allemaal aanbelangt;.... ik en moeder hebben ook onze toestemming gegeven. Ja, dus den vijftienden van de volgende maand?”„Ja, vader.”„Kijk, kind,” zei moeder; „Ik weet wel wat vader zoo drukt, en als ik de ronde waarheid zal zeggen: mij niet minder. Trouwen is goed en wel en naar de wereldsche instelling van menschen moet dat op het raadhuis en door den burgemeester; daar gaat niets van af;.... maar dán zie je!”„U bedoelt de inzegening in de kerk?”„Ja.... dát laten jullie dan niet doen, zie je!”„Maar, moeder!” riep Jannetje verwijtend.„Ja, ik weet wel wat je zeggen wil; maar eigenlijk toch niet, zie je. Het is dan toch op z'n mooist een afgezette dominee en maar bij een van jullie ouderlingen of bij een vriend aan huis. En dat kan me zoo erg aangrijpen; maar ik kan er niets aan doen!”„Moeder, de zaak is toch maar dat het huwelijk ingezegend wordt in een samenkomst van de gemeente; en of dat nu in een mooie kerk of in een schuur gebeurt.... die uiterlijkheden. En het is dan toch ook onze schuld niet, dat het niet in de kerk kan!”„Ja, kind, ik zal je niet heelemaal tegenspreken; maar 't is jammer! 't is jammer!”„Onzen zegen heb je;” zei vader; „maar hoe moet dat dan verder?”„Kijk, vader; Zondag den zeventienden Juni, preektdominee Scholte hier, en dan zou meteen ons huwelijk ingezegend worden.”„Dus,” hernam vader, „julliewillen niet in de groote kerk!”„Maar al zouden we willen,” wierp Jannetje tegen, „dan zou dat immers niet eenskunnen.”„Neen,” zei moeder, „dat 's te zeggen als je blijven wat je bent. Maar vader en ik dachten soms zoo bij ons eigen....”„Dat we misschien weer Hervormd werden?” viel Jannetje haar vragend in de rede. „Dat kan u toch haast niet meenen!”„Nou,” zei vader; „dan moeten we er ons maar bij neerleggen. En dan kunnen ik en moeder bij je eigenlijke trouwen niet bij wezen.”En daarbij bleef het. Jannetje kon haar ouders er niet toe bewegen om de kerkelijke inzegening van haar huwelijk bij te wonen. Alles was goed en wel, meende vader Huiskamp; ze bleven allemaal samen op den besten voet; hij zou altijd het goede voor hen zoeken; hij dacht er niet aan om de jongelui te veroordeelen; maar hij wist toch met al z'n lek en gebrek wel dat hij het bij 't rechte eind had, dat zoo'n huwelijksinzegening niet was wat je eigenlijk graag zou willen. Jannetje deed er het zwijgen toe; ze begreep dat daartegen toch niet te redeneeren viel. Het was hard; het wierp een schaduw over haar geluk; maar 't was niets anders! Gerrit zei tot haar: „Je kunt het op mooie ochtenden hebben dat er laag zoo'n zware nevel hangt, dat de menschen elkander en de beesten in 't land niet zien kunnen; maar kijk je dannaar boven, dan zie je de toppen van de boomen heerlijk groen en het haantje van den kerktoren glinsteren in 't volle zonlicht. Zoo begrijpen de menschen elkaar dikwijls hier op aarde niet, maar eenmaal komen ze boven in het heldere licht. Je vader en moeder en wij zijn het toch wel waarlijk met elkaar eens, maar zij kijken nog te veel in den mist, begrijp je?”Jannetje begreep het tot haar troost.Zoo was voor bruid en bruidegom en voor de beide paren ouders de 15eJuni toch een gezegende dag. Allen hieven het hoofd boven den mist uit; allen zagen en begrepen elkander in den helderen zonneschijn van Gods vriendelijk aangezicht. Niet slechts werden twee jonge menschen één; ook de heerlijke eenheid van de leden des lichaams van ons Hoofd in de hemelen werd door allen gevoeld en genoten.En daarna:—doken vader en moeder Huiskamp weer kopje-onder in den mist van hun eerlijk-gemeend kerkisme.Eerst des Maandags zouden de jonggehuwden naar Bunschoten vertrekken, nadat—zooals de bruid gezegd had—den vorigen dag hun huwelijk door dominee Scholte zou ingezegend zijn.Des Zaterdags namiddags kwam deze predikant van Utrecht om bij zijn vriend Reijmeringer te logeeren. Ten einde alle moeite te voorkomen werd aan den burgemeester kennis gegeven van zijn tijdelijk verblijf te Loosdrecht.Des Zondagsmorgens zeer vroeg begaf dominee Scholte zich met zijn gastheer te voet naar 's Graveland, waar hij den ochtenddienst leiden zou. In dat Noord-Hollandsche dorp had men van inkwartiering geen last; alleenwas er kans dat hij er boete oploopen zou. Doch beboeting werd door velen nauwelijks onder de ernstige belemmeringen der gewetensvrijheid gerekend.De dienst te Loosdrecht zou des avonds laat gehouden worden. Ten einde zoo weinig mogelijk de aandacht te trekken kwam Scholte tegen het vallen van den avond niet te voet in het dorp terug; een der broederen bracht hem in een schuitje derwaarts. Het gelukte hun ongemerkt de ruime schuur van Gerrit Pos binnen te komen, die voor de godsdienstoefening ingericht was.De vergadering was slechts klein in aantal. De predikant, zijn gastheer Reijmeringer, vader en moeder Beukman, de beide jonge echtgenooten, twee paren ouders, die elk een zuigeling ten doop brachten, de overige vier kinderen van het eene paar, nog een lid der gemeente, en een zekere Duitscher J. F. C. Brandt, een neef van den voorganger, uit Lippe geboortig, maar die drie jaren in Nederland gewoond had. Het gezin van Pos telde drie personen. In 't geheel waren er dus vijftien volwassenen en zes kinderen. Aangezien de familie Pos volgens de wet niet bij het beruchte twintigtal gerekend mocht worden, waren er dus de zuigelingen zelfs medegerekend, slechts achttien personen aanwezig. In dat opzicht was aan de strengste eischen der wet voldaan. Tenzij de overheid goedvond—wat ook soms gebeurde—onderscheid te maken tusschen de woning en de schuur van Pos; dan waren er een en twintig! Maar men maakte zich buitendien aan verscheidene zware overtredingen schuldig: een der sacramenten werd bediend; een huwelijk werd ingezegend; twee „vreemden van buiten” waren aanwezig: Brandt enGerrit Beukman; eigenlijk was Jannetje door haar huwelijk ook „een vreemde van buiten” geworden. Voor die opeenstapeling van misdaden was geen pardon, indien men op heeterdaad betrapt werd!Boven aller verwachting verliep de geheele dienst ongestoord. Scholte kon zijn leerrede houden; het sacrament van den heiligen doop werd aan de beide kinderen bediend; het huwelijk van Gerrit en Jannetje Huiskamp plechtig ingezegend. Meer dan over het algemeen het geval is gevoelden beiden de beteekenis van den aanvang van het huwelijksformulier: „Overmits dat den gehuwden gemeenlijk velerhande tegenspoed en kruis vanwege de zonde is toekomende, opdat gij, die uwe echtelijke verbinding in Gods naam openlijk alhier in de kerk wilt bevestigen, ook in uwe harten verzekerd zijn moogt van de gewisse hulp Gods in uw kruis, zoo hoort uit den Woorde Gods, hoe eerlijk de huwelijke-staat zij.”Tegen half-elf meenden de vergaderden rustig uiteen en ongestoord naar huis te kunnen gaan.Toen daartoe de deur geopend werd, stuitte men op een troep gewapende militairen, die allen doorgang beletten, maar verder niets deden. De schuur had nog een kleine deur in den achtergevel, maar spoedig bleek dat ook die door soldaten met gevelde bajonet afgezet was.De vrienden zaten dus gevangen. Dat was de nieuwste uitvinding van geloofsvervolging. Totnogtoe was men gewoon geweest hals over kop naar buiten gesmeten te worden; dezen avond mocht men niet vertrekken.De eigenaar van het gebouw begaf zich weer naar den uitgang en opende de deur.„Mannen, mogen we er niet uit?”„Allen binnen blijven!” riep een der soldaten.„Waarom en hoelang?” vroeg Pos verwonderd.„Dat gaat ons niet aan!” was het welwillend bescheid. „Ik zou nog maar een deuntje samen zingen.”„Kan ik den sergeant even spreken?”„Jawel!” riep deze. „Ik zal het je wel zeggen: je moet hier blijven tot de burgemeester komt.”„Sergeant, laat ons dan ten minste in mijn huis mogen gaan.”„Nu, daar is niets tegen,” antwoordde de sergeant, die bij anderen vergeleken een voorbeeld van vriendelijkheid was. „Dan zullen we je allemaal eventjes overbrengen. Maar je moet op het erf blijven, daar gaat niets van af. En niet probeeren.... je weet wel! Denk aan de bajonetten en de blauwe boonen!”Op bevel van den sergeant namen nu de militairen met gevelde bajonet, het kleine groepje tusschen zich in en brachten het—een kudde schapen temidden van de slachters!