Diog.Wie roept mij?Alex.Alexander. Waarom hebt gij niet uit uw ton naar mijn paleis willen komen?Diog.Omdat het even ver van mijn ton naar uw paleis is, als van uw paleis naar mijn ton.Alex.Wel, zijt gij dan aan koningen geen eerbetoon schuldig?Diog.Neen.Alex.Waarom niet?Diog.Omdat zij geen goden zijn.Alex.Zij zijn goden op aarde.Diog.Ja, goden van aarde.Alex.Plato denkt er anders over.Diog.Dat verheugt mij.Alex.Waarom?Diog.Omdat ik niet wensch, dat een ander dan Diogenes de gedachten van Diogenes heeft.Alex.Als Alexander iets heeft, dat Diogenes genoegen kan doen, noem het mij dan en neem het aan.Diog.Ontneem mij dan niet wat gij mij niet kunt geven: het zonlicht.Alex.Hebt gij nergens behoefte aan?Diog.Aan niets van wat gij hebt.Alex.Ik heb de geheele wereld tot mijn bevelen.Diog.En ik tot mijn verachting.Alex.Gij leeft niet langer dan ik wil.Diog.Maar ik sterf, of gij wilt of niet.Alex.Hoe kan iemand leeren tevreden te zijn?Diog.Door te verleeren begeerig te zijn.Alex.Hephæstion, zoo ik niet Alexander was, zou ik wenschen Diogenes te zijn.Het zou de moeite waard zijn, hier nog een paar van de geestige gesprekken tusschen Apelles en Campaspe, waarin de langzamerhand ontluikende liefde der laatste fraai uitkomt, of een paar gesprekken, in een geheel anderen toon gevoerd, tusschen bedienden, of een gesprek van Diogenes met een Athener, die zijn zoon aan de leiding des wijsgeers toevertrouwen wil, mede te deelen, doch dit weinige moge volstaan om te doen zien, dat Lilly de kunst verstond een fraaien, boeienden en geestvollen dialoog teschrijven en zich, waar het noodig was, wist te onthouden van de jacht op gezochte woordspelingen en vergelijkingen, waar hij anders maar al te vaak aan toegeeft. Wel had reeds vroeger Gascoigne in een vertaling derSuppostivan Ariosto van proza gebruik gemaakt, maar Lilly bezigde het in zijn tooneelwerken doorgaande en wel met zooveel smaak en talent, dat hij de vader van het dramatisch proza verdient genoemd te worden. Zoolang het Euphuisme aan het hof bewonderd en ook bij andere standen in zwang was, werd Lilly buitengewoon, en verre boven zijn verdienste bewonderd; doch toen men eenmaal de gezochtheid van zijn stijl inzag en afkeerig werd van het bezigen van beeldspraak, gelijkenissen, mythologische toespelingen, vreemde zinswendingen bij elke denkbare gelegenheid, was zijn roem in korten tijd getaand en werden zelfs zijn wezenlijke verdiensten miskend. Hier moest op deze gewezen worden, omdat het voorbeeld van Lilly blijkbaar van invloed is geweest op Shakespeare. Ook bij dezen is menig gesprek euphuistisch getint, doch hij maakte van dezen stijl een gematigd gebruik. Waar jongelieden uit den hoogeren stand een woordenschermutseling houden, zooals Mercutio en Romeo, wordt hij gebezigd; evenzeer, doch in groveren vorm, waar bedienden elkander al plagend de loef willen afsteken; ook waar personen uit de hoogere kringen met elkander in proza een geestig gesprek voeren, dat den toehoorder bijzonder belang moet inboezemen, zooals in den Cymbeline (eerste bedrijf, vierde tooneel) Posthumus en Jachimo. Zoo kan men ook in den Hamlet zoowel in toespraken des konings als in de redeneeringen van Polonius Euphuisme opmerken. Moge de wijze van uitdrukking en de jacht op woordspelingen naar onzen smaak hier en daar veel te gezocht zijn, over het algemeen moet men erkennen, dat Shakespeare het Euphuisme niet, zooals Lilly zelf, overdreven, telkens, bij allerlei gelegenheden, aanwendde, maar alleen waar het pas gaf, waar een bepaald doel er mee te bereiken was.2Het overdreven gebruik er van wordt door hem met scherpen spot gestriemd, niet enkel in het voorbijgaan, zooals in de aanspraak van Falstaff, als hij voor koning Hendrik speelt en gewag maakt van de kamille, die, hoe meer ze vertreden wordt, te sneller groeit (I Koning Hendrik IV, II. 4. 441), maar zelfs een geheel stuk door, zooals in Veel Gemin, Geen Gewin (Love’s Labour’s Lost).In welke mate Shakespeare, al trad hij aanvankelijk in het voetspoor van anderen, hen in korten tijd voorbijstreefde, blijkt ten duidelijkste, als wij zijn eerstelingen, zoowel wat den inhoud als den vorm betreft, vergelijken met de tooneelwerken van begaafde tooneelschrijvers, die in den eersten tijd van zijn verblijf in Londen werden opgevoerd; men kan dadelijk bespeuren, dat hij hun gebreken opmerkte en trachtte te vermijden, iets anders en beters gaf dan zij. En de schrijvers, als wier mededinger hij optrad, waren mannen van aanleg, die over het algemeen een academische opleiding hadden genoten en, in de tooneelwereld levend, stukken leverden, die aan den smaak der toeschouwers voldeden. Onder hen mag wel in de eerste plaatsChristopher Marlowegenoemd worden, die, in hetzelfde jaar als Shakespeare geboren, juist twee maanden voor hem, op 26 Februari 1564, gedoopt werd, blijkens het kerkregister, in de aloude stad Canterbury. Van zijn opleiding is met zekerheid bekend, dat hij in Cambridge gestudeerd heeft en er in 1583Baccalaureusin de vrije kunsten werd. In 1587 werd hij erMagister, Meester, maar hij zal er in de tusschenliggende jaren wel niet gebleven zijn; hij zal ten minste een deel van dien tijd in Londen doorgebracht en grootendeels aan tooneel-arbeid gewijd hebben; ten minste in 1586, of uiterlijk in 1587, werd zijn eerste dramatische arbeid, “Tamerlan de Groote”,Tamburlaine the Great, ten tooneele gebracht. In 1588 schreef hij zijn “Tragische historie van Dr. Faustus”, in 1589 of 1590 zijn “Jood van Malta”, en later het historiestuk “Edward de Tweede”. Wat er meer van zijn geschriften is overgebleven, behoeft hier niet te worden nagegaan, doch over elk der genoemde werken, vooral over het eerste, moet hier gesproken worden. Van zijn loopbaan is overigens zoo goed als niets bekend, dan alleen dat hij den naam had van zeer loszinnig te leven en een ongeloovige te zijn. Hij stierf, 29 jaar oud, in Mei 1593, ten gevolge van een dolksteek, die hem bij een twist om een liefje in een herberg werd toegebracht en door het oog heen in de hersens drong.Zijn “Tamerlan de Groote” bestaat uit twee tooneelstukken en behandelt de geschiedenis van Tamerlan, ook Timur en Timur-Lenk geheeten, den woesten Tatarenvorst, die, geboren in 1336, in de tweede helft der veertiende eeuw uit nietige beginselen een groot rijk, een wereldrijk, wist te stichten, uit zijn hoofdstad Samarkand (in Turan) de landen beheerschte van den Chineeschen muur tot de Middellandsche zee en van Egypte tot het hart van Rusland, en, nog steeds van veroveringsplannen vervuld, in 1405 stierf. Zijn heerschzucht ging met groote wreedheid gepaard, maar hij bezat ook groot beleid om zijn rijk krachtig in te richten, was een rechtvaardigrechter en een ijverig bevorderaar van kunsten en wetenschappen; zijn hoofdstad Samarkand was niet alleen het middelpunt van een uitgebreiden handel, maar ook een beroemde zetel van geleerdheid. In de beide stukken van Marlowe, die een groot deel van Tamerlans leven omvatten, met de eerste ontwikkeling zijner macht beginnen en met zijn dood eindigen, treedt hij ondertusschen schier alleen als geweldig, woest en wreed veroveraar op; slechts zijn liefde voor de schoone Zenocrate toont hem van eenigszins zachteren kant, doch ook deze liefde uit zich op heftige wijze. Eigenlijke, fijne karakterteekening wordt niet aangetroffen, en deze twee stukken maken geen drama uit, maar dramatiseeren eenvoudig eenige deelen der geschiedenis van den Tataarschen veroveraar. Het meest opmerkelijke in deze stukken is Marlowe’s heerschappij over de taal, en zijn versbouw. Wel waren reeds in Gorboduc, door Sackville en Norton, de vroeger voor ernstige dramatische poëzie meest gebruikelijke gerijmde zevenvoetige jambische verzen door het vijfvoetige rijmlooze jambische vers vervangen, maar men kan zeggen, dat eerst door Marlowe deze verssoort, hetblank-verse, voor goed op het volkstooneel het burgerrecht verkregen heeft. Hij was dit zichzelf zeer goed bewust en zegt in den proloog van zijn Tamerlan, dat hij, zich verre houdend van het geklikklak der rijmelarij, zijn toehoorders in de oorlogstent van Tamerlan zal voeren. Doch hoeveel goeds en schoons zijn vers ook moge bevatten, door overdrijving van gedachten en beelden vervalt hij vaak in gezwollenheid en bombast. De juiste zuivere smaak, die in alles maat weet te houden, ontbrak hem, bij al zijn dichterlijke gaven, maar al te zeer. Met name komt dit uit in zijn eerste voor het tooneel geschreven werk, den Tamerlan. Het werd juist omstreeks den tijd, waarop Shakespeare te Londen aankwam, gespeeld en kan ter vergelijking met diens eerstelingen strekken; dit moge de eenigszins uitvoerige bespreking rechtvaardigen.De persoonlijkheid van Tamerlan wordt door den Perzischen gezant Menaphon (Eerste stuk, II. 1) beschreven als:“Van hooge leest en fier steeds opgericht,Gelijk zijn geest, die godd’lijk opwaarts streeft;Zoo zwaar van leden en zoo hecht gebouwd,Zoo breed van schouders, dat hij Atlas’ vrachtZou dragen; op die mannenschouders rustEen parel, meer dan heel de wereld waard,Waarin, door hooge meesterschap der kunst,Zijn scherp doordringende oogen zijn gevat,Wier vuurge kringen in hun ommevangEen ganschen hemel hemellichten bergen,Die steeds zijn gang en doen geleidt ten troon,Waar de Eer in koningstooi gezeteld is.’t Gelaat is bleek, door hartstocht zoo ontverfd,Die dorst naar oppermacht en oorlogslust.’t Hoog voorhoofd teekent in zijn plooien dood,En maalt, zoo ’t glad is, vriendschap af en leven;Omgeven is ’t van amberkleurig haar,Gegolfd als eens Achilles’ lokkenpracht,Waarmee des hemels adem blijde speelt,Die ’t golven doet met dart’le majesteit.Zijn armen, vingers, lang en forsch gespierd,Verraden moed en overmaat van kracht.Zoo maakt hem elks deels juiste bouw den man,Die de aard moet onderwerpen, Tamerlan.”Deze geweldige man ontvlamt plotseling in hevige liefde voor Zenocrate, de dochter van den sultan van Egypte, die op haar tocht van Medië naar Egypte hem in handen gevallen is. Als hem voor haar en haar geleiders losgeld aangeboden wordt, barst hij aldus los (I. 2):“Versmaadt Zenocrate met mij te leven?Of, heeren, gij, van mijn gevolg te zijn?Die schat, zoo waant gij, weegt mij meer dan gij?Mij koopt al ’t goud uit Indië’s rijken schootDen minsten trosknecht van mijn heer niet af.Zenocrate, schoon boven Jovis’ schoone,Glansvoller dan de zilv’ren Rhodope,En blanker dan der Scythen blankste bergsneeuw,Gij zijt voor Tamerlan een grooter schatDan ’t rijk bezit van Perzië’s kroon, dat mijBij mijn geboorte een goed gesternte spelde.U doe een honderdtal Tataren dienst,Op rossen, vlugger nog dan Pegasus;Met kostb’re steen en van mijzelf, meer waardDan eenig siersel van Zenocrate.In elpenbeenen slede trekken uMelkwitte herten op der meren ijsEn klimmen op der hooge bergen sneeuw,Die ras van uwer schoonheid stralen smelt.Mijn krijgsbuit, met vijfhonderd man, gewonnenOp Wolga’s vijftig monden rijken stroom,Dit alles wijd ik aan Zenocrate,En dan mijzelf aan u, Zenocrate.”Tamerlan overwint den Turkschen keizer Bajazet, zet hem in een kooi, voedert hem als een wild dier, laat hem er van tijd tot tijd uithalen om hem als een voetbank te gebruiken bij het bestijgen van zijn troon, en voert hem op zijn tochten met zich; Bajazets vrouw, keizerin Zabina, moet slavinnedienst doen bij Zenocrate. Tamerlan trekt op om den sultan van Egypte te beoorlogen en heeft het beleg geslagen voor Damascus, dat volgens Marlowe in of bij Egypte schijnt te liggen. Bij gelegenheid van een gastmaal worden Bajazet, in zijn kooi, en Zabina binnengebracht, en Tamerlan werpt aan Bajazet een stuk vleesch toe, dat deze echter versmaadt envertrapt; aan Zenocrate, die bedrukt en treurig ziet, vraagt Tamerlan, wat haar schort en of de Turk haar iets zal voorzingen. Zij antwoordt (IV. 4):“O heer, mijns vaders stad berend te zien,Het land verwoest, waar ik geboren werd,Zou dit niet smarten tot in ’t diepst der ziel?Indien er, heer, in u nog liefde huist,Of zoo mijn liefde voor uw majesteitVan uwer hoogheid hand een gunst verdient,Hef dan ’t beleg van ’t schoon Damascus opEn sluit een goeden vrede met mijn vader.”Doch Tamerlan zegt:“Waar’, lieve, Egypte Jovis’ eigen land,’k Zou Jupiter doen bukken voor mijn zwaard.De blinde geografen doe ik zwijgen,Die de aard in drieën deelen en dan nietDe landen noemen, die ik teek’nen wil,Nieuw, op een kaart, met deze scherpe stift,(Hij wijst op zijn zwaard).Waarbij ik dan provincie, stad en burgBenoem naar u en mij, Zenocrate.Hier in Damascus wijs ik ’t punt nu aan,Van waar de loodlijn aanvang nemen moet;En zou ’k uws vaders gunst met zulk verliesNu koopen, denkt gij? spreek, Zenocrate!”Zenocrate kan niets meer zeggen dan een wensch uiten:“Zij eer steeds en geluk met Tamerlan;Doch gun mij, dat ik voor mijn vader pleit.”Zij moet zich tevredenstellen met Tamerlans belofte:“Stel u gerust, hij brengt er ’t leven af,Als alle vrienden van Zenocrate,Die levend bukken voor mijn macht, of mijDoor dwang als keizer groeten; want ik wil:Arabië en Egypte worden mijn.”Hierna krijgt Bajazet, die de neep des hongers niet kan weerstaan, wat te eten.Damascus, tot het uiterste gebracht, zendt vier maagden tot Tamerlan, om genade te verwerven, doch zij worden meedoogenloos geslacht. Dit wordt gevolgd door een alleenspraak van Tamerlan, die van zijn hartstochtelijke liefde voor Zenocrate getuigenis aflegt. Toch is hij niet verzacht, want hij laat terstond daarna Bajazet, in zijn kooi, met Zabina voor zich brengen; doch op het bericht, dat wel Damascus genomen, maar de sultan van Egypte, alsmede de koning van Arabië, vroeger met Zenocrate verloofd, met hun leger nabij zijn, vertrekt hij terstond ten strijde. Bajazet, alleen gelaten, maakt, na een gesprek met zijn echtgenoote Zabina, van de gelegenheid gebruik om zich het hoofd tegen de kooi te verbrijzelen en Zabina volgt zijn voorbeeld. Zenocrate verschijnt en klaagt bitter over Tamerlans wreedheid. Middelerwijl woedt de strijd, de koning van Arabië komt doodelijk gewond op en sterft; onmiddellijk daarna komt Tamerlan als overwinnaar terug, vergezeld van den sultan van Egypte, die in zijn macht is gevallen, doch het leven behoudt en zelfs zijn rijk terugontvangt, zooals Tamerlan zegt in een toespraak, die het eerste stuk besluit (V. 2):“Zet, godd’lijke Zenocrate, u neer,Wij kronen u aldus als koninginVan Perzië en elk rijk en vorstendom,Dat Tamerlans geweld pas onderwierp.Als Juno eens na der Giganten val,Die bergen slingerden naar Jovis’ hoofd,Zoo zie ik mijn geliefde nu, wier voorhoofdMij mijn triomfen en tropeeën maalt,Of als Latona’s dochters, tuk op strijd,Den moed verhoogend van mijn heerschersgeest.En, lieflijke Zenocrate, om uZal Azië, Mooren- en Egypteland,Van ’t Berberland tot west’lijk India,Uw’ vader jaar op jaar een cijns betalen;Zijn machtige arm zal reiken van de grensVan Afrika tot aan des Ganges boord.En thans, gij heeren en getrouwe volgers,Die menig rijk mij wont door kloeken moed,Legt nu voor ’t pantser purp’ren kleed’ren aan,En neemt uw koninklijke zetels in,Omgeven van uw stoet van edellieden,En regelt orde en wet in uw gebied.Hangt aan Alcides’ pijlers uwe waap’nen,Want Tamerlan sluit vrede met heel de aard.Uw eerste bruidegom, Arabië’s vorst,Wordt eervol, zooals past, ter aard besteld,Zoo ook de Turksche vorst en schoone gade.En is die waardige uitvaart hun bereid,Dan volge onze echt met groote plechtigheid.”Dat het tweede deel verscheiden jaren later speelt, blijkt hieruit, dat er drie zoons van Tamerlan en Zenocrate in optreden, allen reeds van den leeftijd om de wapenen te voeren. Doch overigens in alles hetzelfde, Tamerlan is er met de jaren niet makker op geworden; eer zou men zeggen, dat zijn woestheid nog is toegenomen, en tevens treden er eenige tegenstanders op, die evenzoo van hun legers, gevechten en overwinningen zwetsen, kortom een even grooten mond opzetten als hij. Zij worden natuurlijk overwonnen; Tamerlan spant een paar der gevangen koningen voor zijn wagen, legt hun een gebit in den mond, neemt de teugels in de linkerhanden een zweep in de rechter, waarmede hij hen voortdrijft; zoo verschijnt hij een paar keer ten tooneele (IV. 4 en V. 1). De woorden van den zwetsenden Pistool, Falstaff’s vaandrig (2 Kon. Hendrik IV, II. 4. 178):“Knollen, voos en log, van Asia,Die op een dag nauw dertig mijlen loopen”,zijn aan dit tooneel ontleend.—Zenocrate krijgt de koorts en sterft; Tamerlan raast, verklaart aan den hemel den oorlog en steekt ter eere zijner overleden gemalin een volkrijke stad in brand.—Zijn oudste zoon is weinig oorlogzuchtig en maakt eens, als Tamerlan hem zegt, wat zijn zoons te leeren hebben om krijgers en echte zoons van Tamerlan te zijn,—wat niet weinig is en ongeloofelijke heldendaden in zich sluit,—de opmerking, dat dit alles zeer gevaarlijk is en dat zij verslagen of gewond kunnen wezen, eer zij volleerd zijn; Tamerlan brengt zich dan een wonde aan den arm toe, om hem te doen zien, dat een wonde, hoe diep ook, niets is. De les helpt niet; aan een volgend gevecht neemt zijn oudste zoon geen deel, en hij wordt dan ook zonder genade door zijn vader gedood.—Tamerlan raast en woedt steeds door, maar wordt eindelijk krank en sterft, en daarmee is het stuk uit.Enkele voorbeelden uit dit stuk mogen den stijl en de taal van Marlowe nog nader doen kennen. Zenocrate is gestorven en nu roept Tamerlan zijn volgelingen toe (II. 4):“Wat! is zij dood? Techelles, trek uw zwaard,En houw in de aard, dat zij in tweeën splijt’En wij in de onderaardsche krochten dringen,De Noodlots-zusters sleepen bij het haar,Haar sling’ren in der hel driedubb’len stroom,Voor ’t rooven van mijn gâ Zenocrate!Te wapen, Casane en Theridamas!Werpt schansen hooger dan de wolken op,En beuk met grof geschut het hemelwelf,Beschiet het schitt’rend prachtpaleis der zonEn gruizel heel der sterren firmament!Want Jupiter, verliefd, stal mij mijn lief,Opdat zij hemelkoninginne wierd.Wat god het zij, die u in de armen knelt,En u met nectar laaft en ambrozijn,Zie, godd’lijke Zenocrate, ’k sta hier,Wanhopig, razend, onbedwingbaar, dol.Mijn stalen lans moog’ splint’ren, ik verbreekHet roestig slot van Janus’ tempeldeur,En laat den Dood en dwing’land Krijg er uit,Ten tocht met mij en deze bloedbanier!Heb deernis met den grooten Tamerlan,Daal uit den hemel, keer tot mij terug!”Men ziet, dat Marlowe niet afkeerig is van mythologische toespelingen. Evenzoo is het hem een genoegen, zijn geographische geleerdheid te luchten, wat, wegens haar uiterst twijfelachtig gehalte, dikwijls zeer vermakelijk is. Zijn zucht tot overdrijven komt ook uit bij het opnoemen van de sterkte der legerscharen, die zelden minder dan honderd duizend man tellen, soms millioenen en een enkelen keer zelfs “meer dan oneindig.” Zoo zegt Gazellus, een Turksch veldheer (II. 2):“Thans komen we, om zijn spieren te doen rillen,Met grooter macht, dan ooit zijn trots ervoer.Een honderd koningen, bij twintigtallenGeschaard, daagt thans hem uit tot woesten strijd;Elk twintigtal brengt honderd duizend man.Al stortten donderkeilen hageldichtMet felle buien uit der wolken schoot,Partijdig gunstrijk voor den trotschen Scyth,Toch bleken onze moed en stalen helmenEn ons getal, meer dan oneindig, wisIn staat tot wederstand en zegepraal.”Hooren wij ook, wat Tamerlan tot zijn onderveldheeren, die hij tot koningen verheven heeft, spreekt (I. 3):“Uw komst hier, vrienden, koninklijke broeders,Vervult mijn hart met overmaat van vreugd.Zoo de kristallen poort van Jovis’ burgMij openstond, opdat ik binnengingOm ’s hemels macht en majesteit te zien,’t Verheugde mij niet meer dan dit gezicht.Thans richten we op deez’ vlakte een feestmaal aan;Dan naar Turkije met ons heer getogen,Talrijker dan der waterdrupp’len val,Als Boreas een duizend wolken scheurt.De trotsche Orcanes van Natolië zalMet al zijn onderkoningen zoo sidd’ren,Dat, wierden ook, als na Deucalions vloed,De steenen menschen, hij bezwijken moest.Zoo wil ik baden in der Turken bloed,Dat Jupiter mij door zijn vleugelbodeGelast mijn zwaard te bergen, ’t veld te ontruimen,En dat de Zon, van de’ aanblik schier bezwijmd,Zijn hoofd verbergt in Thetis’ vochten schoot,Zijn rossen in Boötes’ hoede geeft;Want in dien strijd zal ’t halve menschdom vallen.”Als Tamerlan zich zwaar ziek gevoelt, geeft hij zijn smart aldus lucht (V. 3):“Wat drieste God is ’t, die mijn lichaam nijpt,Den grooten Tamerlan bedwingen wil?Moet ziekte mij als mensch doen kennen, mij,Die steeds de schrik der wereld werd genoemd?Techelles, allen! komt, en trekt uw zwaard,Bedreigt dat wezen, dat mijn ziele kwelt!Op nu! ten strijde met des hemels machten!Verheft banieren, zwarte, in ’t firmament,Ten teeken, dat der goden sterfuur naakt.Wat, vrienden, zal ik doen? ik kan niet staan.Komt, draagt mij, dat ik ’t godendom bekamp’,Dat Tamerlans gezondheid zoo belaagt.”Theridamas tracht hem tot kalmte te stemmen:“Ach, goede heer, weerhoud die gramme taal,Die uwer ziekte felheid veel verscherpt.”Doch Tamerlan gaat voort:“Wat! zou ik zitten, kwijnen aan mijn kwaal?Neen, roert de trommen! op ter wrake! Komt,En velt de lansen! hem de borst doorboord,Die op zijn schouders de as der wereld draagt,Opdat, val ik, ook aarde en hemel vallen!Theridamas, spoed u naar Jovis’ hof;Zeg, dat hij fluks Apollo tot mij zend’Om mij te heelen, of ik haal hem zelf.”Techelles doet een nieuwe poging:“Zit kalm, mijn koning, wijken zal die smart;Zij kan niet duren, want ze is al te sterk.”Waarop Tamerlans antwoord is:“Niet duren, vriend? neen, want ik sterf er aan.Zie, hoe mijn slaaf, het leelijk monster, Dood,Sterk bevend, sidd’rend, bleek en vaal van vrees,Daar loerend staat, zijn moordpijl op mij richt,En verre wegvlucht, als mijn blik hem treft,Doch, zie ik niet hem aan, weer nader sluipt!—Ellend’ling, weg! spoed u naar ’t open veld;’k Verschijn er met mijn heer; ’k belaad uw rugMet zielen, duizend, van verminkte lijken.—Daar gaat hij, zie!—maar zie, daar is hij weer,Wijl ’k toef! Techelles, trekken we op! de DoodBezwijm’ door zielen hellewaarts te dragen.”Hoe gezwollen zulk een stijl ons moge voorkomen, men zal toch niet licht beweren, dat hij van schoonheid ontbloot, dat hij met gewonen bombast gelijk te stellen is. Integendeel, men kan hier en daar de zuiverste parels van schoonheid opmerken, hoewel dikwijls in de wonderlijkste omgeving. Als—om hier nog een enkel voorbeeld van te geven—Tamerlan ten tooneele komt op een wagen, door de koningen van Trebizonde en Syrië getrokken, en hen uitmaakt voor logge, volgevreten knollen, die slechts twintig mijlen daags afleggen, hoewel zij zulk een prachtige kar trekken en den grooten Tamerlan tot menner hebben, gaat hij voort: “De rossen, die het gouden oog des dags rondvoeren en den morgen uit hun neusgaten blazen, bij hun trotschen rit boven de wolken, erlangen niet zooveel eer van hun bestuurder als gij, gij slaven van den machtigen Tamerlan.” Met dit schoone beeld is Marlowe echter nog niet tevreden, de herinneringen uit de oudheid zijn over hem vaardig geworden en hij voegt er aan toe, dat de door Alcides getemde Thracische rossen, die koning Egeus met menschenvleesch voedde en zoo dartel maakte, dat zij hun kracht gevoelden, niet voor een goddelijker macht moesten bukken, dan zij, die door zijn onoverwonnen arm waren bedwongen; hij zou hen voeden met rauw vleesch en hun den sterksten muskadel uit emmers te drinken geven, opdat zij zijn kar sneller voorttrokken dan de jagende wolken; zoo zij dit niet vermochten, deugden zij voor niets, en mochten een aas zijn voor zwarte raven. Bij het beoordeelen dezer taal bedenke men, dat de jonge dramatische dichter ten doel moest hebben het publiek te boeien en te treffen, en dat dit publiek gewoon was Herodes op het tooneel te hooren bulderen en zich ook niet kon voorstellen, dat een geweldig heerscher als Tamerlan zich anders dan op geweldige wijze uitte. En dan behoeft men zich inderdaad niet te verwonderen, dat het publiek zoowel door wat het oog te zien kreeg als door de prachtig rollende verzen van den jongen dichter en door de nieuwheid zijner beelden als het ware betooverd werd. Dat Marlowe ook nog op andere wijze, misschien door meer boertige tooneelen de toejuichingen van de schouwburgbezoekers trachtte te verwerven, blijkt uit het voorbericht van den drukker, waarin deze erkent enkele tooneelen, te weinig in overeenstemming met de rest, en, schoon met genoegen aangegaapt, niet genoeglijk bij het lezen, te hebben weggelaten. Wat hiervan zij, de bijval, dien het stuk vond, is zeer wel te verklaren, en tevens moet erkend worden, dat Marlowe, schoon den smaak van het volk treffend, niet tot het volk afdaalde, maar het tot zich optrok, en aan zijn toeschouwers het hoogste en verhevenste gaf, dat hij hun kon aanbieden.Dat hij dit inderdaad deed, en zelfs niet schroomde, groote vraagstukken, die des menschen geest bewegen, ten tooneele te brengen, blijkt uit zijn volgend stuk: “De tragische historie van Doctor Faustus.” Reeds geruimen tijd was in Duitschland het verhaal in omloop van zekeren Johan Faust, een wonderdokter, astroloog en toovenaar uit de eerste helft der zestiende eeuw, die door den duivel gehaald zou zijn; zijn geschiedenis was reeds in 1567 tot een comedie verwerkt, die men in genoemd jaar in Frankfort aan de Main heeft willen opvoeren. In dezelfde stad verscheen in 1587 het eerste Duitsche volksboek over het Faust-verhaal, en hoogstwaarschijnlijk was reeds in het volgend jaar het stuk van Marlowe voltooid, vermoedelijkvóór den ondergang der onoverwinnelijke vloot; op welke wijze hij van het Duitsche volksboek kennis gekregen heeft, is onbekend. Marlowe’s stuk werd, natuurlijk meer of minder gewijzigd, later in Duitschland als poppenspel vertoond en een van deze omwerkingen heeft aanleiding gegeven tot Goethe’s beroemd dramatisch gedicht. Het mag een dwaasheid genoemd worden, beide werken, dat van Marlowe en dat van Goethe, met elkander te gaan vergelijken, maar onwillekeurig komt men er eenigszins toe, en daarom zij hier met enkele woorden gezegd, dat van den strijd, bij Goethe door Faust gestreden, tusschen den onwederstaanbaren aandrang tot weten en de beperktheid der menschelijke natuur, bij Marlowe geen spoor te vinden is. Zucht naar kennis drijft bij Goethe Faust tot beoefening der magie en tot zijn verbond met den duivel; bij Marlowe heeft de zucht naar wetenschap weinig te beteekenen en openbaart zich alleen door eenige vragen over verouderde redeneer- en sterrenkunde; wat Faustus bij hem door de magie tracht te verwerven, is roem, macht en genot. Reeds in het begin van het stuk, in zijn eerste alleenspraak, spreekt hij het duidelijk uit:“O, welk een wereld van genot en voordeel,Van macht, van eer en van almogendheid,Belooft de kunst aan hem, die ijv’rig streeft!Al wat zich tusschen beide polen roert,Gehoorzaamt mij dan; koningen en keizersGebieden enkel in hun eigen land,Hun wil ontboeit geen storm of scheurt geen zwerk;Doch wie in dit gebied een heerscher is,Regeert zoover de geest des menschen reikt.Een echte Magus is