Chapter 4

In afwijking van Tellegen moet worden geopperd dat het hier wèl de plaats is, het feit der verheffing in bijzonderheden na te speuren. Zonder juist begrip dier bijzonderheden zal er altijd iets aan het begrip van het vervolg ontbreken.Oranje's verheffing tot de souvereiniteit bij volkskreet ishetfeit van 1813, en de oorzaken laten zich wat hooger ophalen dan Tellegen heeft beproefd.Het feitelijk bestaan der souvereiniteit is aan twee voorwaarden gebonden: aan de aanwezigheid van iemand die haar dragen wil, en van anderen die haar willen erkennen. Die voorwaarden bleken vervuld in 1813; waarom eerst toen en niet eer?Ruimte voor de souvereiniteit van het huis van Oranje was er reeds lang geweest; eigenlijk van het begin van den opstand tegen Spanje af. Zij was ook in de maak toen Prins Willem werd vermoord; na dien tijd heeft zij zich nimmer kunnen vestigen. De redding van den opstand is het werk geworden niet van de Nederlandsche generaliteit, maar van het Hollandsche particularisme; en de Republiek der Vereenigde Nederlanden is de uitkomst geweest van dit particularistisch streven. Een staat sterk in de deelen, zwak in het verband; waarin het verband eigenlijk in niets anders bestond, dan in het gemeenschappelijk religiebelang en in de gemeenschappelijke verhouding tot het huis van Oranje.De religieband werd zwakker, naarmate de religie minder bedreigd raakte. De Republiek overwon haar vijand; zij werd als zelfstandigestaat erkend. Toen werd het tijd, het oorlogsnoodbehelp te wijzigen naar den stand van vrede. Het lot heeft gewild, dat toen nogmaals het Hollandsche particularisme de leiding heeft moeten nemen; de Prins was dood; zijn opvolger een ongeboren kind.Die omstandigheid van het eerste stadhouderloos tijdvak heeft op de ontwikkeling der positie van het Oranjehuis in Nederland een rampzaligen invloed gehad. Oranje, voor het volksgevoel altijd bekleed gebleven met die Hooge Overheid, welke eenmaal den eersten Willem voor den duur van oorlog was opgedragen, had voor het eerst geen officieele betrekking meer tot het landsbestuur. Zijn positie kon niet langer versterkt worden langs regelmatigen, moest integendeel eerst hersteld worden langs revolutionnairen weg.Het gevolg is geweest, dat de geavoueerde ambitie van het huis als maximum der wenschen het herwinnen van het verlorene ging opgeven; het herstel in reeds vroeger bezeten, niet de verheffing tot hooger waardigheid.Willem III voelt die verheffing onder zijn bereik liggen; hij grijpt niet toe. Zij zou afgedwongen kunnen zijn in Juli 1672, zooals het herstel in het stadhouderschap afgedwongen is; maar de massa had geen oog voor de noodzakelijkheid van nieuwe vormen, en de Prins wist het wezen van het oppergezag te besluipen ook zonder aanneming van den naam daarvan.De republikeinsche instellingen werden niet openlijk aangetast; zij werden gedenatureerd. Wat hem over de moeilijkheden die zij hem in den weg legden heen hielp, was enkel corruptie.The world's great patriotis tevreden geweest dat het Nederlandsche werktuig hem diende, en onverschillig, hoe het in zijn handen versleet. De wereldbelangen laten hem zelfs geen tijd, te zorgen dat bij zijn kinderloosheid althans de opvolging in het stadhouderschap verzekerd zij.Na 1702 wordt, in het eigenlijke Holland, Oranje een mythe; het is geen realiteit meer. Het is er ver vandaan, dat de cultus aanstonds op den Frieschen tak zou zijn overgebracht. Als in 1734 Willem IV na zijn huwelijk, met een koningsdochter nog wel, op de doorreis in een Rotterdamsch logement zijn intrek neemt, loopt er nauwelijks iemand uit om den „Prins van Friesland”, zooals men hem noemt, te zien.84)De Fransche inval van 1747 is noodig om de langdurige propaganda van Bentinck van Rhoon en anderen eindelijk vrucht te doen dragen. De Prins van Friesland wordt de Prins,tout court. Maar het staat te bezien of de beweging er niet ruim zooveel eene is tegen het oligarchisch bederf als vóór zijn immers weinig bekende persoon. Het stadhouderschap werkt nog éénmaal als een tooverwoord, maarhet is de laatste maal. Als Willem IV buiten staat blijkt de hem in den schoot gelegde voorrechten aan te wenden tot duurzame beveiliging van eenig volksbelang welk ook, verliest hij de affectie der betere klasse en behoudt nog slechts die der heffe.En de gelegenheid ware in 1748 zoo gunstig geweest! De kracht der tegenpartij was gesloopt lang vóór zij ten val werd gebracht: al wat er voortreffelijks was geweest in de Hollandsche staatkunde van Oldenbarnevelt, eerbiedwaardigs nog in die van Jan de Witt, behoorde onherroepelijk tot het verleden. Het „eiland” Holland85)was tot zijn particularisme eerst wel gedwongen geweest, toenLeicesterde generaliteit te gronde hielp; het had er in volhard door de ervaring van den fabelachtigen voorspoed, waarmede het eigen krachtsinspanning had beloond gezien. Die voorspoed taande sedert het einde der zeventiende eeuw. Holland had behoefte gehad aan een vrijen armzwaai, zoolang het nog, in economischen zin, op verovering uitging. Wat het won, kon eenmaal allen ten goede komen, maar het kon alleen winnen bij een groote mate van zelfstandig gezag, niet slechts van Holland, maar van de steden in Holland, en in die steden van de bezitters van het handelskapitaal. Zij hadden moeten woekeren met de exceptioneele gelegenheid die zich in de wereld der zestiende en zeventiende eeuw, tusschen den val van Antwerpen en de opkomst van Londen en van Hamburg, voor den Hollandschen ondernemingsgeest had opgedaan. Thans was er nog slechts spraak van verdediging en behoud. Het door de deelen gewonnene moest tot nationaal kapitaal worden gemaakt, en de leiding hierbij behoorde aan een centrale autoriteit, die steun zocht niet bij de weinigen die onteigend, maar bij de velen die gediend moesten worden.Dat men in Willem IV ontgoocheld werd is gewroken aan zijn zoon. Een ideaal van staatshervorming ontstaat, waarbij het huis van Oranje aanhangsel zal zijn in plaats van middenpunt. In de formule der patriotische Acte van Verbintenis van 1786: volksregeering bij representatie, met een daaraan ondergeschikt Erfstadhouderschap, valt de volle nadruk op de volksregeering. Het volk, dat wil in 1786 in waarheid zeggen de onderwezen, gezeten burgerij, stelt zich als erfgenaam van alle machtsaanspraak der oligarchie, ook tegenover het huis van Oranje. Het wil behouden de oude bondgenootschappelijke regeering, mits de organen daarvan niet langer zullen aangevuld worden bij coöptatie, maar bij volkskeuze. Een- en ondeelbaarheid der Staatsmacht staat volstrekt niet op het programma; dit punt is eerst van de Franschen afgezien.Het is bekend, dat de afloop van den patriottentijd het huis van Oranje bij de Nederlandsche hervormingsgezinden in een doodelijken haat bracht. Die haat is ouder dan de Fransche Revolutie en door de inwerking van die Revolutie volstrekt niet vermeerderd. Integendeel, de minst bevooroordeelden onder de Nederlandsche revolutionnairen hebben zeer goed ingezien dat juist de nabootsing der Fransche revolutie in Nederland voor het huis van Oranje een nieuwe toekomst openen kon. Wij zien Valckenaer in 1791 eene constitutie ontwerpen waarin aan Willem V de plaats is toegedacht die de Fransche staatsregeling van dat jaar aan Lodewijk XVI overlaat.86)Er is geen bewijs dat het plan tot het hof is doorgedrongen, maar al zou het, Willem V hadde het antwoord gereed gehad. Een constitutioneel koning, heeft hij bij eene andere gelegenheid gezegd, is een koning wiens hoofd onder de valbijl komt.87)Een woord dat toont hoe weinig hij verwachtte van de zelfstandigheid die eene Nederlandsche revolutie tegenover de Fransche zou weten te bewaren. En onze Stadhouder had daarin geen ongelijk. De constitutie van Valckenaer was niets dan copie uit de teekenzaal, en copie naar een reeds het volgende jaar in den hoek gesmeten voorbeeld.In Frankrijk vestigt zich de Republiek en verklaart onzen Stadhouder den oorlog; wat er van Nederland worden zou hing van de wapenen af, die in 1795 hebben beslist.Het Schrikbewind was toen voorbij, moderatie in Frankrijk het wachtwoord geworden. De Jacobijnen hadden alle idealisme lang verloren; zij hechtten meer aan bezit dan aan leuzen. Ook in hunne behandeling van Nederland kwam dat uit.SiéyèsenRewbellzorgden beter voor het spekken van de Fransche krijgskas dan voor de zuivere reproductie van den Franschen staatsvorm. Eigenlijk liet men, een paar jaar lang, de geheele Bataafsche constitutie aan de Bataven over, en heeft eerst ingegrepen toen uit de mislukte pogingen der verschillende Bataafsche partijen een anarchie ontstond die gevaar opleveren kon voor buitenlandsche inmenging en orangistische reactie. Genoodzaakt tot de keus, welke van de partijen der Bataafsche Conventie men tot de waardigheid van Fransch werktuig zou verheffen, koos men die van Vreede en Fynje die de sterkste machtsbegeerte had en de minste gewetensbezwaren. Zij voerden het militair spektakel op, waaraan wij de invoering der staatsregeling van 1798 te danken hebben gehad. Te danken waarlijk, want ook de gebrekkigste constitutie was toen te verkiezen boven in het geheel geene.Eigenlijk was men het over de hoofdpunten die de Nederlandsche staatsregeling zou moeten inhouden al lang eens, maar het eigenaardig Nederlandsch gemis aan vormkracht en besluitvaardigheid, de stroefheid die onze politieke vergaderingen altijd gekenmerkt heeft, hadden telkens weer de conclusie verhinderd. De opheffing der provinciale souvereiniteit, de eenheid in de volksvertegenwoordiging en in het hoog bestuur, het amalgama der schulden, de scheiding van Kerk en Staat, de emancipatie der Katholieken en der Joden, de vervanging van de uitvoerende collegiën door ministers;—alle punten dus waar voor Nederland de revolutie in heeft bestaan en waarvan ook nimmermeer is afgeweken88), waren reeds door de eerste Nationale Vergadering gedecreteerd, maar men was er niet in geslaagd van de onderscheiden deelen een machine te bouwen die loopen kon;—en een machine moest er zijn! De geheele natie was hier zóó van overtuigd, dat de eerste gewaarwording na den 22sten Januari 1798 er algemeen eene was van verademing. Dat men de constitutie op deze wijze had moeten ontvangen was een gevolg van eigen dralen en slofheid; nu had men ze dan en opponeerde er niet tegen. Waartegen men in verzet kwam was de aanmatiging der kliek die haar ingevoerd had, en die haar schaamteloos trachtte te exploiteeren ten eigen bate. Tegen het operettebewind van Vreede, Fynje en van Langen had den 12den Juni een samenloop van de fatsoenlijke lieden plaats, en niets bleek gemakkelijker dan het bewind omver te loopen zoodra de zekerheid bestond dat Frankrijk het had losgelaten. Maar aan de constitutie werd niet geraakt; integendeel, mannen van den stempel van een Gogel beginnen thans eerlijk te beproeven haar van het papier in de werkelijkheid te doen overgaan.In deze poging wordt men in 1799 verrast door den inval der Engelschen en Russen. Wij hebben gezien, dat Nederland toen zeer ernstig op het behoud van de grondslagen der omwenteling gesteld bleek, en Oranje niet terug begeerde dan met behoud daarvan89).De praktijk der nieuwe staatsregeling viel overigens lang niet mede. Men had het wetgevend vermogen der volksvertegenwoordiging ver overschat. De staatsregeling ging van de onderstelling uit, dat het Bataafsche volk als zoodanig in alles reeds een collectieven wil had:elke nauwere vereeniging van gelijkgezinden, om voor hun deel dien wil op te voeden en uit te drukken, werd uitgekreten voor factie. Het natuurlijk gevolg was de onmacht van het vormloos gelaten geheel. Het Vertegenwoordigend Lichaam verdronk in de duizend kleinigheden, die tot dusver door de provinciale en locale lichamen waren bedisseld; het bracht den tijd zoek met voorloopige besluiten over dorpsbelangen, terwijl de gewichtigste organieke wetten, zonder welke geene staatsregeling iets beduidt, òf in de pen bleven, òf mislukten. Verordeningen kwamen tot stand op de runderpest en de haringvangst; maar geen eenheid van belastingen, geen eenheid van recht, geen inrichting der burgerlijke gemeenten, geen systeem van nationale opvoeding. De staatsregeling had bevolen dat dit alles en nog veel meer gereed moest zijn binnen zeer korten termijn, maar het werktuig van wetgeving, door die staatsregeling in het leven geroepen, bleek reeds totaal versleten eer het nog eenig werk van blijvenden aard had tot stand gebracht. In Frankrijk had zich hetzelfde verschijnsel voorgedaan: er was geen reactie tegen de grondslagen zelve der revolutie, maar een volstrekte vermoeienis en onvruchtbaarheid der uit de massa voortgekomen vertegenwoordigende lichamen. In plaats van een oppermachtig „volk”, wenschte men, in het belang van de bevestiging der Revolutie zelve, voortaan een oppermachtig bestuur. Het vestigt zich in den persoon van den Eersten Consul. Ook Nederland heeft dien koers te volgen. Maar aan wien hier de bestuursmacht op te dragen? Voor een militaire dictatuur, als in Frankrijk, ontbreekt hier de stof. Napoleon zocht dus in Nederland aansluiting bij de elementen die, in de vóór-revolutionnaire kaders, ervaring van de bestuurstaak hebben opgedaan: bij de regenten. Door het herstel der in 1798 tot onherkenbaar wordens toe verknipte provinciën, door het afschaffen der politieke geloofsbelijdenis die tot dusver voorwaarde was voor de uitoefening van politieke rechten, wordt het mogelijk een zeker aantal oude aanzienlijken met de besten van het revolutionnaire personeel in nieuwe bestuurslichamen te vereenigen. De Revolutie zal zoo worden „genationaliseerd”, een woord dat in de staatkundige programma's van omstreeks 1800 aanhoudend terugkeert. Eene contra-revolutie wordt niet bedoeld, maar een maatschappelijke reconstructie. Men wenscht de kringen die door afkomst, fortuin, kennis, ervaring uitmunten, niet langer van de Revolutie verwijderd te houden. Het herstel van de provinciën onder de oude namen en met de oude grenzen is in deze kringen inderdaad als een gewichtige concessie aanvaard. Maar zij keeren niet als souvereine lichamen terug, enkel als departementen met meer huishoudelijk gezag dan de departementen der constitutie van 1798. Na eenige aarzeling laten zich deaanzienlijken vinden. Het wordt vrede in Europa, en ieder richt zich op den nieuwen toestand in. Zoo doet ook het huis van Oranje dat in onderhandeling treedt met Napoleon over een schadeloosstelling voor het verlies van het Stadhouderschap. Een