—naar het woonhuis van Pos. Daarna werd het huis rondom met wachten bezet, zoodat naar buiten gaan onmogelijk was.Men maakte het zich zoo gerieflijk mogelijk; de vrouw des huizes zette koffie en haalde koek voor den dag; Pos zorgde voor pijpen en tabak; en weldra waren allen in levendig gesprek gewikkeld.Een goed half uur later kwam de burgemeester, gevolgd door acht gewapende manschappen, het vertrek binnen.Zonder groet begon hij dadelijk de namen der aanwezigen te vragen en op een lijst te schrijven.„Dat is dus,” zeide hij toen dat belangrijk werk afgeloopen was; „—laat zien: drie, zes, negen, twaalf, vijftien, vijftien volwassenen en zes kinderen. Een te veel! Zeg eens, Pos, wat moeten die menschen bij je doen?”„Burgemeester,” antwoordde deze; „dat zijn vrienden van me, die hier een kop koffie drinken.”„Ja; de koffie zie ik,” antwoordde de vertegenwoordiger des konings; „maar dat zal wel een doekje voor 't bloeden wezen! 't Is een boven de wet, man!”„Burgemeester, al zouden we hier vergaderen, dan is daar mijn vrouw, en daar mijn zoon, en ik, dat is drie, die hier in elk geval zijn mogen. Dus zelfs die twee zuigelingen medegerekend, zijn er toch niet meer dan achttien.”„Burgemeester,” mengde zich dominee Scholte nu in het gesprek: „deze menschen zijn hier alleen door dwang tegenwoordig. Na afloop van den dienst in het daartoe bestemde gebouw, hebben de militairen ons met geweld den uitgang belet, anders zouden de meesten, misschien wel allen, reeds lang naar huis zijn.”„Ik heb hier met Pos te doen,” antwoordde de man van de wet. „Jou vind ik later wel!”Met die woorden ging hij weg, na twee soldaten order gegeven te hebben om in de kamer te blijven en te zorgen dat de voordeur open bleef.Zoodra ze hun kans schoon zagen maakten de beide doopvaders, dat ze met hun vrouwen en kinderen naar huis kwamen. De overigen bleven nog een korte poos bij elkaar.Eindelijk zou men vertrekken. De vrouw des huizeszei: „Nu moeten we nog één versje zingen. Psalm 146:3.”„Dat is goed,” zei de dominee en las voor:„Met hem vergaen zijn raden al.En werden haestlick tot niet.Wel hem dien Godt t' aller tijd zalSijn hulp aenbieden met vliet:Die tot Godt heeft zijn toevluchtIn noot en in quaet gerucht.”Nauwelijks had hij den laatsten regel gelezen of woedend stoof de burgemeester naar binnen: „Begint het nu al weer!” riep hij met een paar vloeken. „Nu moeten allen er uit.”„Burgemeester,”zei dominee Scholte; „er is hier geen schijn of schaduw van overtreding. Acht menschen zijn hier op visite bij de drie bewoners van het huis. Voordat ze afscheid nemen, willen ze een psalmversje samen zingen. Welk kwaad steekt daarin? Uw handelwijs acht ik geheel en al onwettig, en ik voor mij denk er niet aan om nu te vertrekken.”„Dat zullen we je dan wel leeren!” schreeuwde de burgemeester. „Mannen! Eerst dezen kerel! De doos in, hoor!” Hij wees op Brandt, die rustig zijn kop koffie zat leeg te drinken.Onmiddellijk werd de jonge man met stompen en stooten van zijn stoel getrokken, de kamer doorgesleurd en het huis uitgeworpen. Buiten gekomen werd hij opgevangen door de anderen, geboeid en naar de woning van den veldwachter geduwd, waar men hem voor 't overige van den nacht in een gevangenhok opsloot.Onderwijl werden de overigen met de blanke sabelde straat opgejaagd. Alleen dominee Scholte viel de onderscheiding tebeurt, dat zes mannen hem aangrepen en met duwen en slagen naar buiten sleepten en op straat zetten.Toen allen naar buiten gebracht waren, zag de burgemeester dat hij bij vergissing het geheele huis ledig gemaakt had. Dat bagatel onrecht herstelde hij door de familie Pos genadig te vergunnen weer naar binnen te gaan. Gerrit Beukman hielp dit in zooverre, dat de burgemeester nu voor hem iets door de vingers zag. Gerrit was wel een „vreemde van buiten” en dus wederrechtelijk in de vergadering toegelaten; maar enfin.... als oude kennis!... en de burgemeester was er ook de man niet naar om opalleslakken zout te leggen!Eindelijk waren dominee Scholte en zijn gastheer weer thuis. Twee broeders wachtten hen daar op, die hem nog even de hand drukken wilden voor hij morgen weer naar Utrecht vertrekken zou.Nog geen tien minuten zaten de vrienden onder een glas wijn bij elkaar of nieuw bezoek kwam—onaangediend—binnen. De burgemeester die—wat overigens zijn gebreken ook zijn mochten—in geen geval van „plichtverzuim” te beschuldigen was! Met hem zijn gewone lijfwacht van vier soldaten. Zonder eenige inlichting of opheldering—want tegenover de Afgescheidenen was iedere burgemeester en luitenant een grondwet op eigen houtje—plaatste de burgemeester twee gewapenden als wacht in de huiskamer van Reijmeringer en beval den sergeant met de beide anderen voor de deur te blijven. En nu was zijn werk afgeloopen; hij ging naar huis; het was bedtijd!De beide soldaten in de woonkamer gedroegen zich alleronhebbelijkst. Ze tierden, vloekten, spuwden op den grond, en gingen er eindelijk toe over om de vrouw des huizes te beleedigen. Ten einde raad ging Reijmeringer met den sergeant spreken; gelukkig dezelfde die bij Pos dienst gedaan had. Deze was welwillend genoeg om de beide manschappen te bevelen naar buiten te komen.Eindelijk kwam dus de nachtrust!Hoe deze zaak verder liep?Ten einde alle verdenking van overdrijving weg te nemen volgt hier letterlijk het verhaal van de verdere lotgevallen van Brandt, zooals het een maand later in „De Reformatie” opgenomen werd.„De gearresteerde persoon, J. F. C. Brandt, geboortig uit het vorstendom Lippe, welke, drie jaren te Amsterdam gewoond hebbende, nu, met eenen behoorlijken reispas voorzien, in ons vaderland eenigen tijd zich ophield, om afscheid van zijne familie te nemen, werd Maandagmiddag, op last van den burgemeester, geboeid onder geleide van den dienaar en gewapende militairen naar Loenen getransporteerd en aldaar insgelijks in een hok opgesloten. De vrederegter te Loenen vergunde echter nog aan Ds. Scholte zijnen neef in de gevangenis te bezoeken, hetgeen te Loosdrecht geweigerd was. Dingsdagmorgen werd Brandt wederom geboeid langs den grooten weg naar Utrecht gebragt en aldaar in het tuchthuis opgesloten. Ds. Scholte had aan den officier verzocht de instructie spoedig te doen voortgaan, dewijl hij zeker wist, dat Brandt niets misdaan had en dus gewisselijk dadelijk in vrijheid gesteld zou worden.Dingsdagavond zond de officier aan Ds. Scholte met eenen deurwaarder de boodschap, dat, indien hij voor Brandt de reiskosten wilde betalen, men hem nog dien avond in de diligence naar Deventer en vervolgens verder naar zijn land zou zenden. Ds. Scholte zond de boodschap terug, dat hij, verzekerd zijnde dat de reispas in orde en hij overigens onschuldig was, dringend verzocht uitlevering aan den regter van instructie. Dat is dan ook Woensdagmorgen geschied met die uitkomst dat hij na het verhoor dadelijk op vrije voeten gesteld is.”De predikant Scholte was er de man niet naar om zoo brutale en verregaande wetsovertreding en schending van grondwettig-gewaarborgde vrijheid ongemerkt te laten voorbijgaan. Hij en zijn beide vrienden Reijmeringer en Pos zonden ieder hun proces-verbaal aan den officier van de Rechtbank te Utrecht. Deze heer ontbood eenige dagen later den predikant—alleen om hem te zeggen dat hij aan de zaak niets doen kon. Daarop werden onmiddellijk door de klagers copieën van de stukken met begeleidend schrijven gezonden aan den koning en aan den procureur-generaal bij het Hoog Geregtshof te 's Gravenhage.Van den koning kwam nooit eenig antwoord. Enkele maanden na de inzending der stukken kwam een deurwaarder mondeling den heer Scholte mededeelen: „dat de procureur-generaal geen termen vond om den burgemeester van Oud-Loosdrecht wegens het door hem gepleegde te vervolgen.”Met volle recht kon het Tijdschrift der Afgescheidenen