een machtig god;Scherp, Faustus, ’t brein voor deze godd’lijkheid.”Hierop zendt Faustus zijn dienaar en leerling naar twee vrienden, Valdes en Cornelius, die in de magie bedreven zijn; in dien tusschentijd spreken hem een goede en een kwade engel toe; Faustus blijft besloten de magie te beoefenen, die hem rijkdom en macht zal bezorgen, en wordt door zijn twee leermeesters in de zwarte kunst ingewijd. Hij bezweert daarop Mephistophilis, die een zwaarmoedige en goedaardige duivel blijkt te zijn, hem de helsche pijnen schildert, en hem dringend afraadt, het verbond met Lucifer te sluiten. Faustus blijft vastbesloten en zendt Mephistophilis naar Lucifer, met het bericht, dat hij dezen voor vier-en-twintig jaren levens van genot en macht zijn ziel wil verpanden. Daarna wordt hij nog wel door angst bekropen, maar blijft, ook bij het hernieuwd bezoek van den goeden en kwaden engel, bij zijn plan, en sluit met Mephistophilis het in allen vorm opgemaakte en met zijn bloed onderteekende verdrag. Meermalen gevoelt hij wroeging en komen de goede en de kwade engel hem bezoeken, maar hij blijft getrouw aan Lucifer, die ook zelf bij hem verschijnt en de zeven doodzonden in haar ware gedaante voor hem doet verschijnen. Van Mephistophilis vergezeld, bezoekt Faustus, op een kar, door draken getrokken, verschillende landen. Wij vernemen dit uit een mededeeling van het koor en uit een gesprek van Faustus met Mephistophilis; zijn verrichtingen in Rome worden vertoond. Hij voert er onzichtbaar, bij een gastmaal van den paus, allerlei kunststukjes uit, neemt dezen de schotels voor den neus weg, drinkt zijn beker leeg en dient hem eindelijk een oorveeg toe; de bedienende monniken, die de onzichtbare euveldaders vervloeken, krijgen slaag. Vervolgens komen Faustus en Mephistophilis aan het hof des keizers teInnsbruck, waar Faust den grooten Alexander met zijn gemalin voor den keizer verschijnen doet, een ridder horens op het hoofd toovert en hem er weer van bevrijdt. Dan weder vermaakt zich Faustus door een paardenkooper te bedotten met een betooverd paard en zich door hem een been te laten aftrekken, wat den man natuurlijk een geweldigen schrik op het lijf jaagt; voorts bezorgt hij door zijn tooverkunst aan de hertogin van Anholt in Januari een schotel rijpe druiven, en laat eindelijk de schoone Helena voor zich verschijnen, wordt op haar verliefd en kust haar. Het is het laatste genot, dat zijn tooverkunst hem aanbrengt; zijn tijd is om; schoon hij na zijn contract eigenlijk alleen enkele onschuldige grappen verkocht heeft, benauwen hem geweldige gewetenswroegingen in zijn laatste ure; onder donder en bliksem wordt hij door duivelen naar de hel gesleept.Bij het beoordeelen van Marlowe’s Faustus moet men in het oog houden, dat wij het stuk niet voor ons hebben zooals het uit des dichters pen gevloeid is; de eerste druk is van 1604, meer dan tien jaren na zijn dood, en het is gebleken, dat er, toen het stuk een poos gespeeld was, wijzigingen in gemaakt zijn, die waarschijnlijk vooral in bijvoegingen bestaan hebben, om de toeschouwers, die het stuk meermalen gezien hadden, op enkele nieuwe tooneelen te onthalen. Maar ook al brengt men dit in rekening, dan moet toch erkend worden, dat de dichter, het volksboek tamelijk getrouw volgende, eenvoudig een reeks van tooneelen geleverd heeft, die onderling zeer weinig samenhangen, zoodat er van een doorloopende handeling eigenlijk geen sprake kan zijn. Evenzeer ontbreekt een scherpe karakterteekening, zelfs van den hoofdpersoon, wiens bedrijf en lot geen groote belangstelling kunnen wekken. Men moge allehulde brengen aan de dichterlijke schoonheid van enkele gedeelten, het geheel is niet van dien aard, dat dit stuk aan Shakespeare als voorbeeld kan gediend hebben en op zijn ontwikkeling van eenigszins aanmerkelijken invloed geweest kan zijn.Hetzelfde moet gezegd worden van het volgend stuk van Marlowe, “De Jood van Malta”,The Jew of Malta, dat in 1589 of 1590 moet geschreven zijn. De rijke jood Barabas is door de willekeur van den bestuurder van Malta van zijn goederen beroofd en besluit zich te wreken, wat hij dan ook op de gruwelijkste wijze ten uitvoer brengt. Moorden te plegen is hem een wellust; zoo vergiftigt hij al de nonnen,—en onder deze behoort zijn eigen dochter,—van het klooster, dat in zijn vroegere woning gevestigd is, en bedenkt ten laatste een helsche machine, om als met één slag de velen, die hij haat, te vermoorden, doch wordt zelf het slachtoffer zijner uitvinding. Dat hij een haatdragende en wraakzuchtige jood is en een bekoorlijke dochter bezit, is de eenige overeenkomst van den Barabas van Marlowe met den Shylock uit Shakespeare’s Koopman Van Venetië. Het stuk is gruwelijk, niet tragisch.Hooger lof moet toegekend worden aan Marlowe’s ongetwijfeld later geschreven historiestuk Edward II. Dit omvat de geheele regeering van Edward II (1307–1327), zooals ook in den uitvoerigen titel der eerste uitgave (1598, dus 5 jaren na des schrijvers dood) wordt uitgedrukt:The troublesome raigne and lamentable death of Edward the second, King of England: with the tragicall fall of proud Mortimer: And also the life and death of Peirs Gavestone, the great Earle of Cornewall, and mighty favorite of king Edward the second, as it was publiquely acted by the right honorable the Earle of Pembroke his seruantes. Written by Chri. Marlow Gent.Het stuk begint met de eerste regeeringsdaad des konings: Gaveston, onder koning Edward I verbannen, wordt dadelijk na diens overlijden, door zijn vriend en begunstiger, koning Edward II, teruggeroepen; dit is werkelijk het geval geweest, want de vader stond nog boven aarde, toen de zoon zijn gunsteling weder ontbood. Kunstige schikking van de gegevens, om het verband der gebeurtenissen beter te doen uitkomen en de handelingen uit het karakter der personen te doen voortkomen en te verklaren, heeft men hier niet te zoeken; en niet alleen mist men hier scherp geteekende karakters, maar ook levendige volkstooneelen. In al deze opzichten staat Marlowe’s stuk zelfs bij de zwakkere historiestukken van Shakespeare, die het leven van Koning Hendrik VI ten tooneele brengen, verre achter. Het is een gedramatiseerde, in tooneelen verdeelde kroniek, waarin de gebeurtenissen met verbazende snelheid elkander opvolgen, in veel hoogere mate dan ooit bij Shakespeare. Men kan zeggen, dat Edwards troonsbeklimming, de terugkomst van Gaveston, zijn verheffing tot Graaf van Cornwall en andere waardigheden, zijn overmoed en beleedigende handelingen jegens de hoogste edellieden, hun dreigend verzet en ’s konings toegeven, Gavestons tweede verbanning en zijn tweede terugroeping als het ware één tooneel uitmaken. Doch met dit al valt hier op te merken, dat de stijl vrij is van de gezwollenheid, die aan Marlowe in andere stukken vaak eigen is, dat de gesprekken losser en natuurlijker, de verzen volkomener en rijker in verscheidenheid zijn, dan in zijn oudere geschriften. Marlowe’s stuk is hoogstwaarschijnlijk van latere dagteekening dan de drie deelen van Shakespeare’s “Koning Hendrik VI”; het vermoeden ligt voor de hand, dat Marlowe de genoemde tooneelwerken gekend en er het een en ander uit geleerd heeft. Een der tooneelen, dat namelijk, waarin Edward II gedwongen wordt van de kroon afstand te doen, heeft overeenkomst met het gelijksoortig tooneel in Shakespeare’s “Koning Richard II”, doch kan er zich in schoonheid niet mede meten; het is Marlowe niet gelukt voor Edward II evenveel belangstelling en deernis op te wekken, als Shakespeare voor Richard II wist te doen; als deze heengaat, is hij ontkroond, doch blijft een koning; als Edward wordt weggeleid, is hij een arme gestrafte zondaar. Er is geen reden om te onderstellen, dat Marlowe, ware zijn leven niet zoo ontijdig, in zijn dertigste jaar, afgesneden, ooit met Shakespeare had kunnen wedijveren. Zijn geheele aanleg verbiedt dit te gelooven. Wel was hij voor zachtere stemmingen niet ontoegankelijk; zijn gedichten kunnen dit getuigen; hier zij het voldoende op het lied te wijzen van den Verliefden Herder aan zijn liefste, dat, als in “De Verliefde Pelgrim” voorkomende, in deze uitgaaf is opgenomen; maar over het algemeen trokken hem van de gebeurtenissen de vreeselijke, de schrikverwekkende aan, en hij schilderde deze het liefst met sterke kleuren en zware schaduwen; hij vatte verder deze gebeurtenissen en den ondergang, die er op volgt, meer op zichzelf in het oog, zonder na te gaan, hoe de handelingen uit het binnenst van ’s menschen gemoed voortkomen, met het wezen der menschen samenhangen; zijn hartstochtelijke natuur liet hem niet toe met zijn blik diep in ’s menschen wezen en de drijfveeren zijner handelingen door te dringen en meesterstukken te scheppen, eenigszins te vergelijken met die van zijn grooteren tijdgenoot, wiens zon eerst aan het rijzen was, toen de zijne plotseling werd uitgedoofd.De overige iets oudere tijdgenooten van Shakespeare, wier stukken tusschen 1580 en 1590 of weinig later werden opgevoerd, kunnen korter vermeld worden.Thomas Kyd(ofKid) schijnt iets ouder dan Marlowe geweest te zijn, doch van zijn persoon of leven is niets bekend. Hij maakte naam door zijn “Jeronimo”, een stuk, dat in 1588 werd opgevoerd, en door zijn “Spaansche tragedie, of Hieronymo is weer dol”,The Spanish Tragedy, or Hieronymo is mad again. Vooral dit laatste stuk viel in den smaak en werd, evenals Shakepeare’s Titus Andronicus, na vele jaren nog altijd met grooten bijval gespeeld, zooals Ben Jonson, wien deze bloedstukken een gruwel waren, met diepe ergernis opmerkt. Want een bloedstuk, veel gruwelijker dan “Titus Andronicus” was “De Spaansche tragedie.” Men oordeele: in het begin van het stuk treedt de geest van zekeren vermoorden Andrea op, vergezeld door de Wraak; zij maken, zooals gezegd wordt, als het ware het koor uit; de moordenaar van Andrea is zekere Balthasar; deze heeft natuurlijk de wraak van Andrea’s achtergebleven geliefde, ’s konings dochter Bellimperia, op zich geladen, en haalt zich bovendien, door het dooden van haar tweeden geliefde, Horatio, bij haar wraak ook die van Horatio’s vader Jeronimo op den hals. Om deze te zekerder te volbrengen veinst Jeronimo krankzinnig te zijn; hij bereikt eindelijk zijn doel door een tooneelvertooning, waarin hijzelf, Bellimperia, Balthasar en diens medemoordenaar Lorenzo, zoon van den hertog van Castilië, medespelen, en waarin de moorden, die slechts vertoond moesten worden, werkelijk gebeuren, daar Bellimperia Balthasar en daarna zichzelf doodsteekt, en Jeronimo aan Lorenzo het leven beneemt. Dit wordt alles aanvankelijk voor spel gehouden, doch als het spel ernst blijkt, bijt Jeronimo zich de tong af en helpt daarna den vader van Lorenzo, die toeschouwer was, alsook zichzelf van kant, zoodat er maar een paar personen in leven blijven. Merkwaardig, dat hier, evenals in den “Titus Andronicus” een vader zich waanzinnig voordoet om wraak te kunnen nemen, en dat voor het bereiken van dit doel een tooneelstuk wordt vertoond, als in den “Hamlet”. In het bovenstaande is de slachting, die aangericht wordt, op verre na niet volledig beschreven; dit doet op het eind van het stuk bij wijze van epiloog een geest, die vermeldt, dat Horatio in zijns vaders tuin omgebracht is, de lage Serberino door Pedringano vermoord, de valsche Pedringano opgehangen, de schoone Isabella door eigen hand omgekomen, Prins Balthasar door Bellimperia doorstoken, de hertog van Castilië, met zijn snooden zoon, door Jeronimo geveld, Bellimperia op de wijze van Dido gestorven en Jeronimo door zichzelf gedood. De geest voegt er aan toe, dat dit schouwtooneelen waren, die zijn ziel verlustigden.3Dit stuk werd ook nog opgeluisterd door een stomme vertooning,a dumb show.Men wane niet, dat de Spaansche tragedie van Kyd, wat moorden betreft, ongeveer het ergste was, wat aan de toeschouwers van dien tijd werd aangeboden; de Jood van Malta in Marlowe’s stuk maakt niet minder slachtoffers, en een stuk van Henry Chettle, van 1598, “Hoffman of de wraak voor een vader” overtreft dat van Kyd eveneens. Dat tooneelwerken met zooveel bloedvergieten in den smaak vielen, behoeft niet te verwonderen, als men bedenkt, hoe een halve eeuw later, in ons land de “Aran en Titus” van Jan Vos toegejuicht werd, niet alleen door het volk, maar zelfs door het hoogst beschaafd publiek (zie de Aanteekeningen). Men bedenke hierbij, dat de menschen toen ter tijd in Engeland aan bloedvergieten gewoon waren geraakt, dat de dagen van koningin Maria bloediger gedachtenisse, toen doodvonnissen aan de orde van den dag waren en de brandstapels schier dagelijks rookten, aan velen nog duidelijk voor den geest stonden, en dat in 1586 Babington met zijn eedgenooten op het schavot het leven verloor en in 1587 het hoofd van Maria Stuart viel. Verder moge hier nog opgemerkt worden, dat de ruwheid van vele tooneelstukken en de ongelijkmatigheid hunner deelen, zoodat hardvochtigheid en meewarigheid, onbeschaafdheid en fijn gevoel, grootspraak en gematigdheid er vaak onmiddellijk aan elkander grenzen, inderdaad een afspiegeling was van den geest dier tijden, waarin niet zelden stralende glans en lage gezindheid, fijne kunstzin en grove ruwheid, hooge beschaving en losse zeden, zelfopofferende heldenmoed en lage schraapzucht met elkander gepaard gingen. Welke pracht het hof van Elizabeth ook ten toon spreidde, en hoe het ook op beschaving boogde, matiging en zelfbeheersching was Elizabeths deel niet; zij sloeg in drift haar adellijke kameniers met de vuist, spuwde op het galakleed van een edelman en gaf haar gunsteling Essex, toen hij haar bij een driftige woordenwisseling den rug toekeerde, een slag in het gezicht.Doch keeren wij voor een oogenblik tot Kyd terug. Zijn Jeronimo en zijn Spaansche tragedie zijn, zoowel wat het plan als de uitwerking er van betreft, zoo onzinnig mogelijk; in gezwollenheid en grootspraak geeft hij aan Marlowe niets toe; slechts hier en daar vindt men gedeelten,die inderdaad roeren en treffen; over het algemeen mangelt het hem aan smaak. Toch moest hier de aandacht op hem gevestigd worden, omdat zijn stukken ongetwijfeld aan Shakespeare bekend waren, zooals blijkt uit enkele aan Kyd ontleende gezegden, met name “Ga weg, Jeronimus” en het “Pocas palabros” in het voorspel van “Een Snibbe getemd”, doch vooral, omdat misschien enkele vindingen van Kyd, zooals het invlechten eener tooneelvertooning in zijn stuk aan Shakespeare het eerste denkbeeld van iets dergelijks aan de hand deden. Wat versbouw en meesterschap over de taal betreft, staat Kyd op een niet geringe hoogte; zijn vers moge vaak in kracht bij dat van Marlowe achterstaan, het was soms rijker aan verscheidenheid, daar hij de rusten naar eisch wist te wijzigen.Nog een viertal Tooneelschrijvers uit het belangrijk tijdperk 1580–1590 moet hier beknopt besproken worden.Robert Greene, te Norwich, waarschijnlijk omstreeks 1560, geboren, studeerde te Cambridge, waar hij in 1578 het Baccalaureaat, in 1583 het Meesterschap in de vrije kunsten verwierf. Hij schijnt ook eenigen tijd de hoogeschool te Oxford bezocht te hebben; hij noemt zich ten minste op den titel van eenige zijner boeken Meester bij beide academies,Utriusque Academiæ in Artibus Magister. Tusschen 1578 en 1583 heeft hij Spanje, Italië en andere landen bereisd, en, volgens zijn eigen bekentenissen, heeft hij, niet alleen toen, maar ook later, een zeer losbandig en slecht leven geleid. Wel is hij gehuwd, waarschijnlijk omstreeks 1586, en volgens zijn eigen getuigenis met een zeer beminnelijke en liefhebbende vrouw, maar hij verliet haar weldra en hervatte zijn losbandig leven. Hij stierf in September 1592 een ellendigen dood. Na zich op een avond overmatig te goed gedaan te hebben aan pekelharing en Rijnwijn, werd hij door een ziekte aangetast, die wel een maand duurde. Al zijn vrienden hadden hem verlaten; alleen de welwillendheid van de arme schoenmakersvrouw, bij wie hij woonde, gunde hem een bed om te sterven. Hij schreef op zijn doodbed een stuk, getiteld “Het Berouw van Robert Greene”, en voltooide nog een ander, later te vermelden werkje, waarbij ook nog een brief aan zijn vrouw afgedrukt is, een smeeking om vergiffenis, terwijl hij haar tevens verzocht den schoenmaker, door wiens vrouw hij zoo goed opgepast was, schadeloos te stellen. Met de ijdelheid had hij nog niet afgedaan; hij verzocht zijn trouwe verzorgster, hem na den dood een lauwerkrans om de slapen te drukken, wat de goede ziel ook gedaan heeft.—Hoe losbandig ook van leven, hij was een vruchtbaar schrijver van veel talent. Zijn verbeelding was levendig, zijn stijl boeiend, hij was te huis in volksoverleveringen en maakte er gaarne gebruik van; evenzoo verlustigde hij zich in herinneringen en beelden uit de oudheid. Van zijn prozawerken zijn vooral te vermelden korte romantische verhalen, met ingelaschte poëzij, die vaak zeer liefelijk is van inhoud en bevallig van vorm; zoo schreef hij onder andere “Pandosto, de triomf van den Tijd, of de geschiedenis van Dorastus en Faunia”, een verhaal, dat in 1589 het licht zag en aan Shakespeare de stof voor zijn “Winteravondsprookje” verschaft heeft. Verder schreef hij stukken, die op hemzelf of zijn lotgevallen betrekking hebben, of op het volksleven van verschillende streken. Hij schreef ook verscheiden tooneelwerken. Zij zijn geen eigenlijke drama’s, veeleer gedramatiseerde verhalen te noemen; de karakterteekening laat veel, zeer veel, ja alles, te wenschen over; de vrij eenvoudige handeling vloeit niet uit de karakters der personen voort en wordt alleen iets meer ingewikkeld gemaakt door bijkomende gebeurtenissen, die weinig of niets met de hoofdzaak te maken hebben; maar de wijze van uitwerking is verdienstelijk; zijn stijl is niet gezwollen als die van Marlowe, zijn versbouw is wel minder forsch, doch vloeiend, aangenaam en niet zonder verscheidenheid; de samenspraken zijn natuurlijk en soms verrassend door dichterlijke ongezochte wendingen. Van zijn overgebleven tooneelwerken is “De Geschiedenis van Broeder Baco en Broeder Bungay”,The Honourable History of Friar Bacon and Friar Bungay, wel het meest bekend. De handeling is zeer eenvoudig: een Prins van Wales is op een landmeisje verliefd geraakt en zendt een zijner hovelingen uit om haar te bepraten; de zendeling wordt zelf op haar verliefd en is besloten haar te huwen; de Prins van Wales, schoon aanvankelijk recht verstoord, overwint zijn eigen neiging en vereenigt de gelieven; hijzelf treedt met een prinses, die zijn vader voor hem bestemde, in den echt. Doch gemakkelijk wordt deze uitkomst niet verkregen, tooverkunsten komen er bij te pas; niet alleen de twee in den titel vermelde geestelijke broeders zijn toovenaars, nog meerdere treden er in het stuk op; een paar keer wordt er iemand op den rug van een duivel weggevoerd, en zoo worden er nog andere goocheltoeren uitgehaald, waarvan men wel niet vat, waarom zij vertoond worden, maar die toch zeker den toeschouwer groot genoegen deden. Bovendien, behalve de prins van Wales, verschijnen ook de koning van Engeland en de keizer van Duitschland met het noodige gevolg in alle pracht ten tooneele, wat zeker niet weinig tot het slagen van het stuk heeft bijgedragen. Trouwens, alleen door zulke kunstgrepen kon het boeien, want van karakterteekening is geen spoor te vinden, evenmin van eenig redelijk plan; het geheel is uit tooneelenvan zeer verschillenden aard zoo onzinnig mogelijk aaneengelapt.—Te zamen met zijn vriend Thomas Lodge schreef Greene een stuk, dat bijna aan de oude moraliteiten doet denken, “Een spiegel voor Londen en Engeland”; het heeft ten doel, den Engelschen hun zonden in den spiegel van het verledene te doen aanschouwen. Op walglijke wijze stelt de profeet Hosea het zedenbederf van Ninivé ten toon en richt zich daarna telkens tot de Londenaars met de verklaring, dat zij veel boozer zijn, dan de inwoners van Ninivé ooit waren. Later verschijnt ook, als ter afwisseling, de profeet Jonas, die “uit den buik van den walvisch op het tooneel geworpen wordt” en den ondergang van Ninivé voorspelt, maar zich ten slotte tot de Londenaars richt en hun verzekert, dat zij nog zondiger zijn dan Ninivé en hun stad de zetel is van alle mogelijke ondeugden; hierop volgt de vermaning, dat zij, hoe verstokt ook, eindelijk hun beeld mogen herkennen in den voorgehouden spiegel en boete doen en bekeeren, bedenkende, dat alleen de innige gebeden en de heete tranen hunner koningin de lang verdiende straffe nog vertragen. Hierop volgt dan, zooals men denken kan, een heilbede voor de koningin.De zoo even genoemdeThomas Lodgewas omstreeks 1556 geboren en behoorde tot een goede familie in Lincolnshire. Hij bezocht omstreeks 1573 de hoogeschool te Oxford, is misschien een poos tooneelspeler geweest, heeft expedities ter zee medegemaakt, is als schrijver opgetreden, heeft zich verder aan de studie gewijd, en is daarna de geneeskunde gaan beoefenen en te Avignon gepromoveerd. Hij verwierf zich in Londen als arts een goeden naam en overleed aldaar in 1626 aan de pest. Voor het tooneel schreef hij, behalve den reeds vermelden, te zamen met Greene geslepen “Spiegel voor Londen en Engeland”, een treurspel: “De wonden van den Burgeroorlog, duidelijk in het licht gesteld door de tragedie van Marius en Sylla”, welk stuk in 1594 uitgegeven werd.—Hier is van hem vooral, en met lof, te noemen het romantisch, met liefelijke gedichtjes doorweven verhaal “Rosalinde, een gulden legaat van Euphues”,Rosalynde: Euphues golden legacie, waaraan Shakespeare zijn merkwaardig meesterstuk “Elk wat wils”,As you like it, ontleende.Reeds vroeger is in het voorbijgaan vanThomas Nashgewag gemaakt. Deze was omstreeks 1564 geboren en stierf omstreeks 1600. Volgens zijn eigen getuigenis had hij een hard leven, en groote moeite om met zijn pen in zijn onderhoud te voorzien. Waarschijnlijk leefde hij, als zoovelen zijner tijd- en lotgenooten, van de hand in den tand, als hij geld gebeurd had, in weelde en overvloed, als het op was, in gebrek en ellende. Wat hij voor het tooneel schreef, beteekent niet veel en behoeft hier niet besproken te worden. Alleen dit zij vermeld, dat hij, in vereeniging met Marlowe, “Dido, koningin van Carthago”, schreef, een stuk, dat waarschijnlijk van 1590 dagteekent. De stijl heeft over het algemeen zooveel van dien van Marlowe, dat het moeilijk te zeggen is, welk aandeel Nash in dezen arbeid had. Het stuk wordt hier genoemd, omdat er een beschrijving van Priamus’ dood in voorkomt; Shakespeare laat in zijn “Hamlet” door een tooneelspeler ook een beschrijving van Priamus’ val en Hecuba’s wanhoop voordragen, waarin hij kennelijk Marlowe’s stijl nabootst; belangwekkend is het, beide beschrijvingen te vergelijken, en op te merken, hoezeer Shakespeare zijn voorganger overtreft.—Overigens was Nash vooral satyrisch schrijver, en bezat als zoodanig veel naam.De laatste tooneeldichter, die hier vermeld moet worden, isGeorge Peele. Hij werd waarschijnlijk omstreeks 1558 in Devonshire geboren, was van goede afkomst, studeerde te Oxford en verwierf er in 1579 het Meesterschap in de vrije kunsten. Hij schijnt omstreeks 1580 naar Londen gekomen te zijn en er den overigen tijd van zijn leven doorgebracht te hebben. “Doorgebracht” mag de juiste uitdrukking wel wezen, want naar alle berichten leidde hij er hetzelfde woeste leven als velen zijner gildebroeders, nu in overdaad het geld verspillend, dat een tooneelstuk of gedicht hem opbracht, dan weer armoede en honger lijdend, en niet keurig op de middelen om aan geld te komen. Hij stierf vóór 1598; een boek, in dit jaar uitgegeven, schrijft zijn dood aan zijn losbandige leefwijze toe. George Peele heeft verscheiden kleine stukjes geschreven, die bij feestelijke gelegenheden, b.v. bij het optreden van een nieuwen Lord Mayor of ter eere van een voornamen gast, werden opgevoerd, alsmede gedichten en grootere tooneelwerken. Hij was de taal goed meester en kon bevallig en boeiend schrijven, zoodat Thomas Nash hem in 1587 alsprimus verborum artifier, een eersten beheerscher der taal, roemde. Als zijn beste tooneelwerk wordt zijn “David en Bathseba” geroemd, waarvan de volledige titel is:The love of King David and fair Bethsabe, with the tragedy of Absalon. Het werd in 1599 voor het eerst gedrukt, doch was zeker eenige jaren ouder; het is waarschijnlijk na 1590 geschreven, te oordeelen naar een passage, die aan Spencers Elfenkoningin,Faery Queen, ontleend schijnt te zijn.—Daar hij zich tamelijk getrouw aan het bijbelsch verhaal houdt, is er van een kunstig plan geen sprake; men kan zelfs zeggen, dat hij bij zijn pogingen om het eenvoudig verhaal tot gesprekken uit te werken vaak zeer ongelukkig geweestis,—de ontvangst van Uriël door David, Davids gedrag als hij den dood van Bathseba’s kind verneemt, de wijze, waarop Thamars onteering door haar halven broeder Amnon bijna ten tooneele gebracht wordt, kunnen dit getuigen; men kan bovendien om Davids leed geen ware deernis gevoelen, daar hij den zijnen in schandelijke handelingen is voorgegaan;—maar toch moet erkend worden, dat Peele, hoeverre zijn stuk in tragische werking bij het bijbelverhaal achtersta, bij Davids klachten den rechten toon heeft aangeslagen, en dat taal en stijl in dit stuk over het algemeen vloeiend, levendig, hier en daar beeldrijk zijn, en waar het noodig is, verheffing en kracht bezitten.Wij hebben in het voorafgaande de beste tooneeldichters van den tijd genoemd, hun voornaamste werken vermeld en, hoe kort ook, beschouwd, en wij hebben bevonden, dat het aan geen hunner gelukt is den echt tragischen toon te treffen, dan aan George Peele in zijn “David en Bathseba” en aan Marlowe in “Edward II”. Men moet hieruit niet afleiden, dat zij in dit opzicht als Shakespeare’s voorgangers en wegbereiders beschouwd moeten worden, want Shakespeare was ongetwijfeld met zijn eerstelingen, “Titus Andronicus” en “Koning Hendrik VI”, reeds opgetreden, eer de genoemde stukken van Marlowe en Peele gespeeld werden, zoodat hij in dit opzicht eer tot hun voorgangers te rekenen is, dan zij tot de zijne. Shakespeare is slechts in zeer beperkten zin een kind van zijn tijd te noemen. Hij heeft van zijn voorgangers veeleer geleerd, wat hij te vermijden, dan wat hij te doen had; hij heeft het goede, dat in hun taal en stijl en versbouw te vinden was, overgenomen, maar hij heeft het geadeld en tot volkomenheid gebracht; in zijn kunst van karakters te scheppen, woorden en daden der personen uit deze te doen voortvloeien, had hij geen voorgangers. Wie zijn blijspelen, zijn historiestukken, zijn tragedies met die zijner voorgangers en tijdgenooten vergelijkt, moet erkennen, dat hij, zelfs reeds in zijn eerstelingen, onder hen optreedt niet als de eerste onder zijns gelijken, maar als dichter eener andere, eener hoogere orde. Bij den glans zijner zon zijn hun sterren verflauwd; zij worden thans slechts door enkele weetgierigen, als het ware met kijkers, gadegeslagen, terwijl zijn luister allen helder in de oogen straalt.
