IV.

130)Besluit van 21 December 1813 (OntstaanI, 37).

131)Aanmerkingen van Falck op van der PalmsGedenkschrift, inG. K. v. Hogendorp in 1813, Bijl., blz. 2. Van der Palm schrapte ten gevolge van eene bedenking van Falck het woordwettiglijk, daar waar hij sprak van de aanvaarding der souvereiniteit op 2 December 1813.

132)G. K. van Hogendorp in 1813, blz. 100.

133)Ik meen, dat zij aldus moeten worden gerangschikt: H. W. van Aylva (Friesland), A. F. van der Duyn van Maasdam (Monden van de Maas), Mr. C. T. Elout (Zuiderzee), T. C. van Heerdt (Monden van den IJsel), Mr. D. J. Hondebeek Heerkens (Wester-Eems, later voor de Generaliteitslanden), Mr. G. K. van Hogendorp (Monden van de Maas), Aebinga van Humalda (Friesland), A. J. C. Lampsins (Monden van de Schelde), W. C. H. van Lynden van Blitterswijk (Boven-IJsel), Mr. C. F. van Maanen (Monden van de Maas), Mr. O. Repelaer (idem), Mr. W. F. Röell (Zuiderzee), W. A. Schimmelpenninck van der Oye (Boven-IJsel), W. R. van Tuyll van Serooskerken van Zuylen (Zuiderzee), G. W. van Imhoff (Wester-Eems).

134)Brief aan H. Fagel van 17 November 1813: „Nous appellerons dans ce gouvernement tous les partis et tous les cultes, parce que tout esprit de parti est abjuré et parce que les citoyens de tous les cultes appellent le même souverain.” (Br. en Ged.IV, 263).

135)Mr. J. van Maanen werd den 6 Febr. 1795 tot raadsheer in den Hove van Holland benoemd. Hij overleed echter reeds 24 Febr. 1795.

136)Bij de komst des keizers hier te lande in October 1811 is hij de tolk van desentiments d'admiration, de fidélité, de vénération et d'amour, die de leden van het gerechtshof bezielden voorle père de la patrie, pour le plus grand héros, pour le premier législateur(Aanspraak van van Maanen, geplaatst in denCourrier d'Amsterdamvan 1811, no. 305).

137)Br. en Ged.V, 30. Zelfs nadat het algemeen bestuur was opgetreden kon van Maanen nog niet besluiten mede te doen, zegt van Hogendorp. „Hij haalde mij het voorbeeld aan van den Spaanschen opstand, onder welken jaren lang regt was gedaan in den naam van Philips den 2den.”

138)De Bosch Kemper,Staatk. Geschiedenis tot 1830, blz. 405.

139)Zooals mij is medegedeelddoor Jhr. Mr. P. J. Elout van Soeterwoude.

140)Falck aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813 (Brieven, 2e ed., blz. 201).

141)In de vergaderingder grondwets-commissie van 6 Jan. 1814 komt in een brief van Heerkens van 31 Dec. 1813, houdende kennisgeving van de oorzaak van deszelfs afwezigheid en voornemen, zoo spoedig mogelijk, de vergadering te komen bijwonen. De artikelen van deSchetsover de Godsdienst kwamen den 21sten Jan. 1814 aan de orde. De beraadslaging werd den 28sten Januari 1814 vervolgd.

142)Reeds den 8sten December 1813 klaagt Hogendorp in een brief aan H. Fagel over dien lastigen bezoeker (G. K. v. Hogendorp in 1813, blz. 27). Den 28sten Jan. 1814 schrijft Hogendorp aanClancarty: „M. de Hogendorp garde encore la chambre. Cependant il aura chez lui la constitution à une heureaprèsmidi” (Correspondence of Lord Castlereagh, IX, pag. 206). Ook de commissie voor de grondwet van 1815 vergaderde om dezelfde reden ten huize van van Hogendorp.

143)OntstaanI, 77.

144)Dit geschiedde 3 Febr. (OntstaanI, 328).

145)OntstaanI, 446.

146)Volgens de officieele notulen had de vaststelling der grondwet plaats den 1sten Maart 1814. Men leest echter in de notulen van van Maanen: 1 Maart „De president heeft voorts den secretaris geïnviteerd om achtervolgens het gecommuniceerde en geresolveerde op heden in de nadere redactie de noodige veranderingen te maken.” 2 Maart. „De president heeft door den secretaris doen voorlezen alle de nadere veranderingen en emendatiën, welke in het ontwerp van constitutie achtereenvolgens de deliberatiën van gisteren en eergisteren nog moesten gemaakt worden, waarna het stuk is gearresteerd.”

147)OntstaanI, 56 en 74.

148)OntstaanI, 81.

149)OntstaanI, 328.

150)OntstaanI, 420.

151)OntstaanI, 361.

152)OntstaanI, 386.

153)OntstaanI, 375.

154)OntstaanI, 472.

155)OntstaanI, 473.

156)Notabelenwas een minder stuitend woord danaanzienlijken. Was het naar aanleiding van het voorbeeld van Frankrijk, dat men op het denkbeeld kwam dit woord te gebruiken? Sedert men aldaar de Staten-Generaal thuis had gelaten, hadden de koningen in plaats van de drie standen, somwijlenassemblées de notablesbijeengeroepen, bestaande uit personen, die door den koning werden aangewezen.

157)In de vergadering van 14 Jan. 1814 liet de souvereine vorst de heeren der commissie verzoeken, ieder voor zijne provincie te willen opmaken eene lijst voor de notabelen, die op de lijst van 600 zouden komen (OntstaanI, 212–'13).

158)OntstaanI, 415; vgl. aldaar, 400.

159)J. E. N. van Lynden van Hoevelaken, S. van Hoogstraten, Huyssen van Kattendijke, B. Donker Curtius, D. C. de Leeuw, J. P. Graafland, G. A. M. van Bommel, A. Sandberg, A. C. de Hartoghe Huber (Metelerkamp, 61).

160)Röell zei: „de vorst behoort niet te verklaren, dat de 600 de natie representeeren; liefstbekend makenof zoo iets—data parte principiseene meer lijdelijke houding te kennen geeft”. (OntstaanI, 416).

161)OntstaanI, 384.

162)Brief van 8 Januari 1814 aanLord Liverpool(Ged.VII, 26).Lord Castlereaghbevond zich in die dagen in den Haag op reis naar het hoofdkwartier der geallieerden.

163)Metelerkamp, blz. 94, spreekt van „bijna algemeene goedkeuring.” Zijn er dan nog enkelen geweest, die met sommige personen geen genoegen namen? Men kan op die vraag geen antwoord geven,zoolang de registers niet toegankelijk zijn.

164)Metelerkamp, 101.

165)Aldaar, 195.

166)Aldaar, 197. Reeds den 11den Maart 1814 had het lid der grondwetcommissie, van Aylva, tevens opperhofmaarschalk van den souvereinen vorst, aan zijn medelid in de commissieRöellgeschreven, dat de constitutie zonder debat moest worden aangenomen of verworpen (ArchiefRöell).

167)Blz. 205.

