Chapter 8

Bij dit alles kwam het belang van den souvereinen vorst. Eene herstelling van het oude was, met het oogop zijn lievelingsdenkbeeld, te heerschen over noord en zuid, eene ongerijmdheid. Op het stuk van den godsdienst was dit duidelijk, en dat hij dit aldus inzag, is zeker. Maar ook afgezien van de vereeniging met België, zoude eene herstelling der oude aristocratie met hare heerschappij te platten lande, even als eene restauratie der stedelijke oligarchie, voor hem zijn geweest eene bron van voortdurende tegenkanting en belemmering. Hoewel ik alleen van dezen invloed van den souvereinen vorst op het stuk van den godsdienst het bewijs kan leveren, zoo laat het zich aannemen, dat hijook op andere puntenin den geest der nieuwe beginselen op de leden der commissie heeft gewerkt. Hij was verstandig genoeg, om in te zien dat—nu hij eens souverein was—het voor hem een groot voordeel moest zijn, dat er tusschen zijne onderdanen gelijkheid van rechten bestond, zoodat hij met een krachtige hand, door geene aristocratie of oligarchie gedwarsboomd, over hen kon regeeren.

En dit brengt ons als van zelf tot de beschouwing van den regeeringsvorm der weder opgestane Nederlanden; de hoofdtrekken daarvan moesten worden opgenomen in de grondwet.

