IX.De onweerswolken.Van welk een jeugdige opgeruimdheid, van welk een genot in het leven de tooneelwerken van het vorig tijdperk ook getuigenis mogen afleggen en hoezeer het Shakespeare in de wereld ook voor den wind ging, de blijmoedige stemming hield niet aan, maar werd weldra door een ernstige, ja sombere vervangen. De sonnetten, die in 1609, ongetwijfeld zonder toestemming of medewerking van Shakespeare, het licht zagen en die vermoedelijk grootendeels uit den aanvang van het nu volgend tijdperk van zijn leven, omstreeks 1600, herkomstig zijn, mogen als voldingend bewijs gelden, dat ook stormen zijn gemoed beroerd hebben, dat hij ook teleurstellingen ondervonden heeft, dat er oogenblikken waren, waarin hij zijn stand van tooneelspeler haatte, ja, waarin de ongerechtigheden der wereld hem diep nederdrukten. Wie zich hiervan wil overtuigen, leze b.v. de sonnetten XXIX, CXI en CXII. Het kan zelfs wezen, dat juist de voorspoed, dien hij genoot, en zijn aangroeiende geldmiddelen, die hij wilde bezigen, om een gezeten burger te worden, hem de hebzucht der menschen nader deden kennen; bovendien kunnen de moeite, die hij vaak had om het hem verschuldigde te innen, en de soms voorkomende noodzakelijkheid van gerechtelijke vervolging, hem ontstemd hebben en de wereld van een minder rooskleurige zijde, op een minder blijmoedige wijze, doen beschouwen; het lied van Amiens over den ondank der menschen (“Elk wat wils”, II. 7. 174), mag dit doen vermoeden. De sonnetten spreken ons van veel dieper grievend leed, waarvan zoo dadelijk meer zal gezegd worden. Doch al ware dit uitgebleven, verwonderen kan het ons niet, dat de dichter, iets ouder geworden, op zes-en-dertigjarigen leeftijd zich aan het behandelen van ernstiger onderwerpen wijdde. Had vroeger het schrijven van historiestukken de gezette beoefening van Holinshed’s kroniek van hem geëischt, of omgekeerd deze hem tot het schrijven aangespoord,—in dezen tijd, en misschien reeds veel vroeger, werden de door den ouden Plutarchus geleverde levensbeschrijvingen, die door Thomas North in zeer goed Engelsch vertaald en in 1579 verschenen waren, vlijtig door hem ter hand genomen; de levens van Cæsar en van Brutus leverden hem de bouwstoffen voor zijn “Julius Cæsar”. Dat een schrijver als Plutarchus hem bijzonder aantrok, is gemakkelijk te begrijpen, want deze wijdt bijzondere aandacht aan het karakter der personen. Belangwekkend is het, Plutarchus en Shakespeare te vergelijken. De dichter volgt den ouden geschiedschrijver zeer getrouw; hij ontleent er niet alleen de hoofdzaak, maar ook menigen bijzonderen trek aan. Doch welk een verschil! Bij Plutarchus vindt men een juiste teekening van enkele hoofdfiguren; de omtrekken zijn duidelijk, er zijn kleuren aangebracht, doch hard en scherp; lucht en schaduw ontbreken, en van een kunstvolle groepeering is geen sprake. Men vergelijke nu Shakespeare; men herkent dezelfde figuren, maar zij leven; wij zien ze met al de kleurschakeeringen, met het licht en donker, dat de natuur doet zien,en deze zijn door een onmerkbare kunst zoo geschikt, dat het eene het andere beter doet uitkomen en het geheel inderdaad een geheel is. Plutarchus verhaalt, dat Brutus door zijn toespraak het volk voor een poos tot kalmte wist te brengen, maar dat Antonius, wien hij verlof gegeven had Cæsars testament aan het volk voor te lezen, door het toonen van Cæsars wonden en bloedig gewaad het volk tot woede wist te ontvlammen,—en men zie wat Shakespeare van deze weinige mededeelingen heeft gemaakt. En hoe is, wat Plutarchus van Brutus mededeelt, door Shakespeare tot een schoon geheel verwerkt! Wij zien, hoe Brutus, die van Cæsar weldaden genoten had en hem beminde, doch tevens het verval der oude republiek betreurde, door Cassius en daarna door anderen, er toe gebracht wordt saâm te zweren tot een daad, die tegen zijn natuur strijdt; hoe hij, die door zijn gaven in het oog des volks de ziel der samenzwering was, overeenkomstig zijn natuur het bloedvergieten zooveel mogelijk tracht te beperken en de fout begaat, van na de onmenschelijke daad, die den grooten dictator ten val bracht, uit menschelijkheid Marcus Antonius te sparen, ja dezen toe te staan, tot het volk te spreken; hoe hij, die vertrouwd had op de vermeende rechtvaardigheid zijner zaak en niet gezorgd, dat hij zich in Rome en Italië kon handhaven, in Azië een leger moet samenrapen om de oude legioenen van Cæsar te bestrijden; hoe hij in den krijg, meer wijsgeer dan veldheer, door gebrek aan beleid zijn vriend Cassius ten verderve brengt, den veldslag verliest en ten slotte genoopt is, het voorbeeld van zijn vriend en medebevelhebber te volgen en zichzelf den dood te geven. Wanneer men aldus het karakter en het lot van Brutus nagaat, en opmerkt, hoe hier de samenzwering tegen Julius Caesar in zijn oorsprong, voortgang en afloop volledig voor oogen wordt gesteld, dan zal men erkennen, dat aan de eenheid van handeling in dit stuk niets ontbreekt. Deze eenheid is meermalen miskend, omdat het stuk niet naar Brutus, die van het begin tot het einde de belangrijkste rol er in speelt, maar naar Julius Cæsar genoemd is. Toch heeft de dichter niet ten onrechte den laatstgenoemden titel gekozen, want na Cæsars dood werkt zijn macht nog voort, zooals Brutus zelf, bij het zien van Cassius’ lijk, getuigt.Het stuk moet van 1600 of 1601 dagteekenen, want reeds vóór Drayton, die er in 1603 een uitdrukking aan ontleende, deed Weevers hetzelfde, in zijn “Spiegel van Martelaren”,Mirror of Martyrs, welk gedicht in 1601 verscheen; hij maakt er gewag van, hoe de veelhoofdige menigte door Brutus overtuigd werd, dat Cæsar heerschzuchtig was, maar door Marcus Antonius, die Cæsars deugden roemde, van meening veranderde. Aan Plutarchus kon Weevers dit niet ontleenen1.Op “Julius Cæsar” volgde reeds in 1602 “Hamlet”; want dat dit stuk reeds in Juli van dat jaar bestond, al verscheen er eerst in 1603 een verminkte uitgave van, blijkt uit de registers van den boekhandel; men zie hierover de aanteekeningen op Hamlet. Aldaar vindt men de vraag behandeld, of Shakespeare in zijn eerste ontwerp en bewerking van den Hamlet later al of niet aanzienlijke wijzigingen gebracht heeft; in het eerste geval kan de onvolkomen uitgaaf van 1603 ons zijn eerste ontwerp, de veel betere van 1604 de omwerking doen kennen; in het tweede zijn bij de vertooning afgeluisterde en opgeschreven gedeelten door een ander aaneengelascht en is de tekst van 1604 de eenige en oorspronkelijke, zooals Shakespeare dien uit de handen gaf om gespeeld te worden.Heeft Shakespeare zich in den “Julius Cæsar” getrouw aan de mededeelingen van Plutarchus gehouden, voor den “Hamlet” heeft hij aan een oud verhaal nagenoeg niets anders dan den gang der gebeurtenissen ontleend, doch dezen nog aanzienlijk gewijzigd en de handeling in een geheel anderen tijd verplaatst; de rijke karakterschildering is, zooals men van het geheele onovertroffen meesterstuk kan zeggen, volkomen oorspronkelijk. Merkwaardig is de overeenstemming tusschen Brutus en Hamlet: Brutus heeft een taak op zich genomen, die tegen zijn natuur strijdt en begaat daardoor fouten, die hem te gronde richten; en op Hamlets schouders is een taak gelegd, die hij door zijn natuur niet volbrengen kan. Hamlet is veel somberder; hij verkeert meer in de stemming, die in het zes-en-zestigste sonnet is uitgedrukt. En geen wonder: Brutus hoopt den staat te redden, door een groot man, dien hij vereert, te dooden, en het is hem gegeven te handelen; Hamlet heeft den sluipmoord, op zijn vader begaan, te wreken, en zijn moeder is met den moordenaar gehuwd; Brutus mag zijn zorgen vertrouwen aan zijn edele vrouw, Hamlet vindt geen steun bij het meisje, dat hij bemint; Brutus kan in zijn stervensuur nog juichen, dat hij in zijn geheele leven niemand had aangetroffen, die hem niet trouw was gebleven, Hamlet heeft slechts één vriend, Horatio, wien hij stervend smeekt, een wijl nog met moeite in ’s werelds booze lucht adem te halen; waar hij zulk een leven heeft moeten leiden, moeten wij het sterven voor hem gewin achten.De beide laatstgenoemde tooneelwerken hebben dit nog met elkander gemeen, dat de hoofdpersonen denkers, mannen van studie, zijn en niet dooreen hartstocht, die hen voortdrijft, te gronde gaan. Anders is het bij de stukken, wier beschouwing nu aan de beurt ligt, waarin hartstochten de hoofdpersonen hebben aangegrepen en hen in het verderf storten. Wie ze aandachtig leest en zich tevens in de sonnetten des dichters verdiept, moet tot de overtuiging komen, dat de wereld, waarin hij leefde, zijn verontwaardiging, zijn afschuw zelfs wekte; gebeurtenissen, waarvan hij getuige was geweest, hebben hoogstwaarschijnlijk zijn ziel van wrevel vervuld, en tevens moeten in zijn eigen binnenste stormen hebben geheerscht. De ziel van Shakespeare was vol en eerst nadat hij die had uitgestort in zijn tooneelwerken en sonnetten, heeft zij haar kalmte herwonnen en den vrede gevonden, waarvan zijn laatste geschriften getuigen. De geschiedenis van zijn tijd en zijn sonnetten vergunnen ons een blik te slaan op wat er in hem is omgegaan.Uit de gebeurtenissen van Shakespeare’s tijd behoeft hier alleen het een en ander aangestipt te worden, wat hem ongetwijfeld diep gegriefd heeft. Dat er omgang bestond tusschen tooneelspelers en jonge edellieden, die de vertooningen bijwoonden en op het tooneel hun zitplaats hadden, is reeds vermeld; dat Shakespeare in den graaf van Southampton een begunstiger gevonden had en dat deze de opdracht van zijn Venus en Adonis en zijn Lucretia had aangenomen, is mede reeds gebleken. Men mag vermoeden, dat er tusschen den edelman en den begaafden tooneeldichter inderdaad een vriendschappelijke omgang heeft plaats gevonden, en dat Shakespeare belangrijke geschenken van hem ontvangen heeft. Hoe moet het hem dus gegriefd hebben, dat Koningin Elizabeth, toen Southampton in Augustus 1598 tegen haar verbod in met Elizabeth Vernon, een nicht van Graaf Essex, huwde, den jonggetrouwden man de wittebroodsweken in den Tower liet doorbrengen en hem wel weder vrijliet, maar niet weder in genade aannam. Het werd hem ook niet vergund, hoewel hij zich vroeger bij een zeegevecht zeer onderscheiden en een vijandelijk schip buitgemaakt had, deel uit te maken van den krijgstocht, die onder bevel van Essex in Maart 1599 tot demping van een opstand in Ierland werd ondernomen. Men had van dezen tocht, waarop Shakespeare in den proloog voor het 5de bedrijf van zijn Koning Hendrik VI zinspeelt, veel verwacht, maar de uitkomst beantwoordde geenszins aan de verwachtingen; om den toorn der koningin te bezweren waagde Essex, tegen haar bevel in, in September naar Engeland te komen, verkreeg gehoor, maar werd, schoon aanvankelijk niet ongunstig ontvangen, niet meer in de vroegere genade aangenomen, in Juni 1600 zelfs voor een gerechtshof gebracht en tot gevangenis in zijn huis veroordeeld, totdat het aan de koningin behagen zou hem hiervan te ontslaan. In Augustus herkreeg hij zijn vrijheid, maar de gunst der koningin erlangde hij niet terug, zelfs verloor hij een groot deel zijner inkomsten, daar een monopolie, waarvan hij tot dusverre deze getrokken had, na afloop van den termijn hem niet op nieuw verleend werd. Van zijne vijanden aan het hof het ergste vreezende, besloot hij, om deze te verwijderen, de koningin te overrompelen. De onberaden poging, in de eerste dagen van Februari 1601 beproefd, mislukte geheel; 8 Februari werd hij gevangengenomen, te gelijk met Southampton, die in zijn aanslag had gedeeld. Zij werden 19 Februari voor hun rechters gebracht en beiden ter dood veroordeeld.Essex’ hoofd viel 25 Februari; aan Southampton werd het leven geschonken, maar hij werd tot levenslange gevangenis veroordeeld; in 1603, bij de troonsbeklimming van Elizabeths opvolger, Jacobus I, herkreeg hij de vrijheid. Bij dit rechtsgeding tegen Essex deed Francis Bacon, de groote denker, die tallooze weldaden van den ridderlijken Essex genoten had, zich van een hoogst ongunstige zijde kennen en heeft meer dan iemand tot den rampzaligen afloop van het rechtsgeding bijgedragen. Dit alles moest Shakespeare diep treffen, en daar hij genoeg bekenden aan het hof had en ook onder het volk verkeerde, waren hem ongetwijfeld vele bijzonderheden nauwkeurig ter oore gekomen, die de zwarte ondankbaarheid van Bacon openbaarden en ook de diepe verdorvenheid van het hof, waar vele hovelingen alles hadden ingespannen om Essex ten val te brengen, waar bedrog, leugen, vleierij en huichelarij de middelen waren om vooruit te komen,2waar allen, schoon steeds eerbied en liefde voor Elizabeth huichelend, hun oogen reeds naar Schotland, naar koning Jacobus, richtten en in betrekking tot hem stonden. Evenzoo kende hij ongetwijfeld de schaduwzijden van het karakter van Elizabeth, wier ijdelheid en veinzerij met de jaren waren toegenomen en die nu zijn vriend Southampton tot levenslange hechtenis had veroordeeld; toen zij gestorven was, stemde hij niet in met de treurzangen van zoovele Engelsche dichters en de aansporing van Chettle kon hem geen lied tot haar lof ontlokken3. Hamlets woorden: “hoe laag en troosteloos komt mij al’t woelen van de wereld voor!” zijn zeker uit het diepst van Shakespeare’s ziel gevloeid.Doch er was ongetwijfeld veel meer, dat Shakespeare somber stemde; hij had hoogstwaarschijnlijk zichzelf bittere verwijten te doen. Te midden van het zedenbederf, dat alle standen had aangegrepen, was ook hij, zoo wij de duistere bekentenissen der Sonnetten goed verstaan, niet vlekkeloos gebleven; hij was geboeid geworden door een vrouw van donkere gelaatskleur, vol geest en talenten, waarschijnlijk jong, maar geen onervaren maagd, geen volkomen schoonheid, maar onweerstaanbaar bevallig, waarschijnlijk van veel hoogeren stand dan hijzelf. Dat hij omgang gehad heeft met beschaafde en geestige vrouwen, blijkt uit zijn tooneelwerken. Doch de sonnetten leggen getuigenis af van de macht, die de donkere schoone op hem uitoefende, hoewel hij vermoeden kon of zeker wist, dat zij hem niet trouw was. Tegelijkertijd had een jonkman van edele geboorte, veel jonger dan Shakespeare, zijn omgang gezocht, zich als vriend bij hem aangesloten en hem ongetwijfeld door de een of andere milde gift aan zich verplicht. Shakespeare kreeg den jongeling innig lief, maar weldra gelukte het aan Shakespeare’s donkere geliefde, met wie de jonkman in kennis kwam, diens liefde te winnen. Zoo gevoelde zich Shakespeare bitter gekrenkt, maar hij moest ten slotte aan zijn jeugdigen vriend vergiffenis schenken, want hij kende maar al te goed haar verleidelijke gaven, waardoor zij ook hemzelf, den volwassen en gehuwden man, geboeid had. Hij overwon dien hartstocht; zijn ziel hervond haar kalmte, schoon niet dan na een bitteren tijd van wroeging en berouw4.Zoo werkten hoogstwaarschijnlijk bij Shakespeare het lot van Essex en Southampton, zijn afkeer van den tooneelspelersstand en de verwijten, die hij zichzelf te doen had, samen om hem in de sombere stemming te doen verkeeren, waarvan zijn eerstvolgende tooneelwerken getuigen.Want voorzeker, indien Shakespeare in “Maat voor Maat” een blijspel heeft willen leveren, dan is de poging geheel mislukt. De tijd van “Elk wat wils” en van “Driekoningenavond” is voorbij. Het stuk eindigt wel is waar met een paar huwelijken, doch de stemming is somber, en zelfs de scherts, die er in voorkomt, kan niet tot opgeruimdheid, maar veeleer tot wrevel stemmen. De maatschappij, waarin wij worden binnengeleid, is vol verderf, en de deugd van den man, die haar moet hervormen, bezwijkt bij de eerste verzoeking, bij den eersten aanval van hartstocht; hij tracht het booze, dat hij pas luide veroordeeld heeft, zelf te doen; hij wil het verborgen houden door een tweede misdrijf te plegen, en wel onder den schijn van recht te oefenen; het is alleen een hoogere wil dan de zijne, die alles tot een gelukkig einde voert. Doch al speelt dit stuk ook in een verdorven wereld, al is de hemel bewolkt, zoodat geen zonnestraal het landschap vervroolijkt, als een heilige lichtende engel straalt er het beeld der strenge, deugdrijke en schoone Isabella; en als ten laatste de wolken zich verdeelen en de nevelen wegtrekken, blijkt het, dat ook zij, als een andere Portia, de genade, die verbeteren kan, in plaats van het straffend recht wil laten gelden, zooals ook de bedoeling is van den vorst, die door zijn alomtegenwoordigheid het kwade ten beste heeft weten te keeren. En letten wij nader op den inhoud, dan vinden wij het stuk rijk in schoonheden van den eersten rang; wij bewonderen de diepe gedachten, die wij er in menigte in aantreffen, onder andere de beschouwingen over dood en leven, die ons de bespiegelingen van Hamlet voor den geest roepen. Hoewel er vele bijzonderheden in voorkomen, die aan “Eind goed, al goed” doen denken, is de overeenkomst met de denkwijze en de redeneeringen, die wij in den Hamlet vinden, onmiskenbaar, zoodat men alle reden heeft om te vermoeden, dat “Maat voor Maat” onmiddellijk na den “Hamlet” geschreven is, al wordt dit door geen berichten van buiten af gestaafd5. Het stuk moet dan van 1603 dagteekenen. Shakespeare had lang genoeg in Londen vertoefd, om de verdorvenheid, die in de groote stad heerschte, te leeren kennen; en het jaar was wel geschikt om tot ernst en tot nadenkenover den dood te stemmen, daar Londen door een groote pestilentie bezocht werd, die in één jaar, van 23 December 1602 tot 22 December 1603, niet minder dan 30578 personen ten grave sleepte, terwijl de geheele sterfte 38244 bedroeg.Hoe somber “Maat voor Maat” ook zij, Isabella verdrijft er de nevelen en de wereld, waarin haar licht straalt, is niet te verachten. Veel somberder nog is het tafereel, dat in “Troilus en Cressida” wordt ontrold. Daarin wordt de heldenwereld der Grieken aan verachting ter prooi gegeven; Ajax, Agamemnon, Achilles, Patroclus, Calchas, allen zijn afschuwelijk, de wijsheid van Ulysses is niets dan schrandere wereldwijsheid zonder eenige hoogere wijding, en Thersites, hoe verachtelijk ook voorgesteld, schoon niet meer dan een keffende hond, heeft in den grond gelijk, dat hij allen bij elke gelegenheid beschimpt. De wereld, waarin het stuk ons verplaatst, is, zooals Dowden terecht opmerkt, volgens Hamlets uitdrukking, “een woeste hof, die in het zaad schiet; geil, afschuwlijk onkruid neemt ieder plekje in”. Men moet niet vermoeden, dat Shakespeare met Homerus, van wiens epos hem ongetwijfeld verscheiden gedeelten uit Chapman’s vertaling bekend geweest zijn, in het strijdperk heeft willen treden en zijn gedichten in een bespottelijk daglicht heeft willen stellen, veeleer heeft hij zijn bezwaard gemoed, zijn wrok tegen de wereld bij het schrijven van dit stuk lucht gegeven en in plaats van een blijspel of boeiend tooneelstuk een allerbitterste satire geleverd. De middeleeuwsche verhalen aangaande het beleg van Troje en het gedicht van Chaucer,Troilus en Cressidagetiteld, waren zijn bronnen. Dat Shakespeare zijn gewone onpartijdigheid verloochent, in de Grieksche helden geen goed kon zien en zeer beslist voor de Trojanen partij trekt, behoeft niet al te zeer te verwonderen, als men bedenkt, dat hij, als goed Engelschman, de overlevering aanneemt, die de Engelschen van Hector doet afstammen. Vandaar, dat Hector niet in een open strijd sneuvelt, maar door Achilles op laaghartige wijze overvallen en geveld wordt.—Opmerking verdient het karakter van Cressida, daar deze onder al de vrouwen, die Shakespeare ten tooneele voert, de eenige “coquette” is.—Eindelijk verdient ook dit de aandacht, dat geen enkel zijner stukken zoo rijk is aan spreuken, aan lessen in wereld- en levenswijsheid, die hij over het algemeen bij monde van Ulysses verkondigt. Het is, alsof hij hierdoor wilde vergoeden, dat hij de beroemde Grieksche helden uit den ouden tijd in hun glorie zoo verkleind, hun den stralenkrans van het hoofd gerukt heeft!Dat de “Troilus en Cressida” uit denzelfden tijd dagteekent, waarin “Maat voor Maat” geschreven is en waarschijnlijk onmiddellijk na dit stuk uit zijn pen gevloeid is, valt bijna niet te betwijfelen; de geheele geest van het stuk pleit er voor. Bovendien is het bekend, dat in Februari 1603 de uitgever Roberts zich, door inschrijving in de registers van den boekhandel, het recht tot uitgaaf verzekerd heeft van een tooneelwerk, getiteld “Troilus en Cressida, zooals het gespeeld is door de dienaren van den Lord Kamerheer”, d. i. door het tooneelgezelschap, waartoe Shakespeare behoorde. Hiermede kan Shakespeare’s stuk bedoeld zijn, doch zekerheid bestaat er niet, want de uitgaaf ging niet door, misschien omdat het stuk bij de vertooning, waartoe het weinig of niet geschikt is, geen bijval vond. Eerst in 1609 verscheen er een quarto-editie van Sh.’s stuk; aan de verzekering der voorrede, dat het nieuw en nog nooit vertoond was, behoeft men niet het minste gewicht te hechten; maar er kan waarheid in schuilen. Het stuk van 1603 kan de eerste bewerking geweest zijn, die later herzien is en dan waarschijnlijk vooral in die tooneelen, waarin Ulysses optreedt.Tot dit zelfde tijdperk van zijn leven moeten, naar het mij voorkomt, die gedeelten van “Timon van Athene” gebracht worden, welke van Shakespeare’s hand zijn. Want een groot deel van het stuk is onecht, niet van Shakespeare. Op verschillende wijzen kan men dit verklaren. Het zou kunnen zijn, dat hij in een bestaand stuk slechts enkele deelen nieuw geschreven of omgewerkt heeft, namelijk die, waarin de hoofdpersonen, Timon, zelf optreedt, of dat hij wel een volledig stuk geschreven heeft, maar dat het handschrift te loor ging en er slechts enkele deelen of eenige rollen van overgebleven waren; in dit geval moet dan een ander het stuk ter vertooning gereed hebben gemaakt. Maar ’t kan ook zijn, dat hij, na enkele deelen geschreven en zijn gemoed lucht gegeven te hebben, het stuk onvoltooid liet. Hoe dit zij, uit de echte gedeelten blijkt duidelijk, dat Shakespeare bij het schrijven er van van somberen ernst vervuld was, dat hij de boosheid en ondankbaarheid van het menschelijk geslacht kende en er de fiolen van zijn toorn over wilde uitgieten. En dat hij dit in den “Timon van Athene” ruimschoots gedaan heeft zal niemand ontkennen.Na zulke uitbarstingen van wrevel en toorn, als wij in de laatste stukken bijwonen, moest een geest als die van Shakespeare zijn heerschappij over zichzelf, zijn kalmte herkrijgen. En de omstandigheden waren gewijzigd; aan de boeien der donkere schoone had hij zich lang ontworsteld, bij de troonsbeklimming van Jacobus I was zijn vriend Southampton in vrijheid gesteld; de nieuwe vorst was het tooneel en in het bijzonder het tooneelgezelschap, waartoe Shakespearebehoorde, gunstig gezind. Hoe ernstig de stemming ook wezen mocht, die Shakespeare bezielde, hij beheerschte zichzelf weder volkomen en schreef van 1604 tot 1606 drie treurspelen, die tot de grootste meesterwerken behooren, welke ooit door eenig dichter geschapen zijn: “Othello”, “Macbeth”, “Koning Lear”.Wie de novelle van Cinthio, waaruit Shakespeare den inhoud voor zijn “Othello” geput heeft, naleest, vindt niets dan een verhaal, dat onder de tafereelen uit de lijfstraffelijke rechtspleging te huis behoort en zeker zonder Shakespeare’s meesterstuk lang vergeten zou zijn6. En toch, welke personen, welke karakters schept de dichter! Othello, niettegenstaande zijn kleur wegens zijn verdiensten tot krijgsbevelhebber benoemd, edel en gematigd, is echtgenoot van een jeugdige schoone vrouw, die schuchter is, stil en zacht, de reinste onschuld, en wier argeloosheid haar later ten verderve strekt; hij wordt, hoe gewoon ook zichzelf te beheerschen, door een schurk, die den schijn van rechtschapenheid en welwillendheid weet aan te nemen, en een groote mate van practische wereldwijsheid bezit, tot jaloerschheid,—oorspronkelijk geheel vreemd aan zijn edele ziel,—tot razernij vervoerd, zoodat hij zijn schuldelooze vrouw wegens haar vermeende ontrouw om het leven brengt! En met welk een zorg is Jago geteekend, die wegens zijn verdiensten als soldaat en zijn geslepenheid, waarop hij trotsch is, niet aan Othello vergeven kan, dat hij niet de eerste plaats naast dezen inneemt, en die met weergâlooze list zijn bevelhebber weet te verstrikken! In de novelle koestert Jago een hartstocht voor Desdemona en tracht tevergeefs de gunst der kuische vrouw te verwerven, zoodat de spijt over het mislukken zijner pogingen hem een prikkel is tot zijn handelwijze. Shakespeare heeft deze beweegreden niet overgenomen; Jago’s wrok over vermeende miskenning is de voornaamste drijfveer, waarbij nog zijn lust komt in berekenende boosheid, welke hij meer dan eens in zijn alleenspraken aan den dag legt. Bij al zijn slimheid wordt toch op eens zijn schurkerij ontmaskerd, en dit doet hem een oogenblik zijn zelfbeheersching vergeten, zoodat hij zijn vrouw doorsteekt.—Diep weemoedig is de indruk, dien het treurspel bij ons achterlaat door den ondergang van twee zoo edele wezens, als de trouwhartige Othello en de schuldelooze Desdemona.Niet minder somber is de stemming, die in den “Macbeth” heerscht; in geen van Shakespeare’s werken komt het woord “bloed” zoo dikwijls voor. Doch hoe schrikkelijk dit stuk ook zij, onweerstaanbaar worden wij van het begin tot het einde geboeid, en wij wagen eerst dan weder adem te halen, wanneer na den val van den tyran en den dood zijner onzalige vrouw een betere toekomst voor het rampspoedig Schotland gaat aanbreken. De dichter houdt ons zoo bezig, laat alles zoo goed ineengrijpen, dat wij zelfs geen oogenblik nadenken over den duur van Macbeth’s regeering, die volgens de kroniek zeventien jaren omvat heeft. En alles in het stuk is in overeenstemming met het onderwerp. De forsche gestalten van de helden Macbeth Banquo, die zoo juist in een heftigen strijd onder storm en onweêr een roemvolle overwinning hebben behaald, behooren te huis in het woeste, rotsachtige landschap, waarin de heksen uit nevelen te voorschijn treden, en Macbeth tot het booze verlokken, zonder dat echter de vrijheid van zijn wil aan banden gelegd is; hij blijft dus verantwoordelijk voor de schuld, die hij op zich gaat laden. De kiem van het kwade, die in hem sluimerde, wordt tot leven gewekt, en de eerzucht zijner vrouw weet de zijne zoo te prikkelen, dat zijn betere natuur bezwijkt en hij moordenaar wordt van zijn koning, van de goedheid zelf, die bij een helderen hemel hem op zijn schoon kasteel komt bezoeken. Doch de hemel wordt weldra zwaar bewolkt; in een stormachtige nacht wordt de gruweldaad gepleegd, en terstond daarna begint reeds de straf, door de ontzetting, die zich van Macbeth meester maakt. Moge zijn vrouw hem moed inspreken en met de folteringen van zijn geweten spotten,—dat ook haar kracht te kort kan schieten, blijkt reeds kort na den moord; op het gastmaal behoeft zij reeds de opwekking van haar man om opgeruimd te zijn; eerst als deze bij het zien van Banquo’s geest geheel ontdaan is, hervindt zij de kracht, die de omstandigheden van haar eischen. Doch het bewustzijn, dat zij niet alleen den moord heeft doen plegen, maar dat ook de heldennatuur van haar man door haar ten val gebracht is, werkt in haar voort en doet in den slaap, als zij geen weerstand vermag te bieden, haar kracht ten gronde gaan. Macbeth zelf, hoe zeer het gevoel zijner misdaad zijn gemoed geschokt hebbe en zijn kracht gebroken, tracht door manhaftigheid zich tegen de gevolgen te verzetten; hij ontziet, om zich staande te houden de ergste middelen niet; hij waadt door bloed, en roept zelfs den bijstand der heksen in, dien hij het volgend oogenblik als nietig erkent; dochhij verwijt zijn vrouw geen oogenblik, dat zij hem tot de onheilvolle daad heeft aangezet, en neemt manmoedig de gevolgen er van op zich; hij valt, schoon tot vertwijfeling gebracht, als held in den strijd. Gelukkig, dat, nu zijn verduisterde zon ondergaat, zich een nieuwe veelbelovende dageraad aan de kim vertoont.Evenzeer als “Othello”, als “Macbeth”, ja, in nog hoogere mate is “Koning Lear” een onvergelijkelijk meesterstuk te noemen. Het overtreft in sombere verhevenheid alles wat ooit de dramatische dichtkunst voortgebracht heeft. Doch schrikkelijk is het; men rilt, als de rampzalige, door zijn ontaarde, beweldadigde dochters uitgestooten grijsaard op de heide in storm en onweer rondwaart, als zijn gehuil met dat van de winden wedijvert, als de reeds lang sluimerende waanzin eindelijk uitbreekt, als hij, voor een oogenblik in een armelijke stulp tegen het weder beschermd, daar samen is met den geveinsd waanzinnigen Tom en den trouwen nar, die hem bittere waarheden verkondigd heeft; als hij, door de trouwe zorgen van zijn liefhebbende Cordelia van zijn waanzin hersteld en met haar gevangengenomen, zijn eenig getrouw kind dood in de armen houdt, zijn aandoenlijke klacht uitstort en bezwijkt!