80)Br. en Ged.III, 87.
81)GedenkstukkenVI, 1949 (hetzelfde als aan Jacobi).
82)Van der Palm,Gedenkschrift81.
83)Besluit van 14 Jan. 1814 (Staatsblad, no. 9, art. 1 en 10).
84)Bijdr. en Meded. Hist. Genootschap, XXXI, 111.
85)Pieter de la Court heeft in allen ernst voorgesteld er een eiland van te maken:Maximen van Holland, 362.
86)Gedenkstukken, I, 23, 28.
87)Gedenkstukken, II, 949.
88)Tenzij dan, voor een korten tijd, van de regeering door ministers (staatsregeling van 1801).
89)Zooals een tot den Haag doorgedrongen spion in Engelschen dienst (geboren Franschman) het zeer juist uitdrukt: „L'on désire que le rétablissement de la maison d'Orange ne se fasse qu'à des conditions qui préviennent une réaction politique” (GedenkstukkenIII, 419).
90)Hiervóór, bl. 21.
91)GedenkstukkenIV, 473–'74.
92)In 1801, toen te Parijs reeds een oogenblik over Schimmelpenninck werd gedacht, had de gezantSémonville, een fijn waarnemer van ons volkskarakter, iets dergelijks al voorspeld. Er is geen man in het land, schrijft hij aanTalleyrand, dien de Bataven gaarne met een eminenten titel aan hun hoofd zullen zien; dan nog liever een stadhouder terug. „Une famille princière froisserait moins l'amour-propre. Le peuple s'acharnerait à renverser celui que la veille il aurait vu son égal. Ce sera beaucoup faire que de donner deux années d'existence à votre président” (GedenkstukkenIII, 183).
93)Falck'sGedenkschriften, bl. 336.
94)OntstaanI, 57.
95)Verspr. Geschr.V, 239 vv.
96)Br. en Ged.III, 87.
97)Br. en Ged.III, 159–160.
98)Br. en Ged.III, 167 (ik cursiveer).
99)Br. en Ged.III, 87.
100)Br. en Ged.III, 171.—Over de dateering zieOntstaanI bl. XXV.
101)Hiervóór, bl. 18 noot.
102)Br. en Ged.III, 196.
103)Zie de extracten uit het dagboek inGids1907, I, 305.
104)Br. en Ged.III, 317.
105)„De Republiek is een groote nieuwigheid geweest” (OntstaanI, 58).—Deoude voet, zegt Hogendorp in de commissie, is de voet vóór 1572. (OntstaanI, 80, 82).
106)SchetsenDiscours.
107)Br. en Ged.V, 85.
108)Br. en Ged.V, 83.
109)OntstaanI, 32.
110)Ged.VI, 336, 506, 621.
111)Ged.VI, inl. 3e stuk, bl. CLXXI.
112)OntstaanI, 17.
113)OntstaanI, 19 (ik cursiveer).
114)Falck'sGedenkschriften, 115.
115)Zooals Blok het heeft opgevat (Fruin'sBijdragen, 2e reeks, X, 100 vv.).
116)OntstaanI, 23.
117)Falck'sGedenkschriften, 131.
118)Vertraute BriefeI, 127.
119)GedenkstukkenVI, 1993; vgl. aldaar, CCXXVI.
120)Br. en Ged.V, 39.
121)Br. en Ged.IV, 372.
122)Br. en Ged.V, 39.
123)OntstaanI, 28.
124)Slechts met een doorgesleten envelop, waaruit Falck's geleibriefje was weggegleden (Ged.VI, 1779; vgl. Falck'sBrieven, 2e druk, bl. 196).
125)Vgl. Canneman in zijn op 30 Nov. vooruitgezonden briefje: „De Prins komt morgen zelf te Amsterdam” (Br. en Ged.IV, 372).
126)Ged.VI, 1780; vgl. Bosscha II, 22.
127)HetStaatkundig Dagbladkwam uit in den namiddag vóór den dag welks datum het nummer aan het hoofd draagt.
128)Ged.VI, inl. 3e stuk, XCVII; vgl. Falck'sBrieven, 201.
129)OntstaanI, 5 (art. 21 derSchets).
DE SAMENSTELLING DER GRONDWET.