brief van den ouden Prins geeft kennis, dat hij niemand weerhouden wil een ambt te aanvaarden onder het nieuwe bewind.90)Toen Napoleon de constitutie van 1801 aan Nederland gaf, rekende hij op een tijd van vrede. Die vrede kwam ook tot stand, en daarmede de mogelijkheid van opleving der Nederlandsche welvaart. Maar reeds na een jaar brak de oorlog weer uit. De Keizer verlangde dat wij daaraan actief deel zouden nemen en op groote schaal ons zouden toebereiden tot het ondersteunen der beoogde landing in Engeland. Tot die hartelijke medewerking was het Staatsbewind niet bereid. Het verafschuwde den oorlog evenals het geheele volk, en had het onmogelijke beproefd om neutraal te mogen blijven. Het worstelde bovendien met groote financieele moeilijkheden. De oude Republiek (generaliteit, provinciën, Oost- en West-Indische Compagnieën, admiraliteiten) had 760 millioen gulden schuld nagelaten, en sedert 1795 was daar nog 366 millioen nieuwe schuld bijgemaakt. De begrooting voor 1804 wees 71 millioen aan uitgaven aan tegen minder dan de helft aan inkomsten. De gewone inkomsten, 33 millioen, voldeden niet meer tot de rentebetaling alleen, die 34 millioen vorderde91). Eigenlijk had dus de Staat bankroet moeten gaan zooals Frankrijk gedaan had, dat zijne schuld had getiërceerd. Maar tegen deze schending der publieke trouw zag het Hollandsche geweten op; zulk een maatregel was ook nimmer te verwachten van eene regeering waarop de renteniers zulk een invloed hadden als op die van het Staatsbewind. Wilde men aan de door Napoleon aanbevolen tiërceering ontkomen, dan was de eenige redding gelegen in de onverwijlde schepping van een nationaal belastingstelsel, dat de kleinere provinciën aan belastingen onderwierp van minstens gelijke zwaarte als die Holland sinds lang had gedragen. Al teerde ons volk op zijn oud vermogen in, vele particulieren waren nog rijk; het gold nu middelen te vinden om het geld te halen waar het was. Ook tot deze hervorming wist het Staatsbewind, beheerscht als het was door provinciale en plutocratische invloeden, zich niet te vermannen, en Napoleon schafte daarom de aanzienlijkenregeering af en beproefde het met een eenhoofdig bestuur, eerst nog dat van een Nederlander. Hij gaf Schimmelpenninck volstrekte koningsmacht, onder den bij die macht niet passenden titel van Raadpensionaris.De stilstand, door de staatsregeling van 1801 in den loop der Revolutie veroorzaakt, komt daarmede aan een eind. De eenheid van belastingen en de nationale schoolwet worden aanstonds tot stand gebracht; de eenheid van recht krachtiger voorbereid dan te voren. Maar Schimmelpenninck kan al dat goeds verrichten alleen omdat en zoolang hij den Keizer behaagt. Hij is in zijn ambt gesteld opdat er kracht zal worden bijgezet aan de expeditie tegen Engeland. Na de nederlaag vanTrafalgarechter ziet de Keizer in dat hij in geen jaren het Kanaal zal beheerschen, en verandert van tactiek. Engeland zal worden uitgehongerd, nu het niet kan worden besprongen. Daartoe is noodig de volstrekte beheersching van het vasteland, opdat alle havens voor den Engelschen invoer kunnen worden gesloten. Deze verandering van tactiek bracht den nekslag toe aan wat er nog over was gebleven van de Nederlandsche onafhankelijkheid. Zoolang het landingsplan bestond, was het in Napoleon's belang dat er een bevriende Bataafsche Republiek in wezen bleef: geen meester zijnde van het nauw van Calais, kon hij de Nederlandsche havens niet gebruiken als operatiebasis van zijn eigen oorlogschepen, en moest dus wel genoegen nemen met een zij het zwakken waarborg, dat onze havens en werven althans niet geheel ongebruikt zouden worden gelaten. Bij een frontaanval tegen Engeland kon een zelfstandige Bataafsche Republiek eenige diensten bewijzen; in het uithongeringssysteem was haar zelfstandigheid erger dan onnut: douaniers kon hij immers naar Nederland zenden zooveel hij wilde. Hij zendt er in 1806 een van keizerlijken bloede: zijn eigen broeder Lodewijk.Het eigenaardig verschijnsel doet zich voor, dat het Nederlandsche volk de eenhoofdige regeering van een Fransch prins aanmerkelijk beter verdragen heeft dan die van een Nederlandsch burger92). Voor Schimmelpenninck en zijn lijfwacht heeft men slechts spot over; den Bonaparte komt men buigend tegemoet. Men ziet in hem het eenig overgebleven voorbehoedmiddel tegen tiërceering en conscriptie. Napoleon zou er in hebben toegestemd dat de Nederlandsche couponknippers van het eene, de Nederlandsche huismoeders van het andereschrikbeeld bevrijd bleven, mits er maar een ondoordringbare muur tegen den Engelschen invoer werd opgericht. Maar hieraan haperde het: „empêchez donc la peau de transpirer”, roept Lodewijk in wanhoop uit na een der ontelbare keizerlijke verwijten. Hij was geheel ongeschikt voor het ambt dat zijn broeder hem opgelegd had. Zelf een zwak, door en door welwillend man, had hij behoefte aan eene stemming van welwillendheid om zich heen; hij wilde niet tegen nationale wenschen en belangen ingaan. Hij vergat dat hij Koning van Holland was bij de genade van een ander. Na vier jaar heeft hij afgedaan en neemt de Keizer het besluit, ons direct te regeeren. De tiërceering komt mee, en ook de conscriptie.Intusschen was de onder Schimmelpenninck weder opgevatte moderniseering van het maatschappelijk gebouw onder koning Lodewijk voortgezet. Een nationaal strafwetboek, een burgerlijk wetboek (adaptatie van den Franschencode civil), een wetboek van koophandel, een nieuwe rechterlijke organisatie waren gereed gekomen en reeds ingevoerd of stonden op het punt het te worden. In plaats van de collegiale regeering in departement en gemeente was die van landdrost en burgemeester getreden, naar het Fransche voorbeeld afgezien. Eene wetgeving was in voorbereiding die de kerken onder streng opzicht zou gebracht hebben van den Staat. Op al deze punten beteekende dus de inlijving bij Frankrijk niet de onderwerping aan een geheel vreemd regime. Nieuw waren de militaire dienstplicht en het scherpe politie- en douanetoezicht; nieuw was bovenal de ondervinding, dat in den publieken dienst zwaar werk werd verlangd. De gewoonte van het gemoedelijk „besogneeren” onder een pijp tabak had de collegiën der Republiek overleefd; thans leerde men het „dienstdoen” van den modernen ambtenaar. De Fransche directeurs en prefecten houden niet op zich over de laksheid en eigenwijsheid van hun Hollandsche ondergeschikten te beklagen; zij prikkelen hen aanhoudend tot meer onafgebroken, sneller en vooral machinaler werkzaamheid. Onderwijl treedt een belangrijk deel der Hollandsche jongelingschap in de harde militaire school des Keizers. Voor zoo verweekelijkte naturen, die den krijgsdienst hadden leeren beschouwen als een werk dat men aan arme drommels van vreemdelingen overliet, geen slechte school. Niet slechts „het volk” moest er aan gelooven, maar ook de burgerklasse, die in dezen tijd van toenemende berooidheid geen geld had een remplaçant te koopen. Slechts de rijken kwamen vrij, en Holland was in last toen, in 1813, ook zij werden opgeroepen om te dienen alsgarde d'honneur.Het was niet zoo erg, dat de Hollanders in dezen tijd wat armer werden. Waar hadden zij hun rijkdom toe gebruikt? Aan de natie als geheel was die weinig ten goede gekomen. De Staat was steedsberooid gelaten; in de nijverheid was weinig geld gestoken; ook niet in de koloniën die door de compagnieën zeer gebrekkig werden ontgonnen en waar het volk in zijn geheel niet de minste kennis van had en zich niet om bekommerde. Holland was bovenal een geldmarkt geworden voor vreemde staten, waarvan er thans verscheidene niet betaalden. Ook had het tot 1795 nog een aanzienlijk aandeel gehad in de Europeesche vrachtvaart, maar die lag nu stil, en Holland verloor één voor één zijn oude connecties en zou, als de zee weer open kwam, zich opnieuw een positie in de handelswereld moeten veroveren. Wat er nog omging was dobbelspel aan de beurs en smokkelarij in het goederenverkeer. De hooge graanprijzen maakten den landbouw tot een voordeelig bedrijf, maar de groote Hollandsche steden raakten in diep verval. De huizen te Amsterdam deden in 1813 de helft van den prijs van 1800. Bij honderden werden de huizen daar afgebroken, 't zij om de belasting te ontgaan, 't zij uit speculatie, om de materialen aan te bieden in de Belgische departementen waar landbouw en nijverheid bloeiden en naar huizen veel vraag was. In Leiden, Delft, Haarlem vooral, had hetzelfde plaats. Langs de Vecht werden de buitens gesloopt; men maakte er weiland van. In 1813 werden te Amsterdam minder dan het derde deel van het getal luxepaarden gehouden dat voorkwam in 181093). De familiën die een etablissement in de stad hadden gehad en een op het land, hielden slechts één van beide meer aan. Men schafte zijn bedienden af. Het aantal bedeelden nam toe, terwijl door de tiërceering de middelen der gestichten sterk waren verminderd. Doch dat de weelde zoo afnam was lang geen onverdeeld kwaad, ook niet de politieke onteigening die de vroeger heerschende geslachten hadden ondergaan. Men was niet langer, als men zekeren familienaam droeg, van de geboorte af verzekerd van een fatsoenlijk bestaan; men verleerde, een eerlijke broodwinning te verachten. De volkseenheid werd bevorderd door de omstandigheid, dat wat er van den nationalen rijkdom overbleef, meer gelijkmatig over de provinciën werd verdeeld. Er vloeide geld uit Holland weg dat, tenminste voor een gedeelte, werd aangelegd in de landprovinciën, die toenamen in welvaart, in bevolking, in bekendheid. De mooie plekjes in Gelderland kwamen in trek als woonkwartieren.Nederland deed zijn nieuwe intrede in de rij der natiën als een land dat veel geleden had; dat sterk verkleind was in naam, in geld, in aanzien. In veel opzichten moest het van voren af aan beginnen, niet zonder betrekkelijk goede kansen evenwel: het had zijn ligging, zijn bodem, zijn sober, eerlijk volk; het had naast minder goede, ookeenige voortreffelijke traditiën. En het was door de Revolutie van veel overtolligs en schadelijks bevrijd: van een onmogelijke staatsinrichting, die in den harden strijd der moderne concurrentie dien men tegemoet ging, volstrekt onbruikbaar zou zijn gebleken; die eigenlijk uitgediend had al de geheele achttiende eeuw door, maar wij zelf hadden er ons niet af weten te helpen. De Revolutie had ons een nieuwe bewerktuiging gegeven, en wij hadden het geluk dat een Oranjevorst gereed stond om den troon te beklimmen waar Napoleon van werd afgebonsd.Want hierop komt de zaak neer. Wel mocht Gijsbert Karel in zijn oranje-boven-biljet schrijven: „de oude tijden komen weerom”, het publiek dacht daarbij aan den koophandel en geenszins aan den regeeringsvorm. Zelfs Gijsbert Karel wilde niet naar de jaren vóór 1795 terug, maar naar een verder verleden: hij wilde een toestand scheppen zooals had kunnen ontstaan wanneer in de zestiende eeuw òf onze wettige vorst hervormd ware geworden òf Prins Willem souverein ware gemaakt eer hem de kogel trof. Tenminste, hij verbeeldde zich dat. In werkelijkheid heeft, behalve herinneringen uit het nationaal verleden, vooral de aanblik der Engelsche instellingen zijne pen bestuurd94).Tellegen doet, naar mijn smaak, in een boek datDe Wedergeboorte van Nederlandheet, Gijsbert Karel te summier af. Wij zien hem in 1913 grooter dan men het in 1884 deed. Ruimen wij hem de plaats in waarop hij naar ons oordeel recht heeft.Zijn jeugd is door Fruin beschreven in een zeer bekend opstel95). Door geboorte, opvoeding en belang tot de Oranjepartij behoorende, zich in den strijd van '87 voor den Prins ijverig te weer stellende, was Gijsbert Karel door den loop dien de oranje-restauratie nam niettemin diep teleurgesteld. Hij had een toenadering tusschen Prins en volk gewild, geen overgave van den Prins aan het behoud. Hij had voorspeld „de naderende volksregeering”, die men niet moet willen ophouden, maar door hervormingen den weg banen. „In de tegenwoordige tijden”, schrijft hij in 1793 aan van de Spiegel, „kan geen Regeering iets goeds uitwerken, zonder de liefde en het vertrouwen der ingezetenen”, en hij wist dat de regeering der Republiek dat vertrouwen niet meer bezat. De gebeurtenis van 1795 heeft hem niet zeer verrast. Hij was geen hoveling; heeft er geen oogenblik over gedacht, Oranje in de ballingschap te volgen. Aanstonds na de verwijdering uit zijn ambt begrijpt hij dat hem voortaan geen roloverschiet dan die van „citoyen utile”96). Anders dan zijn standgenooten, die pruilend bijeenhokten, voegt hij zich onder de bedrijvige massa. Door den dood zijner schoonmoeder de beschikking krijgende over een groot vermogen, verhuist hij naar Amsterdam en wordt simpel koopman; maar niet tot zijn profijt. In 1806 betrekt hij het buitengoed Adrichem bij Beverwijk en houdt er zich bezig met studie en met de opvoeding van zijn talrijk kroost. In 1809 verhuist hij, om de kinderen, naar den Haag. Met uitzondering van één enkel oogenblik, bij zijnVerklaring aan het Staatsbewind, wordt hij in de politieke geschiedenis van het land in al die jaren niet genoemd. Een onbewogen uiterlijke levensgeschiedenis. Des te belangrijker is de innerlijke.De heilstaat zooals hij over ons gebracht was, op de spits van vreemde bajonetten, moest een trotsch gemoed als het zijne met minachting en afgrijzen vervullen. Dat het oude tot onbruikbaar wordens toe versleten en dus terecht bezweken was, ontging hem niet, maar de nieuwe bouw had, om op zijne beurt duurzaam te zijn, een werk moeten wezen van eigen vinding en geen slaafsche navolging van vreemde modellen. Hoe juist maakt hij de balans van zijn tijd op, als hij, niet blind voor haar groote deugden, in haar nadeel boekt, dat zij, als maatschappelijk ideaal, den „homme de bien” verruild heeft voor den „habile homme”; dat zij als regel volgt: „ne parvenir au cœur que par la voie de l'esprit”; „fonder le bonheur de l'homme sur l'usage de sa seule raison”97). Het gevolg? „Mille raisonneurs contre un homme vertueux; chacun veut être un homme universel”.