VII.

357)Hiervóór, bl. 13en27.

358)Hiervóór, bl. 28.

359)Hiervóór, bl. 30.

360)Lord ClancartyaanLord Castlereagh, 14 Dec. 1813 (Ged.VII, 9).

361)Br. en Ged.V, 448.

362)Hogendorp aan Hendrik Fagel, 14 Dec. 1813 (G. K. van Hogendorp in 1813, bl. 31).

363)Hendrik Fagel aan den Souvereinen Vorst, 22 Dec. 1813.—Dit en het in de volgende noot vermelde stuk, door Tellegen aan de ms.-mémoires van Grovestins ontleend, zullen door mij inGed.VII worden medegedeeld, maar zijn thans nog niet afgedrukt, zoodat ik ze niet met de bladzijde kan aanhalen.

364)Hendrik Fagel aan den Souvereinen Vorst, 3 Dec. 1813 (bij Grovestins).

365)S.V. aanLord Clancarty, 11 Nov. 1814 (Ged.VII, 211).

366)Lord Castlereaghaan den Minister van Oorlog en KoloniënLord Bathurst, Bazel 22 Januari 1814 (Castlereagh's Corr.IX, 181). Dit punt was in den Haag door Hogendorp metLord Castlereaghbesproken: „My attention”, schrijft deze den 8sten Januari 1814 aan Engelands eersten ministerLord Liverpool, „was called to this [the succession] by an observation of that Minister [Hogendorp] as to the expediency of making provision for theseparationof the two Crowns in the Act, which would shortly be proposed for regulating the succession to the crown of Holland under the new Constitution.” (Ged.VII, 24). Dit is de aanleiding geweest tot de vaststelling van art. 8 der Grondwet van 1814, waardoor verandering in de troonsopvolging mogelijk werd gemaakt (OntstaanI, 433; II, 418, 423).

367)Ged.VII, 39.

368)Onder voorzitterschap van Stein ingesteld den 21sten Oct. 1813.

369)Lord CastlereaghaanLord Clancarty,Châtillon20 Febr. 1814 (Ged.VII, 61).

370)Brief van den gezantLord WalpoleaanLord Castlereagh, St. Petersburg, 9 Aug. 1814:„The Finances and Interior are in a dreadful state; the exchange falls every post day; yesterday it was below 11 d. the rouble” (Castlereagh's Corr.X, 83).

371)Hiervóór, bl. 27.

372)Lord CastlereaghaanLord Liverpool,Chaumont8 Maart 1814 (Ged.VII 85).

373)Ged.VII, 86.

374)Gagern'sAntheilII, bijlage X.

375)Lord CastlereaghaanLord Clancarty, 1 Febr. 1814 (Ged.VII, 38);—Lord ClancartyaanLord Castlereagh, 18 Febr. 1814 (Ged.VII, 61).

376)„I have not said a syllable here of the Russian debt” (Lord ClancartyaanLord Castlereagh, 22 Maart 1814,Ged.VII, 96).

377)Lord CastlereaghaanLord Clancarty, 27 Febr, 1814 (Ged.VII, 67).—Lord ClancartyaanLord Castlereagh, 7 Maart 1814 (Ged.VII, 80).—Lord CastlereaghaanLord Clancarty, 14 Maart 1814 (Ged.VII, 90).—Lord ClancartyaanLord Castlereagh, 22 Maart 1814 (Ged.VII, 95).

378)Journal officiel du Gouvernement de la Belgique, 1814, I, no. 9 (15 Febr. 1814).

379)Journal officiel, 1814, I, no. 45.

380)Engelands agent in België,Johnson, aanLord Aberdeen, 20 Febr. 1814 (Ged.VII, 88);Lord AberdeenaanLord Castlereagh, 12 Maart 1814 (ibidem);LordCastlereaghaanLord Clancarty, 13 en 14 Maart 1814 (Ged.VII, 90).

381)Lord CastlereaghaanLord Clancarty, 14 Maart 1814 (Ged.VII, 90).

382)Journal officiel, 1814, I. no. 82.

383)Journal officiel, 1814, I, no. 171. Een lang tijdsverloop van 29 Maart tot 5 Mei. Het was toe te schrijven aan de zucht van Baron van Horst om Gouverneur-Generaal te blijven, ten einde door requisitiën uit België te halen wat er uit te halen was. ZieJohnsonaanClancarty, 20 April 1814 (Ged.VII, 111);ClancartyaanCastlereagh, 25 April 1814 (Ged.VII, 109).

384)Journal officiel, 1814, I, no. 171, 174;CastlereaghaanClancarty, 14 Maart 1814 (Ged.VII, 92);ClancartyaanCastlereagh, 22 Maart 1814 (Ged.VII, 96).

385)OntstaanII, 16.

386)Falck aan Fabius, 17 Dec. 1813; aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813 (Brieven, no. 96, 97).

387)Gagern (AntheilII, 99), beschrijft hem als „verständig, angenehm, kalt, ruhig”.

388)OntstaanII, 10, 12.

389)Capellen aan van Nagel, 10 Mei 1814: „L'opinion pour la réunion aurait gagné davantage et serait devenue plus générale, si dans les commencemens on nes'étaitpas servi de petits moyens et d'intrigues pour la propager d'une manière à ce que l'on m'assure au-dessous de la dignité d'un gouvernement loyal et libéral comme est celui de mon Souverain”. Dit slaat op de zending van H. van Zuylen van Nyevelt naar België in het begin van 1814. Zie hieroverClancartyaanCastlereagh8, 11, 12 Februari en 1 Maart 1814 (Ged.VII, 52, 56, 57, 74). Den 23sten April 1814 schrijftJohnson, Engelands commissaris in België, aanLord Clancarty: „I presume the DutchGovernmentis thinking of sending some commissioner here, but I trust it will not make choice of Mr. Zuylen de Nyevelt, who will find some difficulty in getting rid of the disreputable connexions, he thought it for the interest of his Sovereign to form in this country”.

390)Journal officiel, 1814, I, no. 45: „Lettre adressée par le gouvernementprovisoireà monsieur l'évêque de Namur et à messieurs les vicaires généraux de différens diocèses de la Belgique.”—Ook gedrukt bij Terlinden,Guillaume Ier et l'Eglise catholique, I, 10.