Twee dingen stonden vast bij den dageraad onzer onafhankelijkheid: de Prins zoude souverein zijn, en hij zoude zijne onderdanen volgens eene grondwet regeeren.Hogendorps schetseener grondwet voor de Vereenigde Nederlanden lag gereed. Zij droeg volgens den souvereinen vorst de blijken van 's mans „loffelijken ijver en liberale denkwijze”130). Waarom dan niet de knoop doorgehakt en haar dadelijk, hetzij gewijzigd, hetzij ongewijzigd, vastgesteld en afgekondigd? Waarom dan niet gedaan wat Lodewijk XVIII kort daarnain Frankrijk deed, die zijne onderdanen met dechartebegiftigde en uit goedertierenheid aan zijn onbeperkte macht grenzen stelde? Wat echter Lodewijk XVIII, om het modewoord dier dagen te gebruiken, van zijn legitiem standpunt kon doen, was daarom nog niet mogelijk voor den souvereinen vorst. Wanneer deze zich op het beginsel der legitimiteit zoude beroepen, zoude hij het daarmede nooit verder hebben kunnen brengen dan tot zijne optreding als erfstadhouder, als Willem VI. Dat hij als souvereine vorst, als Willem I optrad, was geene voortzetting van den ouden rechtstoestand, was de aanvang eener nieuwe orde van zaken. Was men nu al om den nood van het oogenblik over de onwettige, of wil men liever onregelmatige wijze, waarop de souvereiniteit was opgedragen, heengestapt, toch was ieder het eens131), dat er nog iets anders noodig was om het feit wettig te doen worden. Welke weg was daarvoor in te slaan, wilde men in lateren tijd het goed recht van den regeeringsvorm en van den hoeksteen daarvan: de souvereiniteit van den prins, tegen alle aanvallen verdedigen?
Op het standpunt der legitimiteit had men wellicht,hetgeen ook nog in sommige hoofden spookte, oud-regenten, voor zoover zij nog in leven waren, kunnen oproepen en van hen de vaststelling eener grondwet vragen. Doch dit denkbeeld werd niet gevolgd. Hogendorp zelf had reeds in de Novemberdagen het meer dan eens uitgesproken, dat ook notabele ingezetenen, die geen oud-regenten waren, tot het groote werk moesten medewerken132). Ook hij begreep, en met hem de souvereinevorst, dat de stem der natie moest gehoord worden, en alleen daardoor een vaste grond voor de constitutie kon worden gelegd.
Reeds den 21sten December 1813, en dus drie weken na zijne komst hier te lande, benoemde de souvereine vorst eene commissie, waaraan de samenstelling van eene ontwerp-constitutie werd opgedragen, terwijl tegelijk bepaald werd, dat het door die commissie gemaakte ontwerp aan de beoordeeling van notabelen uit de geheele natie zoude worden onderworpen om door hen als algemeene staatswet aangenomen te worden.
Die commissie bestond, behalve uit haren secretaris Mr. R. Metelerkamp, oorspronkelijk uit 14 leden, uit al de departementen genomen, doch zij werd den 29sten December 1814 nog met éen lid aangevuld133).Wanneer, zoo als waarschijnlijk is, Hogendorp een overwegende invloed op de keuze van de leden dier commissie heeft uitgeoefend, dan moet men wel de vraag doen, of het hem wel ernst is geweest met zijne uitingen in den aanvang der revolutie over de verbroedering der partijen gedaan134). Onder de 15 leden waren er toch 13, die allen vóór 1795 in de regeering waren geweest. Zeven vanhen, H. W. van Aylva, A. F. van der Duyn van Maasdam, T. C. van Heerdt, Aebinga van Humalda, W. C. H. van Lynden van Blitterswijk, W. A. Schimmelpenninck van der Oye, W. R. van Tuyll van Serooskerken van Zuylen waren uit die geslachten gesproten, welke door adeldom recht hadden gehad op het bestuur. Van Aylva en Humalda hadden als gekozen edelen gezeten in de Staten van Friesland, Heerdt had als lid van de ridderschap deel uitgemaakt van de Staten van Overijsel; evenals Schimmelpenninck van die van Gelderland, van der Duyn van die van Holland; van Lynden van Blitterswijk, een geldersch edelman, had van 1778 tot 1795 den stadhouder in diens hoedanigheid van eenig edele van Zeeland vertegenwoordigd; met uitzondering van den in 1795 nog zeer jongen van der Duyn, hadden zij allen de oude republiek ook in hoogere betrekkingen gediend. Meer dan een: van Aylva, van Lynden, Schimmelpenninck en van Tuyll, waren kort vóór of bij den val der republiek