—„Quelle estla passion qui s'éveillerapour maintenir le gouvernement philosophique, et pour le défendre contre toutes les passions religieuses qu'il persécute également? Quel parti du peuple, rendu à la paix et à quelque repos, le soutiendra?... Parmi tous les reproches qu'on peut lui faire, celuidu manque absolu de caractèreest le plus fondé”.98)Eén doel is hem na 1795 steeds bijgebleven: de natie, door haar weder voedsel te doen zoeken in het eigen verleden, te redden van den ondergang. Afgesneden van den stam waarop zij was gegroeid, zou zij verwelkt zijn. Gijsbert Karel, die meer dan één ander onze achttiende eeuw aan onze negentiende verbindt, is zich, bij alle ontwikkeling van denkbeelden, bij alle aanpassing aan nieuwe vormen, in wezen verwonderlijk gelijk gebleven.In 1795 is hij niet zonder hoop, dat, bij de eerste groote overwinningder geallieerden, de Franschen, als in 1793, ons land weer zullen moeten ruimen. Het oude mag dan niet terugkeeren. In den zomer van dat jaar stelt hij zijne gedachten op het papier omtrent de veranderingen, die in zoodanig geval in de Unie behooren te worden aangebracht. De familietrek met de latereSchetsis onmiskenbaar.Als grootste gebrek, dus ongeveer het stuk,99)heeft de ondervinding doen kennen de ontstentenis van een krachtig algemeen bestuur. Dit dient gevestigd in een Stadhouder, die in een constitutioneele betrekking moet komen tot het geheel der Republiek en niet meer uitsluitend tot de provinciën afzonderlijk. Onder den Stadhouder zullen ressorteeren de volgende departementen van algemeen bestuur: financiën, landmacht, marine, koloniën, buitenlandsche zaken. Ten opzichte van al deze onderwerpen zullen de provinciën afstand doen van de Souvereiniteit, die zij voor justitie en binnenlandsche zaken onverkort behouden, met dezen verstande evenwel dat een Hooggerechtshof der Unie wordt ingesteld om overtreding van de wetten en besluiten der algemeene regeering te straffen. De wetgevende macht zal ten opzichte van al de opgenoemde zaken die aan de Unie zijn afgestaan, worden uitgeoefend door de vergadering der Staten-Generaal, waarvan een ambtenaar onder den titel van Raadpensionaris (titel die dus voortaan een Unie-ambt zal aanduiden) „het beleid” hebben zal. In de Staten-Generaal zal hoofdelijk worden gestemd zonder ruggespraak met de committenten, die evenwel na een zeker aantal jaren de beslissing zullen hebben over de al of niet-vernieuwing van het mandaat. De Provinciale Staten vaardigen ieder een zeker aantal leden af in de verhouding van het aandeel der provincie in de algemeene lasten. De Generaliteitslanden zullen in de algemeene landsvergadering vertegenwoordigd zijn.Over het gewichtig punt van de samenstelling der Provinciale Staten zwijgt het stuk; in zijn systeem terecht, daar het een memorie over de herziening eener unie tusschen souvereine gewesten is, en dus de samenstelling der gewestelijke vertegenwoordiging een huishoudelijke zaak blijft. Doch reeds tijdens de patriotsche troebelen had Gijsbert Karel de vestiging voorgestaan van een regelmatigen volksinvloed op de samenstelling der gemeentelijke, en daarmede der provinciale vertegenwoordiging, en uit een ontwerp van 1799–1801 blijkt, dat hij dit denkbeeld thans niet minder aanhing.Dit stuk van 1799–1801100)werd opgezet naar aanleiding van deleiding der Engelschen en Russen, doch eerst later in definitieven vorm gebracht na kennisneming van het veel beperkter ontwerp van Uniereform, door van de Spiegel in 1799 te Lingen opgesteld.101)Het is een omwerking van het opstel van 1795 in artikelvorm, met bijgevoegde memorie van toelichting. De Stadhouder heet thans Erfgouverneur, en heeft het karakter van onschendbaarheid. In plaats van vertegenwoordiging der provinciën naar de bijdragen in de algemeene lasten, komt vertegenwoordiging naar de volkrijkheid. Een aanhangsel geeft de veranderingen op die de constitutiën der provinciën noodzakelijk zullen moeten ondergaan. In de Provinciale Staten zal worden gestemd bij meerderheid; behalve de steden zullen ook de dorpen er vertegenwoordigd zijn; in alle steden en dorpen waar de bevolking zeker getal te boven gaat, treden kiescollegiën op. „De kiezers behoeven slegts den Christelijken Godsdienst, zonder verder onderscheid, te belijden”.Op dit stuk volgt 27 Oct. 1801 deVerklaring aan het Staatsbewind,102)waarbij Gijsbert Karel, nevens anderen opgeroepen zijn stem uit te brengen over de nieuwe staatsregeling van dat jaar, „alle constitutiën afkeurt welke niet het Huis van Oranje met de erfelijke waardigheid van Hoofd van den Staat bekleeden”. Voortaan zal, zegt hij, in het geval eener restauratie geen sprake meer kunnen zijn „van eene instructie voor den Prins, te geven door de Regenten, maar van eene Grondwet, met eene gelijk verbindende kragt voor Prins, Regenten en Volk.”DeVerklaringverscheen op een oogenblik, dat op verwezenlijking van Hogendorp's denkbeeld minder kans was dan ooit. De Bataven kwamen al vaster aan de keten van den Eersten Consul te liggen, en Oranje zelf keerde zich door den nood gedrongen van Nederland af. De nieuwe belangen van het huis in Duitschland konden door het optreden van Gijsbert Karel slechts worden geschaad. De toezending van het stuk werd dan ook alleen door de Prinses met eenige hartelijke woorden, door den Prins met verlegenheid, en door den Erfprins in het geheel niet beantwoord. Hogendorp schikte zich in het onvermijdelijke en richtte, met den aanvang van 1802, zijn activiteit op andere dingen: hij begon zijn kolonisatieonderneming aan de Kaap, die hem, met andere onderwerpen van kolonialen en staathuishoudkundigen aard, in de eerstvolgende jaren geheel in beslag nam.Het begin der regeering van koning Lodewijk opent tevens eene nieuwe levensperiode voor Gijsbert Karel, die in zijn handelsondernemingen groote verliezen had geleden en zich om financieele redenenop zijn buitengoed terugtrok, met opgeving van zijn etablissement te Amsterdam. Het nieuwe regime, aan welks levensvatbaarheid hij in 1795 en nog in 1801 niet had geloofd, begint zich meer en meer te vestigen. Moet hij er niet zijn plaats in zoeken (zooals al zijn standgenooten doen), in zijn eigen belang en dat zijner kinderen? De oude Prins was dood; het gevoel voor den Erfprins nimmer hartelijk geweest. Gijsbert Karel capituleert, dat is te zeggen niet met der daad, maar in zijne ziel. Hij is te trotsch om zich aan te bieden, en de koning is hem niet komen zoeken, maar als hij gekomen was, zou Gijsbert Karel zich tot een post van minister of staatsraad hebben laten vinden, en dat de koning niet kwam werd den dagboekschrijver van Adrichem tot een niet te verkroppen ergernis103). Tot hij zich overwon, de wereldsche zaken van zich zette, zich in den Haag vestigde nadat en omdat koning en regeering die stad verlaten hadden, en zich nogmaals, als reeds in de jaren vóór 1801, verdiepen ging in de studie der vaderlandsche historie. Het resultaat dier studie, deDiscours sur l'histoire de la Patrie104), zijn onontbeerlijk voor de kennis van den gedachtengang die deSchetsvan 1812 beheerscht, en die geen andere is als deze: een nieuwe Staat der Nederlanden mag niet de herleving der Republiek zijn, maar moet zijn normen zoeken in het monarchaal verleden105). De Republiek wordt als een afwijking beschouwd, alleen te rechtvaardigen uit de buitengewoonheid der omstandigheden van 1588, die in 1812 lang hebben opgehouden te bestaan. Dat reeds Maurits niet tot souverein is verheven wordt ernstig betreurd, en daarbij eene schets gegeven van de Nederlandsche monarchie zooals zij in 1618 en 1619 ware in te richten geweest: de souvereiniteit gevestigd in den Prins van Oranje; een constitutioneele adel; steden met kiescollegiën die er de regeering stellen; „à tous les bourgeois aisés le droit de nommerauscrutin ces électeurs...”; „une démocratie tempérée et très limitée à côté de l' aristocratie, pour empêcher celle-ci de dégénérer comme elle a toujours fait...”; „le pouvoir monarchique, aristocratique, populaire, sagement combinés...”; het is deSchetszelve van 1812, die hier aan den Maurits van 1619 wordt voorgeschreven. Het slot van het laatsteDiscoursklinkt als een belofte: „Les Princes d'Orange n'ont jamais voulu forcer la nation à leur conférer la puissance souveraine, mais ont attendu cet acte de sa gratitude et de sa conviction qu'il y alloit deson propre intérêt. Toute notre histoire postérieure n'est que le développement de ce principe....”Er is dus, sedert 1795 en 1799–1801, een heel eind weegs door Gijsbert Karel afgelegd. Nieuw is in de stukken van 1812106)de verwerping van den republikeinsch-bondgenootschappelijken staatsvorm, die in de oudere ontwerpen nog was vastgehouden. „De natie”, schrijft hij in 1817 ter verklaring, „was door Koning Lodewijk aan een souvereinen Vorst gewend geraakt”107). De natie—niet ook Gijsbert Karel zelf? De opteekening zijner zielservaringen van 1806 en 1807 bewijst zonneklaar, dat ook voor hem de algemeene, gehoorzame erkenning van het monarchaal gezag in Lodewijk Napoleon een diepe beteekenis heeft gehad. Het koningschap, zij het van een vreemdeling, heeft voor hem niet meer, als de staatsvormen van 1798 en 1801, het karakter eener revolutionnaire nachtmerrie. Maar de koning laat hem ter zijde. Deze verwaarloozing, en de daarop gevolgde inlijving bij Frankrijk, geven hem aan zichzelven terug. Toch niet zonder dat zijn ziel zich bewust bleef van het, in de stilte van zijn Adrichem, eenmaal genomen besluit. Ook zelfbespieding kan invloed hebben op de ontwikkeling vanstaatkundigedenkbeelden, en bij Gijsbert Karel is dit ongetwijfeld het geval geweest. Hij werpt zich andermaal op de vaderlandsche geschiedenis om er de bevestiging in te lezen van wat hij zelf reeds gevoeld heeft dat worden moet.Reeds de eerste redactie van deSchets(1812) heeft het woord „Koning” en volstrekt niet alleen ter wille van de fictie, dat het een stuk van 1806 zou zijn, geschreven vóór de komst van Lodewijk Napoleon. Dit bewijst, behalve de uitdrukkelijke verzekering van Hogendorp in zijne gedenkschriften dat het woord tusschen hem en de bentgenooten bediscussieerd en door hen eenstemmig goedgekeurd was108), reeds de omstandigheid dat de term onveranderd is gehandhaafd geworden in de tweede redactie, die geen gevaar meer liep van inspectie door de Fransche politie, en aan den Prins bij zijn komst is voorgelegd, wiens eerste aanteekening op den inhoud zou luiden: „de titel blijft [zooals hij inmiddels aangenomen was] Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden”109).Hogendorp heeft zich hierin één gevoeld met het volk, dat bij instinct en unaniem begrepen heeft, dat men een Oranje geen lageren titel mocht toeleggen dan men een Bonaparte had laten voeren. Alsin het voorjaar, tijdens de reis van Gevers, het gerucht zich verbreidt van het onderweg zijn van Willem VII, moet hij het zijn als Koning van Holland; men wil zijn beeldenaar met dat randschrift op medailles gezien hebben waarvan ieder den mond vol heeft maar die niemand vertoonen kan,110)gelijk er dan ook geen enkel exemplaar ooit van is voor den dag gekomen. De Bijltjes zingen te Amsterdam: „Leve Willem de Eerste onzen Souverein, de Prins moet Koning van Holland zijn”, en als hetStaatkundig Dagblad van de Zuiderzee, waarin, met machtiging van Kemper en Scholten, die Kattenburger deun is afgedrukt, op het ziekenhuis te Utrecht ontvangen wordt, gaat, blijkens bericht van den administrateur, onder verpleegden, dokters en assistenten gelijkelijk de kreet op: „de Prins moet onze Koning zijn”111).Het strooibiljet van 17 Nov. heeft evenwel den koningstitel niet: „de Regeering roept den Prins uit tot Hooge Overheid.” Dit houdt verband met de wijze waarop Gijsbert Karel zich voorstelde den opstand te moeten leiden. De oud-regenten zouden zich constitueeren tot eene vergadering van Staten-Generaal, die den Prins zouden inroepen tot hoofd hunner regeering, welke zij onmiddellijk daarna door toelating van mannen van na '95 zouden versterken. De regeering dezer Staten-Generaal zou besloten worden met de afkondiging eener inmiddels door eene commissie uit hun midden met den Prins beraamde grondwet, die aan het land het constitutioneele koningschap zou schenken.Als deze toeleg reeds ten tweeden dage van den opstand geheel mislukt, is Gijsbert Karel niet verlegen. „Le Prince est Souverain”, schrijft hij aan Fagel, „on ne sait pas comment, mais tout le monde le considère comme tel. Nous le proclamerons dans le même jour à la Haye, Amsterdam et Rotterdam, pourvu qu'il s'explique lui-même”112).Aan dit laatste heeft het een oogenblik gehaperd. De proclamatie, waarmede de Prins den 30sten aan wal stapte, kon even goed als de aanvaarding van het Erfstadhouderschap als van hooger waardigheid worden uitgelegd. Aan Repelaer had hij vóór zijn inscheping nog gezegd, „dat hij meende de souvereiniteit die hem aangeboden werd te moeten van de hand wijzen, daar hij slechts verlangde dezelfde rang en waardigheid die zijn vader had bekleed;te meer daar hij dacht dat de oude Regeeringsvorm meer dan eenige andere der Natie aangenaam moest zijn”113). Repelaer antwoordt „dat het alleen met de waardigheid van Souverein was, dat het volk Zijn Hoogheid aan hethoofd van het bestuur verlangde geplaatst te zien”. Deze bedenking, vervolgt Repelaer in zijn aanteekening, „scheen den gewenschten indruk te weeg te brengen”. In den Haag, den 30sten, bleek daarvan nog niet veel. Falck, die 's Prinsen aankomst bijwoonde, noemt in zijn gedenkschriften de souvereiniteit een punt, waarover de Prins „geenszins verwacht had, zich zoo spoedig te zullen moeten uiten. Ook kwam het dien avond tot geen besluit. Den volgenden ochtend waren de denkbeelden over de helling der gemoederen ruimer en helderder geworden”114), en dan geeft de Prins zijn toestemming tot het vertrek aan van der Duyn naar Amsterdam, om daar met Kemper en Scholten aan de toebereidselen tot de uitroeping de laatste hand te leggen.Is dit nu115)de aarzeling geweest van iemand, die niet weet of hij zelve de souvereiniteit wel begeert? Mij dunkt eerder van iemand, die aarzelt of zij hem werkelijk zoo uit één mond wordt opgedragen als men hem vertelt. De voorzorg, om Amsterdam te laten voorgaan en zich niet tevreden te houden met het Leve de Koning-roepen langs den Scheveningschen weg, beduidt nog geen afkeer van de souvereiniteit! De eerste dépêche vanLord Clancarty116)spreekt niet van een Prins die moet worden aangezet; eerder van een Prins die door hem,Clancarty, wordt versterkt in het voornemen, zich niet uit te laten voor men zekerheid zal hebben althans van de stemming van het machtig Amsterdam, van patriotsche reputatie.Er werden, blijkt uit die dépêche, bij 's Prinsen aankomst in den Haag twee meeningen verkondigd, de eene (door van der Duyn; naar het schijnt mede namens den door podagra aan zijn stoel geklonken Hogendorp) dat de uitroeping plaats moest hebben op staanden voet, in den