VIII.De zonnige tijd.Hebben wij vroeger gezien, tot welk een hoogte van volkomenheid Shakespeare met zijn “Richard III” gestegen was, hij trad in 1593 of 1594 met een ander meesterstuk op, met de tragedie der liefde “Romeo en Julia”1. In zijn “Venus en Adonis” schilderde hij de hartstochtelijke uiting der liefde bij de vrouw; in zijn “Lucretia” drijft de hartstocht den man zelfs tot euveldaad; omstreeks denzelfden tijd schreef hij dit wondervolle stuk. Het onderwerp werd hem geleverd door een uitvoerig gedicht van Arthur Brooke,The Tragicall Historye of Romeus and Juliet, waarbij hij nog enkele trekken voegde uit Painter’s novelle van “Rhomeo and Julietta”, te vinden in de verzameling van verhalen,Palace of Pleasuregetiteld2; doch, mocht het aan zijn voorgangers ook gelukken een boeiend, ja treffend verhaal te leveren, Shakespeare doet de gelieven voor ons leven, hij doet hun de echte taal der vurigste liefde spreken; wij gevoelen en denken met hen mede. Heeft een boos gesternte hun den ondergang bereid, nog in hun dood zegepraalt de liefde, die beider laatste gedachte was. En hoe hun sterven ons ook roere, wij weten, dat zij de zaligheid der liefde hebben genoten; zij hebben den bedwelmenden beker snel geledigd; waarom zouden wij wenschen, dat zij dien vaak en lang elkander toebrachten? Het einde komt ras, maar hun liefde bewerkt nog na hun dood vrede en verzoening, waar de haat lange jaren geheerscht had; verzoend met hun lot, zien wij het scherm vallen.Wondervol noemde ik Shakespeare’s schepping; inderdaad, wien is het ooit gegeven geweest, een tooneelwerk zoo te doordringen van een zuidelijken gloed? Welk een betoovering oefent Julia uit, dat ook de onschuldige aanleiding van den noodlottigen afloop, de haar alsechtgenoot opgedrongen Paris, in het grafgesticht der Capulets moet vallen! En hoe blijkt hierbij de vroegere droomer Romeo in korten tijd tot ras-besloten man gerijpt te zijn! Hoe heerlijk komt Julia’s karakter uit bij de verschillende gesprekken met haar voedster! Welk een geest en leven wordt aan het eerste gedeelte van het stuk verleend door Mercutio, die, zichzelf steeds gelijk blijvend, op treffende wijze en juist dan van het tooneel verdwijnt, wanneer de noodlottige afloop nader komt en zijn rol afgespeeld is! En hoe zijn ook de andere karakters: de ouders, de vorst, broeder Lorenzo, de dienaars der beide twistende huizen, geteekend! Van dit alles vindt men geen spoor in de verhalen, die aan Shakespeare’s werk ten grondslag liggen. Al drage het stuk ook alle kenmerken van de jeugd des dichters, al moge men de zucht naar woordspelingen en gekunstelde uitdrukkingen er in gispen, al zou Shakespeare later die feilen waarschijnlijk vermeden hebben, men mag betwijfelen, of hij op rijperen leeftijd een zoo voortreffelijke tragedie der liefde geleverd zou hebben.Uit denzelfden tijd, misschien van iets vroeger, dagteekent de Midzomernachtdroom; hoe het zij, ongetwijfeld liggen beide stukken, wat den tijd betreft, niet verre uit elkander; de beschrijving van koningin Mab door Mercutio, in het vierde tooneel van het eerste bedrijf van “Romeo en Julia” toont aan, hoe toen de elfenwereld den dichter voor den geest zweefde. De vertooning van het sterven van Pyramus en Thisbe, kinderen van overhoop liggende buren, in den Midzomernachtdroom, moet wel aan den dood van Romeo en Julia in het grafgesticht der Capulets doen denken. Doch kon de dichter zoowel het roerend slottooneel van de tragedie der liefde schrijven, als een parodie er van in een ander stuk, dat even eenig is in zijn soort, even voortreffelijk en ongeëvenaard? Het moge vreemd zijn, maar waarom zou hij dit niet gedaan hebben? Is er één tooneelwerk ter wereld, dat zich met den Midzomernachtdroom laat vergelijken? En is het onmogelijkste er niet mogelijk in gemaakt?3Het stuk heeft drie zeer ongelijksoortige bestanddeelen: de bruiloft van Theseus en Hippolyta, benevens de lotgevallen der vier verliefden; de pogingen der handwerkslieden om comedie te spelen; de twist van den koning en de koningin der elfen en hierbij de guitenstreken van Puck; dit alles komt in het stuk niet eenvoudig naast elkander voor, maar het is samengeschakeld, samengeweven, door een innig verband vereenigd! Wie het wonder doorgronden wil, leze en herleze het onvergelijkelijk meesterstuk!Dezelfde begaafdheid, van zeer ongelijksoortige bestanddeelen dooreen te weven en tot een wonderschoon geheel te verwerken, merken wij ook in den “Koopman van Venetië” op. De zoo verschillende geschiedenissen van Antonio en Shylock, van Portia en Bassanio, van Jessica en Lorenzo zijn met elkander in het nauwste verband gebracht. Gegevens voor het beloop der geschiedenis leverde hem een oud verhaal van Giovanni Fiorentino, waaruit in de aanteekeningen bij het stuk het noodige medegedeeld is4; hij wijzigde dit, daar het niet geheel te gebruiken was, door er de keuze tusschen de drie kastjes in te vlechten, waarvan hij het denkbeeld aan een oude novellenverzameling, die ook Fiorentino’s bron geweest was, deGesta Romanorum, ontleende. Meer dan den gang der geschiedenis leverden hem zijn bronnen niet op; hij vond er Antonio en Shylock, Portia en Bassanio in, maar de prachtige karakterteekening is zijn eigen werk; hij dacht Jessica en Lorenzo, ook Gratiano en de andere vrienden van Antonio uit, evenzoo de twee Gobbo’s, en natuurlijk ook de schaking van Jessica door Lorenzo, die van zooveel belang is om het karakter van Shylock te doen uitkomen en zijn handelingen te verklaren; hij wist Shylock een jood te doen zijn, jegens de christenen in het algemeen vervuld van den haat, dien deze zelf gedurende de middeleeuwen door vervolging en verschopping bij de joden hadden aangekweekt, en bovendien uit geldgierigheid in het bijzonder op den koopman Antonio gebeten, die door welwillendheid jegens anderen hem benadeelde. Uit dezen haat wordt het begrijpelijk, dat het hem een wellust is, een gezegeld stuk in handen te hebben, waardoor hem de kans, hoe gering aanvankelijk ook, aangeboden wordt, van eens over het lot van den gehaten christen te kunnen beschikken. Had in den beginne alleen de gedachte aan mogelijke wraak hem gestreeld, nu ongeluk op ongeluk zijn schuldenaar treft, en zijn dochter, door een christen geschaakt, zijn dierbare dukaten en edelgesteenten met christenen verkwist, is zijn wrok zoo fel, dat hij dien, alle vermaningentot menschelijkheid terugwijzend, en trots zijn geldgierigheid zelfs de voordeeligste aanbiedingen versmadend, met het leven van den christen wil verzadigen. De gloed, waarmede dit alles geschilderd is, de onpartijdigheid des dichters, die niet verheelt, wat de joden, als paria’s der maatschappij, te lijden hadden, moeten ons niet op het dwaalspoor brengen, de teleurstelling van Shylock niet als een tragisch voorval doen beschouwen, en in hemzelf geen martelaar doen zien, die door spitsvondige redeneeringen zijn recht moet derven; wij moeten niet door diepzinnige wijsgeerige redeneeringen gaan opsporen, welke verborgen waarheden de dichter in dit stuk op bedekte wijze heeft willen verkondigen; want de blijkbare moraal van het tooneel in de gerechtszaal is, dat, wie een kuil voor anderen graaft, er ten slotte zelf in valt; een moraal, die in een blijspel volkomen op haar plaats is, zoodat zeer terecht onmiddellijk daarna het stuk op schertsenden toon voortgaat en ten einde wordt gebracht. Wie goed in den geest van het stuk wil doordringen, moge het lezen en herlezen, daarbij zich goed voor den geest stellend, hoe in Shakespeare’s tijd de toestand der joden in de maatschappij was; hij zal bij het opmerken der tallooze schoonheden veel genieten, en tevens waarnemen, dat de dichter in meer dan één opzicht zijn tijd vooruit was; doch hij geve niet te veel toe aan de bespiegelingen van velen, over de wijsgeerige grondbeginselen, welke Shakespeare op geheimzinnige wijze er in predikt. Trouwens in vele gevallen doet men beter, zich aan Shakespeare zelf te houden en zich niet door zijn verklaarders te laten leiden.“De Koopman van Venetië” is omstreeks 1595, misschien een jaar vroeger of later, geschreven; uit dit zelfde tijdperk dagteekenen hoogstwaarschijnlijk de historiestukken, “Koning Jan” en “Koning Richard de Tweede.” Het eerste staat geheel op zichzelf, maar “Koning Richard II” maakt met de beide deelen van Koning Hendrik IV en met “Koning Hendrik V” een geheel uit; deze vier zijn natuurlijk achter elkander bewerkt, en “Koning Jan” moet er aan zijn voorafgegaan. De meermalen (b. v. blz.47) vermelde lijst van Meres, van 1598, bevat “Koning Jan”, “Richard II” en “Hendrik IV”, waarvan hij alleen het eerste deel, maar misschien tevens het tweede bedoeld kan hebben; men weet, dat “Hendrik V” in 1599 voltooid was (zie blz.47).“Koning Jan” zal dus omstreeks 1595,—blijve in het midden, vóór of na “De Koopman van Venetië”—geschreven zijn. Terwijl Shakespeare aan al de overige koningsstukken de mededeelingen van Holinshed’s kroniek ten grondslag legt, heeft hij hier een ouder, zeer uitvoerig, uit twee deelen bestaand, historisch drama, dat in 1591 zonder den naam van den schrijver het licht zag, gebezigd. Hij volgt dit door alle bedrijven en tooneelen heen, en waar hij er van afwijkt, is dit niet om van Holinshed gebruik te maken en zich nader aan de geschiedenis te houden, doch alleen om een beter, den toeschouwer meer boeiend geheel te leveren, dus om dramatische redenen. De vergelijking van het oudere stuk en Shakespeare’s bewerking is wel geschikt om het onderscheid tusschen gewoon werk en meesterwerk te doen inzien. Dat de oudere “Koning Jan” mede van Shakespeare afkomstig en later door hem omgewerkt zou zijn, is niet aan te nemen; zijn oudere historiestukken, die op zichzelf een goed beeld zijner ontwikkeling als schrijver van historiestukken geven, dragen een anderen stempel, dien van zijn machtigen geest. Bovendien, Shakespeare werkte een vroegeren arbeid van hemzelf slechts zelden om; wat hij voortbracht, had waarschijnlijk bijna altijd dadelijk den vorm, dien het behield; de uitgevers der folio-editie deelen zelfs mede, dat zij schier nooit een doorhaling in zijn handschriften hebben gevonden. Zijn overvloed van denkbeelden en zijn scheppingsvermogen waren te groot, dan dat het veranderen en beschaven van zijn vroegeren arbeid hem kon aantrekken. Iets anders was het herscheppen van het werk eens anderen, waarvan de kern goed, doch de vorm gebrekkig was. Dat hij dit hier ondernam, behoeft niet te verwonderen; de historiestukken vielen zeer in den smaak5, zoodat het belang van den schouwburg het wenschelijk kan gemaakt hebben, het tweeledige stuk, dat veel goeds bevatte, in meer beknopten vorm te vertoonen. Zoo kan het zijn, dat Shakespeare op aandringen van anderen, van zijn vakgenooten, zich met de omwerking belastte. Doch evenzeer is het mogelijk, dat hijzelf er zich met liefde aan wijdde; moge ook Koning Jan op verre na niet zooveel belangstelling wekken als de door eigen schuld ongelukkige, maar dichterlijke Richard de Tweede, de figuur van den zich tot een held ontwikkelenden bastaard Faulconbridge, de tooneelen, waarin Constance of haar zoon optreden, waren wel waardig, dat Shakespeare ze bewerkte. Dat het stuk de toeschouwers boeide, zouden wij, zelfs al hadden wij het getuigenis niet van Meres, die het als voortreffelijk opnoemt, niet kunnen betwijfelen; want waar de liefde tot het vaderland en de liefde eener moeder zóó ten tooneele worden gevoerd, blijft het handgeklap niet uit, en is de indruk diep en duurzaam.Ongetwijfeld is “Koning Richard II” korten tijd na “Koning Jan” geschreven; de overeenkomst in bewerking van beide stukken kan dit doen zien. Met zeer groote waarschijnlijkheid kan men 1596 voor het jaar van ontstaan aannemen, want een quarto-uitgave van dit stuk zag in 1597 het licht. Vergelijkt men het met de oudere historiespelen, dan ziet men, hoe verre Shakespeare in de dramatische opvatting en bewerking van historische onderwerpen gevorderd was. Dit stuk omvat de matige tijdsruimte van slechts twee jaren, en met de drie, die er bij behooren, een geringere, dan het eerste deel van “Koning Hendrik VI” alleen. Het begint met de aanklacht van den hertog van Norfolk door Hendrik van Hereford in 1398 en eindigt met Richards dood in 1400, zoodat de loop der gebeurtenissen gemakkelijk te overzien is. De reeks van tyrannieke daden, door Richard begaan, waaromtrent in de aanteekeningen op het stuk het noodige vermeld is, krijgen wij dus niet te zien en vernemen wij slechts van zijn aanklagers. Het ergste, wat wij van hem zien, is zijn gedrag aan het sterfbed van zijn oom Jan van Gent, en het schreeuwend onrecht, dat hij pleegt, door zich diens erfenis toe te eigenen, en deze, tegen alle gegeven beloften in, aan den zoon en rechtmatigen erfgenaam, Hendrik van Hereford, te onthouden,—een daad, waardoor hij zich in het verderf stort. De schuld van Richard II komt dus in het stuk minder uit dan in de geschiedenis, en terecht, want hierdoor kan bij den toeschouwer deernis met zijn lot opgewekt worden, en in dezelfde mate schijnt ook de schuld van Hendrik van Hereford, of Bolingbroke, die tegen hem in opstand is, die rijst naarmate Richard daalt, en die niet vrij te pleiten is van de medeplichtigheid aan zijn dood, grooter, zoodat de moeiten en zorgen, die in de twee volgende stukken den overwinnaar steeds bezighouden en drukken, voldoende gerechtvaardigd en in den “Richard II” behoorlijk voorbereid worden.Letten wij nu verder op de dichterlijke natuur, die aan Richard wordt toegekend en die zich op de schoonste wijze uit, op de uitmuntende karakterteekening van Jan van Gent, van Bolingbroke, van den ouden York, dan moet erkend worden, dat Shakespeare met de grootste zorg dit stuk geschreven heeft en er zijn kunstvaardigheid schitterend in heeft doen blijken. Dat het stuk desniettemin niet den diepen, tragischen indruk maakt, dien men verwachten zou, is aan den aard en de handelingen van den hoofdpersoon te wijten. Wij kunnen medelijden met hem hebben, omdat hij ongelukkig is, maar zijn zwakheid en wankelmoedigheid, de miskenning zijner plichten en het dwaas vertrouwen op zijn rechten, het misbruik, dat hij van zijn macht maakt, dit alles toont hem als onbekwaam tot heerschen, waar zijn tegenstander uitnemend geschikt toe blijkt, en ontrooft hem de sympathie, die zijn val zou betreuren.Hoewel de volgende historiestukken reeds ontworpen waren, zal de dichter waarschijnlijk in dezen zelfden tijd, als ter afwisseling, nog een of twee blijspelen geschreven hebben. Misschien behoort de “Temming van de Snibbe” hier gerangschikt te worden, maar het kan ook zijn, dat dit stuk van vroeger dagteekent; men vergelijke, wat hierover in de aanteekeningen, bij het stuk gevoegd, gezegd is. Shakespeare leverde ons een verfijnde, veredelde bewerking van een ouder, grof en plomp stuk, dat in 1594 het licht zag. Dat hij er veel bijval mee behaald heeft, dat de vertooning veel toeschouwers getrokken en deze bijzonder vermaakt heeft, is, al ontbreken ons berichten hieromtrent, met zeer groote waarschijnlijkheid te gissen, daar het stuk reeds spoedig in andere landen met name in Nederland en Duitschland, nagevolgd en vertoond werd en nog heden ten dage, als het gespeeld wordt, met groot genoegen gezien en luide toegejuicht wordt.Eveneens moet “Eind goed, al goed” tot de stukken behooren, waarmede Shakespeare het schrijven van de historiespelen afwisselde. Het kan in 1594 of 1595 geschreven zijn, doch is waarschijnlijk van vroeger dagteekening en door Shakespeare later omgewerkt, waarbij het karakter van Helena misschien aanmerkelijk gewijzigd is, ernstiger en edeler geworden, maar zeker is het geschreven vóór het eerste deel van “Koning Hendrik IV”, dat in 1598 door Meres genoemd wordt; dat deze waarschijnlijk “Eind goed, al goed” bedoelt, als hij een stukLove’s Labour’s wonvermeldt, is reeds, blz.47, medegedeeld. Men raadplege hierover, alsmede over de bronnen, welke Shakespeare ten dienste stonden, en over den stijl, of liever de verschillende stijlsoorten, die in dit stuk aangetroffen worden, de Aanteekeningen. Dat het vóór “Koning Hendrik IV” geschreven is, mag onbetwijfelbaar genoemd worden: de zwetser Parolles, die er in voorkomt, is genoeg, om dit te staven. Men herkent in hem een eerste, zeer goed gelukte schets, die uitgewerkt is tot den dikken ridder Falstaff en ook tot den vaandrig Pistool. Nadat Shakespeare deze karakters geschapen had, heeft hij er zeker geen schetsachtige herhaling van gegeven, zooals Parolles dan wezen zou.