leden der Staten-Generaal geweest. Heerdt, die vóór 1795 voor Overijsel in de admiraliteit van Amsterdam had gezeten, en tevens kamerheer van Willem V was geweest, had dezen bij zijne vlucht uit het vaderland vergezeld. Naast deze zeven zaten in de commissie zes anderen, genomen uit den kring der stedelijke regenten: Mr. G. K. van Hogendorp, pensionaris van Rotterdam; Mr. W. F. Röell, pensionaris van Amsterdam, O. Repelaer, raad van Dordrecht en bij den inval der Franschen in buitengewone zending te Parijs, G. W. van Imhoff, lid der Staten-Generaal voor Groningen, Mr. C. T. Elout, baljuw van Texel, en eindelijk A. J. C. Lampsins, gesproten uit een Vlissingsche regeeringsfamilie. Er bleven dus twee leden over, die noch tot dezen, noch tot genen kring behoorden; twee, die de revolutie van 1795 als hunne moeder behoorden te beschouwen: Mr. C. F. van Maanen en Mr. D. J. Hondebeek Heerkens; gene bij den val van Napoleon eerste president van het gerechtshofin den Haag, deze zijn medelid in dit collegie. Vooral de keuze van den eersten trekt de aandacht. In 1769 in den Haag uit eene patriotsche familie geboren, was hij, evenals zijn vader135), door de revolutie tot eer en aanzien gekomen. Sedert 1793 advokaat in den Haag, wordt hij met de revolutie secretaris der stad, en nog in hetzelfde jaar 1795 tot advokaat-fiscaal en procureur-generaal van Holland en Zeeland benoemd, om den lande verder in allerlei betrekkingen onder alle wisseling van regeeringsvorm te blijven dienen. Hij is als minister van justitie een dienaar van koning Lodewijk, en als president van het gerechtshof in den Haag in dienst des keizers136). Hij blijft den keizer trouw ook in de dagen van November, en weigert aan Hogendorp alle medewerking137). Aan wien, zou men vragen, had dan die man der revolutie, had die keizerlijke ambtenaar zijne benoeming tot lid der commissie te danken? Men zou zeggen, dat zij niet kon geweest zijn in den geest van Hogendorp.Het is dan ook beweerddat het de souvereine vorst was, die van Maanen tot lid wenschte in strijd met de bedoelingen der oud-regenten138). Toch schijnt dit beweren onjuist te zijn. Ook Hogendorp was voór van Maanen's optreden; hij had zelfs zijne Schets eenerGrondwet aan dezen ter beoordeeling medegedeeld139). Wat mocht Hogendorp daartoe hebben bewogen? Wat was de reden, dat ook de souvereine vorst daartegen geen bezwaar had? Van Maanen was evenals alle Hollandsche ambtenaren in zijne betrekking bevestigd; hij was als hoogste rechterlijk beambte met het toezicht op de justitie belast geworden; het is waarschijnlijk, dat men hem, die tevens als rechtsgeleerde boven de meesten uitblonk, in die commissie meende niet te kunnen missen. Maar wat dan ook de reden moge geweest zijn, dit is zeker, dat zijn optreden als lid der commissie van grooten invloed is geweest op de samenstelling der grondwet. En Heerkens dan? Hij werd gekozen noch om zijne beginselen, noch om zijne talenten. In den aanvang had men met zijne benoeming een dubbel doel voor oogen. Daar zijne familie in Groningen te huis behoorde, kon hij in de commissievoor het departement der Wester-Eemszitting nemen. Toen echter de commissie met den heer van Imhoff, een aan Groningen meer welgevallig vertegenwoordiger, was aangevuld, begreep men, dat Heerkens, die door een toeval te Venlo geboren was, wel aan de generaliteitslanden kon worden toebedeeld. Tevens en bovenal echter was het de bedoeling om naast de overigen—allen leden der vroegere staatskerk—een Roomsch-Katholiek te doen medewerken tot het ontwerpen der grondwet140). Ook Heerkens schijnt zijne roeping aldus te hebben opgevat; immers hij nam (den 28sten Januari 1814) eerst deel aan de beraadslagingen der commissie, toen het stuk van den godsdienst ter sprake was gekomen141). Hij maakte hetechter nog beter dan het lidSchimmelpenninckvan der Oye, die, zonder dat er van eenige wettige verhindering blijkt, geene enkele van de vergaderingen der commissie bijwoonde. De commissie heeft dus in werkelijkheid slechts bestaan uit 14 leden, een even getal, waarvan staking van stemmen het gevolg kon zijn, en ook inderdaad het gevolg is geweest.
