IX.

522)Besluit van 22 Juni 1814, bevelende een algemeenen dankdag.—Verslag den 7 November 1813 door den Minister van Binnenlandsche Zaken, Mr. W. F. Röell, gedaan aan de Staten-Generaal (Stuart,Jaarboekenvan 1814, bl. 211, 248.)

523)Hiervóór, bl. 90.

524)Br. en Ged.III, 95.

525)Van Zonsbeek in de zitting van 9 Febr. 1797.

526)Falck,Brievenno. 91.—Staatscourantno. 1.—Hogendorp aan Fagel, 29 Nov. 1813 (Br. en Ged.IV, 272): „Nous organisons aujourd'hui les Ministères de la Guerre, de la Marine, des Finances, de l'Intérieur, parce que physiquement nous ne pouvons pas tarder davantage. Nous plaçons à la tête sous le nom de Commissaires Généraux, afin de laisser au Prince l'honneur de nommer des Ministres, M. M. Bentinck, Job May, Canneman, van Stralen”. De benoeming van May is echter achterwege gebleven.

527)Toen tengevolge van de staatsregeling van 1801 Gogel voorloopig van het staatstooneel aftrad, werd Canneman griffier van den Raad van Financiën. Dit verstoorde echter beider vriendschap niet. Men vindt Canneman onder koning Lodewijk als secretaris-generaal aan het departement van Financiën, terwijl Gogel minister is.

528)Sillem,Gogel, 314.

529)Br. en Ged.IV, 337; V, 27.—Sillem,Gogel, 111.

530)Van Akerlaken,Hendrik van Stralen, 253 vv.

531)Br. en Ged.IV, 309.

532)Falck aan Canneman, 7 Dec. 1813 (Brieven, no. 92; de uitgever dateert verkeerdelijk 23 Nov.)—Staatscourant1814, no. 1, 2.

533)A. W. Philipse, Advocaat-Generaal onder Napoleon.

534)Staatscourant1814, no. 36.

535)Staatscourant1814, no. 4.

536)Van Akerlaken,Hendrik van Stralen, 278.

537)Staatscourant1814, no. 84.

538)Hierdoor laat zich ook verklaren, dat op de begrooting der uitgaven over 1815 geen afzonderlijke post voor deJustitievoorkomt. Deze uitgaven komen voor onder die van het Departement van Binnenlandsche Zaken.

539)Staatscourant1814, no. 85.

540)Lodewijk Bonaparte,GedenkstukkenI, 152, III, 89; vgl. Röell inGed.V, 572.

541)Aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813 (Brieven, no. 97).

542)O. W. Hora Siccama in de voorrede derAmbtsbrieven, blz.XVI.

543)Bl. 247.

544)Brieven, 23.—In den ruim een jaar vóór zijn aftreden aan D. J. van Lennep den 26sten Februari 1817 gerichten brief schrijft Falck over zijne verhouding tot Willem I: „Mijne positie is, òf onveranderd gebleven, òf zelfs nog verbeterd. Dezelfde onderscheidende goedheid, dezelfde welwillendheid van de zijde des meesters. Wel geene overeenstemming op alle punten en geen toegeven aan alle mijne denkbeelden of tegenwerpingen, maar dezelfde blijken van innig en onbeperkt vertrouwen, en moet ik mijne meening ronduit uitdrukken, ik ben in te veel en in te velerlei dingen van aanbelang gebruikt om ooit onder deze regeering het slachtoffer te kunnen zijn van iets anders dan van eigene onvoorzichtigheden of van nalatigheid in mijne plichtsbetrachting.”

545)Brief van 7 Dec. 1813 (Brieven, no. 92); van 2 Maart 1814 (no. 100).

546)„M. de Hogendorp, (vice)-president of the council of state, and one of the cabinet ministers” (ChadaanCastlereagh, 12 Juli 1816;Ged.VIII, 38).

547)Thorbecke,AanteekeningI, 186.—Handleiding tot de kennis van het Staatsbestuur, II, 5.

548)Brief van 28 Aug. 1817 aan Röell, toen lid der Eerste Kamer.

549)ClancartyaanCastlereagh, 3 Febr. 1818 (Ged.VIII, 90).

550)Brief van van Maanen aan Röell van 8 Febr. 1829.

551)Voor het eerst gedrukt in denTijdgenoot, III, 707.

552)Staatscourant1814, no. 106.

553)Elout in de grondwetcommissie van 1815, zitting van 20 Mei: „de Koning consulteert thans den Raad van State over koloniezaken” (OntstaanII, 185).

554)Uit een brief vanChadaanLord Castlereaghvan 12 Juli 1816 (Ged.VIII, 38), blijkt, dat Hogendorp zich niet ontzag instructies aan den gezant te Weenen te geven, wat natuurlijk niet op zijnen weg lag.—Vgl. over deze zaakBr. en Ged.VI, 363; Hogendorp had aan van Spaen geschreven over eene particuliere zaak die niet aan hem doch aan van Nagell gerenvoyeerd was.

555)Loi du 17 févr. 1800 (28 pluv. an VIII); Fortuyn II, 101.

556)Bl. 177.

557)Schorer werd, daar Zeeland eerst in Mei van de Franschen verlost werd, eenigen tijd later benoemd.

558)Van Akerlaken,Hendrik van Stralen, 279.

559)11 Aug. 1815, (Brieven, no. 116).

560)Hiervóór, bl. 185.

561)Vgl. de circulaire van den Gouverneur van Zuid-Holland van 9 Aug. 1814,Bijv. t. h. Staatsblad1814, bl. 1623.

562)Brief van Falck aan Röell van 10 Aug. 1814.

563)Bl. 129.

564)In Zeeland werd echter reeds in 1816, in Friesland in 1825 eene Ridderschap ingesteld.

565)Besluiten van den Souvereinen Vorst van 28 Augustus, 17 September, 7 en 22 October, 1, 9 en 11 December 1814 (Stuart,Jaarboeken1814, bl. 220).

566)OntstaanII, 110, 117, 152 (waar voor „voegelijk” het woord „niet” is uitgevallen), 412, 417, 420, 426.—„Omtrent de verheffing in den adel”, schrijft de Koning, „dient geen conditie gesteld te worden. Het spreekt van zelvers, dat gecenseerd wordt dat het alleen geschiedt om bewezen diensten te beloonen, dog daar deze van verschillenden aart kunnen zijn, die niet altoos erkend worden, zoude het niet voeglijk zijn, den Koning te exponeeren van aan de Grondwet te mankeeren, wanneer zijne keuzen niet goed waren”.

