In dien geest handelde dan ook de Souvereine Vorst, toen hij de werving niet alleen bepaalde tot de ingezetenen, maar ook krachtige pogingen in het werk stelde tot indienstneming van vreemde troepen. Ook hierbij kan men spreken van „als van ouds”. Het oog werd daarvoor op Duitschland en Zwitserland gericht. De Nassausche erflanden, in 1813 weder in 't bezit van den Souvereinen Vorst gekomen, leverden 2000 man; het door den anderen tak bezeten Nassau 3000; eenige Zwitsersche kantons8000. De belangen der soldaten werden door hunne overheid in zoover niet uit het oog verloren, dat zij alleen in geval van nood in Zeeland zouden mogen verblijven en in geen geval naar de Koloniën gezonden mochten worden677). Men had dus wel eenige zorg voor de gezondheid der troepen. Alleen de Vorst van Inn- en Kniphausen leverde ± 1000 man voor de Koloniën, tegen ƒ 130 per stuk.
Doch geheel en al konden de ingezetenen toch van den dienstplicht niet worden bevrijd. Noch het in dienst nemen van vreemde troepen, noch het werven van soldaten was in staat eene voldoende legermacht te vormen. Het was dus gelukkig dat de Grondwet eene achterdeur had opengelaten voor de invoering van den gedwongen dienst.De wetten van 27 Februari 1815 (Staatsbladnos. 19, 20) gaven uitvoering aan het zesde hoofdstuk der Grondwet. De eerste betrof de nationale militie, de tweede de schutterijen. De militie werd ongeveer op dezelfde leest geschoeid als de landmilitie van 1813. Het land verdeeld in districten van 100.000 zielen: op elk district een bataillon infanterie en eene afdeeling artillerie, te zamen 1000 man. Dit getal te verkrijgen allereerst door vrijwilligers en daarna door loting uit de ongehuwde ingezetenen van 18 tot 22 jaren. Zij, die niet vrijgeloot waren, hadden, zoo zij zelven niet wilden dienen, het recht, òf hun nummer met dat van een vrijgelote te verwisselen, òf een plaatsvervanger te stellen. Verboden werd het zenden van de militie naar de koloniën, en voor het zenden daarvan buiten de grenzen der Vereenigde Nederlanden was de toestemming der Staten-Generaal noodig. Van 15 Mei tot 15 Juni zoude de militie geoefend worden. Terugkeer tot de haardsteden van minstens ¾ na afloop dezer oefening. Zoo verkreegmen eene macht van ongeveer 20.000 man, waarvan het waarschijnlijk was, dat een vierde steeds onder de wapenen zoude worden gehouden. Het was de bedoeling, dat van het ¾ 't welk naar huis ging, ook de militie-officieren en onderofficieren, die voor het overige met die van de staande armee werden gelijk gesteld, verlof zouden bekomen.
De wet van dezelfde dagteekening betrekkelijk de schutterijen, bracht hare sterkte op 3% der bevolking, beschouwde ze als een plaatselijke instelling en verdeelde ze indienstdoendeenrustende, de eerste in plaatsen boven de 2500 zielen op te richten, en beide samen te stellen uit de ingezetenen, die den vollen ouderdom van 18 jaren zouden hebben bereikt en het 51ste nog niet waren ingetreden. In tijd van vrede strekten de dienstdoende tot behoud der inwendige rust, en in tijd van oorlog gezamenlijk met de rustende tot verdediging van het vaderland. Om uittemaken, wie tot den schutterlijken dienst zoude worden aangewezen, werd niet de toevlucht genomen tot het lot: de aanwijzing werd overgelaten aan eene commissie, die, daarbij lettende op leeftijd en ongehuwden staat, de meest geschikten moest uitkiezen.
Zoo werden dan, overeenkomstig de Grondwet, ook op het gebied der landsverdediging de Fransche instellingen door nationale vervangen. Ook nog ten opzichte van een hiertoe eveneens behoorend onderwerp. Ik bedoel het militair strafrecht en zijne toepassing.
Zij die, hetzij te land, hetzij te water, geroepen zijn voor de onafhankelijkheid van den Staat te waken, vormen een bijzondere maatschappij. Eene maatschappij, die men in orde tracht te houden door een haar eigen gevoel van eer en een daarmede in verband staandesprit de corps. Men moet „eenstemmig tot het welzijn en de eer van een ieder in het bijzonder, van het Korps in het algemeen en dus ook tot het wel betrachtenvan 's lands dienst medewerken”678). Voorzoover dit bij de zwakheid der menschheid niet afdoende werkt, moeten strenge tucht en streng recht het ontbrekende aanvullen. Zoo hebben het leger zoowel als de marine behoefte aan bijzondere regelen ter handhaving van de orde in die militaire maatschappij. Dat in de Fransche wetgeving dergelijke regelen niet ontbraken, sprak van zelf; dat zij voldoende waren, was ook niet te ontkennen; men zou dus verwacht hebben, dat men zich voorloopig met het Fransche militaire strafrecht zoude hebben beholpen. Het schijnt echter, dat, evenals men de wetten op de conscriptie als vervallen beschouwd had, ditzelfde ook het geval is geweest met het militaire strafrecht. Dergelijke ongeregelde toestand kon niet blijven. Men zou hebben gevangenen, gearresteerden, zonder wetboek, zonder rechter. Van hier dat reeds bij besluit van 30 December 1813 (Staatsbladno. 19), voor zoover de qualificatie van misdaden en strafbepalingen aanging, weder ingevoerd werd het Reglement van krijgstucht of Crimineel Wetboek voor de Militie van den Staat van 26 Juni 1799. Met de marine zou men zich intusschen zonder wettelijke regelen trachten te behelpen, in het vertrouwen, dat binnen zeer korten tijd het onderwerp in zijn vollen omvang zoude zijn geregeld. Eene verwachting die hierin haren grond had, dat op het oogenblik der inlijving eene geheel nieuwe militaire strafwetgeving zoo goed als gereed was geweest. De commissie, door den Souvereinen Vorst reedsden18den December 1813 voor de Armee benoemd, en den 27sten December 1813 voor de Marine aangevuld, gebruikte de aanwezige bouwstoffen, en was zoo spoedig met haar werk gereed, dat de Souvereine Vorst reeds den 10den Juli 1814 aan de Staten-Generaal eene wet over dit onderwerp kon inzenden679),die, door dit lichaam aangenomen, onder de dagteekening van 20 Juli 1814 in hetStaatsbladverscheen. Zij behelsde de vaststelling van vijf wetboeken680).
Deze regelden echter niet het geheele onderwerp. De Wet van 1799 bleef voorloopig gehandhaafd. De ontwerpen betrekkelijk het crimineel wetboek voor het krijgsvolk te lande, en het reglement van discipline voor hetzelfde krijgsvolk, moesten nog aan een nader onderzoek worden onderworpen. Waarom? De moeilijkheid zat niet in de vraag, of ook de gemeene misdrijven aan de militaire jurisdictie zouden worden onderworpen. Dit onder de Republiek der Vereenigde Nederlanden zoo betwiste punt was na de omwenteling van 1795681)in ontkennenden zin beslist. Reeds koning Lodewijk had gewenscht,dat hierop zoude worden teruggekomen682); zijne aftreding verhinderde echter de uitvoering van dit voornemen; nu was het de Fransche wetgeving die het na de Revolutie gehuldigde beginsel weder ter zij zette. Hierin bracht de verdrijving der Fransche heerschappij geene wijziging. Immers art. 115 der Grondwet van 1814 onderwierp ook de gemeene delicten aan de militaire rechtspleging. Dit kon dus bij de vaststelling der nieuwe regeling geene aanleiding tot bezwaar opleveren. Waarin zat het bezwaar dan? In de vraag, of krijgstucht kon gehandhaafd worden zonder lichamelijke tuchtiging; iets, wat door velen werd betwijfeld. Bij de Marine meende men vrij algemeen het kielhalen en laarzen, het uit de ra vallen en laarzen, het slaan met handdaggen niet te kunnen missen. Zij kregen dan ook hunne plaats in het Crimineel Wetboek voor de zeemacht (art. 22). Ten opzichte van de Armee had echter Koning Lodewijk de stokslagen en de slagen met de sabel afgeschaft683). Overeenkomstig de ontwerpen van Koning Lodewijk en met toestemming van den Souvereinen Vorst had men dan ook in de Commissie deze straffen bij de Armee weggelaten. De Erfprins, wiens militaire ondervinding gewicht in de schaal moest leggen en die dit middel bij het Engelsche leger had zien werken, vreesde dat de discipline zonder die tuchtmiddelen niet kon worden gehandhaafd. Eveneens de Raad van State, in wiens handen de ontwerpen om advies waren gesteld. Men wees op de nauwe betrekking tusschen deze zaak en den geest der tijden; in de laatste helft der vorige eeuw was het slaan in zwang geraakt, uit Duitschland in Frankrijk overgebracht en tot een uiterste gedreven. Na de Fransche revolutie werd het afgeschaft uit vrees dat de militaire geest er door zoude worden uitgedoofd. De Raad meende echter zeker teweten, dat men zelfs in de Fransche armee daarop was teruggekomen; een kapitein kon een soldaat binnensmuurs met rietjes doen slaan, onder den naam vancorrection paternelle, en als 't ware met zijne toestemming, ten einde een toegewezen onteerende straf te ontgaan684). Het gevolg was, dat in de bij de wet van 15 Maart 1815 (Staatsbladno. 26) bekrachtigde twee ontwerpen685), overeenkomstig het Reglement van 1799 de slagen onder zekere waarborgen in eere hersteld werden. Zij bleven bestaan totdat de wetten van 14 November 1879 (Staatsbladno. 191–194) zoowel voor het krijgsvolk te water als te lande lichamelijke tuchtiging afschaften.
Uit het voorgaande blijkt tevens, dat bij de wetgeving van 20 Juli 1814 tevens uitvoering was gegeven aan art. 115 van de Grondwet, hetwelk voorschreef de oprichting van een Hoog Militair Gerechtshof.
Zoo waren dan het militaire strafrecht en de militaire rechtspleging binnen één jaar na de invoering der Grondwet opnieuw geregeld, in harmonie met de op dat tijdstip hier te lande bovendrijvende meening686).
Het is meteen een geschikte overgang tot hetgeen ik nu wensch uiteen te zetten. Ook de gewone maatschappij heeft behoefte aan wetgeving en rechtspraak. Dit onderwerp,reeds vroeger meer dan eens door mij aangeroerd, verdient eenige nadere bespreking.
Had het beginsel der staatseenheid moeite gehad vóór 1810 op het gebied der belastingen te zegevieren, op het oogenblik der inlijving was het nog niet gelukt, eenheid van recht en rechtspraak hier te lande te vestigen. Had koning Lodewijk een paar jaren langer kunnen regeeren, hij zoude dit hebben tot stand gebracht. Nu waren, zooals reeds hierboven is opgemerkt687), alleen ingevoerd het Crimineel Wetboek en het Burgerlijk Wetboek, het eerste den 1sten Februari 1809, het tweede den 1sten Mei 1809. Vastgesteld waren de wetboeken betreffende de rechterlijke instellingen en de burgerlijke rechts- en strafvordering, maar zij waren nog niet in werking getreden. Het door van Gennep, Asser en van der Linden ontworpenWetboek van Koophandelwas ontwerp gebleven. Midden in dien wetgevenden arbeid was de inlijving gekomen en zij had ons de Fransche Codes gebracht:le Code Napoléon, le Code de procédure civile, le Code de commerce, le Code d'instruction criminelleenle Code pénal. Deze wetboeken waren den 1sten Maart 1811 ingevoerd en zij hadden dus meer dan twee jaren gewerkt. Een wederinvoering van het Wetboek Lodewijk Napoleon kwam minder in aanmerking, daar het in de hoofdzaak overeenkwam met denCode Napoléon.Meer voorliefdeschijnt men gehad te hebben voor het Crimineel Wetboek, doch om dit te doen werken zoude ook deCode d'instruction criminellehebben moeten worden vervangen door de Strafvordering van koning Lodewijk, die eene doode letter was gebleven. Daar het Crimineel Wetboek de Fransche verdeeling in misdaden, wanbedrijven en overtredingen niet kende, zou men de FranscheInstruction Criminelleniet hebben kunnen laten bestaan naast dat Crimineel Wetboek. Hetzelfde was het geval met de Rechterlijke Organisatie, tusschen welke en de Wetboeken een nauw verband bestond; ook die van koning Lodewijk, hoewel nimmer ingevoerd, had dan moeten in werking treden. Het was dus zeer verklaarbaar, dat, welk eene innige betrekking er ook geacht worde te bestaan tusschen het rechtswezen en den nationalen geest, de Fransche wetgeving bleef voortbestaan, althans tot punt van uitgang werd genomen. Want geheel ongewijzigd bleef zij niet. Het beroep op het Hof van Cassatie te Parijs vervallende, bleef het Hooggerechtshof in den Haag het hoogste rechterlijk collegie hier te lande. Het besluit van 11 December 1813 (Staatsbladno. 10) maakte van dit Hooggerechtshof het eenig collegie van hooger beroep voor het geheele land; het beroep in cassatie verviel dus, behoudens dat bij de berechting van misdaden dit Hof ongeveer dezelfde taak te vervullen kreeg, die vroeger rustte op deCour de Cassationte Parijs (art. 19, 20, 26). Soortgelijke regeling—benevens eenige overgangsbepalingen—was niet te vermijden. Men ging echter verder. Bij datzelfde besluit toch werd de jury afgeschaft; de Hoven van assises, bestaande uit leden der rechtbank en uit een lid van het Hooggerechtshof, zouden voortaan niet alleen over de toepassing der wet, maar ook over schuld of onschuld uitspraak doen (art. 16). Dat men nu, zonder eenige ontevredenheid te wekken, de jury kon ter zijde zetten, is niet alleen hieraan toe te schrijven, dat de vreemdeling ons die instelling had gebracht. De latere geschiedenis heeft toch het tegendeel bewezen. Terwijl wij van alle zijden omringd zijn door volken, die zelven deelnemen in de strafrechtspraak, heeft de jury ook in lateren tijd bij ons geen ingang kunnen vinden—hetzij dan om het groote vertrouwen dat men stelt in den Nederlandschen rechter, hetzij wegens de weinige opgewektheid hier te lande, om zich met de publieke zaakte bemoeien. Eveneens kon men zonder bezwaar de publiciteit bij de straf zittingen besnoeien. Alleen de pleidooien zouden voortaan in het openbaar gehouden worden, en de vonnissen in het openbaar worden uitgesproken. Doch wat aan de pleidooien en aan het vonnis voorafging, datgene dus waaraan zoowel het een als het ander moest worden getoetst, werd, in strijd met de Fransche regeling, aan de kennisneming van het publiek onttrokken. Eerst de Wet op de Rechterlijke Inrichting voerde 1 October 1838 de openbaarheid der terechtzittingen ook in strafzaken weder in. Deze beperking der openbaarheid schijnt evenmin als de afschaffing der jury in 1813 afkeuring gevonden te hebben. Vreemd is het niet, wanneer men zich herinnert, dat de Staten-Generaal volgens de kort daarna vastgestelde Grondwet eveneens in het geheim vergaderen zouden, en dat, toen in 1815 de openbaarheid van de zittingen der Tweede Kamer werd voorgesteld, deze nieuwigheid het eenige bezwaar was, dat de Staten-Generaal tegen de Grondwet van 1815 inbrachten688). Publiciteit was in die dagen niet nationaal.