De blijde boodschap(hiervóór, bl. 115). De scheiding tusschen Kerk en Staat was uitgesproken bij decreet der eerste Nationale Vergadering van 5 Aug. 1796. Deze gewichtige uitspraak werd eerst langzamerhand in hare gevolgen gekend.De staatsregeling van 1798 bevat, als poging tot belichaming, het volgende. „Elk burger heeft de vrijheid, God te dienen naar de overtuiging van zijn hart” (art. 19). „Geene burgerlijke voordeelen, of nadeelen, zijn aan de belijdenis van eenig kerkelijk leerstelsel gehecht” (art. 20). „Elk Kerkgenootschap zorgt voor het onderhoud van zijnen eeredienst, deszelfs bedienaren en gestichten” (art. 21). Bij de additioneele artikelen werd bepaald, dat de predikanten der voormaals heerschende Kerk gedurende drie jaren na de aanneming der staatsregeling de gewone tractementen uit 's lands kas zouden blijven genieten,„ten einde de gemeenten in dien tusschentijd de noodige schikkingen maken tot derzelver verdere bezoldiging” (art. 1); dat alle geestelijke goederen en fondsen, waaruit te voren die tractementen waren betaald258), nationaal werden verklaard, om na verloop van die drie jaren te worden aangelegd „tot een vast fonds voor de nationale opvoeding, en tot verzorging der behoeftigen” (art. 4); dat alle andere goederen, bij gift, erflating, inzameling of aankoop door eenig kerkgenootschap verkregen, aan hetzelve bleven verzekerd (art. 5); dat de kerkgebouwen en pastorieën der voormaals heerschende Kerk ter beschikking werden gesteld van ieder plaatselijk bewind, om deswege binnen de zes maanden na de aanneming der staatsregeling een vergelijk te treffen op dezen voet, dat de onderscheiden kerkgenootschappen, naar verhouding van het aantal harer leden, de voorkeur zouden hebben omtrent de naasting der gebouwen, onder verplichting van een matige uitkeering, in eens of bij termijnen, aan de andere kerkgemeenten (art. 6).Deze bepalingen onderstelden een vermogen tot zelfhervorming bij de onderscheiden kerkgenootschappen, en een mate van onderlinge verdraagzaamheid, die blijkens de ondervinding met de staatsregeling van 1798 opgedaan, in de verste verte niet bestonden. Al dadelijk lieten de additioneele artikelen onbeslist, hoe het voortaan met de beroeping van predikanten zou gaan, en met de velerlei bijzonderheden van kerkelijk bewind, waarbij tot dusver het openbaar gezag een min of meer actieve rol had vervuld. De geest (niet de uitgedrukte letter) der Staatsregeling liet dit alles aan de voormaals heerschende kerk zelve over, die evenwel volstrekt niet in staat bleek, aanstonds op eigen wieken te drijven. Een schromelijke verwarring in de kerkelijke huishouding was het gevolg; ettelijke gemeenten kwamen weder bij den Staat terecht om hulp, maar werden afgewezen bij besluit van het Vertegenwoordigend Lichaam van 8 April 1800, dat „de keuze van kerkelijke ambtenaren, overeenkomstig den geest der Acte van Staatsregeling, ter dispositie van ieder Kerkgenootschap in den zijnen” overliet. De uiterst weinig gepreciseerde bepaling omtrent het verdeelen der kerkgebouwen gaf bijna overal aanleiding tot hoogloopende geschillen; de plaatselijke besturen wisten niet waaraan zich te houden, en meestal handhaafden zich de hervormden in hun bezit259).Ook leek het er niet naar dat hunne gemeenten na verloop van drie jaar schikkingen zouden hebben getroffen tot voldoende bezoldiging der predikanten. Om uit het moeras te geraken stelde men bij de staatsregeling van 1801 vast, dat ieder persoon, den ouderdom van veertien jaren bereikt hebbende, zich moest doen inschrijven bij een Kerkgenootschap. „Voor ieder Kerkgenootschap wordt van de alzoo ingeschreven leden tot onderhoud van deszelfs dienaren en eigendommen eene jaarlijksche gift gevorderd, niet te boven gaande een zekere bepaalde som, achtervolgens hetgene aangaande dit een en ander bij de wet nader zal worden vastgesteld” (art. 12). Tot deze wet zal zijn tot stand gekomen, zouden de leeraren der voormaals heerschende kerk, die bij de aanneming der staatsregeling in dienst waren, hunne tractementen nog uit 's lands kas genieten (art. 14). Wat de gebouwen en goederen betreft, bleef ieder kerkgenootschap onherroepelijk in het bezit van wat het op 1 Jan. 1801 had bezeten (art. 13); eene bepaling zeer in het voordeel der hervormden, die, op enkele plaatsen als den Bosch na, ook waar zij ver in de minderheid waren, de gebouwen nog niet aan andersdenkenden hadden afgestaan. Het wederinrichten trouwens van oude kerkgebouwen voor den Katholieken eeredienst was geen geringe zaak, en daar hun bovendien bij overneming een slecht omschreven uitkeeringsplicht boven het hoofd hing, en daarbij de mogelijkheid van allerhande chicanes, werd het nieuwe artikel ook door de Katholieken zonder veel morren aanvaard. Onuitvoerbaar bleek echter de hoofdbepaling van 1801: de invoering eener verplichte kerkelijke belasting. De hervormden waren er vuur vlam tegen, en men had, wilde men de zaak doorzetten, tal van reclames op grond van art. 13 te verwachten, daar het van een aantal kerkelijke goederen en fondsen hoogst twijfelachtig mocht heeten, in welken rechtstoestand zij zich op 1 Jan. 1801 hadden bevonden. En voor de kleinere protestantsche genootschappen en de katholieken was het artikel niet noodig: zij voorzagen immers van oudsher in eigen behoeften, en bleven dit doen zonder dat de Staat er zich mede bemoeide.De staatkundige reactie van 1801 en 1802 bracht personen in het bestuur, die over het geheel de Hervormde Kerk beter gezind waren dan de voorgangers van 1798; men liet dus de kerkelijke belasting rusten, en handhaafde den provisioneelen toestand, die den hervormden het genot der predikantstraktementen verzekerde. Intusschen vond het beginsel der volstrekte scheiding van Kerk en Staat reeds weinig aanhangers meer. Het voor de regeering uit een oogpunt van handhaving der publieke orde nog altijd verreweg gewichtigste kerkgenootschap, het Hervormde, bleek tegen de taak van volledig zelfbestuur in het geheel niet opgewassen, en aan de genootschappen dieer wel toe opgewassen waren gunde de Staat toch eigenlijk het volle zelfbestuur niet. Wel desnoods aan de kleinere protestantsche genootschappen, in wier toestand door de Revolutie (afgezien van het verwerven der burgerlijke rechten voor hare leden) eigenlijk weinig verandering gekomen was;—maar, vooral sedert de invoering van het Concordaat in Frankrijk, wekte de tegen de toestanden daarginds zoo sterk afstekende volkomen onafhankelijkheid van het Nederlandsche Katholicisme bedenking.De Revolutie had in den toestand der Katholieken een inderdaad radicale verandering gebracht. Te voren alleen geduld, aan recognitiën en afpersingen blootstaande, afhankelijk in de toelating hunner priesters, in de plaatsing en inrichting hunner kerkgebouwen, in beginsel onvrij zelfs in de uitoefening van hunnen eeredienst, waren zij op eenmaal in volle vrijheid gesteld; eene vrijheid die zij zich ook volkomen waardig toonden. Echter bleef hunne kerkinrichting zooals die ten tijde der verdrukking was geweest: de geestelijken hadden het karakter van missionarissen, stonden in geen vast geordend plaatselijk verband tot elkander, waren ondergeschikt aan eensuperior missionis Batavaedie buitenslands (tot 1794 te Brussel, thans te Munster) verblijf hield. De regeering, den grooten invloed der geestelijken op hunne kudde, ook in zaken van wereldlijken aard, dagelijks bespeurende, vond niemand om tot te spreken. Met het voorbeeld van Frankrijk voor oogen, kwam zij al spoedig tot het denkbeeld eener door het Staatsgezag te erkennen organisatie der Katholieke kerk in Nederland, eene zaak waartoe van der Palm, als voorzitter van den Raad van Binnenlandsche Zaken onder de staatsregeling van 1801, het eerste ontwerp gevormd heeft,260)en waarop navolgende regeeringen nog dikwijls terug zouden komen. Hing dus eenige verkorting der nieuw verworven vrijheid den Katholieken boven het hoofd, ook in andere opzichten begonnen de tijden voor hen te veranderen. In de staatkundige lichamen van 1796 en 1798, uit de volkskeuze of liever uit die der patriotsche partij voortgekomen, waren zij ruim vertegenwoordigd geweest, maar bij de benoemingen van 1801 en 1802, van het Staatsbewind uitgaande, ging men hen, althans in de oude zeven provinciën, bijna geheel voorbij, en het eenige Katholieke lid van het Staatsbewind zelf werd bij zijn aftreden in 1803 niet door een geloofsgenoot vervangen.Tot welk resultaat de praktijk der beginselen van 1798 ten aanzien der verhouding van Kerk en Staat voorloopig leidde, ziet men uit de artikelen betreffende deze zaak in de Staatsregelingen van 1805 en 1806. „De materie zoo gecompliceerd zijnde,” schrijft van der Palm kort vóór de Staatsregeling van 1805, „is het onmogelijk deswegens één algemeen werkende maatregel voor te stellen, en moet alleen de weg worden opengelaten, om daaromtrent al datgene door den Staat te doen verrichten, wat het algemeen welzijn vordert.” In overeenstemming met deze leer bepaalt de Staatsregeling van 1805, dat „het gouvernement zoodanige maatregelen neemt, welke de bijzondere omstandigheden der Kerkgenootschappen, met betrekking tot de openbare rust en algemeene welvaart, vereischen,” en die van 1806 nog strenger: „door het gezag van Koning en Wet wordt bepaald al hetgeen noodzakelijk geoordeeld wordt betreffende de organisatie, de bescherming, en de uitoefening van alle eerediensten.”In 1798 dus volledige vrijheid, aan de Hervormden na ontneming hunner bijzondere voorrechten opgedrongen, aan de anderen gelaten of verleend; in 1801 bedreiging met staatsdwang, om van die vrijheid het door den staat beoogde gebruik te maken; in1805en '06 afkondiging eener staatsvoogdij.Een der doeleinden der regeering van Lodewijk Napoleon was de invoering in Nederland van het Katholiek episcopaat op den Franschen voet. Hij trad al spoedig met zijn minister Mollerus omtrent die zaak in overleg, die hij evenwel behandeld wenschte te zien als onderdeel eener algemeene wetgeving in zake de eerediensten. De aangelegenheid, die heel wat voeten in de aarde bleek te hebben, is niet verder gebracht dan tot het door Tellegen vermelde decreet van 2 Aug. 1808, dat de hervormde predikanten in het genot hunner tractementen handhaaft, doch bepaalt dat ook aan de geestelijken van andere gezindten in het vervolg staatstractement zal worden toegelegd; de kerkelijke goederen en fondsen thans onder publieke beheering, waaruit tot dusver tractementen aan de geestelijken werden betaald, gaan over aan de publieke schatkist; ten aanzien van de kerkgebouwen zullen schikkingen plaats hebben, welke het „meest overeenkomen met de gesteldheid der onderscheidene godsdienstige gezindheden in iedere stad of plaats;” geestelijken kunnen niet benoemd worden tot leden der commissiën van toezicht over het openbaar onderwijs, of van eenig wereldlijk armbestuur.Met de toepassing van dit een en ander is het tijdens 's Konings regeering niet heel ver meer gekomen. Op de begrootingen van 1809 en 1810 komen inderdaad matige sommen voor ten behoeve van het katholieke en van het luthersche kerkgenootschap261);hier en daar is een leegstaand kerkgebouw (als de Sint-Walburg te Arnhem) aan de katholieken ingeruimd; consuleerende commissiën uit de geestelijken der verschillende kerkgenootschappen werden ingesteld om door de regeering bij het ontwerpen der door den Koning aan ieder genootschap te geven organisatie te worden geraadpleegd. De katholieke commissie adviseerde o.a. tot oprichting van staatswege van gymnasia en van een hoogeschool uitsluitend voor katholieke jongelieden bestemd, terwijl de opleiding van aanstaande geestelijken geheel buiten staatsinmenging zou blijven. De opvolgende ministers van eeredienst, Mollerus en van der Capellen, bestreden dit denkbeeld, en laatstgenoemde stelde voor, liever de theologische faculteit aan een der bestaande hoogescholen aan de katholieken in te ruimen, waarbij dan tevens een onder staatstoezicht geplaatst collegium kon worden opgericht voor de hoogere opleiding der aanstaande geestelijken. Deze zaak, die zoo brandend zou worden onder de regeering van Willem I, kwam onder Lodewijk niet tot afdoening; evenmin de in wording zijnde organisatie van het hervormde kerkgenootschap, die later eveneens Willem I zich zou aantrekken.Al deze inmenging in kerkelijke zaken geschiedde niet zonder eenige bezorgdheid op te wekken, vooral bij hervormden maar ook bij katholieken. Kort na de publicatie van het decreet van 2 Aug. 1808 werd door den predikant te Velzen in bedekte termen 's Hemels straf over den koning ingeroepen; terzelfder tijd verscheen eene „Brevis disquisitiocirca constitutionale obedientiae et fidelitatis juramentum regni Hollandici: ik zweer gehoorzaamheid aan de constitutie en getrouwheid aan den Koning”, waarin aan het gouvernement de invloed in kerkelijke zaken, waarop het aanspraak maakte, betwist, de gelijke bescherming aan alle godsdiensten verleend als misdadig voorgesteld, en derhalve het afleggen van dezen eed voor katholieken ongeoorloofd genoemd werd. Kleine voorboden van het verzet dat de suprematie welke het staatsgezag zich over de kerk inal haarbetrekkingen toegekend had, in de toekomst zou opwekken. Maar de groote meerderheid zag toen in die suprematie volstrekt geen kwaad, en juichte het toe dat de eenige macht die daartoe in staat scheen, orde stellen ging op de sedert 1795 zoo hopeloos in het wilde geloopen kerkelijke zaken.De Koning verzuimde niet, van tijd tot tijd katholieken in ambten te brengen en daarmede de uitsluiting, die de wet had opgeheven, ook metterdaad te niet te doen. Na eenigen tijd komen katholieken voor in het ministerie, in den staatsraad, in hofbetrekking of bij hetkabinet des Konings, in gewestelijke en gemeentelijke bestuursposten ook boven den Moerdijk. Redacteur derKoninklijke Courantwerd na eenigen tijd een Jood (J. D. Meyer), referendaris aan het ministerie van eerediensten een andere Jood (C. Asser.) Voor het overgroote deel waren deze benoemingen zoo wel gegrond, dat men er onmogelijk aanstoot aan nemen kon.De maatschappelijke verheffing der Joden maakte in dezen tijd groote vorderingen. Ook te hunnen aanzien had de Revolutie wel het groote beginsel van gelijkheid uitgesproken,262)maar was de practijk ver achtergebleven bij de wet. Gedeeltelijk lag dit aan den onwil der Joden zelf, waarvan de meerderheid nog angstvallig aan oude gebruiken vasthield. Het uitverkoren volk mocht niet in de ééne en ondeelbare natie ondergaan. De meer ontwikkelde Joden, die deel verlangden aan het openbare leven, werden aanvankelijk door hunne geloofsgenooten verloochend en uitgestooten. Vooral te Amsterdam was het in de Hoogduitsche synagoge tot groote oneenigheid gekomen; de liberale Joden scheidden zich af en vormden een eigen godsdienstige gemeenschap. Ook in Frankrijk was het vraagstuk van de opneming der Joden in het burgerlijk leven in dezen tijd aan de orde van den dag. Op verlangen van Napoleon kwam te Parijs in December 1806 het Groot Sanhedrin bijeen, gevormd door afgevaardigden van de synagogen in het Fransche keizerrijk en het koninkrijk Italië, en dat ook door drie vertegenwoordigers der liberale Joden te Amsterdam werd bijgewoond. Het Groot Sanhedrin besloot onder meer, dat een Israëliet in Frankrijk of het koninkrijk Italië geboren en opgevoed, godsdienstig verplicht was die rijken als zijn vaderland te beschouwen, ze te helpen verdedigen, en zich in al zijn maatschappelijke betrekkingen naar de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek te gedragen. Tevens werden de geloofsgenooten in andere landen vermaand, zich door dezelfde beginselen te laten leiden en met hunne Christen-medeburgers als broeders te leven. Op uitnoodiging van Koning Lodewijk kwam eerlang tusschen de orthodoxe en de liberale leden der Hoogduitsche synagoge te Amsterdam eene hereeniging tot stand, die door een koninklijk goedgekeurd reglement bevestigd werd. Voorts werd bij een koninklijk besluit van 17 Dec. 1808 een opperbestuur over de gezamenlijke Hoogduitsche Israëlieten van het Koninkrijk ingesteld, waarin de liberale elementen ver de overhand hadden, en dat op velerlei gebied de aansluiting der Joden aan de hen omringende burgermaatschappij krachtig bevorderde.De eerediensten onder het Keizerrijk(hiervóór, bl. 116). De negendetitel van het groote decreet van 18 Oct. 1810 handhaaft den bestaanden toestand. Daarentegen bepaalt een decreet van 29 Oct. 1811: „en 1812 tous les cultes seront organisés en Hollande conformément aux lois de l'Empire”. Eene commissie, uit geestelijken van verschillende gezindten bestaande, zal te Amsterdam bijeenkomen onder voorzitterschap van een Keizerlijk commissaris, om de nieuwe organisatie der kerkgenootschappen voor te bereiden en een ontwerp te maken van kerkelijke indeeling. De commissie werd benoemd 24 Jan. 1812; zij bestond uit een katholiek263), een jansenist264), twee nederduitsch hervormden265), een waalsch hervormde266), een remonstrant267), twee lutherschen268)en een doopsgezinde269). Keizerlijk commissaris werd de intendant van binnenlandsche zaken d'Alphonse. De Joden liet men er buiten, omdat de Fransche wetten op het Joodsche kerkbestuur reeds in Holland waren afgekondigd en zonder bezwaar bleken te worden toegepast, zoodra men toegegeven had dat de Portugeesche Joden hun eigen synagoge behielden.Lebrun had de leden uitgezocht en ze zoo meegaand mogelijk genomen; daarom had hij zorg gedragen dat er geen enkel dienstdoend nederduitsch hervormd predikant in kwam: „parmi les ministres réformés hollandais, il n'y en a pas beaucoup avec lesquels ou puisse aisément traiter”. Hij wist dat het den Keizer, behalve om de invoering van het Concordaat, vooral om bezuiniging te doen was: de protestanten moesten tot één of ten minste tot weinige genootschappen worden vereenigd onder een centraal bestuur dat geheel van den Staat zou afhangen; hij wist ook, dat het hoogst onstaatkundig zou zijn dit te willen doordrijven. „Les réformés hollandais sont tout hollandais; n'en connaissent que le langage et les mœurs; ils n'ont de communication qu'avec la classe très moyenne de la société, et aucune influence sur le reste. Ils ne voudraient pas être sous la suprématie des wallons: par conséquent, de ce côté, il n'y a que désordre à attendre, et une discorde à laquelle le peuple prendrait part. Le wallon, plus français, se pique d'une éducation plus distinguée, de liaisons plus élevées, d'une façon de vivre et de converser plusélégante: il y a plus de tendance vers notre caractère et nos goûts. Ceux qui se piquent d'esprit et de bien vivre vont à leurs prêches, et à mesure que notre langue se répandra, on ira davantage. Il y a donc politique et avantage à ne pas faire une fusion entière, à laisser les églises séparées, à reconnaître aux uns et aux autres des églises consistoriales”.270)De remonstranten bij de hervormden in te lijven zal den hartstocht der smalle gemeente gaande maken; zij zijn zóó weinig in getal, dat het veel eenvoudiger is hen te laten bestaan: zij zijn voor het gouvernement geheel onschadelijk. Ook de doopsgezinden moet men liever ontzien: „ils ont des principes plus libéraux et plus larges que les calvinistes. Leur nombre va en augmentant, et si on les laisse faire, ils pourront absorber une grande partie du culte protestant.” De lutherschen in Holland met die in Oostfriesland (welke Duitsch spreken) onder één bestuur te brengen, zal niet lukken: „l'Ems oriental est mal disposé pour tout ce qui leur vient de la Hollande”. Een gedwongen vereeniging der hersteld- met de evangelisch-lutherschen is evenmin raadzaam: „ces gens-là se haïssent cordialement, et je ne crois pas qu'ils se réunissent”. Maar de hersteld-lutherschen zijn zóó weinig talrijk, dat zij in het geheel niet van een erkend bestuur behoeven te worden voorzien: „on pourra ne pas reconnaître leur existence”. Hetzelfde beveelt Lebrun aan voor de Engelsche en Schotsche gemeenten. Ook voor de Jansenisten: hun bezittingen en seminarie kan men aan de Katholieken geven, hun eenigen bisschop naar Frankrijk verwijderen en op pensioen stellen; „tout le reste serait censé perdu dans le grand troupeau des catholiques, et s'y éteindrait sous la loi du silence. Puisque les jansénistes veulent être des catholiques, il faut qu'ils soient mêlés avec la majorité”. Wat de Katholieken zelf betreft, vindt Lebrun het ongeraden, den bisschop of de bisschoppen die Z. M. hun wil geven, in Holland te laten resideeren: „peut-être il en résulterait des inconvéniens. L'évêque de Bois-le-Duc pourrait l'être de la Hollande”.271)Bij de redactie van het decreet van 24 Jan. 1812 was met Lebrun's bezwaren eenigermate rekening gehouden; de keizerlijke commissaris zou, naarmate hij het gewenscht oordeelde, de commissie òf in haar geheel kunnen raadplegen, òf over de zaken van ieder genootschap in het bijzonder slechts de leden die tot dat genootschap behoorden. D'Alphonse verkoos het laatste, en liet aan den ambtenaar J. D. Janssen,gewezen chef van divisie bij het Hollandsche ministerie van eerediensten, het beraad met de afzonderlijke leden geheel over.