391)De Souvereine Vorst vertrok den 20sten Mei 1814 uit den Haag en keerde den 5den Juni aldaar terug.

392)Hogendorp (BijdragenI, 10) stelde de bevolking van België op 3.200.000 zielen.

393)Falck aan D. J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (Brievenno. 105).

394)ClancartyaanCastlereagh, 7 Juni 1814 (Ged.VII, 136).

395)OntstaanII, 32.

396)Ged.VII, 136, 147, 153.—Reeds 10 Mei 1814 schrijft Capellen aan van Nagell: „Les Prussiens à ce que j'ai pu remarquer, sont ceux qu'on craint le plus ici et qui se sont le plus mal conduits”.

397)CastlereaghaanClancarty, 26 Juni 1814 (Ged.VII, 153): „I have prevailed upon the Ministers of the Powers to give himforthwiththe provisional administration of Belgium”.

398)Hendrik Fagel aan van Nagell, 23 Juni 1814.

399)Op het Congres van Weenen heeft dan ook de Souvereine Vorst een deel dier schuld ten laste van Nederland moeten nemen.

400)OntstaanII, 44.

401)OntstaanII, 46.

402)1814, I, no. 244. no. 245.

403)Journal officiel, 1814, I, no. 250.

404)Capellen, „dien”, zooals Falck zeide (brief aan Elout van 9 Sept. 1814,Brievenno. 106) „de Brabanders kennen en eerbiedigen”, werd in Oct. 1814 uit Brussel teruggeroepen, om zich voor te bereiden voor het Gouverneur-Generaalschap van Nederlandsch-Indië. Hij trad echter na de terugkomst van Napoleon uit Elba, in 't voorjaar van 1815, weder tijdelijk als Secretaris van Staat voor het Zuiden op en bleef dit totdat in Augustus 1815 Falck ook voor België zijne plaats innam.

405)Ged.VII, 149.

406)Den 4den April 1814, dus kort na de afspraken teChaumont, had de oudste zoon van den Souvereinen Vorst ten behoeve van zijnen broeder afstand gedaan van zijn recht van erfopvolging in de Nassausche erflanden. Ik herinner dat door den afstand dezer landen aan Pruisen bij de onderhandelingen van het Weener Congres de wensch van den Souvereinen Vorst niet is vervuld en prins Frederik voor de verijdeling zijner hoop schadeloos is gesteld door de hem bij de wet van 25 Mei 1816 (Staatsbladno. 25) toegekende domeingoederen.

407)Men vergelijke de proclamatie van Willem I van 16 Maart 1815 (Staatsbladno. 27), waarbij dit denkbeeld is gevolgd.

408)Ged.VI, 1870–'71.

409)Hiervóór, bl. 30.

410)Heinrich von Gagern,Leben des Generals Friedrich von GagernI, 137.

411)Falck'sGedenkschriften, 142.

412)Ged.VII, 19.

413)ClancartyaanCastlereagh, 17 Dec. 1813: „whether I saw any objection to the employment of emissaries on the part of the Dutch Government, at Antwerp particularly, and in other parts of the Austrian Netherlands, for the purpose of inducing the inhabitants to declare for the Government of H. R. H. the Prince of Orange” (Ged.VII, 11).

414)„Should Austria propose the settlement of the Archduke Charles in the Netherlands, the proposition to be favourably received. By connecting a considerable part of the German territory on the left bank of the Rhine with Brabant etc., an intermediary Power of considerable importance might be created, and one which supported by Austria would form a most important barrier both for Holland and Germany. The Prince of Orange to be discouraged from any attempt to extend Holland on the side of the Netherlands beyond its ancient limits, without the express consent of the Allies” (Ged.VII, 17). Er is dus thans nog een geweldig verschil tusschenCastlereaghen den Souvereinen Vorst: de eerste denkt zich een „intermediary Power” tusschen Holland en Frankrijk en bestemt ook den linker Rijnoever voor dezen staat; de Vorst wil èn België èn den linker Rijnoever voor zich.

415)Br. en Ged.V, 52, 208; het antwoord van den Vorst aldaar, 480. Vgl. ookFauchille,Une chouannerie flamande(Paris1905), 122 vv. Huyttens was de ondernemer der stadsverlichting te Gent.

416)„I had the satisfaction of finding that, without specifying any sum, the nature of the arrangement intended with respect to the Cape is likely to prove very satisfactory; the idea of obtaining a barrier without funds to render it effectual to its purpose, has long been an object of anxiety” (CastlereaghaanLiverpool8 Jan 1814;Ged.VII, 25).

417)Het was in de onderstelling dat deze grens zou worden verkregen, dat de Vorst, tot beter afronding, Nassau zou willen ruilen tegen Berg.

418)CastlereaghaanLiverpool, 22 Jan. 1814 (Ged.VII, 33).

419)CastlereaghaanMetternich, Nesselrode enHardenberg, 27 Jan. 1814 (Ged.VII, 39).

420)MetternichaanCastlereagh, 1 Febr. 1814 (Ged.VII, 39).

421)HardenbergaanCastlereagh, 12 Febr. 1814 (Ged.VII, 60). Pruisen heeft blijkbaar den loop der krijgsverrichtingen in België afgewacht, en gaf dit antwoord op het oogenblik dat zijne troepen te Brussel stonden en daar reeds een voorloopig bestuur hadden ingericht.

422)„With respect to political connection, altho' no adjudication of new territory can take place till a Peace, I see no reason why the Prince of Orange should not by emissaries or other means quietly encourage the people of the Low Countries to look to him as their future Sovereign. As far as the Meuse I think he is quite safe” (CastlereaghaanClancarty, 1 Febr. 1814;Ged.VII, 38).

423)„Que sous Guillaume VI il nous soit réserve de réaliser les vastes projets du premier Guillaume. Surtout ne laissons pas à des négociations de paix, toujours incertaines, le soin de fixer notre sort” (een van van Zuylen's blaadjes, gevoegd bijClancartyaanCastlereagh, 5 Febr. 1814,Ged.VII, 43).

424)Br. en Ged.V, 84; overzicht van den inhoud bij Hijmans,Hist. de la BelgiqueI, 53, 71.