Bleven de wijzigingen, ingevoerd bij het besluit van 11 Dec. 1813, zich hiertoe bepalen? In geenen deele. Het Crimineel Wetboek van Lodewijk Napoleon werd opengeslagen en meer dan eene bepaling daaruit weder ingevoerd. DeCode pénalwas op sommige punten—hoe zal ik het uitdrukken?—minder ouderwetsch dan het Crimineel Wetboek. Beiden kenden de doodstraf. Dat nu de Fransche guillotine weder vervangen werd door de strop en het zwaard, deed minder af: het was eene kwestie van slagerstechniek. Waarom echter niet de strop alleen? Zij werd voor sommige gevallen te schandelijk gehouden; in die gevallen trad—volgens oud gebruik—hetonthalzen daarvoor in de plaats (art. 5)689); iets, wat echter bij gebrek aan voor die verrichting bevoegde personen, nimmer schijnt te zijn toegepast690). Behalve de doodstraf kende deCode pénalslechts nog ééne lijfstraf: die van het brandmerk. Art. 7 van het Besluit voerde tevens weder in de straf van geeseling; en dit niet alleen voor mannen, maar ook voor vrouwen691).
Ik weet niet of het verhaal waar is, dat, toen men te Leeuwarden voor het eerst weder een misdadiger geeselde, het volk „Oranje boven!” riep; dit is echter zeker, dat de meest ervaren mannen in het vak der strafvervolging in latere jaren met angst en beving de gevolgen van de afschaffing dier straf, wat, evenals met het brandmerk, bij de wet van 29 Juni 1854 plaats vond, te gemoet zagen. Alleen voor de geeseling hadden, meenden zij, de boosdoeners een heilzamen schrik. Onschuldiger was zeker de nu ook weder ingevoerde straf van hetzwaaien van het zwaard over het hoofd. Was voor den een weggelegd de straf van geeseling met den strop om den hals aan de galg vastgemaakt, benevens die van brandmerk, op een ander kon de rechter ter zake van hetzelfde misdrijf toepassen „de comedievertooning met zwaard, blinddoek en zand”.
De straf van dwangarbeid in de bagno's, hetzij altijddurend, hetzij voor een bepaalden tijd, maakte weder plaats voor confinement in een rasp- of tucht- of werkhuis voor niet meer dan 20 of 15 jaren. Ook het Crimineel Wetboek kende geene langere gevangenis dan van 20 jaren. Was dus op dit punt het besluit van den Souvereinen Vorst humaner dan deCode pénal,van nog grooter gewicht in dit opzicht was de bevoegdheid den rechter gegeven, om ook bij misdaden de straf beneden het vastgestelde minimum van 5 jaren, op grond van het bestaan van verzachtende omstandigheden, te bepalen. In zoover een terugkeer tot de beginselen van het Crimineel Wetboek, hetwelk alleen een maximum—geen minimum—van gevangenisstraf kende. Hoe men ook voor het overige over het besluit van 11 December 1813 moge denken, hetgeen er verkeerds in was, werd door deze bepaling van art. 12 voor een goed deel opgewogen. Daarbij moet dan nog gevoegd worden de afschaffing van de door denCode pénalweder ingevoerde algemeene verbeurdverklaring van goederen (art. 2).
Zoo had dan de herwinning onzer onafhankelijkheid niet de afschaffing van het Fransche rechtswezen ten gevolge, al bleef dit dan ook niet ongewijzigd bestaan. Niet dat men hierin een blijvenden toestand zag; de Souvereine Vorst noemde immers zelf de bepalingen van het besluit van 11 December „provisioneel”. Een nationale wetgeving zou spoedig de Fransche vervangen. Zoo zien wij dan ook in de Grondwet van 1814 eene nieuwe wetgeving beloofd (hoofdstuk III, van de Justitie, art. 100). De Grondwet gaf bovendien eenige aanwijzingen betrekkelijkde inrichting der Rechterlijke Macht. Niettegenstaande de man, die aan het hoofd der Justitie stond, en die als eerste president van het Hof in den Haag de Fransche organisatie in de praktijk had zien werken, verklaard had, dat de justitie nimmer beter was geadministreerd dan na de inlijving692), gebood toch de Grondwet de Fransche instellingen door Nederlandsche te doen vervangen; ja beloofde zij zelfs aan elke provincie een Hof van appèl, in afwijking van de niet ingevoerde wet van koning Lodewijk van 14 Juli 1809; deze had toch het getal Hoven tot slechts vijf bepaald. Het provincialisme liet hier zijnen invloed gelden.
Waar ik de vraag behandel, in hoever de herwinning onzer onafhankelijkheid ons tevens verloste van de Fransche beginselen van staatsbestuur, heb ik, wat de Justitie betreft, het meeste gezegd. Hoewel de Souvereine Vorst reeds den 18den April 1814 eene Commissie benoemde tot het ontwerpen eener nationale Wetgeving, met Kemper aan het hoofd, zoo bleef eerst door de vereeniging met België, later door het verschil van gevoelen tusschen Noord en Zuid over dit onderwerp, deze zaak op de lange baan, om eerst na de scheiding met 1 October 1838 den eindpaal te bereiken, met uitzondering nog van het eerst in 1881 vastgestelde, in 1886 ingevoerde Wetboek van Strafrecht.
Bijzondere vermelding verdienen echter twee besluiten van den Souvereinen Vorst, het eene van 26 Maart 1814 (Staatsbladno. 46), het andere van 22 October 1814 (Staatsbladno. 103), die beide met dit onderwerp in verband staan. Het eerste, dat tot herstel der voormalige heerlijke rechten, is reeds vroeger door mij besproken693). Het herstelde onder anderen de heerlijke rechten van de jacht en visscherij. Deze inbreuk op de vrijheid vanden grond, eene van de weldaden der revolutie, werd vooral wat het jachtrecht betreft nader uitgewerkt door de in overleg met de Staten-Generaalvastgestelde wet van 11 Juli 1814(Staatsbladno. 79) op het stuk der jacht en visscherij. Een ieder, die zich het jachtgebied niet had voorbehouden en dit niet had laten registreeren, moest gedoogen, dat op zijn grond de jacht door derden werd uitgeoefend, ook dan wanneer een heerlijk jachtrecht op dien grond niet kleefde. Eerst na de herziening der Grondwet in 1848 werd bij de nieuwe jachtwet van 6 Maart 1852 niet alleen het reeds in art. 641 van het Burgerlijk Wetboek verscholen beginsel gehuldigd, dat het jachtrecht en ook het vischrecht niet mochten worden afgescheiden van den grond, maar werd tevens bepaald, dat niemand op eens anders grond zonder diens toestemming mocht jagen of visschen, terwijl de gelegenheid tot afkoop van de rechten door derden bezeten door de wet werd geopend.
Niet minder bedenkelijk was het tweede besluit. Daarbij verviel het Keizerlijk Decreet van 22 Januari 1813, waarbij de tiendplichtige de bevoegdheid erlangde de tienden aftekoopen. Het Wetboek Lodewijk Napoleon had dit niet toegestaan, het had alleen eenig uitzicht geopend op soortgelijke regeling (art. 528). In den „Conseil pour les affaires de Hollande” den22stenJuli 1810 door den Keizer ingesteld, om hem te dienen van advies over de maatregelen ten gevolge der inlijving te nemen, was door van Maanen uit naam der sectie van wetgeving de wensch uitgesproken, dat dergelijke bevoegdheid tot afkoop niet mocht worden toegestaan694). Dit rapport was echter niet zonder tegenspraak gebleven. Men wees op het belang van den landbouw en op de beginselen der Fransche wetgeving die het tegendeel vereischten695). Napoleon hakte bij zijn decreet van 22 Januari 1813 denknoop door en regelde de afkoopbaarheid der tienden. Dit besluit, zeide in lateren tijd een onzer rechtsgeleerden696), behoorde tot de belangrijkste en voortreffelijkste verordeningen onder Napoleons bestuur uitgevaardigd. Daar het eene regeling betrof betrekkelijk het burgerlijk recht, hetwelk volgens art. 100 der Grondwet bij de wet moest worden vastgesteld, zoude men verwacht hebben, dat in dit onderwerp alleen bij de wet verandering kon gebracht worden. De Souvereine Vorst echter, met de ruime opvatting zijner bevoegdheid, stelde het decreet zonder gemeen overleg met de Staten-Generaal buiten werking, terwijl hij voor de nadere regeling verwees naar het vast te stellen Burgerlijk Wetboek. Dit Wetboek heeft, zooals bekend is, dit onderwerp geen stap verder gebracht. Eerst bij de wet van 11 April 1872 (Staatsbladno. 25) gelukte het, doorhet recht van afkoop den tiendplichtige gegeven, den landbouw deze weldaad, elders reeds lang bewezen, deelachtig te doen worden.
Zal men hetzelfde ongunstig oordeel moeten uitspreken over de regeling van een onderwerp van eene geheel andere natuur, dan waarover in het laatst is gehandeld? Ik bedoel de wet van 1 Maart 1815 (Staatsbladno. 21)697), houdende voorschriften ter viering der dagen aan den openbaren Christelijken Godsdienst toegewijd. Eene wet, die moest strekken om „op het voetspoor onzer godsdienstige voorvaderen, de pligtmatige viering van den dag des Heeren en andere dagen, den openbaren Christelijken Godsdienst toegewijd, te verzekeren”. Uit dezen aanhef der wet blijkt reeds, dat men op het oog had de herstelling van een vroegeren toestand. De vrijheid der ingezetenen moest weder aan banden worden gelegd; de bedoeling was, hen dientengevolge tot kerkgang te nopen. Onder de Fransche heerschappij, wellicht reedssedert de staatsregeling van 1798, had op dit stuk—in tegenoverstelling van vroeger—volledige vrijheid geheerscht. Zoo iets was niet in den geest van de in 1814 hier en elders bovendrijvende denkbeelden. Mocht men al niet terugkeeren tot eene staatskerk, mocht ook al in hoofdzaak aan allekerkgenootschappengelijke bescherming blijven verleend, het scheen toch tot de roeping van den Staat te behooren, op de belijders der onderscheidene Christelijke Genootschappen een zachten dwang uit te oefenen in 't belang van het vieren van den openbaren eeredienst. Had men vroeger in vele opzichten Frankrijk als voorbeeld gevolgd, men deed het ook thans weder; echter nu in tegenovergestelde richting. Reeds bijordonnance de policevan 7 Juni 1814698)werden in Frankrijk bepalingen gemaakt, ten einde de viering van den Zondag enz. te bevorderen. Eveneens had dit de Souvereine Vorst voor België gedaan. Den 1sten October 1814 had hij zoodanig besluit genomen—zooals de aanhef luidde—„tot herstel van de zedelijkheid en de openbare orde”. Zoo kon men verwachten, dat ook hier te lande iets dergelijks zoude plaatsvinden. Er bestond daarvoor nog deze bijzondere reden, dat na de verdrijving der Franschen reeds in onderscheidene provinciën en steden dergelijke verordeningen waren vastgesteld, zoodat het wenschelijk was, deze door ééne algemeene regeling te vervangen. Zoo kwam dan ook zonder tegenstand de wet van 1 Maart 1815 tot stand. In die wet zal niemand het wraken, dat alle hinderlijke geruchten in de nabijheid der kerken op die dagen worden verboden (art. 5). Velen zijn er, die evenmin bezwaar hebben tegen de bepalingen, waarbij de vrijheid van arbeid op die dagen wordt aan banden gelegd (art. 1, 2), uitgaande van het denkbeeld, dat één dag rust op de zeven door het belang der maatschappij, vooral door dat der arbeidende klasse, wordt gevorderd; en dat zonder den steunder wet die arbeidende klasse geene kracht genoeg in zich zelve bezit, om zich die rust te verzekeren. Maar aan die consideratie dacht, geloof ik, in die dagen niemand. Had men daaraan wel gedacht, men had, tegelijk met den arbeid, de vrijheid om zich te ontspannen niet belemmerd. Men had geen oog voor hetgeen de Sismondi korten tijd daarna (1818) schreef: „Ce repos a été prescrit à l'homme pour qu'il connût le délassement et la joie, pour que la douce gaîté, pour que la danse, le chant, tous les plaisirs honnêtes dont l'homme sent le besoin, fussent aussi de temps en temps à portée de l'esclave et de l'ouvrier”699).
Had men daarvoor eenig oog gehad, men had niet bepaald, dat de openbare vermakelijkheden op die dagen in den regel niet zouden worden gedoogd (art. 4); men had evenmin verboden het kolven, balslaan, enz., gedurende den tijd voor de openbare godsdienstoefening bestemd (art. 3). Was voor het eerste nog aan het plaatselijk bestuur toegestaan, bij uitzondering daarvan dispensatie te verleenen, het tweede was een onverbiddelijke regel. De bedoeling was duidelijk: èn door belemmering van den arbeid, èn door het niet toelaten van eenige openbare uitspanning, zoude men de ingezetenen nopen ter kerke te gaan. Het valt mij bezwaarlijk op deze wet als op een gelukkig voortbrengsel van wetgeving te wijzen; alleen moet men erkennen, dat niettegenstaande al de vellen druks, die in betrekking tot deze wet later zijn volgeschreven, niettegenstaande de maatschappij zelve aan die wet geheel en al is ontgroeid, dat niettegenstaande dit alles de Nederlandsche wetgever tot dusver onmachtig is gebleven haar òf af schaffen, òf door eene betere wet te vervangen. Moge het oogenblik daarvoor niet te laat zijn!
Zal ik nu de pen nederleggen en den lezer wellichtonder een ongunstigen indruk van hetgeen toen ter tijd geschied is, laten gaan? Of zijn er andere onderwerpen, tot dusver niet besproken, op welker regeling in die dagen men met welgevallen kan wijzen?