Haag, en tot Koning; de andere dat men Amsterdam moest laten voorgaan, en tot zoolang althans den koningstitel niet gebruiken. Aan het geschil omtrent den titel maakte de Prins onmiddellijk zelf een einde, door te beslissen dat hij den koningstitel vooralsnog niet voeren wilde; hij wilde, zeide niet maar dacht hij, dien pas voeren over het rijk der zeventien Nederlanden, als de bondgenooten zouden toelaten dat hij zulk een rijk verwierf, en daaromtrent bestond op 30 November 1813 nog niet de minste zekerheid. Het geschil omtrent de plaats werd, als wijClancartygelooven moeten mede onder zijn,Clancarty's invloed, in dezen zin beslist, dat de eerste uitroeping moest geschieden te Amsterdam.Intusschen had de Amsterdamsche bevolking op geen Haagsche besluiten gewacht. Het is zeer leerzaam de volgorde der gebeurtenissen te Amsterdam eens precies na te gaan, 1o. omdat daaromtrent, en bij berichtgevers waar men het niet van zou vermoeden, veel onnauwkeurigs is medegedeeld; maar 2o. en vooral, omdat daaruit zoo overtuigend blijkt dat de uitroeping eene volksdaad is geweest en geen opgemaakte fraaiigheid van Kemper en Scholten, zooals b.v. in de bekendeVertraute Briefevan Strick van Linschoten is beweerd, een boek waarvan met de uiterste omzichtigheid gebruik is te maken, omdat de schrijver, oud-Bataafsch diplomaat van twijfelachtige reputatie, in 1814 in zijn pogingen om weder bij de Nederlandsche diplomatie te worden geplaatst, teleurgesteld is geworden117)en zijn boek schrijft met de bepaalde bedoeling aan de Nederlandersen place, den Koning inbegrepen, zoo onaangenaam mogelijk te zijn.Strick van Linschoten beschrijft de uitroeping door Kemper en Scholten gedaan, als volgt (wij nemen hierbij in aanmerking dat Strick den nacht waarvan hij spreekt doorgebracht moet hebben op zijn bed, dat toen te Mannheim gespreid stond, en dus geen ooggetuige is):„Da es mitten in der Nacht war, befanden sich auf dem bei Tage sehr volkreichem Damme nicht mehr als drei Personen, die zufällig noch da vorbeigingen, und diese sonderbare Souveränenmacherei mit anhörten. Im neuen Rathhause wurdedieFeierlichkeit beinahe in einem noch stärkeren incognito begangen, denn sie hatte daselbst im inneren Hof zur nämlichen Nachtzeit statt, und das einzige Thor, wodurch dieser mit der Strasse in Verbindung steht, war, wie gewöhnlich des Nachts, verschlossen. Das war also im eigentlichen Sinne eineProclamatio domestica”.118)Een ander berichtgever, de met de Russen vanBenkendorffin den ochtend van den 1sten December te Amsterdam aangekomen oud-Pruisische officiervon Haxthausen, meldt zich wèl aan als ooggetuige. In een verslag door hem gesteld voor den Russischen gezant te Berlijn, Alopeus, en dat zijn weg gevonden heeft naar verschillende Duitsche couranten, wordt gezegd, dat de uitroeping den 1sten December, 's middags om één uur, onder zijn oogen heeft plaats gehad, „unter dem unendlichen Jubel des zu vielen Tausenden versammelten frohen jauchzenden Volks”.119)En toch hebben de oogen van dezen braven Duitscher mis gezien,en heeft Strick, behalve in de beteekenis die hij aan zijn mededeeling wil doen hechten, hoogst vermoedelijk gelijk.De feiten zijn deze. Den 30sten in den namiddag is de Prins voor den wal en Canneman (reeds van zins dien namiddag naar Amsterdam te vertrekken voor de zaken van zijn departement) zit bij Hogendorp als deze het bericht ontvangt, en zal nu met diens goedkeuring de onmiddellijke uitroeping te Amsterdam bewerken.120)Hij vertrekt zoo spoedig hij kan en komt er om elf uur 's avonds aan; muziek, flambouwen, Commissarissen-Generaal en stadsregeering heeft hij op den Dam besteld bij een vooruitgezonden brief: „Neerlands Vorst is aan de wal....; de proclamatie geschiedt op staanden voet”121). Op den Dam wordt nu, met groot geschal, 's nachts om twaalf uur de komst van den Prins bekend gemaakt, en, zooals Commissarissen-Generaal zelf in een extra-blad, 's ochtends van den 1sten December verschenen, aan het bericht toevoegen, „heeft het volk terstond, op het hooren van de blijde mare, Z. D. H., als uit ééne stem,Souverein en Vorst der Vereenigde Nederlandenuitgeroepen”. Ziehier dus de uitvoering van Hogendorp's programma: „nous le proclamerons dans le même jour à la Haye, Amsterdam et Rotterdam”, voor zoover die uitroeping van het Amsterdamsche volk afhing.Intusschen was, naar wij gezien hebben, in den Haag de Prins niet uitgeroepen, of liever, de uitroeping was er niet op papier gebracht. Toen Canneman vertrok was de Prins amper aan wal; nadat deze (om vijf uur) bij van Stirum was aangekomen en de eerste begroeting had plaats gehad, kwam het te Londen bedrukte papier voor den dag waarvan hij het geschreven origineel later op den avond aan Hogendorp toestak122): de „vergeten en vergeven”-proclamatie, het stukà tout usage, dat het punt der souvereiniteit ontweek.De man die in den Haag het sein had moeten geven kwam niet van zijn stoel, en de geheele zaak der uitroeping werd er eene niet van verrassing, maar van beraadslaging. Den uitslag kennen wij: „den Haag” (zooals burgemeester Slicher het den 3den uit zou drukken) „zou uit kieschheid volgen, waar het hart had wenschen voor te gaan”123). Er werd besloten dat de Prins Amsterdam zou bezoeken en wel eerst den 2den, om een dag te hebben tot behoorlijke voorbereiding.Tot deze voorbereiding vertrok den 1sten December van der Duyn naar Amsterdam. Doch reeds eerder was een rol met exemplarender door den Prins medegebrachte proclamatie naar Amsterdam gekomen, die daar, zonder begeleidend schrijven,124)op 1 December, 's ochtends om 8 uur, door Canneman ontvangen werd. Men had den Prins zelf verwacht,125)of anders bericht omtrent zijne komst. „Wij zullen, ook zonder dat ik de intentie kenne”, schrijft hierop Canneman aan Falck, „de proclamatie doen afkondigen na alvorens Z. H. te hebben doen uitroepenals Vorst. De plechtige proclamatie wordt met ongeduld verwagt.” Ik meen deze woorden als volgt te moeten verklaren. Canneman kent het in den Haag blijkbaar reeds vóór 's Prinsen aankomst bestaan hebbend verschil van gevoelen omtrent de titulatuur; hij zal zich dus bij de voorlezing van 's Prinsen stuk, gelijk hij het reeds in den afgeloopen nacht bij de vermelding van 's Prinsen komst gedaan heeft, onthouden van den koningstitel te gebruiken. Verder onderscheidt hij „uitroeping” (bij monde) van „plechtige proclamatie” (op papier); de laatste had hij uit den Haag verwacht en begrijpt niet waar deze blijft. De „uitroeping” daarentegen bij volkskreet te doen herhalen is gemakkelijk genoeg, gelijk die dan ook zonder twijfel weer is opgestegen toen het stuk van den Prins is voorgelezen, om één uur, natuurlijk weer onder grooten toeloop, op den eivollen Dam: de heele stad, die gemeend had dien ochtend den Prins reeds te zullen zien, was daarvoor weer op de been gekomen, en op de been gebleven om naar de zooeven aangekomen Russen vanBenkendorffte kijken. Het is deze toeloop die Haxthausen (eerst sedert 9 uur in de stad en die dus het nachttafereel niet had bijgewoond) voor de eigenlijke gebeurtenis heeft gehouden.De uitroeping, nu reeds tweemaal door het volk gedaan uit volle borst, is eerst door Commissarissen-Generaal in den vorm eener „plechtige proclamatie” gebracht toen zij door van der Duyn vernamen dat dit in den Haag niet geschied was, en men hetvan henverwachtte. Het was avond;126)te laat voor het gewoneDagblad-nummer van 2 December.127)Kemper's uitnemend stuk verscheen in een op den ochtend van den 2den alom verspreide extra-courant. Intusschen zal het, zoodra het gereed was, ook wel reeds op den Dam en aan het Stadhuis zijn afgelezen, en het is best mogelijk dat deze aflezingweinig de aandacht heeft getrokken: alle attentie was reeds bij den volgenden dag, wanneer, naar men nu door van der Duyn zeker wist, de Prins zou komen.Het heele stuk heeft voor de Amsterdammers meer de beteekenis gehad, dat zij, den 2den bij het ontbijt, er uit vernomen hebben met welken titel de Prins aanstonds moest worden aangesproken, dan dat zij er de uitroeping tot de souvereiniteit zelve nog uit moesten opmaken. Die uitroeping was toen reeds anderhalven dag een feit;—en eerst jaren later, toen Amsterdam zich weer in de oppositie begon te voelen, is wel eens gevraagd, wat Kemper en Scholten zich toch vermeten hadden, met zoo uit aller naam te spreken.Voor de eerste en eenige maal in onze geschiedenis was een gewichtige beslissing met bliksemsnelheid genomen. Twee korte proclamaties, en de souvereiniteit wasaangebodenen aanvaard. Dat kon alleen, omdat beide de aanbieder en de aannemer er door een langzaam maar diep werkende innerlijke bevinding van jaren op waren voorbereid. Welk een zegen dat Hogendorp's plan mislukt is en over deze zaak niet eerst gedelibereerd is moeten worden in een lijzige vergadering van Staten-Generaal, die, zóó samengesteld als Hogendorp ze gewild had, in 1813 niets meer had kunnen zijn dan een schimmenkraam. Was de daad revolutionnair? Ja, ten volle, wanneer men legitiem zou willen achten wat vóór 1795 had bestaan;—neen, wanneer men de ontwikkeling sedert 1795 in acht neemt, die zij bekroont en besluit. Was zij nationaal? Weerom ten volle, en meer zeker dan die van 1572, die, hoeveel libertijnen zich ook aangesloten mogen hebben, toch merkbaar het werk eener kleine calvinistische minderheid is geweest.Ik zou de klasse of secte niet kunnen noemen, die zich bij dit heilrijkste werk van 1813, de uitroeping tot de souvereiniteit, met eenig opzet op den achtergrond zou hebben gehouden. Individuen hadden het gedaan in de eerste dagen van den opstand, 't zij uit vrees voor, 't zij uit trouw aan den Keizer. Maar de vrees was afgelegd na Molitor's ontruiming van Utrecht, aan de komst van den Prins juist voorafgegaan, en die enkelen zooals Gogel en Verhuell waren op weg naar Parijs, of hadden zich opgesloten in een vesting.Uit het bovenstaande zal het duidelijk zijn, dat er in Tellegen's beschouwingen, in zijn tweede hoofdstuk opgenomen, vrijwat is dat mij voorkomt buiten de kern der zaak om te gaan.Ten onrechte, naar ik meen, neemt hij bij de Hollanders van 1813een streven aan om door de oprichting eener monarchie Europa te believen. De contra-revolutionnaire meening in Europa, die in 1813 niet ontbrak, maar volstrekt niet alleen aan het woord was (zie Duitschland), zou zich aan de restauratie ten onzent van bondgenootschappelijk vereenigde provinciën met een stadhouder evenmin gestooten hebben als zij het gedaan heeft aan het herstel der souvereine kantons in Zwitserland of der vrije steden in Duitschland. Het stuk vanNiebuhris dunkt mij in dit opzicht leerzaam genoeg.Wat Tellegen de onbepaaldheid der opdracht noemt is geen fout geweest maar een deugd. De Vorst werd door die onbepaaldheid evenmin een Keizer aller Russen als het Algemeen Bestuur dat geworden was door zijn eigenmachtig optreden van 21 November. De werkelijke macht van een Keizer aller Russen verkrijgt men alleen in Rusland krachtens een Russische geschiedenis van eeuwen, niet te Amsterdam door het bedrukken van een stukje papier. „Absolute” vorsten plegen zich ook niet bij de aanvaarding der souvereiniteit bij hun publiek half te verontschuldigen, zooals de Prins het in het stuk van 2 December doet; plegen niet van bedenkingen te spreken, die zij aan de wenschen der ingezetenen ten offer brengen. Bepaling had alleen kunnen voortkomen uit deliberatie, en deze was op dit oogenblik onnut en gevaarlijk. Het ieder uur, iedere minuut noodige: de zorg voor de verdere bevrijding van het land, mocht voor niets anders dan voor een snelle beslissing omtrent de hoofdvraag van al, de souvereiniteit, een oogenblik worden opgehouden.Hetconstitutioneelekoningschap is in de beide proclamatiën geen bijlapsel, waarin men in 's hemelsnaam om consideratiën maar berust: het is haar inhoud zelf, en het „zoo diep kon men niet gedaald zijn” had dus ongeschreven kunnen blijven. De publicatie van 6 December reeds kondigt de aanbieding eener grondwet aan „binnen weinige weken”.Het bondsstaatsgevaar, dat Tellegen na 2 December aanwezig acht, verrijst enkel uit de omstandigheid, dat hij een beperkt aantal officieele papieren als geschiedbron gebruikt en uit hun tekst gaat voortredeneeren, eer hij goed in de werkelijkheid is doorgedrongen die er achter ligt. Dat gevaar moet, in Tellegen's voorstelling, dan toch zeker van de heeren in den Haag komen, die hij tegenover Kemper stelt. En wat doet nu juist op 2 December het Algemeen Bestuur? De na Molitor's aftocht ten ontijde herleefde „provincie” Utrecht om hals brengen en haar Statencollege casseeren: tot de invoering der grondwet mag het oud-Utrechtsche gebied enkel zijn wat het sedert 1810 geweest is: een tweetal arrondissementen van het departement der Zuiderzee128).Gevaar had er gelegen in Hogendorp's opzet; het lag niet langer in wat er van kwam. De oude Staten-Generaal waren morsdood gebleken; de bestaande bestuursinrichting daarentegen springlevend. Zij had overal den schok doorstaan. Er waren eenige Fransche ambtenaren weggeloopen en door Hollanders vervangen, maar de geheele toestel stond 2 December precies even goed overeind als 15 November. Voor „Keizer” las men eerst „Algemeen Bestuur”, vervolgens „Souvereine Vorst”, voor minister „commissaris-generaal”, voor prefect eveneens „commissaris-generaal”, voor onderprefect „commissaris”, voormaire„president der provisioneele regeering”; voorEmpire français„Vereenigde Nederlanden”.De publicatie van 6 December is niet door Hogendorp gesteld maar door Falck, en doet niets dan den naam van den Staat overnemen zooals hij sedert 21 November in dagelijksch gebruik is. Na het nachttafereel van 30 November te Amsterdam maken Kemper en Scholten zelf bekend, dat het volk den Prins heeft uitgeroepen tot „Souverein en Vorst der Vereenigde Nederlanden”, en zij hebben voorzeker geen bondsstaat gewild. Dat Kemper in zijn stuk van 1 December „Nederland” schrijft is niettemin opmerkelijk: hij geeft aan de nieuwe zaak een nieuwen naam, terwijl de algemeenheid de overbrenging van den historischen naam op de nieuwe zaak verkiest. Dit is het verschil, en ik cijfer het belang daarvan niet weg. Maar het gebruik van den term „Nederlanden” sluit volstrekt niet in dat men een bondsstaat bedoelt; evenmin als de term „Staten-Generaal” in Hogendorp'sSchetseen congres van gezanten van souvereine lichamen aanduidt, zooals voor 1795 had bestaan: „de Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele Nederlandsche Volk”129).

