4)Br. en Ged.IV, 269 (de datum is daar misdrukt tot 25 Nov.).
5)Br. en Ged.IV, 274.
6)Lord CastlereaghaanLord Clancarty, 14 Aug. 1814 (GedenkstukkenVII, 176).
7)Lord CastlereaghaanLord Liverpool, 8 Jan. 1814; dezelfde aanLord Clancarty, 24 April 1814 (GedenkstukkenVII, 24 en 108).
8)Brief van den prins van Oranje van 22 Nov. 1813 van G. K. van Hogendorp (Br. en Ged.IV, 266). Proclamatie van J. M. Kemper en Fannius Scholten van 1 Dec. 1813 (Kemper'sStaatkundige GeschriftenIII, 71).
9)GedenkstukkenII, 820.
10)Aldaar, 831.
11)Dit ter verbetering van de noot inGedenkstukkenII, 821.
12)GedenkstukkenII, 942; III, 684.
13)GedenkstukkenII, bll. CXII en 987.
14)Versta: de Zuidelijke Nederlanden.
15)Lord GrenvilleaanSir Charles Whitworth, Britsch gezant te St.-Petersburg, 16 Nov. 1798 (GedenkstukkenIII, 890).
16)Paul I aan Woronzow, Russisch gezant te Londen, 30 Dec. 1798 (GedenkstukkenIII, 896).
17)Falck'sGedenkschriften, bl. 350.
18)Lord GrenvilleaanThomas Grenville, 16 Juli 1799 (GedenkstukkenIII, 973).
19)De instructie:GedenkstukkenIII, 403 aangevuld door III, 1074; het advies van Fagel:GedenkstukkenIII, 1006.
20)GedenkstukkenIII, 552.
21)Geheime boodschap door Mollerus overgebracht, 20 Sept. 1799,GedenkstukkenIII, 547.
22)Art. 1 der instructie: „That the form of federative government on the basis of the Union of Utrecht should be entirely preserved” (behoudens de vermelde, in de volgende artikelen uitgewerkte, wijzigingen).
23)Zie de volgende stukken: Repelaer (lid der grondwetcommissie van 1814), Mei 1795,GedenkstukkenII, 831; Aylva (lid der grondwetcommissie van 1814), Juli 1795 (GedenkstukkenII, 839) en voorjaar 1799 (Ontstaan der GrondwetI, bl. XXXIV); Lampsins (lid der grondwetcommissie van 1814), Sept. 1795 (Ged.II, 860), Oct. 1795 (II, 869), Juni 1796 (II, 920); van Heeckeren van Suyderas, Juli 1797 (II, 960); Tollius, 1797 (III, 869); van Heeckeren van Enghuizen en anderen, Juli 1799 (III, 990); Pieter Ulbo Rengers, Juli 1799 (III, 997). Het verst van allen gaat M. L. d'Yvoy, die reeds in Sept. '95 het merkwaardig advies geeft dat de Prins de patriotten, die het niet eens blijken te kunnen worden over hun Nationale Conventie, de loef zal afsteken door zich bereid te verklaren uitvoerende macht te zijn in een ondeelbaren Nederlandschen staat, naast een wetgevende macht bestaande uit een adelshuis en een huis der gemeenten, het laatste direct gekozen door alle bezitters van eenig vast goed of effect op het land zonder onderscheid, in zestien kiesdistricten van onderling gelijke bevolking. De tegenpraestatie van het Nederlandsche volk zal moeten bestaan in de opdracht aan den Prins van een zeer uitgebreide uitvoerende macht, minstens gelijk aan die van den koning van Groot-Brittanje (Ged.II, 863; vgl. een vroeger stuk van hem, Juli 1795, aldaar 841). Het minst ver van al gaat van de Spiegel, die doet alsof er geen Revolutie geweest is en zich beperkt tot de geringe hervormingen die hij reeds twintig jaar geleden had voorgestaan (zieGed.III, 1037 en 1080, enVreede's van de SpiegelIV, 456; en voor de kritiek:Ontstaan der GrondwetI, bl. XXXII), doch zijn punten van ampliatie der Unie vinden dan ook bij velen zijner partijgenooten een ongunstig onthaal: zie b.v. van Heeckeren van Enghuizen aan den Erfprins, 19 Dec. 1799 (Ged.III, 1100): „Ik heb een stuk gelezen door van de Spiegel opgesteld; zeer zoude ik twijfelen of het voldoening zal geven. Mogelijk wel aan oude costumiers. Daar is na mijn inzien geen kracht in, en de oude langdradigheid is er in gebleven. Dikmalen hebbe ik hooren zeggen dat de Erfstadhouder zich uitgelaten heeft om niets meer te willen hebben, als hij gehad heeft. Maar hier is het mogelijk het moment om toepasselijk te maken, dat de vorst voor het volk gesteld is en niet het volk voor den vorst...”.Wij noemden hier niet de verschillende stukken van Gijsbert Karel, wiens ontwikkeling een afzonderlijke bespreking vereischt welke bijeen ander hoofdstukwordt gegeven.