Diog.Wie roept mij?Alex.Alexander. Waarom hebt gij niet uit uw ton naar mijn paleis willen komen?Diog.Omdat het even ver van mijn ton naar uw paleis is, als van uw paleis naar mijn ton.Alex.Wel, zijt gij dan aan koningen geen eerbetoon schuldig?Diog.Neen.Alex.Waarom niet?Diog.Omdat zij geen goden zijn.Alex.Zij zijn goden op aarde.Diog.Ja, goden van aarde.Alex.Plato denkt er anders over.Diog.Dat verheugt mij.Alex.Waarom?Diog.Omdat ik niet wensch, dat een ander dan Diogenes de gedachten van Diogenes heeft.Alex.Als Alexander iets heeft, dat Diogenes genoegen kan doen, noem het mij dan en neem het aan.Diog.Ontneem mij dan niet wat gij mij niet kunt geven: het zonlicht.Alex.Hebt gij nergens behoefte aan?Diog.Aan niets van wat gij hebt.Alex.Ik heb de geheele wereld tot mijn bevelen.Diog.En ik tot mijn verachting.Alex.Gij leeft niet langer dan ik wil.Diog.Maar ik sterf, of gij wilt of niet.Alex.Hoe kan iemand leeren tevreden te zijn?Diog.Door te verleeren begeerig te zijn.Alex.Hephæstion, zoo ik niet Alexander was, zou ik wenschen Diogenes te zijn.Het zou de moeite waard zijn, hier nog een paar van de geestige gesprekken tusschen Apelles en Campaspe, waarin de langzamerhand ontluikende liefde der laatste fraai uitkomt, of een paar gesprekken, in een geheel anderen toon gevoerd, tusschen bedienden, of een gesprek van Diogenes met een Athener, die zijn zoon aan de leiding des wijsgeers toevertrouwen wil, mede te deelen, doch dit weinige moge volstaan om te doen zien, dat Lilly de kunst verstond een fraaien, boeienden en geestvollen dialoog teschrijven en zich, waar het noodig was, wist te onthouden van de jacht op gezochte woordspelingen en vergelijkingen, waar hij anders maar al te vaak aan toegeeft. Wel had reeds vroeger Gascoigne in een vertaling derSuppostivan Ariosto van proza gebruik gemaakt, maar Lilly bezigde het in zijn tooneelwerken doorgaande en wel met zooveel smaak en talent, dat hij de vader van het dramatisch proza verdient genoemd te worden. Zoolang het Euphuisme aan het hof bewonderd en ook bij andere standen in zwang was, werd Lilly buitengewoon, en verre boven zijn verdienste bewonderd; doch toen men eenmaal de gezochtheid van zijn stijl inzag en afkeerig werd van het bezigen van beeldspraak, gelijkenissen, mythologische toespelingen, vreemde zinswendingen bij elke denkbare gelegenheid, was zijn roem in korten tijd getaand en werden zelfs zijn wezenlijke verdiensten miskend. Hier moest op deze gewezen worden, omdat het voorbeeld van Lilly blijkbaar van invloed is geweest op Shakespeare. Ook bij dezen is menig gesprek euphuistisch getint, doch hij maakte van dezen stijl een gematigd gebruik. Waar jongelieden uit den hoogeren stand een woordenschermutseling houden, zooals Mercutio en Romeo, wordt hij gebezigd; evenzeer, doch in groveren vorm, waar bedienden elkander al plagend de loef willen afsteken; ook waar personen uit de hoogere kringen met elkander in proza een geestig gesprek voeren, dat den toehoorder bijzonder belang moet inboezemen, zooals in den Cymbeline (eerste bedrijf, vierde tooneel) Posthumus en Jachimo. Zoo kan men ook in den Hamlet zoowel in toespraken des konings als in de redeneeringen van Polonius Euphuisme opmerken. Moge de wijze van uitdrukking en de jacht op woordspelingen naar onzen smaak hier en daar veel te gezocht zijn, over het algemeen moet men erkennen, dat Shakespeare het Euphuisme niet, zooals Lilly zelf, overdreven, telkens, bij allerlei gelegenheden, aanwendde, maar alleen waar het pas gaf, waar een bepaald doel er mee te bereiken was.2Het overdreven gebruik er van wordt door hem met scherpen spot gestriemd, niet enkel in het voorbijgaan, zooals in de aanspraak van Falstaff, als hij voor koning Hendrik speelt en gewag maakt van de kamille, die, hoe meer ze vertreden wordt, te sneller groeit (I Koning Hendrik IV, II. 4. 441), maar zelfs een geheel stuk door, zooals in Veel Gemin, Geen Gewin (Love’s Labour’s Lost).In welke mate Shakespeare, al trad hij aanvankelijk in het voetspoor van anderen, hen in korten tijd voorbijstreefde, blijkt ten duidelijkste, als wij zijn eerstelingen, zoowel wat den inhoud als den vorm betreft, vergelijken met de tooneelwerken van begaafde tooneelschrijvers, die in den eersten tijd van zijn verblijf in Londen werden opgevoerd; men kan dadelijk bespeuren, dat hij hun gebreken opmerkte en trachtte te vermijden, iets anders en beters gaf dan zij. En de schrijvers, als wier mededinger hij optrad, waren mannen van aanleg, die over het algemeen een academische opleiding hadden genoten en, in de tooneelwereld levend, stukken leverden, die aan den smaak der toeschouwers voldeden. Onder hen mag wel in de eerste plaatsChristopher Marlowegenoemd worden, die, in hetzelfde jaar als Shakespeare geboren, juist twee maanden voor hem, op 26 Februari 1564, gedoopt werd, blijkens het kerkregister, in de aloude stad Canterbury. Van zijn opleiding is met zekerheid bekend, dat hij in Cambridge gestudeerd heeft en er in 1583Baccalaureusin de vrije kunsten werd. In 1587 werd hij erMagister, Meester, maar hij zal er in de tusschenliggende jaren wel niet gebleven zijn; hij zal ten minste een deel van dien tijd in Londen doorgebracht en grootendeels aan tooneel-arbeid gewijd hebben; ten minste in 1586, of uiterlijk in 1587, werd zijn eerste dramatische arbeid, “Tamerlan de Groote”,Tamburlaine the Great, ten tooneele gebracht. In 1588 schreef hij zijn “Tragische historie van Dr. Faustus”, in 1589 of 1590 zijn “Jood van Malta”, en later het historiestuk “Edward de Tweede”. Wat er meer van zijn geschriften is overgebleven, behoeft hier niet te worden nagegaan, doch over elk der genoemde werken, vooral over het eerste, moet hier gesproken worden. Van zijn loopbaan is overigens zoo goed als niets bekend, dan alleen dat hij den naam had van zeer loszinnig te leven en een ongeloovige te zijn. Hij stierf, 29 jaar oud, in Mei 1593, ten gevolge van een dolksteek, die hem bij een twist om een liefje in een herberg werd toegebracht en door het oog heen in de hersens drong.Zijn “Tamerlan de Groote” bestaat uit twee tooneelstukken en behandelt de geschiedenis van Tamerlan, ook Timur en Timur-Lenk geheeten, den woesten Tatarenvorst, die, geboren in 1336, in de tweede helft der veertiende eeuw uit nietige beginselen een groot rijk, een wereldrijk, wist te stichten, uit zijn hoofdstad Samarkand (in Turan) de landen beheerschte van den Chineeschen muur tot de Middellandsche zee en van Egypte tot het hart van Rusland, en, nog steeds van veroveringsplannen vervuld, in 1405 stierf. Zijn heerschzucht ging met groote wreedheid gepaard, maar hij bezat ook groot beleid om zijn rijk krachtig in te richten, was een rechtvaardigrechter en een ijverig bevorderaar van kunsten en wetenschappen; zijn hoofdstad Samarkand was niet alleen het middelpunt van een uitgebreiden handel, maar ook een beroemde zetel van geleerdheid. In de beide stukken van Marlowe, die een groot deel van Tamerlans leven omvatten, met de eerste ontwikkeling zijner macht beginnen en met zijn dood eindigen, treedt hij ondertusschen schier alleen als geweldig, woest en wreed veroveraar op; slechts zijn liefde voor de schoone Zenocrate toont hem van eenigszins zachteren kant, doch ook deze liefde uit zich op heftige wijze. Eigenlijke, fijne karakterteekening wordt niet aangetroffen, en deze twee stukken maken geen drama uit, maar dramatiseeren eenvoudig eenige deelen der geschiedenis van den Tataarschen veroveraar. Het meest opmerkelijke in deze stukken is Marlowe’s heerschappij over de taal, en zijn versbouw. Wel waren reeds in Gorboduc, door Sackville en Norton, de vroeger voor ernstige dramatische poëzie meest gebruikelijke gerijmde zevenvoetige jambische verzen door het vijfvoetige rijmlooze jambische vers vervangen, maar men kan zeggen, dat eerst door Marlowe deze verssoort, hetblank-verse, voor goed op het volkstooneel het burgerrecht verkregen heeft. Hij was dit zichzelf zeer goed bewust en zegt in den proloog van zijn Tamerlan, dat hij, zich verre houdend van het geklikklak der rijmelarij, zijn toehoorders in de oorlogstent van Tamerlan zal voeren. Doch hoeveel goeds en schoons zijn vers ook moge bevatten, door overdrijving van gedachten en beelden vervalt hij vaak in gezwollenheid en bombast. De juiste zuivere smaak, die in alles maat weet te houden, ontbrak hem, bij al zijn dichterlijke gaven, maar al te zeer. Met name komt dit uit in zijn eerste voor het tooneel geschreven werk, den Tamerlan. Het werd juist omstreeks den tijd, waarop Shakespeare te Londen aankwam, gespeeld en kan ter vergelijking met diens eerstelingen strekken; dit moge de eenigszins uitvoerige bespreking rechtvaardigen.De persoonlijkheid van Tamerlan wordt door den Perzischen gezant Menaphon (Eerste stuk, II. 1) beschreven als:“Van hooge leest en fier steeds opgericht,Gelijk zijn geest, die godd’lijk opwaarts streeft;Zoo zwaar van leden en zoo hecht gebouwd,Zoo breed van schouders, dat hij Atlas’ vrachtZou dragen; op die mannenschouders rustEen parel, meer dan heel de wereld waard,Waarin, door hooge meesterschap der kunst,Zijn scherp doordringende oogen zijn gevat,Wier vuurge kringen in hun ommevangEen ganschen hemel hemellichten bergen,Die steeds zijn gang en doen geleidt ten troon,Waar de Eer in koningstooi gezeteld is.’t Gelaat is bleek, door hartstocht zoo ontverfd,Die dorst naar oppermacht en oorlogslust.’t Hoog voorhoofd teekent in zijn plooien dood,En maalt, zoo ’t glad is, vriendschap af en leven;Omgeven is ’t van amberkleurig haar,Gegolfd als eens Achilles’ lokkenpracht,Waarmee des hemels adem blijde speelt,Die ’t golven doet met dart’le majesteit.Zijn armen, vingers, lang en forsch gespierd,Verraden moed en overmaat van kracht.Zoo maakt hem elks deels juiste bouw den man,Die de aard moet onderwerpen, Tamerlan.”Deze geweldige man ontvlamt plotseling in hevige liefde voor Zenocrate, de dochter van den sultan van Egypte, die op haar tocht van Medië naar Egypte hem in handen gevallen is. Als hem voor haar en haar geleiders losgeld aangeboden wordt, barst hij aldus los (I. 2):“Versmaadt Zenocrate met mij te leven?Of, heeren, gij, van mijn gevolg te zijn?Die schat, zoo waant gij, weegt mij meer dan gij?Mij koopt al ’t goud uit Indië’s rijken schootDen minsten trosknecht van mijn heer niet af.Zenocrate, schoon boven Jovis’ schoone,Glansvoller dan de zilv’ren Rhodope,En blanker dan der Scythen blankste bergsneeuw,Gij zijt voor Tamerlan een grooter schatDan ’t rijk bezit van Perzië’s kroon, dat mijBij mijn geboorte een goed gesternte spelde.U doe een honderdtal Tataren dienst,Op rossen, vlugger nog dan Pegasus;Met kostb’re steen en van mijzelf, meer waardDan eenig siersel van Zenocrate.In elpenbeenen slede trekken uMelkwitte herten op der meren ijsEn klimmen op der hooge bergen sneeuw,Die ras van uwer schoonheid stralen smelt.Mijn krijgsbuit, met vijfhonderd man, gewonnenOp Wolga’s vijftig monden rijken stroom,Dit alles wijd ik aan Zenocrate,En dan mijzelf aan u, Zenocrate.”Tamerlan overwint den Turkschen keizer Bajazet, zet hem in een kooi, voedert hem als een wild dier, laat hem er van tijd tot tijd uithalen om hem als een voetbank te gebruiken bij het bestijgen van zijn troon, en voert hem op zijn tochten met zich; Bajazets vrouw, keizerin Zabina, moet slavinnedienst doen bij Zenocrate. Tamerlan trekt op om den sultan van Egypte te beoorlogen en heeft het beleg geslagen voor Damascus, dat volgens Marlowe in of bij Egypte schijnt te liggen. Bij gelegenheid van een gastmaal worden Bajazet, in zijn kooi, en Zabina binnengebracht, en Tamerlan werpt aan Bajazet een stuk vleesch toe, dat deze echter versmaadt envertrapt; aan Zenocrate, die bedrukt en treurig ziet, vraagt Tamerlan, wat haar schort en of de Turk haar iets zal voorzingen. Zij antwoordt (IV. 4):“O heer, mijns vaders stad berend te zien,Het land verwoest, waar ik geboren werd,Zou dit niet smarten tot in ’t diepst der ziel?Indien er, heer, in u nog liefde huist,Of zoo mijn liefde voor uw majesteitVan uwer hoogheid hand een gunst verdient,Hef dan ’t beleg van ’t schoon Damascus opEn sluit een goeden vrede met mijn vader.”Doch Tamerlan zegt:“Waar’, lieve, Egypte Jovis’ eigen land,’k Zou Jupiter doen bukken voor mijn zwaard.De blinde geografen doe ik zwijgen,Die de aard in drieën deelen en dan nietDe landen noemen, die ik teek’nen wil,Nieuw, op een kaart, met deze scherpe stift,(Hij wijst op zijn zwaard).Waarbij ik dan provincie, stad en burgBenoem naar u en mij, Zenocrate.Hier in Damascus wijs ik ’t punt nu aan,Van waar de loodlijn aanvang nemen moet;En zou ’k uws vaders gunst met zulk verliesNu koopen, denkt gij? spreek, Zenocrate!”Zenocrate kan niets meer zeggen dan een wensch uiten:“Zij eer steeds en geluk met Tamerlan;Doch gun mij, dat ik voor mijn vader pleit.”Zij moet zich tevredenstellen met Tamerlans belofte:“Stel u gerust, hij brengt er ’t leven af,Als alle vrienden van Zenocrate,Die levend bukken voor mijn macht, of mijDoor dwang als keizer groeten; want ik wil:Arabië en Egypte worden mijn.”Hierna krijgt Bajazet, die de neep des hongers niet kan weerstaan, wat te eten.Damascus, tot het uiterste gebracht, zendt vier maagden tot Tamerlan, om genade te verwerven, doch zij worden meedoogenloos geslacht. Dit wordt gevolgd door een alleenspraak van Tamerlan, die van zijn hartstochtelijke liefde voor Zenocrate getuigenis aflegt. Toch is hij niet verzacht, want hij laat terstond daarna Bajazet, in zijn kooi, met Zabina voor zich brengen; doch op het bericht, dat wel Damascus genomen, maar de sultan van Egypte, alsmede de koning van Arabië, vroeger met Zenocrate verloofd, met hun leger nabij zijn, vertrekt hij terstond ten strijde. Bajazet, alleen gelaten, maakt, na een gesprek met zijn echtgenoote Zabina, van de gelegenheid gebruik om zich het hoofd tegen de kooi te verbrijzelen en Zabina volgt zijn voorbeeld. Zenocrate verschijnt en klaagt bitter over Tamerlans wreedheid. Middelerwijl woedt de strijd, de koning van Arabië komt doodelijk gewond op en sterft; onmiddellijk daarna komt Tamerlan als overwinnaar terug, vergezeld van den sultan van Egypte, die in zijn macht is gevallen, doch het leven behoudt en zelfs zijn rijk terugontvangt, zooals Tamerlan zegt in een toespraak, die het eerste stuk besluit (V. 2):“Zet, godd’lijke Zenocrate, u neer,Wij kronen u aldus als koninginVan Perzië en elk rijk en vorstendom,Dat Tamerlans geweld pas onderwierp.Als Juno eens na der Giganten val,Die bergen slingerden naar Jovis’ hoofd,Zoo zie ik mijn geliefde nu, wier voorhoofdMij mijn triomfen en tropeeën maalt,Of als Latona’s dochters, tuk op strijd,Den moed verhoogend van mijn heerschersgeest.En, lieflijke Zenocrate, om uZal Azië, Mooren- en Egypteland,Van ’t Berberland tot west’lijk India,Uw’ vader jaar op jaar een cijns betalen;Zijn machtige arm zal reiken van de grensVan Afrika tot aan des Ganges boord.En thans, gij heeren en getrouwe volgers,Die menig rijk mij wont door kloeken moed,Legt nu voor ’t pantser purp’ren kleed’ren aan,En neemt uw koninklijke zetels in,Omgeven van uw stoet van edellieden,En regelt orde en wet in uw gebied.Hangt aan Alcides’ pijlers uwe waap’nen,Want Tamerlan sluit vrede met heel de aard.Uw eerste bruidegom, Arabië’s vorst,Wordt eervol, zooals past, ter aard besteld,Zoo ook de Turksche vorst en schoone gade.En is die waardige uitvaart hun bereid,Dan volge onze echt met groote plechtigheid.”Dat het tweede deel verscheiden jaren later speelt, blijkt hieruit, dat er drie zoons van Tamerlan en Zenocrate in optreden, allen reeds van den leeftijd om de wapenen te voeren. Doch overigens in alles hetzelfde, Tamerlan is er met de jaren niet makker op geworden; eer zou men zeggen, dat zijn woestheid nog is toegenomen, en tevens treden er eenige tegenstanders op, die evenzoo van hun legers, gevechten en overwinningen zwetsen, kortom een even grooten mond opzetten als hij. Zij worden natuurlijk overwonnen; Tamerlan spant een paar der gevangen koningen voor zijn wagen, legt hun een gebit in den mond, neemt de teugels in de linkerhanden een zweep in de rechter, waarmede hij hen voortdrijft; zoo verschijnt hij een paar keer ten tooneele (IV. 4 en V. 1). De woorden van den zwetsenden Pistool, Falstaff’s vaandrig (2 Kon. Hendrik IV, II. 4. 178):“Knollen, voos en log, van Asia,Die op een dag nauw dertig mijlen loopen”,zijn aan dit tooneel ontleend.—Zenocrate krijgt de koorts en sterft; Tamerlan raast, verklaart aan den hemel den oorlog en steekt ter eere zijner overleden gemalin een volkrijke stad in brand.—Zijn oudste zoon is weinig oorlogzuchtig en maakt eens, als Tamerlan hem zegt, wat zijn zoons te leeren hebben om krijgers en echte zoons van Tamerlan te zijn,—wat niet weinig is en ongeloofelijke heldendaden in zich sluit,—de opmerking, dat dit alles zeer gevaarlijk is en dat zij verslagen of gewond kunnen wezen, eer zij volleerd zijn; Tamerlan brengt zich dan een wonde aan den arm toe, om hem te doen zien, dat een wonde, hoe diep ook, niets is. De les helpt niet; aan een volgend gevecht neemt zijn oudste zoon geen deel, en hij wordt dan ook zonder genade door zijn vader gedood.—Tamerlan raast en woedt steeds door, maar wordt eindelijk krank en sterft, en daarmee is het stuk uit.Enkele voorbeelden uit dit stuk mogen den stijl en de taal van Marlowe nog nader doen kennen. Zenocrate is gestorven en nu roept Tamerlan zijn volgelingen toe (II. 4):“Wat! is zij dood? Techelles, trek uw zwaard,En houw in de aard, dat zij in tweeën splijt’En wij in de onderaardsche krochten dringen,De Noodlots-zusters sleepen bij het haar,Haar sling’ren in der hel driedubb’len stroom,Voor ’t rooven van mijn gâ Zenocrate!Te wapen, Casane en Theridamas!Werpt schansen hooger dan de wolken op,En beuk met grof geschut het hemelwelf,Beschiet het schitt’rend prachtpaleis der zonEn gruizel heel der sterren firmament!Want Jupiter, verliefd, stal mij mijn lief,Opdat zij hemelkoninginne wierd.Wat god het zij, die u in de armen knelt,En u met nectar laaft en ambrozijn,Zie, godd’lijke Zenocrate, ’k sta hier,Wanhopig, razend, onbedwingbaar, dol.Mijn stalen lans moog’ splint’ren, ik verbreekHet roestig slot van Janus’ tempeldeur,En laat den Dood en dwing’land Krijg er uit,Ten tocht met mij en deze bloedbanier!Heb deernis met den grooten Tamerlan,Daal uit den hemel, keer tot mij terug!”Men ziet, dat Marlowe niet afkeerig is van mythologische toespelingen. Evenzoo is het hem een genoegen, zijn geographische geleerdheid te luchten, wat, wegens haar uiterst twijfelachtig gehalte, dikwijls zeer vermakelijk is. Zijn zucht tot overdrijven komt ook uit bij het opnoemen van de sterkte der legerscharen, die zelden minder dan honderd duizend man tellen, soms millioenen en een enkelen keer zelfs “meer dan oneindig.” Zoo zegt Gazellus, een Turksch veldheer (II. 2):“Thans komen we, om zijn spieren te doen rillen,Met grooter macht, dan ooit zijn trots ervoer.Een honderd koningen, bij twintigtallenGeschaard, daagt thans hem uit tot woesten strijd;Elk twintigtal brengt honderd duizend man.Al stortten donderkeilen hageldichtMet felle buien uit der wolken schoot,Partijdig gunstrijk voor den trotschen Scyth,Toch bleken onze moed en stalen helmenEn ons getal, meer dan oneindig, wisIn staat tot wederstand en zegepraal.”Hooren wij ook, wat Tamerlan tot zijn onderveldheeren, die hij tot koningen verheven heeft, spreekt (I. 3):“Uw komst hier, vrienden, koninklijke broeders,Vervult mijn hart met overmaat van vreugd.Zoo de kristallen poort van Jovis’ burgMij openstond, opdat ik binnengingOm ’s hemels macht en majesteit te zien,’t Verheugde mij niet meer dan dit gezicht.Thans richten we op deez’ vlakte een feestmaal aan;Dan naar Turkije met ons heer getogen,Talrijker dan der waterdrupp’len val,Als Boreas een duizend wolken scheurt.De trotsche Orcanes van Natolië zalMet al zijn onderkoningen zoo sidd’ren,Dat, wierden ook, als na Deucalions vloed,De steenen menschen, hij bezwijken moest.Zoo wil ik baden in der Turken bloed,Dat Jupiter mij door zijn vleugelbodeGelast mijn zwaard te bergen, ’t veld te ontruimen,En dat de Zon, van de’ aanblik schier bezwijmd,Zijn hoofd verbergt in Thetis’ vochten schoot,Zijn rossen in Boötes’ hoede geeft;Want in dien strijd zal ’t halve menschdom vallen.”Als Tamerlan zich zwaar ziek gevoelt, geeft hij zijn smart aldus lucht (V. 3):“Wat drieste God is ’t, die mijn lichaam nijpt,Den grooten Tamerlan bedwingen wil?Moet ziekte mij als mensch doen kennen, mij,Die steeds de schrik der wereld werd genoemd?Techelles, allen! komt, en trekt uw zwaard,Bedreigt dat wezen, dat mijn ziele kwelt!Op nu! ten strijde met des hemels machten!Verheft banieren, zwarte, in ’t firmament,Ten teeken, dat der goden sterfuur naakt.Wat, vrienden, zal ik doen? ik kan niet staan.Komt, draagt mij, dat ik ’t godendom bekamp’,Dat Tamerlans gezondheid zoo belaagt.”Theridamas tracht hem tot kalmte te stemmen:“Ach, goede heer, weerhoud die gramme taal,Die uwer ziekte felheid veel verscherpt.”Doch Tamerlan gaat voort:“Wat! zou ik zitten, kwijnen aan mijn kwaal?Neen, roert de trommen! op ter wrake! Komt,En velt de lansen! hem de borst doorboord,Die op zijn schouders de as der wereld draagt,Opdat, val ik, ook aarde en hemel vallen!Theridamas, spoed u naar Jovis’ hof;Zeg, dat hij fluks Apollo tot mij zend’Om mij te heelen, of ik haal hem zelf.”Techelles doet een nieuwe poging:“Zit kalm, mijn koning, wijken zal die smart;Zij kan niet duren, want ze is al te sterk.”Waarop Tamerlans antwoord is:“Niet duren, vriend? neen, want ik sterf er aan.Zie, hoe mijn slaaf, het leelijk monster, Dood,Sterk bevend, sidd’rend, bleek en vaal van vrees,Daar loerend staat, zijn moordpijl op mij richt,En verre wegvlucht, als mijn blik hem treft,Doch, zie ik niet hem aan, weer nader sluipt!—Ellend’ling, weg! spoed u naar ’t open veld;’k Verschijn er met mijn heer; ’k belaad uw rugMet zielen, duizend, van verminkte lijken.—Daar gaat hij, zie!—maar zie, daar is hij weer,Wijl ’k toef! Techelles, trekken we op! de DoodBezwijm’ door zielen hellewaarts te dragen.”Hoe gezwollen zulk een stijl ons moge voorkomen, men zal toch niet licht beweren, dat hij van schoonheid ontbloot, dat hij met gewonen bombast gelijk te stellen is. Integendeel, men kan hier en daar de zuiverste parels van schoonheid opmerken, hoewel dikwijls in de wonderlijkste omgeving. Als—om hier nog een enkel voorbeeld van te geven—Tamerlan ten tooneele komt op een wagen, door de koningen van Trebizonde en Syrië getrokken, en hen uitmaakt voor logge, volgevreten knollen, die slechts twintig mijlen daags afleggen, hoewel zij zulk een prachtige kar trekken en den grooten Tamerlan tot menner hebben, gaat hij voort: “De rossen, die het gouden oog des dags rondvoeren en den morgen uit hun neusgaten blazen, bij hun trotschen rit boven de wolken, erlangen niet zooveel eer van hun bestuurder als gij, gij slaven van den machtigen Tamerlan.” Met dit schoone beeld is Marlowe echter nog niet tevreden, de herinneringen uit de oudheid zijn over hem vaardig geworden en hij voegt er aan toe, dat de door Alcides getemde Thracische rossen, die koning Egeus met menschenvleesch voedde en zoo dartel maakte, dat zij hun kracht gevoelden, niet voor een goddelijker macht moesten bukken, dan zij, die door zijn onoverwonnen arm waren bedwongen; hij zou hen voeden met rauw vleesch en hun den sterksten muskadel uit emmers te drinken geven, opdat zij zijn kar sneller voorttrokken dan de jagende wolken; zoo zij dit niet vermochten, deugden zij voor niets, en mochten een aas zijn voor zwarte raven. Bij het beoordeelen dezer taal bedenke men, dat de jonge dramatische dichter ten doel moest hebben het publiek te boeien en te treffen, en dat dit publiek gewoon was Herodes op het tooneel te hooren bulderen en zich ook niet kon voorstellen, dat een geweldig heerscher als Tamerlan zich anders dan op geweldige wijze uitte. En dan behoeft men zich inderdaad niet te verwonderen, dat het publiek zoowel door wat het oog te zien kreeg als door de prachtig rollende verzen van den jongen dichter en door de nieuwheid zijner beelden als het ware betooverd werd. Dat Marlowe ook nog op andere wijze, misschien door meer boertige tooneelen de toejuichingen van de schouwburgbezoekers trachtte te verwerven, blijkt uit het voorbericht van den drukker, waarin deze erkent enkele tooneelen, te weinig in overeenstemming met de rest, en, schoon met genoegen aangegaapt, niet genoeglijk bij het lezen, te hebben weggelaten. Wat hiervan zij, de bijval, dien het stuk vond, is zeer wel te verklaren, en tevens moet erkend worden, dat Marlowe, schoon den smaak van het volk treffend, niet tot het volk afdaalde, maar het tot zich optrok, en aan zijn toeschouwers het hoogste en verhevenste gaf, dat hij hun kon aanbieden.Dat hij dit inderdaad deed, en zelfs niet schroomde, groote vraagstukken, die des menschen geest bewegen, ten tooneele te brengen, blijkt uit zijn volgend stuk: “De tragische historie van Doctor Faustus.” Reeds geruimen tijd was in Duitschland het verhaal in omloop van zekeren Johan Faust, een wonderdokter, astroloog en toovenaar uit de eerste helft der zestiende eeuw, die door den duivel gehaald zou zijn; zijn geschiedenis was reeds in 1567 tot een comedie verwerkt, die men in genoemd jaar in Frankfort aan de Main heeft willen opvoeren. In dezelfde stad verscheen in 1587 het eerste Duitsche volksboek over het Faust-verhaal, en hoogstwaarschijnlijk was reeds in het volgend jaar het stuk van Marlowe voltooid, vermoedelijkvóór den ondergang der onoverwinnelijke vloot; op welke wijze hij van het Duitsche volksboek kennis gekregen heeft, is onbekend. Marlowe’s stuk werd, natuurlijk meer of minder gewijzigd, later in Duitschland als poppenspel vertoond en een van deze omwerkingen heeft aanleiding gegeven tot Goethe’s beroemd dramatisch gedicht. Het mag een dwaasheid genoemd worden, beide werken, dat van Marlowe en dat van Goethe, met elkander te gaan vergelijken, maar onwillekeurig komt men er eenigszins toe, en daarom zij hier met enkele woorden gezegd, dat van den strijd, bij Goethe door Faust gestreden, tusschen den onwederstaanbaren aandrang tot weten en de beperktheid der menschelijke natuur, bij Marlowe geen spoor te vinden is. Zucht naar kennis drijft bij Goethe Faust tot beoefening der magie en tot zijn verbond met den duivel; bij Marlowe heeft de zucht naar wetenschap weinig te beteekenen en openbaart zich alleen door eenige vragen over verouderde redeneer- en sterrenkunde; wat Faustus bij hem door de magie tracht te verwerven, is roem, macht en genot. Reeds in het begin van het stuk, in zijn eerste alleenspraak, spreekt hij het duidelijk uit:“O, welk een wereld van genot en voordeel,Van macht, van eer en van almogendheid,Belooft de kunst aan hem, die ijv’rig streeft!Al wat zich tusschen beide polen roert,Gehoorzaamt mij dan; koningen en keizersGebieden enkel in hun eigen land,Hun wil ontboeit geen storm of scheurt geen zwerk;Doch wie in dit gebied een heerscher is,Regeert zoover de geest des menschen reikt.Een echte Magus is een machtig god;Scherp, Faustus, ’t brein voor deze godd’lijkheid.”Hierop zendt Faustus zijn dienaar en leerling naar twee vrienden, Valdes en Cornelius, die in de magie bedreven zijn; in dien tusschentijd spreken hem een goede en een kwade engel toe; Faustus blijft besloten de magie te beoefenen, die hem rijkdom en macht zal bezorgen, en wordt door zijn twee leermeesters in de zwarte kunst ingewijd. Hij bezweert daarop Mephistophilis, die een zwaarmoedige en goedaardige duivel blijkt te zijn, hem de helsche pijnen schildert, en hem dringend afraadt, het verbond met Lucifer te sluiten. Faustus blijft vastbesloten en zendt Mephistophilis naar Lucifer, met het bericht, dat hij dezen voor vier-en-twintig jaren levens van genot en macht zijn ziel wil verpanden. Daarna wordt hij nog wel door angst bekropen, maar blijft, ook bij het hernieuwd bezoek van den goeden en kwaden engel, bij zijn plan, en sluit met Mephistophilis het in allen vorm opgemaakte en met zijn bloed onderteekende verdrag. Meermalen gevoelt hij wroeging en komen de goede en de kwade engel hem bezoeken, maar hij blijft getrouw aan Lucifer, die ook zelf bij hem verschijnt en de zeven doodzonden in haar ware gedaante voor hem doet verschijnen. Van Mephistophilis vergezeld, bezoekt Faustus, op een kar, door draken getrokken, verschillende landen. Wij vernemen dit uit een mededeeling van het koor en uit een gesprek van Faustus met Mephistophilis; zijn verrichtingen in Rome worden vertoond. Hij voert er onzichtbaar, bij een gastmaal van den paus, allerlei kunststukjes uit, neemt dezen de schotels voor den neus weg, drinkt zijn beker leeg en dient hem eindelijk een oorveeg toe; de bedienende monniken, die de onzichtbare euveldaders vervloeken, krijgen slaag. Vervolgens komen Faustus en Mephistophilis aan het hof des keizers teInnsbruck, waar Faust den grooten Alexander met zijn gemalin voor den keizer verschijnen doet, een ridder horens op het hoofd toovert en hem er weer van bevrijdt. Dan weder vermaakt zich Faustus door een paardenkooper te bedotten met een betooverd paard en zich door hem een been te laten aftrekken, wat den man natuurlijk een geweldigen schrik op het lijf jaagt; voorts bezorgt hij door zijn tooverkunst aan de hertogin van Anholt in Januari een schotel rijpe druiven, en laat eindelijk de schoone Helena voor zich verschijnen, wordt op haar verliefd en kust haar. Het is het laatste genot, dat zijn tooverkunst hem aanbrengt; zijn tijd is om; schoon hij na zijn contract eigenlijk alleen enkele onschuldige grappen verkocht heeft, benauwen hem geweldige gewetenswroegingen in zijn laatste ure; onder donder en bliksem wordt hij door duivelen naar de hel gesleept.Bij het beoordeelen van Marlowe’s Faustus moet men in het oog houden, dat wij het stuk niet voor ons hebben zooals het uit des dichters pen gevloeid is; de eerste druk is van 1604, meer dan tien jaren na zijn dood, en het is gebleken, dat er, toen het stuk een poos gespeeld was, wijzigingen in gemaakt zijn, die waarschijnlijk vooral in bijvoegingen bestaan hebben, om de toeschouwers, die het stuk meermalen gezien hadden, op enkele nieuwe tooneelen te onthalen. Maar ook al brengt men dit in rekening, dan moet toch erkend worden, dat de dichter, het volksboek tamelijk getrouw volgende, eenvoudig een reeks van tooneelen geleverd heeft, die onderling zeer weinig samenhangen, zoodat er van een doorloopende handeling eigenlijk geen sprake kan zijn. Evenzeer ontbreekt een scherpe karakterteekening, zelfs van den hoofdpersoon, wiens bedrijf en lot geen groote belangstelling kunnen wekken. Men moge allehulde brengen aan de dichterlijke schoonheid van enkele gedeelten, het geheel is niet van dien aard, dat dit stuk aan Shakespeare als voorbeeld kan gediend hebben en