567)Ziehierboven bl. 81.

568)Bl. 180.

569)Br. en Ged.IV, 250.—Jacob Fagel is 19 Nov. vertrokken met een geloofsbrief van het Haagsche comité van den 17den, doch had niet het minste voornemen zijn broeder Hendrik te verdringen die niet uit Engeland weg wilde en dus de aangewezen ambassadeur was voor later.

570)Ged.VI, inl. 3e stuk, CLXXXVIII.

571)Br. en Ged.V, 26; met „eene memorie betoogende de noodzakelijkheid van eene regeering en wapening en de middelen daartoe aanwijzende”. Dit stuk is helaas nergens teruggevonden.

572)Vgl. met de inde vorige noot genoemde plaatsGed.VII, 1742, welke brief niet van 22 doch van 21 Nov. is (zieGed.VII, inl. 3e stuk, CCXXV).

573)Br. en Ged.IV, 258.

574)Br. en Ged.IV, 245.

575)Ged.VI, inl. 3e stuk, LXXXIV.

576)Ged.VI, inl. 3e stuk, LXXXVI (27 Nov.; minuut van van der Duyn.)

577)Aldaar, XL en LVIII.

578)Ged.VII, 1523.

579)Aldaar, 1525.

580)Aldaar, 1526.

581)„Zondagmorgen ben ik geroepen bij den heer G.K. van Hogendorp”, schrijft Canneman 24 Nov. aan Gogel (aldaar, 1541); G. K. schrijft: „ik ontving hem”, doch hij schrijft dit eerst in 1817.

582)Br. en Ged.IV, 337.

583)Ged.VI, inl. 3e stuk, LXXXII.

584)Aldaar, XCII.

585)Hiervóór, bl. 67.

586)Br. en Ged.V, 14.

587)Deze ontdekking had plaats op een oogenblik dat de naam Bentinck bij de politie in een kwaad gerucht stond wegens de gedragingen van den bekenden graaf Bentinck van Rhoon, toen maire van Varel, bij den boerenopstand in Oostfriesland (Ged.VI, 264).—Bentinck van Buckhorst kwam vrij door de voorspraak van zijn provinciegenoot R. J. Schimmelpenninck bij den minister van politie te Parijs (aldaar, 662).

588)„Piepers wil volstrekt niet paraisseeren maar gaarne medewerken en is de ziel van alles” (Falck aan Kemper, 29 Nov. 1813;Brievenno. 91).—Piepers, zoon van een huisschilder uit Middelburg, was in den bureaudienst opgeklommen. „Mij is verhaald”, schrijft de Bosch Kemper, „dat hem die afkomst eens door een adellijke, in den nog zeer patricischen tijd van 1815, op onaangename wijze werd herinnerd, hetgeen Willem I zeer kwalijk nam” (Letterk. Aant., 504).

589)Falck'sGedenkschriften, 125.

590)Br. en Ged.V, 44.

591)Br. en Ged.V, 38. „Naarmate de heer Canneman aan het werk ging, ondervond hij de noodzakelijkheid van een binnenlandsch ministerie, en bragt mij den heer van Stralen, als den eenigsten bekwamen man daartoe bij afwezigheid van den heer van der Capellen”. Van Stralen was de minister van dit departement geweest onder Schimmelpenninck; van der Capellen onder koning Lodewijk. Van Stralen zal aan Canneman hierom vooral welkom zijn geweest, wijl hij zich een warm voorstander had betoond der belastinghervorming van Gogel, en in 1805 de reorganisatie der departementale en gemeentebesturen had tot stand gebracht die tot het welslagen van Gogels plannen de noodzakelijke voorwaarde was (zie mijnSchimmelpenninck en Koning Lodewijk, 43).

592)Onder continuatie der bestaande directie (Mollerus).

593)Ged.VI, inl. 3e stuk, XCVII.

594)Aanteekening van Falck op van der Palm (bl. XXXIII der inleiding op mijn uitgave van diensGedenkschrift); vgl. Falck'sGedenkschriften, 99.

595)Ged.VI, inl. 3e stuk, LXXII.

596)Aldaar, LXXIII.

597)Br. en Ged.V, 20, waar voor „Repelaer vond hem bij mij” gelezen moet worden „zond hem bij mij”; Falck'sGedenkschriften, 76.

598)Deze is inderdaad bijna onbegrensd geweest. In minuten van zijne hand, ook over de ingewikkeldste zaken, vindt men bijna nooit een doorhaling.

599)Falck'sGedenkschriften, 99.

600)Br. en Ged.IV, 256.

601)Falck'sGedenkschriften, 110.

602)Aldaar, 113.

603)„Ik had ingewilligd dat elk vier vertrouwden zoude kiezen, die van hem alleen weten zouden, en dat elk van die vier wederom denzelfden gang zoude gaan. Maar ik zelf stelde geen prijs hoegenaamd op die aardigheden, en deed er niets aan” (Br. en Ged.V, 17).—„Alles bepaalde zich tot de vertrouwelijke woorden welke Singendonck nu en dan over en weer droeg. Het was niet eens een stellige afspraak, veel min een stellige samenzwering” (Falck'sGedenkschriften, 77).

604)Zijn afzegbrief aan Napoleon is eerst van den 19den.

605)Zoodra er 21 Nov. generaals zijn aangesteld krijgt van Stirum (22 Nov.) eene plaats boven hen, als „gouverneur-generaal over de gewapende magt in Holland” (Ged.VI, inl. 3e stuk, LXXIX).

606)Falck'sGedenkschriften, 124.

607)Bentinck aan C. F. de Jonge, 21 Nov. 1813 (Ged.VI, inl. 3e stuk, CXC).

608)Ged.VI, inl. 3e stuk, XCII.

609)Aldaar, CLXVII en CLXXVI; vgl.Br. en Ged.IV, 389.

610)Door Byvanck inGids1890, II, 296.

611)Dit had Canneman gedaan (hiervóór, bl. 305), die hem dus weldra moet zijn afgevallen.

612)Falck'sGedenkschriften, 120–'21.—„Zijn eigen ambtenaren klaagden, dat hij altemets in geen drie dagen voor hen zichtbaar was” (Br. en Ged.V, 193).

613)Falck'sGedenkschriften, 120; vgl. Sillem,ValckenaerII, 340 vv. enGed.VII.

614)Br. en Ged.V, 68.