168)Metelerkamp, 217.

169)Aldaar, 227. Zie ook de aanspraak van den souvereinen vorst in de eerste bijeenkomst der Staten-Generaal den 2den Mei 1814.

170)De Bosch Kemper,Letterkundige Aanteekeningen, blz. 462.

171)OntstaanI, 1;Br. en Ged.V, 83.

172)Overzichtvan B. D. H. Tellegen Az., 5.

173)Br. en Ged.V, 43, 46.

174)OntstaanI, 31.

175)Br. en Ged.VI, 29.

176)Falck'sGedenkschriften, 126.

177)OntstaanI, 1.

178)Br. en Ged.V, 29.

179)Ged.VI, 1740.

180)Br. en Ged.IV, 247.

181)Falck'sGedenkschriften, 122.

182)OntstaanI, 70.

183)OntstaanI, 82.

184)OntstaanI, 78.

185)OntstaanI, 36.—Röell, niet bijzonder meer op posten gesteld, had zich tot dusver op een afstand van de zaken gehouden.

186)Zooals van Hogendorp zich in 1823 had uitgedrukt in het 7de deel zijnerBijdragen, bl. 148 (vgl.OntstaanI, 69).

187)Men vergelijke slechts de derde redactie met de tweede, en vervolgens met 's Vorsten aanmerkingen (OntstaanI, 32).

188)Te weten, na de mededeeling aan Elout (ziebeneden).

189)Ik vermoed, naar den inhoud (zieboven).—De wandeling, die het door Hogendorp in folio geschreven exemplaar der tweede redactie (nog onder zijn papieren aanwezig) moet hebben afgelegd, is: 4 Dec. aan den S. V., vervolgens waarschijnlijk Aylva; 9 Dec. of daarvóór in handen van Falck; 9 Dec. naar Elout; vóór 13 Dec. van dezen aan Falck terug (zieOntstaanI, 504); 19 Dec. van den S. V. aan Hogendorp terug (zieOntstaanI, 32).

190)Brief berustende op het Rijksarchief bij de stukken van van Maanen.

191)Br. en Ged.V, 84.

192)OntstaanI, 503.

193)OntstaanI, 503.

194)OntstaanI, 39.

195)OntstaanI, 504.

196)OntstaanI, 504.

197)OntstaanI, 32.

198)Br. en Ged.V, 82.

199)En zouden dus één vierde hebben uitgemaakt van het aantal leden, door iedere provincie naar de Staten-Generaal af te vaardigen.

200)Br. en Ged.V, 82.

201)OntstaanI, 35–36.

202)Dit valt af te leiden uitOntstaanI, 36. Van's Vorsten zijde zullen ongetwijfeld zijn opgegeven Aylva, van Lynden, van Tuyll, groote namen uit de oude Oranjepartij; van Heerdt, jaren lang zijn vertrouwde dienaar; Humalda, Lampsins, Schimmelpenninck, met welke hij in de jaren na '95 gedurig in correspondentie was geweest. Hogendorp sprak natuurlijk vanzelf; ook van der Duyn en Repelaer om de positie die zij toen innamen. Van Maanen en Elout zullen niet het minste bezwaar bij den Vorst ontmoet hebben als representanten van de na '95 tot aanzien gekomen wereld. Falck heeft daarna nog voorgeslagen Röell en Heerkens.

203)Als zoodanig waren toen in functie (onder den titel van commissaris-generaal) behalve de door van der Duyn vervangen Hogendorp en de niet den titel van commissaris-generaal voerende van Maanen: van Stralen (binnenlandsche zaken), Canneman (financiën), Bentinck van Buckhorst (oorlog). Benoemd, maar nog niet in functie getreden, was van der Hoop (marine).

204)OntstaanI, 36.

205)Het was toen reeds duidelijk dat de Vorst nòch met van Stralen nòch met Canneman veel ophad: Falck'sGedenkschriften, 120.—Bentinck had een in die dagen buitengemeen drukken post en was overigens ook geen man voor een dergelijke commissie.

206)Falck'sGedenkschriften, 125.

207)Welk getal dan nog alleen bereikt wordt door den Hagenaar Elout, wiens familie uit Haarlem was, bij de Zuiderzee te tellen.

208)D'Alphonse'sAperçugeeft aan de Zuiderzee 500.656 inwoners; aan de Monden van de Maas 389.214.

209)OntstaanI, 36 („wij moeten een Groninger hebben”).

210)OntstaanI, 37.—Wat Falck daar schrijft dat de Groninger uit de Stad moet zijn, is blijkbaar een gevolg van het levendig beklag door P.G. van Iddekinge bij den S. V. gedaan, dat zijnbeidecommissarissen in de Wester-Eems (Lewe en Alberda) Ommelanders zijn (Ged.VI, Inl. 3e stuk, CLXXXIII).

211)De prefecturen werden door het Algemeen Bestuur bij voorkeur dubbel bezet.

212)Andere bewijzen in de correspondentie van Falck en van Maanen over de benoeming van Röell en van Heerkens (OntstaanI, 36–37).

213)Zoolang Gorkum en Nijmegen niet over waren, en er nog zooveel vreemde troepen door Gelderland trokken, was het voor de militaire belangen lang niet onverschillig hoe de Arnhemsche prefectuur was bezet.

214)Nijmegen werd ontruimd 6 Januari, doch Gorkum eerst overgegeven 20 Februari.

215)Hiervóór, bl. 17 noot.

216)Ged.I, 609; vgl.Ged.II, 819.

217)Ten onrechte deelt van der Aa mede (en heeft daaruit Tellegen's eerste druk op bl. 58 noot), dat hij onder het Staatsbewind en onder Schimmelpenninck lid van het Wetgevend Lichaam was.

218)FalcksGedenkschriften77;Br. en Ged.IV, 250.

219)Br. en Ged.V, 24;Ged.VI, 3e stuk, bl. LXXIII, 1742.

220)Ged.VI, 1e Stuk, bl. XXXVII.

221)Ged.VI, 1593.

222)Br. en Ged.V, 12.—Zij waren beiden vaders vangardes d'honneur.

223)OntstaanI, 77.

224)OntstaanI, 157.—Denkelijk zal de punctueele van Maanen wel verlangd hebben dat hij eerst die taak afdeed.

225)Ged.V, 568.

226)Voor zijn ontwikkelingsgang kan naar zijn merkwaardigeSouvenirs, uitgegeven door Sirtema van Grovestins (Saint-Germain, 1852) worden verwezen.

227)Op Hogendorp's memorie van toelichting op de Schets na, die Metelerkamp overnemen kon uitStaatscourant5 April 1814 waarin zij was geplaatst omdat Hogendorp haar in Engelsche couranten had laten zetten ter bestrijding van de beweringen vanLord Hollandc.s. in het parlement (OntstaanI, bl. IX).

228)OntstaanI, 74.

229)OntstaanI, 361.

230)OntstaanI, 446.

231)OntstaanI, 380.

232)OntstaanI, 406.

DE GRONDWET EN DE MAATSCHAPPIJ.