op zijn ontwikkeling van eenigszins aanmerkelijken invloed geweest kan zijn.Hetzelfde moet gezegd worden van het volgend stuk van Marlowe, “De Jood van Malta”,The Jew of Malta, dat in 1589 of 1590 moet geschreven zijn. De rijke jood Barabas is door de willekeur van den bestuurder van Malta van zijn goederen beroofd en besluit zich te wreken, wat hij dan ook op de gruwelijkste wijze ten uitvoer brengt. Moorden te plegen is hem een wellust; zoo vergiftigt hij al de nonnen,—en onder deze behoort zijn eigen dochter,—van het klooster, dat in zijn vroegere woning gevestigd is, en bedenkt ten laatste een helsche machine, om als met één slag de velen, die hij haat, te vermoorden, doch wordt zelf het slachtoffer zijner uitvinding. Dat hij een haatdragende en wraakzuchtige jood is en een bekoorlijke dochter bezit, is de eenige overeenkomst van den Barabas van Marlowe met den Shylock uit Shakespeare’s Koopman Van Venetië. Het stuk is gruwelijk, niet tragisch.Hooger lof moet toegekend worden aan Marlowe’s ongetwijfeld later geschreven historiestuk Edward II. Dit omvat de geheele regeering van Edward II (1307–1327), zooals ook in den uitvoerigen titel der eerste uitgave (1598, dus 5 jaren na des schrijvers dood) wordt uitgedrukt:The troublesome raigne and lamentable death of Edward the second, King of England: with the tragicall fall of proud Mortimer: And also the life and death of Peirs Gavestone, the great Earle of Cornewall, and mighty favorite of king Edward the second, as it was publiquely acted by the right honorable the Earle of Pembroke his seruantes. Written by Chri. Marlow Gent.Het stuk begint met de eerste regeeringsdaad des konings: Gaveston, onder koning Edward I verbannen, wordt dadelijk na diens overlijden, door zijn vriend en begunstiger, koning Edward II, teruggeroepen; dit is werkelijk het geval geweest, want de vader stond nog boven aarde, toen de zoon zijn gunsteling weder ontbood. Kunstige schikking van de gegevens, om het verband der gebeurtenissen beter te doen uitkomen en de handelingen uit het karakter der personen te doen voortkomen en te verklaren, heeft men hier niet te zoeken; en niet alleen mist men hier scherp geteekende karakters, maar ook levendige volkstooneelen. In al deze opzichten staat Marlowe’s stuk zelfs bij de zwakkere historiestukken van Shakespeare, die het leven van Koning Hendrik VI ten tooneele brengen, verre achter. Het is een gedramatiseerde, in tooneelen verdeelde kroniek, waarin de gebeurtenissen met verbazende snelheid elkander opvolgen, in veel hoogere mate dan ooit bij Shakespeare. Men kan zeggen, dat Edwards troonsbeklimming, de terugkomst van Gaveston, zijn verheffing tot Graaf van Cornwall en andere waardigheden, zijn overmoed en beleedigende handelingen jegens de hoogste edellieden, hun dreigend verzet en ’s konings toegeven, Gavestons tweede verbanning en zijn tweede terugroeping als het ware één tooneel uitmaken. Doch met dit al valt hier op te merken, dat de stijl vrij is van de gezwollenheid, die aan Marlowe in andere stukken vaak eigen is, dat de gesprekken losser en natuurlijker, de verzen volkomener en rijker in verscheidenheid zijn, dan in zijn oudere geschriften. Marlowe’s stuk is hoogstwaarschijnlijk van latere dagteekening dan de drie deelen van Shakespeare’s “Koning Hendrik VI”; het vermoeden ligt voor de hand, dat Marlowe de genoemde tooneelwerken gekend en er het een en ander uit geleerd heeft. Een der tooneelen, dat namelijk, waarin Edward II gedwongen wordt van de kroon afstand te doen, heeft overeenkomst met het gelijksoortig tooneel in Shakespeare’s “Koning Richard II”, doch kan er zich in schoonheid niet mede meten; het is Marlowe niet gelukt voor Edward II evenveel belangstelling en deernis op te wekken, als Shakespeare voor Richard II wist te doen; als deze heengaat, is hij ontkroond, doch blijft een koning; als Edward wordt weggeleid, is hij een arme gestrafte zondaar. Er is geen reden om te onderstellen, dat Marlowe, ware zijn leven niet zoo ontijdig, in zijn dertigste jaar, afgesneden, ooit met Shakespeare had kunnen wedijveren. Zijn geheele aanleg verbiedt dit te gelooven. Wel was hij voor zachtere stemmingen niet ontoegankelijk; zijn gedichten kunnen dit getuigen; hier zij het voldoende op het lied te wijzen van den Verliefden Herder aan zijn liefste, dat, als in “De Verliefde Pelgrim” voorkomende, in deze uitgaaf is opgenomen; maar over het algemeen trokken hem van de gebeurtenissen de vreeselijke, de schrikverwekkende aan, en hij schilderde deze het liefst met sterke kleuren en zware schaduwen; hij vatte verder deze gebeurtenissen en den ondergang, die er op volgt, meer op zichzelf in het oog, zonder na te gaan, hoe de handelingen uit het binnenst van ’s menschen gemoed voortkomen, met het wezen der menschen samenhangen; zijn hartstochtelijke natuur liet hem niet toe met zijn blik diep in ’s menschen wezen en de drijfveeren zijner handelingen door te dringen en meesterstukken te scheppen, eenigszins te vergelijken met die van zijn grooteren tijdgenoot, wiens zon eerst aan het rijzen was, toen de zijne plotseling werd uitgedoofd.De overige iets oudere tijdgenooten van Shakespeare, wier stukken tusschen 1580 en 1590 of weinig later werden opgevoerd, kunnen korter vermeld worden.Thomas Kyd(ofKid) schijnt iets ouder dan Marlowe geweest te zijn, doch van zijn persoon of leven is niets bekend. Hij maakte naam door zijn “Jeronimo”, een stuk, dat in 1588 werd opgevoerd, en door zijn “Spaansche tragedie, of Hieronymo is weer dol”,The Spanish Tragedy, or Hieronymo is mad again. Vooral dit laatste stuk viel in den smaak en werd, evenals Shakepeare’s Titus Andronicus, na vele jaren nog altijd met grooten bijval gespeeld, zooals Ben Jonson, wien deze bloedstukken een gruwel waren, met diepe ergernis opmerkt. Want een bloedstuk, veel gruwelijker dan “Titus Andronicus” was “De Spaansche tragedie.” Men oordeele: in het begin van het stuk treedt de geest van zekeren vermoorden Andrea op, vergezeld door de Wraak; zij maken, zooals gezegd wordt, als het ware het koor uit; de moordenaar van Andrea is zekere Balthasar; deze heeft natuurlijk de wraak van Andrea’s achtergebleven geliefde, ’s konings dochter Bellimperia, op zich geladen, en haalt zich bovendien, door het dooden van haar tweeden geliefde, Horatio, bij haar wraak ook die van Horatio’s vader Jeronimo op den hals. Om deze te zekerder te volbrengen veinst Jeronimo krankzinnig te zijn; hij bereikt eindelijk zijn doel door een tooneelvertooning, waarin hijzelf, Bellimperia, Balthasar en diens medemoordenaar Lorenzo, zoon van den hertog van Castilië, medespelen, en waarin de moorden, die slechts vertoond moesten worden, werkelijk gebeuren, daar Bellimperia Balthasar en daarna zichzelf doodsteekt, en Jeronimo aan Lorenzo het leven beneemt. Dit wordt alles aanvankelijk voor spel gehouden, doch als het spel ernst blijkt, bijt Jeronimo zich de tong af en helpt daarna den vader van Lorenzo, die toeschouwer was, alsook zichzelf van kant, zoodat er maar een paar personen in leven blijven. Merkwaardig, dat hier, evenals in den “Titus Andronicus” een vader zich waanzinnig voordoet om wraak te kunnen nemen, en dat voor het bereiken van dit doel een tooneelstuk wordt vertoond, als in den “Hamlet”. In het bovenstaande is de slachting, die aangericht wordt, op verre na niet volledig beschreven; dit doet op het eind van het stuk bij wijze van epiloog een geest, die vermeldt, dat Horatio in zijns vaders tuin omgebracht is, de lage Serberino door Pedringano vermoord, de valsche Pedringano opgehangen, de schoone Isabella door eigen hand omgekomen, Prins Balthasar door Bellimperia doorstoken, de hertog van Castilië, met zijn snooden zoon, door Jeronimo geveld, Bellimperia op de wijze van Dido gestorven en Jeronimo door zichzelf gedood. De geest voegt er aan toe, dat dit schouwtooneelen waren, die zijn ziel verlustigden.3Dit stuk werd ook nog opgeluisterd door een stomme vertooning,a dumb show.Men wane niet, dat de Spaansche tragedie van Kyd, wat moorden betreft, ongeveer het ergste was, wat aan de toeschouwers van dien tijd werd aangeboden; de Jood van Malta in Marlowe’s stuk maakt niet minder slachtoffers, en een stuk van Henry Chettle, van 1598, “Hoffman of de wraak voor een vader” overtreft dat van Kyd eveneens. Dat tooneelwerken met zooveel bloedvergieten in den smaak vielen, behoeft niet te verwonderen, als men bedenkt, hoe een halve eeuw later, in ons land de “Aran en Titus” van Jan Vos toegejuicht werd, niet alleen door het volk, maar zelfs door het hoogst beschaafd publiek (zie de Aanteekeningen). Men bedenke hierbij, dat de menschen toen ter tijd in Engeland aan bloedvergieten gewoon waren geraakt, dat de dagen van koningin Maria bloediger gedachtenisse, toen doodvonnissen aan de orde van den dag waren en de brandstapels schier dagelijks rookten, aan velen nog duidelijk voor den geest stonden, en dat in 1586 Babington met zijn eedgenooten op het schavot het leven verloor en in 1587 het hoofd van Maria Stuart viel. Verder moge hier nog opgemerkt worden, dat de ruwheid van vele tooneelstukken en de ongelijkmatigheid hunner deelen, zoodat hardvochtigheid en meewarigheid, onbeschaafdheid en fijn gevoel, grootspraak en gematigdheid er vaak onmiddellijk aan elkander grenzen, inderdaad een afspiegeling was van den geest dier tijden, waarin niet zelden stralende glans en lage gezindheid, fijne kunstzin en grove ruwheid, hooge beschaving en losse zeden, zelfopofferende heldenmoed en lage schraapzucht met elkander gepaard gingen. Welke pracht het hof van Elizabeth ook ten toon spreidde, en hoe het ook op beschaving boogde, matiging en zelfbeheersching was Elizabeths deel niet; zij sloeg in drift haar adellijke kameniers met de vuist, spuwde op het galakleed van een edelman en gaf haar gunsteling Essex, toen hij haar bij een driftige woordenwisseling den rug toekeerde, een slag in het gezicht.Doch keeren wij voor een oogenblik tot Kyd terug. Zijn Jeronimo en zijn Spaansche tragedie zijn, zoowel wat het plan als de uitwerking er van betreft, zoo onzinnig mogelijk; in gezwollenheid en grootspraak geeft hij aan Marlowe niets toe; slechts hier en daar vindt men gedeelten,die inderdaad roeren en treffen; over het algemeen mangelt het hem aan smaak. Toch moest hier de aandacht op hem gevestigd worden, omdat zijn stukken ongetwijfeld aan Shakespeare bekend waren, zooals blijkt uit enkele aan Kyd ontleende gezegden, met name “Ga weg, Jeronimus” en het “Pocas palabros” in het voorspel van “Een Snibbe getemd”, doch vooral, omdat misschien enkele vindingen van Kyd, zooals het invlechten eener tooneelvertooning in zijn stuk aan Shakespeare het eerste denkbeeld van iets dergelijks aan de hand deden. Wat versbouw en meesterschap over de taal betreft, staat Kyd op een niet geringe hoogte; zijn vers moge vaak in kracht bij dat van Marlowe achterstaan, het was soms rijker aan verscheidenheid, daar hij de rusten naar eisch wist te wijzigen.Nog een viertal Tooneelschrijvers uit het belangrijk tijdperk 1580–1590 moet hier beknopt besproken worden.Robert Greene, te Norwich, waarschijnlijk omstreeks 1560, geboren, studeerde te Cambridge, waar hij in 1578 het Baccalaureaat, in 1583 het Meesterschap in de vrije kunsten verwierf. Hij schijnt ook eenigen tijd de hoogeschool te Oxford bezocht te hebben; hij noemt zich ten minste op den titel van eenige zijner boeken Meester bij beide academies,Utriusque Academiæ in Artibus Magister. Tusschen 1578 en 1583 heeft hij Spanje, Italië en andere landen bereisd, en, volgens zijn eigen bekentenissen, heeft hij, niet alleen toen, maar ook later, een zeer losbandig en slecht leven geleid. Wel is hij gehuwd, waarschijnlijk omstreeks 1586, en volgens zijn eigen getuigenis met een zeer beminnelijke en liefhebbende vrouw, maar hij verliet haar weldra en hervatte zijn losbandig leven. Hij stierf in September 1592 een ellendigen dood. Na zich op een avond overmatig te goed gedaan te hebben aan pekelharing en Rijnwijn, werd hij door een ziekte aangetast, die wel een maand duurde. Al zijn vrienden hadden hem verlaten; alleen de welwillendheid van de arme schoenmakersvrouw, bij wie hij woonde, gunde hem een bed om te sterven. Hij schreef op zijn doodbed een stuk, getiteld “Het Berouw van Robert Greene”, en voltooide nog een ander, later te vermelden werkje, waarbij ook nog een brief aan zijn vrouw afgedrukt is, een smeeking om vergiffenis, terwijl hij haar tevens verzocht den schoenmaker, door wiens vrouw hij zoo goed opgepast was, schadeloos te stellen. Met de ijdelheid had hij nog niet afgedaan; hij verzocht zijn trouwe verzorgster, hem na den dood een lauwerkrans om de slapen te drukken, wat de goede ziel ook gedaan heeft.—Hoe losbandig ook van leven, hij was een vruchtbaar schrijver van veel talent. Zijn verbeelding was levendig, zijn stijl boeiend, hij was te huis in volksoverleveringen en maakte er gaarne gebruik van; evenzoo verlustigde hij zich in herinneringen en beelden uit de oudheid. Van zijn prozawerken zijn vooral te vermelden korte romantische verhalen, met ingelaschte poëzij, die vaak zeer liefelijk is van inhoud en bevallig van vorm; zoo schreef hij onder andere “Pandosto, de triomf van den Tijd, of de geschiedenis van Dorastus en Faunia”, een verhaal, dat in 1589 het licht zag en aan Shakespeare de stof voor zijn “Winteravondsprookje” verschaft heeft. Verder schreef hij stukken, die op hemzelf of zijn lotgevallen betrekking hebben, of op het volksleven van verschillende streken. Hij schreef ook verscheiden tooneelwerken. Zij zijn geen eigenlijke drama’s, veeleer gedramatiseerde verhalen te noemen; de karakterteekening laat veel, zeer veel, ja alles, te wenschen over; de vrij eenvoudige handeling vloeit niet uit de karakters der personen voort en wordt alleen iets meer ingewikkeld gemaakt door bijkomende gebeurtenissen, die weinig of niets met de hoofdzaak te maken hebben; maar de wijze van uitwerking is verdienstelijk; zijn stijl is niet gezwollen als die van Marlowe, zijn versbouw is wel minder forsch, doch vloeiend, aangenaam en niet zonder verscheidenheid; de samenspraken zijn natuurlijk en soms verrassend door dichterlijke ongezochte wendingen. Van zijn overgebleven tooneelwerken is “De Geschiedenis van Broeder Baco en Broeder Bungay”,The Honourable History of Friar Bacon and Friar Bungay, wel het meest bekend. De handeling is zeer eenvoudig: een Prins van Wales is op een landmeisje verliefd geraakt en zendt een zijner hovelingen uit om haar te bepraten; de zendeling wordt zelf op haar verliefd en is besloten haar te huwen; de Prins van Wales, schoon aanvankelijk recht verstoord, overwint zijn eigen neiging en vereenigt de gelieven; hijzelf treedt met een prinses, die zijn vader voor hem bestemde, in den echt. Doch gemakkelijk wordt deze uitkomst niet verkregen, tooverkunsten komen er bij te pas; niet alleen de twee in den titel vermelde geestelijke broeders zijn toovenaars, nog meerdere treden er in het stuk op; een paar keer wordt er iemand op den rug van een duivel weggevoerd, en zoo worden er nog andere goocheltoeren uitgehaald, waarvan men wel niet vat, waarom zij vertoond worden, maar die toch zeker den toeschouwer groot genoegen deden. Bovendien, behalve de prins van Wales, verschijnen ook de koning van Engeland en de keizer van Duitschland met het noodige gevolg in alle pracht ten tooneele, wat zeker niet weinig tot het slagen van het stuk heeft bijgedragen. Trouwens, alleen door zulke kunstgrepen kon het boeien, want van karakterteekening is geen spoor te vinden, evenmin van eenig redelijk plan; het geheel is uit tooneelenvan zeer verschillenden aard zoo onzinnig mogelijk aaneengelapt.—Te zamen met zijn vriend Thomas Lodge schreef Greene een stuk, dat bijna aan de oude moraliteiten doet denken, “Een spiegel voor Londen en Engeland”; het heeft ten doel, den Engelschen hun zonden in den spiegel van het verledene te doen aanschouwen. Op walglijke wijze stelt de profeet Hosea het zedenbederf van Ninivé ten toon en richt zich daarna telkens tot de Londenaars met de verklaring, dat zij veel boozer zijn, dan de inwoners van Ninivé ooit waren. Later verschijnt ook, als ter afwisseling, de profeet Jonas, die “uit den buik van den walvisch op het tooneel geworpen wordt” en den ondergang van Ninivé voorspelt, maar zich ten slotte tot de Londenaars richt en hun verzekert, dat zij nog zondiger zijn dan Ninivé en hun stad de zetel is van alle mogelijke ondeugden; hierop volgt de vermaning, dat zij, hoe verstokt ook, eindelijk hun beeld mogen herkennen in den voorgehouden spiegel en boete doen en bekeeren, bedenkende, dat alleen de innige gebeden en de heete tranen hunner koningin de lang verdiende straffe nog vertragen. Hierop volgt dan, zooals men denken kan, een heilbede voor de koningin.De zoo even genoemdeThomas Lodgewas omstreeks 1556 geboren en behoorde tot een goede familie in Lincolnshire. Hij bezocht omstreeks 1573 de hoogeschool te Oxford, is misschien een poos tooneelspeler geweest, heeft expedities ter zee medegemaakt, is als schrijver opgetreden, heeft zich verder aan de studie gewijd, en is daarna de geneeskunde gaan beoefenen en te Avignon gepromoveerd. Hij verwierf zich in Londen als arts een goeden naam en overleed aldaar in 1626 aan de pest. Voor het tooneel schreef hij, behalve den reeds vermelden, te zamen met Greene geslepen “Spiegel voor Londen en Engeland”, een treurspel: “De wonden van den Burgeroorlog, duidelijk in het licht gesteld door de tragedie van Marius en Sylla”, welk stuk in 1594 uitgegeven werd.—Hier is van hem vooral, en met lof, te noemen het romantisch, met liefelijke gedichtjes doorweven verhaal “Rosalinde, een gulden legaat van Euphues”,Rosalynde: Euphues golden legacie, waaraan Shakespeare zijn merkwaardig meesterstuk “Elk wat wils”,As you like it, ontleende.Reeds vroeger is in het voorbijgaan vanThomas Nashgewag gemaakt. Deze was omstreeks 1564 geboren en stierf omstreeks 1600. Volgens zijn eigen getuigenis had hij een hard leven, en groote moeite om met zijn pen in zijn onderhoud te voorzien. Waarschijnlijk leefde hij, als zoovelen zijner tijd- en lotgenooten, van de hand in den tand, als hij geld gebeurd had, in weelde en overvloed, als het op was, in gebrek en ellende. Wat hij voor het tooneel schreef, beteekent niet veel en behoeft hier niet besproken te worden. Alleen dit zij vermeld, dat hij, in vereeniging met Marlowe, “Dido, koningin van Carthago”, schreef, een stuk, dat waarschijnlijk van 1590 dagteekent. De stijl heeft over het algemeen zooveel van dien van Marlowe, dat het moeilijk te zeggen is, welk aandeel Nash in dezen arbeid had. Het stuk wordt hier genoemd, omdat er een beschrijving van Priamus’ dood in voorkomt; Shakespeare laat in zijn “Hamlet” door een tooneelspeler ook een beschrijving van Priamus’ val en Hecuba’s wanhoop voordragen, waarin hij kennelijk Marlowe’s stijl nabootst; belangwekkend is het, beide beschrijvingen te vergelijken, en op te merken, hoezeer Shakespeare zijn voorganger overtreft.—Overigens was Nash vooral satyrisch schrijver, en bezat als zoodanig veel naam.De laatste tooneeldichter, die hier vermeld moet worden, isGeorge Peele. Hij werd waarschijnlijk omstreeks 1558 in Devonshire geboren, was van goede afkomst, studeerde te Oxford en verwierf er in 1579 het Meesterschap in de vrije kunsten. Hij schijnt omstreeks 1580 naar Londen gekomen te zijn en er den overigen tijd van zijn leven doorgebracht te hebben. “Doorgebracht” mag de juiste uitdrukking wel wezen, want naar alle berichten leidde hij er hetzelfde woeste leven als velen zijner gildebroeders, nu in overdaad het geld verspillend, dat een tooneelstuk of gedicht hem opbracht, dan weer armoede en honger lijdend, en niet keurig op de middelen om aan geld te komen. Hij stierf vóór 1598; een boek, in dit jaar uitgegeven, schrijft zijn dood aan zijn losbandige leefwijze toe. George Peele heeft verscheiden kleine stukjes geschreven, die bij feestelijke gelegenheden, b.v. bij het optreden van een nieuwen Lord Mayor of ter eere van een voornamen gast, werden opgevoerd, alsmede gedichten en grootere tooneelwerken. Hij was de taal goed meester en kon bevallig en boeiend schrijven, zoodat Thomas Nash hem in 1587 alsprimus verborum artifier, een eersten beheerscher der taal, roemde. Als zijn beste tooneelwerk wordt zijn “David en Bathseba” geroemd, waarvan de volledige titel is:The love of King David and fair Bethsabe, with the tragedy of Absalon. Het werd in 1599 voor het eerst gedrukt, doch was zeker eenige jaren ouder; het is waarschijnlijk na 1590 geschreven, te oordeelen naar een passage, die aan Spencers Elfenkoningin,Faery Queen, ontleend schijnt te zijn.—Daar hij zich tamelijk getrouw aan het bijbelsch verhaal houdt, is er van een kunstig plan geen sprake; men kan zelfs zeggen, dat hij bij zijn pogingen om het eenvoudig verhaal tot gesprekken uit te werken vaak zeer ongelukkig geweestis,—de ontvangst van Uriël door David, Davids gedrag als hij den dood van Bathseba’s kind verneemt, de wijze, waarop Thamars onteering door haar halven broeder Amnon bijna ten tooneele gebracht wordt, kunnen dit getuigen; men kan bovendien om Davids leed geen ware deernis gevoelen, daar hij den zijnen in schandelijke handelingen is voorgegaan;—maar toch moet erkend worden, dat Peele, hoeverre zijn stuk in tragische werking bij het bijbelverhaal achtersta, bij Davids klachten den rechten toon heeft aangeslagen, en dat taal en stijl in dit stuk over het algemeen vloeiend, levendig, hier en daar beeldrijk zijn, en waar het noodig is, verheffing en kracht bezitten.Wij hebben in het voorafgaande de beste tooneeldichters van den tijd genoemd, hun voornaamste werken vermeld en, hoe kort ook, beschouwd, en wij hebben bevonden, dat het aan geen hunner gelukt is den echt tragischen toon te treffen, dan aan George Peele in zijn “David en Bathseba” en aan Marlowe in “Edward II”. Men moet hieruit niet afleiden, dat zij in dit opzicht als Shakespeare’s voorgangers en wegbereiders beschouwd moeten worden, want Shakespeare was ongetwijfeld met zijn eerstelingen, “Titus Andronicus” en “Koning Hendrik VI”, reeds opgetreden, eer de genoemde stukken van Marlowe en Peele gespeeld werden, zoodat hij in dit opzicht eer tot hun voorgangers te rekenen is, dan zij tot de zijne. Shakespeare is slechts in zeer beperkten zin een kind van zijn tijd te noemen. Hij heeft van zijn voorgangers veeleer geleerd, wat hij te vermijden, dan wat hij te doen had; hij heeft het goede, dat in hun taal en stijl en versbouw te vinden was, overgenomen, maar hij heeft het geadeld en tot volkomenheid gebracht; in zijn kunst van karakters te scheppen, woorden en daden der personen uit deze te doen voortvloeien, had hij geen voorgangers. Wie zijn blijspelen, zijn historiestukken, zijn tragedies met die zijner voorgangers en tijdgenooten vergelijkt, moet erkennen, dat hij, zelfs reeds in zijn eerstelingen, onder hen optreedt niet als de eerste onder zijns gelijken, maar als dichter eener andere, eener hoogere orde. Bij den glans zijner zon zijn hun sterren verflauwd; zij worden thans slechts door enkele weetgierigen, als het ware met kijkers, gadegeslagen, terwijl zijn luister allen helder in de oogen straalt.
Diog.Wie roept mij?Alex.Alexander. Waarom hebt gij niet uit uw ton naar mijn paleis willen komen?Diog.Omdat het even ver van mijn ton naar uw paleis is, als van uw paleis naar mijn ton.Alex.Wel, zijt gij dan aan koningen geen eerbetoon schuldig?Diog.Neen.Alex.Waarom niet?Diog.Omdat zij geen goden zijn.Alex.Zij zijn goden op aarde.Diog.Ja, goden van aarde.Alex.Plato denkt er anders over.Diog.Dat verheugt mij.Alex.Waarom?Diog.Omdat ik niet wensch, dat een ander dan Diogenes de gedachten van Diogenes heeft.Alex.Als Alexander iets heeft, dat Diogenes genoegen kan doen, noem het mij dan en neem het aan.Diog.Ontneem mij dan niet wat gij mij niet kunt geven: het zonlicht.Alex.Hebt gij nergens behoefte aan?Diog.Aan niets van wat gij hebt.Alex.Ik heb de geheele wereld tot mijn bevelen.Diog.En ik tot mijn verachting.Alex.Gij leeft niet langer dan ik wil.Diog.Maar ik sterf, of gij wilt of niet.Alex.Hoe kan iemand leeren tevreden te zijn?Diog.Door te verleeren begeerig te zijn.Alex.Hephæstion, zoo ik niet Alexander was, zou ik wenschen Diogenes te zijn.Het zou de moeite waard zijn, hier nog een paar van de geestige gesprekken tusschen Apelles en Campaspe, waarin de langzamerhand ontluikende liefde der laatste fraai uitkomt, of een paar gesprekken, in een geheel anderen toon gevoerd, tusschen bedienden, of een gesprek van Diogenes met een Athener, die zijn zoon aan de leiding des wijsgeers toevertrouwen wil, mede te deelen, doch dit weinige moge volstaan om te doen zien, dat Lilly de kunst verstond een fraaien, boeienden en geestvollen dialoog teschrijven en zich, waar het noodig was, wist te onthouden van de jacht op gezochte woordspelingen en vergelijkingen, waar hij anders maar al te vaak aan toegeeft. Wel had reeds vroeger Gascoigne in een vertaling derSuppostivan Ariosto van proza gebruik gemaakt, maar Lilly bezigde het in zijn tooneelwerken doorgaande en wel met zooveel smaak en talent, dat hij de vader van het dramatisch proza verdient genoemd te worden. Zoolang het Euphuisme aan het hof bewonderd en ook bij andere standen in zwang was, werd Lilly buitengewoon, en verre boven zijn verdienste bewonderd; doch toen men eenmaal de gezochtheid van zijn stijl inzag en afkeerig werd van het bezigen van beeldspraak, gelijkenissen, mythologische toespelingen, vreemde zinswendingen bij elke denkbare gelegenheid, was zijn roem in korten tijd getaand en werden zelfs zijn wezenlijke verdiensten miskend. Hier moest op deze gewezen worden, omdat het voorbeeld van Lilly blijkbaar van invloed is geweest op Shakespeare. Ook bij dezen is menig gesprek euphuistisch getint, doch hij maakte van dezen stijl een gematigd gebruik. Waar jongelieden uit den hoogeren stand een woordenschermutseling houden, zooals Mercutio en Romeo, wordt hij gebezigd; evenzeer, doch in groveren vorm, waar bedienden elkander al plagend de loef willen afsteken; ook waar personen uit de hoogere kringen met elkander in proza een geestig gesprek voeren, dat den toehoorder bijzonder belang moet inboezemen, zooals in den Cymbeline (eerste bedrijf, vierde tooneel) Posthumus en Jachimo. Zoo kan men ook in den Hamlet zoowel in toespraken des konings als in de redeneeringen van Polonius Euphuisme opmerken. Moge de wijze van uitdrukking en de jacht op woordspelingen naar onzen smaak hier en daar veel te gezocht zijn, over het algemeen moet men erkennen, dat Shakespeare het Euphuisme niet, zooals Lilly zelf, overdreven, telkens, bij allerlei gelegenheden, aanwendde, maar alleen waar het pas gaf, waar een bepaald doel er mee te bereiken was.2Het overdreven gebruik er van wordt door hem met scherpen spot gestriemd, niet enkel in het voorbijgaan, zooals in de aanspraak van Falstaff, als hij voor koning Hendrik speelt en gewag maakt van de kamille, die, hoe meer ze vertreden wordt, te sneller groeit (I Koning Hendrik IV, II. 4. 