Wat ik bij dit en de volgende hoofdstukken van Tellegen heb op te merken, wordt het best gegeven in den vorm van aanteekeningen. Ik maak daarbij, voor die op de hoofdstukken III–V, meer dan eens gebruik van het uitnemend proefschrift, door Mr. B. D. H. Telligen Az., kleinzoon van onzen schrijver, in 1912 te Groningen verdedigd:Overzicht van het tot stand komen der Grondwet van 1814.Hogendorp's Schets(hiervóór, bl. 72).—Tellegen kent deze alleen in de redactie, waarin zij ten grondslag gelegd is aan de beraadslagingen der commissie. Sedert hij schreef zijn er twee andere redacties aan het licht gebracht: de oorspronkelijke in het najaar van 1812 opgesteld, en een gewijzigde, aan den Souvereinen Vorst voorgelegd bij diens terugkeer uit Amsterdam.Het eerste ontwerp was, in den loop van 1813, door het geheimcomité der vrienden van van Hogendorp goedgekeurd.171)De zeer geringe wijzigingen en bijvoegingen, die men in de tweede redactie aantreft,172)waren het gevolg van hunne aanmerkingen. De derde redactie vertoont wijzigingen, aangebracht naar aanleiding van opmerkingen van den Souvereinen Vorst, die eveneens aan Tellegen onbekend zijn geweest.Hetgeen ook nog in sommige hoofden spookte(hiervóór, bl. 73).—Dit houd ik voor geheel onjuist. Rechtskracht aan het nieuwe te doen verleenen door de vertegenwoordigers van het voorbijgegane, had in Hogendorp's hoofd gespookt, doch de eerste poging daartoe was op 18 Nov. zoo geheel te niet geloopen dat niemand zich eene herhaling voorstelde. Er is mij geen letter bekend waaruit blijken zou dat hetzij Hogendorp hetzij eenig ander na 2 Dec. er nog aan gedacht heeft, de vaststelling der grondwet aan oud-regenten als zoodanig te vragen;—en tot mij de letter voorgebracht zal zijn, weiger ik er aan te gelooven.Wanneer, zooals waarschijnlijk is(hiervóór, bl. 74).—Hogendorp heeft volstrekt geen overwegenden invloed op de samenstelling der commissie gehad; hij is er zelfs niet in het bijzonder over geraadpleegd. De heele maand December en nog daarna kwam hij niet van zijn kamer af,173)en de Vorst, die overstelpt was met werkzaamheden en zich bovendien tot zijn persoon niet zeer aangetrokken gevoelde, kwam niet druk bij hem. Den 15den December heeft hij over de gansche den Vorst in handen gegevenSchetsnog geen woord van dezen vernomen; hij dicteert dan (zijn hand nog niet tot zijn gebruik hebbende) een brief, waarin hij hem bij het heil zijner nakomelingschap bezweert, met de zaak voortgang te maken.174)Nauwelijks waren deze woorden geschreven of de Vorst zelf trad binnen en onderging voorlezing van den brief.175)Dat hij die noodig had, is mij niet gebleken.De Vorst had deSchetsontvangenna zijn terugkeer uit Amsterdam; ik denk 4 December (de terugkeer was 3 Dec. 's avonds). De eerste dagen gingen voorbij met militaire overleggingen (BülowenBenkendorffin den Haag), die op dat oogenblik ook verreweg van den dringendsten aard waren;—met opdrachten ook aan verschillende personen tot onverwijlde inbezitneming van al wat tot het gebiedder Vereenigde Nederlanden behoord had. Dan stroomde het van deputatiën en individuën die hun opwachting kwamen maken; ook viel kennis aan te knoopen met het in den Haag beschikbare regeeringspersoneel, voor een goed deel bestaande uit personen die de Vorst nimmer ontmoet had. Daaronder waren oud-patriotten in een vrij aanzienlijk getal: Falck, Canneman, van Maanen, Piepers. Falck stelde hem Elout voor,176)die nog geen aanstelling had van het Algemeen Bestuur, maar reeds een groote carrière achter zich had, bij Hogendorp bekend en gezien was, en op den Vorst ook blijkbaar onmiddellijk indruk heeft gemaakt. 's Vorsten eigen oude bekenden kwamen voor en na uit de provinciën opdagen; in den Haag vond hij Aylva, vóór '95 in groot aanzien aan het hof en na '95 een der trouwste correspondenten van het huis gebleven. Onderwijl zag de Vorst ook deSchetsin en raadpleegde er dezen en genen over: Hogendorp noemt, in een aanteekening van 1830, Aylva, van Maanen en Elout.177)Dat de oude huisvriend Aylva kennis van het stuk kreeg, kan wel niet anders; een oordeel in schrift schijnt hij niet te hebben gegeven; het is althans niet bewaard.Ten aanzien van van Maanen moet ik opmerken, dat Tellegen de verhouding tusschen hem en van Hogendorp niet geheel juist weergeeft. Hogendorp was hem vriendelijk gezind, sedert van Maanen hem geraden had hoe zijn klachten in te dienen tegen de aanwijzing van zijn zoon alsgarde d'honneur. Hij bezoekt hem eenige dagen vóór den 17den en vindt het hoofd der keizerlijke justitie in de beste stemming178); wederom na den 21sten: van Maanen is „allervriendelijkst” maar heeft niet den minsten lust openlijk mede te doen voor hij weet waarheen de zaken drijven179), of zijn unieke positie op te offeren en met zijn Keizerlijk Gerechtshof het veld te ruimen voor „alle de Hoven Provintiaal, zooals dezelve bestonden in de jaren 1794 en 1795”180). Hij redt er zich dus uit met het verhaaltje over Filips II; de heeren, zegt hij, moeten inmiddels maar door middelen van politie kracht aan hunne wetten geven. „Volgens mijne gewoonte”, schrijft Hogendorp, „liet ik het daarbij; genoegzaam zeker, dat hij zooveel mede zou werken als hij doen kon, zonder zich openlijk bloot te geven”. Dit was van Maanen goed beoordeeld: hij was er volstrekt de man niet naar, zich op te offeren voor een verloren zaak, en desKeizers zaak heeft hij verloren beschouwd na de aankomst der bondgenooten te Utrecht en van den Prins in den Haag. Den 1sten Dec. laat hijla Cour impériale de la Hayein allen vrede omdoopen in Hooggerechtshof der Vereenigde Nederlanden. Natuurlijk is het hoofd der justitie onmiddellijk in aanraking gekomen met den Vorst, wien hij reeds te Londen door zijn buurman en huisvriend Repelaer sterk was aanbevolen181). Den 7den Dec. werd hij in den kabinetsraad geroepen met de functiën, hoewel nog niet met den titel, van minister van justitie. Is hij ook over deSchetsgeraadpleegd, en door wien?In 1836 schrijft van Maanen aan Thorbecke, dat hij geen andere redactie derSchetskent, dan die in de commissie gediend heeft.182)Nu trekt het de aandacht dat, onmiddellijk na het openen der eerste vergadering, van Maanen een rede houdt die deSchetsin het hart treft, en dat hij in zijn eigen aanteekeningen een duidelijk onderscheid maakt tusschen leden die deSchetsal, en die ze nog niet gelezen hebben, en zichzelven tot de eerste categorie brengt.183)In zijn brief aan Thorbecke heet het, dat de gedrukteSchetsaan hem en eenige anderen „vroeger was rondgedeeld”, dochveelvroeger kan dit onmogelijk geweest zijn, aangezien volgens Röell de president zijne geschreven analyse juist hierom voordroeg, wijl hij onderstellen moest „dat de leden het pas voor een uur afgedrukt project nog niet geheel mogten gelezen hebben”184). Zou van Maanen nu inderdaad zelfs van het algemeen karakter derSchetsgeen kennis gedragen hebben, eer hij het gedrukte exemplaar in handen kreeg? Het is onmogelijk aan te nemen. Hij verkeerde intiem beide met Falck en met Elout, en deze twee wisten lang vóór de benoeming der commissie van deSchetsalles af. Trouwens 20 Dec. deelt van Maanensub rosaaan Röell mede, dat van Hogendorp eene schets van grondwet gemaakt heeft, en daaromzekerin de commissie zal komen; tevens blijkt dat op den ochtend van dien dag tusschen Falck, Elout en van Maanen geconfereerd is over de keus der in de commissie te benoemen personen, en dat men daar is overeen gekomen een sterke poging te doen bij Röell, om dezen tot het aannemen eener benoeming over te halen185). Is het nu denkbaar dat bij dit alles het karakter derSchetsvan van Hogendorp geheel buiten bespreking is gebleven? Veeleer stel ik mij voor dat juist omdat deSchetszoo was als zij was, Falck, Elout en van Maanen zoo grooten prijs ophet lidmaatschap van Röell hebben gesteld, wiens denkbeelden zij kenden en dien zij voor een niet te versmaden bondgenoot moesten houden.Niet slechts Falck en Elout hebben van Maanen over deSchetsen de keuze van commissieleden aangesproken, maar, blijkens zijn brief aan Thorbecke van 1836, de Souvereine Vorst zelf. Wat van Maanen bij die gelegenheid uit of over deSchetsvernam, vond hij later alles in het gedrukte stuk terug, zoodat hij aan Thorbecke kon verklaren dat er geen ander stuk was geweest. Dit is natuurlijk niet juist; maar wèl juist is zijne mededeeling, dat deSchetszooals zij in de commissie diende niet was voortgekomen uit de beraadslagingen „eeniger staatsmannen”186). De veranderingen in de tweede redactie aangebracht zijn uitsluitend het gevolg van Hogendorp's overleggingen met den Vorst187), waarvan van Maanen geene kennis heeft gedragen.Wat de opinie van van Maanen over deSchetsbetreft, deze blijkt duidelijk uit de beraadslagingen der commissie. Reeds vóór zij bijeenkwam, moet hij zich in afkeurenden zin hebben uitgelaten.„Ik weet”, schrijft 21 April 1877 Elout's zoon aan van Maanen's kleinzoon, „dat deSchetsalthans aan wijlen den Heer Minister van Maanen daarna188)ook werd medegedeeld189)en deze allereerst van oordeel was dat de keizerlijke constitutie met wijziging van namen enz. zouden kunnen voldoen aan het oogmerk”.190)Merkwaardig stemt met deze traditie overeen wat Hogendorp in 1817 schrijft: „van Maanen meende eerst, dat men alles kon behouden zooals het was, en den Prins slegts behoefde in de plaats van den Keizer te stellen”.191)De raad van Fouché aan de Bourbons: „se coucher dans le lit de Napoléon”.Als derde, die van deSchetsin tweede redactie kennis zou hebben gehad, noemt van Hogendorp in 1830 Elout. Zijn oordeel is in geschrifte bewaard. Hij ontving het stuk van Falck, 9 Dec. 1813, en wel „op uitdrukkelijk verlangen van den Heer van Hogendorp,”192)nam er copie van, en stelde er korte aanteekeningen op voor zichzelf193)en een uitgebreidere voor van Hogendorp.194)Met deze laatste was Falck „het bijna onvoorwaardelijk eens.”195)De kern der opmerkingen van Elout is deze: „Kon men zich verplaatsen in het tijdvak van 1787 of vroeger, de ontworpen schets zou zeer groote waarde hebben; maar gedane zaken nemen geen keer, ennuis het bedenkelijk het nieuw op te trekken gebouw te vestigen op gronden welker wederinroeping onmogelijk schijnt.” De gewichtigste opmerking van bijzonderen aard: „Is het doelmatig te bepalen, dat de Staten der Provinciën blijven op den ouden voet, dat is zooals voor 1795? Vervalt niet die oude voet alleenlijk daardoor, dat men hun de Souvereiniteit beneemt?”Vermoedelijk heeft Elout 13 of 14 December zijne bedenkingen bij Hogendorp mondeling toegelicht,196)maar zekerheid bestaat op dit punt niet. Tot wijzigingen in deSchetshebben zij geen aanleiding gegeven; met een enkele wijziging van détails was er trouwens niet aan te gemoet te komen. De strijd van denkbeelden, thans geopend, zou in de commissie moeten worden uitgevochten.Nadat de Vorst den 15den bespeurd had dat Hogendorp ongeduldig werd, zal hij de studie derSchets, thans van Elout terug, hebben hervat. Den 19den zendt hij Hogendorp zijne aanmerkingen in geschrifte toe.197)Hij schrapt daarin de woorden Koning en Kroonprins en vervangt ze door Souvereinen Vorst en Erfprins; hij verlangt dat de Vorst verbonden zal kunnen bekrachtigen zonder voorafgaande goedkeuring der Staten-Generaal, die alleen de beschikking houden over de middelen, om de ingegane voorwaarden te vervullen; hij wil het getal der ministerieele departementen (door Hogendorp op zes gesteld) onbepaald laten;hij