Twee millioen menschen hadden hunne woonplaats op het Nederlandsche grondgebied233). Geen van hen gelijk aan den ander. En toch komt die verzameling van menschen ons, om het geliefkoosde beeld onzer dagen te gebruiken, als een levend organisme te gemoet. Het is een volk; het heeft een eigen taal; het heeft een eigen karakter—door het een en het ander onderscheidt het zich van andere volken. Zou de taak niet aanlokkelijk zijn, in het licht te stellen, hoe onder den invloed der woonplaats en der geschiedenis zich dat volk heeft gevormd en ontwikkeld, de trekken te schilderen, waarin zich zijn karakter openbaart? En bovendien, hoe, niettegenstaande die overeenkomst tusschen de zonen van hetzelfde land, de onderscheidene bestanddeelen dermaatschappij weder van elkander verschillen, hoe de eenheid van het geheel de verscheidenheid der deelen niet uitsluit? Rijk en arm, hoog en laag, stad en land en dan—het onderscheid van godsdienst.

Meent echter niet, dat het mijn plan zoude zijn, mijne hand uit te strekken naar eene taak, die hoe aanlokkelijk ook, boven het bereik mijner krachten geplaatst is. Zoowel de verwen als het penseel ontbreken mij om een beeld te kunnen schetsen van het Nederlandsche volk, zoo als het zich voordeed in het begin dezer eeuw. Wat ik beoog, heeft een meer bescheiden omvang. De grondwet van een volk moet vóór alles het antwoord geven op de vraag: hoedanig zal het staatsgebouw zijn, door het volk te bewonen? Hoedanig zal de vorm, de inrichting der regeering zijn? Het is eene wet, die de machten aanwijst, geroepen voor den Staat op te treden, en die hare wederzijdsche bevoegdheid beschrijft. Toch zien wij in den regel die hoogste wet zich niet tot dit hoofdpunt bepalen. De wetgever zal, zoo hij zijne taak goed begrijpt, bij de inrichting van het bestuur de maatschappij voor oogen houden, waarvoor dit bestuur moet dienen; hij zal letten op de behoeften, de inzichten, de vooroordeelen dier maatschappij; hij zal dus staan onder haren invloed. Maar zal die wetgever ook zijnerzijds invloed willen uitoefenen op de maatschappij zelve? Niet zelden zal ook dit het geval zijn. Veelal heeft de grondwetgever, in plaats van onzijdig te blijven tegenover hetgeen het volk onderling onderscheidt en verdeelt, door aanmoediging of belemmering in de eene of andere richting willen werken, ja zelfs meestal het staatsgezag in de schaal geworpen ten gunste van die bestanddeelen, welke uit zich zelve reeds met de grootste kracht waren bezield. Dit is, wat ik bovenal bedoelde, toen ik boven deze bladzijden schreef:De grondwet en de maatschappij. Was de grondwet neutraal of was zij het niet tegenover de bestanddeelen,de schakeeringen van het nederlandsche volk?

Wanneer men de maatschappij van die dagen beschouwt, dan was er—evenals vroeger—evenals thans—bovenal een punt van verschil, waardoor die maatschappij in al hare klassen en rangen als 't ware gezuurd was; het verschil van godsdienst. Op dezelfde plek gronds leefden onder—wellicht beter naast elkander: Protestanten, Roomschen, Joden. Indien in 1814 de toestand reeds dezelfde was, als hij later in 1829 bleek te zijn, dan waren zij in de verhouding van 60, 38 en 2 procent over de bevolking verdeeld234). Het grootste gedeelte der Protestanten behoorde tot de Hervormde kerk. Mocht het nu ten opzichte der Joden toen235)nog de vraag zijn, wat zij meer waren, eene afzonderlijke natie dan eene bijzondere secte, tusschen de overige Nederlanders was het onderscheid alleen hierin gegrond, dat zij over de eeuwige dingen verschillend dachten. Welke houding zoude de grondwet aannemen tegenover de godsdienstige zijde des volks? Zoude zij, met terzijdestelling van de geschiedenis der laatste twintig jaren, het voorbeeld volgen van de republiek der Vereenigde Nederlanden, die, hoewel zij in godsdienstige verdraagzaamheid boven andere volken uitmuntte, toch eene kerk als staatskerk erkende? Of zoude zij een kind der revolutie zijn, die met huldiging van de denkbeeldender 18de eeuw aan de Hervormde kerk dat karakter had ontnomen; de revolutie van 1795, die den grond der godsdienstvrijheid zocht in het individu, die geene burgerlijke voor- of nadeelen aan de belijdenis van eenig kerkelijk leerstelsel verbond, ja die de kerkgenootschappen, een uitvloeisel der godsdienstvrijheid, wilde laten zorg dragen voor het onderhoud van den eeredienst, deszelfs bedienaren en gestichten en dus verklaard had:godsdienst is geen regeeringszaak.

Dit alles toch was verkondigd inde blijde boodschapvan de eerste staatsregeling der Bataafsche Republiek, de staatsregeling van 1798. (Inleiding, art. 19–20.) Wat was daarvan teruggenomen, wat was werkelijkheid geworden in de pijnlijke jaren van 1798–1813? Teruggenomen was, of wil men liever eenedoode letterwas gebleven het beginsel, dat de godsdienstvrijheid een individueel recht was. Men verviel spoedig weder in de begripsverwarring, waardoor godsdienstvrijheid en vrijheid der kerkgenootschappen als synoniem beschouwd worden, en waarbij men vergeet, dat de vrijheid der laatste kan uitloopen, niet zelden uitloopt op godsdienstigen dwang. Immers in de volgende staatsregelingen wordt niet meer de klemtoon op het individu, maar integendeel op de kerkgenootschappen gelegd; ja de staatsregeling van 1801 (art. 12) schrijft zelfs voor, dat een ieder verplicht is, zich bij een of ander kerkgenootschap te laten inschrijven. En al mocht ook deze laatste bepaling in de constitutie van 1805 en 1806 niet worden overgenomen, ook deze staatsregelingen huldigen de bescherming derkerkgenootschappen, niet die derindividu's(1805, art. 4, 1806, art. 6). Evenmin vinden wij uitvoering gegeven aan de met het beginsel derindividueelegodsdienstvrijheid zoo nauw verbonden bepaling, dat de Staat niet voor het onderhoud van de godsdiensten behoort te zorgen. Immers eerst volgens de additioneele artikelen der staatsregeling van 1798, latervolgens art. 14 der grondwet van 1801, bleven de politieke kassen voorloopig belast met de uitbetaling der tractementen van de leeraren der voormalige Hervormde kerk. Iets wat echter niet meer als een tijdelijke maatregel kon beschouwd worden, toen koning Lodewijk bij het organiek decreet van 2 Augustus 1808 niet alleen aan die predikanten het behoud hunner tractementen verzekerde, maar tevens, naarmate de financiën het toelieten, ook aan de geestelijken der andere gezindheden bezoldiging van staatswege beloofde. Moge nu al de volledige toepassing van deze regeling onder koning Lodewijk met geldgebrek te kampen hebben gehad236); mocht er na de inlijving weinig of niet zijn uitbetaald; het beginsel omde eerediensten van staatswege te ondersteunen, bleef ook onder het Keizerrijkgehuldigd (decreet van 18 October 1810, art. 206–207). Wanneer men dit overweegt, dan is de slotsom deze, dat althans de staatskerk vernietigd bleef, en in de hoofdzaak de gelijkheid tusschen de kerkgenootschappen werd gehandhaafd. Trouwens sloot de heerschappij der Napoleons uit den aard der zaak eene herleving der Hervormde kerk als staatskerk uit. Met behoud van de gelijkheid der kerkgenootschappen, was dan de godsdienst in 't algemeen een voorwerp van staatszorg geworden, iets, dat in harmonie was ook met het regeeringsstelsel van Napoleon, die aan de eene zijde de bedienaren van den godsdienst om hunne aanmatiging vreesde, aan de andere zijde ze beschouwde als werktuigen, bruikbaar om het volk tekneden en met een geest van onderwerping te doordringen. Zoo vond de souvereine vorst den toestand. Geene heerschende kerk meer, maar alle kerkgenootschappen onderworpen aan—gesteund door—ja organen van het staatsgezag.