Trok de benoeming dezer commissie de aandacht van het algemeen? Of ging het onopgemerkt voorbij, toen in den middag van Maandag den 27sten December 1813 de leden het huis van Hogendorp op den Kneuterdijk binnentraden? Want te zijnen huize werden de vergaderingen gehouden, eene omstandigheid, die zich door 's mans podagra142)wellicht laat verklaren. Immers de tegenwoordigheid van Hogendorp, van den man, die de ontwerper der schets was, van den man, op wien nog naast den souvereinen vorst op dat oogenblik aller oogen waren gevestigd, was onmisbaar. Hij werd dan ook in die eerste vergadering met algemeene stemmen tot president benoemd. In diezelfde bijeenkomst gaf de commissie blijk van haren vromen zin, door op voorstel van Lampsins een gebed te arresteeren, door den secretaris bij den aanvang van elke vergadering uit te spreken. Daarbij werd Gods zegen over het werk afgesmeekt, een zegen te verwachten om den wille van Jezus Christus, Gods Zoon143).
Na aldus de commissie onder de bescherming der Voorzienigheid geplaatst te hebben, toog men aan het werk. Van den 27sten December tot den 21sten Januari kwam de commissie, met uitzondering der Zondagen, bijna dagelijks te zamen; toen ging zij voor eenige dagen tot 28 Januari uiteen, om de denkbeelden der leden over de verhouding van den staat tot de kerkgenootschappen tot meerdere rijpheid te doen komen. Van 28 Januari tot 11 Februari werden de beraadslagingen weder dagelijks voortgezet en ten slotte ten einde gebracht, zoodat aan eene commissie van redactie, bestaande uit de leden Aylva, Repelaer, Elout en Röell, de formuleering van het ontwerp der grondwet kon worden opgedragen.144)De souvereine vorst, die van den aanvang af op menig punt van zijne wenschen had doen blijken, deed ook bij deze formuleering zijnen invloed gevoelen.Het ontwerp, alzoo naar zijne consideratiën gewijzigd, werd eindelijk in de vergadering van 28 Februari 1814 gedrukt145)ter tafel gebracht, om,nogmaals herzien en gewijzigd146), den 1sten Maart 1814 vastgesteld, en den 2den Maart door de commissie in persoon aan den souvereinen vorst aangeboden te worden. Wie er belang in stelt bekend te worden met hetgeen in de werkplaats der commissie voorviel, dient niet onkundig te worden gelaten van de omstandigheid, dat zij bij het besluit harer benoeming was uitgenoodigd, zich bezig tehouden met het examen van Hogendorp's schets, en deze, dit geraden geoordeeld wordende, als een leiddraad harer beraadslagingen aan te nemen. In die eerste bijeenkomst deelde Hogendorp tevens mede eene analyse van dit stuk, onder den titel: „Algemeene gronden van de Constitutie”, en daarbij een toelichtende memorie, onder den titel: „Aanmerkingen op het ontwerp eener grondwet voor de Vereenigde Nederlanden”147). De analyse gaf aanleiding tot eenige nadere bespreking en vooral tot eene bestrijding door van Maanen, die hare inhoud beschouwde als strijdig met het monarchaal gezag en leidende tot republikeinsche en federatieve denkbeelden148). Een gevolg hiervan was, dat, toen men, overeenkomstig den in het besluit gegeven wenk, de schets toch als leiddraad besloot te volgen, de voorzichtige bepaling er bijgevoegd werd, om geen artikel als finaal gearresteerd te beschouwen, voordat de deliberatiën over de grondwet geheel zouden zijn afgeloopen.
Onder de onderwerpen, die volgens de zienswijze dier dagen het meest behoefte hadden aan eene vervanging der fransche door nationale instellingen, schijnt het justitiewezen bovenaan te hebben gestaan. Had toch reeds niet den 11den December 1813 de souvereine vorst krachtens zijne machtsvolkomenheid het bekende besluit over de lijfstraffelijke rechtspleging genomen? Het besluit, waarin aan de eene zijde aan den rechter eene grootere macht tot toepassing van verzachtende omstandigheden was toegekend, maar van de andere zijde de geeselstraf weder werd ingevoerd, de guillotine werd vervangen door den strop en het zwaard, de jury werd opgeheven, en de publiciteit der terechtzittingen werd beperkt. Dit verklaart dan ook, dat in het besluit van 21 December 1813, waarbij de commissie benoemdwas, van de justitieele administratie uitdrukkelijk melding werd gemaakt, met bepaling dat te dier zake vooraf een voorloopig rapport aan Z. K. H. zoude worden ingediend. Eerst den 3den Februari 1814 kon de commissie aan deze uitnoodiging voldoen en werden de leden Humalda, Elout en van Maanen verzocht het IVde hoofdstuk der grondwet:over de justitie, aan den souvereinen vorst aan te bieden149), van welke opdracht zij zich dan ook blijkens het in de bijeenkomst van 11 Februari medegedeelde hebben gekweten150). De bedoeling is zeker geweest, om door dit voorloopig rapport den souvereinen vorst in staat te stellen, de maatregelen noodig voor eene nieuwe regeling derjustitievoor te bereiden, opdat er vooral bij dit onderwerp geen tijd verloren ging. Behoef ik te zeggen, dat die bedoeling niet is bereikt, en dat het 25 jaren geduurd heeft, voordat wij de fransche rechterlijke organisatie door eene nieuwe hebben kunnen vervangen?