425)„Les bons Bruxellois croyaient fêter l'Angleterre, et ne pensaient nullement complimenter le jeune Prince d'Orange. Cette scène a fait une fâcheuse sensation” (brief uit Brussel aan Nesselrode, 8 Febr. 1814, door dezen overgelegd aanCastlereagh17 Febr.Ged.VII, 65). Vgl. Feltz aanMetternich11 Febr. 1814 (Ged.VII, 327).

426)Br. en Ged.V, 54; Falck'sGedenkschriften137;Fauchille130;Ged.VII, 52, 55 (ClancartyaanHamilton, onder-staatssecretaris, van buitenlandsche zaken te Londen, 9 Febr. 1814: „The Prince of Orange has been playing the very devilinattempting to agitate the public mind in the Low Countries to tender the sovereignty to him; in some parts among the very lowest rabble he has succeeded, but as these efforts have been directly against the opinions of the better and more respectable inhabitants, who are equally hostile to French rule, but who wish for the return of their old Government, or in default of this to be disposed of by the Allies with the consent of the Emperor who they think will consult their interests, these movements have had little effect, and indeed except in the immediate neighbourhood of General Bülow's force have scarcely appeared at all”).

427)Coremans,Ephémérides Belges(in:Compte-rendu Comm. Royale 1847), bl. 135. De te Brussel wonende oud-Oostenrijksche diplomaat, geboren Luxemburger, baron Feltz, schrijft aanMetternich11 Febr. 1814, dat de Pruisische generaal Borstell bij het binnentrekken van Brussel links en rechts verklaarde „que les Pays-Bas retourneraient sous la domination autrichienne, si pas immédiatement au moins à titre de suzeraineté, ces provinces passant selon toute probabilité à l'archiduc Charles.” Feltz vraagt hier den hertog van Weimar naar, die antwoordt: „qu'il croyait que chacune des puissances reprendrait ce qu'elle avait perdu, que tel était le principe général de l'alliance; que les événemens s'étant précipités contretouteattente, on ne connaissait pas de disposition particulièresurles Pays-Bas; qu'il serait urgent que des députés de la Belgique allassent en solliciter uneauquartier général des puissances alliées; qu'en attendant il fallait composer un gouvernementprovisoire” (Ged.VII, 326).

428)„Qu'elle renaisse cette Belgique jadis si florissante....; l'indépendance n'en est plus douteuse” (proclamatie van 4 Febr.; Coremans 133).

429)CastlereaghaanLiverpool, 6 Febr. 1814 (Ged.VII, 44): „The explanation throughout was received with general satisfaction. The possibility of something being found to give France in exchange for Guadeloupe and the Mauritius was thrown out, and prince Metternich suggested the idea of such a sacrifice on the part of Spain and Holland. I observed that this was a proposition which could not originate with the British government; that it was not their practice to call upon their allies to pay the price of acquisitions made by Great Britain; that I saw no reason why France after such a war should be relieved from all direct sacrifice”.

430)Ged.VII, 63. Naar de plaats waar zij voorgesteld en door Oostenrijk en Pruisen aangenomen zijn, hebben deze artikelen den naam behouden van conventie van Troyes; door Rusland zijn zij eerst 1 Maart teChaumontgeteekend.—Eigenlijk heeft men niet met eene conventiein formate doen, maar met een wisseling van nota's waarbij men zich verbindt de artikelen als deel van een eventueel tractaat te zullen accepteeren.

431)MetternichaanCastlereagh, 15 Febr. 1814 (Ged.VII, 63).

432)HardenbergaanCastlereagh, 15 Febr. 1814 (Ged.VII, 65; vgl. aldaar, 61).

433)Nesselrode aanCastlereagh, 17 Febr. 1814 (Ged.VII 65; vgl. aldaar, 62).

434)CastlereaghaanClancarty, 20 Febr. 1814 (Ged.VII, 62).

435)F. de Martens,RecueilIII, 194.

436)Ged.VII, 80.

437)Ged.VII, 87.

438)CastlereaghaanLiverpool, 8 Maart 1814 (Ged.VII, 86).

439)OntstaanII, 33.

440)Ged.VII, 160.

441)Lagemans I, 72.

442)Ged.VII, 113.

443)Hiervóór, bl. 205.

444)CastlereaghaanClancarty, 13 Maart 1814, (Ged.VII, 90).

445)„Les souverains alliés auront à cœur de maintenir la religion du peuple belgique, de protéger son commerce contre toute entrave contraire à la raison et à la nature de sa position, et d'empêcher qu'on ne le charge de dettes dont en justice il ne saurait être grevé. Ils employeront leur haute influence et autorité pour lui procurer une existence politique propre à lui assurer les avantages d'un systême de gouvernement sage et libéral, jointe à une étendue de pouvoir et de ressources qui lui permette de jouir avec sécurité de la liberté et de l'indépendance qu'il est décidé à conquérir” (Note verbale adressée aux députés belges, 14 Maart 1814;Ged.VII, 92).

446)Metternichaan Vincent, 1 Mei 1814 (Ged.VII, 334).

447)„Qu'il nous soit enfin permis de nous jeter aux pieds du Souverain que la Providence et Vos Majestés doivent nous donner, en le conjurant de sauver son peuple prêt à périr”! (Le conseil général du département de la Dyle aux Souverains alliés, 27 April 1814;Ged.VII, 123).

448)Lagemans I, 15.

449)Er bestaan van de bekende „acht artikelen” vier staten. Zij zijn, na het inkomen der brieven van Capellen van 10 en 11 Mei (OntstaanII, 10 vv.) in alle hoofdpunten ontworpen door den Souvereinen Vorst zelf, in een brief aan van Nagell van 16 Mei (OntstaanII, 14); vervolgens door van Nagell in den vorm van een diplomatiek stuk gebracht 20 Mei (OntstaanII, 18). De Souvereine Vorst neemt dit stuk mede naar Parijs, waarClancartyden inhoud overgiet en tevens beredeneert in een uitvoerige, voor de bondgenooten bestemde memorie, die hij 25 Mei aan de goedkeuring van den Souvereinen Vorst onderwerpt (OntstaanII, 19), welke hem, in antwoord, 30 Mei de acht artikelen toezendt in hun definitieven vorm, als artikelen die hij gereed is ten uitvoer te leggen wanneer zij bij tractaat zullen zijn bekrachtigd (OntstaanII, 26). Zij waren, naar 's Vorsten aanwijzingen, door Falck geredigeerd (Falck's Brieven no. 105; Falck'sGedenkschriften, 138 vv.) en zijn, zonder verandering, 21 Juni te Londen door de bondgenooten gearresteerd (OntstaanII, 32), en vervolgens 21 Juli door hun werkelijken auteur, den Souvereinen Vorst, officieel aangenomen (OntstaanII, 46).