441), maar zelfs een geheel stuk door, zooals in Veel Gemin, Geen Gewin (Love’s Labour’s Lost).In welke mate Shakespeare, al trad hij aanvankelijk in het voetspoor van anderen, hen in korten tijd voorbijstreefde, blijkt ten duidelijkste, als wij zijn eerstelingen, zoowel wat den inhoud als den vorm betreft, vergelijken met de tooneelwerken van begaafde tooneelschrijvers, die in den eersten tijd van zijn verblijf in Londen werden opgevoerd; men kan dadelijk bespeuren, dat hij hun gebreken opmerkte en trachtte te vermijden, iets anders en beters gaf dan zij. En de schrijvers, als wier mededinger hij optrad, waren mannen van aanleg, die over het algemeen een academische opleiding hadden genoten en, in de tooneelwereld levend, stukken leverden, die aan den smaak der toeschouwers voldeden. Onder hen mag wel in de eerste plaatsChristopher Marlowegenoemd worden, die, in hetzelfde jaar als Shakespeare geboren, juist twee maanden voor hem, op 26 Februari 1564, gedoopt werd, blijkens het kerkregister, in de aloude stad Canterbury. Van zijn opleiding is met zekerheid bekend, dat hij in Cambridge gestudeerd heeft en er in 1583Baccalaureusin de vrije kunsten werd. In 1587 werd hij erMagister, Meester, maar hij zal er in de tusschenliggende jaren wel niet gebleven zijn; hij zal ten minste een deel van dien tijd in Londen doorgebracht en grootendeels aan tooneel-arbeid gewijd hebben; ten minste in 1586, of uiterlijk in 1587, werd zijn eerste dramatische arbeid, “Tamerlan de Groote”,Tamburlaine the Great, ten tooneele gebracht. In 1588 schreef hij zijn “Tragische historie van Dr. Faustus”, in 1589 of 1590 zijn “Jood van Malta”, en later het historiestuk “Edward de Tweede”. Wat er meer van zijn geschriften is overgebleven, behoeft hier niet te worden nagegaan, doch over elk der genoemde werken, vooral over het eerste, moet hier gesproken worden. Van zijn loopbaan is overigens zoo goed als niets bekend, dan alleen dat hij den naam had van zeer loszinnig te leven en een ongeloovige te zijn. Hij stierf, 29 jaar oud, in Mei 1593, ten gevolge van een dolksteek, die hem bij een twist om een liefje in een herberg werd toegebracht en door het oog heen in de hersens drong.Zijn “Tamerlan de Groote” bestaat uit twee tooneelstukken en behandelt de geschiedenis van Tamerlan, ook Timur en Timur-Lenk geheeten, den woesten Tatarenvorst, die, geboren in 1336, in de tweede helft der veertiende eeuw uit nietige beginselen een groot rijk, een wereldrijk, wist te stichten, uit zijn hoofdstad Samarkand (in Turan) de landen beheerschte van den Chineeschen muur tot de Middellandsche zee en van Egypte tot het hart van Rusland, en, nog steeds van veroveringsplannen vervuld, in 1405 stierf. Zijn heerschzucht ging met groote wreedheid gepaard, maar hij bezat ook groot beleid om zijn rijk krachtig in te richten, was een rechtvaardigrechter en een ijverig bevorderaar van kunsten en wetenschappen; zijn hoofdstad Samarkand was niet alleen het middelpunt van een uitgebreiden handel, maar ook een beroemde zetel van geleerdheid. In de beide stukken van Marlowe, die een groot deel van Tamerlans leven omvatten, met de eerste ontwikkeling zijner macht beginnen en met zijn dood eindigen, treedt hij ondertusschen schier alleen als geweldig, woest en wreed veroveraar op; slechts zijn liefde voor de schoone Zenocrate toont hem van eenigszins zachteren kant, doch ook deze liefde uit zich op heftige wijze. Eigenlijke, fijne karakterteekening wordt niet aangetroffen, en deze twee stukken maken geen drama uit, maar dramatiseeren eenvoudig eenige deelen der geschiedenis van den Tataarschen veroveraar. Het meest opmerkelijke in deze stukken is Marlowe’s heerschappij over de taal, en zijn versbouw. Wel waren reeds in Gorboduc, door Sackville en Norton, de vroeger voor ernstige dramatische poëzie meest gebruikelijke gerijmde zevenvoetige jambische verzen door het vijfvoetige rijmlooze jambische vers vervangen, maar men kan zeggen, dat eerst door Marlowe deze verssoort, hetblank-verse, voor goed op het volkstooneel het burgerrecht verkregen heeft. Hij was dit zichzelf zeer goed bewust en zegt in den proloog van zijn Tamerlan, dat hij, zich verre houdend van het geklikklak der rijmelarij, zijn toehoorders in de oorlogstent van Tamerlan zal voeren. Doch hoeveel goeds en schoons zijn vers ook moge bevatten, door overdrijving van gedachten en beelden vervalt hij vaak in gezwollenheid en bombast. De juiste zuivere smaak, die in alles maat weet te houden, ontbrak hem, bij al zijn dichterlijke gaven, maar al te zeer. Met name komt dit uit in zijn eerste voor het tooneel geschreven werk, den Tamerlan. Het werd juist omstreeks den tijd, waarop Shakespeare te Londen aankwam, gespeeld en kan ter vergelijking met diens eerstelingen strekken; dit moge de eenigszins uitvoerige bespreking rechtvaardigen.De persoonlijkheid van Tamerlan wordt door den Perzischen gezant Menaphon (Eerste stuk, II. 1) beschreven als:“Van hooge leest en fier steeds opgericht,Gelijk zijn geest, die godd’lijk opwaarts streeft;Zoo zwaar van leden en zoo hecht gebouwd,Zoo breed van schouders, dat hij Atlas’ vrachtZou dragen; op die mannenschouders rustEen parel, meer dan heel de wereld waard,Waarin, door hooge meesterschap der kunst,Zijn scherp doordringende oogen zijn gevat,Wier vuurge kringen in hun ommevangEen ganschen hemel hemellichten bergen,Die steeds zijn gang en doen geleidt ten troon,Waar de Eer in koningstooi gezeteld is.’t Gelaat is bleek, door hartstocht zoo ontverfd,Die dorst naar oppermacht en oorlogslust.’t Hoog voorhoofd teekent in zijn plooien dood,En maalt, zoo ’t glad is, vriendschap af en leven;Omgeven is ’t van amberkleurig haar,Gegolfd als eens Achilles’ lokkenpracht,Waarmee des hemels adem blijde speelt,Die ’t golven doet met dart’le majesteit.Zijn armen, vingers, lang en forsch gespierd,Verraden moed en overmaat van kracht.Zoo maakt hem elks deels juiste bouw den man,Die de aard moet onderwerpen, Tamerlan.”Deze geweldige man ontvlamt plotseling in hevige liefde voor Zenocrate, de dochter van den sultan van Egypte, die op haar tocht van Medië naar Egypte hem in handen gevallen is. Als hem voor haar en haar geleiders losgeld aangeboden wordt, barst hij aldus los (I. 2):“Versmaadt Zenocrate met mij te leven?Of, heeren, gij, van mijn gevolg te zijn?Die schat, zoo waant gij, weegt mij meer dan gij?Mij koopt al ’t goud uit Indië’s rijken schootDen minsten trosknecht van mijn heer niet af.Zenocrate, schoon boven Jovis’ schoone,Glansvoller dan de zilv’ren Rhodope,En blanker dan der Scythen blankste bergsneeuw,Gij zijt voor Tamerlan een grooter schatDan ’t rijk bezit van Perzië’s kroon, dat mijBij mijn geboorte een goed gesternte spelde.U doe een honderdtal Tataren dienst,Op rossen, vlugger nog dan Pegasus;Met kostb’re steen en van mijzelf, meer waardDan eenig siersel van Zenocrate.In elpenbeenen slede trekken uMelkwitte herten op der meren ijsEn klimmen op der hooge bergen sneeuw,Die ras van uwer schoonheid stralen smelt.Mijn krijgsbuit, met vijfhonderd man, gewonnenOp Wolga’s vijftig monden rijken stroom,Dit alles wijd ik aan Zenocrate,En dan mijzelf aan u, Zenocrate.”Tamerlan overwint den Turkschen keizer Bajazet, zet hem in een kooi, voedert hem als een wild dier, laat hem er van tijd tot tijd uithalen om hem als een voetbank te gebruiken bij het bestijgen van zijn troon, en voert hem op zijn tochten met zich; Bajazets vrouw, keizerin Zabina, moet slavinnedienst doen bij Zenocrate. Tamerlan trekt op om den sultan van Egypte te beoorlogen en heeft het beleg geslagen voor Damascus, dat volgens Marlowe in of bij Egypte schijnt te liggen. Bij gelegenheid van een gastmaal worden Bajazet, in zijn kooi, en Zabina binnengebracht, en Tamerlan werpt aan Bajazet een stuk vleesch toe, dat deze echter versmaadt envertrapt; aan Zenocrate, die bedrukt en treurig ziet, vraagt Tamerlan, wat haar schort en of de Turk haar iets zal voorzingen. Zij antwoordt (IV. 4):“O heer, mijns vaders stad berend te zien,Het land verwoest, waar ik geboren werd,Zou dit niet smarten tot in ’t diepst der ziel?Indien er, heer, in u nog liefde huist,Of zoo mijn liefde voor uw majesteitVan uwer hoogheid hand een gunst verdient,Hef dan ’t beleg van ’t schoon Damascus opEn sluit een goeden vrede met mijn vader.”Doch Tamerlan zegt:“Waar’, lieve, Egypte Jovis’ eigen land,’k Zou Jupiter doen bukken voor mijn zwaard.De blinde geografen doe ik zwijgen,Die de aard in drieën deelen en dan nietDe landen noemen, die ik teek’nen wil,Nieuw, op een kaart, met deze scherpe stift,(Hij wijst op zijn zwaard).Waarbij ik dan provincie, stad en burgBenoem naar u en mij, Zenocrate.Hier in Damascus wijs ik ’t punt nu aan,Van waar de loodlijn aanvang nemen moet;En zou ’k uws vaders gunst met zulk verliesNu koopen, denkt gij? spreek, Zenocrate!”Zenocrate kan niets meer zeggen dan een wensch uiten:“Zij eer steeds en geluk met Tamerlan;Doch gun mij, dat ik voor mijn vader pleit.”Zij moet zich tevredenstellen met Tamerlans belofte:“Stel u gerust, hij brengt er ’t leven af,Als alle vrienden van Zenocrate,Die levend bukken voor mijn macht, of mijDoor dwang als keizer groeten; want ik wil:Arabië en Egypte worden mijn.”Hierna krijgt Bajazet, die de neep des hongers niet kan weerstaan, wat te eten.Damascus, tot het uiterste gebracht, zendt vier maagden tot Tamerlan, om genade te verwerven, doch zij worden meedoogenloos geslacht. Dit wordt gevolgd door een alleenspraak van Tamerlan, die van zijn hartstochtelijke liefde voor Zenocrate getuigenis aflegt. Toch is hij niet verzacht, want hij laat terstond daarna Bajazet, in zijn kooi, met Zabina voor zich brengen; doch op het bericht, dat wel Damascus genomen, maar de sultan van Egypte, alsmede de koning van Arabië, vroeger met Zenocrate verloofd, met hun leger nabij zijn, vertrekt hij terstond ten strijde. Bajazet, alleen gelaten, maakt, na een gesprek met zijn echtgenoote Zabina, van de gelegenheid gebruik om zich het hoofd tegen de kooi te verbrijzelen en Zabina volgt zijn voorbeeld. Zenocrate verschijnt en klaagt bitter over Tamerlans wreedheid. Middelerwijl woedt de strijd, de koning van Arabië komt doodelijk gewond op en sterft; onmiddellijk daarna komt Tamerlan als overwinnaar terug, vergezeld van den sultan van Egypte, die in zijn macht is gevallen, doch het leven behoudt en zelfs zijn rijk terugontvangt, zooals Tamerlan zegt in een toespraak, die het eerste stuk besluit (V. 2):“Zet, godd’lijke Zenocrate, u neer,Wij kronen u aldus als koninginVan Perzië en elk rijk en vorstendom,Dat Tamerlans geweld pas onderwierp.Als Juno eens na der Giganten val,Die bergen slingerden naar Jovis’ hoofd,Zoo zie ik mijn geliefde nu, wier voorhoofdMij mijn triomfen en tropeeën maalt,Of als Latona’s dochters, tuk op strijd,Den moed verhoogend van mijn heerschersgeest.En, lieflijke Zenocrate, om uZal Azië, Mooren- en Egypteland,Van ’t Berberland tot west’lijk India,Uw’ vader jaar op jaar een cijns betalen;Zijn machtige arm zal reiken van de grensVan Afrika tot aan des Ganges boord.En thans, gij heeren en getrouwe volgers,Die menig rijk mij wont door kloeken moed,Legt nu voor ’t pantser purp’ren kleed’ren aan,En neemt uw koninklijke zetels in,Omgeven van uw stoet van edellieden,En regelt orde en wet in uw gebied.Hangt aan Alcides’ pijlers uwe waap’nen,Want Tamerlan sluit vrede met heel de aard.Uw eerste bruidegom, Arabië’s vorst,Wordt eervol, zooals past, ter aard besteld,Zoo ook de Turksche vorst en schoone gade.En is die waardige uitvaart hun bereid,Dan volge onze echt met groote plechtigheid.”Dat het tweede deel verscheiden jaren later speelt, blijkt hieruit, dat er drie zoons van Tamerlan en Zenocrate in optreden, allen reeds van den leeftijd om de wapenen te voeren. Doch overigens in alles hetzelfde, Tamerlan is er met de jaren niet makker op geworden; eer zou men zeggen, dat zijn woestheid nog is toegenomen, en tevens treden er eenige tegenstanders op, die evenzoo van hun legers, gevechten en overwinningen zwetsen, kortom een even grooten mond opzetten als hij. Zij worden natuurlijk overwonnen; Tamerlan spant een paar der gevangen koningen voor zijn wagen, legt hun een gebit in den mond, neemt de teugels in de linkerhanden een zweep in de rechter, waarmede hij hen voortdrijft; zoo verschijnt hij een paar keer ten tooneele (IV. 4 en V. 1). De woorden van den zwetsenden Pistool, Falstaff’s vaandrig (2 Kon. Hendrik IV, II. 4. 178):“Knollen, voos en log, van Asia,Die op een dag nauw dertig mijlen loopen”,zijn aan dit tooneel ontleend.—Zenocrate krijgt de koorts en sterft; Tamerlan raast, verklaart aan den hemel den oorlog en steekt ter eere zijner overleden gemalin een volkrijke stad in brand.—Zijn oudste zoon is weinig oorlogzuchtig en maakt eens, als Tamerlan hem zegt, wat zijn zoons te leeren hebben om krijgers en echte zoons van Tamerlan te zijn,—wat niet weinig is en ongeloofelijke heldendaden in zich sluit,—de opmerking, dat dit alles zeer gevaarlijk is en dat zij verslagen of gewond kunnen wezen, eer zij volleerd zijn; Tamerlan brengt zich dan een wonde aan den arm toe, om hem te doen zien, dat een wonde, hoe diep ook, niets is. De les helpt niet; aan een volgend gevecht neemt zijn oudste zoon geen deel, en hij wordt dan ook zonder genade door zijn vader gedood.—Tamerlan raast en woedt steeds door, maar wordt eindelijk krank en sterft, en daarmee is het stuk uit.Enkele voorbeelden uit dit stuk mogen den stijl en de taal van Marlowe nog nader doen kennen. Zenocrate is gestorven en nu roept Tamerlan zijn volgelingen toe (II. 4):“Wat! is zij dood? Techelles, trek uw zwaard,En houw in de aard, dat zij in tweeën splijt’En wij in de onderaardsche krochten dringen,De Noodlots-zusters sleepen bij het haar,Haar sling’ren in der hel driedubb’len stroom,Voor ’t rooven van mijn gâ Zenocrate!Te wapen, Casane en Theridamas!Werpt schansen hooger dan de wolken op,En beuk met grof geschut het hemelwelf,Beschiet het schitt’rend prachtpaleis der zonEn gruizel heel der sterren firmament!Want Jupiter, verliefd, stal mij mijn lief,Opdat zij hemelkoninginne wierd.Wat god het zij, die u in de armen knelt,En u met nectar laaft en ambrozijn,Zie, godd’lijke Zenocrate, ’k sta hier,Wanhopig, razend, onbedwingbaar, dol.Mijn stalen lans moog’ splint’ren, ik verbreekHet roestig slot van Janus’ tempeldeur,En laat den Dood en dwing’land Krijg er uit,Ten tocht met mij en deze bloedbanier!Heb deernis met den grooten Tamerlan,Daal uit den hemel, keer tot mij terug!”Men ziet, dat Marlowe niet afkeerig is van mythologische toespelingen. Evenzoo is het hem een genoegen, zijn geographische geleerdheid te luchten, wat, wegens haar uiterst twijfelachtig gehalte, dikwijls zeer vermakelijk is. Zijn zucht tot overdrijven komt ook uit bij het opnoemen van de sterkte der legerscharen, die zelden minder dan honderd duizend man tellen, soms millioenen en een enkelen keer zelfs “meer dan oneindig.” Zoo zegt Gazellus, een Turksch veldheer (II. 2):“Thans komen we, om zijn spieren te doen rillen,Met grooter macht, dan ooit zijn trots ervoer.Een honderd koningen, bij twintigtallenGeschaard, daagt thans hem uit tot woesten strijd;Elk twintigtal brengt honderd duizend man.Al stortten donderkeilen hageldichtMet felle buien uit der wolken schoot,Partijdig gunstrijk voor den trotschen Scyth,Toch bleken onze moed en stalen helmenEn ons getal, meer dan oneindig, wisIn staat tot wederstand en zegepraal.”Hooren wij ook, wat Tamerlan tot zijn onderveldheeren, die hij tot koningen verheven heeft, spreekt (I. 3):“Uw komst hier, vrienden, koninklijke broeders,Vervult mijn hart met overmaat van vreugd.Zoo de kristallen poort van Jovis’ burgMij openstond, opdat ik binnengingOm ’s hemels macht en majesteit te zien,’t Verheugde mij niet meer dan dit gezicht.Thans richten we op deez’ vlakte een feestmaal aan;Dan naar Turkije met ons heer getogen,Talrijker dan der waterdrupp’len val,Als Boreas een duizend wolken scheurt.De trotsche Orcanes van Natolië zalMet al zijn onderkoningen zoo sidd’ren,Dat, wierden ook, als na Deucalions vloed,De steenen menschen, hij bezwijken moest.Zoo wil ik baden in der Turken bloed,Dat Jupiter mij door zijn vleugelbodeGelast mijn zwaard te bergen, ’t veld te ontruimen,En dat de Zon, van de’ aanblik schier bezwijmd,Zijn hoofd verbergt in Thetis’ vochten schoot,Zijn rossen in Boötes’ hoede geeft;Want in dien strijd zal ’t halve menschdom vallen.”Als Tamerlan zich zwaar ziek gevoelt, geeft hij zijn smart aldus lucht (V. 3):“Wat drieste God is ’t, die mijn lichaam nijpt,Den grooten Tamerlan bedwingen wil?Moet ziekte mij als mensch doen kennen, mij,Die steeds de schrik der wereld werd genoemd?Techelles, allen! komt, en trekt uw zwaard,Bedreigt dat wezen, dat mijn ziele kwelt!Op nu! ten strijde met des hemels machten!Verheft banieren, zwarte, in ’t firmament,Ten teeken, dat der goden sterfuur naakt.Wat, vrienden, zal ik doen? ik kan niet staan.Komt, draagt mij, dat ik ’t godendom bekamp’,Dat Tamerlans gezondheid zoo belaagt.”Theridamas tracht hem tot kalmte te stemmen:“Ach, goede heer, weerhoud die gramme taal,Die uwer ziekte felheid veel verscherpt.”Doch Tamerlan gaat voort:“Wat! zou ik zitten, kwijnen aan mijn kwaal?Neen, roert de trommen! op ter wrake! Komt,En velt de lansen! hem de borst doorboord,Die op zijn schouders de as der wereld draagt,Opdat, val ik, ook aarde en hemel vallen!Theridamas, spoed u naar Jovis’ hof;Zeg, dat hij fluks Apollo tot mij zend’Om mij te heelen, of ik haal hem zelf.”Techelles doet een nieuwe poging:“Zit kalm, mijn koning, wijken zal die smart;Zij kan niet duren, want ze is al te sterk.”Waarop Tamerlans antwoord is:“Niet duren, vriend? neen, want ik sterf er aan.Zie, hoe mijn slaaf, het leelijk monster, Dood,Sterk bevend, sidd’rend, bleek en vaal van vrees,Daar loerend staat, zijn moordpijl op mij richt,En verre wegvlucht, als mijn blik hem treft,Doch, zie ik niet hem aan, weer nader sluipt!—Ellend’ling, weg! spoed u naar ’t open veld;’k Verschijn er met mijn heer; ’k belaad uw rugMet zielen, duizend, van verminkte lijken.—Daar gaat hij, zie!—maar zie, daar is hij weer,Wijl ’k toef! Techelles, trekken we op! de DoodBezwijm’ door zielen hellewaarts te dragen.”Hoe gezwollen zulk een stijl ons moge voorkomen, men zal toch niet licht beweren, dat hij van schoonheid ontbloot, dat hij met gewonen bombast gelijk te stellen is. Integendeel, men kan hier en daar de zuiverste parels van schoonheid opmerken, hoewel dikwijls in de wonderlijkste omgeving. Als—om hier nog een enkel voorbeeld van te geven—Tamerlan ten tooneele komt op een wagen, door de koningen van Trebizonde en Syrië getrokken, en hen uitmaakt voor logge, volgevreten knollen, die slechts twintig mijlen daags afleggen, hoewel zij zulk een prachtige kar trekken en den grooten Tamerlan tot menner hebben, gaat hij voort: “De rossen, die het gouden oog des dags rondvoeren en den morgen uit hun neusgaten blazen, bij hun trotschen rit boven de wolken, erlangen niet zooveel eer van hun bestuurder als gij, gij slaven van den machtigen Tamerlan.” Met dit schoone beeld is Marlowe echter nog niet tevreden, de herinneringen uit de oudheid zijn over hem vaardig geworden en hij voegt er aan toe, dat de door Alcides getemde Thracische rossen, die koning Egeus met menschenvleesch voedde en zoo dartel maakte, dat zij hun kracht gevoelden, niet voor een goddelijker macht moesten bukken, dan zij, die door zijn onoverwonnen arm waren bedwongen; hij zou hen voeden met rauw vleesch en hun den sterksten muskadel uit emmers te drinken geven, opdat zij zijn kar sneller voorttrokken dan de jagende wolken; zoo zij dit niet vermochten, deugden zij voor niets, en mochten een aas zijn voor zwarte raven. Bij het beoordeelen dezer taal bedenke men, dat de jonge dramatische dichter ten doel moest hebben het publiek te boeien en te treffen, en dat dit publiek gewoon was Herodes op het tooneel te hooren bulderen en zich ook niet kon voorstellen, dat een geweldig heerscher als Tamerlan zich anders dan op geweldige wijze uitte. En dan behoeft men zich inderdaad niet te verwonderen, dat het publiek zoowel door wat het oog te zien kreeg als door de prachtig rollende verzen van den jongen dichter en door de nieuwheid zijner beelden als het ware betooverd werd. Dat Marlowe ook nog op andere wijze, misschien door meer boertige tooneelen de toejuichingen van de schouwburgbezoekers trachtte te verwerven, blijkt uit het voorbericht van den drukker, waarin deze erkent enkele tooneelen, te weinig in overeenstemming met de rest, en, schoon met genoegen aangegaapt, niet genoeglijk bij het lezen, te hebben weggelaten. Wat hiervan zij, de bijval, dien het stuk vond, is zeer wel te verklaren, en tevens moet erkend worden, dat Marlowe, schoon den smaak van het volk treffend, niet tot het volk afdaalde, maar het tot zich optrok, en aan zijn toeschouwers het hoogste en verhevenste gaf, dat hij hun kon aanbieden.Dat hij dit inderdaad deed, en zelfs niet schroomde, groote vraagstukken, die des menschen geest bewegen, ten tooneele te brengen, blijkt uit zijn volgend stuk: “De tragische historie van Doctor Faustus.” Reeds geruimen tijd was in Duitschland het verhaal in omloop van zekeren Johan Faust, een wonderdokter, astroloog en toovenaar uit de eerste helft der zestiende eeuw, die door den duivel gehaald zou zijn; zijn geschiedenis was reeds in 1567 tot een comedie verwerkt, die men in genoemd jaar in Frankfort aan de Main heeft willen opvoeren. In dezelfde stad verscheen in 1587 het eerste Duitsche volksboek over het Faust-verhaal, en hoogstwaarschijnlijk was reeds in het volgend jaar het stuk van Marlowe voltooid, vermoedelijkvóór den ondergang der onoverwinnelijke vloot; op welke wijze hij van het Duitsche volksboek kennis gekregen heeft, is onbekend. Marlowe’s stuk werd, natuurlijk meer of minder gewijzigd, later in Duitschland als poppenspel vertoond en een van deze omwerkingen heeft aanleiding gegeven tot Goethe’s beroemd dramatisch gedicht. Het mag een dwaasheid genoemd worden, beide werken, dat van Marlowe en dat van Goethe, met elkander te gaan vergelijken, maar onwillekeurig komt men er eenigszins toe, en daarom zij hier met enkele woorden gezegd, dat van den strijd, bij Goethe door Faust gestreden, tusschen den onwederstaanbaren aandrang tot weten en de beperktheid der menschelijke natuur, bij Marlowe geen spoor te vinden is. Zucht naar kennis drijft bij Goethe Faust tot beoefening der magie en tot zijn verbond met den duivel; bij Marlowe heeft de zucht naar wetenschap weinig te beteekenen en openbaart zich alleen door eenige vragen over verouderde redeneer- en sterrenkunde; wat Faustus bij hem door de magie tracht te verwerven, is roem, macht en genot. Reeds in het begin van het stuk, in zijn eerste alleenspraak, spreekt hij het duidelijk uit:“O, welk een wereld van genot en voordeel,Van macht, van eer en van almogendheid,Belooft de kunst aan hem, die ijv’rig streeft!Al wat zich tusschen beide polen roert,Gehoorzaamt mij dan; koningen en keizersGebieden enkel in hun eigen land,Hun wil ontboeit geen storm of scheurt geen zwerk;Doch wie in dit gebied een heerscher is,Regeert zoover de geest des menschen reikt.Een echte Magus is een machtig god;Scherp, Faustus, ’t brein voor deze godd’lijkheid.”Hierop zendt Faustus zijn dienaar en leerling naar twee vrienden, Valdes en Cornelius, die in de magie bedreven zijn; in dien tusschentijd spreken hem een goede en een kwade engel toe; Faustus blijft besloten de magie te beoefenen, die hem rijkdom en macht zal bezorgen, en wordt door zijn twee leermeesters in de zwarte kunst ingewijd. Hij bezweert daarop Mephistophilis, die een zwaarmoedige en goedaardige duivel blijkt te zijn, hem de helsche pijnen schildert, en hem dringend afraadt, het verbond met Lucifer te sluiten. Faustus blijft vastbesloten en zendt Mephistophilis naar Lucifer, met het bericht, dat hij dezen voor vier-en-twintig jaren levens van genot en macht zijn ziel wil verpanden. Daarna wordt hij nog wel door angst bekropen, maar blijft, ook bij het hernieuwd bezoek van den goeden en kwaden engel, bij zijn plan, en sluit met Mephistophilis het in allen vorm opgemaakte en met zijn bloed onderteekende verdrag. Meermalen gevoelt hij wroeging en komen de goede en de kwade engel hem bezoeken, maar hij blijft getrouw aan Lucifer, die ook zelf bij hem verschijnt en de zeven doodzonden in haar ware gedaante voor hem doet verschijnen. Van Mephistophilis vergezeld, bezoekt Faustus, op een kar, door draken getrokken, verschillende landen. Wij vernemen dit uit een mededeeling van het koor en uit een gesprek van Faustus met Mephistophilis; zijn verrichtingen in Rome worden vertoond. Hij voert er onzichtbaar, bij een gastmaal van den paus, allerlei kunststukjes uit, neemt dezen de schotels voor den neus weg, drinkt zijn beker leeg en dient hem eindelijk een oorveeg toe; de bedienende monniken, die de onzichtbare euveldaders vervloeken, krijgen slaag. Vervolgens komen Faustus en Mephistophilis aan het hof des keizers teInnsbruck, waar Faust den grooten Alexander met zijn gemalin voor den keizer verschijnen doet, een ridder horens op het hoofd toovert en hem er weer van bevrijdt. Dan weder vermaakt zich Faustus door een paardenkooper te bedotten met een betooverd paard en zich door hem een been te laten aftrekken, wat den man natuurlijk een geweldigen schrik op het lijf jaagt; voorts bezorgt hij door zijn tooverkunst aan de hertogin van Anholt in Januari een schotel rijpe druiven, en laat eindelijk de schoone Helena voor zich verschijnen, wordt op haar verliefd en kust haar. Het is het laatste genot, dat zijn tooverkunst hem aanbrengt; zijn tijd is om; schoon hij na zijn contract eigenlijk alleen enkele onschuldige grappen verkocht heeft, benauwen hem geweldige gewetenswroegingen in zijn laatste ure; onder donder en bliksem wordt hij door duivelen naar de hel gesleept.Bij het beoordeelen van Marlowe’s Faustus moet men in het oog houden, dat wij het stuk niet voor ons hebben zooals het uit des dichters pen gevloeid is; de eerste druk is van 1604, meer dan tien jaren na zijn dood, en het is gebleken, dat er, toen het stuk een poos gespeeld was, wijzigingen in gemaakt zijn, die waarschijnlijk vooral in bijvoegingen bestaan hebben, om de toeschouwers, die het stuk meermalen gezien hadden, op enkele nieuwe tooneelen te onthalen. Maar ook al brengt men dit in rekening, dan moet toch erkend worden, dat de dichter, het volksboek tamelijk getrouw volgende, eenvoudig een reeks van tooneelen geleverd heeft, die onderling zeer weinig samenhangen, zoodat er van een doorloopende handeling eigenlijk geen sprake kan zijn. Evenzeer ontbreekt een scherpe karakterteekening, zelfs van den hoofdpersoon, wiens bedrijf en lot geen groote belangstelling kunnen wekken. Men moge allehulde brengen aan de dichterlijke schoonheid van enkele gedeelten, het geheel is niet van dien aard, dat dit stuk aan Shakespeare als voorbeeld kan gediend hebben en op zijn ontwikkeling van eenigszins aanmerkelijken invloed geweest kan zijn.Hetzelfde moet gezegd worden van het volgend stuk van Marlowe, “De Jood van Malta”,The Jew of Malta, dat in 1589 of 1590 moet geschreven zijn. De rijke jood Barabas is door de willekeur van den bestuurder van Malta van zijn goederen beroofd en besluit zich te wreken, wat hij dan ook op de gruwelijkste wijze ten uitvoer brengt. Moorden te plegen is hem een wellust; zoo vergiftigt hij al de nonnen,—en onder deze behoort zijn eigen dochter,—van het klooster, dat in zijn vroegere woning gevestigd is, en bedenkt ten laatste een helsche machine, om als met één slag de velen, die hij haat, te vermoorden, doch wordt zelf het slachtoffer zijner uitvinding. Dat hij een haatdragende en wraakzuchtige jood is en een bekoorlijke dochter bezit, is de eenige overeenkomst van den Barabas van Marlowe met den Shylock uit Shakespeare’s Koopman Van Venetië. Het stuk is gruwelijk, niet tragisch.Hooger lof moet toegekend worden aan Marlowe’s ongetwijfeld later geschreven historiestuk Edward II. Dit omvat de geheele regeering van Edward II (1307–1327), zooals ook in den uitvoerigen titel der eerste uitgave (1598, dus 5 jaren na des schrijvers dood) wordt uitgedrukt:The troublesome raigne and lamentable death of Edward the second, King of England: with the tragicall fall of proud Mortimer: And also the life and death of Peirs Gavestone, the great Earle of Cornewall, and mighty favorite of king Edward the second, as it was publiquely acted by the right honorable the Earle of Pembroke his seruantes. Written by Chri. Marlow Gent.Het stuk begint met de eerste regeeringsdaad des konings: Gaveston, onder koning Edward I verbannen, wordt dadelijk na diens overlijden, door zijn vriend en begunstiger, koning Edward II, teruggeroepen; dit is werkelijk het geval geweest, want de vader stond nog boven aarde, toen de zoon zijn gunsteling weder ontbood. Kunstige schikking van de gegevens, om het verband der gebeurtenissen beter te doen uitkomen en de handelingen uit het karakter der personen te doen voortkomen en te verklaren, heeft men hier niet te zoeken; en niet alleen mist men hier scherp geteekende karakters, maar ook levendige volkstooneelen. In al deze opzichten staat Marlowe’s stuk zelfs bij de zwakkere historiestukken van Shakespeare, die het leven van Koning Hendrik VI ten tooneele brengen, verre achter. Het is een gedramatiseerde, in tooneelen verdeelde kroniek, waarin de gebeurtenissen met verbazende snelheid elkander opvolgen, in veel hoogere mate dan ooit bij Shakespeare. Men kan zeggen, dat Edwards troonsbeklimming, de terugkomst van Gaveston, zijn verheffing tot Graaf van Cornwall en andere waardigheden, zijn overmoed en beleedigende handelingen jegens de hoogste edellieden, hun dreigend verzet en ’s konings toegeven, Gavestons tweede verbanning en zijn tweede terugroeping als het ware één tooneel uitmaken. Doch met dit al valt hier op te merken, dat de stijl vrij is van de gezwollenheid, die aan Marlowe in andere stukken vaak eigen is, dat de gesprekken losser en natuurlijker, de verzen volkomener en rijker in verscheidenheid zijn, dan in zijn oudere geschriften. Marlowe’s stuk is hoogstwaarschijnlijk van latere dagteekening dan de drie deelen van Shakespeare’s “Koning Hendrik VI”; het vermoeden ligt voor de hand, dat Marlowe de genoemde tooneelwerken gekend en er het een en ander uit geleerd heeft. Een der tooneelen, dat namelijk, waarin Edward II gedwongen wordt van de kroon afstand te doen, heeft overeenkomst met het gelijksoortig tooneel in Shakespeare’s “Koning Richard II”, doch kan er zich in schoonheid niet mede meten; het is Marlowe niet gelukt voor Edward II evenveel belangstelling en deernis op te wekken, als Shakespeare voor Richard II wist te doen; als deze heengaat, is hij ontkroond, doch blijft een koning; als Edward wordt weggeleid, is hij een arme gestrafte zondaar. Er is geen reden om te onderstellen, dat Marlowe, ware zijn leven niet zoo ontijdig, in zijn dertigste jaar, afgesneden, ooit met Shakespeare had kunnen wedijveren. Zijn geheele aanleg verbiedt dit te gelooven. Wel was hij voor zachtere stemmingen niet ontoegankelijk; zijn gedichten kunnen dit getuigen; hier zij het voldoende op het lied te wijzen van den Verliefden Herder aan zijn liefste, dat, als in “De Verliefde Pelgrim” voorkomende, in deze uitgaaf is opgenomen; maar over het algemeen trokken hem van de gebeurtenissen de vreeselijke, de schrikverwekkende aan, en hij schilderde deze het liefst met sterke kleuren en zware schaduwen; hij vatte verder deze gebeurtenissen en den ondergang, die er op volgt, meer op zichzelf in het oog, zonder na te gaan, hoe de handelingen uit het binnenst van ’s menschen gemoed voortkomen, met het wezen der menschen samenhangen; zijn hartstochtelijke natuur liet hem niet toe met zijn blik diep in ’s menschen wezen en de drijfveeren zijner handelingen door te dringen en meesterstukken te scheppen, eenigszins te vergelijken met die van zijn grooteren tijdgenoot, wiens zon eerst aan het rijzen was, toen de zijne plotseling werd uitgedoofd.De overige iets oudere tijdgenooten van Shakespeare, wier stukken tusschen 1580 en 1590 of weinig later werden opgevoerd, kunnen korter vermeld worden.Thomas Kyd(ofKid) schijnt iets ouder dan Marlowe geweest te zijn, doch van zijn persoon of leven is niets bekend. Hij maakte naam door zijn “Jeronimo”, een stuk, dat in 1588 werd opgevoerd, en door zijn “Spaansche tragedie, of Hieronymo is weer dol”,The Spanish Tragedy, or Hieronymo is mad again. Vooral dit laatste stuk viel in den smaak en werd, evenals Shakepeare’s Titus Andronicus, na vele jaren nog altijd met grooten bijval gespeeld, zooals Ben Jonson, wien deze bloedstukken een gruwel waren, met diepe ergernis opmerkt. Want een bloedstuk, veel gruwelijker dan “Titus Andronicus” was “De Spaansche tragedie.” Men oordeele: in het begin van het stuk treedt de geest van zekeren vermoorden Andrea op, vergezeld door de Wraak; zij maken, zooals gezegd wordt, als het ware het koor uit; de moordenaar van Andrea is zekere Balthasar; deze heeft natuurlijk de wraak van Andrea’s achtergebleven geliefde, ’s konings dochter Bellimperia, op zich geladen, en haalt zich bovendien, door het dooden van haar tweeden geliefde, Horatio, bij haar wraak ook die van Horatio’s vader Jeronimo op den hals. Om deze te zekerder te volbrengen veinst Jeronimo krankzinnig te zijn; hij bereikt eindelijk zijn doel door een tooneelvertooning, waarin hijzelf, Bellimperia, Balthasar en diens medemoordenaar Lorenzo, zoon van den hertog van Castilië, medespelen, en waarin de moorden, die slechts vertoond moesten worden, werkelijk gebeuren, daar Bellimperia Balthasar en daarna zichzelf doodsteekt, en Jeronimo aan Lorenzo het leven beneemt. Dit wordt alles aanvankelijk voor spel gehouden, doch als het spel ernst blijkt, bijt Jeronimo zich de tong af en helpt daarna den vader van Lorenzo, die toeschouwer was, alsook zichzelf van kant, zoodat er maar een paar personen in leven blijven. Merkwaardig, dat hier, evenals in den “Titus Andronicus” een vader zich waanzinnig voordoet om wraak te kunnen nemen, en dat voor het bereiken van dit doel een tooneelstuk wordt vertoond, als in den “Hamlet”. In het bovenstaande is de slachting, die aangericht wordt, op verre na niet volledig beschreven; dit doet op het eind van het stuk bij wijze van epiloog een geest, die vermeldt, dat Horatio in zijns vaders tuin omgebracht is, de lage Serberino door Pedringano vermoord, de