Wat zoude de toekomst baren? Welke regeling van staat en godsdienst zoude uit de werkplaats der commissie te voorschijn komen? Hoe zoude de grondwet het onderwerp regelen? Zoude men in haar kunnen lezen, dat de Nederlandsche natie bestond uit Hervormden en andere Protestanten, uit Roomsch-katholieken, uit Joden? Zoude zij meer voorliefde koesteren voor den een dan voor den ander, en zoude de Hervormde kerk weder op den kandelaar worden gezet? Zij, die dit laatste wenschten, konden daarvoor hunne hoop vestigen op de opdracht der souvereiniteit aan het huis van Oranje, dat huis, zoo nauw met de oude staatskerk verbonden. Zij konden grond voor die verwachting putten uit de omstandigheid, dat de grondwet-commissiemet éene uitzonderinguit leden der hervormde kerk bestond. En wanneer zij bekend mochten zijn met de gevoelens van Hogendorp, zooals hij die in 1799 nog aankleefde, konden zij weten, dat hij toen in zooverre slechts tot de beginselen van gelijkheid bekeerd was, van voor alle christelijke gezindheden den toegang te willen openen tot in de steden op te richten kiezercollegiën, terwijl hij voor het overige den ouden toestand hersteld wilde zien237). Ja in 1802 wenschte Hogendorp nog herstel der publieke kerk238). Scheen dit alles niet te wijzen op de waarschijnlijkheideener restauratie, en dit te meer, nu de revolutie in minachting was geraakt en er hier te lande even als elders eene overhelling tot herstel van het oude bestond?

