XI.Shakespeare’s laatste levensjaren en dood. Zijn nalatenschap.Kort nadat Shakespeare aan het slot van zijn laatste tooneelwerk zijn tooverstaf uit de hand had gelegd, zeide hij, waarschijnlijk in 1613, de wereldstad Londen vaarwel om zich voor goed in zijn kleine geboorteplaats, Stratford aan den Avon, te vestigen. Toen hij deze als jeugdig man en vader verliet en onder de tooneelspelers verzeilde, was hij ongetwijfeld door menigen vroegeren stadgenoot voor verloren gerekend, want hij waagde zich op een zee vol gevaars,die velen tot verderf was. Doch wie ook uit den koers raakten en strandden of vergingen, hij had alle stormen weerstaan en was steeds, nu voor den wind zeilend, dan laveerend, zijn doel genaderd; hij had zelfs gelukkig gevaren en was, niet slechts behouden, maar met een rijke vracht, in de stille bocht, in de kleine haven van waar hij uitgegaan was, ten anker gekomen. Inderdaad, rijk was hij teruggekeerd; misschien was hij de rijkste burger van Stratford, doch in allen gevalle zeer gegoed; hij was een vermogend grondbezitter geworden en dus in de oogen zijner medeburgers, zelfs al hadden deze geen denkbeeld van zijn verdiensten als dichter, een door en door respectabel man1. Hij woonde in het grootste huis der stad2en leefde volgens de overlevering op onbekrompen wijze, zoodat hij jaarlijks vrij wat geld uitgaf. Slechts zeer weinig berichten zijn uit dezen laatsten tijd van zijn leven tot ons gekomen; wij weten er uit, dat hij zich met het beheer zijner bezittingen bezighield en ook enkele keeren naar Londen reisde; het is ten minste bekend, dat hij er in November en December 1614 eenige weken vertoefde; het jaar te voren, in Maart, had hij er een huis gekocht in de nabijheid van den Blackfriars-schouwburg; men kan dus wel vermoeden, dat hij er meermalen heenging.Onwillekeurig vraagt men zich af, hoe Shakespeare in Stratford zijn leven sleet en of hij er zich gelukkig kon gevoelen. Voor het laatste was het zeker noodig, dat hij het geluk in zichzelf vond. Stratford was puriteinsch geworden; de onverdraagzame stijve geloovigen, die alle wereldsche vermaken versmaadden en het tooneel verfoeiden en die vaak door hem met spot vervolgd waren, hadden er de overhand; reeds in 1602 was het verboden, de groote gildezaal, waar hij als kind vaak tooneelvertooningen had bijgewoond, voor zulke ijdelheden aan eenig gezelschap af te staan, en daar het verbod waarschijnlijk van tijd tot tijd overtreden was, werd door den raad der gemeente in 1612 bepaald, dat de alderman of wie ook, die tot een tooneelvertooning daar verlof gaf, een boete van tien pond—dus naar de tegenwoordige geldswaarde vijf- of zeshonderd gulden—zou te betalen hebben. Onder zulke omstandigheden zullen er van de 1500 inwoners van Stratford niet velen voor den gezelligen omgang met Shakespeare geschikt zijn geweest. Dat hij in zijn familiekring vergoeding voor dit gemis gevonden heeft, valt zeer te betwijfelen. Van zijn vrouw, de boerendochter uit Shottery, is dit niet te verwachten. Van zijn oudste dochter, Susanna, wordt in haar grafschrift getuigd, dat zij geest bezat boven anderen van haar sekse, en dit met haar vader gemeen had, maar dat zij bovendien steeds wijselijk bedacht was op haar eeuwig heil; van haar man, den geneesheer Hall, blijkt uit zijn nagelaten en uitgegeven ziektekundige aanteekeningen, dat hij zeer kerkelijk gezind was en een fellen haat tegen de Roomschen voedde. Susanna had een mooie flinke handteekening, maar of zij meer dan dit van de edele schrijfkunst machtig was en eenige letterkundige ontwikkeling bezat, mag betwijfeld worden, want zij kon hoogstwaarschijnlijk geen geschreven schrift lezen en ten minste het schrift van haar man niet herkennen; dit blijkt uit de mededeelingen van Dr. James Cooke, een militair arts, die tijdens de burgeroorlogen te Stratford kwam, waar de brug verdedigd moest worden. Hij vernam, dat de nagelaten boeken en papieren van Dr. Hall zich daar ter stede bevonden en begaf zich naar het huis der weduwe, om ze te zien. Nadat zij hem die getoond had, zeide zij, dat zij nog eenige boeken bezat, nagelaten door iemand, die met haar man gezamenlijk de geneeskunst had uitgeoefend; zij hadden veel geld gekost. Hij antwoordde, dat hij, als hem de boeken bevielen, haar die som er voor terug zou geven. Toen hij de papieren zag, bevond hij, dat het geschriften waren van haar man, voor den druk gereedgemaakt, hij kende zijn hand en toonde haar, dat ten minste één der boeken door hemzelf geschreven was. Zij ontkende dit ten sterkste en werd verstoord, toen hij volhield; hij kocht haar toen de boeken voor de gevraagde som af. Zij maakte die dus, hoewel zij in ruime omstandigheden verkeerde, bij den eerste den beste gaarne te gelde. Dr. Cooke heeft ze later uitgegeven; zijn verhaal is hier medegedeeld, omdat het een gereede verklaring geeft, waarom van boeken of geschriften van Shakespeare niets is overgebleven; op papieren, vooral van zoo wereldschen aard, is zeker geen acht geslagen; zij zullen verbrand zijn of als scheurpapier verkocht. Van Shakespeare’s tweede dochter, Judith, is bekend, dat zij in het geheel niet schrijven kon; haar handteekening onder een stuk bestaat uit een kluchtige krul, die, evenals een kruisje, gewaarmerktis3. Om den geest, die bij Shakespeare’s familieleden heerschte, te doen kennen, zij nog vermeld, dat tijdens zijn verblijf te Londen, op het eind van 1614, een rondreizend Puriteinsch prediker in zijn woning gehuisvest werd.Uit dit alles is men wel gerechtigd af te leiden, dat de omgang met de zijnen Shakespeare’s geest niet kon bevredigen. Het beheer van zijn uitgestrekte bezittingen, het werken in zijn grooten tuin, het gadeslaan van de schoone natuur, waar hij van der jeugd af gemeenzaam mee was, het spreken met menschen van allerlei rang en bedrijf, de omgang met enkele bekenden of vrienden zullen den lust van zijn leven hebben uitgemaakt. Dat hij in zulk een omgeving zich nog met het schrijven van tooneelwerken heeft beziggehouden, is inderdaad niet aan te nemen, en dit is wel een gegronde reden te achten voor het vermoeden, dat hij zich niet vóór 1613 in zijn geboorteplaats voor goed heeft gevestigd.Van zijn verblijf aldaar zijn overigens geen bijzonderheden met zekerheid bekend. Zijn eerste levensbeschrijver, Nicholas Rowe (1709), vermeldt, dat hij er omgang had met de heeren uit den omtrek en om zijn aangenamen, geestigen kout en zijn goedhartigheid zeer gezien was4.Waarschijnlijk had Rowe dit van den tooneelspeler Betterton vernomen; doch hoe ook, aan de geloofwaardigheid van de mededeeling valt niet te twijfelen. Het lezen van Shakespeare’s geschriften kan ons hiervan de overtuiging geven, en dit te meer, daar wij weten, dat zij niet met moeite na herhaalde verbeteringen, hun vorm verkregen, maar hem gemakkelijk uit de pen vloeiden, zooals zijn twee vrienden, door wie zij zijn uitgegeven, verklaren. Wanneer wij zien, hoe hij op geestige wijze den spot drijft met valsch haar en met blanketsels, met eigenwaan en zwetsen, hoe nauwkeurig hij de eigenaardigheden en zwakheden der menschen weet af te beelden en ten toon te stellen, hoe hij uitwerkt, dat de wereld vaak door vertoon bedrogen wordt, dan kunnen wij nagaan, dat hij ook in den dagelijkschen omgang met de eigenaardigheden en zwakheden der menschen op vermakelijke wijze geschertst en gespot zal hebben. En tevens kunnen wij zeker wezen, dat hij de scherpte zijner opmerkingen met een goedhartigen lach wist te temperen. Wij zijn ook gerechtigd aan te nemen, dat hij in het beoordeelen van menschen en zaken de juiste maat wist in acht te nemen en de billijkheid te betrachten, want wij zien in zijn werken, hoe hij niet alleen het onderscheid tusschen goed en kwaad in het licht stelt, maar ook de verborgen roerselen van ’s menschen handelingen bloot legt en de noodlottige gevolgen van eenzijdigheid en overdrijving doet uitkomen. Hij kende de wereld; hij had zich in het groote en woelige Londen bewogen, dat zoo velen zijner vakgenooten als in een draaikolk medesleepte en zinken deed; ook hij had waarschijnlijk,—zijn geschriften zelf geven grond tot dit vermoeden,—een tijd gehad, dat hij aan de verlokkende stemder verleiding gehoor gaf, doch hij had zich leeren beheerschen; hij wist wederstand te bieden, zijn doel steeds in ’t oog te houden en een veilige haven te bereiken. Van zoo iemand, wien niets menschelijks vreemds was, is het niet te verwonderen, dat zijn beoordeeling van de menschen en hun handelingen juist en billijk, maar tevens, zoodra hier aanleiding toe bestond, zachtmoedig was. Zoo toont hij zich in zijn werken, en zoo was hij ongetwijfeld ook in den omgang met zijn vrienden. Bij het aandachtig en omzichtig lezen zijner geschriften kan men menigen karaktertrek van hem ontdekken en tot de uitkomst geraken, dat hij een beminnelijk mensch moet geweest zijn, wiens omgang, zoowel door zijn veelzijdige kennis en zijn opmerkingsgeest, als door zijn liefde voor dichtkunst, muziek, schilder- en beeldhouwkunst belangrijk, onderhoudend en aangenaam was. Men moet zich natuurlijk wel wachten, de uitingen zijner personen voor het persoonlijk gevoelen des dichters te houden. Shakespeare bezat in de hoogste mate het vermogen, dat de dramatische dichter hebben moet, van zich als het ware te vereenzelvigen met de personen, die hij ten tooneele voert; hij laat in hetzelfde stuk Othello, Jago en Desdemona, of Lear, Edgar, Edmond en Cordelia, of Heetspoor, prins Hendrik en Falstaff, ieder zoo spreken, als met zijn natuur overeenkomt. Maar al blijft hij in den regel verscholen achter de personen van het stuk, meermalen toch legt hij hun uitingen in den mond, waarin meer de lyrische, dan de dramatische dichter spreekt en ongetwijfeld zijn eigen meening wordt uitgedrukt. Wel weet hij ook hier maat te houden en zorg te dragen, dat het geheel er niet onder lijdt en de voortgang van het stuk er niet door belemmerd wordt, doch zeldzaam zijn zulke uitingen niet; onder andere mag de beroemde plaats, waarin Portia op het oefenen van genade aandringt, er onder gerekend worden. Zoo is het dan mogelijk, bij het nauwkeurig en met oordeel lezen van Shakespeare’s werken, menigen karaktertrek van hem op te merken en hem niet alleen als dichter, maar ook als mensch nader te leeren kennen. Men zal dan bevinden, dat de dichter, die door zijn gezonde levensbeschouwing en door zijn diepe menschenkennis het oordeel over goed en kwaad kan scherpen, het gevoel er voor kan verfijnen, tot maathouden in alle dingen kan aansporen en de zedelijke kracht des menschen kan verhoogen, ook om zijn persoonlijke hoedanigheden en zijn karakter een gids voor het leven verdient genoemd te worden.Wij zijn genaderd tot het jaar 1616, Shakespeare’s sterfjaar. In het begin van dit jaar hield de gedachte aan zijn dood in zooverre hem bezig, dat hij zijn testament ontwierp, en wel op 25 Januari. Op den tienden Februari huwde zijn tweede dochter, Judith, toen 31 jaar oud, met Thomas Quiney (uitgesprokenQuin-ny), wijnhandelaar te Stratford, vier jaar jonger dan zij; hij was de zoon van Richard Quiney (overleden 1602), denzelfden, die in 1598 aan zijn vriend Shakespeare dertig pond te leen had gevraagd (zie bl.63); als een bijzondere begaafdheid van hem is te vermelden, dat hij zijn handteekening met twee prachtige krullen opsierde. Op 25 Maart 1616, dus volgens den Ouden Stijl op den eersten dag van het jaar 16165, werd het testament met een paar bijvoegsels vermeerderd en door Shakespeare onderteekend. Hij stierf op Dinsdag den 23stenApril 16166en werd twee dagen later in de kerk der Heilige Drieëenheid, aan de noordzijde van het koor, begraven. Een eenvoudige platte steen wijst de plaats aan, waar hij ter ruste gelegd is; een vierregelig rijm bezweert bij Jezus’ naam, het stof, dat daar besloten is, niet te ontgraven, zegent, wie het gesteente spaart, en vervloekt, wie het gebeente roert7. Dowdall schreef in 1693, dat Shakespeare zelf dit rijm kort voor zijn dood gemaakt heeft; dit klinkt vrij onwaarschijnlijk; veeleer zou men vermoeden, dat een reeds gereed zijnde zerk ter bedekking van het graf gebezigd werd; naam en wapen ontbreken er op; en deze staan wel op de aangrenzende zerken van Susanna Hall, van haar echtgenoot John Hall, en van Thomas Nashe, den eersten echtgenoot van Sh.’s kleindochter Elizabeth. Aan welke ziekte Shakespeare overleed, is geheel onbekend, doch waarschijnlijk is hij geruimen tijd ziek of sukkelend geweest en was zijn dood niet geheel onverwacht. Het vermoeden ligt voor de hand, dat een wankelende gezondheid hem bewoog het voorgenomen huwelijk zijner jongste dochter te verhaasten; het is namelijk bewezen, dat dit met allen spoed gesloten werd en de vereischte vergunning der geestelijke overheid niet werd afgewacht. Met het oog op het aanstaand huwelijk werd waarschijnlijk hettestament ontworpen, waarin Judith goed bedacht werd; het is een wijziging geweest van vorige beschikkingen, want alle voorafgaande worden herroepen; Shakespeare had ongetwijfeld reeds vroeger gezorgd, dat zijn grondbezit bijeenbleef. De zaak bleef toen een poos rusten, tot een plotselinge verergering in den toestand van Shakespeare tot haastig bekrachtigen van het testament drong. Dit is namelijk niet in het net geschreven, maar in het eerste ontwerp is de dagteekening veranderd en zijn enkele bepalingen tusschen de regels ingelascht, waarna de onderteekening door den erflater en de getuigen gevolgd is. Het waarschijnlijkst is, dat hij herhaaldelijk door kwaadaardige koortsen van typheuzen aard bezocht werd, die zijn oorspronkelijk krachtig gestel sloopten; de straat, waarin hij woonde,Chapel street, kan er aanleiding toe gegeven hebben; want er waren stilstaande poelen en goten in, en ook van een zwijnekot wordt gewag gemaakt; de gezondheidsleer was toen ter tijd niet zoo ver gevorderd, dat men den verderfelijken invloed van zulk een toestand inzag. Anderhalve eeuw later, in 1768, toen een Shakespeare-Jubileum gevierd werd, noemde Garrick, de beroemde tooneelspeler, Stratford de smerigste, onaanzienlijkste, slechtst bestrate, erbarmelijkste landstad in Brittanje. Uit de aanteekeningen van zijn schoonzoon, den als arts hooggeroemden Hall, is niets aangaande zijn ziekte bekend geworden8.Zijn testament daarentegen kennen wij; het zoo even reeds genoemde ontwerp, op drie bladen papier geschreven, is bewaard gebleven; het draagt op ieder van deze Shakespeare’s handteekening en op de derde bovendien de woordenby me“door mij”; zijn deze twee woorden van Sh.’s hand, dan zijn zij, met een zevental handteekeningen op officiëele stukken, het eenige schrift, dat wij van hem bezitten; zijn naam is op zeer onzekere en onduidelijke wijze geschreven, hetzij doordat zijn hand verzwakt, hetzij dat hij bedlegerig was en zich moeilijk kon oprichten. Het testament bevat een menigte bepalingen om te zorgen, dat zijn door noeste vlijt verworven vermogen, met name het grondbezit, bijeenbleef; daartoe werd verreweg het grootste deel aan zijn oudste dochter, Susanna Hall, vermaakt, terwijl de jongste, Judith, met een uitkeering, die intusschen vrij belangrijk was, tevreden moest zijn. De aanhef luidt: “In den name Gods, Amen! Ik, William Shackspeare van Stratford aan den Avon in het graafschap Warwick, gentleman, in volkomen gezondheid en bewustheid (memorie), God zij geloofd! maak en verorden dezen mijn uitersten wil en testament op de volgende wijze; namelijk, ik beveel mijne ziele in de handen van God mijnen Schepper, hopende en zekerlijk geloovende, door de eenige verdienste van Jezus Christus mijnen Heiland het eeuwig leven deelachtig te worden, en mijn lichaam aan de aarde, waaruit het genomen is.” In de eerste plaats wordt nu zijn dochter Judith genoemd9; haar wordt vooreerst 150 pond vermaakt, namelijk 100 als huwelijksgift, die haar binnen ’t jaar moest uitgekeerd worden met interest, berekend tegen 10 percent ’s jaars, en 50, als zij ten behoeve van haar zuster Susanna afstand deed van haar aandeel in een nader aangewezen boerderij; vervolgens moest aan haar of aan haar kinderen drie jaar na de dagteekening van het testament (zoo staat er, vreemd genoeg, in plaats van “na mijn overlijden”) eveneens 150 pond uitbetaald worden, waarvan zij inmiddels reeds de rente zou genieten. Mocht zij vóór den afloop van drie jaren kinderloos sterven, dan was 100 pond er van bestemd voor Sh.’s kleindochter, Elizabeth Hall, de overige 50 werden vastgezet voor zijn, met den hoedenmaker Hart, gehuwde zuster Johanna, aan wie levenslang de rente betaaldzou worden; na haar dood was de som onder haar kinderen gelijkelijk te verdeelen. Zoo Judith de drie jaren overleefde, moesten de 150 pond voor haar vastgezet, haar de rente levenslang uitgekeerd en later de som onder haar kinderen verdeeld worden; doch als haar man aan haar en haar kinderen de inkomsten van landerijen ter waarde van 150 pond naar het oordeel der executeuren behoorlijk verzekerde, zou aan hem de som uitgekeerd worden. Verder werd zijn zuster Johanna Hart met 20 pond en met zijn kleederen bedacht en met het vruchtgebruik van het huis, dat zij bewoonde, tegen betaling van tien stuivers jaarlijks; elk harer drie zoons ontving vijf pond. Dan volgen kleinere legaten: zijn zilverwerk vermaakte hij aan zijn kleindochter Elizabeth Hall, behalve zijn groote zilveren vergulde kom; verder 10 pond aan de armen van Strafford, zijn zwaard aan Thomas Combe, 5 pond aan Thomas Russell, ruim 13 pond aan Francis Collins van Warwick; verscheiden legaten, elk van 26 shillings en 8 stuivers, om een ring te koopen, aan Hamlet Sedler, aan William Raynoldes, aan zijn kunstgenooten (my fellows) John Hemynges, Richard Burbage en Henry Cundell, aan Anthony Nash en aan Mr. John Nash; alsmede 20 shillings in goud aan zijn petekind William Walker. Hierop komt eindelijk de voornaamste beschikking: hij laat al zijn grondbezit, zijn woningNew Place, zijn huizen, schuren, landerijen, in Strafford aan den Avon, Oud-Stratford, Bushopton en Welcombe, zoo mede zijn huis in Londen bij Blackfriars, bewoond door John Robinson, en verdere landerijen enz., waar ook gelegen, aan zijn dochter Susanna Hall voor haar geheele leven en na haar dood aan haar oudsten zoon en diens manlijke afstammelingen, en zoo die er niet zijn, aan haar tweeden zoon en diens manlijke afstammelingen enz., en bij ontstentenis van deze aan zijn kleindochter Elizabeth Hall en haar manlijke afstammelingen, en bij ontstentenis van deze aan zijn dochter Judith en haar manlijke afstammelingen, en bij ontstentenis van deze aan zijn wettige erven. Hierop volgt: “Item, ik geef aan mijn vrouw mijn op één na ’t beste bed met toebehooren”10. Evenzoo geeft hij aan zijn dochter Judith zijn groote zilveren vergulde kom. Eindelijk worden al zijn overige bezittingen, kostbaarheden, huisraad, wat ook, na afbetaling van legaten, schulden en begrafeniskosten, aan zijn schoonzoon John Hall en zijn dochter Susanna Hall toegekend en deze ook tot executeurs van zijn laatsten wil en testament benoemd. Thomas Russellesq.en Frauncis Collins gent. worden aangewezen alsoverseers, dus om toe te zien, dat deze uiterste wil naar eisch wordt uitgevoerd. Hierop volgt dan de onderteekening. Als getuigen teekenden vooreerst Fra. Collyns, verder Julius Shawe, John Robinson, Hamnet Sadler11, Robert Whattcott.—Een onderschrift bewijst, dat alleen John Hall als executeur is opgetreden, en het testament, benevens een inventaris der goederen, naar behooren overgelegd en bezworen heeft op 22 Juni van het jaar 1616.—De genoemde Francis Collins was een rechtsgeleerde (sollicitor) uit Warwick; vermoedelijk was aan hem het stellen van het testament opgedragen.Ongetwijfeld heeft geen zinsnede in het testament zoo de aandacht getrokken als die, waarin hij aan zijn vrouw zijn op één na ’t beste bed vermaakt. Men heeft geoordeeld, dat zij hiermede erg kaal werd afgescheept. Doch ten onrechte. Hij behoefde voor zijn vrouw niet te zorgen; door de wet, die aan Shakespeare beter bekend was dan aan velen van zijn verklaarders, ontving zij genoeg. Van al de huizen en landerijen, die zijn volle eigendom, zoogenaamdfreehold, waren, trok zij levenslang een derde der inkomsten, en de woning New Place, met schuren en ruimen tuin, het huis in Henley street, de landerijen onder Old Strafford en elders leverden haar zeker meer dan het noodige op. Shakespeare verlangde, dat zijn goederen bijeen bleven, en waakte op de in Engeland gebruikelijke wijze tegen alle versnippering; hiertoe werden ook zijn huisraad en zijn kostbaarheden aan zijn oudste dochter en haar echtgenoot vermaakt. Het beste bed, dat meest voor bezoekers bestemd werd, werd waarschijnlijk een zoo belangrijk deel van den inboedel gerekend, dat het als familiebezit van het overige huisraad niet gescheiden werd en steeds van vader op zoon overging. Was dit inderdaad het geval, dan was het op één na ’t beste bed geen gering legaat te achten, vooral niet, als niet enkel het bed, maar ook het ledikant bedoeld is, want deze meubels waren dikwijls keurig afgewerkt en met snijwerk versierd. Bovendien werden in dien tijd allerlei voorwerpen aan nabestaanden vermaakt, zooals ketels, stoelen, mantels, hoeden, tinnen kroezen, vergiettesten, veeren kussens. In het jaar 1642 achtte zekere John Shakespeare van Budbrook, nabij Warwick,—geen familie van den dichter,—zich behoorlijk van zijn plicht der dankbaarheid jegens zijn schoonvader te kwijten, door aan dezen “zijn beste laarzen” te vermaken.Men heeft dus alle recht om aan te nemen, dat Shakespeare alleen daarom geen meerdere goederen aan zijn vrouw vermaakt heeft, omdat er alreeds op andere wijze, door de Engelsche wet namelijk, voldoende voor haar gezorgd was. Wil men een ander voorbeeld van een dergelijke handelwijze, dan kan Sir Thomas Lucy dit leveren; deze liet in 1600 bij uitersten wil aan zijn zoon zijn op één na ’t beste paard na, doch geen land, omdat hij volgens belofte op land van zijn schoonvader kon rekenen. Nog beter voorbeeld vindt men in het testament van David Cecil, Esq., den grootvader van den bekenden Lord Burleigh; daar leest men: “Item—het is mijn wil, dat mijn vrouw al het zilverwerk zal hebben, dat zij had vóór ik haar trouwde; en twintig koeien en een stier.”12Het zal zijn wil niet geweest zijn, dat zij niets dan melk en rundvleesch van haar zilveren schotels zou eten; het legaat kwam bij het aandeel, of liever vruchtgebruik, dat de wet haar toekende. Toch is het opmerkelijk, dat in het eerste ontwerp van Shakespeare’s testament zijn vrouw niet voorkomt.—Evenzoo verdient de aandacht, dat geen enkel lid der familie Hathaway genoemd wordt, evenmin als eenig dichter of schrijver, zelfs Ben Jonson niet; eindelijk dat van boeken of papieren volstrekt geen gewag wordt gemaakt. Waarschijnlijk was Shakespeare door typheuze koortsen zeer verzwakt.Of Shakespeare’s weduwe bij haar kinderen, Susanna en Dr. Hall, is blijven wonen, en of deze misschien reeds vroeger, bij huns vaders leven, in New Place hun intrek hadden genomen, is onbekend. Zij overleefde haar man zeven jaren en stierf 6 Augustus 1623, in den ouderdom van zeven-en-zestig jaren; zij werd dicht bij haar echtgenoot, in het koor der kerk, begraven.Hoeveel zorg Shakespeare ook gedragen had, dat zijn bezittingen bijeenbleven en zijn geslacht in zijn geboortestreek zou voortleven, zijn pogingen zijn ijdel gebleken. Zijn dochter Susanna overleefde haar echtgenoot John Hall, die in 1635, zestig jaar oud, stierf; zij overleed, zes-en-zestig jaar oud, in 1649. Elizabeth Hall, in Sh.’s testament genoemd, is het eenig kind harer ouders gebleven; zij was in 1626 met Thomas Nashe gehuwd, die in 1647 stierf; zij hertrouwde in 1649 met een weduwnaar, John Barnard doch bleef kinderloos, en stierf in 1670.—Zijn dochter Judith, gehuwd met Thomas Quiney, een wijnhandelaar, wien het in de wereld aanvankelijk goed, doch later, van 1630 af, lang niet voordeelig ging, heeft haar drie kinderen, allen zoons, overleefd; de oudste, Shakespeare genoemd, stierf binnen ’t jaar, de twee anderen, toen zij 20 en 19 jaren oud waren; zijzelf overleed in Februari 1662. In minder dan vijftig jaren na Shakespeare’s dood was zijn laatste afstammeling gestorven.—Alleen in de afstammelingen zijner zuster Johanna, wier echtgenoot, William Hart, weinige dagen voor Shakespeare gestorven was, bleef zijn geslacht leven.—Van Elizabeth Hall, gestorven als weduwe Barnard, weten wij zoo goed als niets. Wat er na haar dood met de vroegere eigendommen van den grooten dichter gebeurde, behoeft hier niet nagegaan te worden; alleen zij vermeld, dat zoowel het huis van Shakespeare’s vader, waar de dichter menig jaar zijner jeugd heeft doorgebracht, als het erf met de grondvesten zijner eigen woning,New Place, thans aan de gemeente Stratford behooren, het eerste sinds geruimen tijd, het laatste door de goede zorgen van Mr. Halliwell, sedert 1862.Korten tijd na Shakespeare’s overlijden, ongetwijfeld vóór 1623, het jaar der uitgave van zijn gezamenlijke werken13, werd in de kerk, aan den linker- of noordermuur van het koor, tegen het dichtgemetselde tweede venster, een gedenkteeken voor hem aangebracht, misschien door de zorg van zijn schoonzoon Hall. Zijn borstbeeld, levensgroot, van zachten steen gehouwen, is daar geplaatst in een nis, waarboven zijn wapen zich verheft, terwijl op het voetstuk een tweeregelig Latijnsch en een zesregelig Engelsch vers gebeiteld zijn. Het eerste verklaart, dat hem, die in wijsheid een Nestor, in geest een Socrates, in kunst een Vergilius was, de aarde bedekt, het volk betreurt, de Olympus bezit. Het tweede roept den wandelaar toe, niet voorbij te ijlen, maar te lezen, wie door den boozen dood in dit monument geplaatst is, Shakespeare, met wien de natuur zelf stierf, wiens naam meer dan alle praal zijn tombe versiert, daar al wat hij geschreven heeft, toont, dat de levende kunst slechts dienstbaar was aan zijn geest. Hieronder wordt vermeld, dat hij stierf in het jaar onzes Heeren 1616, in zijn 53ste jaar, op 23 April. Het beeld zelf, dat het geheele bovenlijf voorstelt, heeft vóór zich een kussen, waarop een blad papier ligt, dat door de linkerhand half bedekt wordt; de rechterhand, die een pen vasthoudt, rust niet op het papier, maar op het kussen. Het gelaat is over ’t geheel welgevormd, doch het benedengedeelte eenigszins zwaar; eris weinig uitdrukking in, al is de mond tot een glimlach geplooid. Het borstbeeld is alzoo lang geen meesterstuk; toch verdient het zeer de aandacht, daar het kort na Shakespeare’s overlijden geplaatst is geworden, toen velen, die den dichter persoonlijk gekend hadden, over de gelijkenis konden oordeelen. Het is dus waarschijnlijk, dat dit oordeel niet ongunstig was. Bovendien is er veel reden om aan te nemen, dat bij de bewerking van dit beeld een gipsafgietsel, van een lijk afgenomen, als model gediend heeft; verscheiden beeldhouwers en schilders van naam zijn na nauwkeurig onderzoek tot dit besluit gekomen; vooral het benedenste gedeelte van het gelaat kan dit aanwijzen. Wanneer men nu niet wil beweren, zooals wel geschied is, dat de beeldhouwer zich heeft moeten behelpen met een afgietsel op het gelaat van een ander persoon, die veel op Shakespeare geleek, dan ligt het voor de hand aan te nemen, dat van Shakespeare’s gelaat kort na zijn dood een afgietsel genomen is en dat dit bij het vervaardigen van het borstbeeld gediend heeft. Als maker er van wordt door Dugdale Gerard Johnson genoemd, die eigenlijk Gerard of Gerrit Jansen heette; hij was een Hollander, uit Amsterdam; in 1614 heeft hij ook het grafteeken van John Combe, met Shakespeare wel bekend (zie boven blz.77), vervaardigd.