valsche Pedringano opgehangen, de schoone Isabella door eigen hand omgekomen, Prins Balthasar door Bellimperia doorstoken, de hertog van Castilië, met zijn snooden zoon, door Jeronimo geveld, Bellimperia op de wijze van Dido gestorven en Jeronimo door zichzelf gedood. De geest voegt er aan toe, dat dit schouwtooneelen waren, die zijn ziel verlustigden.3Dit stuk werd ook nog opgeluisterd door een stomme vertooning,a dumb show.Men wane niet, dat de Spaansche tragedie van Kyd, wat moorden betreft, ongeveer het ergste was, wat aan de toeschouwers van dien tijd werd aangeboden; de Jood van Malta in Marlowe’s stuk maakt niet minder slachtoffers, en een stuk van Henry Chettle, van 1598, “Hoffman of de wraak voor een vader” overtreft dat van Kyd eveneens. Dat tooneelwerken met zooveel bloedvergieten in den smaak vielen, behoeft niet te verwonderen, als men bedenkt, hoe een halve eeuw later, in ons land de “Aran en Titus” van Jan Vos toegejuicht werd, niet alleen door het volk, maar zelfs door het hoogst beschaafd publiek (zie de Aanteekeningen). Men bedenke hierbij, dat de menschen toen ter tijd in Engeland aan bloedvergieten gewoon waren geraakt, dat de dagen van koningin Maria bloediger gedachtenisse, toen doodvonnissen aan de orde van den dag waren en de brandstapels schier dagelijks rookten, aan velen nog duidelijk voor den geest stonden, en dat in 1586 Babington met zijn eedgenooten op het schavot het leven verloor en in 1587 het hoofd van Maria Stuart viel. Verder moge hier nog opgemerkt worden, dat de ruwheid van vele tooneelstukken en de ongelijkmatigheid hunner deelen, zoodat hardvochtigheid en meewarigheid, onbeschaafdheid en fijn gevoel, grootspraak en gematigdheid er vaak onmiddellijk aan elkander grenzen, inderdaad een afspiegeling was van den geest dier tijden, waarin niet zelden stralende glans en lage gezindheid, fijne kunstzin en grove ruwheid, hooge beschaving en losse zeden, zelfopofferende heldenmoed en lage schraapzucht met elkander gepaard gingen. Welke pracht het hof van Elizabeth ook ten toon spreidde, en hoe het ook op beschaving boogde, matiging en zelfbeheersching was Elizabeths deel niet; zij sloeg in drift haar adellijke kameniers met de vuist, spuwde op het galakleed van een edelman en gaf haar gunsteling Essex, toen hij haar bij een driftige woordenwisseling den rug toekeerde, een slag in het gezicht.Doch keeren wij voor een oogenblik tot Kyd terug. Zijn Jeronimo en zijn Spaansche tragedie zijn, zoowel wat het plan als de uitwerking er van betreft, zoo onzinnig mogelijk; in gezwollenheid en grootspraak geeft hij aan Marlowe niets toe; slechts hier en daar vindt men gedeelten,die inderdaad roeren en treffen; over het algemeen mangelt het hem aan smaak. Toch moest hier de aandacht op hem gevestigd worden, omdat zijn stukken ongetwijfeld aan Shakespeare bekend waren, zooals blijkt uit enkele aan Kyd ontleende gezegden, met name “Ga weg, Jeronimus” en het “Pocas palabros” in het voorspel van “Een Snibbe getemd”, doch vooral, omdat misschien enkele vindingen van Kyd, zooals het invlechten eener tooneelvertooning in zijn stuk aan Shakespeare het eerste denkbeeld van iets dergelijks aan de hand deden. Wat versbouw en meesterschap over de taal betreft, staat Kyd op een niet geringe hoogte; zijn vers moge vaak in kracht bij dat van Marlowe achterstaan, het was soms rijker aan verscheidenheid, daar hij de rusten naar eisch wist te wijzigen.Nog een viertal Tooneelschrijvers uit het belangrijk tijdperk 1580–1590 moet hier beknopt besproken worden.Robert Greene, te Norwich, waarschijnlijk omstreeks 1560, geboren, studeerde te Cambridge, waar hij in 1578 het Baccalaureaat, in 1583 het Meesterschap in de vrije kunsten verwierf. Hij schijnt ook eenigen tijd de hoogeschool te Oxford bezocht te hebben; hij noemt zich ten minste op den titel van eenige zijner boeken Meester bij beide academies,Utriusque Academiæ in Artibus Magister. Tusschen 1578 en 1583 heeft hij Spanje, Italië en andere landen bereisd, en, volgens zijn eigen bekentenissen, heeft hij, niet alleen toen, maar ook later, een zeer losbandig en slecht leven geleid. Wel is hij gehuwd, waarschijnlijk omstreeks 1586, en volgens zijn eigen getuigenis met een zeer beminnelijke en liefhebbende vrouw, maar hij verliet haar weldra en hervatte zijn losbandig leven. Hij stierf in September 1592 een ellendigen dood. Na zich op een avond overmatig te goed gedaan te hebben aan pekelharing en Rijnwijn, werd hij door een ziekte aangetast, die wel een maand duurde. Al zijn vrienden hadden hem verlaten; alleen de welwillendheid van de arme schoenmakersvrouw, bij wie hij woonde, gunde hem een bed om te sterven. Hij schreef op zijn doodbed een stuk, getiteld “Het Berouw van Robert Greene”, en voltooide nog een ander, later te vermelden werkje, waarbij ook nog een brief aan zijn vrouw afgedrukt is, een smeeking om vergiffenis, terwijl hij haar tevens verzocht den schoenmaker, door wiens vrouw hij zoo goed opgepast was, schadeloos te stellen. Met de ijdelheid had hij nog niet afgedaan; hij verzocht zijn trouwe verzorgster, hem na den dood een lauwerkrans om de slapen te drukken, wat de goede ziel ook gedaan heeft.—Hoe losbandig ook van leven, hij was een vruchtbaar schrijver van veel talent. Zijn verbeelding was levendig, zijn stijl boeiend, hij was te huis in volksoverleveringen en maakte er gaarne gebruik van; evenzoo verlustigde hij zich in herinneringen en beelden uit de oudheid. Van zijn prozawerken zijn vooral te vermelden korte romantische verhalen, met ingelaschte poëzij, die vaak zeer liefelijk is van inhoud en bevallig van vorm; zoo schreef hij onder andere “Pandosto, de triomf van den Tijd, of de geschiedenis van Dorastus en Faunia”, een verhaal, dat in 1589 het licht zag en aan Shakespeare de stof voor zijn “Winteravondsprookje” verschaft heeft. Verder schreef hij stukken, die op hemzelf of zijn lotgevallen betrekking hebben, of op het volksleven van verschillende streken. Hij schreef ook verscheiden tooneelwerken. Zij zijn geen eigenlijke drama’s, veeleer gedramatiseerde verhalen te noemen; de karakterteekening laat veel, zeer veel, ja alles, te wenschen over; de vrij eenvoudige handeling vloeit niet uit de karakters der personen voort en wordt alleen iets meer ingewikkeld gemaakt door bijkomende gebeurtenissen, die weinig of niets met de hoofdzaak te maken hebben; maar de wijze van uitwerking is verdienstelijk; zijn stijl is niet gezwollen als die van Marlowe, zijn versbouw is wel minder forsch, doch vloeiend, aangenaam en niet zonder verscheidenheid; de samenspraken zijn natuurlijk en soms verrassend door dichterlijke ongezochte wendingen. Van zijn overgebleven tooneelwerken is “De Geschiedenis van Broeder Baco en Broeder Bungay”,The Honourable History of Friar Bacon and Friar Bungay, wel het meest bekend. De handeling is zeer eenvoudig: een Prins van Wales is op een landmeisje verliefd geraakt en zendt een zijner hovelingen uit om haar te bepraten; de zendeling wordt zelf op haar verliefd en is besloten haar te huwen; de Prins van Wales, schoon aanvankelijk recht verstoord, overwint zijn eigen neiging en vereenigt de gelieven; hijzelf treedt met een prinses, die zijn vader voor hem bestemde, in den echt. Doch gemakkelijk wordt deze uitkomst niet verkregen, tooverkunsten komen er bij te pas; niet alleen de twee in den titel vermelde geestelijke broeders zijn toovenaars, nog meerdere treden er in het stuk op; een paar keer wordt er iemand op den rug van een duivel weggevoerd, en zoo worden er nog andere goocheltoeren uitgehaald, waarvan men wel niet vat, waarom zij vertoond worden, maar die toch zeker den toeschouwer groot genoegen deden. Bovendien, behalve de prins van Wales, verschijnen ook de koning van Engeland en de keizer van Duitschland met het noodige gevolg in alle pracht ten tooneele, wat zeker niet weinig tot het slagen van het stuk heeft bijgedragen. Trouwens, alleen door zulke kunstgrepen kon het boeien, want van karakterteekening is geen spoor te vinden, evenmin van eenig redelijk plan; het geheel is uit tooneelenvan zeer verschillenden aard zoo onzinnig mogelijk aaneengelapt.—Te zamen met zijn vriend Thomas Lodge schreef Greene een stuk, dat bijna aan de oude moraliteiten doet denken, “Een spiegel voor Londen en Engeland”; het heeft ten doel, den Engelschen hun zonden in den spiegel van het verledene te doen aanschouwen. Op walglijke wijze stelt de profeet Hosea het zedenbederf van Ninivé ten toon en richt zich daarna telkens tot de Londenaars met de verklaring, dat zij veel boozer zijn, dan de inwoners van Ninivé ooit waren. Later verschijnt ook, als ter afwisseling, de profeet Jonas, die “uit den buik van den walvisch op het tooneel geworpen wordt” en den ondergang van Ninivé voorspelt, maar zich ten slotte tot de Londenaars richt en hun verzekert, dat zij nog zondiger zijn dan Ninivé en hun stad de zetel is van alle mogelijke ondeugden; hierop volgt de vermaning, dat zij, hoe verstokt ook, eindelijk hun beeld mogen herkennen in den voorgehouden spiegel en boete doen en bekeeren, bedenkende, dat alleen de innige gebeden en de heete tranen hunner koningin de lang verdiende straffe nog vertragen. Hierop volgt dan, zooals men denken kan, een heilbede voor de koningin.De zoo even genoemdeThomas Lodgewas omstreeks 1556 geboren en behoorde tot een goede familie in Lincolnshire. Hij bezocht omstreeks 1573 de hoogeschool te Oxford, is misschien een poos tooneelspeler geweest, heeft expedities ter zee medegemaakt, is als schrijver opgetreden, heeft zich verder aan de studie gewijd, en is daarna de geneeskunde gaan beoefenen en te Avignon gepromoveerd. Hij verwierf zich in Londen als arts een goeden naam en overleed aldaar in 1626 aan de pest. Voor het tooneel schreef hij, behalve den reeds vermelden, te zamen met Greene geslepen “Spiegel voor Londen en Engeland”, een treurspel: “De wonden van den Burgeroorlog, duidelijk in het licht gesteld door de tragedie van Marius en Sylla”, welk stuk in 1594 uitgegeven werd.—Hier is van hem vooral, en met lof, te noemen het romantisch, met liefelijke gedichtjes doorweven verhaal “Rosalinde, een gulden legaat van Euphues”,Rosalynde: Euphues golden legacie, waaraan Shakespeare zijn merkwaardig meesterstuk “Elk wat wils”,As you like it, ontleende.Reeds vroeger is in het voorbijgaan vanThomas Nashgewag gemaakt. Deze was omstreeks 1564 geboren en stierf omstreeks 1600. Volgens zijn eigen getuigenis had hij een hard leven, en groote moeite om met zijn pen in zijn onderhoud te voorzien. Waarschijnlijk leefde hij, als zoovelen zijner tijd- en lotgenooten, van de hand in den tand, als hij geld gebeurd had, in weelde en overvloed, als het op was, in gebrek en ellende. Wat hij voor het tooneel schreef, beteekent niet veel en behoeft hier niet besproken te worden. Alleen dit zij vermeld, dat hij, in vereeniging met Marlowe, “Dido, koningin van Carthago”, schreef, een stuk, dat waarschijnlijk van 1590 dagteekent. De stijl heeft over het algemeen zooveel van dien van Marlowe, dat het moeilijk te zeggen is, welk aandeel Nash in dezen arbeid had. Het stuk wordt hier genoemd, omdat er een beschrijving van Priamus’ dood in voorkomt; Shakespeare laat in zijn “Hamlet” door een tooneelspeler ook een beschrijving van Priamus’ val en Hecuba’s wanhoop voordragen, waarin hij kennelijk Marlowe’s stijl nabootst; belangwekkend is het, beide beschrijvingen te vergelijken, en op te merken, hoezeer Shakespeare zijn voorganger overtreft.—Overigens was Nash vooral satyrisch schrijver, en bezat als zoodanig veel naam.De laatste tooneeldichter, die hier vermeld moet worden, isGeorge Peele. Hij werd waarschijnlijk omstreeks 1558 in Devonshire geboren, was van goede afkomst, studeerde te Oxford en verwierf er in 1579 het Meesterschap in de vrije kunsten. Hij schijnt omstreeks 1580 naar Londen gekomen te zijn en er den overigen tijd van zijn leven doorgebracht te hebben. “Doorgebracht” mag de juiste uitdrukking wel wezen, want naar alle berichten leidde hij er hetzelfde woeste leven als velen zijner gildebroeders, nu in overdaad het geld verspillend, dat een tooneelstuk of gedicht hem opbracht, dan weer armoede en honger lijdend, en niet keurig op de middelen om aan geld te komen. Hij stierf vóór 1598; een boek, in dit jaar uitgegeven, schrijft zijn dood aan zijn losbandige leefwijze toe. George Peele heeft verscheiden kleine stukjes geschreven, die bij feestelijke gelegenheden, b.v. bij het optreden van een nieuwen Lord Mayor of ter eere van een voornamen gast, werden opgevoerd, alsmede gedichten en grootere tooneelwerken. Hij was de taal goed meester en kon bevallig en boeiend schrijven, zoodat Thomas Nash hem in 1587 alsprimus verborum artifier, een eersten beheerscher der taal, roemde. Als zijn beste tooneelwerk wordt zijn “David en Bathseba” geroemd, waarvan de volledige titel is:The love of King David and fair Bethsabe, with the tragedy of Absalon. Het werd in 1599 voor het eerst gedrukt, doch was zeker eenige jaren ouder; het is waarschijnlijk na 1590 geschreven, te oordeelen naar een passage, die aan Spencers Elfenkoningin,Faery Queen, ontleend schijnt te zijn.—Daar hij zich tamelijk getrouw aan het bijbelsch verhaal houdt, is er van een kunstig plan geen sprake; men kan zelfs zeggen, dat hij bij zijn pogingen om het eenvoudig verhaal tot gesprekken uit te werken vaak zeer ongelukkig geweestis,—de ontvangst van Uriël door David, Davids gedrag als hij den dood van Bathseba’s kind verneemt, de wijze, waarop Thamars onteering door haar halven broeder Amnon bijna ten tooneele gebracht wordt, kunnen dit getuigen; men kan bovendien om Davids leed geen ware deernis gevoelen, daar hij den zijnen in schandelijke handelingen is voorgegaan;—maar toch moet erkend worden, dat Peele, hoeverre zijn stuk in tragische werking bij het bijbelverhaal achtersta, bij Davids klachten den rechten toon heeft aangeslagen, en dat taal en stijl in dit stuk over het algemeen vloeiend, levendig, hier en daar beeldrijk zijn, en waar het noodig is, verheffing en kracht bezitten.Wij hebben in het voorafgaande de beste tooneeldichters van den tijd genoemd, hun voornaamste werken vermeld en, hoe kort ook, beschouwd, en wij hebben bevonden, dat het aan geen hunner gelukt is den echt tragischen toon te treffen, dan aan George Peele in zijn “David en Bathseba” en aan Marlowe in “Edward II”. Men moet hieruit niet afleiden, dat zij in dit opzicht als Shakespeare’s voorgangers en wegbereiders beschouwd moeten worden, want Shakespeare was ongetwijfeld met zijn eerstelingen, “Titus Andronicus” en “Koning Hendrik VI”, reeds opgetreden, eer de genoemde stukken van Marlowe en Peele gespeeld werden, zoodat hij in dit opzicht eer tot hun voorgangers te rekenen is, dan zij tot de zijne. Shakespeare is slechts in zeer beperkten zin een kind van zijn tijd te noemen. Hij heeft van zijn voorgangers veeleer geleerd, wat hij te vermijden, dan wat hij te doen had; hij heeft het goede, dat in hun taal en stijl en versbouw te vinden was, overgenomen, maar hij heeft het geadeld en tot volkomenheid gebracht; in zijn kunst van karakters te scheppen, woorden en daden der personen uit deze te doen voortvloeien, had hij geen voorgangers. Wie zijn blijspelen, zijn historiestukken, zijn tragedies met die zijner voorgangers en tijdgenooten vergelijkt, moet erkennen, dat hij, zelfs reeds in zijn eerstelingen, onder hen optreedt niet als de eerste onder zijns gelijken, maar als dichter eener andere, eener hoogere orde. Bij den glans zijner zon zijn hun sterren verflauwd; zij worden thans slechts door enkele weetgierigen, als het ware met kijkers, gadegeslagen, terwijl zijn luister allen helder in de oogen straalt.
Diog.Wie roept mij?Alex.Alexander. Waarom hebt gij niet uit uw ton naar mijn paleis willen komen?Diog.Omdat het even ver van mijn ton naar uw paleis is, als van uw paleis naar mijn ton.Alex.Wel, zijt gij dan aan koningen geen eerbetoon schuldig?Diog.Neen.Alex.Waarom niet?Diog.Omdat zij geen goden zijn.Alex.Zij zijn goden op aarde.Diog.Ja, goden van aarde.Alex.Plato denkt er anders over.Diog.Dat verheugt mij.Alex.Waarom?Diog.Omdat ik niet wensch, dat een ander dan Diogenes de gedachten van Diogenes heeft.Alex.Als Alexander iets heeft, dat Diogenes genoegen kan doen, noem het mij dan en neem het aan.Diog.Ontneem mij dan niet wat gij mij niet kunt geven: het zonlicht.Alex.Hebt gij nergens behoefte aan?Diog.Aan niets van wat gij hebt.Alex.Ik heb de geheele wereld tot mijn bevelen.Diog.En ik tot mijn verachting.Alex.Gij leeft niet langer dan ik wil.Diog.Maar ik sterf, of gij wilt of niet.Alex.Hoe kan iemand leeren tevreden te zijn?Diog.Door te verleeren begeerig te zijn.Alex.Hephæstion, zoo ik niet Alexander was, zou ik wenschen Diogenes te zijn.
Diog.Wie roept mij?
Alex.Alexander. Waarom hebt gij niet uit uw ton naar mijn paleis willen komen?
Diog.Omdat het even ver van mijn ton naar uw paleis is, als van uw paleis naar mijn ton.
Alex.Wel, zijt gij dan aan koningen geen eerbetoon schuldig?
Diog.Neen.
Alex.Waarom niet?
Diog.Omdat zij geen goden zijn.
Alex.Zij zijn goden op aarde.
Diog.Ja, goden van aarde.
Alex.Plato denkt er anders over.
Diog.Dat verheugt mij.
Alex.Waarom?
Diog.Omdat ik niet wensch, dat een ander dan Diogenes de gedachten van Diogenes heeft.
Alex.Als Alexander iets heeft, dat Diogenes genoegen kan doen, noem het mij dan en neem het aan.
Diog.Ontneem mij dan niet wat gij mij niet kunt geven: het zonlicht.
Alex.Hebt gij nergens behoefte aan?
Diog.Aan niets van wat gij hebt.
Alex.Ik heb de geheele wereld tot mijn bevelen.
Diog.En ik tot mijn verachting.
Alex.Gij leeft niet langer dan ik wil.
Diog.Maar ik sterf, of gij wilt of niet.
Alex.Hoe kan iemand leeren tevreden te zijn?
Diog.Door te verleeren begeerig te zijn.
Alex.Hephæstion, zoo ik niet Alexander was, zou ik wenschen Diogenes te zijn.
Het zou de moeite waard zijn, hier nog een paar van de geestige gesprekken tusschen Apelles en Campaspe, waarin de langzamerhand ontluikende liefde der laatste fraai uitkomt, of een paar gesprekken, in een geheel anderen toon gevoerd, tusschen bedienden, of een gesprek van Diogenes met een Athener, die zijn zoon aan de leiding des wijsgeers toevertrouwen wil, mede te deelen, doch dit weinige moge volstaan om te doen zien, dat Lilly de kunst verstond een fraaien, boeienden en geestvollen dialoog teschrijven en zich, waar het noodig was, wist te onthouden van de jacht op gezochte woordspelingen en vergelijkingen, waar hij anders maar al te vaak aan toegeeft. Wel had reeds vroeger Gascoigne in een vertaling derSuppostivan Ariosto van proza gebruik gemaakt, maar Lilly bezigde het in zijn tooneelwerken doorgaande en wel met zooveel smaak en talent, dat hij de vader van het dramatisch proza verdient genoemd te worden. Zoolang het Euphuisme aan het hof bewonderd en ook bij andere standen in zwang was, werd Lilly buitengewoon, en verre boven zijn verdienste bewonderd; doch toen men eenmaal de gezochtheid van zijn stijl inzag en afkeerig werd van het bezigen van beeldspraak, gelijkenissen, mythologische toespelingen, vreemde zinswendingen bij elke denkbare gelegenheid, was zijn roem in korten tijd getaand en werden zelfs zijn wezenlijke verdiensten miskend. Hier moest op deze gewezen worden, omdat het voorbeeld van Lilly blijkbaar van invloed is geweest op Shakespeare. Ook bij dezen is menig gesprek euphuistisch getint, doch hij maakte van dezen stijl een gematigd gebruik. Waar jongelieden uit den hoogeren stand een woordenschermutseling houden, zooals Mercutio en Romeo, wordt hij gebezigd; evenzeer, doch in groveren vorm, waar bedienden elkander al plagend de loef willen afsteken; ook waar personen uit de hoogere kringen met elkander in proza een geestig gesprek voeren, dat den toehoorder bijzonder belang moet inboezemen, zooals in den Cymbeline (eerste bedrijf, vierde tooneel) Posthumus en Jachimo. Zoo kan men ook in den Hamlet zoowel in toespraken des konings als in de redeneeringen van Polonius Euphuisme opmerken. Moge de wijze van uitdrukking en de jacht op woordspelingen naar onzen smaak hier en daar veel te gezocht zijn, over het algemeen moet men erkennen, dat Shakespeare het Euphuisme niet, zooals Lilly zelf, overdreven, telkens, bij allerlei gelegenheden, aanwendde, maar alleen waar het pas gaf, waar een bepaald doel er mee te bereiken was.2Het overdreven gebruik er van wordt door hem met scherpen spot gestriemd, niet enkel in het voorbijgaan, zooals in de aanspraak van Falstaff, als hij voor koning Hendrik speelt en gewag maakt van de kamille, die, hoe meer ze vertreden wordt, te sneller groeit (I Koning Hendrik IV, II. 4. 441), maar zelfs een geheel stuk door, zooals in Veel Gemin, Geen Gewin (Love’s Labour’s Lost).
In welke mate Shakespeare, al trad hij aanvankelijk in het voetspoor van anderen, hen in korten tijd voorbijstreefde, blijkt ten duidelijkste, als wij zijn eerstelingen, zoowel wat den inhoud als den vorm betreft, vergelijken met de tooneelwerken van begaafde tooneelschrijvers, die in den eersten tijd van zijn verblijf in Londen werden opgevoerd; men kan dadelijk bespeuren, dat hij hun gebreken opmerkte en trachtte te vermijden, iets anders en beters gaf dan zij. En de schrijvers, als wier mededinger hij optrad, waren mannen van aanleg, die over het algemeen een academische opleiding hadden genoten en, in de tooneelwereld levend, stukken leverden, die aan den smaak der toeschouwers voldeden. Onder hen mag wel in de eerste plaatsChristopher Marlowegenoemd worden, die, in hetzelfde jaar als Shakespeare geboren, juist twee maanden voor hem, op 26 Februari 1564, gedoopt werd, blijkens het kerkregister, in de aloude stad Canterbury. Van zijn opleiding is met zekerheid bekend, dat hij in Cambridge gestudeerd heeft en er in 1583Baccalaureusin de vrije kunsten werd. In 1587 werd hij erMagister, Meester, maar hij zal er in de tusschenliggende jaren wel niet gebleven zijn; hij zal ten minste een deel van dien tijd in Londen doorgebracht en grootendeels aan tooneel-arbeid gewijd hebben; ten minste in 1586, of uiterlijk in 1587, werd zijn eerste dramatische arbeid, “Tamerlan de Groote”,Tamburlaine the Great, ten tooneele gebracht. In 1588 schreef hij zijn “Tragische historie van Dr. Faustus”, in 1589 of 1590 zijn “Jood van Malta”, en later het historiestuk “Edward de Tweede”. Wat er meer van zijn geschriften is overgebleven, behoeft hier niet te worden nagegaan, doch over elk der genoemde werken, vooral over het eerste, moet hier gesproken worden. Van zijn loopbaan is overigens zoo goed als niets bekend, dan alleen dat hij den naam had van zeer loszinnig te leven en een ongeloovige te zijn. Hij stierf, 29 jaar oud, in Mei 1593, ten gevolge van een dolksteek, die hem bij een twist om een liefje in een herberg werd toegebracht en door het oog heen in de hersens drong.
Zijn “Tamerlan de Groote” bestaat uit twee tooneelstukken en behandelt de geschiedenis van Tamerlan, ook Timur en Timur-Lenk geheeten, den woesten Tatarenvorst, die, geboren in 1336, in de tweede helft der veertiende eeuw uit nietige beginselen een groot rijk, een wereldrijk, wist te stichten, uit zijn hoofdstad Samarkand (in Turan) de landen beheerschte van den Chineeschen muur tot de Middellandsche zee en van Egypte tot het hart van Rusland, en, nog steeds van veroveringsplannen vervuld, in 1405 stierf. Zijn heerschzucht ging met groote wreedheid gepaard, maar hij bezat ook groot beleid om zijn rijk krachtig in te richten, was een rechtvaardigrechter en een ijverig bevorderaar van kunsten en wetenschappen; zijn hoofdstad Samarkand was niet alleen het middelpunt van een uitgebreiden handel, maar ook een beroemde zetel van geleerdheid. In de beide stukken van Marlowe, die een groot deel van Tamerlans leven omvatten, met de eerste ontwikkeling zijner macht beginnen en met zijn dood eindigen, treedt hij ondertusschen schier alleen als geweldig, woest en wreed veroveraar op; slechts zijn liefde voor de schoone Zenocrate toont hem van eenigszins zachteren kant, doch ook deze liefde uit zich op heftige wijze. Eigenlijke, fijne karakterteekening wordt niet aangetroffen, en deze twee stukken maken geen drama uit, maar dramatiseeren eenvoudig eenige deelen der geschiedenis van den Tataarschen veroveraar. Het meest opmerkelijke in deze stukken is Marlowe’s heerschappij over de taal, en zijn versbouw. Wel waren reeds in Gorboduc, door Sackville en Norton, de vroeger voor ernstige dramatische poëzie meest gebruikelijke gerijmde zevenvoetige jambische verzen door het vijfvoetige rijmlooze jambische vers vervangen, maar men kan zeggen, dat eerst door Marlowe deze verssoort, hetblank-verse, voor goed op het volkstooneel het burgerrecht verkregen heeft. Hij was dit zichzelf zeer goed bewust en zegt in den proloog van zijn Tamerlan, dat hij, zich verre houdend van het geklikklak der rijmelarij, zijn toehoorders in de oorlogstent van Tamerlan zal voeren. Doch hoeveel goeds en schoons zijn vers ook moge bevatten, door overdrijving van gedachten en beelden vervalt hij vaak in gezwollenheid en bombast. De juiste zuivere smaak, die in alles maat weet te houden, ontbrak hem, bij al zijn dichterlijke gaven, maar al te zeer. Met name komt dit uit in zijn eerste voor het tooneel geschreven werk, den Tamerlan. Het werd juist omstreeks den tijd, waarop Shakespeare te Londen aankwam, gespeeld en kan ter vergelijking met diens eerstelingen strekken; dit moge de eenigszins uitvoerige bespreking rechtvaardigen.
De persoonlijkheid van Tamerlan wordt door den Perzischen gezant Menaphon (Eerste stuk, II. 1) beschreven als:
“Van hooge leest en fier steeds opgericht,Gelijk zijn geest, die godd’lijk opwaarts streeft;Zoo zwaar van leden en zoo hecht gebouwd,Zoo breed van schouders, dat hij Atlas’ vrachtZou dragen; op die mannenschouders rustEen parel, meer dan heel de wereld waard,Waarin, door hooge meesterschap der kunst,Zijn scherp doordringende oogen zijn gevat,Wier vuurge kringen in hun ommevangEen ganschen hemel hemellichten bergen,Die steeds zijn gang en doen geleidt ten troon,Waar de Eer in koningstooi gezeteld is.’t Gelaat is bleek, door hartstocht zoo ontverfd,Die dorst naar oppermacht en oorlogslust.’t Hoog voorhoofd teekent in zijn plooien dood,En maalt, zoo ’t glad is, vriendschap af en leven;Omgeven is ’t van amberkleurig haar,Gegolfd als eens Achilles’ lokkenpracht,Waarmee des hemels adem blijde speelt,Die ’t golven doet met dart’le majesteit.Zijn armen, vingers, lang en forsch gespierd,Verraden moed en overmaat van kracht.Zoo maakt hem elks deels juiste bouw den man,Die de aard moet onderwerpen, Tamerlan.”
“Van hooge leest en fier steeds opgericht,Gelijk zijn geest, die godd’lijk opwaarts streeft;Zoo zwaar van leden en zoo hecht gebouwd,Zoo breed van schouders, dat hij Atlas’ vrachtZou dragen; op die mannenschouders rustEen parel, meer dan heel de wereld waard,Waarin, door hooge meesterschap der kunst,Zijn scherp doordringende oogen zijn gevat,Wier vuurge kringen in hun ommevangEen ganschen hemel hemellichten bergen,Die steeds zijn gang en doen geleidt ten troon,Waar de Eer in koningstooi gezeteld is.’t Gelaat is bleek, door hartstocht zoo ontverfd,Die dorst naar oppermacht en oorlogslust.’t Hoog voorhoofd teekent in zijn plooien dood,En maalt, zoo ’t glad is, vriendschap af en leven;Omgeven is ’t van amberkleurig haar,Gegolfd als eens Achilles’ lokkenpracht,Waarmee des hemels adem blijde speelt,Die ’t golven doet met dart’le majesteit.Zijn armen, vingers, lang en forsch gespierd,Verraden moed en overmaat van kracht.Zoo maakt hem elks deels juiste bouw den man,Die de aard moet onderwerpen, Tamerlan.”
“Van hooge leest en fier steeds opgericht,
Gelijk zijn geest, die godd’lijk opwaarts streeft;
Zoo zwaar van leden en zoo hecht gebouwd,
Zoo breed van schouders, dat hij Atlas’ vracht
Zou dragen; op die mannenschouders rust
Een parel, meer dan heel de wereld waard,
Waarin, door hooge meesterschap der kunst,
Zijn scherp doordringende oogen zijn gevat,
Wier vuurge kringen in hun ommevang
Een ganschen hemel hemellichten bergen,
Die steeds zijn gang en doen geleidt ten troon,
Waar de Eer in koningstooi gezeteld is.
’t Gelaat is bleek, door hartstocht zoo ontverfd,
Die dorst naar oppermacht en oorlogslust.
’t Hoog voorhoofd teekent in zijn plooien dood,
En maalt, zoo ’t glad is, vriendschap af en leven;
Omgeven is ’t van amberkleurig haar,
Gegolfd als eens Achilles’ lokkenpracht,
Waarmee des hemels adem blijde speelt,
Die ’t golven doet met dart’le majesteit.
Zijn armen, vingers, lang en forsch gespierd,
Verraden moed en overmaat van kracht.
Zoo maakt hem elks deels juiste bouw den man,
Die de aard moet onderwerpen, Tamerlan.”
Deze geweldige man ontvlamt plotseling in hevige liefde voor Zenocrate, de dochter van den sultan van Egypte, die op haar tocht van Medië naar Egypte hem in handen gevallen is. Als hem voor haar en haar geleiders losgeld aangeboden wordt, barst hij aldus los (I. 2):
“Versmaadt Zenocrate met mij te leven?Of, heeren, gij, van mijn gevolg te zijn?Die schat, zoo waant gij, weegt mij meer dan gij?Mij koopt al ’t goud uit Indië’s rijken schootDen minsten trosknecht van mijn heer niet af.Zenocrate, schoon boven Jovis’ schoone,Glansvoller dan de zilv’ren Rhodope,En blanker dan der Scythen blankste bergsneeuw,Gij zijt voor Tamerlan een grooter schatDan ’t rijk bezit van Perzië’s kroon, dat mijBij mijn geboorte een goed gesternte spelde.U doe een honderdtal Tataren dienst,Op rossen, vlugger nog dan Pegasus;Met kostb’re steen en van mijzelf, meer waardDan eenig siersel van Zenocrate.In elpenbeenen slede trekken uMelkwitte herten op der meren ijsEn klimmen op der hooge bergen sneeuw,Die ras van uwer schoonheid stralen smelt.Mijn krijgsbuit, met vijfhonderd man, gewonnenOp Wolga’s vijftig monden rijken stroom,Dit alles wijd ik aan Zenocrate,En dan mijzelf aan u, Zenocrate.”
“Versmaadt Zenocrate met mij te leven?Of, heeren, gij, van mijn gevolg te zijn?Die schat, zoo waant gij, weegt mij meer dan gij?Mij koopt al ’t goud uit Indië’s rijken schootDen minsten trosknecht van mijn heer niet af.Zenocrate, schoon boven Jovis’ schoone,Glansvoller dan de zilv’ren Rhodope,En blanker dan der Scythen blankste bergsneeuw,Gij zijt voor Tamerlan een grooter schatDan ’t rijk bezit van Perzië’s kroon, dat mijBij mijn geboorte een goed gesternte spelde.U doe een honderdtal Tataren dienst,Op rossen, vlugger nog dan Pegasus;Met kostb’re steen en van mijzelf, meer waardDan eenig siersel van Zenocrate.In elpenbeenen slede trekken uMelkwitte herten op der meren ijsEn klimmen op der hooge bergen sneeuw,Die ras van uwer schoonheid stralen smelt.Mijn krijgsbuit, met vijfhonderd man, gewonnenOp Wolga’s vijftig monden rijken stroom,Dit alles wijd ik aan Zenocrate,En dan mijzelf aan u, Zenocrate.”