—En met die treffende geschiedenis is een tweede samengeweven, niet minder schokkend en roerend, een overeenkomstige geschiedenis van een vader, die zijn besten zoon miskend heeft en door den anderen, den begunstigden, met den zwartsten ondank beloond wordt, en die in zijn diep rampzaligen toestand door den verstooten zoon, zelf een toonbeeld van ellende, verpleegd wordt! En deze twee geschiedenissen zijn zoo innig verwant, dat de eene volstrekt geen herhaling schijnt van de andere, maar beide elkanders werking verhoogen en tot een innige eenheid zijn saamgevloeid!Van “Pericles, vorst van Tyrus” behoeft hier slechts kort gesproken te worden. Omtrent dit stuk, dat door de uitgevers der folio-editie niet als echt erkend, ten minste niet in hun uitgave opgenomen werd, is in de aanteekeningen met mededeeling der gronden gezegd, dat het niet van Shakespeare is, maar dat hij er, in de tweede helft, eenige tooneelen van gewijzigd of ook geheel nieuw geschreven heeft. Het belang van het tooneelgezelschap, waar hij aan verbonden was, bracht dit zeker mede, en wellicht heeft hij meermalen zulk een arbeid verricht. Ditmaal trok ongetwijfeld de figuur van Marina hem aan, en heeft hem het stuk doen verrijken met eenige heerlijke tooneelen, die uit den tijd der volle rijpheid van zijn talent dagteekenen. Hij schreef deze kort vóór of in 1608. Zijn medewerking aan dit stuk, de aard der tooneelen, die van zijn hand zijn, en vooral het scheppen van zulk een liefelijk wezen als Marina, mogen ons ook om een andere reden belang inboezemen. Zij geven ons reden om te vermoeden, dat de ernstige, ja sombere stemming, die, na den “Hamlet”, zijn drie groote treurspelen: “Othello”, “Macbeth”, “Koning Lear” in het leven riep, voor een kalmere, meer opgeruimde geweken was, dat hij het leven met een meer toegevenden, met een zachteren blik gadesloeg.Dit kan ons ook duidelijk worden, als wij op zijn “Antonius en Cleopatra” de aandacht vestigen, welk stuk in 1607 of 1608, misschien vóór Pericles, moet geschreven zijn. Het is hier de plaats niet om aan te wijzen, hoe nauwkeurig Shakespeare zijn bron, Plutarchus, gevolgd heeft; hoe hij de overrijke stof, waarover in de Aanteekeningen uitvoerig gehandeld is, in een beperkt bestek heeft weten saam te dringen; hoe hij, zelfs te midden van vele gebeurtenissen, zoo groot en zoo verscheiden, dat zij het overzicht bemoeilijken en men wenschen zou er minder van overstelpt te worden, zorg gedragen heeft de verschillende karakters juist en scherp te teekenen en de handelingen der personen uit hun karakter te doen voortspruiten. Evenmin kan hier gewezen worden op de groote dichterlijke schoonheden van het wondervolle stuk. Wat hier wel opgemerkt moge worden, is, dat het fel bewogen gemoed des dichters, dat zich uit in “Othello”, in “Koning Lear”, in “Macbeth”, dat kreten van wanhoop slaakt in “Timon van Athene”, bij het schrijven van zijn “Antonius en Cleopatra” tot kalmte gekomen is. Wij zien deze beiden aan den hevigsten hartstocht ten prooi, wij zien hen bezwijken voor de slagen van het lot, die het onafwendbaar gevolg zijn hunner handelingen; de dichter heeft ons hun feilen niet verzwegen, doch geen woord van verwijt komt over zijn lippen; het is, als stond hij naast ons, wanneer de heldhaftige Antonius, die tot het uiterste gestreden heeft en het sterven zijner geliefde vernemen moest, zich den dood geeft, wanneer Cleopatra, in vorstelijk praalgewaad; de grimmige adders aan de borst legt om haar koninklijke eer te redden, schande te ontgaan en naar haar Antonius te ijlen; het is ons, als drukte zijn blik, bij het aanschouwen zijner eigen schepping, diepen weemoed uit, dat deze heerlijke wezens zich aan den ondergang hebben gewijd.Tot dit tijdperk van des dichters leven moet ook nog zijn “Coriolanus” gebracht worden, een wonderschoone schepping, ongetwijfeld omstreeks 1609 tot stand gebracht. Evenals bij de twee andere Romeinsche stukken, was ook hier Plutarchus zijn trouwe gids. Hier verbijstert ons geen veelheid van gebeurtenissen, maar de eenheid van handeling is voortreffelijk bewaard; hier vinden wij als achtergrond den strijd tusschende Patriciërs en Plebejers, waartegen de heldenfiguur van Coriolanus schitterend uitkomt, een karakter, dat door zijn waarheid en waarachtigheid boeit maar door zijn mateloozen trots ten slotte tot verloochening van zijn vaderland gebracht en in het verderf gestort wordt. De geheele opvatting en fijne uitwerking maken den “Coriolanus” tot een van de grootste meesterstukken der dramatische literatuur.Dat in “Coriolanus” zijn fiere moeder Volumnia en zijn zachte echtgenoote Virgilia bijzondere aandacht verdienen, zij hier slechts even aangestipt, doch moge ons aanleiding geven om het tal van vrouwenfiguren, die Shakespeare in de tot dusverre besproken stukken ten tooneele bracht, nogmaals te overzien; want ook dit kan ons een blik doen slaan op zijn levensbeschouwing en op de verandering, die deze in den loop der jaren ondergaan heeft. In de eerste historiestukken zijner jeugd treden vrouwen op, in wie de eerzucht alle zachtere gemoedsaandoeningen gedood heeft, zooals de hertogin van Gloster en koningin Margaretha, en later in “Koning Jan” de koningin Eleanor, of anderen, bij wie angst en hartgrievende kommer hartstocht en behoefte aan wraak hebben gewekt, zooals bij Constance in laatstgenoemd stuk. In de vroegere blijspelen ontbreekt bij de vrouwen het diep gevoel en de hartstochtelijke liefde niet, waarvan Julia in de “Twee Edellieden van Verona”, als voorbeeld moge strekken; en hoe Shakespeare de innigste liefde weet terug te geven, moge Romeo’s Julia getuigen. Maar kenmerkend zijn voor de meeste vrouwen uit de blijspelen van het eerste en tweede tijdperk de frissche levenslust, de geestigheid en gevatheid, de stoutmoedigheid, waarmede zij aan haar hartstocht of aan haar eens opgevat plan gehoor geven en recht op het doel afgaan. Hierbij valt op te merken, dat de karakters langzamerhand fijner en voortreffelijker geteekend worden: men vergelijke Rosaline uit “Veel Gemin, geen Gewin”, met Beatrice uit “Veel leven om niets”, met Rosalinde uit “Elk wat wils”, en met Viola uit “Driekoningenavond”. Merkwaardig is ook, dat Shakespeare de meisjes met echt vrouwelijk en liefhebbend karakter gaarne in mansgewaad dost, zooals Julia uit de “Twee Edellieden van Verona”, de bekoorlijke Jessica en de rechtsprekende Portia, de schalksche Rosalinde en de zachte, in al haar doen vrouwelijke Viola; de tegenstrijdigheid van gewaad en karakter verhoogt het genot, dat de verkleeding aanbiedt, terwijl Helena, die met waarlijk manlijken geest en moed haar doel nastreeft, terecht haar vrouwelijk gewaad behoudt.Kunnen wij uit deze breede schaar van vrouwen opmaken, welke karaktertrekken en eigenschappen door Shakespeare in den ochtend en voormiddag van zijn leven geacht werden aan de vrouw de hoogste bekoorlijkheid en lieflijkheid te verleenen, dan slaan wij ook gaarne de vrouwen gade, in lateren tijd, toen hij den middag des levens bereikt had, door hem met meesterhand geteekend. Op de vrouwen, wier karakter geheel door den aard van het stuk gevorderd en bepaald wordt, zooals Cleopatra en de behaagzieke wufte Cressida, Lady Macbeth en de monsters Goneril en Regan, hebben wij hier natuurlijk niet te letten. Wij vestigen veeleer het oog op Portia, de kloeke en toch met echt vrouwelijke teederheid liefhebbende echtgenoote van Brutus, op de engelreine Isabella, op de ongelukkige, liefelijke Ophelia, op Desdemona, Cordelia, Marina, Virgilia, en wij erkennen, dat aan Shakespeare in dezen tijd een ander ideaal van vrouwelijke volkomenheid moet voorgezweefd hebben dan vroeger. “Haar stem was altijd zacht, lieflijk zacht,—een heerlijk ding bij vrouwen,” getuigt Lear van zijn Cordelia.Het einde van dit levenstijdperk, waarin Shakespeare zijn groote treurspelen schiep, mogen wij, zooals boven reeds aangeduid is, met groote waarschijnlijkheid in 1609 stellen. Hij maakte toen ongetwijfeld nog steeds deel uit van het tooneelgezelschap, waartoe hij sinds jaren behoorde. Wel kunnen wij uit enkele sonnetten opmaken, dat het tooneelspelersleven hem sedert lang tegen de borst stiet; maar wij moeten toch onderstellen, dat hij nog geruimen tijd aan het tooneel verbonden bleef, al trad hij, wegens zijn bezigheden als schrijver, misschien niet vaak of niet in groote rollen op. De talrijke, door hem tot 1609 geleverde werken, die alle een grondige kennis van het tooneel tot grondslag hebben, verbieden aan te nemen, dat hij ze ergens anders dan in Londen en aan het tooneel verbonden, geschreven heeft; en hij heeft ongetwijfeld ook door zijn tegenwoordigheid gezorgd, dat zij op waardige wijze werden opgevoerd. Wel was hij blijkbaar van plan zich later te Stratford te vestigen en de aankoop aldaar van het huis,New Placegeheeten, in 1597 bewijst dit ten volle, maar ter verwerving van de noodige middelen, om als gezeten burger onbezorgd te kunnen leven, zal hij nog wel verscheiden jaren na dien tijd noodig hebben gehad. Dat hij steeds in geldelijk opzicht vooruitging, blijkt: in 1602 kocht hij landerijen nabij Oud-Stratford, in hetzelfde jaar een boerderij, niet verre van zijn huis gelegen, en nog een ander huis en erve, in 1605 een aandeel in het tiendrecht, dat hem vrij wat opbracht. Doch het is noodeloos al zijn aankoopen, voor zooverre ze bekend zijn, te volgen; genoeg zij het, hier te zeggen, dat hij,toen hij zich te Stratford vestigde, tot de zeer gegoede burgers mocht gerekend worden. Vooralsnog was hij te Londen en een neef van hem, Thomas Greene,the Town-clerk, woonde in 1609 in New Place. Hoogstwaarschijnlijk verhuisde hij niet vóór 1613, toen hij zijn laatste stuk, “de Storm”, geschreven had, naar zijn geboorteplaats.Merkwaardig is het, dat Shakespeare, te midden van al zijn bezigheden, terwijl hij dichterlijke meesterwerken schreef, die nog na eeuwen de wereld in verrukking brengen, steeds behoorlijk zijn zaken in het oog gehouden en zelfs goed op de kleintjes gepast had. Zoo vindt men opgegeven, dat hij in 1604 iemand gerechtelijk vervolgde wegens een schuld van even ƒ 21.— (naar tegenwoordige geldswaarde zeker wel ƒ 100.—), in 1608 een anderen schuldenaar, wegens 6 pond sterling, en, toen zijn vordering hem na eenige maanden werd toegewezen, doch de schuldenaar niet te vinden was, den borg er voor aansprak.Shakespeare’s ouders waren nog getuigen geweest van den steeds wassenden roem huns zoons. Zijn vader stierf in September 1601 en werd in Stratford begraven. Op 7 Juni 1607 huwde zijn oudste dochter, Susanna, toen 24 jaar oud, met Dr. John Hall, een zeer geacht geneesheer in Stratford, die een uitgebreide praktijk had; in hetzelfde jaar, in December, stierf zijn jongste broeder Edmond, tooneelspeler, in Londen, en werd er op een kerkhof in de nabijheid van het Globus-theater begraven. In Februari 1608 werd Shakespeare’s eerste kleinkind, Elizabeth, geboren, dat 21Febr.gedoopt werd; het bleef het eenigst kind der ouders, en het eenig kleinkind, dat de dichter gezien heeft. In September van hetzelfde jaar stierf zijn moeder en werd te Stratford begraven. Had zijn vader er zich reeds in kunnen verheugen, dat de voorspoed van zijn oudsten zoon den naam van Shakespeare in Stratford weder in eere bracht, veel meer genot heeft zijn moeder kunnen smaken door zijn steeds toenemende welvaart en immer wassenden roem.1The many-headed multitude were drawnBy Brutus’ speech, that Cæsar was ambitious:When eloquent Mark Antony had shownHis virtues, who but Brutus was then vicious?2Cog, lie, flatter and face,Four ways in Court to win men grace,waren de woorden van Roger Asham.3Voor de verheerlijking van Elizabeth in het laatste bedrijf van “Koning Hendrik VIII” is Shakespeare niet aansprakelijk.4Van alle gissingen omtrent de personen, die in de Sonnetten bedoeld zijn, is die van Tyler en Harrison, welke ook door George Brandes wordt aangenomen, de waarschijnlijkste: de zwarte schoone zou Mrs. Mary Fitton geweest zijn, een begunstigde hofdame van Elizabeth, de schoone jongeling William Herbert, in 1580 geboren, later graaf van Pembroke, dezelfde, aan wien door Heminge en Condell, de eerste uitgaaf van Shakespeare’s verzamelde tooneelwerken in 1623 werd opgedragen.5In de aanteekeningen wordt vermeld, dat het stuk in December 1604 in het paleis des konings gespeeld is; doch de lijst der tooneelvertooningen ten hove, waaruit dit bericht ontleend is, wordt voor onbetrouwbaar gehouden.—Voor het overige raadplege men de Aanteekeningen, waar men opgegeven vindt, uit welke bronnen Shakespeare de stof voor zijn stuk geput heeft, en hoe hij deze vervormd en veredeld heeft.6De namen vanOthelloenJagokomen in de novelle niet voor; zij worden aangetroffen in een Engelsch verhaal,God’s Revenge against Adultery, “Gods wrake over echtbreuk”, en zijn dus waarschijnlijk hieruit ontleend. Dit verhaal heeft overigens niets met Shakespeare’s Othello en evenmin met Cinthio’s novelle te maken.X.De heldere hemel.De hemel was voor den dichter weder helder geworden; het onweder had uitgewoed; de stormen, die zijn gemoed bewogen hadden, waren bedaard. De werken, die hij na de laatstgenoemde meesterstukken geschreven heeft, leggen alle zoowel van zijn gelukkige stemming, die door de schepping van Marina in het tooneeldicht Pericles reeds was aangekondigd, als van zijn onverzwakt dichtvermogen getuigenis af.Het “Winteravondsprookje”,The Winter’s Tale, heeft Shakespeare blijkbaar geschreven tot genoegen van zichzelf en tot vermaak van anderen. Hij legt een verhaal van Robert Greene, van 1588, “Pandosto of de triumf van den Tijd”, ook onder den titel “Dorastus en Faunia” uitgegeven, er ten grondslag aan, en brengt ons in een fantastische wereld, waar de eenvoudigste begrippen van waarschijnlijkheid even onbekend zijn als die der aardrijkskunde, waarin oudheid, middeleeuwen en nieuwere tijd, christendom en heidendom, dooreengemengd zijn, waarin een dochter van den keizer van Rusland bezwijmt bij het vernemen van een orakel, dat van het eiland Delphos wordt aangebracht, en waarin de hulp van den schilder Julio Romano (den leerling van Rafael Sanzio) wordt ingeroepen om een standbeeld te beitelen. Een vaartuig landt op de kust van Boheme; een edelman legt daar een kind te vondeling; hij wordt onmiddellijk daarna door een beer verslonden en het geheele schip vergaat met man en muis, want er mag niemand overblijven om iets van het gebeurde te vertellen; de vondeling groeit onder gewone herders op en is toch na zestien jaar niet alleen tot een allerbekoorlijkste jonkvrouw opgegroeid, maar bezit dan tevens de fijnste beschaving, zoodat zij alleszins waardig is om met een koningszoon te trouwen; een door haar gemaal gruwelijk miskende koningin bezwijmt voor onze oogen, en wij vernemen, dat zij gestorven is; maar na zestien jaren blijkt, dat zij bijgekomen is en al dien tijd op een landgoed verborgen is gebleven; wij zien haar weer als een standbeeld, dat levend wordt, den treurenden, berouwvollen echtgenoot de hand reikt en hem weder gelukkig maakt. En dit alles volgt snel op elkander; het eene tafereel wisselt met het ander af, en evenzoo de stemming; de ijverzucht des konings is zoo ongegrond, zoo ongerijmd mogelijk,—trouwens, wat ons vertoond wordt, is een sprookje,—maar de toestanden, die er uit voortvloeien, zijn echt tragisch en de eerste drie bedrijven maken een treffend treurspel uit; doch het slot van het derde bedrijf bereidt erons op voor, dat een vroolijker gedeelte volgt. Zoo verplaatst ons dan het vierde bedrijf, dat zestien jaar later speelt, op een herdersfeest, waarin met het herdersvolkje de bekoorlijke vondelinge, een koningszoon, een koning met een getrouwen hoveling, en een vermakelijke schavuit, die landlooper en beurzensnijder is, optreden; de laatste draagt den naam van een zoon van Mercurius, den god der dieven, en vent als marskramer gedrukte liedjes uit, zooals dit in Shakespeare’s tijd gebruikelijk was. De hoofdpersonen van dit herdersstuk, dat een ernstige wending dreigt te nemen, gaan scheep op de kust van Boheme en landen op Sicilië, waar op het alleronverwachtst, als in een sprookje,—Shakespeare wijst er meer dan eens op, dat zijn stuk een sprookje ten tooneele brengt,—de vondeling als koningsdochter erkend wordt, en haar doodgewaande moeder, die evenzoo verrassend nog in leven blijkt te zijn, haar man en haar kind aan het hart mag drukken.Voorwaar, een stuk, dat ten duidelijkste aantoont, hoe jeugdig het gemoed en de geest des dichters gebleven zijn; hij schept genot in het verhaal van Greene, dat hij niet nalaat te veredelen en van een blij einde te voorzien,—want bij Greene sterft de koningin werkelijk en wordt de koning later verliefd op zijn eigen kind, doch steekt zich, als hij haar als zoodanig herkent, uit wanhoop dood;—hij weet alle personen met geest en leven te bezielen; hij laat in het herdersspel aan de vroolijkheid den vollen loop en doet er een Autolycus optreden, die de blijgeestigheid zelf is en veeleer de schepping van een jong en jolig dichter schijnt te zijn, dan van een man, die de stormen des levens zegevierend heeft doorstaan; zijn rijke verbeelding weet een eindtooneel voort te brengen, zoo tooverachtig schoon als er ooit een is uitgedacht; in Perdita en Florizel een jeugdig paar in het leven te roepen, zoo onschuldig, zoo bekoorlijk, zoo liefelijk en zoo innig verliefd, als ooit eenig dichter geschilderd heeft; een koningin als Hermione te doen stralen in al de schoonheid der jeugd, haar geestig en schalks te doen kouten met den vriend van haar echtgenoot en bij de wreedste en onrechtvaardigste verdenking met al den adel van een rein gemoed en de waardigheid eener vorstin haar onschuld te doen bepleiten, en haar later zonder eenig verwijt, zonder eenige bitterheid, de hand te doen reiken aan den echtgenoot, die haar zoo onrechtvaardig vervolgd, doch zijn schuld door jaren van berouw geboet heeft. Nog op verscheiden andere karakters, op Paulina, op Camillo, op den ouden herder zou kunnen gewezen worden, doch het gezegde moge genoeg zijn om te doen zien, in welk een gelukkige gesteldheid des gemoeds, met welk een levendigen en toch tot volle rijpheid gekomen geest, de dichter dit stuk geschreven heeft.Evenals het “Winteravondsprookje” dagteekent “Cymbeline” van 1610 of 1611, dus uit het laatste tijdperk van ’s dichters werkzaamheid. De geheele wijze van behandeling niet alleen, maar ook de stijl en de versbouw toonen dit voor beide stukken allerduidelijkst aan, en het wordt ook door uitwendige getuigenissen bevestigd. Evenals het vorige stuk is Cymbeline rijk aan verscheidenheid; trouwens, zeer ongelijksoortige bestanddeelen zijn hier tot één geheel vereenigd. Het hoofddenkbeeld is aan een vertelling van Boccaccio ontleend, doch de belasterde onschuld, bij Boccaccio de vrouw van een koopman, is hier de dochter van een koning geworden, en wel van een der Britsche koningen, die vóór Christus’ geboorte in Engeland heerschten en door Holinshed vermeld worden. Zoo heeft de dichter de lotgevallen van Imogeen saamgeweven met een oorlog tusschen de Britten en Romeinen. Een ander deel is geheel zijn eigen vinding, namelijk de gebeurtenissen aan het hof, waartoe hij de valsche koningin en haar zoon Cloten in het leven riep; evenzoo heeft hij de lotgevallen der koningszonen uitgedacht, want Holinshed’s kroniek vermeldt alleen hun namen en zegt overigens niets meer, dan dat de oudste zijn vader is opgevolgd; van Belarius of Morgan is daar geen sprake. Door de vereeniging van zoo ongelijksoortige bestanddeelen is een zeer ingewikkeld geheel ontstaan, waarvan de deelen geenszins alle innig en volkomen zijn saamgesmolten, gelijk in “Koning Lear” wel het geval is; een deel is echt dramatisch en in den toon van een treurspel, zooals de verbanning van Posthumus, zijn afscheid van Imogeen, zijn miskenning van haar trouw, haar tocht met Pisanio; een ander deel is meer lyrisch, zooals haar verblijf bij Belarius en de geroofde koningszoons, haar nog onbekende broeders; een ander deel weder is meer episch, zooals de beschrijving van den strijd tusschen de Britten en Romeinen. De groote verwikkeling maakt ook het slottooneel wat al te rijk aan ontknoopingen en verrassingen. Doch wat men nog meer moge gispen, zooals het optreden van Italianen van den lateren tijd onder de Romeinen; of men ook opmerke, dat door de groote samengesteldheid van het geheel de personen, die boven allen belang inboezemen, ons somwijlen te lang van het tooneel afwezig blijven; of men ook betreure, dat door de groote verscheidenheid de eenheid van het drama geleden heeft; niemand zal de hooge dichterlijke waarde zoowel van het geheel als van al zijn deelen miskennen; wil men Cymbeline ook al geen voortreffelijk drama noemen, niemand zal aarzelenhet een voortreffelijk dramatisch dichtstuk te heeten. Men lette eens op de uitstekende karakterteekening, op de treffende toestanden, op de heerlijke tooneelen,—waaronder die in de grot in de eerste plaats te tellen zijn,—en men is verzoend met wat men gebreken zou willen noemen.Bovendien, er is inderdaad eenheid in het stuk; zij wordt teweeggebracht en gewaarborgd door Imogeen, een der schoonste vrouwenkarakters, die Shakespeare, ja, die eenig dichter geschapen heeft, zoo niet het schoonste van alle. Zij vereenigt in zich de onschuld van Desdemona, de liefde van Julia, den zielenadel van Cordelia, de vorstelijke waardigheid van Hermione; haar reinheid en deugd weerstaan alle beproevingen; hoe zij ook, als de liefde van haar man haar ontvallen is, den dood moge wenschen en dien gaarne lijden wil, zij denkt er niet aan, zich dien zelf te geven, maar heeft den moed, vermomd een gewaagden tocht te ondernemen ten einde in de nabijheid van haar echtgenoot te komen; haar standvastigheid in alle gevaren voert haar tot het gewenschte doel; en als zij dan eindelijk met haar Posthumus vereenigd is, komt geen enkele klacht over de doorgestane ellende, geen enkel verwijt wegens onrecht of miskenning over haar lippen; haar vergevensgezindheid, haar zachtheid, haar lieftalligheid maken, met haar schoonheid en onschuld, haar liefde en trouw, haar geest en moed, haar tot een beeld van volkomenheid en wij mogen den dichter dankbaar zijn, dat hij ons aan het eind zijner loopbaan, zulk een ideaal der vrouw geteekend heeft. Zij staat ons, als wij haar eens aanschouwd hebben, altijd door voor den geest; en door haar is het, dat al de verschillende tooneelen, zoowel die aan het hof, als die in de grot, zoowel die in Rome, als die bij het Romeinsche leger, zoowel die op het slagveld, als die in den kerker, inderdaad innig samenhangen en een schoon geheel uitmaken.Tot dezen zelfden tijd en wel tot het einde van 1612 en het begin van 1613 is te brengen het stuk, dat in de gezamenlijke uitgave van Shakespeare’s tooneelwerken (1623) als het tiende of laatste der historiespelen is opgenomen, Koning Hendrik VIII. Het draagt in het Engelsch den titel:The Famous History of the Life of King Henry the Eighten stelt belangrijke tafereelen uit het leven van genoemden vorst voor oogen; het behandelt het bestuur en den val van den eerst alvermogenden kardinaal Wolsey, de echtscheiding des konings, zijn huwelijk met Anna Boleyn, de lagen, aan den aartsbisschop Cranmer door zijn vijanden gelegd, en de verijdeling van dien toeleg door den koning, het sterven van de gescheiden koningin Catharina van Arragon en de geboorte van Elizabeth; kortom, het is een reeks van dramatische tafereelen, die veeleer in kunstmatig verband gebracht zijn, dan tot een goed geheel vereenigd. Zoo kan men b.v. zeggen, dat de lotgevallen van den aartsbisschop Cranmer alleen ter sprake gebracht zijn met de bedoeling van hemzelf te doen optreden en alzoo door een beroemd persoon de heilrijke regeering van koningin Elizabeth en haar opvolger, koning Jacobus I, te doen voorspellen. Dit stempelt het stuk tot een gelegenheidsstuk en eveneens wordt dit aangewezen door den luister, waarmede de kroningsoptocht plaats grijpt.Van den tijd, waarop dit stuk, en wel als een nieuw stuk, gespeeld werd, zijn wij nauwkeurig onderricht; want op den 29stenJuni 1613, toen het in het Globus-theater gegeven werd, geraakte het gebouw door de saluutschoten, die er in gelost werden en die het rieten dak aanstaken, in brand en lag in korten tijd in de asch. Wanneer wij dit in aanmerking nemen, valt er wel niet aan te twijfelen, of het stuk is geschreven voor de feesten ter gelegenheid van het huwelijk van ’s konings dochter prinses Elizabeth, dat in Februari 1613 voltrokken werd.Reeds sinds lang was op de ongelijkheid van de verschillende deelen van het stuk gewezen, op de bijzonderheid, dat slechts enkele tooneelen, met name die, waarin koningin Catharina optreedt, belangstelling wekken, op den uiterst gebrekkigen bouw van het stuk; maar de omstandigheid, dat Heminge en Condell, de veeljarige metgezellen en vakgenooten van Shakespeare, het stuk in 1623 in zijn verzamelde tooneelwerken opnamen, belette, dat de twijfel, die omtrent de echtheid van het stuk bij den lezer mocht opkomen, voedsel kreeg. Bovendien dragen enkele gedeelten recht duidelijk den stempel van Shakespeare’s geest, zooals de groote rede, trouw naar de kronieken gevolgd, waarmede koningin Catharina haar rechten verdedigt, een rede, die iedereen aan de pleitrede van koningin Hermione in het Winteravondsprookje moet doen denken.Wel was er ook reeds vroeger op gewezen, dat er in het stuk twee deelen zijn te onderscheiden, die in versbouw aanmerkelijk verschillen. Bij Shakespeare is de versbouw zeer natuurlijk en in het nauwste verband met den zin, zoodat wie den zin goed leest, vanzelf het vers goed leest, en zoo is het dan ook in eenige gedeelten van Koning Hendrik VIII, in andere daarentegen niet. Het was echter eerst in 1850, dat deze opmerking tot nader onderzoek leidde; toen echter werd er van drie kanten te gelijk de aandacht nader op gevestigd, vooral door den bekwamen uitgever van Bacon’s werken, James Spedding, die de vraag stelde: “Wie schreef Shakespeare’s Koning Hendrik VIII?” en na nauwkeurig onderzoektot het besluit kwam, dat het grootste deel van het stuk aan den bekenden tooneeldichter John Fletcher (geb. 1576) was toe te kennen en slechts enkele tooneelen (I. 1 en 2; II. 3 en 4; III. 2 tot aan Wolsey’s alleenspraak: “wat beteekent dit?” en V. I) aan Shakespeare. Sedert hebben onderzoekingen van vele andere gezaghebbende Engelsche Shakespeare-beoefenaars—en Engelschen zijn in deze vooral tot oordeelen bevoegd—dit bevestigd; ja sommigen onder hen gaan langzamerhand zoo ver, dat zij alle medewerking van Shakespeare aan dit stuk ontkennen. Moge dit misschien al te gewaagd zijn, daar toch Heminge en Condell het aan Shakespeare toekennen, volkomen zeker is het, dat Shakespeare vreemd is aan het plan; dit toch stelt aan den toeschouwer den ongerijmden eisch, eerst om diep medegevoel te hebben met de verstooten koningin en dan te jubelen bij de verheffing harer zegevierende mededingster. Evenmin heeft Shakespeare eenig deel aan de bewierooking van Elizabeths regeering door Cranmer en aan den lof, aan Jacobus’ regeering toegezwaaid; juist in dit gedeelte zijn de verzen gebrekkig van bouw1.Volkomen echt daarentegen is “De Storm”, mede blijkens zijn bouw en inhoud een gelegenheidsstuk; het is, evenals Koning Hendrik VIII, ongetwijfeld2geschreven ter opluistering van het huwelijk van prinses Elizabeth met Frederik, keurvorst van de Paltz, den lateren koning van Boheme, en het is voor de eerste maal opgevoerd ten hove in Februari 16133. Dat het voor zulk een gelegenheid opzettelijk geschreven is, blijkt zoowel uit de kortheid van het stuk en uit de eenvoudige inrichting, als uit de maskerspelen, die het bevat; deze zijn er niet later ingevoegd, maar maakten er ongetwijfeld van den aanvang af een deel van uit; zij zijn er niet uit te lichten. Een nader onderzoek leert, dat “De Storm” bepaald voor dit huwelijk, waarbij de bruidegom over zee kwam, geschreven is, en het stelt tevens in het licht, met welk een vaardigheid Shakespeare zijn stukken schreef en welk een fijn gevoel van wellevendheid, welk een hooge beschaving hem eigen waren. Toen de verloving van het vorstelijk paar had plaats gehad en het huwelijk weldra volgen zou, overleed 6 November 1612 de oudste zoon des konings, de veelbelovende en allerwegen beminde prins Hendrik. Het huwelijk moest uitgesteld worden, maar ging in Februari 1613 door. Binnen drie maanden werd het stuk geschreven en opgevoerd. Dat het niet vroeger begonnen werd, blijkt hieruit, dat prins Ferdinand, van wien zijn vader niet anders denkt, dan dat hij is omgekomen, de afschaduwing is van den overleden koningszoon, en Prospero juist door de wijsheid en de edele eigenschappen, die koning Jacobus zelf waande te bezitten, uitblinkt; de volleerdste hoveling kon geen meer streelende hulde aan den koning brengen, terwijl toch alle grove en lage vleierij vermeden is.Ongetwijfeld was dit onovertroffen meesterstuk, “De Storm”, Shakespeare’s laatste werk, waarmede hij afscheid van de tooneelwereld heeft genomen. Hij verlustigt zich nog eens in de herinneringen zijner jeugd, toen hij den “Midzomernachtdroom” schiep; hij voert den toeschouwer op nieuw in een tooverwereld, waarin dienstbare geesten wonderen tot stand brengen, en hij doet zien, dat zijn verbeelding en scheppend vermogen nog niets in kracht verloren hebben. Ook de tijd van “Elk wat wils” (As you like it) komt hem weer voor den geest; nog eens brengt hij ons bij een verdreven hertog, die zich in de eenzaamheid over het verlies van zijn zetel weet te troosten; doch welk een verschil! De goede vorst, die, van hovelingen omringd, in het “Ardenner Woud” geweken is, vergeet het onrecht, dat hem is aangedaan, door op de jacht te gaan en naar liedjes te luisteren; de verbannen hertog van Milaan heeft op zijn onbewoond eiland zich gewijd aan de opvoeding zijner liefelijke dochter, en aan de beoefening der wetenschap, die hem heerschappij verleent over de natuur en over de gemoederen der menschen. Hijzelf heeft de school van den tegenspoed doorloopen; toen hij vroeger Milaan te besturen had, verzuimde hij, door liefde tot de wetenschap verlokt, zijn plicht, en liet de uitoefening van het gezag aan zijn broeder over, een verzuim, dat hij met het verlies van zijn hertogdom had moeten boeten. Doch de rampspoed was hem tot zegen geweest; zijn geest is gelouterd. Hij gebruikt zijn macht over de geesten, om zijn tegenstanders, die nabij zijn eiland en in zijn bereik zijn, tot berouw en onderwerping te nopen; geen oogenblik komt de gedachte aan wraak bij hem op; andere wezens, die hen vergezellen en zich misdragen, worden getuchtigd en tot onderwerping gebracht; wie hem lief zijn, worden door voorbijgaande rampen beproefd om later des te gelukkiger te zijn.Een edele vergevensgezindheid zonder zwakte, zucht om wel te doen en geluk te stichten, maken het wezen van zijn karakter uit. “Een verheev’ner doen is deugd dan wraak”, zegt hijzelf, om zijn handelwijze jegens zijn vijanden te verklaren.De geheele handeling in dit stuk is uiterst eenvoudig, en toch weet de dichter een groote verscheidenheid aan te brengen, zoowel in de tooneelen als in de karakters. Men gevoelt, met welk een welgevallen hij dat liefelijk paar, Miranda en Ferdinand, in het leven heeft geroepen. En welk een wondervolle schepping is het monster Caliban, een wezen, waarvoor de natuur hem geen voorbeeld aan de hand heeft gedaan en dat hij toch zoo natuurlijk, zoo waar geteekend heeft, dat men het schier gaat houden voor een afbeelding van den mensch in den natuurstaat, alleen door lage, dierlijke driften beheerscht! Dat Shakespeare wist, met welk genoegen dit schepsel zou worden aangegaapt, blijkt wel uit zijn spottende opmerking, dat zijn landgenooten hun laatsten duit zouden uitgeven om een vreemden visch of een woest mensch of een monster te zien.Terwijl hij in andere stukken twee of drie handelingen dooreen weet te vlechten en tot een enkel geheel te versmelten, ja somwijlen dit laatste zelfs nalaat, heeft hij hier alle samengesteldheid vermeden. Met deze eenvoudigheid van handeling gaat hier gepaard, dat alles op een beperkte plaats, op een klein eiland, wordt afgespeeld, en wel in een korten tijd, in drie uren, zooals in het begin van het stuk en later meer dan eens wordt medegedeeld. Men herinnere zich, met welk een vrijheid Shakespeare in zoo vele andere stukken met den tijd omspringt en den toeschouwer van het eene land in het andere verplaatst; en dan komt men onwillekeurig tot de gedachte, dat Shakespeare in dit stuk ook eens heeft willen toonen, dat het hem zeer wel mogelijk was, aan den eisch van eenheid van handeling, tijd en plaats, door velen voor het drama gesteld, geheel en al te voldoen.Bewijst Shakespeare in al de zoo verschillende tooneelen, waarin zoo ongelijksoortige personen optreden, hoe zijn geest volstrekt niets van zijn jeugdige frischheid verloren heeft, wij mogen tevens niet nalaten de blijmoedige stemming op te merken, die overal, zoowel in de boertige en vroolijke, als in de meer ernstige gedeelten doorstraalt, alsmede de wijsgeerige kalmte, waarmede de wereld en al haar woelen beschouwd wordt. Zoo ergens, dan spiegelt hier zijn geest zich in zijn werk af. Hijzelf is het, die als Prospero tot ons spreekt. Na zijn vurigen jongelingstijd, toen de wereld hem schoon toescheen en hij het booze wel opmerkte, maar het goede in zijn oog het overwicht had, was er een tijd gekomen, waarin hij den indruk, dien het sombere en booze der wereld op hem maakte, in tal van werken op indrukwekkende, maar sombere wijze moest uiten; doch die tijd was voorbijgegaan, en kalmer viel zijn blik op de menschheid. Hij doorgrondt den mensch evenals vroeger; hij kent de boosheid nog, zooals de schildering van Jachimo doet zien; maar hij geeft telkens blijken van een zachtmoedige beoordeeling, van een edele vergevensgezindheid; en gaarne laat hij het oog rusten op wat schoon en liefelijk is, op jeugdige onschuldige paren, zooals Florizel en Perdita, Ferdinand en Miranda; op edele vrouwen, bij alle zachtheid sterk door reinheid, deugd, liefde en trouw, zooals Hermione en Imogeen. Even schoon staat Prospero voor ons, met zijn tooverstaf; door zijn grootmoedigheid heeft hij een vroegeren tegenstander tot vriend gemaakt, en het huwelijk hunner edele kinderen bezegelt den vriendschapsband; aan zijn vijanden heeft hij vergiffenis geschonken; tevreden ziet hij terug op zijn afgelegde levensbaan; hij verlaat het eiland, dat van zoovele wonderen getuige was; hij verbreekt en begraaft den tooverstaf, die ze gewrocht had, en gaat zich verder aan stille bespiegelingen wijden. Shakespeare treedt af van het wereldtooneel.1Herhaalde lezing van het stuk en nauwkeurig onderzoek der bovengenoemde bewijsgronden hebben mij genoopt, mijn vroegere meening, dat Koning Hendrik VIII een echt Shakespeare-stuk is, te laten varen.2Men vindt dit uitvoerig aangetoond door Richard Gurnett, in den Irving Shakespeare, vol. VII, pag. 176, alsmede door Georg Brandes, William Shakespeare (1896), blz. 935 en vgg.3Op het bericht van een vertooning ten hove in 1611 behoeft men niet te letten; die opgave is vervalscht.