brengt de civiele lijst van een millioen op vijf à zes ton terug, en wil de andere helft liever uit de terug te geven oude domeinen van het huis genieten; hij wil een algemeenen rijksadel in plaats van de voorgeslagen provinciale ridderschappen;hij verlangt het tweekamerstelsel; hij wil onderscheid gemaakt hebben tusschen permanente uitgaven, die aan het begrootingsrecht der Staten-Generaal onttrokken zullen worden, en tijdelijke, die er aan onderworpen zullen zijn; hij verlangt in elke provincie een stadhouder als zijn vertegenwoordiger en in Holland twee (Amsterdam bij het Noorderkwartier, als onder Lodewijk Napoleon); en eischt, als een regaal, de munt voor zich op. Den volgenden avond kwam hij dit alles met Hogendorp bespreken tot drie uur in den nacht198).Alle voorgeslagen wijzigingen werden door Hogendorp overgenomen op twee na: rijksadel en hoogerhuis; twee zaken die met elkander samenhingen. Hogendorp had, naast de provinciale ridderschappen, bestemd ter vertegenwoordiging van het platteland in de Provinciale Staten, een stand van rijksgraven en pairs voorgesteld, met zitting in de Staten-Generaal krachtens geboorterecht en voor hun leven; zij zouden door den Vorst tot die waardigheid worden verheven, in iedere provincie op de honderdduizend zielen één199). De Vorst „had geen zin in zoo groote heeren”200). Hij wilde een rijksadel, waarin om te beginnen alle bestaande edelen zouden worden opgenomen (onder welken de Gelderschen en Overijselaars de groote meerderheid uitmaakten), en die door verleening van adeldom van 's Vorsten wege zou kunnen worden aangevuld; uit dezen adel wilde hij een hoogerhuis trekken, en het lagerhuis doen bestaan uit afgevaardigden òf door de Provinciale Staten te benoemen (als bij Hogendorp), òf wel door de gewezen stemhebbende steden onmiddellijk, waarbij dan de Provinciale Staten nog eenige afgevaardigden zouden voegen, men moet verstaan voor het platteland. Hogendorp wierp tegen, dat op die wijze de algemeene belangen voortdurend onderworpen zouden kunnen zijn aan het behagen van eenige jonkers uit de landprovinciën. Het eind was dat hij zijn pairs, de Vorst zijn „adel der Vereenigde Nederlanden” en zijn hoogerhuis opofferde.Tegelijk werd afgesproken, dat de naar 's Vorsten opmerkingen omgewerkteSchetsaan de commissie als leidraad zou dienen, en dat het resultaat harer beraadslaging, zoo mogelijk in Januari 1814, ter goed- of afkeuring zou worden onderworpen aan eene vergadering van 5 à 600 notabelen, welke zich na aanneming der grondwet constitueeren zou tot eene „algemeene groote Statenvergadering,” om den eed des Vorsten te ontvangen en hem in staat te stellen tot invoering der grondwet, en vervolgens „na weinige dagen” heen tegaan, waarop de eerste constitutioneele vergadering van Staten-Generaal geopend zou worden op 1 Nov. 1814201).Terzelven dage dat de Vorst Hogendorp zijne aanmerkingen op deSchetstoezond, moet hij Falck last gegeven hebben, het besluit tot bijeenroeping der commissie op te maken; hij zal hem de personen genoemd hebben die hij zelf er in wenschte, en andere namen aan Falck hebben gevraagd202). Het denkbeeld schijnt daarbij te zijn geopperd ook aan de ministers203)zitting te verleenen204); hiervan is echter afgezien205). Van een bezoek van den Vorst aan Hogendorp tusschen 15 en 20 Dec. is niets bekend, en in schrift is er geen bewijs gevonden dat hij over de personen geraadpleegd is. De namen zullen hem 20 Nov. zijn onderworpen bij conversatie; maar alles wijst er dunkt mij op dat de Vorst bij de keus van oud-oranjemannen vooral met zijn eigen herinneringen te rade is gegaan, en voor die van oud-patriotten met het iederen dag meer door hem gewaardeerd inzicht en de ondervinding van Falck206).De personen, 21 Dec. benoemd, waren veertien in getal. Tellegen heeft gemeend ze naar de (toen nog bestaande) Fransche departementen te moeten schikken; er zouden er dan vier komen op deMonden van de Maas, drie op de Zuiderzee, twee op den Boven-IJsel, twee op Friesland, één op de Monden van de Schelde, één op de Monden van den IJsel, één op de Wester-Eems. Ik geloof niet dat dit vermoeden grond heeft: de wanverhouding tusschen het groote departement van de Zuiderzee met drie207), en het minder bevolkte der Monden van de Maas met vier leden zou te opvallend zijn208). Denkt men aan de oude provinciën, dan zouden er zes leden komen op Holland (van der Duyn, Elout, Hogendorp, van Maanen, Repelaer, Röell), twee op Gelderland (van Lynden, Schimmelpenninck), twee op Friesland (Aylva, Humalda), een op Zeeland (Lampsins), Utrecht (van Tuyll), Overijsel (van Heerdt) en Groningen (Heerkens). Doch nòch eene schikking naar departementen, nòch eene naar oude provinciën, is in het besluit genoemd; de leden zijn daar vermeld in alphabetische volgorde. Dit is echter zeker, dat men geen der oude provinciën zonder een lid heeft willen laten209).Toen later bleek dat Heerkens, hoewel van Groningsche familie, te Venlo geboren was, heeft men hem voor de Generaliteitslanden laten gelden, en een ander (van Imhoff) voor Groningen er bij benoemd. De ware reden, waarom men oorspronkelijk het oog op Heerkens gevestigd had, was, dat hij katholiek was, en Falck er stellig een katholiek in wenschte te hebben, dien hij alleen had kunnen plaatsen voor Groningen als nog niet van een lid voorzien gewest210).In de vergaderingen hebben de leden niet naar de alphabetische orde, maar naar die van den leeftijd gestemd. In deze orde gaan wij ze hier bespreken, met uitschakeling van den president van Hogendorp (geb. 1762).Willem Carel Hendrik baron van Lynden van Blitterswijk (1736–1816) behoorde tot een der aanzienlijkste geslachten van de provincie Gelderland, en had in zeer nauwe betrekking gestaan tot Prins Willem V. In 1758 in de ridderschap van het kwartier van Nijmegen beschreven, had hij van 1760 tot 1772 den post van tweeden secretaris deradmiraliteit van Zeeland bekleed; vervolgens naar Gelderland teruggekeerd, was hij voor die provincie in de Staten-Generaal verschenen en is een dergenen geweest die het meest bevorderd hebben dat de Prins zich aan den overwegenden invloed van den hertog van Brunswijk gaandeweg onttrok. In 1778 had de Prins hem een groot bewijs van vertrouwen gegeven door hem te benoemen tot Representant van den Eersten Edele in Zeeland, een post tot 1795 door hem bekleed. Door deze benoeming werd van den regel afgeweken die in deze betrekking een Zeeuw verlangde; maar de provincie was toen zoo door kabalen verscheurd dat het geraden voorkwam er een „buitenlander” van aanzien te plaatsen. Van Lynden toonde zich in Zeeland een omzichtig man; volstrekt geen ultra-oranjeklant naar den Zeeuwschen smaak. Hij behoort tot degenen die altijd voor een vergelijk met de patriotten hebben gewerkt, en toen de, in Zeeland zoo bijzonder hevige,orangistischereactie in '87 de overhand nam, liep zijn positie een tijdlang groot gevaar. In 1795 was hij naar Gelderland teruggekeerd en had daar stil geleefd; den tijd der persoonlijke eerzucht lang te boven, had hij met het nieuwe regime, ook onder koning Lodewijk, nooit iets te doen willen hebben. Hij was daar volstrekt vreemd aan, ten minste aan de practijk daarvan; maar van nature gematigd, was hij niet geheel ontoegankelijk voor andere denkbeelden dan in zijn jeugd hadden gegolden.Willem René baron van Tuyll van Serooskerken van Zuylen (1743–1839), in 1776 beschreven in de ridderschap der provincie Utrecht, broeder van de in de geschiedenis der Fransche letteren bekende Mevrouwde Charrière, was nog geheel een man van het oude régime. Minder bekwaam dan van Lynden, is hij dezen doorgaans in de beraadslaging gevolgd. Ook hij was sedert 1795 buiten alle bewind gebleven, maar zijn zoon was onder Lodewijk kwartierdrost van Utrecht en onder de Franschen onderprefect aldaar. Den 30sten Nov. was hij opgetreden onder de leden van het 2 Dec. door het Algemeen Bestuur gecasseerde Provinciaal Bestuur van Utrecht.Willem Anne baron Schimmelpenninck van der Oye (1750–1818), in 1777 beschreven in de ridderschap van de Veluwe, had van 1791 tot 1795 den post bekleed van rigter van Arnhem en in Veluwenzoom; hij stond bij het Oranjehuis in aanzien en was in 1799 een dergenen geweest op wie men het meest rekende voor een tegenomwenteling in Gelderland. Lodewijk Napoleon had hem in 1808 tot staatsraad in buitengewonen dienst benoemd; tijdens de inlijving was hij buiten bewind gebleven. 4 Dec. was hij door het Algemeen Bestuur benoemd tot commissaris-generaal (prefect) in het departement van den Boven-IJsel, welken post hij nu nog bekleedde, te zamen met een collega,W. H. A. C. baron van Heeckeren van Kell211). Een van de bewijzen van de haast waarmede de lijst van commissieleden is opgemaakt,212)is dat men zich blijkbaar niet vergewist heeft of Schimmelpenninck te Arnhem kon worden gemist. Blijkbaar niet, en om redenen die hij aannemelijk heeft weten te maken213), want hij is nimmer verschenen. Daar er geen ander in zijn plaats is benoemd, vermoed ik dat hij eerst gedacht heeft spoedig te zullen kunnen komen; toen de redenen van verhindering permanent bleken214)zal men de beraadslaging te ver heen hebben geacht om er nog een ander in te laten vallen.Hans Willem baron van Aylva (1751–1827), in 1772 volmacht van Baarderadeel, in 1780 grietman van het Bildt, in 1788 van Baarderadeel, had in den tijd dat de meerderheid der Friesche aristocraten met Willem V overhoop lag, tot de patriotsche partij behoord en zelfs deelgenomen aan de nationale vergaderingen van patriotsche regenten te Amsterdam, maar na eenige jaren evenals de anderen zijn vrede met den Prins gemaakt, bij wien hij vervolgens zeer in de gunst kwam. In de laatste jaren voor '95 zat hij geregeld voor Friesland in de Staten-Generaal en stond als hofmaarschalk in dagelijksch verkeer met de stadhouderlijke familie. Over zijn houding in 1795 en 1799 is reeds gesproken215); zij was vrij tegemoetkomend tegenover de nieuwere denkbeelden. Onder Schimmelpenninck en koning Lodewijk was hij lid geweest van het Wetgevend Lichaam; onder Napoleon had hij geen ambten bekleed. Op enkele punten, als de godsdienst van den Souvereinen Vorst, stond Aylva met Friesche hoofdigheid op zijn stuk, maar over het geheel ging hij met de nieuwe opvattingen mede. Op van Heerdt na, was hij van al de leden der commissie degeen dien de Vorst van vroeger het best kende. Deze persoonlijke verhouding in aanmerking nemend, houd ik het voor zeer waarschijnlijk dat de Vorst hem behalve over deSchetsin het algemeen, ook over de keuze der commissieleden geraadpleegd heeft.Mr. Apolonius Jan Cornelis Lampsins (1754–1834), uit het bekende oude Zeeuwsche geslacht van dien naam, maar uit een tak die naarAmsterdam was overgeplaatst, was zijn loopbaan begonnen in de groote stad, waar hij in 1780 schepen en in 1784 lid der vroedschap werd. Hij behoorde tot de oranjegezinde fractie in dat college, en werd in April '87 door de patriotten geremoveerd. Hij bevond zich op dat oogenblik te Parijs, half voor zijn genoegen, half om er voor de oranjepartij de gangen van den Rijngraaf van Salm na te gaan. Hij was een man met zin voor politieke intrigue, die zich te Parijs zeer thuis gevoelde; hij is er tot in 1789 gebleven en vervolgens niet naar Amsterdam teruggekeerd, daar hij inmiddels tot baljuw van Vlissingen benoemd was. In 1795 week hij naar Duitschland uit, maar heeft in dat jaar en in '96 onderscheiden inspectiereizen