—Cramer verlangde voor de katholieken bisdommen te Utrecht en Groningenenoverdracht van verschillende kerkgebouwen272).—Van Os, voor het handjevol Jansenisten, kwam met onmogelijke eischen: herstel van alle bisdommen van 1559 (Utrecht (aartsbisdom), Haarlem, Leeuwarden, Groningen, Deventer, Middelburg); de aartsbisschop en bisschoppen door de kapittels te kiezen. Zijn stuk werd zonder meer ter zijde gelegd.—De Remonstranten, Doopsgezinden, Lutherschen, verzochten behoud hunner zelfstandigheid; evenzoo de Waalsch-Hervormden het behoud eener afzonderlijke positie in het Hervormde Kerkgenootschap.—De Nederduitsch-Hervormden deden een poging aan de strenge bepalingen der kerkorde, door den Keizer aan hunne geloofsgenooten in Frankrijk verleend, te ontkomen. Zij verzochten voor Holland één consistoriale kerk per kanton, mits dit kanton 3000 of meer Hervormden telde; er zouden dan toch nog 300 predikantsplaatsen komen te vervallen. Verder verzochten zij verzekering der bestaande tractementen, en behoud van de bestaande inrichting der diaconieën.D'Alphonse hield in zijn rapport met de geopperde wenschen rekening. Hij achtte één Katholiek bisdom (te Utrecht) voldoende; de meeste eischen der katholieken ten opzichte der kerkgebouwen werden afgewezen. De denkbeelden van het Hervormde rapport nam hij grootendeels over. De tractementen stelde hij voor te bepalen op een som, de in Frankrijk geldende bedragen met ⅕ te boven gaande; de pastoralia zouden op een hoop worden geworpen en daaruit alle tractementen worden voldaan; voor zoover zij daartoe niet toereikend waren zou de Staat de middelen moeten aanwijzen.Dit rapport van d'Alphonse was gereed in Aug. 1812; hij gaf er toen kennis van aan Lebrun, die nog veranderingen voorsloeg: geen bisdom in Holland; aan de predikanten die thans inkomsten uit pastoralia genoten, deze verzekerd voor hun leven; de scheiding tusschen Hollandsche en Oostfriesche Lutherschen beter door te voeren, en niet te spreken van de diaconieën: „elles appartiennent au secours public, et je ne crois pas qu'il soit dans l'intention de l'Empereur delaisser à chaque culte l'entretien de ses pauvres.”273)D'Alphonse bracht van deze vier wijzigingen de twee minst gewichtige aan, al vreesde hij dat die omtrent de pastoralia geen genade zou vinden te Parijs. Het ééne bisdom behield hij, om ten minste niet alle eischen der Katholieken af te wijzen, en van de diaconieën te zwijgen scheen hem niet wel mogelijk: „Depuis longtems je pense comme V. A. que difficilement S. M. maintiendra les diaconies dans la charge de soulager leurs pauvres respectifs, et que probablement ces pauvres seront mis à la charge des administrations communales. Mais de toutes les propositions que j'aurais pu faire, c'était celle qui aurait affligé davantage et qui aurait le plus mécontenté: j'ai donc cru devoir m'en abstenir.”Eind Aug. 1812 werd dan nu het rapport naar Parijs verzonden, waar het liggen bleef zonder dat men er verder iets van vernam. De Keizer was te velde, en bovendien, zoo lang hij zich niet met den Paus had verzoend274)was de invoering eener katholieke hiërarchie in Holland een onbegonnen werk. Wat omtrent de Protestanten was voorgesteld had mede geen haast en werd in studie gegeven aan den chef der afdeeling voor den niet-katholieken eeredienst te Parijs,Darbaud, die er vrij wat op aan te merken had en de Fransche kerkorde letterlijk wilde zien gevolgd. Onderwijl bleef alles voorshands op den ouden voet, maar met ééne, voor de betrokkenen uiterst gevoelige uitzondering.Toen de Fransche staatsbegrooting voor 1811 in voorbereiding was, had de minister van eerediensten,Bigot de Préameneu, daarop de volle som uitgetrokken waarop volgens de inlichtingen der Hollandsche gedeputeerden voor tractementen aan godsdienstleeraars in Holland moest worden gerekend, te weten 2.450.000 francs, zijnde het bedrag, dat op de Hollandsche begrooting voor 1810 voorkwam, verminderd met de tractementen der leeraars in het bij tractaat van 16 Maart 1810 afgestane grondgebied. De Keizer had evenwel de gansche som van de begrooting geschrapt, zeggende dat de burgerlijke gemeenten deze uitgaven in Holland moesten dragen. Hij verzuimde echter dezen wil in een decreet uit te drukken, en nu geschiedde er ... niets. Een merkwaardig voorbeeld van de stroefheid der hooggeroemde Fransche administratie, zoodra er bij den Keizer, die toch ook mensch bleef, iets haperde; en dit kwam tegen het eind zijner regeering hoe langer zoo meer voor. Niemand die zich dan verantwoordelijk voelde of een hand verlei zoolang die niet door een bevel der hoogere autoriteit in beweging werd gezet. Het eenekwartaal na het andere verliep, zonder dat de Hollandsche predikanten een duit uit de schatkist ontvingen. Lebrun hield niet op den Keizer en den minister om voorziening te verzoeken; de Keizer antwoordde niet; de minister wel, maar enkel om te zeggen dat hij geen orders had, en Lebrun's brieven aan den Keizer voorlegde. Dan schrijft Lebrun nogmaals aan den Keizer, en dringender: „Les pasteurs réformés sont aux abois; on m'assure qu'il en est qui mendient leur pain, ils n'ont point comme les prêtres catholiques de ressources dans le zèle de leurs fidèles. Les protestans sont durs comme leur religion, et d'ailleurs les biens des églises ont été rendus à l'Etat.275)Je supplie encore une fois V. M. de vouloir bien peser ces circonstances dans sa justice, dans sa bonté, dans sa politique” (18 April 1811). De Keizer antwoordt verbaasd; de burgerlijke gemeenten zouden immers de godsdienstleeraars betalen? „C'est ainsi que cela a été arrêté au budget” (21 April 1811). „On ne connaît point ici”, antwoordt Lebrun, „l'article du budget quiprescritcette disposition. V. M. jugera sans doute qu'elle doit être publiée” (25 April 1811). Er volgt niets. Den 2den Juli bericht eindelijk de minister Bigot, dat hij zich tot een herinnering aan den Keizer vermand heeft: „que S. M. avait bien annoncé l'intention que le traitement du clergé fût à la charge des communes, mals qui il n'y avait point eu de décret pour ordonner et régulariser cette mesure”. Deze herinnering wordt door den Keizer om advies gezonden aan den Staatsraad. Den 18den October schrijft Bigot, dat de Staatsraad geadviseerd heeft dat deze uitgaven in geen geval ten laste der burgerlijke gemeenten kunnen komen; ook Lebrun had zich in denzelfden zin uitgelaten. Desniettemin beslist de Keizer bij decreet van 29 Oct. 1811 (gegeven op het Loo), dat de burgerlijke gemeenten gehouden zijn ⅟15van hun jaarlijksch inkomen in de centrale agentuur der schatkist te Amsterdam te storten tot een bijzonder fonds, waaruit de tractementen der godsdienstleeraars zullen worden voldaan; „il faut soulager”, heet het in een 19 Oct. te Amsterdam gegeven keizerlijk dictaat, „il faut soulager le trésor de cette dépense qui est bien considérable”276)Den 30sten Dec. is het decreet van 29 Oct. eindelijk in handen van d'Alphonse die het aan de prefecten zenden kan ter uitvoering; ondertusschen is het geheele jaar 1811 verloopen. Maar die uitvoering blijkt zulk een gemakkelijke zaak niet: de gemeentekassen zijn er niet op voorbereid, en 20 Juni 1811 moet d'Alphonse, op een vraag van Lebrun, antwoorden dat er nog geen uitkeering aan de predikanten mogelijk is geweest, wel te verstaan op hun tractementover 1811! Wel is er iets gestort, maar lang niet genoeg; trouwens al ware geen der gemeenten nalatig geweest (Amsterdam b.v. heeft nog niets kunnen storten omdat het in werkelijkheid de som niet voorhanden heeft), dan zou het geheele bedrag nog niet de helft van het verschuldigde uitmaken! In Dec. 1812, als Napoleon uit Rusland terugkeert, wacht Lebrun hem met het bericht op dat de predikanten thans ⅓ van hun traktement over 1811 ontvangen hebben, en nog niets over 1812. „Si j'avais eu quelque pouvoir,” luidt de karakteristieke bijvoeging, „nous aurions trouvé des moyens dans la bonne disposition des Hollandais. Les ministres ont été sages au milieu de leur déuvement, et ils méritent les bontés V. M.” Nog eens 31 Maart 1813: „Je supplie V. M. de s'occuper du traitement des ministres du culte en Hollande: la justice leur est due, et ils la méritent par leur résignation. Jusqu'ici ils n'ont véritablement donné lieu àaucuneplainte, et leurs réclamations ont toujours été calmes et respectueuses. J'ai adressé à M. le ministre des cultes un projet de décret qui compléterait les traitemens de 1811 et de 1812, qui pourrait encore être adopté pour 1813 et jusqu'à V. M. puisse s'occuper de l'organisation du culte dans ces départemens”.—Geen antwoord; de Keizer heeft dringender zaken aan het hoofd. Den 12den Juni 1813 vraagt de Friesche prefect Verstolk aan d'Alphonse, of de tractementen mogen worden omgeslagen over de hervormde gemeenteleden, op voorwaarde van terugbetaling zoodra het gouvernement gereed is? Antwoord: alles moet blijven bij vrijwillige bijdragen zonder inmenging van den prefect. In Juni en Juli 1813 komt eindelijk weer iets beschikbaar, maar nog minder dan verleden jaar: 600.000 francs!... Wat ruime zucht van verlichting zal er in menige pastorie geslaakt zijn, toen de Souvereine Vorst, bij besluit van 19 Jan. 1814, de betaling der tractementen uit 's lands kas, als tot 31 Dec. 1810 gebruikelijk, herstelde!277)Dat overigens de Vorst van den aanvang af niet vreemd was van het denkbeeld, de kerkelijke politiek zijner voorgangers voort te zetten, bewijst het 4de art. van dat besluit, 't welk den C.-G. van Binnenlandsche Zaken gelast „zorg te dragen dat door combinatiën en afschaffing van predikantsplaatsen, overal waar zulks zonder nadeel voor de belangen van de godsdienst kan geschieden, 's lands uitgaven verminderd worden.”Met ééne uitzondering(hiervóór, bl. 117). Tellegen bedoelt blijkbaar Heerkens. Hij vergeet evenwel, dat van Maanen remonstrant was.Haar onderhoud(hiervóór, bl. 118). Wel te verstaan, „in zoo verre de geestelijke en kerkelijke goederen niet toereiken”.278)De stemmen staakten(hiervóór, bl. 119). Allerzonderlingst is de mededeeling van G. K. aan den S. V. in zijn brief van 4 Febr. 1813279), dat omtrent de uitdrukkelijke vermelding der gelijke toelating tot ambten en bedieningen de stemmen niet hebben gestaakt: volgens hem is die verworpen met 8 stemmen tegen 6. Het tegendeel blijkt zoowel uit de aanteekeningen van Röell als uit die van van Maanen. Trouwens waartoe zou de president de conclusie tot de aanwezigheid van van Heerdt en van der Duyn hebben uitgesteld, indien de stemmen op 2 Febr.niethadden gestaakt? Wanneer dan ook van Maanen 11 Febr. het punt noemt onder die waarover de stemmen hebben gestaakt,280)volgt er geen protest van den voorzitter; en 1 Maart noemt deze zelf het artikel een punt „omtrent welk de stemmen gestaakt hadden”.281)Beslissing van den Souvereinen Vorst(hiervóór, bl. 120). ZieOntstaanI, 482 en II, bl. CXXI, doch vooralBr. en Ged. V, 87: de Vorst besliste voor opneming der beide bepalingen, hoewel die omtrent zijne religie hem persoonlijk niet aangenaam was282). De oude heer van Aylva maakte er echter eene gemoedszaak van, en zeide dat zoo deze bepaling niet opgenomen werd, een aantal notabelen alleen daarom de Grondwet zouden verwerpen. De aanstaande vereeniging met België maakte veel Protestanten voor de toekomst beducht.283)Het is waarschijnlijk(hiervóór, bl. 120). Inderdaad blijkt uit de beraadslagingen der commissie, dat het besluit van 19 Jan. 1814 van zeer grooten invloed is geweest,284)doch er is geen het minste bewijs voor Tellegen's meening, dat de commissie van redactie art. 137 in de Grondwet zou hebben gesteld na ruggespraak met den Vorst. In de stukken tusschen den Vorst en die commissie of tusschen den Vorst en Hogendorp gewisseld wordt de zaak niet behandeld. Onder invloed van het besluit van 19 Jan. zal de commissie van redactie tothet inzicht zijn gekomen dat het niet aanging den waarborg, daarin voor de Hervormden gelegen, in de Grondwet te bevestigen, en den waarborg voor de anderen niet.Doode letter(hiervóór, bl. 121). Dit is voor de tweede maal, dat Tellegen deze uitdrukking gebruikt.285)Uit de niet-wederopneming van den „grondregel” van 1798: „Elk burger heeft vrijheid, God te dienen naar de overtuiging van zijn hart”, in de constitutiën van later tijd, kan ik geenszins het gevolg trekken dat deze regel sinds 1801 „dood” was. Het wemelt in den aanhef der staatsregeling van 1798 van „algemeene beginselen” en „grondregels” wier invloed voortduurde, ook al werden zij in latere constitutiën niet weder opgenomen.Art. 139 der Grondwet(hiervóór, bl. 122). Tellegen vergist zich door te meenen dat het de S. V. is die de opneming van dit artikel heeft bewerkt. De vervanging van art. 62 derSchetsdoor het artikel van 2 Febr. is het werk der volle commissie286); het artikel van 2 Febr. is tot art. 139 der Grondwet verscherpt door de commissie van redactie, zonder dat van eenige tusschenkomst van den Vorst blijkt. Het zal de invloed van Röell zijn die dit heeft bewerkt: reeds 21 Jan. maakt deze onderscheid tusschen de mate van inzage waaraan de gesubsidieerde en de niet-gesubsidieerde genootschappen zullen zijn onderworpen287).Heerlijke rechten(hiervóór, bl. 131). Art. 24 der staatsregeling van 1798 had deze zonder schadevergoeding voor altijd vernietigd, doch art. 15 van die van 1801 had alle wetten die sedert 1795 aan de waarde van eigendommen of wettig verkregen bezittingen hadden gederogeerd, aan herziening onderworpen. Ieder benadeelde kon zich tot het Staatsbewind vervoegen, dat naar bevind van zaken de afschaffing of verbetering dier wetten, benevens eene billijke schadeloosstelling, aan het Wetgevend Lichaam zou voordragen. Dientengevolge regende het adressen, en diende het Staatsbewind eene (bij het Wetgevend Lichaam onafgedaan gebleven) wet in, waarbij de heerlijke rechten hersteld werden „voor zooverre zij niet met de staatsregeling of het publiek gezag in strijd waren”, en voor het gemis van niet herstelde heerlijke rechten, voor zoover daaraan voor den bezitter geldelijke voordeelen verbonden waren geweest, eene schadeloosstelling werd toegekend, bestaande in eene recognitie, tevoldoen door de bekleeders der posten waarvan de begeving te voren inkomsten had opgeleverd aan de ambachtsheeren. Art. 8 der staatsregeling van 1805 nam art. 15 van die van 1801 met geringe wijzigingen over, zoodat eene wettelijke regeling nogmaals in uitzicht was gesteld, welke 9 Juni 1806, in de allerlaatste dagen van Schimmelpenninck's bewind, tot stand kwam, en die door den minister van binnenlandsche zaken, van Stralen, was ontworpen. Rechten van aanstelling der leden van gemeentebesturen of rechtbanken, door eigenaren van heerlijkheden vóór 1795 uitgeoefend, bleven voor altijd vervallen; alle overige met inbegrip van het kerkelijk patronaatrecht werden hersteld, voor zoover zij althans niet hun oorsprong namen uit „het leenrecht”, dat volgens art. 9 der staatsregeling bleef afgeschaft, doch onder schadevergoeding. Eene regeling die de particuliere belangen zoo zeer ontzag als met de staatshoogheid te nauwernood bestaanbaar was; voor het oogenblik wel aan de ergste onzekerheid een einde maakte, maar afstak bij de algemeene strekking der nieuwe instellingen, en in de negentiende eeuw dan ook niet bleek te kunnen worden gehandhaafd.Tellegen vergist zich door te meenen, dat deze wet onder Lodewijk Napoleon niet heeft gegolden, al is er over hare vervanging door andere bepalingen wel in den Staatsraad gehandeld. De sectie van wetgeving van den „Conseil pour les affaires de Hollande” herinnert in haar advies van 21 Aug. 1810288)aan het beginsel der bestaande wetgeving: alle heerlijke rechtendie in strijd kwamen met bestuursrechten van den Staat, waren afgeschaft. De tienden (ook soms als accrochement van een ambachtsheerlijkheid voorkomende) vielen niet onder dit begrip, en waren nog onlangs bij de adaptatie van het Wetboek Napoleon voor het koninkrijk Holland gewaarborgd. In overeenstemming met den wensch der sectie bepalen twee artikelen van het groote decreet van 18 Oct. 1810, dat de tienden en andere grondrenten in Holland invorderbaar blijven overeenkomstig de bestaande wetgeving; „il sera statué ultérieurement sur la faculté de racheter les dites dîmes et rentes”.Deze afkoopbaarstelling is inderdaad ingevoerd bij keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 (Fortuyn III, 539), doch door den Souvereinen Vorst weder te niet gedaan bij besluit van 22 Oct. 1814 (Staatsbladno. 103).Onder de Fransche wetten, hier te lande executoir verklaard, zijn er geene, die de heerlijke rechten betreffen.Wellicht(hiervóór, bl. 132). Deze onderstelling vindt in de stukken geen bevestiging. Heerkens, de eenige die eene opmerking maakt waaruit is af te leiden dat hij zich niet in elke provincie eene ridderschapdenkt289), stemt vóór de insertie. Tegen de insertie stemt van Lynden, die geen landelijke stand wil behalve in Friesland.Besluit van 26 Maart 1814(hiervóór, bl. 134). Op wat grond de Bosch Kemper durft verzekeren, dat het besluit genomen schijnt „op aandrang van van Hogendorp, toen eerste minister, die het dan ook in de commissie voor de grondwet verdedigde”290), is mij onbekend. De mededeeling is in ieder geval onjuist. Primo was Hogendorp toen geen „eerste minister”, maar minister van buitenlandsche zaken; secundo is er geen letter over de zaak gewisseld tusschen hem en den Souvereinen Vorst; tertio is, blijkens de stukken zelve op het Kabinet der Koningin, trouwens ook reeds blijkens het boekje van van Akerlaken, het besluit het werk van Hendrik van Stralen, den auteur der wet van 9 Juni 1806, die thans gelijk toen minister van binnenlandsche zaken was. In de commissie kan het besluit als zoodanig natuurlijk niet verdedigd zijn, aangezien het van 26 Maart is en de commissie hare laatste vergadering hield op den 2den Maart. Bedoelt de Bosch Kemper de commissie van 1815, dan is de mededeeling evenmin juist. Ik denk dat hem art. 45 derSchetsvoor de gedachte heeft gezweefd.Ook op andere punten(hiervóór, bl. 136).—Zie voor het vroeger overleg tusschen den Vorst en Hogendorphiervóór, bl. 96; voor het hier door Tellegen bedoelde met de commissie van redactie zieOntstaanII, bl. CXVIII vv. en I, 438 vv.—Behalve op het punt van den godsdienst was de inmenging vooral voelbaar op het punt der militie; zie daarvoor deaanteekeningen op hoofdstuk IX. Op twee punten waar Tellegen invloed van den Vorst vermoedde, is daarvan niet gebleken (hiervóór, bl. 149en150).—Twee belangrijke punten komen bij het volgende hoofdstuk ter sprake: deRaad van Stateen deverkiezing van leden der Staten-Generaal.