In afwijking van Tellegen moet worden geopperd dat het hier wèl de plaats is, het feit der verheffing in bijzonderheden na te speuren. Zonder juist begrip dier bijzonderheden zal er altijd iets aan het begrip van het vervolg ontbreken.

Oranje's verheffing tot de souvereiniteit bij volkskreet ishetfeit van 1813, en de oorzaken laten zich wat hooger ophalen dan Tellegen heeft beproefd.

Het feitelijk bestaan der souvereiniteit is aan twee voorwaarden gebonden: aan de aanwezigheid van iemand die haar dragen wil, en van anderen die haar willen erkennen. Die voorwaarden bleken vervuld in 1813; waarom eerst toen en niet eer?

Ruimte voor de souvereiniteit van het huis van Oranje was er reeds lang geweest; eigenlijk van het begin van den opstand tegen Spanje af. Zij was ook in de maak toen Prins Willem werd vermoord; na dien tijd heeft zij zich nimmer kunnen vestigen. De redding van den opstand is het werk geworden niet van de Nederlandsche generaliteit, maar van het Hollandsche particularisme; en de Republiek der Vereenigde Nederlanden is de uitkomst geweest van dit particularistisch streven. Een staat sterk in de deelen, zwak in het verband; waarin het verband eigenlijk in niets anders bestond, dan in het gemeenschappelijk religiebelang en in de gemeenschappelijke verhouding tot het huis van Oranje.

De religieband werd zwakker, naarmate de religie minder bedreigd raakte. De Republiek overwon haar vijand; zij werd als zelfstandigestaat erkend. Toen werd het tijd, het oorlogsnoodbehelp te wijzigen naar den stand van vrede. Het lot heeft gewild, dat toen nogmaals het Hollandsche particularisme de leiding heeft moeten nemen; de Prins was dood; zijn opvolger een ongeboren kind.

Die omstandigheid van het eerste stadhouderloos tijdvak heeft op de ontwikkeling der positie van het Oranjehuis in Nederland een rampzaligen invloed gehad. Oranje, voor het volksgevoel altijd bekleed gebleven met die Hooge Overheid, welke eenmaal den eersten Willem voor den duur van oorlog was opgedragen, had voor het eerst geen officieele betrekking meer tot het landsbestuur. Zijn positie kon niet langer versterkt worden langs regelmatigen, moest integendeel eerst hersteld worden langs revolutionnairen weg.

Het gevolg is geweest, dat de geavoueerde ambitie van het huis als maximum der wenschen het herwinnen van het verlorene ging opgeven; het herstel in reeds vroeger bezeten, niet de verheffing tot hooger waardigheid.

Willem III voelt die verheffing onder zijn bereik liggen; hij grijpt niet toe. Zij zou afgedwongen kunnen zijn in Juli 1672, zooals het herstel in het stadhouderschap afgedwongen is; maar de massa had geen oog voor de noodzakelijkheid van nieuwe vormen, en de Prins wist het wezen van het oppergezag te besluipen ook zonder aanneming van den naam daarvan.

De republikeinsche instellingen werden niet openlijk aangetast; zij werden gedenatureerd. Wat hem over de moeilijkheden die zij hem in den weg legden heen hielp, was enkel corruptie.The world's great patriotis tevreden geweest dat het Nederlandsche werktuig hem diende, en onverschillig, hoe het in zijn handen versleet. De wereldbelangen laten hem zelfs geen tijd, te zorgen dat bij zijn kinderloosheid althans de opvolging in het stadhouderschap verzekerd zij.

Na 1702 wordt, in het eigenlijke Holland, Oranje een mythe; het is geen realiteit meer. Het is er ver vandaan, dat de cultus aanstonds op den Frieschen tak zou zijn overgebracht. Als in 1734 Willem IV na zijn huwelijk, met een koningsdochter nog wel, op de doorreis in een Rotterdamsch logement zijn intrek neemt, loopt er nauwelijks iemand uit om den „Prins van Friesland”, zooals men hem noemt, te zien.84)De Fransche inval van 1747 is noodig om de langdurige propaganda van Bentinck van Rhoon en anderen eindelijk vrucht te doen dragen. De Prins van Friesland wordt de Prins,tout court. Maar het staat te bezien of de beweging er niet ruim zooveel eene is tegen het oligarchisch bederf als vóór zijn immers weinig bekende persoon. Het stadhouderschap werkt nog éénmaal als een tooverwoord, maarhet is de laatste maal. Als Willem IV buiten staat blijkt de hem in den schoot gelegde voorrechten aan te wenden tot duurzame beveiliging van eenig volksbelang welk ook, verliest hij de affectie der betere klasse en behoudt nog slechts die der heffe.

En de gelegenheid ware in 1748 zoo gunstig geweest! De kracht der tegenpartij was gesloopt lang vóór zij ten val werd gebracht: al wat er voortreffelijks was geweest in de Hollandsche staatkunde van Oldenbarnevelt, eerbiedwaardigs nog in die van Jan de Witt, behoorde onherroepelijk tot het verleden. Het „eiland” Holland85)was tot zijn particularisme eerst wel gedwongen geweest, toenLeicesterde generaliteit te gronde hielp; het had er in volhard door de ervaring van den fabelachtigen voorspoed, waarmede het eigen krachtsinspanning had beloond gezien. Die voorspoed taande sedert het einde der zeventiende eeuw. Holland had behoefte gehad aan een vrijen armzwaai, zoolang het nog, in economischen zin, op verovering uitging. Wat het won, kon eenmaal allen ten goede komen, maar het kon alleen winnen bij een groote mate van zelfstandig gezag, niet slechts van Holland, maar van de steden in Holland, en in die steden van de bezitters van het handelskapitaal. Zij hadden moeten woekeren met de exceptioneele gelegenheid die zich in de wereld der zestiende en zeventiende eeuw, tusschen den val van Antwerpen en de opkomst van Londen en van Hamburg, voor den Hollandschen ondernemingsgeest had opgedaan. Thans was er nog slechts spraak van verdediging en behoud. Het door de deelen gewonnene moest tot nationaal kapitaal worden gemaakt, en de leiding hierbij behoorde aan een centrale autoriteit, die steun zocht niet bij de weinigen die onteigend, maar bij de velen die gediend moesten worden.

Dat men in Willem IV ontgoocheld werd is gewroken aan zijn zoon. Een ideaal van staatshervorming ontstaat, waarbij het huis van Oranje aanhangsel zal zijn in plaats van middenpunt. In de formule der patriotische Acte van Verbintenis van 1786: volksregeering bij representatie, met een daaraan ondergeschikt Erfstadhouderschap, valt de volle nadruk op de volksregeering. Het volk, dat wil in 1786 in waarheid zeggen de onderwezen, gezeten burgerij, stelt zich als erfgenaam van alle machtsaanspraak der oligarchie, ook tegenover het huis van Oranje. Het wil behouden de oude bondgenootschappelijke regeering, mits de organen daarvan niet langer zullen aangevuld worden bij coöptatie, maar bij volkskeuze. Een- en ondeelbaarheid der Staatsmacht staat volstrekt niet op het programma; dit punt is eerst van de Franschen afgezien.

Het is bekend, dat de afloop van den patriottentijd het huis van Oranje bij de Nederlandsche hervormingsgezinden in een doodelijken haat bracht. Die haat is ouder dan de Fransche Revolutie en door de inwerking van die Revolutie volstrekt niet vermeerderd. Integendeel, de minst bevooroordeelden onder de Nederlandsche revolutionnairen hebben zeer goed ingezien dat juist de nabootsing der Fransche revolutie in Nederland voor het huis van Oranje een nieuwe toekomst openen kon. Wij zien Valckenaer in 1791 eene constitutie ontwerpen waarin aan Willem V de plaats is toegedacht die de Fransche staatsregeling van dat jaar aan Lodewijk XVI overlaat.86)Er is geen bewijs dat het plan tot het hof is doorgedrongen, maar al zou het, Willem V hadde het antwoord gereed gehad. Een constitutioneel koning, heeft hij bij eene andere gelegenheid gezegd, is een koning wiens hoofd onder de valbijl komt.87)Een woord dat toont hoe weinig hij verwachtte van de zelfstandigheid die eene Nederlandsche revolutie tegenover de Fransche zou weten te bewaren. En onze Stadhouder had daarin geen ongelijk. De constitutie van Valckenaer was niets dan copie uit de teekenzaal, en copie naar een reeds het volgende jaar in den hoek gesmeten voorbeeld.

In Frankrijk vestigt zich de Republiek en verklaart onzen Stadhouder den oorlog; wat er van Nederland worden zou hing van de wapenen af, die in 1795 hebben beslist.

Het Schrikbewind was toen voorbij, moderatie in Frankrijk het wachtwoord geworden. De Jacobijnen hadden alle idealisme lang verloren; zij hechtten meer aan bezit dan aan leuzen. Ook in hunne behandeling van Nederland kwam dat uit.SiéyèsenRewbellzorgden beter voor het spekken van de Fransche krijgskas dan voor de zuivere reproductie van den Franschen staatsvorm. Eigenlijk liet men, een paar jaar lang, de geheele Bataafsche constitutie aan de Bataven over, en heeft eerst ingegrepen toen uit de mislukte pogingen der verschillende Bataafsche partijen een anarchie ontstond die gevaar opleveren kon voor buitenlandsche inmenging en orangistische reactie. Genoodzaakt tot de keus, welke van de partijen der Bataafsche Conventie men tot de waardigheid van Fransch werktuig zou verheffen, koos men die van Vreede en Fynje die de sterkste machtsbegeerte had en de minste gewetensbezwaren. Zij voerden het militair spektakel op, waaraan wij de invoering der staatsregeling van 1798 te danken hebben gehad. Te danken waarlijk, want ook de gebrekkigste constitutie was toen te verkiezen boven in het geheel geene.

Eigenlijk was men het over de hoofdpunten die de Nederlandsche staatsregeling zou moeten inhouden al lang eens, maar het eigenaardig Nederlandsch gemis aan vormkracht en besluitvaardigheid, de stroefheid die onze politieke vergaderingen altijd gekenmerkt heeft, hadden telkens weer de conclusie verhinderd. De opheffing der provinciale souvereiniteit, de eenheid in de volksvertegenwoordiging en in het hoog bestuur, het amalgama der schulden, de scheiding van Kerk en Staat, de emancipatie der Katholieken en der Joden, de vervanging van de uitvoerende collegiën door ministers;—alle punten dus waar voor Nederland de revolutie in heeft bestaan en waarvan ook nimmermeer is afgeweken88), waren reeds door de eerste Nationale Vergadering gedecreteerd, maar men was er niet in geslaagd van de onderscheiden deelen een machine te bouwen die loopen kon;—en een machine moest er zijn! De geheele natie was hier zóó van overtuigd, dat de eerste gewaarwording na den 22sten Januari 1798 er algemeen eene was van verademing. Dat men de constitutie op deze wijze had moeten ontvangen was een gevolg van eigen dralen en slofheid; nu had men ze dan en opponeerde er niet tegen. Waartegen men in verzet kwam was de aanmatiging der kliek die haar ingevoerd had, en die haar schaamteloos trachtte te exploiteeren ten eigen bate. Tegen het operettebewind van Vreede, Fynje en van Langen had den 12den Juni een samenloop van de fatsoenlijke lieden plaats, en niets bleek gemakkelijker dan het bewind omver te loopen zoodra de zekerheid bestond dat Frankrijk het had losgelaten. Maar aan de constitutie werd niet geraakt; integendeel, mannen van den stempel van een Gogel beginnen thans eerlijk te beproeven haar van het papier in de werkelijkheid te doen overgaan.

In deze poging wordt men in 1799 verrast door den inval der Engelschen en Russen. Wij hebben gezien, dat Nederland toen zeer ernstig op het behoud van de grondslagen der omwenteling gesteld bleek, en Oranje niet terug begeerde dan met behoud daarvan89).

De praktijk der nieuwe staatsregeling viel overigens lang niet mede. Men had het wetgevend vermogen der volksvertegenwoordiging ver overschat. De staatsregeling ging van de onderstelling uit, dat het Bataafsche volk als zoodanig in alles reeds een collectieven wil had:elke nauwere vereeniging van gelijkgezinden, om voor hun deel dien wil op te voeden en uit te drukken, werd uitgekreten voor factie. Het natuurlijk gevolg was de onmacht van het vormloos gelaten geheel. Het Vertegenwoordigend Lichaam verdronk in de duizend kleinigheden, die tot dusver door de provinciale en locale lichamen waren bedisseld; het bracht den tijd zoek met voorloopige besluiten over dorpsbelangen, terwijl de gewichtigste organieke wetten, zonder welke geene staatsregeling iets beduidt, òf in de pen bleven, òf mislukten. Verordeningen kwamen tot stand op de runderpest en de haringvangst; maar geen eenheid van belastingen, geen eenheid van recht, geen inrichting der burgerlijke gemeenten, geen systeem van nationale opvoeding. De staatsregeling had bevolen dat dit alles en nog veel meer gereed moest zijn binnen zeer korten termijn, maar het werktuig van wetgeving, door die staatsregeling in het leven geroepen, bleek reeds totaal versleten eer het nog eenig werk van blijvenden aard had tot stand gebracht. In Frankrijk had zich hetzelfde verschijnsel voorgedaan: er was geen reactie tegen de grondslagen zelve der revolutie, maar een volstrekte vermoeienis en onvruchtbaarheid der uit de massa voortgekomen vertegenwoordigende lichamen. In plaats van een oppermachtig „volk”, wenschte men, in het belang van de bevestiging der Revolutie zelve, voortaan een oppermachtig bestuur. Het vestigt zich in den persoon van den Eersten Consul. Ook Nederland heeft dien koers te volgen. Maar aan wien hier de bestuursmacht op te dragen? Voor een militaire dictatuur, als in Frankrijk, ontbreekt hier de stof. Napoleon zocht dus in Nederland aansluiting bij de elementen die, in de vóór-revolutionnaire kaders, ervaring van de bestuurstaak hebben opgedaan: bij de regenten. Door het herstel der in 1798 tot onherkenbaar wordens toe verknipte provinciën, door het afschaffen der politieke geloofsbelijdenis die tot dusver voorwaarde was voor de uitoefening van politieke rechten, wordt het mogelijk een zeker aantal oude aanzienlijken met de besten van het revolutionnaire personeel in nieuwe bestuurslichamen te vereenigen. De Revolutie zal zoo worden „genationaliseerd”, een woord dat in de staatkundige programma's van omstreeks 1800 aanhoudend terugkeert. Eene contra-revolutie wordt niet bedoeld, maar een maatschappelijke reconstructie. Men wenscht de kringen die door afkomst, fortuin, kennis, ervaring uitmunten, niet langer van de Revolutie verwijderd te houden. Het herstel van de provinciën onder de oude namen en met de oude grenzen is in deze kringen inderdaad als een gewichtige concessie aanvaard. Maar zij keeren niet als souvereine lichamen terug, enkel als departementen met meer huishoudelijk gezag dan de departementen der constitutie van 1798. Na eenige aarzeling laten zich deaanzienlijken vinden. Het wordt vrede in Europa, en ieder richt zich op den nieuwen toestand in. Zoo doet ook het huis van Oranje dat in onderhandeling treedt met Napoleon over een schadeloosstelling voor het verlies van het Stadhouderschap. Een brief van den ouden Prins geeft kennis, dat hij niemand weerhouden wil een ambt te aanvaarden onder het nieuwe bewind.90)

Toen Napoleon de constitutie van 1801 aan Nederland gaf, rekende hij op een tijd van vrede. Die vrede kwam ook tot stand, en daarmede de mogelijkheid van opleving der Nederlandsche welvaart. Maar reeds na een jaar brak de oorlog weer uit. De Keizer verlangde dat wij daaraan actief deel zouden nemen en op groote schaal ons zouden toebereiden tot het ondersteunen der beoogde landing in Engeland. Tot die hartelijke medewerking was het Staatsbewind niet bereid. Het verafschuwde den oorlog evenals het geheele volk, en had het onmogelijke beproefd om neutraal te mogen blijven. Het worstelde bovendien met groote financieele moeilijkheden. De oude Republiek (generaliteit, provinciën, Oost- en West-Indische Compagnieën, admiraliteiten) had 760 millioen gulden schuld nagelaten, en sedert 1795 was daar nog 366 millioen nieuwe schuld bijgemaakt. De begrooting voor 1804 wees 71 millioen aan uitgaven aan tegen minder dan de helft aan inkomsten. De gewone inkomsten, 33 millioen, voldeden niet meer tot de rentebetaling alleen, die 34 millioen vorderde91). Eigenlijk had dus de Staat bankroet moeten gaan zooals Frankrijk gedaan had, dat zijne schuld had getiërceerd. Maar tegen deze schending der publieke trouw zag het Hollandsche geweten op; zulk een maatregel was ook nimmer te verwachten van eene regeering waarop de renteniers zulk een invloed hadden als op die van het Staatsbewind. Wilde men aan de door Napoleon aanbevolen tiërceering ontkomen, dan was de eenige redding gelegen in de onverwijlde schepping van een nationaal belastingstelsel, dat de kleinere provinciën aan belastingen onderwierp van minstens gelijke zwaarte als die Holland sinds lang had gedragen. Al teerde ons volk op zijn oud vermogen in, vele particulieren waren nog rijk; het gold nu middelen te vinden om het geld te halen waar het was. Ook tot deze hervorming wist het Staatsbewind, beheerscht als het was door provinciale en plutocratische invloeden, zich niet te vermannen, en Napoleon schafte daarom de aanzienlijkenregeering af en beproefde het met een eenhoofdig bestuur, eerst nog dat van een Nederlander. Hij gaf Schimmelpenninck volstrekte koningsmacht, onder den bij die macht niet passenden titel van Raadpensionaris.