naar de gerevolutionneerde Republiek gedaan, waarover hij merkwaardige verslagen aan den Erfprins uitbracht: zij raden een poging tot gewelddadige tegenomwenteling ten sterkste af, daar het oude nimmer terug zal kunnen keeren. Na deze reizen vestigde hij zich te Brunswijk, verkeerde er aan het hertogelijk hof en beheerde met Tollius een soort agentschap voor de overbrenging van nieuws uit en over de Republiek aan het Oranjehuis en de mogendheden. Later heeft hij te Dessau gewoond en was kamerheer-titulair van den koning van Pruisen; in 1807 is hij naar het vaderland teruggekeerd en is gaan wonen te Utrecht, waar hij ambteloos bleef tot den opstand. Lampsins was een man die begreep waar de tijd heendreef; alleen op het punt van de positie der Hervormde Kerk toonde hij zich zeer aan het oude gehecht, naar het schijnt vooral uit vrees van door de Katholieken te worden overheerd na de vereeniging met België. Overigens geen man die zich in de commissie veel inspanning heeft getroost of er eene rol van beteekenis heeft gespeeld.Jhr. Idzerd Aebinga van Humalda (1754–1834), vóór '95 grietman van Hennaarderadeel, week in dat jaar naar Oostfriesland uit en zocht in verstandhouding met den Erfprins en de Engelsche regeering een tegenomwenteling in zijne provincie te bewerken. Hij onderhield tot dit doel geregelde betrekkingen met partijgenooten binnenslands, maar werd daarbij het geloovig werktuig van lieden van dubbelzinnig karakter, die meer opgaven dan zij verantwoorden konden, en toen de tijd om te handelen in 1799 gekomen was, liep de geheele zaak op niets uit. Humalda is een dergenen die het langst aan de mogelijkheid van een tegenomwenteling hebben geloofd; nog in 1802 schrijft hij in dien geest aan den in Duitschland aangekomen Willem V, die zelf dan alle hoop reeds lang heeft laten varen. Hij had zich voor de zaak van Oranje bijzonder veel moeite en opofferingen getroost, en zijn benoeming in de commissie, evenals die tot gouverneur van Friesland die er op volgde (29 April 1814), is wellicht als eene erkenning daarvan aan te merken. Hij was meer eenkarakter dan een capaciteit en is in de commissie niet zeer naar voren getreden. Na 1802 in het land teruggekeerd, had Humalda sindsdien geen posten bekleed dan dien van maire van Wommels (1811).Mr. Ocker Repelaer van Driel (1759–1832), uit een Dortsch regentengeslacht, in 1787 lid van de vroedschap zijner vaderstad geworden, bekleedde in 1794 den post van commissaris-generaal tot de vivres bij het leger der Republiek, en werd gedurende den winterveldtocht door van de Spiegel gebruikt tot de vruchtelooze onderhandeling met den Franschen volksrepresentantLacombe St. Michelte 's-Hertogenbosch, en vervolgens met Brantsen naar Parijs gezonden met een vredesvoorstel aan hetComité de Salut Public. Nadat door het wapensucces der Franschen alle kans voor de oude Republiek verkeken was, had hij bij de ComitéledenPelet de la LozèreenCambacérèstrachten te bewerken dat Nederland althans niet gejacobiniseerd zou worden; dat men er beproeven zou „une réunion des talens et des propriétés,”216)de reconstructie van 1801 met andere woorden, waarvoor het in '95 nog de tijd niet was. Naar den Haag teruggekeerd, was hij voortgegaan voor dit denkbeeld te werken, sprak er gematigde patriotten over, correspondeerde er over met den uitgeweken Prins. De ontdekking dezer briefwisseling door het Hollandsche Comité van Waakzaamheid leidde tot zijn inhechtenisneming. Na een langdurig proces, waarin zijn vriend van later tijd en medelid van thans, van Maanen, toen procureur-generaal van Holland, zijn hoofd eischte, werd hij in '97 tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld, die hij uitzat op de Voorpoort van den Hove. In 1801 losgekomen associeerde hij zich met den notaris de Bas voor een zaak in fondsen en scheepvaartbelangen, en werd in 1803 lid van den Amerikaanschen Raad, welke functie hij onder Schimmelpenninck behield217). Lodewijk Napoleon maakte hem Staatsraad, aan welke benoeming hij zich eerst trachtte teonttrekken; tijdens de inlijving bleef hij ambteloos, en maakte deel uit van Hogendorp's vriendenkring ter voorbereiding aan den opstand. Het was door zijn tusschenkomst en die van zijn zwager Singendonck, tevens zwager van Falck, dat Hogendorp en Falck van elkanders werk vernamen, waarop Hogendorp Falck tot secretaris zijner Staten-Generaal doodverwde, al had hij hem nog niet persoonlijk ontmoet218). In de Novemberdagen toonde Repelaer zich niet tegen de taak van revolutieleider opgewassenen ging naar Engeland zonder noodzaak, hoewel zijne plaats aan Gijsbert Karel's zijde geweest ware219). Door zijn intieme bekendheid met den Erfprins in 1794, de vermaardheid van zijn proces, en de omstandigheid dat hij te Londen (veel beter dan de minder in de zaken ingewijde Jacob Fagel en de Perponcher) den Prins het eerst van allerlei dingen en omtrent allerlei personen had kunnen inlichten, bekleedde hij thans in 's Vorsten oog eene positie onmiddellijk na Hogendorp en van der Duyn, eene positie uit welke hij later wel wat wegzakken zou. Ook in de grondwetcommissie toonde Repelaer zijn conciliantenaard. Hij stelde bijzonder belang in de zaken van den waterstaat, en werd weldra tot directeur-generaal van dit vak benoemd.Timon Cornelis baron van Heerdt (1761–1844) was in 1786 in de ridderschap van Overijssel beschreven en maakte in de laatste jaren voor '95 deel uit der prinselijke hofhouding. Hij volgde Willem V in de ballingschap, vergezelde in 1799 als diens gemachtigde de expeditie vanAbercromby, en bleef gedurende den ganschen tijd tot 1813 de personen van Willem V en VI trouw ter zijde. Willem VI had hem veel gebruikt in vertrouwelijke zendingen, in 1809 en 1811 naar Engeland en in 1812 naar den Erfprins in Spanje; op den terugweg van de laatste zending was hij te Hamburg door de Fransche politie in hechtenis genomen en naar Parijs gevoerd, waar Napoleon uit zijne papieren kennis kreeg van 's Prinsen verlangen, zijn zoon den Erfprins met Charlotte van Engeland te doen huwen. Op voorspraak van den koning van Pruisen, toen nog Napoleon's bondgenoot, raakte hij vrij en mocht naar zijn meester terugkeeren; de papieren bleven te Parijs en zijn eerst in 1814 teruggegeven220). In de commissie heeft Heerdt geen rol van eenige beteekenis vervuld; hij deed zich intusschen geenszins kennen als een blind voorstander van het oude.Mr. Cornelis Theodorus Elout (1767–1841) behoorde tot een der jongste regentenfamiliën van de stad Haarlem. Zijn vader, de eerste van de familie die in de vroedschap kwam (in 1778), werd in 1788 om zijn patriotische gevoelens geremoveerd; de zoon, in hetzelfde jaar gepromoveerd, moest dus zijn eigen weg zoeken en vestigde zich als advocaat te Amsterdam; in 1793 verwierf hij het schoutambt van Texel. De revolutie van '95 leverde voor Elout's vader de benoeming tot hoofdofficier van Haarlem, voor Elout zelven die tot Raad in den Hove van Holland op: in 1799 werd hij lid van de commissie tot samenstelling van een civiel en crimineel wetboek, in 1802 procureur-generaal bij het Nationaal Hoog Gerechtshof; in 1805 benoemde Schimmelpenninck hem tot Commissaris-Generaal naarBataafsch-Indië, tot invoering der door de bekende staatscommissie van 1803 beraamde hervormingen. Hij nam de reis over Nieuw-York, maar werd, daar zijnde, door koning Lodewijk teruggeroepen die hem in den Staatsraad plaatste; tevens was hij lid van de commissie tot samenstelling van een crimineel wetboek van 1807. Na de inlijving trad hij krachtens benoeming door het Hollandsche Wetgevend Lichaam, als lid op van den door Napoleon tijdelijk naar Parijs geroepen „Conseil pour les affaires de Hollande;” van Maanen bracht hem op de voordracht voor lid van het Hof van Cassatie te Parijs (waarin voor de Hollandsche departementen drie leden zouden zitting nemen), maar Elout werd niet benoemd221); hij vestigde zich vervolgens als advocaat in den Haag, waar hij woonde toen de opstand uitbrak. In den loop van 1813 was hij in betrekking gekomen tot van Hogendorp222), die hem op prijs stelde hoewel zij in denkbeelden vrij wat verschilden. De rol van Elout in de commissie is, evenals die van Röell en van Maanen, hoogst belangrijk geweest. Van deze drie heeft vooral Elout bij den president invloed verkregen, en het werk der in de vergadering van 3 Febr. 1814 benoemde commissie van redactie isvoornamelijkop hem neergekomen.Toen men de leden rangschikte wist niemand den juisten leeftijdvanden afwezigen Mr. D. J. Hondebeek Heerkens op te geven;223)als hij later aanwezig is stemt hij na Elout en vóór Röell, waaruit blijkt dat hij in 1767 geboren moet zijn. Hij was een volstrekt onbekende persoonlijkheid in de politiek, maar vereenigde de kwaliteiten van Groninger en van Katholiek. Hij was lid van het Hooggerechtshof in den Haag en op het oogenblik zijner benoeming afwezig tot hetpresideeren derassises te Groningen,224)zoodat hij eerst 28 Jan. verschenen is en eigenlijk alleen aan de beraadslagingen over den godsdienst heeft deelgenomen.Mr. Willem Fredrik Röell (1767–1835), zoon van den laatsten advocaat der West-Indische Compagnie, schoonzoon van den Thesaurier-Generaal Hop, had reeds vóór zijn promotie, die in 1791 plaats had, onder bescherming van den toen almachtigen burgemeester Rendorp de lagere stadsambten van Amsterdam doorloopen, was er in 1793 schepen geworden en in 1794 pensionaris. De omwenteling maakte hem ambteloos, hetgeen hij bleef tot 1802, toen hij, na overleg metden oud-burgemeester Huydecoper van Maarsseveen, die het hem zeer aanried, de benoeming aannam van lid van het gedeputeerd bestuur van het departement Holland. „De algemeene zugt der leden om alle overblijfselen van vroegere partijschap te helpen vernietigen”, zegt Röell in zijne autobiographie, in hem zelven kenschetsende woorden,225)„het uitzigt om nu eenmaal een bestendigen staat van zaken geboren te zien, en niet minder de geregelde loop, dien de aan het bestuur opgedragen werkzaamheden weldra verkregen, waren zoovele omstandigheden welke mij de aanvaarding mijner functiën geenszins deden beklagen”. In Mei 1804 volgde hij Mollerus, tot lid van den Aziatischen Raad benoemd, als secretaris van het departementaal bestuur van Holland op; Schimmelpenninck benoemde hem daarenboven tot lid der commissie van superintendentie over den Waterstaat. Lodewijk Napoleon, die zijne bekwaamheden hoog stelde, maakte hem eerst minister secretaris van Staat, vervolgens minister van buitenlandsche zaken. In deze laatste hoedanigheid vergezelde hij den koning op diens pijnlijke reis naar Frankrijk in 1809 en 1810, en gedroeg zich in de moeilijke omstandigheden van dat oogenblik met groote waardigheid. Tijdens de inlijving bleef hij ambteloos, doch nam in 1812, op aandrang van Lebrun, de functie van lid van den arrondissementsraad van Amsterdam op zich. Bij den opstand en de formatie van een provisioneel bestuur te Amsterdam hield hij zich geheel ter zijde en had ook daarna den Vorst nog niet zijn hof gemaakt; maar Falck en van Maanen achtten zijne benoeming in de grondwetcommissie van groot gewicht, en vonden gemakkelijk ingang voor hem toen men, de namen overziende, tot de ontdekking kwam dat men nog geen Amsterdammer had. Röell was een gematigde natuur, wat braaf en afgepast, maar een persoon van karakter en van een bijzondere arbeidzaamheid en nauwkeurigheid. Van afkomst een man van vóór '95, was hij echter van