Ik stap hiermede af van deuitwendigegeschiedenis der door de commissie ontworpene constitutie. Hare taak was echter niet alleen hiertoe bepaald. Bij art. 6 van het besluit van 21 Dec. 1813 was immers de commissie belast met de voordracht der organieke reglementen en verdere maatregelen, die de dadelijke invoering der constitutie behoorden vooraf te gaan en te vergezellen. De commissie meende dan ook zoowel ten opzichte van deaannemingals van deinvoeringder grondwet nadere bepalingen te moeten voorstellen. In de bijeenkomst van 4 Februari 1814 werd door den president een stuk151)overgelegd, dat, blijkens de daarin voorkomende tijdsbepalingen,reeds eenigen tijd vroeger was opgesteld, en waarin zoowel de aanneming als de invoeringder grondwet in 14 artikelen was geregeld. Dit stuk zoude te gelijk met het rapport der commissie over de constitutie aan den souvereinen vorst worden aangeboden (art. 1, 2). Vijf à zeshonderd aanzienlijke ingezetenen, gekozen door de commissarissen-generaal in de departementen, de opvolgers der Fransche prefecten, zouden op den 1sten Februari te Amsterdam bijeenkomen; hunne vergadering zoude door den souvereinen vorst geopend worden, de voorzitter door dezen worden gekozen, en de grondwet aan hare overwegingen worden aangeboden (art. 3, 4, 5). Na afloop der deliberatiën, na aanneming der grondwet en bekendmaking hiervan aan den souvereinen vorst, zoude de vergadering zich constitueeren tot eene groote vergadering der Staten-Generaal, waarin de souvereine vorst den eed zoude afleggen, en waardoor daarna de souvereine vorst zoude worden gehuldigd (art. 7, 8). Maar met dit een en ander zoude de taak der vergadering nog niet zijn afgeloopen. De souvereine vorst zoude door de ministers voordrachten kunnen laten doen: de vergadering zoude harerzijds aan den souvereinen vorst de invoering der grondwet opdragen op zoodanige wijze als zij zoude goedvinden (art. 9, 10). De staten der provinciën zouden de eerste reis te zamen komen in de maand Maart, en zich vóor alles bezig houden met het reglement op hunne huishoudelijke inrichting (art. 11, 12). De eerste vergadering der Staten-Generaal zoude gehouden worden den 1sten November 1814 (art. 13). Eindelijk zoude de commissie gedurende de drie eerste jaren na de invoering der grondwet over de authentieke interpretatie adviseeren (art. 14). Dit concept-reglement tot invoering der grondwet werd gewijzigd en bekort door de commissie aangenomen, doch slechts als een stuk voor haar zelve, om daarvan gebruik te maken bij de redactie van het eindrapport. Zoo ging het ook met eene den 7den Februari 1814 ter tafel gebrachteconcept-publicatiedoorden souvereinen vorst betrekkelijk de notabelen en de aanneming der grondwet uit te vaardigen, met een daarbij gevoegd door de notabelen te nemenbesluit tot aanneming en invoering der grondwet152). Intusschen had de commissie bij eenvoorloopig rapportaan den souvereinen vorst, vastgesteld den 5den Februari 1814153), verslag gedaan van den stand der zaak en tevens hare denkbeelden ontwikkeld over de voorbereidende maatregelen door den souvereinen vorst te nemen. Later werd dit gevolgd door hetfinaal rapport, vastgesteld den 1sten Maart154), waarbij tevens was gevoegd eeneconcept-proclamatie155), betrekkelijk de notabelen en hunne aanneming der grondwet, beide stukkendoor Elout gesteld, en waarvan het laatste door den souvereinen vorst den 2den Maart 1814 is uitgevaardigd. Wat er in de andere stukken bruikbaar was, was in deze twee stukken opgenomen. Het is blijkbaar, dat over dit alles voortdurend overleg is gepleegd met den souvereinen vorst.