De stilstand, door de staatsregeling van 1801 in den loop der Revolutie veroorzaakt, komt daarmede aan een eind. De eenheid van belastingen en de nationale schoolwet worden aanstonds tot stand gebracht; de eenheid van recht krachtiger voorbereid dan te voren. Maar Schimmelpenninck kan al dat goeds verrichten alleen omdat en zoolang hij den Keizer behaagt. Hij is in zijn ambt gesteld opdat er kracht zal worden bijgezet aan de expeditie tegen Engeland. Na de nederlaag vanTrafalgarechter ziet de Keizer in dat hij in geen jaren het Kanaal zal beheerschen, en verandert van tactiek. Engeland zal worden uitgehongerd, nu het niet kan worden besprongen. Daartoe is noodig de volstrekte beheersching van het vasteland, opdat alle havens voor den Engelschen invoer kunnen worden gesloten. Deze verandering van tactiek bracht den nekslag toe aan wat er nog over was gebleven van de Nederlandsche onafhankelijkheid. Zoolang het landingsplan bestond, was het in Napoleon's belang dat er een bevriende Bataafsche Republiek in wezen bleef: geen meester zijnde van het nauw van Calais, kon hij de Nederlandsche havens niet gebruiken als operatiebasis van zijn eigen oorlogschepen, en moest dus wel genoegen nemen met een zij het zwakken waarborg, dat onze havens en werven althans niet geheel ongebruikt zouden worden gelaten. Bij een frontaanval tegen Engeland kon een zelfstandige Bataafsche Republiek eenige diensten bewijzen; in het uithongeringssysteem was haar zelfstandigheid erger dan onnut: douaniers kon hij immers naar Nederland zenden zooveel hij wilde. Hij zendt er in 1806 een van keizerlijken bloede: zijn eigen broeder Lodewijk.

Het eigenaardig verschijnsel doet zich voor, dat het Nederlandsche volk de eenhoofdige regeering van een Fransch prins aanmerkelijk beter verdragen heeft dan die van een Nederlandsch burger92). Voor Schimmelpenninck en zijn lijfwacht heeft men slechts spot over; den Bonaparte komt men buigend tegemoet. Men ziet in hem het eenig overgebleven voorbehoedmiddel tegen tiërceering en conscriptie. Napoleon zou er in hebben toegestemd dat de Nederlandsche couponknippers van het eene, de Nederlandsche huismoeders van het andereschrikbeeld bevrijd bleven, mits er maar een ondoordringbare muur tegen den Engelschen invoer werd opgericht. Maar hieraan haperde het: „empêchez donc la peau de transpirer”, roept Lodewijk in wanhoop uit na een der ontelbare keizerlijke verwijten. Hij was geheel ongeschikt voor het ambt dat zijn broeder hem opgelegd had. Zelf een zwak, door en door welwillend man, had hij behoefte aan eene stemming van welwillendheid om zich heen; hij wilde niet tegen nationale wenschen en belangen ingaan. Hij vergat dat hij Koning van Holland was bij de genade van een ander. Na vier jaar heeft hij afgedaan en neemt de Keizer het besluit, ons direct te regeeren. De tiërceering komt mee, en ook de conscriptie.

Intusschen was de onder Schimmelpenninck weder opgevatte moderniseering van het maatschappelijk gebouw onder koning Lodewijk voortgezet. Een nationaal strafwetboek, een burgerlijk wetboek (adaptatie van den Franschencode civil), een wetboek van koophandel, een nieuwe rechterlijke organisatie waren gereed gekomen en reeds ingevoerd of stonden op het punt het te worden. In plaats van de collegiale regeering in departement en gemeente was die van landdrost en burgemeester getreden, naar het Fransche voorbeeld afgezien. Eene wetgeving was in voorbereiding die de kerken onder streng opzicht zou gebracht hebben van den Staat. Op al deze punten beteekende dus de inlijving bij Frankrijk niet de onderwerping aan een geheel vreemd regime. Nieuw waren de militaire dienstplicht en het scherpe politie- en douanetoezicht; nieuw was bovenal de ondervinding, dat in den publieken dienst zwaar werk werd verlangd. De gewoonte van het gemoedelijk „besogneeren” onder een pijp tabak had de collegiën der Republiek overleefd; thans leerde men het „dienstdoen” van den modernen ambtenaar. De Fransche directeurs en prefecten houden niet op zich over de laksheid en eigenwijsheid van hun Hollandsche ondergeschikten te beklagen; zij prikkelen hen aanhoudend tot meer onafgebroken, sneller en vooral machinaler werkzaamheid. Onderwijl treedt een belangrijk deel der Hollandsche jongelingschap in de harde militaire school des Keizers. Voor zoo verweekelijkte naturen, die den krijgsdienst hadden leeren beschouwen als een werk dat men aan arme drommels van vreemdelingen overliet, geen slechte school. Niet slechts „het volk” moest er aan gelooven, maar ook de burgerklasse, die in dezen tijd van toenemende berooidheid geen geld had een remplaçant te koopen. Slechts de rijken kwamen vrij, en Holland was in last toen, in 1813, ook zij werden opgeroepen om te dienen alsgarde d'honneur.

Het was niet zoo erg, dat de Hollanders in dezen tijd wat armer werden. Waar hadden zij hun rijkdom toe gebruikt? Aan de natie als geheel was die weinig ten goede gekomen. De Staat was steedsberooid gelaten; in de nijverheid was weinig geld gestoken; ook niet in de koloniën die door de compagnieën zeer gebrekkig werden ontgonnen en waar het volk in zijn geheel niet de minste kennis van had en zich niet om bekommerde. Holland was bovenal een geldmarkt geworden voor vreemde staten, waarvan er thans verscheidene niet betaalden. Ook had het tot 1795 nog een aanzienlijk aandeel gehad in de Europeesche vrachtvaart, maar die lag nu stil, en Holland verloor één voor één zijn oude connecties en zou, als de zee weer open kwam, zich opnieuw een positie in de handelswereld moeten veroveren. Wat er nog omging was dobbelspel aan de beurs en smokkelarij in het goederenverkeer. De hooge graanprijzen maakten den landbouw tot een voordeelig bedrijf, maar de groote Hollandsche steden raakten in diep verval. De huizen te Amsterdam deden in 1813 de helft van den prijs van 1800. Bij honderden werden de huizen daar afgebroken, 't zij om de belasting te ontgaan, 't zij uit speculatie, om de materialen aan te bieden in de Belgische departementen waar landbouw en nijverheid bloeiden en naar huizen veel vraag was. In Leiden, Delft, Haarlem vooral, had hetzelfde plaats. Langs de Vecht werden de buitens gesloopt; men maakte er weiland van. In 1813 werden te Amsterdam minder dan het derde deel van het getal luxepaarden gehouden dat voorkwam in 181093). De familiën die een etablissement in de stad hadden gehad en een op het land, hielden slechts één van beide meer aan. Men schafte zijn bedienden af. Het aantal bedeelden nam toe, terwijl door de tiërceering de middelen der gestichten sterk waren verminderd. Doch dat de weelde zoo afnam was lang geen onverdeeld kwaad, ook niet de politieke onteigening die de vroeger heerschende geslachten hadden ondergaan. Men was niet langer, als men zekeren familienaam droeg, van de geboorte af verzekerd van een fatsoenlijk bestaan; men verleerde, een eerlijke broodwinning te verachten. De volkseenheid werd bevorderd door de omstandigheid, dat wat er van den nationalen rijkdom overbleef, meer gelijkmatig over de provinciën werd verdeeld. Er vloeide geld uit Holland weg dat, tenminste voor een gedeelte, werd aangelegd in de landprovinciën, die toenamen in welvaart, in bevolking, in bekendheid. De mooie plekjes in Gelderland kwamen in trek als woonkwartieren.

Nederland deed zijn nieuwe intrede in de rij der natiën als een land dat veel geleden had; dat sterk verkleind was in naam, in geld, in aanzien. In veel opzichten moest het van voren af aan beginnen, niet zonder betrekkelijk goede kansen evenwel: het had zijn ligging, zijn bodem, zijn sober, eerlijk volk; het had naast minder goede, ookeenige voortreffelijke traditiën. En het was door de Revolutie van veel overtolligs en schadelijks bevrijd: van een onmogelijke staatsinrichting, die in den harden strijd der moderne concurrentie dien men tegemoet ging, volstrekt onbruikbaar zou zijn gebleken; die eigenlijk uitgediend had al de geheele achttiende eeuw door, maar wij zelf hadden er ons niet af weten te helpen. De Revolutie had ons een nieuwe bewerktuiging gegeven, en wij hadden het geluk dat een Oranjevorst gereed stond om den troon te beklimmen waar Napoleon van werd afgebonsd.

Want hierop komt de zaak neer. Wel mocht Gijsbert Karel in zijn oranje-boven-biljet schrijven: „de oude tijden komen weerom”, het publiek dacht daarbij aan den koophandel en geenszins aan den regeeringsvorm. Zelfs Gijsbert Karel wilde niet naar de jaren vóór 1795 terug, maar naar een verder verleden: hij wilde een toestand scheppen zooals had kunnen ontstaan wanneer in de zestiende eeuw òf onze wettige vorst hervormd ware geworden òf Prins Willem souverein ware gemaakt eer hem de kogel trof. Tenminste, hij verbeeldde zich dat. In werkelijkheid heeft, behalve herinneringen uit het nationaal verleden, vooral de aanblik der Engelsche instellingen zijne pen bestuurd94).

Tellegen doet, naar mijn smaak, in een boek datDe Wedergeboorte van Nederlandheet, Gijsbert Karel te summier af. Wij zien hem in 1913 grooter dan men het in 1884 deed. Ruimen wij hem de plaats in waarop hij naar ons oordeel recht heeft.

Zijn jeugd is door Fruin beschreven in een zeer bekend opstel95). Door geboorte, opvoeding en belang tot de Oranjepartij behoorende, zich in den strijd van '87 voor den Prins ijverig te weer stellende, was Gijsbert Karel door den loop dien de oranje-restauratie nam niettemin diep teleurgesteld. Hij had een toenadering tusschen Prins en volk gewild, geen overgave van den Prins aan het behoud. Hij had voorspeld „de naderende volksregeering”, die men niet moet willen ophouden, maar door hervormingen den weg banen. „In de tegenwoordige tijden”, schrijft hij in 1793 aan van de Spiegel, „kan geen Regeering iets goeds uitwerken, zonder de liefde en het vertrouwen der ingezetenen”, en hij wist dat de regeering der Republiek dat vertrouwen niet meer bezat. De gebeurtenis van 1795 heeft hem niet zeer verrast. Hij was geen hoveling; heeft er geen oogenblik over gedacht, Oranje in de ballingschap te volgen. Aanstonds na de verwijdering uit zijn ambt begrijpt hij dat hem voortaan geen roloverschiet dan die van „citoyen utile”96). Anders dan zijn standgenooten, die pruilend bijeenhokten, voegt hij zich onder de bedrijvige massa. Door den dood zijner schoonmoeder de beschikking krijgende over een groot vermogen, verhuist hij naar Amsterdam en wordt simpel koopman; maar niet tot zijn profijt. In 1806 betrekt hij het buitengoed Adrichem bij Beverwijk en houdt er zich bezig met studie en met de opvoeding van zijn talrijk kroost. In 1809 verhuist hij, om de kinderen, naar den Haag. Met uitzondering van één enkel oogenblik, bij zijnVerklaring aan het Staatsbewind, wordt hij in de politieke geschiedenis van het land in al die jaren niet genoemd. Een onbewogen uiterlijke levensgeschiedenis. Des te belangrijker is de innerlijke.

De heilstaat zooals hij over ons gebracht was, op de spits van vreemde bajonetten, moest een trotsch gemoed als het zijne met minachting en afgrijzen vervullen. Dat het oude tot onbruikbaar wordens toe versleten en dus terecht bezweken was, ontging hem niet, maar de nieuwe bouw had, om op zijne beurt duurzaam te zijn, een werk moeten wezen van eigen vinding en geen slaafsche navolging van vreemde modellen. Hoe juist maakt hij de balans van zijn tijd op, als hij, niet blind voor haar groote deugden, in haar nadeel boekt, dat zij, als maatschappelijk ideaal, den „homme de bien” verruild heeft voor den „habile homme”; dat zij als regel volgt: „ne parvenir au cœur que par la voie de l'esprit”; „fonder le bonheur de l'homme sur l'usage de sa seule raison”97). Het gevolg? „Mille raisonneurs contre un homme vertueux; chacun veut être un homme universel”.—„Quelle estla passion qui s'éveillerapour maintenir le gouvernement philosophique, et pour le défendre contre toutes les passions religieuses qu'il persécute également? Quel parti du peuple, rendu à la paix et à quelque repos, le soutiendra?... Parmi tous les reproches qu'on peut lui faire, celuidu manque absolu de caractèreest le plus fondé”.98)

Eén doel is hem na 1795 steeds bijgebleven: de natie, door haar weder voedsel te doen zoeken in het eigen verleden, te redden van den ondergang. Afgesneden van den stam waarop zij was gegroeid, zou zij verwelkt zijn. Gijsbert Karel, die meer dan één ander onze achttiende eeuw aan onze negentiende verbindt, is zich, bij alle ontwikkeling van denkbeelden, bij alle aanpassing aan nieuwe vormen, in wezen verwonderlijk gelijk gebleven.