inzicht en ontwikkeling veeleer een man van nà de revolutie. Zijn rol in de commissie is van veel beteekenis geweest. In de hoofdzaken was hij het meest met Elout en van Maanen eens, vooral met Elout.Mr. Gustaaf Willem baron van Imhoff (1767–1830), kleinzoon van den gouverneur-generaal van Imhoff, gepromoveerd in 1788, had vóór '95 korten tijd voor Groningen in de Staten-Generaal gezeten. In '95 ambteloos geworden, trad hij in 1802 als secretaris van den raad van financiën in het departement Groningen op. Lodewijk maakte hem Staatsraad; tijdens de inlijving was hij lid van het Wetgevend Lichaam te Parijs. Van afkomst een man van vóór '95 evenals Röell, was van Imhoff in nog hoogere mate dan deze in denkbeelden een man vanden nieuweren, ja zelfs, evenals van Maanen bij wien hij zich geheel aansloot, van den nieuwsten, keizerlijken tijd. Na de invoering der grondwet is hij de eerste gouverneur van Groningen geweest.Mr. Cornelis Felix van Maanen (1769–1849), uit een Haagsch juristengeslacht van patriotsche gevoelens, zag zijn fortuin gemaakt door de revolutie van '95. In '93 gepromoveerd en als advocaat in den Haag gevestigd, werd hij in Febr. '95 benoemd tot secretaris van de municipaliteit aldaar, en in April van hetzelfde jaar geroepen tot den post van tweeden advocaat-fiscaal en procureur-generaal van Holland en Zeeland, nevens zijn schoonvader van der Meersch (den nieuwen eersten dito), dien hij in zijn werkzaamheden meestal verving en ook opvolgde. Na als hoofd van het openbaar ministerie in de gewichtigste provincie de opeenvolgende revolutionnaire regeeringen met veel ijver te hebben gediend, werd hij door Lodewijk Napoleon tot staatsraad in buitengewonen dienst benoemd en vervolgens tot minister van justitie. Daar hij evenwel geen vrede had met de inrichting eener geheime politie in het koninkrijk Holland gelijk de koning die verlangde, nog minder met de individu's van welke de koning zich tot dat werk bediende, trad hij in 1809 af. In 1810 lid en sectie-president van den „conseil pour les affaires de Hollande” te Parijs, werd hij tijdens de werkzaamheden van dat lichaam tot staatsraad in buitengewonen dienst van het Keizerrijk, en vervolgens tot eersten president van het keizerlijk gerechtshof in den Haag benoemd, en met de invoering der Fransche rechterlijke organisatie in de Hollandsche departementen belast; een werk dat hij met voorliefde en groote geschiktheid ondernam. Bij den opstand hield hij zich ter zijde en vreesde eene reactie die zou omverwerpen ook wat het Fransche bestuur goeds gebracht had. Het besluit van het Algemeen Bestuur van 1 Dec., „op de administratie der justitie,” kwam hem omtrent zijn eigen hooge positie gerust stellen. Op aandrang van van Maanen, vermoedelijk ook van Elout, zal in het besluit van 21 Dec. het vierde artikel opgenomen zijn, dat van de commissie zoodra mogelijk een voorloopig rapport verlangt, in zake de regeling der judicieele administratie. Viel dat rapport tegen van Maanen's zin uit, dan kon hij er nog vertoogen tegen doen eer het te laat was. Van Maanen was in de commissie de tegenvoeter van van Hogendorp. Zijn ideaal was inderdaad, den Souvereinen Vorst in de plaats van den Keizer te stellen en in het bestaande niets dan wat namen te veranderen. Zijn ambtelijke positie en ervaring, groote kennis en even groote vasthoudendheid verzekerden hem in de commissie aanmerkelijken invloed, al zullen de anderen licht gemeesmuild hebben over zijn cassanten toon, welke bij de gemoedelijke wijze van „besogneeren” der oude costumiers scherp afstak.Adam François Jules Armand baron van der Duyn van Maasdam(1771–1848), in 1794 beschreven in de ridderschap van Holland, was op zijn afkomst na geheel en al een man van den nieuweren tijd226). Hij was wel sedert 1795 volstrekt buiten alle bewind gebleven, maar, open geest, had hij door lectuur en omgang (als intieme vriend en zwager van een der ministers van koning Lodewijk, van der Capellen), met al het nieuwe even goed kennis gemaakt alsof hij er een werkzaam aandeel aan had genomen. Zijn gedrag tijdens den opstand was bewonderenswaardig geweest: trouw, moedig, geschikt; aan geloof in en eerbied voor het superieure in Gijsbert Karel paarde hij een veel grooter wereldwijsheid dan diens deel was. Geen oogenblik had hij den hoofdman verlaten, en hij was de goede zaak van onberekenbaar nut geweest. Van der Duyn was geheelgrand seigneur, geen man voor het bureau en ook niet voor eene staatscommissie. Werk gedaan heeft hij daarin dan ook niet veel; gestemd heeft hij meest met van Maanen.De secretaris der commissie, Mr. Rutger Metelerkamp (1772–1836), zoon van een burgemeester van Gouda, had zich, door de omwenteling van 1795 van het vooruitzicht op spoedige plaatsing verstoken, tot de studie begeven en eenigen naam gemaakt door zijn economisch en statistisch werk,De Toestand van Nederland(1804). Hij was ook secretaris geweest der landbouwcommissie in Zuid-Holland. Van eenigen bijzonderen invloed, door hem op den gang van het werk geoefend, is geen blijk voorhanden. Hij heeft later in zijnRegeringsvorm der Vereenigde Nederlanden(1814) de notabelenvergadering beschreven; de verrichtingen en stukken der commissie zelve bleven geheim227).Uit dit overzicht blijkt m.i. dat Tellegen opbl. 75 hiervóóreenzijdig is. Hij had reeds daar iets van de carrière der leden na 1795 moeten zeggen, hetgeen hij pas aan het slot van het volgend hoofdstuk doet. Het verleden van iemand als Elout b.v. wordt al zeer slecht gekenmerkt, door enkel mede te deelen dat hij vóór de revolutie baljuw van Texel is geweest.Het is dan ook beweerd, enz. (hiervóór, bl.76). De Bosch Kemper, die uit de notulen van van Maanen den strijd der meeningen in decommissie kent, concludeert hieruit tot een strijd over van Maanen's benoeming waarvan uit de voorhanden stukken niets hoegenaamd blijkt. Ik hecht er evenmin geloof aan als Tellegen.Zooals mij is medegedeeld, enz. (hiervóór, bl. 77 noot). Dit is onjuist. Blijkens den opbl. 95 hiervóóraangehaalden brief van Jhr. P. J. Elout van Soeterwoude aan Mr. C. F. Th. van Maanen van 21 April 1877 heeft Tellegen zich niet onmiddellijk tot Jhr. Elout gewend, maar heeft Mr. van Maanen dit op Tellegen's verzoek gedaan. Jhr. Elout heeft toen uit de portefeuille zijns vaders gelicht de „algemeene gronden”228)die Tellegen uit de officieele notulen reeds kende, en voorts Hogendorp's ontwerp van een reglement ter invoering der grondwet229)en het gedrukte ontwerp van grondwet, 28 Febr. door de commissie van redactie ter tafel gebracht230), en zond deze drie stukken aan Mr. van Maanen ten behoeve van den Groninger hoogleeraar toe (van de andere stukken uit Elout's portefeuille heeft Tellegen geen inzage bekomen). Mr. van Maanen schijnt den inhoud van Jhr. Elout's briefje niet juist aan Tellegen te hebben medegedeeld: er staat niet in dat van Maanendoor Hogendorpvan deSchetskennis bekwam (ziede aanhaling hiervóór, bl. 95).Voor het departement der Wester-Eems(hiervóór, bl. 77). Juister: voor de provincie Groningen (hiervóór, bl. 99).In de vergadering, enz. (hiervóór, bl. 77 noot). Doordat Tellegen de notulen van Röell niet kent, kan hij alleen de omschrijving van Heerkens' brief uit de officieele notulen mededeelen, niet den inhoud zelf, die alleen bij Röell aangeteekend is.Schimmelpenninck(hiervóór, bl. 78). Vgl.hiervóór, bl. 101.De Souvereine Vorst...... deed zijnen invloed gevoelen(hiervóór, bl. 79). Zie, behalveOntstaanI, 32, de verschillende brieven van Hogendorp aan den Vorst, in dat werk afgedrukt, en de stukkenOntstaanI, 212, 221, 278, 385, 400, 433–'34, 438 vv. en 562, en II, bl. CXVIII vv.; zie voortsOverzicht142 vv. enBr. en Ged.V, 86–87.Nogmaals herzien en gewijzigd(hiervóór, bl. 79). In hoeverre, blijkt uitOntstaanI, 446 vv., waar ook blijkt, welke de veranderingen zijn inTellegen's derde noot op bl. 79bedoeld.Reeds eenigen tijd vroeger was opgesteld(hiervóór, bl. 81).—Het reglement lag reeds 15 Jan. gereed (OntstaanI, 221); het is het onmiddellijk uitvloeisel der laatste aanmerkingen van den S. V. van 19 Dec. (OntstaanI, 35–36). Toen het 4 Febr. in behandeling kwam, moesten enkele artikelen vervallen daar de daarin behandelde stof reeds anders geregeld was; andere punten hebben een plaats gevonden hetzij in de grondwet zelve, hetzij in het voorloopig rapport of in het eindrapport met de daarbij behoorende proclamatie. Zooals Hogendorp in de commissie mededeelde, was het reglement niet voor openbaarmaking bestemd en moest het ontwerp slechts dienen „als een ensemble van pointen om in het finaal rapport, of op een andere wijze, aan Z. H. te worden voorgedragen”231).Besluit tot invoering der grondwet(hiervóór, bl. 83).—Art. 1 verklaart: „Het ontwerp van Grondwet wordt aangenomen door de geheele natie om te dienen voor ons en onze nakomelingen”. Dit hield niet in, dat de stemming enkel metjaofneenzou geschieden, hetgeen door den Vorst noodig bleek te worden geoordeeld232), waarop werd besloten het ontwerp voor vervallen te houden, en de punten die tot geen bedenkingaanleidinghadden gegeven, in het eindrapport op te nemen.Finaal rapport gesteld door Elout(hiervóór, bl. 83).—Daarvóór is er een (11 Febr. ingekomen) ontwerp van finaal rapport van van Hogendorp geweest, dat door den S.V. van kantteekeningen is voorzien en met inachtneming dier kantteekeningen door Elout is omgewerkt: zieOntstaanI, 430, 434, 562. Een goed overzicht van volgorde en samenhang der stukken wordt gevonden in hoofdstuk X van het geschrift van Tellegen's kleinzoon.Lijsten(hiervóór bl. 84). De voorstelling, als zouden de leden de lijsten van commissarissen-generaal hebben aangevuld, is niet juist. De verschillende lijsten kwamen onafhankelijk van elkander tot stand; die der leden krachtens verzoek van den president op machtiging van den Vorst (OntstaanI, 212–'13), die van commissarissen-generaal krachtens aanschrijving van van Stralen van 24 Jan. (OntstaanI, 279): ¼ uit den adel, ¾ uit notabele en aanzienlijke mannen uit de andere standen. „Vooral de oude en ook de latere Regeringen moeten eerst in aanmerking komen; voorts de justitie, koophandel, geleerdheid, wetenschappen, geestelijken en militairen stand, en al wat men verder tot het notabele kan brengen. Geboorte en gegoedheid, maar bijzondertalenten, deugden en verdiensten, houde ik voor hoofdvereischten, en zulks zonder onderscheid van godsdienstige of voormalige politique denkwijze”.Zoolang de registers niet toegankelijk zijn(hiervóór, bl. 87 noot). Ik heb ze noch in het Kabinetsarchief, noch in dat van Binnenlandsche Zaken aangetroffen.Bleven er 126 thuis(hiervóór, bl. 87).—Met opgave van redenen. De 77 die ziekte of hooge jaren opgeven, schrijven meestal in een toon die aan hunne goedkeuring geen twijfel laat; 12 daarvan drukken die in eene bijgevoegde verklaring van gave aanneming uit. Negen verontschuldigen zich wegens ambtsverrichtingen of commando's, drie wegens sterfgeval in de familie, enz.—Politieke beteekenis schijnt slechts het wegblijven van drie gehad te hebben: Cau omdat hij de souvereiniteit van Zeeland niet wil prijsgeven; de Gijselaar omdat hij niet debatteeren mag; Quarles omdat hij zich niet bevoegd acht te stemmen namens het Nederlandsche volk (OntstaanI, 571; vgl. voor de Gijselaar ook I, 494).Het schijnt toch(hiervóór, bl. 91).—Zie de Bosch KemperLetterk. Aanteekeningen471, en vgl.OntstaanI, 497 vv. De meeste stemmen tegen waren van Katholieken.