Wanneer wij nu een blik slaan in de beraadslagingen der commissie, dan springt het duidelijk in het oog hoe, nu men eenmaal den weg der wettigheid niet had kunnen inslaan, althans de meerderheid der commissie van oordeel was naar middelen te moeten omzien, ten einde men met eenigen grond zich op de goedkeuring des volks zoude kunnen beroepen. Notabelen uit de geheele natie zouden de grondwet beoordeelen, had reeds art. 5 van het besluit van 21 December 1813 gezegd156). Maar doorwie zouden ze worden gekozen? Niemand schijnt in die dagen aan eene keuze der notabelen door het volk gedacht te hebben. Er bleef dan niets over dan eene keuze door den souvereinen vorst, hetzij dat hij ze zelf rechtstreeks benoemde, hetzij dat hij voor die keuze personen aanwees. En dit laatste, waardoor hij zelf eenigszins op den achtergrond trad, vond plaats. De commissarissen-generaal in de departementen haddenlijstenvan notabelen ingezonden, en deze waren aangevuld door deindividuëeleleden der commissie157). Het getal was door de regeering op 600 bepaald, wat ook het denkbeeld der commissie was. Maar hoe nu het grootere getal der lijsten terug te brengen tot 600, voor ieder departement een bepaald aandeel naar de volkrijkheid? De commissie meende in haar voorloopig rapport van 5 Februari 1814 daarvoor het lot te moeten aanbevelen, als zijnde dit het onpartijdigste middel. De souvereine vorst was echter van die loting niet gediend158)en droeg bij besluit van 14 Februari 1814 die taak op aan negen heeren159). Hiermede was althans één punt geregeld: de wijze van verkiezing der notabelen. Maar wanneer er niet meer geschiedde dan dit, kon men dan met eenigen grond zich voor de grondwet op de goedkeuring des volks beroepen? „Welke qualificatie”, vroeg van Aylva in de zitting van 4 Februari 1814, „zullen die notabelen hebben, welke zal hun wettige titel zijn? Hoe zullen wij ooit de wettigheid van ons werk defendeeren?Wij moeten het soliede maken voor geheel Europa.” Hogendorp werd gemelijk: hij maakte de zeer ware opmerking, dat het geene kunst was, zwarigheid te maken, wel ze op te lossen; hij kende geen ander middel, om aan de zaak meer wettigheid te geven, dan de goedkeuring door notabelen. Ook Lampsins meende, dat Europa niet zoo kieskeurig zoude zijn. Toch werd het geweten der meerderheid hierdoor niet gerustgesteld. Geene constitutie kan aangenomen worden zonder democratische beginselen; men moest de geheele natie in het werk doen deelen, bleef Röell beweren. Maar wat dan? Men stelde voor ter visie legging der lijsten in de departementen, en daarnevens een register, waarin de ingezetenen zouden kunnen doen blijken van hunne goed- of afkeuring der lijsten. Onthouding kon als goedkeuring worden aangemerkt. Dit denkbeeld werd bij de publicatie van 2 Maart 1814 gevolgd. En die notabelen werden nu door den souvereinen vorst wel niet—zooals de commissie eerst gewild had—verklaardals representeerende het geheele Nederlandsche volk, maar als zoodanig door den souvereinen vorstbeschouwd. De souvereine vorst constateerde alleen het feit; bleef voor het overige lijdelijk160).
Een ieder ziet in, dat het niet zoo moeilijk was het geweten der commissie op dit punt gerust te stellen. Het gevaar was niet groot, dat er velen, ja enkelen zouden zijn, die tegen die lijsten zouden opkomen, vooral niet nu men niet meer—zooals eerst was voorgesteld—de geheele departementale lijst kon verwerpen, maar verplicht was de personen, die men niet bevoegd achtte, met name aan te duiden. Men huldigde democratische denkbeelden, maar het was minder het wezen dan deschijn, die men lief had. Ditzelfde openbaart zich ook in de regeling van de werkzaamheden der notabelen. Wat, indien die notabelen eens lastig werden? Hunne bijeenkomst moest zoo spoedig mogelijk afloopen. De souvereine vorst moest den president kiezen en daarbij niet tot de keus uit eene voordracht beperkt worden. Zoo mogelijk geene deliberatiën. De leden der commissie konden ieder een stel notabelen voor hunne rekening nemen, meende Hogendorp. En van Maanen drukte het algemeen gevoelen uit met te zeggen: „vele solemnia, weinig zaken”161). Men kwam dan ook zeer spoedig terug van het denkbeeld, om in de vergadering der notabelen iets anders te laten behandelen dan de aanneming der constitutie en hetgeen daarmede in noodzakelijk verband stond.