Toch was de uitkomst eene andere, dan men naar het voorgaande zoude hebben kunnen verwachten. Het valt niet te ontkennen, dat er in de commissie weinigen waren, die de pen wenschen te halen door al hetgeen sedert de revolutie in dit opzicht was tot stand gekomen. Wellicht kon dit alleen gezegd worden van den zeventigjarigen van Lynden van Blitterswijk, die uit de hoogte nederziende op Mennisten, Remonstranten, Lutherschen en Joden, en vreezende voor het vervolgzieke karakter der Roomsch-katholieke kerk, het veiliger vond van bij de oude constitutie op het stuk van godsdienst te blijven239). Zelfs Hogendorp was, zooals wij zien zullen, hiervan verre verwijderd. Wanneer men het zevende hoofdstuk der schets (art. 60–61) leest, dan wenschte hij alle godsdiensten in den lande te beschermen, dan werd aan den christelijk-hervormden godsdienst alleen in zooverre een privilegie toegekend, dathaar onderhoudals van ouds tot last bleef van het gemeene land. Maar ook de Roomsch-katholieke godsdienst zoude worden ondersteund in die provincie of provinciën, waar die godsdienst de meerderheid had. In de commissie zelve wilde men echter nog verder gaan en ook aan de andere gezindten uitzicht op financieele ondersteuning geven. Over deze en andere vraagpunten betrekkelijk den godsdienst ontstond eene lange discussie, die den 21sten Januari 1814 aangevangen, den 1sten, 2den en 3den Februari voortgezet, eerst den 1sten Maart 1814 door het machtwoord van den souvereinen vorst tot eene eindbeslissing kwam. Er waren, behalve de vraag der financieele ondersteuning,tweepunten die vooralaanleiding tot discussie gaven, en waarover tot tweemaal (2 en 3 Februari)de stemmen staakten. Het eene of de grondwet uitdrukkelijk aan de belijders der onderscheidene gezindheden het recht, om aan de regeering deel te nemen, zou toekennen. Hogendorp die volgens zijneAanmerkingenop de schets240)thans voor dit beginsel was, vond echter de uitdrukkelijke vermelding, daar het zulk een teer punt gold, niet wenschelijk, en tevens onnoodig. Immers zoo niemand uitgesloten werd, waren allen toegelaten241). Met hem gingen zes leden der commissie, hetzij, zooals van Imhoff, op de door hem aangevoerde gronden, hetzij, zooals waarschijnlijk van Lynden, om nog een deur open te laten voor de herstelling der staatskerk. De andere helft der commissie—waaronder vooral van Maanen, Röell, Elout en Heerkens op den voorgrond traden—vond daarentegen uitdrukkelijke huldiging van dit beginsel wenschelijk en noodzakelijk242). Het andere punt van verschil ontstond door een voorstel van Aylva, die in de grondwet wenschte opgenomen te zien de bepaling dat de hervormde godsdienst die was van den souvereinen vorst. Ook hierover staakten tot tweemalen toe de stemmen243). Die voor het eerste punt zich verklaard hadden, verklaarden zich hiertegen, behalve dat, terwijl van Zuylen en Humaldabeide keeren voor stemden, Hogendorp en met hem van Imhoff zich ook tegen dit tweede punt verklaarden. Dat de souvereine vorst den hervormden godsdienst beleed, was, meende Hogendorp, een gevolg van de gebeurtenissen der 2½ laatste eeuwen: dit behoefde niet uitdrukkelijk te worden vermeld—en waarom dan, zoo dacht hij waarschijnlijk, niet liever over zulk een teeder punt het stilzwijgen bewaard? Bij dien uitslag bleef er niet veel anders over, dan het gevoelen van den souvereinen vorst over dit onderwerp en bepaaldelijk over die beide punten in te winnen. Toen dan den 28sten Februari en den 1sten Maart de eindredactie der grondwet in behandeling was genomen en van Maanen den 1sten Maart er weder op aandrong, de deelneming van allen aan de regeering grondwettig te verzekeren, deelde Hogendorp mede,dat Z. H. dit ook begeerde, mitsgaders dat uitgedrukt werd, dat de souvereine vorst van den hervormden godsdienst was. En daartoe werd dan ook geconcludeerd. Dus werd in het voornaamste der beide punten datgene behouden, wat sedert de revolutie was ingevoerd: degelijkstellingvan de leden der onderscheidene kerkgenootschappen. De definitieve regeling der financieele ondersteuning bewoog zich nog meer in de richting der gelijkheid dan Hogendorp en zelfs de commissie oorspronkelijk gewild had. Terwijl beide slechts aan de Roomsch-katholieken, daar waar zij de meerderheid hadden, ondersteuning hadden toegezegd—de commissie ook nog andere gezindten eenig uitzicht daarop had geopend—werd in de grondwet zelve met behoud van het financieel privilegie der hervormde kerk, aan alle andere gezindten het behoud verzekerd van hetgeen zij tot dusver hadden genoten, en tevens het uitzicht op meerdere ondersteuning aan deze en ook aan andere gezindten geopend. Had ook hier de invloed van den souvereinen vorst gewerkt?Het is waarschijnlijk, zoowel omdat hij, nog voordat dit onderwerp bij de commissieter tafel kwam, reeds bij besluit van 19 Januari 1814244)de beginselen in de regeling van koning Lodewijk vervat voorloopig had bekrachtigd, als omdat uit de beraadslagingen der commissie van die veranderde zienswijze niets blijkt, en het dus aan te nemen is, dat eerst de commissie van redactie onder ruggespraak ook met den souvereinen vorst deze wijziging in de grondwet heeft gebracht. Wanneer wij na dit alles de vraag doen, in hoeverre voor het overige de beginselen der 18de eeuw werden gehandhaafd of gehuldigd, dan vindt men—wat trouwens te verwachten was—wel eene erkenning der kerkgenootschappen, geenszins eene huldiging van de godsdienstvrijheid van den mensch. Wat in den revolutietijd eenedoode letterwas gebleven, kon in de dagen der restauratie niet in 't leven treden. Hiermede stond in verband de bescherming van de kerkgenootschappen, diebestonden. Hogendorp had in zijne schets die beperking niet opgenomen. Maar op de aanmerking van Aylva, dat het te ver zou gaan, ook nieuwe secten te beschermen, antwoordde Hogendorp, dat hij dit ook geenszins bedoeld had. En zoo werd er in art. 134 der grondwet vanbestaandekerkgenootschappen gesproken, niet vanerkende, zooals door Röell was voorgesteld. Dit woord vond geen genade in de oogen van den man, die van al de leden op dit punt het meest een kind van zijn tijd schijnt geweest te zijn: van Maanen. Hij vreesde dat het vrijzinnig genootschapChristo Sacrumer dan buiten zou vallen. Immers, gaf hij te kennen, het genootschapChristo Sacrumbestaat wel, moet dus beschermd worden, maar het is niet erkend245). Men huldigde dus de gelijkheid derbestaandekerkgenootschappenen als uitvloeisel daarvan de gelijkheid hunner leden. Éene omstandigheid is ongetwijfeld op dezen uitslag van grooten invloed geweest. Ik bedoel het ook bij de commissie niet onbekende plan der vereeniging van noord en zuid. Voor van Lynden van Blitterswijk was dit eene reden te meer voor het herstel der heerschende kerk; anders zouden door die vereeniging de gereformeerden het onderspit delven. Niet alzoo echter dachten de overigen. Hogendorp wilde, blijkens zijneAanmerkingen246), juist ook daarom aan allen den toegang tot de regeering verleenen, omdat andere, zelfs geheel Roomsche provinciën zich met het noorden zouden kunnen vereenigen. Daarom was zijn oorspronkelijk denkbeeld: „Onderhoud van de gereformeerde kerk door den Staat in de zeven Nederlanden, en van den Roomschen godsdienst in de tien Nederlanden”247). Niet het minst zal ook bij den souvereinen vorst dit lievelingsdenkbeeld gewogen hebben, toen hij zijnen invloed voor de gelijkheid der kerkgenootschappen in de schaal legde. Diezelfde vorst zal ook waarschijnlijk nog op een ander punt eene wijziging van het oorspronkelijk voorgestelde hebben bewerkt, t. w. debepaling van art. 139, waarbij aan den vorst het recht van inzage en beschikking omtrent de inrichting der gesubsidieerde of te subsidieeren gezindten werd toegekend. Immers er blijkt niet, dat in de commissie dergelijk voorstel is gedaan, veel min dat het is aangenomen. Ook deze bepaling kwam voor het eerst voor in de eindredactie, den 28 Februari 1814 ter tafel gebracht248).

Ik vlei mij, geene verschooning te behoeven, omdat ik mij zoo lang heb bezig gehouden met de wijze, waarop de grondwetgever de godsdienstige zijde des volks opvatte. Ik ga nu over tot een ander onderscheid, dat de Republiek der Vereenigde Nederlanden had gekenmerkt, een onderscheid van meer algemeenen aard—men zoude bijna zeggen: van een meer algemeen menschelijk karakter, dan het verschil van godsdienst. Ik bedoel hooge of lage geboorte. Moge nu al het verschil van godsdienst, de afscheiding van nationaliteit en godsdienst, de daardoor te weeg gebrachte klove tusschen de zonen van hetzelfde land, moge dit alles niet alleen eigen zijn aan de christelijke volken, toch schijnt het vast te staan, dat de oude wereld er zoo goed als vreemd aan was. Met de geboorte en hare onderscheidingen is het niet alzoo. Dit verschil heeft zich met zijne gevolgen in de oude zoowel als in de nieuwe wereld doen gevoelen. Hierin zal geene verandering komen, zoolang de familie de grondslag blijft der maatschappij en de luister van het geslacht afstraalt op zijne leden. Zoolang zal een overgeërfde naam in deze wereld veel voor hebben, zoolang zal het voor eenhomo novusmeer krachtsinspanning vereischen om zich hier op aarde eene plaats te veroveren. Het zoude dwaas zijn, de oogen te sluitenvoor dit verschijnsel: een verschijnsel dat zich niet alleen vertoont bij hetgeen men gewoon is de aristocratie te noemen, maar waarvan bijna geen klasse der maatschappij bevrijd is. Iets anders is het echter, of de Staat door zijne instellingen nog datgene moet versterken, datgene moet begunstigen, wat reeds van nature meer is bevoorrecht. Ook dit toch ziet men niet zelden gebeuren. Het natuurlijke privilegie wordt dan bovendien een privilegie der wet. Ja, men zoekt zelfs door de wet te scheppen, wat een uitvloeisel behoorde te zijn van natuurlijke omstandigheden. Hoe stond het met dit alles in de Republiek der Vereenigde Nederlanden? Het was eene eer te behooren tot de patricische familiën in de steden; onder de heeren te worden genoemd, die tegenover de burgerij en het gemeen waren geplaatst. Geheel en al gesloten was die kring niet. In buitengewone omstandigheden, zooals b. v. in 1748 te Amsterdam het geval was, werd aan nieuwe geslachten de toegang verleend. Naarmate echter het Staatsgebouw meer verouderde en verviel, des te sterker werkte de kastegeest. Er bleef om in de regeering te komen bijna geen ander middel over dan het aangaan van een huwelijk met eene regentendochter249). Vreemd was die geest van uitsluiting niet. Men bedenke toch, dat het niet alleen eene eer was, tot dien bevoorrechten kring te behooren, maar dat ook de stedelijke en provinciale en generaliteitsbetrekkingen de buit waren, die onder de leden van dien kring werd verdeeld. Hiertoe te behooren, was dus niet alleen eene eer, het was bovendien een op geld waardeerbaar voorrecht. Wat nu de patricische familiën waren in de steden,dat waren in de meeste provinciën de edelen te platten lande. Het is bekend, dat de afzwering van Philips en de invoering van den Republikeinschen regeeringsvorm dien stand langzamerhand zeer hadden doen inkrimpen. De oude familiën stierven uit, en er was geene macht in den Staat, om den adeldom te verleenen. Wat het gevolg hiervan was, blijkt uit niets duidelijker, dan uit de omstandigheid dat in 1794 het getal personen in de Ridderschap van Holland beschreven niet meer bedroeg dan tien, en hieronder waren er vier Wassenaers en twee Boetzelaers; de geheele zaak beperkte zich tot zes geslachten. Alleen in Gelderland en Overijsel had de adel zich weten in stand te houden en een door haar getal aanzienlijke ridderschap kunnen blijven leveren. Maar de menschelijke zucht, om, zij het dan ook alleen door uiterlijke onderscheidingen, boven zijn naasten uit te blinken, zoekt allerlei middelen om dit doel te bereiken. In Friesland rustte de adeldom voor de meesten op verjaring250)en hadden ook de edelen van dat slag zich een aandeel in het bestuur weten te verwerven. In Groningen lieten zij, die door koop perfas et nefasin 't bezit van de regeeringsrechten waren gekomen, zichJonkersnoemen en werden zij in de wandeling als adel behandeld. Bij die allen echter was de adel òf verbonden met voorrechten òf een uitvloeisel daarvan. Niet alzoo met vele anderen, de zoogenaamde Nobiles diplomatici, waarmede Bijnkershoek den draak steekt.Men trachtte van vreemde souvereinen een adellijken titel te verwerven. Er is tegenwoordig, zeide hij, zulk een overvloed van die soort van baronnen en graven, dat wij daaronder gevaar loopen te stikken. Men heeft dat koopen van vreemden adeldom wel eens trachten te beletten, maar waarom zouden wij die lieden dit genoegen niet gunnen, indien zij er op belust zijn, indien zij zoo dwaas zijn,emere fumum?251)Was het echter wel alleen rook die gekocht werd of opende het in de vorige eeuw ook den toegang tot de hoogere kringen en was het ook eene aanbeveling voor het bekleeden van betrekkingen? Ik durf het niet beslissen.