450)Zoo in het stuk van 20 Mei.—In de acht artikelen: „les provinces belges seront convenablement représentées”.

451)Het stuk van 20 Mei bepaalt, dat het Zuiden een afzonderlijken Raad van State zal hebben.—Niet in de acht artikelen overgenomen.

452)OntstaanII, 16.

453)OntstaanII, 17.

454)„Hopende verder eenig personeel vertrouwen te verdienen, en kennis te hebben hoe ver een Protestantsch vorst gaan kan, door mijn oponthoud te Fulda alwaar alles zoo te zeggen de Roomsche godsdienst toegedaan was, en nooit de minste aanstoot of zwarigheid ontstaan is” (S. V. aan van Nagell, 16 Mei 1814;OntstaanII, 15). Maar Fulda was Vlaanderen niet!

455)Uit het stuk van den Vorst aanClancartyvan 30 Mei (OntstaanII, 27).

456)„Les Belges jouiront de toute la tolérance religieuse que la constitution des Provinces-Unies établit. Les catholiques sont par là même éligibles à tous les postes”. (Uit van Nagell's stuk van 20 Mei).

457)Protocol van 21 Juni.

458)Hiervóór, bl. 211.

459)Aan D.J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (Falck'sBrieven, no. 105.)

460)Van Namen waren reeds bij den vrede van Parijs enkele kantons aan Frankrijk gebleven, evenals van Henegouwen. Zij werden terugverworven bij den tweeden vrede van Parijs.—Stavelot kwam aan de Nederlanden maar Malmédy aan Pruisen; eveneens Eupen, Daalhem, 's-Hertogenrade.

461)Stein aanCastlereagh, 27 Jan. en 11 Febr. 1814 (Ged.VII, 38, 60).

462)Stein aanCastlereagh, 6 Maart 1814 (Ged.VII, 78).

463)Ged.VII, 90.

464)Capellen 10 Mei (OntstaanII, 10).

465)Ged.VII, 329.

466)Ged.VII, 331.

467)Ged.VII, 333.

468)Grovestins,Notice418.

469)Ged.VI, 110.

470)Vgl. over de Hollanders aldaar en elders aan den Rijn Falck'sGedenkschriften, 67 en 335.

471)Falck'sGedenkschriften, 126.—„M. van der Duyn me présenta au Prince” (Notice, 428).

472)InOntstaanII, 16 is voor „project” verkeerdelijk gedrukt „subject”.

473)Ik cursiveer.

474)Ged.VII, 335.

475)Zoo noemt Vincent de voorkeur voor de oude constitutie, die hij opmerkt bij de aanzienlijken waar hij meest mede omging. Maar ook de talrijke Franschen en Franschgezinden in België waren tegen de vereeniging.

476)Ik cursiveer.—Vgl. het antwoord van van Hogendorp aan Röell, toen deze hem de afzonderlijke huishouding onder één hoofd aanbeval: „het doel der vereeniging, kracht en sterkte voor den nieuwen staat, kan niet bereikt worden dan door éénheid” (OntstaanII, 8).

477)Ged.VII, 337.

478)Vgl.von GeusauinPublications de LimbourgXXXVI, 233 vv.

DE TERUGGAAF DER KOLONIËN.

(Tractaat van 13 Augustus 1814).