—Oorspronkelijk was het borstbeeld beschilderd: oogen lichtbruin, haar en baard rosachtig bruin, wangen blozend, onderkleed met mouwen, scharlakenrood, overkleed zwart, hals- en handkragen wit, bovenvlak van het kussen groen (het papier wit), ondervlak karmozijn; randkoord en kwasten verguld. Op het laatst der vorige eeuw werd het, dwaas genoeg, gewit, doch in 1824 is de oorspronkelijke kleur weder te voorschijn gebracht en hersteld.Behalve het borstbeeld bezitten wij nog een afbeelding van Shakespeare in de kopergravure van Martin Droeshout, welke geplaatst is voor de folio-uitgave zijner gezamenlijke tooneelwerken, van 1623; zij is ook in de volgende drie folio-uitgaven van dezelfde plaat afgedrukt. Er staat een vers tegenover van Ben Jonson, waarin verklaard wordt, dat de graveur met de natuur een strijd had aangegaan om het leven te overtreffen, en dat, als hij even goed Shakespeare’s geest had kunnen afbeelden, als hij zijn gelaat getroffen had, zijn prent alles zou overtreffen, wat ooit in koper gegrift was. Jonson verklaart dus, dat er gelijkenis bestaat. De graveur heeft zeker getracht het hooge fraai gewelfde voorhoofd, de schoone oogen, den regelmatigen neus, den fraai gevormden mond nauwkeurig na te bootsen, maar het is hem niet gelukt een goed geheel te leveren; ja, de afbeelding van het voorhoofd is zelfs geheel mislukt. Toch moet, zoo men het portret nauwkeurig nagaat en bij herhaling beziet, mijns inziens erkend worden, dat het, hoe gebrekkig de uitvoering ook zij, wellicht van het wezen des dichters trekken genoeg teruggaf, om Jonson’s betuiging eenigermate te rechtvaardigen. Vergelijken wij het met het borstbeeld van Stratford, dan vinden wij eenige overeenstemming, met name in het hooge, gewelfde voorhoofd, dat door kaalheid nog iets hooger wordt, in het lange haar, dat over de ooren gekruld is, en nog in enkele andere bijzonderheden; doch het borstbeeld verschilt zeer door den vorm van den neus,—misschien heeft de beeldhouwer daar toevallig wat te veel van het zachte gesteente weggenomen,—door de zeer regelmatig gebogen wenkbrauwen, die aan de geschilderde wenkbrauwen van vele poppen doen denken, door den vorm van den mond en in enkele andere opzichten. De verschillen laten zich wel verklaren; als de beeldhouwer aan de ingevallen trekken van het lijk leven heeft willen verleenen, het gelaat wat voller heeft gemaakt, den mond tot een glimlach gevormd, de oogen geopend en de wenkbrauwen iets opgetrokken, is het niet te verwonderen, dat het borstbeeld een anderen indruk maakt dan de gravure, al zijn beide naar één model genomen. Portretten, naar denzelfden persoon door verschillende, zelfs zeer bekwame teekenaars geschilderd, kunnen onderling groote afwijkingen vertoonen. En men vergelijke eens de portretten van Napoleon met het gipsafgietsel, op het gelaat van zijn lijk afgevormd!Het borstbeeld en de gravure zijn de eenige afbeeldingen, van welke men zeker weet, dat zij Shakespeare moeten voorstellen. Er zijn verscheiden geschilderde portretten van personen met hoog voorhoofd, die voor afbeeldingen van Shakespeare doorgaan; het bekendste is het portret, eens in het bezit van den hertog van Chandos, thans in de nationale schilderijenverzameling (National gallery). Doch van geen enkel is de echtheid te bewijzen.Hetzelfde moet gezegd worden van een gipsafgietsel, waarvan men beweert, dat het op het gelaat van den gestorven Shakespeare kan of moet gevormd zijn. Naar bericht wordt, werd het in 1848 door den schilder Louis Becker, die ijverig verzamelaar van kunstwerken en zelf zeer handig was in het maken van gipsafgietsels, bij een uitdrager in Mainz onder ouden rommel gevonden en aangekocht. In 1849 gaf Becker het afgietsel aan Prof. Richard Owen te Londen in bewaring; hij vertrok naar Australië, maakte er deel uit van de expeditie van Wills en Burke, en vond er met dezen in 1861 den dood. Het berustte tot 1865 onder Owen; toen het berichtvan Becker’s dood in Engeland aankwam, gaf hij het aan den broeder des schilders, Dr. Becker, terug. Naar Owen’s oordeel beantwoordt het afgietsel, met het oog van den ontleedkundige bezien, zeer goed aan het beeld, dat men zich van Shakespeare vormen kan; er kleven in den baard eenige roodachtige haren; deze werden door hem als echte menschenharen erkend. Het afgietsel is verder onbetwijfelbaar van een lijk afgevormd en draagt aan de achterzijde in den rand het jaarcijfer 1616, dat blijkbaar in het nog weeke gips is gegrift; de cijfervormen zijn inderdaad die der zeventiende eeuw. Het is met olie gedrenkt en heeft dus waarschijnlijk voor het maken van een afgietsel gediend. Dr. Becker heeft het aan Herman Grimm ter onderzoeking voorgelegd en uit de woorden van dezen moge men afleiden, welken indruk het afgietsel op den beschouwer maakt14. “Ik geloofde, bij den eersten blik er op, nooit een edeler gelaat gezien te hebben. Wat ik in de hand hield, was voor eeuwen van het gelaat eens dooden afgevormd, en toch riep het zijn laatste oogenblikken dadelijk voor den geest. In den baard hield het gips nog eenige van de roodachtige haren vast, die het medegenomen had, en als pas geplooid deed zich de linnen doek voor, die om den hals gewonden was; nauwelijks gesloten schenen de oogen. En welke holten waren het, waarin zij lagen; welk een zuiver, edel beloop van den gebogen neus; welk een wondervolle vorm van het voorhoofd! Ik gevoelde, dat dit een mensch geweest moest zijn, in wiens brein edele gedachten woonden. Ik vroeg. Men zeide mij de achtervlakte van het afgietsel te beschouwen. Daar was in den rand, in cijfers der zeventiende eeuw ingegrift† Ao Dm̄ 1616. Ik wist van niemand anders, die in dit jaar stierf dan van den eenen, die in hetzelfde jaar geboren werd, waarin Michelangelo stierf, 1564—Shakespeare”15.Het afgietsel komt in verschillende bijzonderheden meer met de gravure van Droeshout dan met het borstbeeld in de kerk te Stratford overeen. Dit laatste verschilt er van door de meerdere gevuldheid van het gelaat, den korten neus en de zeer breede bovenlip. Wil men aannemen, dat het in Mainz gevonden afgietsel den maker van het borstbeeld tot model gediend heeft, dan is het zeer te betreuren, dat hij het origineel niet beter heeft kunnen nabootsen. De mogelijkheid, dat het afgietsel echt is, kan natuurlijk niet ontkend worden; en wanneer de buste inderdaad door Gerard Jansen of een zijner vijf zonen vervaardigd is, is het ook zeer wel denkbaar, dat het afgietsel zijn weg naar Holland en van daar, Rijnopwaarts, naar Duitschland gevonden heeft. Doch alleen de mogelijkheid is toe te geven, alle gronden om deze gissing waarschijnlijk te maken ontbreken16. Zeker is het jammer, dat het borstbeeld en de gravure de schoonheid van het te Mainz gevonden afgietsel niet bezitten, en er niet volkomen op gelijken; doch men moet het zich getroosten, de wezenstrekken van Shakespeare niet naar wensch te kennen, en neme hiertoe de woorden ter harte, waarmede Ben Jonson zijn tienregelig vers op de gravure besluit, dat zijn geest niet af te beelden was en dat men dus liever niet op zijn portret moet turen, maar in zijn boek moet lezen.Het boek, dat Jonson bedoelt, is de gezamenlijke uitgave van Shakespeare’s tooneelwerken, de folio van 1623, de grootsche nalatenschap, die door Shakespeare’s vrienden en oude kunstgenooten, Heminge en Condell, beiden ook in zijn testament genoemd, voor de wereld behouden is gebleven. Men is hun grooten dank schuldig, want zonder hun bemoeiingen zouden vele van Sh.’s meesterstukken voor immer zijn verloren gegaan, verscheiden andere alleen in minder volkomen vorm tot ons gekomen zijn17. Zij hebben op dezen dank te meer aanspraak, omdat zij, naar allen schijn, niet uit eigenbaat maar om de eere des grooten dichters hoog te houden, deze taak op zich namen.Met de beschouwing van den vorm en den toestand,waarin Shakespeare’s dramatische nalatenschap tot ons gekomen is, worde dit overzicht over zijn leven en werken besloten.Verreweg het grootste gedeelte der titelbladzijde wordt ingenomen door de reeds besproken beeltenis, gegraveerd door Martin Droeshout. De titel staat er boven:Mr. WilliamShakespearesComediesHistories &Tragedies.Published according to the True Original Copies.Beneden het afbeeldsel staat:London,Printed by Isaac Iaggard, and Ed. Blount. 1623.Tegenover den titel staat het vers van Ben Jonson, “Aan den Lezer”, waarin hij het portret als welgelijkend roemt, doch den lezer vooral naar het boek verwijst.Op den titel volgt de nederig gestelde toe-eigening:“Aan het hoogst edel en onvergelijkelijk broederpaar, William, Graaf van Pembroke, en Philip, Graaf van Montgomery”. Een paar zinsneden moeten aan deze opdracht ontleend worden: “Uwe edelheden hadden zooveel behagen in de afzonderlijke stukken, als zij gespeeld werden, dat reeds vóór zij het licht zagen, het boek vroeg, aan u te mogen toebehooren. Wij hebben ze slechts bijeenverzameld en den doode den liefdedienst bewezen, van aan zijn weezen voogden te verschaffen, geenszins uit verlangen om zelf voordeel of roem te verwerven, maar alleen om het aandenken van zulk een treffelijken vriend en kunstgenoot, als onze Shakespeare was, levendig te houden, door zijn tooneelwerken eerbiedig aan uw hoogstedele bescherming aan te bieden.”Op deze toewijding volgt het woord tot den lezer“Aan de groote verscheidenheid van Lezers.”“Van den bekwaamste af tot hem toe, die slechts spellen kan. Hiermede zijt gij allen geteld; liever hadden wij, dat gij gewogen waart. Vooral daar het lot van alle boeken van uw bevattelijkheid afhangt, en niet slechts van die uwer hoofden, maar ook van die uwer beurzen. Komaan! het is nu in het licht, en gij zult,—dit weten wij,—op uw rechten staan: van te lezen en te beoordeelen. Doet dat, maar koopt het eerst! Dit is de beste aanbeveling voor een boek, zegt de boekverkooper. Dan, hoe verschillend ook uw hersenen of uw wijsheden zijn, neemt allen gelijke vrijheid en spaart niet. Oordeelt naar uw sixpencewaarde, uw shillingswaarde, uw vijfshillingswaarde, om in eens op te slaan; of hooger, als gij maar tot het juiste peil stijgt, en weest welkom! Doch wat gij ook doet, koopt! Oordeelvellen brengt geen handel vooruit en geen braadspit aan het draaien. En al zijt gij een overheidspersoon in schranderheid, en al zit gij op het tooneel, of gelijkvloers, in Blackfriars dagelijks over stukken ten gerichte, weet, dat deze stukken hun verhoor reeds gehad hebben en door alle hoogere beroepen heen zijn, en zij komen nu voor den dag, vrijgesproken, veeleer door een besluit van een hof, dan door deze of gene gekochte aanbevelingsbrieven.“Het ware, wij erkennen het, zeer te wenschen geweest, dat de schrijver zelf in leven ware gebleven om zijn eigen geschriften uit te geven en na te zien. Doch daar het anders besloten was, en hij door den dood van dit recht verstoken is geworden, zoo bidden wij u, benijdt zijn vrienden de taak vol zorg en moeite niet, van ze bijeenverzameld en uitgegeven te hebben, en zóó uitgegeven te hebben, terwijl gij vroeger misleid werdt met verschillende gestolen, en door slinksche middelen verkregen afschriften, verminkt en misvormd door de streken en diefstallen van schandelijke bedriegers, die hen de wereld inzonden. Die zelfde werken worden u onder de oogen gebracht, geheeld en gaaf van leden, en ook al de overige, volledig in alle deelen, zooals hij ze tot stand bracht. Hij, zooals hij een gelukkig nabootser was der natuur, wist haar ook recht liefelijk uit te drukken. Zijn geest en zijn hand gingen samen; en wat hij dacht, uitte hij met zulk een gemakkelijkheid, dat wij nauwelijks een doorhaling in zijn papieren gevonden hebben. Doch het is onze zaak niet, daar wij zijn werken alleen bijeenzamelen en aan u geven, hem te prijzen. Dit is de zaak van u, die hem leest. En dan hopen wij, dat gij, naar uw verschillende bevattelijkheid, er genoeg in vinden zult, dat u aantrekt en boeit; want zijn geest kan evenmin verborgen blijven, als ooit verloren gaan. Daarom, leest hem, en weder, en steeds weder! En als gij hem dan niet liefkrijgt, voorwaar, dan verkeert gij blijkbaar genoeg in het gevaar van hem niet te verstaan. En hiermede laten wij u aan andere vrienden van hem over, die, als gij hen behoeft, uw gidsen kunnen zijn; behoeft gij hen niet, dan kunt gij uzelf tot gids zijn, en anderen. En zulke lezers wenschen wij hem toe.“John Heminge.Henrie Condell.”Op deze voorrede volgen vier lofdichten, van welke vooral het eerste, van Ben Jonson, opmerkelijk is door den hoogen lof, dien hij zijn vriend, tevens zijn grootsten mededinger, toekent, en den hartelijken toon, die er in heerscht. Hij begint met de verklaring, dat geen lof, van Mensch noch Muze, Shakespeare’s geschriften te veel kan prijzen, en voegt er bij: “Dit is waar, en er is slechts één stem over”18. Het toezwaaien van gewone loftuitingen versmadend, spreekt hij hem toe met de woorden: “Gij, ziel van onzen tijd!”19en erkent: “Gij zijt een monument, ook zonder tombe!” Dan stelt hij Shakespeare boven Lily, Kyd en Marlowe, en verklaart, dat Shakespeare, “schoon hij weinig Latijn en nog minder Grieksch kende”, de vergelijking met de oude dichters, waarvan er eenigen genoemd worden, niet behoeft te schromen, maar hen allen, en ook hun navolgers, overtreft. Dan roept Jonson uit: “Triumf, mijn Engeland! gij kunt op een man wijzen, wien alle tooneelen van Europa hulde brengen. Hij was niet voor één leeftijd, maar voor alle tijden!”20Vervolgens wijst Jonson er nadrukkelijk op, dat Shakespeare, hoe veel de natuur hem ook geschonken had, door eigen noeste vlijt zijnkunstverworven en tot volkomenheid gebracht heeft; “een goed dichter wordt niet slechts geboren, maar ook gemaakt”21; en zoo was het met Shakespeare. Hij spreekt hem ten slotte toe met de woorden: “Liefelijke zwaan van den Avon22, o welk een gezicht zou het zijn, U weder in onze wateren te zien verschijnen en aan de oevers van den Theems die hooge vlucht te zien nemen, die Elizabeth en Jacobus zoo verrukte! Doch neen, ik zie u reeds aan den hemel verheven en tot een sterrebeeld geworden! Straal, straal, gij sterre der dichters!23uw toorn of invloed beschame of verheuge het zinkend tooneel, dat, sinds gij van hier geweken zijt, gelijk de nacht getreurd heeft en, zonder het licht uwer werken, aan den dag zou wanhopen.”Het was niet noodig hier het geheele gedicht over te nemen; deze korte vermelding is wel voldoende om te doen zien, welk een schoone hulde door Jonson aan Shakespeare gebracht werd, en tevens, dat hij zoo gelukkig geweest is, verscheiden schoone, kernachtige uitdrukkingen te bezigen, die onmiddellijk treffen en in het geheugen blijven. Geen wonder, dat zij meermalen aangehaald worden. Om deze beter te doen uitkomen, zijn zij hier in een beknopt bestek vereenigd; en om ze woordelijk terug te kunnen geven, is dit in ongebonden vorm geschied.Van de overige lofdichten is dat van Leonard Digges opmerkenswaardig, wiens profetie van den blijvenden roem van Shakespeare zoo heerlijk vervuld is.Op de lofdichten volgt een bladzijde, waarop bovenaan de titel herhaald is; er staat: “De werken van William Shakespeare, bevattende al zijnComedies,HistoriesenTragedies, getrouw uitgegeven overeenkomstig haar “eerste origineel.” Hieronder vindt men een lijst van de voornaamste tooneelspelers, die in deze stukken zijn opgetreden. De eerste twee namen zijnWilliam ShakespeareenRichard Burbadge, de derde isJohn Hemmings24. De volgende bladzijde bevat de lijst der stukken, in drie groepen,Comedies,HistoriesenTragediesgeschikt, welke afdeelingen ieder afzonderlijk gepagineerd zijn. Men mist er Troilus en Cressida in, welk stuk, nagenoeg ongepagineerd, tusschen de Historiestukken en Treurspelen ingevoegd is; men kan hierover de aanteekeningen op dit stuk raadplegen. Dan volgen de blijspelen, “De Storm” vooraan. Aan het eind van het werk, op de laatste bladzijde der Treurspelen, staat onderaan de vermelding, dat het werk gedrukt is op kosten van W. Jaggard, Ed. Blount, J. Smithweeke en W. Aspley 1623.Op deze eerste folio-uitgave volgde in 1632 de tweede, welke eenvoudig een afdruk is der eerste, met enkele wijzigingen, gedeeltelijk toevallige, gedeeltelijk opzettelijke, welke laatste als verbeteringen bedoeld, maar, op zeer enkele na, niet als zoodanig te beschouwen zijn. Evenals in de eerste uitgave, zijn de Blijspelen, Historiestukken en Treurspelen afzonderlijk gepagineerd; Troilus en Cressida opent nu de rij der treurspelen.—De lofdichten zijn met een drietal vermeerderd, waaronder een zestienregelig vers van John Milton, die toen in zijn vier-en-twintigste jaar was, opmerking verdient; waarschijnlijk is dit het eerste gedicht, dat van hem het licht zag. Het moge hier in een eenigszins vrije en twee regels kortere vertolking een plaats vinden;“Behoeft mijn Shakespeare’s hoogvereerd gebeent’Een jaren arbeids eischend grafgesteent’?Behoeft een pyramide ’t heilig stofTe omhullen tot verhooging van zijn lof?Behoeft gij, zoon des Roems, gij, roem der Faam,Zoo zwak een tolk tot eeuw’ging van uw naam?Neen, in den eerbied, die uw grootte erkent,Schiept gij uzelf een duurzaam monument;Daar onweerstaanbaar, of Apollo zong,Uw godentaal ons in de ziele drong,En elk, zichzelf ontvoerd door uwe vaart,Tot marmer wordt, wie duiz’lend op u staart;—Opdat hij zulk een praalgraf zich verwierf,Wat koning is er, die niet gaarne stierf?”De derde folio-uitgave verscheen eerst in 1664; zij is voor een groot deel als een herdruk der vorige te beschouwen en bevat dezelfde stukken, en wel met doorloopende paginatuur, doch zij laat, de nummering der bladzijden weder met 1 beginnende, een geheele reeks van stukken volgen, die ten onrechte aan Shakespeare toegeschreven zijn en dus op goeden grond door de eerste uitgevers, Heminge en Condell, niet in de verzameling zijner werken opgenomen werden. Onder deze onechte stukken bevindt zich ook de “Pericles”. Wijl Shakespeare alleen in de tweede helft eenige tooneelen bewerkt heeft, werd ook dit stuk door Heminge en Condell, die verklaarden alleen echte stukken te willen geven, zeer terecht uitgesloten. Zij hebben dit inderdaad bedoeld en trouwhartig getracht een gedenkteeken van Shakespeare’s leven te stichten; maar hun zorgvuldigheid heeft, zooals boven reeds van Timon van Athene en Koning Hendrik VIII gebleken is, niet geheel gelijken tred gehouden met hun goeden wil, zoodat het gezag hunner uitgave niet in alle opzichten onbetwistbaar is.In 1685 verscheen een vierde folio-uitgave, die een herdruk is van de derde, en nagenoeg alleen door een nieuwere spelling van deze verschilt.Alleen aan de eerste dezer vier folio-uitgaven is inderdaad gezag toe te kennen; in de volgende vindt men steeds meer drukfouten, terwijl de overige afwijkingen slechts zelden verbeteringen zijn en zelfs dan, wanneer dit wel het geval is, op een toevallig gelukkige gissing en niet op grondig onderzoek berusten. De eerste folio-uitgave heeft ons van vele stukken den oudsten en besten tekst, dien wij bezitten, geschonken, en ook verscheiden andere voor den ondergang bewaard. Grooten dank is men hiervoor aan ’s dichters vrienden en kunstgenooten, Heminge en Condell, verschuldigd.Natuurlijk is een exemplaar der eerste folio-uitgave alleen bij zeldzaam voorkomende gelegenheden, en dan voor zeer hoogen prijs, te erlangen. Toch is het bij nauwkeurige beoefening van des dichters werken in vele gevallen noodig, den oorspronkelijken tekst te raadplegen. Gelukkig, dat deze bij herhaling met de uiterste zorg is nagedrukt en dat in den laatsten tijd ook de photographie te hulp is geroepen om den oudsten druk met volkomen getrouwheid te vermenigvuldigen; hij is thans voor hoogst matigen prijs in ieders bereik.Vraagt men nu, of Heminge en Condell een inderdaad zuiveren en betrouwbaren tekst gegeven hebben, dan moet het antwoord, helaas! ontkennend luiden. Wat zij ook verzekeren, zij konden meestal niet meer beschikken over de oorspronkelijke handschriften, die ongetwijfeld, na het maken van verscheiden afschriften, ten behoeve der vertooningen, vaak verloren waren gegaan. Misschien ook zijn er bij den brand van den Globe-schouwburg (blz.47) enkele vernietigd. Zij moesten zich dan behelpen met afschriften, die niet zelden door kappingen ter bekorting, welke geenszins oordeelkundig aangebracht werden, verminkt waren. In sommige gevallen moesten zij zelfs de toevlucht nemen tot de oude quarto-drukken, waarvan zij, in het voorbericht hunner uitgave, zooveel kwaads gezegd hadden; de oude afschriften, bij het tooneel in gebruik, waren dan ongetwijfeld versleten, zoodat een afdruk in de plaats was gekomen. Meermalen moet dus de door hen geleverde tekst aanmerkelijk afwijken van wat Shakespeare oorspronkelijk geschreven had, of ten minste onvolledig zijn. Hun bewering, dat de tooneelwerken naar de oorspronkelijke handschriften afgedrukt zijn, is alzoo bepaald onwaar, en niets anders dan een middel om het publiek zand in de oogen te strooien, en dit tot koopen, waarop zij zoo sterk aandringen, uit te lokken. Men moge dit streng afkeuren, doch waardeere, dat zij het beste gegeven hebben, dat zij hadden.—In een ander opzicht hebben zij waarheid gesproken; zij verklaren in de toewijding van het werk aan de graven van Pembroke en Montgomery, dat zij niets gedaan hebben dan bijeenverzamelen. Men moet erkennen, dat er inderdaad geen spoor van toezicht op het drukken hunner schatten te bespeuren is; het nazien van drukproeven schijnt door hen nagelaten te zijn; zij hebben alleen aan de pers afgestaan, wat zij wilden uitgeven. Misschien, waarschijnlijk zelfs, is het voor het verkrijgen van een goeden tekst gelukkig geweest, dat hun zorg zich niet verder heeft uitgestrekt. Want hadden zij fouten opgemerkt en op hun wijze trachten te verbeteren, dan zou allicht een willekeurige gissing, gelukkig of ongelukkig, in de plaats getreden zijn eener lezing, die, hoe ongerijmd ook, zich vaak zoo na mogelijk hield aan de letters of woorden, die in het oorspronkelijk handschrift of in oude afschriften of afdrukken stonden en nauwgezette latere onderzoekers op het spoor kunnen brengen om de echte lezing te ontdekken. Vallen wij hun dus over hun geringe zorg niet hard; herinneren wij ons, dat zij, uit liefde voor Shakespeare, zijn werken bijeenverzameld en zooveel meesterstukken aan de vergetelheid ontrukt hebben. Laat ons veeleer zeggen, dat hun, die veel hebben liefgehad, veel vergeven wordt.De eerste, die de taak aanvaardde, om uit de slordige uitgaven van des dichters werken een beteren, zuiverder tekst af te leiden, was Nicholas Rowe, in 1709. Dat hij slechts ten deele slaagde in de moeilijke onderneming, kan niet bevreemden, vooral niet, als men weet, dat hij niet de oorspronkelijke, maar de vierde folio-uitgave tot grondslag aannam. Als de eerste, die den echten tekst van Shakespeare trachtte te herstellen, moge hij hier met eere genoemd worden. Velen hebben na hem hetzelfde doel zoeken te bereiken. Doch het is hier de plaats niet, om hun pogingen aan een nauwgezet onderzoek te onderwerpen. Met welk een uitslag zij bekroond zijn geworden, moge men afleiden uit de woorden van een der uitstekende Shakespeare-beoefenaars van den lateren tijd, Alexander Dyce. Deze oordeelt, dat, indien als door een wonder de oorspronkelijke handschriften van Shakespeare voor den dag kwamen, deze het bewijs zouden leveren, dat in vele gevallen de echte lezing hersteld is, ofschoon de onwetendheid en aanmatiging der tooneelspelers, de slaperigheid der afschrijvers en de zorgeloosheid der uitgevers als het ware hebben samengezworen om haar verloren te doen gaan.Heeft in Engeland na Rowe de beoefening van Shakespeare’s werken steeds veld gewonnen, ook elders is dit het geval geweest. In Duitschland gaf de groote Lessing het voorbeeld van waardeering, en weldra volgde daar uitgave op uitgave, vertaling op vertaling. Vroeger of later vond hetzelfde in andere landen plaats, en tegenwoordig is, naast den Bijbel, geen boek, ’t zij in ’t oorspronkelijke, ’t zij vertaald, zoo algemeen en zoo in allerlei vorm, over de geheele aarde verspreid, als de kostelijke nalatenschap van Shakespeare.In Nederland is de beoefening en waardeering zijner werken tamelijk laat aangevangen, en de eerste proeven van welgeslaagde vertalingen vindt men in de “Bloemlezing uit de Dramatische Werken van William Shakespeare” van Mr. L. Ph. C. Van den Bergh, welk boek in 1834 het licht zag. Doch een beter tijd brak weldra aan; meer en meer werd de groote dichter in zijn waarde erkend; verscheiden uitgaven, vertalingen en navolgingen, ’t zij van gedeelten zijner werken, ’t zij van geheele tooneelstukken leggen hier getuigenis van af. Men zal niet verwachten, dat deze uitgaven en vertalingen hier opgenoemd en nader besproken worden; genoeg zij het op deze verdienstelijke ondernemingen gewezen te hebben. Alleen mag een woord van hulde aan den uitmuntenden Jurriaan Moulin niet achterwege blijven, die als nauwgezet en talentvol vertaler allen ten voorbeeld kan zijn. Te midden van velerlei beslommeringen bracht hij Othello, Macbeth, De Storm en gedeeltelijk ook Romeo en Julia op voortreffelijke wijze in het Nederlandsch over en hield zich daarbij zooveel mogelijk aan den vorm van het oorspronkelijke; bovendien geven de aanteekeningen, waarmede hij de stukken toelichtte, overal blijk van de grondige studie, die hij van des dichters werken gemaakt had.Verder mag hier de vermelding niet achterwege blijven, dat voor eenige jaren door A. S. Kok een volledige vertaling van Shakespeare’s dramatische werken, de eerste in Nederland, ondernomen en in 1880 ten einde gebracht werd. Reeds vroeger had hij een paar stukken in het Nederlandsch overgebracht en wel, evenals Moulin, in den vorm van het oorspronkelijke. Voor de vertaling van het geheel verkoos hij, zich grootendeels van proza te bedienen en slechts hier en daar, voornamelijk waar Shakespeare gerijmde verzen schreef, den gebonden vorm te bezigen. Sommige stukken zijn dus nagenoeg geheel in proza vertaald, bij andere wisselt proza met gerijmde verzen af.Naar mijn overtuiging is er bij groote dichters, en met name bij Shakespeare, een zoo innig verband tusschen den inhoud en den vorm hunner scheppingen, dat de vertaler, wil hij met zijn arbeid ongeveer denzelfden indruk geven als het oorspronkelijke, verplicht is, niet alleen den inhoud getrouw over te brengen, maar ook den vorm zooveel mogelijk te behouden.Bij mijn vertaling is dit beginsel voortdurend in het oog gehouden. Bovendien meende ik, dat voor de kennis en waardeering van den mensch en dichter Shakespeare niet alleen zijn dramatische werken, maar ook zijn gedichten van groot belang zijn; ook deze zijn hierom in deze uitgave begrepen.Zoo is dan van 1884 tot 1888 voor het eerst een volledige vertaling van des dichters werken, die den vorm van het oorspronkelijke zorgvuldig trachtte te bewaren, aan het Nederlandsche volk aangeboden. De bijval en goedkeuring, bij mijn onderneming van den aanvang af ondervonden, zijn mij niet alleen een machtige steun en spoorslag geweest, om de taak, die ik mij had opgelegd tot den einde toe te volbrengen, maar schonken mij ook het vertrouwen, dat mijn gave welkom zou zijn. Die verwachting is niet beschaamd geworden. Na de eerste uitgaaf vond ook een tweede, geïllustreerde, haar weg tot het publiek en thans wordt door een met zorg herziene volksuitgave mijn vertaling in het bereik gebracht van hen, die zich tot dusverre den aankoop moesten ontzeggen. Moge zij velen bewegen, lezers en vrienden van den grooten dichter te worden en meer en meer blijken, geen onwaardige hulde te zijn aan den machtigen geest, die zoo vele meesterwerken schiep!1De tienden, waarvan hij, zie boven blz.70, het recht gekocht had, brachten hem, volgens de schatting van een gerechtelijk stuk, zestig pond sterling op. Zijn jaarlijksch inkomen bedroeg, naar vermoed is, driehonderd, dus naar de tegenwoordige geldswaarde, ongeveer vijftien honderd pond.2In 1643, tijdens den burgeroorlog, hield koningin Henriette, gemalin van Karel I, er drie weken lang hof.3De schrijfkunst was toen lang niet algemeen verbreid; ook de oudste dochter van den dichter Milton kon niet schrijven.4Rowe noemt onder des dichters vrienden zekeren Mr. Combe, een oud rijk heer, die als geldschieter bekend stond. Deze zou schertsenderwijs verlangd hebben, dat Shakespeare een grafschrift op hem zou maken, en wel liefst dadelijk, omdat hij gaarne wilde weten, wat van hem gezegd zou worden. Ter voldoening aan dit verzoek dienden toen de volgende regelen:Ten in the hundred lies here ingrav’d;’Tis a hundred to ten his soul is not sav’d:If any man ask, Who lies in this tomb?Oh! oh! quoth the devil, ’t is my John-a-Combe.Als de geschiedenis waar is, heeft John Combe zeker hartelijk meegelachen, want hij liet, bij zijn dood, in 1614, aan “Mr. William Shakespeare vijf pond” na. Doch het verhaal van ’t grafschrift is apocrief, want reeds uit vroegeren tijd zijn zulke grafschriften bekend, natuurlijk zonder den naam van Combe; zooals:Ten in the hundred lies under this stoneAnd a hundred to ten to the devil his gone,alsmede:Who is this lyes under this hearse?Ho, ho, quoth the devil, tis my Dr. Pearce.Aubrey maakt ook van de geschiedenis gewag, doch verhaalt haar eenigszins anders, veel minder waarschijnlijk. Hier kan niet alles worden medegedeeld, wat van Shakespeare wel verteld en geboekt is; wie het voornaamste in een beknopt bestek bijeen wil vinden, met aanhaling van de oorspronkelijke woorden, raadplege in het tweede deel van Delius’ uitgave van des dichters werken deBiographische Nachrichten, alsmedeErläuterungen und Beilagen. Men vindt daar ook den volledigen tekst van Sh.’s testament, de voorrede van de uitgevers der folio-editie van 1623, de lofdichten, die aan deze zijn toegevoegd enz.—Voor het hier beoogde doel, het leveren van een duidelijk en waar beeld van des dichters leven en werken, behoefden deze bouwstoffen, waaronder vele niet voldoende gewaarmerkt zijn en geen strengen toets kunnen doorstaan, geenszins alle gebezigd te worden.5In Engeland werd tot 1752 het jaar gerekend te beginnen op 25 Maart.6Volgens den Ouden Stijl; 23 April stemde toen met den 3denMei volgens den Nieuwen Stijl overeen. Als sterfdag van den grooten Spaanschen schrijver Miguel de Saavedra Cervantes wordt (schoon zonder toereikenden grond) eveneens 23 April opgegeven, doch volgens den Nieuwen Stijl; deze zou dan tien dagen vóór Shakespeare gestorven zijn.7Good frend for Jesus sake forbeare,To digg the dust encloased heare.Bleste be the man that spares thes stones,And curst be he that moves my bones.8John Ward, die vicaris in Stratford was van 1648–1679, heeft enkele aanteekeningen nagelaten, waarin hij vertelt, dat “naar hij gehoord had”, Sh. van nature vernuft had, maar van kunst geen spoor; dat hij in zijn jonge jaren twee stukken ’s jaars schreef, maar later in Stratford leefde en 1000 pond ’s jaars(!) verteerde. Hij vertelt ook, dat Shakespeare, Ben Jonson en Drayton samen eens een vroolijken avond hadden en, zoo het schijnt, wat te veel dronken, zoodat Sh. de koorts kreeg en stierf. De man voegt er gemoedelijk bij, dat hij Sh.’s tooneelwerken toch eens moet lezen, om er ten minste iets van te weten.—Dat Sh. zijn oude vrienden gul ontvangen heeft, als zij hem kwamen bezoeken, is zeer natuurlijk; maar dat hij van het goede sier maken bij hun bezoek de koorts kreeg, behoeft op de praatjes van Ward niet aangenomen te worden.—Even weinig gewicht is te hechten aan het verhaal van Davies (zie bl.11), dat Shakespeare als papist stierf. Hij was ongetwijfeld geen puritein: de tijd kwam weldra, dat wie geen puritein was, voor papist werd uitgemaakt. De aanleiding tot het zeggen van Davies is dus niet ver te zoeken. Er is wel eens beweerd, dat Sh. in het Roomsche geloof gestorven is, doch zonder genoegzamen grond, waarover men Michael Bernays moge nazien.9De vorm is opmerkelijk; op de vermaking van zijn ziel aan God en van zijn stof aan de aarde, volgt onmiddellijk:Item, Igyve and bequeath unto my daughter Judyth, etc.10Item, I gyve unto my wife my second best bed with the furniture.Deze zin stond niet in het eerste ontwerp, maar is tusschen de regels bijgeschreven.11Op te merken is, dat de naam hier anders gespeld wordt dan in het testament.12Item—I will that my wife have all the plate that was hers before I married her; and twenty kye and a bull.13In het lofdicht van Leonard Digges, vóór deze uitgave geplaatst, wordt namelijk van het monument gesproken.14Ueber Künstler und Kunstwerke. Zweiter Jahrgang. Heft XI, XII. Mit 4 Photographien.Berlin 1867.—Men kan verder ook het opstel van Prof. Dr. Hermann Schaaffhausen:Ueber die Todtenmaske Shakespeare’s, in den tienden jaargang van hetShakespeare—Jahrbuch, blz. 26–49, raadplegen.15Herman Grimm denkt niet aan Cervantes; doch deze had ouder trekken, was 68 jaar en had een grijzen baard; van hem kan het afgietsel niet genomen zijn.16Hoe zeer men zich op het veld der gissingen gelieft te bewegen, kan ook de naam vanKesselstadter Maske, waarmede het afgietsel vaak wordt aangeduid, bewijzen. In Juni 1842 werd de schilderijverzameling van den overleden graaf en domheer Frans van Kesselstadt in Mainz onder den hamer gebracht, en nu onderstelt men, hoewel er geen schijn of schaduw van bewijs voor te vinden is, dat het afgietsel zich in de verzameling van den graaf bevond en van daar zijn weg gevonden heeft naar den uitdrager, bij wien Becker het vond. Van den uitdrager waren, naar het schijnt, geen inlichtingen te verkrijgen, daar zelfs zijn naam niet vermeld wordt.17Men vergelijke blz.46.18’Tis true, and all men’s suffrage.19Soul of the age.20He was not of an age, but for all time.21For a good Poet’s made, as well as borne.22Sweet Swan of Avon!23Shine forth, thou Starre of Poets.24De naam anders geschreven dan onder de voorrede!