615)Br. en Ged.V, 46.—„Zijn titel”, schrijft G. K. in 1817, „was eerst Algemeen Secretaris [van het Bestuur], hij werd later [Algemeen] Secretaris van Staat en is nog niet Minister” (Br. en Ged.V, 45).

616)Falck'sGedenkschriften, 404 vv.

617)Br. en Ged.V, 44.

618)Falck'sGedenkschriften, 175–176.

619)Loutere schijn, want de Mey krijgt onder den titel van „Staatsraad belast met directie der Staatssecretarie” precies hetzelfde als Falck te doen. (Aldaar, 203 en 408).

620)De eerste blijkt gehouden 8 Dec. 1813 (Falck'sBrieven, no. 90, welke brief, enkel gedateerd „Dinsdagavond”, door den uitgever ten onrechte op 23 Nov. gebracht is in plaats van op 7 Dec.)

621)In den aanvang vaker; ziehierachterden brief van den S. V. aan Hogendorp van 8 April 1814.

622)Zij zijn een tien- of twaalftal jaren geleden door wijlen Mevrouw de weduwe Falck-Crommelin te Utrecht aan het Kabinet der Koningin ten geschenke gegeven waar zij nog berusten, en bevestigen wat Falck omtrent het karakter van den Kabinetsraad mededeelt; bovendien zijn zij zóó summier dat een ander dan de man die ze schreef er nagenoeg niets aan heeft.—Voorbeeld Falck'sGedenkschriften, 348; ander voorbeeld:OntstaanII, bl. XCI. Het waren dan ook geen notulen die in de volgende vergadering werden gelezen en goedgekeurd; zieHogendorp hierachter.

623)Falck'sGedenkschriften, 127–128.

624)Br. en Ged.V, 72.

625)Aldaar, V, 93.—Te Amsterdam werden er veranderingen in gemaakt.

626)Br. en Ged.V, 362.

627)Ziebovenstaanden brief.

628)Dit was inderdaad het geval.—Over de instructiehiervóór, bl. 282.

629)Hiervóór, bl. 169en193.

630)Vgl. echterhiervóór, bl. 315; Falck's notulen waren dus aanteekeningen ten eigen behoeve.

631)Als minister van buitenlandsche zaken.

632)ZieTellegen's volgende hoofdstuk.

633)Hieruit blijkt dat Falck (die zijn gedenkschriften zooveel later schrijft) van de zaak een minder juiste voorstelling geeft, wanneer hij meldt (Gedenkschr.133) dat Hogendorp vóór de behandeling in den Raad, „na een ernstig onderhoud”, de belofte had moeten afleggen niet te zullen tegenwerken. Hij zal naderhand hebben beloofd niet te zullen tegenwerken in de Staten-Generaal, waaruit hij wegbleef toen de wet in behandeling kwam.

634)Inderdaad werden van Bylandt-Halt en Canneman om hun adviezen bij deze gelegenheid uitgebracht, uit den Raad gezet (Falck,Gedenkschr.133;Br. en Ged.V, 104, 193).

635)Ged.III, 183 (20 Jan. 1801).

636)Ziehiervóór, bl.104.

637)Ziehiervóór, bl. 312.

638)Br. en Ged.V, 112.

639)Voor elk tijdvak dat de Staten-Generaal bijeen waren, werd een nieuwe president benoemd. De eerste (in Mei) was een Gelderschman geweest, van Lynden van Hoevelaken, die aanstonds begon met de stemmen op te nemen, zooals in de collegiën der oude Republiek. „Had dan iemand iets in te brengen, die tot de laatste helft behoorde, zoo was dit verloren voor de eerste helft, die al gestemd had”, m. a. w. beraadslaging en stemming waren niet gescheiden. Dit was te bedenkelijker daar de leden zaten en stemden volgens de orde der provinciën, zoodat de eerste provincie een groot voordeel had. Hogendorp veranderde dit tijdens zijn presidium in November: hij liet de leden het woord vragen en na afloop derberaadslagingstemmen, zooals het sedert in gebruik is gebleven.

640)Er waren zooveel commissiën in de Staten-Generaal gevormd als er ministeriën waren.

641)Maar in zijn eigen boezem!

642)Br. en Ged.V, 111 vv.

643)Br. en Ged.V, 275.

644)Falck'sGedenkschriften,133.

645)Ged.VI, inl. 3e stuk, CXLVII.

DE VERVANGING OF WIJZIGING DER FRANSCHE WETGEVING.

De sporen der vreemde overheersching waren in zoover uitgewischt, dat eene nieuwe Grondwet was tot stand gekomen niet alleen, maar dat zij ook was ingevoerd. De regeeringsvorm van het Keizerrijk was door eene nationale regeling vervangen. Souvereine Vorst, Staten-Generaal, Raad van State, Rekenkamer, Staten Provinciaal treden in de plaats van de instellingen der Fransche constitutie. De Franschen hadden ons echter nog iets anders gebracht dan hun regeeringsvorm. De beginselen van staatsbestuur uitgewerkt in Wetten en Decreten waren eveneens uit den vreemde overgeplant op Nederlandschen grond646). Werden wij ook hiervan bevrijd tegelijk met de afwerping van het vreemde juk?

Dat in de dagen van November 1813, toen alle kracht gericht moest worden op de herwinning onzer onafhankelijkheid, de bestaande wetten en verordeningen van kracht bleven, was vooral bij de afwezigheid van denPrins van Oranje niet te verwonderen. Het Staatsbestuur kon niet stilstaan. Toen Hogendorp, bijgestaan door van der Duyn, den knoop doorhakte en zij in naam van den Prins zich stelden aan het hoofd der Regeering, werd in hunne daartoe strekkende proclamatie van 21 November 1813 zoowel op het stuk der belastingen als op dat van het bestuur en de justitie de bestaande wetgeving gehandhaafd. Alleen werd bij hun besluit van 1 December 1813 bepaald, dat er voortaan niet meer in naam des Keizers, maar in naam der Hooge Overheid recht gesproken zoude worden; dat de titulaturen der rechterlijke collegiën in harmonie zouden gebracht worden met de nieuwe orde van zaken, en dat alleen de Nederduitsche moedertaal bij die collegiën zou worden gebruikt647). Het eerste was een noodzakelijk gevolg van de vernietiging der vreemde heerschappij; het tweede kon bij de herleving van ons volksbestaan niet achterwege blijven.