“Versmaadt Zenocrate met mij te leven?
Of, heeren, gij, van mijn gevolg te zijn?
Die schat, zoo waant gij, weegt mij meer dan gij?
Mij koopt al ’t goud uit Indië’s rijken schoot
Den minsten trosknecht van mijn heer niet af.
Zenocrate, schoon boven Jovis’ schoone,
Glansvoller dan de zilv’ren Rhodope,
En blanker dan der Scythen blankste bergsneeuw,
Gij zijt voor Tamerlan een grooter schat
Dan ’t rijk bezit van Perzië’s kroon, dat mij
Bij mijn geboorte een goed gesternte spelde.
U doe een honderdtal Tataren dienst,
Op rossen, vlugger nog dan Pegasus;
Met kostb’re steen en van mijzelf, meer waard
Dan eenig siersel van Zenocrate.
In elpenbeenen slede trekken u
Melkwitte herten op der meren ijs
En klimmen op der hooge bergen sneeuw,
Die ras van uwer schoonheid stralen smelt.
Mijn krijgsbuit, met vijfhonderd man, gewonnen
Op Wolga’s vijftig monden rijken stroom,
Dit alles wijd ik aan Zenocrate,
En dan mijzelf aan u, Zenocrate.”
Tamerlan overwint den Turkschen keizer Bajazet, zet hem in een kooi, voedert hem als een wild dier, laat hem er van tijd tot tijd uithalen om hem als een voetbank te gebruiken bij het bestijgen van zijn troon, en voert hem op zijn tochten met zich; Bajazets vrouw, keizerin Zabina, moet slavinnedienst doen bij Zenocrate. Tamerlan trekt op om den sultan van Egypte te beoorlogen en heeft het beleg geslagen voor Damascus, dat volgens Marlowe in of bij Egypte schijnt te liggen. Bij gelegenheid van een gastmaal worden Bajazet, in zijn kooi, en Zabina binnengebracht, en Tamerlan werpt aan Bajazet een stuk vleesch toe, dat deze echter versmaadt envertrapt; aan Zenocrate, die bedrukt en treurig ziet, vraagt Tamerlan, wat haar schort en of de Turk haar iets zal voorzingen. Zij antwoordt (IV. 4):
“O heer, mijns vaders stad berend te zien,Het land verwoest, waar ik geboren werd,Zou dit niet smarten tot in ’t diepst der ziel?Indien er, heer, in u nog liefde huist,Of zoo mijn liefde voor uw majesteitVan uwer hoogheid hand een gunst verdient,Hef dan ’t beleg van ’t schoon Damascus opEn sluit een goeden vrede met mijn vader.”
“O heer, mijns vaders stad berend te zien,Het land verwoest, waar ik geboren werd,Zou dit niet smarten tot in ’t diepst der ziel?Indien er, heer, in u nog liefde huist,Of zoo mijn liefde voor uw majesteitVan uwer hoogheid hand een gunst verdient,Hef dan ’t beleg van ’t schoon Damascus opEn sluit een goeden vrede met mijn vader.”
“O heer, mijns vaders stad berend te zien,
Het land verwoest, waar ik geboren werd,
Zou dit niet smarten tot in ’t diepst der ziel?
Indien er, heer, in u nog liefde huist,
Of zoo mijn liefde voor uw majesteit
Van uwer hoogheid hand een gunst verdient,
Hef dan ’t beleg van ’t schoon Damascus op
En sluit een goeden vrede met mijn vader.”
Doch Tamerlan zegt:
“Waar’, lieve, Egypte Jovis’ eigen land,’k Zou Jupiter doen bukken voor mijn zwaard.De blinde geografen doe ik zwijgen,Die de aard in drieën deelen en dan nietDe landen noemen, die ik teek’nen wil,Nieuw, op een kaart, met deze scherpe stift,(Hij wijst op zijn zwaard).Waarbij ik dan provincie, stad en burgBenoem naar u en mij, Zenocrate.Hier in Damascus wijs ik ’t punt nu aan,Van waar de loodlijn aanvang nemen moet;En zou ’k uws vaders gunst met zulk verliesNu koopen, denkt gij? spreek, Zenocrate!”
“Waar’, lieve, Egypte Jovis’ eigen land,’k Zou Jupiter doen bukken voor mijn zwaard.De blinde geografen doe ik zwijgen,Die de aard in drieën deelen en dan nietDe landen noemen, die ik teek’nen wil,Nieuw, op een kaart, met deze scherpe stift,(Hij wijst op zijn zwaard).Waarbij ik dan provincie, stad en burgBenoem naar u en mij, Zenocrate.Hier in Damascus wijs ik ’t punt nu aan,Van waar de loodlijn aanvang nemen moet;En zou ’k uws vaders gunst met zulk verliesNu koopen, denkt gij? spreek, Zenocrate!”
“Waar’, lieve, Egypte Jovis’ eigen land,
’k Zou Jupiter doen bukken voor mijn zwaard.
De blinde geografen doe ik zwijgen,
Die de aard in drieën deelen en dan niet
De landen noemen, die ik teek’nen wil,
Nieuw, op een kaart, met deze scherpe stift,
(Hij wijst op zijn zwaard).
Waarbij ik dan provincie, stad en burg
Benoem naar u en mij, Zenocrate.
Hier in Damascus wijs ik ’t punt nu aan,
Van waar de loodlijn aanvang nemen moet;
En zou ’k uws vaders gunst met zulk verlies
Nu koopen, denkt gij? spreek, Zenocrate!”
Zenocrate kan niets meer zeggen dan een wensch uiten:
“Zij eer steeds en geluk met Tamerlan;Doch gun mij, dat ik voor mijn vader pleit.”
“Zij eer steeds en geluk met Tamerlan;Doch gun mij, dat ik voor mijn vader pleit.”
“Zij eer steeds en geluk met Tamerlan;
Doch gun mij, dat ik voor mijn vader pleit.”
Zij moet zich tevredenstellen met Tamerlans belofte:
“Stel u gerust, hij brengt er ’t leven af,Als alle vrienden van Zenocrate,Die levend bukken voor mijn macht, of mijDoor dwang als keizer groeten; want ik wil:Arabië en Egypte worden mijn.”
“Stel u gerust, hij brengt er ’t leven af,Als alle vrienden van Zenocrate,Die levend bukken voor mijn macht, of mijDoor dwang als keizer groeten; want ik wil:Arabië en Egypte worden mijn.”
“Stel u gerust, hij brengt er ’t leven af,
Als alle vrienden van Zenocrate,
Die levend bukken voor mijn macht, of mij
Door dwang als keizer groeten; want ik wil:
Arabië en Egypte worden mijn.”
Hierna krijgt Bajazet, die de neep des hongers niet kan weerstaan, wat te eten.
Damascus, tot het uiterste gebracht, zendt vier maagden tot Tamerlan, om genade te verwerven, doch zij worden meedoogenloos geslacht. Dit wordt gevolgd door een alleenspraak van Tamerlan, die van zijn hartstochtelijke liefde voor Zenocrate getuigenis aflegt. Toch is hij niet verzacht, want hij laat terstond daarna Bajazet, in zijn kooi, met Zabina voor zich brengen; doch op het bericht, dat wel Damascus genomen, maar de sultan van Egypte, alsmede de koning van Arabië, vroeger met Zenocrate verloofd, met hun leger nabij zijn, vertrekt hij terstond ten strijde. Bajazet, alleen gelaten, maakt, na een gesprek met zijn echtgenoote Zabina, van de gelegenheid gebruik om zich het hoofd tegen de kooi te verbrijzelen en Zabina volgt zijn voorbeeld. Zenocrate verschijnt en klaagt bitter over Tamerlans wreedheid. Middelerwijl woedt de strijd, de koning van Arabië komt doodelijk gewond op en sterft; onmiddellijk daarna komt Tamerlan als overwinnaar terug, vergezeld van den sultan van Egypte, die in zijn macht is gevallen, doch het leven behoudt en zelfs zijn rijk terugontvangt, zooals Tamerlan zegt in een toespraak, die het eerste stuk besluit (V. 2):
“Zet, godd’lijke Zenocrate, u neer,Wij kronen u aldus als koninginVan Perzië en elk rijk en vorstendom,Dat Tamerlans geweld pas onderwierp.Als Juno eens na der Giganten val,Die bergen slingerden naar Jovis’ hoofd,Zoo zie ik mijn geliefde nu, wier voorhoofdMij mijn triomfen en tropeeën maalt,Of als Latona’s dochters, tuk op strijd,Den moed verhoogend van mijn heerschersgeest.En, lieflijke Zenocrate, om uZal Azië, Mooren- en Egypteland,Van ’t Berberland tot west’lijk India,Uw’ vader jaar op jaar een cijns betalen;Zijn machtige arm zal reiken van de grensVan Afrika tot aan des Ganges boord.En thans, gij heeren en getrouwe volgers,Die menig rijk mij wont door kloeken moed,Legt nu voor ’t pantser purp’ren kleed’ren aan,En neemt uw koninklijke zetels in,Omgeven van uw stoet van edellieden,En regelt orde en wet in uw gebied.Hangt aan Alcides’ pijlers uwe waap’nen,Want Tamerlan sluit vrede met heel de aard.Uw eerste bruidegom, Arabië’s vorst,Wordt eervol, zooals past, ter aard besteld,Zoo ook de Turksche vorst en schoone gade.En is die waardige uitvaart hun bereid,Dan volge onze echt met groote plechtigheid.”
“Zet, godd’lijke Zenocrate, u neer,Wij kronen u aldus als koninginVan Perzië en elk rijk en vorstendom,Dat Tamerlans geweld pas onderwierp.Als Juno eens na der Giganten val,Die bergen slingerden naar Jovis’ hoofd,Zoo zie ik mijn geliefde nu, wier voorhoofdMij mijn triomfen en tropeeën maalt,Of als Latona’s dochters, tuk op strijd,Den moed verhoogend van mijn heerschersgeest.En, lieflijke Zenocrate, om uZal Azië, Mooren- en Egypteland,Van ’t Berberland tot west’lijk India,Uw’ vader jaar op jaar een cijns betalen;Zijn machtige arm zal reiken van de grensVan Afrika tot aan des Ganges boord.En thans, gij heeren en getrouwe volgers,Die menig rijk mij wont door kloeken moed,Legt nu voor ’t pantser purp’ren kleed’ren aan,En neemt uw koninklijke zetels in,Omgeven van uw stoet van edellieden,En regelt orde en wet in uw gebied.Hangt aan Alcides’ pijlers uwe waap’nen,Want Tamerlan sluit vrede met heel de aard.Uw eerste bruidegom, Arabië’s vorst,Wordt eervol, zooals past, ter aard besteld,Zoo ook de Turksche vorst en schoone gade.En is die waardige uitvaart hun bereid,Dan volge onze echt met groote plechtigheid.”
“Zet, godd’lijke Zenocrate, u neer,
Wij kronen u aldus als koningin
Van Perzië en elk rijk en vorstendom,
Dat Tamerlans geweld pas onderwierp.
Als Juno eens na der Giganten val,
Die bergen slingerden naar Jovis’ hoofd,
Zoo zie ik mijn geliefde nu, wier voorhoofd
Mij mijn triomfen en tropeeën maalt,
Of als Latona’s dochters, tuk op strijd,
Den moed verhoogend van mijn heerschersgeest.
En, lieflijke Zenocrate, om u
Zal Azië, Mooren- en Egypteland,
Van ’t Berberland tot west’lijk India,
Uw’ vader jaar op jaar een cijns betalen;
Zijn machtige arm zal reiken van de grens
Van Afrika tot aan des Ganges boord.
En thans, gij heeren en getrouwe volgers,
Die menig rijk mij wont door kloeken moed,
Legt nu voor ’t pantser purp’ren kleed’ren aan,
En neemt uw koninklijke zetels in,
Omgeven van uw stoet van edellieden,
En regelt orde en wet in uw gebied.
Hangt aan Alcides’ pijlers uwe waap’nen,
Want Tamerlan sluit vrede met heel de aard.
Uw eerste bruidegom, Arabië’s vorst,
Wordt eervol, zooals past, ter aard besteld,
Zoo ook de Turksche vorst en schoone gade.
En is die waardige uitvaart hun bereid,
Dan volge onze echt met groote plechtigheid.”
Dat het tweede deel verscheiden jaren later speelt, blijkt hieruit, dat er drie zoons van Tamerlan en Zenocrate in optreden, allen reeds van den leeftijd om de wapenen te voeren. Doch overigens in alles hetzelfde, Tamerlan is er met de jaren niet makker op geworden; eer zou men zeggen, dat zijn woestheid nog is toegenomen, en tevens treden er eenige tegenstanders op, die evenzoo van hun legers, gevechten en overwinningen zwetsen, kortom een even grooten mond opzetten als hij. Zij worden natuurlijk overwonnen; Tamerlan spant een paar der gevangen koningen voor zijn wagen, legt hun een gebit in den mond, neemt de teugels in de linkerhanden een zweep in de rechter, waarmede hij hen voortdrijft; zoo verschijnt hij een paar keer ten tooneele (IV. 4 en V. 1). De woorden van den zwetsenden Pistool, Falstaff’s vaandrig (2 Kon. Hendrik IV, II. 4. 178):
“Knollen, voos en log, van Asia,Die op een dag nauw dertig mijlen loopen”,
“Knollen, voos en log, van Asia,Die op een dag nauw dertig mijlen loopen”,
“Knollen, voos en log, van Asia,
Die op een dag nauw dertig mijlen loopen”,
zijn aan dit tooneel ontleend.—Zenocrate krijgt de koorts en sterft; Tamerlan raast, verklaart aan den hemel den oorlog en steekt ter eere zijner overleden gemalin een volkrijke stad in brand.—Zijn oudste zoon is weinig oorlogzuchtig en maakt eens, als Tamerlan hem zegt, wat zijn zoons te leeren hebben om krijgers en echte zoons van Tamerlan te zijn,—wat niet weinig is en ongeloofelijke heldendaden in zich sluit,—de opmerking, dat dit alles zeer gevaarlijk is en dat zij verslagen of gewond kunnen wezen, eer zij volleerd zijn; Tamerlan brengt zich dan een wonde aan den arm toe, om hem te doen zien, dat een wonde, hoe diep ook, niets is. De les helpt niet; aan een volgend gevecht neemt zijn oudste zoon geen deel, en hij wordt dan ook zonder genade door zijn vader gedood.—Tamerlan raast en woedt steeds door, maar wordt eindelijk krank en sterft, en daarmee is het stuk uit.
Enkele voorbeelden uit dit stuk mogen den stijl en de taal van Marlowe nog nader doen kennen. Zenocrate is gestorven en nu roept Tamerlan zijn volgelingen toe (II. 4):
“Wat! is zij dood? Techelles, trek uw zwaard,En houw in de aard, dat zij in tweeën splijt’En wij in de onderaardsche krochten dringen,De Noodlots-zusters sleepen bij het haar,Haar sling’ren in der hel driedubb’len stroom,Voor ’t rooven van mijn gâ Zenocrate!Te wapen, Casane en Theridamas!Werpt schansen hooger dan de wolken op,En beuk met grof geschut het hemelwelf,Beschiet het schitt’rend prachtpaleis der zonEn gruizel heel der sterren firmament!Want Jupiter, verliefd, stal mij mijn lief,Opdat zij hemelkoninginne wierd.Wat god het zij, die u in de armen knelt,En u met nectar laaft en ambrozijn,Zie, godd’lijke Zenocrate, ’k sta hier,Wanhopig, razend, onbedwingbaar, dol.Mijn stalen lans moog’ splint’ren, ik verbreekHet roestig slot van Janus’ tempeldeur,En laat den Dood en dwing’land Krijg er uit,Ten tocht met mij en deze bloedbanier!Heb deernis met den grooten Tamerlan,Daal uit den hemel, keer tot mij terug!”
“Wat! is zij dood? Techelles, trek uw zwaard,En houw in de aard, dat zij in tweeën splijt’En wij in de onderaardsche krochten dringen,De Noodlots-zusters sleepen bij het haar,Haar sling’ren in der hel driedubb’len stroom,Voor ’t rooven van mijn gâ Zenocrate!Te wapen, Casane en Theridamas!Werpt schansen hooger dan de wolken op,En beuk met grof geschut het hemelwelf,Beschiet het schitt’rend prachtpaleis der zonEn gruizel heel der sterren firmament!Want Jupiter, verliefd, stal mij mijn lief,Opdat zij hemelkoninginne wierd.Wat god het zij, die u in de armen knelt,En u met nectar laaft en ambrozijn,Zie, godd’lijke Zenocrate, ’k sta hier,Wanhopig, razend, onbedwingbaar, dol.Mijn stalen lans moog’ splint’ren, ik verbreekHet roestig slot van Janus’ tempeldeur,En laat den Dood en dwing’land Krijg er uit,Ten tocht met mij en deze bloedbanier!Heb deernis met den grooten Tamerlan,Daal uit den hemel, keer tot mij terug!”
“Wat! is zij dood? Techelles, trek uw zwaard,
En houw in de aard, dat zij in tweeën splijt’
En wij in de onderaardsche krochten dringen,
De Noodlots-zusters sleepen bij het haar,
Haar sling’ren in der hel driedubb’len stroom,
Voor ’t rooven van mijn gâ Zenocrate!
Te wapen, Casane en Theridamas!
Werpt schansen hooger dan de wolken op,
En beuk met grof geschut het hemelwelf,
Beschiet het schitt’rend prachtpaleis der zon
En gruizel heel der sterren firmament!
Want Jupiter, verliefd, stal mij mijn lief,
Opdat zij hemelkoninginne wierd.
Wat god het zij, die u in de armen knelt,
En u met nectar laaft en ambrozijn,
Zie, godd’lijke Zenocrate, ’k sta hier,
Wanhopig, razend, onbedwingbaar, dol.
Mijn stalen lans moog’ splint’ren, ik verbreek
Het roestig slot van Janus’ tempeldeur,
En laat den Dood en dwing’land Krijg er uit,
Ten tocht met mij en deze bloedbanier!
Heb deernis met den grooten Tamerlan,
Daal uit den hemel, keer tot mij terug!”
Men ziet, dat Marlowe niet afkeerig is van mythologische toespelingen. Evenzoo is het hem een genoegen, zijn geographische geleerdheid te luchten, wat, wegens haar uiterst twijfelachtig gehalte, dikwijls zeer vermakelijk is. Zijn zucht tot overdrijven komt ook uit bij het opnoemen van de sterkte der legerscharen, die zelden minder dan honderd duizend man tellen, soms millioenen en een enkelen keer zelfs “meer dan oneindig.” Zoo zegt Gazellus, een Turksch veldheer (II. 2):
“Thans komen we, om zijn spieren te doen rillen,Met grooter macht, dan ooit zijn trots ervoer.Een honderd koningen, bij twintigtallenGeschaard, daagt thans hem uit tot woesten strijd;Elk twintigtal brengt honderd duizend man.Al stortten donderkeilen hageldichtMet felle buien uit der wolken schoot,Partijdig gunstrijk voor den trotschen Scyth,Toch bleken onze moed en stalen helmenEn ons getal, meer dan oneindig, wisIn staat tot wederstand en zegepraal.”
“Thans komen we, om zijn spieren te doen rillen,Met grooter macht, dan ooit zijn trots ervoer.Een honderd koningen, bij twintigtallenGeschaard, daagt thans hem uit tot woesten strijd;Elk twintigtal brengt honderd duizend man.Al stortten donderkeilen hageldichtMet felle buien uit der wolken schoot,Partijdig gunstrijk voor den trotschen Scyth,Toch bleken onze moed en stalen helmenEn ons getal, meer dan oneindig, wisIn staat tot wederstand en zegepraal.”
“Thans komen we, om zijn spieren te doen rillen,
Met grooter macht, dan ooit zijn trots ervoer.
Een honderd koningen, bij twintigtallen
Geschaard, daagt thans hem uit tot woesten strijd;
Elk twintigtal brengt honderd duizend man.
Al stortten donderkeilen hageldicht
Met felle buien uit der wolken schoot,
Partijdig gunstrijk voor den trotschen Scyth,
Toch bleken onze moed en stalen helmen
En ons getal, meer dan oneindig, wis
In staat tot wederstand en zegepraal.”
Hooren wij ook, wat Tamerlan tot zijn onderveldheeren, die hij tot koningen verheven heeft, spreekt (I. 3):
“Uw komst hier, vrienden, koninklijke broeders,Vervult mijn hart met overmaat van vreugd.Zoo de kristallen poort van Jovis’ burgMij openstond, opdat ik binnengingOm ’s hemels macht en majesteit te zien,’t Verheugde mij niet meer dan dit gezicht.Thans richten we op deez’ vlakte een feestmaal aan;Dan naar Turkije met ons heer getogen,Talrijker dan der waterdrupp’len val,Als Boreas een duizend wolken scheurt.De trotsche Orcanes van Natolië zalMet al zijn onderkoningen zoo sidd’ren,Dat, wierden ook, als na Deucalions vloed,De steenen menschen, hij bezwijken moest.Zoo wil ik baden in der Turken bloed,Dat Jupiter mij door zijn vleugelbodeGelast mijn zwaard te bergen, ’t veld te ontruimen,En dat de Zon, van de’ aanblik schier bezwijmd,Zijn hoofd verbergt in Thetis’ vochten schoot,Zijn rossen in Boötes’ hoede geeft;Want in dien strijd zal ’t halve menschdom vallen.”
“Uw komst hier, vrienden, koninklijke broeders,Vervult mijn hart met overmaat van vreugd.Zoo de kristallen poort van Jovis’ burgMij openstond, opdat ik binnengingOm ’s hemels macht en majesteit te zien,’t Verheugde mij niet meer dan dit gezicht.Thans richten we op deez’ vlakte een feestmaal aan;Dan naar Turkije met ons heer getogen,Talrijker dan der waterdrupp’len val,Als Boreas een duizend wolken scheurt.De trotsche Orcanes van Natolië zalMet al zijn onderkoningen zoo sidd’ren,Dat, wierden ook, als na Deucalions vloed,De steenen menschen, hij bezwijken moest.Zoo wil ik baden in der Turken bloed,Dat Jupiter mij door zijn vleugelbodeGelast mijn zwaard te bergen, ’t veld te ontruimen,En dat de Zon, van de’ aanblik schier bezwijmd,Zijn hoofd verbergt in Thetis’ vochten schoot,Zijn rossen in Boötes’ hoede geeft;Want in dien strijd zal ’t halve menschdom vallen.”
“Uw komst hier, vrienden, koninklijke broeders,
Vervult mijn hart met overmaat van vreugd.
Zoo de kristallen poort van Jovis’ burg
Mij openstond, opdat ik binnenging
Om ’s hemels macht en majesteit te zien,
’t Verheugde mij niet meer dan dit gezicht.
Thans richten we op deez’ vlakte een feestmaal aan;
Dan naar Turkije met ons heer getogen,
Talrijker dan der waterdrupp’len val,
Als Boreas een duizend wolken scheurt.
De trotsche Orcanes van Natolië zal
Met al zijn onderkoningen zoo sidd’ren,
Dat, wierden ook, als na Deucalions vloed,
De steenen menschen, hij bezwijken moest.
Zoo wil ik baden in der Turken bloed,
Dat Jupiter mij door zijn vleugelbode
Gelast mijn zwaard te bergen, ’t veld te ontruimen,
En dat de Zon, van de’ aanblik schier bezwijmd,
Zijn hoofd verbergt in Thetis’ vochten schoot,
Zijn rossen in Boötes’ hoede geeft;
Want in dien strijd zal ’t halve menschdom vallen.”
Als Tamerlan zich zwaar ziek gevoelt, geeft hij zijn smart aldus lucht (V. 3):
“Wat drieste God is ’t, die mijn lichaam nijpt,Den grooten Tamerlan bedwingen wil?Moet ziekte mij als mensch doen kennen, mij,Die steeds de schrik der wereld werd genoemd?Techelles, allen! komt, en trekt uw zwaard,Bedreigt dat wezen, dat mijn ziele kwelt!Op nu! ten strijde met des hemels machten!Verheft banieren, zwarte, in ’t firmament,Ten teeken, dat der goden sterfuur naakt.Wat, vrienden, zal ik doen? ik kan niet staan.Komt, draagt mij, dat ik ’t godendom bekamp’,Dat Tamerlans gezondheid zoo belaagt.”
“Wat drieste God is ’t, die mijn lichaam nijpt,Den grooten Tamerlan bedwingen wil?Moet ziekte mij als mensch doen kennen, mij,Die steeds de schrik der wereld werd genoemd?Techelles, allen! komt, en trekt uw zwaard,Bedreigt dat wezen, dat mijn ziele kwelt!Op nu! ten strijde met des hemels machten!Verheft banieren, zwarte, in ’t firmament,Ten teeken, dat der goden sterfuur naakt.Wat, vrienden, zal ik doen? ik kan niet staan.Komt, draagt mij, dat ik ’t godendom bekamp’,Dat Tamerlans gezondheid zoo belaagt.”
“Wat drieste God is ’t, die mijn lichaam nijpt,
Den grooten Tamerlan bedwingen wil?
Moet ziekte mij als mensch doen kennen, mij,
Die steeds de schrik der wereld werd genoemd?
Techelles, allen! komt, en trekt uw zwaard,
Bedreigt dat wezen, dat mijn ziele kwelt!
Op nu! ten strijde met des hemels machten!
Verheft banieren, zwarte, in ’t firmament,
Ten teeken, dat der goden sterfuur naakt.
Wat, vrienden, zal ik doen? ik kan niet staan.
Komt, draagt mij, dat ik ’t godendom bekamp’,
Dat Tamerlans gezondheid zoo belaagt.”
Theridamas tracht hem tot kalmte te stemmen:
“Ach, goede heer, weerhoud die gramme taal,Die uwer ziekte felheid veel verscherpt.”
“Ach, goede heer, weerhoud die gramme taal,Die uwer ziekte felheid veel verscherpt.”
“Ach, goede heer, weerhoud die gramme taal,
Die uwer ziekte felheid veel verscherpt.”
Doch Tamerlan gaat voort:
“Wat! zou ik zitten, kwijnen aan mijn kwaal?Neen, roert de trommen! op ter wrake! Komt,En velt de lansen! hem de borst doorboord,Die op zijn schouders de as der wereld draagt,Opdat, val ik, ook aarde en hemel vallen!Theridamas, spoed u naar Jovis’ hof;Zeg, dat hij fluks Apollo tot mij zend’Om mij te heelen, of ik haal hem zelf.”
“Wat! zou ik zitten, kwijnen aan mijn kwaal?Neen, roert de trommen! op ter wrake! Komt,En velt de lansen! hem de borst doorboord,Die op zijn schouders de as der wereld draagt,Opdat, val ik, ook aarde en hemel vallen!Theridamas, spoed u naar Jovis’ hof;Zeg, dat hij fluks Apollo tot mij zend’Om mij te heelen, of ik haal hem zelf.”
“Wat! zou ik zitten, kwijnen aan mijn kwaal?
Neen, roert de trommen! op ter wrake! Komt,
En velt de lansen! hem de borst doorboord,
Die op zijn schouders de as der wereld draagt,
Opdat, val ik, ook aarde en hemel vallen!
Theridamas, spoed u naar Jovis’ hof;
Zeg, dat hij fluks Apollo tot mij zend’
Om mij te heelen, of ik haal hem zelf.”
Techelles doet een nieuwe poging:
“Zit kalm, mijn koning, wijken zal die smart;Zij kan niet duren, want ze is al te sterk.”
“Zit kalm, mijn koning, wijken zal die smart;Zij kan niet duren, want ze is al te sterk.”
“Zit kalm, mijn koning, wijken zal die smart;
Zij kan niet duren, want ze is al te sterk.”
Waarop Tamerlans antwoord is:
“Niet duren, vriend? neen, want ik sterf er aan.Zie, hoe mijn slaaf, het leelijk monster, Dood,Sterk bevend, sidd’rend, bleek en vaal van vrees,Daar loerend staat, zijn moordpijl op mij richt,En verre wegvlucht, als mijn blik hem treft,Doch, zie ik niet hem aan, weer nader sluipt!—Ellend’ling, weg! spoed u naar ’t open veld;’k Verschijn er met mijn heer; ’k belaad uw rugMet zielen, duizend, van verminkte lijken.—Daar gaat hij, zie!—maar zie, daar is hij weer,Wijl ’k toef! Techelles, trekken we op! de DoodBezwijm’ door zielen hellewaarts te dragen.”
“Niet duren, vriend? neen, want ik sterf er aan.Zie, hoe mijn slaaf, het leelijk monster, Dood,Sterk bevend, sidd’rend, bleek en vaal van vrees,Daar loerend staat, zijn moordpijl op mij richt,En verre wegvlucht, als mijn blik hem treft,Doch, zie ik niet hem aan, weer nader sluipt!—Ellend’ling, weg! spoed u naar ’t open veld;’k Verschijn er met mijn heer; ’k belaad uw rugMet zielen, duizend, van verminkte lijken.—Daar gaat hij, zie!—maar zie, daar is hij weer,Wijl ’k toef! Techelles, trekken we op! de DoodBezwijm’ door zielen hellewaarts te dragen.”
“Niet duren, vriend? neen, want ik sterf er aan.
Zie, hoe mijn slaaf, het leelijk monster, Dood,
Sterk bevend, sidd’rend, bleek en vaal van vrees,
Daar loerend staat, zijn moordpijl op mij richt,
En verre wegvlucht, als mijn blik hem treft,
Doch, zie ik niet hem aan, weer nader sluipt!—
Ellend’ling, weg! spoed u naar ’t open veld;
’k Verschijn er met mijn heer; ’k belaad uw rug
Met zielen, duizend, van verminkte lijken.—
Daar gaat hij, zie!—maar zie, daar is hij weer,
Wijl ’k toef! Techelles, trekken we op! de Dood
Bezwijm’ door zielen hellewaarts te dragen.”
Hoe gezwollen zulk een stijl ons moge voorkomen, men zal toch niet licht beweren, dat hij van schoonheid ontbloot, dat hij met gewonen bombast gelijk te stellen is. Integendeel, men kan hier en daar de zuiverste parels van schoonheid opmerken, hoewel dikwijls in de wonderlijkste omgeving. Als—om hier nog een enkel voorbeeld van te geven—Tamerlan ten tooneele komt op een wagen, door de koningen van Trebizonde en Syrië getrokken, en hen uitmaakt voor logge, volgevreten knollen, die slechts twintig mijlen daags afleggen, hoewel zij zulk een prachtige kar trekken en den grooten Tamerlan tot menner hebben, gaat hij voort: “De rossen, die het gouden oog des dags rondvoeren en den morgen uit hun neusgaten blazen, bij hun trotschen rit boven de wolken, erlangen niet zooveel eer van hun bestuurder als gij, gij slaven van den machtigen Tamerlan.” Met dit schoone beeld is Marlowe echter nog niet tevreden, de herinneringen uit de oudheid zijn over hem vaardig geworden en hij voegt er aan toe, dat de door Alcides getemde Thracische rossen, die koning Egeus met menschenvleesch voedde en zoo dartel maakte, dat zij hun kracht gevoelden, niet voor een goddelijker macht moesten bukken, dan zij, die door zijn onoverwonnen arm waren bedwongen; hij zou hen voeden met rauw vleesch en hun den sterksten muskadel uit emmers te drinken geven, opdat zij zijn kar sneller voorttrokken dan de jagende wolken; zoo zij dit niet vermochten, deugden zij voor niets, en mochten een aas zijn voor zwarte raven. Bij het beoordeelen dezer taal bedenke men, dat de jonge dramatische dichter ten doel moest hebben het publiek te boeien en te treffen, en dat dit publiek gewoon was Herodes op het tooneel te hooren bulderen en zich ook niet kon voorstellen, dat een geweldig heerscher als Tamerlan zich anders dan op geweldige wijze uitte. En dan behoeft men zich inderdaad niet te verwonderen, dat het publiek zoowel door wat het oog te zien kreeg als door de prachtig rollende verzen van den jongen dichter en door de nieuwheid zijner beelden als het ware betooverd werd. Dat Marlowe ook nog op andere wijze, misschien door meer boertige tooneelen de toejuichingen van de schouwburgbezoekers trachtte te verwerven, blijkt uit het voorbericht van den drukker, waarin deze erkent enkele tooneelen, te weinig in overeenstemming met de rest, en, schoon met genoegen aangegaapt, niet genoeglijk bij het lezen, te hebben weggelaten. Wat hiervan zij, de bijval, dien het stuk vond, is zeer wel te verklaren, en tevens moet erkend worden, dat Marlowe, schoon den smaak van het volk treffend, niet tot het volk afdaalde, maar het tot zich optrok, en aan zijn toeschouwers het hoogste en verhevenste gaf, dat hij hun kon aanbieden.