De blijde boodschap(hiervóór, bl. 115). De scheiding tusschen Kerk en Staat was uitgesproken bij decreet der eerste Nationale Vergadering van 5 Aug. 1796. Deze gewichtige uitspraak werd eerst langzamerhand in hare gevolgen gekend.

De staatsregeling van 1798 bevat, als poging tot belichaming, het volgende. „Elk burger heeft de vrijheid, God te dienen naar de overtuiging van zijn hart” (art. 19). „Geene burgerlijke voordeelen, of nadeelen, zijn aan de belijdenis van eenig kerkelijk leerstelsel gehecht” (art. 20). „Elk Kerkgenootschap zorgt voor het onderhoud van zijnen eeredienst, deszelfs bedienaren en gestichten” (art. 21). Bij de additioneele artikelen werd bepaald, dat de predikanten der voormaals heerschende Kerk gedurende drie jaren na de aanneming der staatsregeling de gewone tractementen uit 's lands kas zouden blijven genieten,„ten einde de gemeenten in dien tusschentijd de noodige schikkingen maken tot derzelver verdere bezoldiging” (art. 1); dat alle geestelijke goederen en fondsen, waaruit te voren die tractementen waren betaald258), nationaal werden verklaard, om na verloop van die drie jaren te worden aangelegd „tot een vast fonds voor de nationale opvoeding, en tot verzorging der behoeftigen” (art. 4); dat alle andere goederen, bij gift, erflating, inzameling of aankoop door eenig kerkgenootschap verkregen, aan hetzelve bleven verzekerd (art. 5); dat de kerkgebouwen en pastorieën der voormaals heerschende Kerk ter beschikking werden gesteld van ieder plaatselijk bewind, om deswege binnen de zes maanden na de aanneming der staatsregeling een vergelijk te treffen op dezen voet, dat de onderscheiden kerkgenootschappen, naar verhouding van het aantal harer leden, de voorkeur zouden hebben omtrent de naasting der gebouwen, onder verplichting van een matige uitkeering, in eens of bij termijnen, aan de andere kerkgemeenten (art. 6).