Toen dit besluit genomen werd was de Prins van Oranje reeds teruggekeerd, doch was het Algemeen Bestuur nog in werking. Welke gedragslijn volgde nu de Souvereine Vorst, nadat hij den 6den December 1813 de Regeering had overgenomen? Toen de Keurvorst van Hessen in 1813 tot zijne getrouwe onderdanen terugkeerde, haalde hij de pen door alles wat sedert het oogenblik zijner verdrijving, sedert 1806 was ingevoerd648). Dezen weg kon de Souvereine Vorst niet inslaan, ook al had hij—wat niet geval was—dit gewenscht. Waar met opdracht der Souvereiniteit zijn gezag zoude berusten op, zoude omschreven worden in eene vast te stellen Grondwet, kon restauratie van hetgeen in 1795bestaan had niet in aanmerking komen. Een terugkeer tot de instellingen van de Republiek der Vereenigde Nederlanden was onmogelijk, nu eenmaal het besluit genomen was den ouden regeeringsvorm niet te herstellen. Iets anders was het echter, zoo men terugkeerde tot de wetgeving, zooals die op het oogenblik der inlijving, bij het verdwijnen van het koninkrijk Holland bestond. Doch ook dit is niet geschied. Dat de Souvereine Vorst hiertoe niet overging, is voorzeker niet hieraan toe te schrijven, dat hij door den drang der omstandigheden tijdelijk met de onbeperkte macht bekleed, van deze macht alleen gebruik wenschte te maken in afwachting van het tot stand komen der Grondwet. De Souvereine Vorst werd, getuige menige diep ingrijpende maatregel, door dergelijk gemoedsbezwaar niet gekweld. Hij was voor het oogenblik onbeperkt heerscher, en hij gebruikte zijne macht zonder schroom. Had het hem oorbaar geschenen, hij had den toestand kunnen herstellen, zooals koning Lodewijk dien bij zijn afstand gelaten had.

Toch is dit niet geschied. Heeft de Souvereine Vorst het nagelaten, omdat het geheele tijdvak van 1795 tot 1810 toch ook onder den invloed der Fransche denkbeelden gestaan had, en dus de instellingen, bij de inlijving bestaande, evenmin nationaal konden genoemd worden? Ik bedoel hier niet het streven naar politieke vrijheid, dat in 1795 op den voorgrond stond, doch in 1810 reeds lang had gebleken ijdel te zijn; ik heb op het oog het streven naar eenheid van Volk en Staat, met vernietiging van de voorrechten, toegekend aan geboorte, kerkelijke belijdenis of woonplaats. Men had dit beginsel wel nu en dan trachten te beknibbelen, doch in de hoofdzaak had het toch gezegevierd. Ook op dit stuk was de Fransche wetgeving geen terugtred geweest; zij had de opwellingen in tegenovergestelden zin den kop ingedrukt. Ook hierin was dus geene voldoendereden gelegen om de in 1813 bestaande instellingen door die van 1810 te vervangen.

Dit alles neemt niet weg, dat men hier te lande voorliefde koesterde voor hetgeen vóór de inlijving had gegolden, zoodat, hadden er geen practische bezwaren bestaan, het niet onwaarschijnlijk is dat de Souvereine Vorst den vroegeren toestand zoude hebben hersteld. Doch daartegen bestonden wel praktische bezwaren. Men vestige slechts de aandacht op de burgerlijke en strafwetgeving.Den 1sten Februari 1809 was het crimineel wetboek, den 1sten Mei 1809 het burgerlijk wetboek, het zoogenaamde wetboek Lodewijk Napoleon ingevoerd. De rechterlijke inrichting en de regeling der burgerlijke rechtsvordering en der strafvordering waren daarentegen, hoewel vastgesteld, niet in werking getreden. De Fransche Codes daarentegen met al hetgeen er bij behoorde, waren alle den 1sten Maart 1811 ingevoerd en hadden dus meer dan twee jaren gewerkt. Het ging niet aan, de beide wetboeken van koning Lodewijk weder te doen herleven en daarnaast de Fransche burgerlijke en strafvordering en de Fransche rechterlijke organisatie te laten bestaan. En het was eveneens zoo goed als onmogelijk, wat die laatste onderwerpen betreft, de regeling van koning Lodewijk, die nog nooit had gewerkt, in 't leven te doen treden. Alles moest er dus toe leiden om de Fransche wetgeving voorloopig te handhaven. Dit ging ook met mindere bezwaren gepaard, omdat de Keizer zelf niet de geheele Fransche wetgeving met één pennestreek hier te lande had ingevoerd: hij had de wetten, die hier zouden gelden, afzonderlijk genoemd; hij had de bestaande regeling van sommige onderwerpen geëerbiedigd649).

De Souvereine Vorst deed dus wat het algemeen bestuurhad gedaan: hij liet, behoudens de wijzigingen die hij wenschelijk achtte, de wetgeving zooals hij die vond in wezen. Er waren echter hier te lande, die dit niet hadden begrepen. De Fransche wetgeving had ons iets gebracht, dat reeds onder koning Lodewijk beloofd was, maar nog niet in werking was getreden: de akten van den burgerlijken stand; niet alleen een doeltreffend middel tot verzekering van den staat der personen, maar tevens een niet genoeg te waardeeren wapen tegen de heerschzucht der geestelijkheid. Nu waren er die meenden, dat met de verdrijving van den vreemdeling te dezen opzichte de oude toestand was herleefd. Bij besluit van 16 Februari 1814 (Staatsbladno. 26) moest de Souvereine Vorst een naderen termijn verleenen aan hen, die verzuimd hadden, geboorten, sterfgevallen enz. aan te geven, een verzuim, dat, zeide de Souvereine Vorst, een gevolg was van het „dwalend denkbeeld, dat alle instellingen zonder onderscheid, uit de inlijving met Frankrijk afkomstig, door de gezegende verandering van zaken in dit land, waren komen te vervallen.”

Zoo bleef dan de Fransche wetgeving bestaan, voorzoover ze niet door het algemeen bestuur gewijzigd was en later door den Souvereinen Vorst, vóór de aanneming der Grondwet van 29 Maart 1814 door hem alleen, daarna in overleg met de Staten-Generaal, gewijzigd zoude worden.

In hoever heeft vóór en onder de Grondwet van 1814 dit laatste plaats gehad? Het is niet mijne bedoeling deze vraag volledig te beantwoorden; ik wensch mij tot enkele hoofdpunten te bepalen.