Heeft de revolutie van 1795 aan die grootheid van werkelijke en nagemaakte edelen, van edelen met en zonder voorrechten een einde gemaakt? Ja, allen werden nu burgers. Alle leden der maatschappij hebben, zeide de staatsregeling van 1798 (art. 3 der inleiding), zonder onderscheiding van geboorte, bezitting, stand of rang, eene gelijke aanspraak op derzelver voordeelen. De keus van den eenen burger boven den ander (tot ambten en bedieningen) mocht alleenlijk gegrond zijn op meerdere deugd en bekwaamheid (art. 15 der Inleiding). De Bataafsche Republiek kende het instituut van den adel niet, evenmin als het aan de patricische familiën nog voorrechten verzekerde.

Was daarmede het onderscheid der geboorte verdwenen? Niemand zal dit verwachten. Onder gewone omstandigheden zouden zij, die tot dusver boven de anderen hadden uitgeblonken, zij in wier handen de regeering was, ook, voor zoover bruikbaar, deel aan het staatsbestuur hebben blijven nemen; nu kwam er echter eene bijzondere omstandigheid bij, die dit belette. De voorstanders van het oude regeeringstelsel werden uitgesloten door den val van dat stelsel; zij konden,wat van iederen staatsburger geeischt werd, nietverklarenhunnen onveranderlijken afkeer van hetstadhouderlijk bestuur, hetfoederalismusen dearistocratie(art. 11 der Staatsregeling van 1798). Daardoor is het ook wellicht gekomen, dat in 't laatst der vorige eeuw het aanbod van ambten de vraag schijnt overtroffen te hebben, zoodat men genoodzaakt was de straf van verbanning voor 5 jaren te bedreigen tegen hen, die, bijaldien 's lands welzijn de aanneming mocht vorderen, een ambt zonder voldoende redenen meenden te moeten weigeren252). Een toestand, die echter niet lang duurde. Na de invoering der grondwet van 1801, na die van de grondwet van 1805 en vooral na den dood van Willem V en de troonsbeklimming van koning Lodewijk in 1806, hadden velen van de oude edelen, velen uit de patricische geslachten, zich verzoend met het bestaande regeeringstelsel en waren zij naast de mannen van 1795 weder in de regeering gekomen. Ja, viel hun niet spoedig het leeuwendeel te beurt? Hierbij bleef men echter niet staan. De adel, als instelling, werd hersteld bij de wet van 22 April 1809. Zooals koning Lodewijk later zei, deed hij dit ter belooning van den ouden adel, die hem over het algemeen met getrouwheid diende. De werking dezer wet was echter van korten duur. Zij moest den 18den Februari 1810 reeds worden ingetrokken, ter voldoening aan den eisch van Napoleon, die, evenals in de hollandsche maarschalken, daarin waarschijnlijk zag een caricatuur van de keizerlijke instellingen253). Want ook in Frankrijk was de adel herleefd. Niet alleen adellijke titels voor het leven, maar ook met een erfelijk karakter, mits verbonden met een majoraat, werden door den keizer erkend. En zoo verrezen ookhier te lande deComtes et Barons de l'Empire. Men was dus bij ons op den smaak gekomen der uit de wet voortvloeiende onderscheidingen. Niet alleen ridderorden ter belooning van persoonlijke verdiensten bracht ons de heerschappij van Lodewijk en van den keizer, maar ook de wettelijke onderscheiding der geslachten kwam terug. Bij dit alles dient echter éene zaak niet vergeten te worden: de voorrechten, aan het onderscheid van geboorte verbonden, herleefden niet—het revolutionnaire beginsel van gelijkheid bleef ook onder de Napoleons in de hoofdzaak gehuldigd.