Deze bepalingen onderstelden een vermogen tot zelfhervorming bij de onderscheiden kerkgenootschappen, en een mate van onderlinge verdraagzaamheid, die blijkens de ondervinding met de staatsregeling van 1798 opgedaan, in de verste verte niet bestonden. Al dadelijk lieten de additioneele artikelen onbeslist, hoe het voortaan met de beroeping van predikanten zou gaan, en met de velerlei bijzonderheden van kerkelijk bewind, waarbij tot dusver het openbaar gezag een min of meer actieve rol had vervuld. De geest (niet de uitgedrukte letter) der Staatsregeling liet dit alles aan de voormaals heerschende kerk zelve over, die evenwel volstrekt niet in staat bleek, aanstonds op eigen wieken te drijven. Een schromelijke verwarring in de kerkelijke huishouding was het gevolg; ettelijke gemeenten kwamen weder bij den Staat terecht om hulp, maar werden afgewezen bij besluit van het Vertegenwoordigend Lichaam van 8 April 1800, dat „de keuze van kerkelijke ambtenaren, overeenkomstig den geest der Acte van Staatsregeling, ter dispositie van ieder Kerkgenootschap in den zijnen” overliet. De uiterst weinig gepreciseerde bepaling omtrent het verdeelen der kerkgebouwen gaf bijna overal aanleiding tot hoogloopende geschillen; de plaatselijke besturen wisten niet waaraan zich te houden, en meestal handhaafden zich de hervormden in hun bezit259).Ook leek het er niet naar dat hunne gemeenten na verloop van drie jaar schikkingen zouden hebben getroffen tot voldoende bezoldiging der predikanten. Om uit het moeras te geraken stelde men bij de staatsregeling van 1801 vast, dat ieder persoon, den ouderdom van veertien jaren bereikt hebbende, zich moest doen inschrijven bij een Kerkgenootschap. „Voor ieder Kerkgenootschap wordt van de alzoo ingeschreven leden tot onderhoud van deszelfs dienaren en eigendommen eene jaarlijksche gift gevorderd, niet te boven gaande een zekere bepaalde som, achtervolgens hetgene aangaande dit een en ander bij de wet nader zal worden vastgesteld” (art. 12). Tot deze wet zal zijn tot stand gekomen, zouden de leeraren der voormaals heerschende kerk, die bij de aanneming der staatsregeling in dienst waren, hunne tractementen nog uit 's lands kas genieten (art. 14). Wat de gebouwen en goederen betreft, bleef ieder kerkgenootschap onherroepelijk in het bezit van wat het op 1 Jan. 1801 had bezeten (art. 13); eene bepaling zeer in het voordeel der hervormden, die, op enkele plaatsen als den Bosch na, ook waar zij ver in de minderheid waren, de gebouwen nog niet aan andersdenkenden hadden afgestaan. Het wederinrichten trouwens van oude kerkgebouwen voor den Katholieken eeredienst was geen geringe zaak, en daar hun bovendien bij overneming een slecht omschreven uitkeeringsplicht boven het hoofd hing, en daarbij de mogelijkheid van allerhande chicanes, werd het nieuwe artikel ook door de Katholieken zonder veel morren aanvaard. Onuitvoerbaar bleek echter de hoofdbepaling van 1801: de invoering eener verplichte kerkelijke belasting. De hervormden waren er vuur vlam tegen, en men had, wilde men de zaak doorzetten, tal van reclames op grond van art. 13 te verwachten, daar het van een aantal kerkelijke goederen en fondsen hoogst twijfelachtig mocht heeten, in welken rechtstoestand zij zich op 1 Jan. 1801 hadden bevonden. En voor de kleinere protestantsche genootschappen en de katholieken was het artikel niet noodig: zij voorzagen immers van oudsher in eigen behoeften, en bleven dit doen zonder dat de Staat er zich mede bemoeide.

De staatkundige reactie van 1801 en 1802 bracht personen in het bestuur, die over het geheel de Hervormde Kerk beter gezind waren dan de voorgangers van 1798; men liet dus de kerkelijke belasting rusten, en handhaafde den provisioneelen toestand, die den hervormden het genot der predikantstraktementen verzekerde. Intusschen vond het beginsel der volstrekte scheiding van Kerk en Staat reeds weinig aanhangers meer. Het voor de regeering uit een oogpunt van handhaving der publieke orde nog altijd verreweg gewichtigste kerkgenootschap, het Hervormde, bleek tegen de taak van volledig zelfbestuur in het geheel niet opgewassen, en aan de genootschappen dieer wel toe opgewassen waren gunde de Staat toch eigenlijk het volle zelfbestuur niet. Wel desnoods aan de kleinere protestantsche genootschappen, in wier toestand door de Revolutie (afgezien van het verwerven der burgerlijke rechten voor hare leden) eigenlijk weinig verandering gekomen was;—maar, vooral sedert de invoering van het Concordaat in Frankrijk, wekte de tegen de toestanden daarginds zoo sterk afstekende volkomen onafhankelijkheid van het Nederlandsche Katholicisme bedenking.

De Revolutie had in den toestand der Katholieken een inderdaad radicale verandering gebracht. Te voren alleen geduld, aan recognitiën en afpersingen blootstaande, afhankelijk in de toelating hunner priesters, in de plaatsing en inrichting hunner kerkgebouwen, in beginsel onvrij zelfs in de uitoefening van hunnen eeredienst, waren zij op eenmaal in volle vrijheid gesteld; eene vrijheid die zij zich ook volkomen waardig toonden. Echter bleef hunne kerkinrichting zooals die ten tijde der verdrukking was geweest: de geestelijken hadden het karakter van missionarissen, stonden in geen vast geordend plaatselijk verband tot elkander, waren ondergeschikt aan eensuperior missionis Batavaedie buitenslands (tot 1794 te Brussel, thans te Munster) verblijf hield. De regeering, den grooten invloed der geestelijken op hunne kudde, ook in zaken van wereldlijken aard, dagelijks bespeurende, vond niemand om tot te spreken. Met het voorbeeld van Frankrijk voor oogen, kwam zij al spoedig tot het denkbeeld eener door het Staatsgezag te erkennen organisatie der Katholieke kerk in Nederland, eene zaak waartoe van der Palm, als voorzitter van den Raad van Binnenlandsche Zaken onder de staatsregeling van 1801, het eerste ontwerp gevormd heeft,260)en waarop navolgende regeeringen nog dikwijls terug zouden komen. Hing dus eenige verkorting der nieuw verworven vrijheid den Katholieken boven het hoofd, ook in andere opzichten begonnen de tijden voor hen te veranderen. In de staatkundige lichamen van 1796 en 1798, uit de volkskeuze of liever uit die der patriotsche partij voortgekomen, waren zij ruim vertegenwoordigd geweest, maar bij de benoemingen van 1801 en 1802, van het Staatsbewind uitgaande, ging men hen, althans in de oude zeven provinciën, bijna geheel voorbij, en het eenige Katholieke lid van het Staatsbewind zelf werd bij zijn aftreden in 1803 niet door een geloofsgenoot vervangen.

Tot welk resultaat de praktijk der beginselen van 1798 ten aanzien der verhouding van Kerk en Staat voorloopig leidde, ziet men uit de artikelen betreffende deze zaak in de Staatsregelingen van 1805 en 1806. „De materie zoo gecompliceerd zijnde,” schrijft van der Palm kort vóór de Staatsregeling van 1805, „is het onmogelijk deswegens één algemeen werkende maatregel voor te stellen, en moet alleen de weg worden opengelaten, om daaromtrent al datgene door den Staat te doen verrichten, wat het algemeen welzijn vordert.” In overeenstemming met deze leer bepaalt de Staatsregeling van 1805, dat „het gouvernement zoodanige maatregelen neemt, welke de bijzondere omstandigheden der Kerkgenootschappen, met betrekking tot de openbare rust en algemeene welvaart, vereischen,” en die van 1806 nog strenger: „door het gezag van Koning en Wet wordt bepaald al hetgeen noodzakelijk geoordeeld wordt betreffende de organisatie, de bescherming, en de uitoefening van alle eerediensten.”

In 1798 dus volledige vrijheid, aan de Hervormden na ontneming hunner bijzondere voorrechten opgedrongen, aan de anderen gelaten of verleend; in 1801 bedreiging met staatsdwang, om van die vrijheid het door den staat beoogde gebruik te maken; in1805en '06 afkondiging eener staatsvoogdij.