Het Staatsbestuur heeft, zal het zijne taak kunnen vervullen, uitgaven te doen. Zij moeten in den nieuwen tijd grootendeels gevonden worden uit de bijdragen der ingezetenen. Een belangrijk gedeelte van de Staatszorg heeft dus betrekking tot de financiën, en in 't bijzonder tot de heffing van belastingen. Men was vóór de inlijving er in geslaagd de belastingen van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, die met eene enkele uitzondering, de convooien en licenten, een provinciaal karakter droegen, te doen vervangen door algemeene belastingen en alzoo uitvoering te geven aan de beloften, reeds gedaan door de Staatsregeling van 1798 (art. 200). Iets wat door Hogendorp nog na de omwenteling van 1798 zoo goed als onmogelijk beschouwd werd650), was onder Schimmelpenninck door de kunde en energie van den financier der Revolutie, Gogel, tot stand gekomen651). Het beginsel der Staatseenheid was dus op dit gebied verwezenlijkt.

De groote maatregel was geslaagd, alleen had de opbrengst der belastingen niet hoog genoeg kunnen worden om de uitgaven te dekken. Men stond onder koning Lodewijk nog telken jare voor een aanzienlijk tekort. Toen nu ons land in het groote Rijk werd ingelijfd, kon een afzonderlijk belastingstelsel moeilijk blijven bestaan. Maar de Fransche belastingen waren lichter; ze zouden dus eene mindere opbrengst geven. De moeilijkheid werd opgelost door de schrapping van ⅔ van de rente der staatsschuld door de zoogenaamde tierceering. Was die maatregel voor de renteheffers een financieele ramp, de daardoor met ongeveer 24 millioen verminderde uitgavenzouden nu door de opbrengst der Fransche belastingen kunnen worden gedekt. Waarom echter met de invoering dezer belastingen gewacht tot 1 Januari 1812?652). Dit geschiedde niet alleen om de Hollandsche ambtenaren in staat te stellen, op de hoogte te komen der Fransche inrichtingen; het geschiedde ook, omdat de behoeften van het jaar 1810 en 1811 anders niet voldoende konden worden gedekt. Alleen werden reeds met 1 Januari 1811 de directe belasting op het meubilair en de accijnzen op zeep en vleesch afgeschaft, en werden ook in andere opzichten de belastingen verminderd. Toen nu op 1 Januari 1812 het Fransche belastingstelsel werd ingevoerd, verdwenen daardoor tevens de accijns op het gemaal en die op de brandstoffen. De geldelijke uitkomst van de Fransche belastingen was deze, dat, terwijl de opbrengst der belastingen in 1810 ongeveer 42 millioen gulden had bedragen, zij in 1811 verminderde tot334/10millioen gulden, om in 1812 tot 61½ millioen franc te dalen653).

Toen de Souvereine Vorst het bestuur overnam, was hier alzoo het Fransche belastingstelsel in werking. Niettegenstaande hij de kassen ledig vond, meende hij toch maatregelen te mogen nemen, die eene mindere opbrengst der belastingen ten gevolge moesten hebben. Op denzelfden dag, dat hij de Regeering aanvaardde, nam hij een besluit tot verlaging van het recht op de dranken en een en ander van nog grooter gewicht, waarbij het Staatsmonopolie van de tabak, de zoogenaamde regie, werd afgeschaft654). Welke denkbeelden den Vorst bezielden, blijke uit den aanhef van dit besluit, waarin hij den koophandel beschouwde, „als de bron van vroegeren luister”, elk monopolie verklaarde te zijn onbestaanbaar met zijne grondbeginselen en „strijdig metde liberale denkbeelden, welke de Nederlandsche Regeering steeds hadden gekenmerkt.”

Een besluit van den volgenden dag werkte in diezelfde richting655). Het betrof de afschaffing van „het principe” der gehate Fransche douanes en de wederinvoering van de Convooien en Licenten, tegelijk met het buitenlandsch lastgeld op de schepen. De in den tijd der Spaansche troebelen geheven Licenten wegens den handel op den vijand, en de Convooien of geleidegelden, toen geheven voor de bescherming der zeevaart of als afkoop voor plundering en kaperij, waren, nadat de redenen voor de heffing niet meer bestonden, als belasting op den in-, uit- en doorvoer van waren blijven bestaan. Het was tegelijk met het buitenlandsch lastgeld de eenige belasting, die onder de Republiek der Vereenigde Nederlanden voor de Generaliteit werd geheven656). Het laatst vastgestelde tarief, dat van 1725657), was nimmer door een nieuw tarief vervangen; alleen werd het jaarlijks herzien en dan soms gewijzigd. Ook Gogel had deze belasting onaangeroerd gelaten. Zij werd nu door den Souvereinen Vorst hersteld, zooals zij volgens de Wet van 29 December 1809 het laatst was herzien. Men dient bij dat punt niet te vergeten, dat het onder de Fransche overheersching zoo uitgestrekte tolgebied nu weder tot de oude grenzen was ingekrompen, en dat alzoo het behoud van het hooge Fransche tarief dubbel drukkend zoude geweest zijn. Bij hetzelfde besluit, eenige dagen later aangevuld658), werden tevens hersteld de niet tot de Convooien en Licenten behoorende imposten op onderscheidene buitenlandsche producten, die geheven werden volgens de Wet van 18December 1805 en hoofdzakelijk moesten dienen tot equivalent van de hier te lande op die goederen gelegde accijnzen.

De Souvereine Vorst moest echter spoedig inzien, dat althans in de eerste tijden niet aan een verlichting der belastingen, eerder aan verzwaring daarvan zou moeten gedacht worden. Voor de verdrijving der Franschen van het grondgebied waren niet alleen soldaten, er was daarvoor bovendien geld noodig.Toen de Souvereine Vorst bij besluit van 6 December 1813 (Staatsbladno. 6) de Nederlanders te wapen riep, deed hij tegelijk een beroep op hunne beurzen. „Gedwongen leeningen voegden niet aan een volk, dat zijn eigene belangen vrijwillig op zich had genomen”. Door vrijwillige bijdragen moest de schatkist worden gevuld. De bron vloeide echter niet ruim genoeg om daarmede de behoefte te kunnen dekken659). Evenmin kon aan het oogmerk voldoen, dat de ingezetenen bij besluit van 18 December 1813 (Staatsbladno. 13) werden uitgenoodigd tegen genot van ½% per maand voorschotten te doen op de belastingen, door hen over 1814 te betalen. Ook al ware deze maatregel beter geslaagd dan het geval schijnt te zijn geweest, kon hij alleen voor het oogenblik helpen, en dit nog wel ten koste van de inkomsten van het volgende jaar. De Souvereine Vorst moest dus wel zijne toevlucht nemen tot eene nieuwe regeling der belastingen.