Wat ik bij dit en de volgende hoofdstukken van Tellegen heb op te merken, wordt het best gegeven in den vorm van aanteekeningen. Ik maak daarbij, voor die op de hoofdstukken III–V, meer dan eens gebruik van het uitnemend proefschrift, door Mr. B. D. H. Telligen Az., kleinzoon van onzen schrijver, in 1912 te Groningen verdedigd:Overzicht van het tot stand komen der Grondwet van 1814.
Hogendorp's Schets(hiervóór, bl. 72).—Tellegen kent deze alleen in de redactie, waarin zij ten grondslag gelegd is aan de beraadslagingen der commissie. Sedert hij schreef zijn er twee andere redacties aan het licht gebracht: de oorspronkelijke in het najaar van 1812 opgesteld, en een gewijzigde, aan den Souvereinen Vorst voorgelegd bij diens terugkeer uit Amsterdam.
Het eerste ontwerp was, in den loop van 1813, door het geheimcomité der vrienden van van Hogendorp goedgekeurd.171)De zeer geringe wijzigingen en bijvoegingen, die men in de tweede redactie aantreft,172)waren het gevolg van hunne aanmerkingen. De derde redactie vertoont wijzigingen, aangebracht naar aanleiding van opmerkingen van den Souvereinen Vorst, die eveneens aan Tellegen onbekend zijn geweest.
Hetgeen ook nog in sommige hoofden spookte(hiervóór, bl. 73).—Dit houd ik voor geheel onjuist. Rechtskracht aan het nieuwe te doen verleenen door de vertegenwoordigers van het voorbijgegane, had in Hogendorp's hoofd gespookt, doch de eerste poging daartoe was op 18 Nov. zoo geheel te niet geloopen dat niemand zich eene herhaling voorstelde. Er is mij geen letter bekend waaruit blijken zou dat hetzij Hogendorp hetzij eenig ander na 2 Dec. er nog aan gedacht heeft, de vaststelling der grondwet aan oud-regenten als zoodanig te vragen;—en tot mij de letter voorgebracht zal zijn, weiger ik er aan te gelooven.
Wanneer, zooals waarschijnlijk is(hiervóór, bl. 74).—Hogendorp heeft volstrekt geen overwegenden invloed op de samenstelling der commissie gehad; hij is er zelfs niet in het bijzonder over geraadpleegd. De heele maand December en nog daarna kwam hij niet van zijn kamer af,173)en de Vorst, die overstelpt was met werkzaamheden en zich bovendien tot zijn persoon niet zeer aangetrokken gevoelde, kwam niet druk bij hem. Den 15den December heeft hij over de gansche den Vorst in handen gegevenSchetsnog geen woord van dezen vernomen; hij dicteert dan (zijn hand nog niet tot zijn gebruik hebbende) een brief, waarin hij hem bij het heil zijner nakomelingschap bezweert, met de zaak voortgang te maken.174)Nauwelijks waren deze woorden geschreven of de Vorst zelf trad binnen en onderging voorlezing van den brief.175)Dat hij die noodig had, is mij niet gebleken.
De Vorst had deSchetsontvangenna zijn terugkeer uit Amsterdam; ik denk 4 December (de terugkeer was 3 Dec. 's avonds). De eerste dagen gingen voorbij met militaire overleggingen (BülowenBenkendorffin den Haag), die op dat oogenblik ook verreweg van den dringendsten aard waren;—met opdrachten ook aan verschillende personen tot onverwijlde inbezitneming van al wat tot het gebiedder Vereenigde Nederlanden behoord had. Dan stroomde het van deputatiën en individuën die hun opwachting kwamen maken; ook viel kennis aan te knoopen met het in den Haag beschikbare regeeringspersoneel, voor een goed deel bestaande uit personen die de Vorst nimmer ontmoet had. Daaronder waren oud-patriotten in een vrij aanzienlijk getal: Falck, Canneman, van Maanen, Piepers. Falck stelde hem Elout voor,176)die nog geen aanstelling had van het Algemeen Bestuur, maar reeds een groote carrière achter zich had, bij Hogendorp bekend en gezien was, en op den Vorst ook blijkbaar onmiddellijk indruk heeft gemaakt. 's Vorsten eigen oude bekenden kwamen voor en na uit de provinciën opdagen; in den Haag vond hij Aylva, vóór '95 in groot aanzien aan het hof en na '95 een der trouwste correspondenten van het huis gebleven. Onderwijl zag de Vorst ook deSchetsin en raadpleegde er dezen en genen over: Hogendorp noemt, in een aanteekening van 1830, Aylva, van Maanen en Elout.177)
Dat de oude huisvriend Aylva kennis van het stuk kreeg, kan wel niet anders; een oordeel in schrift schijnt hij niet te hebben gegeven; het is althans niet bewaard.
Ten aanzien van van Maanen moet ik opmerken, dat Tellegen de verhouding tusschen hem en van Hogendorp niet geheel juist weergeeft. Hogendorp was hem vriendelijk gezind, sedert van Maanen hem geraden had hoe zijn klachten in te dienen tegen de aanwijzing van zijn zoon alsgarde d'honneur. Hij bezoekt hem eenige dagen vóór den 17den en vindt het hoofd der keizerlijke justitie in de beste stemming178); wederom na den 21sten: van Maanen is „allervriendelijkst” maar heeft niet den minsten lust openlijk mede te doen voor hij weet waarheen de zaken drijven179), of zijn unieke positie op te offeren en met zijn Keizerlijk Gerechtshof het veld te ruimen voor „alle de Hoven Provintiaal, zooals dezelve bestonden in de jaren 1794 en 1795”180). Hij redt er zich dus uit met het verhaaltje over Filips II; de heeren, zegt hij, moeten inmiddels maar door middelen van politie kracht aan hunne wetten geven. „Volgens mijne gewoonte”, schrijft Hogendorp, „liet ik het daarbij; genoegzaam zeker, dat hij zooveel mede zou werken als hij doen kon, zonder zich openlijk bloot te geven”. Dit was van Maanen goed beoordeeld: hij was er volstrekt de man niet naar, zich op te offeren voor een verloren zaak, en desKeizers zaak heeft hij verloren beschouwd na de aankomst der bondgenooten te Utrecht en van den Prins in den Haag. Den 1sten Dec. laat hijla Cour impériale de la Hayein allen vrede omdoopen in Hooggerechtshof der Vereenigde Nederlanden. Natuurlijk is het hoofd der justitie onmiddellijk in aanraking gekomen met den Vorst, wien hij reeds te Londen door zijn buurman en huisvriend Repelaer sterk was aanbevolen181). Den 7den Dec. werd hij in den kabinetsraad geroepen met de functiën, hoewel nog niet met den titel, van minister van justitie. Is hij ook over deSchetsgeraadpleegd, en door wien?
In 1836 schrijft van Maanen aan Thorbecke, dat hij geen andere redactie derSchetskent, dan die in de commissie gediend heeft.182)Nu trekt het de aandacht dat, onmiddellijk na het openen der eerste vergadering, van Maanen een rede houdt die deSchetsin het hart treft, en dat hij in zijn eigen aanteekeningen een duidelijk onderscheid maakt tusschen leden die deSchetsal, en die ze nog niet gelezen hebben, en zichzelven tot de eerste categorie brengt.183)
In zijn brief aan Thorbecke heet het, dat de gedrukteSchetsaan hem en eenige anderen „vroeger was rondgedeeld”, dochveelvroeger kan dit onmogelijk geweest zijn, aangezien volgens Röell de president zijne geschreven analyse juist hierom voordroeg, wijl hij onderstellen moest „dat de leden het pas voor een uur afgedrukt project nog niet geheel mogten gelezen hebben”184). Zou van Maanen nu inderdaad zelfs van het algemeen karakter derSchetsgeen kennis gedragen hebben, eer hij het gedrukte exemplaar in handen kreeg? Het is onmogelijk aan te nemen. Hij verkeerde intiem beide met Falck en met Elout, en deze twee wisten lang vóór de benoeming der commissie van deSchetsalles af. Trouwens 20 Dec. deelt van Maanensub rosaaan Röell mede, dat van Hogendorp eene schets van grondwet gemaakt heeft, en daaromzekerin de commissie zal komen; tevens blijkt dat op den ochtend van dien dag tusschen Falck, Elout en van Maanen geconfereerd is over de keus der in de commissie te benoemen personen, en dat men daar is overeen gekomen een sterke poging te doen bij Röell, om dezen tot het aannemen eener benoeming over te halen185). Is het nu denkbaar dat bij dit alles het karakter derSchetsvan van Hogendorp geheel buiten bespreking is gebleven? Veeleer stel ik mij voor dat juist omdat deSchetszoo was als zij was, Falck, Elout en van Maanen zoo grooten prijs ophet lidmaatschap van Röell hebben gesteld, wiens denkbeelden zij kenden en dien zij voor een niet te versmaden bondgenoot moesten houden.
Niet slechts Falck en Elout hebben van Maanen over deSchetsen de keuze van commissieleden aangesproken, maar, blijkens zijn brief aan Thorbecke van 1836, de Souvereine Vorst zelf. Wat van Maanen bij die gelegenheid uit of over deSchetsvernam, vond hij later alles in het gedrukte stuk terug, zoodat hij aan Thorbecke kon verklaren dat er geen ander stuk was geweest. Dit is natuurlijk niet juist; maar wèl juist is zijne mededeeling, dat deSchetszooals zij in de commissie diende niet was voortgekomen uit de beraadslagingen „eeniger staatsmannen”186). De veranderingen in de tweede redactie aangebracht zijn uitsluitend het gevolg van Hogendorp's overleggingen met den Vorst187), waarvan van Maanen geene kennis heeft gedragen.
Wat de opinie van van Maanen over deSchetsbetreft, deze blijkt duidelijk uit de beraadslagingen der commissie. Reeds vóór zij bijeenkwam, moet hij zich in afkeurenden zin hebben uitgelaten.„Ik weet”, schrijft 21 April 1877 Elout's zoon aan van Maanen's kleinzoon, „dat deSchetsalthans aan wijlen den Heer Minister van Maanen daarna188)ook werd medegedeeld189)en deze allereerst van oordeel was dat de keizerlijke constitutie met wijziging van namen enz. zouden kunnen voldoen aan het oogmerk”.190)Merkwaardig stemt met deze traditie overeen wat Hogendorp in 1817 schrijft: „van Maanen meende eerst, dat men alles kon behouden zooals het was, en den Prins slegts behoefde in de plaats van den Keizer te stellen”.191)De raad van Fouché aan de Bourbons: „se coucher dans le lit de Napoléon”.
Als derde, die van deSchetsin tweede redactie kennis zou hebben gehad, noemt van Hogendorp in 1830 Elout. Zijn oordeel is in geschrifte bewaard. Hij ontving het stuk van Falck, 9 Dec. 1813, en wel „op uitdrukkelijk verlangen van den Heer van Hogendorp,”192)nam er copie van, en stelde er korte aanteekeningen op voor zichzelf193)en een uitgebreidere voor van Hogendorp.194)Met deze laatste was Falck „het bijna onvoorwaardelijk eens.”195)De kern der opmerkingen van Elout is deze: „Kon men zich verplaatsen in het tijdvak van 1787 of vroeger, de ontworpen schets zou zeer groote waarde hebben; maar gedane zaken nemen geen keer, ennuis het bedenkelijk het nieuw op te trekken gebouw te vestigen op gronden welker wederinroeping onmogelijk schijnt.” De gewichtigste opmerking van bijzonderen aard: „Is het doelmatig te bepalen, dat de Staten der Provinciën blijven op den ouden voet, dat is zooals voor 1795? Vervalt niet die oude voet alleenlijk daardoor, dat men hun de Souvereiniteit beneemt?”
Vermoedelijk heeft Elout 13 of 14 December zijne bedenkingen bij Hogendorp mondeling toegelicht,196)maar zekerheid bestaat op dit punt niet. Tot wijzigingen in deSchetshebben zij geen aanleiding gegeven; met een enkele wijziging van détails was er trouwens niet aan te gemoet te komen. De strijd van denkbeelden, thans geopend, zou in de commissie moeten worden uitgevochten.