Er is zeker geen onderwerp dat na de Justitie meer verdient de aandacht te trekken, dan dat van hetOnderwijs—het lager zoowel als het hooger. De wet van 3 April 1806 op het Lager Schoolwezen was in hoofdzaak onder het Fransche bestuur blijven werken. De Souvereine Vorst had dan ook niet anders te doen, dan dat hij bij besluit van 20 Maart 1814 (Staatsbladno. 39) die wet verklaarde bij voortduring te zullen zijn de grondslag der Nederlandsche schoolinrichtingen, met invoering daarvan in die gedeelten van den Staat, welke na 1806 zich daarvan afgescheurd hadden bevonden. Op dit stuk alzoo—zoo verwaarloosd onder de Republiek—bleef men de vruchten van de omwenteling plukken. Zooals de minister Röell het in zijn verslag van 7 November 1814 uitdrukte: „men wilde de nagedachtenis der voorvaderen niet beleedigen, maar terwijl men op hunne wijsheid staarde, mocht men voor alle nieuw licht het oog niet sluiten, maar moest men daar waar verbetering te vinden was, verbetering zoeken”700). Het openbaar onderwijs bleef alzoo een onderwerp van overheidszorg, bleef onttrokken aan den invloed der kerk. Het is de vraag of de Souvereine Vorst in de behartiging dezer zaak nog niet een stap verder zoude hebben willen gaan. In datzelfde verslag werd er op gewezen, hoe de Souvereine Vorst, als regent van Corvey en Fulda, aldaar den leerplicht, en naar het schijnt ook kosteloos onderwijs, had ingevoerd. Noch van het een, noch van het ander is intusschen hier te lande iets gekomen. Evenmin echter—wat ons in den tijd dien wij beleven, vreemd in de ooren klinkt—is de vrijheid van onderwijs gehuldigd.Niemand schijnt haar in die dagen te hebben verlangd701).
Met niet minder welgevallen rust de blik op de regeling van het andere gedeelte van dit onderwerp: het Hooger Onderwijs. Te dezen opzichte ging de regeling met grootere bezwaren gepaard. Had de Revolutie ten opzichte van het Lager Onderwijs ons de wet van 1806 geschonken, ten opzichte van het Hooger had zij de oude organisatie laten bestaan. Er waren in wezen gebleven de vijf provinciale Hoogescholen: Leiden, Utrecht, Groningen, Franeker en Harderwijk. De Fransche inlijving maakte van Leiden en Groningen faculteitsscholen, van Utrecht eeneécole secondaire, alle ondergeschikt aan het alles centraliseerende lichaam van Onderwijs:l' Université. Franeker en Harderwijk werden opgeheven. Deze Fransche inrichting kon niet blijven. Evenmin was het met het beginsel van staatseenheid te rijmen, de vroegere provinciale inrichtingen weder in 't leven te roepen. Zoo zien wij dan ook den Souvereinen Vorst reeds bij besluit van 18 Januari 1814 eene Commissie benoemen, met last om eene organisatie van het Hooger Onderwijs te ontwerpen. Naar aanleiding van haar rapport werd door den Souvereinen Vorst den 2den Augustus 1815 de nieuwe organisatie van het Hooger Onderwijs vastgesteld, inhoudende zoowel eene regeling der Latijnsche scholen als van het Hooger Onderwijs in engeren zin.
De Commissie had volgens hare opdracht moeten letten zoowel op onzen landaard en de gehechtheid aan voorouderlijke instellingen, als op de maatregelen van den nieuweren tijd. Aan het eerste was het voorzeker toe te schrijven, dat zij de drie Hoogescholen, Leiden, Utrecht en Groningen, in wezen liet, en ook Franeker en Harderwijk als Athenaea met een meer bescheidenwerkkring deed voortleven. Wat was echter het nieuwe, dat meer in 't bijzonder de aandacht trekt? Eene schaduwzijde van de vroegere inrichtingen was voorzeker geweest de band, die ze vastklonk aan de denkbeelden van Calvijn. De rechtzinnigheid drukte als eene nachtmerrie op den beoefenaar der wetenschap. Niet alleen dat hierdoor uitstekende mannen van den leerstoel geweerd werden; het was bovendien een blok aan het been voor hen, met wie dit niet het geval was. Zij moesten zich in allerlei bochten wringen, om de ketterjacht van predikanten en kerkeraden te ontkomen. Dat zij, die daarvoor te zelfstandig waren, dit met het verlies van hun ambt moesten boeten, bewijst nog de afzetting van den Groningschen hoogleeraar in de rechten, Frederik Adolf van der Marck, in 1773. Deze slavernij der wetenschap was met de beginselen der revolutie, met de scheiding van Kerk en Staat in strijd. De vrijheid der professoren was alzoo aan de nieuwe beginselen te danken702), en nu mogen wij er dankbaar voor zijn, dat ook de nieuwe regeling volgens het besluit van 2 Augustus 1815 in waarheid gaf eene vrije Universiteit. „Het was”, zegt een bevoegd beoordeelaar, „op liberale grondslagen gebouwd”703). Noch de professoren, noch de studenten werden ten opzichte van de resultaten hunnerstudiën aan banden gelegd. Het zou ons te ver leiden, wanneer wij dit geheele besluit uit het oogpunt van de vrijheiddocendiendiscendigingen beschouwen en waardeeren. Ik heb echter gemeend, niet met stilzwijgen te mogen voorbijgaan, dat wat de revolutie ons gebracht had, in dat besluit is overgegaan. Deze regeling is sedert vervangen door de wet van 28 April 1876 (Staatsbladno. 102). Moge het oordeel van den nakomeling over de wet even gunstig luiden, als aan het besluit van 1815 nog na verloop van eene halve eeuw is ten deel gevallen704).
Het was mij aangenaam op deze lichtpunten in de wetgeving van 1814 en 1815 te kunnen wijzen. Met het onderwijs staat echter nog in nauw verband de drukpers. Feitelijk had zij onder de oude Republiek eene grootere mate van vrijheid genoten, dan elders op het vasteland haar was geschonken, maar dit was meer een gevolg van de verbrokkeling der Souvereiniteit en van de toegevendheid der regenten, dan van de wetgeving; de censuur immers bestond ook hier te lande. Door de Staatsregeling van 1798 (Inl. art. 16) en die van 1801 (art. 3) werd zij veroordeeld.Dit bleef echter meerop het papier uitgesproken, dan dat het in de werkelijkheid veel gaf. Met de inlijving daarenboven werd de toestand nog veel erger dan hij ooit te voren geweest was. Van een vrije drukpers was schijn noch schaduw overgebleven. Wat zou de onafhankelijkheid ons brengen? Reeds bij besluit van 24 Januari 1814 (Staatsbladno. 17) werden de Fransche wetten en besluiten betrekkelijk de boekdrukkerij en den boekhandel, daaronder de nieuwspapieren begrepen, afgeschaft, en zoo verdween hierdoor de censuur voor goed van onzen bodem.
Men moge er over glimlachen, wanneer in het besluit gezegd wordt, dat de bestaande regeling ten eenenmale strijdig was met de liberale denkwijze, die het gouvernement dezer landen steeds had gekenmerkt. Men moge er op wijzen, dat het stellen van het repressieve toezicht in de plaats van de censuur geen Nederlandsch denkbeeld was, maar dat het te danken was aan de beginselen, in de 18de eeuw verkondigd. Dit alles neemt echter niet weg, dat men dankbaar moet zijn aan de ontwerpers van dit besluit, die in de censuur zagen een beletsel voor den voortgang der verlichting, en in hare afschaffing een uitvloeisel van de liberale denkwijze.
Het trekt de aandacht hoe in die dagen, niettegenstaande de in vele opzichten bestaande voorliefde voor het oude, toch het woordliberaalals 't ware vanzelf op de lippen kwam, wanneer men op iets goeds, iets aanbevelenswaardigs, iets onbekrompens wilde wijzen.
Liberaalis de maatregel, waarbij het tabaksmonopolie wordt afgeschaft.Liberaalis de afschaffing der censuur. Wanneer de Souvereine Vorst over de Schets van Hogendorp een gunstig oordeel uitspreekt, noemt hij haar een uitvloeisel van 's mansliberaledenkwijze. Zoo meent ook Falck èn Hogendorp èn den Souvereinen Vorst niet beter tekunnenprijzen, dan door te wijzen op hunliberalisme. „Hogendorp is deliberaliteitzelve”, schrijft hij 6 December 1813 aan D. J. van Lennep. En van den Souvereinen Vorst zegt hij eenige dagen later: „Al watgoedenliberaalis, neemt hij gereedelijk over, en meestal is hij de eerste om dit te bedenken”705).
Liberaal.Beteekende het alleen alles wat lofwaardig was; of had het voor de mannen van dat tijdvak ook nog een meer bepaalden zin? Ik meen van ja en dit wel om de volgende reden. Er waren er ook in die dagen,die er geen eerenaam maar het tegenovergestelde in zagen. Voor Raepsaet, den Belgischen katholiek, gehecht aan het oude régime, zijn de liberalende vijanden van troon en altaar706). Daaronder rangschikte hij onder anderen een man als Falck707). Het zijn dan de voorstanders der nieuwe begrippen, die daaronder vallen. En nog meer treft men, meen ik, den spijker op den kop, wanneer men onder de tegenstanders der liberalen hen rangschikt, die meenen, dat evenals naar hunne zienswijze de Vorst zijn recht ontleent aan eene bovenmenschelijke Macht, hij ook geroepen is, Gods wetten te doen eerbiedigen: de leer, die in dien tijd doorBonaldende Maistrein Frankrijk, door Bilderdijk ten onzent, later door Stahl in Duitschland verkondigd werd. Van hier, dat ook in onze dagen voor hunnen leerling Groen van Prinsterer het liberalisme de worm was, die ook na de herstelling onzer onafhankelijkheid aan ons volksbestaan bleef knagen. Ook het tijdvak 1813–1830 was voor hem het tijdvak van het liberalisme708). Waardeert hij het in denSouvereinen Vorst, dat de wet tot heiliging van den Zondag in 't belang van Godsvrucht en zedelijkheid wordt ingevoerd709), over 't algemeen wijst hij er op, hoe de regeering zich ongeroepen gevoelt tot de handhaving van de Wetten Gods710). De Wetten Gods, die voorBonalden de zijnen beteekenen, de leeringen der Roomsch-katholieke geestelijkheid; hier te lande daarentegen vervat zijn in het stelsel van Calvijn.
De tegenstelling tusschen het Goddelijke recht aan de eene en het menschelijk recht aan de andere zijde, kenmerkt mijns inziens hen, die in het liberalisme hunnen vijand zagen en nog zien.
Blijkt het dus, dat ook in die dagen het woordliberaalals een eerenaam beschouwd werd711), dan is dit weder een bewijs te meer, dat ook hier te lande met de Revolutie niet werd gebroken; integendeel, dat men, bewust of onbewust, in de hoofdzaak voortbouwde op de grondslagen, gelegd in de achttiende eeuw.
Het valt niet gemakkelijk, enz. (hiervóór, bl. 334).—Afgeschaft zijn de belastingen die impopulair waren: de Fransche douanerechten, benevens het tabaksmonopolie en de overige vereenigde rechten. Van alle zijden gaan onmiddellijk na den opstand de stemmen daartoe op, en bij de instelling van het departement van financiën (29 Nov.) wordt aan Canneman de onverwijlde voordracht van maatregelen tot hun intrekking en de wederinvoering van het oude tarief opgedragen712). Het was om deze wederinvoering met den Amsterdamschen handel te bespreken dat Canneman reeds den eigen avond zijn bezoek daar op den 30sten laat aankondigen713). De grondbelastingdaarentegen bleef op den Franschen voet in stand, daar deze de grondeigenaars minder drukte dan die van Gogel, welke onder koning Lodewijk niet dan onder hevig verzet vooral uit de landprovinciën was ingevoerd714). Turf, zeep, gemaal en dergelijke kwamen gemakkelijk terug omdat men er vanouds aan gewend was; zij waren door de Franschen afgeschaft niet omdat zij in Holland moeilijk werden gedragen, maar omdat zij inhunstelsel onbekend waren.Wet van 14 Mei 1814(hiervóór, bl. 337).—Vgl.hiervóór, bl. 319.—Over de behandeling in de Staten-Generaal schrijft Gijsbert Karel: „Over de wet van 14 Mei werd nogal uitvoerig geadviseerd. Er waren meen ik 17 stemmen op de 50 tegen. Daaronder de meeste Hollanders, alzoo in Holland de meeste renteniers zijn, en deze de bijlage moesten doen. Ik had dien dag Raad van State en was blij met fatsoen te kunnen wegblijven. In het publiek was de vleug ook niet voor dezen maatregel, en de fondsen daalden gedurig. Naderhand hebben de financiers zich voor den maatregel verklaard, en bekend dat zij de zaak kwalijk ingezien hadden. Toen zijn ook de fondsen merkelijk gerezen. Bij deze deliberatiën stond de heer van Stralen aan het hoofd der oppositie”715).Ook Falck schrijft later, dat hij, hoewel voorstander van „betering van het lot der renteheffers,” van het „eeuwigdurend bezwaar op de schatkist,” uit de wet van Six voortvloeiende, zeer geschrokken was. Hij troost zich met „het getal millioenen dat het arrosement van 1814 in den loop van weinige maanden in de circulatie en eindelijk in de schatkist bracht”716).O. W. Hora Siccama teekent een 9 Nov. 1834 met oom Falck gehouden gesprek aldus op:„Ik vroeg Oom of er werkelijk noodzaak bestaan had in 1814 om de geheele oude en getiërceerde schuld te erkennen, en in hoeverre het voorgeven gegrond was, dat toch de eigenlijk bij de tiërceering verloren hebbenden, geene vergoeding daarvoor gekregen hadden?Het antwoord was: „Het is gemakkelijk na zooveel jaren te zeggen: je hebt verkeerd gedaan, maar op 't oogenblik zelf te decideeren, dat 's anders.” Dat men vooral noodig had, bij de herstelling der zaken, het crediet weder te winnen; dat de kapitalisten zeer ten achteren waren; dat hoewel vele familiën, den slag der tiërceering vreezende, een gedeelte hunner bezittingen ook in vreemde effectenbelegd hadden, velen echter uit gehechtheid aan het bestaande, uit te groot vertrouwen enz. het meerendeel hunner fortuinen in Hollandsche fondsen hadden; dat vooral de openbare instellingen, weeshuizen, armengestichten enz. alle717)Hollandsche effecten bezeten hadden; dat ieder die effecten na de tiërceering wel had moeten houden, omdat ze bijna geen waarde meer hadden. De verlegenheid om geld had dus de verpligting opgelegd om de getiërceerde schuld te erkennen, waardoor die effecten dadelijk weder in waarde rezen en het lot der houders op staanden voet verbeterde. Wel had men vooruitgezien dat men zich in geen 80 jaren van deze ontzaglijke schuld zou kunnen ontheffen, maar de volgende geslachten mogten wel iets tot de wederverkregen onafhankelijkheid bijdragen. De vooruitzigten op de toekomst mogten hoop inboezemen. De wet van 1814 heeft dan ook behalve de dadelijke hulp dit voordeel aangebracht, dat men bij de vereeniging met België dit niet dadelijk heeft behoeven aantespreken, en [er] twee volle jaren geene verhooging van belasting op te leggen, hetgeen toen van veel belang was om in dit opzigt niet van den beginne af ontevredenheid op te wekken. Ook moet men in 't oog houden welk eene zware kosten er noodig waren tot in stand brengen van leger en vloot, en voorziening in zoo menigerlei behoefte op zulk een tijdstip718).”Vooral in die dagen was het met een zwarte kool geteekend(hiervóór, bl. 341).