Toen nu met de herwinning onzer onafhankelijkheid de monarchie in het huis van Oranje werd gevestigd, scheen het als van zelf te spreken, dat er daarnevens of daaronder ook een bij de grondwet erkende adel zou zijn. De overhelling tot het oude, de antecedenten onder Lodewijk en den keizer, het besef, dat de adel niet alleen als stoffagie voor het hof, maar ook als steun der monarchie noodzakelijk was, dit alles leidde er toe, dat daarover in den boezem der commissie geen verschil van gevoelen bestond. Evenals andere souvereinen zoude ook de souvereine vorst zijn de bron van eer, niet alleen door het verleenen van orden tot belooning van persoonlijke verdiensten, maar bovendien door het recht om in den adelstand te verheffen. Zelfs een man als van Maanen, die, in tegenstelling met bijna alle leden der commissie, voor zich zelf dit voorrecht nooit schijnt te hebben begeerd, had hierin geen bezwaar. Maar over de strekking, den omvang, de werking dezer instelling bestond wel verschil van gevoelen. Wat was oorspronkelijk het denkbeeld van Hogendorp? „De edelen,” zeide hij254), „willen zij in de ridderschap beschreven worden, moeten eene heerlijkheid bezitten; zij zullen er eene, die in de familieis, op hunnen naam krijgen, of er eene koopen, en zoo doende zal het platte land allengskens van zelf wederom zijne natuurlijke hoofden krijgen”. In den adel zag dus Hogendorp het hoofd van het platte land; voerden die denkbeelden van de eene zijde terug tot het oude regime, zoo zoude van de andere zijde de bij de wet erkende adel ook op sociale feiten en niet alleen op het papier berusten, en zoude hiervan een noodwendig gevolg zijn, dat bij het verleenen dezer erfelijke onderscheiding eene zekere soberheid zoude moeten worden in acht genomen. De schets sprak in art. 15 dan ook alleen van graven, burggraven of baronnen, met recht van vererving alleen op den oudsten mannelijken nakomeling, het laatste een uitvloeisel van het gronddenkbeeld: vereeniging van adeldom en heerlijkheid.Dergelijke herstelling van het oude regime werd noch door de meerderheid der commissie, noch door de grondwet beoogd. De souvereine vorst zoude verheffen in den adelstand. Over de titels en de erfelijkheid werd gezwegen—en dit werden dus punten, die aan den souvereinen vorst werden overgelaten.Aan dien adel zoude geen ander politiek voorrecht worden toegekend dan de deelneming in de ridderschap; die ridderschap zoude geen ander recht meer hebben dan het recht om een gedeelte van de leden der provinciale staten te kiezen, terwijl den adel bovendien eenig uitzicht werd geopend op een evenredig aandeel onder het getal der leden van de Staten-Generaal (art. 58 der grondwet), een uitzicht, dat niet is verwezenlijkt. Maar van een herstelling der heerlijkheden in den zin van Hogendorp, zoodat de adel zoude worden het hoofd van het platte land, was, zooals wijstrakszien zullen, geen sprake. In de hoofdzaak werd dus door dezen adel het beginsel der gelijkheid inderdaad niet omvergeworpen. Niet alleen de eigenlijke edelen van de republiek, de friesche edelen, de groninger jonkers, de Roomsch-katholieke adellijkefamiliën door de revolutie van de 16de eeuw van het aandeel in het bestuur beroofd, niet alleen de vertegenwoordigers der patricische familiën van voorheen werden dit voorrecht deelachtig Ook vreemde adel opende den toegang tot dezen stand. Ja zelfs kinderen der revolutie, mits, zooals Schimmelpenninck, niet al te zeer gecompromitteerd, werden daarin opgenomen. De grondwet verdeelde dus de ingezetenen in wettelijk voorname en niet voorname leden der maatschappij.

Voor zoover die gouden regen nederdaalde op de leden der geslachten, die reeds van oudsher in de nederlandsche maatschappij uitstaken, was het niets anders dan door de wet te versterken, wat inderdaad reeds bestond. Maar die gunst daalde ook op anderen neer, die hunne voornaamheid dan uit de wettelijke onderscheiding zelve afleidden. Kan het staatsgezag dus de natuur vervangen? Wanneer men de geschiedenis van ons vaderland sedert 1813 beschouwt, dan kan moeilijk worden ontkend, dat het machtwoord der vorsten in staat is den onderdaan en zijne nakomelingen eene hoogere plaats in de samenleving te verzekeren, ook zonder dat verdiensten jegens het vaderland daarvoor een vereischte zijn.

Uit het oogpunt van den invloed der grondwet op de maatschappij wensch ik nog de aandacht te vestigen op een derde onderscheid, dat zal blijven bestaan, zoolang de koopman zijne pakhuizen niet opricht in het veld en de landman geen graan verbouwt op de marktpleinen. Wat was de positie, die de grondwet innam tegenover het onderscheid van stad en land?

Het onderscheid van stad en land. Wie schetst ons uit dit oogpunt den toestand van de republiek der Vereenigde Nederlanden? Wie stelt in 't licht watTocquevillevoor Frankrijk gedaan heeft, hoeveel de landbevolking aan de revolutie te danken heeft? Want dat, al zij het dan niet in die mate als in Frankrijk, ook bij ons de revolutie voor die bevolking veel goeds heeftgewrocht, valt mijns inziens niet te ontkennen. De stad, het stedelijk element was overheerschend in de republiek. Het landvolk zuchtte onder de heerschappij der heeren en waar, zoo als in Groningen, er geene heeren—in den zin van bezitters van heerlijkheden—bestonden, daar was toch langs een omweg door de afscheiding der bestuursrechten van den grond en de samenvoeging er van in enkele handen dezelfde, zoo niet een ergere toestand in 't leven geroepen. Het bestuur en de rechtspraak te platten lande waren onder de republiek bijna overal een rechtin commercio. Was de toestand er door verbeterd, dat vele dier heerlijkheden in 't bezit waren gekomen der welvarende steden en alzoo het platte land niet zelden opgeofferd werd aan hare bekrompene zelfzuchtige politiek? Ik gis van neen. De staatsregeling van 1798 (art. 24 Inleiding) had de pen gehaald door deheerlijke rechten—en zij waren sedert niet herleefd. Niet dat de belanghebbenden berust hadden in het beginsel van den nieuweren tijd, volgens hetwelk het gezag van den een over den ander alleen mag gegrond zijn in het belang van den laatste, en rechten van bestuur diensvolgens geen privaatrecht kunnen zijn. Immers even vóor de troonsbeklimming van Lodewijk—ja, nadat deze eigenlijk te Parijs reeds de regeering had aanvaard, had het wetgevend lichaam den 9den Juni 1806 eene wet uitgevaardigd, waarbij de heerlijke rechten voor een groot deel werden hersteld. Doch de overgang der regeering op koning Lodewijk en daarna de inlijving van ons vaderland bij Frankrijk deden de gunstige bepalingen dezer wet voor de heeren verloren gaan. De revolutie, en—het moge hard zijn dit te erkennen—de Fransche heerschappij hebben te weeg gebracht de emancipatie der plattelandsbevolking van den druk der heeren en der steden. Zoude die vrucht der revolutie blijven bewaard of zoude Neêrlands vrijheid voor die bevolking worden het sein tot hernieuwde onderdrukking?Het kan, helaas! niet worden geloochend, dat niet alleen een man als van Lynden,maar ook Hogendorp zich in die richting bewoog. Voor hem waren de steden de bron van den rijkdom en was de adel de grondslag van den militairen geest, en voor die beide alleen had hij oog255). Immers zouden—zooals het ook in de grondwet (art. 79) bepaald werd—de steden haren eigene regeering erlangen, een uitvloeisel van het door de ingezetenen te vormen kiezerscollegie (art. 40 der schets). En naast die steden stonden de adel en de ridderschappen, (art. 40 der schets.)De ambachtsheerlijkheden zouden worden hersteld (art. 45) en zoo zoude en in het bestuur en in de rechtspraak de adel herleven als hoofd van het platte land. Na overweging en nog eens herhaalde overweging kwam men echter tot het resultaat, dat, wat Hogendorp wilde, niet in te voeren was; dat het niet aanging het platte land geheel en al als een stiefkind te behandelen. Er waren slechts enkelen, die ten slotte het denkbeeld volhielden de gewestelijke vertegenwoordiging uit stad en adel alleen te doen samenstellen. Men wees niet alleen op de geheel veranderde omstandigheden, maar tevens daarop, dat vóor de revolutie niet overal de plattelandsbevolking was uitgesloten. Men wees op Friesland. Ja, men herinnerde aan stad en lande, waar geen adel deel aan het bestuur had gehad. De groote meerderheid was dan ook van oordeel, dat het platte land moest worden vertegenwoordigd. En wanneer men desniettegenstaande met 7 tegen 6 stemmen er voor terugdeinsde de bestanddeelen der provinciale Staten uitdrukkelijk in de grondwet op te nemen, dan was het, omdat men tegen de formuleering van deze zaak opzag;wellichtwas een enkele er ook tegen, omdat hij in de grondwet aan den adel niet overal een aandeel in de vertegenwoordiging wenschte te zien toegekend. De slotsom was, dat deregeling van dit punt bij art. 74 der grondwet aan den souvereinen vorst werd overgelaten. Z. K. H. werd echter met de zienswijze der commissie in kennis gesteld256). Overeenkomstig hetgeen de meerderheid der commissie wenschte, kon dan ook van Maanen in zijn rede over de grondwet namens den souvereinen vorst aan de notabelen mededeelen, dat naast adel en stad ook de landeigenaren in de Staten zouden worden vertegenwoordigd257). En evenmin was de regeling van de besturen ten platten lande een terugkeer tot het oude. De rechtspraak moest blijven wat zij na en door de revolutie geworden was, in alle opzichten een publiek recht, een uitvloeisel van het hoofd van den Staat, van den souverein. En wat het eigenlijke bestuur in engeren zin betreft, de grondwet gaf in art. 81 wel te kennen dat op het verkregen recht der belanghebbenden zoude worde gelet, doch bovendien èn op de bijzondere omstandigheden der heerlijkheden, districten en dorpen, èn op de belangen der ingezetenen; alles ten slotte afhankelijk van de latere regeling door de staten der gewesten te ontwerpen en door den souvereinen vorst te bekrachtigen.