—Hoeveel schoons het stuk ook moge bevatten, en met hoeveel zorg Helena’s karakter ook geteekend zij, geheel en al kan het niet bevredigen: dat Helena zich door den koning aan den beminden Bertram als vrouw laat opdringen en dan door list de voorwaardenweet vervuld te krijgen, van welke hij geschreven heeft, dat zij door haar vervuld moesten zijn, eer hij haar als zijn vrouw wil aannemen en erkennen, verder, dat Bertram, in plaats van straf, een vrouw als Helena krijgt, is meer, dan men met genoegen leest, en zou ongetwijfeld tegenwoordig bij de vertooning slechts bij zeer enkelen bijval vinden. In Shakespeare’s tijd dacht men hieromtrent blijkbaar anders.Hoogstwaarschijnlijk zette Shakespeare na deze afwisseling zijn reeks van historiestukken voort en schreef de beide deelen van “Koning Hendrik IV”. Van het eerste deel verscheen in 1598 de eerste quarto, die in 1599, 1604, 1608, 1613 en 1622 door andere drukken gevolgd werd, welke wel de bijvoeging “Op nieuw verbeterd door William Shakespeare” op den titel dragen, doch alleen meer drukfouten bevatten. In de folio van 1623 is het naar de quarto van 1613, hier en daar verbeterd, afgedrukt; voor de verkrijging van een zuiverder tekst moet men meermalen tot de vroegere quarto’s teruggaan. Van het tweede deel verscheen slechts een enkele quarto, in 1600, die in menig opzicht gebrekkig is, zoodat zij slechts hier en daar ter verbetering of aanvulling van den tekst der folio, welke naar een veel beter handschrift gedrukt is, strekken kan. Op de beide deelen van “Koning Hendrik IV” volgde ongetwijfeld spoedig “Koning Hendrik V”, die blijkens den proloog voor het vijfde bedrijf, in 1599 ten tooneele werd gebracht, zoodat toen de geheele reeks van acht historiestukken, welke, met de laatste regeeringsjaren en den val van Richard II beginnende, de opkomst en den ondergang der vorstenhuizen van Lancaster en York en de troonsbestijging van den eersten Tudor voor oogen stellen, volledig was. Van “Koning Hendrik V” verscheen in 1600 een quarto-uitgave, maar zeer slecht en onvolledig (zie de aanteekeningen op het stuk), zoodat de tekst blijkbaar op onrechtmatige wijze, door opschrijving onder de voorstelling, verkregen was en eerst de folio de echte lezing deed kennen; toch werd de quarto tweemaal, in 1602 en 1608, herdrukt.De beide deelen van “Koning Hendrik IV” worden, zooals reeds gezegd is, in “Koning Richard II” uitstekend voorbereid en voor het goed begrijpen van het karakter, de moeilijkheden, handelingen en bepeinzingen des konings, is het volstrekt noodig laatstgenoemd stuk vooraf met aandacht te lezen. Niet minder schoon dan het karakter des konings, is dat van zijn zoon, den prins van Wales, den lateren koning Hendrik V, ontwikkeld. Wars van allen schijn en onwaarheid, had hij het leven aan het hof ontweken en zich aan een loszinnig leven, dat hem aantrok, overgegeven, den omgang zoekende met ruwe klanten, onder welke de onverbeterlijke egoïst, Sir John Falstaff, de eerste is. Wanneer de prins optreedt, in het tweede tooneel van het eerste bedrijf, heeft hij ondertusschen de voosheid en nietswaardigheid van dit loszinnig leven reeds doorgrond, zooals uit zijn eerste alleenspraak blijkt. Moge hij tijdelijk nog met den dikken deugniet en diens gezellen als kameraad omgaan, nog vóór het eerste deel ten einde loopt, in den strijd met Percy en in de woorden, die hij aan den gevallen tegenstander wijdt, komt zijn edele aard ten volle uit. In het tweede deel is hij nog wel niet van Falstaff en diens aanhang geheel vervreemd, maar de omgang is op verre na zoo levendig niet meer als vroeger; en wie op den deemoed en de bescheidenheid let, waarmede hij zich als zoon en als held gedraagt, behoeft niet verbaasd te staan over de waardige wijze, waarop hij onmiddellijk na den dood zijns vaders als koning optreedt, en evenmin over de vastberadenheid en kloekheid, welke hij in het stuk, dat zijn naam draagt, zoowel tegenover de samenzweerders, die hem belagen, als tegenover de vijanden van zijn land aan den dag legt. Onder de andere personen verdient vooral Hendrik Percy de aandacht; vergelijkt men verder de tooneelen, waarin de samenzwering tegen Hendrik tot stand komt, met tooneelen van het tweede en derde deel van “Koning Hendrik VI”, dan ziet men, welke vorderingen de dichter gemaakt heeft, hoe vast en scherp de toestanden geteekend zijn, hoe ieder geheel naar zijn aard spreekt en handelt, en hoe zorgvuldig alle bijzonderheden zijn uitgewerkt.Welk waarachtig leven Shakespeare zijn scheppingen inblaast, blijkt ten duidelijkste uit den machtigen indruk, dien Sir John Falstaff met de zijnen op den toeschouwer en lezer maakt. Zij brengen de handeling wel is waar niet of weinig vooruit, doch men zou ze niet willen missen, vooral den onsterfelijken Falstaff niet, al nemen de tooneelen, waarin hij optreedt, een overgroote ruimte, wel vijf twaalfden van het stuk, in. De buitengewone bijval, dien het eerste deel van Koning Hendrik IV gevonden heeft, onder andere uit het groot aantal herdrukken van de quarto blijkbaar, is ongetwijfeld voor een goed deel aan den dikken ridder te danken. Van het tweede deel zag, zooals boven gezegd is, slechts een enkele afzonderlijke uitgave het licht; het schijnt nooit zooveel indruk gemaakt te hebben als het eerste. Wel treedt Falstaff er in op, meermalen zelfs en in groote tooneelen, doch de omgang met zijn vorstelijken kameraad is bijna opgehouden, en hiermede blijft een groote prikkel uit, die zijn geest voortdurend opwekt; hij moet zich in lagere kringen bewegen;en hoe kostelijk ook de personen, waar hij mede verkeert, zooals Zielig en Pistool, geteekend zijn, hoewel Falstaff’s geest nog even slagvaardig zij als vroeger, dit alles is geen vergoeding voor het gemis van zijn gesprekken met Prins Hendrik. Toch moesten deze wegblijven, om er op voor te bereiden, dat de prins, die het leven ernstiger gaat opnemen en weldra een voortreffelijk vorst zal blijken, hem terug zal wijzen, wanneer de onverbeterlijke zondaar zich tot hem wendt. En zoo gebeurt het hem, terecht; hij vertrouwt, nu zijn Hendrik koning geworden is, nog meer dan ooit te kunnen toegeven aan zijn eigenbatige lusten, maar moet ondervinden, dat hij verbannen wordt en op geen mijlen afstands het hof mag naderen; ja, hij moet het nog genadig achten, dat hij geen gebrek te lijden zal hebben, daar hem levensonderhoud wordt toegezegd! Moge de dichter zelf, volgens zijn eigen mededeeling, eens van plan geweest zijn, Falstaff nogmaals in “Koning Hendrik V”, te doen optreden, het bleek hem zeker bij het uitwerken van dit stuk, dat het niet gebeuren mocht, en hieraan hebben wij, uit den mond van vrouw Haastig, het fraaie verhaal van Falstaff’s dood te danken.—Kon alzoo de dikke zondaar in het tweede deel van “Koning Hendrik IV” niet zooveel bewonderaars en toejuiching oogsten als in het eerste, evenzeer was het ten nadeele van dit tweede deel, dat zoowel de hernieuwde opstand van Engelsche grooten, als de spanning, die op nieuw tusschen den koning en zijn zoon ontstond, herhalingen waren van handelingen en toestanden, die in het eerste deel voorkwamen. Hoe rijk het tweede deel ook zijn moge aan schoonheden van den eersten rang, te verwonderen is het niet, dat het in mindere mate dan het eerste de gunst van het publiek verwierf.Een andere snaar werd aangeslagen in “Koning Hendrik V”. De hoogvereerde vorst, wiens dood op jeugdigen leeftijd, na een roemvolle regeering, voor Engeland een zware slag was, die gevolgd werd door tal van rampen,—reeds jaren vroeger door Shakespeare in zijn “Koning Hendrik VI” ten tooneele gebracht,—treedt hier op in al zijn grootheid. Kalm en vastberaden weet hij, kort na zijn optreden, een geduchte samenzwering in de geboorte te smoren, en grijpt daarna, uitgetart, naar het zwaard, om den krijg in ’s vijands land over te brengen. In dit stuk, dat eigenlijk geheel aan den roemvollen krijg met Frankrijk gewijd is, dat de ongehoorde zege bij Agincourt in herinnering brengt, en met het huwelijk van den koning en de Fransche prinses, waardoor de heerschappij van Engelands koning over Frankrijk bezegeld wordt, eindigt, komen al de deugden van den geliefden vorst, zijn bezonnenheid, zijn heldenmoed, zijn bescheidenheid en zijn innige vroomheid op het heerlijkst uit. Van dramatische verwikkeling, van een knoop, die gelegd wordt en ontward moet worden, is er eigenlijk in dit stuk geen sprake; misschien heeft Shakespeare om deze reden, ten einde zijn dichtwerk te nadrukkelijker ter verheerlijking van Engelands heldenmoed te doen strekken, elk bedrijf door een met gloed geschreven koor doen voorafgaan. En wel mocht hij dezen krijg zijn toeschouwers voor oogen brengen, en hun gemoed tot liefde voor hun land ontvlammen, want—in de aanteekeningen op dit stuk wordt dit nader aangewezen—in dezen krijg werd de eenheid van het Engelsche volk voor goed gevestigd en was dit volk zich zijner kracht bewust geworden.Hiermede was de reeks der Engelsche historiestukken voltooid; nog slechts eenmaal, veel later, behandelde Shakespeare een gedeelte der Engelsche geschiedenis, in den “Koning Hendrik VIII”, welk stuk, evenmin als “Koning Jan”, tot deze groote reeks behoort. Geen wonder, dat hij, na het afweven dezer belangrijke taak, afwisseling zocht en enkele blijspelen schreef, waaronder er zijn, die tot zijn schoonste scheppingen gerekend moeten worden.Deze laatste woorden zijn ongetwijfeld niet van toepassing op het eerste hier te vermelden stuk: “De vroolijke Vrouwtjes van Windsor” Er bestaat een overlevering, dat koningin Elizabeth den wensch geuit had, Falstaff verliefd te zien, en dat binnen veertien dagen alles hiervoor gereed moest zijn. Dit bericht is eerst van 1702, toen J. Dennis een omwerking van Shakespeare’s stuk ten tooneele bracht; doch onwaarschijnlijk is de mededeeling niet te noemen. Er moet een krachtige drang uitgeoefend zijn om van den dichter te verkrijgen, dat hij de schim van den dooden Falstaff deed rondwaren. Want inderdaad, alleen een schim van hem,—zij het ook een dikke,—treedt in dit stuk op; de oude rot is versuft en loopt op allerlei manieren in de val; zijn geest is vet geworden, zijn guitig oog is dof, een uitgezetten strik merkt hij niet meer op. Met dit al is het opmerkelijk, hoe Shakespeare zich van de waarschijnlijk, ’t zij door de koningin, ’t zij door het publiek, hem opgedrongen taak kwijt; een novelle van Giovanni Fiorentino kon hem op den weg helpen en het gebruik van de waschmand aan de hand doen, maar Anna Page, Fenton, dokter Cajus, Slapperman, zijn alle scheppingen des dichters. Hoeveel geestigs er in dit blijspel ook op te merken zij, het is voor het nagaan der ontwikkeling voor Shakespeare’s geest van geen belang; Falstaff was dood, en geen bevel der koningin in staat hem op te wekken. Toch moet zijn levensbeschrijver op dit stuk letten, daar men er met groote waarschijnlijkheid uit kan afleiden, dat Shakespearemet Sir Thomas Lucy iets uitstaande had, waarover men de Aanteekeningen op dit stuk en boven blz.11nazie.Hooger lof is aan “Veel Leven om Niets”, ongetwijfeld mede uit dezen tijd herkomstig, te geven al zijn er op dit stuk aanmerkingen te maken, zoodat het wat al te veel aan zijn titel beantwoordt en den lezer of toeschouwer niet geheel bevredigt. Evenals in verscheiden andere stukken, zijn hier ernst en boert op verrassende wijze dooreengeweven. Shakespeare nam een oud verhaal, waarvan de kern reeds in Ariosto’s “Razende Roeland” te vinden is, maar dat meer uitgewerkt in Bandello’s novellenverzameling voorkomt, ter hand, en ontleende er de door Claudio lichtvaardig geloofde belastering van Hero door Don Juan aan; doch de door hemzelf in het leven geroepen personen, de elkander met kwinkslagen steeds bevechtende Benedict en Beatrice, spelen een zoo belangrijke rol, dat de vroolijke bijhandeling de ernstige hoofdhandeling, die trouwens een blij einde neemt, overheerscht, en het geheel een recht blijspel is. Hoe kunstvol Shakespeare te werk gaat, moge in dit stuk opgemerkt worden. Mocht het verwondering wekken, dat Claudio, wiens daden in den krijg zoo hoog geroemd worden en den nijd van Don Juan in zoo hooge mate opwekken, zóó lichtgeloovig en zwak is, dat hij zonder nader onderzoek de arme Hero van zich stoot,—de dichter heeft er voor gezorgd hem reeds vroeger als lichtgeloovig, zwak en heftig te doen kennen, daar hij op het bal even gretig aan de inblazingen van Don Juan, die den prins belastert, het oor leent. Evenzeer heeft hij zorg gedragen, dat wij door de verstooting van Hero niet al te diep getroffen worden en uit de blijspelstemming geraken, want wij weten, dat de uitvoerders van het schelmstuk reeds achter slot en grendel zitten, en zijn terstond ook met het geheim bekend, dat de doodgewaande Hero niet wezenlijk dood is. En kostelijk is het, dat het plompe bedrog van Don Juan niet door het verstand der verstandigen, maar door het onverstand der onnoozelen, de zoo meesterlijk geteekende dwaze nachtwachts, ontdekt wordt! In zulk een stuk mocht een bijhandeling, als de schermutselingen en het vrede-sluiten van Beatrice en Benedict, een breede ruimte innemen. Dat deze twee fijne vernuften, die onophoudelijk kibbelen, zoo ras en op zoo eenvoudige wijze tot elkander gebracht worden, behoeft mede niet te verwonderen, want reeds in het begin van het stuk zien wij, hoe Beatrice verlangt, Benedict weder te ontmoeten, zij het dan ook om met hem slaags te geraken; en Benedict geeft, hoe hij ook smale, duidelijk genoeg te kennen, dat zij hem bevalt, hem aantrekt. De door den prins uitgedachte list brengt niet samen wat van elkander afkeerig is, maar verhaast alleen de vereeniging, die toch niet zou uitblijven. En dat deze vereeniging op innige overeenstemming berust, dat beiden, hoe zij ook kibbelen en elkaâr plagen, een edelen aard bezitten, blijkt ten duidelijkste uit beider vaste overtuiging, dat de zachte Hero belasterd is, en uit beider innige deelneming in haar lot, een overeenstemming, die hun liefde bevestigt. Men vergelijke met dit paar Biron en Rosaline uit “Veel Gemin, geen Gewin”, en overwege, of de dichter op een hooger standpunt staat dan vroeger!—Waar alles zoo gelukkig afloopt, letten wij niet verder op den lasteraar; wij weten, dat hij in hechtenis is, doch wij bekommeren ons niet verder om hem; de straffen, die hem wachten, zullen later worden uitgedacht!—In een later tijdperk van zijn leven, toen de tijd van lustige en luimige blijspelen voor hem voorbij was, zou Shakespeare nog eens hetzelfde onderwerp behandelen, nog eens den beminnenden, maar lichtgeloovigen man, de onschuldige en vertrouwende liefde en den lasterenden duivel ten tooneele brengen, maar dan zou hij tot in de diepste verborgenheden van het menschelijk hart doordringen, dan zouden de hartstochten het geheele wezen van den mensch innemen, en Othello, Desdemona en Jago zouden de hoofdpersonen zijn van een onvergelijkelijk treurspel.Dat het volgende stuk “Elk wat wils”,As you like it, van 1599 of slechts enkele maanden vroeger of later dagteekent, is buiten allen twijfel, daar het in 1598 door Meres niet genoemd wordt en op 4 Augustus 1600 in het boekhandelaarsregister werd ingeschreven. De bron, waar Shakespeare uit putte, was de roman van Thomas Lodge, “Rosalinde, Euphues’ gouden nalatenschap”,Rosalynde: Eupheus Golden Legacie(reeds blz.31vermeld), waarvan hij een uitgestrekt gebruik maakte, zoodat hij de meeste personen en den gang der handeling, ja zeer vele bijzonderheden er uit overnam. Jacques, Toetssteen, Dorothea, Willem en Draaitekst echter komen alleen bij Shakespeare voor. In het tweede gedeelte moest hij, om de eischen, die de vertooning stelt, hier en daar van zijn bron afwijken. Bij Lodge wordt Celia door Orlando’s broeder Olivier uit de handen eener rooverbende gered, zoodat haar genegenheid voor haar redder beter dan in het stuk verklaarbaar wordt; bij Lodge komen de grooten van het land, de pairs, tegen den overweldiger in opstand en leveren hem aan den zoom van het woud een gevecht, waarbij hun de verdreven hertog met de zijnen te hulp komt en na de overwinning in zijn heerschappij hersteld wordt; den overweldiger heeft hij niet meer te duchten, want deze is in den strijd gevallen. Shakespeare kon in de eenzaamheid vanhet woud geen rooverbende brengen, geen leger doen optreden, hij moest zich op een andere wijze redden; doch dat de handeling hierdoor in waarschijnlijkheid gewonnen heeft, zal wel niemand beweren. Evenwel, dit is hier van minder beteekenis, want op waarschijnlijkheid, ja op mogelijkheid kan de handeling toch geen aanspraak maken; en als men alles, wat voor de handeling niet noodig is, uit het stuk wilde verwijderen, zou zeker meer dan de helft moeten gekapt worden; doch Shakespeare weet alles met zooveel bekoorlijkheid te bedeelen, met zulk een dichterlijken glans te doen stralen, dat men bij het lezen van het begin tot het einde geboeid wordt en geen enkel gedeelte zou willen missen; hoe ongewoon ook in vorm, hoe