Ik heb ervroegerop gewezen, hoe van den aanvang onzer bevrijding de aandacht van Hogendorp op dit voor de toekomst van ons vaderland zoo gewichtig onderwerp gevestigd was. Zooals blijkt uit den brief, door hem den 28 November 1813 aan Hendrik Fagel geschreven, was het naar zijne meening eene zaak, die van zelve sprak, dat Engeland ons weder in 't bezit van al onze koloniën zoude stellen479). Ook de Souvereine Vorst had reeds vroeger—getuige zijn schrijven uit Londen aan H. von Gagern van 11 November 1813480)—dit punt met de Engelsche regeering besproken, al ging hij ook niet zoo ver als Hogendorp; al vleide hij zich toen nog niet met het volledig herstel van ons koloniaal bezit. Wij hadden toch bijna alles verloren. Had Engeland bij het vredesverdrag, 27 Maart 1802 te Amiens gesloten, zich verbonden, met uitzondering van Ceilon, alles terug te geven wat het na de revolutie van 1795 ons had ontnomen, de vreugde was van korten duur geweest, daar met 1803 de oorlog weder was uitgebarsten, en Engeland zich langzamerhand, evenals van de Fransche, ook van onze koloniën meester had gemaakt. Alleen de nederzetting te Desima in Japan en de fortenop de kust van Guinea maakten hierop eene uitzondering. Zoude Engeland genegen zijn, wat het met zijn zwaard had veroverd, geheel of ten deele terug te geven? Het begeerde althans niet alles te behouden. Men leze slechts het Engelsche memorandum kort na den slag van Leipzig, nog vóór onze bevrijding opgesteld481). De geheele of gedeeltelijke teruggaaf was echter afhankelijk van ééne voorwaarde. Holland moest krachtig genoeg zijn, om zijn koloniaal bezit te kunnen verdedigen. En in zoover bestond er van den aanvang een nauw verband tusschen dit onderwerp en de vergrooting van Holland, de vereeniging van Noord en Zuid. Van hier, dat de onderhandelingen over de teruggaaf der koloniën eerst werden geopend na de sluiting van het vredesverdrag van Parijs van 30 Mei 1814, ja eerst nadat den 21 Juni 1814 te Londen het protocol over de voorwaarden der vereeniging was vastgesteld. Tot zoolang was wel over deze zaak bij de eene of andere opkomende gelegenheid gesproken; eene eigenlijke onderhandeling was er nog niet gevoerd, en de Engelschen hadden den indruk gekregen, dat de Souvereine Vorst tevreden zoude zijn ook dan, wanneer een gedeelte der koloniën hem niet teruggegeven werd. Bij de komst vanLord Castlereaghin den Haag in 't begin van 1814 werd het behoud van de Kaap door Engeland besproken, waartegen door dit land aan den Souvereinen Vorst eene geldsom zoude worden verstrekt, noodig om bij uitbreiding van grondgebied dit tegenover Frankrijk te versterken. De Souvereine Vorst scheen daartegen geen bezwaar te hebben; hij vond het billijk en redelijk482). Het bleef echter hierbij niet. Reeds bij de onderhandelingen teChaumontzien wij het denkbeeld opkomen, dat wij ook in de West niet alles terug zouden erlangen. De aanleiding hiertoe washet eiland Guadeloupe. Door de Engelschen in 1810 op Frankrijk veroverd, was dit eiland bij art. 5 van het tusschen Engeland en Zweden den 3 Maart 1813 te Stockholm tegen Frankrijk gesloten tractaat aan Zweden afgestaan. Daar het echter, bijaldien het congres teChâtilloneenen vredelievenden afloop mocht hebben, weder aan Frankrijk zoude moeten terugkeeren, was reeds in Februari 1814 de vraag gerezen, op welk eene wijze Zweden dan zoude moeten worden schadeloos gesteld. Door eene Hollandsche kolonie in de West, was het antwoord geweest: Holland, dat zoozeer zoude worden vergroot, moest die opoffering zich laten getroosten. Tegelijk met de mededeeling van Ruslands toetreding tot de vergrooting van Holland, terwijl men—zooals wijvroegerhebben gezien—nog de zaak der Russische schuld verzweeg, werd doorClancartymet den Souvereinen Vorst Guadeloupe aangeroerd. De laatste nam den afstand eener kolonie in de West beter op, danClancartyzich had voorgesteld; de Souvereine Vorst wenschte alleen, dat de private eigendom in de af te stane kolonie zouden worden geëerbiedigd, en dat die zijner onderdanen, welke aldaar plantages bezaten, rechtstreeks met het moederland handel zouden mogen drijven483). Toen dus bij art. 9 van het tractaat van Parijs, onder toestemming van Zweden tengevolge van met zijne geallieerden gemaakte arrangementen, Guadeloupe weder aan Frankrijk werd teruggegeven, kon het voor den Souvereinen Vorst niet onverwacht zijn, bijaldien het bleek dat deze zaak invloed zou uitoefenen op de teruggaaf der West-Indische koloniën. En dit was dan ook het geval, hoewel op eene andere wijze dan men oorspronkelijk zich had voorgesteld. Zweden zoude in geld, door Engeland te betalen, de vergoeding vinden; Engeland zoude daarvoor erlangen de West-Indische koloniën,oorspronkelijk voor Zweden bestemd.Essequebo, Demerary en Berbice, het westelijk gedeelte van Nederlandsch Guyana, waren daarvoor uitgekozen. De omstandigheid, dat in deze kolonie of koloniën veel Britsch kapitaal was vastgezet en tevens dat hier vooral de katoen, noodig voor de Britsche fabrieken, geteeld werd, schijnt de Engelsche regeering te hebben bewogen, nevens de Kaap de Goede Hoop ook deze koloniën te willen behouden484). Toen dan de Engelsche regeering het oogenblik gekomen achtte, om tot de regeling van dit onderwerp over te gaan, heeft zij waarschijnlijk niet verwacht, dat die regeling met moeilijkheden zoude gepaard gaan. Ja nog op den vooravond der onderhandelingen meentLord Clancarty, dat onze minister van buitenlandsche zaken, van Nagell, geen bezwaar zoude vinden in den afstand van alle West-Indische koloniën, mits eene schadeloosstelling in geld daarvoor in de plaats kwam485). Het zoude echter spoedig blijken, dat Engelands gezant zich deerlijk had vergist. Den 24sten Juni 1814 zond van Nagell aan onzen gezant te Londen zijne instructiën voor de onderhandelingen betrekkelijk de teruggaaf der koloniën. Onze minister van buitenlandsche zaken was bij het ontwerpen der instructiën uitgegaan van het denkbeeld, dat wij op al de door ons vóór de Revolutie van 1795 bezetene koloniën, zelfs op het bij vredesverdrag afgestane Ceilon, aanspraak konden maken. Het beginsel was dus de teruggaaf van al de koloniën, en voor zoover dit niet mocht geschieden, zooals met deKaap, moest daarvoor eene schadeloosstelling in geld in de plaats treden. Waarop echter boven alles prijs moest worden gesteld, was de teruggaaf van geheel Nederlandsch Guyana en dus ook van Essequebo, Demerary en Berbice.486)

Fagel, die met de inzichten der Engelsche bewindslieden nauwkeurig bekend was en zijnen chef daarvan ook niet onkundig had gelaten, schrikte, toen hij die instructiën met de daarbij gevoegde toelichtende missive van 24 Juni 1814 ontving. Hij kon dan ook niet nalaten bij brief van 30 Juni 1814 aan van Nagell te kennen te geven, dat van Ceilon, afgestaan bij den vrede van Amiens, in 't geheel geen sprake kon zijn, en dat Engeland evenmin de bedoeling had, al de etablissementen van Guyana terug te geven.Bij dergelijk verschil van inzichten wanhoopte hij aan den goeden uitslag der onderhandelingen487). En hij had hierin niet misgezien. Terwijl, zooals wijvroegerhebben medegedeeld, Engeland reeds ontevreden was over de wijze waarop hetgeen de geallieerden over België besloten hadden, door den Souvereinen Vorst was opgenomen, werd die ontevredenheid vermeerderd door onze eischen betrekkelijk de koloniën. Fagel moest dan ook den 15den Juli 1814 aan van Nagell schrijven, dat de onderhandelingen daarover om zoo te zeggen waren afgebroken, voordat zij begonnen waren, en datLord Castlereaghzich genoopt zag ons te verwijzen naar het congres van Weenen. Het doet mij leed, schrijft Fagel, maar bevreemden doet het mij niet. Gij zult, zegt hij, u herinneren, dat ik er een voorgevoel van heb gehad, en het zelfs bijna heb voorspeld, toen de instructiën van 24 Juni mij zijn geworden. Moge, voegt hijnietzonder ironie er bij, deze zaak te Weenen aan bekwamer handen dan de mijne toevertrouwden met een beteren uitslag bekroond worden: te Weenen, waar de onderhandelingen niet meer tusschen de beide gouvernementen alleen in een geest van wederzijdsche inschikkelijkheid zullen kunnen gevoerd worden, maar onder den invloed van aan deze zaak vreemde belangen.Maar mag ik dan, schreef de Souvereine Vorst den 22 Juli 1814 aan Fagel, onze beste koloniën opofferen of bederven en de blaam op mij laden, dit gedaan te hebben als prijs voor de vereeniging met België en alzoo de glorie van mijn huis hooger te hebben gesteld dan het welzijn van den Staat488)?