IX.De onweerswolken.Van welk een jeugdige opgeruimdheid, van welk een genot in het leven de tooneelwerken van het vorig tijdperk ook getuigenis mogen afleggen en hoezeer het Shakespeare in de wereld ook voor den wind ging, de blijmoedige stemming hield niet aan, maar werd weldra door een ernstige, ja sombere vervangen. De sonnetten, die in 1609, ongetwijfeld zonder toestemming of medewerking van Shakespeare, het licht zagen en die vermoedelijk grootendeels uit den aanvang van het nu volgend tijdperk van zijn leven, omstreeks 1600, herkomstig zijn, mogen als voldingend bewijs gelden, dat ook stormen zijn gemoed beroerd hebben, dat hij ook teleurstellingen ondervonden heeft, dat er oogenblikken waren, waarin hij zijn stand van tooneelspeler haatte, ja, waarin de ongerechtigheden der wereld hem diep nederdrukten. Wie zich hiervan wil overtuigen, leze b.v. de sonnetten XXIX, CXI en CXII. Het kan zelfs wezen, dat juist de voorspoed, dien hij genoot, en zijn aangroeiende geldmiddelen, die hij wilde bezigen, om een gezeten burger te worden, hem de hebzucht der menschen nader deden kennen; bovendien kunnen de moeite, die hij vaak had om het hem verschuldigde te innen, en de soms voorkomende noodzakelijkheid van gerechtelijke vervolging, hem ontstemd hebben en de wereld van een minder rooskleurige zijde, op een minder blijmoedige wijze, doen beschouwen; het lied van Amiens over den ondank der menschen (“Elk wat wils”, II. 7. 174), mag dit doen vermoeden. De sonnetten spreken ons van veel dieper grievend leed, waarvan zoo dadelijk meer zal gezegd worden. Doch al ware dit uitgebleven, verwonderen kan het ons niet, dat de dichter, iets ouder geworden, op zes-en-dertigjarigen leeftijd zich aan het behandelen van ernstiger onderwerpen wijdde. Had vroeger het schrijven van historiestukken de gezette beoefening van Holinshed’s kroniek van hem geëischt, of omgekeerd deze hem tot het schrijven aangespoord,—in dezen tijd, en misschien reeds veel vroeger, werden de door den ouden Plutarchus geleverde levensbeschrijvingen, die door Thomas North in zeer goed Engelsch vertaald en in 1579 verschenen waren, vlijtig door hem ter hand genomen; de levens van Cæsar en van Brutus leverden hem de bouwstoffen voor zijn “Julius Cæsar”. Dat een schrijver als Plutarchus hem bijzonder aantrok, is gemakkelijk te begrijpen, want deze wijdt bijzondere aandacht aan het karakter der personen. Belangwekkend is het, Plutarchus en Shakespeare te vergelijken. De dichter volgt den ouden geschiedschrijver zeer getrouw; hij ontleent er niet alleen de hoofdzaak, maar ook menigen bijzonderen trek aan. Doch welk een verschil! Bij Plutarchus vindt men een juiste teekening van enkele hoofdfiguren; de omtrekken zijn duidelijk, er zijn kleuren aangebracht, doch hard en scherp; lucht en schaduw ontbreken, en van een kunstvolle groepeering is geen sprake. Men vergelijke nu Shakespeare; men herkent dezelfde figuren, maar zij leven; wij zien ze met al de kleurschakeeringen, met het licht en donker, dat de natuur doet zien,en deze zijn door een onmerkbare kunst zoo geschikt, dat het eene het andere beter doet uitkomen en het geheel inderdaad een geheel is. Plutarchus verhaalt, dat Brutus door zijn toespraak het volk voor een poos tot kalmte wist te brengen, maar dat Antonius, wien hij verlof gegeven had Cæsars testament aan het volk voor te lezen, door het toonen van Cæsars wonden en bloedig gewaad het volk tot woede wist te ontvlammen,—en men zie wat Shakespeare van deze weinige mededeelingen heeft gemaakt. En hoe is, wat Plutarchus van Brutus mededeelt, door Shakespeare tot een schoon geheel verwerkt! Wij zien, hoe Brutus, die van Cæsar weldaden genoten had en hem beminde, doch tevens het verval der oude republiek betreurde, door Cassius en daarna door anderen, er toe gebracht wordt saâm te zweren tot een daad, die tegen zijn natuur strijdt; hoe hij, die door zijn gaven in het oog des volks de ziel der samenzwering was, overeenkomstig zijn natuur het bloedvergieten zooveel mogelijk tracht te beperken en de fout begaat, van na de onmenschelijke daad, die den grooten dictator ten val bracht, uit menschelijkheid Marcus Antonius te sparen, ja dezen toe te staan, tot het volk te spreken; hoe hij, die vertrouwd had op de vermeende rechtvaardigheid zijner zaak en niet gezorgd, dat hij zich in Rome en Italië kon handhaven, in Azië een leger moet samenrapen om de oude legioenen van Cæsar te bestrijden; hoe hij in den krijg, meer wijsgeer dan veldheer, door gebrek aan beleid zijn vriend Cassius ten verderve brengt, den veldslag verliest en ten slotte genoopt is, het voorbeeld van zijn vriend en medebevelhebber te volgen en zichzelf den dood te geven. Wanneer men aldus het karakter en het lot van Brutus nagaat, en opmerkt, hoe hier de samenzwering tegen Julius Caesar in zijn oorsprong, voortgang en afloop volledig voor oogen wordt gesteld, dan zal men erkennen, dat aan de eenheid van handeling in dit stuk niets ontbreekt. Deze eenheid is meermalen miskend, omdat het stuk niet naar Brutus, die van het begin tot het einde de belangrijkste rol er in speelt, maar naar Julius Cæsar genoemd is. Toch heeft de dichter niet ten onrechte den laatstgenoemden titel gekozen, want na Cæsars dood werkt zijn macht nog voort, zooals Brutus zelf, bij het zien van Cassius’ lijk, getuigt.Het stuk moet van 1600 of 1601 dagteekenen, want reeds vóór Drayton, die er in 1603 een uitdrukking aan ontleende, deed Weevers hetzelfde, in zijn “Spiegel van Martelaren”,Mirror of Martyrs, welk gedicht in 1601 verscheen; hij maakt er gewag van, hoe de veelhoofdige menigte door Brutus overtuigd werd, dat Cæsar heerschzuchtig was, maar door Marcus Antonius, die Cæsars deugden roemde, van meening veranderde. Aan Plutarchus kon Weevers dit niet ontleenen1.Op “Julius Cæsar” volgde reeds in 1602 “Hamlet”; want dat dit stuk reeds in Juli van dat jaar bestond, al verscheen er eerst in 1603 een verminkte uitgave van, blijkt uit de registers van den boekhandel; men zie hierover de aanteekeningen op Hamlet. Aldaar vindt men de vraag behandeld, of Shakespeare in zijn eerste ontwerp en bewerking van den Hamlet later al of niet aanzienlijke wijzigingen gebracht heeft; in het eerste geval kan de onvolkomen uitgaaf van 1603 ons zijn eerste ontwerp, de veel betere van 1604 de omwerking doen kennen; in het tweede zijn bij de vertooning afgeluisterde en opgeschreven gedeelten door een ander aaneengelascht en is de tekst van 1604 de eenige en oorspronkelijke, zooals Shakespeare dien uit de handen gaf om gespeeld te worden.Heeft Shakespeare zich in den “Julius Cæsar” getrouw aan de mededeelingen van Plutarchus gehouden, voor den “Hamlet” heeft hij aan een oud verhaal nagenoeg niets anders dan den gang der gebeurtenissen ontleend, doch dezen nog aanzienlijk gewijzigd en de handeling in een geheel anderen tijd verplaatst; de rijke karakterschildering is, zooals men van het geheele onovertroffen meesterstuk kan zeggen, volkomen oorspronkelijk. Merkwaardig is de overeenstemming tusschen Brutus en Hamlet: Brutus heeft een taak op zich genomen, die tegen zijn natuur strijdt en begaat daardoor fouten, die hem te gronde richten; en op Hamlets schouders is een taak gelegd, die hij door zijn natuur niet volbrengen kan. Hamlet is veel somberder; hij verkeert meer in de stemming, die in het zes-en-zestigste sonnet is uitgedrukt. En geen wonder: Brutus hoopt den staat te redden, door een groot man, dien hij vereert, te dooden, en het is hem gegeven te handelen; Hamlet heeft den sluipmoord, op zijn vader begaan, te wreken, en zijn moeder is met den moordenaar gehuwd; Brutus mag zijn zorgen vertrouwen aan zijn edele vrouw, Hamlet vindt geen steun bij het meisje, dat hij bemint; Brutus kan in zijn stervensuur nog juichen, dat hij in zijn geheele leven niemand had aangetroffen, die hem niet trouw was gebleven, Hamlet heeft slechts één vriend, Horatio, wien hij stervend smeekt, een wijl nog met moeite in ’s werelds booze lucht adem te halen; waar hij zulk een leven heeft moeten leiden, moeten wij het sterven voor hem gewin achten.De beide laatstgenoemde tooneelwerken hebben dit nog met elkander gemeen, dat de hoofdpersonen denkers, mannen van studie, zijn en niet dooreen hartstocht, die hen voortdrijft, te gronde gaan. Anders is het bij de stukken, wier beschouwing nu aan de beurt ligt, waarin hartstochten de hoofdpersonen hebben aangegrepen en hen in het verderf storten. Wie ze aandachtig leest en zich tevens in de sonnetten des dichters verdiept, moet tot de overtuiging komen, dat de wereld, waarin hij leefde, zijn verontwaardiging, zijn afschuw zelfs wekte; gebeurtenissen, waarvan hij getuige was geweest, hebben hoogstwaarschijnlijk zijn ziel van wrevel vervuld, en tevens moeten in zijn eigen binnenste stormen hebben geheerscht. De ziel van Shakespeare was vol en eerst nadat hij die had uitgestort in zijn tooneelwerken en sonnetten, heeft zij haar kalmte herwonnen en den vrede gevonden, waarvan zijn laatste geschriften getuigen. De geschiedenis van zijn tijd en zijn sonnetten vergunnen ons een blik te slaan op wat er in hem is omgegaan.Uit de gebeurtenissen van Shakespeare’s tijd behoeft hier alleen het een en ander aangestipt te worden, wat hem ongetwijfeld diep gegriefd heeft. Dat er omgang bestond tusschen tooneelspelers en jonge edellieden, die de vertooningen bijwoonden en op het tooneel hun zitplaats hadden, is reeds vermeld; dat Shakespeare in den graaf van Southampton een begunstiger gevonden had en dat deze de opdracht van zijn Venus en Adonis en zijn Lucretia had aangenomen, is mede reeds gebleken. Men mag vermoeden, dat er tusschen den edelman en den begaafden tooneeldichter inderdaad een vriendschappelijke omgang heeft plaats gevonden, en dat Shakespeare belangrijke geschenken van hem ontvangen heeft. Hoe moet het hem dus gegriefd hebben, dat Koningin Elizabeth, toen Southampton in Augustus 1598 tegen haar verbod in met Elizabeth Vernon, een nicht van Graaf Essex, huwde, den jonggetrouwden man de wittebroodsweken in den Tower liet doorbrengen en hem wel weder vrijliet, maar niet weder in genade aannam. Het werd hem ook niet vergund, hoewel hij zich vroeger bij een zeegevecht zeer onderscheiden en een vijandelijk schip buitgemaakt had, deel uit te maken van den krijgstocht, die onder bevel van Essex in Maart 1599 tot demping van een opstand in Ierland werd ondernomen. Men had van dezen tocht, waarop Shakespeare in den proloog voor het 5de bedrijf van zijn Koning Hendrik VI zinspeelt, veel verwacht, maar de uitkomst beantwoordde geenszins aan de verwachtingen; om den toorn der koningin te bezweren waagde Essex, tegen haar bevel in, in September naar Engeland te komen, verkreeg gehoor, maar werd, schoon aanvankelijk niet ongunstig ontvangen, niet meer in de vroegere genade aangenomen, in Juni 1600 zelfs voor een gerechtshof gebracht en tot gevangenis in zijn huis veroordeeld, totdat het aan de koningin behagen zou hem hiervan te ontslaan. In Augustus herkreeg hij zijn vrijheid, maar de gunst der koningin erlangde hij niet terug, zelfs verloor hij een groot deel zijner inkomsten, daar een monopolie, waarvan hij tot dusverre deze getrokken had, na afloop van den termijn hem niet op nieuw verleend werd. Van zijne vijanden aan het hof het ergste vreezende, besloot hij, om deze te verwijderen, de koningin te overrompelen. De onberaden poging, in de eerste dagen van Februari 1601 beproefd, mislukte geheel; 8 Februari werd hij gevangengenomen, te gelijk met Southampton, die in zijn aanslag had gedeeld. Zij werden 19 Februari voor hun rechters gebracht en beiden ter dood veroordeeld.Essex’ hoofd viel 25 Februari; aan Southampton werd het leven geschonken, maar hij werd tot levenslange gevangenis veroordeeld; in 1603, bij de troonsbeklimming van Elizabeths opvolger, Jacobus I, herkreeg hij de vrijheid. Bij dit rechtsgeding tegen Essex deed Francis Bacon, de groote denker, die tallooze weldaden van den ridderlijken Essex genoten had, zich van een hoogst ongunstige zijde kennen en heeft meer dan iemand tot den rampzaligen afloop van het rechtsgeding bijgedragen. Dit alles moest Shakespeare diep treffen, en daar hij genoeg bekenden aan het hof had en ook onder het volk verkeerde, waren hem ongetwijfeld vele bijzonderheden nauwkeurig ter oore gekomen, die de zwarte ondankbaarheid van Bacon openbaarden en ook de diepe verdorvenheid van het hof, waar vele hovelingen alles hadden ingespannen om Essex ten val te brengen, waar bedrog, leugen, vleierij en huichelarij de middelen waren om vooruit te komen,2waar allen, schoon steeds eerbied en liefde voor Elizabeth huichelend, hun oogen reeds naar Schotland, naar koning Jacobus, richtten en in betrekking tot hem stonden. Evenzoo kende hij ongetwijfeld de schaduwzijden van het karakter van Elizabeth, wier ijdelheid en veinzerij met de jaren waren toegenomen en die nu zijn vriend Southampton tot levenslange hechtenis had veroordeeld; toen zij gestorven was, stemde hij niet in met de treurzangen van zoovele Engelsche dichters en de aansporing van Chettle kon hem geen lied tot haar lof ontlokken3. Hamlets woorden: “hoe laag en troosteloos komt mij al’t woelen van de wereld voor!” zijn zeker uit het diepst van Shakespeare’s ziel gevloeid.Doch er was ongetwijfeld veel meer, dat Shakespeare somber stemde; hij had hoogstwaarschijnlijk zichzelf bittere verwijten te doen. Te midden van het zedenbederf, dat alle standen had aangegrepen, was ook hij, zoo wij de duistere bekentenissen der Sonnetten goed verstaan, niet vlekkeloos gebleven; hij was geboeid geworden door een vrouw van donkere gelaatskleur, vol geest en talenten, waarschijnlijk jong, maar geen onervaren maagd, geen volkomen schoonheid, maar onweerstaanbaar bevallig, waarschijnlijk van veel hoogeren stand dan hijzelf. Dat hij omgang gehad heeft met beschaafde en geestige vrouwen, blijkt uit zijn tooneelwerken. Doch de sonnetten leggen getuigenis af van de macht, die de donkere schoone op hem uitoefende, hoewel hij vermoeden kon of zeker wist, dat zij hem niet trouw was. Tegelijkertijd had een jonkman van edele geboorte, veel jonger dan Shakespeare, zijn omgang gezocht, zich als vriend bij hem aangesloten en hem ongetwijfeld door de een of andere milde gift aan zich verplicht. Shakespeare kreeg den jongeling innig lief, maar weldra gelukte het aan Shakespeare’s donkere geliefde, met wie de jonkman in kennis kwam, diens liefde te winnen. Zoo gevoelde zich Shakespeare bitter gekrenkt, maar hij moest ten slotte aan zijn jeugdigen vriend vergiffenis schenken, want hij kende maar al te goed haar verleidelijke gaven, waardoor zij ook hemzelf, den volwassen en gehuwden man, geboeid had. Hij overwon dien hartstocht; zijn ziel hervond haar kalmte, schoon niet dan na een bitteren tijd van wroeging en berouw4.Zoo werkten hoogstwaarschijnlijk bij Shakespeare het lot van Essex en Southampton, zijn afkeer van den tooneelspelersstand en de verwijten, die hij zichzelf te doen had, samen om hem in de sombere stemming te doen verkeeren, waarvan zijn eerstvolgende tooneelwerken getuigen.Want voorzeker, indien Shakespeare in “Maat voor Maat” een blijspel heeft willen leveren, dan is de poging geheel mislukt. De tijd van “Elk wat wils” en van “Driekoningenavond” is voorbij. Het stuk eindigt wel is waar met een paar huwelijken, doch de stemming is somber, en zelfs de scherts, die er in voorkomt, kan niet tot opgeruimdheid, maar veeleer tot wrevel stemmen. De maatschappij, waarin wij worden binnengeleid, is vol verderf, en de deugd van den man, die haar moet hervormen, bezwijkt bij de eerste verzoeking, bij den eersten aanval van hartstocht; hij tracht het booze, dat hij pas luide veroordeeld heeft, zelf te doen; hij wil het verborgen houden door een tweede misdrijf te plegen, en wel onder den schijn van recht te oefenen; het is alleen een hoogere wil dan de zijne, die alles tot een gelukkig einde voert. Doch al speelt dit stuk ook in een verdorven wereld, al is de hemel bewolkt, zoodat geen zonnestraal het landschap vervroolijkt, als een heilige lichtende engel straalt er het beeld der strenge, deugdrijke en schoone Isabella; en als ten laatste de wolken zich verdeelen en de nevelen wegtrekken, blijkt het, dat ook zij, als een andere Portia, de genade, die verbeteren kan, in plaats van het straffend recht wil laten gelden, zooals ook de bedoeling is van den vorst, die door zijn alomtegenwoordigheid het kwade ten beste heeft weten te keeren. En letten wij nader op den inhoud, dan vinden wij het stuk rijk in schoonheden van den eersten rang; wij bewonderen de diepe gedachten, die wij er in menigte in aantreffen, onder andere de beschouwingen over dood en leven, die ons de bespiegelingen van Hamlet voor den geest roepen. Hoewel er vele bijzonderheden in voorkomen, die aan “Eind goed, al goed” doen denken, is de overeenkomst met de denkwijze en de redeneeringen, die wij in den Hamlet vinden, onmiskenbaar, zoodat men alle reden heeft om te vermoeden, dat “Maat voor Maat” onmiddellijk na den “Hamlet” geschreven is, al wordt dit door geen berichten van buiten af gestaafd5. Het stuk moet dan van 1603 dagteekenen. Shakespeare had lang genoeg in Londen vertoefd, om de verdorvenheid, die in de groote stad heerschte, te leeren kennen; en het jaar was wel geschikt om tot ernst en tot nadenkenover den dood te stemmen, daar Londen door een groote pestilentie bezocht werd, die in één jaar, van 23 December 1602 tot 22 December 1603, niet minder dan 30578 personen ten grave sleepte, terwijl de geheele sterfte 38244 bedroeg.Hoe somber “Maat voor Maat” ook zij, Isabella verdrijft er de nevelen en de wereld, waarin haar licht straalt, is niet te verachten. Veel somberder nog is het tafereel, dat in “Troilus en Cressida” wordt ontrold. Daarin wordt de heldenwereld der Grieken aan verachting ter prooi gegeven; Ajax, Agamemnon, Achilles, Patroclus, Calchas, allen zijn afschuwelijk, de wijsheid van Ulysses is niets dan schrandere wereldwijsheid zonder eenige hoogere wijding, en Thersites, hoe verachtelijk ook voorgesteld, schoon niet meer dan een keffende hond, heeft in den grond gelijk, dat hij allen bij elke gelegenheid beschimpt. De wereld, waarin het stuk ons verplaatst, is, zooals Dowden terecht opmerkt, volgens Hamlets uitdrukking, “een woeste hof, die in het zaad schiet; geil, afschuwlijk onkruid neemt ieder plekje in”. Men moet niet vermoeden, dat Shakespeare met Homerus, van wiens epos hem ongetwijfeld verscheiden gedeelten uit Chapman’s vertaling bekend geweest zijn, in het strijdperk heeft willen treden en zijn gedichten in een bespottelijk daglicht heeft willen stellen, veeleer heeft hij zijn bezwaard gemoed, zijn wrok tegen de wereld bij het schrijven van dit stuk lucht gegeven en in plaats van een blijspel of boeiend tooneelstuk een allerbitterste satire geleverd. De middeleeuwsche verhalen aangaande het beleg van Troje en het gedicht van Chaucer,Troilus en Cressidagetiteld, waren zijn bronnen. Dat Shakespeare zijn gewone onpartijdigheid verloochent, in de Grieksche helden geen goed kon zien en zeer beslist voor de Trojanen partij trekt, behoeft niet al te zeer te verwonderen, als men bedenkt, dat hij, als goed Engelschman, de overlevering aanneemt, die de Engelschen van Hector doet afstammen. Vandaar, dat Hector niet in een open strijd sneuvelt, maar door Achilles op laaghartige wijze overvallen en geveld wordt.—Opmerking verdient het karakter van Cressida, daar deze onder al de vrouwen, die Shakespeare ten tooneele voert, de eenige “coquette” is.—Eindelijk verdient ook dit de aandacht, dat geen enkel zijner stukken zoo rijk is aan spreuken, aan lessen in wereld- en levenswijsheid, die hij over het algemeen bij monde van Ulysses verkondigt. Het is, alsof hij hierdoor wilde vergoeden, dat hij de beroemde Grieksche helden uit den ouden tijd in hun glorie zoo verkleind, hun den stralenkrans van het hoofd gerukt heeft!Dat de “Troilus en Cressida” uit denzelfden tijd dagteekent, waarin “Maat voor Maat” geschreven is en waarschijnlijk onmiddellijk na dit stuk uit zijn pen gevloeid is, valt bijna niet te betwijfelen; de geheele geest van het stuk pleit er voor. Bovendien is het bekend, dat in Februari 1603 de uitgever Roberts zich, door inschrijving in de registers van den boekhandel, het recht tot uitgaaf verzekerd heeft van een tooneelwerk, getiteld “Troilus en Cressida, zooals het gespeeld is door de dienaren van den Lord Kamerheer”, d. i. door het tooneelgezelschap, waartoe Shakespeare behoorde. Hiermede kan Shakespeare’s stuk bedoeld zijn, doch zekerheid bestaat er niet, want de uitgaaf ging niet door, misschien omdat het stuk bij de vertooning, waartoe het weinig of niet geschikt is, geen bijval vond. Eerst in 1609 verscheen er een quarto-editie van Sh.’s stuk; aan de verzekering der voorrede, dat het nieuw en nog nooit vertoond was, behoeft men niet het minste gewicht te hechten; maar er kan waarheid in schuilen. Het stuk van 1603 kan de eerste bewerking geweest zijn, die later herzien is en dan waarschijnlijk vooral in die tooneelen, waarin Ulysses optreedt.Tot dit zelfde tijdperk van zijn leven moeten, naar het mij voorkomt, die gedeelten van “Timon van Athene” gebracht worden, welke van Shakespeare’s hand zijn. Want een groot deel van het stuk is onecht, niet van Shakespeare. Op verschillende wijzen kan men dit verklaren. Het zou kunnen zijn, dat hij in een bestaand stuk slechts enkele deelen nieuw geschreven of omgewerkt heeft, namelijk die, waarin de hoofdpersonen, Timon, zelf optreedt, of dat hij wel een volledig stuk geschreven heeft, maar dat het handschrift te loor ging en er slechts enkele deelen of eenige rollen van overgebleven waren; in dit geval moet dan een ander het stuk ter vertooning gereed hebben gemaakt. Maar ’t kan ook zijn, dat hij, na enkele deelen geschreven en zijn gemoed lucht gegeven te hebben, het stuk onvoltooid liet. Hoe dit zij, uit de echte gedeelten blijkt duidelijk, dat Shakespeare bij het schrijven er van van somberen ernst vervuld was, dat hij de boosheid en ondankbaarheid van het menschelijk geslacht kende en er de fiolen van zijn toorn over wilde uitgieten. En dat hij dit in den “Timon van Athene” ruimschoots gedaan heeft zal niemand ontkennen.Na zulke uitbarstingen van wrevel en toorn, als wij in de laatste stukken bijwonen, moest een geest als die van Shakespeare zijn heerschappij over zichzelf, zijn kalmte herkrijgen. En de omstandigheden waren gewijzigd; aan de boeien der donkere schoone had hij zich lang ontworsteld, bij de troonsbeklimming van Jacobus I was zijn vriend Southampton in vrijheid gesteld; de nieuwe vorst was het tooneel en in het bijzonder het tooneelgezelschap, waartoe Shakespearebehoorde, gunstig gezind. Hoe ernstig de stemming ook wezen mocht, die Shakespeare bezielde, hij beheerschte zichzelf weder volkomen en schreef van 1604 tot 1606 drie treurspelen, die tot de grootste meesterwerken behooren, welke ooit door eenig dichter geschapen zijn: “Othello”, “Macbeth”, “Koning Lear”.Wie de novelle van Cinthio, waaruit Shakespeare den inhoud voor zijn “Othello” geput heeft, naleest, vindt niets dan een verhaal, dat onder de tafereelen uit de lijfstraffelijke rechtspleging te huis behoort en zeker zonder Shakespeare’s meesterstuk lang vergeten zou zijn6. En toch, welke personen, welke karakters schept de dichter! Othello, niettegenstaande zijn kleur wegens zijn verdiensten tot krijgsbevelhebber benoemd, edel en gematigd, is echtgenoot van een jeugdige schoone vrouw, die schuchter is, stil en zacht, de reinste onschuld, en wier argeloosheid haar later ten verderve strekt; hij wordt, hoe gewoon ook zichzelf te beheerschen, door een schurk, die den schijn van rechtschapenheid en welwillendheid weet aan te nemen, en een groote mate van practische wereldwijsheid bezit, tot jaloerschheid,—oorspronkelijk geheel vreemd aan zijn edele ziel,—tot razernij vervoerd, zoodat hij zijn schuldelooze vrouw wegens haar vermeende ontrouw om het leven brengt! En met welk een zorg is Jago geteekend, die wegens zijn verdiensten als soldaat en zijn geslepenheid, waarop hij trotsch is, niet aan Othello vergeven kan, dat hij niet de eerste plaats naast dezen inneemt, en die met weergâlooze list zijn bevelhebber weet te verstrikken! In de novelle koestert Jago een hartstocht voor Desdemona en tracht tevergeefs de gunst der kuische vrouw te verwerven, zoodat de spijt over het mislukken zijner pogingen hem een prikkel is tot zijn handelwijze. Shakespeare heeft deze beweegreden niet overgenomen; Jago’s wrok over vermeende miskenning is de voornaamste drijfveer, waarbij nog zijn lust komt in berekenende boosheid, welke hij meer dan eens in zijn alleenspraken aan den dag legt. Bij al zijn slimheid wordt toch op eens zijn schurkerij ontmaskerd, en dit doet hem een oogenblik zijn zelfbeheersching vergeten, zoodat hij zijn vrouw doorsteekt.—Diep weemoedig is de indruk, dien het treurspel bij ons achterlaat door den ondergang van twee zoo edele wezens, als de trouwhartige Othello en de schuldelooze Desdemona.Niet minder somber is de stemming, die in den “Macbeth” heerscht; in geen van Shakespeare’s werken komt het woord “bloed” zoo dikwijls voor. Doch hoe schrikkelijk dit stuk ook zij, onweerstaanbaar worden wij van het begin tot het einde geboeid, en wij wagen eerst dan weder adem te halen, wanneer na den val van den tyran en den dood zijner onzalige vrouw een betere toekomst voor het rampspoedig Schotland gaat aanbreken. De dichter houdt ons zoo bezig, laat alles zoo goed ineengrijpen, dat wij zelfs geen oogenblik nadenken over den duur van Macbeth’s regeering, die volgens de kroniek zeventien jaren omvat heeft. En alles in het stuk is in overeenstemming met het onderwerp. De forsche gestalten van de helden Macbeth Banquo, die zoo juist in een heftigen strijd onder storm en onweêr een roemvolle overwinning hebben behaald, behooren te huis in het woeste, rotsachtige landschap, waarin de heksen uit nevelen te voorschijn treden, en Macbeth tot het booze verlokken, zonder dat echter de vrijheid van zijn wil aan banden gelegd is; hij blijft dus verantwoordelijk voor de schuld, die hij op zich gaat laden. De kiem van het kwade, die in hem sluimerde, wordt tot leven gewekt, en de eerzucht zijner vrouw weet de zijne zoo te prikkelen, dat zijn betere natuur bezwijkt en hij moordenaar wordt van zijn koning, van de goedheid zelf, die bij een helderen hemel hem op zijn schoon kasteel komt bezoeken. Doch de hemel wordt weldra zwaar bewolkt; in een stormachtige nacht wordt de gruweldaad gepleegd, en terstond daarna begint reeds de straf, door de ontzetting, die zich van Macbeth meester maakt. Moge zijn vrouw hem moed inspreken en met de folteringen van zijn geweten spotten,—dat ook haar kracht te kort kan schieten, blijkt reeds kort na den moord; op het gastmaal behoeft zij reeds de opwekking van haar man om opgeruimd te zijn; eerst als deze bij het zien van Banquo’s geest geheel ontdaan is, hervindt zij de kracht, die de omstandigheden van haar eischen. Doch het bewustzijn, dat zij niet alleen den moord heeft doen plegen, maar dat ook de heldennatuur van haar man door haar ten val gebracht is, werkt in haar voort en doet in den slaap, als zij geen weerstand vermag te bieden, haar kracht ten gronde gaan. Macbeth zelf, hoe zeer het gevoel zijner misdaad zijn gemoed geschokt hebbe en zijn kracht gebroken, tracht door manhaftigheid zich tegen de gevolgen te verzetten; hij ontziet, om zich staande te houden de ergste middelen niet; hij waadt door bloed, en roept zelfs den bijstand der heksen in, dien hij het volgend oogenblik als nietig erkent; dochhij verwijt zijn vrouw geen oogenblik, dat zij hem tot de onheilvolle daad heeft aangezet, en neemt manmoedig de gevolgen er van op zich; hij valt, schoon tot vertwijfeling gebracht, als held in den strijd. Gelukkig, dat, nu zijn verduisterde zon ondergaat, zich een nieuwe veelbelovende dageraad aan de kim vertoont.Evenzeer als “Othello”, als “Macbeth”, ja, in nog hoogere mate is “Koning Lear” een onvergelijkelijk meesterstuk te noemen. Het overtreft in sombere verhevenheid alles wat ooit de dramatische dichtkunst voortgebracht heeft. Doch schrikkelijk is het; men rilt, als de rampzalige, door zijn ontaarde, beweldadigde dochters uitgestooten grijsaard op de heide in storm en onweer rondwaart, als zijn gehuil met dat van de winden wedijvert, als de reeds lang sluimerende waanzin eindelijk uitbreekt, als hij, voor een oogenblik in een armelijke stulp tegen het weder beschermd, daar samen is met den geveinsd waanzinnigen Tom en den trouwen nar, die hem bittere waarheden verkondigd heeft; als hij, door de trouwe zorgen van zijn liefhebbende Cordelia van zijn waanzin hersteld en met haar gevangengenomen, zijn eenig getrouw kind dood in de armen houdt, zijn aandoenlijke klacht uitstort en bezwijkt!