Wij noemden hier niet de verschillende stukken van Gijsbert Karel, wiens ontwikkeling een afzonderlijke bespreking vereischt welke bijeen ander hoofdstukwordt gegeven.
24)Ziehiervóór, bl. 4 noot.
25)Ged.IV, 708; vgl. Bosscha,StaatsomwentelingII, 273.
26)GedenkstukkenIV, 737.
27)GedenkstukkenIV, bl. XXIX.
28)GedenkstukkenV, 813.
29)„Minute des principaux points touchés par le Prince d'Orange dans son entretien avec Lord Castlereagh, le 27 avril 1813” (Ged.VI, 1876).
30)Prinses Willemijn aan den Prins, 5 Maart 1813 (Ged.VI, 1859).
31)Lord Malmesburyaan Fagel, 4 Mei 1813 (Ged.VI, 1880).
32)Fagel aan Hogendorp, 22 Nov. 1813 (Br. en Ged.IV, 265).
33)Het werd, onmiddellijk na het onderhoud, in schrift gebracht door den uitmuntenden redacteur Fagel. „In Fagel deed mij eens een bevoegd regter—Lord St. Helens—de gave opmerken om al het verhandelde in eene conferentie of Staats-Besogne even klaar en nauwkeurig als sierlijk aan zijne committenten mede te deelen” (Falck'sGedenkschriften, 150).—Lord St. Helenswas de laatste gezant van Engeland geweest bij de oude Republiek.
34)Ik cursiveer.
35)Onderstreept in Fagel's handschrift.
36)Ik cursiveer.
37)Onderstreept in Fagel's handschrift.
38)GedenkstukkenVI, 1881.
39)Martens'RecueilII, 433.—Vgl. het artikel van Bussemaker,De diplomatieke geschiedenis der herstelling van Neerlands onafhankelijkheid, inGedenkboek der HerstellingI, 43 vv.
40)„The reestablishment of Holland as anindependentPower” (Bussemaker inGedenkboekI, 56).
41)„As H. R. H. has contended for the common safety, so He will be prepared, as far as His separate interests are concerned, to negociate in the same spirit” (Bussemaker t. a. p.).
42)GedenkstukkenVI, 1950.
43)In het doorCastlereaghden Prins gelaten afschrift is deze datum blank; de dépêche van 5 Juli was nl. niet aan hem medegedeeld.
44)Ik cursiveer.
45)Zie het aangehaalde uitLord Grenville's dépêche aanSir Charles Whithworthvan 16 Nov. 1798hiervóór, bl. 13.
46)GedenkstukkenVI, 1955.
47)Die nog steeds over de Nederlandsche zaken min of meer geraadpleegd werd.
48)Ik cursiveer.
49)GedenkstukkenVII, 2.
50)Door Repelaer slechts in punten opgeschreven, doch blijkbaar zóó te verstaan (zieOntstaanI, bl. LIXV en 17).
51)GedenkstukkenVI, 1889.
52)GedenkstukkenVI, 1953.
53)GedenkstukkenIII, 1103.
54)GedenkstukkenV, 778.
55)GedenkstukkenV, 784.
56)GedenkstukkenVI, 1808.