Wellicht dat het op den lezer een vreemden indruk maakt, zoo te hooren spreken over onze bezittingen op het vasteland van Zuid-Amerika. Wij zijn er zoo gewoon aan geraakt, de waarde van ons koloniaal bezit hoofdzakelijk, zoo niet alleen, in de Oost te zoeken; ja zijn er niet, die al onze West-Indische koloniën als een lastpost beschouwen? Dit was echter in vroegere tijden de overtuiging niet. Mocht men al in 1814 twijfel hebben gekoesterd over de vraag, of het bezit der West-Indische eilanden voor ons nog wel van zooveel belang was als vroeger, ten opzichte van Guyana bestond die twijfel niet. Wat de schrijver vanLe Commerce de la Hollande489)in 't midden der vorige eeuw, en na hem, nog even vóór de revolutie, Kluit490)beweerd hadden, dat alleen Suriname van meer nut zou zijn voor de Republiek der Vereenigde Nederlanden, dan de handel op de Oost, schijnt ook nog in 1814 ten opzichte vanSurinamemet Essequebo, Demerary en Berbice de zienswijze van velen te zijn geweest. Dit is zeker, dat de Souvereine Vorst niet alleen, maar ook zijn minister van buitenlandsche zaken al hunne krachten meendente moeten inspannen, om den afstand van Essequebo, Demerary en Berbice en dus de verbrokkeling van Nederlandsch Guyana te beletten. Men deinsde vooral voor de ontevredenheid terug, die deze maatregel te Amsterdam zoude veroorzaken.

Wij waren echter machteloos tegenover Engeland. De Engelsche regeering had, nadat de Souvereine Vorst getoond had, in het protocol van 21 Juni 1814 over België te willen berusten, zich genegen verklaard, de onderhandelingen over de koloniën te hervatten, geenszins echter van de eens gedane eischen afstand te doen. Het staat, zeideLord Castlereagh, aan ons te beoordeelen, wat het ons belieft te behouden, wat terug te geven491). En nu heeft er eene gebeurtenis plaats, die men, lettende zoowel op de Grondwet als op de latere geschiedenis van de regeering van Willem I, niet zoude hebben verwacht.Van Nagell laat de onderhandelingen uit zijne handen glippen, en het is Falck, de Algemeene Secretaris, die ze weder opneemt. Onwillekeurig herinnert men zich bij dit feit, wat van Nagell als voorzitter der groote vergadering bij de inhuldiging van den Souvereinen Vorst gezegd had. Gedachtig aan hetgeen hij in den tijd zijner ballingschap in Engeland gezien had, en niet aan den inhoud der Grondwet, meende hij, dat de vorst in zijne betrekkingen tot zijn volk nimmer verdacht kon worden, daar de ministers voor al hunne verrichtingen verantwoordelijk bleven492). Zoo kan ook hier het besef zijner verantwoordelijkheid de reden zijn geweest, waarom hij de verdere behandeling dezer zaak aan een ander overliet. Falck, die, om de woorden vanLord Castlereaghte gebruiken493), de „bekrompen inzichten” van van Nagell niet deelde, zag er geen bezwaar in, de verantwoordelijkheid voor het sluiten van een tractaatmet Engeland op de door dit land bepaalde grondslagen op zich te nemen, al voorzag hij ook het geschreeuw dat de afstand van de West-Indische koloniën op de beurs zoude veroorzaken. Want, meende hij, de teruggave van dit alles zoude van de Engelschen eeneffort de générositézijn geweest, dat men niet konde verwachten, noch in redelijkheid kon vergen494).Wij zien dan ook dat bij brief van Falck aan Fagel, van 4 Augustus 1814, deze gemachtigd wordt in den afstand van Essequebo, Demerary en Berbice toe te stemmen en tot de sluiting van het tractaat op de grondslagen, door Fagel in zijne laatste depêche van 29 Juli495)neergelegd, over te gaan. Onzerzijds worden nog over eenige ondergeschikte punten eenige wenken medegedeeld, zonder dat van hunne inwilliging de sluiting van het tractaat afhankelijk werd gemaakt. En zoo werd dan na eenige dagen, den 13den Augustus 1814, het tractaat tusschen Groot-Brittanië en de Vereenigde Nederlanden over hunne koloniën te Londen geteekend496).