—In het liberale Groningen van 1884 ook nog, naar men uit Tellegen's toon kan opmaken.Algemeene volkswapening(hiervóór, bl. 341).—Tellegen begaat hier de fout, het voor te stellen alsof deze min of meer voor het legerin de plaatskwam, en wel als „toevlucht” omdat het met het leger niets werd. Dit nu is geheel onjuist. Beide denkbeelden: leger en militie, hebben reeds vóór de regeeringsaanvaarding van den S. V. bestaan, maar natuurlijk is het militieplan eerst veel later tot uitvoering gekomen, daar de invoering eener militie een uitgebreid stel van administratieve maatregelen vereischt, die uit den aard der zaak eerst mogelijk werden toen de nieuwe bestuursorganisatie zich voldoende over het geheele land had kunnen vertakken. Tot het bijeenbrengen van een vrijwilligersleger daarentegen is niets dan werving noodig; daarmede kon men onmiddellijk beginnen;—met de militie niet.De werving begint 20 Nov. in den Haag719); overal waar het gezagvan het A. B. wordt erkend ziet men er onmiddellijk mede aanvangen. 25 Nov. publiceert het A. B.: „Wij doen van nu af gereed maken de organisatie van een leger van25.000man; dezer dagen zullen wij alomme de wervingen openen720)”. Dagelijks gaan deze maatregelen voort; nog 5 Dec., den dag vóór zijn aftreden, gelast het A. B. Bentinck van Buckhorst, om vóór zijn overkomst naar den Haag in de provinciën aan gene zijde van den IJsel een corps infanterie op te richten en werfofficiers aan te stellen721). Het zijn deze maatregelen van het A. B. die de S. V. 6 Dec. bevestigt en uitbreidt, en het denkbeeld, op deze wijze een vrijwilligersleger van 25.000 man te verkrijgen, is door het reglement van 20 Dec. volstrekt niet op den achtergrond geschoven: bij besluit van 9 Jan. 1814 wordt voor dit leger eene organisatie bepaald, op de genoemde sterkte berekend722). Natuurlijk werd die sterkte niet aanstonds bereikt: de volkselementen die voor vrijwillige dienstneming bij een staand leger in aanmerking kwamen waren reeds voor het overgroote deel door Napoleons conscriptie (waarbij plaatsvervanging toegelaten was) opgezogen, en voor zoover zij niet in den oorlog omgekomen waren, kwamen er van deze lieden in Noordduitschland, Boheme en elders wel dag voor dag vrij, maar zij waren niet in een oogwenk weder in Holland terug. Desniettemin waren er van de bij de organisatie van 9 Jan. 1814 verlangde 22 bataljons infanterie van linie voor het einde van 1813 reeds 6 compleet en 4 in formatie; van de 4 regimenten cavalerie bestonden er reeds 2723). Eind Februari wezen de sterktelijsten aan 21.415 man in totaal724), waarvan 5.755 militie en 1.062 vreemdelingen (Nassauers), de rest Nederlandsche vrijwilligers, waarvan 11.884 geworven in Nederland zelf en 2.714 in Duitschland725). De in Nederland geworvenen waren echter over het algemeen van een slecht gehalte; ook was de troep ongeoefend, gebrekkig uitgerust, ellendig geëncadreerd; een werkelijk leger viel nu eenmaal in een van zijn beste krachten beroofd land niet uit den grond te stampen. Als de minister van oorlog, door de bondgenooten aangepord, eind Februari verzekert, op 1 April aan den oorlog te velde te zullen kunnen deelnemen met25.000 man726),komt deze verwachting bedrogen uit; als April in het land is zijn er nog maar 11 à 12.000 werkelijk gereed over de grenzen te trekken727), al hoopt men eerlang, naarmate de militie beschikbaar komt, dit getal te kunnen vergrooten.Dat men nu het Bestuur aanvankelijk uitsluitend met de vorming van een staand leger bezig ziet, beteekent niet dat men zich niet tevens een militie en landstorm als noodzakelijke aanvulling voorstelde. Zóóveel hadden de tijden ook aan Nederland goddank wel geleerd, dat men de landsverdediging niet op huurlingen alleen meer mocht laten aankomen. Reeds 20 Nov. brengt Canneman de zaak der volkswapening bij Gijsbert Karel ter sprake728); en nauwelijks is 6 Dec. de Kabinetsraad gevormd, of Canneman wordt, bij afwezigheid van Bentinck, met het ontwerpen eener wettelijke regeling belast, die evenwel, toen zij gereed was, te draconisch voorkwam, en moest worden „verzacht”729). Eerst het opstellen van dit stuk (een militie- en landstormregeling in 63 artikelen), vervolgens het onderzoek door Vorst en militairen, zal eenigen tijd gevorderd hebben, maar althans 17 Dec. heeft het reglement van 20 Dec. in alle hoofdtrekken reeds vastgestaan730). Van de geheele voorstelling, als zou dat reglement het gevolg zijn van teleurstelling over de resultaten der oproeping van den 6den, blijft dus niets over. Die resultaten kunnen eerst bekend zijn geweest op een oogenblik waarop de voorbereiding der andere zaak reeds in vollen gang was.Dat, in navolging der Fransche conscriptie, bij de militie de plaatsvervanging was toegelaten, wreekte zich natuurlijk onmiddellijk op den toeloop voor het staande leger. De kolonel S. J. graaf van Limburg Stirum, met de werving te Arnhem belast, schrijft 19 Jan. 1814 aan Oorlog: „Sedert de loting een aanvang genomen heeft, staat de Werving niet alleen stil, maar de desertie neemt toe. De luiden worden verleid door groote premies om als remplaçanten zich te engageeren”731). Het begin der ondervinding, dat het militiebeginsel, eens aangenomen, geen staand leger nevens zich verdraagt!Zesde hoofdstuk der Grondwet(hiervóór, bl. 342). Toen Hogendorp in 1812 deSchetsopstelde, heeft hij aan eene militie stellig nog nietgedacht, doch nu deze was ingevoerd kwam het wenschelijk voor aan de zaak een „grondwettigen ondergrond” te geven, tot verzekering der nieuwe instelling zoowel als tot bescherming der ingezetenen. Als men dus de Grondwet door is en de president vraagt of iemand nog iets te proponeeren heeft, komt Repelaer met de opmerking, „dat de Staten-Generaal zich zullen verlegen vinden, indien omtrent de landmilitie en den landstorm niets in de Grondwet gevonden wordt”. De bedoeling dezer opmerking blijkt uit den inhoud van het voorstel dat hij er op volgen laat, en dat den hoofdinhoud van het reglement van 20 Dec. (landmilitie uit vrijwilligers, bij ongenoegzaam aanbod loting uit de ongehuwden van 17–45 jaar, met plaatsvervanging) in de Grondwet brengt, doch tevens bepaalt dat de 20.000 man eenfixumzijn, „voor geene vermeerdering of vermindering vatbaar dan in gevalle van vermeerdering of vermindering van territoir.” De president wordt door Repelaer's opmerking niet verrast; immers hij zelf blijkt ook reeds een hoofdstuk over de defensie in petto te hebben. Dit verschilt van Repelaer's voorstel in hoofdzaak hierin, dat het eene herinnering aan het bekende artikel der Unie van Utrecht in den voorgevel heeft, en ook, wat Repelaer aan de wet overliet, den diensttijd der militie bepaalt (op vijf jaar, te verlengen bij de wet in geval van nood). Na een niet zeer diepgaande maar niet onwelwillende beraadslaging worden de voorstellen-Repelaer en Hogendorp in bewerking gegeven aan Repelaer en Röell. Wat zij er van gemaakt hebben is niet bewaard, doch op te maken uit de aanmerkingen van den Souvereinen Vorst732). Hun hoofdstuk moet hebben ingehouden:1o. Vaste zee- en landmacht, bestaande uit vrijwilligers, 't zij inboorlingen of vreemden, voor den dienst zoowel in als buiten Europa.2o. Landmilitie, bestemd uitsluitend ter verdediging van het grondgebied, bestaande 1o. uit vrijwilligers; 2o. uit lotelingen uit de ongehuwden van 17–45 jaar. Sterkte 20.000 man; dienstplicht 5 jaar. In vredestijd doet slechts een klein gedeelte dienst.3o. In de steden herstel der schutterijen; in oorlogstijd ook schutterijen op het platteland, die dan, met de stedelijke schutterijen vereenigd, een landstorm vormen.4o. Overige voorschriften betreffende deze materie te geven bij de wet.De Souvereine Vorst stelt hier tegen over:1o, 3o en 4o als boven.2o. Militie uit de mannen van 18–22 jaar; sterkte niet in de Grondwet. Dienst 5 jaar; jaarlijks valt ⅕ af, dat door nieuwe loting wordt aangevuld.De geheele militie komt jaarlijks éénmaal samenomgedurende een maand of daaromtrent geoefend te worden; en de S. V. heeft de bevoegdheid, zoo lang hij zulks noodig oordeelt ¼ van het geheel te doen samenblijven. Degeheelemilitie blijft niet samen dan op machtiging der Staten-Generaal. Geen vrijwilligers; en de plaatsvervanging niet in de Grondwet te noemen.De commissie van redactie (Aylva, Repelaer, Elout, Röell) die dit tegenvoorstel van den S. V. ontvangt, heeft tegen de beperking tot de mannen van 18–22 jaar en de jaarlijksche aanvulling en oefening groot bezwaar: „de populatie schijnt zulks weinig toe te laten, vooral bij herleving van zeevaart en koophandel, alsook bij het terugbekomen der koloniën”733). Haar president Aylva ontvangt dan, bij schrijven van 23 Februari, een uitvoerige uiteenzetting van 's Vorsten denkbeelden. „Om de verdediging van 't land op de medewerking der Landmilitie te gronden, moet dezelve bij het begin van oorlog in den kortst mogelijken tijd op de been en disponibel zijn. Wanneer alsdan eerst tot completeering derzelve vrijwilligers opgeroepen worden, eene loting voorgenomen en remplaçanten afgewacht, kan een gedeelte des grondgebieds de rampen des oorlogs ondervinden, voor wij in staat zijn de noodige middelen te verzamelen om hetzelve te beschermen. Ik ken daartoe geen ander middel, dan in tijd van vrede eene permanente militie te hebben, even sterk als in tijd van oorlog. Gedurende eenige weken in 't jaar blijft dezelve te zamen om geoefend te worden. Een vijfde der manschappen wordt jaarlijks ontslagen, en de noodige manschappen tot completeering uit de aankomende jeugd door loting genomen. Tot een diergelijke permanente mesure kan niet van de 17 tot 45 jaar geloot worden. Eenen militairen geest aan te kweeken, de grootste economie voor de financiën, en het verzekeren der middelen van verdediging, is al wat ik beooge. De situatie van Europa moeten wij daarbij in 't oog houden; bij het militair zijn van alle natiën is de rust der naburen in grooter gevaar, en vereischt middelen welke vroeger niet noodig waren”.Bij de mondelinge conferentie op 25 Februari, waarin de nog uitstaande punten moesten worden „geapplaneerd”, heeft de S. V., op de vrijwilligers na, er zijn denkbeelden door gekregen. Op de woorden „zooveel mogelijk uit vrijwilligers” na, zijn artt. 123 en 124 der Grondwet dus van hèm. De Vorst zal voorzien hebben, dat die „vrijwilligers” verkapte remplaçanten zouden zijn, zooals het volgende jaar ook uitgekomen is. „Gij weet”, schrijft 4 April 1815 Kemper aan Falck, „dat bij de wet op de landmilitie734)de vrijheid aan de stedelijke besturen wordt gelaten, om eene zekere som te besteden tot bekomenvan vrijwilligers en alzoo de loting overbodig te maken. Men heeft in het vorig jaar deze premiën gevonden door vrijwillige inschrijvingen735), en in kalme tijden is deze mesure zeker de beste om de gemoederen langzamerhand aan dezen hier te lande nieuwen maatregel te gewennen, maar in een oogenblik als dit, waarop menschen van alle standen verklaren zich vrijwillig aan te bieden,publica autoritateinschrijvingsbiljetten te laten rondbrengen, niet tot stijving van 's lands kas, niet tot verdediging onzer grenzen, niet tot voorziening in het lot der vrouwen en kinderen van hen die uittrekken, maar tot kooping van remplaçanten voor eenloopende jonge menschen, die door de wet tot de wapenen geroepen worden, is toch waarlijk wat heel gek. Het geheele doel eener nationale militie gaat er door verloren, en alle wervingen voor de staande armee worden er òf krachteloos òf ten minste veel kostbaarder door gemaakt”736).Wetboek van Koophandel(hiervóór, bl. 350).—Het ontwerp-van Gennep c.s. onderscheidde zich van den FranschenCode de Commercevan 1807 op het belangrijk punt der (in den Franschen Code verboden, in den Hollandschen, in navolging der stedelijke ordonnantiën van Amsterdam, toegelaten) verzekering op ingebeelde winst. Het ontwerp is, met inbegrip van dit punt, grootendeels herleefd in het nog geldende Wetboek van Koophandel van 1838.Meer voorliefde(hiervóór, bl. 350).