In 1795 is hij niet zonder hoop, dat, bij de eerste groote overwinningder geallieerden, de Franschen, als in 1793, ons land weer zullen moeten ruimen. Het oude mag dan niet terugkeeren. In den zomer van dat jaar stelt hij zijne gedachten op het papier omtrent de veranderingen, die in zoodanig geval in de Unie behooren te worden aangebracht. De familietrek met de latereSchetsis onmiskenbaar.

Als grootste gebrek, dus ongeveer het stuk,99)heeft de ondervinding doen kennen de ontstentenis van een krachtig algemeen bestuur. Dit dient gevestigd in een Stadhouder, die in een constitutioneele betrekking moet komen tot het geheel der Republiek en niet meer uitsluitend tot de provinciën afzonderlijk. Onder den Stadhouder zullen ressorteeren de volgende departementen van algemeen bestuur: financiën, landmacht, marine, koloniën, buitenlandsche zaken. Ten opzichte van al deze onderwerpen zullen de provinciën afstand doen van de Souvereiniteit, die zij voor justitie en binnenlandsche zaken onverkort behouden, met dezen verstande evenwel dat een Hooggerechtshof der Unie wordt ingesteld om overtreding van de wetten en besluiten der algemeene regeering te straffen. De wetgevende macht zal ten opzichte van al de opgenoemde zaken die aan de Unie zijn afgestaan, worden uitgeoefend door de vergadering der Staten-Generaal, waarvan een ambtenaar onder den titel van Raadpensionaris (titel die dus voortaan een Unie-ambt zal aanduiden) „het beleid” hebben zal. In de Staten-Generaal zal hoofdelijk worden gestemd zonder ruggespraak met de committenten, die evenwel na een zeker aantal jaren de beslissing zullen hebben over de al of niet-vernieuwing van het mandaat. De Provinciale Staten vaardigen ieder een zeker aantal leden af in de verhouding van het aandeel der provincie in de algemeene lasten. De Generaliteitslanden zullen in de algemeene landsvergadering vertegenwoordigd zijn.

Over het gewichtig punt van de samenstelling der Provinciale Staten zwijgt het stuk; in zijn systeem terecht, daar het een memorie over de herziening eener unie tusschen souvereine gewesten is, en dus de samenstelling der gewestelijke vertegenwoordiging een huishoudelijke zaak blijft. Doch reeds tijdens de patriotsche troebelen had Gijsbert Karel de vestiging voorgestaan van een regelmatigen volksinvloed op de samenstelling der gemeentelijke, en daarmede der provinciale vertegenwoordiging, en uit een ontwerp van 1799–1801 blijkt, dat hij dit denkbeeld thans niet minder aanhing.

Dit stuk van 1799–1801100)werd opgezet naar aanleiding van deleiding der Engelschen en Russen, doch eerst later in definitieven vorm gebracht na kennisneming van het veel beperkter ontwerp van Uniereform, door van de Spiegel in 1799 te Lingen opgesteld.101)Het is een omwerking van het opstel van 1795 in artikelvorm, met bijgevoegde memorie van toelichting. De Stadhouder heet thans Erfgouverneur, en heeft het karakter van onschendbaarheid. In plaats van vertegenwoordiging der provinciën naar de bijdragen in de algemeene lasten, komt vertegenwoordiging naar de volkrijkheid. Een aanhangsel geeft de veranderingen op die de constitutiën der provinciën noodzakelijk zullen moeten ondergaan. In de Provinciale Staten zal worden gestemd bij meerderheid; behalve de steden zullen ook de dorpen er vertegenwoordigd zijn; in alle steden en dorpen waar de bevolking zeker getal te boven gaat, treden kiescollegiën op. „De kiezers behoeven slegts den Christelijken Godsdienst, zonder verder onderscheid, te belijden”.

Op dit stuk volgt 27 Oct. 1801 deVerklaring aan het Staatsbewind,102)waarbij Gijsbert Karel, nevens anderen opgeroepen zijn stem uit te brengen over de nieuwe staatsregeling van dat jaar, „alle constitutiën afkeurt welke niet het Huis van Oranje met de erfelijke waardigheid van Hoofd van den Staat bekleeden”. Voortaan zal, zegt hij, in het geval eener restauratie geen sprake meer kunnen zijn „van eene instructie voor den Prins, te geven door de Regenten, maar van eene Grondwet, met eene gelijk verbindende kragt voor Prins, Regenten en Volk.”

DeVerklaringverscheen op een oogenblik, dat op verwezenlijking van Hogendorp's denkbeeld minder kans was dan ooit. De Bataven kwamen al vaster aan de keten van den Eersten Consul te liggen, en Oranje zelf keerde zich door den nood gedrongen van Nederland af. De nieuwe belangen van het huis in Duitschland konden door het optreden van Gijsbert Karel slechts worden geschaad. De toezending van het stuk werd dan ook alleen door de Prinses met eenige hartelijke woorden, door den Prins met verlegenheid, en door den Erfprins in het geheel niet beantwoord. Hogendorp schikte zich in het onvermijdelijke en richtte, met den aanvang van 1802, zijn activiteit op andere dingen: hij begon zijn kolonisatieonderneming aan de Kaap, die hem, met andere onderwerpen van kolonialen en staathuishoudkundigen aard, in de eerstvolgende jaren geheel in beslag nam.

Het begin der regeering van koning Lodewijk opent tevens eene nieuwe levensperiode voor Gijsbert Karel, die in zijn handelsondernemingen groote verliezen had geleden en zich om financieele redenenop zijn buitengoed terugtrok, met opgeving van zijn etablissement te Amsterdam. Het nieuwe regime, aan welks levensvatbaarheid hij in 1795 en nog in 1801 niet had geloofd, begint zich meer en meer te vestigen. Moet hij er niet zijn plaats in zoeken (zooals al zijn standgenooten doen), in zijn eigen belang en dat zijner kinderen? De oude Prins was dood; het gevoel voor den Erfprins nimmer hartelijk geweest. Gijsbert Karel capituleert, dat is te zeggen niet met der daad, maar in zijne ziel. Hij is te trotsch om zich aan te bieden, en de koning is hem niet komen zoeken, maar als hij gekomen was, zou Gijsbert Karel zich tot een post van minister of staatsraad hebben laten vinden, en dat de koning niet kwam werd den dagboekschrijver van Adrichem tot een niet te verkroppen ergernis103). Tot hij zich overwon, de wereldsche zaken van zich zette, zich in den Haag vestigde nadat en omdat koning en regeering die stad verlaten hadden, en zich nogmaals, als reeds in de jaren vóór 1801, verdiepen ging in de studie der vaderlandsche historie. Het resultaat dier studie, deDiscours sur l'histoire de la Patrie104), zijn onontbeerlijk voor de kennis van den gedachtengang die deSchetsvan 1812 beheerscht, en die geen andere is als deze: een nieuwe Staat der Nederlanden mag niet de herleving der Republiek zijn, maar moet zijn normen zoeken in het monarchaal verleden105). De Republiek wordt als een afwijking beschouwd, alleen te rechtvaardigen uit de buitengewoonheid der omstandigheden van 1588, die in 1812 lang hebben opgehouden te bestaan. Dat reeds Maurits niet tot souverein is verheven wordt ernstig betreurd, en daarbij eene schets gegeven van de Nederlandsche monarchie zooals zij in 1618 en 1619 ware in te richten geweest: de souvereiniteit gevestigd in den Prins van Oranje; een constitutioneele adel; steden met kiescollegiën die er de regeering stellen; „à tous les bourgeois aisés le droit de nommerauscrutin ces électeurs...”; „une démocratie tempérée et très limitée à côté de l' aristocratie, pour empêcher celle-ci de dégénérer comme elle a toujours fait...”; „le pouvoir monarchique, aristocratique, populaire, sagement combinés...”; het is deSchetszelve van 1812, die hier aan den Maurits van 1619 wordt voorgeschreven. Het slot van het laatsteDiscoursklinkt als een belofte: „Les Princes d'Orange n'ont jamais voulu forcer la nation à leur conférer la puissance souveraine, mais ont attendu cet acte de sa gratitude et de sa conviction qu'il y alloit deson propre intérêt. Toute notre histoire postérieure n'est que le développement de ce principe....”

Er is dus, sedert 1795 en 1799–1801, een heel eind weegs door Gijsbert Karel afgelegd. Nieuw is in de stukken van 1812106)de verwerping van den republikeinsch-bondgenootschappelijken staatsvorm, die in de oudere ontwerpen nog was vastgehouden. „De natie”, schrijft hij in 1817 ter verklaring, „was door Koning Lodewijk aan een souvereinen Vorst gewend geraakt”107). De natie—niet ook Gijsbert Karel zelf? De opteekening zijner zielservaringen van 1806 en 1807 bewijst zonneklaar, dat ook voor hem de algemeene, gehoorzame erkenning van het monarchaal gezag in Lodewijk Napoleon een diepe beteekenis heeft gehad. Het koningschap, zij het van een vreemdeling, heeft voor hem niet meer, als de staatsvormen van 1798 en 1801, het karakter eener revolutionnaire nachtmerrie. Maar de koning laat hem ter zijde. Deze verwaarloozing, en de daarop gevolgde inlijving bij Frankrijk, geven hem aan zichzelven terug. Toch niet zonder dat zijn ziel zich bewust bleef van het, in de stilte van zijn Adrichem, eenmaal genomen besluit. Ook zelfbespieding kan invloed hebben op de ontwikkeling vanstaatkundigedenkbeelden, en bij Gijsbert Karel is dit ongetwijfeld het geval geweest. Hij werpt zich andermaal op de vaderlandsche geschiedenis om er de bevestiging in te lezen van wat hij zelf reeds gevoeld heeft dat worden moet.

Reeds de eerste redactie van deSchets(1812) heeft het woord „Koning” en volstrekt niet alleen ter wille van de fictie, dat het een stuk van 1806 zou zijn, geschreven vóór de komst van Lodewijk Napoleon. Dit bewijst, behalve de uitdrukkelijke verzekering van Hogendorp in zijne gedenkschriften dat het woord tusschen hem en de bentgenooten bediscussieerd en door hen eenstemmig goedgekeurd was108), reeds de omstandigheid dat de term onveranderd is gehandhaafd geworden in de tweede redactie, die geen gevaar meer liep van inspectie door de Fransche politie, en aan den Prins bij zijn komst is voorgelegd, wiens eerste aanteekening op den inhoud zou luiden: „de titel blijft [zooals hij inmiddels aangenomen was] Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden”109).

Hogendorp heeft zich hierin één gevoeld met het volk, dat bij instinct en unaniem begrepen heeft, dat men een Oranje geen lageren titel mocht toeleggen dan men een Bonaparte had laten voeren. Alsin het voorjaar, tijdens de reis van Gevers, het gerucht zich verbreidt van het onderweg zijn van Willem VII, moet hij het zijn als Koning van Holland; men wil zijn beeldenaar met dat randschrift op medailles gezien hebben waarvan ieder den mond vol heeft maar die niemand vertoonen kan,110)gelijk er dan ook geen enkel exemplaar ooit van is voor den dag gekomen. De Bijltjes zingen te Amsterdam: „Leve Willem de Eerste onzen Souverein, de Prins moet Koning van Holland zijn”, en als hetStaatkundig Dagblad van de Zuiderzee, waarin, met machtiging van Kemper en Scholten, die Kattenburger deun is afgedrukt, op het ziekenhuis te Utrecht ontvangen wordt, gaat, blijkens bericht van den administrateur, onder verpleegden, dokters en assistenten gelijkelijk de kreet op: „de Prins moet onze Koning zijn”111).

Het strooibiljet van 17 Nov. heeft evenwel den koningstitel niet: „de Regeering roept den Prins uit tot Hooge Overheid.” Dit houdt verband met de wijze waarop Gijsbert Karel zich voorstelde den opstand te moeten leiden. De oud-regenten zouden zich constitueeren tot eene vergadering van Staten-Generaal, die den Prins zouden inroepen tot hoofd hunner regeering, welke zij onmiddellijk daarna door toelating van mannen van na '95 zouden versterken. De regeering dezer Staten-Generaal zou besloten worden met de afkondiging eener inmiddels door eene commissie uit hun midden met den Prins beraamde grondwet, die aan het land het constitutioneele koningschap zou schenken.

Als deze toeleg reeds ten tweeden dage van den opstand geheel mislukt, is Gijsbert Karel niet verlegen. „Le Prince est Souverain”, schrijft hij aan Fagel, „on ne sait pas comment, mais tout le monde le considère comme tel. Nous le proclamerons dans le même jour à la Haye, Amsterdam et Rotterdam, pourvu qu'il s'explique lui-même”112).

Aan dit laatste heeft het een oogenblik gehaperd. De proclamatie, waarmede de Prins den 30sten aan wal stapte, kon even goed als de aanvaarding van het Erfstadhouderschap als van hooger waardigheid worden uitgelegd. Aan Repelaer had hij vóór zijn inscheping nog gezegd, „dat hij meende de souvereiniteit die hem aangeboden werd te moeten van de hand wijzen, daar hij slechts verlangde dezelfde rang en waardigheid die zijn vader had bekleed;te meer daar hij dacht dat de oude Regeeringsvorm meer dan eenige andere der Natie aangenaam moest zijn”113). Repelaer antwoordt „dat het alleen met de waardigheid van Souverein was, dat het volk Zijn Hoogheid aan hethoofd van het bestuur verlangde geplaatst te zien”. Deze bedenking, vervolgt Repelaer in zijn aanteekening, „scheen den gewenschten indruk te weeg te brengen”. In den Haag, den 30sten, bleek daarvan nog niet veel. Falck, die 's Prinsen aankomst bijwoonde, noemt in zijn gedenkschriften de souvereiniteit een punt, waarover de Prins „geenszins verwacht had, zich zoo spoedig te zullen moeten uiten. Ook kwam het dien avond tot geen besluit. Den volgenden ochtend waren de denkbeelden over de helling der gemoederen ruimer en helderder geworden”114), en dan geeft de Prins zijn toestemming tot het vertrek aan van der Duyn naar Amsterdam, om daar met Kemper en Scholten aan de toebereidselen tot de uitroeping de laatste hand te leggen.

Is dit nu115)de aarzeling geweest van iemand, die niet weet of hij zelve de souvereiniteit wel begeert? Mij dunkt eerder van iemand, die aarzelt of zij hem werkelijk zoo uit één mond wordt opgedragen als men hem vertelt. De voorzorg, om Amsterdam te laten voorgaan en zich niet tevreden te houden met het Leve de Koning-roepen langs den Scheveningschen weg, beduidt nog geen afkeer van de souvereiniteit! De eerste dépêche vanLord Clancarty116)spreekt niet van een Prins die moet worden aangezet; eerder van een Prins die door hem,Clancarty, wordt versterkt in het voornemen, zich niet uit te laten voor men zekerheid zal hebben althans van de stemming van het machtig Amsterdam, van patriotsche reputatie.

Er werden, blijkt uit die dépêche, bij 's Prinsen aankomst in den Haag twee meeningen verkondigd, de eene (door van der Duyn; naar het schijnt mede namens den door podagra aan zijn stoel geklonken Hogendorp) dat de uitroeping plaats moest hebben op staanden voet, in den Haag, en tot Koning; de andere dat men Amsterdam moest laten voorgaan, en tot zoolang althans den koningstitel niet gebruiken. Aan het geschil omtrent den titel maakte de Prins onmiddellijk zelf een einde, door te beslissen dat hij den koningstitel vooralsnog niet voeren wilde; hij wilde, zeide niet maar dacht hij, dien pas voeren over het rijk der zeventien Nederlanden, als de bondgenooten zouden toelaten dat hij zulk een rijk verwierf, en daaromtrent bestond op 30 November 1813 nog niet de minste zekerheid. Het geschil omtrent de plaats werd, als wijClancartygelooven moeten mede onder zijn,Clancarty's invloed, in dezen zin beslist, dat de eerste uitroeping moest geschieden te Amsterdam.