XI.Shakespeare’s laatste levensjaren en dood. Zijn nalatenschap.Kort nadat Shakespeare aan het slot van zijn laatste tooneelwerk zijn tooverstaf uit de hand had gelegd, zeide hij, waarschijnlijk in 1613, de wereldstad Londen vaarwel om zich voor goed in zijn kleine geboorteplaats, Stratford aan den Avon, te vestigen. Toen hij deze als jeugdig man en vader verliet en onder de tooneelspelers verzeilde, was hij ongetwijfeld door menigen vroegeren stadgenoot voor verloren gerekend, want hij waagde zich op een zee vol gevaars,die velen tot verderf was. Doch wie ook uit den koers raakten en strandden of vergingen, hij had alle stormen weerstaan en was steeds, nu voor den wind zeilend, dan laveerend, zijn doel genaderd; hij had zelfs gelukkig gevaren en was, niet slechts behouden, maar met een rijke vracht, in de stille bocht, in de kleine haven van waar hij uitgegaan was, ten anker gekomen. Inderdaad, rijk was hij teruggekeerd; misschien was hij de rijkste burger van Stratford, doch in allen gevalle zeer gegoed; hij was een vermogend grondbezitter geworden en dus in de oogen zijner medeburgers, zelfs al hadden deze geen denkbeeld van zijn verdiensten als dichter, een door en door respectabel man1. Hij woonde in het grootste huis der stad2en leefde volgens de overlevering op onbekrompen wijze, zoodat hij jaarlijks vrij wat geld uitgaf. Slechts zeer weinig berichten zijn uit dezen laatsten tijd van zijn leven tot ons gekomen; wij weten er uit, dat hij zich met het beheer zijner bezittingen bezighield en ook enkele keeren naar Londen reisde; het is ten minste bekend, dat hij er in November en December 1614 eenige weken vertoefde; het jaar te voren, in Maart, had hij er een huis gekocht in de nabijheid van den Blackfriars-schouwburg; men kan dus wel vermoeden, dat hij er meermalen heenging.Onwillekeurig vraagt men zich af, hoe Shakespeare in Stratford zijn leven sleet en of hij er zich gelukkig kon gevoelen. Voor het laatste was het zeker noodig, dat hij het geluk in zichzelf vond. Stratford was puriteinsch geworden; de onverdraagzame stijve geloovigen, die alle wereldsche vermaken versmaadden en het tooneel verfoeiden en die vaak door hem met spot vervolgd waren, hadden er de overhand; reeds in 1602 was het verboden, de groote gildezaal, waar hij als kind vaak tooneelvertooningen had bijgewoond, voor zulke ijdelheden aan eenig gezelschap af te staan, en daar het verbod waarschijnlijk van tijd tot tijd overtreden was, werd door den raad der gemeente in 1612 bepaald, dat de alderman of wie ook, die tot een tooneelvertooning daar verlof gaf, een boete van tien pond—dus naar de tegenwoordige geldswaarde vijf- of zeshonderd gulden—zou te betalen hebben. Onder zulke omstandigheden zullen er van de 1500 inwoners van Stratford niet velen voor den gezelligen omgang met Shakespeare geschikt zijn geweest. Dat hij in zijn familiekring vergoeding voor dit gemis gevonden heeft, valt zeer te betwijfelen. Van zijn vrouw, de boerendochter uit Shottery, is dit niet te verwachten. Van zijn oudste dochter, Susanna, wordt in haar grafschrift getuigd, dat zij geest bezat boven anderen van haar sekse, en dit met haar vader gemeen had, maar dat zij bovendien steeds wijselijk bedacht was op haar eeuwig heil; van haar man, den geneesheer Hall, blijkt uit zijn nagelaten en uitgegeven ziektekundige aanteekeningen, dat hij zeer kerkelijk gezind was en een fellen haat tegen de Roomschen voedde. Susanna had een mooie flinke handteekening, maar of zij meer dan dit van de edele schrijfkunst machtig was en eenige letterkundige ontwikkeling bezat, mag betwijfeld worden, want zij kon hoogstwaarschijnlijk geen geschreven schrift lezen en ten minste het schrift van haar man niet herkennen; dit blijkt uit de mededeelingen van Dr. James Cooke, een militair arts, die tijdens de burgeroorlogen te Stratford kwam, waar de brug verdedigd moest worden. Hij vernam, dat de nagelaten boeken en papieren van Dr. Hall zich daar ter stede bevonden en begaf zich naar het huis der weduwe, om ze te zien. Nadat zij hem die getoond had, zeide zij, dat zij nog eenige boeken bezat, nagelaten door iemand, die met haar man gezamenlijk de geneeskunst had uitgeoefend; zij hadden veel geld gekost. Hij antwoordde, dat hij, als hem de boeken bevielen, haar die som er voor terug zou geven. Toen hij de papieren zag, bevond hij, dat het geschriften waren van haar man, voor den druk gereedgemaakt, hij kende zijn hand en toonde haar, dat ten minste één der boeken door hemzelf geschreven was. Zij ontkende dit ten sterkste en werd verstoord, toen hij volhield; hij kocht haar toen de boeken voor de gevraagde som af. Zij maakte die dus, hoewel zij in ruime omstandigheden verkeerde, bij den eerste den beste gaarne te gelde. Dr. Cooke heeft ze later uitgegeven; zijn verhaal is hier medegedeeld, omdat het een gereede verklaring geeft, waarom van boeken of geschriften van Shakespeare niets is overgebleven; op papieren, vooral van zoo wereldschen aard, is zeker geen acht geslagen; zij zullen verbrand zijn of als scheurpapier verkocht. Van Shakespeare’s tweede dochter, Judith, is bekend, dat zij in het geheel niet schrijven kon; haar handteekening onder een stuk bestaat uit een kluchtige krul, die, evenals een kruisje, gewaarmerktis3. Om den geest, die bij Shakespeare’s familieleden heerschte, te doen kennen, zij nog vermeld, dat tijdens zijn verblijf te Londen, op het eind van 1614, een rondreizend Puriteinsch prediker in zijn woning gehuisvest werd.Uit dit alles is men wel gerechtigd af te leiden, dat de omgang met de zijnen Shakespeare’s geest niet kon bevredigen. Het beheer van zijn uitgestrekte bezittingen, het werken in zijn grooten tuin, het gadeslaan van de schoone natuur, waar hij van der jeugd af gemeenzaam mee was, het spreken met menschen van allerlei rang en bedrijf, de omgang met enkele bekenden of vrienden zullen den lust van zijn leven hebben uitgemaakt. Dat hij in zulk een omgeving zich nog met het schrijven van tooneelwerken heeft beziggehouden, is inderdaad niet aan te nemen, en dit is wel een gegronde reden te achten voor het vermoeden, dat hij zich niet vóór 1613 in zijn geboorteplaats voor goed heeft gevestigd.Van zijn verblijf aldaar zijn overigens geen bijzonderheden met zekerheid bekend. Zijn eerste levensbeschrijver, Nicholas Rowe (1709), vermeldt, dat hij er omgang had met de heeren uit den omtrek en om zijn aangenamen, geestigen kout en zijn goedhartigheid zeer gezien was4.Waarschijnlijk had Rowe dit van den tooneelspeler Betterton vernomen; doch hoe ook, aan de geloofwaardigheid van de mededeeling valt niet te twijfelen. Het lezen van Shakespeare’s geschriften kan ons hiervan de overtuiging geven, en dit te meer, daar wij weten, dat zij niet met moeite na herhaalde verbeteringen, hun vorm verkregen, maar hem gemakkelijk uit de pen vloeiden, zooals zijn twee vrienden, door wie zij zijn uitgegeven, verklaren. Wanneer wij zien, hoe hij op geestige wijze den spot drijft met valsch haar en met blanketsels, met eigenwaan en zwetsen, hoe nauwkeurig hij de eigenaardigheden en zwakheden der menschen weet af te beelden en ten toon te stellen, hoe hij uitwerkt, dat de wereld vaak door vertoon bedrogen wordt, dan kunnen wij nagaan, dat hij ook in den dagelijkschen omgang met de eigenaardigheden en zwakheden der menschen op vermakelijke wijze geschertst en gespot zal hebben. En tevens kunnen wij zeker wezen, dat hij de scherpte zijner opmerkingen met een goedhartigen lach wist te temperen. Wij zijn ook gerechtigd aan te nemen, dat hij in het beoordeelen van menschen en zaken de juiste maat wist in acht te nemen en de billijkheid te betrachten, want wij zien in zijn werken, hoe hij niet alleen het onderscheid tusschen goed en kwaad in het licht stelt, maar ook de verborgen roerselen van ’s menschen handelingen bloot legt en de noodlottige gevolgen van eenzijdigheid en overdrijving doet uitkomen. Hij kende de wereld; hij had zich in het groote en woelige Londen bewogen, dat zoo velen zijner vakgenooten als in een draaikolk medesleepte en zinken deed; ook hij had waarschijnlijk,—zijn geschriften zelf geven grond tot dit vermoeden,—een tijd gehad, dat hij aan de verlokkende stemder verleiding gehoor gaf, doch hij had zich leeren beheerschen; hij wist wederstand te bieden, zijn doel steeds in ’t oog te houden en een veilige haven te bereiken. Van zoo iemand, wien niets menschelijks vreemds was, is het niet te verwonderen, dat zijn beoordeeling van de menschen en hun handelingen juist en billijk, maar tevens, zoodra hier aanleiding toe bestond, zachtmoedig was. Zoo toont hij zich in zijn werken, en zoo was hij ongetwijfeld ook in den omgang met zijn vrienden. Bij het aandachtig en omzichtig lezen zijner geschriften kan men menigen karaktertrek van hem ontdekken en tot de uitkomst geraken, dat hij een beminnelijk mensch moet geweest zijn, wiens omgang, zoowel door zijn veelzijdige kennis en zijn opmerkingsgeest, als door zijn liefde voor dichtkunst, muziek, schilder- en beeldhouwkunst belangrijk, onderhoudend en aangenaam was. Men moet zich natuurlijk wel wachten, de uitingen zijner personen voor het persoonlijk gevoelen des dichters te houden. Shakespeare bezat in de hoogste mate het vermogen, dat de dramatische dichter hebben moet, van zich als het ware te vereenzelvigen met de personen, die hij ten tooneele voert; hij laat in hetzelfde stuk Othello, Jago en Desdemona, of Lear, Edgar, Edmond en Cordelia, of Heetspoor, prins Hendrik en Falstaff, ieder zoo spreken, als met zijn natuur overeenkomt. Maar al blijft hij in den regel verscholen achter de personen van het stuk, meermalen toch legt hij hun uitingen in den mond, waarin meer de lyrische, dan de dramatische dichter spreekt en ongetwijfeld zijn eigen meening wordt uitgedrukt. Wel weet hij ook hier maat te houden en zorg te dragen, dat het geheel er niet onder lijdt en de voortgang van het stuk er niet door belemmerd wordt, doch zeldzaam zijn zulke uitingen niet; onder andere mag de beroemde plaats, waarin Portia op het oefenen van genade aandringt, er onder gerekend worden. Zoo is het dan mogelijk, bij het nauwkeurig en met oordeel lezen van Shakespeare’s werken, menigen karaktertrek van hem op te merken en hem niet alleen als dichter, maar ook als mensch nader te leeren kennen. Men zal dan bevinden, dat de dichter, die door zijn gezonde levensbeschouwing en door zijn diepe menschenkennis het oordeel over goed en kwaad kan scherpen, het gevoel er voor kan verfijnen, tot maathouden in alle dingen kan aansporen en de zedelijke kracht des menschen kan verhoogen, ook om zijn persoonlijke hoedanigheden en zijn karakter een gids voor het leven verdient genoemd te worden.Wij zijn genaderd tot het jaar 1616, Shakespeare’s sterfjaar. In het begin van dit jaar hield de gedachte aan zijn dood in zooverre hem bezig, dat hij zijn testament ontwierp, en wel op 25 Januari. Op den tienden Februari huwde zijn tweede dochter, Judith, toen 31 jaar oud, met Thomas Quiney (uitgesprokenQuin-ny), wijnhandelaar te Stratford, vier jaar jonger dan zij; hij was de zoon van Richard Quiney (overleden 1602), denzelfden, die in 1598 aan zijn vriend Shakespeare dertig pond te leen had gevraagd (zie bl.63); als een bijzondere begaafdheid van hem is te vermelden, dat hij zijn handteekening met twee prachtige krullen opsierde. Op 25 Maart 1616, dus volgens den Ouden Stijl op den eersten dag van het jaar 16165, werd het testament met een paar bijvoegsels vermeerderd en door Shakespeare onderteekend. Hij stierf op Dinsdag den 23stenApril 16166en werd twee dagen later in de kerk der Heilige Drieëenheid, aan de noordzijde van het koor, begraven. Een eenvoudige platte steen wijst de plaats aan, waar hij ter ruste gelegd is; een vierregelig rijm bezweert bij Jezus’ naam, het stof, dat daar besloten is, niet te ontgraven, zegent, wie het gesteente spaart, en vervloekt, wie het gebeente roert7. Dowdall schreef in 1693, dat Shakespeare zelf dit rijm kort voor zijn dood gemaakt heeft; dit klinkt vrij onwaarschijnlijk; veeleer zou men vermoeden, dat een reeds gereed zijnde zerk ter bedekking van het graf gebezigd werd; naam en wapen ontbreken er op; en deze staan wel op de aangrenzende zerken van Susanna Hall, van haar echtgenoot John Hall, en van Thomas Nashe, den eersten echtgenoot van Sh.’s kleindochter Elizabeth. Aan welke ziekte Shakespeare overleed, is geheel onbekend, doch waarschijnlijk is hij geruimen tijd ziek of sukkelend geweest en was zijn dood niet geheel onverwacht. Het vermoeden ligt voor de hand, dat een wankelende gezondheid hem bewoog het voorgenomen huwelijk zijner jongste dochter te verhaasten; het is namelijk bewezen, dat dit met allen spoed gesloten werd en de vereischte vergunning der geestelijke overheid niet werd afgewacht. Met het oog op het aanstaand huwelijk werd waarschijnlijk hettestament ontworpen, waarin Judith goed bedacht werd; het is een wijziging geweest van vorige beschikkingen, want alle voorafgaande worden herroepen; Shakespeare had ongetwijfeld reeds vroeger gezorgd, dat zijn grondbezit bijeenbleef. De zaak bleef toen een poos rusten, tot een plotselinge verergering in den toestand van Shakespeare tot haastig bekrachtigen van het testament drong. Dit is namelijk niet in het net geschreven, maar in het eerste ontwerp is de dagteekening veranderd en zijn enkele bepalingen tusschen de regels ingelascht, waarna de onderteekening door den erflater en de getuigen gevolgd is. Het waarschijnlijkst is, dat hij herhaaldelijk door kwaadaardige koortsen van typheuzen aard bezocht werd, die zijn oorspronkelijk krachtig gestel sloopten; de straat, waarin hij woonde,Chapel street, kan er aanleiding toe gegeven hebben; want er waren stilstaande poelen en goten in, en ook van een zwijnekot wordt gewag gemaakt; de gezondheidsleer was toen ter tijd niet zoo ver gevorderd, dat men den verderfelijken invloed van zulk een toestand inzag. Anderhalve eeuw later, in 1768, toen een Shakespeare-Jubileum gevierd werd, noemde Garrick, de beroemde tooneelspeler, Stratford de smerigste, onaanzienlijkste, slechtst bestrate, erbarmelijkste landstad in Brittanje. Uit de aanteekeningen van zijn schoonzoon, den als arts hooggeroemden Hall, is niets aangaande zijn ziekte bekend geworden8.Zijn testament daarentegen kennen wij; het zoo even reeds genoemde ontwerp, op drie bladen papier geschreven, is bewaard gebleven; het draagt op ieder van deze Shakespeare’s handteekening en op de derde bovendien de woordenby me“door mij”; zijn deze twee woorden van Sh.’s hand, dan zijn zij, met een zevental handteekeningen op officiëele stukken, het eenige schrift, dat wij van hem bezitten; zijn naam is op zeer onzekere en onduidelijke wijze geschreven, hetzij doordat zijn hand verzwakt, hetzij dat hij bedlegerig was en zich moeilijk kon oprichten. Het testament bevat een menigte bepalingen om te zorgen, dat zijn door noeste vlijt verworven vermogen, met name het grondbezit, bijeenbleef; daartoe werd verreweg het grootste deel aan zijn oudste dochter, Susanna Hall, vermaakt, terwijl de jongste, Judith, met een uitkeering, die intusschen vrij belangrijk was, tevreden moest zijn. De aanhef luidt: “In den name Gods, Amen! Ik, William Shackspeare van Stratford aan den Avon in het graafschap Warwick, gentleman, in volkomen gezondheid en bewustheid (memorie), God zij geloofd! maak en verorden dezen mijn uitersten wil en testament op de volgende wijze; namelijk, ik beveel mijne ziele in de handen van God mijnen Schepper, hopende en zekerlijk geloovende, door de eenige verdienste van Jezus Christus mijnen Heiland het eeuwig leven deelachtig te worden, en mijn lichaam aan de aarde, waaruit het genomen is.” In de eerste plaats wordt nu zijn dochter Judith genoemd9; haar wordt vooreerst 150 pond vermaakt, namelijk 100 als huwelijksgift, die haar binnen ’t jaar moest uitgekeerd worden met interest, berekend tegen 10 percent ’s jaars, en 50, als zij ten behoeve van haar zuster Susanna afstand deed van haar aandeel in een nader aangewezen boerderij; vervolgens moest aan haar of aan haar kinderen drie jaar na de dagteekening van het testament (zoo staat er, vreemd genoeg, in plaats van “na mijn overlijden”) eveneens 150 pond uitbetaald worden, waarvan zij inmiddels reeds de rente zou genieten. Mocht zij vóór den afloop van drie jaren kinderloos sterven, dan was 100 pond er van bestemd voor Sh.’s kleindochter, Elizabeth Hall, de overige 50 werden vastgezet voor zijn, met den hoedenmaker Hart, gehuwde zuster Johanna, aan wie levenslang de rente betaaldzou worden; na haar dood was de som onder haar kinderen gelijkelijk te verdeelen. Zoo Judith de drie jaren overleefde, moesten de 150 pond voor haar vastgezet, haar de rente levenslang uitgekeerd en later de som onder haar kinderen verdeeld worden; doch als haar man aan haar en haar kinderen de inkomsten van landerijen ter waarde van 150 pond naar het oordeel der executeuren behoorlijk verzekerde, zou aan hem de som uitgekeerd worden. Verder werd zijn zuster Johanna Hart met 20 pond en met zijn kleederen bedacht en met het vruchtgebruik van het huis, dat zij bewoonde, tegen betaling van tien stuivers jaarlijks; elk harer drie zoons ontving vijf pond. Dan volgen kleinere legaten: zijn zilverwerk vermaakte hij aan zijn kleindochter Elizabeth Hall, behalve zijn groote zilveren vergulde kom; verder 10 pond aan de armen van Strafford, zijn zwaard aan Thomas Combe, 5 pond aan Thomas Russell, ruim 13 pond aan Francis Collins van Warwick; verscheiden legaten, elk van 26 shillings en 8 stuivers, om een ring te koopen, aan Hamlet Sedler, aan William Raynoldes, aan zijn kunstgenooten (my fellows) John Hemynges, Richard Burbage en Henry Cundell, aan Anthony Nash en aan Mr. John Nash; alsmede 20 shillings in goud aan zijn petekind William Walker. Hierop komt eindelijk de voornaamste beschikking: hij laat al zijn grondbezit, zijn woningNew Place, zijn huizen, schuren, landerijen, in Strafford aan den Avon, Oud-Stratford, Bushopton en Welcombe, zoo mede zijn huis in Londen bij Blackfriars, bewoond door John Robinson, en verdere landerijen enz., waar ook gelegen, aan zijn dochter Susanna Hall voor haar geheele leven en na haar dood aan haar oudsten zoon en diens manlijke afstammelingen, en zoo die er niet zijn, aan haar tweeden zoon en diens manlijke afstammelingen enz., en bij ontstentenis van deze aan zijn kleindochter Elizabeth Hall en haar manlijke afstammelingen, en bij ontstentenis van deze aan zijn dochter Judith en haar manlijke afstammelingen, en bij ontstentenis van deze aan zijn wettige erven. Hierop volgt: “Item, ik geef aan mijn vrouw mijn op één na ’t beste bed met toebehooren”10. Evenzoo geeft hij aan zijn dochter Judith zijn groote zilveren vergulde kom. Eindelijk worden al zijn overige bezittingen, kostbaarheden, huisraad, wat ook, na afbetaling van legaten, schulden en begrafeniskosten, aan zijn schoonzoon John Hall en zijn dochter Susanna Hall toegekend en deze ook tot executeurs van zijn laatsten wil en testament benoemd. Thomas Russellesq.en Frauncis Collins gent. worden aangewezen alsoverseers, dus om toe te zien, dat deze uiterste wil naar eisch wordt uitgevoerd. Hierop volgt dan de onderteekening. Als getuigen teekenden vooreerst Fra. Collyns, verder Julius Shawe, John Robinson, Hamnet Sadler11, Robert Whattcott.—Een onderschrift bewijst, dat alleen John Hall als executeur is opgetreden, en het testament, benevens een inventaris der goederen, naar behooren overgelegd en bezworen heeft op 22 Juni van het jaar 1616.—De genoemde Francis Collins was een rechtsgeleerde (sollicitor) uit Warwick; vermoedelijk was aan hem het stellen van het testament opgedragen.Ongetwijfeld heeft geen zinsnede in het testament zoo de aandacht getrokken als die, waarin hij aan zijn vrouw zijn op één na ’t beste bed vermaakt. Men heeft geoordeeld, dat zij hiermede erg kaal werd afgescheept. Doch ten onrechte. Hij behoefde voor zijn vrouw niet te zorgen; door de wet, die aan Shakespeare beter bekend was dan aan velen van zijn verklaarders, ontving zij genoeg. Van al de huizen en landerijen, die zijn volle eigendom, zoogenaamdfreehold, waren, trok zij levenslang een derde der inkomsten, en de woning New Place, met schuren en ruimen tuin, het huis in Henley street, de landerijen onder Old Strafford en elders leverden haar zeker meer dan het noodige op. Shakespeare verlangde, dat zijn goederen bijeen bleven, en waakte op de in Engeland gebruikelijke wijze tegen alle versnippering; hiertoe werden ook zijn huisraad en zijn kostbaarheden aan zijn oudste dochter en haar echtgenoot vermaakt. Het beste bed, dat meest voor bezoekers bestemd werd, werd waarschijnlijk een zoo belangrijk deel van den inboedel gerekend, dat het als familiebezit van het overige huisraad niet gescheiden werd en steeds van vader op zoon overging. Was dit inderdaad het geval, dan was het op één na ’t beste bed geen gering legaat te achten, vooral niet, als niet enkel het bed, maar ook het ledikant bedoeld is, want deze meubels waren dikwijls keurig afgewerkt en met snijwerk versierd. Bovendien werden in dien tijd allerlei voorwerpen aan nabestaanden vermaakt, zooals ketels, stoelen, mantels, hoeden, tinnen kroezen, vergiettesten, veeren kussens. In het jaar 1642 achtte zekere John Shakespeare van Budbrook, nabij Warwick,—geen familie van den dichter,—zich behoorlijk van zijn plicht der dankbaarheid jegens zijn schoonvader te kwijten, door aan dezen “zijn beste laarzen” te vermaken.Men heeft dus alle recht om aan te nemen, dat Shakespeare alleen daarom geen meerdere goederen aan zijn vrouw vermaakt heeft, omdat er alreeds op andere wijze, door de Engelsche wet namelijk, voldoende voor haar gezorgd was. Wil men een ander voorbeeld van een dergelijke handelwijze, dan kan Sir Thomas Lucy dit leveren; deze liet in 1600 bij uitersten wil aan zijn zoon zijn op één na ’t beste paard na, doch geen land, omdat hij volgens belofte op land van zijn schoonvader kon rekenen. Nog beter voorbeeld vindt men in het testament van David Cecil, Esq., den grootvader van den bekenden Lord Burleigh; daar leest men: “Item—het is mijn wil, dat mijn vrouw al het zilverwerk zal hebben, dat zij had vóór ik haar trouwde; en twintig koeien en een stier.”12Het zal zijn wil niet geweest zijn, dat zij niets dan melk en rundvleesch van haar zilveren schotels zou eten; het legaat kwam bij het aandeel, of liever vruchtgebruik, dat de wet haar toekende. Toch is het opmerkelijk, dat in het eerste ontwerp van Shakespeare’s testament zijn vrouw niet voorkomt.—Evenzoo verdient de aandacht, dat geen enkel lid der familie Hathaway genoemd wordt, evenmin als eenig dichter of schrijver, zelfs Ben Jonson niet; eindelijk dat van boeken of papieren volstrekt geen gewag wordt gemaakt. Waarschijnlijk was Shakespeare door typheuze koortsen zeer verzwakt.Of Shakespeare’s weduwe bij haar kinderen, Susanna en Dr. Hall, is blijven wonen, en of deze misschien reeds vroeger, bij huns vaders leven, in New Place hun intrek hadden genomen, is onbekend. Zij overleefde haar man zeven jaren en stierf 6 Augustus 1623, in den ouderdom van zeven-en-zestig jaren; zij werd dicht bij haar echtgenoot, in het koor der kerk, begraven.Hoeveel zorg Shakespeare ook gedragen had, dat zijn bezittingen bijeenbleven en zijn geslacht in zijn geboortestreek zou voortleven, zijn pogingen zijn ijdel gebleken. Zijn dochter Susanna overleefde haar echtgenoot John Hall, die in 1635, zestig jaar oud, stierf; zij overleed, zes-en-zestig jaar oud, in 1649. Elizabeth Hall, in Sh.’s testament genoemd, is het eenig kind harer ouders gebleven; zij was in 1626 met Thomas Nashe gehuwd, die in 1647 stierf; zij hertrouwde in 1649 met een weduwnaar, John Barnard doch bleef kinderloos, en stierf in 1670.—Zijn dochter Judith, gehuwd met Thomas Quiney, een wijnhandelaar, wien het in de wereld aanvankelijk goed, doch later, van 1630 af, lang niet voordeelig ging, heeft haar drie kinderen, allen zoons, overleefd; de oudste, Shakespeare genoemd, stierf binnen ’t jaar, de twee anderen, toen zij 20 en 19 jaren oud waren; zijzelf overleed in Februari 1662. In minder dan vijftig jaren na Shakespeare’s dood was zijn laatste afstammeling gestorven.—Alleen in de afstammelingen zijner zuster Johanna, wier echtgenoot, William Hart, weinige dagen voor Shakespeare gestorven was, bleef zijn geslacht leven.—Van Elizabeth Hall, gestorven als weduwe Barnard, weten wij zoo goed als niets. Wat er na haar dood met de vroegere eigendommen van den grooten dichter gebeurde, behoeft hier niet nagegaan te worden; alleen zij vermeld, dat zoowel het huis van Shakespeare’s vader, waar de dichter menig jaar zijner jeugd heeft doorgebracht, als het erf met de grondvesten zijner eigen woning,New Place, thans aan de gemeente Stratford behooren, het eerste sinds geruimen tijd, het laatste door de goede zorgen van Mr. Halliwell, sedert 1862.Korten tijd na Shakespeare’s overlijden, ongetwijfeld vóór 1623, het jaar der uitgave van zijn gezamenlijke werken13, werd in de kerk, aan den linker- of noordermuur van het koor, tegen het dichtgemetselde tweede venster, een gedenkteeken voor hem aangebracht, misschien door de zorg van zijn schoonzoon Hall. Zijn borstbeeld, levensgroot, van zachten steen gehouwen, is daar geplaatst in een nis, waarboven zijn wapen zich verheft, terwijl op het voetstuk een tweeregelig Latijnsch en een zesregelig Engelsch vers gebeiteld zijn. Het eerste verklaart, dat hem, die in wijsheid een Nestor, in geest een Socrates, in kunst een Vergilius was, de aarde bedekt, het volk betreurt, de Olympus bezit. Het tweede roept den wandelaar toe, niet voorbij te ijlen, maar te lezen, wie door den boozen dood in dit monument geplaatst is, Shakespeare, met wien de natuur zelf stierf, wiens naam meer dan alle praal zijn tombe versiert, daar al wat hij geschreven heeft, toont, dat de levende kunst slechts dienstbaar was aan zijn geest. Hieronder wordt vermeld, dat hij stierf in het jaar onzes Heeren 1616, in zijn 53ste jaar, op 23 April. Het beeld zelf, dat het geheele bovenlijf voorstelt, heeft vóór zich een kussen, waarop een blad papier ligt, dat door de linkerhand half bedekt wordt; de rechterhand, die een pen vasthoudt, rust niet op het papier, maar op het kussen. Het gelaat is over ’t geheel welgevormd, doch het benedengedeelte eenigszins zwaar; eris weinig uitdrukking in, al is de mond tot een glimlach geplooid. Het borstbeeld is alzoo lang geen meesterstuk; toch verdient het zeer de aandacht, daar het kort na Shakespeare’s overlijden geplaatst is geworden, toen velen, die den dichter persoonlijk gekend hadden, over de gelijkenis konden oordeelen. Het is dus waarschijnlijk, dat dit oordeel niet ongunstig was. Bovendien is er veel reden om aan te nemen, dat bij de bewerking van dit beeld een gipsafgietsel, van een lijk afgenomen, als model gediend heeft; verscheiden beeldhouwers en schilders van naam zijn na nauwkeurig onderzoek tot dit besluit gekomen; vooral het benedenste gedeelte van het gelaat kan dit aanwijzen. Wanneer men nu niet wil beweren, zooals wel geschied is, dat de beeldhouwer zich heeft moeten behelpen met een afgietsel op het gelaat van een ander persoon, die veel op Shakespeare geleek, dan ligt het voor de hand aan te nemen, dat van Shakespeare’s gelaat kort na zijn dood een afgietsel genomen is en dat dit bij het vervaardigen van het borstbeeld gediend heeft. Als maker er van wordt door Dugdale Gerard Johnson genoemd, die eigenlijk Gerard of Gerrit Jansen heette; hij was een Hollander, uit Amsterdam; in 1614 heeft hij ook het grafteeken van John Combe, met Shakespeare wel bekend (zie boven blz.77), vervaardigd.