—Deze meerdere voorliefde voor het Crimineel Wetboek was zeer natuurlijk, als men de voorgeschiedenis der wetgeving van Lodewijk Napoleon nagaat. Het Crimineel Wetboek was in veel grootere mate dan het Wetboek Lodewijk Napoleon een Nederlandsch product.De Staatsregeling van 1798 had, in haar 28ste artikel, een nationaal wetboek verlangd „zoowel van burgerlijke, als van lijfstraffelijke wetten, tegelijk met de wijze van rechtsvordering”, en de invoering daarvan voorgeschreven uiterlijk binnen twee jaren. Ter uitvoering van dit voorschrift had het Vertegenwoordigend Lichaam bij besluit van 5 Sept. 1798 het Uitvoerend Bewind gelast, eene commissie van twaalf rechtsgeleerden te benoemen om dit algemeen wetboek te ontwerpen. Deze commissie (Bondt, Walraven, Farjon, Cras, Elout, Donker Curtius e.a.) kwam het eerst met de manier van procedeeren gereed, die daarop bij decreet 22 Augustus 1799 is vastgesteld, dochwaarvan de invoering wachten moest op de nieuwe organisatie der rechterlijke macht, die nimmer heeft plaats gehad. Met het algemeen burgerlijk en lijfstraffelijk wetboek was men na jaren nog niet verder gevorderd, dan dat daarvan 25 April 1801 een „plan van verdeeling” aan het Bewind kon worden opgegeven, krachtens hetwelk het wetboek zou worden geopend met „eene inleiding nopens het recht in het algemeen”, en vervolgens in vier deelen zou zijn gesplitst, „in welker eerste van het recht der personen, in het tweede van het recht omtrent zaken, in het derde van de rechtsmacht en rechtspleging, en in het vierde van misdaden en straffen zou gehandeld worden”. Spoedig daarna werd de staatsregeling van 1798 door die van 1801 vervangen, welke het Staatsbewind belastte met de zorg, een algemeen civiel en crimineel wetboek, nadat op de daarvan gemaakte ontwerpen der consideratiën van het Hoog Nationaal Gerechtshof zouden zijn ingenomen, ten spoedigste aan het Wetgevend Lichaam ter bekrachtiging aan te bieden. Nadat opnieuw eenige jaren waren voorbijgegaan zonder dat de nog altijd bestaande en zich in leerstellige kwestiën verdiepende commissie-Cras met haar werk gereed kwam, gaf het Staatsbewind haar bij besluit van 26 April 1803 den wensch te kennen allereerst een ontwerp van crimineel wetboek te mogen ontvangen. De commissie, thans inziende „dat het verband tusschen alle de deelen van het geheel wetboek eenigszints wierd verstoord,” was bedacht „op welke wijze zij dit gebrek zou verhelpen.” Zij bood, 3 Oct. 1804, niet slechts het verlangde lijfstraffelijk wetboek aan, maar ook die gedeelten van het gedroomde algemeen wetboek, „die tot het straffend recht eene onmiddellijke betrekking hadden,” zijnde de inleiding, „van het recht in het algemeen,” en uit de derde hoofdafdeeling een ontwerp van „wetten omtrent het bewijs.” Dit alles werd, overeenkomstig het voorschrift der Staatsregeling, in handen van het Hoog Nationaal Gerechtshof (president: Reuvens) gesteld, dat met zijn onderzoek nog niet gereed was toen Schimmelpenninck het Staatsbewind, en evenmin, toen Lodewijk Schimmelpenninck verving. Eerst 24 Oct. 1806 werd zijn advies bij den koning ingezonden; het was in alle hoofdzaken van Reuvens afkomstig.Het advies keurt af, dat de commissie „aan afgetrokken denkbeelden of regelen uiterlijke kracht van wet wil geven, zoolang niet tegelijk de toepassing daarvan op het vastgesteld recht in alle gevolgen kan doorzien en overwogen worden...... Het is ons voorgekomen, dat aan de commissie opgedragen geweest zijnde het ontwerpen van eenwetboek, hetzelve niet meer noch minder had behooren te bevatten dan stellige wetten, en geenszins eene opgave en ontwikkeling van wijsgeerige of rechtsgeleerde grondbeginselen, bepalingen en verdeelingen,over welke in de scholen der geleerden wordt gehandeld. Wij meenen dat dit alles in een wetboek behoort vermijd te worden, zoo omdat zulks veelal de vatbaarheid van het grootste aantal menschen te boven gaat, als omdat hetzelve bezwaarlijk zoo kan worden uitgedrukt, dat het in alle gevallen tot richtsnoer kan verstrekken, en niet integendeel lichtelijk aanleiding geven tot overtredingen of spitsvondige twisten. Over het geheel komt het ons ongeraden voor het oordeel van den rechter aan afgetrokken voorschriften (in plaats van aan concrete bepalingen) te binden.”Deze voor den geheelen opzet van het werk van 1798 vernietigende kritiek maakte in den Staatsraad grooten indruk. Den 14den en 19den Februari 1807 werd zij daar, onder voorzitterschap des konings, besproken.Donker Curtius, in de vergadering aanwezig, gaf eene verklaring hoe de commissie, onder leiding van Cras, tot haar doctrinaire omdolingen was gekomen: zij had zich oorspronkelijk niet voorgesteld een crimineel wetboek te zullen schrijven, „maar eenRechtsboek, geschreven voornamelijk voor den rechter, en in het algemeen voor alle denkende koppen; voor wijsgeeren en voor rechtskundigen, en niet zoozeer voor den gemeenen man; waarom dan ook de commissie had begrepen, dat daarin behoorde eensystema juris, en wijsgeerige regels en principes.”De Staatsraad was van een ander gevoelen, stelde aanstonds de geheele inleiding, „van het recht in het algemeen,” ter zijde, en begon het ontwerp-lijfstraffelijk wetboek van alle leerstellige artikelen te zuiveren. Het gevolg was de benoeming, bij koninklijk besluit van 18 Nov. 1807, eener kleine commissie (Reuvens, Elout, van Musschenbroek), om met inachtneming der critiek van den Staatsraad een nieuw ontwerp van lijfstraffelijk wetboek in te dienen. Reeds 25 Jan. 1808 kon deze commissie de hoofdtrekken van haar ontwerp den koning ter goedkeuring aanbieden, welke goedkeuring onthouden werd aan één der onderdeelen: de bekrachtiging die het ontwerp gaf aan het oud-vaderlandsche stelsel vantransactie, „van afkoop en verdrag, niet wegens misdaden en overtredingen waarover reeds eene rechterlijke veroordeeling zoude gegaan zijn, maar wegens beschuldigingen welker uitslag nog onzeker kon geacht worden.” De commissie wilde aan dit stelsel, waaraan de officieren van justitie hier te lande buitengemeen gehecht waren doch dat aanleiding had gegeven tot diep ingevreten misbruiken, vasthouden; „de ondervinding leert,” zeide zij, „dat langs dien weg vele overtredingen geboet worden, waarover de beschuldigde, hoezeer waarlijk schuldig, bij gebrek aan bewijs wellicht niet zoude kunnen worden veroordeeld, behalve dat in sommige zaken de oplegging van straffen bij rechterlijk vonnis, hoe zachtdezelve ook zouden mogen zijn, inconvenienten na zich sleept, welke ten nutte der maatschappij beter vermijd worden.” De Staatsraad, aan welken dit punt vervolgens in het bijzonder werd onderworpen, was van een gelijk gevoelen, maar de koning, die het beginsel van rechtsgelijkheid boven alles stelde en van de schromelijke misbruiken, welke de transactie veelal hadden vergezeld, volkomen was ingelicht, gaf aan de commissie kortweg te kennen, „dat geenerhande afkoop ter zake van misdaden zal kunnen plaats hebben” (5 Febr. 1808). Den 29sten Maart 1808 werd nu het definitief ontwerp der drie heeren aan den koning ingediend, die aan het onderzoek daarvan door den Staatsraad persoonlijk deelnam737)en de deliberatiën, over het ontwerp gevoerd, in openbaren druk liet uitgaan. De koning verdedigde daarbij zeer energiek en levendig de beginselen van rechtsgelijkheid, in die mate dat hij zich (zonder gevolg) tegen het opnemen der geldboete in de straffenreeks verzette, uit vrees dat daaruit aanleiding zou worden genomen tot gunstbetoon aan door de fortuin bevoorrechten. Hij bereikte, dat de vrijheid om geldboeten op te leggen beperkt bleef tot gevallen uitdrukkelijk in de wet genoemd.Zeer was de koning gekant tegen het behoud der doodstraf, doch zonder de staatsraden tot zijn humanitaire gevoelens te kunnen bekeeren. Hij verkreeg echter de schrapping van het afzichtelijk afschrikkingsmiddel, de tentoonstelling der lijken op het galgenveld; ook eene verlaging van het strafmaximum voor kinderen.Het Crimineel Wetboek, 30 Nov. 1808 bij het Wetgevend Lichaam ingediend, werd 1 Febr. 1809 ingevoerd. Het onderscheidde zich van den FranschenCode Pénaldoor eenvoud in het stelsel der vrijheidsstraffen (enkel opsluiting, geen deportatie of dwangarbeid), en ruime bevoegdheid van den rechter in de bepaling der strafmaat738). Het sloot zich aan bij Nederlandsche traditiën, doch corrigeerde deze in belangrijke mate.Ook de redactie van een Burgerlijk Wetboek werd aan een kleine commissie opgedragen (van Gennep, van Wesele Scholten en Loke), doch deze kreeg in opdracht zich tot eene omwerking van den code Napoleon te bepalen, daar de Keizer zich reeds zeer ongeduldig had betoond dat men dezen niet eenvoudig voor Holland overnam. Het „Wetboek Napoleon, ingerigt voor het koninkrijk Holland” (9 Dec. 1808 ingediend bij het Wetgevend Lichaam, 1 Mei 1809 ingevoerd), vertoont dan ook slechts geringe afwijkingen van het Fransche origineel.Jachtwet van 11 Juli 1814(hiervóór, bl. 356).—Br. en Ged.V, 111: „Er was bij gelegenheid van deze wet zeer veel te doen, zooals altijd op dit stuk, omdat de liefhebbers zig driftig maken. Deze reis was er levendigheid onder de Staten-Generaal, en elk had in den mond, dat de wet zou verworpen worden. Het rapport van de commissie was tegen. Ik merkte aan den Prins in den Kabinetsraad, dat het hem verdroot. Ik nam daarop voor de wet te verdedigen, en deed dit met zulk een onverwagten uitslag, dat zij met de meerderheid van ééne stem doorging”.Afkoopbaarstelling van tienden(hiervóór, bl. 357).—Tot mijn leedwezen heb ikhiervóór, bl. 151, het keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 over het hoofd gezien. De woorden: „Tot zoodanige afkoopbaarstelling is het evenwel onder het Fransche bestuur niet meer gekomen,” moeten worden geschrapt, en vervangen door deze andere:„Deze afkoopbaarstelling is inderdaad ingevoerd bij keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 (Fortuyn III, 539), doch door den Souvereinen Vorst weder te niet gedaan bij besluit van 22 Oct. 1814 (Staatsbladno. 103).”Onderwijs(hiervóór, bl. 360).—Over dit onderwerp was onder Lodewijk vrij wat te doen geweest. Wat het lager onderwijs betreft viel slechts op de wet van Schimmelpenninck voort te bouwen, maar het hooger onderwijs, misschien het meest de veel te talrijke, latijnsche scholen, eischte dringend herziening. De koning is aanvankelijk niet vreemd geweest aan het denkbeeld de Leidsche hoogeschool (aan welke hij het praedicaat van Koninklijke verleende) tot de centrale hoogeronderwijsinstelling van het land te maken, maar liet dit plan spoedig varen toen zich daartegen, uit Utrecht en Franeker vooral, een krachtig verzet openbaarde. Bij besluit van 15 Aug. 1809 werd aan eene commissie van vier leden (van Swinden, Bennet, Valckenaer, van Beeck Calkoen) de indiening van een algemeen reorganisatieplan van het onderwijs in al zijn geledingen opgedragen. Haar rapport (22 April 1809) is vooral merkwaardig wegens de daarin ontworpen schakel tusschen lager en hooger onderwijs. De Commissie denkt zich tusschen die beide een „tweede of middelbaar onderwijs,” dat niet enkel de voorbereiding tot het hooger onderwijs (en dus delatijnsche scholen) omvat, maar ook bestemd moet zijn „tot vorming en opvoeding van den meer beschaafden mensch.” Ten tijde dat de latijnsche scholen voor het eerst werden opgericht, zegt de commissie, „waren de menschen, om zoo te spreken, verdeeld in twee zeer onderscheiden klassen, in die der geleerden en der ongeleerden. Deze laatsten bemoeiden zich niet om kundigheden te verkrijgen die eenigeoefening vereischten; de handwerken, fabrieken, kunsten en vele andere beroepen bestonden slechts in het blind volgen van een oud gebruik. Thans echter heeft men er zich toe gezet over alle voorwerpen onzer kundigheden in hedendaagsche talen te schrijven; de natuurkundige wetenschappen zijn beoefend geworden; oude gewoonten hebben plaats gemaakt voor beredeneerde handelwijze en inrichtingen. Alles rondom ons is veranderd, behalve het onderwijs op de latijnsche scholen, 't welk hetzelfde gebleven is, geschikt voor één enkele klasse van menschen. Maar het is thans niet langer te doen om alleen grieksch en latijn te verstaan, het komt er op aan op de hoogte zijner eeuw te zijn, en die kundigheden te bezitten, welke den mensch geschikt maken voor allerlei slag van zaken.”Het rapport ging naar den Staatsraad, die 14 Dec. 1809 gunstig verslag uitbracht; tot wetgeving is het tijdens 's konings regeering niet meer gekomen.Het rapport der beide commissarissen, na de inlijving naar Holland gezonden om de aansluiting bij de Fransche Universiteit voor te bereiden,CuvierenNoël, luidt voor de latijnsche scholen ook zeer ongunstig, en concludeert tot hunne vervanging door middelbare scholen van het Fransche model739), die ook bij decreet van 22 Oct. 1811 werden voorgeschreven maar bij den opstand nog nergens waren tot stand gekomen.De commissie van 18 Jan. 1814 heeft zoowel het rapport-van Swinden als dat vanCuvierenNoëlgebruikt. Haar voorstellen tot reorganisatie der latijnsche scholen zijn aan het lid D. J. van Lennep te danken740).Over de practijk van dit gedeelte van het reglement van 2 Aug. 1815 deelt Falck, die als minister van onderwijs jaren lang daarmede te maken had, het volgende mede:„De verbetering der Latijnsche scholen ging zeer langzaam. Hoewel er allengskens meerdere ruimte kwam voor de keuze van meesters, men bleef echter verlegen met de verwijdering der in functie zijnde welke van den ouden slenter òf niet wilden òf niet meer konden afgaan. Al was dus op een paar klassen het onderwijs doelmatig ingerigt en vrugtbaar, wat op dezelven aangeleerd en gewonnen was bleef op de volgende meestal zonder ontwikkeling. Ministerieele aanschrijvingen, op de rapporten en voordragten van den inspecteur gegrond, vermogten weinig ten goede, want evenals de bezorgingder benoodigde gelden was ook het eigentlijke beheer, het dagelijksche toezicht een plaatselijke aangelegenheid, en zelden mogt het ons gebeuren Curatoren te ontmoeten die met echte en duurzame belangstelling werkzaam verkozen te zijn in den geest van het reglement. Ik weet, dat door gedurig aanhouden en vermanen de resultaten in de laatste jaren741)gunstiger zijn geworden dan in mijnen tijd, maar komt het eens tot de wettelijke bepaling van een algemeen stelsel van onderwijs, dan zal al hetgene tot het Lagere en Hoogere behoort minder moeilijk vallen dan de regeling van dit tusschenvak”742).Voor de hoogescholen trachtte de commissie, die in hoofdzaak uit professoren bestond, zooveel zelfstandigheid te verwerven als bij de nieuwe verhouding tot het centrale gezag maar eenigszins oirbaar was:„De waarheid is (schrijft Falck) dat schier een ieder toen leefde onder den invloed van eenen geest van reactie die men, daar hij personen spaarde, des te vrijer met zaken en instellingen begaan liet. Napoleon's regeering had den stand der onderwijzers verwaarloosd. Natuurlijk dus dat men na haren val niet te veel meende te kunnen doen om denzelven te verheffen en als het ware schadeloos te stellen. De vreemdelingen hadden de hand geligt