57)Zie de stukken vanDumouriezvan Dec. 1812 en Maart 1813,GedenkstukkenVI, 1854 en 1868.
58)Zie hiervoor talrijke bewijzen inGed. VI, 240, 271, 336, 417, 423, 440, 443, 444, 469, 506, 586, 601, 617, 618, 621, 654, 681, 706, 719. Dit gedeelte der zaak vereischt uitvoeriger bespreking dan hier gegeven kan worden; ik verwijs er voor naar mijn eerlang uit te geven geschriftOndergang en Herstel. De plannen gingennietuit van Hogendorp en de zijnen; integendeel het gebruik van den naam van Willem VII bij de volksbeweging van April gemaakt, heeft er Hogendorp toe gebracht door zijn vrienden uitdrukkelijk te doen vaststellen dat men voor Willem VI, niet voor Willem VII zou werken (Br. en Ged.V,11). Daarentegen heeft zoo goed als zeker met deze plannen in verband gestaan de komst van C. P. Gevers in Engeland in Maart 1813; hij heeftCastlereaghzoeken te bewegen tot het ondernemen eener landing op de Hollandsche kust met Willem VII aan boord; in dat geval voorspelde hij een volksopstand. Zie ook voor deze zaak:Ondergang en Herstel.Castlereaghhield aanvankelijk Gevers en Willem VI zorgvuldig gescheiden en bracht hen eerst in Augustus met elkander in aanraking; sedert werkte Gevers voor Willem VI.
59)GedenkstukkenVI, 1850.
60)GedenkstukkenVI, 1872.
61)GedenkstukkenVI, 1878.
62)GedenkstukkenVI, 1860 (11 Maart 1813).
63)GedenkstukkenVI, 1879.
64)GedenkstukkenVI, 1883 (18 Mei 1813).
65)ZieGed.VI, 1894; het stuk van Gevers zelf van 1816 (Ged.VI, 1861) durft het ware van deze zaak niet meer mede te deelen.
66)GedenkstukkenVI, 1947.
67)GedenkstukkenVI, 1898.
68)Hiervóór, bl. 28–29.
69)GedenkstukkenVI, 1863.
70)Pertz,GneisenauIII, 508 vv.
71)Vgl. de order van 19 Nov. aanWinzingerode(zieboven).
72)Zie vooral het militaire Koolemans Beynen inGedenkboekI 70 vv., benevens de inleiding op het 3de stuk vanGedenkstukkenVI.
73)GedenkstukkenVI, 1949.
74)OntstaanI, 22.
75)GedenkstukkenIII, 393; vgl.OntstaanI, bl. XXXVII en 20.
76)OntstaanI, 65.
77)OntstaanI, bl. LVII vv.
78)OntstaanI, bl. XIX vv. (bespreking) enGed. VI, 1902 vv. (tekst).
79)GedenkstukkenVI, 1881.
DE OPDRACHT VAN DE SOUVEREINITEIT DER VEREENIGDE NEDERLANDEN AAN DEN PRINS.
De Vereenigde Nederlanden herleefden en met hen het grondgebied, zooals dit in 1795 door die republiek bezeten was. Zoude het met hare instellingen evenzoo gaan? Zoude ook hier hetzelfde plaats vinden, als in Zwitserland, Sardinië, Rome, waar de gewrochten der revolutie onder den voet werden gehaald, waar inderdaad eene restauratie tot stand kwam? Zoo er hier te lande geweest mogen zijn, die zoo iets wenschten, de prins behoorde niet onder hen. Hogendorp tot eene zekere hoogte evenmin. Hoezeer geen van beiden onder de bewonderaars van den nieuweren tijd kon gerangschikt worden, wisten zij toch beiden te goed, dat de oude republiek dringend behoefte had gehad aan hervorming,en dat de kracht had ontbroken, die behoefte zelfs op de meest bescheidene wijze te bevredigen. Eene herstelling van dien toestand zoude op het verderf van het vaderland uitloopen. Er moest zijn eenheid in het bestuur der buitenlandsche betrekkingen, en dit eischte van zelf eenheid in de beschikking over het krijgswezen en in de financiën. Zoowel het een als het ander had in de oude republiek ontbroken; noch de Staten-Generaal, noch de Stadhouder hadden daarvoor de voldoende macht ter hunner beschikking gehad.