vragen: „Welken naam moeten wij nu geven aan zoodanige handeling, dat, wanneer inwoners van Nederlandhun beklag op behoorlijke wijs aan de bevoegde autoriteit doen, en aan bepaalde personen, bepaalde en bij de wetten des lands veroordeelde misdaden ten laste leggen, en daarover vervolging verzoeken voor den bevoegden rechter, het publiek ministerie de klagers eenvoudig afwijst met een antwoord, dat zij geen termen ter vervolging vinden? Zijn de daden waarlijk gepleegd, dan behooren de daders gestraft te worden volgens de wet. Zijn de te laste gepleegde daden niet waar, en worden ze echter publiek iemand te laste gelegd, dan behooren die klagers als lasteraars gestraft te worden, want ook daarin heeft de wet voorzien.Men is zoo gretig om de Afgescheidenen voor de Regtbanken te trekken; waarom ook niet hunne tegenstanders, wanneer deze de wetten des lands overtreden?”XIX.Nieuwe vrienden.Met open armen was de jonge vrouw, die Gerrit Beukman als echtgenoote mede naar Bunschoten gebracht had, door de gemeente der Afgescheidenen ontvangen. Haar man had den vervolgden zooveel diensten bewezen, al kon hij geen kerkelijk ambt vervullen, dat men met volle vertrouwen en groote liefde zijn gade in den kring opnam. En het duurde niet lang of zij zelve had zich in menig hart een plaatsje veroverd.Eén feit werd steeds met verwondering opgemerkt: Gerrit Beukman bleef ongemoeid, ofschoon hij zich zijne belijdenis in geen enkel opzicht schaamde. Doch de Afgescheiden gemeente te Bunschoten was geen gering troepje, maar een macht, waarmee te rekenen viel, ofschoon staat en kerk zich niet ontzagen haar op alle mogelijke wijzen te kwellen en verdriet aan te doen. Het degelijk onderwijs en de aangename manier, waarop hij met de kinderen omging, maakten echter dat de „bovenmeester” ook bij de Hervormden zeer gezien was. En de burgemeester zou niet gaarnediemedeburgers tegen zich in 't harnas jagen.Jannetje gevoelde zich in haar nieuwe omgeving recht op haar plaats; ze leefde van harte mede met de broeders en zusters, die ze hier onder het kruis vond. Een harer eerste bezoeken was bij de gezinnen van Vlok en de Greef. De geloofsgenooten dezer vervolgden hadden voor stokken en zeildoek gezorgd, en daarvan twee tenten gespannen, waarvan de vloeren met planken belegd waren, zoodat de kracht van regenvlagen en donderbuien tenminste eenigszins gebroken werd. Vrouw Vlok had zich ook bij de Afgescheidenen aangesloten, maar de beide mannen en de kinderen bleven lid van de Hervormde kerk. Dat hinderde hen niet bij de Afgescheidenen, die het voorbeeld van gewetensdwang niet volgden; maar evenmin hielp het hen bij den Hervormden kerkeraad of bij de wereldlijke overheid, die den „afval” van de beide vrouwen op de geheele gezinnen bleven wreken. De kerkeraden van de Hervormde gemeenten ontkenden kort en goed, naar het verheven voorbeeld van hun geestverwant „le roi soleil,” Lodewijk XIV, alle recht om zich af te scheiden. Dat ondervonden onder anderen vier behoeftige, maar niet bedeelde vrouwen te Pijnacker in Zuid-Holland, die behoorlijk haar lidmaatschap opgezegd hadden. Zij ontvingen het schrijven dat hier letterlijk volgt[1], omdat het verdient zooveel mogelijk aan de vergetelheid ontrukt te worden. Het kan zijn dienst doen tot voorlichting van hen, die nog oordeelen: „Wat de onderscheidene kerkbesturen gedaan hebben, heeft, toteene juiste beoordeeling, nog altijd een nader onderzoek noodig[2].”Pynacker, den 17denAugustus 1837.Aan de vrouwenE. Hoek, Wed.P. Stoorvogel,A. Grootenbeer,A. Tuyl, Wed.H. Verwoerd, enE. van der Vlies.De kerkeraad der Hervormde Gemeente te Pijnacker ontvangen hebbende een missive van bovengenoemde personen d: d: 32 Augustus 1: 1: door welke zij te kennen geven zich van het Hervomd Kerkgenootschap te hebben afgescheiden, en alzoo verlangen dat hare namen uit het boek der lidmaten onzer gemeente worden geroijeerd.Gezien eene aanschrijving van de Minister van staat belast met de Generale Directie voor de zaken der Hervormde Kerk enz. d: d: 11 Dezember 1835 no15. en gegrond op de inhoud van het Koninlijk besluit d: d: 10 October 1835 no71Gelet op het besluit van Z: M: d: d: 5 July 1836 no75 als mede op eene aanschrijving van de Algemeene Synode der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden d: d: 14 July 1836.Heeft goedgevonden en verstaan aan de genoemde schrijfsters te berigten, en gelijk dezelve dan ook berigt worden, door deze. Dat de Kerkekraad vervuld is, met het diepste leedwezen, over zulk eene stap door de schrijfsters gedaan, als niet anders dan nadeelig te kunnen werkenzooop de rust, vrede, en liefde der Gemeente te dezerplaatsin het algemeen,als, op het welbegrepen belang der schrijfstersin het bijzonderen het zich daarom tot eene dure pligt rekend, dezelven met den meeste ernst, en in den geest der Christelijke liefde te moeten vermanen, om toch van deze hare dwaling te willen terug komen, en door haar voorbeeld, niet mede te willen werken dat de schadelijke geest van scheurmakerij (welke reeds zoo meenige vaderlandsche gemeente in de laatste jaren heeft beroerd) ook in ons midden deszelfs verderfelijke invloed verspreide, en weshalven de Kerkenraad haar op grond van het dierbaar Evangelie onzes Heeren, bezweerd, om met ootmoed en nederigheid hare dwaling te willen belijden, en in den schoot der Gemeente weder te keeren, haar belovende om, bij zulk een bestaan, het plaats gehad hebbende, met den mantel der liefde te zullen bedekken, en deze bedroevende zaak als niet geschied zijnde te zullen beschouwen.Dat echter bij onver hoopt volharde, in deze dwaling en zucht tot scheurmakerij, de Kerkenraad zich in alles zal behooren te gedragen overeenkomstig de wetten en bepalingen, hier boven genoemd, en bij te kort koming van deszelfs kerkelijk gezag, de hulp van de burgerlijke rechter zal dienen in te roepen, ten einde aan de uitvoering van den wil onzes geéérbiedigden Koning stiptelijk de hand worden gehouden.Dat de Kerkenraad het intusschen noodig acht de schrijfsters bij deze herrinneren, dat ofschoon zij in deze hare dwaling mogten volhouden, nochtans hare namen op het lidmaten boek niet kunnen worden geroijeerd, als zijnde het plaatsen op dezelve eenedaadzaakwelke met geenemogelijkheidongedaankan gemaakt worden, en zij (schrijfsters) ook steeds door de Kerkenraad zullen beschouwd, bezocht en behandeld blijven worden, als wezentlijk behoorende tot het Hervormd Kerkgenootschap te dezer plaats, en zij schrijfsters dan ook wederkeerig onder de verpligting blijven verkeeren, om mede te moeten bijdragen in de kerkelijke lasten, welke bij hoofdelijke omslag in deze gemeente geheven worden, en niettegenstaande dit alles zij schrijfsters zich zelve moedwillig zullen berooven van het voorrecht, om wanneer zij immer tot armoede mogte vervallen (het geen God genadig verhoeden) op eenige hulp of onderstand, zoo van het rijk, gemeente of Diakonie te kunnen rekenen.Dat de kerkenraad gemeend heeft deze zaak (als voor het eerst denzelven in de Gemeente voorkomende) op deze meer uitgebreide wijze te moeten behandelen, ten einde onder den zegen Gods daardoor misschien het kwaad in deszelfs beginsel mogt kunnen worden gestuit, maar dat dan ook van nu voortaan geen gevolg aan eenig geschrijf meer zal worden gegeven achtende de kerkenraad deszelfs tijd te kostbaar dan om dezelve aan twistgeschrijf te verbeuselen en weshalve men den koster heeft gelast, gene brieven over soortgelijke onderwerpen meer aan te nemen, maar aan elk die iets met de kerkenraad meent te doen te hebben, de gelegendheid te geven, om iederen zondag na het eindigen der middag Godsdienstoefening in de konsistorie te komen verschijnen.En wijders dat, indien er onverhoopt nog meerdere dergelijke brieven mogten ingezonden worden, de kerkenraad als dan dezelve zal te rug zenden, metdit allesafdoend antwoord, en waarop dan ook de schrijfsters van dezen brief nog ten slotte worden gewezen.Zie het besluit van Z. M. den koning d. d. 5 July 1836 No. 75.