Dat hij dit inderdaad deed, en zelfs niet schroomde, groote vraagstukken, die des menschen geest bewegen, ten tooneele te brengen, blijkt uit zijn volgend stuk: “De tragische historie van Doctor Faustus.” Reeds geruimen tijd was in Duitschland het verhaal in omloop van zekeren Johan Faust, een wonderdokter, astroloog en toovenaar uit de eerste helft der zestiende eeuw, die door den duivel gehaald zou zijn; zijn geschiedenis was reeds in 1567 tot een comedie verwerkt, die men in genoemd jaar in Frankfort aan de Main heeft willen opvoeren. In dezelfde stad verscheen in 1587 het eerste Duitsche volksboek over het Faust-verhaal, en hoogstwaarschijnlijk was reeds in het volgend jaar het stuk van Marlowe voltooid, vermoedelijkvóór den ondergang der onoverwinnelijke vloot; op welke wijze hij van het Duitsche volksboek kennis gekregen heeft, is onbekend. Marlowe’s stuk werd, natuurlijk meer of minder gewijzigd, later in Duitschland als poppenspel vertoond en een van deze omwerkingen heeft aanleiding gegeven tot Goethe’s beroemd dramatisch gedicht. Het mag een dwaasheid genoemd worden, beide werken, dat van Marlowe en dat van Goethe, met elkander te gaan vergelijken, maar onwillekeurig komt men er eenigszins toe, en daarom zij hier met enkele woorden gezegd, dat van den strijd, bij Goethe door Faust gestreden, tusschen den onwederstaanbaren aandrang tot weten en de beperktheid der menschelijke natuur, bij Marlowe geen spoor te vinden is. Zucht naar kennis drijft bij Goethe Faust tot beoefening der magie en tot zijn verbond met den duivel; bij Marlowe heeft de zucht naar wetenschap weinig te beteekenen en openbaart zich alleen door eenige vragen over verouderde redeneer- en sterrenkunde; wat Faustus bij hem door de magie tracht te verwerven, is roem, macht en genot. Reeds in het begin van het stuk, in zijn eerste alleenspraak, spreekt hij het duidelijk uit:
“O, welk een wereld van genot en voordeel,Van macht, van eer en van almogendheid,Belooft de kunst aan hem, die ijv’rig streeft!Al wat zich tusschen beide polen roert,Gehoorzaamt mij dan; koningen en keizersGebieden enkel in hun eigen land,Hun wil ontboeit geen storm of scheurt geen zwerk;Doch wie in dit gebied een heerscher is,Regeert zoover de geest des menschen reikt.Een echte Magus is een machtig god;Scherp, Faustus, ’t brein voor deze godd’lijkheid.”
“O, welk een wereld van genot en voordeel,Van macht, van eer en van almogendheid,Belooft de kunst aan hem, die ijv’rig streeft!Al wat zich tusschen beide polen roert,Gehoorzaamt mij dan; koningen en keizersGebieden enkel in hun eigen land,Hun wil ontboeit geen storm of scheurt geen zwerk;Doch wie in dit gebied een heerscher is,Regeert zoover de geest des menschen reikt.Een echte Magus is een machtig god;Scherp, Faustus, ’t brein voor deze godd’lijkheid.”
“O, welk een wereld van genot en voordeel,
Van macht, van eer en van almogendheid,
Belooft de kunst aan hem, die ijv’rig streeft!
Al wat zich tusschen beide polen roert,
Gehoorzaamt mij dan; koningen en keizers
Gebieden enkel in hun eigen land,
Hun wil ontboeit geen storm of scheurt geen zwerk;
Doch wie in dit gebied een heerscher is,
Regeert zoover de geest des menschen reikt.
Een echte Magus is een machtig god;
Scherp, Faustus, ’t brein voor deze godd’lijkheid.”
Hierop zendt Faustus zijn dienaar en leerling naar twee vrienden, Valdes en Cornelius, die in de magie bedreven zijn; in dien tusschentijd spreken hem een goede en een kwade engel toe; Faustus blijft besloten de magie te beoefenen, die hem rijkdom en macht zal bezorgen, en wordt door zijn twee leermeesters in de zwarte kunst ingewijd. Hij bezweert daarop Mephistophilis, die een zwaarmoedige en goedaardige duivel blijkt te zijn, hem de helsche pijnen schildert, en hem dringend afraadt, het verbond met Lucifer te sluiten. Faustus blijft vastbesloten en zendt Mephistophilis naar Lucifer, met het bericht, dat hij dezen voor vier-en-twintig jaren levens van genot en macht zijn ziel wil verpanden. Daarna wordt hij nog wel door angst bekropen, maar blijft, ook bij het hernieuwd bezoek van den goeden en kwaden engel, bij zijn plan, en sluit met Mephistophilis het in allen vorm opgemaakte en met zijn bloed onderteekende verdrag. Meermalen gevoelt hij wroeging en komen de goede en de kwade engel hem bezoeken, maar hij blijft getrouw aan Lucifer, die ook zelf bij hem verschijnt en de zeven doodzonden in haar ware gedaante voor hem doet verschijnen. Van Mephistophilis vergezeld, bezoekt Faustus, op een kar, door draken getrokken, verschillende landen. Wij vernemen dit uit een mededeeling van het koor en uit een gesprek van Faustus met Mephistophilis; zijn verrichtingen in Rome worden vertoond. Hij voert er onzichtbaar, bij een gastmaal van den paus, allerlei kunststukjes uit, neemt dezen de schotels voor den neus weg, drinkt zijn beker leeg en dient hem eindelijk een oorveeg toe; de bedienende monniken, die de onzichtbare euveldaders vervloeken, krijgen slaag. Vervolgens komen Faustus en Mephistophilis aan het hof des keizers teInnsbruck, waar Faust den grooten Alexander met zijn gemalin voor den keizer verschijnen doet, een ridder horens op het hoofd toovert en hem er weer van bevrijdt. Dan weder vermaakt zich Faustus door een paardenkooper te bedotten met een betooverd paard en zich door hem een been te laten aftrekken, wat den man natuurlijk een geweldigen schrik op het lijf jaagt; voorts bezorgt hij door zijn tooverkunst aan de hertogin van Anholt in Januari een schotel rijpe druiven, en laat eindelijk de schoone Helena voor zich verschijnen, wordt op haar verliefd en kust haar. Het is het laatste genot, dat zijn tooverkunst hem aanbrengt; zijn tijd is om; schoon hij na zijn contract eigenlijk alleen enkele onschuldige grappen verkocht heeft, benauwen hem geweldige gewetenswroegingen in zijn laatste ure; onder donder en bliksem wordt hij door duivelen naar de hel gesleept.
Bij het beoordeelen van Marlowe’s Faustus moet men in het oog houden, dat wij het stuk niet voor ons hebben zooals het uit des dichters pen gevloeid is; de eerste druk is van 1604, meer dan tien jaren na zijn dood, en het is gebleken, dat er, toen het stuk een poos gespeeld was, wijzigingen in gemaakt zijn, die waarschijnlijk vooral in bijvoegingen bestaan hebben, om de toeschouwers, die het stuk meermalen gezien hadden, op enkele nieuwe tooneelen te onthalen. Maar ook al brengt men dit in rekening, dan moet toch erkend worden, dat de dichter, het volksboek tamelijk getrouw volgende, eenvoudig een reeks van tooneelen geleverd heeft, die onderling zeer weinig samenhangen, zoodat er van een doorloopende handeling eigenlijk geen sprake kan zijn. Evenzeer ontbreekt een scherpe karakterteekening, zelfs van den hoofdpersoon, wiens bedrijf en lot geen groote belangstelling kunnen wekken. Men moge allehulde brengen aan de dichterlijke schoonheid van enkele gedeelten, het geheel is niet van dien aard, dat dit stuk aan Shakespeare als voorbeeld kan gediend hebben en op zijn ontwikkeling van eenigszins aanmerkelijken invloed geweest kan zijn.
Hetzelfde moet gezegd worden van het volgend stuk van Marlowe, “De Jood van Malta”,The Jew of Malta, dat in 1589 of 1590 moet geschreven zijn. De rijke jood Barabas is door de willekeur van den bestuurder van Malta van zijn goederen beroofd en besluit zich te wreken, wat hij dan ook op de gruwelijkste wijze ten uitvoer brengt. Moorden te plegen is hem een wellust; zoo vergiftigt hij al de nonnen,—en onder deze behoort zijn eigen dochter,—van het klooster, dat in zijn vroegere woning gevestigd is, en bedenkt ten laatste een helsche machine, om als met één slag de velen, die hij haat, te vermoorden, doch wordt zelf het slachtoffer zijner uitvinding. Dat hij een haatdragende en wraakzuchtige jood is en een bekoorlijke dochter bezit, is de eenige overeenkomst van den Barabas van Marlowe met den Shylock uit Shakespeare’s Koopman Van Venetië. Het stuk is gruwelijk, niet tragisch.
Hooger lof moet toegekend worden aan Marlowe’s ongetwijfeld later geschreven historiestuk Edward II. Dit omvat de geheele regeering van Edward II (1307–1327), zooals ook in den uitvoerigen titel der eerste uitgave (1598, dus 5 jaren na des schrijvers dood) wordt uitgedrukt:The troublesome raigne and lamentable death of Edward the second, King of England: with the tragicall fall of proud Mortimer: And also the life and death of Peirs Gavestone, the great Earle of Cornewall, and mighty favorite of king Edward the second, as it was publiquely acted by the right honorable the Earle of Pembroke his seruantes. Written by Chri. Marlow Gent.Het stuk begint met de eerste regeeringsdaad des konings: Gaveston, onder koning Edward I verbannen, wordt dadelijk na diens overlijden, door zijn vriend en begunstiger, koning Edward II, teruggeroepen; dit is werkelijk het geval geweest, want de vader stond nog boven aarde, toen de zoon zijn gunsteling weder ontbood. Kunstige schikking van de gegevens, om het verband der gebeurtenissen beter te doen uitkomen en de handelingen uit het karakter der personen te doen voortkomen en te verklaren, heeft men hier niet te zoeken; en niet alleen mist men hier scherp geteekende karakters, maar ook levendige volkstooneelen. In al deze opzichten staat Marlowe’s stuk zelfs bij de zwakkere historiestukken van Shakespeare, die het leven van Koning Hendrik VI ten tooneele brengen, verre achter. Het is een gedramatiseerde, in tooneelen verdeelde kroniek, waarin de gebeurtenissen met verbazende snelheid elkander opvolgen, in veel hoogere mate dan ooit bij Shakespeare. Men kan zeggen, dat Edwards troonsbeklimming, de terugkomst van Gaveston, zijn verheffing tot Graaf van Cornwall en andere waardigheden, zijn overmoed en beleedigende handelingen jegens de hoogste edellieden, hun dreigend verzet en ’s konings toegeven, Gavestons tweede verbanning en zijn tweede terugroeping als het ware één tooneel uitmaken. Doch met dit al valt hier op te merken, dat de stijl vrij is van de gezwollenheid, die aan Marlowe in andere stukken vaak eigen is, dat de gesprekken losser en natuurlijker, de verzen volkomener en rijker in verscheidenheid zijn, dan in zijn oudere geschriften. Marlowe’s stuk is hoogstwaarschijnlijk van latere dagteekening dan de drie deelen van Shakespeare’s “Koning Hendrik VI”; het vermoeden ligt voor de hand, dat Marlowe de genoemde tooneelwerken gekend en er het een en ander uit geleerd heeft. Een der tooneelen, dat namelijk, waarin Edward II gedwongen wordt van de kroon afstand te doen, heeft overeenkomst met het gelijksoortig tooneel in Shakespeare’s “Koning Richard II”, doch kan er zich in schoonheid niet mede meten; het is Marlowe niet gelukt voor Edward II evenveel belangstelling en deernis op te wekken, als Shakespeare voor Richard II wist te doen; als deze heengaat, is hij ontkroond, doch blijft een koning; als Edward wordt weggeleid, is hij een arme gestrafte zondaar. Er is geen reden om te onderstellen, dat Marlowe, ware zijn leven niet zoo ontijdig, in zijn dertigste jaar, afgesneden, ooit met Shakespeare had kunnen wedijveren. Zijn geheele aanleg verbiedt dit te gelooven. Wel was hij voor zachtere stemmingen niet ontoegankelijk; zijn gedichten kunnen dit getuigen; hier zij het voldoende op het lied te wijzen van den Verliefden Herder aan zijn liefste, dat, als in “De Verliefde Pelgrim” voorkomende, in deze uitgaaf is opgenomen; maar over het algemeen trokken hem van de gebeurtenissen de vreeselijke, de schrikverwekkende aan, en hij schilderde deze het liefst met sterke kleuren en zware schaduwen; hij vatte verder deze gebeurtenissen en den ondergang, die er op volgt, meer op zichzelf in het oog, zonder na te gaan, hoe de handelingen uit het binnenst van ’s menschen gemoed voortkomen, met het wezen der menschen samenhangen; zijn hartstochtelijke natuur liet hem niet toe met zijn blik diep in ’s menschen wezen en de drijfveeren zijner handelingen door te dringen en meesterstukken te scheppen, eenigszins te vergelijken met die van zijn grooteren tijdgenoot, wiens zon eerst aan het rijzen was, toen de zijne plotseling werd uitgedoofd.
De overige iets oudere tijdgenooten van Shakespeare, wier stukken tusschen 1580 en 1590 of weinig later werden opgevoerd, kunnen korter vermeld worden.
Thomas Kyd(ofKid) schijnt iets ouder dan Marlowe geweest te zijn, doch van zijn persoon of leven is niets bekend. Hij maakte naam door zijn “Jeronimo”, een stuk, dat in 1588 werd opgevoerd, en door zijn “Spaansche tragedie, of Hieronymo is weer dol”,The Spanish Tragedy, or Hieronymo is mad again. Vooral dit laatste stuk viel in den smaak en werd, evenals Shakepeare’s Titus Andronicus, na vele jaren nog altijd met grooten bijval gespeeld, zooals Ben Jonson, wien deze bloedstukken een gruwel waren, met diepe ergernis opmerkt. Want een bloedstuk, veel gruwelijker dan “Titus Andronicus” was “De Spaansche tragedie.” Men oordeele: in het begin van het stuk treedt de geest van zekeren vermoorden Andrea op, vergezeld door de Wraak; zij maken, zooals gezegd wordt, als het ware het koor uit; de moordenaar van Andrea is zekere Balthasar; deze heeft natuurlijk de wraak van Andrea’s achtergebleven geliefde, ’s konings dochter Bellimperia, op zich geladen, en haalt zich bovendien, door het dooden van haar tweeden geliefde, Horatio, bij haar wraak ook die van Horatio’s vader Jeronimo op den hals. Om deze te zekerder te volbrengen veinst Jeronimo krankzinnig te zijn; hij bereikt eindelijk zijn doel door een tooneelvertooning, waarin hijzelf, Bellimperia, Balthasar en diens medemoordenaar Lorenzo, zoon van den hertog van Castilië, medespelen, en waarin de moorden, die slechts vertoond moesten worden, werkelijk gebeuren, daar Bellimperia Balthasar en daarna zichzelf doodsteekt, en Jeronimo aan Lorenzo het leven beneemt. Dit wordt alles aanvankelijk voor spel gehouden, doch als het spel ernst blijkt, bijt Jeronimo zich de tong af en helpt daarna den vader van Lorenzo, die toeschouwer was, alsook zichzelf van kant, zoodat er maar een paar personen in leven blijven. Merkwaardig, dat hier, evenals in den “Titus Andronicus” een vader zich waanzinnig voordoet om wraak te kunnen nemen, en dat voor het bereiken van dit doel een tooneelstuk wordt vertoond, als in den “Hamlet”. In het bovenstaande is de slachting, die aangericht wordt, op verre na niet volledig beschreven; dit doet op het eind van het stuk bij wijze van epiloog een geest, die vermeldt, dat Horatio in zijns vaders tuin omgebracht is, de lage Serberino door Pedringano vermoord, de valsche Pedringano opgehangen, de schoone Isabella door eigen hand omgekomen, Prins Balthasar door Bellimperia doorstoken, de hertog van Castilië, met zijn snooden zoon, door Jeronimo geveld, Bellimperia op de wijze van Dido gestorven en Jeronimo door zichzelf gedood. De geest voegt er aan toe, dat dit schouwtooneelen waren, die zijn ziel verlustigden.3Dit stuk werd ook nog opgeluisterd door een stomme vertooning,a dumb show.
Men wane niet, dat de Spaansche tragedie van Kyd, wat moorden betreft, ongeveer het ergste was, wat aan de toeschouwers van dien tijd werd aangeboden; de Jood van Malta in Marlowe’s stuk maakt niet minder slachtoffers, en een stuk van Henry Chettle, van 1598, “Hoffman of de wraak voor een vader” overtreft dat van Kyd eveneens. Dat tooneelwerken met zooveel bloedvergieten in den smaak vielen, behoeft niet te verwonderen, als men bedenkt, hoe een halve eeuw later, in ons land de “Aran en Titus” van Jan Vos toegejuicht werd, niet alleen door het volk, maar zelfs door het hoogst beschaafd publiek (zie de Aanteekeningen). Men bedenke hierbij, dat de menschen toen ter tijd in Engeland aan bloedvergieten gewoon waren geraakt, dat de dagen van koningin Maria bloediger gedachtenisse, toen doodvonnissen aan de orde van den dag waren en de brandstapels schier dagelijks rookten, aan velen nog duidelijk voor den geest stonden, en dat in 1586 Babington met zijn eedgenooten op het schavot het leven verloor en in 1587 het hoofd van Maria Stuart viel. Verder moge hier nog opgemerkt worden, dat de ruwheid van vele tooneelstukken en de ongelijkmatigheid hunner deelen, zoodat hardvochtigheid en meewarigheid, onbeschaafdheid en fijn gevoel, grootspraak en gematigdheid er vaak onmiddellijk aan elkander grenzen, inderdaad een afspiegeling was van den geest dier tijden, waarin niet zelden stralende glans en lage gezindheid, fijne kunstzin en grove ruwheid, hooge beschaving en losse zeden, zelfopofferende heldenmoed en lage schraapzucht met elkander gepaard gingen. Welke pracht het hof van Elizabeth ook ten toon spreidde, en hoe het ook op beschaving boogde, matiging en zelfbeheersching was Elizabeths deel niet; zij sloeg in drift haar adellijke kameniers met de vuist, spuwde op het galakleed van een edelman en gaf haar gunsteling Essex, toen hij haar bij een driftige woordenwisseling den rug toekeerde, een slag in het gezicht.
Doch keeren wij voor een oogenblik tot Kyd terug. Zijn Jeronimo en zijn Spaansche tragedie zijn, zoowel wat het plan als de uitwerking er van betreft, zoo onzinnig mogelijk; in gezwollenheid en grootspraak geeft hij aan Marlowe niets toe; slechts hier en daar vindt men gedeelten,die inderdaad roeren en treffen; over het algemeen mangelt het hem aan smaak. Toch moest hier de aandacht op hem gevestigd worden, omdat zijn stukken ongetwijfeld aan Shakespeare bekend waren, zooals blijkt uit enkele aan Kyd ontleende gezegden, met name “Ga weg, Jeronimus” en het “Pocas palabros” in het voorspel van “Een Snibbe getemd”, doch vooral, omdat misschien enkele vindingen van Kyd, zooals het invlechten eener tooneelvertooning in zijn stuk aan Shakespeare het eerste denkbeeld van iets dergelijks aan de hand deden. Wat versbouw en meesterschap over de taal betreft, staat Kyd op een niet geringe hoogte; zijn vers moge vaak in kracht bij dat van Marlowe achterstaan, het was soms rijker aan verscheidenheid, daar hij de rusten naar eisch wist te wijzigen.
Nog een viertal Tooneelschrijvers uit het belangrijk tijdperk 1580–1590 moet hier beknopt besproken worden.
Robert Greene, te Norwich, waarschijnlijk omstreeks 1560, geboren, studeerde te Cambridge, waar hij in 1578 het Baccalaureaat, in 1583 het Meesterschap in de vrije kunsten verwierf. Hij schijnt ook eenigen tijd de hoogeschool te Oxford bezocht te hebben; hij noemt zich ten minste op den titel van eenige zijner boeken Meester bij beide academies,Utriusque Academiæ in Artibus Magister. Tusschen 1578 en 1583 heeft hij Spanje, Italië en andere landen bereisd, en, volgens zijn eigen bekentenissen, heeft hij, niet alleen toen, maar ook later, een zeer losbandig en slecht leven geleid. Wel is hij gehuwd, waarschijnlijk omstreeks 1586, en volgens zijn eigen getuigenis met een zeer beminnelijke en liefhebbende vrouw, maar hij verliet haar weldra en hervatte zijn losbandig leven. Hij stierf in September 1592 een ellendigen dood. Na zich op een avond overmatig te goed gedaan te hebben aan pekelharing en Rijnwijn, werd hij door een ziekte aangetast, die wel een maand duurde. Al zijn vrienden hadden hem verlaten; alleen de welwillendheid van de arme schoenmakersvrouw, bij wie hij woonde, gunde hem een bed om te sterven. Hij schreef op zijn doodbed een stuk, getiteld “Het Berouw van Robert Greene”, en voltooide nog een ander, later te vermelden werkje, waarbij ook nog een brief aan zijn vrouw afgedrukt is, een smeeking om vergiffenis, terwijl hij haar tevens verzocht den schoenmaker, door wiens vrouw hij zoo goed opgepast was, schadeloos te stellen. Met de ijdelheid had hij nog niet afgedaan; hij verzocht zijn trouwe verzorgster, hem na den dood een lauwerkrans om de slapen te drukken, wat de goede ziel ook gedaan heeft.—Hoe losbandig ook van leven, hij was een vruchtbaar schrijver van veel talent. Zijn verbeelding was levendig, zijn stijl boeiend, hij was te huis in volksoverleveringen en maakte er gaarne gebruik van; evenzoo verlustigde hij zich in herinneringen en beelden uit de oudheid. Van zijn prozawerken zijn vooral te vermelden korte romantische verhalen, met ingelaschte poëzij, die vaak zeer liefelijk is van inhoud en bevallig van vorm; zoo schreef hij onder andere “Pandosto, de triomf van den Tijd, of de geschiedenis van Dorastus en Faunia”, een verhaal, dat in 1589 het licht zag en aan Shakespeare de stof voor zijn “Winteravondsprookje” verschaft heeft. Verder schreef hij stukken, die op hemzelf of zijn lotgevallen betrekking hebben, of op het volksleven van verschillende streken. Hij schreef ook verscheiden tooneelwerken. Zij zijn geen eigenlijke drama’s, veeleer gedramatiseerde verhalen te noemen; de karakterteekening laat veel, zeer veel, ja alles, te wenschen over; de vrij eenvoudige handeling vloeit niet uit de karakters der personen voort en wordt alleen iets meer ingewikkeld gemaakt door bijkomende gebeurtenissen, die weinig of niets met de hoofdzaak te maken hebben; maar de wijze van uitwerking is verdienstelijk; zijn stijl is niet gezwollen als die van Marlowe, zijn versbouw is wel minder forsch, doch vloeiend, aangenaam en niet zonder verscheidenheid; de samenspraken zijn natuurlijk en soms verrassend door dichterlijke ongezochte wendingen. Van zijn overgebleven tooneelwerken is “De Geschiedenis van Broeder Baco en Broeder Bungay”,The Honourable History of Friar Bacon and Friar Bungay, wel het meest bekend. De handeling is zeer eenvoudig: een Prins van Wales is op een landmeisje verliefd geraakt en zendt een zijner hovelingen uit om haar te bepraten; de zendeling wordt zelf op haar verliefd en is besloten haar te huwen; de Prins van Wales, schoon aanvankelijk recht verstoord, overwint zijn eigen neiging en vereenigt de gelieven; hijzelf treedt met een prinses, die zijn vader voor hem bestemde, in den echt. Doch gemakkelijk wordt deze uitkomst niet verkregen, tooverkunsten komen er bij te pas; niet alleen de twee in den titel vermelde geestelijke broeders zijn toovenaars, nog meerdere treden er in het stuk op; een paar keer wordt er iemand op den rug van een duivel weggevoerd, en zoo worden er nog andere goocheltoeren uitgehaald, waarvan men wel niet vat, waarom zij vertoond worden, maar die toch zeker den toeschouwer groot genoegen deden. Bovendien, behalve de prins van Wales, verschijnen ook de koning van Engeland en de keizer van Duitschland met het noodige gevolg in alle pracht ten tooneele, wat zeker niet weinig tot het slagen van het stuk heeft bijgedragen. Trouwens, alleen door zulke kunstgrepen kon het boeien, want van karakterteekening is geen spoor te vinden, evenmin van eenig redelijk plan; het geheel is uit tooneelenvan zeer verschillenden aard zoo onzinnig mogelijk aaneengelapt.—Te zamen met zijn vriend Thomas Lodge schreef Greene een stuk, dat bijna aan de oude moraliteiten doet denken, “Een spiegel voor Londen en Engeland”; het heeft ten doel, den Engelschen hun zonden in den spiegel van het verledene te doen aanschouwen. Op walglijke wijze stelt de profeet Hosea het zedenbederf van Ninivé ten toon en richt zich daarna telkens tot de Londenaars met de verklaring, dat zij veel boozer zijn, dan de inwoners van Ninivé ooit waren. Later verschijnt ook, als ter afwisseling, de profeet Jonas, die “uit den buik van den walvisch op het tooneel geworpen wordt” en den ondergang van Ninivé voorspelt, maar zich ten slotte tot de Londenaars richt en hun verzekert, dat zij nog zondiger zijn dan Ninivé en hun stad de zetel is van alle mogelijke ondeugden; hierop volgt de vermaning, dat zij, hoe verstokt ook, eindelijk hun beeld mogen herkennen in den voorgehouden spiegel en boete doen en bekeeren, bedenkende, dat alleen de innige gebeden en de heete tranen hunner koningin de lang verdiende straffe nog vertragen. Hierop volgt dan, zooals men denken kan, een heilbede voor de koningin.
De zoo even genoemdeThomas Lodgewas omstreeks 1556 geboren en behoorde tot een goede familie in Lincolnshire. Hij bezocht omstreeks 1573 de hoogeschool te Oxford, is misschien een poos tooneelspeler geweest, heeft expedities ter zee medegemaakt, is als schrijver opgetreden, heeft zich verder aan de studie gewijd, en is daarna de geneeskunde gaan beoefenen en te Avignon gepromoveerd. Hij verwierf zich in Londen als arts een goeden naam en overleed aldaar in 1626 aan de pest. Voor het tooneel schreef hij, behalve den reeds vermelden, te zamen met Greene geslepen “Spiegel voor Londen en Engeland”, een treurspel: “De wonden van den Burgeroorlog, duidelijk in het licht gesteld door de tragedie van Marius en Sylla”, welk stuk in 1594 uitgegeven werd.—Hier is van hem vooral, en met lof, te noemen het romantisch, met liefelijke gedichtjes doorweven verhaal “Rosalinde, een gulden legaat van Euphues”,Rosalynde: Euphues golden legacie, waaraan Shakespeare zijn merkwaardig meesterstuk “Elk wat wils”,As you like it, ontleende.
Reeds vroeger is in het voorbijgaan vanThomas Nashgewag gemaakt. Deze was omstreeks 1564 geboren en stierf omstreeks 1600. Volgens zijn eigen getuigenis had hij een hard leven, en groote moeite om met zijn pen in zijn onderhoud te voorzien. Waarschijnlijk leefde hij, als zoovelen zijner tijd- en lotgenooten, van de hand in den tand, als hij geld gebeurd had, in weelde en overvloed, als het op was, in gebrek en ellende. Wat hij voor het tooneel schreef, beteekent niet veel en behoeft hier niet besproken te worden. Alleen dit zij vermeld, dat hij, in vereeniging met Marlowe, “Dido, koningin van Carthago”, schreef, een stuk, dat waarschijnlijk van 1590 dagteekent. De stijl heeft over het algemeen zooveel van dien van Marlowe, dat het moeilijk te zeggen is, welk aandeel Nash in dezen arbeid had. Het stuk wordt hier genoemd, omdat er een beschrijving van Priamus’ dood in voorkomt; Shakespeare laat in zijn “Hamlet” door een tooneelspeler ook een beschrijving van Priamus’ val en Hecuba’s wanhoop voordragen, waarin hij kennelijk Marlowe’s stijl nabootst; belangwekkend is het, beide beschrijvingen te vergelijken, en op te merken, hoezeer Shakespeare zijn voorganger overtreft.—Overigens was Nash vooral satyrisch schrijver, en bezat als zoodanig veel naam.
De laatste tooneeldichter, die hier vermeld moet worden, isGeorge Peele. Hij werd waarschijnlijk omstreeks 1558 in Devonshire geboren, was van goede afkomst, studeerde te Oxford en verwierf er in 1579 het Meesterschap in de vrije kunsten. Hij schijnt omstreeks 1580 naar Londen gekomen te zijn en er den overigen tijd van zijn leven doorgebracht te hebben. “Doorgebracht” mag de juiste uitdrukking wel wezen, want naar alle berichten leidde hij er hetzelfde woeste leven als velen zijner gildebroeders, nu in overdaad het geld verspillend, dat een tooneelstuk of gedicht hem opbracht, dan weer armoede en honger lijdend, en niet keurig op de middelen om aan geld te komen. Hij stierf vóór 1598; een boek, in dit jaar uitgegeven, schrijft zijn dood aan zijn losbandige leefwijze toe. George Peele heeft verscheiden kleine stukjes geschreven, die bij feestelijke gelegenheden, b.v. bij het optreden van een nieuwen Lord Mayor of ter eere van een voornamen gast, werden opgevoerd, alsmede gedichten en grootere tooneelwerken. Hij was de taal goed meester en kon bevallig en boeiend schrijven, zoodat Thomas Nash hem in 1587 alsprimus verborum artifier, een eersten beheerscher der taal, roemde. Als zijn beste tooneelwerk wordt zijn “David en Bathseba” geroemd, waarvan de volledige titel is:The love of King David and fair Bethsabe, with the tragedy of Absalon. Het werd in 1599 voor het eerst gedrukt, doch was zeker eenige jaren ouder; het is waarschijnlijk na 1590 geschreven, te oordeelen naar een passage, die aan Spencers Elfenkoningin,Faery Queen, ontleend schijnt te zijn.—Daar hij zich tamelijk getrouw aan het bijbelsch verhaal houdt, is er van een kunstig plan geen sprake; men kan zelfs zeggen, dat hij bij zijn pogingen om het eenvoudig verhaal tot gesprekken uit te werken vaak zeer ongelukkig geweestis,—de ontvangst van Uriël door David, Davids gedrag als hij den dood van Bathseba’s kind verneemt, de wijze, waarop Thamars onteering door haar halven broeder Amnon bijna ten tooneele gebracht wordt, kunnen dit getuigen; men kan bovendien om Davids leed geen ware deernis gevoelen, daar hij den zijnen in schandelijke handelingen is voorgegaan;—maar toch moet erkend worden, dat Peele, hoeverre zijn stuk in tragische werking bij het bijbelverhaal achtersta, bij Davids klachten den rechten toon heeft aangeslagen, en dat taal en stijl in dit stuk over het algemeen vloeiend, levendig, hier en daar beeldrijk zijn, en waar het noodig is, verheffing en kracht bezitten.
Wij hebben in het voorafgaande de beste tooneeldichters van den tijd genoemd, hun voornaamste werken vermeld en, hoe kort ook, beschouwd, en wij hebben bevonden, dat het aan geen hunner gelukt is den echt tragischen toon te treffen, dan aan George Peele in zijn “David en Bathseba” en aan Marlowe in “Edward II”. Men moet hieruit niet afleiden, dat zij in dit opzicht als Shakespeare’s voorgangers en wegbereiders beschouwd moeten worden, want Shakespeare was ongetwijfeld met zijn eerstelingen, “Titus Andronicus” en “Koning Hendrik VI”, reeds opgetreden, eer de genoemde stukken van Marlowe en Peele gespeeld werden, zoodat hij in dit opzicht eer tot hun voorgangers te rekenen is, dan zij tot de zijne. Shakespeare is slechts in zeer beperkten zin een kind van zijn tijd te noemen. Hij heeft van zijn voorgangers veeleer geleerd, wat hij te vermijden, dan wat hij te doen had; hij heeft het goede, dat in hun taal en stijl en versbouw te vinden was, overgenomen, maar hij heeft het geadeld en tot volkomenheid gebracht; in zijn kunst van karakters te scheppen, woorden en daden der personen uit deze te doen voortvloeien, had hij geen voorgangers. Wie zijn blijspelen, zijn historiestukken, zijn tragedies met die zijner voorgangers en tijdgenooten vergelijkt, moet erkennen, dat hij, zelfs reeds in zijn eerstelingen, onder hen optreedt niet als de eerste onder zijns gelijken, maar als dichter eener andere, eener hoogere orde. Bij den glans zijner zon zijn hun sterren verflauwd; zij worden thans slechts door enkele weetgierigen, als het ware met kijkers, gadegeslagen, terwijl zijn luister allen helder in de oogen straalt.