Wat zouden wij dientengevolge van ons vroeger koloniaal bezit behouden, wat zou door ons worden afgestaan? In Afrika waren en bleven de forten op de kust van Guinea van zelf in ons bezit. Wij verloren echter de Kaap de Goede Hoop. In de Oost werd ons alles teruggeven. Niet alleen de eilanden, maar ook de kantoren op het vasteland van Azië keerden tot ons terug. Eene uitzondering maakte daarop het kleine district Bernagore in de buurt van Calcutta, dat aan Engeland verbleef; eveneens Cochin op de kust van Malabar, waarvoor wij echter het tinrijke eilandBankain ruil erlangden. Het is eenigszins bevreemdend, dat, terwijl Engeland zich genegen betoonde, aan ons dat belangrijkeeiland wegens de nabijheid van Java en de Molukken af te staan, het er niet op aandrong al onze etablissementen op het vasteland te behouden, en dat te meer, omdat onzerzijds, vooral wanneer er geldelijke vergoeding voor gegeven werd, tegen den afstand daarvan niet veel bezwaar zoude zijn gemaakt, gelijk wij dan ook later, in 1824, in dien afstand hebben toegestemd. Engeland vergenoegde zich echter met de bepaling, waarbij de Souvereine Vorst zich verbond in die etablissementen geene versterkingen op te richten, ten einde de goede verstandhouding tusschen beide landen niet zoude worden verstoord. In Amerika eindelijk moesten wij alleen het westelijk gedeelte van Nederlandsch Guyana derven; voor het overige zoude de Hollandsche vlag weder wapperen zoowel op het vasteland als op de eilanden. Aan den wensch van Engeland, om Essequebo, Demerary en Berbice te behouden, was alzoo voldaan. Het gelukte echter onze diplomatie, voor de onderdanen van den Souvereinen Vorst, bezitters van plantages aldaar, te bedingen, dat hun zoude worden veroorloofdde naviguer et de trafiquer entre les dits etablissementsen het moederland. Eene bepaling, diebij het tractaat van den 12den Augustus 1815497)nader werd uitgewerkt. Eene concessie van de zijde van Engeland, die niet zonder gewicht was, als men in aanmerking neemt, dat naar de zienswijze dier dagen het voordeel der koloniën hoofdzakelijk geacht werd te bestaan in de mogelijkheid, om van de vaart daarop en den handel daarmede de vreemdelingen te kunnen uitsluiten.Lord Clancartymeende zelfs, dat door dergelijke inbreuk op het koloniaal stelsel de afstand eener kolonie eerder een voordeel dan een nadeel was, daar men in 't genot bleef van de vaart en den handel en bevrijd werd van de kosten noodig voor de verdediging en het bestuur498).

Tegenover het behoud dier koloniën door Engeland, stonden geldelijke opofferingen van grooten omvang. Een millioen pond sterling door Engeland te betalen aan Zweden voor Guadeloupe; twee millioen, om met een gelijk bedrag, dat de Souvereine Vorst zoude geven, te dienen voor den vestingbouw in België; eindelijk de helft—tot een maximum van 3 millioen pond—van de kosten door Holland te betalendans le but de consolider et d'établir finalement d'une manière satisfaisante l'union des Pays-Bas avec la Hollande sous la domination de la Maison d'Orange Nassau. Met andere woorden: Engeland zoude, voor het geval Rusland van zijne Hollandsche schuld geheel of ten deele werd bevrijd, een deel daarvan voor zijne rekening nemen.

Ontstond er nugeschreeuw op de beurs?Dit kon moeilijk, daar aan het tractaat geen ruchtbaarheid werd gegeven; een deel der overeenkomst was zelfs in geheime artikelen opgenomen. In het hoofdtractaat zelf werd de teruggaaf van al de koloniën en de ruil van Cochin tegen Banka uitgesproken; alleen werd ten opzichte van de Kaap de Goede Hoop en van Demerary, Essequebo en Berbice verwezen naar eene supplementaire overeenkomst, die, zooals het heette, later zoude worden gesloten. En om den goeden indruk niet te verzwakken, was zelfs de afstand van hetonbeteekenendeBernagore naar de geheime artikelen verwezen. In die geheime artikelen vond men voorts nader geregeld wat er met de Kaap en Guyana zoude geschieden, en waren tevens de geldelijke verbintenissen opgenomen, die Engeland daartegenover op zich nam. Engeland had, wanneer men het verlangde, geen bezwaar in de openbaarmaking van het tractaat, mits de inhoud der geheime artikelen geheim bleef. Waarom? Die artikelen stonden in een te nauw verband met de nog tusschen de mogendheden te sluiten overeenkomst over het nieuwe Rijk der Nederlanden; maar bovendien was het wenschelijkdat Rusland niet wist, tot welk eene som Engeland zich verbond voor de overname derRussische schuld. Wanneer, zooals later het geval bleek te zijn499), de edelmoedige keizer aller Russen met eene mindere som dan 6 millioen pond sterling tevreden kon worden gesteld, dan behoefde ook Engeland minder dan 3 millioen voor die zaak bij te passen. Ook was het wenschelijk dat het Parlement vooreerst onkundig werd gelaten van de zware geldelijke verplichtingen, die Engeland op zich nam. De Souvereine Vorst was waarschijnlijk evenmin op openbaarheid gesteld. Hij die krachtens art. 38 der Grondwet voor geen tractaat hoegenaamd de toestemming der Vertegenwoordiging noodig had, schijnt zelfs geene behoefte hebben gevoeld het hoofdtractaat ter kennis des volks te brengen. Eerst den 7den November 1814500)in de aanspraak, door den Souvereinen Vorst bij de opening van de vergadering der Staten-Generaal gedaan, wordt gezinspeeld op dit tractaat en op de teruggaaf van het aanzienlijkste gedeelte van Nederlands aloude bezittingen, in 't bijzonder van het onschatbare Java. In het verslag, gedurende dezelfde zitting uitgebracht door den Secretaris van Staat voor de Binnenlandsche Zaken, wordt medegedeeld, dat het nog van nadere onderhandelingen moet afhangen, welke van de West-Indische koloniën aan ons zouden terugkomen501). Nog in Mei van het volgende jaar was de inhoud van het tractaat onbekend, en moest Hogendorp van den Souvereinen Vorst de machtiging vragen het mede te deelen aan de leden der commissie voor het ontwerpen der Grondwet voor het nieuwe koninkrijk502). Eerst in Juni 1815 werd de inhoud der overeenkomst van 13 Augustus 1814 wereldkundig door de overlegging er vanaan het Parlement503). De redenen van geheimhouding waren vervallen. Immers op het Congres van Weenen waren de grenzen van het nieuwe Rijk bij tractaat van 31 Mei 1815 voor goed vastgesteld, terwijl bij tractaat den 19 Mei 1815 te Londen door Rusland met ons en Engeland gesloten de zaak der Russische schuld geregeld was504).