[1]en is nooit beantwoord.
[1]en is nooit beantwoord.
[2]Ja zelfs in sommige boeken nóg staan, omdat er „geen bericht van overlijden inkwam.”
[2]Ja zelfs in sommige boeken nóg staan, omdat er „geen bericht van overlijden inkwam.”
Zondag 17 September 1837 zou een drukke dag worden voor de militairen, die nog altijd sedert begin Mei van dat jaar opnieuw in Bunschoten ingelegerd waren, nadat de vervolgden gedurende enkele dagen verademing gekregen hadden. Dien dag moesten ze op verschillende plaatsen tegelijk de orde handhaven.
Bij W. Hartog, een der ingezetenen, vergaderden eenige broeders en zusters om straks, na gemeenschappelijk gebed en gezang, een predikatie van Smijtegelt te hooren voorlezen door Jan Verlinden, die werk gevonden had, in het dorp was blijven wonen en de kleine gemeente als diaken diende. De soldaat, die als kwelgeest in Hartog's huis geplaatst was, hinderde de opkomst niet.
Toen twintig personen—de bewoners van het huis veiligheidshalve medegerekend—bijeen waren, traden nog twee leden der gemeente binnen.
„Goeden morgen samen; we zijn zeker wel de laatsten?”
„Broeders,” antwoordde de heer des huizes; „je bent een en twintig en twee en twintig. Zou het misschien ook verstandiger wezen om naar zuster R. Poort te gaan?Daar is ook godsdienstoefening; het is vlak bij en het is nog niet te laat, anders worden we hier allicht binnen een kwartier allemaal de deur uitgezet.”
„We willen je niet hinderen!” antwoordden de binnengekomenen. „We gaan dadelijk weg. De Heere zij in je midden.”
Ze voegden de daad bij het woord en begaven zich ten spoedigste naar het huis van de weduwe Poort. Daar vonden ze twee militairen voor de deur, maar dezen lieten hen ongehinderd naar binnen gaan.
De ruime keuken, die voor de godsdienstoefening ingeruimd was, bevatte ook reeds twintig gemeenteleden. De soldaat, die aanwezig moest zijn om „de orde te bewaren”—schappelijker dan meestal het geval was—telde de aanwezigen, doch zei:„Twee te veel, maar ga jullie je gang maar!”
De voorganger, een der ouderlingen, opende daarop de samenkomst met gebed, liet een paar psalmverzen zingen en zou juist overgaan tot het voorlezen van de daartoe bestemde leerrede, toen de deur opengeworpen werd en een sergeant binnentrad.
„Ik gebied in naam des konings onmiddellijk uiteen te gaan; je bent boven het bij de wet toegestane getal.”
„Ik verzoek u wèl er aan te denken,” antwoordde de voorganger; „dat de beide soldaten buiten, zoowel als de militair, die hier in het lokaal is, belast waren met de zorg dat alles wettig toeging, en dat die geen van drieën aanmerking gemaakt hebben.”
„Ik kom hier,” hernam de sergeant, „omdat een vande manschappen, die op wacht staat, den luitenant gewaarschuwd heeft.”
„En ik houd het er voor,” gaf de ouderling hem terug, „dat de sergeant geen misbruik zal maken van een handelwijze zijner soldaten, die hij zelf niet goedkeuren kan. Deze vriend was hier gezet om te tellen; we hebben zijn toestemming en zijn dus niet genegen uiteen te gaan voordat de voorlezing geëindigd is.”
„Ik zou jelui met de blanke sabel en de bajonet kunnen wegjagen....”
„Kunnen;” hernam de ouderling; „kunnen, ja! maar tegen de wet!”
„Laat me uitspreken! Ik zou dit kunnen doen, maar wil daar op mijn eigen houtje niet toe overgaan.”
Met deze woorden ging de sergeant tot aller verwondering de deur uit. De dienst liep verder ongestoord. Na de voorlezing der leerrede werd met gebed gesloten; de ouderling gaf op en las voor als nazang Ps. 42:2, 6.
Mijn tranen ende mijn klachtenZijn mijn spijs die mij steedts voedt;Als men mij vraeght met verachten:Waer is nu uw Godt soo goedt?Ick smelt als ick denck daeraen.Hoe ick voormaels plagh te gaenMet een hoop volcks hier te lande.Om u Heer, te doen offrande.Waerom wilt ghij u zoo quellenEn beroert sijn, o ziel mijn?Wilt gantsch uw hoop op Godt stellen,Van u sal hij gedanckt zijnAls hij door sijn....
„Zwijg kerel!” dreunde plotseling een zware stem door het vertrek.
Luitenant Veere was naar binnen gestapt, gevolgd door den sergeant, zes gewone manschappen en veldwachter Koelewijn. Allen, behalve de luitenant, bleven aan den ingang staan, maar de luitenant trok de sabel, liep op den ouderling toe, rukte hem het psalmboek uit de hand en smeet dat met een vloek door 't geheele vertrek heen in een hoek.
„En nu direct de deur uit!”
„Met welke volmacht handelt ge zoo?” vroeg de ouderling.
„Wou je dát weten? Kijk hier!” De officier hield den weerloozen man de blanke sabel voor oogen. „Volmacht genoeg tegen jou en je gelijken! En nu geen praatjes meer of je krijgt de volmacht te voelen!”
De ouderling bewoog zich niet.
„Veldwachter!” schreeuwde de luitenant; „haal dien vent weg!”
„Met uw verlof, luitenant,” antwoordde Koelewijn waardig; „zonder order van het hoofd van politie mag ik niemand arresteeren dan die er door wangedrag aanleiding toe geeft.”
„Wat doe je dan hier?” schreeuwde de luitenant met een paar vreeslijke vloeken.
„Ik heb order van den burgemeester om met u mee te gaan; meer niet.”
„Ik zal jou wel vinden!.... Hier, mannen!”
De vier soldaten naderden.
„Gooi hem de deur uit, en dan de rest naar buiten.”
Onmiddellijk werd de ouderling door vier paar ruwe vuisten aangegrepen, weggesleurd en met een smak het huis uitgeworpen.
„Nu jullie! Alla!” raasde de luitenant.
Binnen twintig tellen was de keuken leeggejaagd; alleen de bewoonster van het huis had met groote moeite gedaan gekregen, dat zij niet haar eigen woning uitgesmeten werd.
Het speet den luitenant genoeg dat hij zoo laat gekomen was; ja bijna te laat, want er zijn geen vijf minuten noodig om twee psalmverzen te zingen. Maar het onkruid der Afgescheidenen wies zoo snel, dat er bijna te veel werk aan den winkel kwam voor één overste. Eerst was de luitenant gewaarschuwd door den soldaat, die bij Hartog ingekwartierd was. Juist zou hij daarheen gaan, toen een der soldaten, die bij de weduwe Poort op wacht gesteld waren, rapport van wetsovertreding brengen kwam. Hij liet dus den sergeant ontbieden en zond dien naar het laatstgenoemde adres, terwijl hij zelf wel even bij Hartog „den boel opscheppen zou.” Maar er viel niets op te scheppen; er was niemand in „geestelijk gewaad;” er was geen ouderling, geen diaken, en hoe hij ook telde en zocht, het geheele huis door, tot zelfs in kasten en onder het beddegoed in de bedsteden: twintig bleef twintig, en vier inwonenden die vrij waren, van de twintig afgetrokken, bleef slechts zestien. Helaas, vijf te weinig om ze met bajonet of sabel op straat te jagen. Toch maakte hij zekerheidshalve proces-verbaal op.
In zijn kwartier terugkeerend, vond hij daar dien ezel van een sergeant, die zich met een kluitje in het riet hadlaten sturen. Dus moest hij er al weer zelf op uit! Zijn ijver voor het welzijn des vaderlands belette hem den twee en twintig oproerlingen de laatste vijf minuten te schenken. Toch hoe dolgraag hij ook zulk werk deed: geregeld elken Zondag één troep was prettiger.
Maar dien veldwachter zou hij wel vinden! En hij was zoo goed als zijn woord. Wel gingen er een paar weken voorbij, zoodat Hartog en Koelewijn zich reeds verbeeldden, dat de zaak met een sisser afliep, doch uitstel was geen afstel.
Den 2enOctober werden Hartog en Verlinden beiden gedagvaardom den5endaaraanvolgend voor de Rechtbank van correctioneele zaken te Amersfoort te verschijnen. De wegen der gerechtigheid in die dagen waren onbegrijpelijk. Verlinden, die de verboden godsdienstoefening geleid had, werd vrijgespoken; Hartog, die daarvoor zijn huis geleend had, werd veroordeeld tot betaling van ƒ10.- boete en de gerechtskosten. De overwegingen, welke tot die fraaie uitspraak geleid hadden, waren zoo diepzinnig, dat ook de Rechtbank te Amsterdam er niet bij kon en het vonnis in hooger beroep vernietigde.