ook met alle regelen in strijd, is dit stuk toch een voortreffelijk blijspel, dat eenig in de geschiedenis der letterkunde en tegelijk onnavolgbaar is. Voor de vertooning stelt het natuurlijk aan de spelers zeer hooge eischen: zij moeten zorgen, dat het dichterlijk waas, dat over het geheele stuk is uitgebreid, door de plompe werkelijkheid niet wordt weggevaagd, de verbeelding des toeschouwers voortdurend wordt beziggehouden en aan zijn verstand de tijd niet gelaten om over de mogelijkheid of waarschijnlijkheid der gebeurtenissen en handelingen te gaan nadenken.Nog kostelijker parel ondertusschen onder Shakespeare’s echte blijspelen is ongetwijfeld “Driekoningenavond of Wat gij wilt”, dat van 1600 of 1601 dagteekent. Van den eersten regel af, waarin de hertog de muziek het voedsel der liefde noemt, tot den laatsten, waarin hij aan Viola de hand reikt, worden wij geboeid, en nu eens gestreeld en geroerd, zonder daarom tot weemoed gestemd te worden, dan weder tot gullen aanhoudenden lach geprikkeld. De verwikkelingen zijn vele en houden de aandacht en nieuwsgierigheid voortdurend levendig, de personen zeer verschillend van karakter en allen behoorlijk in verband gebracht; het meer ernstige deel der handeling is van een zoo opgewekte levensbeschouwing doordrongen, de meer boertige gedeelten zijn zoo dol en vroolijk, dat wij steeds in de aangenaamste stemming verkeeren; de ontknooping maakt allen gelukkig, en zij vloeit op de natuurlijkste wijze uit al het voorafgaande voort. Geen enkel blijspel van Shakespeare is zoo zonnig als dit. En letten wij nader op de hooge kunst, waarmede de zeer verschillende bestanddeelen tot een harmonisch geheel vereenigd zijn, op de wijze, waarop de gedachten zijn uitgedrukt, dan erkennen wij, dat de dichter een volkomen meesterschap verworven heeft, zoowel in den bouw van het drama, als in stijl en taal. Aan een Italiaansche novelle van Bandello, die hij in een Engelsche bewerking door Barnaby Rich, welke in 1851 verscheen, gelezen kan hebben, is een gedeelte der handeling ontleend, maar hij heeft dit zoo gewijzigd en door de bijgevoegde, meer comische handeling zoo verrijkt, dat het geheele blijspel zijn eigen schepping kan genoemd worden.Rekenen wij, dat het eerste tijdperk, de morgenstond van Shakespeare’s werkzaamheid, met den Titus Andronicus begonnen, zich uitstrekt tot de voltooiing van “Koning Richard III”, een echt treurspel, dat hem reeds als meester kenschetst, dan moeten wij de stukken, die daarna geschreven werden en hier door ons beschouwd zijn, tot zijn tweede tijdperk rekenen. Op den morgenstond, waarin alleen zeer in de vroegte zijn zon door eenige nevelen verduisterd werd, was een prachtige voormiddag gevolgd, en nu stond zijn zon, aan een onbevlekten hemel, op haar middaghoogte. Aleer wij haar nu in haar verderen loop nagaan, moeten wij de tot dusver genoemde stukken nogmaals overzien.Merkwaardig is het op te merken, hoe Shakespeare, die in oorspronkelijkheid ongeëvenaard is, bij het ontwerpen van het plan zijner stukken geenszins naar oorspronkelijkheid streeft, maar het plan meestal vrij getrouw aan de geschiedenis of aan de eene of andere novelle ontleent. Bij de historiestukken ligt dit wel in den aard der zaak, doch ook in deze houdt hij zich bijzonder getrouw aan de kroniek, welke hij eenmaal tot leiddraad heeft gekozen; hij is natuurlijk gedwongen hier en daar de gebeurtenissen van jaren in een kort bestek, soms in een enkel tooneel, samen te trekken; soms is hij verplicht de volgorde der gebeurtenissen te wijzigen, zooals hij dit op groote schaal in het eerste deel van Koning Hendrik IV gedaan heeft; soms smelt hij twee gebeurtenissen, die voor het vervolg ongeveer dezelfde beteekenis hebben, zooals den slag van Sint Albaans in 1455 en dien van Nottingham in 1460, tot één samen; maar over het algemeen volgt hij de overlevering, voor zoover de ontwikkeling der karakters hem niet tot verandering dwingt. Want de menschen in hun waren aard te doen kennen, hun karakter in een helder licht te stellen, de drijfveeren hunner handelingen aan te toonen en deze laatste uit het karakter te doen voortvloeien, kortom, zijn personen echte menschen te doen zijn, die geheel naar hun aard spreken en handelen, is het doel, dat hij zich voorstelt. Waar hij, om een karakter duidelijk te doen uitkomen, de geschiedenis moet wijzigen, schroomt hij geenszins, hoe getrouw anders aan zijn kroniek, dit te doen. Om dat van Richard van Gloster, den lateren koning Richard III, goed te doen kennen, laat hij hem reeds tijdens den dood zijns vaders, in 1460, te velde staan en een dapper krijgsmanblijken, schoon hij toen inderdaad nog een knaap was van acht jaren; doch Shakespeare bereikt er dan ook dit mede, dat het geheele karakter ons onuitwischbaar voor oogen staat. Met gelijk doel weet hij ook treffende episodes uit te denken; de overpeinzing van Koning Richard II in den kerker, zijn gesprek met den stalknecht en zijn strijd met de binnendringende moordenaars mogen er voorbeelden van zijn. Waar de overlevering meldt, dat Prins Hendrik, later de voortreffelijke koning Hendrik V, in zijn jeugd met losbandig volk van minderen rang omging, was hem dit genoeg om aan Sir John Falstaff en de zijnen het leven te schenken. Hij schroomt dus niet te verdichten, maar draagt hierbij steeds zorg een scherp en zoo veel mogelijk juist beeld zijner personen te teekenen; zelfs komt het meermalen voor, dat zijn scherpzinnigheid onjuist oordeel, met wonderbaar vermogen uit ’s menschen daden de roerselen van het gemoed doorgrondend, aan de figuren der kronieken een leven schonk en gedachten leende, in overeenstemming met de uitkomsten, door de latere zorgvuldige onderzoekingen der wetenschap verkregen. Wat een beroemd geschiedkundige aangaande de historische waarde van Shakespeare’s stukken gezegd heeft, is in de aanteekeningen op Koning Jan medegedeeld.Was Shakespeare bij het schrijven zijner historiestukken uit den aard der zaak verplicht, de stof aan de kronieken te ontleenen, ook bij het treurspel, dat in dit tijdperk van zijn leven geschreven werd, heeft hij zich voor den gang van het stuk aan een verhalend gedicht gehouden; doch ook hier heeft hijzelf karakters geschapen; ja, verscheiden belangwekkende personen van zijn stuk worden in dit gedicht niet of te nauwernood genoemd.Dat Shakespeare ook aan zijn blijspelen over het algemeen, met slechts weinige uitzonderingen, de een of andere novelle ten grondslag legde, heeft op deze werken een eigenaardigen stempel gedrukt, daar hij zich ook hier ten doel stelde de karakters te doen uitkomen; de wijzigingen, die hij meermalen aan het verhaal toebracht, waren steeds hierop berekend, en geenszins altijd bestemd om den loop der geschiedenis natuurlijker te maken. De verwikkelingen zijn bij zijn stukken geenszins hoofdzaak; ja, de wijze, waarop de ontknooping plaats heeft, is vaak onwaarschijnlijk genoeg. Shakespeare hechtte in zijn blijspelen hier blijkbaar minder gewicht aan. Zoo wordt het booze plan, dat in “Veel leven om niets” door Don Juan gesmeed en heimelijk ten uitvoer gelegd is, daardoor ontdekt, dat zijn medehelper het, dom genoeg, aan een ander vertelt, en wel juist op een plaats, waar toevallig eenige nachtwachts zich ophouden, die, hoe onnoozel ook, dadelijk begrijpen, dat er een schelmstuk gepleegd is, en terstond een vreemden prins, gast van hun vorst, durven beschuldigen! Dat in “Veel Gemin, geen Gewin”, de koning en drie zijner edellieden, tegen hun pas bezegelde gelofte in, allen op hetzelfde oogenblik verliefd raken op een der vier dames, die zij ontmoet hebben, en gelukkig geen twee op dezelfde, dat zij allen achtereenvolgens, zonder iets van elkaar te weten, op dezelfde plaats van een bosch komen, en dat drie hunner daar hardop de dichtregelen lezen, die zij aan hun aangebedenen gericht hebben, dit alles zondigt zeker niet door te groote waarschijnlijkheid. Meermalen laat Shakespeare een meisje in mannengewaad optreden,—en daar in zijn tijd de meisjesrollen door jongens of aankomende jongelieden vervuld werden, werd het natuurlijk spel hierdoor bevorderd,—maar dat het verkleede meisje zich niet het minste geweld behoeft aan te doen, en, zooals Portia in den “Koopman van Venetië”, een pleidooi kan houden en op het oefenen van genade aandringen, waarbij zij haar stem vol en indrukwekkend moet laten klinken, en dat zij toch niet door haar man herkend wordt,—dat Rosalinde in “Elk wat wils” zelfs schertsen kan met haar vader en zijn nieuwsgierigheid kan prikkelen, zonder dat hij vermoedt, wie voor hem staat,—dat Viola in “Driekoningenavond” noch door hertog Orsino, die zooveel en zoolang met haar spreekt, noch door de gravin Olivia, wier liefde zij afwijzen moet, als meisje herkend wordt,—is zeker meer, dan waarschijnlijk geacht kan worden. Met zulke berekeningen laat Shakespeare zich echter niet in; hij rekent veeleer op zijn kunst, van den toeschouwer te betooveren, zoodat deze niets anders meer ziet, dan hij verlangt, en het onmoog’lijkste moog’lijk acht. En dat hij inderdaad hierin slaagt, wie zal het loochenen? Schier al de genoemde stukken zijn, tot den laatsten tijd toe, ten tooneele gebracht met een praal, die in zijn tijd onmogelijk gerekend zou zijn, een praal waarbij niet de verbeeldingskracht, door hem steeds bij zijn toeschouwers ondersteld, te hulp werd geroepen, maar waarbij men de werkelijkheid nabij trachtte te komen, een praal, die voor een poëzie van minder echt gehalte verderfelijk zou geweest zijn,—en zij hebben de zware proef zegevierend doorstaan. Dat wij dus vrede hebben met de eischen, die hij aan de verbeelding stelt, en thans vragen, welke karakters door hem in zijn blijspelen onder de oogen zijner toeschouwers worden gebracht, en tevens welke niet; want ook dit laatste kan tot kennis en waardeering van zijn geest en zijn dichtkunst leiden.In het tafereel van zeden en karakters, dat groote blijspeldichters ontrollen, vallen steeds tweeërlei bestanddeelen te onderscheiden. Brengenzij de wereld, waarin zijzelf en hun toeschouwers leven, ten tooneele, dan boeien en treffen zij door de zeden van hun tijd, vaak van debelachelijkezijde, voor te stellen, en door de personen, zooals zij deze met hun scherpen blik hebben gadegeslagen, in al hun eigenaardigheid te doen optreden. Hebben zij hierbij alleen de uiterlijke eigenaardigheden, in kleeding en manieren, nagebootst, dan moge het afbeeldsel de tijdgenooten boeien en vermaken, voor de lateren, die het oorspronkelijke niet voor zich zien, is het aantrekkelijke van de nabootsing grootendeels verdwenen. Maar mogen zeden en gewoonten veranderen, de mensch zelf, met zijn gewaarwordingen, met zijn begeerten en hartstochten, met de drijfveeren zijner handelingen, blijft steeds dezelfde. Hebben zij dit alles bespied en als in een spiegel den toeschouwers voor de oogen getooverd, dan zal het beeld, hoe ook de zeden veranderen, door alle tijden heen, door zijn waarheid treffen en behagen. In dit opzicht was Shakespeare een meester. Zelfs daar, waar hij personen teekent, wiens origineelen niet meer voorkomen, zooals den Spaanschen bluffer Don Armado, den dwazen geestelijke Nathaniel, den onwetenden schoolmeester Holofernes uit “Veel Gemin, geen Gewin”, weet hij ze zoo vol leven te doen zijn, dat wij de waarheid der schildering, al zij deze naar den aard van het blijspel ook overdreven, terstond gevoelen, en er, als waren wij tijdgenooten, behagen in kunnen scheppen.Dat Shakespeare in al zijn werken steeds de natuur zelf tot gids nam en ’s menschen aard scherp gadesloeg, drukt een eigenaardigen stempel op zijn scheppingen. De Italiaansche tooneelschrijvers waren bij de Latijnsche, Plautus en Terentius, ter schole gegaan, zooals deze bij de Grieken, zonder onophoudelijk uit het volle menschenleven, dat belangwekkend is, waar men het weet te vatten, hun onderwerpen te putten. Vandaar dan ook, dat telkens dezelfde personen in hun werken terugkeeren; men vindt gierige vaders, die door verkwistende zoons bedrogen worden, oude verliefde gekken, die bitter teleurgesteld worden, jongelingen, die verliefd zijn en de tegenwerking der ouders door schalksche middelen weten vruchteloos te maken, pochers, die van hun moed en krijgsbedrijven zwetsen, doch ten laatste in hun nietigheid ontmaskerd worden, slaven, die met den zoon des huizes samenspannen om hun heer en meester te bedriegen, onwetende schoolpedanten, die door schijngeleerdheid anderen zand in de oogen trachten te strooien. Dit werden als het ware vaststaande tooneelfiguren, naar een bepaald model ontworpen, doch niet door studie der natuur met eigen leven begiftigd. Shakespeare kende ze, zooals blijkt, wanneer men zijn “Temming der Snibbe” ter hand neemt; daarin leveren de oude minnaar Gremio en zijn jonge mededinger Lucentio er voorbeelden van; doch men bedenke, dat dit stuk een omwerking is van een ander en de karakterteekening niet belangrijk gewijzigd is; als hij meer zelfstandig te werk gaat, zooals in een zijner oudste werken, de “Klucht der vergissingen”, waaraan toch een Latijnsche klucht van Plautus ten grondslag ligt, weet hij dadelijk den tooneelpoppen leven in te blazen en karakters te schilderen.Aan Shakespeare’s scherp en fijn waarnemingsvermogen en diepe studie is de groote natuurlijkheid en verscheidenheid in zijn karakters te danken. De waard, een recht vermakelijk persoon in de “Vroolijke Vrouwtjes van Windsor”, is naar het leven geteekend; al moge Parolles in “Eind goed, al goed” veel verwantschap hebben met de tooneelfiguur van een bluffenden lafaard, ook van hem moet hetzelfde getuigd worden. En welk een verscheidenheid bij de minnenden! Een Portia, een Julia uit de “Twee Edellieden van Verona”, een andere Julia, een Helena uit “Eind goed, al goed”, een Rosalinde, en een Viola, zij beminnen allen even diep en vurig, maar ieder van haar is een nieuwe schepping, zeer verschillend van de overigen. Welk een rijkdom, in vergelijking van andere, zelfs groote tooneelschrijvers, bij wier beminnende vrouwen maar al te vaak een sterke familietrek op te merken valt! En bij de minnaars heerscht niet minder verscheidenheid.Op nog een ander belangrijk verschil tusschen Shakespeare en vele andere tooneeldichters mag gewezen worden. Bij Shakespeare komt in al de blijspelen geen enkele valsche of meineedige vrouw voor, geen enkele, die haar man tracht te bedriegen; integendeel, waar, zooals in de “Vroolijke Vrouwtjes van Windsor”, een man het hof aan een getrouwde vrouw maakt,—in dit geval aan twee vrouwen tegelijk,—moet hij er danig voor boeten, en de echtgenoot, die ten onrechte jaloersch is geweest, krijgt een nadrukkelijke les, dat hij het niet had moeten zijn. De schennis der huwelijkstrouw is door Shakespeare nooit tot stof gekozen om de toeschouwers te doen lachen.—De vaders worden bij Shakespeare niet als belachelijk, en evenmin als gierig voorgesteld,—Shylock natuurlijk uitgezonderd. Zij worden niet door hun zoons bedrogen: als Valentijn, in “Twee Edellieden van Verona”, de dochter des hertogs, Sylvia, wil schaken, komt zijn toeleg uit en wordt hij met verbanning gestraft; als de hertog later zijn toestemming tot het huwelijk geeft, doet hij dit gewillig, omdat hij overtuigd is van Valentijns waarde en van de onderlinge liefde der jongelieden, niet met tegenzin, omdat hij bezwijkenmoet voor een slim overlegde zamenzwering. Hermia (Midzomernachtdroom) en Anna Page (Vroolijke Vrouwtjes van Windsor) zetten haar wil door tegen den zin van haar vader, doch ook deze schikken zich in het geval.—De dienaars gaan soms op vertrouwelijken voet met hun heer om, maar zij spelen niet de eerste rol; al dienen zij hun jongen meester van goeden raad, zij bestelen niet, te zijnen behoeve en tegen een goede belooning, zijn vader, om straks, zoodra zij de kans schoon zien, ook hun meester de beurs te lichten; Adam in “Elk wat wils” en Pisanio zijn zelfs voorbeelden, dat de edelste gezindheden in de borst van een trouwen dienaar kunnen wonen.