—Oorspronkelijk was het borstbeeld beschilderd: oogen lichtbruin, haar en baard rosachtig bruin, wangen blozend, onderkleed met mouwen, scharlakenrood, overkleed zwart, hals- en handkragen wit, bovenvlak van het kussen groen (het papier wit), ondervlak karmozijn; randkoord en kwasten verguld. Op het laatst der vorige eeuw werd het, dwaas genoeg, gewit, doch in 1824 is de oorspronkelijke kleur weder te voorschijn gebracht en hersteld.Behalve het borstbeeld bezitten wij nog een afbeelding van Shakespeare in de kopergravure van Martin Droeshout, welke geplaatst is voor de folio-uitgave zijner gezamenlijke tooneelwerken, van 1623; zij is ook in de volgende drie folio-uitgaven van dezelfde plaat afgedrukt. Er staat een vers tegenover van Ben Jonson, waarin verklaard wordt, dat de graveur met de natuur een strijd had aangegaan om het leven te overtreffen, en dat, als hij even goed Shakespeare’s geest had kunnen afbeelden, als hij zijn gelaat getroffen had, zijn prent alles zou overtreffen, wat ooit in koper gegrift was. Jonson verklaart dus, dat er gelijkenis bestaat. De graveur heeft zeker getracht het hooge fraai gewelfde voorhoofd, de schoone oogen, den regelmatigen neus, den fraai gevormden mond nauwkeurig na te bootsen, maar het is hem niet gelukt een goed geheel te leveren; ja, de afbeelding van het voorhoofd is zelfs geheel mislukt. Toch moet, zoo men het portret nauwkeurig nagaat en bij herhaling beziet, mijns inziens erkend worden, dat het, hoe gebrekkig de uitvoering ook zij, wellicht van het wezen des dichters trekken genoeg teruggaf, om Jonson’s betuiging eenigermate te rechtvaardigen. Vergelijken wij het met het borstbeeld van Stratford, dan vinden wij eenige overeenstemming, met name in het hooge, gewelfde voorhoofd, dat door kaalheid nog iets hooger wordt, in het lange haar, dat over de ooren gekruld is, en nog in enkele andere bijzonderheden; doch het borstbeeld verschilt zeer door den vorm van den neus,—misschien heeft de beeldhouwer daar toevallig wat te veel van het zachte gesteente weggenomen,—door de zeer regelmatig gebogen wenkbrauwen, die aan de geschilderde wenkbrauwen van vele poppen doen denken, door den vorm van den mond en in enkele andere opzichten. De verschillen laten zich wel verklaren; als de beeldhouwer aan de ingevallen trekken van het lijk leven heeft willen verleenen, het gelaat wat voller heeft gemaakt, den mond tot een glimlach gevormd, de oogen geopend en de wenkbrauwen iets opgetrokken, is het niet te verwonderen, dat het borstbeeld een anderen indruk maakt dan de gravure, al zijn beide naar één model genomen. Portretten, naar denzelfden persoon door verschillende, zelfs zeer bekwame teekenaars geschilderd, kunnen onderling groote afwijkingen vertoonen. En men vergelijke eens de portretten van Napoleon met het gipsafgietsel, op het gelaat van zijn lijk afgevormd!Het borstbeeld en de gravure zijn de eenige afbeeldingen, van welke men zeker weet, dat zij Shakespeare moeten voorstellen. Er zijn verscheiden geschilderde portretten van personen met hoog voorhoofd, die voor afbeeldingen van Shakespeare doorgaan; het bekendste is het portret, eens in het bezit van den hertog van Chandos, thans in de nationale schilderijenverzameling (National gallery). Doch van geen enkel is de echtheid te bewijzen.Hetzelfde moet gezegd worden van een gipsafgietsel, waarvan men beweert, dat het op het gelaat van den gestorven Shakespeare kan of moet gevormd zijn. Naar bericht wordt, werd het in 1848 door den schilder Louis Becker, die ijverig verzamelaar van kunstwerken en zelf zeer handig was in het maken van gipsafgietsels, bij een uitdrager in Mainz onder ouden rommel gevonden en aangekocht. In 1849 gaf Becker het afgietsel aan Prof. Richard Owen te Londen in bewaring; hij vertrok naar Australië, maakte er deel uit van de expeditie van Wills en Burke, en vond er met dezen in 1861 den dood. Het berustte tot 1865 onder Owen; toen het berichtvan Becker’s dood in Engeland aankwam, gaf hij het aan den broeder des schilders, Dr. Becker, terug. Naar Owen’s oordeel beantwoordt het afgietsel, met het oog van den ontleedkundige bezien, zeer goed aan het beeld, dat men zich van Shakespeare vormen kan; er kleven in den baard eenige roodachtige haren; deze werden door hem als echte menschenharen erkend. Het afgietsel is verder onbetwijfelbaar van een lijk afgevormd en draagt aan de achterzijde in den rand het jaarcijfer 1616, dat blijkbaar in het nog weeke gips is gegrift; de cijfervormen zijn inderdaad die der zeventiende eeuw. Het is met olie gedrenkt en heeft dus waarschijnlijk voor het maken van een afgietsel gediend. Dr. Becker heeft het aan Herman Grimm ter onderzoeking voorgelegd en uit de woorden van dezen moge men afleiden, welken indruk het afgietsel op den beschouwer maakt14. “Ik geloofde, bij den eersten blik er op, nooit een edeler gelaat gezien te hebben. Wat ik in de hand hield, was voor eeuwen van het gelaat eens dooden afgevormd, en toch riep het zijn laatste oogenblikken dadelijk voor den geest. In den baard hield het gips nog eenige van de roodachtige haren vast, die het medegenomen had, en als pas geplooid deed zich de linnen doek voor, die om den hals gewonden was; nauwelijks gesloten schenen de oogen. En welke holten waren het, waarin zij lagen; welk een zuiver, edel beloop van den gebogen neus; welk een wondervolle vorm van het voorhoofd! Ik gevoelde, dat dit een mensch geweest moest zijn, in wiens brein edele gedachten woonden. Ik vroeg. Men zeide mij de achtervlakte van het afgietsel te beschouwen. Daar was in den rand, in cijfers der zeventiende eeuw ingegrift† Ao Dm̄ 1616. Ik wist van niemand anders, die in dit jaar stierf dan van den eenen, die in hetzelfde jaar geboren werd, waarin Michelangelo stierf, 1564—Shakespeare”15.Het afgietsel komt in verschillende bijzonderheden meer met de gravure van Droeshout dan met het borstbeeld in de kerk te Stratford overeen. Dit laatste verschilt er van door de meerdere gevuldheid van het gelaat, den korten neus en de zeer breede bovenlip. Wil men aannemen, dat het in Mainz gevonden afgietsel den maker van het borstbeeld tot model gediend heeft, dan is het zeer te betreuren, dat hij het origineel niet beter heeft kunnen nabootsen. De mogelijkheid, dat het afgietsel echt is, kan natuurlijk niet ontkend worden; en wanneer de buste inderdaad door Gerard Jansen of een zijner vijf zonen vervaardigd is, is het ook zeer wel denkbaar, dat het afgietsel zijn weg naar Holland en van daar, Rijnopwaarts, naar Duitschland gevonden heeft. Doch alleen de mogelijkheid is toe te geven, alle gronden om deze gissing waarschijnlijk te maken ontbreken16. Zeker is het jammer, dat het borstbeeld en de gravure de schoonheid van het te Mainz gevonden afgietsel niet bezitten, en er niet volkomen op gelijken; doch men moet het zich getroosten, de wezenstrekken van Shakespeare niet naar wensch te kennen, en neme hiertoe de woorden ter harte, waarmede Ben Jonson zijn tienregelig vers op de gravure besluit, dat zijn geest niet af te beelden was en dat men dus liever niet op zijn portret moet turen, maar in zijn boek moet lezen.Het boek, dat Jonson bedoelt, is de gezamenlijke uitgave van Shakespeare’s tooneelwerken, de folio van 1623, de grootsche nalatenschap, die door Shakespeare’s vrienden en oude kunstgenooten, Heminge en Condell, beiden ook in zijn testament genoemd, voor de wereld behouden is gebleven. Men is hun grooten dank schuldig, want zonder hun bemoeiingen zouden vele van Sh.’s meesterstukken voor immer zijn verloren gegaan, verscheiden andere alleen in minder volkomen vorm tot ons gekomen zijn17. Zij hebben op dezen dank te meer aanspraak, omdat zij, naar allen schijn, niet uit eigenbaat maar om de eere des grooten dichters hoog te houden, deze taak op zich namen.Met de beschouwing van den vorm en den toestand,waarin Shakespeare’s dramatische nalatenschap tot ons gekomen is, worde dit overzicht over zijn leven en werken besloten.Verreweg het grootste gedeelte der titelbladzijde wordt ingenomen door de reeds besproken beeltenis, gegraveerd door Martin Droeshout. De titel staat er boven:Mr. WilliamShakespearesComediesHistories &Tragedies.Published according to the True Original Copies.Beneden het afbeeldsel staat:London,Printed by Isaac Iaggard, and Ed. Blount. 1623.Tegenover den titel staat het vers van Ben Jonson, “Aan den Lezer”, waarin hij het portret als welgelijkend roemt, doch den lezer vooral naar het boek verwijst.Op den titel volgt de nederig gestelde toe-eigening:“Aan het hoogst edel en onvergelijkelijk broederpaar, William, Graaf van Pembroke, en Philip, Graaf van Montgomery”. Een paar zinsneden moeten aan deze opdracht ontleend worden: “Uwe edelheden hadden zooveel behagen in de afzonderlijke stukken, als zij gespeeld werden, dat reeds vóór zij het licht zagen, het boek vroeg, aan u te mogen toebehooren. Wij hebben ze slechts bijeenverzameld en den doode den liefdedienst bewezen, van aan zijn weezen voogden te verschaffen, geenszins uit verlangen om zelf voordeel of roem te verwerven, maar alleen om het aandenken van zulk een treffelijken vriend en kunstgenoot, als onze Shakespeare was, levendig te houden, door zijn tooneelwerken eerbiedig aan uw hoogstedele bescherming aan te bieden.”Op deze toewijding volgt het woord tot den lezer“Aan de groote verscheidenheid van Lezers.”“Van den bekwaamste af tot hem toe, die slechts spellen kan. Hiermede zijt gij allen geteld; liever hadden wij, dat gij gewogen waart. Vooral daar het lot van alle boeken van uw bevattelijkheid afhangt, en niet slechts van die uwer hoofden, maar ook van die uwer beurzen. Komaan! het is nu in het licht, en gij zult,—dit weten wij,—op uw rechten staan: van te lezen en te beoordeelen. Doet dat, maar koopt het eerst! Dit is de beste aanbeveling voor een boek, zegt de boekverkooper. Dan, hoe verschillend ook uw hersenen of uw wijsheden zijn, neemt allen gelijke vrijheid en spaart niet. Oordeelt naar uw sixpencewaarde, uw shillingswaarde, uw vijfshillingswaarde, om in eens op te slaan; of hooger, als gij maar tot het juiste peil stijgt, en weest welkom! Doch wat gij ook doet, koopt! Oordeelvellen brengt geen handel vooruit en geen braadspit aan het draaien. En al zijt gij een overheidspersoon in schranderheid, en al zit gij op het tooneel, of gelijkvloers, in Blackfriars dagelijks over stukken ten gerichte, weet, dat deze stukken hun verhoor reeds gehad hebben en door alle hoogere beroepen heen zijn, en zij komen nu voor den dag, vrijgesproken, veeleer door een besluit van een hof, dan door deze of gene gekochte aanbevelingsbrieven.“Het ware, wij erkennen het, zeer te wenschen geweest, dat de schrijver zelf in leven ware gebleven om zijn eigen geschriften uit te geven en na te zien. Doch daar het anders besloten was, en hij door den dood van dit recht verstoken is geworden, zoo bidden wij u, benijdt zijn vrienden de taak vol zorg en moeite niet, van ze bijeenverzameld en uitgegeven te hebben, en zóó uitgegeven te hebben, terwijl gij vroeger misleid werdt met verschillende gestolen, en door slinksche middelen verkregen afschriften, verminkt en misvormd door de streken en diefstallen van schandelijke bedriegers, die hen de wereld inzonden. Die zelfde werken worden u onder de oogen gebracht, geheeld en gaaf van leden, en ook al de overige, volledig in alle deelen, zooals hij ze tot stand bracht. Hij, zooals hij een gelukkig nabootser was der natuur, wist haar ook recht liefelijk uit te drukken. Zijn geest en zijn hand gingen samen; en wat hij dacht, uitte hij met zulk een gemakkelijkheid, dat wij nauwelijks een doorhaling in zijn papieren gevonden hebben. Doch het is onze zaak niet, daar wij zijn werken alleen bijeenzamelen en aan u geven, hem te prijzen. Dit is de zaak van u, die hem leest. En dan hopen wij, dat gij, naar uw verschillende bevattelijkheid, er genoeg in vinden zult, dat u aantrekt en boeit; want zijn geest kan evenmin verborgen blijven, als ooit verloren gaan. Daarom, leest hem, en weder, en steeds weder! En als gij hem dan niet liefkrijgt, voorwaar, dan verkeert gij blijkbaar genoeg in het gevaar van hem niet te verstaan. En hiermede laten wij u aan andere vrienden van hem over, die, als gij hen behoeft, uw gidsen kunnen zijn; behoeft gij hen niet, dan kunt gij uzelf tot gids zijn, en anderen. En zulke lezers wenschen wij hem toe.“John Heminge.Henrie Condell.”Op deze voorrede volgen vier lofdichten, van welke vooral het eerste, van Ben Jonson, opmerkelijk is door den hoogen lof, dien hij zijn vriend, tevens zijn grootsten mededinger, toekent, en den hartelijken toon, die er in heerscht. Hij begint met de verklaring, dat geen lof, van Mensch noch Muze, Shakespeare’s geschriften te veel kan prijzen, en voegt er bij: “Dit is waar, en er is slechts één stem over”18. Het toezwaaien van gewone loftuitingen versmadend, spreekt hij hem toe met de woorden: “Gij, ziel van onzen tijd!”19en erkent: “Gij zijt een monument, ook zonder tombe!” Dan stelt hij Shakespeare boven Lily, Kyd en Marlowe, en verklaart, dat Shakespeare, “schoon hij weinig Latijn en nog minder Grieksch kende”, de vergelijking met de oude dichters, waarvan er eenigen genoemd worden, niet behoeft te schromen, maar hen allen, en ook hun navolgers, overtreft. Dan roept Jonson uit: “Triumf, mijn Engeland! gij kunt op een man wijzen, wien alle tooneelen van Europa hulde brengen. Hij was niet voor één leeftijd, maar voor alle tijden!”20Vervolgens wijst Jonson er nadrukkelijk op, dat Shakespeare, hoe veel de natuur hem ook geschonken had, door eigen noeste vlijt zijnkunstverworven en tot volkomenheid gebracht heeft; “een goed dichter wordt niet slechts geboren, maar ook gemaakt”21; en zoo was het met Shakespeare. Hij spreekt hem ten slotte toe met de woorden: “Liefelijke zwaan van den Avon22, o welk een gezicht zou het zijn, U weder in onze wateren te zien verschijnen en aan de oevers van den Theems die hooge vlucht te zien nemen, die Elizabeth en Jacobus zoo verrukte! Doch neen, ik zie u reeds aan den hemel verheven en tot een sterrebeeld geworden! Straal, straal, gij sterre der dichters!23uw toorn of invloed beschame of verheuge het zinkend tooneel, dat, sinds gij van hier geweken zijt, gelijk de nacht getreurd heeft en, zonder het licht uwer werken, aan den dag zou wanhopen.”Het was niet noodig hier het geheele gedicht over te nemen; deze korte vermelding is wel voldoende om te doen zien, welk een schoone hulde door Jonson aan Shakespeare gebracht werd, en tevens, dat hij zoo gelukkig geweest is, verscheiden schoone, kernachtige uitdrukkingen te bezigen, die onmiddellijk treffen en in het geheugen blijven. Geen wonder, dat zij meermalen aangehaald worden. Om deze beter te doen uitkomen, zijn zij hier in een beknopt bestek vereenigd; en om ze woordelijk terug te kunnen geven, is dit in ongebonden vorm geschied.Van de overige lofdichten is dat van Leonard Digges opmerkenswaardig, wiens profetie van den blijvenden roem van Shakespeare zoo heerlijk vervuld is.Op de lofdichten volgt een bladzijde, waarop bovenaan de titel herhaald is; er staat: “De werken van William Shakespeare, bevattende al zijnComedies,HistoriesenTragedies, getrouw uitgegeven overeenkomstig haar “eerste origineel.” Hieronder vindt men een lijst van de voornaamste tooneelspelers, die in deze stukken zijn opgetreden. De eerste twee namen zijnWilliam ShakespeareenRichard Burbadge, de derde isJohn Hemmings24. De volgende bladzijde bevat de lijst der stukken, in drie groepen,Comedies,HistoriesenTragediesgeschikt, welke afdeelingen ieder afzonderlijk gepagineerd zijn. Men mist er Troilus en Cressida in, welk stuk, nagenoeg ongepagineerd, tusschen de Historiestukken en Treurspelen ingevoegd is; men kan hierover de aanteekeningen op dit stuk raadplegen. Dan volgen de blijspelen, “De Storm” vooraan. Aan het eind van het werk, op de laatste bladzijde der Treurspelen, staat onderaan de vermelding, dat het werk gedrukt is op kosten van W. Jaggard, Ed. Blount, J. Smithweeke en W. Aspley 1623.Op deze eerste folio-uitgave volgde in 1632 de tweede, welke eenvoudig een afdruk is der eerste, met enkele wijzigingen, gedeeltelijk toevallige, gedeeltelijk opzettelijke, welke laatste als verbeteringen bedoeld, maar, op zeer enkele na, niet als zoodanig te beschouwen zijn. Evenals in de eerste uitgave, zijn de Blijspelen, Historiestukken en Treurspelen afzonderlijk gepagineerd; Troilus en Cressida opent nu de rij der treurspelen.—De lofdichten zijn met een drietal vermeerderd, waaronder een zestienregelig vers van John Milton, die toen in zijn vier-en-twintigste jaar was, opmerking verdient; waarschijnlijk is dit het eerste gedicht, dat van hem het licht zag. Het moge hier in een eenigszins vrije en twee regels kortere vertolking een plaats vinden;“Behoeft mijn Shakespeare’s hoogvereerd gebeent’Een jaren arbeids eischend grafgesteent’?Behoeft een pyramide ’t heilig stofTe omhullen tot verhooging van zijn lof?Behoeft gij, zoon des Roems, gij, roem der Faam,Zoo zwak een tolk tot eeuw’ging van uw naam?Neen, in den eerbied, die uw grootte erkent,Schiept gij uzelf een duurzaam monument;Daar onweerstaanbaar, of Apollo zong,Uw godentaal ons in de ziele drong,En elk, zichzelf ontvoerd door uwe vaart,Tot marmer wordt, wie duiz’lend op u staart;—Opdat hij zulk een praalgraf zich verwierf,Wat koning is er, die niet gaarne stierf?”De derde folio-uitgave verscheen eerst in 1664; zij is voor een groot deel als een herdruk der vorige te beschouwen en bevat dezelfde stukken, en wel met doorloopende paginatuur, doch zij laat, de nummering der bladzijden weder met 1 beginnende, een geheele reeks van stukken volgen, die ten onrechte aan Shakespeare toegeschreven zijn en dus op goeden grond door de eerste uitgevers, Heminge en Condell, niet in de verzameling zijner werken opgenomen werden. Onder deze onechte stukken bevindt zich ook de “Pericles”. Wijl Shakespeare alleen in de tweede helft eenige tooneelen bewerkt heeft, werd ook dit stuk door Heminge en Condell, die verklaarden alleen echte stukken te willen geven, zeer terecht uitgesloten. Zij hebben dit inderdaad bedoeld en trouwhartig getracht een gedenkteeken van Shakespeare’s leven te stichten; maar hun zorgvuldigheid heeft, zooals boven reeds van Timon van Athene en Koning Hendrik VIII gebleken is, niet geheel gelijken tred gehouden met hun goeden wil, zoodat het gezag hunner uitgave niet in alle opzichten onbetwistbaar is.In 1685 verscheen een vierde folio-uitgave, die een herdruk is van de derde, en nagenoeg alleen door een nieuwere spelling van deze verschilt.Alleen aan de eerste dezer vier folio-uitgaven is inderdaad gezag toe te kennen; in de volgende vindt men steeds meer drukfouten, terwijl de overige afwijkingen slechts zelden verbeteringen zijn en zelfs dan, wanneer dit wel het geval is, op een toevallig gelukkige gissing en niet op grondig onderzoek berusten. De eerste folio-uitgave heeft ons van vele stukken den oudsten en besten tekst, dien wij bezitten, geschonken, en ook verscheiden andere voor den ondergang bewaard. Grooten dank is men hiervoor aan ’s dichters vrienden en kunstgenooten, Heminge en Condell, verschuldigd.Natuurlijk is een exemplaar der eerste folio-uitgave alleen bij zeldzaam voorkomende gelegenheden, en dan voor zeer hoogen prijs, te erlangen. Toch is het bij nauwkeurige beoefening van des dichters werken in vele gevallen noodig, den oorspronkelijken tekst te raadplegen. Gelukkig, dat deze bij herhaling met de uiterste zorg is nagedrukt en dat in den laatsten tijd ook de photographie te hulp is geroepen om den oudsten druk met volkomen getrouwheid te vermenigvuldigen; hij is thans voor hoogst matigen prijs in ieders bereik.Vraagt men nu, of Heminge en Condell een inderdaad zuiveren en betrouwbaren tekst gegeven hebben, dan moet het antwoord, helaas! ontkennend luiden. Wat zij ook verzekeren, zij konden meestal niet meer beschikken over de oorspronkelijke handschriften, die ongetwijfeld, na het maken van verscheiden afschriften, ten behoeve der vertooningen, vaak verloren waren gegaan. Misschien ook zijn er bij den brand van den Globe-schouwburg (blz.47) enkele vernietigd. Zij moesten zich dan behelpen met afschriften, die niet zelden door kappingen ter bekorting, welke geenszins oordeelkundig aangebracht werden, verminkt waren. In sommige gevallen moesten zij zelfs de toevlucht nemen tot de oude quarto-drukken, waarvan zij, in het voorbericht hunner uitgave, zooveel kwaads gezegd hadden; de oude afschriften, bij het tooneel in gebruik, waren dan ongetwijfeld versleten, zoodat een afdruk in de plaats was gekomen. Meermalen moet dus de door hen geleverde tekst aanmerkelijk afwijken van wat Shakespeare oorspronkelijk geschreven had, of ten minste onvolledig zijn. Hun bewering, dat de tooneelwerken naar de oorspronkelijke handschriften afgedrukt zijn, is alzoo bepaald onwaar, en niets anders dan een middel om het publiek zand in de oogen te strooien, en dit tot koopen, waarop zij zoo sterk aandringen, uit te lokken. Men moge dit streng afkeuren, doch waardeere, dat zij het beste gegeven hebben, dat zij hadden.—In een ander opzicht hebben zij waarheid gesproken; zij verklaren in de toewijding van het werk aan de graven van Pembroke en Montgomery, dat zij niets gedaan hebben dan bijeenverzamelen. Men moet erkennen, dat er inderdaad geen spoor van toezicht op het drukken hunner schatten te bespeuren is; het nazien van drukproeven schijnt door hen nagelaten te zijn; zij hebben alleen aan de pers afgestaan, wat zij wilden uitgeven. Misschien, waarschijnlijk zelfs, is het voor het verkrijgen van een goeden tekst gelukkig geweest, dat hun zorg zich niet verder heeft uitgestrekt. Want hadden zij fouten opgemerkt en op hun wijze trachten te verbeteren, dan zou allicht een willekeurige gissing, gelukkig of ongelukkig, in de plaats getreden zijn eener lezing, die, hoe ongerijmd ook, zich vaak zoo na mogelijk hield aan de letters of woorden, die in het oorspronkelijk handschrift of in oude afschriften of afdrukken stonden en nauwgezette latere onderzoekers op het spoor kunnen brengen om de echte lezing te ontdekken. Vallen wij hun dus over hun geringe zorg niet hard; herinneren wij ons, dat zij, uit liefde voor Shakespeare, zijn werken bijeenverzameld en zooveel meesterstukken aan de vergetelheid ontrukt hebben. Laat ons veeleer zeggen, dat hun, die veel hebben liefgehad, veel vergeven wordt.De eerste, die de taak aanvaardde, om uit de slordige uitgaven van des dichters werken een beteren, zuiverder tekst af te leiden, was Nicholas Rowe, in 1709. Dat hij slechts ten deele slaagde in de moeilijke onderneming, kan niet bevreemden, vooral niet, als men weet, dat hij niet de oorspronkelijke, maar de vierde folio-uitgave tot grondslag aannam. Als de eerste, die den echten tekst van Shakespeare trachtte te herstellen, moge hij hier met eere genoemd worden. Velen hebben na hem hetzelfde doel zoeken te bereiken. Doch het is hier de plaats niet, om hun pogingen aan een nauwgezet onderzoek te onderwerpen. Met welk een uitslag zij bekroond zijn geworden, moge men afleiden uit de woorden van een der uitstekende Shakespeare-beoefenaars van den lateren tijd, Alexander Dyce. Deze oordeelt, dat, indien als door een wonder de oorspronkelijke handschriften van Shakespeare voor den dag kwamen, deze het bewijs zouden leveren, dat in vele gevallen de echte lezing hersteld is, ofschoon de onwetendheid en aanmatiging der tooneelspelers, de slaperigheid der afschrijvers en de zorgeloosheid der uitgevers als het ware hebben samengezworen om haar verloren te doen gaan.Heeft in Engeland na Rowe de beoefening van Shakespeare’s werken steeds veld gewonnen, ook elders is dit het geval geweest. In Duitschland gaf de groote Lessing het voorbeeld van waardeering, en weldra volgde daar uitgave op uitgave, vertaling op vertaling. Vroeger of later vond hetzelfde in andere landen plaats, en tegenwoordig is, naast den Bijbel, geen boek, ’t zij in ’t oorspronkelijke, ’t zij vertaald, zoo algemeen en zoo in allerlei vorm, over de geheele aarde verspreid, als de kostelijke nalatenschap van Shakespeare.In Nederland is de beoefening en waardeering zijner werken tamelijk laat aangevangen, en de eerste proeven van welgeslaagde vertalingen vindt men in de “Bloemlezing uit de Dramatische Werken van William Shakespeare” van Mr. L. Ph. C. Van den Bergh, welk boek in 1834 het licht zag. Doch een beter tijd brak weldra aan; meer en meer werd de groote dichter in zijn waarde erkend; verscheiden uitgaven, vertalingen en navolgingen, ’t zij van gedeelten zijner werken, ’t zij van geheele tooneelstukken leggen hier getuigenis van af. Men zal niet verwachten, dat deze uitgaven en vertalingen hier opgenoemd en nader besproken worden; genoeg zij het op deze verdienstelijke ondernemingen gewezen te hebben. Alleen mag een woord van hulde aan den uitmuntenden Jurriaan Moulin niet achterwege blijven, die als nauwgezet en talentvol vertaler allen ten voorbeeld kan zijn. Te midden van velerlei beslommeringen bracht hij Othello, Macbeth, De Storm en gedeeltelijk ook Romeo en Julia op voortreffelijke wijze in het Nederlandsch over en hield zich daarbij zooveel mogelijk aan den vorm van het oorspronkelijke; bovendien geven de aanteekeningen, waarmede hij de stukken toelichtte, overal blijk van de grondige studie, die hij van des dichters werken gemaakt had.Verder mag hier de vermelding niet achterwege blijven, dat voor eenige jaren door A. S. Kok een volledige vertaling van Shakespeare’s dramatische werken, de eerste in Nederland, ondernomen en in 1880 ten einde gebracht werd. Reeds vroeger had hij een paar stukken in het Nederlandsch overgebracht en wel, evenals Moulin, in den vorm van het oorspronkelijke. Voor de vertaling van het geheel verkoos hij, zich grootendeels van proza te bedienen en slechts hier en daar, voornamelijk waar Shakespeare gerijmde verzen schreef, den gebonden vorm te bezigen. Sommige stukken zijn dus nagenoeg geheel in proza vertaald, bij andere wisselt proza met gerijmde verzen af.Naar mijn overtuiging is er bij groote dichters, en met name bij Shakespeare, een zoo innig verband tusschen den inhoud en den vorm hunner scheppingen, dat de vertaler, wil hij met zijn arbeid ongeveer denzelfden indruk geven als het oorspronkelijke, verplicht is, niet alleen den inhoud getrouw over te brengen, maar ook den vorm zooveel mogelijk te behouden.Bij mijn vertaling is dit beginsel voortdurend in het oog gehouden. Bovendien meende ik, dat voor de kennis en waardeering van den mensch en dichter Shakespeare niet alleen zijn dramatische werken, maar ook zijn gedichten van groot belang zijn; ook deze zijn hierom in deze uitgave begrepen.Zoo is dan van 1884 tot 1888 voor het eerst een volledige vertaling van des dichters werken, die den vorm van het oorspronkelijke zorgvuldig trachtte te bewaren, aan het Nederlandsche volk aangeboden. De bijval en goedkeuring, bij mijn onderneming van den aanvang af ondervonden, zijn mij niet alleen een machtige steun en spoorslag geweest, om de taak, die ik mij had opgelegd tot den einde toe te volbrengen, maar schonken mij ook het vertrouwen, dat mijn gave welkom zou zijn. Die verwachting is niet beschaamd geworden. Na de eerste uitgaaf vond ook een tweede, geïllustreerde, haar weg tot het publiek en thans wordt door een met zorg herziene volksuitgave mijn vertaling in het bereik gebracht van hen, die zich tot dusverre den aankoop moesten ontzeggen. Moge zij velen bewegen, lezers en vrienden van den grooten dichter te worden en meer en meer blijken, geen onwaardige hulde te zijn aan den machtigen geest, die zoo vele meesterwerken schiep!1De tienden, waarvan hij, zie boven blz.70, het recht gekocht had, brachten hem, volgens de schatting van een gerechtelijk stuk, zestig pond sterling op. Zijn jaarlijksch inkomen bedroeg, naar vermoed is, driehonderd, dus naar de tegenwoordige geldswaarde, ongeveer vijftien honderd pond.2In 1643, tijdens den burgeroorlog, hield koningin Henriette, gemalin van Karel I, er drie weken lang hof.3De schrijfkunst was toen lang niet algemeen verbreid; ook de oudste dochter van den dichter Milton kon niet schrijven.4Rowe noemt onder des dichters vrienden zekeren Mr. Combe, een oud rijk heer, die als geldschieter bekend stond. Deze zou schertsenderwijs verlangd hebben, dat Shakespeare een grafschrift op hem zou maken, en wel liefst dadelijk, omdat hij gaarne wilde weten, wat van hem gezegd zou worden. Ter voldoening aan dit verzoek dienden toen de volgende regelen:Ten in the hundred lies here ingrav’d;’Tis a hundred to ten his soul is not sav’d:If any man ask, Who lies in this tomb?Oh! oh! quoth the devil, ’t is my John-a-Combe.Als de geschiedenis waar is, heeft John Combe zeker hartelijk meegelachen, want hij liet, bij zijn dood, in 1614, aan “Mr. William Shakespeare vijf pond” na. Doch het verhaal van ’t grafschrift is apocrief, want reeds uit vroegeren tijd zijn zulke grafschriften bekend, natuurlijk zonder den naam van Combe; zooals:Ten in the hundred lies under this stoneAnd a hundred to ten to the devil his gone,alsmede:Who is this lyes under this hearse?Ho, ho, quoth the devil, tis my Dr. Pearce.Aubrey maakt ook van de geschiedenis gewag, doch verhaalt haar eenigszins anders, veel minder waarschijnlijk. Hier kan niet alles worden medegedeeld, wat van Shakespeare wel verteld en geboekt is; wie het voornaamste in een beknopt bestek bijeen wil vinden, met aanhaling van de oorspronkelijke woorden, raadplege in het tweede deel van Delius’ uitgave van des dichters werken deBiographische Nachrichten, alsmedeErläuterungen und Beilagen. Men vindt daar ook den volledigen tekst van Sh.’s testament, de voorrede van de uitgevers der folio-editie van 1623, de lofdichten, die aan deze zijn toegevoegd enz.—Voor het hier beoogde doel, het leveren van een duidelijk en waar beeld van des dichters leven en werken, behoefden deze bouwstoffen, waaronder vele niet voldoende gewaarmerkt zijn en geen strengen toets kunnen doorstaan, geenszins alle gebezigd te worden.5In Engeland werd tot 1752 het jaar gerekend te beginnen op 25 Maart.6Volgens den Ouden Stijl; 23 April stemde toen met den 3denMei volgens den Nieuwen Stijl overeen. Als sterfdag van den grooten Spaanschen schrijver Miguel de Saavedra Cervantes wordt (schoon zonder toereikenden grond) eveneens 23 April opgegeven, doch volgens den Nieuwen Stijl; deze zou dan tien dagen vóór Shakespeare gestorven zijn.7Good frend for Jesus sake forbeare,To digg the dust encloased heare.Bleste be the man that spares thes stones,And curst be he that moves my bones.8John Ward, die vicaris in Stratford was van 1648–1679, heeft enkele aanteekeningen nagelaten, waarin hij vertelt, dat “naar hij gehoord had”, Sh. van nature vernuft had, maar van kunst geen spoor; dat hij in zijn jonge jaren twee stukken ’s jaars schreef, maar later in Stratford leefde en 1000 pond ’s jaars(!) verteerde. Hij vertelt ook, dat Shakespeare, Ben Jonson en Drayton samen eens een vroolijken avond hadden en, zoo het schijnt, wat te veel dronken, zoodat Sh. de koorts kreeg en stierf. De man voegt er gemoedelijk bij, dat hij Sh.’s tooneelwerken toch eens moet lezen, om er ten minste iets van te weten.—Dat Sh. zijn oude vrienden gul ontvangen heeft, als zij hem kwamen bezoeken, is zeer natuurlijk; maar dat hij van het goede sier maken bij hun bezoek de koorts kreeg, behoeft op de praatjes van Ward niet aangenomen te worden.—Even weinig gewicht is te hechten aan het verhaal van Davies (zie bl.11), dat Shakespeare als papist stierf. Hij was ongetwijfeld geen puritein: de tijd kwam weldra, dat wie geen puritein was, voor papist werd uitgemaakt. De aanleiding tot het zeggen van Davies is dus niet ver te zoeken. Er is wel eens beweerd, dat Sh. in het Roomsche geloof gestorven is, doch zonder genoegzamen grond, waarover men Michael Bernays moge nazien.9De vorm is opmerkelijk; op de vermaking van zijn ziel aan God en van zijn stof aan de aarde, volgt onmiddellijk:Item, Igyve and bequeath unto my daughter Judyth, etc.10Item, I gyve unto my wife my second best bed with the furniture.Deze zin stond niet in het eerste ontwerp, maar is tusschen de regels bijgeschreven.11Op te merken is, dat de naam hier anders gespeld wordt dan in het testament.12Item—I will that my wife have all the plate that was hers before I married her; and twenty kye and a bull.13In het lofdicht van Leonard Digges, vóór deze uitgave geplaatst, wordt namelijk van het monument gesproken.14Ueber Künstler und Kunstwerke. Zweiter Jahrgang. Heft XI, XII. Mit 4 Photographien.Berlin 1867.—Men kan verder ook het opstel van Prof. Dr. Hermann Schaaffhausen:Ueber die Todtenmaske Shakespeare’s, in den tienden jaargang van hetShakespeare—Jahrbuch, blz. 26–49, raadplegen.15Herman Grimm denkt niet aan Cervantes; doch deze had ouder trekken, was 68 jaar en had een grijzen baard; van hem kan het afgietsel niet genomen zijn.16Hoe zeer men zich op het veld der gissingen gelieft te bewegen, kan ook de naam vanKesselstadter Maske, waarmede het afgietsel vaak wordt aangeduid, bewijzen. In Juni 1842 werd de schilderijverzameling van den overleden graaf en domheer Frans van Kesselstadt in Mainz onder den hamer gebracht, en nu onderstelt men, hoewel er geen schijn of schaduw van bewijs voor te vinden is, dat het afgietsel zich in de verzameling van den graaf bevond en van daar zijn weg gevonden heeft naar den uitdrager, bij wien Becker het vond. Van den uitdrager waren, naar het schijnt, geen inlichtingen te verkrijgen, daar zelfs zijn naam niet vermeld wordt.17Men vergelijke blz.46.18’Tis true, and all men’s suffrage.19Soul of the age.20He was not of an age, but for all time.21For a good Poet’s made, as well as borne.22Sweet Swan of Avon!23Shine forth, thou Starre of Poets.24De naam anders geschreven dan onder de voorrede!