Koelewijn kwam er minder goed af.
Woensdag, den 11enOctober, kwam de veldwachter als gewoonlijk 's morgens aan het raadhuis, om de bevelen van den burgemeester te ontvangen. Nadat de loopende zaken behandeld waren, en terwijl de veldwachter reeds meende dat hij zou kunnen vertrekken, zei de burgervader: „Koelewijn, ik heb je nog even iets te zeggen. Je hebt het al weer verkorven.”
„Wat is er tot uw dienst, Edel Achtbare?”
„Ja; dat ziet er leelijk voor je uit! Ik heb hier een briefvan Zijne Excellentie den Gouverneur van Utrecht, die over je handelt. Je hebt geweigerd de bevelen van luitenant Veere op te volgen, hé?”
„Edel Achtbare, ik wist niet dat ik onder de bevelen van een luitenant kon staan.”
„Nu ja; laten we nu niet over een paar woorden kibbelen! Maar den 17enSeptember bij de weduwe Poort aan huis werd je gelast dien separatist, die daar stond voor te lezen, de deur uit te zetten en dat heb je geweigerd. Waarom was dat?”
„Edel Achtbare, omdat die man zich niet misdroeg en er geen order van UEdel Achtbare was om hem te arresteeren.”
„Goed! já, daar zal ik niets tegen zeggen; maar nu heb je daardoor jezelf leelijk de deur uitgezet. Dát was toch zeker je bedoeling niet! Ik heb hier je ontslag.”
De burgemeester overhandigde den veldwachter een papier. Koelewijn las het; ja, alles was in orde: datum, inhoud, zegel, handteekening, alles; alleen het rechtsbeginsel ontbrak; maar dat deed er minder toe, het machtsbeginsel was er, en dát was voldoende. Of Koelewijn dat stuk eens of honderd maal las, er viel niet aan te veranderen; hij kon tot den dag uitbetaald worden en was ontslagen met ingang op 10 October 1837.
„Wat zeg je daarvan?” vroeg de burgervader.
„Gods wil geschiede!Hijziet het onrecht!”
„En wat nu je betrekking als dorpsbode aangaat.... ja!... dát...”
„Edel Achtbare, tusschen die twee betrekkingen bestaat toch geen verband.”
„Neen, verband, als je 't zóó noemen wil, eigenlijk niet. Maar zie je, er is toch groot bezwaar. Die post wordt wel door den Ambachtsheer begeven, en afgezet ben je nog niet, maar het is toch erg gevaarlijk—gevaarlijk voormij, begrijp je? om je maar aldoor daarvoor te blijven betalen alsof er geen vuiltje aan de lucht was.”
„Mag ik dan ook geen dorpsbode meer zijn, Edel Achtbare? Met vrouw en drie kinderen! En den winter voor de deur! Waar moeten we dan van leven?”
„Ja; hetisberoerd! Maar ik weet niet waar ik je uit betalen moet... Kerel, had dan ook naar raad geluisterd! Ik heb je zoo duidelijk gewaarschuwd, maar jij was altijd op de hand van de Separatisten; die oproermakers! Nu zie je en ondervind je de gevolgen!”
„DusEdel Achtbare, van vandaag af krijg ik ook mijn traktement als dorpsbode niet meer?UEdel Achtbarebetaalt me niet meer uit?”
„N... neen! Ik zou niet weten waarvan! Als 't weer in orde komt....”
„Maar ikbenniet afgezet!” riep Koelewijn, die ditmaal het „Edel Achtbare” vergat.
„Afgezet ben jeniet, maar zoo goed als.... Ik weet waarlijk niet.... Maar kijk, of we nu lang of kort samen praten, daar wordt de zaak niet beter om. Hier heb je mandaat als veldwachter.... en hier als dorpsbode.... ga nu met die twee dingen meteen naar den ontvanger, dan betaalt die je dadelijk uit. Dan heb je direct wat geld in handen. Nu.... goeden morgen!”
„MaarEdel Achtbare....”
„Hoor eens,”zei de burgemeester op zijn horloge kijkende,„ik heb vanmorgen heel wat te doen, en straks komt er weer iemand om me te spreken, zoodat onze conferentie nu is afgeloopen. Maar ik wou er toch even den tijd afnemen om het je zelf te zeggen!.... Dag Koelewijn!”
Burgemeester wuifde de hand tot afscheidsgroet en wees meteen naar de deur.
Langzaam ging de veldwachter de kamer uit.
„Hoe soude 't Godt weten? Ende sou'er wetenschap zijn bij den Allerhoochsten?” Deze wanhoopskreet van Asaf wrong zich ook uit het hart van den eenvoudigen veldwachter naar boven, toen hij met z'n handjevol geld bij den ontvanger vandaan kwam. Want eerst aan het einde van zijn psalm zong Asaf: „Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid!” En veldwachter Koelewijn had ook eenigen tijd noodig eer deze geloofsroem de zijne was.
„Straks komt er iemand anders om me te spreken,”had de burgervader tot den ontslagen veldwachter gezegd. Die iemand anders naderde even over half-twaalf juist het raadhuis toen Koelewijn de stoep afkwam.
„Goeden morgen, Koelewijn! Wat kijk je neerslachtig, beste vriend!”
„Ja, meester,”gaf Koelewijn Gerrit Beukman ten antwoord, „daar is vleesch en bloed ook maar niet zoo op slag mee vereenigd.” In korte woorden verhaalde hij wat zooeven geschied was.
„Het is schandelijk!” riep Gerrit verontwaardigd. „Ik ben ook ontboden.”
„Dan sta de Heere je bij, meester!”
Met hartelijken handdruk scheiden de broeders van elkaar.
Beukman werd dadelijk bij den burgemeester toegelaten.
„Zoo meester! Ga zitten; ik zal u niet lang aan de praat houden; maar ik heb van hooger hand een heel duidelijke wenk gekregen.„Is alles in zijn school wel richtig?” wordt me gevraagd. „En is hij bereid om alle landswetten vrijwillig te gehoorzamen?” Je bent Separatist hè?”
„Burgemeester, ik ben lid van de Afgescheiden Gemeente.”
„Dan mag je wel driedubbel op je tellen passen, man. Er is geen reden waarom je den weg van Jan Verlinden op zou willen, hè?”
„Burgemeester, zeg me maar ronduit: ligt mijn ontslag gereed?”
„Gereed zal ik nog niet zeggen, maar.... Ik voor mij zou niet graag verandering zien, en de heele bevolking mag je graag lijden.... en toch.... als je soms ouderling of diaken, zoo noemen jullie het immers ook? ging spelen, of als ze je in onwettige samenkomsten snapten, dan zou ik je voor niets kunnen instaan; begrepen?”
„Burgemeester, ik dank u!.... Maar Gods wil geschiede!”
„Ja, zoo! dat zeggen jullie allemaal naar 't schijnt. Nu... je weet er nu alles van!”
Met deftig handgebaar gaf burgemeester afscheid.
„Und dennoch! sprak de groote Luther driehonderd jaar geleden!” dacht Gerrit bij het naar huis gaan. „En in Gods kracht zeg ik hem na: En toch!”
Vader en moeder Huiskamp zaten met Jannetje, na volbrachte dagtaak, onder de geschoren lindeboomen op de groene bank voor het huis een luchtje te scheppen. Het was een heldere zachte avond in de eerste helft van Mei 1838.
„Dus als ik het nou goed begrijp,” zei vader langzaam tot zijne dochter, „dan zou dat den vijftienden van de volgende maand wezen.”
„Ja vader,” antwoordde Jannetje gelaten; zeker reeds voor de tiende maal in de laatste drie dagen; „dat is Vrijdag den 15enJuni.”
„Zoo, zoo! Ik zie d'r nog geen gat in!” hernam vader, evenzoo zeker voor de tiende maal in de laatste drie dagen.
„Hoe bedoel je dat, vader?”
„Hoe dat dát gaan moet.”
„Maar, vader, je hebt toch je toestemming gegeven en moeder ook; en de ouders van Gerrit vinden het ook best; en....”
„Ja, dat is allemaal goed en wel, maar ik bedoel verder, zie je.”
„En Gerrit heeft toch een goede betrekking; en we zijn ook zoo jong niet meer....”
„Neen.... wat dát allemaal aanbelangt;.... ik en moeder hebben ook onze toestemming gegeven. Ja, dus den vijftienden van de volgende maand?”
„Ja, vader.”