Een der doeleinden der regeering van Lodewijk Napoleon was de invoering in Nederland van het Katholiek episcopaat op den Franschen voet. Hij trad al spoedig met zijn minister Mollerus omtrent die zaak in overleg, die hij evenwel behandeld wenschte te zien als onderdeel eener algemeene wetgeving in zake de eerediensten. De aangelegenheid, die heel wat voeten in de aarde bleek te hebben, is niet verder gebracht dan tot het door Tellegen vermelde decreet van 2 Aug. 1808, dat de hervormde predikanten in het genot hunner tractementen handhaaft, doch bepaalt dat ook aan de geestelijken van andere gezindten in het vervolg staatstractement zal worden toegelegd; de kerkelijke goederen en fondsen thans onder publieke beheering, waaruit tot dusver tractementen aan de geestelijken werden betaald, gaan over aan de publieke schatkist; ten aanzien van de kerkgebouwen zullen schikkingen plaats hebben, welke het „meest overeenkomen met de gesteldheid der onderscheidene godsdienstige gezindheden in iedere stad of plaats;” geestelijken kunnen niet benoemd worden tot leden der commissiën van toezicht over het openbaar onderwijs, of van eenig wereldlijk armbestuur.

Met de toepassing van dit een en ander is het tijdens 's Konings regeering niet heel ver meer gekomen. Op de begrootingen van 1809 en 1810 komen inderdaad matige sommen voor ten behoeve van het katholieke en van het luthersche kerkgenootschap261);hier en daar is een leegstaand kerkgebouw (als de Sint-Walburg te Arnhem) aan de katholieken ingeruimd; consuleerende commissiën uit de geestelijken der verschillende kerkgenootschappen werden ingesteld om door de regeering bij het ontwerpen der door den Koning aan ieder genootschap te geven organisatie te worden geraadpleegd. De katholieke commissie adviseerde o.a. tot oprichting van staatswege van gymnasia en van een hoogeschool uitsluitend voor katholieke jongelieden bestemd, terwijl de opleiding van aanstaande geestelijken geheel buiten staatsinmenging zou blijven. De opvolgende ministers van eeredienst, Mollerus en van der Capellen, bestreden dit denkbeeld, en laatstgenoemde stelde voor, liever de theologische faculteit aan een der bestaande hoogescholen aan de katholieken in te ruimen, waarbij dan tevens een onder staatstoezicht geplaatst collegium kon worden opgericht voor de hoogere opleiding der aanstaande geestelijken. Deze zaak, die zoo brandend zou worden onder de regeering van Willem I, kwam onder Lodewijk niet tot afdoening; evenmin de in wording zijnde organisatie van het hervormde kerkgenootschap, die later eveneens Willem I zich zou aantrekken.

Al deze inmenging in kerkelijke zaken geschiedde niet zonder eenige bezorgdheid op te wekken, vooral bij hervormden maar ook bij katholieken. Kort na de publicatie van het decreet van 2 Aug. 1808 werd door den predikant te Velzen in bedekte termen 's Hemels straf over den koning ingeroepen; terzelfder tijd verscheen eene „Brevis disquisitiocirca constitutionale obedientiae et fidelitatis juramentum regni Hollandici: ik zweer gehoorzaamheid aan de constitutie en getrouwheid aan den Koning”, waarin aan het gouvernement de invloed in kerkelijke zaken, waarop het aanspraak maakte, betwist, de gelijke bescherming aan alle godsdiensten verleend als misdadig voorgesteld, en derhalve het afleggen van dezen eed voor katholieken ongeoorloofd genoemd werd. Kleine voorboden van het verzet dat de suprematie welke het staatsgezag zich over de kerk inal haarbetrekkingen toegekend had, in de toekomst zou opwekken. Maar de groote meerderheid zag toen in die suprematie volstrekt geen kwaad, en juichte het toe dat de eenige macht die daartoe in staat scheen, orde stellen ging op de sedert 1795 zoo hopeloos in het wilde geloopen kerkelijke zaken.

De Koning verzuimde niet, van tijd tot tijd katholieken in ambten te brengen en daarmede de uitsluiting, die de wet had opgeheven, ook metterdaad te niet te doen. Na eenigen tijd komen katholieken voor in het ministerie, in den staatsraad, in hofbetrekking of bij hetkabinet des Konings, in gewestelijke en gemeentelijke bestuursposten ook boven den Moerdijk. Redacteur derKoninklijke Courantwerd na eenigen tijd een Jood (J. D. Meyer), referendaris aan het ministerie van eerediensten een andere Jood (C. Asser.) Voor het overgroote deel waren deze benoemingen zoo wel gegrond, dat men er onmogelijk aanstoot aan nemen kon.

De maatschappelijke verheffing der Joden maakte in dezen tijd groote vorderingen. Ook te hunnen aanzien had de Revolutie wel het groote beginsel van gelijkheid uitgesproken,262)maar was de practijk ver achtergebleven bij de wet. Gedeeltelijk lag dit aan den onwil der Joden zelf, waarvan de meerderheid nog angstvallig aan oude gebruiken vasthield. Het uitverkoren volk mocht niet in de ééne en ondeelbare natie ondergaan. De meer ontwikkelde Joden, die deel verlangden aan het openbare leven, werden aanvankelijk door hunne geloofsgenooten verloochend en uitgestooten. Vooral te Amsterdam was het in de Hoogduitsche synagoge tot groote oneenigheid gekomen; de liberale Joden scheidden zich af en vormden een eigen godsdienstige gemeenschap. Ook in Frankrijk was het vraagstuk van de opneming der Joden in het burgerlijk leven in dezen tijd aan de orde van den dag. Op verlangen van Napoleon kwam te Parijs in December 1806 het Groot Sanhedrin bijeen, gevormd door afgevaardigden van de synagogen in het Fransche keizerrijk en het koninkrijk Italië, en dat ook door drie vertegenwoordigers der liberale Joden te Amsterdam werd bijgewoond. Het Groot Sanhedrin besloot onder meer, dat een Israëliet in Frankrijk of het koninkrijk Italië geboren en opgevoed, godsdienstig verplicht was die rijken als zijn vaderland te beschouwen, ze te helpen verdedigen, en zich in al zijn maatschappelijke betrekkingen naar de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek te gedragen. Tevens werden de geloofsgenooten in andere landen vermaand, zich door dezelfde beginselen te laten leiden en met hunne Christen-medeburgers als broeders te leven. Op uitnoodiging van Koning Lodewijk kwam eerlang tusschen de orthodoxe en de liberale leden der Hoogduitsche synagoge te Amsterdam eene hereeniging tot stand, die door een koninklijk goedgekeurd reglement bevestigd werd. Voorts werd bij een koninklijk besluit van 17 Dec. 1808 een opperbestuur over de gezamenlijke Hoogduitsche Israëlieten van het Koninkrijk ingesteld, waarin de liberale elementen ver de overhand hadden, en dat op velerlei gebied de aansluiting der Joden aan de hen omringende burgermaatschappij krachtig bevorderde.

De eerediensten onder het Keizerrijk(hiervóór, bl. 116). De negendetitel van het groote decreet van 18 Oct. 1810 handhaaft den bestaanden toestand. Daarentegen bepaalt een decreet van 29 Oct. 1811: „en 1812 tous les cultes seront organisés en Hollande conformément aux lois de l'Empire”. Eene commissie, uit geestelijken van verschillende gezindten bestaande, zal te Amsterdam bijeenkomen onder voorzitterschap van een Keizerlijk commissaris, om de nieuwe organisatie der kerkgenootschappen voor te bereiden en een ontwerp te maken van kerkelijke indeeling. De commissie werd benoemd 24 Jan. 1812; zij bestond uit een katholiek263), een jansenist264), twee nederduitsch hervormden265), een waalsch hervormde266), een remonstrant267), twee lutherschen268)en een doopsgezinde269). Keizerlijk commissaris werd de intendant van binnenlandsche zaken d'Alphonse. De Joden liet men er buiten, omdat de Fransche wetten op het Joodsche kerkbestuur reeds in Holland waren afgekondigd en zonder bezwaar bleken te worden toegepast, zoodra men toegegeven had dat de Portugeesche Joden hun eigen synagoge behielden.

Lebrun had de leden uitgezocht en ze zoo meegaand mogelijk genomen; daarom had hij zorg gedragen dat er geen enkel dienstdoend nederduitsch hervormd predikant in kwam: „parmi les ministres réformés hollandais, il n'y en a pas beaucoup avec lesquels ou puisse aisément traiter”. Hij wist dat het den Keizer, behalve om de invoering van het Concordaat, vooral om bezuiniging te doen was: de protestanten moesten tot één of ten minste tot weinige genootschappen worden vereenigd onder een centraal bestuur dat geheel van den Staat zou afhangen; hij wist ook, dat het hoogst onstaatkundig zou zijn dit te willen doordrijven. „Les réformés hollandais sont tout hollandais; n'en connaissent que le langage et les mœurs; ils n'ont de communication qu'avec la classe très moyenne de la société, et aucune influence sur le reste. Ils ne voudraient pas être sous la suprématie des wallons: par conséquent, de ce côté, il n'y a que désordre à attendre, et une discorde à laquelle le peuple prendrait part. Le wallon, plus français, se pique d'une éducation plus distinguée, de liaisons plus élevées, d'une façon de vivre et de converser plusélégante: il y a plus de tendance vers notre caractère et nos goûts. Ceux qui se piquent d'esprit et de bien vivre vont à leurs prêches, et à mesure que notre langue se répandra, on ira davantage. Il y a donc politique et avantage à ne pas faire une fusion entière, à laisser les églises séparées, à reconnaître aux uns et aux autres des églises consistoriales”.270)De remonstranten bij de hervormden in te lijven zal den hartstocht der smalle gemeente gaande maken; zij zijn zóó weinig in getal, dat het veel eenvoudiger is hen te laten bestaan: zij zijn voor het gouvernement geheel onschadelijk. Ook de doopsgezinden moet men liever ontzien: „ils ont des principes plus libéraux et plus larges que les calvinistes. Leur nombre va en augmentant, et si on les laisse faire, ils pourront absorber une grande partie du culte protestant.” De lutherschen in Holland met die in Oostfriesland (welke Duitsch spreken) onder één bestuur te brengen, zal niet lukken: „l'Ems oriental est mal disposé pour tout ce qui leur vient de la Hollande”. Een gedwongen vereeniging der hersteld- met de evangelisch-lutherschen is evenmin raadzaam: „ces gens-là se haïssent cordialement, et je ne crois pas qu'ils se réunissent”. Maar de hersteld-lutherschen zijn zóó weinig talrijk, dat zij in het geheel niet van een erkend bestuur behoeven te worden voorzien: „on pourra ne pas reconnaître leur existence”. Hetzelfde beveelt Lebrun aan voor de Engelsche en Schotsche gemeenten. Ook voor de Jansenisten: hun bezittingen en seminarie kan men aan de Katholieken geven, hun eenigen bisschop naar Frankrijk verwijderen en op pensioen stellen; „tout le reste serait censé perdu dans le grand troupeau des catholiques, et s'y éteindrait sous la loi du silence. Puisque les jansénistes veulent être des catholiques, il faut qu'ils soient mêlés avec la majorité”. Wat de Katholieken zelf betreft, vindt Lebrun het ongeraden, den bisschop of de bisschoppen die Z. M. hun wil geven, in Holland te laten resideeren: „peut-être il en résulterait des inconvéniens. L'évêque de Bois-le-Duc pourrait l'être de la Hollande”.271)