XI.Shakespeare’s laatste levensjaren en dood. Zijn nalatenschap.Kort nadat Shakespeare aan het slot van zijn laatste tooneelwerk zijn tooverstaf uit de hand had gelegd, zeide hij, waarschijnlijk in 1613, de wereldstad Londen vaarwel om zich voor goed in zijn kleine geboorteplaats, Stratford aan den Avon, te vestigen. Toen hij deze als jeugdig man en vader verliet en onder de tooneelspelers verzeilde, was hij ongetwijfeld door menigen vroegeren stadgenoot voor verloren gerekend, want hij waagde zich op een zee vol gevaars,die velen tot verderf was. Doch wie ook uit den koers raakten en strandden of vergingen, hij had alle stormen weerstaan en was steeds, nu voor den wind zeilend, dan laveerend, zijn doel genaderd; hij had zelfs gelukkig gevaren en was, niet slechts behouden, maar met een rijke vracht, in de stille bocht, in de kleine haven van waar hij uitgegaan was, ten anker gekomen. Inderdaad, rijk was hij teruggekeerd; misschien was hij de rijkste burger van Stratford, doch in allen gevalle zeer gegoed; hij was een vermogend grondbezitter geworden en dus in de oogen zijner medeburgers, zelfs al hadden deze geen denkbeeld van zijn verdiensten als dichter, een door en door respectabel man1. Hij woonde in het grootste huis der stad2en leefde volgens de overlevering op onbekrompen wijze, zoodat hij jaarlijks vrij wat geld uitgaf. Slechts zeer weinig berichten zijn uit dezen laatsten tijd van zijn leven tot ons gekomen; wij weten er uit, dat hij zich met het beheer zijner bezittingen bezighield en ook enkele keeren naar Londen reisde; het is ten minste bekend, dat hij er in November en December 1614 eenige weken vertoefde; het jaar te voren, in Maart, had hij er een huis gekocht in de nabijheid van den Blackfriars-schouwburg; men kan dus wel vermoeden, dat hij er meermalen heenging.Onwillekeurig vraagt men zich af, hoe Shakespeare in Stratford zijn leven sleet en of hij er zich gelukkig kon gevoelen. Voor het laatste was het zeker noodig, dat hij het geluk in zichzelf vond. Stratford was puriteinsch geworden; de onverdraagzame stijve geloovigen, die alle wereldsche vermaken versmaadden en het tooneel verfoeiden en die vaak door hem met spot vervolgd waren, hadden er de overhand; reeds in 1602 was het verboden, de groote gildezaal, waar hij als kind vaak tooneelvertooningen had bijgewoond, voor zulke ijdelheden aan eenig gezelschap af te staan, en daar het verbod waarschijnlijk van tijd tot tijd overtreden was, werd door den raad der gemeente in 1612 bepaald, dat de alderman of wie ook, die tot een tooneelvertooning daar verlof gaf, een boete van tien pond—dus naar de tegenwoordige geldswaarde vijf- of zeshonderd gulden—zou te betalen hebben. Onder zulke omstandigheden zullen er van de 1500 inwoners van Stratford niet velen voor den gezelligen omgang met Shakespeare geschikt zijn geweest. Dat hij in zijn familiekring vergoeding voor dit gemis gevonden heeft, valt zeer te betwijfelen. Van zijn vrouw, de boerendochter uit Shottery, is dit niet te verwachten. Van zijn oudste dochter, Susanna, wordt in haar grafschrift getuigd, dat zij geest bezat boven anderen van haar sekse, en dit met haar vader gemeen had, maar dat zij bovendien steeds wijselijk bedacht was op haar eeuwig heil; van haar man, den geneesheer Hall, blijkt uit zijn nagelaten en uitgegeven ziektekundige aanteekeningen, dat hij zeer kerkelijk gezind was en een fellen haat tegen de Roomschen voedde. Susanna had een mooie flinke handteekening, maar of zij meer dan dit van de edele schrijfkunst machtig was en eenige letterkundige ontwikkeling bezat, mag betwijfeld worden, want zij kon hoogstwaarschijnlijk geen geschreven schrift lezen en ten minste het schrift van haar man niet herkennen; dit blijkt uit de mededeelingen van Dr. James Cooke, een militair arts, die tijdens de burgeroorlogen te Stratford kwam, waar de brug verdedigd moest worden. Hij vernam, dat de nagelaten boeken en papieren van Dr. Hall zich daar ter stede bevonden en begaf zich naar het huis der weduwe, om ze te zien. Nadat zij hem die getoond had, zeide zij, dat zij nog eenige boeken bezat, nagelaten door iemand, die met haar man gezamenlijk de geneeskunst had uitgeoefend; zij hadden veel geld gekost. Hij antwoordde, dat hij, als hem de boeken bevielen, haar die som er voor terug zou geven. Toen hij de papieren zag, bevond hij, dat het geschriften waren van haar man, voor den druk gereedgemaakt, hij kende zijn hand en toonde haar, dat ten minste één der boeken door hemzelf geschreven was. Zij ontkende dit ten sterkste en werd verstoord, toen hij volhield; hij kocht haar toen de boeken voor de gevraagde som af. Zij maakte die dus, hoewel zij in ruime omstandigheden verkeerde, bij den eerste den beste gaarne te gelde. Dr. Cooke heeft ze later uitgegeven; zijn verhaal is hier medegedeeld, omdat het een gereede verklaring geeft, waarom van boeken of geschriften van Shakespeare niets is overgebleven; op papieren, vooral van zoo wereldschen aard, is zeker geen acht geslagen; zij zullen verbrand zijn of als scheurpapier verkocht. Van Shakespeare’s tweede dochter, Judith, is bekend, dat zij in het geheel niet schrijven kon; haar handteekening onder een stuk bestaat uit een kluchtige krul, die, evenals een kruisje, gewaarmerktis3. Om den geest, die bij Shakespeare’s familieleden heerschte, te doen kennen, zij nog vermeld, dat tijdens zijn verblijf te Londen, op het eind van 1614, een rondreizend Puriteinsch prediker in zijn woning gehuisvest werd.Uit dit alles is men wel gerechtigd af te leiden, dat de omgang met de zijnen Shakespeare’s geest niet kon bevredigen. Het beheer van zijn uitgestrekte bezittingen, het werken in zijn grooten tuin, het gadeslaan van de schoone natuur, waar hij van der jeugd af gemeenzaam mee was, het spreken met menschen van allerlei rang en bedrijf, de omgang met enkele bekenden of vrienden zullen den lust van zijn leven hebben uitgemaakt. Dat hij in zulk een omgeving zich nog met het schrijven van tooneelwerken heeft beziggehouden, is inderdaad niet aan te nemen, en dit is wel een gegronde reden te achten voor het vermoeden, dat hij zich niet vóór 1613 in zijn geboorteplaats voor goed heeft gevestigd.Van zijn verblijf aldaar zijn overigens geen bijzonderheden met zekerheid bekend. Zijn eerste levensbeschrijver, Nicholas Rowe (1709), vermeldt, dat hij er omgang had met de heeren uit den omtrek en om zijn aangenamen, geestigen kout en zijn goedhartigheid zeer gezien was4.Waarschijnlijk had Rowe dit van den tooneelspeler Betterton vernomen; doch hoe ook, aan de geloofwaardigheid van de mededeeling valt niet te twijfelen. Het lezen van Shakespeare’s geschriften kan ons hiervan de overtuiging geven, en dit te meer, daar wij weten, dat zij niet met moeite na herhaalde verbeteringen, hun vorm verkregen, maar hem gemakkelijk uit de pen vloeiden, zooals zijn twee vrienden, door wie zij zijn uitgegeven, verklaren. Wanneer wij zien, hoe hij op geestige wijze den spot drijft met valsch haar en met blanketsels, met eigenwaan en zwetsen, hoe nauwkeurig hij de eigenaardigheden en zwakheden der menschen weet af te beelden en ten toon te stellen, hoe hij uitwerkt, dat de wereld vaak door vertoon bedrogen wordt, dan kunnen wij nagaan, dat hij ook in den dagelijkschen omgang met de eigenaardigheden en zwakheden der menschen op vermakelijke wijze geschertst en gespot zal hebben. En tevens kunnen wij zeker wezen, dat hij de scherpte zijner opmerkingen met een goedhartigen lach wist te temperen. Wij zijn ook gerechtigd aan te nemen, dat hij in het beoordeelen van menschen en zaken de juiste maat wist in acht te nemen en de billijkheid te betrachten, want wij zien in zijn werken, hoe hij niet alleen het onderscheid tusschen goed en kwaad in het licht stelt, maar ook de verborgen roerselen van ’s menschen handelingen bloot legt en de noodlottige gevolgen van eenzijdigheid en overdrijving doet uitkomen. Hij kende de wereld; hij had zich in het groote en woelige Londen bewogen, dat zoo velen zijner vakgenooten als in een draaikolk medesleepte en zinken deed; ook hij had waarschijnlijk,—zijn geschriften zelf geven grond tot dit vermoeden,—een tijd gehad, dat hij aan de verlokkende stemder verleiding gehoor gaf, doch hij had zich leeren beheerschen; hij wist wederstand te bieden, zijn doel steeds in ’t oog te houden en een veilige haven te bereiken. Van zoo iemand, wien niets menschelijks vreemds was, is het niet te verwonderen, dat zijn beoordeeling van de menschen en hun handelingen juist en billijk, maar tevens, zoodra hier aanleiding toe bestond, zachtmoedig was. Zoo toont hij zich in zijn werken, en zoo was hij ongetwijfeld ook in den omgang met zijn vrienden. Bij het aandachtig en omzichtig lezen zijner geschriften kan men menigen karaktertrek van hem ontdekken en tot de uitkomst geraken, dat hij een beminnelijk mensch moet geweest zijn, wiens omgang, zoowel door zijn veelzijdige kennis en zijn opmerkingsgeest, als door zijn liefde voor dichtkunst, muziek, schilder- en beeldhouwkunst belangrijk, onderhoudend en aangenaam was. Men moet zich natuurlijk wel wachten, de uitingen zijner personen voor het persoonlijk gevoelen des dichters te houden. Shakespeare bezat in de hoogste mate het vermogen, dat de dramatische dichter hebben moet, van zich als het ware te vereenzelvigen met de personen, die hij ten tooneele voert; hij laat in hetzelfde stuk Othello, Jago en Desdemona, of Lear, Edgar, Edmond en Cordelia, of Heetspoor, prins Hendrik en Falstaff, ieder zoo spreken, als met zijn natuur overeenkomt. Maar al blijft hij in den regel verscholen achter de personen van het stuk, meermalen toch legt hij hun uitingen in den mond, waarin meer de lyrische, dan de dramatische dichter spreekt en ongetwijfeld zijn eigen meening wordt uitgedrukt. Wel weet hij ook hier maat te houden en zorg te dragen, dat het geheel er niet onder lijdt en de voortgang van het stuk er niet door belemmerd wordt, doch zeldzaam zijn zulke uitingen niet; onder andere mag de beroemde plaats, waarin Portia op het oefenen van genade aandringt, er onder gerekend worden. Zoo is het dan mogelijk, bij het nauwkeurig en met oordeel lezen van Shakespeare’s werken, menigen karaktertrek van hem op te merken en hem niet alleen als dichter, maar ook als mensch nader te leeren kennen. Men zal dan bevinden, dat de dichter, die door zijn gezonde levensbeschouwing en door zijn diepe menschenkennis het oordeel over goed en kwaad kan scherpen, het gevoel er voor kan verfijnen, tot maathouden in alle dingen kan aansporen en de zedelijke kracht des menschen kan verhoogen, ook om zijn persoonlijke hoedanigheden en zijn karakter een gids voor het leven verdient genoemd te worden.Wij zijn genaderd tot het jaar 1616, Shakespeare’s sterfjaar. In het begin van dit jaar hield de gedachte aan zijn dood in zooverre hem bezig, dat hij zijn testament ontwierp, en wel op 25 Januari. Op den tienden Februari huwde zijn tweede dochter, Judith, toen 31 jaar oud, met Thomas Quiney (uitgesprokenQuin-ny), wijnhandelaar te Stratford, vier jaar jonger dan zij; hij was de zoon van Richard Quiney (overleden 1602), denzelfden, die in 1598 aan zijn vriend Shakespeare dertig pond te leen had gevraagd (zie bl.63); als een bijzondere begaafdheid van hem is te vermelden, dat hij zijn handteekening met twee prachtige krullen opsierde. Op 25 Maart 1616, dus volgens den Ouden Stijl op den eersten dag van het jaar 16165, werd het testament met een paar bijvoegsels vermeerderd en door Shakespeare onderteekend. Hij stierf op Dinsdag den 23stenApril 16166en werd twee dagen later in de kerk der Heilige Drieëenheid, aan de noordzijde van het koor, begraven. Een eenvoudige platte steen wijst de plaats aan, waar hij ter ruste gelegd is; een vierregelig rijm bezweert bij Jezus’ naam, het stof, dat daar besloten is, niet te ontgraven, zegent, wie het gesteente spaart, en vervloekt, wie het gebeente roert7. Dowdall schreef in 1693, dat Shakespeare zelf dit rijm kort voor zijn dood gemaakt heeft; dit klinkt vrij onwaarschijnlijk; veeleer zou men vermoeden, dat een reeds gereed zijnde zerk ter bedekking van het graf gebezigd werd; naam en wapen ontbreken er op; en deze staan wel op de aangrenzende zerken van Susanna Hall, van haar echtgenoot John Hall, en van Thomas Nashe, den eersten echtgenoot van Sh.’s kleindochter Elizabeth. Aan welke ziekte Shakespeare overleed, is geheel onbekend, doch waarschijnlijk is hij geruimen tijd ziek of sukkelend geweest en was zijn dood niet geheel onverwacht. Het vermoeden ligt voor de hand, dat een wankelende gezondheid hem bewoog het voorgenomen huwelijk zijner jongste dochter te verhaasten; het is namelijk bewezen, dat dit met allen spoed gesloten werd en de vereischte vergunning der geestelijke overheid niet werd afgewacht. Met het oog op het aanstaand huwelijk werd waarschijnlijk hettestament ontworpen, waarin Judith goed bedacht werd; het is een wijziging geweest van vorige beschikkingen, want alle voorafgaande worden herroepen; Shakespeare had ongetwijfeld reeds vroeger gezorgd, dat zijn grondbezit bijeenbleef. De zaak bleef toen een poos rusten, tot een plotselinge verergering in den toestand van Shakespeare tot haastig bekrachtigen van het testament drong. Dit is namelijk niet in het net geschreven, maar in het eerste ontwerp is de dagteekening veranderd en zijn enkele bepalingen tusschen de regels ingelascht, waarna de onderteekening door den erflater en de getuigen gevolgd is. Het waarschijnlijkst is, dat hij herhaaldelijk door kwaadaardige koortsen van typheuzen aard bezocht werd, die zijn oorspronkelijk krachtig gestel sloopten; de straat, waarin hij woonde,Chapel street, kan er aanleiding toe gegeven hebben; want er waren stilstaande poelen en goten in, en ook van een zwijnekot wordt gewag gemaakt; de gezondheidsleer was toen ter tijd niet zoo ver gevorderd, dat men den verderfelijken invloed van zulk een toestand inzag. Anderhalve eeuw later, in 1768, toen een Shakespeare-Jubileum gevierd werd, noemde Garrick, de beroemde tooneelspeler, Stratford de smerigste, onaanzienlijkste, slechtst bestrate, erbarmelijkste landstad in Brittanje. Uit de aanteekeningen van zijn schoonzoon, den als arts hooggeroemden Hall, is niets aangaande zijn ziekte bekend geworden8.Zijn testament daarentegen kennen wij; het zoo even reeds genoemde ontwerp, op drie bladen papier geschreven, is bewaard gebleven; het draagt op ieder van deze Shakespeare’s handteekening en op de derde bovendien de woordenby me“door mij”; zijn deze twee woorden van Sh.’s hand, dan zijn zij, met een zevental handteekeningen op officiëele stukken, het eenige schrift, dat wij van hem bezitten; zijn naam is op zeer onzekere en onduidelijke wijze geschreven, hetzij doordat zijn hand verzwakt, hetzij dat hij bedlegerig was en zich moeilijk kon oprichten. Het testament bevat een menigte bepalingen om te zorgen, dat zijn door noeste vlijt verworven vermogen, met name het grondbezit, bijeenbleef; daartoe werd verreweg het grootste deel aan zijn oudste dochter, Susanna Hall, vermaakt, terwijl de jongste, Judith, met een uitkeering, die intusschen vrij belangrijk was, tevreden moest zijn. De aanhef luidt: “In den name Gods, Amen! Ik, William Shackspeare van Stratford aan den Avon in het graafschap Warwick, gentleman, in volkomen gezondheid en bewustheid (memorie), God zij geloofd! maak en verorden dezen mijn uitersten wil en testament op de volgende wijze; namelijk, ik beveel mijne ziele in de handen van God mijnen Schepper, hopende en zekerlijk geloovende, door de eenige verdienste van Jezus Christus mijnen Heiland het eeuwig leven deelachtig te worden, en mijn lichaam aan de aarde, waaruit het genomen is.” In de eerste plaats wordt nu zijn dochter Judith genoemd9; haar wordt vooreerst 150 pond vermaakt, namelijk 100 als huwelijksgift, die haar binnen ’t jaar moest uitgekeerd worden met interest, berekend tegen 10 percent ’s jaars, en 50, als zij ten behoeve van haar zuster Susanna afstand deed van haar aandeel in een nader aangewezen boerderij; vervolgens moest aan haar of aan haar kinderen drie jaar na de dagteekening van het testament (zoo staat er, vreemd genoeg, in plaats van “na mijn overlijden”) eveneens 150 pond uitbetaald worden, waarvan zij inmiddels reeds de rente zou genieten. Mocht zij vóór den afloop van drie jaren kinderloos sterven, dan was 100 pond er van bestemd voor Sh.’s kleindochter, Elizabeth Hall, de overige 50 werden vastgezet voor zijn, met den hoedenmaker Hart, gehuwde zuster Johanna, aan wie levenslang de rente betaaldzou worden; na haar dood was de som onder haar kinderen gelijkelijk te verdeelen. Zoo Judith de drie jaren overleefde, moesten de 150 pond voor haar vastgezet, haar de rente levenslang uitgekeerd en later de som onder haar kinderen verdeeld worden; doch als haar man aan haar en haar kinderen de inkomsten van landerijen ter waarde van 150 pond naar het oordeel der executeuren behoorlijk verzekerde, zou aan hem de som uitgekeerd worden. Verder werd zijn zuster Johanna Hart met 20 pond en met zijn kleederen bedacht en met het vruchtgebruik van het huis, dat zij bewoonde, tegen betaling van tien stuivers jaarlijks; elk harer drie zoons ontving vijf pond. Dan volgen kleinere legaten: zijn zilverwerk vermaakte hij aan zijn kleindochter Elizabeth Hall, behalve zijn groote zilveren vergulde kom; verder 10 pond aan de armen van Strafford, zijn zwaard aan Thomas Combe, 5 pond aan Thomas Russell, ruim 13 pond aan Francis Collins van Warwick; verscheiden legaten, elk van 26 shillings en 8 stuivers, om een ring te koopen, aan Hamlet Sedler, aan William Raynoldes, aan zijn kunstgenooten (my fellows) John Hemynges, Richard Burbage en Henry Cundell, aan Anthony Nash en aan Mr. John Nash; alsmede 20 shillings in goud aan zijn petekind William Walker. Hierop komt eindelijk de voornaamste beschikking: hij laat al zijn grondbezit, zijn woningNew Place, zijn huizen, schuren, landerijen, in Strafford aan den Avon, Oud-Stratford, Bushopton en Welcombe, zoo mede zijn huis in Londen bij Blackfriars, bewoond door John Robinson, en verdere landerijen enz., waar ook gelegen, aan zijn dochter Susanna Hall voor haar geheele leven en na haar dood aan haar oudsten zoon en diens manlijke afstammelingen, en zoo die er niet zijn, aan haar tweeden zoon en diens manlijke afstammelingen enz., en bij ontstentenis van deze aan zijn kleindochter Elizabeth Hall en haar manlijke afstammelingen, en bij ontstentenis van deze aan zijn dochter Judith en haar manlijke afstammelingen, en bij ontstentenis van deze aan zijn wettige erven. Hierop volgt: “Item, ik geef aan mijn vrouw mijn op één na ’t beste bed met toebehooren”10. Evenzoo geeft hij aan zijn dochter Judith zijn groote zilveren vergulde kom. Eindelijk worden al zijn overige bezittingen, kostbaarheden, huisraad, wat ook, na afbetaling van legaten, schulden en begrafeniskosten, aan zijn schoonzoon John Hall en zijn dochter Susanna Hall toegekend en deze ook tot executeurs van zijn laatsten wil en testament benoemd. Thomas Russellesq.en Frauncis Collins gent. worden aangewezen alsoverseers, dus om toe te zien, dat deze uiterste wil naar eisch wordt uitgevoerd. Hierop volgt dan de onderteekening. Als getuigen teekenden vooreerst Fra. Collyns, verder Julius Shawe, John Robinson, Hamnet Sadler11, Robert Whattcott.—Een onderschrift bewijst, dat alleen John Hall als executeur is opgetreden, en het testament, benevens een inventaris der goederen, naar behooren overgelegd en bezworen heeft op 22 Juni van het jaar 1616.—De genoemde Francis Collins was een rechtsgeleerde (sollicitor) uit Warwick; vermoedelijk was aan hem het stellen van het testament opgedragen.Ongetwijfeld heeft geen zinsnede in het testament zoo de aandacht getrokken als die, waarin hij aan zijn vrouw zijn op één na ’t beste bed vermaakt. Men heeft geoordeeld, dat zij hiermede erg kaal werd afgescheept. Doch ten onrechte. Hij behoefde voor zijn vrouw niet te zorgen; door de wet, die aan Shakespeare beter bekend was dan aan velen van zijn verklaarders, ontving zij genoeg. Van al de huizen en landerijen, die zijn volle eigendom, zoogenaamdfreehold, waren, trok zij levenslang een derde der inkomsten, en de woning New Place, met schuren en ruimen tuin, het huis in Henley street, de landerijen onder Old Strafford en elders leverden haar zeker meer dan het noodige op. Shakespeare verlangde, dat zijn goederen bijeen bleven, en waakte op de in Engeland gebruikelijke wijze tegen alle versnippering; hiertoe werden ook zijn huisraad en zijn kostbaarheden aan zijn oudste dochter en haar echtgenoot vermaakt. Het beste bed, dat meest voor bezoekers bestemd werd, werd waarschijnlijk een zoo belangrijk deel van den inboedel gerekend, dat het als familiebezit van het overige huisraad niet gescheiden werd en steeds van vader op zoon overging. Was dit inderdaad het geval, dan was het op één na ’t beste bed geen gering legaat te achten, vooral niet, als niet enkel het bed, maar ook het ledikant bedoeld is, want deze meubels waren dikwijls keurig afgewerkt en met snijwerk versierd. Bovendien werden in dien tijd allerlei voorwerpen aan nabestaanden vermaakt, zooals ketels, stoelen, mantels, hoeden, tinnen kroezen, vergiettesten, veeren kussens. In het jaar 1642 achtte zekere John Shakespeare van Budbrook, nabij Warwick,—geen familie van den dichter,—zich behoorlijk van zijn plicht der dankbaarheid jegens zijn schoonvader te kwijten, door aan dezen “zijn beste laarzen” te vermaken.Men heeft dus alle recht om aan te nemen, dat Shakespeare alleen daarom geen meerdere goederen aan zijn vrouw vermaakt heeft, omdat er alreeds op andere wijze, door de Engelsche wet namelijk, voldoende voor haar gezorgd was. Wil men een ander voorbeeld van een dergelijke handelwijze, dan kan Sir Thomas Lucy dit leveren; deze liet in 1600 bij uitersten wil aan zijn zoon zijn op één na ’t beste paard na, doch geen land, omdat hij volgens belofte op land van zijn schoonvader kon rekenen. Nog beter voorbeeld vindt men in het testament van David Cecil, Esq., den grootvader van den bekenden Lord Burleigh; daar leest men: “Item—het is mijn wil, dat mijn vrouw al het zilverwerk zal hebben, dat zij had vóór ik haar trouwde; en twintig koeien en een stier.”12Het zal zijn wil niet geweest zijn, dat zij niets dan melk en rundvleesch van haar zilveren schotels zou eten; het legaat kwam bij het aandeel, of liever vruchtgebruik, dat de wet haar toekende. Toch is het opmerkelijk, dat in het eerste ontwerp van Shakespeare’s testament zijn vrouw niet voorkomt.—Evenzoo verdient de aandacht, dat geen enkel lid der familie Hathaway genoemd wordt, evenmin als eenig dichter of schrijver, zelfs Ben Jonson niet; eindelijk dat van boeken of papieren volstrekt geen gewag wordt gemaakt. Waarschijnlijk was Shakespeare door typheuze koortsen zeer verzwakt.Of Shakespeare’s weduwe bij haar kinderen, Susanna en Dr. Hall, is blijven wonen, en of deze misschien reeds vroeger, bij huns vaders leven, in New Place hun intrek hadden genomen, is onbekend. Zij overleefde haar man zeven jaren en stierf 6 Augustus 1623, in den ouderdom van zeven-en-zestig jaren; zij werd dicht bij haar echtgenoot, in het koor der kerk, begraven.Hoeveel zorg Shakespeare ook gedragen had, dat zijn bezittingen bijeenbleven en zijn geslacht in zijn geboortestreek zou voortleven, zijn pogingen zijn ijdel gebleken. Zijn dochter Susanna overleefde haar echtgenoot John Hall, die in 1635, zestig jaar oud, stierf; zij overleed, zes-en-zestig jaar oud, in 1649. Elizabeth Hall, in Sh.’s testament genoemd, is het eenig kind harer ouders gebleven; zij was in 1626 met Thomas Nashe gehuwd, die in 1647 stierf; zij hertrouwde in 1649 met een weduwnaar, John Barnard doch bleef kinderloos, en stierf in 1670.—Zijn dochter Judith, gehuwd met Thomas Quiney, een wijnhandelaar, wien het in de wereld aanvankelijk goed, doch later, van 1630 af, lang niet voordeelig ging, heeft haar drie kinderen, allen zoons, overleefd; de oudste, Shakespeare genoemd, stierf binnen ’t jaar, de twee anderen, toen zij 20 en 19 jaren oud waren; zijzelf overleed in Februari 1662. In minder dan vijftig jaren na Shakespeare’s dood was zijn laatste afstammeling gestorven.—Alleen in de afstammelingen zijner zuster Johanna, wier echtgenoot, William Hart, weinige dagen voor Shakespeare gestorven was, bleef zijn geslacht leven.—Van Elizabeth Hall, gestorven als weduwe Barnard, weten wij zoo goed als niets. Wat er na haar dood met de vroegere eigendommen van den grooten dichter gebeurde, behoeft hier niet nagegaan te worden; alleen zij vermeld, dat zoowel het huis van Shakespeare’s vader, waar de dichter menig jaar zijner jeugd heeft doorgebracht, als het erf met de grondvesten zijner eigen woning,New Place, thans aan de gemeente Stratford behooren, het eerste sinds geruimen tijd, het laatste door de goede zorgen van Mr. Halliwell, sedert 1862.Korten tijd na Shakespeare’s overlijden, ongetwijfeld vóór 1623, het jaar der uitgave van zijn gezamenlijke werken13, werd in de kerk, aan den linker- of noordermuur van het koor, tegen het dichtgemetselde tweede venster, een gedenkteeken voor hem aangebracht, misschien door de zorg van zijn schoonzoon Hall. Zijn borstbeeld, levensgroot, van zachten steen gehouwen, is daar geplaatst in een nis, waarboven zijn wapen zich verheft, terwijl op het voetstuk een tweeregelig Latijnsch en een zesregelig Engelsch vers gebeiteld zijn. Het eerste verklaart, dat hem, die in wijsheid een Nestor, in geest een Socrates, in kunst een Vergilius was, de aarde bedekt, het volk betreurt, de Olympus bezit. Het tweede roept den wandelaar toe, niet voorbij te ijlen, maar te lezen, wie door den boozen dood in dit monument geplaatst is, Shakespeare, met wien de natuur zelf stierf, wiens naam meer dan alle praal zijn tombe versiert, daar al wat hij geschreven heeft, toont, dat de levende kunst slechts dienstbaar was aan zijn geest. Hieronder wordt vermeld, dat hij stierf in het jaar onzes Heeren 1616, in zijn 53ste jaar, op 23 April. Het beeld zelf, dat het geheele bovenlijf voorstelt, heeft vóór zich een kussen, waarop een blad papier ligt, dat door de linkerhand half bedekt wordt; de rechterhand, die een pen vasthoudt, rust niet op het papier, maar op het kussen. Het gelaat is over ’t geheel welgevormd, doch het benedengedeelte eenigszins zwaar; eris weinig uitdrukking in, al is de mond tot een glimlach geplooid. Het borstbeeld is alzoo lang geen meesterstuk; toch verdient het zeer de aandacht, daar het kort na Shakespeare’s overlijden geplaatst is geworden, toen velen, die den dichter persoonlijk gekend hadden, over de gelijkenis konden oordeelen. Het is dus waarschijnlijk, dat dit oordeel niet ongunstig was. Bovendien is er veel reden om aan te nemen, dat bij de bewerking van dit beeld een gipsafgietsel, van een lijk afgenomen, als model gediend heeft; verscheiden beeldhouwers en schilders van naam zijn na nauwkeurig onderzoek tot dit besluit gekomen; vooral het benedenste gedeelte van het gelaat kan dit aanwijzen. Wanneer men nu niet wil beweren, zooals wel geschied is, dat de beeldhouwer zich heeft moeten behelpen met een afgietsel op het gelaat van een ander persoon, die veel op Shakespeare geleek, dan ligt het voor de hand aan te nemen, dat van Shakespeare’s gelaat kort na zijn dood een afgietsel genomen is en dat dit bij het vervaardigen van het borstbeeld gediend heeft. Als maker er van wordt door Dugdale Gerard Johnson genoemd, die eigenlijk Gerard of Gerrit Jansen heette; hij was een Hollander, uit Amsterdam; in 1614 heeft hij ook het grafteeken van John Combe, met Shakespeare wel bekend (zie boven blz.77), vervaardigd.—Oorspronkelijk was het borstbeeld beschilderd: oogen lichtbruin, haar en baard rosachtig bruin, wangen blozend, onderkleed met mouwen, scharlakenrood, overkleed zwart, hals- en handkragen wit, bovenvlak van het kussen groen (het papier wit), ondervlak karmozijn; randkoord en kwasten verguld. Op het laatst der vorige eeuw werd het, dwaas genoeg, gewit, doch in 1824 is de oorspronkelijke kleur weder te voorschijn gebracht en hersteld.Behalve het borstbeeld bezitten wij nog een afbeelding van Shakespeare in de kopergravure van Martin Droeshout, welke geplaatst is voor de folio-uitgave zijner gezamenlijke tooneelwerken, van 1623; zij is ook in de volgende drie folio-uitgaven van dezelfde plaat afgedrukt. Er staat een vers tegenover van Ben Jonson, waarin verklaard wordt, dat de graveur met de natuur een strijd had aangegaan om het leven te overtreffen, en dat, als hij even goed Shakespeare’s geest had kunnen afbeelden, als hij zijn gelaat getroffen had, zijn prent alles zou overtreffen, wat ooit in koper gegrift was. Jonson verklaart dus, dat er gelijkenis bestaat. De graveur heeft zeker getracht het hooge fraai gewelfde voorhoofd, de schoone oogen, den regelmatigen neus, den fraai gevormden mond nauwkeurig na te bootsen, maar het is hem niet gelukt een goed geheel te leveren; ja, de afbeelding van het voorhoofd is zelfs geheel mislukt. Toch moet, zoo men het portret nauwkeurig nagaat en bij herhaling beziet, mijns inziens erkend worden, dat het, hoe gebrekkig de uitvoering ook zij, wellicht van het wezen des dichters trekken genoeg teruggaf, om Jonson’s betuiging eenigermate te rechtvaardigen. Vergelijken wij het met het borstbeeld van Stratford, dan vinden wij eenige overeenstemming, met name in het hooge, gewelfde voorhoofd, dat door kaalheid nog iets hooger wordt, in het lange haar, dat over de ooren gekruld is, en nog in enkele andere bijzonderheden; doch het borstbeeld verschilt zeer door den vorm van den neus,—misschien heeft de beeldhouwer daar toevallig wat te veel van het zachte gesteente weggenomen,—door de zeer regelmatig gebogen wenkbrauwen, die aan de geschilderde wenkbrauwen van vele poppen doen denken, door den vorm van den mond en in enkele andere opzichten. De verschillen laten zich wel verklaren; als de beeldhouwer aan de ingevallen trekken van het lijk leven heeft willen verleenen, het gelaat wat voller heeft gemaakt, den mond tot een glimlach gevormd, de oogen geopend en de wenkbrauwen iets opgetrokken, is het niet te verwonderen, dat het borstbeeld een anderen indruk maakt dan de gravure, al zijn beide naar één model genomen. Portretten, naar denzelfden persoon door verschillende, zelfs zeer bekwame teekenaars geschilderd, kunnen onderling groote afwijkingen vertoonen. En men vergelijke eens de portretten van Napoleon met het gipsafgietsel, op het gelaat van zijn lijk afgevormd!Het borstbeeld en de gravure zijn de eenige afbeeldingen, van welke men zeker weet, dat zij Shakespeare moeten voorstellen. Er zijn verscheiden geschilderde portretten van personen met hoog voorhoofd, die voor afbeeldingen van Shakespeare doorgaan; het bekendste is het portret, eens in het bezit van den hertog van Chandos, thans in de nationale schilderijenverzameling (National gallery). Doch van geen enkel is de echtheid te bewijzen.Hetzelfde moet gezegd worden van een gipsafgietsel, waarvan men beweert, dat het op het gelaat van den gestorven Shakespeare kan of moet gevormd zijn. Naar bericht wordt, werd het in 1848 door den schilder Louis Becker, die ijverig verzamelaar van kunstwerken en zelf zeer handig was in het maken van gipsafgietsels, bij een uitdrager in Mainz onder ouden rommel gevonden en aangekocht. In 1849 gaf Becker het afgietsel aan Prof. Richard Owen te Londen in bewaring; hij vertrok naar Australië, maakte er deel uit van de expeditie van Wills en Burke, en vond er met dezen in 1861 den dood. Het berustte tot 1865 onder Owen; toen het berichtvan Becker’s dood in Engeland aankwam, gaf hij het aan den broeder des schilders, Dr. Becker, terug. Naar Owen’s oordeel beantwoordt het afgietsel, met het oog van den ontleedkundige bezien, zeer goed aan het beeld, dat men zich van Shakespeare vormen kan; er kleven in den baard eenige roodachtige haren; deze werden door hem als echte menschenharen erkend. Het afgietsel is verder onbetwijfelbaar van een lijk afgevormd en draagt aan de achterzijde in den rand het jaarcijfer 1616, dat blijkbaar in het nog weeke gips is gegrift; de cijfervormen zijn inderdaad die der zeventiende eeuw. Het is met olie gedrenkt en heeft dus waarschijnlijk voor het maken van een afgietsel gediend. Dr. Becker heeft het aan Herman Grimm ter onderzoeking voorgelegd en uit de woorden van dezen moge men afleiden, welken indruk het afgietsel op den beschouwer maakt14. “Ik geloofde, bij den eersten blik er op, nooit een edeler gelaat gezien te hebben. Wat ik in de hand hield, was voor eeuwen van het gelaat eens dooden afgevormd, en toch riep het zijn laatste oogenblikken dadelijk voor den geest. In den baard hield het gips nog eenige van de roodachtige haren vast, die het medegenomen had, en als pas geplooid deed zich de linnen doek voor, die om den hals gewonden was; nauwelijks gesloten schenen de oogen. En welke holten waren het, waarin zij lagen; welk een zuiver, edel beloop van den gebogen neus; welk een wondervolle vorm van het voorhoofd! Ik gevoelde, dat dit een mensch geweest moest zijn, in wiens brein edele gedachten woonden. Ik vroeg. Men zeide mij de achtervlakte van het afgietsel te beschouwen. Daar was in den rand, in cijfers der zeventiende eeuw ingegrift† Ao Dm̄ 1616. Ik wist van niemand anders, die in dit jaar stierf dan van den eenen, die in hetzelfde jaar geboren werd, waarin Michelangelo stierf, 1564—Shakespeare”15.Het afgietsel komt in verschillende bijzonderheden meer met de gravure van Droeshout dan met het borstbeeld in de kerk te Stratford overeen. Dit laatste verschilt er van door de meerdere gevuldheid van het gelaat, den korten neus en de zeer breede bovenlip. Wil men aannemen, dat het in Mainz gevonden afgietsel den maker van het borstbeeld tot model gediend heeft, dan is het zeer te betreuren, dat hij het origineel niet beter heeft kunnen nabootsen. De mogelijkheid, dat het afgietsel echt is, kan natuurlijk niet ontkend worden; en wanneer de buste inderdaad door Gerard Jansen of een zijner vijf zonen vervaardigd is, is het ook zeer wel denkbaar, dat het afgietsel zijn weg naar Holland en van daar, Rijnopwaarts, naar Duitschland gevonden heeft. Doch alleen de mogelijkheid is toe te geven, alle gronden om deze gissing waarschijnlijk te maken ontbreken16. Zeker is het jammer, dat het borstbeeld en de gravure de schoonheid van het te Mainz gevonden afgietsel niet bezitten, en er niet volkomen op gelijken; doch men moet het zich getroosten, de wezenstrekken van Shakespeare niet naar wensch te kennen, en neme hiertoe de woorden ter harte, waarmede Ben Jonson zijn tienregelig vers op de gravure besluit, dat zijn geest niet af te beelden was en dat men dus liever niet op zijn portret moet turen, maar in zijn boek moet lezen.Het boek, dat Jonson bedoelt, is de gezamenlijke uitgave van Shakespeare’s tooneelwerken, de folio van 1623, de grootsche nalatenschap, die door Shakespeare’s vrienden en oude kunstgenooten, Heminge en Condell, beiden ook in zijn testament genoemd, voor de wereld behouden is gebleven. Men is hun grooten dank schuldig, want zonder hun bemoeiingen zouden vele van Sh.’s meesterstukken voor immer zijn verloren gegaan, verscheiden andere alleen in minder volkomen vorm tot ons gekomen zijn17. Zij hebben op dezen dank te meer aanspraak, omdat zij, naar allen schijn, niet uit eigenbaat maar om de eere des grooten dichters hoog te houden, deze taak op zich namen.Met de beschouwing van den vorm en den toestand,waarin Shakespeare’s dramatische nalatenschap tot ons gekomen is, worde dit overzicht over zijn leven en werken besloten.Verreweg het grootste gedeelte der titelbladzijde wordt ingenomen door de reeds besproken beeltenis, gegraveerd door Martin Droeshout. De titel staat er boven:Mr. WilliamShakespearesComediesHistories &Tragedies.Published according to the True Original Copies.Beneden het afbeeldsel staat:London,Printed by Isaac Iaggard, and Ed. Blount. 