Nadat de Vorst den 15den bespeurd had dat Hogendorp ongeduldig werd, zal hij de studie derSchets, thans van Elout terug, hebben hervat. Den 19den zendt hij Hogendorp zijne aanmerkingen in geschrifte toe.197)Hij schrapt daarin de woorden Koning en Kroonprins en vervangt ze door Souvereinen Vorst en Erfprins; hij verlangt dat de Vorst verbonden zal kunnen bekrachtigen zonder voorafgaande goedkeuring der Staten-Generaal, die alleen de beschikking houden over de middelen, om de ingegane voorwaarden te vervullen; hij wil het getal der ministerieele departementen (door Hogendorp op zes gesteld) onbepaald laten;hij brengt de civiele lijst van een millioen op vijf à zes ton terug, en wil de andere helft liever uit de terug te geven oude domeinen van het huis genieten; hij wil een algemeenen rijksadel in plaats van de voorgeslagen provinciale ridderschappen;hij verlangt het tweekamerstelsel; hij wil onderscheid gemaakt hebben tusschen permanente uitgaven, die aan het begrootingsrecht der Staten-Generaal onttrokken zullen worden, en tijdelijke, die er aan onderworpen zullen zijn; hij verlangt in elke provincie een stadhouder als zijn vertegenwoordiger en in Holland twee (Amsterdam bij het Noorderkwartier, als onder Lodewijk Napoleon); en eischt, als een regaal, de munt voor zich op. Den volgenden avond kwam hij dit alles met Hogendorp bespreken tot drie uur in den nacht198).Alle voorgeslagen wijzigingen werden door Hogendorp overgenomen op twee na: rijksadel en hoogerhuis; twee zaken die met elkander samenhingen. Hogendorp had, naast de provinciale ridderschappen, bestemd ter vertegenwoordiging van het platteland in de Provinciale Staten, een stand van rijksgraven en pairs voorgesteld, met zitting in de Staten-Generaal krachtens geboorterecht en voor hun leven; zij zouden door den Vorst tot die waardigheid worden verheven, in iedere provincie op de honderdduizend zielen één199). De Vorst „had geen zin in zoo groote heeren”200). Hij wilde een rijksadel, waarin om te beginnen alle bestaande edelen zouden worden opgenomen (onder welken de Gelderschen en Overijselaars de groote meerderheid uitmaakten), en die door verleening van adeldom van 's Vorsten wege zou kunnen worden aangevuld; uit dezen adel wilde hij een hoogerhuis trekken, en het lagerhuis doen bestaan uit afgevaardigden òf door de Provinciale Staten te benoemen (als bij Hogendorp), òf wel door de gewezen stemhebbende steden onmiddellijk, waarbij dan de Provinciale Staten nog eenige afgevaardigden zouden voegen, men moet verstaan voor het platteland. Hogendorp wierp tegen, dat op die wijze de algemeene belangen voortdurend onderworpen zouden kunnen zijn aan het behagen van eenige jonkers uit de landprovinciën. Het eind was dat hij zijn pairs, de Vorst zijn „adel der Vereenigde Nederlanden” en zijn hoogerhuis opofferde.
Tegelijk werd afgesproken, dat de naar 's Vorsten opmerkingen omgewerkteSchetsaan de commissie als leidraad zou dienen, en dat het resultaat harer beraadslaging, zoo mogelijk in Januari 1814, ter goed- of afkeuring zou worden onderworpen aan eene vergadering van 5 à 600 notabelen, welke zich na aanneming der grondwet constitueeren zou tot eene „algemeene groote Statenvergadering,” om den eed des Vorsten te ontvangen en hem in staat te stellen tot invoering der grondwet, en vervolgens „na weinige dagen” heen tegaan, waarop de eerste constitutioneele vergadering van Staten-Generaal geopend zou worden op 1 Nov. 1814201).
Terzelven dage dat de Vorst Hogendorp zijne aanmerkingen op deSchetstoezond, moet hij Falck last gegeven hebben, het besluit tot bijeenroeping der commissie op te maken; hij zal hem de personen genoemd hebben die hij zelf er in wenschte, en andere namen aan Falck hebben gevraagd202). Het denkbeeld schijnt daarbij te zijn geopperd ook aan de ministers203)zitting te verleenen204); hiervan is echter afgezien205). Van een bezoek van den Vorst aan Hogendorp tusschen 15 en 20 Dec. is niets bekend, en in schrift is er geen bewijs gevonden dat hij over de personen geraadpleegd is. De namen zullen hem 20 Nov. zijn onderworpen bij conversatie; maar alles wijst er dunkt mij op dat de Vorst bij de keus van oud-oranjemannen vooral met zijn eigen herinneringen te rade is gegaan, en voor die van oud-patriotten met het iederen dag meer door hem gewaardeerd inzicht en de ondervinding van Falck206).
De personen, 21 Dec. benoemd, waren veertien in getal. Tellegen heeft gemeend ze naar de (toen nog bestaande) Fransche departementen te moeten schikken; er zouden er dan vier komen op deMonden van de Maas, drie op de Zuiderzee, twee op den Boven-IJsel, twee op Friesland, één op de Monden van de Schelde, één op de Monden van den IJsel, één op de Wester-Eems. Ik geloof niet dat dit vermoeden grond heeft: de wanverhouding tusschen het groote departement van de Zuiderzee met drie207), en het minder bevolkte der Monden van de Maas met vier leden zou te opvallend zijn208). Denkt men aan de oude provinciën, dan zouden er zes leden komen op Holland (van der Duyn, Elout, Hogendorp, van Maanen, Repelaer, Röell), twee op Gelderland (van Lynden, Schimmelpenninck), twee op Friesland (Aylva, Humalda), een op Zeeland (Lampsins), Utrecht (van Tuyll), Overijsel (van Heerdt) en Groningen (Heerkens). Doch nòch eene schikking naar departementen, nòch eene naar oude provinciën, is in het besluit genoemd; de leden zijn daar vermeld in alphabetische volgorde. Dit is echter zeker, dat men geen der oude provinciën zonder een lid heeft willen laten209).Toen later bleek dat Heerkens, hoewel van Groningsche familie, te Venlo geboren was, heeft men hem voor de Generaliteitslanden laten gelden, en een ander (van Imhoff) voor Groningen er bij benoemd. De ware reden, waarom men oorspronkelijk het oog op Heerkens gevestigd had, was, dat hij katholiek was, en Falck er stellig een katholiek in wenschte te hebben, dien hij alleen had kunnen plaatsen voor Groningen als nog niet van een lid voorzien gewest210).
In de vergaderingen hebben de leden niet naar de alphabetische orde, maar naar die van den leeftijd gestemd. In deze orde gaan wij ze hier bespreken, met uitschakeling van den president van Hogendorp (geb. 1762).
Willem Carel Hendrik baron van Lynden van Blitterswijk (1736–1816) behoorde tot een der aanzienlijkste geslachten van de provincie Gelderland, en had in zeer nauwe betrekking gestaan tot Prins Willem V. In 1758 in de ridderschap van het kwartier van Nijmegen beschreven, had hij van 1760 tot 1772 den post van tweeden secretaris deradmiraliteit van Zeeland bekleed; vervolgens naar Gelderland teruggekeerd, was hij voor die provincie in de Staten-Generaal verschenen en is een dergenen geweest die het meest bevorderd hebben dat de Prins zich aan den overwegenden invloed van den hertog van Brunswijk gaandeweg onttrok. In 1778 had de Prins hem een groot bewijs van vertrouwen gegeven door hem te benoemen tot Representant van den Eersten Edele in Zeeland, een post tot 1795 door hem bekleed. Door deze benoeming werd van den regel afgeweken die in deze betrekking een Zeeuw verlangde; maar de provincie was toen zoo door kabalen verscheurd dat het geraden voorkwam er een „buitenlander” van aanzien te plaatsen. Van Lynden toonde zich in Zeeland een omzichtig man; volstrekt geen ultra-oranjeklant naar den Zeeuwschen smaak. Hij behoort tot degenen die altijd voor een vergelijk met de patriotten hebben gewerkt, en toen de, in Zeeland zoo bijzonder hevige,orangistischereactie in '87 de overhand nam, liep zijn positie een tijdlang groot gevaar. In 1795 was hij naar Gelderland teruggekeerd en had daar stil geleefd; den tijd der persoonlijke eerzucht lang te boven, had hij met het nieuwe regime, ook onder koning Lodewijk, nooit iets te doen willen hebben. Hij was daar volstrekt vreemd aan, ten minste aan de practijk daarvan; maar van nature gematigd, was hij niet geheel ontoegankelijk voor andere denkbeelden dan in zijn jeugd hadden gegolden.
Willem René baron van Tuyll van Serooskerken van Zuylen (1743–1839), in 1776 beschreven in de ridderschap der provincie Utrecht, broeder van de in de geschiedenis der Fransche letteren bekende Mevrouwde Charrière, was nog geheel een man van het oude régime. Minder bekwaam dan van Lynden, is hij dezen doorgaans in de beraadslaging gevolgd. Ook hij was sedert 1795 buiten alle bewind gebleven, maar zijn zoon was onder Lodewijk kwartierdrost van Utrecht en onder de Franschen onderprefect aldaar. Den 30sten Nov. was hij opgetreden onder de leden van het 2 Dec. door het Algemeen Bestuur gecasseerde Provinciaal Bestuur van Utrecht.
Willem Anne baron Schimmelpenninck van der Oye (1750–1818), in 1777 beschreven in de ridderschap van de Veluwe, had van 1791 tot 1795 den post bekleed van rigter van Arnhem en in Veluwenzoom; hij stond bij het Oranjehuis in aanzien en was in 1799 een dergenen geweest op wie men het meest rekende voor een tegenomwenteling in Gelderland. Lodewijk Napoleon had hem in 1808 tot staatsraad in buitengewonen dienst benoemd; tijdens de inlijving was hij buiten bewind gebleven. 4 Dec. was hij door het Algemeen Bestuur benoemd tot commissaris-generaal (prefect) in het departement van den Boven-IJsel, welken post hij nu nog bekleedde, te zamen met een collega,W. H. A. C. baron van Heeckeren van Kell211). Een van de bewijzen van de haast waarmede de lijst van commissieleden is opgemaakt,212)is dat men zich blijkbaar niet vergewist heeft of Schimmelpenninck te Arnhem kon worden gemist. Blijkbaar niet, en om redenen die hij aannemelijk heeft weten te maken213), want hij is nimmer verschenen. Daar er geen ander in zijn plaats is benoemd, vermoed ik dat hij eerst gedacht heeft spoedig te zullen kunnen komen; toen de redenen van verhindering permanent bleken214)zal men de beraadslaging te ver heen hebben geacht om er nog een ander in te laten vallen.
Hans Willem baron van Aylva (1751–1827), in 1772 volmacht van Baarderadeel, in 1780 grietman van het Bildt, in 1788 van Baarderadeel, had in den tijd dat de meerderheid der Friesche aristocraten met Willem V overhoop lag, tot de patriotsche partij behoord en zelfs deelgenomen aan de nationale vergaderingen van patriotsche regenten te Amsterdam, maar na eenige jaren evenals de anderen zijn vrede met den Prins gemaakt, bij wien hij vervolgens zeer in de gunst kwam. In de laatste jaren voor '95 zat hij geregeld voor Friesland in de Staten-Generaal en stond als hofmaarschalk in dagelijksch verkeer met de stadhouderlijke familie. Over zijn houding in 1795 en 1799 is reeds gesproken215); zij was vrij tegemoetkomend tegenover de nieuwere denkbeelden. Onder Schimmelpenninck en koning Lodewijk was hij lid geweest van het Wetgevend Lichaam; onder Napoleon had hij geen ambten bekleed. Op enkele punten, als de godsdienst van den Souvereinen Vorst, stond Aylva met Friesche hoofdigheid op zijn stuk, maar over het geheel ging hij met de nieuwe opvattingen mede. Op van Heerdt na, was hij van al de leden der commissie degeen dien de Vorst van vroeger het best kende. Deze persoonlijke verhouding in aanmerking nemend, houd ik het voor zeer waarschijnlijk dat de Vorst hem behalve over deSchetsin het algemeen, ook over de keuze der commissieleden geraadpleegd heeft.