Onder dit laatste behoorde niet alleen 's vorsten eed en zijne inhuldiging door de groote vergadering, maar tevens de beraadslaging over de vraag: hoe de grondwet zoude ingevoerd worden, hoe in 't bijzonder de leden der Staten-Generaal, der provinciale staten, der stedelijke besturen, der rekenkamer voor de eerste reize zouden worden benoemd. Er heerschte, schreef lordCastlereaghreeds den 8sten Januari 1814, na een met Hogendorp gehouden gesprek, zulk een vertrouwen op den vorst, dat de eerste keuze der Staten-Generaal aan hem zoude worden opgedragen162). Hierover, evenmin als over de vervulling der andere collegiën, bestond dan ook tusschen de leden der commissie verschil van gevoelen; men begreep, dat de notabelen namens de natie den souvereinen vorst daartoe moesten machtigen. Eene daartoe strekkende bepaling werd dan ook gevonden in art. 4 van het den 7den Februari in behandeling genomenontwerp-besluit door de notabelen te nemen. En hoewel—zooals ik gezegd heb—dit besluit als zoodanig ter zijde werd gesteld, zoo bleef toch de commissie dit denkbeeld aankleven. Men kwam echter meer en meer tot de overtuiging, dat over dit punt niet afzonderlijk, maar tegelijk met de constitutie moest gehandeld worden, hetzij dit als additioneel artikel in de grondwet werd opgenomen, of in de akte van opdracht daarvan melding gemaakt werd. De souvereine vorst meende, dat hij deze kwestie het best met den president van de groote vergadering kon overleggen. Het einde van alles was dan ook, dat de commissie in haar finaal rapport van 2 Maart het volgende tot den vorst zeide: „Wij achten het nog belangrijk éen woord te zeggen over de wijze, waarop de grondwet zal kunnen worden ingevoerd. Wij twijfelen geenszins of de groote vergadering zal wel het beste en eenige middel daartoe kiezen, door de invoering en de benoeming der gestelde collegiën voor de eerste reis aan U. K. H. op te dragen”.
Onder het licht van dit alles wordt veel duidelijk van hetgeen op den 29sten en 30sten Maart 1814 bij de aanneming der grondwet en de beëediging en inhuldiging voorviel. De stem der natie had zich niet verheven tegen de keus der 600 notabelen163). Deze kwamen echter niet allen op. Van de 600bleven er 126 te huis, zoodat hun getal tot 474 werd teruggebracht. De dag van den 29sten Maart 1814 was voor de aanneming der grondwet bepaald. In de Nieuwe Kerk kwamen daarvoor des voormiddags te 9 uur de notabelen bijeen. Aan de commissie van 14 Februari 1814 was opgedragen hen door het lot in 10 afdeelingen te verdeelen. Tot president werd door het eerst benoemde lid der commissie, vanLynden van Hoevelaken, namens den souvereinen vorst uitgeroepen de heer van Nagell van Ampsen, vóor 1795 extra-ordinair ambassadeur in Engeland en sedert ambteloos burger. Heeft hij eene vergadering geleid, die op den naam van ernstige vergadering aanspraak kan maken, of waren hetvele solemnia en weinig zaken? Tegen half elf uur trad de souvereine vorst met zijne beide zonen, omgeven door de herboren hofhouding, door de hoogste dienaren van den staat, door de commissie van constitutie, de kerk binnen. De souvereine vorst hield „op eene zeer aandoenlijke en plechtige wijze eene aanspraak”164). Het lid der commissie voor de constitutie, van Maanen, hield daarop „met de hem eigen welsprekendheid”165)eene redevoering over de beginselen en den geest der grondwet. Na het vertrek van den vorst volgde het onderzoek of liever de stemming in de afdeelingen. Daar het lot de notabelen had gerangschikt, moeten de meesten elkander vreemd zijn geweest. Toch waren er onder, die bedenkingen wilden voordragen. Dit was echter niet de bedoeling. Men was daar geroepen, niet om te debatteeren, maar om te stemmen. De bedenkingen die men had, konde men schriftelijk indienen, en de president der vergadering zoude die aan den souvereinen vorst overgeven166). Er werd dus gestemd, en van de 474 stemden er 448 voor en 26 tegen. In een paar uur was de zaak afgeloopen. De Vereenigde Nederlanden hadden een grondwet. De souvereine vorst kon met die aanneming in kennis worden gesteld, en die aanneming nog bij publicatie van denzelfdendag door hem aan het volk worden verkondigd.