—Men vergelijke in deze opzichten Latijnsche, Italiaansche of Fransche blijspelen van Shakespeare’s tijd en later, Molière niet uitgesloten, met de zijne, en oordeele, aan welke, uit het oogpunt van zedelijkheid, de palm toekomt.Maakt Shakespeare zich dus niet vroolijk met wat voor anderen een onuitputtelijke bron van vroolijkheid is, toch zal niemand beweren, dat hij minder hartelijk doet lachen. Integendeel, waar hij vroolijk is, is hij het door en door, en sleept onwillekeurig mede. En hij is het telkens, in al de stukken van dit tijdperk. In zijn “Romeo en Julia” beeldt hij het leven af zooals het is, en telkens komen er lachwekkende tooneelen, tot het naderen der droevige ontknooping ze van zelf verbiedt. Welk een schat van geestige en vermakelijke tooneelen er in de historiestukken voorkomen, behoeft wel niet in herinnering gebracht te worden. En in de blijspelen moge er, evenals in het leven, ernst met de scherts gemengd zijn, de geest der stukken is zoo vroolijk, scherts en boert maken er zoo de schering en den inslag van uit, doen den fijneren lach om geestigheden zoo vaak afwisselen met den schaterlach om koddige invallen, dat men overal den frisschen levenslust des dichters kan opmerken. Het vuur der jeugd doortintelt hem; hij geniet het leven met volle teugen; zijn wereldbeschouwing doet hem overal het goede, alles wat het leven veraangenaamt, opmerken; het landschap, waar zijn blik op rust, wordt door de zon beschenen. Het vaderland en de liefde zijn de machtige drijfveeren tot handelen. Hij kent ook de schaduwzijden der wereld en wijst die aan; hij kent het kwade en de ondeugd; hij kent de verderfelijke gevolgen van overmatige eerzucht en van geldgierigheid; maar het gevoel van het booze in de wereld grijpt zijn innigst wezen niet aan, het vervult zijn gemoed niet; het moge hem hier en daar juiste opmerkingen en redeneeringen ontlokken, hij zet er zich over heen en bekijkt de wereld weer van den goeden kant; hij is optimist. De peinzer Jacques moge mijmeren over het verkeerde in de wereld, en deze voos, bedorven en onrein noemen, hem wordt toegevoegd6, dat zijn beschouwingen voortvloeien uit levensmoeheid, daar hij te veel heeft willen genieten; Amiëns moge een roerend lied aanheffen over de ondankbaarheid7, de verbannen hertog geeft terstond daarna aan den jongen Orlando te kennen, dat hij door weldaden aan den zoon de diensten wil erkennen, door den vader hem bewezen, en de droefgeestige bespiegelingen van Jacques zijn niet bij machte een schaduw te werpen op het zonnig leven in het woud, ver van het gewoel der wereld.Wèl had Shakespeare reden om met opgeruimden blik in de wereld rond te zien. Op ongeveer twee-en-twintigjarigen leeftijd zijn landelijke geboorteplaats ontweken, en vreemd in de woelige wereldstad Londen aangekomen om er een geheel nieuwe loopbaan in te treden, had hij ongetwijfeld in den beginne met groote moeilijkheden, misschien met gebrek en tegenspoed, te kampen gehad, en had met onverdroten inspanning hard moeten werken: maar lang had toch zeker de tegenspoed niet geduurd en de belooning van zijn arbeid was niet uitgebleven, want reeds na vijf of zes jaren behoefde hij niet meer beklaagd te worden, maar had integendeel den nijd van oudere kunstbroeders in hooge mate opgewekt. Een hunner, Robert Greene, die stervend aan zijn wrok lucht gaf, erkende hierdoor tevens, dat de nieuw opgekomen tooneelschrijver, die aan zijn voorgangers de kunst afgezien had, hen verre overvleugelde, en bij het gezelschap, waar hij toe behoorde, een overwegenden invloed bezat. Ongetwijfeld droeg tot dezen wrok bij, dat Shakespeare van den beginne af zich niet bij hen aangesloten, niet in hun loszinnig leven gedeeld, maar door noeste werkzaamheid zich in korten tijd tot groot kunstenaar ontwikkeld had. De hatelijke uitval van Greene heeft ten gevolge gehad, dat wij een eervol getuigenis van Henry Chettle aangaande Shakespeare’s karakter en handelingen bezitten8. Weldra behaalde Shakespeare nu met zijn gedichten “Venus en Adonis” en“Lucretia” grooten roem, en mocht zich in de gunst van den graaf van Southampton verheugen. Wel bleef hem het leed des levens niet gespaard en verloor hij in Augustus 1596 zijn eenigen zoon Hamnet, een der in het begin van 1585 geboren tweelingen, maar in geldelijk opzicht ging het hem zeer goed; de schouwburg leverde hem, hetzij hij mede-eigenaar er vangeworden was of niet, vrij wat op. In 1597 kocht hij een groot huis in Stratford aan,New Placegeheeten9met bijbehoorende gronden; in ’t volgend jaar trachtte hij nabij Stratford landerijen te koopen en werd hem door een vriend, Richard Quiney, een som van dertig pond te leen gevraagd. Later heeft hij nog vrij wat geld in landerijen belegd. Kortom, uit alles blijkt, dat het hem goed ging; hij begon grondeigenaar te worden; de man, die voor weinige jaren zijn geboortestad Stratford was ontvlucht om als tooneelspeler zijn brood te verdienen, was goed op weg om in zijn eigen stad en graafschap als gezeten burger op den naam vangentlemanaanspraak te kunnen maken. Hiermede stond ongetwijfeld in verband, dat zijn vader, John Shakespeare, in 1599 vergunning verwierf een wapen te voeren10, een voorrecht, waarschijnlijk op aandrang, op kosten en door tusschenkomst van zijn zoon verkregen.1Wel werd het stuk eerst in 1597, en wel in een zeer gebrekkigen vorm, als het ware verminkt, uitgegeven, doch het was toen zeker reeds enkele jaren vroeger geschreven en gespeeld. Een omwerking neme men niet aan; men vergelijke hierover de Aanteekeningen, bij het stuk gevoegd. Over het algemeen zal hier, wat in de aanteekeningen op de stukken is medegedeeld, niet herhaald worden; waar het vermeld moet worden, wordt het slechts kort aangestipt.—Dat de herinnering aan “De twee Edellieden van Verona” bij den dichter nog levendig was, toen hij Romeo en Julia schreef, kan blijken, als men vergelijkt, wat in genoemd stuk, III. 1. 170, Valentijn, en in dit stuk, III. 3. 12, Romeo van “ballingschap” zeggen.2Reeds in 1476 had Masuccio dezelfde geschiedenis verhaald van een paar gelieven in Siena; hem volgde in 1524 Luigi da Porto, die de handeling naar Verona verplaatste en het noodlottig einde op eenigszins andere wijze tot stand deed komen; uit deze putte Bandello in 1554, aan wien Brooke de stof voor zijn gedicht ontleende. Men zie verder de Aanteekeningen.3Hoe allervermakelijkst het stuk ten tijde van Shakespeare voor de toeschouwers moet geweest zijn, kan men zich het best voorstellen, als men bedenkt wat reeds blz.14is opgemerkt, dat de tijd der mysteriespelen niet of nauwelijks voorbij was en dat deze door handwerkslieden gespeeld werden. Men vergelijke bovendien de bij het stuk gevoegde aanteekeningen.4Wie de bronnen, waaruit Shakespeare geput heeft, uitvoerig wil leeren kennen, raadplege Simrock,Die Quellen des Shakspeare, zweite Auflage, Bonn, 1870.5Men zie hierover en over de historiestukken in het algemeen de Aanteekeningen op “Koning Jan”.6“Elk wat wils”, II. 7. 64.7Aldaar, II. 7. 174.8Zie boven blz.45.9Zie boven blz.5.10Dit wapen voert in goud een zwarten rechter sehuinbalk, beladen met een gouden toernooilans, de punt van zilver, geplaatst in de richting van den schuinbalk. De wrong is van goud, zwart en zilver, en het helmteeken is een opvliegende arend, die in den rechterpoot de lans uit het schild houdt. De wapenspreuk is:non sans droict.
VIII.De zonnige tijd.Hebben wij vroeger gezien, tot welk een hoogte van volkomenheid Shakespeare met zijn “Richard III” gestegen was, hij trad in 1593 of 1594 met een ander meesterstuk op, met de tragedie der liefde “Romeo en Julia”1. In zijn “Venus en Adonis” schilderde hij de hartstochtelijke uiting der liefde bij de vrouw; in zijn “Lucretia” drijft de hartstocht den man zelfs tot euveldaad; omstreeks denzelfden tijd schreef hij dit wondervolle stuk. Het onderwerp werd hem geleverd door een uitvoerig gedicht van Arthur Brooke,The Tragicall Historye of Romeus and Juliet, waarbij hij nog enkele trekken voegde uit Painter’s novelle van “Rhomeo and Julietta”, te vinden in de verzameling van verhalen,Palace of Pleasuregetiteld2; doch, mocht het aan zijn voorgangers ook gelukken een boeiend, ja treffend verhaal te leveren, Shakespeare doet de gelieven voor ons leven, hij doet hun de echte taal der vurigste liefde spreken; wij gevoelen en denken met hen mede. Heeft een boos gesternte hun den ondergang bereid, nog in hun dood zegepraalt de liefde, die beider laatste gedachte was. En hoe hun sterven ons ook roere, wij weten, dat zij de zaligheid der liefde hebben genoten; zij hebben den bedwelmenden beker snel geledigd; waarom zouden wij wenschen, dat zij dien vaak en lang elkander toebrachten? Het einde komt ras, maar hun liefde bewerkt nog na hun dood vrede en verzoening, waar de haat lange jaren geheerscht had; verzoend met hun lot, zien wij het scherm vallen.Wondervol noemde ik Shakespeare’s schepping; inderdaad, wien is het ooit gegeven geweest, een tooneelwerk zoo te doordringen van een zuidelijken gloed? Welk een betoovering oefent Julia uit, dat ook de onschuldige aanleiding van den noodlottigen afloop, de haar alsechtgenoot opgedrongen Paris, in het grafgesticht der Capulets moet vallen! En hoe blijkt hierbij de vroegere droomer Romeo in korten tijd tot ras-besloten man gerijpt te zijn! Hoe heerlijk komt Julia’s karakter uit bij de verschillende gesprekken met haar voedster! Welk een geest en leven wordt aan het eerste gedeelte van het stuk verleend door Mercutio, die, zichzelf steeds gelijk blijvend, op treffende wijze en juist dan van het tooneel verdwijnt, wanneer de noodlottige afloop nader komt en zijn rol afgespeeld is! En hoe zijn ook de andere karakters: de ouders, de vorst, broeder Lorenzo, de dienaars der beide twistende huizen, geteekend! Van dit alles vindt men geen spoor in de verhalen, die aan Shakespeare’s werk ten grondslag liggen. Al drage het stuk ook alle kenmerken van de jeugd des dichters, al moge men de zucht naar woordspelingen en gekunstelde uitdrukkingen er in gispen, al zou Shakespeare later die feilen waarschijnlijk vermeden hebben, men mag betwijfelen, of hij op rijperen leeftijd een zoo voortreffelijke tragedie der liefde geleverd zou hebben.Uit denzelfden tijd, misschien van iets vroeger, dagteekent de Midzomernachtdroom; hoe het zij, ongetwijfeld liggen beide stukken, wat den tijd betreft, niet verre uit elkander; de beschrijving van koningin Mab door Mercutio, in het vierde tooneel van het eerste bedrijf van “Romeo en Julia” toont aan, hoe toen de elfenwereld den dichter voor den geest zweefde. De vertooning van het sterven van Pyramus en Thisbe, kinderen van overhoop liggende buren, in den Midzomernachtdroom, moet wel aan den dood van Romeo en Julia in het grafgesticht der Capulets doen denken. Doch kon de dichter zoowel het roerend slottooneel van de tragedie der liefde schrijven, als een parodie er van in een ander stuk, dat even eenig is in zijn soort, even voortreffelijk en ongeëvenaard? Het moge vreemd zijn, maar waarom zou hij dit niet gedaan hebben? Is er één tooneelwerk ter wereld, dat zich met den Midzomernachtdroom laat vergelijken? En is het onmogelijkste er niet mogelijk in gemaakt?3Het stuk heeft drie zeer ongelijksoortige bestanddeelen: de bruiloft van Theseus en Hippolyta, benevens de lotgevallen der vier verliefden; de pogingen der handwerkslieden om comedie te spelen; de twist van den koning en de koningin der elfen en hierbij de guitenstreken van Puck; dit alles komt in het stuk niet eenvoudig naast elkander voor, maar het is samengeschakeld, samengeweven, door een innig verband vereenigd! Wie het wonder doorgronden wil, leze en herleze het onvergelijkelijk meesterstuk!Dezelfde begaafdheid, van zeer ongelijksoortige bestanddeelen dooreen te weven en tot een wonderschoon geheel te verwerken, merken wij ook in den “Koopman van Venetië” op. De zoo verschillende geschiedenissen van Antonio en Shylock, van Portia en Bassanio, van Jessica en Lorenzo zijn met elkander in het nauwste verband gebracht. Gegevens voor het beloop der geschiedenis leverde hem een oud verhaal van Giovanni Fiorentino, waaruit in de aanteekeningen bij het stuk het noodige medegedeeld is4; hij wijzigde dit, daar het niet geheel te gebruiken was, door er de keuze tusschen de drie kastjes in te vlechten, waarvan hij het denkbeeld aan een oude novellenverzameling, die ook Fiorentino’s bron geweest was, deGesta Romanorum, ontleende. Meer dan den gang der geschiedenis leverden hem zijn bronnen niet op; hij vond er Antonio en Shylock, Portia en Bassanio in, maar de prachtige karakterteekening is zijn eigen werk; hij dacht Jessica en Lorenzo, ook Gratiano en de andere vrienden van Antonio uit, evenzoo de twee Gobbo’s, en natuurlijk ook de schaking van Jessica door Lorenzo, die van zooveel belang is om het karakter van Shylock te doen uitkomen en zijn handelingen te verklaren; hij wist Shylock een jood te doen zijn, jegens de christenen in het algemeen vervuld van den haat, dien deze zelf gedurende de middeleeuwen door vervolging en verschopping bij de joden hadden aangekweekt, en bovendien uit geldgierigheid in het bijzonder op den koopman Antonio gebeten, die door welwillendheid jegens anderen hem benadeelde. Uit dezen haat wordt het begrijpelijk, dat het hem een wellust is, een gezegeld stuk in handen te hebben, waardoor hem de kans, hoe gering aanvankelijk ook, aangeboden wordt, van eens over het lot van den gehaten christen te kunnen beschikken. Had in den beginne alleen de gedachte aan mogelijke wraak hem gestreeld, nu ongeluk op ongeluk zijn schuldenaar treft, en zijn dochter, door een christen geschaakt, zijn dierbare dukaten en edelgesteenten met christenen verkwist, is zijn wrok zoo fel, dat hij dien, alle vermaningentot menschelijkheid terugwijzend, en trots zijn geldgierigheid zelfs de voordeeligste aanbiedingen versmadend, met het leven van den christen wil verzadigen. De gloed, waarmede dit alles geschilderd is, de onpartijdigheid des dichters, die niet verheelt, wat de joden, als paria’s der maatschappij, te lijden hadden, moeten ons niet op het dwaalspoor brengen, de teleurstelling van Shylock niet als een tragisch voorval doen beschouwen, en in hemzelf geen martelaar doen zien, die door spitsvondige redeneeringen zijn recht moet derven; wij moeten niet door diepzinnige wijsgeerige redeneeringen gaan opsporen, welke verborgen waarheden de dichter in dit stuk op bedekte wijze heeft willen verkondigen; want de blijkbare moraal van het tooneel in de gerechtszaal is, dat, wie een kuil voor anderen graaft, er ten slotte zelf in valt; een moraal, die in een blijspel volkomen op haar plaats is, zoodat zeer terecht onmiddellijk daarna het stuk op schertsenden toon voortgaat en ten einde wordt gebracht. Wie goed in den geest van het stuk wil doordringen, moge het lezen en herlezen, daarbij zich goed voor den geest stellend, hoe in Shakespeare’s tijd de toestand der joden in de maatschappij was; hij zal bij het opmerken der tallooze schoonheden veel genieten, en tevens waarnemen, dat de dichter in meer dan één opzicht zijn tijd vooruit was; doch hij geve niet te veel toe aan de bespiegelingen van velen, over de wijsgeerige grondbeginselen, welke Shakespeare op geheimzinnige wijze er in predikt. Trouwens in vele gevallen doet men beter, zich aan Shakespeare zelf te houden en zich niet door zijn verklaarders te laten leiden.“De Koopman van Venetië” is omstreeks 1595, misschien een jaar vroeger of later, geschreven; uit dit zelfde tijdperk dagteekenen hoogstwaarschijnlijk de historiestukken, “Koning Jan” en “Koning Richard de Tweede.” Het eerste staat geheel op zichzelf, maar “Koning Richard II” maakt met de beide deelen van Koning Hendrik IV en met “Koning Hendrik V” een geheel uit; deze vier zijn natuurlijk achter elkander bewerkt, en “Koning Jan” moet er aan zijn voorafgegaan. De meermalen (b. v. blz.47) vermelde lijst van Meres, van 1598, bevat “Koning Jan”, “Richard II” en “Hendrik IV”, waarvan hij alleen het eerste deel, maar misschien tevens het tweede bedoeld kan hebben; men weet, dat “Hendrik V” in 1599 voltooid was (zie blz.47).