Mr. Apolonius Jan Cornelis Lampsins (1754–1834), uit het bekende oude Zeeuwsche geslacht van dien naam, maar uit een tak die naarAmsterdam was overgeplaatst, was zijn loopbaan begonnen in de groote stad, waar hij in 1780 schepen en in 1784 lid der vroedschap werd. Hij behoorde tot de oranjegezinde fractie in dat college, en werd in April '87 door de patriotten geremoveerd. Hij bevond zich op dat oogenblik te Parijs, half voor zijn genoegen, half om er voor de oranjepartij de gangen van den Rijngraaf van Salm na te gaan. Hij was een man met zin voor politieke intrigue, die zich te Parijs zeer thuis gevoelde; hij is er tot in 1789 gebleven en vervolgens niet naar Amsterdam teruggekeerd, daar hij inmiddels tot baljuw van Vlissingen benoemd was. In 1795 week hij naar Duitschland uit, maar heeft in dat jaar en in '96 onderscheiden inspectiereizen naar de gerevolutionneerde Republiek gedaan, waarover hij merkwaardige verslagen aan den Erfprins uitbracht: zij raden een poging tot gewelddadige tegenomwenteling ten sterkste af, daar het oude nimmer terug zal kunnen keeren. Na deze reizen vestigde hij zich te Brunswijk, verkeerde er aan het hertogelijk hof en beheerde met Tollius een soort agentschap voor de overbrenging van nieuws uit en over de Republiek aan het Oranjehuis en de mogendheden. Later heeft hij te Dessau gewoond en was kamerheer-titulair van den koning van Pruisen; in 1807 is hij naar het vaderland teruggekeerd en is gaan wonen te Utrecht, waar hij ambteloos bleef tot den opstand. Lampsins was een man die begreep waar de tijd heendreef; alleen op het punt van de positie der Hervormde Kerk toonde hij zich zeer aan het oude gehecht, naar het schijnt vooral uit vrees van door de Katholieken te worden overheerd na de vereeniging met België. Overigens geen man die zich in de commissie veel inspanning heeft getroost of er eene rol van beteekenis heeft gespeeld.
Jhr. Idzerd Aebinga van Humalda (1754–1834), vóór '95 grietman van Hennaarderadeel, week in dat jaar naar Oostfriesland uit en zocht in verstandhouding met den Erfprins en de Engelsche regeering een tegenomwenteling in zijne provincie te bewerken. Hij onderhield tot dit doel geregelde betrekkingen met partijgenooten binnenslands, maar werd daarbij het geloovig werktuig van lieden van dubbelzinnig karakter, die meer opgaven dan zij verantwoorden konden, en toen de tijd om te handelen in 1799 gekomen was, liep de geheele zaak op niets uit. Humalda is een dergenen die het langst aan de mogelijkheid van een tegenomwenteling hebben geloofd; nog in 1802 schrijft hij in dien geest aan den in Duitschland aangekomen Willem V, die zelf dan alle hoop reeds lang heeft laten varen. Hij had zich voor de zaak van Oranje bijzonder veel moeite en opofferingen getroost, en zijn benoeming in de commissie, evenals die tot gouverneur van Friesland die er op volgde (29 April 1814), is wellicht als eene erkenning daarvan aan te merken. Hij was meer eenkarakter dan een capaciteit en is in de commissie niet zeer naar voren getreden. Na 1802 in het land teruggekeerd, had Humalda sindsdien geen posten bekleed dan dien van maire van Wommels (1811).
Mr. Ocker Repelaer van Driel (1759–1832), uit een Dortsch regentengeslacht, in 1787 lid van de vroedschap zijner vaderstad geworden, bekleedde in 1794 den post van commissaris-generaal tot de vivres bij het leger der Republiek, en werd gedurende den winterveldtocht door van de Spiegel gebruikt tot de vruchtelooze onderhandeling met den Franschen volksrepresentantLacombe St. Michelte 's-Hertogenbosch, en vervolgens met Brantsen naar Parijs gezonden met een vredesvoorstel aan hetComité de Salut Public. Nadat door het wapensucces der Franschen alle kans voor de oude Republiek verkeken was, had hij bij de ComitéledenPelet de la LozèreenCambacérèstrachten te bewerken dat Nederland althans niet gejacobiniseerd zou worden; dat men er beproeven zou „une réunion des talens et des propriétés,”216)de reconstructie van 1801 met andere woorden, waarvoor het in '95 nog de tijd niet was. Naar den Haag teruggekeerd, was hij voortgegaan voor dit denkbeeld te werken, sprak er gematigde patriotten over, correspondeerde er over met den uitgeweken Prins. De ontdekking dezer briefwisseling door het Hollandsche Comité van Waakzaamheid leidde tot zijn inhechtenisneming. Na een langdurig proces, waarin zijn vriend van later tijd en medelid van thans, van Maanen, toen procureur-generaal van Holland, zijn hoofd eischte, werd hij in '97 tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld, die hij uitzat op de Voorpoort van den Hove. In 1801 losgekomen associeerde hij zich met den notaris de Bas voor een zaak in fondsen en scheepvaartbelangen, en werd in 1803 lid van den Amerikaanschen Raad, welke functie hij onder Schimmelpenninck behield217). Lodewijk Napoleon maakte hem Staatsraad, aan welke benoeming hij zich eerst trachtte teonttrekken; tijdens de inlijving bleef hij ambteloos, en maakte deel uit van Hogendorp's vriendenkring ter voorbereiding aan den opstand. Het was door zijn tusschenkomst en die van zijn zwager Singendonck, tevens zwager van Falck, dat Hogendorp en Falck van elkanders werk vernamen, waarop Hogendorp Falck tot secretaris zijner Staten-Generaal doodverwde, al had hij hem nog niet persoonlijk ontmoet218). In de Novemberdagen toonde Repelaer zich niet tegen de taak van revolutieleider opgewassenen ging naar Engeland zonder noodzaak, hoewel zijne plaats aan Gijsbert Karel's zijde geweest ware219). Door zijn intieme bekendheid met den Erfprins in 1794, de vermaardheid van zijn proces, en de omstandigheid dat hij te Londen (veel beter dan de minder in de zaken ingewijde Jacob Fagel en de Perponcher) den Prins het eerst van allerlei dingen en omtrent allerlei personen had kunnen inlichten, bekleedde hij thans in 's Vorsten oog eene positie onmiddellijk na Hogendorp en van der Duyn, eene positie uit welke hij later wel wat wegzakken zou. Ook in de grondwetcommissie toonde Repelaer zijn conciliantenaard. Hij stelde bijzonder belang in de zaken van den waterstaat, en werd weldra tot directeur-generaal van dit vak benoemd.
Timon Cornelis baron van Heerdt (1761–1844) was in 1786 in de ridderschap van Overijssel beschreven en maakte in de laatste jaren voor '95 deel uit der prinselijke hofhouding. Hij volgde Willem V in de ballingschap, vergezelde in 1799 als diens gemachtigde de expeditie vanAbercromby, en bleef gedurende den ganschen tijd tot 1813 de personen van Willem V en VI trouw ter zijde. Willem VI had hem veel gebruikt in vertrouwelijke zendingen, in 1809 en 1811 naar Engeland en in 1812 naar den Erfprins in Spanje; op den terugweg van de laatste zending was hij te Hamburg door de Fransche politie in hechtenis genomen en naar Parijs gevoerd, waar Napoleon uit zijne papieren kennis kreeg van 's Prinsen verlangen, zijn zoon den Erfprins met Charlotte van Engeland te doen huwen. Op voorspraak van den koning van Pruisen, toen nog Napoleon's bondgenoot, raakte hij vrij en mocht naar zijn meester terugkeeren; de papieren bleven te Parijs en zijn eerst in 1814 teruggegeven220). In de commissie heeft Heerdt geen rol van eenige beteekenis vervuld; hij deed zich intusschen geenszins kennen als een blind voorstander van het oude.
Mr. Cornelis Theodorus Elout (1767–1841) behoorde tot een der jongste regentenfamiliën van de stad Haarlem. Zijn vader, de eerste van de familie die in de vroedschap kwam (in 1778), werd in 1788 om zijn patriotische gevoelens geremoveerd; de zoon, in hetzelfde jaar gepromoveerd, moest dus zijn eigen weg zoeken en vestigde zich als advocaat te Amsterdam; in 1793 verwierf hij het schoutambt van Texel. De revolutie van '95 leverde voor Elout's vader de benoeming tot hoofdofficier van Haarlem, voor Elout zelven die tot Raad in den Hove van Holland op: in 1799 werd hij lid van de commissie tot samenstelling van een civiel en crimineel wetboek, in 1802 procureur-generaal bij het Nationaal Hoog Gerechtshof; in 1805 benoemde Schimmelpenninck hem tot Commissaris-Generaal naarBataafsch-Indië, tot invoering der door de bekende staatscommissie van 1803 beraamde hervormingen. Hij nam de reis over Nieuw-York, maar werd, daar zijnde, door koning Lodewijk teruggeroepen die hem in den Staatsraad plaatste; tevens was hij lid van de commissie tot samenstelling van een crimineel wetboek van 1807. Na de inlijving trad hij krachtens benoeming door het Hollandsche Wetgevend Lichaam, als lid op van den door Napoleon tijdelijk naar Parijs geroepen „Conseil pour les affaires de Hollande;” van Maanen bracht hem op de voordracht voor lid van het Hof van Cassatie te Parijs (waarin voor de Hollandsche departementen drie leden zouden zitting nemen), maar Elout werd niet benoemd221); hij vestigde zich vervolgens als advocaat in den Haag, waar hij woonde toen de opstand uitbrak. In den loop van 1813 was hij in betrekking gekomen tot van Hogendorp222), die hem op prijs stelde hoewel zij in denkbeelden vrij wat verschilden. De rol van Elout in de commissie is, evenals die van Röell en van Maanen, hoogst belangrijk geweest. Van deze drie heeft vooral Elout bij den president invloed verkregen, en het werk der in de vergadering van 3 Febr. 1814 benoemde commissie van redactie isvoornamelijkop hem neergekomen.
Toen men de leden rangschikte wist niemand den juisten leeftijdvanden afwezigen Mr. D. J. Hondebeek Heerkens op te geven;223)als hij later aanwezig is stemt hij na Elout en vóór Röell, waaruit blijkt dat hij in 1767 geboren moet zijn. Hij was een volstrekt onbekende persoonlijkheid in de politiek, maar vereenigde de kwaliteiten van Groninger en van Katholiek. Hij was lid van het Hooggerechtshof in den Haag en op het oogenblik zijner benoeming afwezig tot hetpresideeren derassises te Groningen,224)zoodat hij eerst 28 Jan. verschenen is en eigenlijk alleen aan de beraadslagingen over den godsdienst heeft deelgenomen.
Mr. Willem Fredrik Röell (1767–1835), zoon van den laatsten advocaat der West-Indische Compagnie, schoonzoon van den Thesaurier-Generaal Hop, had reeds vóór zijn promotie, die in 1791 plaats had, onder bescherming van den toen almachtigen burgemeester Rendorp de lagere stadsambten van Amsterdam doorloopen, was er in 1793 schepen geworden en in 1794 pensionaris. De omwenteling maakte hem ambteloos, hetgeen hij bleef tot 1802, toen hij, na overleg metden oud-burgemeester Huydecoper van Maarsseveen, die het hem zeer aanried, de benoeming aannam van lid van het gedeputeerd bestuur van het departement Holland. „De algemeene zugt der leden om alle overblijfselen van vroegere partijschap te helpen vernietigen”, zegt Röell in zijne autobiographie, in hem zelven kenschetsende woorden,225)„het uitzigt om nu eenmaal een bestendigen staat van zaken geboren te zien, en niet minder de geregelde loop, dien de aan het bestuur opgedragen werkzaamheden weldra verkregen, waren zoovele omstandigheden welke mij de aanvaarding mijner functiën geenszins deden beklagen”. In Mei 1804 volgde hij Mollerus, tot lid van den Aziatischen Raad benoemd, als secretaris van het departementaal bestuur van Holland op; Schimmelpenninck benoemde hem daarenboven tot lid der commissie van superintendentie over den Waterstaat. Lodewijk Napoleon, die zijne bekwaamheden hoog stelde, maakte hem eerst minister secretaris van Staat, vervolgens minister van buitenlandsche zaken. In deze laatste hoedanigheid vergezelde hij den koning op diens pijnlijke reis naar Frankrijk in 1809 en 1810, en gedroeg zich in de moeilijke omstandigheden van dat oogenblik met groote waardigheid. Tijdens de inlijving bleef hij ambteloos, doch nam in 1812, op aandrang van Lebrun, de functie van lid van den arrondissementsraad van Amsterdam op zich. Bij den opstand en de formatie van een provisioneel bestuur te Amsterdam hield hij zich geheel ter zijde en had ook daarna den Vorst nog niet zijn hof gemaakt; maar Falck en van Maanen achtten zijne benoeming in de grondwetcommissie van groot gewicht, en vonden gemakkelijk ingang voor hem toen men, de namen overziende, tot de ontdekking kwam dat men nog geen Amsterdammer had. Röell was een gematigde natuur, wat braaf en afgepast, maar een persoon van karakter en van een bijzondere arbeidzaamheid en nauwkeurigheid. Van afkomst een man van vóór '95, was hij echter van inzicht en ontwikkeling veeleer een man van nà de revolutie. Zijn rol in de commissie is van veel beteekenis geweest. In de hoofdzaken was hij het meest met Elout en van Maanen eens, vooral met Elout.