Men had zich echter vergist in het tijdstip, waarop de conventie van 13 Augustus 1814 tot uitvoering zoude komen. Binnen drie weken zoude het tractaat door den Prins-Regent en den Souvereinen Vorst worden geratificeerd (art. 9) en binnen drie maanden daarna de bezittingen in de West, binnen zes maanden die in de Oost weder worden gesteld in ons bezit. Het geheele jaar 1815 moest echter voorbijgaan, zonder dat van dit alles iets kwam. De vertraging was voor een deel teweeggebracht door den langen duur van het Weener Congres, voor een deel ook door Napoleons terugkomst uit Elba, die het noodzakelijk maakte, dat de troepen voor de Indiën bestemd, vooreerst hier bleven ter verdediging van het Rijk in Europa. Eerst in Januari 1816 ging de West, in Augustus 1816 de Oost uit de handen van Engeland in de onze over.

Wij zagen, dat van Nagell en anderen niet tevreden waren over de gedragslijn van Engeland, omdat het niet alles teruggaf. Opmerkelijk is het, dat, terwijl men niet het minste bezwaar zag in de toepassing van het recht van verovering op België en in het beroep op dat recht door de geallieerden bij het Londensche protocol van 21 Juni 1814 gedaan, men het Engeland ten kwade duidde, toen het iets wilde behouden van hetgeen het in den tienjarigen oorlog van 1803 tot 1814 met zijn zwaard had verkregen. Wanneer men echter let op deopofferingen, die Engeland zich in den langdurigen oorlogstijd had getroost, dan zoude de volledige teruggaaf, ik ben het met Falck eens, een buitengemeen, niet te vergen en niet te verwachteneffort de générositévan de zijde van Engeland zijn geweest. Ik kan dan ook in die afkeuring van Engelands gedrag niet deelen, en dit te minder, als ik denk aan de zware geldelijke verplichtingen, die Engeland als equivalent voor de door ons afgestane koloniën op zich nam. Eerder zoude de vraag kunnen gedaan worden, waaraan wij het te danken hebben, dat wij zonder eenige inspanning onzerzijds weder in 't bezit kwamen van het grootste gedeelte onzer koloniën?

Men heeft beweerd, dat Engeland door zijne bondgenooten tot die teruggaafgenoopt was. Ik meen ten onrechte. Het blijkt niet, dat eene der andere mogendheden op de sluiting van het tractaat van 13 Augustus 1814 eenigen invloed had uitgeoefend; integendeel bestond juist, zooals wijvroegergezien hebben, bij Fagel de groote vrees, dat de koloniale kwestie niet tusschen Engeland en ons alleen zoude worden beslist, maar dat zij, ter behandeling verwezen naar het Congres van Weenen, vermengd zou worden met al de netelige vraagstukken der Europeesche politiek. Alleen in zoover hebben de geallieerden invloed ten onzen gunste uitgeoefend, dat Engeland door te veel te behouden zijne reputatie op het continent vreesde te zullen bederven en daardoor zijne zedelijke kracht te zullen verzwakken505).

Er moge zijn bijgekomen, dat in die dagen uitbreiding van het koloniaal bezitquand mêmebij Engeland niet op den voorgrond stond. Er waren nog andere zaken, waaraan het vooral niet minder waarde hechtte. De beginselen van de gewapende neutraliteit, in het laatst der vorige eeuw door Rusland verkondigd, ten einde in den oorlog ter zee den handel der neutralen te beschermen, de handhaving vooral van den nieuwen volkenrechtelijken regel: vrij schip, vrij goed, waren altijd Engeland een doorn in het oog geweest. De Engelschen meenden, om meester ter zee te blijven, de wapenen van het oude Engelsche zeerecht niet te kunnen missen, en de ondervinding der Napoleontische oorlogen had hen in die zienswijze bevestigd. Van hier, dat bij de regeling van het Europeesche Statenstelsel na den val van Napoleon over het zeerecht niets werd bepaald, de beginselen der gewapende neutraliteit werden doodgezwegen en alzoo het oude zeerecht bleef bestaan506).

Het omgekeerde was het geval met een ander punt, dat de Engelsche staatslieden niet minder ter harte ging: ik bedoel de afschaffing van den slavenhandel. Onwillekeurig doet men de vraag, wat toch wel de bovendrijvende partij in Engeland, de Tories, bewoog, een strijd op leven en dood te voeren tegen dat menschonteerende bedrijf. Humaniteit was anders niet het zwak van die staatslieden met hun ingeworteld conservatisme. De reden was, dat in de Engelsche natie langzamerhand eene beweging voor de afschaffing van dien handel was ontstaan, zoo sterk, dat de regeering om politieke redenenhet geraden achtte, voor haar partij te kiezen. Dit is zeker, dat reeds vóór den val van Napoleon Engeland van Portugal en Zweden de veroordeeling van den slavenhandel wist te verkrijgen, en dat na den val van Napoleon geene gelegenheid ongebruikt werd voorbijgegaan, om van de andere mogendheden hetzelfde te bedingen. Zoo zien wij dan ook den Souvereinen Vorst ter voldoening aan eene nota van Engeland van 15 Juni 1814 een besluit nemen tot wering van den slavenhandel, terwijl ook het verdrag van 13 Augustus 1814 in art. 8 eene uitdrukkelijke verbintenis onzerzijds tenzelfden einde bevat.

Er waren dus andere zaken, waarop Engeland nog grooteren prijs stelde dan op de uitbreiding van het koloniaal bezit. Wellicht dat Frankrijk nog meer van de verlorene koloniën had kunnen terug erlangen, zoo het, evenals wij, eene uitdrukkelijke verbintenis tot wering van den slavenhandel had willen aangaan507). Maar ook zonder dat kreeg zelfs dit land bij het Tractaat van Parijs van 30 Mei 1814 de meeste zijner koloniën terug. Hoeveel te meer moest Engeland dan genegen zijn, dezelfde gedragslijn tegenover ons te volgen, die vroeger wel de verbondenen van Frankrijk waren geweest, maar toch voor en na de inlijving als het slachtoffer van Napoleons heerschzucht moesten worden beschouwd;tegenover ons, die, zoodra de gelegenheid daar was, het Fransche juk hadden afgeschud; tegenover ons, die door de herstelling van het huis van Oranje ons berouw hadden getoond over de afdwalingen der revolutie, en den band met den voorrevolutionairen tijd weder hadden trachten vast te knoopen.


Back to IndexNext