Bij de redactie van het decreet van 24 Jan. 1812 was met Lebrun's bezwaren eenigermate rekening gehouden; de keizerlijke commissaris zou, naarmate hij het gewenscht oordeelde, de commissie òf in haar geheel kunnen raadplegen, òf over de zaken van ieder genootschap in het bijzonder slechts de leden die tot dat genootschap behoorden. D'Alphonse verkoos het laatste, en liet aan den ambtenaar J. D. Janssen,gewezen chef van divisie bij het Hollandsche ministerie van eerediensten, het beraad met de afzonderlijke leden geheel over.—Cramer verlangde voor de katholieken bisdommen te Utrecht en Groningenenoverdracht van verschillende kerkgebouwen272).—Van Os, voor het handjevol Jansenisten, kwam met onmogelijke eischen: herstel van alle bisdommen van 1559 (Utrecht (aartsbisdom), Haarlem, Leeuwarden, Groningen, Deventer, Middelburg); de aartsbisschop en bisschoppen door de kapittels te kiezen. Zijn stuk werd zonder meer ter zijde gelegd.—De Remonstranten, Doopsgezinden, Lutherschen, verzochten behoud hunner zelfstandigheid; evenzoo de Waalsch-Hervormden het behoud eener afzonderlijke positie in het Hervormde Kerkgenootschap.—De Nederduitsch-Hervormden deden een poging aan de strenge bepalingen der kerkorde, door den Keizer aan hunne geloofsgenooten in Frankrijk verleend, te ontkomen. Zij verzochten voor Holland één consistoriale kerk per kanton, mits dit kanton 3000 of meer Hervormden telde; er zouden dan toch nog 300 predikantsplaatsen komen te vervallen. Verder verzochten zij verzekering der bestaande tractementen, en behoud van de bestaande inrichting der diaconieën.

D'Alphonse hield in zijn rapport met de geopperde wenschen rekening. Hij achtte één Katholiek bisdom (te Utrecht) voldoende; de meeste eischen der katholieken ten opzichte der kerkgebouwen werden afgewezen. De denkbeelden van het Hervormde rapport nam hij grootendeels over. De tractementen stelde hij voor te bepalen op een som, de in Frankrijk geldende bedragen met ⅕ te boven gaande; de pastoralia zouden op een hoop worden geworpen en daaruit alle tractementen worden voldaan; voor zoover zij daartoe niet toereikend waren zou de Staat de middelen moeten aanwijzen.

Dit rapport van d'Alphonse was gereed in Aug. 1812; hij gaf er toen kennis van aan Lebrun, die nog veranderingen voorsloeg: geen bisdom in Holland; aan de predikanten die thans inkomsten uit pastoralia genoten, deze verzekerd voor hun leven; de scheiding tusschen Hollandsche en Oostfriesche Lutherschen beter door te voeren, en niet te spreken van de diaconieën: „elles appartiennent au secours public, et je ne crois pas qu'il soit dans l'intention de l'Empereur delaisser à chaque culte l'entretien de ses pauvres.”273)D'Alphonse bracht van deze vier wijzigingen de twee minst gewichtige aan, al vreesde hij dat die omtrent de pastoralia geen genade zou vinden te Parijs. Het ééne bisdom behield hij, om ten minste niet alle eischen der Katholieken af te wijzen, en van de diaconieën te zwijgen scheen hem niet wel mogelijk: „Depuis longtems je pense comme V. A. que difficilement S. M. maintiendra les diaconies dans la charge de soulager leurs pauvres respectifs, et que probablement ces pauvres seront mis à la charge des administrations communales. Mais de toutes les propositions que j'aurais pu faire, c'était celle qui aurait affligé davantage et qui aurait le plus mécontenté: j'ai donc cru devoir m'en abstenir.”

Eind Aug. 1812 werd dan nu het rapport naar Parijs verzonden, waar het liggen bleef zonder dat men er verder iets van vernam. De Keizer was te velde, en bovendien, zoo lang hij zich niet met den Paus had verzoend274)was de invoering eener katholieke hiërarchie in Holland een onbegonnen werk. Wat omtrent de Protestanten was voorgesteld had mede geen haast en werd in studie gegeven aan den chef der afdeeling voor den niet-katholieken eeredienst te Parijs,Darbaud, die er vrij wat op aan te merken had en de Fransche kerkorde letterlijk wilde zien gevolgd. Onderwijl bleef alles voorshands op den ouden voet, maar met ééne, voor de betrokkenen uiterst gevoelige uitzondering.

Toen de Fransche staatsbegrooting voor 1811 in voorbereiding was, had de minister van eerediensten,Bigot de Préameneu, daarop de volle som uitgetrokken waarop volgens de inlichtingen der Hollandsche gedeputeerden voor tractementen aan godsdienstleeraars in Holland moest worden gerekend, te weten 2.450.000 francs, zijnde het bedrag, dat op de Hollandsche begrooting voor 1810 voorkwam, verminderd met de tractementen der leeraars in het bij tractaat van 16 Maart 1810 afgestane grondgebied. De Keizer had evenwel de gansche som van de begrooting geschrapt, zeggende dat de burgerlijke gemeenten deze uitgaven in Holland moesten dragen. Hij verzuimde echter dezen wil in een decreet uit te drukken, en nu geschiedde er ... niets. Een merkwaardig voorbeeld van de stroefheid der hooggeroemde Fransche administratie, zoodra er bij den Keizer, die toch ook mensch bleef, iets haperde; en dit kwam tegen het eind zijner regeering hoe langer zoo meer voor. Niemand die zich dan verantwoordelijk voelde of een hand verlei zoolang die niet door een bevel der hoogere autoriteit in beweging werd gezet. Het eenekwartaal na het andere verliep, zonder dat de Hollandsche predikanten een duit uit de schatkist ontvingen. Lebrun hield niet op den Keizer en den minister om voorziening te verzoeken; de Keizer antwoordde niet; de minister wel, maar enkel om te zeggen dat hij geen orders had, en Lebrun's brieven aan den Keizer voorlegde. Dan schrijft Lebrun nogmaals aan den Keizer, en dringender: „Les pasteurs réformés sont aux abois; on m'assure qu'il en est qui mendient leur pain, ils n'ont point comme les prêtres catholiques de ressources dans le zèle de leurs fidèles. Les protestans sont durs comme leur religion, et d'ailleurs les biens des églises ont été rendus à l'Etat.275)Je supplie encore une fois V. M. de vouloir bien peser ces circonstances dans sa justice, dans sa bonté, dans sa politique” (18 April 1811). De Keizer antwoordt verbaasd; de burgerlijke gemeenten zouden immers de godsdienstleeraars betalen? „C'est ainsi que cela a été arrêté au budget” (21 April 1811). „On ne connaît point ici”, antwoordt Lebrun, „l'article du budget quiprescritcette disposition. V. M. jugera sans doute qu'elle doit être publiée” (25 April 1811). Er volgt niets. Den 2den Juli bericht eindelijk de minister Bigot, dat hij zich tot een herinnering aan den Keizer vermand heeft: „que S. M. avait bien annoncé l'intention que le traitement du clergé fût à la charge des communes, mals qui il n'y avait point eu de décret pour ordonner et régulariser cette mesure”. Deze herinnering wordt door den Keizer om advies gezonden aan den Staatsraad. Den 18den October schrijft Bigot, dat de Staatsraad geadviseerd heeft dat deze uitgaven in geen geval ten laste der burgerlijke gemeenten kunnen komen; ook Lebrun had zich in denzelfden zin uitgelaten. Desniettemin beslist de Keizer bij decreet van 29 Oct. 1811 (gegeven op het Loo), dat de burgerlijke gemeenten gehouden zijn ⅟15van hun jaarlijksch inkomen in de centrale agentuur der schatkist te Amsterdam te storten tot een bijzonder fonds, waaruit de tractementen der godsdienstleeraars zullen worden voldaan; „il faut soulager”, heet het in een 19 Oct. te Amsterdam gegeven keizerlijk dictaat, „il faut soulager le trésor de cette dépense qui est bien considérable”276)Den 30sten Dec. is het decreet van 29 Oct. eindelijk in handen van d'Alphonse die het aan de prefecten zenden kan ter uitvoering; ondertusschen is het geheele jaar 1811 verloopen. Maar die uitvoering blijkt zulk een gemakkelijke zaak niet: de gemeentekassen zijn er niet op voorbereid, en 20 Juni 1811 moet d'Alphonse, op een vraag van Lebrun, antwoorden dat er nog geen uitkeering aan de predikanten mogelijk is geweest, wel te verstaan op hun tractementover 1811! Wel is er iets gestort, maar lang niet genoeg; trouwens al ware geen der gemeenten nalatig geweest (Amsterdam b.v. heeft nog niets kunnen storten omdat het in werkelijkheid de som niet voorhanden heeft), dan zou het geheele bedrag nog niet de helft van het verschuldigde uitmaken! In Dec. 1812, als Napoleon uit Rusland terugkeert, wacht Lebrun hem met het bericht op dat de predikanten thans ⅓ van hun traktement over 1811 ontvangen hebben, en nog niets over 1812. „Si j'avais eu quelque pouvoir,” luidt de karakteristieke bijvoeging, „nous aurions trouvé des moyens dans la bonne disposition des Hollandais. Les ministres ont été sages au milieu de leur déuvement, et ils méritent les bontés V. M.” Nog eens 31 Maart 1813: „Je supplie V. M. de s'occuper du traitement des ministres du culte en Hollande: la justice leur est due, et ils la méritent par leur résignation. Jusqu'ici ils n'ont véritablement donné lieu àaucuneplainte, et leurs réclamations ont toujours été calmes et respectueuses. J'ai adressé à M. le ministre des cultes un projet de décret qui compléterait les traitemens de 1811 et de 1812, qui pourrait encore être adopté pour 1813 et jusqu'à V. M. puisse s'occuper de l'organisation du culte dans ces départemens”.—Geen antwoord; de Keizer heeft dringender zaken aan het hoofd. Den 12den Juni 1813 vraagt de Friesche prefect Verstolk aan d'Alphonse, of de tractementen mogen worden omgeslagen over de hervormde gemeenteleden, op voorwaarde van terugbetaling zoodra het gouvernement gereed is? Antwoord: alles moet blijven bij vrijwillige bijdragen zonder inmenging van den prefect. In Juni en Juli 1813 komt eindelijk weer iets beschikbaar, maar nog minder dan verleden jaar: 600.000 francs!... Wat ruime zucht van verlichting zal er in menige pastorie geslaakt zijn, toen de Souvereine Vorst, bij besluit van 19 Jan. 1814, de betaling der tractementen uit 's lands kas, als tot 31 Dec. 1810 gebruikelijk, herstelde!277)Dat overigens de Vorst van den aanvang af niet vreemd was van het denkbeeld, de kerkelijke politiek zijner voorgangers voort te zetten, bewijst het 4de art. van dat besluit, 't welk den C.-G. van Binnenlandsche Zaken gelast „zorg te dragen dat door combinatiën en afschaffing van predikantsplaatsen, overal waar zulks zonder nadeel voor de belangen van de godsdienst kan geschieden, 's lands uitgaven verminderd worden.”