Mr. Gustaaf Willem baron van Imhoff (1767–1830), kleinzoon van den gouverneur-generaal van Imhoff, gepromoveerd in 1788, had vóór '95 korten tijd voor Groningen in de Staten-Generaal gezeten. In '95 ambteloos geworden, trad hij in 1802 als secretaris van den raad van financiën in het departement Groningen op. Lodewijk maakte hem Staatsraad; tijdens de inlijving was hij lid van het Wetgevend Lichaam te Parijs. Van afkomst een man van vóór '95 evenals Röell, was van Imhoff in nog hoogere mate dan deze in denkbeelden een man vanden nieuweren, ja zelfs, evenals van Maanen bij wien hij zich geheel aansloot, van den nieuwsten, keizerlijken tijd. Na de invoering der grondwet is hij de eerste gouverneur van Groningen geweest.
Mr. Cornelis Felix van Maanen (1769–1849), uit een Haagsch juristengeslacht van patriotsche gevoelens, zag zijn fortuin gemaakt door de revolutie van '95. In '93 gepromoveerd en als advocaat in den Haag gevestigd, werd hij in Febr. '95 benoemd tot secretaris van de municipaliteit aldaar, en in April van hetzelfde jaar geroepen tot den post van tweeden advocaat-fiscaal en procureur-generaal van Holland en Zeeland, nevens zijn schoonvader van der Meersch (den nieuwen eersten dito), dien hij in zijn werkzaamheden meestal verving en ook opvolgde. Na als hoofd van het openbaar ministerie in de gewichtigste provincie de opeenvolgende revolutionnaire regeeringen met veel ijver te hebben gediend, werd hij door Lodewijk Napoleon tot staatsraad in buitengewonen dienst benoemd en vervolgens tot minister van justitie. Daar hij evenwel geen vrede had met de inrichting eener geheime politie in het koninkrijk Holland gelijk de koning die verlangde, nog minder met de individu's van welke de koning zich tot dat werk bediende, trad hij in 1809 af. In 1810 lid en sectie-president van den „conseil pour les affaires de Hollande” te Parijs, werd hij tijdens de werkzaamheden van dat lichaam tot staatsraad in buitengewonen dienst van het Keizerrijk, en vervolgens tot eersten president van het keizerlijk gerechtshof in den Haag benoemd, en met de invoering der Fransche rechterlijke organisatie in de Hollandsche departementen belast; een werk dat hij met voorliefde en groote geschiktheid ondernam. Bij den opstand hield hij zich ter zijde en vreesde eene reactie die zou omverwerpen ook wat het Fransche bestuur goeds gebracht had. Het besluit van het Algemeen Bestuur van 1 Dec., „op de administratie der justitie,” kwam hem omtrent zijn eigen hooge positie gerust stellen. Op aandrang van van Maanen, vermoedelijk ook van Elout, zal in het besluit van 21 Dec. het vierde artikel opgenomen zijn, dat van de commissie zoodra mogelijk een voorloopig rapport verlangt, in zake de regeling der judicieele administratie. Viel dat rapport tegen van Maanen's zin uit, dan kon hij er nog vertoogen tegen doen eer het te laat was. Van Maanen was in de commissie de tegenvoeter van van Hogendorp. Zijn ideaal was inderdaad, den Souvereinen Vorst in de plaats van den Keizer te stellen en in het bestaande niets dan wat namen te veranderen. Zijn ambtelijke positie en ervaring, groote kennis en even groote vasthoudendheid verzekerden hem in de commissie aanmerkelijken invloed, al zullen de anderen licht gemeesmuild hebben over zijn cassanten toon, welke bij de gemoedelijke wijze van „besogneeren” der oude costumiers scherp afstak.
Adam François Jules Armand baron van der Duyn van Maasdam(1771–1848), in 1794 beschreven in de ridderschap van Holland, was op zijn afkomst na geheel en al een man van den nieuweren tijd226). Hij was wel sedert 1795 volstrekt buiten alle bewind gebleven, maar, open geest, had hij door lectuur en omgang (als intieme vriend en zwager van een der ministers van koning Lodewijk, van der Capellen), met al het nieuwe even goed kennis gemaakt alsof hij er een werkzaam aandeel aan had genomen. Zijn gedrag tijdens den opstand was bewonderenswaardig geweest: trouw, moedig, geschikt; aan geloof in en eerbied voor het superieure in Gijsbert Karel paarde hij een veel grooter wereldwijsheid dan diens deel was. Geen oogenblik had hij den hoofdman verlaten, en hij was de goede zaak van onberekenbaar nut geweest. Van der Duyn was geheelgrand seigneur, geen man voor het bureau en ook niet voor eene staatscommissie. Werk gedaan heeft hij daarin dan ook niet veel; gestemd heeft hij meest met van Maanen.
De secretaris der commissie, Mr. Rutger Metelerkamp (1772–1836), zoon van een burgemeester van Gouda, had zich, door de omwenteling van 1795 van het vooruitzicht op spoedige plaatsing verstoken, tot de studie begeven en eenigen naam gemaakt door zijn economisch en statistisch werk,De Toestand van Nederland(1804). Hij was ook secretaris geweest der landbouwcommissie in Zuid-Holland. Van eenigen bijzonderen invloed, door hem op den gang van het werk geoefend, is geen blijk voorhanden. Hij heeft later in zijnRegeringsvorm der Vereenigde Nederlanden(1814) de notabelenvergadering beschreven; de verrichtingen en stukken der commissie zelve bleven geheim227).
Uit dit overzicht blijkt m.i. dat Tellegen opbl. 75 hiervóóreenzijdig is. Hij had reeds daar iets van de carrière der leden na 1795 moeten zeggen, hetgeen hij pas aan het slot van het volgend hoofdstuk doet. Het verleden van iemand als Elout b.v. wordt al zeer slecht gekenmerkt, door enkel mede te deelen dat hij vóór de revolutie baljuw van Texel is geweest.
Het is dan ook beweerd, enz. (hiervóór, bl.76). De Bosch Kemper, die uit de notulen van van Maanen den strijd der meeningen in decommissie kent, concludeert hieruit tot een strijd over van Maanen's benoeming waarvan uit de voorhanden stukken niets hoegenaamd blijkt. Ik hecht er evenmin geloof aan als Tellegen.
Zooals mij is medegedeeld, enz. (hiervóór, bl. 77 noot). Dit is onjuist. Blijkens den opbl. 95 hiervóóraangehaalden brief van Jhr. P. J. Elout van Soeterwoude aan Mr. C. F. Th. van Maanen van 21 April 1877 heeft Tellegen zich niet onmiddellijk tot Jhr. Elout gewend, maar heeft Mr. van Maanen dit op Tellegen's verzoek gedaan. Jhr. Elout heeft toen uit de portefeuille zijns vaders gelicht de „algemeene gronden”228)die Tellegen uit de officieele notulen reeds kende, en voorts Hogendorp's ontwerp van een reglement ter invoering der grondwet229)en het gedrukte ontwerp van grondwet, 28 Febr. door de commissie van redactie ter tafel gebracht230), en zond deze drie stukken aan Mr. van Maanen ten behoeve van den Groninger hoogleeraar toe (van de andere stukken uit Elout's portefeuille heeft Tellegen geen inzage bekomen). Mr. van Maanen schijnt den inhoud van Jhr. Elout's briefje niet juist aan Tellegen te hebben medegedeeld: er staat niet in dat van Maanendoor Hogendorpvan deSchetskennis bekwam (ziede aanhaling hiervóór, bl. 95).
Voor het departement der Wester-Eems(hiervóór, bl. 77). Juister: voor de provincie Groningen (hiervóór, bl. 99).
In de vergadering, enz. (hiervóór, bl. 77 noot). Doordat Tellegen de notulen van Röell niet kent, kan hij alleen de omschrijving van Heerkens' brief uit de officieele notulen mededeelen, niet den inhoud zelf, die alleen bij Röell aangeteekend is.
Schimmelpenninck(hiervóór, bl. 78). Vgl.hiervóór, bl. 101.
De Souvereine Vorst...... deed zijnen invloed gevoelen(hiervóór, bl. 79). Zie, behalveOntstaanI, 32, de verschillende brieven van Hogendorp aan den Vorst, in dat werk afgedrukt, en de stukkenOntstaanI, 212, 221, 278, 385, 400, 433–'34, 438 vv. en 562, en II, bl. CXVIII vv.; zie voortsOverzicht142 vv. enBr. en Ged.V, 86–87.
Nogmaals herzien en gewijzigd(hiervóór, bl. 79). In hoeverre, blijkt uitOntstaanI, 446 vv., waar ook blijkt, welke de veranderingen zijn inTellegen's derde noot op bl. 79bedoeld.
Reeds eenigen tijd vroeger was opgesteld(hiervóór, bl. 81).—Het reglement lag reeds 15 Jan. gereed (OntstaanI, 221); het is het onmiddellijk uitvloeisel der laatste aanmerkingen van den S. V. van 19 Dec. (OntstaanI, 35–36). Toen het 4 Febr. in behandeling kwam, moesten enkele artikelen vervallen daar de daarin behandelde stof reeds anders geregeld was; andere punten hebben een plaats gevonden hetzij in de grondwet zelve, hetzij in het voorloopig rapport of in het eindrapport met de daarbij behoorende proclamatie. Zooals Hogendorp in de commissie mededeelde, was het reglement niet voor openbaarmaking bestemd en moest het ontwerp slechts dienen „als een ensemble van pointen om in het finaal rapport, of op een andere wijze, aan Z. H. te worden voorgedragen”231).
Besluit tot invoering der grondwet(hiervóór, bl. 83).—Art. 1 verklaart: „Het ontwerp van Grondwet wordt aangenomen door de geheele natie om te dienen voor ons en onze nakomelingen”. Dit hield niet in, dat de stemming enkel metjaofneenzou geschieden, hetgeen door den Vorst noodig bleek te worden geoordeeld232), waarop werd besloten het ontwerp voor vervallen te houden, en de punten die tot geen bedenkingaanleidinghadden gegeven, in het eindrapport op te nemen.
Finaal rapport gesteld door Elout(hiervóór, bl. 83).—Daarvóór is er een (11 Febr. ingekomen) ontwerp van finaal rapport van van Hogendorp geweest, dat door den S.V. van kantteekeningen is voorzien en met inachtneming dier kantteekeningen door Elout is omgewerkt: zieOntstaanI, 430, 434, 562. Een goed overzicht van volgorde en samenhang der stukken wordt gevonden in hoofdstuk X van het geschrift van Tellegen's kleinzoon.
Lijsten(hiervóór bl. 84). De voorstelling, als zouden de leden de lijsten van commissarissen-generaal hebben aangevuld, is niet juist. De verschillende lijsten kwamen onafhankelijk van elkander tot stand; die der leden krachtens verzoek van den president op machtiging van den Vorst (OntstaanI, 212–'13), die van commissarissen-generaal krachtens aanschrijving van van Stralen van 24 Jan. (OntstaanI, 279): ¼ uit den adel, ¾ uit notabele en aanzienlijke mannen uit de andere standen. „Vooral de oude en ook de latere Regeringen moeten eerst in aanmerking komen; voorts de justitie, koophandel, geleerdheid, wetenschappen, geestelijken en militairen stand, en al wat men verder tot het notabele kan brengen. Geboorte en gegoedheid, maar bijzondertalenten, deugden en verdiensten, houde ik voor hoofdvereischten, en zulks zonder onderscheid van godsdienstige of voormalige politique denkwijze”.
Zoolang de registers niet toegankelijk zijn(hiervóór, bl. 87 noot). Ik heb ze noch in het Kabinetsarchief, noch in dat van Binnenlandsche Zaken aangetroffen.
Bleven er 126 thuis(hiervóór, bl. 87).—Met opgave van redenen. De 77 die ziekte of hooge jaren opgeven, schrijven meestal in een toon die aan hunne goedkeuring geen twijfel laat; 12 daarvan drukken die in eene bijgevoegde verklaring van gave aanneming uit. Negen verontschuldigen zich wegens ambtsverrichtingen of commando's, drie wegens sterfgeval in de familie, enz.—Politieke beteekenis schijnt slechts het wegblijven van drie gehad te hebben: Cau omdat hij de souvereiniteit van Zeeland niet wil prijsgeven; de Gijselaar omdat hij niet debatteeren mag; Quarles omdat hij zich niet bevoegd acht te stemmen namens het Nederlandsche volk (OntstaanI, 571; vgl. voor de Gijselaar ook I, 494).
Het schijnt toch(hiervóór, bl. 91).—Zie de Bosch KemperLetterk. Aanteekeningen471, en vgl.OntstaanI, 497 vv. De meeste stemmen tegen waren van Katholieken.