„Niet minder luisterrijk en aandoenlijk was de plechtigheid, waartoe”—zegt Metelerkamp167)—„de volgende dag bestemd was”. De vergadering werd door den voorzitter geopend met „eene eerbiedige aanspraak aan den souvereinen vorst”, door dezen „op eene treffende en aandoenlijke wijze” beantwoord. Ook werd der vergadering daarbij mededeeling gedaan van het aanstaande huwelijk van den oudsten zoon van den souvereinen vorst met de engelsche prinses Charlotte. Daarop legde de souvereine vorst den eed af, „met eene duidelijke maar getroffen stem”. De eed werd gevolgd door de inhuldiging, bestaande in het afleggen van den eed van getrouwheid door den president, onder het uitsteken van de rechterhand door al de leden.
En de wapenheraut riep driemaal met luider stemme: „Leve Willem Frederik, souverein vorst der Vereenigde Nederlanden!”
Eindelijk zette eene godsdienstige redevoering van prof. Haack de kroon op dit alles.
Vele solemnia en weinig zaken.
Toch blijft het opmerkenswaard, dat éen punt, waarover in de commissie zooveel gedebatteerd was, geheel en al ongeregeld bleef. Ik bedoel de invoering der grondwet, de eerste vervulling der collegiën. De grondwet zweeg er over. In de vergadering van 29 Maart werd er geen woord van gerept. In de afdeelingen schijnt hetzelfde het geval te zijn geweest. Ook de zoogenaamde akte van inhuldiging, zijnde het proces-verbaal van het op 30 Maart voorgevallene, zwijgt over dit punt. De eenige omstandigheid, waaruit blijkt, dat dit punt niet vergeten was, is eene zinsnede uit de aanspraak, die de souvereine vorst vóor het afleggen van den eed in antwoord op de rede van den heer van Nagell uitsprak.De souvereine vorst zeide: „Ik weet, M. H.! dat ik uwer aller wenschen te gemoet kome door te zorgen voor de onverwijlde invoering der grondwet, en door te dezen einde alle die maatregelen te nemen en alle die aanstellingen te doen, zonder welke hare werking nog lang onvolledig en gebrekkig blijven zoude”168). Diensvolgens werd dan ook in de publicatie over de aanneming der grondwet gezegd, dat de souvereine vorst dadelijk zou overgaan tot het invoeren der grondwet en tot het benoemen van die hooge staats-beambten en collegiën, door welker raad of gezag zij gewild had, dat de macht van den souvereinen vorst zoude worden omschreven en beperkt169).Men schijnt ten slotte te hebben begrepen, dat het op deze wijze ook wel kon gaan, en dat een opzettelijk debat over dit onderwerp zijne bedenkelijke zijde had.
Was er inderdaad grond voor het streven der grondwetcommissie, om met het redden van den schijn, tevens te zorgen dat de zaak zonder stoornis of tegenkanting afliep? Men zal het niet licht beamen. In die dagen ontbrak alle zucht naar zelfregeering en politieke vrijheid. Wanneer er iets was, wat in den lande naar publieken geest zweemde, dan was het de algemeene blijdschap over het aftrekken van den vreemden overheerscher, en over de herstelling van het huis van Oranje. Er is veel waars in de woorden van van Assen170): „de geestdrift, waarmede de bewoners dezer gewesten den vorst als redder terugontvingen, maakte hen geheel onbezorgd over de voorwaarden der regeering”. Ja, men had desnoods de grondwet aan de bekrachtiging van het algemeen stemrecht kunnen onderwerpen, zonder dat de uitkomst anders ware geweest dan nu in devergadering van die 474 notabelen, meest allen genomen uit den kring der edelen en patriciërs, versterkt met hen, die na 1795 zich op gelijke lijn met genen hadden weten te plaatsen. Wat nog eenige kracht had, wat nog snaren konde doen trillen, was het stuk van den godsdienst.Het schijnt toch, dat de 26 stemmen tegen hoofdzakelijk hieraan toe te schrijven zijn, dat men òf uit een streng hervormd standpunt geen vrede had met het niet weder oprichten der staatskerk, òf uit een roomsch-katholiek standpunt de eenigszins bevoorrechte positie der hervormde kerk niet kon goedkeuren. Slechts een enkele, zooals van Swinden, stemde tegen om constitutioneele beginselen. Hij, een verouderde doctrinair, had onder anderen geen vrede met de bepaling, waarbij het recht van oorlog en vrede in handen van den souvereinen vorst alleen gelegd was.
Doch ik loop vooruit op de beschouwing over den inhoud der grondwet.
Wat werd er onder die grondwet van de nederlandsche maatschappij, wat van den regeeringsvorm?