„In aanmerking nemende de noodzakelijkheid om ten spoedigste aan 's lands schatkist te verzekeren de geldmiddelen, welke dezelve in staat kunnen stellen om gedurende 1814 te voorzien in de vaste en gewone uitgaven, die, ter voldoening der verschuldigde renten van de nationale schuld, ter bestrijding van de onkostenvoor het inwendig Bestuur, voor den Waterstaat, voor de Zeemacht, mitsgaders voor de defensie en de armee van den Staat en derhalve ook, om een krachtdadig deel te nemen in den oorlog, welke voor de onafhankelijkheid der Staten van Europa gevoerd wordt, benoodigd zijn.” Zoo luidde de aanhef van 's Vorsten besluit van 23 December 1813660), aanwijzende de belastingen in 1814 te heffen. Bij dit besluit ging de Souvereine Vorst een stap verder in de richting van de afschaffing der Fransche belastingen en de vervanging daarvan door belastingen volgens het stelsel van Gogel. De zoogenaamde vereenigde rechten maakten plaats voor de accijnzen, op het oogenblik van de inlijving bestaande. Zout, gedistilleerd en wijn werden weder volgens de Hollandsche wetgeving belast; de accijnzen op turf, zeep en gemaal, in het Fransche stelsel niet bekend, traden weder uit het niet te voorschijn. De domaniale, provinciale en watertollen traden in de plaats derdroits de navigation, eveneens een der vereenigde rechten. Zoo herleefden ook het recht op de waag en op de ronde maat, van oudsher in ons land bekende belastingen, drukkende, met vrijstelling van den kleinhandel, op den verkoop van goederen 't zij bij de maat, 't zij bij het gewicht. Tevens werd weder ingevoerd de belasting op de binnenlandsche scheepvaart, geheven onder den naam van het binnenlandsch last-, water-, plaisier- en passagegeld. De wederinvoering van Gogel's wet op de successie was eenerzijds eene verlichting, doordat het successierecht in de nederdalende lijn, in Frankrijk geheven, hierdoor verdween; anderzijds was het eene verzwaring, daar het tarief van Gogel veel hooger was dan het Fransche661).

In vele opzichten keerde men dus tot de Hollandsche wetgeving terug. Van de belastingen bleven vooreerst de grondbelasting, een deel der personeele en patentbelasting, benevens de rechten op den waarborg662)aan de Fransche wetgeving onderworpen, terwijl ook de zegel-, registratie-, griffie- en hypotheekrechten, de drie laatste onbekend in Gogel's stelsel, op denzelfden voet als tot dusver zouden worden geheven.

Het valt niet gemakkelijk na te gaan, wat den Souvereinen Vorst heeft bewogen van de Fransche belastingen deze te behouden, gene af te schaffen. Voorzeker waren het niet altijd redenen uit het belang der schatkist geput, die tot het een of ander hadden doen besluiten. Dat bij de afschaffing der tabaksregie een ander doel beoogd werd, sprong ook, al ware dit niet uitdrukkelijk gezegd, duidelijk in het oog. Soortgelijke redenen werkten ook mede bij de wederinvoering van de Convooien en Licenten. Zij waren, voorzoover dit van eenige belasting kan gezegd worden, steeds populair geweest. Was de reden hiervan gelegen in de lage rechten? Maar toen de Souvereine Vorst de Convooien en Licenten herstelde, trad daardoor weder in 't leven het tarief, zooals dit bij de wet van 1809 herzien was. En dit tarief ademde een protectionistisch karakter. „De zee”, zegt Hogendorp663), „was toen gesloten, de koophandelscheen vernietigd en men zocht eenige vonken van welvaart op te wekken uit fabrieken, die om verbod of bezwaar van invoer van vreemde goederen verzochten. De vergunningen toen verleend en op de wijze van den tijd verleend, d. i. met drift en zonder vooruitzicht, bleken thans, bij den herrezen koophandel, zeer nadeelig te zijn. De belemmeringen aan den algemeenen handel toegebracht, strekten veel meer tot verachtering der nationale welvaart, dan de flauwe opbeuring van eenige fabrieken er goed aan doen kon.” Dit was dan ook de reden dat men niet staan bleef bij de in December 1813 weder ingevoerde Convooien en Licenten, zooals die volgens de wet van 1809 geheven werden. De zucht „om den herlevenden koophandel te begunstigen”, leidde er toe om na de invoering der Grondwet van 1814 en dus nu in overleg met de Staten-Generaal bij de wet van 25 Juni 1814 (Staatsbladno. 70) het tarief in vele opzichten te verlagen. Er was echter iets anders wat bij de Convooien en Licenten opgemerkt dient te worden. „Het was”, zegt Hogendorp, „eene oude gewoonte, dat de koopman verklaarde onzeker te zijn omtrent de hoeveelheid en waarde der goederen, en dat diensvolgens eene overeenkomst werd getroffen tusschen hem en den ontvanger aangaande de verschuldigde som.” Hiervan was het gevolg, dat in werkelijkheid de betaalde rechten minder bedroegen dan volgens het tarief verschuldigd was. Dit vooral was het, wat deze belasting populair bij den handel had gemaakt; het was echter geen noodzakelijk gevolg van deze heffing. Men zag dan ook spoedig in, dat dit misbruik niet mocht blijven bestaan. Toen kort daarna, bij de wet van 1 December 1814 (Staatsbladno. 109) de zoogenaamde premie bedragende 2% van de inkomende en 1% van de uitgaande goederen werd afgeschaft, maakte men van de gelegenheid gebruik om tevens de bepalingen van het placcaat van 1725 (art.40–42) waarin dat misbruik geworteld was, te doen vervallen.