Men keerde dus slechts ten deele terug tot den ouden toestand. Toch kan men niet ontkennen, dat van allen de plattelandsbevolking de minste redenen van dankbaarheid had voor de herstelling van 's lands onafhankelijkheid, die tot eene zekere hoogte gepaard ging met hare achteruitzetting. Het had erger kunnen zijn; het was toch reeds erg genoeg. En alsof de belanghebbenden vreesden, dat zij op de invoering der grondwet te lang zouden moeten wachten, of dat, hoe meer men tot bezinningkwam, er minder kans op herstel hunner privilegiën zoude zijn,—zij wisten den souvereinen vorst te verleiden,bijbesluit van 26 Maart 1814de heerlijke rechten voor een deel weder te doen herleven. Een besluit, waarbij, in strijd met het beginsel vande vrijheidvan den grond, het recht van jacht en visscherij hersteld werd; waarbij, in strijd met de vrijheid van godsdienst, het recht van collatie weder werd in 't leven geroepen: waarbij eindelijk, in strijd met het beginsel dat niemand gezag over een ander mag uitoefenen, dan in 't belang van dezen, de voordracht voor aanzienlijker en de begeving van geringer betrekkingen weder aan de voormalige heeren teruggegeven werd. Wanneer men bedenkt, dat dit besluit door den souvereinen vorst genomen werd in de laatste ure der door den nood van het oogenblik hem opgedragen onbeperkte macht, zoodat het zelfs eerst na de aanneming der grondwet werd afgekondigd, dan gelooven wij niet te overdrijven, wanneer wij dit besluit eene zwarte bladzijde noemen in de geschiedenis van dien vorst, en dan bevreemdt het ons, dat die zaak in die dagen geen aanstoot heeft gegeven; althans schijnt daarvan niets bekend te zijn geworden. Eerst in 1848 konden de bepalingen van dit besluit voor zoover tot het bestuur betrekkelijk weder worden opgeheven; voor het overige wordt het platte land nog door den inhoud van het besluit gedrukt.

Ik besprak den godsdienst, den adel, het platte land. Behoudens eenige door mij aangestipte punten, was men niet teruggekeerd tot den ouden tijd. Ik kan dus ook zwijgen over de Generaliteitslanden. De beslissing over den godsdienst en over het platte land moest van zelf leiden tot de gelijkstelling van de Generaliteitslanden met de overige deelen des Rijks.

De revolutie had dus niet te vergeefs gewerkt.

Wanneer wij naar de verklaring van dit feit zoeken,dan komt ons allereerst de opmerking voor den geest: niet alles is mogelijk wat men zoude wenschen. Ook zij, die de vergaderzaal der commissie als blinde voorstanders eener restauratie waren binnengetreden, zullen die niet hebben verlaten zonder de overtuiging te hebben gekregen, dat in de vervlogen achttien jaren veel te niet was gegaan, wat reeds in 1795 op sterven lag en wat onmogelijk weder kon worden hersteld. Hoe zoude een adel, die door zijne bezittingen het hoofd was van het platte land, kunnen worden geschapen? Maar bovendien waren de leden der commissie, die de geschiedenis van dit tijdvak slechts als toeschouwers hadden doorleefd, niet de meerderheid. Heerdt, van Lynden, van Tuyll van Serooskerken, van der Duyn behoorden daartoe. Ook Hogendorp. Doch deze had toch met zijnen geest de ontwikkeling der gebeurtenissen nauwkeurig gevolgd,—het zoude voor koning Lodewijk zelfs weinig moeite gekost hebben, hem deel te hebben doen nemen aan het bestuur; hij was bovendien te scherpzinnig, om door de beraadslagingen der commissie niet te worden overtuigd, dat veel van het oude, veel van hetgeen ook hij oorspronkelijk nog wilde, moest worden opgeofferd aan de denkbeelden en omstandigheden van den nieuweren tijd. En naast die leden stonden Humalda, van Imhoff, Repelaer, Röell, Elout, die, hoewel niet als Heerkens en van Maanen kinderen der revolutie, toch den lande in dat tijdvak in hoogere en lagere staatsbetrekkingen hadden gediend en de waarde van de nieuwe beginselen van staatsbestuur zoo al niet hadden leeren inzien, althans daaraan waren gewoon geraakt. Vooral zij, die in 1795 op jeugdigen leeftijd waren—zooals Elout, Röell, van Imhoff, van der Duyn, moesten reeds van den aanvang af van het onmogelijke eener volledige restauratie doordrongen zijn.


Back to IndexNext