met de van ouds bestaande wetten en inrichtingen; wat wonder dat men van hen ontslagen zijnde, schier onwillekeurig en juist omdat die wetten en inrigtingen oud waren, tot dezelve terug kwam?Ut vitent homines vitia in contraria currunt.A. G. Camper ijverde niet minder om Franeker wederom met eene hoogeschool te begiftigen dan Hofstede aangedrongen had om Drenthe als een afzonderlijke provincie behandeld te zien. Ten laatste liet hij zich met een Rijks-Athenaeum tevreden stellen. Billijkheidshalve had men begrepen voor Harderwijk niet minder te mogen doen dan voor Franeker, maar daar bleef alles zoo achterlijk dat ik mij al in de eerste maanden na de aanvaarding van het ministerie onbezwaard vond om de afschaffing van het Geldersche Athenaeum aan te raden, en deze vond dan ook plaatsnemine contradicente. Zelfs verzuimde ik, zooals ik nu onlangs gewaar worden ben, om den Koning het advies te doen vragen van den Raad van State. Welk een leven zoude er daarentegen geweest zijn, en wat al bedenkingen bij Z. M., indien mijn voorstel de vrije Friezen betroffen had!......Weinigen van onze professoren verwaarloozen hunnen plicht geheel en al, maar weinigen ook kwijten zich van denzelven in zijn geheelenomvang. De meesten leven en leeren naar hunnen zin, bekorten hunne lessen en den geheelen cursus zooals het hun goeddunkt, en besteden de altijd eenige dagen vervroegde en verlengde vacantiën tot alles behalve het voortbrengen van zulke geschriften en het doen van zulke nasporingen als waardoor hunne Duitsche ambtgenooten zoo gestadig aan grondige wetenschap bevorderlijk zijn, en zoo vaak zich zelven een Europeeschen naam verwerven. Ten deele is zulks toe te schrijven—en hier meen ik dat het Reglement meest voor berisping vatbaar is—aan de onafhankelijkheid waarmede het hoogleeraarsambt is begiftigd geworden. De professor, eens benoemd, is zeker van zijn niet onaanzienlijke jaarwedde; zeker van collegie- en promotiegelden die in meer dan ééne faculteit tot eenalterum tantumder jaarwedde oploopen; zeker eindelijk van na dertigjarigen dienst eene verhooging van een vierde te bekomen, van welk voorregt in geene andere loopbaan eenig voorbeeld bestaat. Het genot van zoodanige voordeelen had ten minste behooren te worden in verband gebracht met de redenen van tevredenheid die de bevoordeelden door aanhoudende vlijt en werkzaamheid aan Curatoren geven zouden. Edoch deze Curatoren zelve! Hebben zij zich genoegzaam toegelegd op het gadeslaan van den gang der studiën, bestendig op de oordeelkundige naleving van het Reglement gewaakt, hun gezag tegen nalatige of eigenzinnige hoogleeraren naar behooren doen gelden? Ik vrees van neen; ik vrees meer: ik vrees dat deze collegiën niet zijn wat zij zijn moesten: een doelmatig intermediair tusschen de regeering en de hoogescholen. Dezelve werden oudtijds samengesteld uit leden van den Provincialen Souverein. Zij beschikten over de inkomsten. Bij hun was de bevoegdheid tot beroepen, tot bevorderen. In eene monarchie, wanneer de universiteiten staatsinstellingen zijn in welker geldelijke behoeften uit de schatkist moet worden voorzien, is dit alles geheel anders. Het wezen der zaak moest worden opgegeven; waarom dan de benaming behouden? Om den onwillekeurigen indruk der zucht voor het oude, die ik zeide dat in de eerste jaren van 's lands herstelling allerwege heerschende was......”743).Dit bleef echter meer, enz. (hiervóór, bl. 363).—Hier meen ik dat Tellegenzichvergist.Censuur,d.w.z.preventief toezicht, is bij mijn weten tusschen 1795 en de inlijving hier te lande niet uitgeoefend. Wel af en toe sterke repressie, tot verbod van bepaalde bladen toe744); maar dit is iets anders dan censuur.Liberaal(hiervóór, bl. 365).—In Frankrijk en België, waar een hevige katholieke reactie aan den gang is, wordt er bovenal mede bedoeld anti-clericaal; in dit Belgische spraakgebruik wordt eerlang ook Koning Willem I bij de liberalen ingelijfd op een tijd dat Falck hem reeds minder „liberaal” begint te vinden. Bij Falck is het een vage term voor „ruimdenkend”; zelfs de bisschop van Namen heet bij hem in 1814, in tegenstelling tot de Broglie, „braaf en liberaal”745); (in het volgende jaar teekende hij hetJugement doctrinal). Het woord beteekent bij Falck dunkt mij zooveel als „niet blind voor de voordeelen van het nieuwe; niet doodblijvend op de oude letter.” Men was dus bij ons in 1813–'14 liberaal, door zoo weinig mogelijk af te knibbelen van de nalatenschap van Bonaparte. Later gaan andere begrippen, van politieken en economischen aard, den leeg geworden term vullen, maar in 1813–'14 heeft die nòch met de quaestie van volksrechten tegen oppermacht, nòch met die van particulier initiatief tegenover staatsvoogdij, iets in het minst te maken.
Het valt niet gemakkelijk, enz. (hiervóór, bl. 334).—Afgeschaft zijn de belastingen die impopulair waren: de Fransche douanerechten, benevens het tabaksmonopolie en de overige vereenigde rechten. Van alle zijden gaan onmiddellijk na den opstand de stemmen daartoe op, en bij de instelling van het departement van financiën (29 Nov.) wordt aan Canneman de onverwijlde voordracht van maatregelen tot hun intrekking en de wederinvoering van het oude tarief opgedragen712). Het was om deze wederinvoering met den Amsterdamschen handel te bespreken dat Canneman reeds den eigen avond zijn bezoek daar op den 30sten laat aankondigen713). De grondbelastingdaarentegen bleef op den Franschen voet in stand, daar deze de grondeigenaars minder drukte dan die van Gogel, welke onder koning Lodewijk niet dan onder hevig verzet vooral uit de landprovinciën was ingevoerd714). Turf, zeep, gemaal en dergelijke kwamen gemakkelijk terug omdat men er vanouds aan gewend was; zij waren door de Franschen afgeschaft niet omdat zij in Holland moeilijk werden gedragen, maar omdat zij inhunstelsel onbekend waren.
Wet van 14 Mei 1814(hiervóór, bl. 337).—Vgl.hiervóór, bl. 319.—Over de behandeling in de Staten-Generaal schrijft Gijsbert Karel: „Over de wet van 14 Mei werd nogal uitvoerig geadviseerd. Er waren meen ik 17 stemmen op de 50 tegen. Daaronder de meeste Hollanders, alzoo in Holland de meeste renteniers zijn, en deze de bijlage moesten doen. Ik had dien dag Raad van State en was blij met fatsoen te kunnen wegblijven. In het publiek was de vleug ook niet voor dezen maatregel, en de fondsen daalden gedurig. Naderhand hebben de financiers zich voor den maatregel verklaard, en bekend dat zij de zaak kwalijk ingezien hadden. Toen zijn ook de fondsen merkelijk gerezen. Bij deze deliberatiën stond de heer van Stralen aan het hoofd der oppositie”715).
Ook Falck schrijft later, dat hij, hoewel voorstander van „betering van het lot der renteheffers,” van het „eeuwigdurend bezwaar op de schatkist,” uit de wet van Six voortvloeiende, zeer geschrokken was. Hij troost zich met „het getal millioenen dat het arrosement van 1814 in den loop van weinige maanden in de circulatie en eindelijk in de schatkist bracht”716).
O. W. Hora Siccama teekent een 9 Nov. 1834 met oom Falck gehouden gesprek aldus op:
„Ik vroeg Oom of er werkelijk noodzaak bestaan had in 1814 om de geheele oude en getiërceerde schuld te erkennen, en in hoeverre het voorgeven gegrond was, dat toch de eigenlijk bij de tiërceering verloren hebbenden, geene vergoeding daarvoor gekregen hadden?
Het antwoord was: „Het is gemakkelijk na zooveel jaren te zeggen: je hebt verkeerd gedaan, maar op 't oogenblik zelf te decideeren, dat 's anders.” Dat men vooral noodig had, bij de herstelling der zaken, het crediet weder te winnen; dat de kapitalisten zeer ten achteren waren; dat hoewel vele familiën, den slag der tiërceering vreezende, een gedeelte hunner bezittingen ook in vreemde effectenbelegd hadden, velen echter uit gehechtheid aan het bestaande, uit te groot vertrouwen enz. het meerendeel hunner fortuinen in Hollandsche fondsen hadden; dat vooral de openbare instellingen, weeshuizen, armengestichten enz. alle717)Hollandsche effecten bezeten hadden; dat ieder die effecten na de tiërceering wel had moeten houden, omdat ze bijna geen waarde meer hadden. De verlegenheid om geld had dus de verpligting opgelegd om de getiërceerde schuld te erkennen, waardoor die effecten dadelijk weder in waarde rezen en het lot der houders op staanden voet verbeterde. Wel had men vooruitgezien dat men zich in geen 80 jaren van deze ontzaglijke schuld zou kunnen ontheffen, maar de volgende geslachten mogten wel iets tot de wederverkregen onafhankelijkheid bijdragen. De vooruitzigten op de toekomst mogten hoop inboezemen. De wet van 1814 heeft dan ook behalve de dadelijke hulp dit voordeel aangebracht, dat men bij de vereeniging met België dit niet dadelijk heeft behoeven aantespreken, en [er] twee volle jaren geene verhooging van belasting op te leggen, hetgeen toen van veel belang was om in dit opzigt niet van den beginne af ontevredenheid op te wekken. Ook moet men in 't oog houden welk eene zware kosten er noodig waren tot in stand brengen van leger en vloot, en voorziening in zoo menigerlei behoefte op zulk een tijdstip718).”
Vooral in die dagen was het met een zwarte kool geteekend(hiervóór, bl. 341).—In het liberale Groningen van 1884 ook nog, naar men uit Tellegen's toon kan opmaken.
Algemeene volkswapening(hiervóór, bl. 341).—Tellegen begaat hier de fout, het voor te stellen alsof deze min of meer voor het legerin de plaatskwam, en wel als „toevlucht” omdat het met het leger niets werd. Dit nu is geheel onjuist. Beide denkbeelden: leger en militie, hebben reeds vóór de regeeringsaanvaarding van den S. V. bestaan, maar natuurlijk is het militieplan eerst veel later tot uitvoering gekomen, daar de invoering eener militie een uitgebreid stel van administratieve maatregelen vereischt, die uit den aard der zaak eerst mogelijk werden toen de nieuwe bestuursorganisatie zich voldoende over het geheele land had kunnen vertakken. Tot het bijeenbrengen van een vrijwilligersleger daarentegen is niets dan werving noodig; daarmede kon men onmiddellijk beginnen;—met de militie niet.
De werving begint 20 Nov. in den Haag719); overal waar het gezagvan het A. B. wordt erkend ziet men er onmiddellijk mede aanvangen. 25 Nov. publiceert het A. B.: „Wij doen van nu af gereed maken de organisatie van een leger van25.000man; dezer dagen zullen wij alomme de wervingen openen720)”. Dagelijks gaan deze maatregelen voort; nog 5 Dec., den dag vóór zijn aftreden, gelast het A. B. Bentinck van Buckhorst, om vóór zijn overkomst naar den Haag in de provinciën aan gene zijde van den IJsel een corps infanterie op te richten en werfofficiers aan te stellen721). Het zijn deze maatregelen van het A. B. die de S. V. 6 Dec. bevestigt en uitbreidt, en het denkbeeld, op deze wijze een vrijwilligersleger van 25.000 man te verkrijgen, is door het reglement van 20 Dec. volstrekt niet op den achtergrond geschoven: bij besluit van 9 Jan. 1814 wordt voor dit leger eene organisatie bepaald, op de genoemde sterkte berekend722). Natuurlijk werd die sterkte niet aanstonds bereikt: de volkselementen die voor vrijwillige dienstneming bij een staand leger in aanmerking kwamen waren reeds voor het overgroote deel door Napoleons conscriptie (waarbij plaatsvervanging toegelaten was) opgezogen, en voor zoover zij niet in den oorlog omgekomen waren, kwamen er van deze lieden in Noordduitschland, Boheme en elders wel dag voor dag vrij, maar zij waren niet in een oogwenk weder in Holland terug. Desniettemin waren er van de bij de organisatie van 9 Jan. 1814 verlangde 22 bataljons infanterie van linie voor het einde van 1813 reeds 6 compleet en 4 in formatie; van de 4 regimenten cavalerie bestonden er reeds 2723). Eind Februari wezen de sterktelijsten aan 21.415 man in totaal724), waarvan 5.755 militie en 1.062 vreemdelingen (Nassauers), de rest Nederlandsche vrijwilligers, waarvan 11.884 geworven in Nederland zelf en 2.714 in Duitschland725). De in Nederland geworvenen waren echter over het algemeen van een slecht gehalte; ook was de troep ongeoefend, gebrekkig uitgerust, ellendig geëncadreerd; een werkelijk leger viel nu eenmaal in een van zijn beste krachten beroofd land niet uit den grond te stampen. Als de minister van oorlog, door de bondgenooten aangepord, eind Februari verzekert, op 1 April aan den oorlog te velde te zullen kunnen deelnemen met25.000 man726),komt deze verwachting bedrogen uit; als April in het land is zijn er nog maar 11 à 12.000 werkelijk gereed over de grenzen te trekken727), al hoopt men eerlang, naarmate de militie beschikbaar komt, dit getal te kunnen vergrooten.
Dat men nu het Bestuur aanvankelijk uitsluitend met de vorming van een staand leger bezig ziet, beteekent niet dat men zich niet tevens een militie en landstorm als noodzakelijke aanvulling voorstelde. Zóóveel hadden de tijden ook aan Nederland goddank wel geleerd, dat men de landsverdediging niet op huurlingen alleen meer mocht laten aankomen. Reeds 20 Nov. brengt Canneman de zaak der volkswapening bij Gijsbert Karel ter sprake728); en nauwelijks is 6 Dec. de Kabinetsraad gevormd, of Canneman wordt, bij afwezigheid van Bentinck, met het ontwerpen eener wettelijke regeling belast, die evenwel, toen zij gereed was, te draconisch voorkwam, en moest worden „verzacht”729). Eerst het opstellen van dit stuk (een militie- en landstormregeling in 63 artikelen), vervolgens het onderzoek door Vorst en militairen, zal eenigen tijd gevorderd hebben, maar althans 17 Dec. heeft het reglement van 20 Dec. in alle hoofdtrekken reeds vastgestaan730). Van de geheele voorstelling, als zou dat reglement het gevolg zijn van teleurstelling over de resultaten der oproeping van den 6den, blijft dus niets over. Die resultaten kunnen eerst bekend zijn geweest op een oogenblik waarop de voorbereiding der andere zaak reeds in vollen gang was.