1623.Tegenover den titel staat het vers van Ben Jonson, “Aan den Lezer”, waarin hij het portret als welgelijkend roemt, doch den lezer vooral naar het boek verwijst.Op den titel volgt de nederig gestelde toe-eigening:“Aan het hoogst edel en onvergelijkelijk broederpaar, William, Graaf van Pembroke, en Philip, Graaf van Montgomery”. Een paar zinsneden moeten aan deze opdracht ontleend worden: “Uwe edelheden hadden zooveel behagen in de afzonderlijke stukken, als zij gespeeld werden, dat reeds vóór zij het licht zagen, het boek vroeg, aan u te mogen toebehooren. Wij hebben ze slechts bijeenverzameld en den doode den liefdedienst bewezen, van aan zijn weezen voogden te verschaffen, geenszins uit verlangen om zelf voordeel of roem te verwerven, maar alleen om het aandenken van zulk een treffelijken vriend en kunstgenoot, als onze Shakespeare was, levendig te houden, door zijn tooneelwerken eerbiedig aan uw hoogstedele bescherming aan te bieden.”Op deze toewijding volgt het woord tot den lezer“Aan de groote verscheidenheid van Lezers.”“Van den bekwaamste af tot hem toe, die slechts spellen kan. Hiermede zijt gij allen geteld; liever hadden wij, dat gij gewogen waart. Vooral daar het lot van alle boeken van uw bevattelijkheid afhangt, en niet slechts van die uwer hoofden, maar ook van die uwer beurzen. Komaan! het is nu in het licht, en gij zult,—dit weten wij,—op uw rechten staan: van te lezen en te beoordeelen. Doet dat, maar koopt het eerst! Dit is de beste aanbeveling voor een boek, zegt de boekverkooper. Dan, hoe verschillend ook uw hersenen of uw wijsheden zijn, neemt allen gelijke vrijheid en spaart niet. Oordeelt naar uw sixpencewaarde, uw shillingswaarde, uw vijfshillingswaarde, om in eens op te slaan; of hooger, als gij maar tot het juiste peil stijgt, en weest welkom! Doch wat gij ook doet, koopt! Oordeelvellen brengt geen handel vooruit en geen braadspit aan het draaien. En al zijt gij een overheidspersoon in schranderheid, en al zit gij op het tooneel, of gelijkvloers, in Blackfriars dagelijks over stukken ten gerichte, weet, dat deze stukken hun verhoor reeds gehad hebben en door alle hoogere beroepen heen zijn, en zij komen nu voor den dag, vrijgesproken, veeleer door een besluit van een hof, dan door deze of gene gekochte aanbevelingsbrieven.“Het ware, wij erkennen het, zeer te wenschen geweest, dat de schrijver zelf in leven ware gebleven om zijn eigen geschriften uit te geven en na te zien. Doch daar het anders besloten was, en hij door den dood van dit recht verstoken is geworden, zoo bidden wij u, benijdt zijn vrienden de taak vol zorg en moeite niet, van ze bijeenverzameld en uitgegeven te hebben, en zóó uitgegeven te hebben, terwijl gij vroeger misleid werdt met verschillende gestolen, en door slinksche middelen verkregen afschriften, verminkt en misvormd door de streken en diefstallen van schandelijke bedriegers, die hen de wereld inzonden. Die zelfde werken worden u onder de oogen gebracht, geheeld en gaaf van leden, en ook al de overige, volledig in alle deelen, zooals hij ze tot stand bracht. Hij, zooals hij een gelukkig nabootser was der natuur, wist haar ook recht liefelijk uit te drukken. Zijn geest en zijn hand gingen samen; en wat hij dacht, uitte hij met zulk een gemakkelijkheid, dat wij nauwelijks een doorhaling in zijn papieren gevonden hebben. Doch het is onze zaak niet, daar wij zijn werken alleen bijeenzamelen en aan u geven, hem te prijzen. Dit is de zaak van u, die hem leest. En dan hopen wij, dat gij, naar uw verschillende bevattelijkheid, er genoeg in vinden zult, dat u aantrekt en boeit; want zijn geest kan evenmin verborgen blijven, als ooit verloren gaan. Daarom, leest hem, en weder, en steeds weder! En als gij hem dan niet liefkrijgt, voorwaar, dan verkeert gij blijkbaar genoeg in het gevaar van hem niet te verstaan. En hiermede laten wij u aan andere vrienden van hem over, die, als gij hen behoeft, uw gidsen kunnen zijn; behoeft gij hen niet, dan kunt gij uzelf tot gids zijn, en anderen. En zulke lezers wenschen wij hem toe.“John Heminge.Henrie Condell.”Op deze voorrede volgen vier lofdichten, van welke vooral het eerste, van Ben Jonson, opmerkelijk is door den hoogen lof, dien hij zijn vriend, tevens zijn grootsten mededinger, toekent, en den hartelijken toon, die er in heerscht. Hij begint met de verklaring, dat geen lof, van Mensch noch Muze, Shakespeare’s geschriften te veel kan prijzen, en voegt er bij: “Dit is waar, en er is slechts één stem over”18. Het toezwaaien van gewone loftuitingen versmadend, spreekt hij hem toe met de woorden: “Gij, ziel van onzen tijd!”19en erkent: “Gij zijt een monument, ook zonder tombe!” Dan stelt hij Shakespeare boven Lily, Kyd en Marlowe, en verklaart, dat Shakespeare, “schoon hij weinig Latijn en nog minder Grieksch kende”, de vergelijking met de oude dichters, waarvan er eenigen genoemd worden, niet behoeft te schromen, maar hen allen, en ook hun navolgers, overtreft. Dan roept Jonson uit: “Triumf, mijn Engeland! gij kunt op een man wijzen, wien alle tooneelen van Europa hulde brengen. Hij was niet voor één leeftijd, maar voor alle tijden!”20Vervolgens wijst Jonson er nadrukkelijk op, dat Shakespeare, hoe veel de natuur hem ook geschonken had, door eigen noeste vlijt zijnkunstverworven en tot volkomenheid gebracht heeft; “een goed dichter wordt niet slechts geboren, maar ook gemaakt”21; en zoo was het met Shakespeare. Hij spreekt hem ten slotte toe met de woorden: “Liefelijke zwaan van den Avon22, o welk een gezicht zou het zijn, U weder in onze wateren te zien verschijnen en aan de oevers van den Theems die hooge vlucht te zien nemen, die Elizabeth en Jacobus zoo verrukte! Doch neen, ik zie u reeds aan den hemel verheven en tot een sterrebeeld geworden! Straal, straal, gij sterre der dichters!23uw toorn of invloed beschame of verheuge het zinkend tooneel, dat, sinds gij van hier geweken zijt, gelijk de nacht getreurd heeft en, zonder het licht uwer werken, aan den dag zou wanhopen.”Het was niet noodig hier het geheele gedicht over te nemen; deze korte vermelding is wel voldoende om te doen zien, welk een schoone hulde door Jonson aan Shakespeare gebracht werd, en tevens, dat hij zoo gelukkig geweest is, verscheiden schoone, kernachtige uitdrukkingen te bezigen, die onmiddellijk treffen en in het geheugen blijven. Geen wonder, dat zij meermalen aangehaald worden. Om deze beter te doen uitkomen, zijn zij hier in een beknopt bestek vereenigd; en om ze woordelijk terug te kunnen geven, is dit in ongebonden vorm geschied.Van de overige lofdichten is dat van Leonard Digges opmerkenswaardig, wiens profetie van den blijvenden roem van Shakespeare zoo heerlijk vervuld is.Op de lofdichten volgt een bladzijde, waarop bovenaan de titel herhaald is; er staat: “De werken van William Shakespeare, bevattende al zijnComedies,HistoriesenTragedies, getrouw uitgegeven overeenkomstig haar “eerste origineel.” Hieronder vindt men een lijst van de voornaamste tooneelspelers, die in deze stukken zijn opgetreden. De eerste twee namen zijnWilliam ShakespeareenRichard Burbadge, de derde isJohn Hemmings24. De volgende bladzijde bevat de lijst der stukken, in drie groepen,Comedies,HistoriesenTragediesgeschikt, welke afdeelingen ieder afzonderlijk gepagineerd zijn. Men mist er Troilus en Cressida in, welk stuk, nagenoeg ongepagineerd, tusschen de Historiestukken en Treurspelen ingevoegd is; men kan hierover de aanteekeningen op dit stuk raadplegen. Dan volgen de blijspelen, “De Storm” vooraan. Aan het eind van het werk, op de laatste bladzijde der Treurspelen, staat onderaan de vermelding, dat het werk gedrukt is op kosten van W. Jaggard, Ed. Blount, J. Smithweeke en W. Aspley 1623.Op deze eerste folio-uitgave volgde in 1632 de tweede, welke eenvoudig een afdruk is der eerste, met enkele wijzigingen, gedeeltelijk toevallige, gedeeltelijk opzettelijke, welke laatste als verbeteringen bedoeld, maar, op zeer enkele na, niet als zoodanig te beschouwen zijn. Evenals in de eerste uitgave, zijn de Blijspelen, Historiestukken en Treurspelen afzonderlijk gepagineerd; Troilus en Cressida opent nu de rij der treurspelen.—De lofdichten zijn met een drietal vermeerderd, waaronder een zestienregelig vers van John Milton, die toen in zijn vier-en-twintigste jaar was, opmerking verdient; waarschijnlijk is dit het eerste gedicht, dat van hem het licht zag. Het moge hier in een eenigszins vrije en twee regels kortere vertolking een plaats vinden;“Behoeft mijn Shakespeare’s hoogvereerd gebeent’Een jaren arbeids eischend grafgesteent’?Behoeft een pyramide ’t heilig stofTe omhullen tot verhooging van zijn lof?Behoeft gij, zoon des Roems, gij, roem der Faam,Zoo zwak een tolk tot eeuw’ging van uw naam?Neen, in den eerbied, die uw grootte erkent,Schiept gij uzelf een duurzaam monument;Daar onweerstaanbaar, of Apollo zong,Uw godentaal ons in de ziele drong,En elk, zichzelf ontvoerd door uwe vaart,Tot marmer wordt, wie duiz’lend op u staart;—Opdat hij zulk een praalgraf zich verwierf,Wat koning is er, die niet gaarne stierf?”De derde folio-uitgave verscheen eerst in 1664; zij is voor een groot deel als een herdruk der vorige te beschouwen en bevat dezelfde stukken, en wel met doorloopende paginatuur, doch zij laat, de nummering der bladzijden weder met 1 beginnende, een geheele reeks van stukken volgen, die ten onrechte aan Shakespeare toegeschreven zijn en dus op goeden grond door de eerste uitgevers, Heminge en Condell, niet in de verzameling zijner werken opgenomen werden. Onder deze onechte stukken bevindt zich ook de “Pericles”. Wijl Shakespeare alleen in de tweede helft eenige tooneelen bewerkt heeft, werd ook dit stuk door Heminge en Condell, die verklaarden alleen echte stukken te willen geven, zeer terecht uitgesloten. Zij hebben dit inderdaad bedoeld en trouwhartig getracht een gedenkteeken van Shakespeare’s leven te stichten; maar hun zorgvuldigheid heeft, zooals boven reeds van Timon van Athene en Koning Hendrik VIII gebleken is, niet geheel gelijken tred gehouden met hun goeden wil, zoodat het gezag hunner uitgave niet in alle opzichten onbetwistbaar is.In 1685 verscheen een vierde folio-uitgave, die een herdruk is van de derde, en nagenoeg alleen door een nieuwere spelling van deze verschilt.Alleen aan de eerste dezer vier folio-uitgaven is inderdaad gezag toe te kennen; in de volgende vindt men steeds meer drukfouten, terwijl de overige afwijkingen slechts zelden verbeteringen zijn en zelfs dan, wanneer dit wel het geval is, op een toevallig gelukkige gissing en niet op grondig onderzoek berusten. De eerste folio-uitgave heeft ons van vele stukken den oudsten en besten tekst, dien wij bezitten, geschonken, en ook verscheiden andere voor den ondergang bewaard. Grooten dank is men hiervoor aan ’s dichters vrienden en kunstgenooten, Heminge en Condell, verschuldigd.Natuurlijk is een exemplaar der eerste folio-uitgave alleen bij zeldzaam voorkomende gelegenheden, en dan voor zeer hoogen prijs, te erlangen. Toch is het bij nauwkeurige beoefening van des dichters werken in vele gevallen noodig, den oorspronkelijken tekst te raadplegen. Gelukkig, dat deze bij herhaling met de uiterste zorg is nagedrukt en dat in den laatsten tijd ook de photographie te hulp is geroepen om den oudsten druk met volkomen getrouwheid te vermenigvuldigen; hij is thans voor hoogst matigen prijs in ieders bereik.Vraagt men nu, of Heminge en Condell een inderdaad zuiveren en betrouwbaren tekst gegeven hebben, dan moet het antwoord, helaas! ontkennend luiden. Wat zij ook verzekeren, zij konden meestal niet meer beschikken over de oorspronkelijke handschriften, die ongetwijfeld, na het maken van verscheiden afschriften, ten behoeve der vertooningen, vaak verloren waren gegaan. Misschien ook zijn er bij den brand van den Globe-schouwburg (blz.47) enkele vernietigd. Zij moesten zich dan behelpen met afschriften, die niet zelden door kappingen ter bekorting, welke geenszins oordeelkundig aangebracht werden, verminkt waren. In sommige gevallen moesten zij zelfs de toevlucht nemen tot de oude quarto-drukken, waarvan zij, in het voorbericht hunner uitgave, zooveel kwaads gezegd hadden; de oude afschriften, bij het tooneel in gebruik, waren dan ongetwijfeld versleten, zoodat een afdruk in de plaats was gekomen. Meermalen moet dus de door hen geleverde tekst aanmerkelijk afwijken van wat Shakespeare oorspronkelijk geschreven had, of ten minste onvolledig zijn. Hun bewering, dat de tooneelwerken naar de oorspronkelijke handschriften afgedrukt zijn, is alzoo bepaald onwaar, en niets anders dan een middel om het publiek zand in de oogen te strooien, en dit tot koopen, waarop zij zoo sterk aandringen, uit te lokken. Men moge dit streng afkeuren, doch waardeere, dat zij het beste gegeven hebben, dat zij hadden.—In een ander opzicht hebben zij waarheid gesproken; zij verklaren in de toewijding van het werk aan de graven van Pembroke en Montgomery, dat zij niets gedaan hebben dan bijeenverzamelen. Men moet erkennen, dat er inderdaad geen spoor van toezicht op het drukken hunner schatten te bespeuren is; het nazien van drukproeven schijnt door hen nagelaten te zijn; zij hebben alleen aan de pers afgestaan, wat zij wilden uitgeven. Misschien, waarschijnlijk zelfs, is het voor het verkrijgen van een goeden tekst gelukkig geweest, dat hun zorg zich niet verder heeft uitgestrekt. Want hadden zij fouten opgemerkt en op hun wijze trachten te verbeteren, dan zou allicht een willekeurige gissing, gelukkig of ongelukkig, in de plaats getreden zijn eener lezing, die, hoe ongerijmd ook, zich vaak zoo na mogelijk hield aan de letters of woorden, die in het oorspronkelijk handschrift of in oude afschriften of afdrukken stonden en nauwgezette latere onderzoekers op het spoor kunnen brengen om de echte lezing te ontdekken. Vallen wij hun dus over hun geringe zorg niet hard; herinneren wij ons, dat zij, uit liefde voor Shakespeare, zijn werken bijeenverzameld en zooveel meesterstukken aan de vergetelheid ontrukt hebben. Laat ons veeleer zeggen, dat hun, die veel hebben liefgehad, veel vergeven wordt.De eerste, die de taak aanvaardde, om uit de slordige uitgaven van des dichters werken een beteren, zuiverder tekst af te leiden, was Nicholas Rowe, in 1709. Dat hij slechts ten deele slaagde in de moeilijke onderneming, kan niet bevreemden, vooral niet, als men weet, dat hij niet de oorspronkelijke, maar de vierde folio-uitgave tot grondslag aannam. Als de eerste, die den echten tekst van Shakespeare trachtte te herstellen, moge hij hier met eere genoemd worden. Velen hebben na hem hetzelfde doel zoeken te bereiken. Doch het is hier de plaats niet, om hun pogingen aan een nauwgezet onderzoek te onderwerpen. Met welk een uitslag zij bekroond zijn geworden, moge men afleiden uit de woorden van een der uitstekende Shakespeare-beoefenaars van den lateren tijd, Alexander Dyce. Deze oordeelt, dat, indien als door een wonder de oorspronkelijke handschriften van Shakespeare voor den dag kwamen, deze het bewijs zouden leveren, dat in vele gevallen de echte lezing hersteld is, ofschoon de onwetendheid en aanmatiging der tooneelspelers, de slaperigheid der afschrijvers en de zorgeloosheid der uitgevers als het ware hebben samengezworen om haar verloren te doen gaan.Heeft in Engeland na Rowe de beoefening van Shakespeare’s werken steeds veld gewonnen, ook elders is dit het geval geweest. In Duitschland gaf de groote Lessing het voorbeeld van waardeering, en weldra volgde daar uitgave op uitgave, vertaling op vertaling. Vroeger of later vond hetzelfde in andere landen plaats, en tegenwoordig is, naast den Bijbel, geen boek, ’t zij in ’t oorspronkelijke, ’t zij vertaald, zoo algemeen en zoo in allerlei vorm, over de geheele aarde verspreid, als de kostelijke nalatenschap van Shakespeare.In Nederland is de beoefening en waardeering zijner werken tamelijk laat aangevangen, en de eerste proeven van welgeslaagde vertalingen vindt men in de “Bloemlezing uit de Dramatische Werken van William Shakespeare” van Mr. L. Ph. C. Van den Bergh, welk boek in 1834 het licht zag. Doch een beter tijd brak weldra aan; meer en meer werd de groote dichter in zijn waarde erkend; verscheiden uitgaven, vertalingen en navolgingen, ’t zij van gedeelten zijner werken, ’t zij van geheele tooneelstukken leggen hier getuigenis van af. Men zal niet verwachten, dat deze uitgaven en vertalingen hier opgenoemd en nader besproken worden; genoeg zij het op deze verdienstelijke ondernemingen gewezen te hebben. Alleen mag een woord van hulde aan den uitmuntenden Jurriaan Moulin niet achterwege blijven, die als nauwgezet en talentvol vertaler allen ten voorbeeld kan zijn. Te midden van velerlei beslommeringen bracht hij Othello, Macbeth, De Storm en gedeeltelijk ook Romeo en Julia op voortreffelijke wijze in het Nederlandsch over en hield zich daarbij zooveel mogelijk aan den vorm van het oorspronkelijke; bovendien geven de aanteekeningen, waarmede hij de stukken toelichtte, overal blijk van de grondige studie, die hij van des dichters werken gemaakt had.Verder mag hier de vermelding niet achterwege blijven, dat voor eenige jaren door A. S. Kok een volledige vertaling van Shakespeare’s dramatische werken, de eerste in Nederland, ondernomen en in 1880 ten einde gebracht werd. Reeds vroeger had hij een paar stukken in het Nederlandsch overgebracht en wel, evenals Moulin, in den vorm van het oorspronkelijke. Voor de vertaling van het geheel verkoos hij, zich grootendeels van proza te bedienen en slechts hier en daar, voornamelijk waar Shakespeare gerijmde verzen schreef, den gebonden vorm te bezigen. Sommige stukken zijn dus nagenoeg geheel in proza vertaald, bij andere wisselt proza met gerijmde verzen af.Naar mijn overtuiging is er bij groote dichters, en met name bij Shakespeare, een zoo innig verband tusschen den inhoud en den vorm hunner scheppingen, dat de vertaler, wil hij met zijn arbeid ongeveer denzelfden indruk geven als het oorspronkelijke, verplicht is, niet alleen den inhoud getrouw over te brengen, maar ook den vorm zooveel mogelijk te behouden.Bij mijn vertaling is dit beginsel voortdurend in het oog gehouden. Bovendien meende ik, dat voor de kennis en waardeering van den mensch en dichter Shakespeare niet alleen zijn dramatische werken, maar ook zijn gedichten van groot belang zijn; ook deze zijn hierom in deze uitgave begrepen.Zoo is dan van 1884 tot 1888 voor het eerst een volledige vertaling van des dichters werken, die den vorm van het oorspronkelijke zorgvuldig trachtte te bewaren, aan het Nederlandsche volk aangeboden. De bijval en goedkeuring, bij mijn onderneming van den aanvang af ondervonden, zijn mij niet alleen een machtige steun en spoorslag geweest, om de taak, die ik mij had opgelegd tot den einde toe te volbrengen, maar schonken mij ook het vertrouwen, dat mijn gave welkom zou zijn. Die verwachting is niet beschaamd geworden. Na de eerste uitgaaf vond ook een tweede, geïllustreerde, haar weg tot het publiek en thans wordt door een met zorg herziene volksuitgave mijn vertaling in het bereik gebracht van hen, die zich tot dusverre den aankoop moesten ontzeggen. Moge zij velen bewegen, lezers en vrienden van den grooten dichter te worden en meer en meer blijken, geen onwaardige hulde te zijn aan den machtigen geest, die zoo vele meesterwerken schiep!1De tienden, waarvan hij, zie boven blz.70, het recht gekocht had, brachten hem, volgens de schatting van een gerechtelijk stuk, zestig pond sterling op. Zijn jaarlijksch inkomen bedroeg, naar vermoed is, driehonderd, dus naar de tegenwoordige geldswaarde, ongeveer vijftien honderd pond.2In 1643, tijdens den burgeroorlog, hield koningin Henriette, gemalin van Karel I, er drie weken lang hof.3De schrijfkunst was toen lang niet algemeen verbreid; ook de oudste dochter van den dichter Milton kon niet schrijven.4Rowe noemt onder des dichters vrienden zekeren Mr. Combe, een oud rijk heer, die als geldschieter bekend stond. Deze zou schertsenderwijs verlangd hebben, dat Shakespeare een grafschrift op hem zou maken, en wel liefst dadelijk, omdat hij gaarne wilde weten, wat van hem gezegd zou worden. Ter voldoening aan dit verzoek dienden toen de volgende regelen:Ten in the hundred lies here ingrav’d;’Tis a hundred to ten his soul is not sav’d:If any man ask, Who lies in this tomb?Oh! oh! quoth the devil, ’t is my John-a-Combe.Als de geschiedenis waar is, heeft John Combe zeker hartelijk meegelachen, want hij liet, bij zijn dood, in 1614, aan “Mr. William Shakespeare vijf pond” na. Doch het verhaal van ’t grafschrift is apocrief, want reeds uit vroegeren tijd zijn zulke grafschriften bekend, natuurlijk zonder den naam van Combe; zooals:Ten in the hundred lies under this stoneAnd a hundred to ten to the devil his gone,alsmede:Who is this lyes under this hearse?Ho, ho, quoth the devil, tis my Dr. Pearce.Aubrey maakt ook van de geschiedenis gewag, doch verhaalt haar eenigszins anders, veel minder waarschijnlijk. Hier kan niet alles worden medegedeeld, wat van Shakespeare wel verteld en geboekt is; wie het voornaamste in een beknopt bestek bijeen wil vinden, met aanhaling van de oorspronkelijke woorden, raadplege in het tweede deel van Delius’ uitgave van des dichters werken deBiographische Nachrichten, alsmedeErläuterungen und Beilagen. Men vindt daar ook den volledigen tekst van Sh.’s testament, de voorrede van de uitgevers der folio-editie van 1623, de lofdichten, die aan deze zijn toegevoegd enz.—Voor het hier beoogde doel, het leveren van een duidelijk en waar beeld van des dichters leven en werken, behoefden deze bouwstoffen, waaronder vele niet voldoende gewaarmerkt zijn en geen strengen toets kunnen doorstaan, geenszins alle gebezigd te worden.5In Engeland werd tot 1752 het jaar gerekend te beginnen op 25 Maart.6Volgens den Ouden Stijl; 23 April stemde toen met den 3denMei volgens den Nieuwen Stijl overeen. Als sterfdag van den grooten Spaanschen schrijver Miguel de Saavedra Cervantes wordt (schoon zonder toereikenden grond) eveneens 23 April opgegeven, doch volgens den Nieuwen Stijl; deze zou dan tien dagen vóór Shakespeare gestorven zijn.7Good frend for Jesus sake forbeare,To digg the dust encloased heare.Bleste be the man that spares thes stones,And curst be he that moves my bones.8John Ward, die vicaris in Stratford was van 1648–1679, heeft enkele aanteekeningen nagelaten, waarin hij vertelt, dat “naar hij gehoord had”, Sh. van nature vernuft had, maar van kunst geen spoor; dat hij in zijn jonge jaren twee stukken ’s jaars schreef, maar later in Stratford leefde en 1000 pond ’s jaars(!) verteerde. Hij vertelt ook, dat Shakespeare, Ben Jonson en Drayton samen eens een vroolijken avond hadden en, zoo het schijnt, wat te veel dronken, zoodat Sh. de koorts kreeg en stierf. De man voegt er gemoedelijk bij, dat hij Sh.’s tooneelwerken toch eens moet lezen, om er ten minste iets van te weten.—Dat Sh. zijn oude vrienden gul ontvangen heeft, als zij hem kwamen bezoeken, is zeer natuurlijk; maar dat hij van het goede sier maken bij hun bezoek de koorts kreeg, behoeft op de praatjes van Ward niet aangenomen te worden.—Even weinig gewicht is te hechten aan het verhaal van Davies (zie bl.11), dat Shakespeare als papist stierf. Hij was ongetwijfeld geen puritein: de tijd kwam weldra, dat wie geen puritein was, voor papist werd uitgemaakt. De aanleiding tot het zeggen van Davies is dus niet ver te zoeken. Er is wel eens beweerd, dat Sh. in het Roomsche geloof gestorven is, doch zonder genoegzamen grond, waarover men Michael Bernays moge nazien.9De vorm is opmerkelijk; op de vermaking van zijn ziel aan God en van zijn stof aan de aarde, volgt onmiddellijk:Item, Igyve and bequeath unto my daughter Judyth, etc.10Item, I gyve unto my wife my second best bed with the furniture.Deze zin stond niet in het eerste ontwerp, maar is tusschen de regels bijgeschreven.11Op te merken is, dat de naam hier anders gespeld wordt dan in het testament.12Item—I will that my wife have all the plate that was hers before I married her; and twenty kye and a bull.13In het lofdicht van Leonard Digges, vóór deze uitgave geplaatst, wordt namelijk van het monument gesproken.14Ueber Künstler und Kunstwerke. Zweiter Jahrgang. Heft XI, XII. Mit 4 Photographien.Berlin 1867.—Men kan verder ook het opstel van Prof. Dr. Hermann Schaaffhausen:Ueber die Todtenmaske Shakespeare’s, in den tienden jaargang van hetShakespeare—Jahrbuch, blz. 26–49, raadplegen.15Herman Grimm denkt niet aan Cervantes; doch deze had ouder trekken, was 68 jaar en had een grijzen baard; van hem kan het afgietsel niet genomen zijn.16Hoe zeer men zich op het veld der gissingen gelieft te bewegen, kan ook de naam vanKesselstadter Maske, waarmede het afgietsel vaak wordt aangeduid, bewijzen. In Juni 1842 werd de schilderijverzameling van den overleden graaf en domheer Frans van Kesselstadt in Mainz onder den hamer gebracht, en nu onderstelt men, hoewel er geen schijn of schaduw van bewijs voor te vinden is, dat het afgietsel zich in de verzameling van den graaf bevond en van daar zijn weg gevonden heeft naar den uitdrager, bij wien Becker het vond. Van den uitdrager waren, naar het schijnt, geen inlichtingen te verkrijgen, daar zelfs zijn naam niet vermeld wordt.17Men vergelijke blz.46.18’Tis true, and all men’s suffrage.19Soul of the age.20He was not of an age, but for all time.21For a good Poet’s made, as well as borne.22Sweet Swan of Avon!23Shine forth, thou Starre of Poets.24De naam anders geschreven dan onder de voorrede!
Kort nadat Shakespeare aan het slot van zijn laatste tooneelwerk zijn tooverstaf uit de hand had gelegd, zeide hij, waarschijnlijk in 1613, de wereldstad Londen vaarwel om zich voor goed in zijn kleine geboorteplaats, Stratford aan den Avon, te vestigen. Toen hij deze als jeugdig man en vader verliet en onder de tooneelspelers verzeilde, was hij ongetwijfeld door menigen vroegeren stadgenoot voor verloren gerekend, want hij waagde zich op een zee vol gevaars,die velen tot verderf was. Doch wie ook uit den koers raakten en strandden of vergingen, hij had alle stormen weerstaan en was steeds, nu voor den wind zeilend, dan laveerend, zijn doel genaderd; hij had zelfs gelukkig gevaren en was, niet slechts behouden, maar met een rijke vracht, in de stille bocht, in de kleine haven van waar hij uitgegaan was, ten anker gekomen. Inderdaad, rijk was hij teruggekeerd; misschien was hij de rijkste burger van Stratford, doch in allen gevalle zeer gegoed; hij was een vermogend grondbezitter geworden en dus in de oogen zijner medeburgers, zelfs al hadden deze geen denkbeeld van zijn verdiensten als dichter, een door en door respectabel man1. Hij woonde in het grootste huis der stad2en leefde volgens de overlevering op onbekrompen wijze, zoodat hij jaarlijks vrij wat geld uitgaf. Slechts zeer weinig berichten zijn uit dezen laatsten tijd van zijn leven tot ons gekomen; wij weten er uit, dat hij zich met het beheer zijner bezittingen bezighield en ook enkele keeren naar Londen reisde; het is ten minste bekend, dat hij er in November en December 1614 eenige weken vertoefde; het jaar te voren, in Maart, had hij er een huis gekocht in de nabijheid van den Blackfriars-schouwburg; men kan dus wel vermoeden, dat hij er meermalen heenging.
Onwillekeurig vraagt men zich af, hoe Shakespeare in Stratford zijn leven sleet en of hij er zich gelukkig kon gevoelen. Voor het laatste was het zeker noodig, dat hij het geluk in zichzelf vond. Stratford was puriteinsch geworden; de onverdraagzame stijve geloovigen, die alle wereldsche vermaken versmaadden en het tooneel verfoeiden en die vaak door hem met spot vervolgd waren, hadden er de overhand; reeds in 1602 was het verboden, de groote gildezaal, waar hij als kind vaak tooneelvertooningen had bijgewoond, voor zulke ijdelheden aan eenig gezelschap af te staan, en daar het verbod waarschijnlijk van tijd tot tijd overtreden was, werd door den raad der gemeente in 1612 bepaald, dat de alderman of wie ook, die tot een tooneelvertooning daar verlof gaf, een boete van tien pond—dus naar de tegenwoordige geldswaarde vijf- of zeshonderd gulden—zou te betalen hebben. Onder zulke omstandigheden zullen er van de 1500 inwoners van Stratford niet velen voor den gezelligen omgang met Shakespeare geschikt zijn geweest. Dat hij in zijn familiekring vergoeding voor dit gemis gevonden heeft, valt zeer te betwijfelen. Van zijn vrouw, de boerendochter uit Shottery, is dit niet te verwachten. Van zijn oudste dochter, Susanna, wordt in haar grafschrift getuigd, dat zij geest bezat boven anderen van haar sekse, en dit met haar vader gemeen had, maar dat zij bovendien steeds wijselijk bedacht was op haar eeuwig heil; van haar man, den geneesheer Hall, blijkt uit zijn nagelaten en uitgegeven ziektekundige aanteekeningen, dat hij zeer kerkelijk gezind was en een fellen haat tegen de Roomschen voedde. Susanna had een mooie flinke handteekening, maar of zij meer dan dit van de edele schrijfkunst machtig was en eenige letterkundige ontwikkeling bezat, mag betwijfeld worden, want zij kon hoogstwaarschijnlijk geen geschreven schrift lezen en ten minste het schrift van haar man niet herkennen; dit blijkt uit de mededeelingen van Dr. James Cooke, een militair arts, die tijdens de burgeroorlogen te Stratford kwam, waar de brug verdedigd moest worden. Hij vernam, dat de nagelaten boeken en papieren van Dr. Hall zich daar ter stede bevonden en begaf zich naar het huis der weduwe, om ze te zien. Nadat zij hem die getoond had, zeide zij, dat zij nog eenige boeken bezat, nagelaten door iemand, die met haar man gezamenlijk de geneeskunst had uitgeoefend; zij hadden veel geld gekost. Hij antwoordde, dat hij, als hem de boeken bevielen, haar die som er voor terug zou geven. Toen hij de papieren zag, bevond hij, dat het geschriften waren van haar man, voor den druk gereedgemaakt, hij kende zijn hand en toonde haar, dat ten minste één der boeken door hemzelf geschreven was. Zij ontkende dit ten sterkste en werd verstoord, toen hij volhield; hij kocht haar toen de boeken voor de gevraagde som af. Zij maakte die dus, hoewel zij in ruime omstandigheden verkeerde, bij den eerste den beste gaarne te gelde. Dr. Cooke heeft ze later uitgegeven; zijn verhaal is hier medegedeeld, omdat het een gereede verklaring geeft, waarom van boeken of geschriften van Shakespeare niets is overgebleven; op papieren, vooral van zoo wereldschen aard, is zeker geen acht geslagen; zij zullen verbrand zijn of als scheurpapier verkocht. Van Shakespeare’s tweede dochter, Judith, is bekend, dat zij in het geheel niet schrijven kon; haar handteekening onder een stuk bestaat uit een kluchtige krul, die, evenals een kruisje, gewaarmerktis3. Om den geest, die bij Shakespeare’s familieleden heerschte, te doen kennen, zij nog vermeld, dat tijdens zijn verblijf te Londen, op het eind van 1614, een rondreizend Puriteinsch prediker in zijn woning gehuisvest werd.
Uit dit alles is men wel gerechtigd af te leiden, dat de omgang met de zijnen Shakespeare’s geest niet kon bevredigen. Het beheer van zijn uitgestrekte bezittingen, het werken in zijn grooten tuin, het gadeslaan van de schoone natuur, waar hij van der jeugd af gemeenzaam mee was, het spreken met menschen van allerlei rang en bedrijf, de omgang met enkele bekenden of vrienden zullen den lust van zijn leven hebben uitgemaakt. Dat hij in zulk een omgeving zich nog met het schrijven van tooneelwerken heeft beziggehouden, is inderdaad niet aan te nemen, en dit is wel een gegronde reden te achten voor het vermoeden, dat hij zich niet vóór 1613 in zijn geboorteplaats voor goed heeft gevestigd.
Van zijn verblijf aldaar zijn overigens geen bijzonderheden met zekerheid bekend. Zijn eerste levensbeschrijver, Nicholas Rowe (1709), vermeldt, dat hij er omgang had met de heeren uit den omtrek en om zijn aangenamen, geestigen kout en zijn goedhartigheid zeer gezien was4.
Waarschijnlijk had Rowe dit van den tooneelspeler Betterton vernomen; doch hoe ook, aan de geloofwaardigheid van de mededeeling valt niet te twijfelen. Het lezen van Shakespeare’s geschriften kan ons hiervan de overtuiging geven, en dit te meer, daar wij weten, dat zij niet met moeite na herhaalde verbeteringen, hun vorm verkregen, maar hem gemakkelijk uit de pen vloeiden, zooals zijn twee vrienden, door wie zij zijn uitgegeven, verklaren. Wanneer wij zien, hoe hij op geestige wijze den spot drijft met valsch haar en met blanketsels, met eigenwaan en zwetsen, hoe nauwkeurig hij de eigenaardigheden en zwakheden der menschen weet af te beelden en ten toon te stellen, hoe hij uitwerkt, dat de wereld vaak door vertoon bedrogen wordt, dan kunnen wij nagaan, dat hij ook in den dagelijkschen omgang met de eigenaardigheden en zwakheden der menschen op vermakelijke wijze geschertst en gespot zal hebben. En tevens kunnen wij zeker wezen, dat hij de scherpte zijner opmerkingen met een goedhartigen lach wist te temperen. Wij zijn ook gerechtigd aan te nemen, dat hij in het beoordeelen van menschen en zaken de juiste maat wist in acht te nemen en de billijkheid te betrachten, want wij zien in zijn werken, hoe hij niet alleen het onderscheid tusschen goed en kwaad in het licht stelt, maar ook de verborgen roerselen van ’s menschen handelingen bloot legt en de noodlottige gevolgen van eenzijdigheid en overdrijving doet uitkomen. Hij kende de wereld; hij had zich in het groote en woelige Londen bewogen, dat zoo velen zijner vakgenooten als in een draaikolk medesleepte en zinken deed; ook hij had waarschijnlijk,—zijn geschriften zelf geven grond tot dit vermoeden,—een tijd gehad, dat hij aan de verlokkende stemder verleiding gehoor gaf, doch hij had zich leeren beheerschen; hij wist wederstand te bieden, zijn doel steeds in ’t oog te houden en een veilige haven te bereiken. Van zoo iemand, wien niets menschelijks vreemds was, is het niet te verwonderen, dat zijn beoordeeling van de menschen en hun handelingen juist en billijk, maar tevens, zoodra hier aanleiding toe bestond, zachtmoedig was. Zoo toont hij zich in zijn werken, en zoo was hij ongetwijfeld ook in den omgang met zijn vrienden. Bij het aandachtig en omzichtig lezen zijner geschriften kan men menigen karaktertrek van hem ontdekken en tot de uitkomst geraken, dat hij een beminnelijk mensch moet geweest zijn, wiens omgang, zoowel door zijn veelzijdige kennis en zijn opmerkingsgeest, als door zijn liefde voor dichtkunst, muziek, schilder- en beeldhouwkunst belangrijk, onderhoudend en aangenaam was. Men moet zich natuurlijk wel wachten, de uitingen zijner personen voor het persoonlijk gevoelen des dichters te houden. Shakespeare bezat in de hoogste mate het vermogen, dat de dramatische dichter hebben moet, van zich als het ware te vereenzelvigen met de personen, die hij ten tooneele voert; hij laat in hetzelfde stuk Othello, Jago en Desdemona, of Lear, Edgar, Edmond en Cordelia, of Heetspoor, prins Hendrik en Falstaff, ieder zoo spreken, als met zijn natuur overeenkomt. Maar al blijft hij in den regel verscholen achter de personen van het stuk, meermalen toch legt hij hun uitingen in den mond, waarin meer de lyrische, dan de dramatische dichter spreekt en ongetwijfeld zijn eigen meening wordt uitgedrukt. Wel weet hij ook hier maat te houden en zorg te dragen, dat het geheel er niet onder lijdt en de voortgang van het stuk er niet door belemmerd wordt, doch zeldzaam zijn zulke uitingen niet; onder andere mag de beroemde plaats, waarin Portia op het oefenen van genade aandringt, er onder gerekend worden. Zoo is het dan mogelijk, bij het nauwkeurig en met oordeel lezen van Shakespeare’s werken, menigen karaktertrek van hem op te merken en hem niet alleen als dichter, maar ook als mensch nader te leeren kennen. Men zal dan bevinden, dat de dichter, die door zijn gezonde levensbeschouwing en door zijn diepe menschenkennis het oordeel over goed en kwaad kan scherpen, het gevoel er voor kan verfijnen, tot maathouden in alle dingen kan aansporen en de zedelijke kracht des menschen kan verhoogen, ook om zijn persoonlijke hoedanigheden en zijn karakter een gids voor het leven verdient genoemd te worden.