Zoo was dan voor het jaar 1814, grootendeels door maatregelen van den Souvereinen Vorst alleen uitgegaan, het belastingstelsel geregeld. Had de inlijving ons vermindering van belasting gebracht, de herstelling deed het tegenovergestelde. „Dedroits réunis,” zegt Hogendorp664), „waren afgeschaft, het monopolie van den tabak was vernietigd; maar men stelde in de plaats vroegere belastingen, (waaronder het gemaal), die veel meer opbrachten. Doch alzoo er een geduchte oorlog te voeren, de troepen der bondgenooten te voorzien, een leger op de been te brengen en een ruim materieel aan te schaffen waren, begreep de natie, dat er ook geduchte oorlogslasten tot bescherming der onafhankelijkheid moesten gedragen worden”. In den loop van het jaar 1814 was echter aan den oorlog een einde gekomen en mocht men zich vleien, dat een toestand van vrede ons voortaan beschoren zoude zijn. Zoo kon men dan ook voor het jaar 1815 op vermindering van belasting bedacht zijn. Bij de wet 1 December 1814 (Staatsbladno. 109) werd niet alleen de premie of het veilgeld afgeschaft, maar werden tevens de transitorechten in 1802 ingevoerd, weder op de helft gebracht, en de rechten op den indigo verlaagd. Een andere vermindering betrof de belasting op de dienstboden en paarden ten bedrage van 10%, en de afschaffing van het proportioneele recht op de patenten. Tevens werd in de eerste maanden van 1815 de belasting op paarden en dienstboden, en op de patenten, door eene geheel nieuwe regeling vervangen, waarbij weder de wetgeving van Gogel tot voorbeeld werd genomen665).

Zoo was dan de Fransche wetgeving ten opzichte der belastingen voor verreweg het grootste deel weder vervangen door hetgeen hier te lande in 1805 en 1806 of vroeger was ingevoerd. Het waren alzoo nog alleen de grondbelasting, de belasting op den waarborg en de zegel-, registratie-, griffie- en hypotheekrechten, die aan de vreemde overheersching bleven herinneren.666)

Voordat ik van dit onderwerp afstap, wensch ik nog op één punt de aandacht te vestigen, dat met den omvang der toenmalige belastingen in nauw verband staat. Men had in 1814 noodig gehad ƒ 59.800.000, terwijl de gewone inkomsten ƒ 38.400.000 hadden bedragen. Dit moest dus over het jaar 1814 hebben gegeven een tekort van meer dan 10 millioen. Toch was er bij den aanvang van het volgend jaar een overschot van ruim 10 millioen. Van waar dit verschijnsel? Het liet zich slechts voor een klein deel verklaren door hetgeen aan vrijwillige giften was binnengekomen. De hoofdzaak lag in de 28 millioen, die ten gevolge van dewet van 14 Mei 1814(Staatsbladno. 58) in de kas waren gevloeid; de wet, die tot opschrift had:herstel der Nationale schuld en vinding der fondsen, benoodigd tot stijving van 's lands kas. De titel wijst aan, dat deze wet in betrekking stond tot den harden maatregel door Napoleon genomen, tot de tierceering der rente, en dat het hare bedoeling was, daarop terug te komen. Echter niet voor het geheel, maar in zoover, zeide de wet, „als de billijkheid in de tegenwoordige omstandigheden gedoogde en medebracht.” Van onderscheidene zijdenis sedert lang erkend, dat, had de inlijving geene plaats gevonden, het Staatsbankroet toch had moeten worden uitgesproken. Het bestond feitelijk reeds lang. Men is er echter dankbaar voor, dat het noodlot den Keizer en niet een onzer eigen vorsten tot die uitspraak dwong667). Men keurt het echter af, dat toen de Keizer Holland met zijne lusten opnam in het groote Rijk, hij ook niet de lasten, d. i. de volle rente voor Frankrijks rekening nam668). Doch dat hij dit niet gedaan had, ook daarvoor mocht de Souvereine Vorst hem dankbaar zijn. Immers zoo tijdens de Fransche heerschappij de volle rente betaald was, zoude de financieele toestand bij onze herleving veel moeielijker voor den Souvereinen Vorst zijn geweest. Dan had deze moeten voortgaan òf die volle rente te betalen, wat onmogelijk was, òf zelf een soortgelijken maatregel als dien van Napoleon moeten nemen, en dus zijne regeering met een staatsbankroet moeten inwijden669). De tierceering van Napoleon stelde hem nu echter in de gelegenheid, of, om zonder ergernis te verwekken, het eenmaal bestaande te eerbiedigen, of, indien hij, ook maar voor een gedeelte, op dien harden maatregel terugkwam, als hersteller van onrecht op te treden. Wat anders spoliatie zoude zijn geweest, zou nu eene weldaad worden. En als zoodanig werd dan nu beschouwd de wet van 14 Mei 1814. Zij sprak als hare bedoeling uit, de ramp te verzachten, die de renteheffers getroffen had. De maatregel, waardoor dit beoogd werd, kwam in 't kort hierop neder. De nationale schuld zoude voortaan alleen bestaan uit ééne soort effecten, 2½% rente dragende. Zij die b.v. in 't bezit waren van effecten op dat oogenblik gevende ƒ 45 rente, konden daarvoor krijgen een kapitaal van ƒ 6000, waarvan ƒ 2000werkelijke, d. i. dadelijk rentegevende schuld zoude zijn, terwijl ƒ 4000 onder de uitgestelde schuld zoude behooren. Dat is: deze zoude geene rente dragen, zoolang zij niet in de Werkelijke Schuld was overgegaan. Dit laatste zoude door middel van uitloting jaarlijks tot een bedrag van minstens 4 millioen gulden plaats vinden; iets wat tot voortdurende vermeerdering der rentegevende schuld zoude hebben moeten leiden, ware het niet, dat van deze ook jaarlijks tot een gelijk bedrag zoude worden geamortiseerd. Nu zou het alleen ten gevolge hebben, dat niettegenstaande de voortdurende amortisatie de rentedragende schuld op dezelfde hoogte bleef670).