De positie van het huis van Oranje was onder de oude republiek zeer uitstekend geweest. Niemand zal dit loochenen, die zich herinnert, wat niet al in den persoon van Willem V vereenigd was. Erfstadhouder van al de gewesten, kapitein-generaal en admiraal van de unie, opperbewindhebber en oppergouverneur-generaal van de Oost- en West-Indische Compagnie, eerste edele van Gelderland, eenige edele van Zeeland, met groote macht bekleed in de bestelling der regenten van vele steden, in 't bezit van eene menigte heerlijkheden, kon hij door dit alles een grooten invloed uitoefenen op het staatsbestuur, te meer omdat hij, wat hij dan ook hier te lande rechtens mocht wezen, in de oogen der menigte in waarheid de vorst was, en dit vorstelijk prestige in menig opzicht aanvulde, wat hem aan wettelijke macht ontbrak. Toch, hoe schitterend en uitstekend ook de plaats was, die de stadhouder in ons vaderland innam, zijne macht ging niet zoover, om tegenover het buitenland met voldoende kracht te kunnen optreden. De hoogste macht van het bondgenootschap bleef niettegenstaande dit alles gevestigd in de Staten-Generaal. En wat de stadhouder niet kon, daartoe waren zij evenmin in staat. Zij konden de algemeene regeering van het bondgenootschap niet naar eisch uitoefenen, daar zij weder afhankelijk waren van de Staten der gewesten, die op hunne beurt weder te rade moesten gaan metde stemhebbende steden, zoodat zoowel voor het nemen als voor het uitvoeren van gewichtige besluiten, elk deel als het ware de wet konde stellen aan het geheel.
De revolutie had een einde gemaakt aan dien onhoudbaren toestand—en niemand, die nadacht, kon wenschen dien te herstellen.Zoude de behoefte aan meerdere eenheid vervuld worden door de denkbeelden te volgen, die Hogendorp in eene kort na de revolutie van 1795 opgestelde memorie ontwikkeld had80)? Door het oppergezag van den staat toe te vertrouwen aan eene vergadering, bestaande uit leden, hoewel gekozen door de staten der provinciën, toch vrij in het uitbrengen hunner stem, eene vergadering met voldoende macht bekleed om over de middelen der defensie te kunnen beschikken en tevens voorzien van eene goede kas; eene vergadering, die het land tegenover de buitenlandsche mogendheden kon vertegenwoordigen, en die door den steun van een hooggerechtshof in staat was zoowel de verdragen als de verdere besluiten te doen nakomen binnen's lands? Een staatsregeling waarin, welke hooge positie Hogendorp ook aan den stadhouder wilde toekennen, toch het republikeinsch karakter bewaard bleef?
Neen, op die wijze kon de behoefte niet worden vervuld. Ook in hunnen afkeer van de republikeinsche instellingen waren de oppermachtige geallieerden geestverwanten van den overwonnen keizer. Wat de engelsche minister van buitenlandsche zaken in de eerste dagen van November 1813 aan den prins zeide81), dat de regeeringsvorm meer monarchaal moest zijn, dat was de zienswijze van al de mogendheden, van wier wil het lot van Europa in die dagen afhing. Allen in merg en been monarchaal en niet gezind in hun eigen land hun eenhoofdig gezag te laten beperken. Eene herstellingvan iets, dat naar eene republiek zweemde, zoude zijn, alsof wij hunne volkeren wilden prediken, dat men onder een monarchaal gezag niet vrij kon zijn. Zoo sprak van der Palm82). En wat met het oog op het buitenland zoo goed als noodzakelijk kon geacht worden, werd ook hier te lande niet anders gewenscht. Hogendorp zelf deelde in 1813 niet meer de denkbeelden, door hem in 1795 ontwikkeld. Van den aanvang der revolutie van 1813 af, zoo al niet sedert 1801, stond het bij hem vast, dat den prins dehooge overheidmoest worden opgedragen, een ander woord voorsouvereiniteit. Toen Kemper en Fannius Scholten den 1sten December 1813 te Amsterdam den prins tot souverein uitriepen deden zij niets anders, dan wat aller wensch en verlangen was. Onregelmatig was die handeling, en die onregelmatigheid werd gevoeld; maar dit belette niet dat de prins den 2den December 1813 desouvereiniteitaannam en den 6den December 1813 het bestuur uit de handen van het den 21sten November 1813 opgetreden algemeen bestuur, uit handen van Hogendorp en van der Duyn aanvaardde.