Wij zijn genaderd tot het jaar 1616, Shakespeare’s sterfjaar. In het begin van dit jaar hield de gedachte aan zijn dood in zooverre hem bezig, dat hij zijn testament ontwierp, en wel op 25 Januari. Op den tienden Februari huwde zijn tweede dochter, Judith, toen 31 jaar oud, met Thomas Quiney (uitgesprokenQuin-ny), wijnhandelaar te Stratford, vier jaar jonger dan zij; hij was de zoon van Richard Quiney (overleden 1602), denzelfden, die in 1598 aan zijn vriend Shakespeare dertig pond te leen had gevraagd (zie bl.63); als een bijzondere begaafdheid van hem is te vermelden, dat hij zijn handteekening met twee prachtige krullen opsierde. Op 25 Maart 1616, dus volgens den Ouden Stijl op den eersten dag van het jaar 16165, werd het testament met een paar bijvoegsels vermeerderd en door Shakespeare onderteekend. Hij stierf op Dinsdag den 23stenApril 16166en werd twee dagen later in de kerk der Heilige Drieëenheid, aan de noordzijde van het koor, begraven. Een eenvoudige platte steen wijst de plaats aan, waar hij ter ruste gelegd is; een vierregelig rijm bezweert bij Jezus’ naam, het stof, dat daar besloten is, niet te ontgraven, zegent, wie het gesteente spaart, en vervloekt, wie het gebeente roert7. Dowdall schreef in 1693, dat Shakespeare zelf dit rijm kort voor zijn dood gemaakt heeft; dit klinkt vrij onwaarschijnlijk; veeleer zou men vermoeden, dat een reeds gereed zijnde zerk ter bedekking van het graf gebezigd werd; naam en wapen ontbreken er op; en deze staan wel op de aangrenzende zerken van Susanna Hall, van haar echtgenoot John Hall, en van Thomas Nashe, den eersten echtgenoot van Sh.’s kleindochter Elizabeth. Aan welke ziekte Shakespeare overleed, is geheel onbekend, doch waarschijnlijk is hij geruimen tijd ziek of sukkelend geweest en was zijn dood niet geheel onverwacht. Het vermoeden ligt voor de hand, dat een wankelende gezondheid hem bewoog het voorgenomen huwelijk zijner jongste dochter te verhaasten; het is namelijk bewezen, dat dit met allen spoed gesloten werd en de vereischte vergunning der geestelijke overheid niet werd afgewacht. Met het oog op het aanstaand huwelijk werd waarschijnlijk hettestament ontworpen, waarin Judith goed bedacht werd; het is een wijziging geweest van vorige beschikkingen, want alle voorafgaande worden herroepen; Shakespeare had ongetwijfeld reeds vroeger gezorgd, dat zijn grondbezit bijeenbleef. De zaak bleef toen een poos rusten, tot een plotselinge verergering in den toestand van Shakespeare tot haastig bekrachtigen van het testament drong. Dit is namelijk niet in het net geschreven, maar in het eerste ontwerp is de dagteekening veranderd en zijn enkele bepalingen tusschen de regels ingelascht, waarna de onderteekening door den erflater en de getuigen gevolgd is. Het waarschijnlijkst is, dat hij herhaaldelijk door kwaadaardige koortsen van typheuzen aard bezocht werd, die zijn oorspronkelijk krachtig gestel sloopten; de straat, waarin hij woonde,Chapel street, kan er aanleiding toe gegeven hebben; want er waren stilstaande poelen en goten in, en ook van een zwijnekot wordt gewag gemaakt; de gezondheidsleer was toen ter tijd niet zoo ver gevorderd, dat men den verderfelijken invloed van zulk een toestand inzag. Anderhalve eeuw later, in 1768, toen een Shakespeare-Jubileum gevierd werd, noemde Garrick, de beroemde tooneelspeler, Stratford de smerigste, onaanzienlijkste, slechtst bestrate, erbarmelijkste landstad in Brittanje. Uit de aanteekeningen van zijn schoonzoon, den als arts hooggeroemden Hall, is niets aangaande zijn ziekte bekend geworden8.
Zijn testament daarentegen kennen wij; het zoo even reeds genoemde ontwerp, op drie bladen papier geschreven, is bewaard gebleven; het draagt op ieder van deze Shakespeare’s handteekening en op de derde bovendien de woordenby me“door mij”; zijn deze twee woorden van Sh.’s hand, dan zijn zij, met een zevental handteekeningen op officiëele stukken, het eenige schrift, dat wij van hem bezitten; zijn naam is op zeer onzekere en onduidelijke wijze geschreven, hetzij doordat zijn hand verzwakt, hetzij dat hij bedlegerig was en zich moeilijk kon oprichten. Het testament bevat een menigte bepalingen om te zorgen, dat zijn door noeste vlijt verworven vermogen, met name het grondbezit, bijeenbleef; daartoe werd verreweg het grootste deel aan zijn oudste dochter, Susanna Hall, vermaakt, terwijl de jongste, Judith, met een uitkeering, die intusschen vrij belangrijk was, tevreden moest zijn. De aanhef luidt: “In den name Gods, Amen! Ik, William Shackspeare van Stratford aan den Avon in het graafschap Warwick, gentleman, in volkomen gezondheid en bewustheid (memorie), God zij geloofd! maak en verorden dezen mijn uitersten wil en testament op de volgende wijze; namelijk, ik beveel mijne ziele in de handen van God mijnen Schepper, hopende en zekerlijk geloovende, door de eenige verdienste van Jezus Christus mijnen Heiland het eeuwig leven deelachtig te worden, en mijn lichaam aan de aarde, waaruit het genomen is.” In de eerste plaats wordt nu zijn dochter Judith genoemd9; haar wordt vooreerst 150 pond vermaakt, namelijk 100 als huwelijksgift, die haar binnen ’t jaar moest uitgekeerd worden met interest, berekend tegen 10 percent ’s jaars, en 50, als zij ten behoeve van haar zuster Susanna afstand deed van haar aandeel in een nader aangewezen boerderij; vervolgens moest aan haar of aan haar kinderen drie jaar na de dagteekening van het testament (zoo staat er, vreemd genoeg, in plaats van “na mijn overlijden”) eveneens 150 pond uitbetaald worden, waarvan zij inmiddels reeds de rente zou genieten. Mocht zij vóór den afloop van drie jaren kinderloos sterven, dan was 100 pond er van bestemd voor Sh.’s kleindochter, Elizabeth Hall, de overige 50 werden vastgezet voor zijn, met den hoedenmaker Hart, gehuwde zuster Johanna, aan wie levenslang de rente betaaldzou worden; na haar dood was de som onder haar kinderen gelijkelijk te verdeelen. Zoo Judith de drie jaren overleefde, moesten de 150 pond voor haar vastgezet, haar de rente levenslang uitgekeerd en later de som onder haar kinderen verdeeld worden; doch als haar man aan haar en haar kinderen de inkomsten van landerijen ter waarde van 150 pond naar het oordeel der executeuren behoorlijk verzekerde, zou aan hem de som uitgekeerd worden. Verder werd zijn zuster Johanna Hart met 20 pond en met zijn kleederen bedacht en met het vruchtgebruik van het huis, dat zij bewoonde, tegen betaling van tien stuivers jaarlijks; elk harer drie zoons ontving vijf pond. Dan volgen kleinere legaten: zijn zilverwerk vermaakte hij aan zijn kleindochter Elizabeth Hall, behalve zijn groote zilveren vergulde kom; verder 10 pond aan de armen van Strafford, zijn zwaard aan Thomas Combe, 5 pond aan Thomas Russell, ruim 13 pond aan Francis Collins van Warwick; verscheiden legaten, elk van 26 shillings en 8 stuivers, om een ring te koopen, aan Hamlet Sedler, aan William Raynoldes, aan zijn kunstgenooten (my fellows) John Hemynges, Richard Burbage en Henry Cundell, aan Anthony Nash en aan Mr. John Nash; alsmede 20 shillings in goud aan zijn petekind William Walker. Hierop komt eindelijk de voornaamste beschikking: hij laat al zijn grondbezit, zijn woningNew Place, zijn huizen, schuren, landerijen, in Strafford aan den Avon, Oud-Stratford, Bushopton en Welcombe, zoo mede zijn huis in Londen bij Blackfriars, bewoond door John Robinson, en verdere landerijen enz., waar ook gelegen, aan zijn dochter Susanna Hall voor haar geheele leven en na haar dood aan haar oudsten zoon en diens manlijke afstammelingen, en zoo die er niet zijn, aan haar tweeden zoon en diens manlijke afstammelingen enz., en bij ontstentenis van deze aan zijn kleindochter Elizabeth Hall en haar manlijke afstammelingen, en bij ontstentenis van deze aan zijn dochter Judith en haar manlijke afstammelingen, en bij ontstentenis van deze aan zijn wettige erven. Hierop volgt: “Item, ik geef aan mijn vrouw mijn op één na ’t beste bed met toebehooren”10. Evenzoo geeft hij aan zijn dochter Judith zijn groote zilveren vergulde kom. Eindelijk worden al zijn overige bezittingen, kostbaarheden, huisraad, wat ook, na afbetaling van legaten, schulden en begrafeniskosten, aan zijn schoonzoon John Hall en zijn dochter Susanna Hall toegekend en deze ook tot executeurs van zijn laatsten wil en testament benoemd. Thomas Russellesq.en Frauncis Collins gent. worden aangewezen alsoverseers, dus om toe te zien, dat deze uiterste wil naar eisch wordt uitgevoerd. Hierop volgt dan de onderteekening. Als getuigen teekenden vooreerst Fra. Collyns, verder Julius Shawe, John Robinson, Hamnet Sadler11, Robert Whattcott.—Een onderschrift bewijst, dat alleen John Hall als executeur is opgetreden, en het testament, benevens een inventaris der goederen, naar behooren overgelegd en bezworen heeft op 22 Juni van het jaar 1616.—De genoemde Francis Collins was een rechtsgeleerde (sollicitor) uit Warwick; vermoedelijk was aan hem het stellen van het testament opgedragen.
Ongetwijfeld heeft geen zinsnede in het testament zoo de aandacht getrokken als die, waarin hij aan zijn vrouw zijn op één na ’t beste bed vermaakt. Men heeft geoordeeld, dat zij hiermede erg kaal werd afgescheept. Doch ten onrechte. Hij behoefde voor zijn vrouw niet te zorgen; door de wet, die aan Shakespeare beter bekend was dan aan velen van zijn verklaarders, ontving zij genoeg. Van al de huizen en landerijen, die zijn volle eigendom, zoogenaamdfreehold, waren, trok zij levenslang een derde der inkomsten, en de woning New Place, met schuren en ruimen tuin, het huis in Henley street, de landerijen onder Old Strafford en elders leverden haar zeker meer dan het noodige op. Shakespeare verlangde, dat zijn goederen bijeen bleven, en waakte op de in Engeland gebruikelijke wijze tegen alle versnippering; hiertoe werden ook zijn huisraad en zijn kostbaarheden aan zijn oudste dochter en haar echtgenoot vermaakt. Het beste bed, dat meest voor bezoekers bestemd werd, werd waarschijnlijk een zoo belangrijk deel van den inboedel gerekend, dat het als familiebezit van het overige huisraad niet gescheiden werd en steeds van vader op zoon overging. Was dit inderdaad het geval, dan was het op één na ’t beste bed geen gering legaat te achten, vooral niet, als niet enkel het bed, maar ook het ledikant bedoeld is, want deze meubels waren dikwijls keurig afgewerkt en met snijwerk versierd. Bovendien werden in dien tijd allerlei voorwerpen aan nabestaanden vermaakt, zooals ketels, stoelen, mantels, hoeden, tinnen kroezen, vergiettesten, veeren kussens. In het jaar 1642 achtte zekere John Shakespeare van Budbrook, nabij Warwick,—geen familie van den dichter,—zich behoorlijk van zijn plicht der dankbaarheid jegens zijn schoonvader te kwijten, door aan dezen “zijn beste laarzen” te vermaken.
Men heeft dus alle recht om aan te nemen, dat Shakespeare alleen daarom geen meerdere goederen aan zijn vrouw vermaakt heeft, omdat er alreeds op andere wijze, door de Engelsche wet namelijk, voldoende voor haar gezorgd was. Wil men een ander voorbeeld van een dergelijke handelwijze, dan kan Sir Thomas Lucy dit leveren; deze liet in 1600 bij uitersten wil aan zijn zoon zijn op één na ’t beste paard na, doch geen land, omdat hij volgens belofte op land van zijn schoonvader kon rekenen. Nog beter voorbeeld vindt men in het testament van David Cecil, Esq., den grootvader van den bekenden Lord Burleigh; daar leest men: “Item—het is mijn wil, dat mijn vrouw al het zilverwerk zal hebben, dat zij had vóór ik haar trouwde; en twintig koeien en een stier.”12Het zal zijn wil niet geweest zijn, dat zij niets dan melk en rundvleesch van haar zilveren schotels zou eten; het legaat kwam bij het aandeel, of liever vruchtgebruik, dat de wet haar toekende. Toch is het opmerkelijk, dat in het eerste ontwerp van Shakespeare’s testament zijn vrouw niet voorkomt.—Evenzoo verdient de aandacht, dat geen enkel lid der familie Hathaway genoemd wordt, evenmin als eenig dichter of schrijver, zelfs Ben Jonson niet; eindelijk dat van boeken of papieren volstrekt geen gewag wordt gemaakt. Waarschijnlijk was Shakespeare door typheuze koortsen zeer verzwakt.
Of Shakespeare’s weduwe bij haar kinderen, Susanna en Dr. Hall, is blijven wonen, en of deze misschien reeds vroeger, bij huns vaders leven, in New Place hun intrek hadden genomen, is onbekend. Zij overleefde haar man zeven jaren en stierf 6 Augustus 1623, in den ouderdom van zeven-en-zestig jaren; zij werd dicht bij haar echtgenoot, in het koor der kerk, begraven.
Hoeveel zorg Shakespeare ook gedragen had, dat zijn bezittingen bijeenbleven en zijn geslacht in zijn geboortestreek zou voortleven, zijn pogingen zijn ijdel gebleken. Zijn dochter Susanna overleefde haar echtgenoot John Hall, die in 1635, zestig jaar oud, stierf; zij overleed, zes-en-zestig jaar oud, in 1649. Elizabeth Hall, in Sh.’s testament genoemd, is het eenig kind harer ouders gebleven; zij was in 1626 met Thomas Nashe gehuwd, die in 1647 stierf; zij hertrouwde in 1649 met een weduwnaar, John Barnard doch bleef kinderloos, en stierf in 1670.—Zijn dochter Judith, gehuwd met Thomas Quiney, een wijnhandelaar, wien het in de wereld aanvankelijk goed, doch later, van 1630 af, lang niet voordeelig ging, heeft haar drie kinderen, allen zoons, overleefd; de oudste, Shakespeare genoemd, stierf binnen ’t jaar, de twee anderen, toen zij 20 en 19 jaren oud waren; zijzelf overleed in Februari 1662. In minder dan vijftig jaren na Shakespeare’s dood was zijn laatste afstammeling gestorven.—Alleen in de afstammelingen zijner zuster Johanna, wier echtgenoot, William Hart, weinige dagen voor Shakespeare gestorven was, bleef zijn geslacht leven.—Van Elizabeth Hall, gestorven als weduwe Barnard, weten wij zoo goed als niets. Wat er na haar dood met de vroegere eigendommen van den grooten dichter gebeurde, behoeft hier niet nagegaan te worden; alleen zij vermeld, dat zoowel het huis van Shakespeare’s vader, waar de dichter menig jaar zijner jeugd heeft doorgebracht, als het erf met de grondvesten zijner eigen woning,New Place, thans aan de gemeente Stratford behooren, het eerste sinds geruimen tijd, het laatste door de goede zorgen van Mr. Halliwell, sedert 1862.
Korten tijd na Shakespeare’s overlijden, ongetwijfeld vóór 1623, het jaar der uitgave van zijn gezamenlijke werken13, werd in de kerk, aan den linker- of noordermuur van het koor, tegen het dichtgemetselde tweede venster, een gedenkteeken voor hem aangebracht, misschien door de zorg van zijn schoonzoon Hall. Zijn borstbeeld, levensgroot, van zachten steen gehouwen, is daar geplaatst in een nis, waarboven zijn wapen zich verheft, terwijl op het voetstuk een tweeregelig Latijnsch en een zesregelig Engelsch vers gebeiteld zijn. Het eerste verklaart, dat hem, die in wijsheid een Nestor, in geest een Socrates, in kunst een Vergilius was, de aarde bedekt, het volk betreurt, de Olympus bezit. Het tweede roept den wandelaar toe, niet voorbij te ijlen, maar te lezen, wie door den boozen dood in dit monument geplaatst is, Shakespeare, met wien de natuur zelf stierf, wiens naam meer dan alle praal zijn tombe versiert, daar al wat hij geschreven heeft, toont, dat de levende kunst slechts dienstbaar was aan zijn geest. Hieronder wordt vermeld, dat hij stierf in het jaar onzes Heeren 1616, in zijn 53ste jaar, op 23 April. Het beeld zelf, dat het geheele bovenlijf voorstelt, heeft vóór zich een kussen, waarop een blad papier ligt, dat door de linkerhand half bedekt wordt; de rechterhand, die een pen vasthoudt, rust niet op het papier, maar op het kussen. Het gelaat is over ’t geheel welgevormd, doch het benedengedeelte eenigszins zwaar; eris weinig uitdrukking in, al is de mond tot een glimlach geplooid. Het borstbeeld is alzoo lang geen meesterstuk; toch verdient het zeer de aandacht, daar het kort na Shakespeare’s overlijden geplaatst is geworden, toen velen, die den dichter persoonlijk gekend hadden, over de gelijkenis konden oordeelen. Het is dus waarschijnlijk, dat dit oordeel niet ongunstig was. Bovendien is er veel reden om aan te nemen, dat bij de bewerking van dit beeld een gipsafgietsel, van een lijk afgenomen, als model gediend heeft; verscheiden beeldhouwers en schilders van naam zijn na nauwkeurig onderzoek tot dit besluit gekomen; vooral het benedenste gedeelte van het gelaat kan dit aanwijzen. Wanneer men nu niet wil beweren, zooals wel geschied is, dat de beeldhouwer zich heeft moeten behelpen met een afgietsel op het gelaat van een ander persoon, die veel op Shakespeare geleek, dan ligt het voor de hand aan te nemen, dat van Shakespeare’s gelaat kort na zijn dood een afgietsel genomen is en dat dit bij het vervaardigen van het borstbeeld gediend heeft. Als maker er van wordt door Dugdale Gerard Johnson genoemd, die eigenlijk Gerard of Gerrit Jansen heette; hij was een Hollander, uit Amsterdam; in 1614 heeft hij ook het grafteeken van John Combe, met Shakespeare wel bekend (zie boven blz.77), vervaardigd.—Oorspronkelijk was het borstbeeld beschilderd: oogen lichtbruin, haar en baard rosachtig bruin, wangen blozend, onderkleed met mouwen, scharlakenrood, overkleed zwart, hals- en handkragen wit, bovenvlak van het kussen groen (het papier wit), ondervlak karmozijn; randkoord en kwasten verguld. Op het laatst der vorige eeuw werd het, dwaas genoeg, gewit, doch in 1824 is de oorspronkelijke kleur weder te voorschijn gebracht en hersteld.
Behalve het borstbeeld bezitten wij nog een afbeelding van Shakespeare in de kopergravure van Martin Droeshout, welke geplaatst is voor de folio-uitgave zijner gezamenlijke tooneelwerken, van 1623; zij is ook in de volgende drie folio-uitgaven van dezelfde plaat afgedrukt. Er staat een vers tegenover van Ben Jonson, waarin verklaard wordt, dat de graveur met de natuur een strijd had aangegaan om het leven te overtreffen, en dat, als hij even goed Shakespeare’s geest had kunnen afbeelden, als hij zijn gelaat getroffen had, zijn prent alles zou overtreffen, wat ooit in koper gegrift was. Jonson verklaart dus, dat er gelijkenis bestaat. De graveur heeft zeker getracht het hooge fraai gewelfde voorhoofd, de schoone oogen, den regelmatigen neus, den fraai gevormden mond nauwkeurig na te bootsen, maar het is hem niet gelukt een goed geheel te leveren; ja, de afbeelding van het voorhoofd is zelfs geheel mislukt. Toch moet, zoo men het portret nauwkeurig nagaat en bij herhaling beziet, mijns inziens erkend worden, dat het, hoe gebrekkig de uitvoering ook zij, wellicht van het wezen des dichters trekken genoeg teruggaf, om Jonson’s betuiging eenigermate te rechtvaardigen. Vergelijken wij het met het borstbeeld van Stratford, dan vinden wij eenige overeenstemming, met name in het hooge, gewelfde voorhoofd, dat door kaalheid nog iets hooger wordt, in het lange haar, dat over de ooren gekruld is, en nog in enkele andere bijzonderheden; doch het borstbeeld verschilt zeer door den vorm van den neus,—misschien heeft de beeldhouwer daar toevallig wat te veel van het zachte gesteente weggenomen,—door de zeer regelmatig gebogen wenkbrauwen, die aan de geschilderde wenkbrauwen van vele poppen doen denken, door den vorm van den mond en in enkele andere opzichten. De verschillen laten zich wel verklaren; als de beeldhouwer aan de ingevallen trekken van het lijk leven heeft willen verleenen, het gelaat wat voller heeft gemaakt, den mond tot een glimlach gevormd, de oogen geopend en de wenkbrauwen iets opgetrokken, is het niet te verwonderen, dat het borstbeeld een anderen indruk maakt dan de gravure, al zijn beide naar één model genomen. Portretten, naar denzelfden persoon door verschillende, zelfs zeer bekwame teekenaars geschilderd, kunnen onderling groote afwijkingen vertoonen. En men vergelijke eens de portretten van Napoleon met het gipsafgietsel, op het gelaat van zijn lijk afgevormd!
Het borstbeeld en de gravure zijn de eenige afbeeldingen, van welke men zeker weet, dat zij Shakespeare moeten voorstellen. Er zijn verscheiden geschilderde portretten van personen met hoog voorhoofd, die voor afbeeldingen van Shakespeare doorgaan; het bekendste is het portret, eens in het bezit van den hertog van Chandos, thans in de nationale schilderijenverzameling (National gallery). Doch van geen enkel is de echtheid te bewijzen.
Hetzelfde moet gezegd worden van een gipsafgietsel, waarvan men beweert, dat het op het gelaat van den gestorven Shakespeare kan of moet gevormd zijn. Naar bericht wordt, werd het in 1848 door den schilder Louis Becker, die ijverig verzamelaar van kunstwerken en zelf zeer handig was in het maken van gipsafgietsels, bij een uitdrager in Mainz onder ouden rommel gevonden en aangekocht. In 1849 gaf Becker het afgietsel aan Prof. Richard Owen te Londen in bewaring; hij vertrok naar Australië, maakte er deel uit van de expeditie van Wills en Burke, en vond er met dezen in 1861 den dood. Het berustte tot 1865 onder Owen; toen het berichtvan Becker’s dood in Engeland aankwam, gaf hij het aan den broeder des schilders, Dr. Becker, terug. Naar Owen’s oordeel beantwoordt het afgietsel, met het oog van den ontleedkundige bezien, zeer goed aan het beeld, dat men zich van Shakespeare vormen kan; er kleven in den baard eenige roodachtige haren; deze werden door hem als echte menschenharen erkend. Het afgietsel is verder onbetwijfelbaar van een lijk afgevormd en draagt aan de achterzijde in den rand het jaarcijfer 1616, dat blijkbaar in het nog weeke gips is gegrift; de cijfervormen zijn inderdaad die der zeventiende eeuw. Het is met olie gedrenkt en heeft dus waarschijnlijk voor het maken van een afgietsel gediend. Dr. Becker heeft het aan Herman Grimm ter onderzoeking voorgelegd en uit de woorden van dezen moge men afleiden, welken indruk het afgietsel op den beschouwer maakt14. “Ik geloofde, bij den eersten blik er op, nooit een edeler gelaat gezien te hebben. Wat ik in de hand hield, was voor eeuwen van het gelaat eens dooden afgevormd, en toch riep het zijn laatste oogenblikken dadelijk voor den geest. In den baard hield het gips nog eenige van de roodachtige haren vast, die het medegenomen had, en als pas geplooid deed zich de linnen doek voor, die om den hals gewonden was; nauwelijks gesloten schenen de oogen. En welke holten waren het, waarin zij lagen; welk een zuiver, edel beloop van den gebogen neus; welk een wondervolle vorm van het voorhoofd! Ik gevoelde, dat dit een mensch geweest moest zijn, in wiens brein edele gedachten woonden. Ik vroeg. Men zeide mij de achtervlakte van het afgietsel te beschouwen. Daar was in den rand, in cijfers der zeventiende eeuw ingegrift† Ao Dm̄ 1616. Ik wist van niemand anders, die in dit jaar stierf dan van den eenen, die in hetzelfde jaar geboren werd, waarin Michelangelo stierf, 1564—Shakespeare”15.
Het afgietsel komt in verschillende bijzonderheden meer met de gravure van Droeshout dan met het borstbeeld in de kerk te Stratford overeen. Dit laatste verschilt er van door de meerdere gevuldheid van het gelaat, den korten neus en de zeer breede bovenlip. Wil men aannemen, dat het in Mainz gevonden afgietsel den maker van het borstbeeld tot model gediend heeft, dan is het zeer te betreuren, dat hij het origineel niet beter heeft kunnen nabootsen. De mogelijkheid, dat het afgietsel echt is, kan natuurlijk niet ontkend worden; en wanneer de buste inderdaad door Gerard Jansen of een zijner vijf zonen vervaardigd is, is het ook zeer wel denkbaar, dat het afgietsel zijn weg naar Holland en van daar, Rijnopwaarts, naar Duitschland gevonden heeft. Doch alleen de mogelijkheid is toe te geven, alle gronden om deze gissing waarschijnlijk te maken ontbreken16. Zeker is het jammer, dat het borstbeeld en de gravure de schoonheid van het te Mainz gevonden afgietsel niet bezitten, en er niet volkomen op gelijken; doch men moet het zich getroosten, de wezenstrekken van Shakespeare niet naar wensch te kennen, en neme hiertoe de woorden ter harte, waarmede Ben Jonson zijn tienregelig vers op de gravure besluit, dat zijn geest niet af te beelden was en dat men dus liever niet op zijn portret moet turen, maar in zijn boek moet lezen.
Het boek, dat Jonson bedoelt, is de gezamenlijke uitgave van Shakespeare’s tooneelwerken, de folio van 1623, de grootsche nalatenschap, die door Shakespeare’s vrienden en oude kunstgenooten, Heminge en Condell, beiden ook in zijn testament genoemd, voor de wereld behouden is gebleven. Men is hun grooten dank schuldig, want zonder hun bemoeiingen zouden vele van Sh.’s meesterstukken voor immer zijn verloren gegaan, verscheiden andere alleen in minder volkomen vorm tot ons gekomen zijn17. Zij hebben op dezen dank te meer aanspraak, omdat zij, naar allen schijn, niet uit eigenbaat maar om de eere des grooten dichters hoog te houden, deze taak op zich namen.
Met de beschouwing van den vorm en den toestand,waarin Shakespeare’s dramatische nalatenschap tot ons gekomen is, worde dit overzicht over zijn leven en werken besloten.
Verreweg het grootste gedeelte der titelbladzijde wordt ingenomen door de reeds besproken beeltenis, gegraveerd door Martin Droeshout. De titel staat er boven:
Mr. WilliamShakespearesComediesHistories &Tragedies.Published according to the True Original Copies.Beneden het afbeeldsel staat:London,Printed by Isaac Iaggard, and Ed. Blount. 1623.
Mr. WilliamShakespeares
ComediesHistories &Tragedies.
Published according to the True Original Copies.
Beneden het afbeeldsel staat:
London,
Printed by Isaac Iaggard, and Ed. Blount. 1623.
Tegenover den titel staat het vers van Ben Jonson, “Aan den Lezer”, waarin hij het portret als welgelijkend roemt, doch den lezer vooral naar het boek verwijst.
Op den titel volgt de nederig gestelde toe-eigening:
“Aan het hoogst edel en onvergelijkelijk broederpaar, William, Graaf van Pembroke, en Philip, Graaf van Montgomery”. Een paar zinsneden moeten aan deze opdracht ontleend worden: “Uwe edelheden hadden zooveel behagen in de afzonderlijke stukken, als zij gespeeld werden, dat reeds vóór zij het licht zagen, het boek vroeg, aan u te mogen toebehooren. Wij hebben ze slechts bijeenverzameld en den doode den liefdedienst bewezen, van aan zijn weezen voogden te verschaffen, geenszins uit verlangen om zelf voordeel of roem te verwerven, maar alleen om het aandenken van zulk een treffelijken vriend en kunstgenoot, als onze Shakespeare was, levendig te houden, door zijn tooneelwerken eerbiedig aan uw hoogstedele bescherming aan te bieden.”
Op deze toewijding volgt het woord tot den lezer
“Aan de groote verscheidenheid van Lezers.”“Van den bekwaamste af tot hem toe, die slechts spellen kan. Hiermede zijt gij allen geteld; liever hadden wij, dat gij gewogen waart. Vooral daar het lot van alle boeken van uw bevattelijkheid afhangt, en niet slechts van die uwer hoofden, maar ook van die uwer beurzen. Komaan! het is nu in het licht, en gij zult,—dit weten wij,—op uw rechten staan: van te lezen en te beoordeelen. Doet dat, maar koopt het eerst! Dit is de beste aanbeveling voor een boek, zegt de boekverkooper. Dan, hoe verschillend ook uw hersenen of uw wijsheden zijn, neemt allen gelijke vrijheid en spaart niet. Oordeelt naar uw sixpencewaarde, uw shillingswaarde, uw vijfshillingswaarde, om in eens op te slaan; of hooger, als gij maar tot het juiste peil stijgt, en weest welkom! Doch wat gij ook doet, koopt! Oordeelvellen brengt geen handel vooruit en geen braadspit aan het draaien. En al zijt gij een overheidspersoon in schranderheid, en al zit gij op het tooneel, of gelijkvloers, in Blackfriars dagelijks over stukken ten gerichte, weet, dat deze stukken hun verhoor reeds gehad hebben en door alle hoogere beroepen heen zijn, en zij komen nu voor den dag, vrijgesproken, veeleer door een besluit van een hof, dan door deze of gene gekochte aanbevelingsbrieven.“Het ware, wij erkennen het, zeer te wenschen geweest, dat de schrijver zelf in leven ware gebleven om zijn eigen geschriften uit te geven en na te zien. Doch daar het anders besloten was, en hij door den dood van dit recht verstoken is geworden, zoo bidden wij u, benijdt zijn vrienden de taak vol zorg en moeite niet, van ze bijeenverzameld en uitgegeven te hebben, en zóó uitgegeven te hebben, terwijl gij vroeger misleid werdt met verschillende gestolen, en door slinksche middelen verkregen afschriften, verminkt en misvormd door de streken en diefstallen van schandelijke bedriegers, die hen de wereld inzonden. Die zelfde werken worden u onder de oogen gebracht, geheeld en gaaf van leden, en ook al de overige, volledig in alle deelen, zooals hij ze tot stand bracht. Hij, zooals hij een gelukkig nabootser was der natuur, wist haar ook recht liefelijk uit te drukken. Zijn geest en zijn hand gingen samen; en wat hij dacht, uitte hij met zulk een gemakkelijkheid, dat wij nauwelijks een doorhaling in zijn papieren gevonden hebben. Doch het is onze zaak niet, daar wij zijn werken alleen bijeenzamelen en aan u geven, hem te prijzen. Dit is de zaak van u, die hem leest. En dan hopen wij, dat gij, naar uw verschillende bevattelijkheid, er genoeg in vinden zult, dat u aantrekt en boeit; want zijn geest kan evenmin verborgen blijven, als ooit verloren gaan. Daarom, leest hem, en weder, en steeds weder! En als gij hem dan niet liefkrijgt, voorwaar, dan verkeert gij blijkbaar genoeg in het gevaar van hem niet te verstaan. En hiermede laten wij u aan andere vrienden van hem over, die, als gij hen behoeft, uw gidsen kunnen zijn; behoeft gij hen niet, dan kunt gij uzelf tot gids zijn, en anderen. En zulke lezers wenschen wij hem toe.“John Heminge.Henrie Condell.”
“Aan de groote verscheidenheid van Lezers.”
“Van den bekwaamste af tot hem toe, die slechts spellen kan. Hiermede zijt gij allen geteld; liever hadden wij, dat gij gewogen waart. Vooral daar het lot van alle boeken van uw bevattelijkheid afhangt, en niet slechts van die uwer hoofden, maar ook van die uwer beurzen. Komaan! het is nu in het licht, en gij zult,—dit weten wij,—op uw rechten staan: van te lezen en te beoordeelen. Doet dat, maar koopt het eerst! Dit is de beste aanbeveling voor een boek, zegt de boekverkooper. Dan, hoe verschillend ook uw hersenen of uw wijsheden zijn, neemt allen gelijke vrijheid en spaart niet. Oordeelt naar uw sixpencewaarde, uw shillingswaarde, uw vijfshillingswaarde, om in eens op te slaan; of hooger, als gij maar tot het juiste peil stijgt, en weest welkom! Doch wat gij ook doet, koopt! Oordeelvellen brengt geen handel vooruit en geen braadspit aan het draaien. En al zijt gij een overheidspersoon in schranderheid, en al zit gij op het tooneel, of gelijkvloers, in Blackfriars dagelijks over stukken ten gerichte, weet, dat deze stukken hun verhoor reeds gehad hebben en door alle hoogere beroepen heen zijn, en zij komen nu voor den dag, vrijgesproken, veeleer door een besluit van een hof, dan door deze of gene gekochte aanbevelingsbrieven.
“Het ware, wij erkennen het, zeer te wenschen geweest, dat de schrijver zelf in leven ware gebleven om zijn eigen geschriften uit te geven en na te zien. Doch daar het anders besloten was, en hij door den dood van dit recht verstoken is geworden, zoo bidden wij u, benijdt zijn vrienden de taak vol zorg en moeite niet, van ze bijeenverzameld en uitgegeven te hebben, en zóó uitgegeven te hebben, terwijl gij vroeger misleid werdt met verschillende gestolen, en door slinksche middelen verkregen afschriften, verminkt en misvormd door de streken en diefstallen van schandelijke bedriegers, die hen de wereld inzonden. Die zelfde werken worden u onder de oogen gebracht, geheeld en gaaf van leden, en ook al de overige, volledig in alle deelen, zooals hij ze tot stand bracht. Hij, zooals hij een gelukkig nabootser was der natuur, wist haar ook recht liefelijk uit te drukken. Zijn geest en zijn hand gingen samen; en wat hij dacht, uitte hij met zulk een gemakkelijkheid, dat wij nauwelijks een doorhaling in zijn papieren gevonden hebben. Doch het is onze zaak niet, daar wij zijn werken alleen bijeenzamelen en aan u geven, hem te prijzen. Dit is de zaak van u, die hem leest. En dan hopen wij, dat gij, naar uw verschillende bevattelijkheid, er genoeg in vinden zult, dat u aantrekt en boeit; want zijn geest kan evenmin verborgen blijven, als ooit verloren gaan. Daarom, leest hem, en weder, en steeds weder! En als gij hem dan niet liefkrijgt, voorwaar, dan verkeert gij blijkbaar genoeg in het gevaar van hem niet te verstaan. En hiermede laten wij u aan andere vrienden van hem over, die, als gij hen behoeft, uw gidsen kunnen zijn; behoeft gij hen niet, dan kunt gij uzelf tot gids zijn, en anderen. En zulke lezers wenschen wij hem toe.
“John Heminge.Henrie Condell.”
Op deze voorrede volgen vier lofdichten, van welke vooral het eerste, van Ben Jonson, opmerkelijk is door den hoogen lof, dien hij zijn vriend, tevens zijn grootsten mededinger, toekent, en den hartelijken toon, die er in heerscht. Hij begint met de verklaring, dat geen lof, van Mensch noch Muze, Shakespeare’s geschriften te veel kan prijzen, en voegt er bij: “Dit is waar, en er is slechts één stem over”18. Het toezwaaien van gewone loftuitingen versmadend, spreekt hij hem toe met de woorden: “Gij, ziel van onzen tijd!”19en erkent: “Gij zijt een monument, ook zonder tombe!” Dan stelt hij Shakespeare boven Lily, Kyd en Marlowe, en verklaart, dat Shakespeare, “schoon hij weinig Latijn en nog minder Grieksch kende”, de vergelijking met de oude dichters, waarvan er eenigen genoemd worden, niet behoeft te schromen, maar hen allen, en ook hun navolgers, overtreft. Dan roept Jonson uit: “Triumf, mijn Engeland! gij kunt op een man wijzen, wien alle tooneelen van Europa hulde brengen. Hij was niet voor één leeftijd, maar voor alle tijden!”20Vervolgens wijst Jonson er nadrukkelijk op, dat Shakespeare, hoe veel de natuur hem ook geschonken had, door eigen noeste vlijt zijnkunstverworven en tot volkomenheid gebracht heeft; “een goed dichter wordt niet slechts geboren, maar ook gemaakt”21; en zoo was het met Shakespeare. Hij spreekt hem ten slotte toe met de woorden: “Liefelijke zwaan van den Avon22, o welk een gezicht zou het zijn, U weder in onze wateren te zien verschijnen en aan de oevers van den Theems die hooge vlucht te zien nemen, die Elizabeth en Jacobus zoo verrukte! Doch neen, ik zie u reeds aan den hemel verheven en tot een sterrebeeld geworden! Straal, straal, gij sterre der dichters!23uw toorn of invloed beschame of verheuge het zinkend tooneel, dat, sinds gij van hier geweken zijt, gelijk de nacht getreurd heeft en, zonder het licht uwer werken, aan den dag zou wanhopen.”