„Kijk, kind,” zei moeder; „Ik weet wel wat vader zoo drukt, en als ik de ronde waarheid zal zeggen: mij niet minder. Trouwen is goed en wel en naar de wereldsche instelling van menschen moet dat op het raadhuis en door den burgemeester; daar gaat niets van af;.... maar dán zie je!”
„U bedoelt de inzegening in de kerk?”
„Ja.... dát laten jullie dan niet doen, zie je!”
„Maar, moeder!” riep Jannetje verwijtend.
„Ja, ik weet wel wat je zeggen wil; maar eigenlijk toch niet, zie je. Het is dan toch op z'n mooist een afgezette dominee en maar bij een van jullie ouderlingen of bij een vriend aan huis. En dat kan me zoo erg aangrijpen; maar ik kan er niets aan doen!”
„Moeder, de zaak is toch maar dat het huwelijk ingezegend wordt in een samenkomst van de gemeente; en of dat nu in een mooie kerk of in een schuur gebeurt.... die uiterlijkheden. En het is dan toch ook onze schuld niet, dat het niet in de kerk kan!”
„Ja, kind, ik zal je niet heelemaal tegenspreken; maar 't is jammer! 't is jammer!”
„Onzen zegen heb je;” zei vader; „maar hoe moet dat dan verder?”
„Kijk, vader; Zondag den zeventienden Juni, preektdominee Scholte hier, en dan zou meteen ons huwelijk ingezegend worden.”
„Dus,” hernam vader, „julliewillen niet in de groote kerk!”
„Maar al zouden we willen,” wierp Jannetje tegen, „dan zou dat immers niet eenskunnen.”
„Neen,” zei moeder, „dat 's te zeggen als je blijven wat je bent. Maar vader en ik dachten soms zoo bij ons eigen....”
„Dat we misschien weer Hervormd werden?” viel Jannetje haar vragend in de rede. „Dat kan u toch haast niet meenen!”
„Nou,” zei vader; „dan moeten we er ons maar bij neerleggen. En dan kunnen ik en moeder bij je eigenlijke trouwen niet bij wezen.”
En daarbij bleef het. Jannetje kon haar ouders er niet toe bewegen om de kerkelijke inzegening van haar huwelijk bij te wonen. Alles was goed en wel, meende vader Huiskamp; ze bleven allemaal samen op den besten voet; hij zou altijd het goede voor hen zoeken; hij dacht er niet aan om de jongelui te veroordeelen; maar hij wist toch met al z'n lek en gebrek wel dat hij het bij 't rechte eind had, dat zoo'n huwelijksinzegening niet was wat je eigenlijk graag zou willen. Jannetje deed er het zwijgen toe; ze begreep dat daartegen toch niet te redeneeren viel. Het was hard; het wierp een schaduw over haar geluk; maar 't was niets anders! Gerrit zei tot haar: „Je kunt het op mooie ochtenden hebben dat er laag zoo'n zware nevel hangt, dat de menschen elkander en de beesten in 't land niet zien kunnen; maar kijk je dannaar boven, dan zie je de toppen van de boomen heerlijk groen en het haantje van den kerktoren glinsteren in 't volle zonlicht. Zoo begrijpen de menschen elkaar dikwijls hier op aarde niet, maar eenmaal komen ze boven in het heldere licht. Je vader en moeder en wij zijn het toch wel waarlijk met elkaar eens, maar zij kijken nog te veel in den mist, begrijp je?”
Jannetje begreep het tot haar troost.
Zoo was voor bruid en bruidegom en voor de beide paren ouders de 15eJuni toch een gezegende dag. Allen hieven het hoofd boven den mist uit; allen zagen en begrepen elkander in den helderen zonneschijn van Gods vriendelijk aangezicht. Niet slechts werden twee jonge menschen één; ook de heerlijke eenheid van de leden des lichaams van ons Hoofd in de hemelen werd door allen gevoeld en genoten.
En daarna:—doken vader en moeder Huiskamp weer kopje-onder in den mist van hun eerlijk-gemeend kerkisme.
Eerst des Maandags zouden de jonggehuwden naar Bunschoten vertrekken, nadat—zooals de bruid gezegd had—den vorigen dag hun huwelijk door dominee Scholte zou ingezegend zijn.
Des Zaterdags namiddags kwam deze predikant van Utrecht om bij zijn vriend Reijmeringer te logeeren. Ten einde alle moeite te voorkomen werd aan den burgemeester kennis gegeven van zijn tijdelijk verblijf te Loosdrecht.
Des Zondagsmorgens zeer vroeg begaf dominee Scholte zich met zijn gastheer te voet naar 's Graveland, waar hij den ochtenddienst leiden zou. In dat Noord-Hollandsche dorp had men van inkwartiering geen last; alleenwas er kans dat hij er boete oploopen zou. Doch beboeting werd door velen nauwelijks onder de ernstige belemmeringen der gewetensvrijheid gerekend.
De dienst te Loosdrecht zou des avonds laat gehouden worden. Ten einde zoo weinig mogelijk de aandacht te trekken kwam Scholte tegen het vallen van den avond niet te voet in het dorp terug; een der broederen bracht hem in een schuitje derwaarts. Het gelukte hun ongemerkt de ruime schuur van Gerrit Pos binnen te komen, die voor de godsdienstoefening ingericht was.
De vergadering was slechts klein in aantal. De predikant, zijn gastheer Reijmeringer, vader en moeder Beukman, de beide jonge echtgenooten, twee paren ouders, die elk een zuigeling ten doop brachten, de overige vier kinderen van het eene paar, nog een lid der gemeente, en een zekere Duitscher J. F. C. Brandt, een neef van den voorganger, uit Lippe geboortig, maar die drie jaren in Nederland gewoond had. Het gezin van Pos telde drie personen. In 't geheel waren er dus vijftien volwassenen en zes kinderen. Aangezien de familie Pos volgens de wet niet bij het beruchte twintigtal gerekend mocht worden, waren er dus de zuigelingen zelfs medegerekend, slechts achttien personen aanwezig. In dat opzicht was aan de strengste eischen der wet voldaan. Tenzij de overheid goedvond—wat ook soms gebeurde—onderscheid te maken tusschen de woning en de schuur van Pos; dan waren er een en twintig! Maar men maakte zich buitendien aan verscheidene zware overtredingen schuldig: een der sacramenten werd bediend; een huwelijk werd ingezegend; twee „vreemden van buiten” waren aanwezig: Brandt enGerrit Beukman; eigenlijk was Jannetje door haar huwelijk ook „een vreemde van buiten” geworden. Voor die opeenstapeling van misdaden was geen pardon, indien men op heeterdaad betrapt werd!
Boven aller verwachting verliep de geheele dienst ongestoord. Scholte kon zijn leerrede houden; het sacrament van den heiligen doop werd aan de beide kinderen bediend; het huwelijk van Gerrit en Jannetje Huiskamp plechtig ingezegend. Meer dan over het algemeen het geval is gevoelden beiden de beteekenis van den aanvang van het huwelijksformulier: „Overmits dat den gehuwden gemeenlijk velerhande tegenspoed en kruis vanwege de zonde is toekomende, opdat gij, die uwe echtelijke verbinding in Gods naam openlijk alhier in de kerk wilt bevestigen, ook in uwe harten verzekerd zijn moogt van de gewisse hulp Gods in uw kruis, zoo hoort uit den Woorde Gods, hoe eerlijk de huwelijke-staat zij.”
Tegen half-elf meenden de vergaderden rustig uiteen en ongestoord naar huis te kunnen gaan.
Toen daartoe de deur geopend werd, stuitte men op een troep gewapende militairen, die allen doorgang beletten, maar verder niets deden. De schuur had nog een kleine deur in den achtergevel, maar spoedig bleek dat ook die door soldaten met gevelde bajonet afgezet was.
De vrienden zaten dus gevangen. Dat was de nieuwste uitvinding van geloofsvervolging. Totnogtoe was men gewoon geweest hals over kop naar buiten gesmeten te worden; dezen avond mocht men niet vertrekken.
De eigenaar van het gebouw begaf zich weer naar den uitgang en opende de deur.
„Mannen, mogen we er niet uit?”
„Allen binnen blijven!” riep een der soldaten.
„Waarom en hoelang?” vroeg Pos verwonderd.
„Dat gaat ons niet aan!” was het welwillend bescheid. „Ik zou nog maar een deuntje samen zingen.”
„Kan ik den sergeant even spreken?”
„Jawel!” riep deze. „Ik zal het je wel zeggen: je moet hier blijven tot de burgemeester komt.”
„Sergeant, laat ons dan ten minste in mijn huis mogen gaan.”
„Nu, daar is niets tegen,” antwoordde de sergeant, die bij anderen vergeleken een voorbeeld van vriendelijkheid was. „Dan zullen we je allemaal eventjes overbrengen. Maar je moet op het erf blijven, daar gaat niets van af. En niet probeeren.... je weet wel! Denk aan de bajonetten en de blauwe boonen!”