“Koning Jan” zal dus omstreeks 1595,—blijve in het midden, vóór of na “De Koopman van Venetië”—geschreven zijn. Terwijl Shakespeare aan al de overige koningsstukken de mededeelingen van Holinshed’s kroniek ten grondslag legt, heeft hij hier een ouder, zeer uitvoerig, uit twee deelen bestaand, historisch drama, dat in 1591 zonder den naam van den schrijver het licht zag, gebezigd. Hij volgt dit door alle bedrijven en tooneelen heen, en waar hij er van afwijkt, is dit niet om van Holinshed gebruik te maken en zich nader aan de geschiedenis te houden, doch alleen om een beter, den toeschouwer meer boeiend geheel te leveren, dus om dramatische redenen. De vergelijking van het oudere stuk en Shakespeare’s bewerking is wel geschikt om het onderscheid tusschen gewoon werk en meesterwerk te doen inzien. Dat de oudere “Koning Jan” mede van Shakespeare afkomstig en later door hem omgewerkt zou zijn, is niet aan te nemen; zijn oudere historiestukken, die op zichzelf een goed beeld zijner ontwikkeling als schrijver van historiestukken geven, dragen een anderen stempel, dien van zijn machtigen geest. Bovendien, Shakespeare werkte een vroegeren arbeid van hemzelf slechts zelden om; wat hij voortbracht, had waarschijnlijk bijna altijd dadelijk den vorm, dien het behield; de uitgevers der folio-editie deelen zelfs mede, dat zij schier nooit een doorhaling in zijn handschriften hebben gevonden. Zijn overvloed van denkbeelden en zijn scheppingsvermogen waren te groot, dan dat het veranderen en beschaven van zijn vroegeren arbeid hem kon aantrekken. Iets anders was het herscheppen van het werk eens anderen, waarvan de kern goed, doch de vorm gebrekkig was. Dat hij dit hier ondernam, behoeft niet te verwonderen; de historiestukken vielen zeer in den smaak5, zoodat het belang van den schouwburg het wenschelijk kan gemaakt hebben, het tweeledige stuk, dat veel goeds bevatte, in meer beknopten vorm te vertoonen. Zoo kan het zijn, dat Shakespeare op aandringen van anderen, van zijn vakgenooten, zich met de omwerking belastte. Doch evenzeer is het mogelijk, dat hijzelf er zich met liefde aan wijdde; moge ook Koning Jan op verre na niet zooveel belangstelling wekken als de door eigen schuld ongelukkige, maar dichterlijke Richard de Tweede, de figuur van den zich tot een held ontwikkelenden bastaard Faulconbridge, de tooneelen, waarin Constance of haar zoon optreden, waren wel waardig, dat Shakespeare ze bewerkte. Dat het stuk de toeschouwers boeide, zouden wij, zelfs al hadden wij het getuigenis niet van Meres, die het als voortreffelijk opnoemt, niet kunnen betwijfelen; want waar de liefde tot het vaderland en de liefde eener moeder zóó ten tooneele worden gevoerd, blijft het handgeklap niet uit, en is de indruk diep en duurzaam.Ongetwijfeld is “Koning Richard II” korten tijd na “Koning Jan” geschreven; de overeenkomst in bewerking van beide stukken kan dit doen zien. Met zeer groote waarschijnlijkheid kan men 1596 voor het jaar van ontstaan aannemen, want een quarto-uitgave van dit stuk zag in 1597 het licht. Vergelijkt men het met de oudere historiespelen, dan ziet men, hoe verre Shakespeare in de dramatische opvatting en bewerking van historische onderwerpen gevorderd was. Dit stuk omvat de matige tijdsruimte van slechts twee jaren, en met de drie, die er bij behooren, een geringere, dan het eerste deel van “Koning Hendrik VI” alleen. Het begint met de aanklacht van den hertog van Norfolk door Hendrik van Hereford in 1398 en eindigt met Richards dood in 1400, zoodat de loop der gebeurtenissen gemakkelijk te overzien is. De reeks van tyrannieke daden, door Richard begaan, waaromtrent in de aanteekeningen op het stuk het noodige vermeld is, krijgen wij dus niet te zien en vernemen wij slechts van zijn aanklagers. Het ergste, wat wij van hem zien, is zijn gedrag aan het sterfbed van zijn oom Jan van Gent, en het schreeuwend onrecht, dat hij pleegt, door zich diens erfenis toe te eigenen, en deze, tegen alle gegeven beloften in, aan den zoon en rechtmatigen erfgenaam, Hendrik van Hereford, te onthouden,—een daad, waardoor hij zich in het verderf stort. De schuld van Richard II komt dus in het stuk minder uit dan in de geschiedenis, en terecht, want hierdoor kan bij den toeschouwer deernis met zijn lot opgewekt worden, en in dezelfde mate schijnt ook de schuld van Hendrik van Hereford, of Bolingbroke, die tegen hem in opstand is, die rijst naarmate Richard daalt, en die niet vrij te pleiten is van de medeplichtigheid aan zijn dood, grooter, zoodat de moeiten en zorgen, die in de twee volgende stukken den overwinnaar steeds bezighouden en drukken, voldoende gerechtvaardigd en in den “Richard II” behoorlijk voorbereid worden.Letten wij nu verder op de dichterlijke natuur, die aan Richard wordt toegekend en die zich op de schoonste wijze uit, op de uitmuntende karakterteekening van Jan van Gent, van Bolingbroke, van den ouden York, dan moet erkend worden, dat Shakespeare met de grootste zorg dit stuk geschreven heeft en er zijn kunstvaardigheid schitterend in heeft doen blijken. Dat het stuk desniettemin niet den diepen, tragischen indruk maakt, dien men verwachten zou, is aan den aard en de handelingen van den hoofdpersoon te wijten. Wij kunnen medelijden met hem hebben, omdat hij ongelukkig is, maar zijn zwakheid en wankelmoedigheid, de miskenning zijner plichten en het dwaas vertrouwen op zijn rechten, het misbruik, dat hij van zijn macht maakt, dit alles toont hem als onbekwaam tot heerschen, waar zijn tegenstander uitnemend geschikt toe blijkt, en ontrooft hem de sympathie, die zijn val zou betreuren.Hoewel de volgende historiestukken reeds ontworpen waren, zal de dichter waarschijnlijk in dezen zelfden tijd, als ter afwisseling, nog een of twee blijspelen geschreven hebben. Misschien behoort de “Temming van de Snibbe” hier gerangschikt te worden, maar het kan ook zijn, dat dit stuk van vroeger dagteekent; men vergelijke, wat hierover in de aanteekeningen, bij het stuk gevoegd, gezegd is. Shakespeare leverde ons een verfijnde, veredelde bewerking van een ouder, grof en plomp stuk, dat in 1594 het licht zag. Dat hij er veel bijval mee behaald heeft, dat de vertooning veel toeschouwers getrokken en deze bijzonder vermaakt heeft, is, al ontbreken ons berichten hieromtrent, met zeer groote waarschijnlijkheid te gissen, daar het stuk reeds spoedig in andere landen met name in Nederland en Duitschland, nagevolgd en vertoond werd en nog heden ten dage, als het gespeeld wordt, met groot genoegen gezien en luide toegejuicht wordt.Eveneens moet “Eind goed, al goed” tot de stukken behooren, waarmede Shakespeare het schrijven van de historiespelen afwisselde. Het kan in 1594 of 1595 geschreven zijn, doch is waarschijnlijk van vroeger dagteekening en door Shakespeare later omgewerkt, waarbij het karakter van Helena misschien aanmerkelijk gewijzigd is, ernstiger en edeler geworden, maar zeker is het geschreven vóór het eerste deel van “Koning Hendrik IV”, dat in 1598 door Meres genoemd wordt; dat deze waarschijnlijk “Eind goed, al goed” bedoelt, als hij een stukLove’s Labour’s wonvermeldt, is reeds, blz.47, medegedeeld. Men raadplege hierover, alsmede over de bronnen, welke Shakespeare ten dienste stonden, en over den stijl, of liever de verschillende stijlsoorten, die in dit stuk aangetroffen worden, de Aanteekeningen. Dat het vóór “Koning Hendrik IV” geschreven is, mag onbetwijfelbaar genoemd worden: de zwetser Parolles, die er in voorkomt, is genoeg, om dit te staven. Men herkent in hem een eerste, zeer goed gelukte schets, die uitgewerkt is tot den dikken ridder Falstaff en ook tot den vaandrig Pistool. Nadat Shakespeare deze karakters geschapen had, heeft hij er zeker geen schetsachtige herhaling van gegeven, zooals Parolles dan wezen zou.—Hoeveel schoons het stuk ook moge bevatten, en met hoeveel zorg Helena’s karakter ook geteekend zij, geheel en al kan het niet bevredigen: dat Helena zich door den koning aan den beminden Bertram als vrouw laat opdringen en dan door list de voorwaardenweet vervuld te krijgen, van welke hij geschreven heeft, dat zij door haar vervuld moesten zijn, eer hij haar als zijn vrouw wil aannemen en erkennen, verder, dat Bertram, in plaats van straf, een vrouw als Helena krijgt, is meer, dan men met genoegen leest, en zou ongetwijfeld tegenwoordig bij de vertooning slechts bij zeer enkelen bijval vinden. In Shakespeare’s tijd dacht men hieromtrent blijkbaar anders.Hoogstwaarschijnlijk zette Shakespeare na deze afwisseling zijn reeks van historiestukken voort en schreef de beide deelen van “Koning Hendrik IV”. Van het eerste deel verscheen in 1598 de eerste quarto, die in 1599, 1604, 1608, 1613 en 1622 door andere drukken gevolgd werd, welke wel de bijvoeging “Op nieuw verbeterd door William Shakespeare” op den titel dragen, doch alleen meer drukfouten bevatten. In de folio van 1623 is het naar de quarto van 1613, hier en daar verbeterd, afgedrukt; voor de verkrijging van een zuiverder tekst moet men meermalen tot de vroegere quarto’s teruggaan. Van het tweede deel verscheen slechts een enkele quarto, in 1600, die in menig opzicht gebrekkig is, zoodat zij slechts hier en daar ter verbetering of aanvulling van den tekst der folio, welke naar een veel beter handschrift gedrukt is, strekken kan. Op de beide deelen van “Koning Hendrik IV” volgde ongetwijfeld spoedig “Koning Hendrik V”, die blijkens den proloog voor het vijfde bedrijf, in 1599 ten tooneele werd gebracht, zoodat toen de geheele reeks van acht historiestukken, welke, met de laatste regeeringsjaren en den val van Richard II beginnende, de opkomst en den ondergang der vorstenhuizen van Lancaster en York en de troonsbestijging van den eersten Tudor voor oogen stellen, volledig was. Van “Koning Hendrik V” verscheen in 1600 een quarto-uitgave, maar zeer slecht en onvolledig (zie de aanteekeningen op het stuk), zoodat de tekst blijkbaar op onrechtmatige wijze, door opschrijving onder de voorstelling, verkregen was en eerst de folio de echte lezing deed kennen; toch werd de quarto tweemaal, in 1602 en 1608, herdrukt.De beide deelen van “Koning Hendrik IV” worden, zooals reeds gezegd is, in “Koning Richard II” uitstekend voorbereid en voor het goed begrijpen van het karakter, de moeilijkheden, handelingen en bepeinzingen des konings, is het volstrekt noodig laatstgenoemd stuk vooraf met aandacht te lezen. Niet minder schoon dan het karakter des konings, is dat van zijn zoon, den prins van Wales, den lateren koning Hendrik V, ontwikkeld. Wars van allen schijn en onwaarheid, had hij het leven aan het hof ontweken en zich aan een loszinnig leven, dat hem aantrok, overgegeven, den omgang zoekende met ruwe klanten, onder welke de onverbeterlijke egoïst, Sir John Falstaff, de eerste is. Wanneer de prins optreedt, in het tweede tooneel van het eerste bedrijf, heeft hij ondertusschen de voosheid en nietswaardigheid van dit loszinnig leven reeds doorgrond, zooals uit zijn eerste alleenspraak blijkt. Moge hij tijdelijk nog met den dikken deugniet en diens gezellen als kameraad omgaan, nog vóór het eerste deel ten einde loopt, in den strijd met Percy en in de woorden, die hij aan den gevallen tegenstander wijdt, komt zijn edele aard ten volle uit. In het tweede deel is hij nog wel niet van Falstaff en diens aanhang geheel vervreemd, maar de omgang is op verre na zoo levendig niet meer als vroeger; en wie op den deemoed en de bescheidenheid let, waarmede hij zich als zoon en als held gedraagt, behoeft niet verbaasd te staan over de waardige wijze, waarop hij onmiddellijk na den dood zijns vaders als koning optreedt, en evenmin over de vastberadenheid en kloekheid, welke hij in het stuk, dat zijn naam draagt, zoowel tegenover de samenzweerders, die hem belagen, als tegenover de vijanden van zijn land aan den dag legt. Onder de andere personen verdient vooral Hendrik Percy de aandacht; vergelijkt men verder de tooneelen, waarin de samenzwering tegen Hendrik tot stand komt, met tooneelen van het tweede en derde deel van “Koning Hendrik VI”, dan ziet men, welke vorderingen de dichter gemaakt heeft, hoe vast en scherp de toestanden geteekend zijn, hoe ieder geheel naar zijn aard spreekt en handelt, en hoe zorgvuldig alle bijzonderheden zijn uitgewerkt.Welk waarachtig leven Shakespeare zijn scheppingen inblaast, blijkt ten duidelijkste uit den machtigen indruk, dien Sir John Falstaff met de zijnen op den toeschouwer en lezer maakt. Zij brengen de handeling wel is waar niet of weinig vooruit, doch men zou ze niet willen missen, vooral den onsterfelijken Falstaff niet, al nemen de tooneelen, waarin hij optreedt, een overgroote ruimte, wel vijf twaalfden van het stuk, in. De buitengewone bijval, dien het eerste deel van Koning Hendrik IV gevonden heeft, onder andere uit het groot aantal herdrukken van de quarto blijkbaar, is ongetwijfeld voor een goed deel aan den dikken ridder te danken. Van het tweede deel zag, zooals boven gezegd is, slechts een enkele afzonderlijke uitgave het licht; het schijnt nooit zooveel indruk gemaakt te hebben als het eerste. Wel treedt Falstaff er in op, meermalen zelfs en in groote tooneelen, doch de omgang met zijn vorstelijken kameraad is bijna opgehouden, en hiermede blijft een groote prikkel uit, die zijn geest voortdurend opwekt; hij moet zich in lagere kringen bewegen;en hoe kostelijk ook de personen, waar hij mede verkeert, zooals Zielig en Pistool, geteekend zijn, hoewel Falstaff’s geest nog even slagvaardig zij als vroeger, dit alles is geen vergoeding voor het gemis van zijn gesprekken met Prins Hendrik. Toch moesten deze wegblijven, om er op voor te bereiden, dat de prins, die het leven ernstiger gaat opnemen en weldra een voortreffelijk vorst zal blijken, hem terug zal wijzen, wanneer de onverbeterlijke zondaar zich tot hem wendt. En zoo gebeurt het hem, terecht; hij vertrouwt, nu zijn Hendrik koning geworden is, nog meer dan ooit te kunnen toegeven aan zijn eigenbatige lusten, maar moet ondervinden, dat hij verbannen wordt en op geen mijlen afstands het hof mag naderen; ja, hij moet het nog genadig achten, dat hij geen gebrek te lijden zal hebben, daar hem levensonderhoud wordt toegezegd! Moge de dichter zelf, volgens zijn eigen mededeeling, eens van plan geweest zijn, Falstaff nogmaals in “Koning Hendrik V”, te doen optreden, het bleek hem zeker bij het uitwerken van dit stuk, dat het niet gebeuren mocht, en hieraan hebben wij, uit den mond van vrouw Haastig, het fraaie verhaal van Falstaff’s dood te danken.—Kon alzoo de dikke zondaar in het tweede deel van “Koning Hendrik IV” niet zooveel bewonderaars en toejuiching oogsten als in het eerste, evenzeer was het ten nadeele van dit tweede deel, dat zoowel de hernieuwde opstand van Engelsche grooten, als de spanning, die op nieuw tusschen den koning en zijn zoon ontstond, herhalingen waren van handelingen en toestanden, die in het eerste deel voorkwamen. Hoe rijk het tweede deel ook zijn moge aan schoonheden van den eersten rang, te verwonderen is het niet, dat het in mindere mate dan het eerste de gunst van het publiek verwierf.Een andere snaar werd aangeslagen in “Koning Hendrik V”. De hoogvereerde vorst, wiens dood op jeugdigen leeftijd, na een roemvolle regeering, voor Engeland een zware slag was, die gevolgd werd door tal van rampen,—reeds jaren vroeger door Shakespeare in zijn “Koning Hendrik VI” ten tooneele gebracht,—treedt hier op in al zijn grootheid. Kalm en vastberaden weet hij, kort na zijn optreden, een geduchte samenzwering in de geboorte te smoren, en grijpt daarna, uitgetart, naar het zwaard, om den krijg in ’s vijands land over te brengen. In dit stuk, dat eigenlijk geheel aan den roemvollen krijg met Frankrijk gewijd is, dat de ongehoorde zege bij Agincourt in herinnering brengt, en met het huwelijk van den koning en de Fransche prinses, waardoor de heerschappij van Engelands koning over Frankrijk bezegeld wordt, eindigt, komen al de deugden van den geliefden vorst, zijn bezonnenheid, zijn heldenmoed, zijn bescheidenheid en zijn innige vroomheid op het heerlijkst uit. Van dramatische verwikkeling, van een knoop, die gelegd wordt en ontward moet worden, is er eigenlijk in dit stuk geen sprake; misschien heeft Shakespeare om deze reden, ten einde zijn dichtwerk te nadrukkelijker ter verheerlijking van Engelands heldenmoed te doen strekken, elk bedrijf door een met gloed geschreven koor doen voorafgaan. En wel mocht hij dezen krijg zijn toeschouwers voor oogen brengen, en hun gemoed tot liefde voor hun land ontvlammen, want—in de aanteekeningen op dit stuk wordt dit nader aangewezen—in dezen krijg werd de eenheid van het Engelsche volk voor goed gevestigd en was dit volk zich zijner kracht bewust geworden.Hiermede was de reeks der Engelsche historiestukken voltooid; nog slechts eenmaal, veel later, behandelde Shakespeare een gedeelte der Engelsche geschiedenis, in den “Koning Hendrik VIII”, welk stuk, evenmin als “Koning Jan”, tot deze groote reeks behoort. Geen wonder, dat hij, na het afweven dezer belangrijke taak, afwisseling zocht en enkele blijspelen schreef, waaronder er zijn, die tot zijn schoonste scheppingen gerekend moeten worden.Deze laatste woorden zijn ongetwijfeld niet van toepassing op het eerste hier te vermelden stuk: “De vroolijke Vrouwtjes van Windsor” Er bestaat een overlevering, dat koningin Elizabeth den wensch geuit had, Falstaff verliefd te zien, en dat binnen veertien dagen alles hiervoor gereed moest zijn. Dit bericht is eerst van 1702, toen J. Dennis een omwerking van Shakespeare’s stuk ten tooneele bracht; doch onwaarschijnlijk is de mededeeling niet te noemen. Er moet een krachtige drang uitgeoefend zijn om van den dichter te verkrijgen, dat hij de schim van den dooden Falstaff deed rondwaren. Want inderdaad, alleen een schim van hem,—zij het ook een dikke,—treedt in dit stuk op; de oude rot is versuft en loopt op allerlei manieren in de val; zijn geest is vet geworden, zijn guitig oog is dof, een uitgezetten strik merkt hij niet meer op. Met dit al is het opmerkelijk, hoe Shakespeare zich van de waarschijnlijk, ’t zij door de koningin, ’t zij door het publiek, hem opgedrongen taak kwijt; een