Het was niet noodig hier het geheele gedicht over te nemen; deze korte vermelding is wel voldoende om te doen zien, welk een schoone hulde door Jonson aan Shakespeare gebracht werd, en tevens, dat hij zoo gelukkig geweest is, verscheiden schoone, kernachtige uitdrukkingen te bezigen, die onmiddellijk treffen en in het geheugen blijven. Geen wonder, dat zij meermalen aangehaald worden. Om deze beter te doen uitkomen, zijn zij hier in een beknopt bestek vereenigd; en om ze woordelijk terug te kunnen geven, is dit in ongebonden vorm geschied.
Van de overige lofdichten is dat van Leonard Digges opmerkenswaardig, wiens profetie van den blijvenden roem van Shakespeare zoo heerlijk vervuld is.
Op de lofdichten volgt een bladzijde, waarop bovenaan de titel herhaald is; er staat: “De werken van William Shakespeare, bevattende al zijnComedies,HistoriesenTragedies, getrouw uitgegeven overeenkomstig haar “eerste origineel.” Hieronder vindt men een lijst van de voornaamste tooneelspelers, die in deze stukken zijn opgetreden. De eerste twee namen zijnWilliam ShakespeareenRichard Burbadge, de derde isJohn Hemmings24. De volgende bladzijde bevat de lijst der stukken, in drie groepen,Comedies,HistoriesenTragediesgeschikt, welke afdeelingen ieder afzonderlijk gepagineerd zijn. Men mist er Troilus en Cressida in, welk stuk, nagenoeg ongepagineerd, tusschen de Historiestukken en Treurspelen ingevoegd is; men kan hierover de aanteekeningen op dit stuk raadplegen. Dan volgen de blijspelen, “De Storm” vooraan. Aan het eind van het werk, op de laatste bladzijde der Treurspelen, staat onderaan de vermelding, dat het werk gedrukt is op kosten van W. Jaggard, Ed. Blount, J. Smithweeke en W. Aspley 1623.
Op deze eerste folio-uitgave volgde in 1632 de tweede, welke eenvoudig een afdruk is der eerste, met enkele wijzigingen, gedeeltelijk toevallige, gedeeltelijk opzettelijke, welke laatste als verbeteringen bedoeld, maar, op zeer enkele na, niet als zoodanig te beschouwen zijn. Evenals in de eerste uitgave, zijn de Blijspelen, Historiestukken en Treurspelen afzonderlijk gepagineerd; Troilus en Cressida opent nu de rij der treurspelen.—De lofdichten zijn met een drietal vermeerderd, waaronder een zestienregelig vers van John Milton, die toen in zijn vier-en-twintigste jaar was, opmerking verdient; waarschijnlijk is dit het eerste gedicht, dat van hem het licht zag. Het moge hier in een eenigszins vrije en twee regels kortere vertolking een plaats vinden;
“Behoeft mijn Shakespeare’s hoogvereerd gebeent’Een jaren arbeids eischend grafgesteent’?Behoeft een pyramide ’t heilig stofTe omhullen tot verhooging van zijn lof?Behoeft gij, zoon des Roems, gij, roem der Faam,Zoo zwak een tolk tot eeuw’ging van uw naam?Neen, in den eerbied, die uw grootte erkent,Schiept gij uzelf een duurzaam monument;Daar onweerstaanbaar, of Apollo zong,Uw godentaal ons in de ziele drong,En elk, zichzelf ontvoerd door uwe vaart,Tot marmer wordt, wie duiz’lend op u staart;—Opdat hij zulk een praalgraf zich verwierf,Wat koning is er, die niet gaarne stierf?”
“Behoeft mijn Shakespeare’s hoogvereerd gebeent’Een jaren arbeids eischend grafgesteent’?Behoeft een pyramide ’t heilig stofTe omhullen tot verhooging van zijn lof?Behoeft gij, zoon des Roems, gij, roem der Faam,Zoo zwak een tolk tot eeuw’ging van uw naam?Neen, in den eerbied, die uw grootte erkent,Schiept gij uzelf een duurzaam monument;Daar onweerstaanbaar, of Apollo zong,Uw godentaal ons in de ziele drong,En elk, zichzelf ontvoerd door uwe vaart,Tot marmer wordt, wie duiz’lend op u staart;—Opdat hij zulk een praalgraf zich verwierf,Wat koning is er, die niet gaarne stierf?”
“Behoeft mijn Shakespeare’s hoogvereerd gebeent’
Een jaren arbeids eischend grafgesteent’?
Behoeft een pyramide ’t heilig stof
Te omhullen tot verhooging van zijn lof?
Behoeft gij, zoon des Roems, gij, roem der Faam,
Zoo zwak een tolk tot eeuw’ging van uw naam?
Neen, in den eerbied, die uw grootte erkent,
Schiept gij uzelf een duurzaam monument;
Daar onweerstaanbaar, of Apollo zong,
Uw godentaal ons in de ziele drong,
En elk, zichzelf ontvoerd door uwe vaart,
Tot marmer wordt, wie duiz’lend op u staart;—
Opdat hij zulk een praalgraf zich verwierf,
Wat koning is er, die niet gaarne stierf?”
De derde folio-uitgave verscheen eerst in 1664; zij is voor een groot deel als een herdruk der vorige te beschouwen en bevat dezelfde stukken, en wel met doorloopende paginatuur, doch zij laat, de nummering der bladzijden weder met 1 beginnende, een geheele reeks van stukken volgen, die ten onrechte aan Shakespeare toegeschreven zijn en dus op goeden grond door de eerste uitgevers, Heminge en Condell, niet in de verzameling zijner werken opgenomen werden. Onder deze onechte stukken bevindt zich ook de “Pericles”. Wijl Shakespeare alleen in de tweede helft eenige tooneelen bewerkt heeft, werd ook dit stuk door Heminge en Condell, die verklaarden alleen echte stukken te willen geven, zeer terecht uitgesloten. Zij hebben dit inderdaad bedoeld en trouwhartig getracht een gedenkteeken van Shakespeare’s leven te stichten; maar hun zorgvuldigheid heeft, zooals boven reeds van Timon van Athene en Koning Hendrik VIII gebleken is, niet geheel gelijken tred gehouden met hun goeden wil, zoodat het gezag hunner uitgave niet in alle opzichten onbetwistbaar is.
In 1685 verscheen een vierde folio-uitgave, die een herdruk is van de derde, en nagenoeg alleen door een nieuwere spelling van deze verschilt.
Alleen aan de eerste dezer vier folio-uitgaven is inderdaad gezag toe te kennen; in de volgende vindt men steeds meer drukfouten, terwijl de overige afwijkingen slechts zelden verbeteringen zijn en zelfs dan, wanneer dit wel het geval is, op een toevallig gelukkige gissing en niet op grondig onderzoek berusten. De eerste folio-uitgave heeft ons van vele stukken den oudsten en besten tekst, dien wij bezitten, geschonken, en ook verscheiden andere voor den ondergang bewaard. Grooten dank is men hiervoor aan ’s dichters vrienden en kunstgenooten, Heminge en Condell, verschuldigd.
Natuurlijk is een exemplaar der eerste folio-uitgave alleen bij zeldzaam voorkomende gelegenheden, en dan voor zeer hoogen prijs, te erlangen. Toch is het bij nauwkeurige beoefening van des dichters werken in vele gevallen noodig, den oorspronkelijken tekst te raadplegen. Gelukkig, dat deze bij herhaling met de uiterste zorg is nagedrukt en dat in den laatsten tijd ook de photographie te hulp is geroepen om den oudsten druk met volkomen getrouwheid te vermenigvuldigen; hij is thans voor hoogst matigen prijs in ieders bereik.
Vraagt men nu, of Heminge en Condell een inderdaad zuiveren en betrouwbaren tekst gegeven hebben, dan moet het antwoord, helaas! ontkennend luiden. Wat zij ook verzekeren, zij konden meestal niet meer beschikken over de oorspronkelijke handschriften, die ongetwijfeld, na het maken van verscheiden afschriften, ten behoeve der vertooningen, vaak verloren waren gegaan. Misschien ook zijn er bij den brand van den Globe-schouwburg (blz.47) enkele vernietigd. Zij moesten zich dan behelpen met afschriften, die niet zelden door kappingen ter bekorting, welke geenszins oordeelkundig aangebracht werden, verminkt waren. In sommige gevallen moesten zij zelfs de toevlucht nemen tot de oude quarto-drukken, waarvan zij, in het voorbericht hunner uitgave, zooveel kwaads gezegd hadden; de oude afschriften, bij het tooneel in gebruik, waren dan ongetwijfeld versleten, zoodat een afdruk in de plaats was gekomen. Meermalen moet dus de door hen geleverde tekst aanmerkelijk afwijken van wat Shakespeare oorspronkelijk geschreven had, of ten minste onvolledig zijn. Hun bewering, dat de tooneelwerken naar de oorspronkelijke handschriften afgedrukt zijn, is alzoo bepaald onwaar, en niets anders dan een middel om het publiek zand in de oogen te strooien, en dit tot koopen, waarop zij zoo sterk aandringen, uit te lokken. Men moge dit streng afkeuren, doch waardeere, dat zij het beste gegeven hebben, dat zij hadden.—In een ander opzicht hebben zij waarheid gesproken; zij verklaren in de toewijding van het werk aan de graven van Pembroke en Montgomery, dat zij niets gedaan hebben dan bijeenverzamelen. Men moet erkennen, dat er inderdaad geen spoor van toezicht op het drukken hunner schatten te bespeuren is; het nazien van drukproeven schijnt door hen nagelaten te zijn; zij hebben alleen aan de pers afgestaan, wat zij wilden uitgeven. Misschien, waarschijnlijk zelfs, is het voor het verkrijgen van een goeden tekst gelukkig geweest, dat hun zorg zich niet verder heeft uitgestrekt. Want hadden zij fouten opgemerkt en op hun wijze trachten te verbeteren, dan zou allicht een willekeurige gissing, gelukkig of ongelukkig, in de plaats getreden zijn eener lezing, die, hoe ongerijmd ook, zich vaak zoo na mogelijk hield aan de letters of woorden, die in het oorspronkelijk handschrift of in oude afschriften of afdrukken stonden en nauwgezette latere onderzoekers op het spoor kunnen brengen om de echte lezing te ontdekken. Vallen wij hun dus over hun geringe zorg niet hard; herinneren wij ons, dat zij, uit liefde voor Shakespeare, zijn werken bijeenverzameld en zooveel meesterstukken aan de vergetelheid ontrukt hebben. Laat ons veeleer zeggen, dat hun, die veel hebben liefgehad, veel vergeven wordt.
De eerste, die de taak aanvaardde, om uit de slordige uitgaven van des dichters werken een beteren, zuiverder tekst af te leiden, was Nicholas Rowe, in 1709. Dat hij slechts ten deele slaagde in de moeilijke onderneming, kan niet bevreemden, vooral niet, als men weet, dat hij niet de oorspronkelijke, maar de vierde folio-uitgave tot grondslag aannam. Als de eerste, die den echten tekst van Shakespeare trachtte te herstellen, moge hij hier met eere genoemd worden. Velen hebben na hem hetzelfde doel zoeken te bereiken. Doch het is hier de plaats niet, om hun pogingen aan een nauwgezet onderzoek te onderwerpen. Met welk een uitslag zij bekroond zijn geworden, moge men afleiden uit de woorden van een der uitstekende Shakespeare-beoefenaars van den lateren tijd, Alexander Dyce. Deze oordeelt, dat, indien als door een wonder de oorspronkelijke handschriften van Shakespeare voor den dag kwamen, deze het bewijs zouden leveren, dat in vele gevallen de echte lezing hersteld is, ofschoon de onwetendheid en aanmatiging der tooneelspelers, de slaperigheid der afschrijvers en de zorgeloosheid der uitgevers als het ware hebben samengezworen om haar verloren te doen gaan.
Heeft in Engeland na Rowe de beoefening van Shakespeare’s werken steeds veld gewonnen, ook elders is dit het geval geweest. In Duitschland gaf de groote Lessing het voorbeeld van waardeering, en weldra volgde daar uitgave op uitgave, vertaling op vertaling. Vroeger of later vond hetzelfde in andere landen plaats, en tegenwoordig is, naast den Bijbel, geen boek, ’t zij in ’t oorspronkelijke, ’t zij vertaald, zoo algemeen en zoo in allerlei vorm, over de geheele aarde verspreid, als de kostelijke nalatenschap van Shakespeare.
In Nederland is de beoefening en waardeering zijner werken tamelijk laat aangevangen, en de eerste proeven van welgeslaagde vertalingen vindt men in de “Bloemlezing uit de Dramatische Werken van William Shakespeare” van Mr. L. Ph. C. Van den Bergh, welk boek in 1834 het licht zag. Doch een beter tijd brak weldra aan; meer en meer werd de groote dichter in zijn waarde erkend; verscheiden uitgaven, vertalingen en navolgingen, ’t zij van gedeelten zijner werken, ’t zij van geheele tooneelstukken leggen hier getuigenis van af. Men zal niet verwachten, dat deze uitgaven en vertalingen hier opgenoemd en nader besproken worden; genoeg zij het op deze verdienstelijke ondernemingen gewezen te hebben. Alleen mag een woord van hulde aan den uitmuntenden Jurriaan Moulin niet achterwege blijven, die als nauwgezet en talentvol vertaler allen ten voorbeeld kan zijn. Te midden van velerlei beslommeringen bracht hij Othello, Macbeth, De Storm en gedeeltelijk ook Romeo en Julia op voortreffelijke wijze in het Nederlandsch over en hield zich daarbij zooveel mogelijk aan den vorm van het oorspronkelijke; bovendien geven de aanteekeningen, waarmede hij de stukken toelichtte, overal blijk van de grondige studie, die hij van des dichters werken gemaakt had.
Verder mag hier de vermelding niet achterwege blijven, dat voor eenige jaren door A. S. Kok een volledige vertaling van Shakespeare’s dramatische werken, de eerste in Nederland, ondernomen en in 1880 ten einde gebracht werd. Reeds vroeger had hij een paar stukken in het Nederlandsch overgebracht en wel, evenals Moulin, in den vorm van het oorspronkelijke. Voor de vertaling van het geheel verkoos hij, zich grootendeels van proza te bedienen en slechts hier en daar, voornamelijk waar Shakespeare gerijmde verzen schreef, den gebonden vorm te bezigen. Sommige stukken zijn dus nagenoeg geheel in proza vertaald, bij andere wisselt proza met gerijmde verzen af.
Naar mijn overtuiging is er bij groote dichters, en met name bij Shakespeare, een zoo innig verband tusschen den inhoud en den vorm hunner scheppingen, dat de vertaler, wil hij met zijn arbeid ongeveer denzelfden indruk geven als het oorspronkelijke, verplicht is, niet alleen den inhoud getrouw over te brengen, maar ook den vorm zooveel mogelijk te behouden.
Bij mijn vertaling is dit beginsel voortdurend in het oog gehouden. Bovendien meende ik, dat voor de kennis en waardeering van den mensch en dichter Shakespeare niet alleen zijn dramatische werken, maar ook zijn gedichten van groot belang zijn; ook deze zijn hierom in deze uitgave begrepen.
Zoo is dan van 1884 tot 1888 voor het eerst een volledige vertaling van des dichters werken, die den vorm van het oorspronkelijke zorgvuldig trachtte te bewaren, aan het Nederlandsche volk aangeboden. De bijval en goedkeuring, bij mijn onderneming van den aanvang af ondervonden, zijn mij niet alleen een machtige steun en spoorslag geweest, om de taak, die ik mij had opgelegd tot den einde toe te volbrengen, maar schonken mij ook het vertrouwen, dat mijn gave welkom zou zijn. Die verwachting is niet beschaamd geworden. Na de eerste uitgaaf vond ook een tweede, geïllustreerde, haar weg tot het publiek en thans wordt door een met zorg herziene volksuitgave mijn vertaling in het bereik gebracht van hen, die zich tot dusverre den aankoop moesten ontzeggen. Moge zij velen bewegen, lezers en vrienden van den grooten dichter te worden en meer en meer blijken, geen onwaardige hulde te zijn aan den machtigen geest, die zoo vele meesterwerken schiep!
1De tienden, waarvan hij, zie boven blz.70, het recht gekocht had, brachten hem, volgens de schatting van een gerechtelijk stuk, zestig pond sterling op. Zijn jaarlijksch inkomen bedroeg, naar vermoed is, driehonderd, dus naar de tegenwoordige geldswaarde, ongeveer vijftien honderd pond.2In 1643, tijdens den burgeroorlog, hield koningin Henriette, gemalin van Karel I, er drie weken lang hof.3De schrijfkunst was toen lang niet algemeen verbreid; ook de oudste dochter van den dichter Milton kon niet schrijven.4Rowe noemt onder des dichters vrienden zekeren Mr. Combe, een oud rijk heer, die als geldschieter bekend stond. Deze zou schertsenderwijs verlangd hebben, dat Shakespeare een grafschrift op hem zou maken, en wel liefst dadelijk, omdat hij gaarne wilde weten, wat van hem gezegd zou worden. Ter voldoening aan dit verzoek dienden toen de volgende regelen:Ten in the hundred lies here ingrav’d;’Tis a hundred to ten his soul is not sav’d:If any man ask, Who lies in this tomb?Oh! oh! quoth the devil, ’t is my John-a-Combe.Als de geschiedenis waar is, heeft John Combe zeker hartelijk meegelachen, want hij liet, bij zijn dood, in 1614, aan “Mr. William Shakespeare vijf pond” na. Doch het verhaal van ’t grafschrift is apocrief, want reeds uit vroegeren tijd zijn zulke grafschriften bekend, natuurlijk zonder den naam van Combe; zooals:Ten in the hundred lies under this stoneAnd a hundred to ten to the devil his gone,alsmede:Who is this lyes under this hearse?Ho, ho, quoth the devil, tis my Dr. Pearce.Aubrey maakt ook van de geschiedenis gewag, doch verhaalt haar eenigszins anders, veel minder waarschijnlijk. Hier kan niet alles worden medegedeeld, wat van Shakespeare wel verteld en geboekt is; wie het voornaamste in een beknopt bestek bijeen wil vinden, met aanhaling van de oorspronkelijke woorden, raadplege in het tweede deel van Delius’ uitgave van des dichters werken deBiographische Nachrichten, alsmedeErläuterungen und Beilagen. Men vindt daar ook den volledigen tekst van Sh.’s testament, de voorrede van de uitgevers der folio-editie van 1623, de lofdichten, die aan deze zijn toegevoegd enz.—Voor het hier beoogde doel, het leveren van een duidelijk en waar beeld van des dichters leven en werken, behoefden deze bouwstoffen, waaronder vele niet voldoende gewaarmerkt zijn en geen strengen toets kunnen doorstaan, geenszins alle gebezigd te worden.5In Engeland werd tot 1752 het jaar gerekend te beginnen op 25 Maart.6Volgens den Ouden Stijl; 23 April stemde toen met den 3denMei volgens den Nieuwen Stijl overeen. Als sterfdag van den grooten Spaanschen schrijver Miguel de Saavedra Cervantes wordt (schoon zonder toereikenden grond) eveneens 23 April opgegeven, doch volgens den Nieuwen Stijl; deze zou dan tien dagen vóór Shakespeare gestorven zijn.7Good frend for Jesus sake forbeare,To digg the dust encloased heare.Bleste be the man that spares thes stones,And curst be he that moves my bones.8John Ward, die vicaris in Stratford was van 1648–1679, heeft enkele aanteekeningen nagelaten, waarin hij vertelt, dat “naar hij gehoord had”, Sh. van nature vernuft had, maar van kunst geen spoor; dat hij in zijn jonge jaren twee stukken ’s jaars schreef, maar later in Stratford leefde en 1000 pond ’s jaars(!) verteerde. Hij vertelt ook, dat Shakespeare, Ben Jonson en Drayton samen eens een vroolijken avond hadden en, zoo het schijnt, wat te veel dronken, zoodat Sh. de koorts kreeg en stierf. De man voegt er gemoedelijk bij, dat hij Sh.’s tooneelwerken toch eens moet lezen, om er ten minste iets van te weten.—Dat Sh. zijn oude vrienden gul ontvangen heeft, als zij hem kwamen bezoeken, is zeer natuurlijk; maar dat hij van het goede sier maken bij hun bezoek de koorts kreeg, behoeft op de praatjes van Ward niet aangenomen te worden.—Even weinig gewicht is te hechten aan het verhaal van Davies (zie bl.11), dat Shakespeare als papist stierf. Hij was ongetwijfeld geen puritein: de tijd kwam weldra, dat wie geen puritein was, voor papist werd uitgemaakt. De aanleiding tot het zeggen van Davies is dus niet ver te zoeken. Er is wel eens beweerd, dat Sh. in het Roomsche geloof gestorven is, doch zonder genoegzamen grond, waarover men Michael Bernays moge nazien.9De vorm is opmerkelijk; op de vermaking van zijn ziel aan God en van zijn stof aan de aarde, volgt onmiddellijk:Item, Igyve and bequeath unto my daughter Judyth, etc.10Item, I gyve unto my wife my second best bed with the furniture.Deze zin stond niet in het eerste ontwerp, maar is tusschen de regels bijgeschreven.11Op te merken is, dat de naam hier anders gespeld wordt dan in het testament.12Item—I will that my wife have all the plate that was hers before I married her; and twenty kye and a bull.13In het lofdicht van Leonard Digges, vóór deze uitgave geplaatst, wordt namelijk van het monument gesproken.14Ueber Künstler und Kunstwerke. Zweiter Jahrgang. Heft XI, XII. Mit 4 Photographien.Berlin 1867.—Men kan verder ook het opstel van Prof. Dr. Hermann Schaaffhausen:Ueber die Todtenmaske Shakespeare’s, in den tienden jaargang van hetShakespeare—Jahrbuch, blz. 26–49, raadplegen.15Herman Grimm denkt niet aan Cervantes; doch deze had ouder trekken, was 68 jaar en had een grijzen baard; van hem kan het afgietsel niet genomen zijn.16Hoe zeer men zich op het veld der gissingen gelieft te bewegen, kan ook de naam vanKesselstadter Maske, waarmede het afgietsel vaak wordt aangeduid, bewijzen. In Juni 1842 werd de schilderijverzameling van den overleden graaf en domheer Frans van Kesselstadt in Mainz onder den hamer gebracht, en nu onderstelt men, hoewel er geen schijn of schaduw van bewijs voor te vinden is, dat het afgietsel zich in de verzameling van den graaf bevond en van daar zijn weg gevonden heeft naar den uitdrager, bij wien Becker het vond. Van den uitdrager waren, naar het schijnt, geen inlichtingen te verkrijgen, daar zelfs zijn naam niet vermeld wordt.17Men vergelijke blz.46.18’Tis true, and all men’s suffrage.19Soul of the age.20He was not of an age, but for all time.21For a good Poet’s made, as well as borne.22Sweet Swan of Avon!23Shine forth, thou Starre of Poets.24De naam anders geschreven dan onder de voorrede!
1De tienden, waarvan hij, zie boven blz.70, het recht gekocht had, brachten hem, volgens de schatting van een gerechtelijk stuk, zestig pond sterling op. Zijn jaarlijksch inkomen bedroeg, naar vermoed is, driehonderd, dus naar de tegenwoordige geldswaarde, ongeveer vijftien honderd pond.
2In 1643, tijdens den burgeroorlog, hield koningin Henriette, gemalin van Karel I, er drie weken lang hof.
3De schrijfkunst was toen lang niet algemeen verbreid; ook de oudste dochter van den dichter Milton kon niet schrijven.
4
Rowe noemt onder des dichters vrienden zekeren Mr. Combe, een oud rijk heer, die als geldschieter bekend stond. Deze zou schertsenderwijs verlangd hebben, dat Shakespeare een grafschrift op hem zou maken, en wel liefst dadelijk, omdat hij gaarne wilde weten, wat van hem gezegd zou worden. Ter voldoening aan dit verzoek dienden toen de volgende regelen:Ten in the hundred lies here ingrav’d;’Tis a hundred to ten his soul is not sav’d:If any man ask, Who lies in this tomb?Oh! oh! quoth the devil, ’t is my John-a-Combe.Als de geschiedenis waar is, heeft John Combe zeker hartelijk meegelachen, want hij liet, bij zijn dood, in 1614, aan “Mr. William Shakespeare vijf pond” na. Doch het verhaal van ’t grafschrift is apocrief, want reeds uit vroegeren tijd zijn zulke grafschriften bekend, natuurlijk zonder den naam van Combe; zooals:Ten in the hundred lies under this stoneAnd a hundred to ten to the devil his gone,alsmede:Who is this lyes under this hearse?Ho, ho, quoth the devil, tis my Dr. Pearce.Aubrey maakt ook van de geschiedenis gewag, doch verhaalt haar eenigszins anders, veel minder waarschijnlijk. Hier kan niet alles worden medegedeeld, wat van Shakespeare wel verteld en geboekt is; wie het voornaamste in een beknopt bestek bijeen wil vinden, met aanhaling van de oorspronkelijke woorden, raadplege in het tweede deel van Delius’ uitgave van des dichters werken deBiographische Nachrichten, alsmedeErläuterungen und Beilagen. Men vindt daar ook den volledigen tekst van Sh.’s testament, de voorrede van de uitgevers der folio-editie van 1623, de lofdichten, die aan deze zijn toegevoegd enz.—Voor het hier beoogde doel, het leveren van een duidelijk en waar beeld van des dichters leven en werken, behoefden deze bouwstoffen, waaronder vele niet voldoende gewaarmerkt zijn en geen strengen toets kunnen doorstaan, geenszins alle gebezigd te worden.
Rowe noemt onder des dichters vrienden zekeren Mr. Combe, een oud rijk heer, die als geldschieter bekend stond. Deze zou schertsenderwijs verlangd hebben, dat Shakespeare een grafschrift op hem zou maken, en wel liefst dadelijk, omdat hij gaarne wilde weten, wat van hem gezegd zou worden. Ter voldoening aan dit verzoek dienden toen de volgende regelen:Ten in the hundred lies here ingrav’d;’Tis a hundred to ten his soul is not sav’d:If any man ask, Who lies in this tomb?Oh! oh! quoth the devil, ’t is my John-a-Combe.Als de geschiedenis waar is, heeft John Combe zeker hartelijk meegelachen, want hij liet, bij zijn dood, in 1614, aan “Mr. William Shakespeare vijf pond” na. Doch het verhaal van ’t grafschrift is apocrief, want reeds uit vroegeren tijd zijn zulke grafschriften bekend, natuurlijk zonder den naam van Combe; zooals:Ten in the hundred lies under this stoneAnd a hundred to ten to the devil his gone,alsmede:Who is this lyes under this hearse?Ho, ho, quoth the devil, tis my Dr. Pearce.Aubrey maakt ook van de geschiedenis gewag, doch verhaalt haar eenigszins anders, veel minder waarschijnlijk. Hier kan niet alles worden medegedeeld, wat van Shakespeare wel verteld en geboekt is; wie het voornaamste in een beknopt bestek bijeen wil vinden, met aanhaling van de oorspronkelijke woorden, raadplege in het tweede deel van Delius’ uitgave van des dichters werken deBiographische Nachrichten, alsmedeErläuterungen und Beilagen. Men vindt daar ook den volledigen tekst van Sh.’s testament, de voorrede van de uitgevers der folio-editie van 1623, de lofdichten, die aan deze zijn toegevoegd enz.—Voor het hier beoogde doel, het leveren van een duidelijk en waar beeld van des dichters leven en werken, behoefden deze bouwstoffen, waaronder vele niet voldoende gewaarmerkt zijn en geen strengen toets kunnen doorstaan, geenszins alle gebezigd te worden.
Rowe noemt onder des dichters vrienden zekeren Mr. Combe, een oud rijk heer, die als geldschieter bekend stond. Deze zou schertsenderwijs verlangd hebben, dat Shakespeare een grafschrift op hem zou maken, en wel liefst dadelijk, omdat hij gaarne wilde weten, wat van hem gezegd zou worden. Ter voldoening aan dit verzoek dienden toen de volgende regelen:
Ten in the hundred lies here ingrav’d;’Tis a hundred to ten his soul is not sav’d:If any man ask, Who lies in this tomb?Oh! oh! quoth the devil, ’t is my John-a-Combe.
Ten in the hundred lies here ingrav’d;’Tis a hundred to ten his soul is not sav’d:If any man ask, Who lies in this tomb?Oh! oh! quoth the devil, ’t is my John-a-Combe.
Ten in the hundred lies here ingrav’d;
’Tis a hundred to ten his soul is not sav’d:
If any man ask, Who lies in this tomb?
Oh! oh! quoth the devil, ’t is my John-a-Combe.
Als de geschiedenis waar is, heeft John Combe zeker hartelijk meegelachen, want hij liet, bij zijn dood, in 1614, aan “Mr. William Shakespeare vijf pond” na. Doch het verhaal van ’t grafschrift is apocrief, want reeds uit vroegeren tijd zijn zulke grafschriften bekend, natuurlijk zonder den naam van Combe; zooals:
Ten in the hundred lies under this stoneAnd a hundred to ten to the devil his gone,
Ten in the hundred lies under this stoneAnd a hundred to ten to the devil his gone,
Ten in the hundred lies under this stone
And a hundred to ten to the devil his gone,
alsmede:
Who is this lyes under this hearse?Ho, ho, quoth the devil, tis my Dr. Pearce.
Who is this lyes under this hearse?Ho, ho, quoth the devil, tis my Dr. Pearce.
Who is this lyes under this hearse?
Ho, ho, quoth the devil, tis my Dr. Pearce.
Aubrey maakt ook van de geschiedenis gewag, doch verhaalt haar eenigszins anders, veel minder waarschijnlijk. Hier kan niet alles worden medegedeeld, wat van Shakespeare wel verteld en geboekt is; wie het voornaamste in een beknopt bestek bijeen wil vinden, met aanhaling van de oorspronkelijke woorden, raadplege in het tweede deel van Delius’ uitgave van des dichters werken deBiographische Nachrichten, alsmedeErläuterungen und Beilagen. Men vindt daar ook den volledigen tekst van Sh.’s testament, de voorrede van de uitgevers der folio-editie van 1623, de lofdichten, die aan deze zijn toegevoegd enz.—Voor het hier beoogde doel, het leveren van een duidelijk en waar beeld van des dichters leven en werken, behoefden deze bouwstoffen, waaronder vele niet voldoende gewaarmerkt zijn en geen strengen toets kunnen doorstaan, geenszins alle gebezigd te worden.
5In Engeland werd tot 1752 het jaar gerekend te beginnen op 25 Maart.
6Volgens den Ouden Stijl; 23 April stemde toen met den 3denMei volgens den Nieuwen Stijl overeen. Als sterfdag van den grooten Spaanschen schrijver Miguel de Saavedra Cervantes wordt (schoon zonder toereikenden grond) eveneens 23 April opgegeven, doch volgens den Nieuwen Stijl; deze zou dan tien dagen vóór Shakespeare gestorven zijn.
7
Good frend for Jesus sake forbeare,To digg the dust encloased heare.Bleste be the man that spares thes stones,And curst be he that moves my bones.
Good frend for Jesus sake forbeare,To digg the dust encloased heare.Bleste be the man that spares thes stones,And curst be he that moves my bones.
Good frend for Jesus sake forbeare,To digg the dust encloased heare.Bleste be the man that spares thes stones,And curst be he that moves my bones.
Good frend for Jesus sake forbeare,To digg the dust encloased heare.Bleste be the man that spares thes stones,And curst be he that moves my bones.
Good frend for Jesus sake forbeare,
To digg the dust encloased heare.
Bleste be the man that spares thes stones,
And curst be he that moves my bones.
8John Ward, die vicaris in Stratford was van 1648–1679, heeft enkele aanteekeningen nagelaten, waarin hij vertelt, dat “naar hij gehoord had”, Sh. van nature vernuft had, maar van kunst geen spoor; dat hij in zijn jonge jaren twee stukken ’s jaars schreef, maar later in Stratford leefde en 1000 pond ’s jaars(!) verteerde. Hij vertelt ook, dat Shakespeare, Ben Jonson en Drayton samen eens een vroolijken avond hadden en, zoo het schijnt, wat te veel dronken, zoodat Sh. de koorts kreeg en stierf. De man voegt er gemoedelijk bij, dat hij Sh.’s tooneelwerken toch eens moet lezen, om er ten minste iets van te weten.—Dat Sh. zijn oude vrienden gul ontvangen heeft, als zij hem kwamen bezoeken, is zeer natuurlijk; maar dat hij van het goede sier maken bij hun bezoek de koorts kreeg, behoeft op de praatjes van Ward niet aangenomen te worden.—Even weinig gewicht is te hechten aan het verhaal van Davies (zie bl.11), dat Shakespeare als papist stierf. Hij was ongetwijfeld geen puritein: de tijd kwam weldra, dat wie geen puritein was, voor papist werd uitgemaakt. De aanleiding tot het zeggen van Davies is dus niet ver te zoeken. Er is wel eens beweerd, dat Sh. in het Roomsche geloof gestorven is, doch zonder genoegzamen grond, waarover men Michael Bernays moge nazien.
9De vorm is opmerkelijk; op de vermaking van zijn ziel aan God en van zijn stof aan de aarde, volgt onmiddellijk:Item, Igyve and bequeath unto my daughter Judyth, etc.
10Item, I gyve unto my wife my second best bed with the furniture.Deze zin stond niet in het eerste ontwerp, maar is tusschen de regels bijgeschreven.
11Op te merken is, dat de naam hier anders gespeld wordt dan in het testament.
12Item—I will that my wife have all the plate that was hers before I married her; and twenty kye and a bull.
13In het lofdicht van Leonard Digges, vóór deze uitgave geplaatst, wordt namelijk van het monument gesproken.
14Ueber Künstler und Kunstwerke. Zweiter Jahrgang. Heft XI, XII. Mit 4 Photographien.Berlin 1867.—Men kan verder ook het opstel van Prof. Dr. Hermann Schaaffhausen:Ueber die Todtenmaske Shakespeare’s, in den tienden jaargang van hetShakespeare—Jahrbuch, blz. 26–49, raadplegen.
15Herman Grimm denkt niet aan Cervantes; doch deze had ouder trekken, was 68 jaar en had een grijzen baard; van hem kan het afgietsel niet genomen zijn.
16Hoe zeer men zich op het veld der gissingen gelieft te bewegen, kan ook de naam vanKesselstadter Maske, waarmede het afgietsel vaak wordt aangeduid, bewijzen. In Juni 1842 werd de schilderijverzameling van den overleden graaf en domheer Frans van Kesselstadt in Mainz onder den hamer gebracht, en nu onderstelt men, hoewel er geen schijn of schaduw van bewijs voor te vinden is, dat het afgietsel zich in de verzameling van den graaf bevond en van daar zijn weg gevonden heeft naar den uitdrager, bij wien Becker het vond. Van den uitdrager waren, naar het schijnt, geen inlichtingen te verkrijgen, daar zelfs zijn naam niet vermeld wordt.
17Men vergelijke blz.46.
18’Tis true, and all men’s suffrage.
19Soul of the age.
20He was not of an age, but for all time.
21For a good Poet’s made, as well as borne.
22Sweet Swan of Avon!
23Shine forth, thou Starre of Poets.
24De naam anders geschreven dan onder de voorrede!