Op bevel van den sergeant namen nu de militairen met gevelde bajonet, het kleine groepje tusschen zich in en brachten het—een kudde schapen temidden van de slachters!—naar het woonhuis van Pos. Daarna werd het huis rondom met wachten bezet, zoodat naar buiten gaan onmogelijk was.
Men maakte het zich zoo gerieflijk mogelijk; de vrouw des huizes zette koffie en haalde koek voor den dag; Pos zorgde voor pijpen en tabak; en weldra waren allen in levendig gesprek gewikkeld.
Een goed half uur later kwam de burgemeester, gevolgd door acht gewapende manschappen, het vertrek binnen.
Zonder groet begon hij dadelijk de namen der aanwezigen te vragen en op een lijst te schrijven.
„Dat is dus,” zeide hij toen dat belangrijk werk afgeloopen was; „—laat zien: drie, zes, negen, twaalf, vijftien, vijftien volwassenen en zes kinderen. Een te veel! Zeg eens, Pos, wat moeten die menschen bij je doen?”
„Burgemeester,” antwoordde deze; „dat zijn vrienden van me, die hier een kop koffie drinken.”
„Ja; de koffie zie ik,” antwoordde de vertegenwoordiger des konings; „maar dat zal wel een doekje voor 't bloeden wezen! 't Is een boven de wet, man!”
„Burgemeester, al zouden we hier vergaderen, dan is daar mijn vrouw, en daar mijn zoon, en ik, dat is drie, die hier in elk geval zijn mogen. Dus zelfs die twee zuigelingen medegerekend, zijn er toch niet meer dan achttien.”
„Burgemeester,” mengde zich dominee Scholte nu in het gesprek: „deze menschen zijn hier alleen door dwang tegenwoordig. Na afloop van den dienst in het daartoe bestemde gebouw, hebben de militairen ons met geweld den uitgang belet, anders zouden de meesten, misschien wel allen, reeds lang naar huis zijn.”
„Ik heb hier met Pos te doen,” antwoordde de man van de wet. „Jou vind ik later wel!”
Met die woorden ging hij weg, na twee soldaten order gegeven te hebben om in de kamer te blijven en te zorgen dat de voordeur open bleef.
Zoodra ze hun kans schoon zagen maakten de beide doopvaders, dat ze met hun vrouwen en kinderen naar huis kwamen. De overigen bleven nog een korte poos bij elkaar.
Eindelijk zou men vertrekken. De vrouw des huizeszei: „Nu moeten we nog één versje zingen. Psalm 146:3.”
„Dat is goed,” zei de dominee en las voor:
„Met hem vergaen zijn raden al.En werden haestlick tot niet.Wel hem dien Godt t' aller tijd zalSijn hulp aenbieden met vliet:Die tot Godt heeft zijn toevluchtIn noot en in quaet gerucht.”
Nauwelijks had hij den laatsten regel gelezen of woedend stoof de burgemeester naar binnen: „Begint het nu al weer!” riep hij met een paar vloeken. „Nu moeten allen er uit.”
„Burgemeester,”zei dominee Scholte; „er is hier geen schijn of schaduw van overtreding. Acht menschen zijn hier op visite bij de drie bewoners van het huis. Voordat ze afscheid nemen, willen ze een psalmversje samen zingen. Welk kwaad steekt daarin? Uw handelwijs acht ik geheel en al onwettig, en ik voor mij denk er niet aan om nu te vertrekken.”
„Dat zullen we je dan wel leeren!” schreeuwde de burgemeester. „Mannen! Eerst dezen kerel! De doos in, hoor!” Hij wees op Brandt, die rustig zijn kop koffie zat leeg te drinken.
Onmiddellijk werd de jonge man met stompen en stooten van zijn stoel getrokken, de kamer doorgesleurd en het huis uitgeworpen. Buiten gekomen werd hij opgevangen door de anderen, geboeid en naar de woning van den veldwachter geduwd, waar men hem voor 't overige van den nacht in een gevangenhok opsloot.
Onderwijl werden de overigen met de blanke sabelde straat opgejaagd. Alleen dominee Scholte viel de onderscheiding tebeurt, dat zes mannen hem aangrepen en met duwen en slagen naar buiten sleepten en op straat zetten.
Toen allen naar buiten gebracht waren, zag de burgemeester dat hij bij vergissing het geheele huis ledig gemaakt had. Dat bagatel onrecht herstelde hij door de familie Pos genadig te vergunnen weer naar binnen te gaan. Gerrit Beukman hielp dit in zooverre, dat de burgemeester nu voor hem iets door de vingers zag. Gerrit was wel een „vreemde van buiten” en dus wederrechtelijk in de vergadering toegelaten; maar enfin.... als oude kennis!... en de burgemeester was er ook de man niet naar om opalleslakken zout te leggen!
Eindelijk waren dominee Scholte en zijn gastheer weer thuis. Twee broeders wachtten hen daar op, die hem nog even de hand drukken wilden voor hij morgen weer naar Utrecht vertrekken zou.
Nog geen tien minuten zaten de vrienden onder een glas wijn bij elkaar of nieuw bezoek kwam—onaangediend—binnen. De burgemeester die—wat overigens zijn gebreken ook zijn mochten—in geen geval van „plichtverzuim” te beschuldigen was! Met hem zijn gewone lijfwacht van vier soldaten. Zonder eenige inlichting of opheldering—want tegenover de Afgescheidenen was iedere burgemeester en luitenant een grondwet op eigen houtje—plaatste de burgemeester twee gewapenden als wacht in de huiskamer van Reijmeringer en beval den sergeant met de beide anderen voor de deur te blijven. En nu was zijn werk afgeloopen; hij ging naar huis; het was bedtijd!
De beide soldaten in de woonkamer gedroegen zich alleronhebbelijkst. Ze tierden, vloekten, spuwden op den grond, en gingen er eindelijk toe over om de vrouw des huizes te beleedigen. Ten einde raad ging Reijmeringer met den sergeant spreken; gelukkig dezelfde die bij Pos dienst gedaan had. Deze was welwillend genoeg om de beide manschappen te bevelen naar buiten te komen.
Eindelijk kwam dus de nachtrust!
Hoe deze zaak verder liep?
Ten einde alle verdenking van overdrijving weg te nemen volgt hier letterlijk het verhaal van de verdere lotgevallen van Brandt, zooals het een maand later in „De Reformatie” opgenomen werd.
„De gearresteerde persoon, J. F. C. Brandt, geboortig uit het vorstendom Lippe, welke, drie jaren te Amsterdam gewoond hebbende, nu, met eenen behoorlijken reispas voorzien, in ons vaderland eenigen tijd zich ophield, om afscheid van zijne familie te nemen, werd Maandagmiddag, op last van den burgemeester, geboeid onder geleide van den dienaar en gewapende militairen naar Loenen getransporteerd en aldaar insgelijks in een hok opgesloten. De vrederegter te Loenen vergunde echter nog aan Ds. Scholte zijnen neef in de gevangenis te bezoeken, hetgeen te Loosdrecht geweigerd was. Dingsdagmorgen werd Brandt wederom geboeid langs den grooten weg naar Utrecht gebragt en aldaar in het tuchthuis opgesloten. Ds. Scholte had aan den officier verzocht de instructie spoedig te doen voortgaan, dewijl hij zeker wist, dat Brandt niets misdaan had en dus gewisselijk dadelijk in vrijheid gesteld zou worden.
Dingsdagavond zond de officier aan Ds. Scholte met eenen deurwaarder de boodschap, dat, indien hij voor Brandt de reiskosten wilde betalen, men hem nog dien avond in de diligence naar Deventer en vervolgens verder naar zijn land zou zenden. Ds. Scholte zond de boodschap terug, dat hij, verzekerd zijnde dat de reispas in orde en hij overigens onschuldig was, dringend verzocht uitlevering aan den regter van instructie. Dat is dan ook Woensdagmorgen geschied met die uitkomst dat hij na het verhoor dadelijk op vrije voeten gesteld is.”
De predikant Scholte was er de man niet naar om zoo brutale en verregaande wetsovertreding en schending van grondwettig-gewaarborgde vrijheid ongemerkt te laten voorbijgaan. Hij en zijn beide vrienden Reijmeringer en Pos zonden ieder hun proces-verbaal aan den officier van de Rechtbank te Utrecht. Deze heer ontbood eenige dagen later den predikant—alleen om hem te zeggen dat hij aan de zaak niets doen kon. Daarop werden onmiddellijk door de klagers copieën van de stukken met begeleidend schrijven gezonden aan den koning en aan den procureur-generaal bij het Hoog Geregtshof te 's Gravenhage.
Van den koning kwam nooit eenig antwoord. Enkele maanden na de inzending der stukken kwam een deurwaarder mondeling den heer Scholte mededeelen: „dat de procureur-generaal geen termen vond om den burgemeester van Oud-Loosdrecht wegens het door hem gepleegde te vervolgen.”