Dat, in navolging der Fransche conscriptie, bij de militie de plaatsvervanging was toegelaten, wreekte zich natuurlijk onmiddellijk op den toeloop voor het staande leger. De kolonel S. J. graaf van Limburg Stirum, met de werving te Arnhem belast, schrijft 19 Jan. 1814 aan Oorlog: „Sedert de loting een aanvang genomen heeft, staat de Werving niet alleen stil, maar de desertie neemt toe. De luiden worden verleid door groote premies om als remplaçanten zich te engageeren”731). Het begin der ondervinding, dat het militiebeginsel, eens aangenomen, geen staand leger nevens zich verdraagt!
Zesde hoofdstuk der Grondwet(hiervóór, bl. 342). Toen Hogendorp in 1812 deSchetsopstelde, heeft hij aan eene militie stellig nog nietgedacht, doch nu deze was ingevoerd kwam het wenschelijk voor aan de zaak een „grondwettigen ondergrond” te geven, tot verzekering der nieuwe instelling zoowel als tot bescherming der ingezetenen. Als men dus de Grondwet door is en de president vraagt of iemand nog iets te proponeeren heeft, komt Repelaer met de opmerking, „dat de Staten-Generaal zich zullen verlegen vinden, indien omtrent de landmilitie en den landstorm niets in de Grondwet gevonden wordt”. De bedoeling dezer opmerking blijkt uit den inhoud van het voorstel dat hij er op volgen laat, en dat den hoofdinhoud van het reglement van 20 Dec. (landmilitie uit vrijwilligers, bij ongenoegzaam aanbod loting uit de ongehuwden van 17–45 jaar, met plaatsvervanging) in de Grondwet brengt, doch tevens bepaalt dat de 20.000 man eenfixumzijn, „voor geene vermeerdering of vermindering vatbaar dan in gevalle van vermeerdering of vermindering van territoir.” De president wordt door Repelaer's opmerking niet verrast; immers hij zelf blijkt ook reeds een hoofdstuk over de defensie in petto te hebben. Dit verschilt van Repelaer's voorstel in hoofdzaak hierin, dat het eene herinnering aan het bekende artikel der Unie van Utrecht in den voorgevel heeft, en ook, wat Repelaer aan de wet overliet, den diensttijd der militie bepaalt (op vijf jaar, te verlengen bij de wet in geval van nood). Na een niet zeer diepgaande maar niet onwelwillende beraadslaging worden de voorstellen-Repelaer en Hogendorp in bewerking gegeven aan Repelaer en Röell. Wat zij er van gemaakt hebben is niet bewaard, doch op te maken uit de aanmerkingen van den Souvereinen Vorst732). Hun hoofdstuk moet hebben ingehouden:
1o. Vaste zee- en landmacht, bestaande uit vrijwilligers, 't zij inboorlingen of vreemden, voor den dienst zoowel in als buiten Europa.
2o. Landmilitie, bestemd uitsluitend ter verdediging van het grondgebied, bestaande 1o. uit vrijwilligers; 2o. uit lotelingen uit de ongehuwden van 17–45 jaar. Sterkte 20.000 man; dienstplicht 5 jaar. In vredestijd doet slechts een klein gedeelte dienst.
3o. In de steden herstel der schutterijen; in oorlogstijd ook schutterijen op het platteland, die dan, met de stedelijke schutterijen vereenigd, een landstorm vormen.
4o. Overige voorschriften betreffende deze materie te geven bij de wet.
De Souvereine Vorst stelt hier tegen over:
1o, 3o en 4o als boven.
2o. Militie uit de mannen van 18–22 jaar; sterkte niet in de Grondwet. Dienst 5 jaar; jaarlijks valt ⅕ af, dat door nieuwe loting wordt aangevuld.De geheele militie komt jaarlijks éénmaal samenomgedurende een maand of daaromtrent geoefend te worden; en de S. V. heeft de bevoegdheid, zoo lang hij zulks noodig oordeelt ¼ van het geheel te doen samenblijven. Degeheelemilitie blijft niet samen dan op machtiging der Staten-Generaal. Geen vrijwilligers; en de plaatsvervanging niet in de Grondwet te noemen.
De commissie van redactie (Aylva, Repelaer, Elout, Röell) die dit tegenvoorstel van den S. V. ontvangt, heeft tegen de beperking tot de mannen van 18–22 jaar en de jaarlijksche aanvulling en oefening groot bezwaar: „de populatie schijnt zulks weinig toe te laten, vooral bij herleving van zeevaart en koophandel, alsook bij het terugbekomen der koloniën”733). Haar president Aylva ontvangt dan, bij schrijven van 23 Februari, een uitvoerige uiteenzetting van 's Vorsten denkbeelden. „Om de verdediging van 't land op de medewerking der Landmilitie te gronden, moet dezelve bij het begin van oorlog in den kortst mogelijken tijd op de been en disponibel zijn. Wanneer alsdan eerst tot completeering derzelve vrijwilligers opgeroepen worden, eene loting voorgenomen en remplaçanten afgewacht, kan een gedeelte des grondgebieds de rampen des oorlogs ondervinden, voor wij in staat zijn de noodige middelen te verzamelen om hetzelve te beschermen. Ik ken daartoe geen ander middel, dan in tijd van vrede eene permanente militie te hebben, even sterk als in tijd van oorlog. Gedurende eenige weken in 't jaar blijft dezelve te zamen om geoefend te worden. Een vijfde der manschappen wordt jaarlijks ontslagen, en de noodige manschappen tot completeering uit de aankomende jeugd door loting genomen. Tot een diergelijke permanente mesure kan niet van de 17 tot 45 jaar geloot worden. Eenen militairen geest aan te kweeken, de grootste economie voor de financiën, en het verzekeren der middelen van verdediging, is al wat ik beooge. De situatie van Europa moeten wij daarbij in 't oog houden; bij het militair zijn van alle natiën is de rust der naburen in grooter gevaar, en vereischt middelen welke vroeger niet noodig waren”.
Bij de mondelinge conferentie op 25 Februari, waarin de nog uitstaande punten moesten worden „geapplaneerd”, heeft de S. V., op de vrijwilligers na, er zijn denkbeelden door gekregen. Op de woorden „zooveel mogelijk uit vrijwilligers” na, zijn artt. 123 en 124 der Grondwet dus van hèm. De Vorst zal voorzien hebben, dat die „vrijwilligers” verkapte remplaçanten zouden zijn, zooals het volgende jaar ook uitgekomen is. „Gij weet”, schrijft 4 April 1815 Kemper aan Falck, „dat bij de wet op de landmilitie734)de vrijheid aan de stedelijke besturen wordt gelaten, om eene zekere som te besteden tot bekomenvan vrijwilligers en alzoo de loting overbodig te maken. Men heeft in het vorig jaar deze premiën gevonden door vrijwillige inschrijvingen735), en in kalme tijden is deze mesure zeker de beste om de gemoederen langzamerhand aan dezen hier te lande nieuwen maatregel te gewennen, maar in een oogenblik als dit, waarop menschen van alle standen verklaren zich vrijwillig aan te bieden,publica autoritateinschrijvingsbiljetten te laten rondbrengen, niet tot stijving van 's lands kas, niet tot verdediging onzer grenzen, niet tot voorziening in het lot der vrouwen en kinderen van hen die uittrekken, maar tot kooping van remplaçanten voor eenloopende jonge menschen, die door de wet tot de wapenen geroepen worden, is toch waarlijk wat heel gek. Het geheele doel eener nationale militie gaat er door verloren, en alle wervingen voor de staande armee worden er òf krachteloos òf ten minste veel kostbaarder door gemaakt”736).
Wetboek van Koophandel(hiervóór, bl. 350).—Het ontwerp-van Gennep c.s. onderscheidde zich van den FranschenCode de Commercevan 1807 op het belangrijk punt der (in den Franschen Code verboden, in den Hollandschen, in navolging der stedelijke ordonnantiën van Amsterdam, toegelaten) verzekering op ingebeelde winst. Het ontwerp is, met inbegrip van dit punt, grootendeels herleefd in het nog geldende Wetboek van Koophandel van 1838.
Meer voorliefde(hiervóór, bl. 350).—Deze meerdere voorliefde voor het Crimineel Wetboek was zeer natuurlijk, als men de voorgeschiedenis der wetgeving van Lodewijk Napoleon nagaat. Het Crimineel Wetboek was in veel grootere mate dan het Wetboek Lodewijk Napoleon een Nederlandsch product.
De Staatsregeling van 1798 had, in haar 28ste artikel, een nationaal wetboek verlangd „zoowel van burgerlijke, als van lijfstraffelijke wetten, tegelijk met de wijze van rechtsvordering”, en de invoering daarvan voorgeschreven uiterlijk binnen twee jaren. Ter uitvoering van dit voorschrift had het Vertegenwoordigend Lichaam bij besluit van 5 Sept. 1798 het Uitvoerend Bewind gelast, eene commissie van twaalf rechtsgeleerden te benoemen om dit algemeen wetboek te ontwerpen. Deze commissie (Bondt, Walraven, Farjon, Cras, Elout, Donker Curtius e.a.) kwam het eerst met de manier van procedeeren gereed, die daarop bij decreet 22 Augustus 1799 is vastgesteld, dochwaarvan de invoering wachten moest op de nieuwe organisatie der rechterlijke macht, die nimmer heeft plaats gehad. Met het algemeen burgerlijk en lijfstraffelijk wetboek was men na jaren nog niet verder gevorderd, dan dat daarvan 25 April 1801 een „plan van verdeeling” aan het Bewind kon worden opgegeven, krachtens hetwelk het wetboek zou worden geopend met „eene inleiding nopens het recht in het algemeen”, en vervolgens in vier deelen zou zijn gesplitst, „in welker eerste van het recht der personen, in het tweede van het recht omtrent zaken, in het derde van de rechtsmacht en rechtspleging, en in het vierde van misdaden en straffen zou gehandeld worden”. Spoedig daarna werd de staatsregeling van 1798 door die van 1801 vervangen, welke het Staatsbewind belastte met de zorg, een algemeen civiel en crimineel wetboek, nadat op de daarvan gemaakte ontwerpen der consideratiën van het Hoog Nationaal Gerechtshof zouden zijn ingenomen, ten spoedigste aan het Wetgevend Lichaam ter bekrachtiging aan te bieden. Nadat opnieuw eenige jaren waren voorbijgegaan zonder dat de nog altijd bestaande en zich in leerstellige kwestiën verdiepende commissie-Cras met haar werk gereed kwam, gaf het Staatsbewind haar bij besluit van 26 April 1803 den wensch te kennen allereerst een ontwerp van crimineel wetboek te mogen ontvangen. De commissie, thans inziende „dat het verband tusschen alle de deelen van het geheel wetboek eenigszints wierd verstoord,” was bedacht „op welke wijze zij dit gebrek zou verhelpen.” Zij bood, 3 Oct. 1804, niet slechts het verlangde lijfstraffelijk wetboek aan, maar ook die gedeelten van het gedroomde algemeen wetboek, „die tot het straffend recht eene onmiddellijke betrekking hadden,” zijnde de inleiding, „van het recht in het algemeen,” en uit de derde hoofdafdeeling een ontwerp van „wetten omtrent het bewijs.” Dit alles werd, overeenkomstig het voorschrift der Staatsregeling, in handen van het Hoog Nationaal Gerechtshof (president: Reuvens) gesteld, dat met zijn onderzoek nog niet gereed was toen Schimmelpenninck het Staatsbewind, en evenmin, toen Lodewijk Schimmelpenninck verving. Eerst 24 Oct. 1806 werd zijn advies bij den koning ingezonden; het was in alle hoofdzaken van Reuvens afkomstig.
Het advies keurt af, dat de commissie „aan afgetrokken denkbeelden of regelen uiterlijke kracht van wet wil geven, zoolang niet tegelijk de toepassing daarvan op het vastgesteld recht in alle gevolgen kan doorzien en overwogen worden...... Het is ons voorgekomen, dat aan de commissie opgedragen geweest zijnde het ontwerpen van eenwetboek, hetzelve niet meer noch minder had behooren te bevatten dan stellige wetten, en geenszins eene opgave en ontwikkeling van wijsgeerige of rechtsgeleerde grondbeginselen, bepalingen en verdeelingen,over welke in de scholen der geleerden wordt gehandeld. Wij meenen dat dit alles in een wetboek behoort vermijd te worden, zoo omdat zulks veelal de vatbaarheid van het grootste aantal menschen te boven gaat, als omdat hetzelve bezwaarlijk zoo kan worden uitgedrukt, dat het in alle gevallen tot richtsnoer kan verstrekken, en niet integendeel lichtelijk aanleiding geven tot overtredingen of spitsvondige twisten. Over het geheel komt het ons ongeraden voor het oordeel van den rechter aan afgetrokken voorschriften (in plaats van aan concrete bepalingen) te binden.”
Deze voor den geheelen opzet van het werk van 1798 vernietigende kritiek maakte in den Staatsraad grooten indruk. Den 14den en 19den Februari 1807 werd zij daar, onder voorzitterschap des konings, besproken.
Donker Curtius, in de vergadering aanwezig, gaf eene verklaring hoe de commissie, onder leiding van Cras, tot haar doctrinaire omdolingen was gekomen: zij had zich oorspronkelijk niet voorgesteld een crimineel wetboek te zullen schrijven, „maar eenRechtsboek, geschreven voornamelijk voor den rechter, en in het algemeen voor alle denkende koppen; voor wijsgeeren en voor rechtskundigen, en niet zoozeer voor den gemeenen man; waarom dan ook de commissie had begrepen, dat daarin behoorde eensystema juris, en wijsgeerige regels en principes.”