Met ééne uitzondering(hiervóór, bl. 117). Tellegen bedoelt blijkbaar Heerkens. Hij vergeet evenwel, dat van Maanen remonstrant was.

Haar onderhoud(hiervóór, bl. 118). Wel te verstaan, „in zoo verre de geestelijke en kerkelijke goederen niet toereiken”.278)

De stemmen staakten(hiervóór, bl. 119). Allerzonderlingst is de mededeeling van G. K. aan den S. V. in zijn brief van 4 Febr. 1813279), dat omtrent de uitdrukkelijke vermelding der gelijke toelating tot ambten en bedieningen de stemmen niet hebben gestaakt: volgens hem is die verworpen met 8 stemmen tegen 6. Het tegendeel blijkt zoowel uit de aanteekeningen van Röell als uit die van van Maanen. Trouwens waartoe zou de president de conclusie tot de aanwezigheid van van Heerdt en van der Duyn hebben uitgesteld, indien de stemmen op 2 Febr.niethadden gestaakt? Wanneer dan ook van Maanen 11 Febr. het punt noemt onder die waarover de stemmen hebben gestaakt,280)volgt er geen protest van den voorzitter; en 1 Maart noemt deze zelf het artikel een punt „omtrent welk de stemmen gestaakt hadden”.281)

Beslissing van den Souvereinen Vorst(hiervóór, bl. 120). ZieOntstaanI, 482 en II, bl. CXXI, doch vooralBr. en Ged. V, 87: de Vorst besliste voor opneming der beide bepalingen, hoewel die omtrent zijne religie hem persoonlijk niet aangenaam was282). De oude heer van Aylva maakte er echter eene gemoedszaak van, en zeide dat zoo deze bepaling niet opgenomen werd, een aantal notabelen alleen daarom de Grondwet zouden verwerpen. De aanstaande vereeniging met België maakte veel Protestanten voor de toekomst beducht.283)

Het is waarschijnlijk(hiervóór, bl. 120). Inderdaad blijkt uit de beraadslagingen der commissie, dat het besluit van 19 Jan. 1814 van zeer grooten invloed is geweest,284)doch er is geen het minste bewijs voor Tellegen's meening, dat de commissie van redactie art. 137 in de Grondwet zou hebben gesteld na ruggespraak met den Vorst. In de stukken tusschen den Vorst en die commissie of tusschen den Vorst en Hogendorp gewisseld wordt de zaak niet behandeld. Onder invloed van het besluit van 19 Jan. zal de commissie van redactie tothet inzicht zijn gekomen dat het niet aanging den waarborg, daarin voor de Hervormden gelegen, in de Grondwet te bevestigen, en den waarborg voor de anderen niet.

Doode letter(hiervóór, bl. 121). Dit is voor de tweede maal, dat Tellegen deze uitdrukking gebruikt.285)Uit de niet-wederopneming van den „grondregel” van 1798: „Elk burger heeft vrijheid, God te dienen naar de overtuiging van zijn hart”, in de constitutiën van later tijd, kan ik geenszins het gevolg trekken dat deze regel sinds 1801 „dood” was. Het wemelt in den aanhef der staatsregeling van 1798 van „algemeene beginselen” en „grondregels” wier invloed voortduurde, ook al werden zij in latere constitutiën niet weder opgenomen.

Art. 139 der Grondwet(hiervóór, bl. 122). Tellegen vergist zich door te meenen dat het de S. V. is die de opneming van dit artikel heeft bewerkt. De vervanging van art. 62 derSchetsdoor het artikel van 2 Febr. is het werk der volle commissie286); het artikel van 2 Febr. is tot art. 139 der Grondwet verscherpt door de commissie van redactie, zonder dat van eenige tusschenkomst van den Vorst blijkt. Het zal de invloed van Röell zijn die dit heeft bewerkt: reeds 21 Jan. maakt deze onderscheid tusschen de mate van inzage waaraan de gesubsidieerde en de niet-gesubsidieerde genootschappen zullen zijn onderworpen287).

Heerlijke rechten(hiervóór, bl. 131). Art. 24 der staatsregeling van 1798 had deze zonder schadevergoeding voor altijd vernietigd, doch art. 15 van die van 1801 had alle wetten die sedert 1795 aan de waarde van eigendommen of wettig verkregen bezittingen hadden gederogeerd, aan herziening onderworpen. Ieder benadeelde kon zich tot het Staatsbewind vervoegen, dat naar bevind van zaken de afschaffing of verbetering dier wetten, benevens eene billijke schadeloosstelling, aan het Wetgevend Lichaam zou voordragen. Dientengevolge regende het adressen, en diende het Staatsbewind eene (bij het Wetgevend Lichaam onafgedaan gebleven) wet in, waarbij de heerlijke rechten hersteld werden „voor zooverre zij niet met de staatsregeling of het publiek gezag in strijd waren”, en voor het gemis van niet herstelde heerlijke rechten, voor zoover daaraan voor den bezitter geldelijke voordeelen verbonden waren geweest, eene schadeloosstelling werd toegekend, bestaande in eene recognitie, tevoldoen door de bekleeders der posten waarvan de begeving te voren inkomsten had opgeleverd aan de ambachtsheeren. Art. 8 der staatsregeling van 1805 nam art. 15 van die van 1801 met geringe wijzigingen over, zoodat eene wettelijke regeling nogmaals in uitzicht was gesteld, welke 9 Juni 1806, in de allerlaatste dagen van Schimmelpenninck's bewind, tot stand kwam, en die door den minister van binnenlandsche zaken, van Stralen, was ontworpen. Rechten van aanstelling der leden van gemeentebesturen of rechtbanken, door eigenaren van heerlijkheden vóór 1795 uitgeoefend, bleven voor altijd vervallen; alle overige met inbegrip van het kerkelijk patronaatrecht werden hersteld, voor zoover zij althans niet hun oorsprong namen uit „het leenrecht”, dat volgens art. 9 der staatsregeling bleef afgeschaft, doch onder schadevergoeding. Eene regeling die de particuliere belangen zoo zeer ontzag als met de staatshoogheid te nauwernood bestaanbaar was; voor het oogenblik wel aan de ergste onzekerheid een einde maakte, maar afstak bij de algemeene strekking der nieuwe instellingen, en in de negentiende eeuw dan ook niet bleek te kunnen worden gehandhaafd.

Tellegen vergist zich door te meenen, dat deze wet onder Lodewijk Napoleon niet heeft gegolden, al is er over hare vervanging door andere bepalingen wel in den Staatsraad gehandeld. De sectie van wetgeving van den „Conseil pour les affaires de Hollande” herinnert in haar advies van 21 Aug. 1810288)aan het beginsel der bestaande wetgeving: alle heerlijke rechtendie in strijd kwamen met bestuursrechten van den Staat, waren afgeschaft. De tienden (ook soms als accrochement van een ambachtsheerlijkheid voorkomende) vielen niet onder dit begrip, en waren nog onlangs bij de adaptatie van het Wetboek Napoleon voor het koninkrijk Holland gewaarborgd. In overeenstemming met den wensch der sectie bepalen twee artikelen van het groote decreet van 18 Oct. 1810, dat de tienden en andere grondrenten in Holland invorderbaar blijven overeenkomstig de bestaande wetgeving; „il sera statué ultérieurement sur la faculté de racheter les dites dîmes et rentes”.Deze afkoopbaarstelling is inderdaad ingevoerd bij keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 (Fortuyn III, 539), doch door den Souvereinen Vorst weder te niet gedaan bij besluit van 22 Oct. 1814 (Staatsbladno. 103).

Onder de Fransche wetten, hier te lande executoir verklaard, zijn er geene, die de heerlijke rechten betreffen.

Wellicht(hiervóór, bl. 132). Deze onderstelling vindt in de stukken geen bevestiging. Heerkens, de eenige die eene opmerking maakt waaruit is af te leiden dat hij zich niet in elke provincie eene ridderschapdenkt289), stemt vóór de insertie. Tegen de insertie stemt van Lynden, die geen landelijke stand wil behalve in Friesland.

Besluit van 26 Maart 1814(hiervóór, bl. 134). Op wat grond de Bosch Kemper durft verzekeren, dat het besluit genomen schijnt „op aandrang van van Hogendorp, toen eerste minister, die het dan ook in de commissie voor de grondwet verdedigde”290), is mij onbekend. De mededeeling is in ieder geval onjuist. Primo was Hogendorp toen geen „eerste minister”, maar minister van buitenlandsche zaken; secundo is er geen letter over de zaak gewisseld tusschen hem en den Souvereinen Vorst; tertio is, blijkens de stukken zelve op het Kabinet der Koningin, trouwens ook reeds blijkens het boekje van van Akerlaken, het besluit het werk van Hendrik van Stralen, den auteur der wet van 9 Juni 1806, die thans gelijk toen minister van binnenlandsche zaken was. In de commissie kan het besluit als zoodanig natuurlijk niet verdedigd zijn, aangezien het van 26 Maart is en de commissie hare laatste vergadering hield op den 2den Maart. Bedoelt de Bosch Kemper de commissie van 1815, dan is de mededeeling evenmin juist. Ik denk dat hem art. 45 derSchetsvoor de gedachte heeft gezweefd.

Ook op andere punten(hiervóór, bl. 136).—Zie voor het vroeger overleg tusschen den Vorst en Hogendorphiervóór, bl. 96; voor het hier door Tellegen bedoelde met de commissie van redactie zieOntstaanII, bl. CXVIII vv. en I, 438 vv.—Behalve op het punt van den godsdienst was de inmenging vooral voelbaar op het punt der militie; zie daarvoor deaanteekeningen op hoofdstuk IX. Op twee punten waar Tellegen invloed van den Vorst vermoedde, is daarvan niet gebleken (hiervóór, bl. 149en150).—Twee belangrijke punten komen bij het volgende hoofdstuk ter sprake: deRaad van Stateen deverkiezing van leden der Staten-Generaal.


Back to IndexNext