Met volle recht kon het Tijdschrift der Afgescheidenen vragen: „Welken naam moeten wij nu geven aan zoodanige handeling, dat, wanneer inwoners van Nederlandhun beklag op behoorlijke wijs aan de bevoegde autoriteit doen, en aan bepaalde personen, bepaalde en bij de wetten des lands veroordeelde misdaden ten laste leggen, en daarover vervolging verzoeken voor den bevoegden rechter, het publiek ministerie de klagers eenvoudig afwijst met een antwoord, dat zij geen termen ter vervolging vinden? Zijn de daden waarlijk gepleegd, dan behooren de daders gestraft te worden volgens de wet. Zijn de te laste gepleegde daden niet waar, en worden ze echter publiek iemand te laste gelegd, dan behooren die klagers als lasteraars gestraft te worden, want ook daarin heeft de wet voorzien.
Men is zoo gretig om de Afgescheidenen voor de Regtbanken te trekken; waarom ook niet hunne tegenstanders, wanneer deze de wetten des lands overtreden?”
Met open armen was de jonge vrouw, die Gerrit Beukman als echtgenoote mede naar Bunschoten gebracht had, door de gemeente der Afgescheidenen ontvangen. Haar man had den vervolgden zooveel diensten bewezen, al kon hij geen kerkelijk ambt vervullen, dat men met volle vertrouwen en groote liefde zijn gade in den kring opnam. En het duurde niet lang of zij zelve had zich in menig hart een plaatsje veroverd.
Eén feit werd steeds met verwondering opgemerkt: Gerrit Beukman bleef ongemoeid, ofschoon hij zich zijne belijdenis in geen enkel opzicht schaamde. Doch de Afgescheiden gemeente te Bunschoten was geen gering troepje, maar een macht, waarmee te rekenen viel, ofschoon staat en kerk zich niet ontzagen haar op alle mogelijke wijzen te kwellen en verdriet aan te doen. Het degelijk onderwijs en de aangename manier, waarop hij met de kinderen omging, maakten echter dat de „bovenmeester” ook bij de Hervormden zeer gezien was. En de burgemeester zou niet gaarnediemedeburgers tegen zich in 't harnas jagen.
Jannetje gevoelde zich in haar nieuwe omgeving recht op haar plaats; ze leefde van harte mede met de broeders en zusters, die ze hier onder het kruis vond. Een harer eerste bezoeken was bij de gezinnen van Vlok en de Greef. De geloofsgenooten dezer vervolgden hadden voor stokken en zeildoek gezorgd, en daarvan twee tenten gespannen, waarvan de vloeren met planken belegd waren, zoodat de kracht van regenvlagen en donderbuien tenminste eenigszins gebroken werd. Vrouw Vlok had zich ook bij de Afgescheidenen aangesloten, maar de beide mannen en de kinderen bleven lid van de Hervormde kerk. Dat hinderde hen niet bij de Afgescheidenen, die het voorbeeld van gewetensdwang niet volgden; maar evenmin hielp het hen bij den Hervormden kerkeraad of bij de wereldlijke overheid, die den „afval” van de beide vrouwen op de geheele gezinnen bleven wreken. De kerkeraden van de Hervormde gemeenten ontkenden kort en goed, naar het verheven voorbeeld van hun geestverwant „le roi soleil,” Lodewijk XIV, alle recht om zich af te scheiden. Dat ondervonden onder anderen vier behoeftige, maar niet bedeelde vrouwen te Pijnacker in Zuid-Holland, die behoorlijk haar lidmaatschap opgezegd hadden. Zij ontvingen het schrijven dat hier letterlijk volgt[1], omdat het verdient zooveel mogelijk aan de vergetelheid ontrukt te worden. Het kan zijn dienst doen tot voorlichting van hen, die nog oordeelen: „Wat de onderscheidene kerkbesturen gedaan hebben, heeft, toteene juiste beoordeeling, nog altijd een nader onderzoek noodig[2].”
Pynacker, den 17denAugustus 1837.
De kerkeraad der Hervormde Gemeente te Pijnacker ontvangen hebbende een missive van bovengenoemde personen d: d: 32 Augustus 1: 1: door welke zij te kennen geven zich van het Hervomd Kerkgenootschap te hebben afgescheiden, en alzoo verlangen dat hare namen uit het boek der lidmaten onzer gemeente worden geroijeerd.
Gezien eene aanschrijving van de Minister van staat belast met de Generale Directie voor de zaken der Hervormde Kerk enz. d: d: 11 Dezember 1835 no15. en gegrond op de inhoud van het Koninlijk besluit d: d: 10 October 1835 no71
Gelet op het besluit van Z: M: d: d: 5 July 1836 no75 als mede op eene aanschrijving van de Algemeene Synode der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden d: d: 14 July 1836.
Heeft goedgevonden en verstaan aan de genoemde schrijfsters te berigten, en gelijk dezelve dan ook berigt worden, door deze. Dat de Kerkekraad vervuld is, met het diepste leedwezen, over zulk eene stap door de schrijfsters gedaan, als niet anders dan nadeelig te kunnen werkenzooop de rust, vrede, en liefde der Gemeente te dezerplaatsin het algemeen,als, op het welbegrepen belang der schrijfstersin het bijzonderen het zich daarom tot eene dure pligt rekend, dezelven met den meeste ernst, en in den geest der Christelijke liefde te moeten vermanen, om toch van deze hare dwaling te willen terug komen, en door haar voorbeeld, niet mede te willen werken dat de schadelijke geest van scheurmakerij (welke reeds zoo meenige vaderlandsche gemeente in de laatste jaren heeft beroerd) ook in ons midden deszelfs verderfelijke invloed verspreide, en weshalven de Kerkenraad haar op grond van het dierbaar Evangelie onzes Heeren, bezweerd, om met ootmoed en nederigheid hare dwaling te willen belijden, en in den schoot der Gemeente weder te keeren, haar belovende om, bij zulk een bestaan, het plaats gehad hebbende, met den mantel der liefde te zullen bedekken, en deze bedroevende zaak als niet geschied zijnde te zullen beschouwen.
Dat echter bij onver hoopt volharde, in deze dwaling en zucht tot scheurmakerij, de Kerkenraad zich in alles zal behooren te gedragen overeenkomstig de wetten en bepalingen, hier boven genoemd, en bij te kort koming van deszelfs kerkelijk gezag, de hulp van de burgerlijke rechter zal dienen in te roepen, ten einde aan de uitvoering van den wil onzes geéérbiedigden Koning stiptelijk de hand worden gehouden.
Dat de Kerkenraad het intusschen noodig acht de schrijfsters bij deze herrinneren, dat ofschoon zij in deze hare dwaling mogten volhouden, nochtans hare namen op het lidmaten boek niet kunnen worden geroijeerd, als zijnde het plaatsen op dezelve eenedaadzaakwelke met geenemogelijkheidongedaankan gemaakt worden, en zij (schrijfsters) ook steeds door de Kerkenraad zullen beschouwd, bezocht en behandeld blijven worden, als wezentlijk behoorende tot het Hervormd Kerkgenootschap te dezer plaats, en zij schrijfsters dan ook wederkeerig onder de verpligting blijven verkeeren, om mede te moeten bijdragen in de kerkelijke lasten, welke bij hoofdelijke omslag in deze gemeente geheven worden, en niettegenstaande dit alles zij schrijfsters zich zelve moedwillig zullen berooven van het voorrecht, om wanneer zij immer tot armoede mogte vervallen (het geen God genadig verhoeden) op eenige hulp of onderstand, zoo van het rijk, gemeente of Diakonie te kunnen rekenen.
Dat de kerkenraad gemeend heeft deze zaak (als voor het eerst denzelven in de Gemeente voorkomende) op deze meer uitgebreide wijze te moeten behandelen, ten einde onder den zegen Gods daardoor misschien het kwaad in deszelfs beginsel mogt kunnen worden gestuit, maar dat dan ook van nu voortaan geen gevolg aan eenig geschrijf meer zal worden gegeven achtende de kerkenraad deszelfs tijd te kostbaar dan om dezelve aan twistgeschrijf te verbeuselen en weshalve men den koster heeft gelast, gene brieven over soortgelijke onderwerpen meer aan te nemen, maar aan elk die iets met de kerkenraad meent te doen te hebben, de gelegendheid te geven, om iederen zondag na het eindigen der middag Godsdienstoefening in de konsistorie te komen verschijnen.
En wijders dat, indien er onverhoopt nog meerdere dergelijke brieven mogten ingezonden worden, de kerkenraad als dan dezelve zal te rug zenden, metdit allesafdoend antwoord, en waarop dan ook de schrijfsters van dezen brief nog ten slotte worden gewezen.
Zie het besluit van Z. M. den koning d. d. 5 July 1836 No. 75.