—En met die treffende geschiedenis is een tweede samengeweven, niet minder schokkend en roerend, een overeenkomstige geschiedenis van een vader, die zijn besten zoon miskend heeft en door den anderen, den begunstigden, met den zwartsten ondank beloond wordt, en die in zijn diep rampzaligen toestand door den verstooten zoon, zelf een toonbeeld van ellende, verpleegd wordt! En deze twee geschiedenissen zijn zoo innig verwant, dat de eene volstrekt geen herhaling schijnt van de andere, maar beide elkanders werking verhoogen en tot een innige eenheid zijn saamgevloeid!Van “Pericles, vorst van Tyrus” behoeft hier slechts kort gesproken te worden. Omtrent dit stuk, dat door de uitgevers der folio-editie niet als echt erkend, ten minste niet in hun uitgave opgenomen werd, is in de aanteekeningen met mededeeling der gronden gezegd, dat het niet van Shakespeare is, maar dat hij er, in de tweede helft, eenige tooneelen van gewijzigd of ook geheel nieuw geschreven heeft. Het belang van het tooneelgezelschap, waar hij aan verbonden was, bracht dit zeker mede, en wellicht heeft hij meermalen zulk een arbeid verricht. Ditmaal trok ongetwijfeld de figuur van Marina hem aan, en heeft hem het stuk doen verrijken met eenige heerlijke tooneelen, die uit den tijd der volle rijpheid van zijn talent dagteekenen. Hij schreef deze kort vóór of in 1608. Zijn medewerking aan dit stuk, de aard der tooneelen, die van zijn hand zijn, en vooral het scheppen van zulk een liefelijk wezen als Marina, mogen ons ook om een andere reden belang inboezemen. Zij geven ons reden om te vermoeden, dat de ernstige, ja sombere stemming, die, na den “Hamlet”, zijn drie groote treurspelen: “Othello”, “Macbeth”, “Koning Lear” in het leven riep, voor een kalmere, meer opgeruimde geweken was, dat hij het leven met een meer toegevenden, met een zachteren blik gadesloeg.Dit kan ons ook duidelijk worden, als wij op zijn “Antonius en Cleopatra” de aandacht vestigen, welk stuk in 1607 of 1608, misschien vóór Pericles, moet geschreven zijn. Het is hier de plaats niet om aan te wijzen, hoe nauwkeurig Shakespeare zijn bron, Plutarchus, gevolgd heeft; hoe hij de overrijke stof, waarover in de Aanteekeningen uitvoerig gehandeld is, in een beperkt bestek heeft weten saam te dringen; hoe hij, zelfs te midden van vele gebeurtenissen, zoo groot en zoo verscheiden, dat zij het overzicht bemoeilijken en men wenschen zou er minder van overstelpt te worden, zorg gedragen heeft de verschillende karakters juist en scherp te teekenen en de handelingen der personen uit hun karakter te doen voortspruiten. Evenmin kan hier gewezen worden op de groote dichterlijke schoonheden van het wondervolle stuk. Wat hier wel opgemerkt moge worden, is, dat het fel bewogen gemoed des dichters, dat zich uit in “Othello”, in “Koning Lear”, in “Macbeth”, dat kreten van wanhoop slaakt in “Timon van Athene”, bij het schrijven van zijn “Antonius en Cleopatra” tot kalmte gekomen is. Wij zien deze beiden aan den hevigsten hartstocht ten prooi, wij zien hen bezwijken voor de slagen van het lot, die het onafwendbaar gevolg zijn hunner handelingen; de dichter heeft ons hun feilen niet verzwegen, doch geen woord van verwijt komt over zijn lippen; het is, als stond hij naast ons, wanneer de heldhaftige Antonius, die tot het uiterste gestreden heeft en het sterven zijner geliefde vernemen moest, zich den dood geeft, wanneer Cleopatra, in vorstelijk praalgewaad; de grimmige adders aan de borst legt om haar koninklijke eer te redden, schande te ontgaan en naar haar Antonius te ijlen; het is ons, als drukte zijn blik, bij het aanschouwen zijner eigen schepping, diepen weemoed uit, dat deze heerlijke wezens zich aan den ondergang hebben gewijd.Tot dit tijdperk van des dichters leven moet ook nog zijn “Coriolanus” gebracht worden, een wonderschoone schepping, ongetwijfeld omstreeks 1609 tot stand gebracht. Evenals bij de twee andere Romeinsche stukken, was ook hier Plutarchus zijn trouwe gids. Hier verbijstert ons geen veelheid van gebeurtenissen, maar de eenheid van handeling is voortreffelijk bewaard; hier vinden wij als achtergrond den strijd tusschende Patriciërs en Plebejers, waartegen de heldenfiguur van Coriolanus schitterend uitkomt, een karakter, dat door zijn waarheid en waarachtigheid boeit maar door zijn mateloozen trots ten slotte tot verloochening van zijn vaderland gebracht en in het verderf gestort wordt. De geheele opvatting en fijne uitwerking maken den “Coriolanus” tot een van de grootste meesterstukken der dramatische literatuur.Dat in “Coriolanus” zijn fiere moeder Volumnia en zijn zachte echtgenoote Virgilia bijzondere aandacht verdienen, zij hier slechts even aangestipt, doch moge ons aanleiding geven om het tal van vrouwenfiguren, die Shakespeare in de tot dusverre besproken stukken ten tooneele bracht, nogmaals te overzien; want ook dit kan ons een blik doen slaan op zijn levensbeschouwing en op de verandering, die deze in den loop der jaren ondergaan heeft. In de eerste historiestukken zijner jeugd treden vrouwen op, in wie de eerzucht alle zachtere gemoedsaandoeningen gedood heeft, zooals de hertogin van Gloster en koningin Margaretha, en later in “Koning Jan” de koningin Eleanor, of anderen, bij wie angst en hartgrievende kommer hartstocht en behoefte aan wraak hebben gewekt, zooals bij Constance in laatstgenoemd stuk. In de vroegere blijspelen ontbreekt bij de vrouwen het diep gevoel en de hartstochtelijke liefde niet, waarvan Julia in de “Twee Edellieden van Verona”, als voorbeeld moge strekken; en hoe Shakespeare de innigste liefde weet terug te geven, moge Romeo’s Julia getuigen. Maar kenmerkend zijn voor de meeste vrouwen uit de blijspelen van het eerste en tweede tijdperk de frissche levenslust, de geestigheid en gevatheid, de stoutmoedigheid, waarmede zij aan haar hartstocht of aan haar eens opgevat plan gehoor geven en recht op het doel afgaan. Hierbij valt op te merken, dat de karakters langzamerhand fijner en voortreffelijker geteekend worden: men vergelijke Rosaline uit “Veel Gemin, geen Gewin”, met Beatrice uit “Veel leven om niets”, met Rosalinde uit “Elk wat wils”, en met Viola uit “Driekoningenavond”. Merkwaardig is ook, dat Shakespeare de meisjes met echt vrouwelijk en liefhebbend karakter gaarne in mansgewaad dost, zooals Julia uit de “Twee Edellieden van Verona”, de bekoorlijke Jessica en de rechtsprekende Portia, de schalksche Rosalinde en de zachte, in al haar doen vrouwelijke Viola; de tegenstrijdigheid van gewaad en karakter verhoogt het genot, dat de verkleeding aanbiedt, terwijl Helena, die met waarlijk manlijken geest en moed haar doel nastreeft, terecht haar vrouwelijk gewaad behoudt.Kunnen wij uit deze breede schaar van vrouwen opmaken, welke karaktertrekken en eigenschappen door Shakespeare in den ochtend en voormiddag van zijn leven geacht werden aan de vrouw de hoogste bekoorlijkheid en lieflijkheid te verleenen, dan slaan wij ook gaarne de vrouwen gade, in lateren tijd, toen hij den middag des levens bereikt had, door hem met meesterhand geteekend. Op de vrouwen, wier karakter geheel door den aard van het stuk gevorderd en bepaald wordt, zooals Cleopatra en de behaagzieke wufte Cressida, Lady Macbeth en de monsters Goneril en Regan, hebben wij hier natuurlijk niet te letten. Wij vestigen veeleer het oog op Portia, de kloeke en toch met echt vrouwelijke teederheid liefhebbende echtgenoote van Brutus, op de engelreine Isabella, op de ongelukkige, liefelijke Ophelia, op Desdemona, Cordelia, Marina, Virgilia, en wij erkennen, dat aan Shakespeare in dezen tijd een ander ideaal van vrouwelijke volkomenheid moet voorgezweefd hebben dan vroeger. “Haar stem was altijd zacht, lieflijk zacht,—een heerlijk ding bij vrouwen,” getuigt Lear van zijn Cordelia.Het einde van dit levenstijdperk, waarin Shakespeare zijn groote treurspelen schiep, mogen wij, zooals boven reeds aangeduid is, met groote waarschijnlijkheid in 1609 stellen. Hij maakte toen ongetwijfeld nog steeds deel uit van het tooneelgezelschap, waartoe hij sinds jaren behoorde. Wel kunnen wij uit enkele sonnetten opmaken, dat het tooneelspelersleven hem sedert lang tegen de borst stiet; maar wij moeten toch onderstellen, dat hij nog geruimen tijd aan het tooneel verbonden bleef, al trad hij, wegens zijn bezigheden als schrijver, misschien niet vaak of niet in groote rollen op. De talrijke, door hem tot 1609 geleverde werken, die alle een grondige kennis van het tooneel tot grondslag hebben, verbieden aan te nemen, dat hij ze ergens anders dan in Londen en aan het tooneel verbonden, geschreven heeft; en hij heeft ongetwijfeld ook door zijn tegenwoordigheid gezorgd, dat zij op waardige wijze werden opgevoerd. Wel was hij blijkbaar van plan zich later te Stratford te vestigen en de aankoop aldaar van het huis,New Placegeheeten, in 1597 bewijst dit ten volle, maar ter verwerving van de noodige middelen, om als gezeten burger onbezorgd te kunnen leven, zal hij nog wel verscheiden jaren na dien tijd noodig hebben gehad. Dat hij steeds in geldelijk opzicht vooruitging, blijkt: in 1602 kocht hij landerijen nabij Oud-Stratford, in hetzelfde jaar een boerderij, niet verre van zijn huis gelegen, en nog een ander huis en erve, in 1605 een aandeel in het tiendrecht, dat hem vrij wat opbracht. Doch het is noodeloos al zijn aankoopen, voor zooverre ze bekend zijn, te volgen; genoeg zij het, hier te zeggen, dat hij,toen hij zich te Stratford vestigde, tot de zeer gegoede burgers mocht gerekend worden. Vooralsnog was hij te Londen en een neef van hem, Thomas Greene,the Town-clerk, woonde in 1609 in New Place. Hoogstwaarschijnlijk verhuisde hij niet vóór 1613, toen hij zijn laatste stuk, “de Storm”, geschreven had, naar zijn geboorteplaats.Merkwaardig is het, dat Shakespeare, te midden van al zijn bezigheden, terwijl hij dichterlijke meesterwerken schreef, die nog na eeuwen de wereld in verrukking brengen, steeds behoorlijk zijn zaken in het oog gehouden en zelfs goed op de kleintjes gepast had. Zoo vindt men opgegeven, dat hij in 1604 iemand gerechtelijk vervolgde wegens een schuld van even ƒ 21.— (naar tegenwoordige geldswaarde zeker wel ƒ 100.—), in 1608 een anderen schuldenaar, wegens 6 pond sterling, en, toen zijn vordering hem na eenige maanden werd toegewezen, doch de schuldenaar niet te vinden was, den borg er voor aansprak.Shakespeare’s ouders waren nog getuigen geweest van den steeds wassenden roem huns zoons. Zijn vader stierf in September 1601 en werd in Stratford begraven. Op 7 Juni 1607 huwde zijn oudste dochter, Susanna, toen 24 jaar oud, met Dr. John Hall, een zeer geacht geneesheer in Stratford, die een uitgebreide praktijk had; in hetzelfde jaar, in December, stierf zijn jongste broeder Edmond, tooneelspeler, in Londen, en werd er op een kerkhof in de nabijheid van het Globus-theater begraven. In Februari 1608 werd Shakespeare’s eerste kleinkind, Elizabeth, geboren, dat 21Febr.gedoopt werd; het bleef het eenigst kind der ouders, en het eenig kleinkind, dat de dichter gezien heeft. In September van hetzelfde jaar stierf zijn moeder en werd te Stratford begraven. Had zijn vader er zich reeds in kunnen verheugen, dat de voorspoed van zijn oudsten zoon den naam van Shakespeare in Stratford weder in eere bracht, veel meer genot heeft zijn moeder kunnen smaken door zijn steeds toenemende welvaart en immer wassenden roem.1The many-headed multitude were drawnBy Brutus’ speech, that Cæsar was ambitious:When eloquent Mark Antony had shownHis virtues, who but Brutus was then vicious?2Cog, lie, flatter and face,Four ways in Court to win men grace,waren de woorden van Roger Asham.3Voor de verheerlijking van Elizabeth in het laatste bedrijf van “Koning Hendrik VIII” is Shakespeare niet aansprakelijk.4Van alle gissingen omtrent de personen, die in de Sonnetten bedoeld zijn, is die van Tyler en Harrison, welke ook door George Brandes wordt aangenomen, de waarschijnlijkste: de zwarte schoone zou Mrs. Mary Fitton geweest zijn, een begunstigde hofdame van Elizabeth, de schoone jongeling William Herbert, in 1580 geboren, later graaf van Pembroke, dezelfde, aan wien door Heminge en Condell, de eerste uitgaaf van Shakespeare’s verzamelde tooneelwerken in 1623 werd opgedragen.5In de aanteekeningen wordt vermeld, dat het stuk in December 1604 in het paleis des konings gespeeld is; doch de lijst der tooneelvertooningen ten hove, waaruit dit bericht ontleend is, wordt voor onbetrouwbaar gehouden.—Voor het overige raadplege men de Aanteekeningen, waar men opgegeven vindt, uit welke bronnen Shakespeare de stof voor zijn stuk geput heeft, en hoe hij deze vervormd en veredeld heeft.6De namen vanOthelloenJagokomen in de novelle niet voor; zij worden aangetroffen in een Engelsch verhaal,God’s Revenge against Adultery, “Gods wrake over echtbreuk”, en zijn dus waarschijnlijk hieruit ontleend. Dit verhaal heeft overigens niets met Shakespeare’s Othello en evenmin met Cinthio’s novelle te maken.X.De heldere hemel.De hemel was voor den dichter weder helder geworden; het onweder had uitgewoed; de stormen, die zijn gemoed bewogen hadden, waren bedaard. De werken, die hij na de laatstgenoemde meesterstukken geschreven heeft, leggen alle zoowel van zijn gelukkige stemming, die door de schepping van Marina in het tooneeldicht Pericles reeds was aangekondigd, als van zijn onverzwakt dichtvermogen getuigenis af.Het “Winteravondsprookje”,The Winter’s Tale, heeft Shakespeare blijkbaar geschreven tot genoegen van zichzelf en tot vermaak van anderen. Hij legt een verhaal van Robert Greene, van 1588, “Pandosto of de triumf van den Tijd”, ook onder den titel “Dorastus en Faunia” uitgegeven, er ten grondslag aan, en brengt ons in een fantastische wereld, waar de eenvoudigste begrippen van waarschijnlijkheid even onbekend zijn als die der aardrijkskunde, waarin oudheid, middeleeuwen en nieuwere tijd, christendom en heidendom, dooreengemengd zijn, waarin een dochter van den keizer van Rusland bezwijmt bij het vernemen van een orakel, dat van het eiland Delphos wordt aangebracht, en waarin de hulp van den schilder Julio Romano (den leerling van Rafael Sanzio) wordt ingeroepen om een standbeeld te beitelen. Een vaartuig landt op de kust van Boheme; een edelman legt daar een kind te vondeling; hij wordt onmiddellijk daarna door een beer verslonden en het geheele schip vergaat met man en muis, want er mag niemand overblijven om iets van het gebeurde te vertellen; de vondeling groeit onder gewone herders op en is toch na zestien jaar niet alleen tot een allerbekoorlijkste jonkvrouw opgegroeid, maar bezit dan tevens de fijnste beschaving, zoodat zij alleszins waardig is om met een koningszoon te trouwen; een door haar gemaal gruwelijk miskende koningin bezwijmt voor onze oogen, en wij vernemen, dat zij gestorven is; maar na zestien jaren blijkt, dat zij bijgekomen is en al dien tijd op een landgoed verborgen is gebleven; wij zien haar weer als een standbeeld, dat levend wordt, den treurenden, berouwvollen echtgenoot de hand reikt en hem weder gelukkig maakt. En dit alles volgt snel op elkander; het eene tafereel wisselt met het ander af, en evenzoo de stemming; de ijverzucht des konings is zoo ongegrond, zoo ongerijmd mogelijk,—trouwens, wat ons vertoond wordt, is een sprookje,—maar de toestanden, die er uit voortvloeien, zijn echt tragisch en de eerste drie bedrijven maken een treffend treurspel uit; doch het slot van het derde bedrijf bereidt erons op voor, dat een vroolijker gedeelte volgt. Zoo verplaatst ons dan het vierde bedrijf, dat zestien jaar later speelt, op een herdersfeest, waarin met het herdersvolkje de bekoorlijke vondelinge, een koningszoon, een koning met een getrouwen hoveling, en een vermakelijke schavuit, die landlooper en beurzensnijder is, optreden; de laatste draagt den naam van een zoon van Mercurius, den god der dieven, en vent als marskramer gedrukte liedjes uit, zooals dit in Shakespeare’s tijd gebruikelijk was. De hoofdpersonen van dit herdersstuk, dat een ernstige wending dreigt te nemen, gaan scheep op de kust van Boheme en landen op Sicilië, waar op het alleronverwachtst, als in een sprookje,—Shakespeare wijst er meer dan eens op, dat zijn stuk een sprookje ten tooneele brengt,—de vondeling als koningsdochter erkend wordt, en haar doodgewaande moeder, die evenzoo verrassend nog in leven blijkt te zijn, haar man en haar kind aan het hart mag drukken.Voorwaar, een stuk, dat ten duidelijkste aantoont, hoe jeugdig het gemoed en de geest des dichters gebleven zijn; hij schept genot in het verhaal van Greene, dat hij niet nalaat te veredelen en van een blij einde te voorzien,—want bij Greene sterft de koningin werkelijk en wordt de koning later verliefd op zijn eigen kind, doch steekt zich, als hij haar als zoodanig herkent, uit wanhoop dood;—hij weet alle personen met geest en leven te bezielen; hij laat in het herdersspel aan de vroolijkheid den vollen loop en doet er een Autolycus optreden, die de blijgeestigheid zelf is en veeleer de schepping van een jong en jolig dichter schijnt te zijn, dan van een man, die de stormen des levens zegevierend heeft doorstaan; zijn rijke verbeelding weet een eindtooneel voort te brengen, zoo tooverachtig schoon als er ooit een is uitgedacht; in Perdita en Florizel een jeugdig paar in het leven te roepen, zoo onschuldig, zoo bekoorlijk, zoo liefelijk en zoo innig verliefd, als ooit eenig dichter geschilderd heeft; een koningin als Hermione te doen stralen in al de schoonheid der jeugd, haar geestig en schalks te doen kouten met den vriend van haar echtgenoot en bij de wreedste en onrechtvaardigste verdenking met al den adel van een rein gemoed en de waardigheid eener vorstin haar onschuld te doen bepleiten, en haar later zonder eenig verwijt, zonder eenige bitterheid, de hand te doen reiken aan den echtgenoot, die haar zoo onrechtvaardig vervolgd, doch zijn schuld door jaren van berouw geboet heeft. Nog op verscheiden andere karakters, op Paulina, op Camillo, op den ouden herder zou kunnen gewezen worden, doch het gezegde moge genoeg zijn om te doen zien, in welk een gelukkige gesteldheid des gemoeds, met welk een levendigen en toch tot volle rijpheid gekomen geest, de dichter dit stuk geschreven heeft.Evenals het “Winteravondsprookje” dagteekent “Cymbeline” van 1610 of 1611, dus uit het laatste tijdperk van ’s dichters werkzaamheid. De geheele wijze van behandeling niet alleen, maar ook de stijl en de versbouw toonen dit voor beide stukken allerduidelijkst aan, en het wordt ook door uitwendige getuigenissen bevestigd. Evenals het vorige stuk is Cymbeline rijk aan verscheidenheid; trouwens, zeer ongelijksoortige bestanddeelen zijn hier tot één geheel vereenigd. Het hoofddenkbeeld is aan een vertelling van Boccaccio ontleend, doch de belasterde onschuld, bij Boccaccio de vrouw van een koopman, is hier de dochter van een koning geworden, en wel van een der Britsche koningen, die vóór Christus’ geboorte in Engeland heerschten en door Holinshed vermeld worden. Zoo heeft de dichter de lotgevallen van Imogeen saamgeweven met een oorlog tusschen de Britten en Romeinen. Een ander deel is geheel zijn eigen vinding, namelijk de gebeurtenissen aan het hof, waartoe hij de valsche koningin en haar zoon Cloten in het leven riep; evenzoo heeft hij de lotgevallen der koningszonen uitgedacht, want Holinshed’s kroniek vermeldt alleen hun namen en zegt overigens niets meer, dan dat de oudste zijn vader is opgevolgd; van Belarius of Morgan is daar geen sprake. Door de vereeniging van zoo ongelijksoortige bestanddeelen is een zeer ingewikkeld geheel ontstaan, waarvan de deelen geenszins alle innig en volkomen zijn saamgesmolten, gelijk in “Koning Lear” wel het geval is; een deel is echt dramatisch en in den toon van een treurspel, zooals de verbanning van Posthumus, zijn afscheid van Imogeen, zijn miskenning van haar trouw, haar tocht met Pisanio; een ander deel is meer lyrisch, zooals haar verblijf bij Belarius en de geroofde koningszoons, haar nog onbekende broeders; een ander deel weder is meer episch, zooals de beschrijving van den strijd tusschen de Britten en Romeinen. De groote verwikkeling maakt ook het slottooneel wat al te rijk aan ontknoopingen en verrassingen. Doch wat men nog meer moge gispen, zooals het optreden van Italianen van den lateren tijd onder de Romeinen; of men ook opmerke, dat door de groote samengesteldheid van het geheel de personen, die boven allen belang inboezemen, ons somwijlen te lang van het tooneel afwezig blijven; of men ook betreure, dat door de groote verscheidenheid de eenheid van het drama geleden heeft; niemand zal de hooge dichterlijke waarde zoowel van het geheel als van al zijn deelen miskennen; wil men Cymbeline ook al geen voortreffelijk drama noemen, niemand zal aarzelenhet een voortreffelijk dramatisch dichtstuk te heeten. Men lette eens op de uitstekende karakterteekening, op de treffende toestanden, op de heerlijke tooneelen,—waaronder die in de grot in de eerste plaats te tellen zijn,—en men is verzoend met wat men gebreken zou willen noemen.Bovendien, er is inderdaad eenheid in het stuk; zij wordt teweeggebracht en gewaarborgd door Imogeen, een der schoonste vrouwenkarakters, die Shakespeare, ja, die eenig dichter geschapen heeft, zoo niet het schoonste van alle. Zij vereenigt in zich de onschuld van Desdemona, de liefde van Julia, den zielenadel van Cordelia, de vorstelijke waardigheid van Hermione; haar reinheid en deugd weerstaan alle beproevingen; hoe zij ook, als de liefde van haar man haar ontvallen is, den dood moge wenschen en dien gaarne lijden wil, zij denkt er niet aan, zich dien zelf te geven, maar heeft den moed, vermomd een gewaagden tocht te ondernemen ten einde in de nabijheid van haar echtgenoot te komen; haar standvastigheid in alle gevaren voert haar tot het gewenschte doel; en als zij dan eindelijk met haar Posthumus vereenigd is, komt geen enkele klacht over de doorgestane ellende, geen enkel verwijt wegens onrecht of miskenning over haar lippen; haar vergevensgezindheid, haar zachtheid, haar lieftalligheid maken, met haar schoonheid en onschuld, haar liefde en trouw, haar geest en moed, haar tot een beeld van volkomenheid en wij mogen den dichter dankbaar zijn, dat hij ons aan het eind zijner loopbaan, zulk een ideaal der vrouw geteekend heeft. Zij staat ons, als wij haar eens aanschouwd hebben, altijd door voor den geest; en door haar is het, dat al de verschillende tooneelen, zoowel die aan het hof, als die in de grot, zoowel die in Rome, als die bij het Romeinsche leger, zoowel die op het slagveld, als die in den kerker, inderdaad innig samenhangen en een schoon geheel uitmaken.Tot dezen zelfden tijd en wel tot het einde van 1612 en het begin van 1613 is te brengen het stuk, dat in de gezamenlijke uitgave van Shakespeare’s tooneelwerken (1623) als het tiende of laatste der historiespelen is opgenomen, Koning Hendrik VIII. Het draagt in het Engelsch den titel:The Famous History of the Life of King Henry the Eighten stelt belangrijke tafereelen uit het leven van genoemden vorst voor oogen; het behandelt het bestuur en den val van den eerst alvermogenden kardinaal Wolsey, de echtscheiding des konings, zijn huwelijk met Anna Boleyn, de lagen, aan den aartsbisschop Cranmer door zijn vijanden gelegd, en de verijdeling van dien toeleg door den koning, het sterven van de gescheiden koningin Catharina van Arragon en de geboorte van Elizabeth; kortom, het is een reeks van dramatische tafereelen, die veeleer in kunstmatig verband gebracht zijn, dan tot een goed geheel vereenigd. Zoo kan men b.v. zeggen, dat de lotgevallen van den aartsbisschop Cranmer alleen ter sprake gebracht zijn met de bedoeling van hemzelf te doen optreden en alzoo door een beroemd persoon de heilrijke regeering van koningin Elizabeth en haar opvolger, koning Jacobus I, te doen voorspellen. Dit stempelt het stuk tot een gelegenheidsstuk en eveneens wordt dit aangewezen door den luister, waarmede de kroningsoptocht plaats grijpt.Van den tijd, waarop dit stuk, en wel als een nieuw stuk, gespeeld werd, zijn wij nauwkeurig onderricht; want op den 29stenJuni 1613, toen het in het Globus-theater gegeven werd, geraakte het gebouw door de saluutschoten, die er in gelost werden en die het rieten dak aanstaken, in brand en lag in korten tijd in de asch. Wanneer wij dit in aanmerking nemen, valt er wel niet aan te twijfelen, of het stuk is geschreven voor de feesten ter gelegenheid van het huwelijk van ’s konings dochter prinses Elizabeth, dat in Februari 1613 voltrokken werd.Reeds sinds lang was op de ongelijkheid van de verschillende deelen van het stuk gewezen, op de bijzonderheid, dat slechts enkele tooneelen, met name die, waarin koningin Catharina optreedt, belangstelling wekken, op den uiterst gebrekkigen bouw van het stuk; maar de omstandigheid, dat Heminge en Condell, de veeljarige metgezellen en vakgenooten van Shakespeare, het stuk in 1623 in zijn verzamelde tooneelwerken opnamen, belette, dat de twijfel, die omtrent de echtheid van het stuk bij den lezer mocht opkomen, voedsel kreeg. Bovendien dragen enkele gedeelten recht duidelijk den stempel van Shakespeare’s geest, zooals de groote rede, trouw naar de kronieken gevolgd, waarmede koningin Catharina haar rechten verdedigt, een rede, die iedereen aan de pleitrede van koningin Hermione in het Winteravondsprookje moet doen denken.Wel was er ook reeds vroeger op gewezen, dat er in het stuk twee deelen zijn te onderscheiden, die in versbouw aanmerkelijk verschillen. Bij Shakespeare is de versbouw zeer natuurlijk en in het nauwste verband met den zin, zoodat wie den zin goed leest, vanzelf het vers goed leest, en zoo is het dan ook in eenige gedeelten van Koning Hendrik VIII, in andere daarentegen niet. Het was echter eerst in 1850, dat deze opmerking tot nader onderzoek leidde; toen echter werd er van drie kanten te gelijk de aandacht nader op gevestigd, vooral door den bekwamen uitgever van Bacon’s werken, James Spedding, die de vraag stelde: “Wie schreef Shakespeare’s Koning Hendrik VIII?” en na nauwkeurig onderzoektot het besluit kwam, dat het grootste deel van het stuk aan den bekenden tooneeldichter John Fletcher (geb. 1576) was toe te kennen en slechts enkele tooneelen (I. 1 en 2; II. 3 en 4; III. 2 tot aan Wolsey’s alleenspraak: “wat beteekent dit?” en V. I) aan Shakespeare. Sedert hebben onderzoekingen van vele andere gezaghebbende Engelsche Shakespeare-beoefenaars—en Engelschen zijn in deze vooral tot oordeelen bevoegd—dit bevestigd; ja sommigen onder hen gaan langzamerhand zoo ver, dat zij alle medewerking van Shakespeare aan dit stuk ontkennen. Moge dit misschien al te gewaagd zijn, daar toch Heminge en Condell het aan Shakespeare toekennen, volkomen zeker is het, dat Shakespeare vreemd is aan het plan; dit toch stelt aan den toeschouwer den ongerijmden eisch, eerst om diep medegevoel te hebben met de verstooten koningin en dan te jubelen bij de verheffing harer zegevierende mededingster. Evenmin heeft Shakespeare eenig deel aan de bewierooking van Elizabeths regeering door Cranmer en aan den lof, aan Jacobus’ regeering toegezwaaid; juist in dit gedeelte zijn de verzen gebrekkig van bouw1.Volkomen echt daarentegen is “De Storm”, mede blijkens zijn bouw en inhoud een gelegenheidsstuk; het is, evenals Koning Hendrik VIII, ongetwijfeld2geschreven ter opluistering van het huwelijk van prinses Elizabeth met Frederik, keurvorst van de Paltz, den lateren koning van Boheme, en het is voor de eerste maal opgevoerd ten hove in Februari 16133. Dat het voor zulk een gelegenheid opzettelijk geschreven is, blijkt zoowel uit de kortheid van het stuk en uit de eenvoudige inrichting, als uit de maskerspelen, die het bevat; deze zijn er niet later ingevoegd, maar maakten er ongetwijfeld van den aanvang af een deel van uit; zij zijn er niet uit te lichten. Een nader onderzoek leert, dat “De Storm” bepaald voor dit huwelijk, waarbij de bruidegom over zee kwam, geschreven is, en het stelt tevens in het licht, met welk een vaardigheid Shakespeare zijn stukken schreef en welk een fijn gevoel van wellevendheid, welk een hooge beschaving hem eigen waren. Toen de verloving van het vorstelijk paar had plaats gehad en het huwelijk weldra volgen zou, overleed 6 November 1612 de oudste zoon des konings, de veelbelovende en allerwegen beminde prins Hendrik. Het huwelijk moest uitgesteld worden, maar ging in Februari 1613 door. Binnen drie maanden werd het stuk geschreven en opgevoerd. Dat het niet vroeger begonnen werd, blijkt hieruit, dat prins Ferdinand, van wien zijn vader niet anders denkt, dan dat hij is omgekomen, de afschaduwing is van den overleden koningszoon, en Prospero juist door de wijsheid en de edele eigenschappen, die koning Jacobus zelf waande te bezitten, uitblinkt; de volleerdste hoveling kon geen meer streelende hulde aan den koning brengen, terwijl toch alle grove en lage vleierij vermeden is.Ongetwijfeld was dit onovertroffen meesterstuk, “De Storm”, Shakespeare’s laatste werk, waarmede hij afscheid van de tooneelwereld heeft genomen. Hij verlustigt zich nog eens in de herinneringen zijner jeugd, toen hij den “Midzomernachtdroom” schiep; hij voert den toeschouwer op nieuw in een tooverwereld, waarin dienstbare geesten wonderen tot stand brengen, en hij doet zien, dat zijn verbeelding en scheppend vermogen nog niets in kracht verloren hebben. Ook de tijd van “Elk wat wils” (As you like it) komt hem weer voor den geest; nog eens brengt hij ons bij een verdreven hertog, die zich in de eenzaamheid over het verlies van zijn zetel weet te troosten; doch welk een verschil! De goede vorst, die, van hovelingen omringd, in het “Ardenner Woud” geweken is, vergeet het onrecht, dat hem is aangedaan, door op de jacht te gaan en naar liedjes te luisteren; de verbannen hertog van Milaan heeft op zijn onbewoond eiland zich gewijd aan de opvoeding zijner liefelijke dochter, en aan de beoefening der wetenschap, die hem heerschappij verleent over de natuur en over de gemoederen der menschen. Hijzelf heeft de school van den tegenspoed doorloopen; toen hij vroeger Milaan te besturen had, verzuimde hij, door liefde tot de wetenschap verlokt, zijn plicht, en liet de uitoefening van het gezag aan zijn broeder over, een verzuim, dat hij met het verlies van zijn hertogdom had moeten boeten. Doch de rampspoed was hem tot zegen geweest; zijn geest is gelouterd. Hij gebruikt zijn macht over de geesten, om zijn tegenstanders, die nabij zijn eiland en in zijn bereik zijn, tot berouw en onderwerping te nopen; geen oogenblik komt de gedachte aan wraak bij hem op; andere wezens, die hen vergezellen en zich misdragen, worden getuchtigd en tot onderwerping gebracht; wie hem lief zijn, worden door voorbijgaande rampen beproefd om later des te gelukkiger te zijn.Een edele vergevensgezindheid zonder zwakte, zucht om wel te doen en geluk te stichten, maken het wezen van zijn karakter uit. “Een verheev’ner doen is deugd dan wraak”, zegt hijzelf, om zijn handelwijze jegens zijn vijanden te verklaren.De geheele handeling in dit stuk is uiterst eenvoudig, en toch weet de dichter een groote verscheidenheid aan te brengen, zoowel in de tooneelen als in de karakters. Men gevoelt, met welk een welgevallen hij dat liefelijk paar, Miranda en Ferdinand, in het leven heeft geroepen. En welk een wondervolle schepping is het monster Caliban, een wezen, waarvoor de natuur hem geen voorbeeld aan de hand heeft gedaan en dat hij toch zoo natuurlijk, zoo waar geteekend heeft, dat men het schier gaat houden voor een afbeelding van den mensch in den natuurstaat, alleen door lage, dierlijke driften beheerscht! Dat Shakespeare wist, met welk genoegen dit schepsel zou worden aangegaapt, blijkt wel uit zijn spottende opmerking, dat zijn landgenooten hun laatsten duit zouden uitgeven om een vreemden visch of een woest mensch of een monster te zien.Terwijl hij in andere stukken twee of drie handelingen dooreen weet te vlechten en tot een enkel geheel te versmelten, ja somwijlen dit laatste zelfs nalaat, heeft hij hier alle samengesteldheid vermeden. Met deze eenvoudigheid van handeling gaat hier gepaard, dat alles op een beperkte plaats, op een klein eiland, wordt afgespeeld, en wel in een korten tijd, in drie uren, zooals in het begin van het stuk en later meer dan eens wordt medegedeeld. Men herinnere zich, met welk een vrijheid Shakespeare in zoo vele andere stukken met den tijd omspringt en den toeschouwer van het eene land in het andere verplaatst; en dan komt men onwillekeurig tot de gedachte, dat Shakespeare in dit stuk ook eens heeft willen toonen, dat het hem zeer wel mogelijk was, aan den eisch van eenheid van handeling, tijd en plaats, door velen voor het drama gesteld, geheel en al te voldoen.Bewijst Shakespeare in al de zoo verschillende tooneelen, waarin zoo ongelijksoortige personen optreden, hoe zijn geest volstrekt niets van zijn jeugdige frischheid verloren heeft, wij mogen tevens niet nalaten de blijmoedige stemming op te merken, die overal, zoowel in de boertige en vroolijke, als in de meer ernstige gedeelten doorstraalt, alsmede de wijsgeerige kalmte, waarmede de wereld en al haar woelen beschouwd wordt. Zoo ergens, dan spiegelt hier zijn geest zich in zijn werk af. Hijzelf is het, die als Prospero tot ons spreekt. Na zijn vurigen jongelingstijd, toen de wereld hem schoon toescheen en hij het booze wel opmerkte, maar het goede in zijn oog het overwicht had, was er een tijd gekomen, waarin hij den indruk, dien het sombere en booze der wereld op hem maakte, in tal van werken op indrukwekkende, maar sombere wijze moest uiten; doch die tijd was voorbijgegaan, en kalmer viel zijn blik op de menschheid. Hij doorgrondt den mensch evenals vroeger; hij kent de boosheid nog, zooals de schildering van Jachimo doet zien; maar hij geeft telkens blijken van een zachtmoedige beoordeeling, van een edele vergevensgezindheid; en gaarne laat hij het oog rusten op wat schoon en liefelijk is, op jeugdige onschuldige paren, zooals Florizel en Perdita, Ferdinand en Miranda; op edele vrouwen, bij alle zachtheid sterk door reinheid, deugd, liefde en trouw, zooals Hermione en Imogeen. Even schoon staat Prospero voor ons, met zijn tooverstaf; door zijn grootmoedigheid heeft hij een vroegeren tegenstander tot vriend gemaakt, en het huwelijk hunner edele kinderen bezegelt den vriendschapsband; aan zijn vijanden heeft hij vergiffenis geschonken; tevreden ziet hij terug op zijn afgelegde levensbaan; hij verlaat het eiland, dat van zoovele wonderen getuige was; hij verbreekt en begraaft den tooverstaf, die ze gewrocht had, en gaat zich verder aan stille bespiegelingen wijden. Shakespeare treedt af van het wereldtooneel.1Herhaalde lezing van het stuk en nauwkeurig onderzoek der bovengenoemde bewijsgronden hebben mij genoopt, mijn vroegere meening, dat Koning Hendrik VIII een echt Shakespeare-stuk is, te laten varen.2Men vindt dit uitvoerig aangetoond door Richard Gurnett, in den Irving Shakespeare, vol. VII, pag. 176, alsmede door Georg Brandes, William Shakespeare (1896), blz. 935 en vgg.3Op het bericht van een vertooning ten hove in 1611 behoeft men niet te letten; die opgave is vervalscht.