novelle van Giovanni Fiorentino kon hem op den weg helpen en het gebruik van de waschmand aan de hand doen, maar Anna Page, Fenton, dokter Cajus, Slapperman, zijn alle scheppingen des dichters. Hoeveel geestigs er in dit blijspel ook op te merken zij, het is voor het nagaan der ontwikkeling voor Shakespeare’s geest van geen belang; Falstaff was dood, en geen bevel der koningin in staat hem op te wekken. Toch moet zijn levensbeschrijver op dit stuk letten, daar men er met groote waarschijnlijkheid uit kan afleiden, dat Shakespearemet Sir Thomas Lucy iets uitstaande had, waarover men de Aanteekeningen op dit stuk en boven blz.11nazie.Hooger lof is aan “Veel Leven om Niets”, ongetwijfeld mede uit dezen tijd herkomstig, te geven al zijn er op dit stuk aanmerkingen te maken, zoodat het wat al te veel aan zijn titel beantwoordt en den lezer of toeschouwer niet geheel bevredigt. Evenals in verscheiden andere stukken, zijn hier ernst en boert op verrassende wijze dooreengeweven. Shakespeare nam een oud verhaal, waarvan de kern reeds in Ariosto’s “Razende Roeland” te vinden is, maar dat meer uitgewerkt in Bandello’s novellenverzameling voorkomt, ter hand, en ontleende er de door Claudio lichtvaardig geloofde belastering van Hero door Don Juan aan; doch de door hemzelf in het leven geroepen personen, de elkander met kwinkslagen steeds bevechtende Benedict en Beatrice, spelen een zoo belangrijke rol, dat de vroolijke bijhandeling de ernstige hoofdhandeling, die trouwens een blij einde neemt, overheerscht, en het geheel een recht blijspel is. Hoe kunstvol Shakespeare te werk gaat, moge in dit stuk opgemerkt worden. Mocht het verwondering wekken, dat Claudio, wiens daden in den krijg zoo hoog geroemd worden en den nijd van Don Juan in zoo hooge mate opwekken, zóó lichtgeloovig en zwak is, dat hij zonder nader onderzoek de arme Hero van zich stoot,—de dichter heeft er voor gezorgd hem reeds vroeger als lichtgeloovig, zwak en heftig te doen kennen, daar hij op het bal even gretig aan de inblazingen van Don Juan, die den prins belastert, het oor leent. Evenzeer heeft hij zorg gedragen, dat wij door de verstooting van Hero niet al te diep getroffen worden en uit de blijspelstemming geraken, want wij weten, dat de uitvoerders van het schelmstuk reeds achter slot en grendel zitten, en zijn terstond ook met het geheim bekend, dat de doodgewaande Hero niet wezenlijk dood is. En kostelijk is het, dat het plompe bedrog van Don Juan niet door het verstand der verstandigen, maar door het onverstand der onnoozelen, de zoo meesterlijk geteekende dwaze nachtwachts, ontdekt wordt! In zulk een stuk mocht een bijhandeling, als de schermutselingen en het vrede-sluiten van Beatrice en Benedict, een breede ruimte innemen. Dat deze twee fijne vernuften, die onophoudelijk kibbelen, zoo ras en op zoo eenvoudige wijze tot elkander gebracht worden, behoeft mede niet te verwonderen, want reeds in het begin van het stuk zien wij, hoe Beatrice verlangt, Benedict weder te ontmoeten, zij het dan ook om met hem slaags te geraken; en Benedict geeft, hoe hij ook smale, duidelijk genoeg te kennen, dat zij hem bevalt, hem aantrekt. De door den prins uitgedachte list brengt niet samen wat van elkander afkeerig is, maar verhaast alleen de vereeniging, die toch niet zou uitblijven. En dat deze vereeniging op innige overeenstemming berust, dat beiden, hoe zij ook kibbelen en elkaâr plagen, een edelen aard bezitten, blijkt ten duidelijkste uit beider vaste overtuiging, dat de zachte Hero belasterd is, en uit beider innige deelneming in haar lot, een overeenstemming, die hun liefde bevestigt. Men vergelijke met dit paar Biron en Rosaline uit “Veel Gemin, geen Gewin”, en overwege, of de dichter op een hooger standpunt staat dan vroeger!—Waar alles zoo gelukkig afloopt, letten wij niet verder op den lasteraar; wij weten, dat hij in hechtenis is, doch wij bekommeren ons niet verder om hem; de straffen, die hem wachten, zullen later worden uitgedacht!—In een later tijdperk van zijn leven, toen de tijd van lustige en luimige blijspelen voor hem voorbij was, zou Shakespeare nog eens hetzelfde onderwerp behandelen, nog eens den beminnenden, maar lichtgeloovigen man, de onschuldige en vertrouwende liefde en den lasterenden duivel ten tooneele brengen, maar dan zou hij tot in de diepste verborgenheden van het menschelijk hart doordringen, dan zouden de hartstochten het geheele wezen van den mensch innemen, en Othello, Desdemona en Jago zouden de hoofdpersonen zijn van een onvergelijkelijk treurspel.Dat het volgende stuk “Elk wat wils”,As you like it, van 1599 of slechts enkele maanden vroeger of later dagteekent, is buiten allen twijfel, daar het in 1598 door Meres niet genoemd wordt en op 4 Augustus 1600 in het boekhandelaarsregister werd ingeschreven. De bron, waar Shakespeare uit putte, was de roman van Thomas Lodge, “Rosalinde, Euphues’ gouden nalatenschap”,Rosalynde: Eupheus Golden Legacie(reeds blz.31vermeld), waarvan hij een uitgestrekt gebruik maakte, zoodat hij de meeste personen en den gang der handeling, ja zeer vele bijzonderheden er uit overnam. Jacques, Toetssteen, Dorothea, Willem en Draaitekst echter komen alleen bij Shakespeare voor. In het tweede gedeelte moest hij, om de eischen, die de vertooning stelt, hier en daar van zijn bron afwijken. Bij Lodge wordt Celia door Orlando’s broeder Olivier uit de handen eener rooverbende gered, zoodat haar genegenheid voor haar redder beter dan in het stuk verklaarbaar wordt; bij Lodge komen de grooten van het land, de pairs, tegen den overweldiger in opstand en leveren hem aan den zoom van het woud een gevecht, waarbij hun de verdreven hertog met de zijnen te hulp komt en na de overwinning in zijn heerschappij hersteld wordt; den overweldiger heeft hij niet meer te duchten, want deze is in den strijd gevallen. Shakespeare kon in de eenzaamheid vanhet woud geen rooverbende brengen, geen leger doen optreden, hij moest zich op een andere wijze redden; doch dat de handeling hierdoor in waarschijnlijkheid gewonnen heeft, zal wel niemand beweren. Evenwel, dit is hier van minder beteekenis, want op waarschijnlijkheid, ja op mogelijkheid kan de handeling toch geen aanspraak maken; en als men alles, wat voor de handeling niet noodig is, uit het stuk wilde verwijderen, zou zeker meer dan de helft moeten gekapt worden; doch Shakespeare weet alles met zooveel bekoorlijkheid te bedeelen, met zulk een dichterlijken glans te doen stralen, dat men bij het lezen van het begin tot het einde geboeid wordt en geen enkel gedeelte zou willen missen; hoe ongewoon ook in vorm, hoe ook met alle regelen in strijd, is dit stuk toch een voortreffelijk blijspel, dat eenig in de geschiedenis der letterkunde en tegelijk onnavolgbaar is. Voor de vertooning stelt het natuurlijk aan de spelers zeer hooge eischen: zij moeten zorgen, dat het dichterlijk waas, dat over het geheele stuk is uitgebreid, door de plompe werkelijkheid niet wordt weggevaagd, de verbeelding des toeschouwers voortdurend wordt beziggehouden en aan zijn verstand de tijd niet gelaten om over de mogelijkheid of waarschijnlijkheid der gebeurtenissen en handelingen te gaan nadenken.Nog kostelijker parel ondertusschen onder Shakespeare’s echte blijspelen is ongetwijfeld “Driekoningenavond of Wat gij wilt”, dat van 1600 of 1601 dagteekent. Van den eersten regel af, waarin de hertog de muziek het voedsel der liefde noemt, tot den laatsten, waarin hij aan Viola de hand reikt, worden wij geboeid, en nu eens gestreeld en geroerd, zonder daarom tot weemoed gestemd te worden, dan weder tot gullen aanhoudenden lach geprikkeld. De verwikkelingen zijn vele en houden de aandacht en nieuwsgierigheid voortdurend levendig, de personen zeer verschillend van karakter en allen behoorlijk in verband gebracht; het meer ernstige deel der handeling is van een zoo opgewekte levensbeschouwing doordrongen, de meer boertige gedeelten zijn zoo dol en vroolijk, dat wij steeds in de aangenaamste stemming verkeeren; de ontknooping maakt allen gelukkig, en zij vloeit op de natuurlijkste wijze uit al het voorafgaande voort. Geen enkel blijspel van Shakespeare is zoo zonnig als dit. En letten wij nader op de hooge kunst, waarmede de zeer verschillende bestanddeelen tot een harmonisch geheel vereenigd zijn, op de wijze, waarop de gedachten zijn uitgedrukt, dan erkennen wij, dat de dichter een volkomen meesterschap verworven heeft, zoowel in den bouw van het drama, als in stijl en taal. Aan een Italiaansche novelle van Bandello, die hij in een Engelsche bewerking door Barnaby Rich, welke in 1851 verscheen, gelezen kan hebben, is een gedeelte der handeling ontleend, maar hij heeft dit zoo gewijzigd en door de bijgevoegde, meer comische handeling zoo verrijkt, dat het geheele blijspel zijn eigen schepping kan genoemd worden.Rekenen wij, dat het eerste tijdperk, de morgenstond van Shakespeare’s werkzaamheid, met den Titus Andronicus begonnen, zich uitstrekt tot de voltooiing van “Koning Richard III”, een echt treurspel, dat hem reeds als meester kenschetst, dan moeten wij de stukken, die daarna geschreven werden en hier door ons beschouwd zijn, tot zijn tweede tijdperk rekenen. Op den morgenstond, waarin alleen zeer in de vroegte zijn zon door eenige nevelen verduisterd werd, was een prachtige voormiddag gevolgd, en nu stond zijn zon, aan een onbevlekten hemel, op haar middaghoogte. Aleer wij haar nu in haar verderen loop nagaan, moeten wij de tot dusver genoemde stukken nogmaals overzien.Merkwaardig is het op te merken, hoe Shakespeare, die in oorspronkelijkheid ongeëvenaard is, bij het ontwerpen van het plan zijner stukken geenszins naar oorspronkelijkheid streeft, maar het plan meestal vrij getrouw aan de geschiedenis of aan de eene of andere novelle ontleent. Bij de historiestukken ligt dit wel in den aard der zaak, doch ook in deze houdt hij zich bijzonder getrouw aan de kroniek, welke hij eenmaal tot leiddraad heeft gekozen; hij is natuurlijk gedwongen hier en daar de gebeurtenissen van jaren in een kort bestek, soms in een enkel tooneel, samen te trekken; soms is hij verplicht de volgorde der gebeurtenissen te wijzigen, zooals hij dit op groote schaal in het eerste deel van Koning Hendrik IV gedaan heeft; soms smelt hij twee gebeurtenissen, die voor het vervolg ongeveer dezelfde beteekenis hebben, zooals den slag van Sint Albaans in 1455 en dien van Nottingham in 1460, tot één samen; maar over het algemeen volgt hij de overlevering, voor zoover de ontwikkeling der karakters hem niet tot verandering dwingt. Want de menschen in hun waren aard te doen kennen, hun karakter in een helder licht te stellen, de drijfveeren hunner handelingen aan te toonen en deze laatste uit het karakter te doen voortvloeien, kortom, zijn personen echte menschen te doen zijn, die geheel naar hun aard spreken en handelen, is het doel, dat hij zich voorstelt. Waar hij, om een karakter duidelijk te doen uitkomen, de geschiedenis moet wijzigen, schroomt hij geenszins, hoe getrouw anders aan zijn kroniek, dit te doen. Om dat van Richard van Gloster, den lateren koning Richard III, goed te doen kennen, laat hij hem reeds tijdens den dood zijns vaders, in 1460, te velde staan en een dapper krijgsmanblijken, schoon hij toen inderdaad nog een knaap was van acht jaren; doch Shakespeare bereikt er dan ook dit mede, dat het geheele karakter ons onuitwischbaar voor oogen staat. Met gelijk doel weet hij ook treffende episodes uit te denken; de overpeinzing van Koning Richard II in den kerker, zijn gesprek met den stalknecht en zijn strijd met de binnendringende moordenaars mogen er voorbeelden van zijn. Waar de overlevering meldt, dat Prins Hendrik, later de voortreffelijke koning Hendrik V, in zijn jeugd met losbandig volk van minderen rang omging, was hem dit genoeg om aan Sir John Falstaff en de zijnen het leven te schenken. Hij schroomt dus niet te verdichten, maar draagt hierbij steeds zorg een scherp en zoo veel mogelijk juist beeld zijner personen te teekenen; zelfs komt het meermalen voor, dat zijn scherpzinnigheid onjuist oordeel, met wonderbaar vermogen uit ’s menschen daden de roerselen van het gemoed doorgrondend, aan de figuren der kronieken een leven schonk en gedachten leende, in overeenstemming met de uitkomsten, door de latere zorgvuldige onderzoekingen der wetenschap verkregen. Wat een beroemd geschiedkundige aangaande de historische waarde van Shakespeare’s stukken gezegd heeft, is in de aanteekeningen op Koning Jan medegedeeld.Was Shakespeare bij het schrijven zijner historiestukken uit den aard der zaak verplicht, de stof aan de kronieken te ontleenen, ook bij het treurspel, dat in dit tijdperk van zijn leven geschreven werd, heeft hij zich voor den gang van het stuk aan een verhalend gedicht gehouden; doch ook hier heeft hijzelf karakters geschapen; ja, verscheiden belangwekkende personen van zijn stuk worden in dit gedicht niet of te nauwernood genoemd.Dat Shakespeare ook aan zijn blijspelen over het algemeen, met slechts weinige uitzonderingen, de een of andere novelle ten grondslag legde, heeft op deze werken een eigenaardigen stempel gedrukt, daar hij zich ook hier ten doel stelde de karakters te doen uitkomen; de wijzigingen, die hij meermalen aan het verhaal toebracht, waren steeds hierop berekend, en geenszins altijd bestemd om den loop der geschiedenis natuurlijker te maken. De verwikkelingen zijn bij zijn stukken geenszins hoofdzaak; ja, de wijze, waarop de ontknooping plaats heeft, is vaak onwaarschijnlijk genoeg. Shakespeare hechtte in zijn blijspelen hier blijkbaar minder gewicht aan. Zoo wordt het booze plan, dat in “Veel leven om niets” door Don Juan gesmeed en heimelijk ten uitvoer gelegd is, daardoor ontdekt, dat zijn medehelper het, dom genoeg, aan een ander vertelt, en wel juist op een plaats, waar toevallig eenige nachtwachts zich ophouden, die, hoe onnoozel ook, dadelijk begrijpen, dat er een schelmstuk gepleegd is, en terstond een vreemden prins, gast van hun vorst, durven beschuldigen! Dat in “Veel Gemin, geen Gewin”, de koning en drie zijner edellieden, tegen hun pas bezegelde gelofte in, allen op hetzelfde oogenblik verliefd raken op een der vier dames, die zij ontmoet hebben, en gelukkig geen twee op dezelfde, dat zij allen achtereenvolgens, zonder iets van elkaar te weten, op dezelfde plaats van een bosch komen, en dat drie hunner daar hardop de dichtregelen lezen, die zij aan hun aangebedenen gericht hebben, dit alles zondigt zeker niet door te groote waarschijnlijkheid. Meermalen laat Shakespeare een meisje in mannengewaad optreden,—en daar in zijn tijd de meisjesrollen door jongens of aankomende jongelieden vervuld werden, werd het natuurlijk spel hierdoor bevorderd,—maar dat het verkleede meisje zich niet het minste geweld behoeft aan te doen, en, zooals Portia in den “Koopman van Venetië”, een pleidooi kan houden en op het oefenen van genade aandringen, waarbij zij haar stem vol en indrukwekkend moet laten klinken, en dat zij toch niet door haar man herkend wordt,—dat Rosalinde in “Elk wat wils” zelfs schertsen kan met haar vader en zijn nieuwsgierigheid kan prikkelen, zonder dat hij vermoedt, wie voor hem staat,—dat Viola in “Driekoningenavond” noch door hertog Orsino, die zooveel en zoolang met haar spreekt, noch door de gravin Olivia, wier liefde zij afwijzen moet, als meisje herkend wordt,—is zeker meer, dan waarschijnlijk geacht kan worden. Met zulke berekeningen laat Shakespeare zich echter niet in; hij rekent veeleer op zijn kunst, van den toeschouwer te betooveren, zoodat deze niets anders meer ziet, dan hij verlangt, en het onmoog’lijkste moog’lijk acht. En dat hij inderdaad hierin slaagt, wie zal het loochenen? Schier al de genoemde stukken zijn, tot den laatsten tijd toe, ten tooneele gebracht met een praal, die in zijn tijd onmogelijk gerekend zou zijn, een praal waarbij niet de verbeeldingskracht, door hem steeds bij zijn toeschouwers ondersteld, te hulp werd geroepen, maar waarbij men de werkelijkheid nabij trachtte te komen, een praal, die voor een poëzie van minder echt gehalte verderfelijk zou geweest zijn,—en zij hebben de zware proef zegevierend doorstaan. Dat wij dus vrede hebben met de eischen, die hij aan de verbeelding stelt, en thans vragen, welke karakters door hem in zijn blijspelen onder de oogen zijner toeschouwers worden gebracht, en tevens welke niet; want ook dit laatste kan tot kennis en waardeering van zijn geest en zijn dichtkunst leiden.In het tafereel van zeden en karakters, dat groote blijspeldichters ontrollen, vallen steeds tweeërlei bestanddeelen te onderscheiden. Brengenzij de wereld, waarin zijzelf en hun toeschouwers leven, ten tooneele, dan boeien en treffen zij door de zeden van hun tijd, vaak van debelachelijkezijde, voor