Intusschen had de Amsterdamsche bevolking op geen Haagsche besluiten gewacht. Het is zeer leerzaam de volgorde der gebeurtenissen te Amsterdam eens precies na te gaan, 1o. omdat daaromtrent, en bij berichtgevers waar men het niet van zou vermoeden, veel onnauwkeurigs is medegedeeld; maar 2o. en vooral, omdat daaruit zoo overtuigend blijkt dat de uitroeping eene volksdaad is geweest en geen opgemaakte fraaiigheid van Kemper en Scholten, zooals b.v. in de bekendeVertraute Briefevan Strick van Linschoten is beweerd, een boek waarvan met de uiterste omzichtigheid gebruik is te maken, omdat de schrijver, oud-Bataafsch diplomaat van twijfelachtige reputatie, in 1814 in zijn pogingen om weder bij de Nederlandsche diplomatie te worden geplaatst, teleurgesteld is geworden117)en zijn boek schrijft met de bepaalde bedoeling aan de Nederlandersen place, den Koning inbegrepen, zoo onaangenaam mogelijk te zijn.

Strick van Linschoten beschrijft de uitroeping door Kemper en Scholten gedaan, als volgt (wij nemen hierbij in aanmerking dat Strick den nacht waarvan hij spreekt doorgebracht moet hebben op zijn bed, dat toen te Mannheim gespreid stond, en dus geen ooggetuige is):

„Da es mitten in der Nacht war, befanden sich auf dem bei Tage sehr volkreichem Damme nicht mehr als drei Personen, die zufällig noch da vorbeigingen, und diese sonderbare Souveränenmacherei mit anhörten. Im neuen Rathhause wurdedieFeierlichkeit beinahe in einem noch stärkeren incognito begangen, denn sie hatte daselbst im inneren Hof zur nämlichen Nachtzeit statt, und das einzige Thor, wodurch dieser mit der Strasse in Verbindung steht, war, wie gewöhnlich des Nachts, verschlossen. Das war also im eigentlichen Sinne eineProclamatio domestica”.118)

Een ander berichtgever, de met de Russen vanBenkendorffin den ochtend van den 1sten December te Amsterdam aangekomen oud-Pruisische officiervon Haxthausen, meldt zich wèl aan als ooggetuige. In een verslag door hem gesteld voor den Russischen gezant te Berlijn, Alopeus, en dat zijn weg gevonden heeft naar verschillende Duitsche couranten, wordt gezegd, dat de uitroeping den 1sten December, 's middags om één uur, onder zijn oogen heeft plaats gehad, „unter dem unendlichen Jubel des zu vielen Tausenden versammelten frohen jauchzenden Volks”.119)

En toch hebben de oogen van dezen braven Duitscher mis gezien,en heeft Strick, behalve in de beteekenis die hij aan zijn mededeeling wil doen hechten, hoogst vermoedelijk gelijk.

De feiten zijn deze. Den 30sten in den namiddag is de Prins voor den wal en Canneman (reeds van zins dien namiddag naar Amsterdam te vertrekken voor de zaken van zijn departement) zit bij Hogendorp als deze het bericht ontvangt, en zal nu met diens goedkeuring de onmiddellijke uitroeping te Amsterdam bewerken.120)Hij vertrekt zoo spoedig hij kan en komt er om elf uur 's avonds aan; muziek, flambouwen, Commissarissen-Generaal en stadsregeering heeft hij op den Dam besteld bij een vooruitgezonden brief: „Neerlands Vorst is aan de wal....; de proclamatie geschiedt op staanden voet”121). Op den Dam wordt nu, met groot geschal, 's nachts om twaalf uur de komst van den Prins bekend gemaakt, en, zooals Commissarissen-Generaal zelf in een extra-blad, 's ochtends van den 1sten December verschenen, aan het bericht toevoegen, „heeft het volk terstond, op het hooren van de blijde mare, Z. D. H., als uit ééne stem,Souverein en Vorst der Vereenigde Nederlandenuitgeroepen”. Ziehier dus de uitvoering van Hogendorp's programma: „nous le proclamerons dans le même jour à la Haye, Amsterdam et Rotterdam”, voor zoover die uitroeping van het Amsterdamsche volk afhing.

Intusschen was, naar wij gezien hebben, in den Haag de Prins niet uitgeroepen, of liever, de uitroeping was er niet op papier gebracht. Toen Canneman vertrok was de Prins amper aan wal; nadat deze (om vijf uur) bij van Stirum was aangekomen en de eerste begroeting had plaats gehad, kwam het te Londen bedrukte papier voor den dag waarvan hij het geschreven origineel later op den avond aan Hogendorp toestak122): de „vergeten en vergeven”-proclamatie, het stukà tout usage, dat het punt der souvereiniteit ontweek.

De man die in den Haag het sein had moeten geven kwam niet van zijn stoel, en de geheele zaak der uitroeping werd er eene niet van verrassing, maar van beraadslaging. Den uitslag kennen wij: „den Haag” (zooals burgemeester Slicher het den 3den uit zou drukken) „zou uit kieschheid volgen, waar het hart had wenschen voor te gaan”123). Er werd besloten dat de Prins Amsterdam zou bezoeken en wel eerst den 2den, om een dag te hebben tot behoorlijke voorbereiding.

Tot deze voorbereiding vertrok den 1sten December van der Duyn naar Amsterdam. Doch reeds eerder was een rol met exemplarender door den Prins medegebrachte proclamatie naar Amsterdam gekomen, die daar, zonder begeleidend schrijven,124)op 1 December, 's ochtends om 8 uur, door Canneman ontvangen werd. Men had den Prins zelf verwacht,125)of anders bericht omtrent zijne komst. „Wij zullen, ook zonder dat ik de intentie kenne”, schrijft hierop Canneman aan Falck, „de proclamatie doen afkondigen na alvorens Z. H. te hebben doen uitroepenals Vorst. De plechtige proclamatie wordt met ongeduld verwagt.” Ik meen deze woorden als volgt te moeten verklaren. Canneman kent het in den Haag blijkbaar reeds vóór 's Prinsen aankomst bestaan hebbend verschil van gevoelen omtrent de titulatuur; hij zal zich dus bij de voorlezing van 's Prinsen stuk, gelijk hij het reeds in den afgeloopen nacht bij de vermelding van 's Prinsen komst gedaan heeft, onthouden van den koningstitel te gebruiken. Verder onderscheidt hij „uitroeping” (bij monde) van „plechtige proclamatie” (op papier); de laatste had hij uit den Haag verwacht en begrijpt niet waar deze blijft. De „uitroeping” daarentegen bij volkskreet te doen herhalen is gemakkelijk genoeg, gelijk die dan ook zonder twijfel weer is opgestegen toen het stuk van den Prins is voorgelezen, om één uur, natuurlijk weer onder grooten toeloop, op den eivollen Dam: de heele stad, die gemeend had dien ochtend den Prins reeds te zullen zien, was daarvoor weer op de been gekomen, en op de been gebleven om naar de zooeven aangekomen Russen vanBenkendorffte kijken. Het is deze toeloop die Haxthausen (eerst sedert 9 uur in de stad en die dus het nachttafereel niet had bijgewoond) voor de eigenlijke gebeurtenis heeft gehouden.

De uitroeping, nu reeds tweemaal door het volk gedaan uit volle borst, is eerst door Commissarissen-Generaal in den vorm eener „plechtige proclamatie” gebracht toen zij door van der Duyn vernamen dat dit in den Haag niet geschied was, en men hetvan henverwachtte. Het was avond;126)te laat voor het gewoneDagblad-nummer van 2 December.127)Kemper's uitnemend stuk verscheen in een op den ochtend van den 2den alom verspreide extra-courant. Intusschen zal het, zoodra het gereed was, ook wel reeds op den Dam en aan het Stadhuis zijn afgelezen, en het is best mogelijk dat deze aflezingweinig de aandacht heeft getrokken: alle attentie was reeds bij den volgenden dag, wanneer, naar men nu door van der Duyn zeker wist, de Prins zou komen.

Het heele stuk heeft voor de Amsterdammers meer de beteekenis gehad, dat zij, den 2den bij het ontbijt, er uit vernomen hebben met welken titel de Prins aanstonds moest worden aangesproken, dan dat zij er de uitroeping tot de souvereiniteit zelve nog uit moesten opmaken. Die uitroeping was toen reeds anderhalven dag een feit;—en eerst jaren later, toen Amsterdam zich weer in de oppositie begon te voelen, is wel eens gevraagd, wat Kemper en Scholten zich toch vermeten hadden, met zoo uit aller naam te spreken.

Voor de eerste en eenige maal in onze geschiedenis was een gewichtige beslissing met bliksemsnelheid genomen. Twee korte proclamaties, en de souvereiniteit wasaangebodenen aanvaard. Dat kon alleen, omdat beide de aanbieder en de aannemer er door een langzaam maar diep werkende innerlijke bevinding van jaren op waren voorbereid. Welk een zegen dat Hogendorp's plan mislukt is en over deze zaak niet eerst gedelibereerd is moeten worden in een lijzige vergadering van Staten-Generaal, die, zóó samengesteld als Hogendorp ze gewild had, in 1813 niets meer had kunnen zijn dan een schimmenkraam. Was de daad revolutionnair? Ja, ten volle, wanneer men legitiem zou willen achten wat vóór 1795 had bestaan;—neen, wanneer men de ontwikkeling sedert 1795 in acht neemt, die zij bekroont en besluit. Was zij nationaal? Weerom ten volle, en meer zeker dan die van 1572, die, hoeveel libertijnen zich ook aangesloten mogen hebben, toch merkbaar het werk eener kleine calvinistische minderheid is geweest.

Ik zou de klasse of secte niet kunnen noemen, die zich bij dit heilrijkste werk van 1813, de uitroeping tot de souvereiniteit, met eenig opzet op den achtergrond zou hebben gehouden. Individuen hadden het gedaan in de eerste dagen van den opstand, 't zij uit vrees voor, 't zij uit trouw aan den Keizer. Maar de vrees was afgelegd na Molitor's ontruiming van Utrecht, aan de komst van den Prins juist voorafgegaan, en die enkelen zooals Gogel en Verhuell waren op weg naar Parijs, of hadden zich opgesloten in een vesting.

Uit het bovenstaande zal het duidelijk zijn, dat er in Tellegen's beschouwingen, in zijn tweede hoofdstuk opgenomen, vrijwat is dat mij voorkomt buiten de kern der zaak om te gaan.

Ten onrechte, naar ik meen, neemt hij bij de Hollanders van 1813een streven aan om door de oprichting eener monarchie Europa te believen. De contra-revolutionnaire meening in Europa, die in 1813 niet ontbrak, maar volstrekt niet alleen aan het woord was (zie Duitschland), zou zich aan de restauratie ten onzent van bondgenootschappelijk vereenigde provinciën met een stadhouder evenmin gestooten hebben als zij het gedaan heeft aan het herstel der souvereine kantons in Zwitserland of der vrije steden in Duitschland. Het stuk vanNiebuhris dunkt mij in dit opzicht leerzaam genoeg.

Wat Tellegen de onbepaaldheid der opdracht noemt is geen fout geweest maar een deugd. De Vorst werd door die onbepaaldheid evenmin een Keizer aller Russen als het Algemeen Bestuur dat geworden was door zijn eigenmachtig optreden van 21 November. De werkelijke macht van een Keizer aller Russen verkrijgt men alleen in Rusland krachtens een Russische geschiedenis van eeuwen, niet te Amsterdam door het bedrukken van een stukje papier. „Absolute” vorsten plegen zich ook niet bij de aanvaarding der souvereiniteit bij hun publiek half te verontschuldigen, zooals de Prins het in het stuk van 2 December doet; plegen niet van bedenkingen te spreken, die zij aan de wenschen der ingezetenen ten offer brengen. Bepaling had alleen kunnen voortkomen uit deliberatie, en deze was op dit oogenblik onnut en gevaarlijk. Het ieder uur, iedere minuut noodige: de zorg voor de verdere bevrijding van het land, mocht voor niets anders dan voor een snelle beslissing omtrent de hoofdvraag van al, de souvereiniteit, een oogenblik worden opgehouden.

Hetconstitutioneelekoningschap is in de beide proclamatiën geen bijlapsel, waarin men in 's hemelsnaam om consideratiën maar berust: het is haar inhoud zelf, en het „zoo diep kon men niet gedaald zijn” had dus ongeschreven kunnen blijven. De publicatie van 6 December reeds kondigt de aanbieding eener grondwet aan „binnen weinige weken”.

Het bondsstaatsgevaar, dat Tellegen na 2 December aanwezig acht, verrijst enkel uit de omstandigheid, dat hij een beperkt aantal officieele papieren als geschiedbron gebruikt en uit hun tekst gaat voortredeneeren, eer hij goed in de werkelijkheid is doorgedrongen die er achter ligt. Dat gevaar moet, in Tellegen's voorstelling, dan toch zeker van de heeren in den Haag komen, die hij tegenover Kemper stelt. En wat doet nu juist op 2 December het Algemeen Bestuur? De na Molitor's aftocht ten ontijde herleefde „provincie” Utrecht om hals brengen en haar Statencollege casseeren: tot de invoering der grondwet mag het oud-Utrechtsche gebied enkel zijn wat het sedert 1810 geweest is: een tweetal arrondissementen van het departement der Zuiderzee128).

Gevaar had er gelegen in Hogendorp's opzet; het lag niet langer in wat er van kwam. De oude Staten-Generaal waren morsdood gebleken; de bestaande bestuursinrichting daarentegen springlevend. Zij had overal den schok doorstaan. Er waren eenige Fransche ambtenaren weggeloopen en door Hollanders vervangen, maar de geheele toestel stond 2 December precies even goed overeind als 15 November. Voor „Keizer” las men eerst „Algemeen Bestuur”, vervolgens „Souvereine Vorst”, voor minister „commissaris-generaal”, voor prefect eveneens „commissaris-generaal”, voor onderprefect „commissaris”, voormaire„president der provisioneele regeering”; voorEmpire français„Vereenigde Nederlanden”.

De publicatie van 6 December is niet door Hogendorp gesteld maar door Falck, en doet niets dan den naam van den Staat overnemen zooals hij sedert 21 November in dagelijksch gebruik is. Na het nachttafereel van 30 November te Amsterdam maken Kemper en Scholten zelf bekend, dat het volk den Prins heeft uitgeroepen tot „Souverein en Vorst der Vereenigde Nederlanden”, en zij hebben voorzeker geen bondsstaat gewild. Dat Kemper in zijn stuk van 1 December „Nederland” schrijft is niettemin opmerkelijk: hij geeft aan de nieuwe zaak een nieuwen naam, terwijl de algemeenheid de overbrenging van den historischen naam op de nieuwe zaak verkiest. Dit is het verschil, en ik cijfer het belang daarvan niet weg. Maar het gebruik van den term „Nederlanden” sluit volstrekt niet in dat men een bondsstaat bedoelt; evenmin als de term „Staten-Generaal” in Hogendorp'sSchetseen congres van gezanten van souvereine lichamen aanduidt, zooals voor 1795 had bestaan: „de Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele Nederlandsche Volk”129).


Back to IndexNext