IX.De onweerswolken.Van welk een jeugdige opgeruimdheid, van welk een genot in het leven de tooneelwerken van het vorig tijdperk ook getuigenis mogen afleggen en hoezeer het Shakespeare in de wereld ook voor den wind ging, de blijmoedige stemming hield niet aan, maar werd weldra door een ernstige, ja sombere vervangen. De sonnetten, die in 1609, ongetwijfeld zonder toestemming of medewerking van Shakespeare, het licht zagen en die vermoedelijk grootendeels uit den aanvang van het nu volgend tijdperk van zijn leven, omstreeks 1600, herkomstig zijn, mogen als voldingend bewijs gelden, dat ook stormen zijn gemoed beroerd hebben, dat hij ook teleurstellingen ondervonden heeft, dat er oogenblikken waren, waarin hij zijn stand van tooneelspeler haatte, ja, waarin de ongerechtigheden der wereld hem diep nederdrukten. Wie zich hiervan wil overtuigen, leze b.v. de sonnetten XXIX, CXI en CXII. Het kan zelfs wezen, dat juist de voorspoed, dien hij genoot, en zijn aangroeiende geldmiddelen, die hij wilde bezigen, om een gezeten burger te worden, hem de hebzucht der menschen nader deden kennen; bovendien kunnen de moeite, die hij vaak had om het hem verschuldigde te innen, en de soms voorkomende noodzakelijkheid van gerechtelijke vervolging, hem ontstemd hebben en de wereld van een minder rooskleurige zijde, op een minder blijmoedige wijze, doen beschouwen; het lied van Amiens over den ondank der menschen (“Elk wat wils”, II. 7. 174), mag dit doen vermoeden. De sonnetten spreken ons van veel dieper grievend leed, waarvan zoo dadelijk meer zal gezegd worden. Doch al ware dit uitgebleven, verwonderen kan het ons niet, dat de dichter, iets ouder geworden, op zes-en-dertigjarigen leeftijd zich aan het behandelen van ernstiger onderwerpen wijdde. Had vroeger het schrijven van historiestukken de gezette beoefening van Holinshed’s kroniek van hem geëischt, of omgekeerd deze hem tot het schrijven aangespoord,—in dezen tijd, en misschien reeds veel vroeger, werden de door den ouden Plutarchus geleverde levensbeschrijvingen, die door Thomas North in zeer goed Engelsch vertaald en in 1579 verschenen waren, vlijtig door hem ter hand genomen; de levens van Cæsar en van Brutus leverden hem de bouwstoffen voor zijn “Julius Cæsar”. Dat een schrijver als Plutarchus hem bijzonder aantrok, is gemakkelijk te begrijpen, want deze wijdt bijzondere aandacht aan het karakter der personen. Belangwekkend is het, Plutarchus en Shakespeare te vergelijken. De dichter volgt den ouden geschiedschrijver zeer getrouw; hij ontleent er niet alleen de hoofdzaak, maar ook menigen bijzonderen trek aan. Doch welk een verschil! Bij Plutarchus vindt men een juiste teekening van enkele hoofdfiguren; de omtrekken zijn duidelijk, er zijn kleuren aangebracht, doch hard en scherp; lucht en schaduw ontbreken, en van een kunstvolle groepeering is geen sprake. Men vergelijke nu Shakespeare; men herkent dezelfde figuren, maar zij leven; wij zien ze met al de kleurschakeeringen, met het licht en donker, dat de natuur doet zien,en deze zijn door een onmerkbare kunst zoo geschikt, dat het eene het andere beter doet uitkomen en het geheel inderdaad een geheel is. Plutarchus verhaalt, dat Brutus door zijn toespraak het volk voor een poos tot kalmte wist te brengen, maar dat Antonius, wien hij verlof gegeven had Cæsars testament aan het volk voor te lezen, door het toonen van Cæsars wonden en bloedig gewaad het volk tot woede wist te ontvlammen,—en men zie wat Shakespeare van deze weinige mededeelingen heeft gemaakt. En hoe is, wat Plutarchus van Brutus mededeelt, door Shakespeare tot een schoon geheel verwerkt! Wij zien, hoe Brutus, die van Cæsar weldaden genoten had en hem beminde, doch tevens het verval der oude republiek betreurde, door Cassius en daarna door anderen, er toe gebracht wordt saâm te zweren tot een daad, die tegen zijn natuur strijdt; hoe hij, die door zijn gaven in het oog des volks de ziel der samenzwering was, overeenkomstig zijn natuur het bloedvergieten zooveel mogelijk tracht te beperken en de fout begaat, van na de onmenschelijke daad, die den grooten dictator ten val bracht, uit menschelijkheid Marcus Antonius te sparen, ja dezen toe te staan, tot het volk te spreken; hoe hij, die vertrouwd had op de vermeende rechtvaardigheid zijner zaak en niet gezorgd, dat hij zich in Rome en Italië kon handhaven, in Azië een leger moet samenrapen om de oude legioenen van Cæsar te bestrijden; hoe hij in den krijg, meer wijsgeer dan veldheer, door gebrek aan beleid zijn vriend Cassius ten verderve brengt, den veldslag verliest en ten slotte genoopt is, het voorbeeld van zijn vriend en medebevelhebber te volgen en zichzelf den dood te geven. Wanneer men aldus het karakter en het lot van Brutus nagaat, en opmerkt, hoe hier de samenzwering tegen Julius Caesar in zijn oorsprong, voortgang en afloop volledig voor oogen wordt gesteld, dan zal men erkennen, dat aan de eenheid van handeling in dit stuk niets ontbreekt. Deze eenheid is meermalen miskend, omdat het stuk niet naar Brutus, die van het begin tot het einde de belangrijkste rol er in speelt, maar naar Julius Cæsar genoemd is. Toch heeft de dichter niet ten onrechte den laatstgenoemden titel gekozen, want na Cæsars dood werkt zijn macht nog voort, zooals Brutus zelf, bij het zien van Cassius’ lijk, getuigt.Het stuk moet van 1600 of 1601 dagteekenen, want reeds vóór Drayton, die er in 1603 een uitdrukking aan ontleende, deed Weevers hetzelfde, in zijn “Spiegel van Martelaren”,Mirror of Martyrs, welk gedicht in 1601 verscheen; hij maakt er gewag van, hoe de veelhoofdige menigte door Brutus overtuigd werd, dat Cæsar heerschzuchtig was, maar door Marcus Antonius, die Cæsars deugden roemde, van meening veranderde. Aan Plutarchus kon Weevers dit niet ontleenen1.Op “Julius Cæsar” volgde reeds in 1602 “Hamlet”; want dat dit stuk reeds in Juli van dat jaar bestond, al verscheen er eerst in 1603 een verminkte uitgave van, blijkt uit de registers van den boekhandel; men zie hierover de aanteekeningen op Hamlet. Aldaar vindt men de vraag behandeld, of Shakespeare in zijn eerste ontwerp en bewerking van den Hamlet later al of niet aanzienlijke wijzigingen gebracht heeft; in het eerste geval kan de onvolkomen uitgaaf van 1603 ons zijn eerste ontwerp, de veel betere van 1604 de omwerking doen kennen; in het tweede zijn bij de vertooning afgeluisterde en opgeschreven gedeelten door een ander aaneengelascht en is de tekst van 1604 de eenige en oorspronkelijke, zooals Shakespeare dien uit de handen gaf om gespeeld te worden.Heeft Shakespeare zich in den “Julius Cæsar” getrouw aan de mededeelingen van Plutarchus gehouden, voor den “Hamlet” heeft hij aan een oud verhaal nagenoeg niets anders dan den gang der gebeurtenissen ontleend, doch dezen nog aanzienlijk gewijzigd en de handeling in een geheel anderen tijd verplaatst; de rijke karakterschildering is, zooals men van het geheele onovertroffen meesterstuk kan zeggen, volkomen oorspronkelijk. Merkwaardig is de overeenstemming tusschen Brutus en Hamlet: Brutus heeft een taak op zich genomen, die tegen zijn natuur strijdt en begaat daardoor fouten, die hem te gronde richten; en op Hamlets schouders is een taak gelegd, die hij door zijn natuur niet volbrengen kan. Hamlet is veel somberder; hij verkeert meer in de stemming, die in het zes-en-zestigste sonnet is uitgedrukt. En geen wonder: Brutus hoopt den staat te redden, door een groot man, dien hij vereert, te dooden, en het is hem gegeven te handelen; Hamlet heeft den sluipmoord, op zijn vader begaan, te wreken, en zijn moeder is met den moordenaar gehuwd; Brutus mag zijn zorgen vertrouwen aan zijn edele vrouw, Hamlet vindt geen steun bij het meisje, dat hij bemint; Brutus kan in zijn stervensuur nog juichen, dat hij in zijn geheele leven niemand had aangetroffen, die hem niet trouw was gebleven, Hamlet heeft slechts één vriend, Horatio, wien hij stervend smeekt, een wijl nog met moeite in ’s werelds booze lucht adem te halen; waar hij zulk een leven heeft moeten leiden, moeten wij het sterven voor hem gewin achten.De beide laatstgenoemde tooneelwerken hebben dit nog met elkander gemeen, dat de hoofdpersonen denkers, mannen van studie, zijn en niet dooreen hartstocht, die hen voortdrijft, te gronde gaan. Anders is het bij de stukken, wier beschouwing nu aan de beurt ligt, waarin hartstochten de hoofdpersonen hebben aangegrepen en hen in het verderf storten. Wie ze aandachtig leest en zich tevens in de sonnetten des dichters verdiept, moet tot de overtuiging komen, dat de wereld, waarin hij leefde, zijn verontwaardiging, zijn afschuw zelfs wekte; gebeurtenissen, waarvan hij getuige was geweest, hebben hoogstwaarschijnlijk zijn ziel van wrevel vervuld, en tevens moeten in zijn eigen binnenste stormen hebben geheerscht. De ziel van Shakespeare was vol en eerst nadat hij die had uitgestort in zijn tooneelwerken en sonnetten, heeft zij haar kalmte herwonnen en den vrede gevonden, waarvan zijn laatste geschriften getuigen. De geschiedenis van zijn tijd en zijn sonnetten vergunnen ons een blik te slaan op wat er in hem is omgegaan.Uit de gebeurtenissen van Shakespeare’s tijd behoeft hier alleen het een en ander aangestipt te worden, wat hem ongetwijfeld diep gegriefd heeft. Dat er omgang bestond tusschen tooneelspelers en jonge edellieden, die de vertooningen bijwoonden en op het tooneel hun zitplaats hadden, is reeds vermeld; dat Shakespeare in den graaf van Southampton een begunstiger gevonden had en dat deze de opdracht van zijn Venus en Adonis en zijn Lucretia had aangenomen, is mede reeds gebleken. Men mag vermoeden, dat er tusschen den edelman en den begaafden tooneeldichter inderdaad een vriendschappelijke omgang heeft plaats gevonden, en dat Shakespeare belangrijke geschenken van hem ontvangen heeft. Hoe moet het hem dus gegriefd hebben, dat Koningin Elizabeth, toen Southampton in Augustus 1598 tegen haar verbod in met Elizabeth Vernon, een nicht van Graaf Essex, huwde, den jonggetrouwden man de wittebroodsweken in den Tower liet doorbrengen en hem wel weder vrijliet, maar niet weder in genade aannam. Het werd hem ook niet vergund, hoewel hij zich vroeger bij een zeegevecht zeer onderscheiden en een vijandelijk schip buitgemaakt had, deel uit te maken van den krijgstocht, die onder bevel van Essex in Maart 1599 tot demping van een opstand in Ierland werd ondernomen. Men had van dezen tocht, waarop Shakespeare in den proloog voor het 5de bedrijf van zijn Koning Hendrik VI zinspeelt, veel verwacht, maar de uitkomst beantwoordde geenszins aan de verwachtingen; om den toorn der koningin te bezweren waagde Essex, tegen haar bevel in, in September naar Engeland te komen, verkreeg gehoor, maar werd, schoon aanvankelijk niet ongunstig ontvangen, niet meer in de vroegere genade aangenomen, in Juni 1600 zelfs voor een gerechtshof gebracht en tot gevangenis in zijn huis veroordeeld, totdat het aan de koningin behagen zou hem hiervan te ontslaan. In Augustus herkreeg hij zijn vrijheid, maar de gunst der koningin erlangde hij niet terug, zelfs verloor hij een groot deel zijner inkomsten, daar een monopolie, waarvan hij tot dusverre deze getrokken had, na afloop van den termijn hem niet op nieuw verleend werd. Van zijne vijanden aan het hof het ergste vreezende, besloot hij, om deze te verwijderen, de koningin te overrompelen. De onberaden poging, in de eerste dagen van Februari 1601 beproefd, mislukte geheel; 8 Februari werd hij gevangengenomen, te gelijk met Southampton, die in zijn aanslag had gedeeld. Zij werden 19 Februari voor hun rechters gebracht en beiden ter dood veroordeeld.Essex’ hoofd viel 25 Februari; aan Southampton werd het leven geschonken, maar hij werd tot levenslange gevangenis veroordeeld; in 1603, bij de troonsbeklimming van Elizabeths opvolger, Jacobus I, herkreeg hij de vrijheid. Bij dit rechtsgeding tegen Essex deed Francis Bacon, de groote denker, die tallooze weldaden van den ridderlijken Essex genoten had, zich van een hoogst ongunstige zijde kennen en heeft meer dan iemand tot den rampzaligen afloop van het rechtsgeding bijgedragen. Dit alles moest Shakespeare diep treffen, en daar hij genoeg bekenden aan het hof had en ook onder het volk verkeerde, waren hem ongetwijfeld vele bijzonderheden nauwkeurig ter oore gekomen, die de zwarte ondankbaarheid van Bacon openbaarden en ook de diepe verdorvenheid van het hof, waar vele hovelingen alles hadden ingespannen om Essex ten val te brengen, waar bedrog, leugen, vleierij en huichelarij de middelen waren om vooruit te komen,2waar allen, schoon steeds eerbied en liefde voor Elizabeth huichelend, hun oogen reeds naar Schotland, naar koning Jacobus, richtten en in betrekking tot hem stonden. Evenzoo kende hij ongetwijfeld de schaduwzijden van het karakter van Elizabeth, wier ijdelheid en veinzerij met de jaren waren toegenomen en die nu zijn vriend Southampton tot levenslange hechtenis had veroordeeld; toen zij gestorven was, stemde hij niet in met de treurzangen van zoovele Engelsche dichters en de aansporing van Chettle kon hem geen lied tot haar lof ontlokken3. Hamlets woorden: “hoe laag en troosteloos komt mij al’t woelen van de wereld voor!” zijn zeker uit het diepst van Shakespeare’s ziel gevloeid.Doch er was ongetwijfeld veel meer, dat Shakespeare somber stemde; hij had hoogstwaarschijnlijk zichzelf bittere verwijten te doen. Te midden van het zedenbederf, dat alle standen had aangegrepen, was ook hij, zoo wij de duistere bekentenissen der Sonnetten goed verstaan, niet vlekkeloos gebleven; hij was geboeid geworden door een vrouw van donkere gelaatskleur, vol geest en talenten, waarschijnlijk jong, maar geen onervaren maagd, geen volkomen schoonheid, maar onweerstaanbaar bevallig, waarschijnlijk van veel hoogeren stand dan hijzelf. Dat hij omgang gehad heeft met beschaafde en geestige vrouwen, blijkt uit zijn tooneelwerken. Doch de sonnetten leggen getuigenis af van de macht, die de donkere schoone op hem uitoefende, hoewel hij vermoeden kon of zeker wist, dat zij hem niet trouw was. Tegelijkertijd had een jonkman van edele geboorte, veel jonger dan Shakespeare, zijn omgang gezocht, zich als vriend bij hem aangesloten en hem ongetwijfeld door de een of andere milde gift aan zich verplicht. Shakespeare kreeg den jongeling innig lief, maar weldra gelukte het aan Shakespeare’s donkere geliefde, met wie de jonkman in kennis kwam, diens liefde te winnen. Zoo gevoelde zich Shakespeare bitter gekrenkt, maar hij moest ten slotte aan zijn jeugdigen vriend vergiffenis schenken, want hij kende maar al te goed haar verleidelijke gaven, waardoor zij ook hemzelf, den volwassen en gehuwden man, geboeid had. Hij overwon dien hartstocht; zijn ziel hervond haar kalmte, schoon niet dan na een bitteren tijd van wroeging en berouw4.Zoo werkten hoogstwaarschijnlijk bij Shakespeare het lot van Essex en Southampton, zijn afkeer van den tooneelspelersstand en de verwijten, die hij zichzelf te doen had, samen om hem in de sombere stemming te doen verkeeren, waarvan zijn eerstvolgende tooneelwerken getuigen.Want voorzeker, indien Shakespeare in “Maat voor Maat” een blijspel heeft willen leveren, dan is de poging geheel mislukt. De tijd van “Elk wat wils” en van “Driekoningenavond” is voorbij. Het stuk eindigt wel is waar met een paar huwelijken, doch de stemming is somber, en zelfs de scherts, die er in voorkomt, kan niet tot opgeruimdheid, maar veeleer tot wrevel stemmen. De maatschappij, waarin wij worden binnengeleid, is vol verderf, en de deugd van den man, die haar moet hervormen, bezwijkt bij de eerste verzoeking, bij den eersten aanval van hartstocht; hij tracht het booze, dat hij pas luide veroordeeld heeft, zelf te doen; hij wil het verborgen houden door een tweede misdrijf te plegen, en wel onder den schijn van recht te oefenen; het is alleen een hoogere wil dan de zijne, die alles tot een gelukkig einde voert. Doch al speelt dit stuk ook in een verdorven wereld, al is de hemel bewolkt, zoodat geen zonnestraal het landschap vervroolijkt, als een heilige lichtende engel straalt er het beeld der strenge, deugdrijke en schoone Isabella; en als ten laatste de wolken zich verdeelen en de nevelen wegtrekken, blijkt het, dat ook zij, als een andere Portia, de genade, die verbeteren kan, in plaats van het straffend recht wil laten gelden, zooals ook de bedoeling is van den vorst, die door zijn alomtegenwoordigheid het kwade ten beste heeft weten te keeren. En letten wij nader op den inhoud, dan vinden wij het stuk rijk in schoonheden van den eersten rang; wij bewonderen de diepe gedachten, die wij er in menigte in aantreffen, onder andere de beschouwingen over dood en leven, die ons de bespiegelingen van Hamlet voor den geest roepen. Hoewel er vele bijzonderheden in voorkomen, die aan “Eind goed, al goed” doen denken, is de overeenkomst met de denkwijze en de redeneeringen, die wij in den Hamlet vinden, onmiskenbaar, zoodat men alle reden heeft om te vermoeden, dat “Maat voor Maat” onmiddellijk na den “Hamlet” geschreven is, al wordt dit door geen berichten van buiten af gestaafd5. Het stuk moet dan van 1603 dagteekenen. Shakespeare had lang genoeg in Londen vertoefd, om de verdorvenheid, die in de groote stad heerschte, te leeren kennen; en het jaar was wel geschikt om tot ernst en tot nadenkenover den dood te stemmen, daar Londen door een groote pestilentie bezocht werd, die in één jaar, van 23 December 1602 tot 22 December 1603, niet minder dan 30578 personen ten grave sleepte, terwijl de geheele sterfte 38244 bedroeg.Hoe somber “Maat voor Maat” ook zij, Isabella verdrijft er de nevelen en de wereld, waarin haar licht straalt, is niet te verachten. Veel somberder nog is het tafereel, dat in “Troilus en Cressida” wordt ontrold. Daarin wordt de heldenwereld der Grieken aan verachting ter prooi gegeven; Ajax, Agamemnon, Achilles, Patroclus, Calchas, allen zijn afschuwelijk, de wijsheid van Ulysses is niets dan schrandere wereldwijsheid zonder eenige hoogere wijding, en Thersites, hoe verachtelijk ook voorgesteld, schoon niet meer dan een keffende hond, heeft in den grond gelijk, dat hij allen bij elke gelegenheid beschimpt. De wereld, waarin het stuk ons verplaatst, is, zooals Dowden terecht opmerkt, volgens Hamlets uitdrukking, “een woeste hof, die in het zaad schiet; geil, afschuwlijk onkruid neemt ieder plekje in”. Men moet niet vermoeden, dat Shakespeare met Homerus, van wiens epos hem ongetwijfeld verscheiden gedeelten uit Chapman’s vertaling bekend geweest zijn, in het strijdperk heeft willen treden en zijn gedichten in een bespottelijk daglicht heeft willen stellen, veeleer heeft hij zijn bezwaard gemoed, zijn wrok tegen de wereld bij het schrijven van dit stuk lucht gegeven en in plaats van een blijspel of boeiend tooneelstuk een allerbitterste satire geleverd. De middeleeuwsche verhalen aangaande het beleg van Troje en het gedicht van Chaucer,Troilus en Cressidagetiteld, waren zijn bronnen. Dat Shakespeare zijn gewone onpartijdigheid verloochent, in de Grieksche helden geen goed kon zien en zeer beslist voor de Trojanen partij trekt, behoeft niet al te zeer te verwonderen, als men bedenkt, dat hij, als goed Engelschman, de overlevering aanneemt, die de Engelschen van Hector doet afstammen. Vandaar, dat Hector niet in een open strijd sneuvelt, maar door Achilles op laaghartige wijze overvallen en geveld wordt.—Opmerking verdient het karakter van Cressida, daar deze onder al de vrouwen, die Shakespeare ten tooneele voert, de eenige “coquette” is.—Eindelijk verdient ook dit de aandacht, dat geen enkel zijner stukken zoo rijk is aan spreuken, aan lessen in wereld- en levenswijsheid, die hij over het algemeen bij monde van Ulysses verkondigt. Het is, alsof hij hierdoor wilde vergoeden, dat hij de beroemde Grieksche helden uit den ouden tijd in hun glorie zoo verkleind, hun den stralenkrans van het hoofd gerukt heeft!Dat de “Troilus en Cressida” uit denzelfden tijd dagteekent, waarin “Maat voor Maat” geschreven is en waarschijnlijk onmiddellijk na dit stuk uit zijn pen gevloeid is, valt bijna niet te betwijfelen; de geheele geest van het stuk pleit er voor. Bovendien is het bekend, dat in Februari 1603 de uitgever Roberts zich, door inschrijving in de registers van den boekhandel, het recht tot uitgaaf verzekerd heeft van een tooneelwerk, getiteld “Troilus en Cressida, zooals het gespeeld is door de dienaren van den Lord Kamerheer”, d. i. door het tooneelgezelschap, waartoe Shakespeare behoorde. Hiermede kan Shakespeare’s stuk bedoeld zijn, doch zekerheid bestaat er niet, want de uitgaaf ging niet door, misschien omdat het stuk bij de vertooning, waartoe het weinig of niet geschikt is, geen bijval vond. Eerst in 1609 verscheen er een quarto-editie van Sh.’s stuk; aan de verzekering der voorrede, dat het nieuw en nog nooit vertoond was, behoeft men niet het minste gewicht te hechten; maar er kan waarheid in schuilen. Het stuk van 1603 kan de eerste bewerking geweest zijn, die later herzien is en dan waarschijnlijk vooral in die tooneelen, waarin Ulysses optreedt.Tot dit zelfde tijdperk van zijn leven moeten, naar het mij voorkomt, die gedeelten van “Timon van Athene” gebracht worden, welke van Shakespeare’s hand zijn. Want een groot deel van het stuk is onecht, niet van Shakespeare. Op verschillende wijzen kan men dit verklaren. Het zou kunnen zijn, dat hij in een bestaand stuk slechts enkele deelen nieuw geschreven of omgewerkt heeft, namelijk die, waarin de hoofdpersonen, Timon, zelf optreedt, of dat hij wel een volledig stuk geschreven heeft, maar dat het handschrift te loor ging en er slechts enkele deelen of eenige rollen van overgebleven waren; in dit geval moet dan een ander het stuk ter vertooning gereed hebben gemaakt. Maar ’t kan ook zijn, dat hij, na enkele deelen geschreven en zijn gemoed lucht gegeven te hebben, het stuk onvoltooid liet. Hoe dit zij, uit de echte gedeelten blijkt duidelijk, dat Shakespeare bij het schrijven er van van somberen ernst vervuld was, dat hij de boosheid en ondankbaarheid van het menschelijk geslacht kende en er de fiolen van zijn toorn over wilde uitgieten. En dat hij dit in den “Timon van Athene” ruimschoots gedaan heeft zal niemand ontkennen.Na zulke uitbarstingen van wrevel en toorn, als wij in de laatste stukken bijwonen, moest een geest als die van Shakespeare zijn heerschappij over zichzelf, zijn kalmte herkrijgen. En de omstandigheden waren gewijzigd; aan de boeien der donkere schoone had hij zich lang ontworsteld, bij de troonsbeklimming van Jacobus I was zijn vriend Southampton in vrijheid gesteld; de nieuwe vorst was het tooneel en in het bijzonder het tooneelgezelschap, waartoe Shakespearebehoorde, gunstig gezind. Hoe ernstig de stemming ook wezen mocht, die Shakespeare bezielde, hij beheerschte zichzelf weder volkomen en schreef van 1604 tot 1606 drie treurspelen, die tot de grootste meesterwerken behooren, welke ooit door eenig dichter geschapen zijn: “Othello”, “Macbeth”, “Koning Lear”.Wie de novelle van Cinthio, waaruit Shakespeare den inhoud voor zijn “Othello” geput heeft, naleest, vindt niets dan een verhaal, dat onder de tafereelen uit de lijfstraffelijke rechtspleging te huis behoort en zeker zonder Shakespeare’s meesterstuk lang vergeten zou zijn6. En toch, welke personen, welke karakters schept de dichter! Othello, niettegenstaande zijn kleur wegens zijn verdiensten tot krijgsbevelhebber benoemd, edel en gematigd, is echtgenoot van een jeugdige schoone vrouw, die schuchter is, stil en zacht, de reinste onschuld, en wier argeloosheid haar later ten verderve strekt; hij wordt, hoe gewoon ook zichzelf te beheerschen, door een schurk, die den schijn van rechtschapenheid en welwillendheid weet aan te nemen, en een groote mate van practische wereldwijsheid bezit, tot jaloerschheid,—oorspronkelijk geheel vreemd aan zijn edele ziel,—tot razernij vervoerd, zoodat hij zijn schuldelooze vrouw wegens haar vermeende ontrouw om het leven brengt! En met welk een zorg is Jago geteekend, die wegens zijn verdiensten als soldaat en zijn geslepenheid, waarop hij trotsch is, niet aan Othello vergeven kan, dat hij niet de eerste plaats naast dezen inneemt, en die met weergâlooze list zijn bevelhebber weet te verstrikken! In de novelle koestert Jago een hartstocht voor Desdemona en tracht tevergeefs de gunst der kuische vrouw te verwerven, zoodat de spijt over het mislukken zijner pogingen hem een prikkel is tot zijn handelwijze. Shakespeare heeft deze beweegreden niet overgenomen; Jago’s wrok over vermeende miskenning is de voornaamste drijfveer, waarbij nog zijn lust komt in berekenende boosheid, welke hij meer dan eens in zijn alleenspraken aan den dag legt. Bij al zijn slimheid wordt toch op eens zijn schurkerij ontmaskerd, en dit doet hem een oogenblik zijn zelfbeheersching vergeten, zoodat hij zijn vrouw doorsteekt.—Diep weemoedig is de indruk, dien het treurspel bij ons achterlaat door den ondergang van twee zoo edele wezens, als de trouwhartige Othello en de schuldelooze Desdemona.Niet minder somber is de stemming, die in den “Macbeth” heerscht; in geen van Shakespeare’s werken komt het woord “bloed” zoo dikwijls voor. Doch hoe schrikkelijk dit stuk ook zij, onweerstaanbaar worden wij van het begin tot het einde geboeid, en wij wagen eerst dan weder adem te halen, wanneer na den val van den tyran en den dood zijner onzalige vrouw een betere toekomst voor het rampspoedig Schotland gaat aanbreken. De dichter houdt ons zoo bezig, laat alles zoo goed ineengrijpen, dat wij zelfs geen oogenblik nadenken over den duur van Macbeth’s regeering, die volgens de kroniek zeventien jaren omvat heeft. En alles in het stuk is in overeenstemming met het onderwerp. De forsche gestalten van de helden Macbeth Banquo, die zoo juist in een heftigen strijd onder storm en onweêr een roemvolle overwinning hebben behaald, behooren te huis in het woeste, rotsachtige landschap, waarin de heksen uit nevelen te voorschijn treden, en Macbeth tot het booze verlokken, zonder dat echter de vrijheid van zijn wil aan banden gelegd is; hij blijft dus verantwoordelijk voor de schuld, die hij op zich gaat laden. De kiem van het kwade, die in hem sluimerde, wordt tot leven gewekt, en de eerzucht zijner vrouw weet de zijne zoo te prikkelen, dat zijn betere natuur bezwijkt en hij moordenaar wordt van zijn koning, van de goedheid zelf, die bij een helderen hemel hem op zijn schoon kasteel komt bezoeken. Doch de hemel wordt weldra zwaar bewolkt; in een stormachtige nacht wordt de gruweldaad gepleegd, en terstond daarna begint reeds de straf, door de ontzetting, die zich van Macbeth meester maakt. Moge zijn vrouw hem moed inspreken en met de folteringen van zijn geweten spotten,—dat ook haar kracht te kort kan schieten, blijkt reeds kort na den moord; op het gastmaal behoeft zij reeds de opwekking van haar man om opgeruimd te zijn; eerst als deze bij het zien van Banquo’s geest geheel ontdaan is, hervindt zij de kracht, die de omstandigheden van haar eischen. Doch het bewustzijn, dat zij niet alleen den moord heeft doen plegen, maar dat ook de heldennatuur van haar man door haar ten val gebracht is, werkt in haar voort en doet in den slaap, als zij geen weerstand vermag te bieden, haar kracht ten gronde gaan. Macbeth zelf, hoe zeer het gevoel zijner misdaad zijn gemoed geschokt hebbe en zijn kracht gebroken, tracht door manhaftigheid zich tegen de gevolgen te verzetten; hij ontziet, om zich staande te houden de ergste middelen niet; hij waadt door bloed, en roept zelfs den bijstand der heksen in, dien hij het volgend oogenblik als nietig erkent; dochhij verwijt zijn vrouw geen oogenblik, dat zij hem tot de onheilvolle daad heeft aangezet, en neemt manmoedig de gevolgen er van op zich; hij valt, schoon tot vertwijfeling gebracht, als held in den strijd. Gelukkig, dat, nu zijn verduisterde zon ondergaat, zich een nieuwe veelbelovende dageraad aan de kim vertoont.Evenzeer als “Othello”, als “Macbeth”, ja, in nog hoogere mate is “Koning Lear” een onvergelijkelijk meesterstuk te noemen. Het overtreft in sombere verhevenheid alles wat ooit de dramatische dichtkunst voortgebracht heeft. Doch schrikkelijk is het; men rilt, als de rampzalige, door zijn ontaarde, beweldadigde dochters uitgestooten grijsaard op de heide in storm en onweer rondwaart, als zijn gehuil met dat van de winden wedijvert, als de reeds lang sluimerende waanzin eindelijk uitbreekt, als hij, voor een oogenblik in een armelijke stulp tegen het weder beschermd, daar samen is met den geveinsd waanzinnigen Tom en den trouwen nar, die hem bittere waarheden verkondigd heeft; als hij, door de trouwe zorgen van zijn liefhebbende Cordelia van zijn waanzin hersteld en met haar gevangengenomen, zijn eenig getrouw kind dood in de armen houdt, zijn aandoenlijke klacht uitstort en bezwijkt!—En met die treffende geschiedenis is een tweede samengeweven, niet minder schokkend en roerend, een overeenkomstige geschiedenis van een vader, die zijn besten zoon miskend heeft en door den anderen, den begunstigden, met den zwartsten ondank beloond wordt, en die in zijn diep rampzaligen toestand door den verstooten zoon, zelf een toonbeeld van ellende, verpleegd wordt! En deze twee geschiedenissen zijn zoo innig verwant, dat de eene volstrekt geen herhaling schijnt van de andere, maar beide elkanders werking verhoogen en tot een innige eenheid zijn saamgevloeid!Van “Pericles, vorst van Tyrus” behoeft hier slechts kort gesproken te worden. Omtrent dit stuk, dat door de uitgevers der folio-editie niet als echt erkend, ten minste niet in hun uitgave opgenomen werd, is in de aanteekeningen met mededeeling der gronden gezegd, dat het niet van Shakespeare is, maar dat hij er, in de tweede helft, eenige tooneelen van gewijzigd of ook geheel nieuw geschreven heeft. Het belang van het tooneelgezelschap, waar hij aan verbonden was, bracht dit zeker mede, en wellicht heeft hij meermalen zulk een arbeid verricht. Ditmaal trok ongetwijfeld de figuur van Marina hem aan, en heeft hem het stuk doen verrijken met eenige heerlijke tooneelen, die uit den tijd der volle rijpheid van zijn talent dagteekenen. Hij schreef deze kort vóór of in 1608. Zijn medewerking aan dit stuk, de aard der tooneelen, die van zijn hand zijn, en vooral het scheppen van zulk een liefelijk wezen als Marina, mogen ons ook om een andere reden belang inboezemen. Zij geven ons reden om te vermoeden, dat de ernstige, ja sombere stemming, die, na den “Hamlet”, zijn drie groote treurspelen: “Othello”, “Macbeth”, “Koning Lear” in het leven riep, voor een kalmere, meer opgeruimde geweken was, dat hij het leven met een meer toegevenden, met een zachteren blik gadesloeg.Dit kan ons ook duidelijk worden, als wij op zijn “Antonius en Cleopatra” de aandacht vestigen, welk stuk in 1607 of 1608, misschien vóór Pericles, moet geschreven zijn. Het is hier de plaats niet om aan te wijzen, hoe nauwkeurig Shakespeare zijn bron, Plutarchus, gevolgd heeft; hoe hij de overrijke stof, waarover in de Aanteekeningen uitvoerig gehandeld is, in een beperkt bestek heeft weten saam te dringen; hoe hij, zelfs te midden van vele gebeurtenissen, zoo groot en zoo verscheiden, dat zij het overzicht bemoeilijken en men wenschen zou er minder van overstelpt te worden, zorg gedragen heeft de verschillende karakters juist en scherp te teekenen en de handelingen der personen uit hun karakter te doen voortspruiten. Evenmin kan hier gewezen worden op de groote dichterlijke schoonheden van het wondervolle stuk. Wat hier wel opgemerkt moge worden, is, dat het fel bewogen gemoed des dichters, dat zich uit in “Othello”, in “Koning Lear”, in “Macbeth”, dat kreten van wanhoop slaakt in “Timon van Athene”, bij het schrijven van zijn “Antonius en Cleopatra” tot kalmte gekomen is. Wij zien deze beiden aan den hevigsten hartstocht ten prooi, wij zien hen bezwijken voor de slagen van het lot, die het onafwendbaar gevolg zijn hunner handelingen; de dichter heeft ons hun feilen niet verzwegen, doch geen woord van verwijt komt over zijn lippen; het is, als stond hij naast ons, wanneer de heldhaftige Antonius, die tot het uiterste gestreden heeft en het sterven zijner geliefde vernemen moest, zich den dood geeft, wanneer Cleopatra, in vorstelijk praalgewaad; de grimmige adders aan de borst legt om haar koninklijke eer te redden, schande te ontgaan en naar haar Antonius te ijlen; het is ons, als drukte zijn blik, bij het aanschouwen zijner eigen schepping, diepen weemoed uit, dat deze heerlijke wezens zich aan den ondergang hebben gewijd.Tot dit tijdperk van des dichters leven moet ook nog zijn “Coriolanus” gebracht worden, een wonderschoone schepping, ongetwijfeld omstreeks 1609 tot stand gebracht. Evenals bij de twee andere Romeinsche stukken, was ook hier Plutarchus zijn trouwe gids. Hier verbijstert ons geen veelheid van gebeurtenissen, maar de eenheid van handeling is voortreffelijk bewaard; hier vinden wij als achtergrond den strijd tusschende Patriciërs en Plebejers, waartegen de heldenfiguur van Coriolanus schitterend uitkomt, een karakter, dat door zijn waarheid en waarachtigheid boeit maar door zijn mateloozen trots ten slotte tot verloochening van zijn vaderland gebracht en in het verderf gestort wordt. De geheele opvatting en fijne uitwerking maken den “Coriolanus” tot een van de grootste meesterstukken der dramatische literatuur.Dat in “Coriolanus” zijn fiere moeder Volumnia en zijn zachte echtgenoote Virgilia bijzondere aandacht verdienen, zij hier slechts even aangestipt, doch moge ons aanleiding geven om het tal van vrouwenfiguren, die Shakespeare in de tot dusverre besproken stukken ten tooneele bracht, nogmaals te overzien; want ook dit kan ons een blik doen slaan op zijn levensbeschouwing en op de verandering, die deze in den loop der jaren ondergaan heeft. In de eerste historiestukken zijner jeugd treden vrouwen op, in wie de eerzucht alle zachtere gemoedsaandoeningen gedood heeft, zooals de hertogin van Gloster en koningin Margaretha, en later in “Koning Jan” de koningin Eleanor, of anderen, bij wie angst en hartgrievende kommer hartstocht en behoefte aan wraak hebben gewekt, zooals bij Constance in laatstgenoemd stuk. In de vroegere blijspelen ontbreekt bij de vrouwen het diep gevoel en de hartstochtelijke liefde niet, waarvan Julia in de “Twee Edellieden van Verona”, als voorbeeld moge strekken; en hoe Shakespeare de innigste liefde weet terug te geven, moge Romeo’s Julia getuigen. Maar kenmerkend zijn voor de meeste vrouwen uit de blijspelen van het eerste en tweede tijdperk de frissche levenslust, de geestigheid en gevatheid, de stoutmoedigheid, waarmede zij aan haar hartstocht of aan haar eens opgevat plan gehoor geven en recht op het doel afgaan. Hierbij valt op te merken, dat de karakters langzamerhand fijner en voortreffelijker geteekend worden: men vergelijke Rosaline uit “Veel Gemin, geen Gewin”, met Beatrice uit “Veel leven om niets”, met Rosalinde uit “Elk wat wils”, en met Viola uit “Driekoningenavond”. Merkwaardig is ook, dat Shakespeare de meisjes met echt vrouwelijk en liefhebbend karakter gaarne in mansgewaad dost, zooals Julia uit de “Twee Edellieden van Verona”, de bekoorlijke Jessica en de rechtsprekende Portia, de schalksche Rosalinde en de zachte, in al haar doen vrouwelijke Viola; de tegenstrijdigheid van gewaad en karakter verhoogt het genot, dat de verkleeding aanbiedt, terwijl Helena, die met waarlijk manlijken geest en moed haar doel nastreeft, terecht haar vrouwelijk gewaad behoudt.Kunnen wij uit deze breede schaar van vrouwen opmaken, welke karaktertrekken en eigenschappen door Shakespeare in den ochtend en voormiddag van zijn leven geacht werden aan de vrouw de hoogste bekoorlijkheid en lieflijkheid te verleenen, dan slaan wij ook gaarne de vrouwen gade, in lateren tijd, toen hij den middag des levens bereikt had, door hem met meesterhand geteekend. Op de vrouwen, wier karakter geheel door den aard van het stuk gevorderd en bepaald wordt, zooals Cleopatra en de behaagzieke wufte Cressida, Lady Macbeth en de monsters Goneril en Regan, hebben wij hier natuurlijk niet te letten. Wij vestigen veeleer het oog op Portia, de kloeke en toch met echt vrouwelijke teederheid liefhebbende echtgenoote van Brutus, op de engelreine Isabella, op de ongelukkige, liefelijke Ophelia, op Desdemona, Cordelia, Marina, Virgilia, en wij erkennen, dat aan Shakespeare in dezen tijd een ander ideaal van vrouwelijke volkomenheid moet voorgezweefd hebben dan vroeger. “Haar stem was altijd zacht, lieflijk zacht,—een heerlijk ding bij vrouwen,” getuigt Lear van zijn Cordelia.Het einde van dit levenstijdperk, waarin Shakespeare zijn groote treurspelen schiep, mogen wij, zooals boven reeds aangeduid is, met groote waarschijnlijkheid in 1609 stellen. Hij maakte toen ongetwijfeld nog steeds deel uit van het tooneelgezelschap, waartoe hij sinds jaren behoorde. Wel kunnen wij uit enkele sonnetten opmaken, dat het tooneelspelersleven hem sedert lang tegen de borst stiet; maar wij moeten toch onderstellen, dat hij nog geruimen tijd aan het tooneel verbonden bleef, al trad hij, wegens zijn bezigheden als schrijver, misschien niet vaak of niet in groote rollen op. De talrijke, door hem tot 1609 geleverde werken, die alle een grondige kennis van het tooneel tot grondslag hebben, verbieden aan te nemen, dat hij ze ergens anders dan in Londen en aan het tooneel verbonden, geschreven heeft; en hij heeft ongetwijfeld ook door zijn tegenwoordigheid gezorgd, dat zij op waardige wijze werden opgevoerd. Wel was hij blijkbaar van plan zich later te Stratford te vestigen en de aankoop aldaar van het huis,New Placegeheeten, in 1597 bewijst dit ten volle, maar ter verwerving van de noodige middelen, om als gezeten burger onbezorgd te kunnen leven, zal hij nog wel verscheiden jaren na dien tijd noodig hebben gehad. Dat hij steeds in geldelijk opzicht vooruitging, blijkt: in 1602 kocht hij landerijen nabij Oud-Stratford, in hetzelfde jaar een boerderij, niet verre van zijn huis gelegen, en nog een ander huis en erve, in 1605 een aandeel in het tiendrecht, dat hem vrij wat opbracht. Doch het is noodeloos al zijn aankoopen, voor zooverre ze bekend zijn, te volgen; genoeg zij het, hier te zeggen, dat hij,toen hij zich te Stratford vestigde, tot de zeer gegoede burgers mocht gerekend worden. Vooralsnog was hij te Londen en een neef van hem, Thomas Greene,the Town-clerk, woonde in 1609 in New Place. Hoogstwaarschijnlijk verhuisde hij niet vóór 1613, toen hij zijn laatste stuk, “de Storm”, geschreven had, naar zijn geboorteplaats.Merkwaardig is het, dat Shakespeare, te midden van al zijn bezigheden, terwijl hij dichterlijke meesterwerken schreef, die nog na eeuwen de wereld in verrukking brengen, steeds behoorlijk zijn zaken in het oog gehouden en zelfs goed op de kleintjes gepast had. Zoo vindt men opgegeven, dat hij in 1604 iemand gerechtelijk vervolgde wegens een schuld van even ƒ 21.— (naar tegenwoordige geldswaarde zeker wel ƒ 100.—), in 1608 een anderen schuldenaar, wegens 6 pond sterling, en, toen zijn vordering hem na eenige maanden werd toegewezen, doch de schuldenaar niet te vinden was, den borg er voor aansprak.Shakespeare’s ouders waren nog getuigen geweest van den steeds wassenden roem huns zoons. Zijn vader stierf in September 1601 en werd in Stratford begraven. Op 7 Juni 1607 huwde zijn oudste dochter, Susanna, toen 24 jaar oud, met Dr. John Hall, een zeer geacht geneesheer in Stratford, die een uitgebreide praktijk had; in hetzelfde jaar, in December, stierf zijn jongste broeder Edmond, tooneelspeler, in Londen, en werd er op een kerkhof in de nabijheid van het Globus-theater begraven. In Februari 1608 werd Shakespeare’s eerste kleinkind, Elizabeth, geboren, dat 21Febr.gedoopt werd; het bleef het eenigst kind der ouders, en het eenig kleinkind, dat de dichter gezien heeft. In September van hetzelfde jaar stierf zijn moeder en werd te Stratford begraven. Had zijn vader er zich reeds in kunnen verheugen, dat de voorspoed van zijn oudsten zoon den naam van Shakespeare in Stratford weder in eere bracht, veel meer genot heeft zijn moeder kunnen smaken door zijn steeds toenemende welvaart en immer wassenden roem.1The many-headed multitude were drawnBy Brutus’ speech, that Cæsar was ambitious:When eloquent Mark Antony had shownHis virtues, who but Brutus was then vicious?2Cog, lie, flatter and face,Four ways in Court to win men grace,waren de woorden van Roger Asham.3Voor de verheerlijking van Elizabeth in het laatste bedrijf van “Koning Hendrik VIII” is Shakespeare niet aansprakelijk.4Van alle gissingen omtrent de personen, die in de Sonnetten bedoeld zijn, is die van Tyler en Harrison, welke ook door George Brandes wordt aangenomen, de waarschijnlijkste: de zwarte schoone zou Mrs. Mary Fitton geweest zijn, een begunstigde hofdame van Elizabeth, de schoone jongeling William Herbert, in 1580 geboren, later graaf van Pembroke, dezelfde, aan wien door Heminge en Condell, de eerste uitgaaf van Shakespeare’s verzamelde tooneelwerken in 1623 werd opgedragen.5In de aanteekeningen wordt vermeld, dat het stuk in December 1604 in het paleis des konings gespeeld is; doch de lijst der tooneelvertooningen ten hove, waaruit dit bericht ontleend is, wordt voor onbetrouwbaar gehouden.—Voor het overige raadplege men de Aanteekeningen, waar men opgegeven vindt, uit welke bronnen Shakespeare de stof voor zijn stuk geput heeft, en hoe hij deze vervormd en veredeld heeft.6De namen vanOthelloenJagokomen in de novelle niet voor; zij worden aangetroffen in een Engelsch verhaal,God’s Revenge against Adultery, “Gods wrake over echtbreuk”, en zijn dus waarschijnlijk hieruit ontleend. Dit verhaal heeft overigens niets met Shakespeare’s Othello en evenmin met Cinthio’s novelle te maken.