te stellen, en door de personen, zooals zij deze met hun scherpen blik hebben gadegeslagen, in al hun eigenaardigheid te doen optreden. Hebben zij hierbij alleen de uiterlijke eigenaardigheden, in kleeding en manieren, nagebootst, dan moge het afbeeldsel de tijdgenooten boeien en vermaken, voor de lateren, die het oorspronkelijke niet voor zich zien, is het aantrekkelijke van de nabootsing grootendeels verdwenen. Maar mogen zeden en gewoonten veranderen, de mensch zelf, met zijn gewaarwordingen, met zijn begeerten en hartstochten, met de drijfveeren zijner handelingen, blijft steeds dezelfde. Hebben zij dit alles bespied en als in een spiegel den toeschouwers voor de oogen getooverd, dan zal het beeld, hoe ook de zeden veranderen, door alle tijden heen, door zijn waarheid treffen en behagen. In dit opzicht was Shakespeare een meester. Zelfs daar, waar hij personen teekent, wiens origineelen niet meer voorkomen, zooals den Spaanschen bluffer Don Armado, den dwazen geestelijke Nathaniel, den onwetenden schoolmeester Holofernes uit “Veel Gemin, geen Gewin”, weet hij ze zoo vol leven te doen zijn, dat wij de waarheid der schildering, al zij deze naar den aard van het blijspel ook overdreven, terstond gevoelen, en er, als waren wij tijdgenooten, behagen in kunnen scheppen.Dat Shakespeare in al zijn werken steeds de natuur zelf tot gids nam en ’s menschen aard scherp gadesloeg, drukt een eigenaardigen stempel op zijn scheppingen. De Italiaansche tooneelschrijvers waren bij de Latijnsche, Plautus en Terentius, ter schole gegaan, zooals deze bij de Grieken, zonder onophoudelijk uit het volle menschenleven, dat belangwekkend is, waar men het weet te vatten, hun onderwerpen te putten. Vandaar dan ook, dat telkens dezelfde personen in hun werken terugkeeren; men vindt gierige vaders, die door verkwistende zoons bedrogen worden, oude verliefde gekken, die bitter teleurgesteld worden, jongelingen, die verliefd zijn en de tegenwerking der ouders door schalksche middelen weten vruchteloos te maken, pochers, die van hun moed en krijgsbedrijven zwetsen, doch ten laatste in hun nietigheid ontmaskerd worden, slaven, die met den zoon des huizes samenspannen om hun heer en meester te bedriegen, onwetende schoolpedanten, die door schijngeleerdheid anderen zand in de oogen trachten te strooien. Dit werden als het ware vaststaande tooneelfiguren, naar een bepaald model ontworpen, doch niet door studie der natuur met eigen leven begiftigd. Shakespeare kende ze, zooals blijkt, wanneer men zijn “Temming der Snibbe” ter hand neemt; daarin leveren de oude minnaar Gremio en zijn jonge mededinger Lucentio er voorbeelden van; doch men bedenke, dat dit stuk een omwerking is van een ander en de karakterteekening niet belangrijk gewijzigd is; als hij meer zelfstandig te werk gaat, zooals in een zijner oudste werken, de “Klucht der vergissingen”, waaraan toch een Latijnsche klucht van Plautus ten grondslag ligt, weet hij dadelijk den tooneelpoppen leven in te blazen en karakters te schilderen.Aan Shakespeare’s scherp en fijn waarnemingsvermogen en diepe studie is de groote natuurlijkheid en verscheidenheid in zijn karakters te danken. De waard, een recht vermakelijk persoon in de “Vroolijke Vrouwtjes van Windsor”, is naar het leven geteekend; al moge Parolles in “Eind goed, al goed” veel verwantschap hebben met de tooneelfiguur van een bluffenden lafaard, ook van hem moet hetzelfde getuigd worden. En welk een verscheidenheid bij de minnenden! Een Portia, een Julia uit de “Twee Edellieden van Verona”, een andere Julia, een Helena uit “Eind goed, al goed”, een Rosalinde, en een Viola, zij beminnen allen even diep en vurig, maar ieder van haar is een nieuwe schepping, zeer verschillend van de overigen. Welk een rijkdom, in vergelijking van andere, zelfs groote tooneelschrijvers, bij wier beminnende vrouwen maar al te vaak een sterke familietrek op te merken valt! En bij de minnaars heerscht niet minder verscheidenheid.Op nog een ander belangrijk verschil tusschen Shakespeare en vele andere tooneeldichters mag gewezen worden. Bij Shakespeare komt in al de blijspelen geen enkele valsche of meineedige vrouw voor, geen enkele, die haar man tracht te bedriegen; integendeel, waar, zooals in de “Vroolijke Vrouwtjes van Windsor”, een man het hof aan een getrouwde vrouw maakt,—in dit geval aan twee vrouwen tegelijk,—moet hij er danig voor boeten, en de echtgenoot, die ten onrechte jaloersch is geweest, krijgt een nadrukkelijke les, dat hij het niet had moeten zijn. De schennis der huwelijkstrouw is door Shakespeare nooit tot stof gekozen om de toeschouwers te doen lachen.—De vaders worden bij Shakespeare niet als belachelijk, en evenmin als gierig voorgesteld,—Shylock natuurlijk uitgezonderd. Zij worden niet door hun zoons bedrogen: als Valentijn, in “Twee Edellieden van Verona”, de dochter des hertogs, Sylvia, wil schaken, komt zijn toeleg uit en wordt hij met verbanning gestraft; als de hertog later zijn toestemming tot het huwelijk geeft, doet hij dit gewillig, omdat hij overtuigd is van Valentijns waarde en van de onderlinge liefde der jongelieden, niet met tegenzin, omdat hij bezwijkenmoet voor een slim overlegde zamenzwering. Hermia (Midzomernachtdroom) en Anna Page (Vroolijke Vrouwtjes van Windsor) zetten haar wil door tegen den zin van haar vader, doch ook deze schikken zich in het geval.—De dienaars gaan soms op vertrouwelijken voet met hun heer om, maar zij spelen niet de eerste rol; al dienen zij hun jongen meester van goeden raad, zij bestelen niet, te zijnen behoeve en tegen een goede belooning, zijn vader, om straks, zoodra zij de kans schoon zien, ook hun meester de beurs te lichten; Adam in “Elk wat wils” en Pisanio zijn zelfs voorbeelden, dat de edelste gezindheden in de borst van een trouwen dienaar kunnen wonen.—Men vergelijke in deze opzichten Latijnsche, Italiaansche of Fransche blijspelen van Shakespeare’s tijd en later, Molière niet uitgesloten, met de zijne, en oordeele, aan welke, uit het oogpunt van zedelijkheid, de palm toekomt.Maakt Shakespeare zich dus niet vroolijk met wat voor anderen een onuitputtelijke bron van vroolijkheid is, toch zal niemand beweren, dat hij minder hartelijk doet lachen. Integendeel, waar hij vroolijk is, is hij het door en door, en sleept onwillekeurig mede. En hij is het telkens, in al de stukken van dit tijdperk. In zijn “Romeo en Julia” beeldt hij het leven af zooals het is, en telkens komen er lachwekkende tooneelen, tot het naderen der droevige ontknooping ze van zelf verbiedt. Welk een schat van geestige en vermakelijke tooneelen er in de historiestukken voorkomen, behoeft wel niet in herinnering gebracht te worden. En in de blijspelen moge er, evenals in het leven, ernst met de scherts gemengd zijn, de geest der stukken is zoo vroolijk, scherts en boert maken er zoo de schering en den inslag van uit, doen den fijneren lach om geestigheden zoo vaak afwisselen met den schaterlach om koddige invallen, dat men overal den frisschen levenslust des dichters kan opmerken. Het vuur der jeugd doortintelt hem; hij geniet het leven met volle teugen; zijn wereldbeschouwing doet hem overal het goede, alles wat het leven veraangenaamt, opmerken; het landschap, waar zijn blik op rust, wordt door de zon beschenen. Het vaderland en de liefde zijn de machtige drijfveeren tot handelen. Hij kent ook de schaduwzijden der wereld en wijst die aan; hij kent het kwade en de ondeugd; hij kent de verderfelijke gevolgen van overmatige eerzucht en van geldgierigheid; maar het gevoel van het booze in de wereld grijpt zijn innigst wezen niet aan, het vervult zijn gemoed niet; het moge hem hier en daar juiste opmerkingen en redeneeringen ontlokken, hij zet er zich over heen en bekijkt de wereld weer van den goeden kant; hij is optimist. De peinzer Jacques moge mijmeren over het verkeerde in de wereld, en deze voos, bedorven en onrein noemen, hem wordt toegevoegd6, dat zijn beschouwingen voortvloeien uit levensmoeheid, daar hij te veel heeft willen genieten; Amiëns moge een roerend lied aanheffen over de ondankbaarheid7, de verbannen hertog geeft terstond daarna aan den jongen Orlando te kennen, dat hij door weldaden aan den zoon de diensten wil erkennen, door den vader hem bewezen, en de droefgeestige bespiegelingen van Jacques zijn niet bij machte een schaduw te werpen op het zonnig leven in het woud, ver van het gewoel der wereld.Wèl had Shakespeare reden om met opgeruimden blik in de wereld rond te zien. Op ongeveer twee-en-twintigjarigen leeftijd zijn landelijke geboorteplaats ontweken, en vreemd in de woelige wereldstad Londen aangekomen om er een geheel nieuwe loopbaan in te treden, had hij ongetwijfeld in den beginne met groote moeilijkheden, misschien met gebrek en tegenspoed, te kampen gehad, en had met onverdroten inspanning hard moeten werken: maar lang had toch zeker de tegenspoed niet geduurd en de belooning van zijn arbeid was niet uitgebleven, want reeds na vijf of zes jaren behoefde hij niet meer beklaagd te worden, maar had integendeel den nijd van oudere kunstbroeders in hooge mate opgewekt. Een hunner, Robert Greene, die stervend aan zijn wrok lucht gaf, erkende hierdoor tevens, dat de nieuw opgekomen tooneelschrijver, die aan zijn voorgangers de kunst afgezien had, hen verre overvleugelde, en bij het gezelschap, waar hij toe behoorde, een overwegenden invloed bezat. Ongetwijfeld droeg tot dezen wrok bij, dat Shakespeare van den beginne af zich niet bij hen aangesloten, niet in hun loszinnig leven gedeeld, maar door noeste werkzaamheid zich in korten tijd tot groot kunstenaar ontwikkeld had. De hatelijke uitval van Greene heeft ten gevolge gehad, dat wij een eervol getuigenis van Henry Chettle aangaande Shakespeare’s karakter en handelingen bezitten8. Weldra behaalde Shakespeare nu met zijn gedichten “Venus en Adonis” en“Lucretia” grooten roem, en mocht zich in de gunst van den graaf van Southampton verheugen. Wel bleef hem het leed des levens niet gespaard en verloor hij in Augustus 1596 zijn eenigen zoon Hamnet, een der in het begin van 1585 geboren tweelingen, maar in geldelijk opzicht ging het hem zeer goed; de schouwburg leverde hem, hetzij hij mede-eigenaar er vangeworden was of niet, vrij wat op. In 1597 kocht hij een groot huis in Stratford aan,New Placegeheeten9met bijbehoorende gronden; in ’t volgend jaar trachtte hij nabij Stratford landerijen te koopen en werd hem door een vriend, Richard Quiney, een som van dertig pond te leen gevraagd. Later heeft hij nog vrij wat geld in landerijen belegd. Kortom, uit alles blijkt, dat het hem goed ging; hij begon grondeigenaar te worden; de man, die voor weinige jaren zijn geboortestad Stratford was ontvlucht om als tooneelspeler zijn brood te verdienen, was goed op weg om in zijn eigen stad en graafschap als gezeten burger op den naam vangentlemanaanspraak te kunnen maken. Hiermede stond ongetwijfeld in verband, dat zijn vader, John Shakespeare, in 1599 vergunning verwierf een wapen te voeren10, een voorrecht, waarschijnlijk op aandrang, op kosten en door tusschenkomst van zijn zoon verkregen.1Wel werd het stuk eerst in 1597, en wel in een zeer gebrekkigen vorm, als het ware verminkt, uitgegeven, doch het was toen zeker reeds enkele jaren vroeger geschreven en gespeeld. Een omwerking neme men niet aan; men vergelijke hierover de Aanteekeningen, bij het stuk gevoegd. Over het algemeen zal hier, wat in de aanteekeningen op de stukken is medegedeeld, niet herhaald worden; waar het vermeld moet worden, wordt het slechts kort aangestipt.—Dat de herinnering aan “De twee Edellieden van Verona” bij den dichter nog levendig was, toen hij Romeo en Julia schreef, kan blijken, als men vergelijkt, wat in genoemd stuk, III. 1. 170, Valentijn, en in dit stuk, III. 3. 12, Romeo van “ballingschap” zeggen.2Reeds in 1476 had Masuccio dezelfde geschiedenis verhaald van een paar gelieven in Siena; hem volgde in 1524 Luigi da Porto, die de handeling naar Verona verplaatste en het noodlottig einde op eenigszins andere wijze tot stand deed komen; uit deze putte Bandello in 1554, aan wien Brooke de stof voor zijn gedicht ontleende. Men zie verder de Aanteekeningen.3Hoe allervermakelijkst het stuk ten tijde van Shakespeare voor de toeschouwers moet geweest zijn, kan men zich het best voorstellen, als men bedenkt wat reeds blz.14is opgemerkt, dat de tijd der mysteriespelen niet of nauwelijks voorbij was en dat deze door handwerkslieden gespeeld werden. Men vergelijke bovendien de bij het stuk gevoegde aanteekeningen.4Wie de bronnen, waaruit Shakespeare geput heeft, uitvoerig wil leeren kennen, raadplege Simrock,Die Quellen des Shakspeare, zweite Auflage, Bonn, 1870.5Men zie hierover en over de historiestukken in het algemeen de Aanteekeningen op “Koning Jan”.6“Elk wat wils”, II. 7. 64.7Aldaar, II. 7. 174.8Zie boven blz.45.9Zie boven blz.5.10Dit wapen voert in goud een zwarten rechter sehuinbalk, beladen met een gouden toernooilans, de punt van zilver, geplaatst in de richting van den schuinbalk. De wrong is van goud, zwart en zilver, en het helmteeken is een opvliegende arend, die in den rechterpoot de lans uit het schild houdt. De wapenspreuk is:non sans droict.
VIII.De zonnige tijd.Hebben wij vroeger gezien, tot welk een hoogte van volkomenheid Shakespeare met zijn “Richard III” gestegen was, hij trad in 1593 of 1594 met een ander meesterstuk op, met de tragedie der liefde “Romeo en Julia”1. In zijn “Venus en Adonis” schilderde hij de hartstochtelijke uiting der liefde bij de vrouw; in zijn “Lucretia” drijft de hartstocht den man zelfs tot euveldaad; omstreeks denzelfden tijd schreef hij dit wondervolle stuk. Het onderwerp werd hem geleverd door een uitvoerig gedicht van Arthur Brooke,The Tragicall Historye of Romeus and Juliet, waarbij hij nog enkele trekken voegde uit Painter’s novelle van “Rhomeo and Julietta”, te vinden in de verzameling van verhalen,Palace of Pleasuregetiteld2; doch, mocht het aan zijn voorgangers ook gelukken een boeiend, ja treffend verhaal te leveren, Shakespeare doet de gelieven voor ons leven, hij doet hun de echte taal der vurigste liefde spreken; wij gevoelen en denken met hen mede. Heeft een boos gesternte hun den ondergang bereid, nog in hun dood zegepraalt de liefde, die beider laatste gedachte was. En hoe hun sterven ons ook roere, wij weten, dat zij de zaligheid der liefde hebben genoten; zij hebben den bedwelmenden beker snel geledigd; waarom zouden wij wenschen, dat zij dien vaak en lang elkander toebrachten? Het einde komt ras, maar hun liefde bewerkt nog na hun dood vrede en verzoening, waar de haat lange jaren geheerscht had; verzoend met hun lot, zien wij het scherm vallen.Wondervol noemde ik Shakespeare’s schepping; inderdaad, wien is het ooit gegeven geweest, een tooneelwerk zoo te doordringen van een zuidelijken gloed? Welk een betoovering oefent Julia uit, dat ook de onschuldige aanleiding van den noodlottigen afloop, de haar alsechtgenoot opgedrongen Paris, in het grafgesticht der Capulets moet vallen! En hoe blijkt hierbij de vroegere droomer Romeo in korten tijd tot ras-besloten man gerijpt te zijn! Hoe heerlijk komt Julia’s karakter uit bij de verschillende gesprekken met haar voedster! Welk een geest en leven wordt aan het eerste gedeelte van het stuk verleend door Mercutio, die, zichzelf steeds gelijk blijvend, op treffende wijze en juist dan van het tooneel verdwijnt, wanneer de noodlottige afloop nader komt en zijn rol afgespeeld is! En hoe zijn ook de andere karakters: de ouders, de vorst, broeder Lorenzo, de dienaars der beide twistende huizen, geteekend! Van dit alles vindt men geen spoor in de verhalen, die aan Shakespeare’s werk ten grondslag liggen. Al drage het stuk ook alle kenmerken van de jeugd des dichters, al moge men de zucht naar woordspelingen en gekunstelde uitdrukkingen er in gispen, al zou Shakespeare later die feilen waarschijnlijk vermeden hebben, men mag betwijfelen, of hij op rijperen leeftijd een zoo voortreffelijke tragedie der liefde geleverd zou hebben.Uit denzelfden tijd, misschien van iets vroeger, dagteekent de Midzomernachtdroom; hoe het zij, ongetwijfeld liggen beide stukken, wat den tijd betreft, niet verre uit elkander; de beschrijving van koningin Mab door Mercutio, in het vierde tooneel van het eerste bedrijf van “Romeo en Julia” toont aan, hoe toen de elfenwereld den dichter voor den geest zweefde. De vertooning van het sterven van Pyramus en Thisbe, kinderen van overhoop liggende buren, in den Midzomernachtdroom, moet wel aan den dood van Romeo en Julia in het grafgesticht der Capulets doen denken. Doch kon de dichter zoowel het roerend slottooneel van de tragedie der liefde schrijven, als een parodie er van in een ander stuk, dat even eenig is in zijn