De Staatsraad was van een ander gevoelen, stelde aanstonds de geheele inleiding, „van het recht in het algemeen,” ter zijde, en begon het ontwerp-lijfstraffelijk wetboek van alle leerstellige artikelen te zuiveren. Het gevolg was de benoeming, bij koninklijk besluit van 18 Nov. 1807, eener kleine commissie (Reuvens, Elout, van Musschenbroek), om met inachtneming der critiek van den Staatsraad een nieuw ontwerp van lijfstraffelijk wetboek in te dienen. Reeds 25 Jan. 1808 kon deze commissie de hoofdtrekken van haar ontwerp den koning ter goedkeuring aanbieden, welke goedkeuring onthouden werd aan één der onderdeelen: de bekrachtiging die het ontwerp gaf aan het oud-vaderlandsche stelsel vantransactie, „van afkoop en verdrag, niet wegens misdaden en overtredingen waarover reeds eene rechterlijke veroordeeling zoude gegaan zijn, maar wegens beschuldigingen welker uitslag nog onzeker kon geacht worden.” De commissie wilde aan dit stelsel, waaraan de officieren van justitie hier te lande buitengemeen gehecht waren doch dat aanleiding had gegeven tot diep ingevreten misbruiken, vasthouden; „de ondervinding leert,” zeide zij, „dat langs dien weg vele overtredingen geboet worden, waarover de beschuldigde, hoezeer waarlijk schuldig, bij gebrek aan bewijs wellicht niet zoude kunnen worden veroordeeld, behalve dat in sommige zaken de oplegging van straffen bij rechterlijk vonnis, hoe zachtdezelve ook zouden mogen zijn, inconvenienten na zich sleept, welke ten nutte der maatschappij beter vermijd worden.” De Staatsraad, aan welken dit punt vervolgens in het bijzonder werd onderworpen, was van een gelijk gevoelen, maar de koning, die het beginsel van rechtsgelijkheid boven alles stelde en van de schromelijke misbruiken, welke de transactie veelal hadden vergezeld, volkomen was ingelicht, gaf aan de commissie kortweg te kennen, „dat geenerhande afkoop ter zake van misdaden zal kunnen plaats hebben” (5 Febr. 1808). Den 29sten Maart 1808 werd nu het definitief ontwerp der drie heeren aan den koning ingediend, die aan het onderzoek daarvan door den Staatsraad persoonlijk deelnam737)en de deliberatiën, over het ontwerp gevoerd, in openbaren druk liet uitgaan. De koning verdedigde daarbij zeer energiek en levendig de beginselen van rechtsgelijkheid, in die mate dat hij zich (zonder gevolg) tegen het opnemen der geldboete in de straffenreeks verzette, uit vrees dat daaruit aanleiding zou worden genomen tot gunstbetoon aan door de fortuin bevoorrechten. Hij bereikte, dat de vrijheid om geldboeten op te leggen beperkt bleef tot gevallen uitdrukkelijk in de wet genoemd.
Zeer was de koning gekant tegen het behoud der doodstraf, doch zonder de staatsraden tot zijn humanitaire gevoelens te kunnen bekeeren. Hij verkreeg echter de schrapping van het afzichtelijk afschrikkingsmiddel, de tentoonstelling der lijken op het galgenveld; ook eene verlaging van het strafmaximum voor kinderen.
Het Crimineel Wetboek, 30 Nov. 1808 bij het Wetgevend Lichaam ingediend, werd 1 Febr. 1809 ingevoerd. Het onderscheidde zich van den FranschenCode Pénaldoor eenvoud in het stelsel der vrijheidsstraffen (enkel opsluiting, geen deportatie of dwangarbeid), en ruime bevoegdheid van den rechter in de bepaling der strafmaat738). Het sloot zich aan bij Nederlandsche traditiën, doch corrigeerde deze in belangrijke mate.
Ook de redactie van een Burgerlijk Wetboek werd aan een kleine commissie opgedragen (van Gennep, van Wesele Scholten en Loke), doch deze kreeg in opdracht zich tot eene omwerking van den code Napoleon te bepalen, daar de Keizer zich reeds zeer ongeduldig had betoond dat men dezen niet eenvoudig voor Holland overnam. Het „Wetboek Napoleon, ingerigt voor het koninkrijk Holland” (9 Dec. 1808 ingediend bij het Wetgevend Lichaam, 1 Mei 1809 ingevoerd), vertoont dan ook slechts geringe afwijkingen van het Fransche origineel.
Jachtwet van 11 Juli 1814(hiervóór, bl. 356).—Br. en Ged.V, 111: „Er was bij gelegenheid van deze wet zeer veel te doen, zooals altijd op dit stuk, omdat de liefhebbers zig driftig maken. Deze reis was er levendigheid onder de Staten-Generaal, en elk had in den mond, dat de wet zou verworpen worden. Het rapport van de commissie was tegen. Ik merkte aan den Prins in den Kabinetsraad, dat het hem verdroot. Ik nam daarop voor de wet te verdedigen, en deed dit met zulk een onverwagten uitslag, dat zij met de meerderheid van ééne stem doorging”.
Afkoopbaarstelling van tienden(hiervóór, bl. 357).—Tot mijn leedwezen heb ikhiervóór, bl. 151, het keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 over het hoofd gezien. De woorden: „Tot zoodanige afkoopbaarstelling is het evenwel onder het Fransche bestuur niet meer gekomen,” moeten worden geschrapt, en vervangen door deze andere:„Deze afkoopbaarstelling is inderdaad ingevoerd bij keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 (Fortuyn III, 539), doch door den Souvereinen Vorst weder te niet gedaan bij besluit van 22 Oct. 1814 (Staatsbladno. 103).”
Onderwijs(hiervóór, bl. 360).—Over dit onderwerp was onder Lodewijk vrij wat te doen geweest. Wat het lager onderwijs betreft viel slechts op de wet van Schimmelpenninck voort te bouwen, maar het hooger onderwijs, misschien het meest de veel te talrijke, latijnsche scholen, eischte dringend herziening. De koning is aanvankelijk niet vreemd geweest aan het denkbeeld de Leidsche hoogeschool (aan welke hij het praedicaat van Koninklijke verleende) tot de centrale hoogeronderwijsinstelling van het land te maken, maar liet dit plan spoedig varen toen zich daartegen, uit Utrecht en Franeker vooral, een krachtig verzet openbaarde. Bij besluit van 15 Aug. 1809 werd aan eene commissie van vier leden (van Swinden, Bennet, Valckenaer, van Beeck Calkoen) de indiening van een algemeen reorganisatieplan van het onderwijs in al zijn geledingen opgedragen. Haar rapport (22 April 1809) is vooral merkwaardig wegens de daarin ontworpen schakel tusschen lager en hooger onderwijs. De Commissie denkt zich tusschen die beide een „tweede of middelbaar onderwijs,” dat niet enkel de voorbereiding tot het hooger onderwijs (en dus delatijnsche scholen) omvat, maar ook bestemd moet zijn „tot vorming en opvoeding van den meer beschaafden mensch.” Ten tijde dat de latijnsche scholen voor het eerst werden opgericht, zegt de commissie, „waren de menschen, om zoo te spreken, verdeeld in twee zeer onderscheiden klassen, in die der geleerden en der ongeleerden. Deze laatsten bemoeiden zich niet om kundigheden te verkrijgen die eenigeoefening vereischten; de handwerken, fabrieken, kunsten en vele andere beroepen bestonden slechts in het blind volgen van een oud gebruik. Thans echter heeft men er zich toe gezet over alle voorwerpen onzer kundigheden in hedendaagsche talen te schrijven; de natuurkundige wetenschappen zijn beoefend geworden; oude gewoonten hebben plaats gemaakt voor beredeneerde handelwijze en inrichtingen. Alles rondom ons is veranderd, behalve het onderwijs op de latijnsche scholen, 't welk hetzelfde gebleven is, geschikt voor één enkele klasse van menschen. Maar het is thans niet langer te doen om alleen grieksch en latijn te verstaan, het komt er op aan op de hoogte zijner eeuw te zijn, en die kundigheden te bezitten, welke den mensch geschikt maken voor allerlei slag van zaken.”
Het rapport ging naar den Staatsraad, die 14 Dec. 1809 gunstig verslag uitbracht; tot wetgeving is het tijdens 's konings regeering niet meer gekomen.
Het rapport der beide commissarissen, na de inlijving naar Holland gezonden om de aansluiting bij de Fransche Universiteit voor te bereiden,CuvierenNoël, luidt voor de latijnsche scholen ook zeer ongunstig, en concludeert tot hunne vervanging door middelbare scholen van het Fransche model739), die ook bij decreet van 22 Oct. 1811 werden voorgeschreven maar bij den opstand nog nergens waren tot stand gekomen.
De commissie van 18 Jan. 1814 heeft zoowel het rapport-van Swinden als dat vanCuvierenNoëlgebruikt. Haar voorstellen tot reorganisatie der latijnsche scholen zijn aan het lid D. J. van Lennep te danken740).
Over de practijk van dit gedeelte van het reglement van 2 Aug. 1815 deelt Falck, die als minister van onderwijs jaren lang daarmede te maken had, het volgende mede:
„De verbetering der Latijnsche scholen ging zeer langzaam. Hoewel er allengskens meerdere ruimte kwam voor de keuze van meesters, men bleef echter verlegen met de verwijdering der in functie zijnde welke van den ouden slenter òf niet wilden òf niet meer konden afgaan. Al was dus op een paar klassen het onderwijs doelmatig ingerigt en vrugtbaar, wat op dezelven aangeleerd en gewonnen was bleef op de volgende meestal zonder ontwikkeling. Ministerieele aanschrijvingen, op de rapporten en voordragten van den inspecteur gegrond, vermogten weinig ten goede, want evenals de bezorgingder benoodigde gelden was ook het eigentlijke beheer, het dagelijksche toezicht een plaatselijke aangelegenheid, en zelden mogt het ons gebeuren Curatoren te ontmoeten die met echte en duurzame belangstelling werkzaam verkozen te zijn in den geest van het reglement. Ik weet, dat door gedurig aanhouden en vermanen de resultaten in de laatste jaren741)gunstiger zijn geworden dan in mijnen tijd, maar komt het eens tot de wettelijke bepaling van een algemeen stelsel van onderwijs, dan zal al hetgene tot het Lagere en Hoogere behoort minder moeilijk vallen dan de regeling van dit tusschenvak”742).
Voor de hoogescholen trachtte de commissie, die in hoofdzaak uit professoren bestond, zooveel zelfstandigheid te verwerven als bij de nieuwe verhouding tot het centrale gezag maar eenigszins oirbaar was:
„De waarheid is (schrijft Falck) dat schier een ieder toen leefde onder den invloed van eenen geest van reactie die men, daar hij personen spaarde, des te vrijer met zaken en instellingen begaan liet. Napoleon's regeering had den stand der onderwijzers verwaarloosd. Natuurlijk dus dat men na haren val niet te veel meende te kunnen doen om denzelven te verheffen en als het ware schadeloos te stellen. De vreemdelingen hadden de hand geligt met de van ouds bestaande wetten en inrichtingen; wat wonder dat men van hen ontslagen zijnde, schier onwillekeurig en juist omdat die wetten en inrigtingen oud waren, tot dezelve terug kwam?Ut vitent homines vitia in contraria currunt.A. G. Camper ijverde niet minder om Franeker wederom met eene hoogeschool te begiftigen dan Hofstede aangedrongen had om Drenthe als een afzonderlijke provincie behandeld te zien. Ten laatste liet hij zich met een Rijks-Athenaeum tevreden stellen. Billijkheidshalve had men begrepen voor Harderwijk niet minder te mogen doen dan voor Franeker, maar daar bleef alles zoo achterlijk dat ik mij al in de eerste maanden na de aanvaarding van het ministerie onbezwaard vond om de afschaffing van het Geldersche Athenaeum aan te raden, en deze vond dan ook plaatsnemine contradicente. Zelfs verzuimde ik, zooals ik nu onlangs gewaar worden ben, om den Koning het advies te doen vragen van den Raad van State. Welk een leven zoude er daarentegen geweest zijn, en wat al bedenkingen bij Z. M., indien mijn voorstel de vrije Friezen betroffen had!......
Weinigen van onze professoren verwaarloozen hunnen plicht geheel en al, maar weinigen ook kwijten zich van denzelven in zijn geheelenomvang. De meesten leven en leeren naar hunnen zin, bekorten hunne lessen en den geheelen cursus zooals het hun goeddunkt, en besteden de altijd eenige dagen vervroegde en verlengde vacantiën tot alles behalve het voortbrengen van zulke geschriften en het doen van zulke nasporingen als waardoor hunne Duitsche ambtgenooten zoo gestadig aan grondige wetenschap bevorderlijk zijn, en zoo vaak zich zelven een Europeeschen naam verwerven. Ten deele is zulks toe te schrijven—en hier meen ik dat het Reglement meest voor berisping vatbaar is—aan de onafhankelijkheid waarmede het hoogleeraarsambt is begiftigd geworden. De professor, eens benoemd, is zeker van zijn niet onaanzienlijke jaarwedde; zeker van collegie- en promotiegelden die in meer dan ééne faculteit tot eenalterum tantumder jaarwedde oploopen; zeker eindelijk van na dertigjarigen dienst eene verhooging van een vierde te bekomen, van welk voorregt in geene andere loopbaan eenig voorbeeld bestaat. Het genot van zoodanige voordeelen had ten minste behooren te worden in verband gebracht met de redenen van tevredenheid die de bevoordeelden door aanhoudende vlijt en werkzaamheid aan Curatoren geven zouden. Edoch deze Curatoren zelve! Hebben zij zich genoegzaam toegelegd op het gadeslaan van den gang der studiën, bestendig op de oordeelkundige naleving van het Reglement gewaakt, hun gezag tegen nalatige of eigenzinnige hoogleeraren naar behooren doen gelden? Ik vrees van neen; ik vrees meer: ik vrees dat deze collegiën niet zijn wat zij zijn moesten: een doelmatig intermediair tusschen de regeering en de hoogescholen. Dezelve werden oudtijds samengesteld uit leden van den Provincialen Souverein. Zij beschikten over de inkomsten. Bij hun was de bevoegdheid tot beroepen, tot bevorderen. In eene monarchie, wanneer de universiteiten staatsinstellingen zijn in welker geldelijke behoeften uit de schatkist moet worden voorzien, is dit alles geheel anders. Het wezen der zaak moest worden opgegeven; waarom dan de benaming behouden? Om den onwillekeurigen indruk der zucht voor het oude, die ik zeide dat in de eerste jaren van 's lands herstelling allerwege heerschende was......”743).
Dit bleef echter meer, enz. (hiervóór, bl. 363).—Hier meen ik dat Tellegenzichvergist.Censuur,d.w.z.preventief toezicht, is bij mijn weten tusschen 1795 en de inlijving hier te lande niet uitgeoefend. Wel af en toe sterke repressie, tot verbod van bepaalde bladen toe744); maar dit is iets anders dan censuur.
Liberaal(hiervóór, bl. 365).—In Frankrijk en België, waar een hevige katholieke reactie aan den gang is, wordt er bovenal mede bedoeld anti-clericaal; in dit Belgische spraakgebruik wordt eerlang ook Koning Willem I bij de liberalen ingelijfd op een tijd dat Falck hem reeds minder „liberaal” begint te vinden. Bij Falck is het een vage term voor „ruimdenkend”; zelfs de bisschop van Namen heet bij hem in 1814, in tegenstelling tot de Broglie, „braaf en liberaal”745); (in het volgende jaar teekende hij hetJugement doctrinal). Het woord beteekent bij Falck dunkt mij zooveel als „niet blind voor de voordeelen van het nieuwe; niet doodblijvend op de oude letter.” Men was dus bij ons in 1813–'14 liberaal, door zoo weinig mogelijk af te knibbelen van de nalatenschap van Bonaparte. Later gaan andere begrippen, van politieken en economischen aard, den leeg geworden term vullen, maar in 1813–'14 heeft die nòch met de quaestie van volksrechten tegen oppermacht, nòch met die van particulier initiatief tegenover staatsvoogdij, iets in het minst te maken.