Het is hier de plaats niet, de bijzonderheden na te speuren, die het feit, waardoor de monarchie in het huis van Oranje is gevestigd, hebben vergezeld. Een ding staat echter vast. Noch de Prins, noch Hogendorp waren afkeerig van de opdracht der souvereiniteit. Wat zoude echter de beteekenis zijn van die opdracht? In den aanvang werd daardoor de Prins absoluut vorst—niets minder dan de keizer aller Russen. Als iets blijvends werd dit echter voorzeker door niemand bedoeld. Zoo diep kon men niet gedaald zijn, dat men eene door niets beperkte monarchale macht anders zoude hebben willen dulden, dan als iets voor korten tijd, voor zoover dit voor den tijd van overgang tot eene geregelde orde van zaken noodzakelijk was. Maar wat was dan hetblijvend karakter van de opdracht der souvereiniteit? Dat de prins in plaats van Zijne Hoogheid of Zijne Doorluchtige Hoogheid, nu Zijne Koninklijke Hoogheid werd? Dat zijn wapen nu werd gekroond met een koninklijke kroon83)? Dat de Nederlanders zijne onderdanen zouden zijn? Dat de prins dus niet meer zoude zijn de eerste ambtenaar der Staten; dat geene macht boven hem zoude staan? Was het nog meer? Voorzeker ook, dat de meerdere behoefte aan eenheid door het monarchaal gezag zoude worden vervuld. Voor het overige liet ook deze opdracht alles onbepaald. Zij gaf geen antwoord op de vraag: hoedanig zou de aard van den staat zijn? Bondstaat of eenheidstaat; dit bleef eene opene quaestie.Wellicht dat, wanneer er verschil heeft bestaan tusschen Hogendorp en Kemper, dit juist in dit punt moet gezocht worden. De laatste deed in zijne met Fannius Scholten den 1sten December 1813 uitgevaardigde proclamatie zeer duidelijk uitkomen, dat er ook in andere opzichten geene restauratie zoude plaats hebben. Waar hij echter zeide, dat de Prins als Willem de Eerste souvereine vorst zoude zijn „van het vrije Nederland,” daar was de Prins in zijne waarschijnlijk onder Hogendorps invloed opgestelde proclamatie van 6 Dec. 1813 de souvereine vorst „der Vereenigde Nederlanden.”
Bondstaat of eenheidstaat: wat zoude het zijn?
En eveneens bleef het onbeslist, in hoever de nieuwe beginselen van staatsbestuur, de beginselen van zelfregeering en gelijkheid, de beginselen der 18e eeuw, hunne kracht zouden behouden, of, voor zoover zij reeds onder franschen invloed waren verstikt, weder tot hun volle recht zouden komen. Daarop moet het antwoord gezocht worden in de niet alleen door Kemper en Fannius Scholten, maar ook door den souvereinen vorstbeloofde grondwet. Nu eene volledige restauratie van het oude onmogelijk was, nu het republikeinsch karakter plaats maakte voor het eenhoofdig gezag, nu daardoor de noodzakelijkheid eener diep ingrijpende verandering erkend was, moest men wel zijne toevlucht nemen tot het ontwerpen en vaststellen eener grondwet. In zoover kon zelfs het jaar 1813 zich niet losmaken van de beweging, die met de onafhankelijkheid van Noord-Amerika begonnen, in den revolutietijd was voortgezet; men bleef ook nu het denkbeeld omhelzen, dat de grondtrekken van den staatsvorm in één statuut moesten worden opgenomen, in ééne wet, die de grond van alles was.