Van welk een jeugdige opgeruimdheid, van welk een genot in het leven de tooneelwerken van het vorig tijdperk ook getuigenis mogen afleggen en hoezeer het Shakespeare in de wereld ook voor den wind ging, de blijmoedige stemming hield niet aan, maar werd weldra door een ernstige, ja sombere vervangen. De sonnetten, die in 1609, ongetwijfeld zonder toestemming of medewerking van Shakespeare, het licht zagen en die vermoedelijk grootendeels uit den aanvang van het nu volgend tijdperk van zijn leven, omstreeks 1600, herkomstig zijn, mogen als voldingend bewijs gelden, dat ook stormen zijn gemoed beroerd hebben, dat hij ook teleurstellingen ondervonden heeft, dat er oogenblikken waren, waarin hij zijn stand van tooneelspeler haatte, ja, waarin de ongerechtigheden der wereld hem diep nederdrukten. Wie zich hiervan wil overtuigen, leze b.v. de sonnetten XXIX, CXI en CXII. Het kan zelfs wezen, dat juist de voorspoed, dien hij genoot, en zijn aangroeiende geldmiddelen, die hij wilde bezigen, om een gezeten burger te worden, hem de hebzucht der menschen nader deden kennen; bovendien kunnen de moeite, die hij vaak had om het hem verschuldigde te innen, en de soms voorkomende noodzakelijkheid van gerechtelijke vervolging, hem ontstemd hebben en de wereld van een minder rooskleurige zijde, op een minder blijmoedige wijze, doen beschouwen; het lied van Amiens over den ondank der menschen (“Elk wat wils”, II. 7. 174), mag dit doen vermoeden. De sonnetten spreken ons van veel dieper grievend leed, waarvan zoo dadelijk meer zal gezegd worden. Doch al ware dit uitgebleven, verwonderen kan het ons niet, dat de dichter, iets ouder geworden, op zes-en-dertigjarigen leeftijd zich aan het behandelen van ernstiger onderwerpen wijdde. Had vroeger het schrijven van historiestukken de gezette beoefening van Holinshed’s kroniek van hem geëischt, of omgekeerd deze hem tot het schrijven aangespoord,—in dezen tijd, en misschien reeds veel vroeger, werden de door den ouden Plutarchus geleverde levensbeschrijvingen, die door Thomas North in zeer goed Engelsch vertaald en in 1579 verschenen waren, vlijtig door hem ter hand genomen; de levens van Cæsar en van Brutus leverden hem de bouwstoffen voor zijn “Julius Cæsar”. Dat een schrijver als Plutarchus hem bijzonder aantrok, is gemakkelijk te begrijpen, want deze wijdt bijzondere aandacht aan het karakter der personen. Belangwekkend is het, Plutarchus en Shakespeare te vergelijken. De dichter volgt den ouden geschiedschrijver zeer getrouw; hij ontleent er niet alleen de hoofdzaak, maar ook menigen bijzonderen trek aan. Doch welk een verschil! Bij Plutarchus vindt men een juiste teekening van enkele hoofdfiguren; de omtrekken zijn duidelijk, er zijn kleuren aangebracht, doch hard en scherp; lucht en schaduw ontbreken, en van een kunstvolle groepeering is geen sprake. Men vergelijke nu Shakespeare; men herkent dezelfde figuren, maar zij leven; wij zien ze met al de kleurschakeeringen, met het licht en donker, dat de natuur doet zien,en deze zijn door een onmerkbare kunst zoo geschikt, dat het eene het andere beter doet uitkomen en het geheel inderdaad een geheel is. Plutarchus verhaalt, dat Brutus door zijn toespraak het volk voor een poos tot kalmte wist te brengen, maar dat Antonius, wien hij verlof gegeven had Cæsars testament aan het volk voor te lezen, door het toonen van Cæsars wonden en bloedig gewaad het volk tot woede wist te ontvlammen,—en men zie wat Shakespeare van deze weinige mededeelingen heeft gemaakt. En hoe is, wat Plutarchus van Brutus mededeelt, door Shakespeare tot een schoon geheel verwerkt! Wij zien, hoe Brutus, die van Cæsar weldaden genoten had en hem beminde, doch tevens het verval der oude republiek betreurde, door Cassius en daarna door anderen, er toe gebracht wordt saâm te zweren tot een daad, die tegen zijn natuur strijdt; hoe hij, die door zijn gaven in het oog des volks de ziel der samenzwering was, overeenkomstig zijn natuur het bloedvergieten zooveel mogelijk tracht te beperken en de fout begaat, van na de onmenschelijke daad, die den grooten dictator ten val bracht, uit menschelijkheid Marcus Antonius te sparen, ja dezen toe te staan, tot het volk te spreken; hoe hij, die vertrouwd had op de vermeende rechtvaardigheid zijner zaak en niet gezorgd, dat hij zich in Rome en Italië kon handhaven, in Azië een leger moet samenrapen om de oude legioenen van Cæsar te bestrijden; hoe hij in den krijg, meer wijsgeer dan veldheer, door gebrek aan beleid zijn vriend Cassius ten verderve brengt, den veldslag verliest en ten slotte genoopt is, het voorbeeld van zijn vriend en medebevelhebber te volgen en zichzelf den dood te geven. Wanneer men aldus het karakter en het lot van Brutus nagaat, en opmerkt, hoe hier de samenzwering tegen Julius Caesar in zijn oorsprong, voortgang en afloop volledig voor oogen wordt gesteld, dan zal men erkennen, dat aan de eenheid van handeling in dit stuk niets ontbreekt. Deze eenheid is meermalen miskend, omdat het stuk niet naar Brutus, die van het begin tot het einde de belangrijkste rol er in speelt, maar naar Julius Cæsar genoemd is. Toch heeft de dichter niet ten onrechte den laatstgenoemden titel gekozen, want na Cæsars dood werkt zijn macht nog voort, zooals Brutus zelf, bij het zien van Cassius’ lijk, getuigt.
Het stuk moet van 1600 of 1601 dagteekenen, want reeds vóór Drayton, die er in 1603 een uitdrukking aan ontleende, deed Weevers hetzelfde, in zijn “Spiegel van Martelaren”,Mirror of Martyrs, welk gedicht in 1601 verscheen; hij maakt er gewag van, hoe de veelhoofdige menigte door Brutus overtuigd werd, dat Cæsar heerschzuchtig was, maar door Marcus Antonius, die Cæsars deugden roemde, van meening veranderde. Aan Plutarchus kon Weevers dit niet ontleenen1.
Op “Julius Cæsar” volgde reeds in 1602 “Hamlet”; want dat dit stuk reeds in Juli van dat jaar bestond, al verscheen er eerst in 1603 een verminkte uitgave van, blijkt uit de registers van den boekhandel; men zie hierover de aanteekeningen op Hamlet. Aldaar vindt men de vraag behandeld, of Shakespeare in zijn eerste ontwerp en bewerking van den Hamlet later al of niet aanzienlijke wijzigingen gebracht heeft; in het eerste geval kan de onvolkomen uitgaaf van 1603 ons zijn eerste ontwerp, de veel betere van 1604 de omwerking doen kennen; in het tweede zijn bij de vertooning afgeluisterde en opgeschreven gedeelten door een ander aaneengelascht en is de tekst van 1604 de eenige en oorspronkelijke, zooals Shakespeare dien uit de handen gaf om gespeeld te worden.
Heeft Shakespeare zich in den “Julius Cæsar” getrouw aan de mededeelingen van Plutarchus gehouden, voor den “Hamlet” heeft hij aan een oud verhaal nagenoeg niets anders dan den gang der gebeurtenissen ontleend, doch dezen nog aanzienlijk gewijzigd en de handeling in een geheel anderen tijd verplaatst; de rijke karakterschildering is, zooals men van het geheele onovertroffen meesterstuk kan zeggen, volkomen oorspronkelijk. Merkwaardig is de overeenstemming tusschen Brutus en Hamlet: Brutus heeft een taak op zich genomen, die tegen zijn natuur strijdt en begaat daardoor fouten, die hem te gronde richten; en op Hamlets schouders is een taak gelegd, die hij door zijn natuur niet volbrengen kan. Hamlet is veel somberder; hij verkeert meer in de stemming, die in het zes-en-zestigste sonnet is uitgedrukt. En geen wonder: Brutus hoopt den staat te redden, door een groot man, dien hij vereert, te dooden, en het is hem gegeven te handelen; Hamlet heeft den sluipmoord, op zijn vader begaan, te wreken, en zijn moeder is met den moordenaar gehuwd; Brutus mag zijn zorgen vertrouwen aan zijn edele vrouw, Hamlet vindt geen steun bij het meisje, dat hij bemint; Brutus kan in zijn stervensuur nog juichen, dat hij in zijn geheele leven niemand had aangetroffen, die hem niet trouw was gebleven, Hamlet heeft slechts één vriend, Horatio, wien hij stervend smeekt, een wijl nog met moeite in ’s werelds booze lucht adem te halen; waar hij zulk een leven heeft moeten leiden, moeten wij het sterven voor hem gewin achten.
De beide laatstgenoemde tooneelwerken hebben dit nog met elkander gemeen, dat de hoofdpersonen denkers, mannen van studie, zijn en niet dooreen hartstocht, die hen voortdrijft, te gronde gaan. Anders is het bij de stukken, wier beschouwing nu aan de beurt ligt, waarin hartstochten de hoofdpersonen hebben aangegrepen en hen in het verderf storten. Wie ze aandachtig leest en zich tevens in de sonnetten des dichters verdiept, moet tot de overtuiging komen, dat de wereld, waarin hij leefde, zijn verontwaardiging, zijn afschuw zelfs wekte; gebeurtenissen, waarvan hij getuige was geweest, hebben hoogstwaarschijnlijk zijn ziel van wrevel vervuld, en tevens moeten in zijn eigen binnenste stormen hebben geheerscht. De ziel van Shakespeare was vol en eerst nadat hij die had uitgestort in zijn tooneelwerken en sonnetten, heeft zij haar kalmte herwonnen en den vrede gevonden, waarvan zijn laatste geschriften getuigen. De geschiedenis van zijn tijd en zijn sonnetten vergunnen ons een blik te slaan op wat er in hem is omgegaan.
Uit de gebeurtenissen van Shakespeare’s tijd behoeft hier alleen het een en ander aangestipt te worden, wat hem ongetwijfeld diep gegriefd heeft. Dat er omgang bestond tusschen tooneelspelers en jonge edellieden, die de vertooningen bijwoonden en op het tooneel hun zitplaats hadden, is reeds vermeld; dat Shakespeare in den graaf van Southampton een begunstiger gevonden had en dat deze de opdracht van zijn Venus en Adonis en zijn Lucretia had aangenomen, is mede reeds gebleken. Men mag vermoeden, dat er tusschen den edelman en den begaafden tooneeldichter inderdaad een vriendschappelijke omgang heeft plaats gevonden, en dat Shakespeare belangrijke geschenken van hem ontvangen heeft. Hoe moet het hem dus gegriefd hebben, dat Koningin Elizabeth, toen Southampton in Augustus 1598 tegen haar verbod in met Elizabeth Vernon, een nicht van Graaf Essex, huwde, den jonggetrouwden man de wittebroodsweken in den Tower liet doorbrengen en hem wel weder vrijliet, maar niet weder in genade aannam. Het werd hem ook niet vergund, hoewel hij zich vroeger bij een zeegevecht zeer onderscheiden en een vijandelijk schip buitgemaakt had, deel uit te maken van den krijgstocht, die onder bevel van Essex in Maart 1599 tot demping van een opstand in Ierland werd ondernomen. Men had van dezen tocht, waarop Shakespeare in den proloog voor het 5de bedrijf van zijn Koning Hendrik VI zinspeelt, veel verwacht, maar de uitkomst beantwoordde geenszins aan de verwachtingen; om den toorn der koningin te bezweren waagde Essex, tegen haar bevel in, in September naar Engeland te komen, verkreeg gehoor, maar werd, schoon aanvankelijk niet ongunstig ontvangen, niet meer in de vroegere genade aangenomen, in Juni 1600 zelfs voor een gerechtshof gebracht en tot gevangenis in zijn huis veroordeeld, totdat het aan de koningin behagen zou hem hiervan te ontslaan. In Augustus herkreeg hij zijn vrijheid, maar de gunst der koningin erlangde hij niet terug, zelfs verloor hij een groot deel zijner inkomsten, daar een monopolie, waarvan hij tot dusverre deze getrokken had, na afloop van den termijn hem niet op nieuw verleend werd. Van zijne vijanden aan het hof het ergste vreezende, besloot hij, om deze te verwijderen, de koningin te overrompelen. De onberaden poging, in de eerste dagen van Februari 1601 beproefd, mislukte geheel; 8 Februari werd hij gevangengenomen, te gelijk met Southampton, die in zijn aanslag had gedeeld. Zij werden 19 Februari voor hun rechters gebracht en beiden ter dood veroordeeld.
Essex’ hoofd viel 25 Februari; aan Southampton werd het leven geschonken, maar hij werd tot levenslange gevangenis veroordeeld; in 1603, bij de troonsbeklimming van Elizabeths opvolger, Jacobus I, herkreeg hij de vrijheid. Bij dit rechtsgeding tegen Essex deed Francis Bacon, de groote denker, die tallooze weldaden van den ridderlijken Essex genoten had, zich van een hoogst ongunstige zijde kennen en heeft meer dan iemand tot den rampzaligen afloop van het rechtsgeding bijgedragen. Dit alles moest Shakespeare diep treffen, en daar hij genoeg bekenden aan het hof had en ook onder het volk verkeerde, waren hem ongetwijfeld vele bijzonderheden nauwkeurig ter oore gekomen, die de zwarte ondankbaarheid van Bacon openbaarden en ook de diepe verdorvenheid van het hof, waar vele hovelingen alles hadden ingespannen om Essex ten val te brengen, waar bedrog, leugen, vleierij en huichelarij de middelen waren om vooruit te komen,2waar allen, schoon steeds eerbied en liefde voor Elizabeth huichelend, hun oogen reeds naar Schotland, naar koning Jacobus, richtten en in betrekking tot hem stonden. Evenzoo kende hij ongetwijfeld de schaduwzijden van het karakter van Elizabeth, wier ijdelheid en veinzerij met de jaren waren toegenomen en die nu zijn vriend Southampton tot levenslange hechtenis had veroordeeld; toen zij gestorven was, stemde hij niet in met de treurzangen van zoovele Engelsche dichters en de aansporing van Chettle kon hem geen lied tot haar lof ontlokken3. Hamlets woorden: “hoe laag en troosteloos komt mij al’t woelen van de wereld voor!” zijn zeker uit het diepst van Shakespeare’s ziel gevloeid.
Doch er was ongetwijfeld veel meer, dat Shakespeare somber stemde; hij had hoogstwaarschijnlijk zichzelf bittere verwijten te doen. Te midden van het zedenbederf, dat alle standen had aangegrepen, was ook hij, zoo wij de duistere bekentenissen der Sonnetten goed verstaan, niet vlekkeloos gebleven; hij was geboeid geworden door een vrouw van donkere gelaatskleur, vol geest en talenten, waarschijnlijk jong, maar geen onervaren maagd, geen volkomen schoonheid, maar onweerstaanbaar bevallig, waarschijnlijk van veel hoogeren stand dan hijzelf. Dat hij omgang gehad heeft met beschaafde en geestige vrouwen, blijkt uit zijn tooneelwerken. Doch de sonnetten leggen getuigenis af van de macht, die de donkere schoone op hem uitoefende, hoewel hij vermoeden kon of zeker wist, dat zij hem niet trouw was. Tegelijkertijd had een jonkman van edele geboorte, veel jonger dan Shakespeare, zijn omgang gezocht, zich als vriend bij hem aangesloten en hem ongetwijfeld door de een of andere milde gift aan zich verplicht. Shakespeare kreeg den jongeling innig lief, maar weldra gelukte het aan Shakespeare’s donkere geliefde, met wie de jonkman in kennis kwam, diens liefde te winnen. Zoo gevoelde zich Shakespeare bitter gekrenkt, maar hij moest ten slotte aan zijn jeugdigen vriend vergiffenis schenken, want hij kende maar al te goed haar verleidelijke gaven, waardoor zij ook hemzelf, den volwassen en gehuwden man, geboeid had. Hij overwon dien hartstocht; zijn ziel hervond haar kalmte, schoon niet dan na een bitteren tijd van wroeging en berouw4.
Zoo werkten hoogstwaarschijnlijk bij Shakespeare het lot van Essex en Southampton, zijn afkeer van den tooneelspelersstand en de verwijten, die hij zichzelf te doen had, samen om hem in de sombere stemming te doen verkeeren, waarvan zijn eerstvolgende tooneelwerken getuigen.
Want voorzeker, indien Shakespeare in “Maat voor Maat” een blijspel heeft willen leveren, dan is de poging geheel mislukt. De tijd van “Elk wat wils” en van “Driekoningenavond” is voorbij. Het stuk eindigt wel is waar met een paar huwelijken, doch de stemming is somber, en zelfs de scherts, die er in voorkomt, kan niet tot opgeruimdheid, maar veeleer tot wrevel stemmen. De maatschappij, waarin wij worden binnengeleid, is vol verderf, en de deugd van den man, die haar moet hervormen, bezwijkt bij de eerste verzoeking, bij den eersten aanval van hartstocht; hij tracht het booze, dat hij pas luide veroordeeld heeft, zelf te doen; hij wil het verborgen houden door een tweede misdrijf te plegen, en wel onder den schijn van recht te oefenen; het is alleen een hoogere wil dan de zijne, die alles tot een gelukkig einde voert. Doch al speelt dit stuk ook in een verdorven wereld, al is de hemel bewolkt, zoodat geen zonnestraal het landschap vervroolijkt, als een heilige lichtende engel straalt er het beeld der strenge, deugdrijke en schoone Isabella; en als ten laatste de wolken zich verdeelen en de nevelen wegtrekken, blijkt het, dat ook zij, als een andere Portia, de genade, die verbeteren kan, in plaats van het straffend recht wil laten gelden, zooals ook de bedoeling is van den vorst, die door zijn alomtegenwoordigheid het kwade ten beste heeft weten te keeren. En letten wij nader op den inhoud, dan vinden wij het stuk rijk in schoonheden van den eersten rang; wij bewonderen de diepe gedachten, die wij er in menigte in aantreffen, onder andere de beschouwingen over dood en leven, die ons de bespiegelingen van Hamlet voor den geest roepen. Hoewel er vele bijzonderheden in voorkomen, die aan “Eind goed, al goed” doen denken, is de overeenkomst met de denkwijze en de redeneeringen, die wij in den Hamlet vinden, onmiskenbaar, zoodat men alle reden heeft om te vermoeden, dat “Maat voor Maat” onmiddellijk na den “Hamlet” geschreven is, al wordt dit door geen berichten van buiten af gestaafd5. Het stuk moet dan van 1603 dagteekenen. Shakespeare had lang genoeg in Londen vertoefd, om de verdorvenheid, die in de groote stad heerschte, te leeren kennen; en het jaar was wel geschikt om tot ernst en tot nadenkenover den dood te stemmen, daar Londen door een groote pestilentie bezocht werd, die in één jaar, van 23 December 1602 tot 22 December 1603, niet minder dan 30578 personen ten grave sleepte, terwijl de geheele sterfte 38244 bedroeg.
Hoe somber “Maat voor Maat” ook zij, Isabella verdrijft er de nevelen en de wereld, waarin haar licht straalt, is niet te verachten. Veel somberder nog is het tafereel, dat in “Troilus en Cressida” wordt ontrold. Daarin wordt de heldenwereld der Grieken aan verachting ter prooi gegeven; Ajax, Agamemnon, Achilles, Patroclus, Calchas, allen zijn afschuwelijk, de wijsheid van Ulysses is niets dan schrandere wereldwijsheid zonder eenige hoogere wijding, en Thersites, hoe verachtelijk ook voorgesteld, schoon niet meer dan een keffende hond, heeft in den grond gelijk, dat hij allen bij elke gelegenheid beschimpt. De wereld, waarin het stuk ons verplaatst, is, zooals Dowden terecht opmerkt, volgens Hamlets uitdrukking, “een woeste hof, die in het zaad schiet; geil, afschuwlijk onkruid neemt ieder plekje in”. Men moet niet vermoeden, dat Shakespeare met Homerus, van wiens epos hem ongetwijfeld verscheiden gedeelten uit Chapman’s vertaling bekend geweest zijn, in het strijdperk heeft willen treden en zijn gedichten in een bespottelijk daglicht heeft willen stellen, veeleer heeft hij zijn bezwaard gemoed, zijn wrok tegen de wereld bij het schrijven van dit stuk lucht gegeven en in plaats van een blijspel of boeiend tooneelstuk een allerbitterste satire geleverd. De middeleeuwsche verhalen aangaande het beleg van Troje en het gedicht van Chaucer,Troilus en Cressidagetiteld, waren zijn bronnen. Dat Shakespeare zijn gewone onpartijdigheid verloochent, in de Grieksche helden geen goed kon zien en zeer beslist voor de Trojanen partij trekt, behoeft niet al te zeer te verwonderen, als men bedenkt, dat hij, als goed Engelschman, de overlevering aanneemt, die de Engelschen van Hector doet afstammen. Vandaar, dat Hector niet in een open strijd sneuvelt, maar door Achilles op laaghartige wijze overvallen en geveld wordt.—Opmerking verdient het karakter van Cressida, daar deze onder al de vrouwen, die Shakespeare ten tooneele voert, de eenige “coquette” is.—Eindelijk verdient ook dit de aandacht, dat geen enkel zijner stukken zoo rijk is aan spreuken, aan lessen in wereld- en levenswijsheid, die hij over het algemeen bij monde van Ulysses verkondigt. Het is, alsof hij hierdoor wilde vergoeden, dat hij de beroemde Grieksche helden uit den ouden tijd in hun glorie zoo verkleind, hun den stralenkrans van het hoofd gerukt heeft!
Dat de “Troilus en Cressida” uit denzelfden tijd dagteekent, waarin “Maat voor Maat” geschreven is en waarschijnlijk onmiddellijk na dit stuk uit zijn pen gevloeid is, valt bijna niet te betwijfelen; de geheele geest van het stuk pleit er voor. Bovendien is het bekend, dat in Februari 1603 de uitgever Roberts zich, door inschrijving in de registers van den boekhandel, het recht tot uitgaaf verzekerd heeft van een tooneelwerk, getiteld “Troilus en Cressida, zooals het gespeeld is door de dienaren van den Lord Kamerheer”, d. i. door het tooneelgezelschap, waartoe Shakespeare behoorde. Hiermede kan Shakespeare’s stuk bedoeld zijn, doch zekerheid bestaat er niet, want de uitgaaf ging niet door, misschien omdat het stuk bij de vertooning, waartoe het weinig of niet geschikt is, geen bijval vond. Eerst in 1609 verscheen er een quarto-editie van Sh.’s stuk; aan de verzekering der voorrede, dat het nieuw en nog nooit vertoond was, behoeft men niet het minste gewicht te hechten; maar er kan waarheid in schuilen. Het stuk van 1603 kan de eerste bewerking geweest zijn, die later herzien is en dan waarschijnlijk vooral in die tooneelen, waarin Ulysses optreedt.
Tot dit zelfde tijdperk van zijn leven moeten, naar het mij voorkomt, die gedeelten van “Timon van Athene” gebracht worden, welke van Shakespeare’s hand zijn. Want een groot deel van het stuk is onecht, niet van Shakespeare. Op verschillende wijzen kan men dit verklaren. Het zou kunnen zijn, dat hij in een bestaand stuk slechts enkele deelen nieuw geschreven of omgewerkt heeft, namelijk die, waarin de hoofdpersonen, Timon, zelf optreedt, of dat hij wel een volledig stuk geschreven heeft, maar dat het handschrift te loor ging en er slechts enkele deelen of eenige rollen van overgebleven waren; in dit geval moet dan een ander het stuk ter vertooning gereed hebben gemaakt. Maar ’t kan ook zijn, dat hij, na enkele deelen geschreven en zijn gemoed lucht gegeven te hebben, het stuk onvoltooid liet. Hoe dit zij, uit de echte gedeelten blijkt duidelijk, dat Shakespeare bij het schrijven er van van somberen ernst vervuld was, dat hij de boosheid en ondankbaarheid van het menschelijk geslacht kende en er de fiolen van zijn toorn over wilde uitgieten. En dat hij dit in den “Timon van Athene” ruimschoots gedaan heeft zal niemand ontkennen.
Na zulke uitbarstingen van wrevel en toorn, als wij in de laatste stukken bijwonen, moest een geest als die van Shakespeare zijn heerschappij over zichzelf, zijn kalmte herkrijgen. En de omstandigheden waren gewijzigd; aan de boeien der donkere schoone had hij zich lang ontworsteld, bij de troonsbeklimming van Jacobus I was zijn vriend Southampton in vrijheid gesteld; de nieuwe vorst was het tooneel en in het bijzonder het tooneelgezelschap, waartoe Shakespearebehoorde, gunstig gezind. Hoe ernstig de stemming ook wezen mocht, die Shakespeare bezielde, hij beheerschte zichzelf weder volkomen en schreef van 1604 tot 1606 drie treurspelen, die tot de grootste meesterwerken behooren, welke ooit door eenig dichter geschapen zijn: “Othello”, “Macbeth”, “Koning Lear”.