Hoe bracht echter deze maatregel geld in kas? Hierdoor, dat aan de bezitters der Nederlandsche effecten de bezwarende voorwaarde was opgelegd, om, ter verkrijging van eene hoeveelheid schuld, dadelijk rentedragende ƒ 45, eene som van ƒ 100 in contanten te moeten bijpassen. Het gevolg hiervan was, dat alzoo eene som van 28 millioen gulden in de schatkist vloeide. Maar het gevolg was tevens, dat door de conversie, in eenerlei effect van 2½ pct., het kapitaal der schuld van 1250 millioen steeg tot 1726 millioen, waarvan ƒ 575.350.000 werkelijke en ƒ 1.150.700.000 uitgestelde schuld. Aan eene latere verlaging der rente zou nu voortaan niet meer te denken zijn. Er zoude echter ten gevolge der verplichte jaarlijksche amortisatie, nooit meer rente behoeven betaald te worden dan van de 575millioen. Na verloop van hoogstens 290 jaren zoude dan de uitgestelde schuld zijn verdwenen en alleen de werkelijke schuld tot dat bedrag overblijven. Het is hier de plaats niet, over de uitkomsten van dien maatregel te spreken; alleen zij herinnerd, dat, terwijl onder de regeering van Willem I er voortdurend nieuwe schuld werd aangegaan, van de uitgesteldeschuld eene grootere hoeveelheid vernietigd werd, dan waartoe men volgens de wet van 1814 verplicht was, zoodat, toen men in 1841 zich genoodzaakt zag op den maatregel van 1814 terug te komen, en men de houders der uitgestelde schuld noodzaakte zich met dadelijke betaling van „de innerlijke waarde” tevreden te stellen, er van die schuld niet meer dan een kapitaal van 893 millioen in wezen was, waarvan de aflossing den Staat op 71 millioen te staan kwam671). „Hoe lofwaardig”, zeide de memorie van toelichting op de wet van 17 September 1841, „ook de bedoeling moge geweest zijn, de ondervinding heeft geleerd, dat de genomen maatregel het voorgestelde doel niet heeft bereikt.” Ook niet ten opzichte van de door de herziening getroffen renteheffers. „Zij die het meest door de herziening der rentebetaling geleden hadden, waren doorgaans het minst bij machte het aan hen gegeven renteloos fonds tot eene eventueele uitloting onaangeroerd te laten liggen; ja velen waren genoodzaakt hetzelve voor een gedeelte al dadelijk te gelde te maken, om hun aandeel in de aan de conversie verbondene bijlage te voldoen.” Alleen in zoover trof die maatregel wel doel, dat hij, zonder dat men tot eene gedwongene leening de toevlucht behoefde te nemen, 28 millioen in kas bracht672).

Ik neem afscheid van het onderwerp, waarbij—hoe onmisbaar ook—de Staat zich niet van de meest populaire zijde laat kennen. Doch het onderwerp dat ik nu ga bespreken, valt zeker niet meer in den smaak. Ik bedoel het krijgswezen.Vooral in die dagen was het met eene zwarte kool geteekend.Zoo iets nog meer gehaat was dan het Fransche douanestelsel, was het zeker de conscriptie. Een last, te drukkender, omdat hij dienstbaar was gemaakt aan de heerschzucht van den vreemdeling. In den aanvang wilde men dan ook hier te lande van gedwongen krijgsdienst niets weten. Men schijnt zelfs begrepen te hebben, dat de daartoe betrekkelijke regeling door de bevrijding van zelve was vervallen. Zoo trachtte dan ook hethierbovenvermelde besluit van 6 Dec. 1813 (Staatsbladno. 6), hetwelk de ingezetenen uitnoodigde tot het geven van bijdragen, door de oproeping van vrijwilligers in de behoefte te voorzien. Maar die bron vloeide te schaars om eene gewapende macht samen te stellen, in staat om het grondgebied te bevrijden. Men ziet dan ook reeds veertien dagen later den Souvereinen Vorst de toevlucht nemen tot het opleggen van dwang. Bij een Reglement van 20 December 1813 (Staatsbladno. 14) werd eenalgemeene volkswapeningingevoerd. Alle weerbare mannen van 17–50 jaren zouden den landstorm uitmaken, die bestemd was om naastbijgelegen vestingen te bezetten, en om de nog door den vijand bezetene vestingen in tesluiten en zijne aanvallen af te slaan. Uit dien landstorm zoude tevens, voor zoover het vereischte getal door vrijwilligers niet verkregen werd, door middel van loting tusschen de ingezetenen van 17–45 jaren eene landmilitie worden getrokken. De plaatsvervanging werd daarbij toegelaten. Langs dezen weg dacht men een militie van 20.000 man (16.000 man infanterie en 4000 man artillerie) te verkrijgen. De krijgsmacht bestond dan ook in de maand April, de eigenlijke landstorm niet medegerekend, uit ongeveer 25.000 man, eene macht waarmede men, zoo Parijs zich intusschen niet had overgegeven, de geallieerden te hulp had kunnen komen673).

Wat zou nu echter de Grondwet over dit onderwerp bepalen? Zoude zij, evenals de Schets van Hogendorp dit deed, daarover zwijgen? Dit scheen eerst wel het geval te zullen zijn; toen echter het ontwerp der Grondwet zoo goed als gereed was, kwam Repelaer in de zitting van 11 Februari 1814 met het voorstel voor den dag, een of meer artikelen omtrent de landmilitie en de landmacht vast te stellen674). Met Röell belast die artikelen te ontwerpen, werd hetHoofdstuk over de defensie, het 6e van de Grondwet van 1814, na eerst aan de goedkeuring van den Souvereinen Vorst onderworpen te zijn675), in dedaaropvolgendezitting, die van 28 Februari, door beide heeren voorgesteld en door de commissie aangenomen.

Wat was de drijfveer der commissie om dit nieuwe Hoofdstuk in de Grondwet te plaatsen? Wanneer men het eerste artikel (art. 121), waarin op voorstel van Hogendorp676)naar's lands oude gewoonte en het grondbeginsel der Unie van Utrechtverwezen werd, leest, zoumen denken dat het de bedoeling was om de ingezetenen aan hunnen plicht te herinneren, de wapenen op te vatten tot handhaving van de onafhankelijkheid van den Staat. Wanneer men echter in het volgende artikel (122) den Souvereinen Vorst de plicht ziet opgelegd, te zorgen voor eene toereikende zee- en landmacht, door werving van inboorlingen of vreemdelingen te verkrijgen, dan wordt het duidelijk, dat men dien last zoo weinig mogelijk drukkend wenschte te maken. Eerst als aanvulling komt de militie en de schutterij (art. 123–126). De militie, door loting samengesteld uit de ingezetenen van 18–22 jaren, die vijf jaar zullen dienen en in den regel 1 maand 's jaars in den wapenhandel geoefend worden, behoudens het recht van den Souvereinen Vorst om ¼ van het geheele getal te doen samenblijven, en om in buitengewone omstandigheden dit te doen met de geheele militie; in 't laatste geval echter in nader overleg met de Staten-Generaal. De wet zoude voorts het getal en de inrichting der militie bepalen. En eveneens zoude eene wet gemaakt worden voor de naast of achter de militie geplaatste schutterij, vooral bestemd tot behoud der inwendige rust. Ik leid uit een en ander af, dat het opnemen van dit hoofdstuk in de Grondwet ten doel heeft gehad, het recht van den Staat binnen zekere grenzen te beperken, om tevens daardoor de ingezetenen gerust te stellen, dat het met die gedwongen dienstneming wel zoo'n vaart niet zou loopen.


Back to IndexNext