Wie de novelle van Cinthio, waaruit Shakespeare den inhoud voor zijn “Othello” geput heeft, naleest, vindt niets dan een verhaal, dat onder de tafereelen uit de lijfstraffelijke rechtspleging te huis behoort en zeker zonder Shakespeare’s meesterstuk lang vergeten zou zijn6. En toch, welke personen, welke karakters schept de dichter! Othello, niettegenstaande zijn kleur wegens zijn verdiensten tot krijgsbevelhebber benoemd, edel en gematigd, is echtgenoot van een jeugdige schoone vrouw, die schuchter is, stil en zacht, de reinste onschuld, en wier argeloosheid haar later ten verderve strekt; hij wordt, hoe gewoon ook zichzelf te beheerschen, door een schurk, die den schijn van rechtschapenheid en welwillendheid weet aan te nemen, en een groote mate van practische wereldwijsheid bezit, tot jaloerschheid,—oorspronkelijk geheel vreemd aan zijn edele ziel,—tot razernij vervoerd, zoodat hij zijn schuldelooze vrouw wegens haar vermeende ontrouw om het leven brengt! En met welk een zorg is Jago geteekend, die wegens zijn verdiensten als soldaat en zijn geslepenheid, waarop hij trotsch is, niet aan Othello vergeven kan, dat hij niet de eerste plaats naast dezen inneemt, en die met weergâlooze list zijn bevelhebber weet te verstrikken! In de novelle koestert Jago een hartstocht voor Desdemona en tracht tevergeefs de gunst der kuische vrouw te verwerven, zoodat de spijt over het mislukken zijner pogingen hem een prikkel is tot zijn handelwijze. Shakespeare heeft deze beweegreden niet overgenomen; Jago’s wrok over vermeende miskenning is de voornaamste drijfveer, waarbij nog zijn lust komt in berekenende boosheid, welke hij meer dan eens in zijn alleenspraken aan den dag legt. Bij al zijn slimheid wordt toch op eens zijn schurkerij ontmaskerd, en dit doet hem een oogenblik zijn zelfbeheersching vergeten, zoodat hij zijn vrouw doorsteekt.—Diep weemoedig is de indruk, dien het treurspel bij ons achterlaat door den ondergang van twee zoo edele wezens, als de trouwhartige Othello en de schuldelooze Desdemona.
Niet minder somber is de stemming, die in den “Macbeth” heerscht; in geen van Shakespeare’s werken komt het woord “bloed” zoo dikwijls voor. Doch hoe schrikkelijk dit stuk ook zij, onweerstaanbaar worden wij van het begin tot het einde geboeid, en wij wagen eerst dan weder adem te halen, wanneer na den val van den tyran en den dood zijner onzalige vrouw een betere toekomst voor het rampspoedig Schotland gaat aanbreken. De dichter houdt ons zoo bezig, laat alles zoo goed ineengrijpen, dat wij zelfs geen oogenblik nadenken over den duur van Macbeth’s regeering, die volgens de kroniek zeventien jaren omvat heeft. En alles in het stuk is in overeenstemming met het onderwerp. De forsche gestalten van de helden Macbeth Banquo, die zoo juist in een heftigen strijd onder storm en onweêr een roemvolle overwinning hebben behaald, behooren te huis in het woeste, rotsachtige landschap, waarin de heksen uit nevelen te voorschijn treden, en Macbeth tot het booze verlokken, zonder dat echter de vrijheid van zijn wil aan banden gelegd is; hij blijft dus verantwoordelijk voor de schuld, die hij op zich gaat laden. De kiem van het kwade, die in hem sluimerde, wordt tot leven gewekt, en de eerzucht zijner vrouw weet de zijne zoo te prikkelen, dat zijn betere natuur bezwijkt en hij moordenaar wordt van zijn koning, van de goedheid zelf, die bij een helderen hemel hem op zijn schoon kasteel komt bezoeken. Doch de hemel wordt weldra zwaar bewolkt; in een stormachtige nacht wordt de gruweldaad gepleegd, en terstond daarna begint reeds de straf, door de ontzetting, die zich van Macbeth meester maakt. Moge zijn vrouw hem moed inspreken en met de folteringen van zijn geweten spotten,—dat ook haar kracht te kort kan schieten, blijkt reeds kort na den moord; op het gastmaal behoeft zij reeds de opwekking van haar man om opgeruimd te zijn; eerst als deze bij het zien van Banquo’s geest geheel ontdaan is, hervindt zij de kracht, die de omstandigheden van haar eischen. Doch het bewustzijn, dat zij niet alleen den moord heeft doen plegen, maar dat ook de heldennatuur van haar man door haar ten val gebracht is, werkt in haar voort en doet in den slaap, als zij geen weerstand vermag te bieden, haar kracht ten gronde gaan. Macbeth zelf, hoe zeer het gevoel zijner misdaad zijn gemoed geschokt hebbe en zijn kracht gebroken, tracht door manhaftigheid zich tegen de gevolgen te verzetten; hij ontziet, om zich staande te houden de ergste middelen niet; hij waadt door bloed, en roept zelfs den bijstand der heksen in, dien hij het volgend oogenblik als nietig erkent; dochhij verwijt zijn vrouw geen oogenblik, dat zij hem tot de onheilvolle daad heeft aangezet, en neemt manmoedig de gevolgen er van op zich; hij valt, schoon tot vertwijfeling gebracht, als held in den strijd. Gelukkig, dat, nu zijn verduisterde zon ondergaat, zich een nieuwe veelbelovende dageraad aan de kim vertoont.
Evenzeer als “Othello”, als “Macbeth”, ja, in nog hoogere mate is “Koning Lear” een onvergelijkelijk meesterstuk te noemen. Het overtreft in sombere verhevenheid alles wat ooit de dramatische dichtkunst voortgebracht heeft. Doch schrikkelijk is het; men rilt, als de rampzalige, door zijn ontaarde, beweldadigde dochters uitgestooten grijsaard op de heide in storm en onweer rondwaart, als zijn gehuil met dat van de winden wedijvert, als de reeds lang sluimerende waanzin eindelijk uitbreekt, als hij, voor een oogenblik in een armelijke stulp tegen het weder beschermd, daar samen is met den geveinsd waanzinnigen Tom en den trouwen nar, die hem bittere waarheden verkondigd heeft; als hij, door de trouwe zorgen van zijn liefhebbende Cordelia van zijn waanzin hersteld en met haar gevangengenomen, zijn eenig getrouw kind dood in de armen houdt, zijn aandoenlijke klacht uitstort en bezwijkt!—En met die treffende geschiedenis is een tweede samengeweven, niet minder schokkend en roerend, een overeenkomstige geschiedenis van een vader, die zijn besten zoon miskend heeft en door den anderen, den begunstigden, met den zwartsten ondank beloond wordt, en die in zijn diep rampzaligen toestand door den verstooten zoon, zelf een toonbeeld van ellende, verpleegd wordt! En deze twee geschiedenissen zijn zoo innig verwant, dat de eene volstrekt geen herhaling schijnt van de andere, maar beide elkanders werking verhoogen en tot een innige eenheid zijn saamgevloeid!
Van “Pericles, vorst van Tyrus” behoeft hier slechts kort gesproken te worden. Omtrent dit stuk, dat door de uitgevers der folio-editie niet als echt erkend, ten minste niet in hun uitgave opgenomen werd, is in de aanteekeningen met mededeeling der gronden gezegd, dat het niet van Shakespeare is, maar dat hij er, in de tweede helft, eenige tooneelen van gewijzigd of ook geheel nieuw geschreven heeft. Het belang van het tooneelgezelschap, waar hij aan verbonden was, bracht dit zeker mede, en wellicht heeft hij meermalen zulk een arbeid verricht. Ditmaal trok ongetwijfeld de figuur van Marina hem aan, en heeft hem het stuk doen verrijken met eenige heerlijke tooneelen, die uit den tijd der volle rijpheid van zijn talent dagteekenen. Hij schreef deze kort vóór of in 1608. Zijn medewerking aan dit stuk, de aard der tooneelen, die van zijn hand zijn, en vooral het scheppen van zulk een liefelijk wezen als Marina, mogen ons ook om een andere reden belang inboezemen. Zij geven ons reden om te vermoeden, dat de ernstige, ja sombere stemming, die, na den “Hamlet”, zijn drie groote treurspelen: “Othello”, “Macbeth”, “Koning Lear” in het leven riep, voor een kalmere, meer opgeruimde geweken was, dat hij het leven met een meer toegevenden, met een zachteren blik gadesloeg.
Dit kan ons ook duidelijk worden, als wij op zijn “Antonius en Cleopatra” de aandacht vestigen, welk stuk in 1607 of 1608, misschien vóór Pericles, moet geschreven zijn. Het is hier de plaats niet om aan te wijzen, hoe nauwkeurig Shakespeare zijn bron, Plutarchus, gevolgd heeft; hoe hij de overrijke stof, waarover in de Aanteekeningen uitvoerig gehandeld is, in een beperkt bestek heeft weten saam te dringen; hoe hij, zelfs te midden van vele gebeurtenissen, zoo groot en zoo verscheiden, dat zij het overzicht bemoeilijken en men wenschen zou er minder van overstelpt te worden, zorg gedragen heeft de verschillende karakters juist en scherp te teekenen en de handelingen der personen uit hun karakter te doen voortspruiten. Evenmin kan hier gewezen worden op de groote dichterlijke schoonheden van het wondervolle stuk. Wat hier wel opgemerkt moge worden, is, dat het fel bewogen gemoed des dichters, dat zich uit in “Othello”, in “Koning Lear”, in “Macbeth”, dat kreten van wanhoop slaakt in “Timon van Athene”, bij het schrijven van zijn “Antonius en Cleopatra” tot kalmte gekomen is. Wij zien deze beiden aan den hevigsten hartstocht ten prooi, wij zien hen bezwijken voor de slagen van het lot, die het onafwendbaar gevolg zijn hunner handelingen; de dichter heeft ons hun feilen niet verzwegen, doch geen woord van verwijt komt over zijn lippen; het is, als stond hij naast ons, wanneer de heldhaftige Antonius, die tot het uiterste gestreden heeft en het sterven zijner geliefde vernemen moest, zich den dood geeft, wanneer Cleopatra, in vorstelijk praalgewaad; de grimmige adders aan de borst legt om haar koninklijke eer te redden, schande te ontgaan en naar haar Antonius te ijlen; het is ons, als drukte zijn blik, bij het aanschouwen zijner eigen schepping, diepen weemoed uit, dat deze heerlijke wezens zich aan den ondergang hebben gewijd.
Tot dit tijdperk van des dichters leven moet ook nog zijn “Coriolanus” gebracht worden, een wonderschoone schepping, ongetwijfeld omstreeks 1609 tot stand gebracht. Evenals bij de twee andere Romeinsche stukken, was ook hier Plutarchus zijn trouwe gids. Hier verbijstert ons geen veelheid van gebeurtenissen, maar de eenheid van handeling is voortreffelijk bewaard; hier vinden wij als achtergrond den strijd tusschende Patriciërs en Plebejers, waartegen de heldenfiguur van Coriolanus schitterend uitkomt, een karakter, dat door zijn waarheid en waarachtigheid boeit maar door zijn mateloozen trots ten slotte tot verloochening van zijn vaderland gebracht en in het verderf gestort wordt. De geheele opvatting en fijne uitwerking maken den “Coriolanus” tot een van de grootste meesterstukken der dramatische literatuur.
Dat in “Coriolanus” zijn fiere moeder Volumnia en zijn zachte echtgenoote Virgilia bijzondere aandacht verdienen, zij hier slechts even aangestipt, doch moge ons aanleiding geven om het tal van vrouwenfiguren, die Shakespeare in de tot dusverre besproken stukken ten tooneele bracht, nogmaals te overzien; want ook dit kan ons een blik doen slaan op zijn levensbeschouwing en op de verandering, die deze in den loop der jaren ondergaan heeft. In de eerste historiestukken zijner jeugd treden vrouwen op, in wie de eerzucht alle zachtere gemoedsaandoeningen gedood heeft, zooals de hertogin van Gloster en koningin Margaretha, en later in “Koning Jan” de koningin Eleanor, of anderen, bij wie angst en hartgrievende kommer hartstocht en behoefte aan wraak hebben gewekt, zooals bij Constance in laatstgenoemd stuk. In de vroegere blijspelen ontbreekt bij de vrouwen het diep gevoel en de hartstochtelijke liefde niet, waarvan Julia in de “Twee Edellieden van Verona”, als voorbeeld moge strekken; en hoe Shakespeare de innigste liefde weet terug te geven, moge Romeo’s Julia getuigen. Maar kenmerkend zijn voor de meeste vrouwen uit de blijspelen van het eerste en tweede tijdperk de frissche levenslust, de geestigheid en gevatheid, de stoutmoedigheid, waarmede zij aan haar hartstocht of aan haar eens opgevat plan gehoor geven en recht op het doel afgaan. Hierbij valt op te merken, dat de karakters langzamerhand fijner en voortreffelijker geteekend worden: men vergelijke Rosaline uit “Veel Gemin, geen Gewin”, met Beatrice uit “Veel leven om niets”, met Rosalinde uit “Elk wat wils”, en met Viola uit “Driekoningenavond”. Merkwaardig is ook, dat Shakespeare de meisjes met echt vrouwelijk en liefhebbend karakter gaarne in mansgewaad dost, zooals Julia uit de “Twee Edellieden van Verona”, de bekoorlijke Jessica en de rechtsprekende Portia, de schalksche Rosalinde en de zachte, in al haar doen vrouwelijke Viola; de tegenstrijdigheid van gewaad en karakter verhoogt het genot, dat de verkleeding aanbiedt, terwijl Helena, die met waarlijk manlijken geest en moed haar doel nastreeft, terecht haar vrouwelijk gewaad behoudt.
Kunnen wij uit deze breede schaar van vrouwen opmaken, welke karaktertrekken en eigenschappen door Shakespeare in den ochtend en voormiddag van zijn leven geacht werden aan de vrouw de hoogste bekoorlijkheid en lieflijkheid te verleenen, dan slaan wij ook gaarne de vrouwen gade, in lateren tijd, toen hij den middag des levens bereikt had, door hem met meesterhand geteekend. Op de vrouwen, wier karakter geheel door den aard van het stuk gevorderd en bepaald wordt, zooals Cleopatra en de behaagzieke wufte Cressida, Lady Macbeth en de monsters Goneril en Regan, hebben wij hier natuurlijk niet te letten. Wij vestigen veeleer het oog op Portia, de kloeke en toch met echt vrouwelijke teederheid liefhebbende echtgenoote van Brutus, op de engelreine Isabella, op de ongelukkige, liefelijke Ophelia, op Desdemona, Cordelia, Marina, Virgilia, en wij erkennen, dat aan Shakespeare in dezen tijd een ander ideaal van vrouwelijke volkomenheid moet voorgezweefd hebben dan vroeger. “Haar stem was altijd zacht, lieflijk zacht,—een heerlijk ding bij vrouwen,” getuigt Lear van zijn Cordelia.
Het einde van dit levenstijdperk, waarin Shakespeare zijn groote treurspelen schiep, mogen wij, zooals boven reeds aangeduid is, met groote waarschijnlijkheid in 1609 stellen. Hij maakte toen ongetwijfeld nog steeds deel uit van het tooneelgezelschap, waartoe hij sinds jaren behoorde. Wel kunnen wij uit enkele sonnetten opmaken, dat het tooneelspelersleven hem sedert lang tegen de borst stiet; maar wij moeten toch onderstellen, dat hij nog geruimen tijd aan het tooneel verbonden bleef, al trad hij, wegens zijn bezigheden als schrijver, misschien niet vaak of niet in groote rollen op. De talrijke, door hem tot 1609 geleverde werken, die alle een grondige kennis van het tooneel tot grondslag hebben, verbieden aan te nemen, dat hij ze ergens anders dan in Londen en aan het tooneel verbonden, geschreven heeft; en hij heeft ongetwijfeld ook door zijn tegenwoordigheid gezorgd, dat zij op waardige wijze werden opgevoerd. Wel was hij blijkbaar van plan zich later te Stratford te vestigen en de aankoop aldaar van het huis,New Placegeheeten, in 1597 bewijst dit ten volle, maar ter verwerving van de noodige middelen, om als gezeten burger onbezorgd te kunnen leven, zal hij nog wel verscheiden jaren na dien tijd noodig hebben gehad. Dat hij steeds in geldelijk opzicht vooruitging, blijkt: in 1602 kocht hij landerijen nabij Oud-Stratford, in hetzelfde jaar een boerderij, niet verre van zijn huis gelegen, en nog een ander huis en erve, in 1605 een aandeel in het tiendrecht, dat hem vrij wat opbracht. Doch het is noodeloos al zijn aankoopen, voor zooverre ze bekend zijn, te volgen; genoeg zij het, hier te zeggen, dat hij,toen hij zich te Stratford vestigde, tot de zeer gegoede burgers mocht gerekend worden. Vooralsnog was hij te Londen en een neef van hem, Thomas Greene,the Town-clerk, woonde in 1609 in New Place. Hoogstwaarschijnlijk verhuisde hij niet vóór 1613, toen hij zijn laatste stuk, “de Storm”, geschreven had, naar zijn geboorteplaats.
Merkwaardig is het, dat Shakespeare, te midden van al zijn bezigheden, terwijl hij dichterlijke meesterwerken schreef, die nog na eeuwen de wereld in verrukking brengen, steeds behoorlijk zijn zaken in het oog gehouden en zelfs goed op de kleintjes gepast had. Zoo vindt men opgegeven, dat hij in 1604 iemand gerechtelijk vervolgde wegens een schuld van even ƒ 21.— (naar tegenwoordige geldswaarde zeker wel ƒ 100.—), in 1608 een anderen schuldenaar, wegens 6 pond sterling, en, toen zijn vordering hem na eenige maanden werd toegewezen, doch de schuldenaar niet te vinden was, den borg er voor aansprak.
Shakespeare’s ouders waren nog getuigen geweest van den steeds wassenden roem huns zoons. Zijn vader stierf in September 1601 en werd in Stratford begraven. Op 7 Juni 1607 huwde zijn oudste dochter, Susanna, toen 24 jaar oud, met Dr. John Hall, een zeer geacht geneesheer in Stratford, die een uitgebreide praktijk had; in hetzelfde jaar, in December, stierf zijn jongste broeder Edmond, tooneelspeler, in Londen, en werd er op een kerkhof in de nabijheid van het Globus-theater begraven. In Februari 1608 werd Shakespeare’s eerste kleinkind, Elizabeth, geboren, dat 21Febr.gedoopt werd; het bleef het eenigst kind der ouders, en het eenig kleinkind, dat de dichter gezien heeft. In September van hetzelfde jaar stierf zijn moeder en werd te Stratford begraven. Had zijn vader er zich reeds in kunnen verheugen, dat de voorspoed van zijn oudsten zoon den naam van Shakespeare in Stratford weder in eere bracht, veel meer genot heeft zijn moeder kunnen smaken door zijn steeds toenemende welvaart en immer wassenden roem.
1The many-headed multitude were drawnBy Brutus’ speech, that Cæsar was ambitious:When eloquent Mark Antony had shownHis virtues, who but Brutus was then vicious?2Cog, lie, flatter and face,Four ways in Court to win men grace,waren de woorden van Roger Asham.3Voor de verheerlijking van Elizabeth in het laatste bedrijf van “Koning Hendrik VIII” is Shakespeare niet aansprakelijk.4Van alle gissingen omtrent de personen, die in de Sonnetten bedoeld zijn, is die van Tyler en Harrison, welke ook door George Brandes wordt aangenomen, de waarschijnlijkste: de zwarte schoone zou Mrs. Mary Fitton geweest zijn, een begunstigde hofdame van Elizabeth, de schoone jongeling William Herbert, in 1580 geboren, later graaf van Pembroke, dezelfde, aan wien door Heminge en Condell, de eerste uitgaaf van Shakespeare’s verzamelde tooneelwerken in 1623 werd opgedragen.5In de aanteekeningen wordt vermeld, dat het stuk in December 1604 in het paleis des konings gespeeld is; doch de lijst der tooneelvertooningen ten hove, waaruit dit bericht ontleend is, wordt voor onbetrouwbaar gehouden.—Voor het overige raadplege men de Aanteekeningen, waar men opgegeven vindt, uit welke bronnen Shakespeare de stof voor zijn stuk geput heeft, en hoe hij deze vervormd en veredeld heeft.6De namen vanOthelloenJagokomen in de novelle niet voor; zij worden aangetroffen in een Engelsch verhaal,God’s Revenge against Adultery, “Gods wrake over echtbreuk”, en zijn dus waarschijnlijk hieruit ontleend. Dit verhaal heeft overigens niets met Shakespeare’s Othello en evenmin met Cinthio’s novelle te maken.
1
The many-headed multitude were drawnBy Brutus’ speech, that Cæsar was ambitious:When eloquent Mark Antony had shownHis virtues, who but Brutus was then vicious?
The many-headed multitude were drawnBy Brutus’ speech, that Cæsar was ambitious:When eloquent Mark Antony had shownHis virtues, who but Brutus was then vicious?
The many-headed multitude were drawnBy Brutus’ speech, that Cæsar was ambitious:When eloquent Mark Antony had shownHis virtues, who but Brutus was then vicious?
The many-headed multitude were drawnBy Brutus’ speech, that Cæsar was ambitious:When eloquent Mark Antony had shownHis virtues, who but Brutus was then vicious?
The many-headed multitude were drawn
By Brutus’ speech, that Cæsar was ambitious:
When eloquent Mark Antony had shown
His virtues, who but Brutus was then vicious?
2
Cog, lie, flatter and face,Four ways in Court to win men grace,waren de woorden van Roger Asham.
Cog, lie, flatter and face,Four ways in Court to win men grace,waren de woorden van Roger Asham.
Cog, lie, flatter and face,Four ways in Court to win men grace,
Cog, lie, flatter and face,Four ways in Court to win men grace,
Cog, lie, flatter and face,
Four ways in Court to win men grace,
waren de woorden van Roger Asham.
3Voor de verheerlijking van Elizabeth in het laatste bedrijf van “Koning Hendrik VIII” is Shakespeare niet aansprakelijk.
4Van alle gissingen omtrent de personen, die in de Sonnetten bedoeld zijn, is die van Tyler en Harrison, welke ook door George Brandes wordt aangenomen, de waarschijnlijkste: de zwarte schoone zou Mrs. Mary Fitton geweest zijn, een begunstigde hofdame van Elizabeth, de schoone jongeling William Herbert, in 1580 geboren, later graaf van Pembroke, dezelfde, aan wien door Heminge en Condell, de eerste uitgaaf van Shakespeare’s verzamelde tooneelwerken in 1623 werd opgedragen.
5In de aanteekeningen wordt vermeld, dat het stuk in December 1604 in het paleis des konings gespeeld is; doch de lijst der tooneelvertooningen ten hove, waaruit dit bericht ontleend is, wordt voor onbetrouwbaar gehouden.—Voor het overige raadplege men de Aanteekeningen, waar men opgegeven vindt, uit welke bronnen Shakespeare de stof voor zijn stuk geput heeft, en hoe hij deze vervormd en veredeld heeft.
6De namen vanOthelloenJagokomen in de novelle niet voor; zij worden aangetroffen in een Engelsch verhaal,God’s Revenge against Adultery, “Gods wrake over echtbreuk”, en zijn dus waarschijnlijk hieruit ontleend. Dit verhaal heeft overigens niets met Shakespeare’s Othello en evenmin met Cinthio’s novelle te maken.
X.De heldere hemel.De hemel was voor den dichter weder helder geworden; het onweder had uitgewoed; de stormen, die zijn gemoed bewogen hadden, waren bedaard. De werken, die hij na de laatstgenoemde meesterstukken geschreven heeft, leggen alle zoowel van zijn gelukkige stemming, die door de schepping van Marina in het tooneeldicht Pericles reeds was aangekondigd, als van zijn onverzwakt dichtvermogen getuigenis af.Het “Winteravondsprookje”,The Winter’s Tale, heeft Shakespeare blijkbaar geschreven tot genoegen van zichzelf en tot vermaak van anderen. Hij legt een verhaal van Robert Greene, van 1588, “Pandosto of de triumf van den Tijd”, ook onder den titel “Dorastus en Faunia” uitgegeven, er ten grondslag aan, en brengt ons in een fantastische wereld, waar de eenvoudigste begrippen van waarschijnlijkheid even onbekend zijn als die der aardrijkskunde, waarin oudheid, middeleeuwen en nieuwere tijd, christendom en heidendom, dooreengemengd zijn, waarin een dochter van den keizer van Rusland bezwijmt bij het vernemen van een orakel, dat van het eiland Delphos wordt aangebracht, en waarin de hulp van den schilder Julio Romano (den leerling van Rafael Sanzio) wordt ingeroepen om een standbeeld te beitelen. Een vaartuig landt op de kust van Boheme; een edelman legt daar een kind te vondeling; hij wordt onmiddellijk daarna door een beer verslonden en het geheele schip vergaat met man en muis, want er mag niemand overblijven om iets van het gebeurde te vertellen; de vondeling groeit onder gewone herders op en is toch na zestien jaar niet alleen tot een allerbekoorlijkste jonkvrouw opgegroeid, maar bezit dan tevens de fijnste beschaving, zoodat zij alleszins waardig is om met een koningszoon te trouwen; een door haar gemaal gruwelijk miskende koningin bezwijmt voor onze oogen, en wij vernemen, dat zij gestorven is; maar na zestien jaren blijkt, dat zij bijgekomen is en al dien tijd op een landgoed verborgen is gebleven; wij zien haar weer als een standbeeld, dat levend wordt, den treurenden, berouwvollen echtgenoot de hand reikt en hem weder gelukkig maakt. En dit alles volgt snel op elkander; het eene tafereel wisselt met het ander af, en evenzoo de stemming; de ijverzucht des konings is zoo ongegrond, zoo ongerijmd mogelijk,—trouwens, wat ons vertoond wordt, is een sprookje,—maar de toestanden, die er uit voortvloeien, zijn echt tragisch en de eerste drie bedrijven maken een treffend treurspel uit; doch het slot van het derde bedrijf bereidt erons op voor, dat een vroolijker gedeelte volgt. Zoo verplaatst ons dan het vierde bedrijf, dat zestien jaar later speelt, op een herdersfeest, waarin met het herdersvolkje de bekoorlijke vondelinge, een koningszoon, een koning met een getrouwen hoveling, en een vermakelijke schavuit, die landlooper en beurzensnijder is, optreden; de laatste draagt den naam van een zoon van Mercurius, den god der dieven, en vent als marskramer gedrukte liedjes uit, zooals dit in Shakespeare’s tijd gebruikelijk was. De hoofdpersonen van dit herdersstuk, dat een ernstige wending dreigt te nemen, gaan scheep op de kust van Boheme en landen op Sicilië, waar op het alleronverwachtst, als in een sprookje,—Shakespeare wijst er meer dan eens op, dat zijn stuk een sprookje ten tooneele brengt,—de vondeling als koningsdochter erkend wordt, en haar doodgewaande moeder, die evenzoo verrassend nog in leven blijkt te zijn, haar man en haar kind aan het hart mag drukken.Voorwaar, een stuk, dat ten duidelijkste aantoont, hoe jeugdig het gemoed en de geest des dichters gebleven zijn; hij schept genot in het verhaal van Greene, dat hij niet nalaat te veredelen en van een blij einde te voorzien,—want bij Greene sterft de koningin werkelijk en wordt de koning later verliefd op zijn eigen kind, doch steekt zich, als hij haar als zoodanig herkent, uit wanhoop dood;—hij weet alle personen met geest en leven te bezielen; hij laat in het herdersspel aan de vroolijkheid den vollen loop en doet er een Autolycus optreden, die de blijgeestigheid zelf is en veeleer de schepping van een jong en jolig dichter schijnt te zijn, dan van een man, die de stormen des levens zegevierend heeft doorstaan; zijn rijke verbeelding weet een eindtooneel voort te brengen, zoo tooverachtig schoon als er ooit een is uitgedacht; in Perdita en Florizel een jeugdig paar in het leven te roepen, zoo onschuldig, zoo bekoorlijk, zoo liefelijk en zoo innig verliefd, als ooit eenig dichter geschilderd heeft; een koningin als Hermione te doen stralen in al de schoonheid der jeugd, haar geestig en schalks te doen kouten met den vriend van haar echtgenoot en bij de wreedste en onrechtvaardigste verdenking met al den adel van een rein gemoed en de waardigheid eener vorstin haar onschuld te doen bepleiten, en haar later zonder eenig verwijt, zonder eenige bitterheid, de hand te doen reiken aan den echtgenoot, die haar zoo onrechtvaardig vervolgd, doch zijn schuld door jaren van berouw geboet heeft. Nog op verscheiden andere karakters, op Paulina, op Camillo, op den ouden herder zou kunnen gewezen worden, doch het gezegde moge genoeg zijn om te doen zien, in welk een gelukkige gesteldheid des gemoeds, met welk een levendigen en toch tot volle rijpheid gekomen geest, de dichter dit stuk geschreven heeft.Evenals het “Winteravondsprookje” dagteekent “Cymbeline” van 1610 of 1611, dus uit het laatste tijdperk van ’s dichters werkzaamheid. De geheele wijze van behandeling niet alleen, maar ook de stijl en de versbouw toonen dit voor beide stukken allerduidelijkst aan, en het wordt ook door uitwendige getuigenissen bevestigd. Evenals het vorige stuk is Cymbeline rijk aan verscheidenheid; trouwens, zeer ongelijksoortige bestanddeelen zijn hier tot één geheel vereenigd. Het hoofddenkbeeld is aan een vertelling van Boccaccio ontleend, doch de belasterde onschuld, bij Boccaccio de vrouw van een koopman, is hier de dochter van een koning geworden, en wel van een der Britsche koningen, die vóór Christus’ geboorte in Engeland heerschten en door Holinshed vermeld worden. Zoo heeft de dichter de lotgevallen van Imogeen saamgeweven met een oorlog tusschen de Britten en Romeinen. Een ander deel is geheel zijn eigen vinding, namelijk de gebeurtenissen aan het hof, waartoe hij de valsche koningin en haar zoon Cloten in het leven riep; evenzoo heeft hij de lotgevallen der koningszonen uitgedacht, want Holinshed’s kroniek vermeldt alleen hun namen en zegt overigens niets meer, dan dat de oudste zijn vader is opgevolgd; van Belarius of Morgan is daar geen sprake. Door de vereeniging van zoo ongelijksoortige bestanddeelen is een zeer ingewikkeld geheel ontstaan, waarvan de deelen geenszins alle innig en volkomen zijn saamgesmolten, gelijk in “Koning Lear” wel het geval is; een deel is echt dramatisch en in den toon van een treurspel, zooals de verbanning van Posthumus, zijn afscheid van Imogeen, zijn miskenning van haar trouw, haar tocht met Pisanio; een ander deel is meer lyrisch, zooals haar verblijf bij Belarius en de geroofde koningszoons, haar nog onbekende broeders; een ander deel weder is meer episch, zooals de beschrijving van den strijd tusschen de Britten en Romeinen. De groote verwikkeling maakt ook het slottooneel wat al te rijk aan ontknoopingen en verrassingen. Doch wat men nog meer moge gispen, zooals het optreden van Italianen van den lateren tijd onder de Romeinen; of men ook opmerke, dat door de groote samengesteldheid van het geheel de personen, die boven allen belang inboezemen, ons somwijlen te lang van het tooneel afwezig blijven; of men ook betreure, dat door de groote verscheidenheid de eenheid van het drama geleden heeft; niemand zal de hooge dichterlijke waarde zoowel van het geheel als van al zijn deelen miskennen; wil men Cymbeline ook al geen voortreffelijk drama noemen, niemand zal aarzelenhet een voortreffelijk dramatisch dichtstuk te heeten. Men lette eens op de uitstekende karakterteekening, op de treffende toestanden, op de heerlijke tooneelen,—waaronder die in de grot in de eerste plaats te tellen zijn,—en men is verzoend met wat men gebreken zou willen noemen.Bovendien, er is inderdaad eenheid in het stuk; zij wordt teweeggebracht en gewaarborgd door Imogeen, een der schoonste vrouwenkarakters, die Shakespeare, ja, die eenig dichter geschapen heeft, zoo niet het schoonste van alle. Zij vereenigt in zich de onschuld van Desdemona, de liefde van Julia, den zielenadel van Cordelia, de vorstelijke waardigheid van Hermione; haar reinheid en deugd weerstaan alle beproevingen; hoe zij ook, als de liefde van haar man haar ontvallen is, den dood moge wenschen en dien gaarne lijden wil, zij denkt er niet aan, zich dien zelf te geven, maar heeft den moed, vermomd een gewaagden tocht te ondernemen ten einde in de nabijheid van haar echtgenoot te komen; haar standvastigheid in alle gevaren voert haar tot het gewenschte doel; en als zij dan eindelijk met haar Posthumus vereenigd is, komt geen enkele klacht over de doorgestane ellende, geen enkel verwijt wegens onrecht of miskenning over haar lippen; haar vergevensgezindheid, haar zachtheid, haar lieftalligheid maken, met haar schoonheid en onschuld, haar liefde en trouw, haar geest en moed, haar tot een beeld van volkomenheid en wij mogen den dichter dankbaar zijn, dat hij ons aan het eind zijner loopbaan, zulk een ideaal der vrouw geteekend heeft. Zij staat ons, als wij haar eens aanschouwd hebben, altijd door voor den geest; en door haar is het, dat al de verschillende tooneelen, zoowel die aan het hof, als die in de grot, zoowel die in Rome, als die bij het Romeinsche leger, zoowel die op het slagveld, als die in den kerker, inderdaad innig samenhangen en een schoon geheel uitmaken.Tot dezen zelfden tijd en wel tot het einde van 1612 en het begin van 1613 is te brengen het stuk, dat in de gezamenlijke uitgave van Shakespeare’s tooneelwerken (1623) als het tiende of laatste der historiespelen is opgenomen, Koning Hendrik VIII. Het draagt in het Engelsch den titel:The Famous History of the Life of King Henry the Eighten stelt belangrijke tafereelen uit het leven van genoemden vorst voor oogen; het behandelt het bestuur en den val van den eerst alvermogenden kardinaal Wolsey, de echtscheiding des konings, zijn huwelijk met Anna Boleyn, de lagen, aan den aartsbisschop Cranmer door zijn vijanden gelegd, en de verijdeling van dien toeleg door den koning, het sterven van de gescheiden koningin Catharina van Arragon en de geboorte van Elizabeth; kortom, het is een reeks van dramatische tafereelen, die veeleer in kunstmatig verband gebracht zijn, dan tot een goed geheel vereenigd. Zoo kan men b.v. zeggen, dat de lotgevallen van den aartsbisschop Cranmer alleen ter sprake gebracht zijn met de bedoeling van hemzelf te doen optreden en alzoo door een beroemd persoon de heilrijke regeering van koningin Elizabeth en haar opvolger, koning Jacobus I, te doen voorspellen. Dit stempelt het stuk tot een gelegenheidsstuk en eveneens wordt dit aangewezen door den luister, waarmede de kroningsoptocht plaats grijpt.Van den tijd, waarop dit stuk, en wel als een nieuw stuk, gespeeld werd, zijn wij nauwkeurig onderricht; want op den 29stenJuni 1613, toen het in het Globus-theater gegeven werd, geraakte het gebouw door de saluutschoten, die er in gelost werden en die het rieten dak aanstaken, in brand en lag in korten tijd in de asch. Wanneer wij dit in aanmerking nemen, valt er wel niet aan te twijfelen, of het stuk is geschreven voor de feesten ter gelegenheid van het huwelijk van ’s konings dochter prinses Elizabeth, dat in Februari 1613 voltrokken werd.Reeds sinds lang was op de ongelijkheid van de verschillende deelen van het stuk gewezen, op de bijzonderheid, dat slechts enkele tooneelen, met name die, waarin koningin Catharina optreedt, belangstelling wekken, op den uiterst gebrekkigen bouw van het stuk; maar de omstandigheid, dat Heminge en Condell, de veeljarige metgezellen en vakgenooten van Shakespeare, het stuk in 1623 in zijn verzamelde tooneelwerken opnamen, belette, dat de twijfel, die omtrent de echtheid van het stuk bij den lezer mocht opkomen, voedsel kreeg. Bovendien dragen enkele gedeelten recht duidelijk den stempel van Shakespeare’s geest, zooals de groote rede, trouw naar de kronieken gevolgd, waarmede koningin Catharina haar rechten verdedigt, een rede, die iedereen aan de pleitrede van koningin Hermione in het Winteravondsprookje moet doen denken.Wel was er ook reeds vroeger op gewezen, dat er in het stuk twee deelen zijn te onderscheiden, die in versbouw aanmerkelijk verschillen. Bij Shakespeare is de versbouw zeer natuurlijk en in het nauwste verband met den zin, zoodat wie den zin goed leest, vanzelf het vers goed leest, en zoo is het dan ook in eenige gedeelten van Koning Hendrik VIII, in andere daarentegen niet. Het was echter eerst in 1850, dat deze opmerking tot nader onderzoek leidde; toen echter werd er van drie kanten te gelijk de aandacht nader op gevestigd, vooral door den bekwamen uitgever van Bacon’s werken, James Spedding, die de vraag stelde: “Wie schreef Shakespeare’s Koning Hendrik VIII?” en na nauwkeurig onderzoektot het besluit kwam, dat het grootste deel van het stuk aan den bekenden tooneeldichter John Fletcher (geb. 1576) was toe te kennen en slechts enkele tooneelen (I. 1 en 2; II. 3 en 4; III. 2 tot aan Wolsey’s alleenspraak: “wat beteekent dit?” en V. I) aan Shakespeare. Sedert hebben onderzoekingen van vele andere gezaghebbende Engelsche Shakespeare-beoefenaars—en Engelschen zijn in deze vooral tot oordeelen bevoegd—dit bevestigd; ja sommigen onder hen gaan langzamerhand zoo ver, dat zij alle medewerking van Shakespeare aan dit stuk ontkennen. Moge dit misschien al te gewaagd zijn, daar toch Heminge en Condell het aan Shakespeare toekennen, volkomen zeker is het, dat Shakespeare vreemd is aan het plan; dit toch stelt aan den toeschouwer den ongerijmden eisch, eerst om diep medegevoel te hebben met de verstooten koningin en dan te jubelen bij de verheffing harer zegevierende mededingster. Evenmin heeft Shakespeare eenig deel aan de bewierooking van Elizabeths regeering door Cranmer en aan den lof, aan Jacobus’ regeering toegezwaaid; juist in dit gedeelte zijn de verzen gebrekkig van bouw1.Volkomen echt daarentegen is “De Storm”, mede blijkens zijn bouw en inhoud een gelegenheidsstuk; het is, evenals Koning Hendrik VIII, ongetwijfeld2geschreven ter opluistering van het huwelijk van prinses Elizabeth met Frederik, keurvorst van de Paltz, den lateren koning van Boheme, en het is voor de eerste maal opgevoerd ten hove in Februari 16133. Dat het voor zulk een gelegenheid opzettelijk geschreven is, blijkt zoowel uit de kortheid van het stuk en uit de eenvoudige inrichting, als uit de maskerspelen, die het bevat; deze zijn er niet later ingevoegd, maar maakten er ongetwijfeld van den aanvang af een deel van uit; zij zijn er niet uit te lichten. Een nader onderzoek leert, dat “De Storm” bepaald voor dit huwelijk, waarbij de bruidegom over zee kwam, geschreven is, en het stelt tevens in het licht, met welk een vaardigheid Shakespeare zijn stukken schreef en welk een fijn gevoel van wellevendheid, welk een hooge beschaving hem eigen waren. Toen de verloving van het vorstelijk paar had plaats gehad en het huwelijk weldra volgen zou, overleed 6 November 1612 de oudste zoon des konings, de veelbelovende en allerwegen beminde prins Hendrik. Het huwelijk moest uitgesteld worden, maar ging in Februari 1613 door. Binnen drie maanden werd het stuk geschreven en opgevoerd. Dat het niet vroeger begonnen werd, blijkt hieruit, dat prins Ferdinand, van wien zijn vader niet anders denkt, dan dat hij is omgekomen, de afschaduwing is van den overleden koningszoon, en Prospero juist door de wijsheid en de edele eigenschappen, die koning Jacobus zelf waande te bezitten, uitblinkt; de volleerdste hoveling kon geen meer streelende hulde aan den koning brengen, terwijl toch alle grove en lage vleierij vermeden is.Ongetwijfeld was dit onovertroffen meesterstuk, “De Storm”, Shakespeare’s laatste werk, waarmede hij afscheid van de tooneelwereld heeft genomen. Hij verlustigt zich nog eens in de herinneringen zijner jeugd, toen hij den “Midzomernachtdroom” schiep; hij voert den toeschouwer op nieuw in een tooverwereld, waarin dienstbare geesten wonderen tot stand brengen, en hij doet zien, dat zijn verbeelding en scheppend vermogen nog niets in kracht verloren hebben. Ook de tijd van “Elk wat wils” (As you like it) komt hem weer voor den geest; nog eens brengt hij ons bij een verdreven hertog, die zich in de eenzaamheid over het verlies van zijn zetel weet te troosten; doch welk een verschil! De goede vorst, die, van hovelingen omringd, in het “Ardenner Woud” geweken is, vergeet het onrecht, dat hem is aangedaan, door op de jacht te gaan en naar liedjes te luisteren; de verbannen hertog van Milaan heeft op zijn onbewoond eiland zich gewijd aan de opvoeding zijner liefelijke dochter, en aan de beoefening der wetenschap, die hem heerschappij verleent over de natuur en over de gemoederen der menschen. Hijzelf heeft de school van den tegenspoed doorloopen; toen hij vroeger Milaan te besturen had, verzuimde hij, door liefde tot de wetenschap verlokt, zijn plicht, en liet de uitoefening van het gezag aan zijn broeder over, een verzuim, dat hij met het verlies van zijn hertogdom had moeten boeten. Doch de rampspoed was hem tot zegen geweest; zijn geest is gelouterd. Hij gebruikt zijn macht over de geesten, om zijn tegenstanders, die nabij zijn eiland en in zijn bereik zijn, tot berouw en onderwerping te nopen; geen oogenblik komt de gedachte aan wraak bij hem op; andere wezens, die hen vergezellen en zich misdragen, worden getuchtigd en tot onderwerping gebracht; wie hem lief zijn, worden door voorbijgaande rampen beproefd om later des te gelukkiger te zijn.Een edele vergevensgezindheid zonder zwakte, zucht om wel te doen en geluk te stichten, maken het wezen van zijn karakter uit. “Een verheev’ner doen is deugd dan wraak”, zegt hijzelf, om zijn handelwijze jegens zijn vijanden te verklaren.De geheele handeling in dit stuk is uiterst eenvoudig, en toch weet de dichter een groote verscheidenheid aan te brengen, zoowel in de tooneelen als in de karakters. Men gevoelt, met welk een welgevallen hij dat liefelijk paar, Miranda en Ferdinand, in het leven heeft geroepen. En welk een wondervolle schepping is het monster Caliban, een wezen, waarvoor de natuur hem geen voorbeeld aan de hand heeft gedaan en dat hij toch zoo natuurlijk, zoo waar geteekend heeft, dat men het schier gaat houden voor een afbeelding van den mensch in den natuurstaat, alleen door lage, dierlijke driften beheerscht! Dat Shakespeare wist, met welk genoegen dit schepsel zou worden aangegaapt, blijkt wel uit zijn spottende opmerking, dat zijn landgenooten hun laatsten duit zouden uitgeven om een vreemden visch of een woest mensch of een monster te zien.Terwijl hij in andere stukken twee of drie handelingen dooreen weet te vlechten en tot een enkel geheel te versmelten, ja somwijlen dit laatste zelfs nalaat, heeft hij hier alle samengesteldheid vermeden. Met deze eenvoudigheid van handeling gaat hier gepaard, dat alles op een beperkte plaats, op een klein eiland, wordt afgespeeld, en wel in een korten tijd, in drie uren, zooals in het begin van het stuk en later meer dan eens wordt medegedeeld. Men herinnere zich, met welk een vrijheid Shakespeare in zoo vele andere stukken met den tijd omspringt en den toeschouwer van het eene land in het andere verplaatst; en dan komt men onwillekeurig tot de gedachte, dat Shakespeare in dit stuk ook eens heeft willen toonen, dat het hem zeer wel mogelijk was, aan den eisch van eenheid van handeling, tijd en plaats, door velen voor het drama gesteld, geheel en al te voldoen.Bewijst Shakespeare in al de zoo verschillende tooneelen, waarin zoo ongelijksoortige personen optreden, hoe zijn geest volstrekt niets van zijn jeugdige frischheid verloren heeft, wij mogen tevens niet nalaten de blijmoedige stemming op te merken, die overal, zoowel in de boertige en vroolijke, als in de meer ernstige gedeelten doorstraalt, alsmede de wijsgeerige kalmte, waarmede de wereld en al haar woelen beschouwd wordt. Zoo ergens, dan spiegelt hier zijn geest zich in zijn werk af. Hijzelf is het, die als Prospero tot ons spreekt. Na zijn vurigen jongelingstijd, toen de wereld hem schoon toescheen en hij het booze wel opmerkte, maar het goede in zijn oog het overwicht had, was er een tijd gekomen, waarin hij den indruk, dien het sombere en booze der wereld op hem maakte, in tal van werken op indrukwekkende, maar sombere wijze moest uiten; doch die tijd was voorbijgegaan, en kalmer viel zijn blik op de menschheid. Hij doorgrondt den mensch evenals vroeger; hij kent de boosheid nog, zooals de schildering van Jachimo doet zien; maar hij geeft telkens blijken van een zachtmoedige beoordeeling, van een edele vergevensgezindheid; en gaarne laat hij het oog rusten op wat schoon en liefelijk is, op jeugdige onschuldige paren, zooals Florizel en Perdita, Ferdinand en Miranda; op edele vrouwen, bij alle zachtheid sterk door reinheid, deugd, liefde en trouw, zooals Hermione en Imogeen. Even schoon staat Prospero voor ons, met zijn tooverstaf; door zijn grootmoedigheid heeft hij een vroegeren tegenstander tot vriend gemaakt, en het huwelijk hunner edele kinderen bezegelt den vriendschapsband; aan zijn vijanden heeft hij vergiffenis geschonken; tevreden ziet hij terug op zijn afgelegde levensbaan; hij verlaat het eiland, dat van zoovele wonderen getuige was; hij verbreekt en begraaft den tooverstaf, die ze gewrocht had, en gaat zich verder aan stille bespiegelingen wijden. Shakespeare treedt af van het wereldtooneel.1Herhaalde lezing van het stuk en nauwkeurig onderzoek der bovengenoemde bewijsgronden hebben mij genoopt, mijn vroegere meening, dat Koning Hendrik VIII een echt Shakespeare-stuk is, te laten varen.2Men vindt dit uitvoerig aangetoond door Richard Gurnett, in den Irving Shakespeare, vol. VII, pag. 176, alsmede door Georg Brandes, William Shakespeare (1896), blz. 935 en vgg.3Op het bericht van een vertooning ten hove in 1611 behoeft men niet te letten; die opgave is vervalscht.
De hemel was voor den dichter weder helder geworden; het onweder had uitgewoed; de stormen, die zijn gemoed bewogen hadden, waren bedaard. De werken, die hij na de laatstgenoemde meesterstukken geschreven heeft, leggen alle zoowel van zijn gelukkige stemming, die door de schepping van Marina in het tooneeldicht Pericles reeds was aangekondigd, als van zijn onverzwakt dichtvermogen getuigenis af.
Het “Winteravondsprookje”,The Winter’s Tale, heeft Shakespeare blijkbaar geschreven tot genoegen van zichzelf en tot vermaak van anderen. Hij legt een verhaal van Robert Greene, van 1588, “Pandosto of de triumf van den Tijd”, ook onder den titel “Dorastus en Faunia” uitgegeven, er ten grondslag aan, en brengt ons in een fantastische wereld, waar de eenvoudigste begrippen van waarschijnlijkheid even onbekend zijn als die der aardrijkskunde, waarin oudheid, middeleeuwen en nieuwere tijd, christendom en heidendom, dooreengemengd zijn, waarin een dochter van den keizer van Rusland bezwijmt bij het vernemen van een orakel, dat van het eiland Delphos wordt aangebracht, en waarin de hulp van den schilder Julio Romano (den leerling van Rafael Sanzio) wordt ingeroepen om een standbeeld te beitelen. Een vaartuig landt op de kust van Boheme; een edelman legt daar een kind te vondeling; hij wordt onmiddellijk daarna door een beer verslonden en het geheele schip vergaat met man en muis, want er mag niemand overblijven om iets van het gebeurde te vertellen; de vondeling groeit onder gewone herders op en is toch na zestien jaar niet alleen tot een allerbekoorlijkste jonkvrouw opgegroeid, maar bezit dan tevens de fijnste beschaving, zoodat zij alleszins waardig is om met een koningszoon te trouwen; een door haar gemaal gruwelijk miskende koningin bezwijmt voor onze oogen, en wij vernemen, dat zij gestorven is; maar na zestien jaren blijkt, dat zij bijgekomen is en al dien tijd op een landgoed verborgen is gebleven; wij zien haar weer als een standbeeld, dat levend wordt, den treurenden, berouwvollen echtgenoot de hand reikt en hem weder gelukkig maakt. En dit alles volgt snel op elkander; het eene tafereel wisselt met het ander af, en evenzoo de stemming; de ijverzucht des konings is zoo ongegrond, zoo ongerijmd mogelijk,—trouwens, wat ons vertoond wordt, is een sprookje,—maar de toestanden, die er uit voortvloeien, zijn echt tragisch en de eerste drie bedrijven maken een treffend treurspel uit; doch het slot van het derde bedrijf bereidt erons op voor, dat een vroolijker gedeelte volgt. Zoo verplaatst ons dan het vierde bedrijf, dat zestien jaar later speelt, op een herdersfeest, waarin met het herdersvolkje de bekoorlijke vondelinge, een koningszoon, een koning met een getrouwen hoveling, en een vermakelijke schavuit, die landlooper en beurzensnijder is, optreden; de laatste draagt den naam van een zoon van Mercurius, den god der dieven, en vent als marskramer gedrukte liedjes uit, zooals dit in Shakespeare’s tijd gebruikelijk was. De hoofdpersonen van dit herdersstuk, dat een ernstige wending dreigt te nemen, gaan scheep op de kust van Boheme en landen op Sicilië, waar op het alleronverwachtst, als in een sprookje,—Shakespeare wijst er meer dan eens op, dat zijn stuk een sprookje ten tooneele brengt,—de vondeling als koningsdochter erkend wordt, en haar doodgewaande moeder, die evenzoo verrassend nog in leven blijkt te zijn, haar man en haar kind aan het hart mag drukken.
Voorwaar, een stuk, dat ten duidelijkste aantoont, hoe jeugdig het gemoed en de geest des dichters gebleven zijn; hij schept genot in het verhaal van Greene, dat hij niet nalaat te veredelen en van een blij einde te voorzien,—want bij Greene sterft de koningin werkelijk en wordt de koning later verliefd op zijn eigen kind, doch steekt zich, als hij haar als zoodanig herkent, uit wanhoop dood;—hij weet alle personen met geest en leven te bezielen; hij laat in het herdersspel aan de vroolijkheid den vollen loop en doet er een Autolycus optreden, die de blijgeestigheid zelf is en veeleer de schepping van een jong en jolig dichter schijnt te zijn, dan van een man, die de stormen des levens zegevierend heeft doorstaan; zijn rijke verbeelding weet een eindtooneel voort te brengen, zoo tooverachtig schoon als er ooit een is uitgedacht; in Perdita en Florizel een jeugdig paar in het leven te roepen, zoo onschuldig, zoo bekoorlijk, zoo liefelijk en zoo innig verliefd, als ooit eenig dichter geschilderd heeft; een koningin als Hermione te doen stralen in al de schoonheid der jeugd, haar geestig en schalks te doen kouten met den vriend van haar echtgenoot en bij de wreedste en onrechtvaardigste verdenking met al den adel van een rein gemoed en de waardigheid eener vorstin haar onschuld te doen bepleiten, en haar later zonder eenig verwijt, zonder eenige bitterheid, de hand te doen reiken aan den echtgenoot, die haar zoo onrechtvaardig vervolgd, doch zijn schuld door jaren van berouw geboet heeft. Nog op verscheiden andere karakters, op Paulina, op Camillo, op den ouden herder zou kunnen gewezen worden, doch het gezegde moge genoeg zijn om te doen zien, in welk een gelukkige gesteldheid des gemoeds, met welk een levendigen en toch tot volle rijpheid gekomen geest, de dichter dit stuk geschreven heeft.
Evenals het “Winteravondsprookje” dagteekent “Cymbeline” van 1610 of 1611, dus uit het laatste tijdperk van ’s dichters werkzaamheid. De geheele wijze van behandeling niet alleen, maar ook de stijl en de versbouw toonen dit voor beide stukken allerduidelijkst aan, en het wordt ook door uitwendige getuigenissen bevestigd. Evenals het vorige stuk is Cymbeline rijk aan verscheidenheid; trouwens, zeer ongelijksoortige bestanddeelen zijn hier tot één geheel vereenigd. Het hoofddenkbeeld is aan een vertelling van Boccaccio ontleend, doch de belasterde onschuld, bij Boccaccio de vrouw van een koopman, is hier de dochter van een koning geworden, en wel van een der Britsche koningen, die vóór Christus’ geboorte in Engeland heerschten en door Holinshed vermeld worden. Zoo heeft de dichter de lotgevallen van Imogeen saamgeweven met een oorlog tusschen de Britten en Romeinen. Een ander deel is geheel zijn eigen vinding, namelijk de gebeurtenissen aan het hof, waartoe hij de valsche koningin en haar zoon Cloten in het leven riep; evenzoo heeft hij de lotgevallen der koningszonen uitgedacht, want Holinshed’s kroniek vermeldt alleen hun namen en zegt overigens niets meer, dan dat de oudste zijn vader is opgevolgd; van Belarius of Morgan is daar geen sprake. Door de vereeniging van zoo ongelijksoortige bestanddeelen is een zeer ingewikkeld geheel ontstaan, waarvan de deelen geenszins alle innig en volkomen zijn saamgesmolten, gelijk in “Koning Lear” wel het geval is; een deel is echt dramatisch en in den toon van een treurspel, zooals de verbanning van Posthumus, zijn afscheid van Imogeen, zijn miskenning van haar trouw, haar tocht met Pisanio; een ander deel is meer lyrisch, zooals haar verblijf bij Belarius en de geroofde koningszoons, haar nog onbekende broeders; een ander deel weder is meer episch, zooals de beschrijving van den strijd tusschen de Britten en Romeinen. De groote verwikkeling maakt ook het slottooneel wat al te rijk aan ontknoopingen en verrassingen. Doch wat men nog meer moge gispen, zooals het optreden van Italianen van den lateren tijd onder de Romeinen; of men ook opmerke, dat door de groote samengesteldheid van het geheel de personen, die boven allen belang inboezemen, ons somwijlen te lang van het tooneel afwezig blijven; of men ook betreure, dat door de groote verscheidenheid de eenheid van het drama geleden heeft; niemand zal de hooge dichterlijke waarde zoowel van het geheel als van al zijn deelen miskennen; wil men Cymbeline ook al geen voortreffelijk drama noemen, niemand zal aarzelenhet een voortreffelijk dramatisch dichtstuk te heeten. Men lette eens op de uitstekende karakterteekening, op de treffende toestanden, op de heerlijke tooneelen,—waaronder die in de grot in de eerste plaats te tellen zijn,—en men is verzoend met wat men gebreken zou willen noemen.
Bovendien, er is inderdaad eenheid in het stuk; zij wordt teweeggebracht en gewaarborgd door Imogeen, een der schoonste vrouwenkarakters, die Shakespeare, ja, die eenig dichter geschapen heeft, zoo niet het schoonste van alle. Zij vereenigt in zich de onschuld van Desdemona, de liefde van Julia, den zielenadel van Cordelia, de vorstelijke waardigheid van Hermione; haar reinheid en deugd weerstaan alle beproevingen; hoe zij ook, als de liefde van haar man haar ontvallen is, den dood moge wenschen en dien gaarne lijden wil, zij denkt er niet aan, zich dien zelf te geven, maar heeft den moed, vermomd een gewaagden tocht te ondernemen ten einde in de nabijheid van haar echtgenoot te komen; haar standvastigheid in alle gevaren voert haar tot het gewenschte doel; en als zij dan eindelijk met haar Posthumus vereenigd is, komt geen enkele klacht over de doorgestane ellende, geen enkel verwijt wegens onrecht of miskenning over haar lippen; haar vergevensgezindheid, haar zachtheid, haar lieftalligheid maken, met haar schoonheid en onschuld, haar liefde en trouw, haar geest en moed, haar tot een beeld van volkomenheid en wij mogen den dichter dankbaar zijn, dat hij ons aan het eind zijner loopbaan, zulk een ideaal der vrouw geteekend heeft. Zij staat ons, als wij haar eens aanschouwd hebben, altijd door voor den geest; en door haar is het, dat al de verschillende tooneelen, zoowel die aan het hof, als die in de grot, zoowel die in Rome, als die bij het Romeinsche leger, zoowel die op het slagveld, als die in den kerker, inderdaad innig samenhangen en een schoon geheel uitmaken.
Tot dezen zelfden tijd en wel tot het einde van 1612 en het begin van 1613 is te brengen het stuk, dat in de gezamenlijke uitgave van Shakespeare’s tooneelwerken (1623) als het tiende of laatste der historiespelen is opgenomen, Koning Hendrik VIII. Het draagt in het Engelsch den titel:The Famous History of the Life of King Henry the Eighten stelt belangrijke tafereelen uit het leven van genoemden vorst voor oogen; het behandelt het bestuur en den val van den eerst alvermogenden kardinaal Wolsey, de echtscheiding des konings, zijn huwelijk met Anna Boleyn, de lagen, aan den aartsbisschop Cranmer door zijn vijanden gelegd, en de verijdeling van dien toeleg door den koning, het sterven van de gescheiden koningin Catharina van Arragon en de geboorte van Elizabeth; kortom, het is een reeks van dramatische tafereelen, die veeleer in kunstmatig verband gebracht zijn, dan tot een goed geheel vereenigd. Zoo kan men b.v. zeggen, dat de lotgevallen van den aartsbisschop Cranmer alleen ter sprake gebracht zijn met de bedoeling van hemzelf te doen optreden en alzoo door een beroemd persoon de heilrijke regeering van koningin Elizabeth en haar opvolger, koning Jacobus I, te doen voorspellen. Dit stempelt het stuk tot een gelegenheidsstuk en eveneens wordt dit aangewezen door den luister, waarmede de kroningsoptocht plaats grijpt.
Van den tijd, waarop dit stuk, en wel als een nieuw stuk, gespeeld werd, zijn wij nauwkeurig onderricht; want op den 29stenJuni 1613, toen het in het Globus-theater gegeven werd, geraakte het gebouw door de saluutschoten, die er in gelost werden en die het rieten dak aanstaken, in brand en lag in korten tijd in de asch. Wanneer wij dit in aanmerking nemen, valt er wel niet aan te twijfelen, of het stuk is geschreven voor de feesten ter gelegenheid van het huwelijk van ’s konings dochter prinses Elizabeth, dat in Februari 1613 voltrokken werd.
Reeds sinds lang was op de ongelijkheid van de verschillende deelen van het stuk gewezen, op de bijzonderheid, dat slechts enkele tooneelen, met name die, waarin koningin Catharina optreedt, belangstelling wekken, op den uiterst gebrekkigen bouw van het stuk; maar de omstandigheid, dat Heminge en Condell, de veeljarige metgezellen en vakgenooten van Shakespeare, het stuk in 1623 in zijn verzamelde tooneelwerken opnamen, belette, dat de twijfel, die omtrent de echtheid van het stuk bij den lezer mocht opkomen, voedsel kreeg. Bovendien dragen enkele gedeelten recht duidelijk den stempel van Shakespeare’s geest, zooals de groote rede, trouw naar de kronieken gevolgd, waarmede koningin Catharina haar rechten verdedigt, een rede, die iedereen aan de pleitrede van koningin Hermione in het Winteravondsprookje moet doen denken.
Wel was er ook reeds vroeger op gewezen, dat er in het stuk twee deelen zijn te onderscheiden, die in versbouw aanmerkelijk verschillen. Bij Shakespeare is de versbouw zeer natuurlijk en in het nauwste verband met den zin, zoodat wie den zin goed leest, vanzelf het vers goed leest, en zoo is het dan ook in eenige gedeelten van Koning Hendrik VIII, in andere daarentegen niet. Het was echter eerst in 1850, dat deze opmerking tot nader onderzoek leidde; toen echter werd er van drie kanten te gelijk de aandacht nader op gevestigd, vooral door den bekwamen uitgever van Bacon’s werken, James Spedding, die de vraag stelde: “Wie schreef Shakespeare’s Koning Hendrik VIII?” en na nauwkeurig onderzoektot het besluit kwam, dat het grootste deel van het stuk aan den bekenden tooneeldichter John Fletcher (geb. 1576) was toe te kennen en slechts enkele tooneelen (I. 1 en 2; II. 3 en 4; III. 2 tot aan Wolsey’s alleenspraak: “wat beteekent dit?” en V. I) aan Shakespeare. Sedert hebben onderzoekingen van vele andere gezaghebbende Engelsche Shakespeare-beoefenaars—en Engelschen zijn in deze vooral tot oordeelen bevoegd—dit bevestigd; ja sommigen onder hen gaan langzamerhand zoo ver, dat zij alle medewerking van Shakespeare aan dit stuk ontkennen. Moge dit misschien al te gewaagd zijn, daar toch Heminge en Condell het aan Shakespeare toekennen, volkomen zeker is het, dat Shakespeare vreemd is aan het plan; dit toch stelt aan den toeschouwer den ongerijmden eisch, eerst om diep medegevoel te hebben met de verstooten koningin en dan te jubelen bij de verheffing harer zegevierende mededingster. Evenmin heeft Shakespeare eenig deel aan de bewierooking van Elizabeths regeering door Cranmer en aan den lof, aan Jacobus’ regeering toegezwaaid; juist in dit gedeelte zijn de verzen gebrekkig van bouw1.
Volkomen echt daarentegen is “De Storm”, mede blijkens zijn bouw en inhoud een gelegenheidsstuk; het is, evenals Koning Hendrik VIII, ongetwijfeld2geschreven ter opluistering van het huwelijk van prinses Elizabeth met Frederik, keurvorst van de Paltz, den lateren koning van Boheme, en het is voor de eerste maal opgevoerd ten hove in Februari 16133. Dat het voor zulk een gelegenheid opzettelijk geschreven is, blijkt zoowel uit de kortheid van het stuk en uit de eenvoudige inrichting, als uit de maskerspelen, die het bevat; deze zijn er niet later ingevoegd, maar maakten er ongetwijfeld van den aanvang af een deel van uit; zij zijn er niet uit te lichten. Een nader onderzoek leert, dat “De Storm” bepaald voor dit huwelijk, waarbij de bruidegom over zee kwam, geschreven is, en het stelt tevens in het licht, met welk een vaardigheid Shakespeare zijn stukken schreef en welk een fijn gevoel van wellevendheid, welk een hooge beschaving hem eigen waren. Toen de verloving van het vorstelijk paar had plaats gehad en het huwelijk weldra volgen zou, overleed 6 November 1612 de oudste zoon des konings, de veelbelovende en allerwegen beminde prins Hendrik. Het huwelijk moest uitgesteld worden, maar ging in Februari 1613 door. Binnen drie maanden werd het stuk geschreven en opgevoerd. Dat het niet vroeger begonnen werd, blijkt hieruit, dat prins Ferdinand, van wien zijn vader niet anders denkt, dan dat hij is omgekomen, de afschaduwing is van den overleden koningszoon, en Prospero juist door de wijsheid en de edele eigenschappen, die koning Jacobus zelf waande te bezitten, uitblinkt; de volleerdste hoveling kon geen meer streelende hulde aan den koning brengen, terwijl toch alle grove en lage vleierij vermeden is.
Ongetwijfeld was dit onovertroffen meesterstuk, “De Storm”, Shakespeare’s laatste werk, waarmede hij afscheid van de tooneelwereld heeft genomen. Hij verlustigt zich nog eens in de herinneringen zijner jeugd, toen hij den “Midzomernachtdroom” schiep; hij voert den toeschouwer op nieuw in een tooverwereld, waarin dienstbare geesten wonderen tot stand brengen, en hij doet zien, dat zijn verbeelding en scheppend vermogen nog niets in kracht verloren hebben. Ook de tijd van “Elk wat wils” (As you like it) komt hem weer voor den geest; nog eens brengt hij ons bij een verdreven hertog, die zich in de eenzaamheid over het verlies van zijn zetel weet te troosten; doch welk een verschil! De goede vorst, die, van hovelingen omringd, in het “Ardenner Woud” geweken is, vergeet het onrecht, dat hem is aangedaan, door op de jacht te gaan en naar liedjes te luisteren; de verbannen hertog van Milaan heeft op zijn onbewoond eiland zich gewijd aan de opvoeding zijner liefelijke dochter, en aan de beoefening der wetenschap, die hem heerschappij verleent over de natuur en over de gemoederen der menschen. Hijzelf heeft de school van den tegenspoed doorloopen; toen hij vroeger Milaan te besturen had, verzuimde hij, door liefde tot de wetenschap verlokt, zijn plicht, en liet de uitoefening van het gezag aan zijn broeder over, een verzuim, dat hij met het verlies van zijn hertogdom had moeten boeten. Doch de rampspoed was hem tot zegen geweest; zijn geest is gelouterd. Hij gebruikt zijn macht over de geesten, om zijn tegenstanders, die nabij zijn eiland en in zijn bereik zijn, tot berouw en onderwerping te nopen; geen oogenblik komt de gedachte aan wraak bij hem op; andere wezens, die hen vergezellen en zich misdragen, worden getuchtigd en tot onderwerping gebracht; wie hem lief zijn, worden door voorbijgaande rampen beproefd om later des te gelukkiger te zijn.Een edele vergevensgezindheid zonder zwakte, zucht om wel te doen en geluk te stichten, maken het wezen van zijn karakter uit. “Een verheev’ner doen is deugd dan wraak”, zegt hijzelf, om zijn handelwijze jegens zijn vijanden te verklaren.
De geheele handeling in dit stuk is uiterst eenvoudig, en toch weet de dichter een groote verscheidenheid aan te brengen, zoowel in de tooneelen als in de karakters. Men gevoelt, met welk een welgevallen hij dat liefelijk paar, Miranda en Ferdinand, in het leven heeft geroepen. En welk een wondervolle schepping is het monster Caliban, een wezen, waarvoor de natuur hem geen voorbeeld aan de hand heeft gedaan en dat hij toch zoo natuurlijk, zoo waar geteekend heeft, dat men het schier gaat houden voor een afbeelding van den mensch in den natuurstaat, alleen door lage, dierlijke driften beheerscht! Dat Shakespeare wist, met welk genoegen dit schepsel zou worden aangegaapt, blijkt wel uit zijn spottende opmerking, dat zijn landgenooten hun laatsten duit zouden uitgeven om een vreemden visch of een woest mensch of een monster te zien.
Terwijl hij in andere stukken twee of drie handelingen dooreen weet te vlechten en tot een enkel geheel te versmelten, ja somwijlen dit laatste zelfs nalaat, heeft hij hier alle samengesteldheid vermeden. Met deze eenvoudigheid van handeling gaat hier gepaard, dat alles op een beperkte plaats, op een klein eiland, wordt afgespeeld, en wel in een korten tijd, in drie uren, zooals in het begin van het stuk en later meer dan eens wordt medegedeeld. Men herinnere zich, met welk een vrijheid Shakespeare in zoo vele andere stukken met den tijd omspringt en den toeschouwer van het eene land in het andere verplaatst; en dan komt men onwillekeurig tot de gedachte, dat Shakespeare in dit stuk ook eens heeft willen toonen, dat het hem zeer wel mogelijk was, aan den eisch van eenheid van handeling, tijd en plaats, door velen voor het drama gesteld, geheel en al te voldoen.
Bewijst Shakespeare in al de zoo verschillende tooneelen, waarin zoo ongelijksoortige personen optreden, hoe zijn geest volstrekt niets van zijn jeugdige frischheid verloren heeft, wij mogen tevens niet nalaten de blijmoedige stemming op te merken, die overal, zoowel in de boertige en vroolijke, als in de meer ernstige gedeelten doorstraalt, alsmede de wijsgeerige kalmte, waarmede de wereld en al haar woelen beschouwd wordt. Zoo ergens, dan spiegelt hier zijn geest zich in zijn werk af. Hijzelf is het, die als Prospero tot ons spreekt. Na zijn vurigen jongelingstijd, toen de wereld hem schoon toescheen en hij het booze wel opmerkte, maar het goede in zijn oog het overwicht had, was er een tijd gekomen, waarin hij den indruk, dien het sombere en booze der wereld op hem maakte, in tal van werken op indrukwekkende, maar sombere wijze moest uiten; doch die tijd was voorbijgegaan, en kalmer viel zijn blik op de menschheid. Hij doorgrondt den mensch evenals vroeger; hij kent de boosheid nog, zooals de schildering van Jachimo doet zien; maar hij geeft telkens blijken van een zachtmoedige beoordeeling, van een edele vergevensgezindheid; en gaarne laat hij het oog rusten op wat schoon en liefelijk is, op jeugdige onschuldige paren, zooals Florizel en Perdita, Ferdinand en Miranda; op edele vrouwen, bij alle zachtheid sterk door reinheid, deugd, liefde en trouw, zooals Hermione en Imogeen. Even schoon staat Prospero voor ons, met zijn tooverstaf; door zijn grootmoedigheid heeft hij een vroegeren tegenstander tot vriend gemaakt, en het huwelijk hunner edele kinderen bezegelt den vriendschapsband; aan zijn vijanden heeft hij vergiffenis geschonken; tevreden ziet hij terug op zijn afgelegde levensbaan; hij verlaat het eiland, dat van zoovele wonderen getuige was; hij verbreekt en begraaft den tooverstaf, die ze gewrocht had, en gaat zich verder aan stille bespiegelingen wijden. Shakespeare treedt af van het wereldtooneel.
1Herhaalde lezing van het stuk en nauwkeurig onderzoek der bovengenoemde bewijsgronden hebben mij genoopt, mijn vroegere meening, dat Koning Hendrik VIII een echt Shakespeare-stuk is, te laten varen.2Men vindt dit uitvoerig aangetoond door Richard Gurnett, in den Irving Shakespeare, vol. VII, pag. 176, alsmede door Georg Brandes, William Shakespeare (1896), blz. 935 en vgg.3Op het bericht van een vertooning ten hove in 1611 behoeft men niet te letten; die opgave is vervalscht.
1Herhaalde lezing van het stuk en nauwkeurig onderzoek der bovengenoemde bewijsgronden hebben mij genoopt, mijn vroegere meening, dat Koning Hendrik VIII een echt Shakespeare-stuk is, te laten varen.
2Men vindt dit uitvoerig aangetoond door Richard Gurnett, in den Irving Shakespeare, vol. VII, pag. 176, alsmede door Georg Brandes, William Shakespeare (1896), blz. 935 en vgg.
3Op het bericht van een vertooning ten hove in 1611 behoeft men niet te letten; die opgave is vervalscht.