soort, even voortreffelijk en ongeëvenaard? Het moge vreemd zijn, maar waarom zou hij dit niet gedaan hebben? Is er één tooneelwerk ter wereld, dat zich met den Midzomernachtdroom laat vergelijken? En is het onmogelijkste er niet mogelijk in gemaakt?3Het stuk heeft drie zeer ongelijksoortige bestanddeelen: de bruiloft van Theseus en Hippolyta, benevens de lotgevallen der vier verliefden; de pogingen der handwerkslieden om comedie te spelen; de twist van den koning en de koningin der elfen en hierbij de guitenstreken van Puck; dit alles komt in het stuk niet eenvoudig naast elkander voor, maar het is samengeschakeld, samengeweven, door een innig verband vereenigd! Wie het wonder doorgronden wil, leze en herleze het onvergelijkelijk meesterstuk!Dezelfde begaafdheid, van zeer ongelijksoortige bestanddeelen dooreen te weven en tot een wonderschoon geheel te verwerken, merken wij ook in den “Koopman van Venetië” op. De zoo verschillende geschiedenissen van Antonio en Shylock, van Portia en Bassanio, van Jessica en Lorenzo zijn met elkander in het nauwste verband gebracht. Gegevens voor het beloop der geschiedenis leverde hem een oud verhaal van Giovanni Fiorentino, waaruit in de aanteekeningen bij het stuk het noodige medegedeeld is4; hij wijzigde dit, daar het niet geheel te gebruiken was, door er de keuze tusschen de drie kastjes in te vlechten, waarvan hij het denkbeeld aan een oude novellenverzameling, die ook Fiorentino’s bron geweest was, deGesta Romanorum, ontleende. Meer dan den gang der geschiedenis leverden hem zijn bronnen niet op; hij vond er Antonio en Shylock, Portia en Bassanio in, maar de prachtige karakterteekening is zijn eigen werk; hij dacht Jessica en Lorenzo, ook Gratiano en de andere vrienden van Antonio uit, evenzoo de twee Gobbo’s, en natuurlijk ook de schaking van Jessica door Lorenzo, die van zooveel belang is om het karakter van Shylock te doen uitkomen en zijn handelingen te verklaren; hij wist Shylock een jood te doen zijn, jegens de christenen in het algemeen vervuld van den haat, dien deze zelf gedurende de middeleeuwen door vervolging en verschopping bij de joden hadden aangekweekt, en bovendien uit geldgierigheid in het bijzonder op den koopman Antonio gebeten, die door welwillendheid jegens anderen hem benadeelde. Uit dezen haat wordt het begrijpelijk, dat het hem een wellust is, een gezegeld stuk in handen te hebben, waardoor hem de kans, hoe gering aanvankelijk ook, aangeboden wordt, van eens over het lot van den gehaten christen te kunnen beschikken. Had in den beginne alleen de gedachte aan mogelijke wraak hem gestreeld, nu ongeluk op ongeluk zijn schuldenaar treft, en zijn dochter, door een christen geschaakt, zijn dierbare dukaten en edelgesteenten met christenen verkwist, is zijn wrok zoo fel, dat hij dien, alle vermaningentot menschelijkheid terugwijzend, en trots zijn geldgierigheid zelfs de voordeeligste aanbiedingen versmadend, met het leven van den christen wil verzadigen. De gloed, waarmede dit alles geschilderd is, de onpartijdigheid des dichters, die niet verheelt, wat de joden, als paria’s der maatschappij, te lijden hadden, moeten ons niet op het dwaalspoor brengen, de teleurstelling van Shylock niet als een tragisch voorval doen beschouwen, en in hemzelf geen martelaar doen zien, die door spitsvondige redeneeringen zijn recht moet derven; wij moeten niet door diepzinnige wijsgeerige redeneeringen gaan opsporen, welke verborgen waarheden de dichter in dit stuk op bedekte wijze heeft willen verkondigen; want de blijkbare moraal van het tooneel in de gerechtszaal is, dat, wie een kuil voor anderen graaft, er ten slotte zelf in valt; een moraal, die in een blijspel volkomen op haar plaats is, zoodat zeer terecht onmiddellijk daarna het stuk op schertsenden toon voortgaat en ten einde wordt gebracht. Wie goed in den geest van het stuk wil doordringen, moge het lezen en herlezen, daarbij zich goed voor den geest stellend, hoe in Shakespeare’s tijd de toestand der joden in de maatschappij was; hij zal bij het opmerken der tallooze schoonheden veel genieten, en tevens waarnemen, dat de dichter in meer dan één opzicht zijn tijd vooruit was; doch hij geve niet te veel toe aan de bespiegelingen van velen, over de wijsgeerige grondbeginselen, welke Shakespeare op geheimzinnige wijze er in predikt. Trouwens in vele gevallen doet men beter, zich aan Shakespeare zelf te houden en zich niet door zijn verklaarders te laten leiden.“De Koopman van Venetië” is omstreeks 1595, misschien een jaar vroeger of later, geschreven; uit dit zelfde tijdperk dagteekenen hoogstwaarschijnlijk de historiestukken, “Koning Jan” en “Koning Richard de Tweede.” Het eerste staat geheel op zichzelf, maar “Koning Richard II” maakt met de beide deelen van Koning Hendrik IV en met “Koning Hendrik V” een geheel uit; deze vier zijn natuurlijk achter elkander bewerkt, en “Koning Jan” moet er aan zijn voorafgegaan. De meermalen (b. v. blz.47) vermelde lijst van Meres, van 1598, bevat “Koning Jan”, “Richard II” en “Hendrik IV”, waarvan hij alleen het eerste deel, maar misschien tevens het tweede bedoeld kan hebben; men weet, dat “Hendrik V” in 1599 voltooid was (zie blz.47).“Koning Jan” zal dus omstreeks 1595,—blijve in het midden, vóór of na “De Koopman van Venetië”—geschreven zijn. Terwijl Shakespeare aan al de overige koningsstukken de mededeelingen van Holinshed’s kroniek ten grondslag legt, heeft hij hier een ouder, zeer uitvoerig, uit twee deelen bestaand, historisch drama, dat in 1591 zonder den naam van den schrijver het licht zag, gebezigd. Hij volgt dit door alle bedrijven en tooneelen heen, en waar hij er van afwijkt, is dit niet om van Holinshed gebruik te maken en zich nader aan de geschiedenis te houden, doch alleen om een beter, den toeschouwer meer boeiend geheel te leveren, dus om dramatische redenen. De vergelijking van het oudere stuk en Shakespeare’s bewerking is wel geschikt om het onderscheid tusschen gewoon werk en meesterwerk te doen inzien. Dat de oudere “Koning Jan” mede van Shakespeare afkomstig en later door hem omgewerkt zou zijn, is niet aan te nemen; zijn oudere historiestukken, die op zichzelf een goed beeld zijner ontwikkeling als schrijver van historiestukken geven, dragen een anderen stempel, dien van zijn machtigen geest. Bovendien, Shakespeare werkte een vroegeren arbeid van hemzelf slechts zelden om; wat hij voortbracht, had waarschijnlijk bijna altijd dadelijk den vorm, dien het behield; de uitgevers der folio-editie deelen zelfs mede, dat zij schier nooit een doorhaling in zijn handschriften hebben gevonden. Zijn overvloed van denkbeelden en zijn scheppingsvermogen waren te groot, dan dat het veranderen en beschaven van zijn vroegeren arbeid hem kon aantrekken. Iets anders was het herscheppen van het werk eens anderen, waarvan de kern goed, doch de vorm gebrekkig was. Dat hij dit hier ondernam, behoeft niet te verwonderen; de historiestukken vielen zeer in den smaak5, zoodat het belang van den schouwburg het wenschelijk kan gemaakt hebben, het tweeledige stuk, dat veel goeds bevatte, in meer beknopten vorm te vertoonen. Zoo kan het zijn, dat Shakespeare op aandringen van anderen, van zijn vakgenooten, zich met de omwerking belastte. Doch evenzeer is het mogelijk, dat hijzelf er zich met liefde aan wijdde; moge ook Koning Jan op verre na niet zooveel belangstelling wekken als de door eigen schuld ongelukkige, maar dichterlijke Richard de Tweede, de figuur van den zich tot een held ontwikkelenden bastaard Faulconbridge, de tooneelen, waarin Constance of haar zoon optreden, waren wel waardig, dat Shakespeare ze bewerkte. Dat het stuk de toeschouwers boeide, zouden wij, zelfs al hadden wij het getuigenis niet van Meres, die het als voortreffelijk opnoemt, niet kunnen betwijfelen; want waar de liefde tot het vaderland en de liefde eener moeder zóó ten tooneele worden gevoerd, blijft het handgeklap niet uit, en is de indruk diep en duurzaam.Ongetwijfeld is “Koning Richard II” korten tijd na “Koning Jan” geschreven; de overeenkomst in bewerking van beide stukken kan dit doen zien. Met zeer groote waarschijnlijkheid kan men 1596 voor het jaar van ontstaan aannemen, want een quarto-uitgave van dit stuk zag in 1597 het licht. Vergelijkt men het met de oudere historiespelen, dan ziet men, hoe verre Shakespeare in de dramatische opvatting en bewerking van historische onderwerpen gevorderd was. Dit stuk omvat de matige tijdsruimte van slechts twee jaren, en met de drie, die er bij behooren, een geringere, dan het eerste deel van “Koning Hendrik VI” alleen. Het begint met de aanklacht van den hertog van Norfolk door Hendrik van Hereford in 1398 en eindigt met Richards dood in 1400, zoodat de loop der gebeurtenissen gemakkelijk te overzien is. De reeks van tyrannieke daden, door Richard begaan, waaromtrent in de aanteekeningen op het stuk het noodige vermeld is, krijgen wij dus niet te zien en vernemen wij slechts van zijn aanklagers. Het ergste, wat wij van hem zien, is zijn gedrag aan het sterfbed van zijn oom Jan van Gent, en het schreeuwend onrecht, dat hij pleegt, door zich diens erfenis toe te eigenen, en deze, tegen alle gegeven beloften in, aan den zoon en rechtmatigen erfgenaam, Hendrik van Hereford, te onthouden,—een daad, waardoor hij zich in het verderf stort. De schuld van Richard II komt dus in het stuk minder uit dan in de geschiedenis, en terecht, want hierdoor kan bij den toeschouwer deernis met zijn lot opgewekt worden, en in dezelfde mate schijnt ook de schuld van Hendrik van Hereford, of Bolingbroke, die tegen hem in opstand is, die rijst naarmate Richard daalt, en die niet vrij te pleiten is van de medeplichtigheid aan zijn dood, grooter, zoodat de moeiten en zorgen, die in de twee volgende stukken den overwinnaar steeds bezighouden en drukken, voldoende gerechtvaardigd en in den “Richard II” behoorlijk voorbereid worden.Letten wij nu verder op de dichterlijke natuur, die aan Richard wordt toegekend en die zich op de schoonste wijze uit, op de uitmuntende karakterteekening van Jan van Gent, van Bolingbroke, van den ouden York, dan moet erkend worden, dat Shakespeare met de grootste zorg dit stuk geschreven heeft en er zijn kunstvaardigheid schitterend in heeft doen blijken. Dat het stuk desniettemin niet den diepen, tragischen indruk maakt, dien men verwachten zou, is aan den aard en de handelingen van den hoofdpersoon te wijten. Wij kunnen medelijden met hem hebben, omdat hij ongelukkig is, maar zijn zwakheid en wankelmoedigheid, de miskenning zijner plichten en het dwaas vertrouwen op zijn rechten, het misbruik, dat hij van zijn macht maakt, dit alles toont hem als onbekwaam tot heerschen, waar zijn tegenstander uitnemend geschikt toe blijkt, en ontrooft hem de sympathie, die zijn val zou betreuren.Hoewel de volgende historiestukken reeds ontworpen waren, zal de dichter waarschijnlijk in dezen zelfden tijd, als ter afwisseling, nog een of twee blijspelen geschreven hebben. Misschien behoort de “Temming van de Snibbe” hier gerangschikt te worden, maar het kan ook zijn, dat dit stuk van vroeger dagteekent; men vergelijke, wat hierover in de aanteekeningen, bij het stuk gevoegd, gezegd is. Shakespeare leverde ons een verfijnde, veredelde bewerking van een ouder, grof en plomp stuk, dat in 1594 het licht zag. Dat hij er veel bijval mee behaald heeft, dat de vertooning veel toeschouwers getrokken en deze bijzonder vermaakt heeft, is, al ontbreken ons berichten hieromtrent, met zeer groote waarschijnlijkheid te gissen, daar het stuk reeds spoedig in andere landen met name in Nederland en Duitschland, nagevolgd en vertoond werd en nog heden ten dage, als het gespeeld wordt, met groot genoegen gezien en luide toegejuicht wordt.Eveneens moet “Eind goed, al goed” tot de stukken behooren, waarmede Shakespeare het schrijven van de historiespelen afwisselde. Het kan in 1594 of 1595 geschreven zijn, doch is waarschijnlijk van vroeger dagteekening en door Shakespeare later omgewerkt, waarbij het karakter van Helena misschien aanmerkelijk gewijzigd is, ernstiger en edeler geworden, maar zeker is het geschreven vóór het eerste deel van “Koning Hendrik IV”, dat in 1598 door Meres genoemd wordt; dat deze waarschijnlijk “Eind goed, al goed” bedoelt, als hij een stukLove’s Labour’s wonvermeldt, is reeds, blz.47, medegedeeld. Men raadplege hierover, alsmede over de bronnen, welke Shakespeare ten dienste stonden, en over den stijl, of liever de verschillende stijlsoorten, die in dit stuk aangetroffen worden, de Aanteekeningen. Dat het vóór “Koning Hendrik IV” geschreven is, mag onbetwijfelbaar genoemd worden: de zwetser Parolles, die er in voorkomt, is genoeg, om dit te staven. Men herkent in hem een eerste, zeer goed gelukte schets, die uitgewerkt is tot den dikken ridder Falstaff en ook tot den vaandrig Pistool. Nadat Shakespeare deze karakters geschapen had, heeft hij er zeker geen schetsachtige herhaling van gegeven, zooals Parolles dan wezen zou.—Hoeveel schoons het stuk ook moge bevatten, en met hoeveel zorg Helena’s karakter ook geteekend zij, geheel en al kan het niet bevredigen: dat Helena zich door den koning aan den beminden Bertram als vrouw laat opdringen en dan door list de voorwaardenweet vervuld te krijgen, van welke hij geschreven heeft, dat zij door haar vervuld moesten zijn, eer hij haar als zijn vrouw wil aannemen en erkennen, verder, dat Bertram, in plaats van straf, een vrouw als Helena krijgt, is meer, dan men met genoegen leest, en zou ongetwijfeld tegenwoordig bij de vertooning slechts bij zeer enkelen bijval vinden. In Shakespeare’s tijd dacht men hieromtrent blijkbaar anders.Hoogstwaarschijnlijk zette Shakespeare na deze afwisseling zijn reeks van historiestukken voort en schreef de beide deelen van “Koning Hendrik IV”. Van het eerste deel verscheen in 1598 de eerste quarto, die in 1599, 1604, 1608, 1613 en 1622 door andere drukken gevolgd werd, welke wel de bijvoeging “Op nieuw verbeterd door William Shakespeare” op den titel dragen, doch alleen meer drukfouten bevatten. In de folio van 1623 is het naar de quarto van 1613, hier en daar verbeterd, afgedrukt; voor de verkrijging van een zuiverder tekst moet men meermalen tot de vroegere quarto’s teruggaan. Van het tweede deel verscheen slechts een enkele quarto, in 1600, die in menig opzicht gebrekkig is, zoodat zij slechts hier en daar ter verbetering of aanvulling van den tekst der folio, welke naar een veel beter handschrift gedrukt is, strekken kan. Op de beide deelen van “Koning Hendrik IV” volgde ongetwijfeld spoedig “Koning Hendrik V”, die blijkens den proloog voor het vijfde bedrijf, in 1599 ten tooneele werd gebracht, zoodat toen de geheele reeks van acht historiestukken, welke, met de laatste regeeringsjaren en den val van Richard II beginnende, de opkomst en den ondergang der vorstenhuizen van Lancaster en York en de troonsbestijging van den eersten Tudor voor oogen stellen, volledig was. Van “Koning Hendrik V” verscheen in 1600 een quarto-uitgave, maar zeer slecht en onvolledig (zie de aanteekeningen op het stuk), zoodat de tekst blijkbaar op onrechtmatige wijze, door opschrijving onder de voorstelling, verkregen was en eerst de folio de echte lezing deed kennen; toch werd de quarto tweemaal, in 1602 en 1608, herdrukt.De beide deelen van “Koning Hendrik IV” worden, zooals reeds gezegd is, in “Koning Richard II” uitstekend voorbereid en voor het goed begrijpen van het karakter, de moeilijkheden, handelingen en bepeinzingen des konings, is het volstrekt noodig laatstgenoemd stuk vooraf met aandacht te lezen. Niet minder schoon dan het karakter des konings, is dat van zijn zoon, den prins van Wales, den lateren koning Hendrik V, ontwikkeld. Wars van allen schijn en onwaarheid, had hij het leven aan het hof ontweken en zich aan een loszinnig leven, dat hem aantrok, overgegeven, den omgang zoekende met ruwe klanten, onder welke de onverbeterlijke egoïst, Sir John Falstaff, de eerste is. Wanneer de prins optreedt, in het tweede tooneel van het eerste bedrijf, heeft hij ondertusschen de voosheid en nietswaardigheid van dit loszinnig leven reeds doorgrond, zooals uit zijn eerste alleenspraak blijkt. Moge hij tijdelijk nog met den dikken deugniet en diens gezellen als kameraad omgaan, nog vóór het eerste deel ten einde loopt, in den strijd met Percy en in de woorden, die hij aan den gevallen tegenstander wijdt, komt zijn edele aard ten volle uit. In het tweede deel is hij nog wel niet van Falstaff en diens aanhang geheel vervreemd, maar de omgang is op verre na zoo levendig niet meer als vroeger; en wie op den deemoed en de bescheidenheid let, waarmede hij zich als zoon en als held gedraagt, behoeft niet verbaasd te staan over de waardige wijze, waarop hij onmiddellijk na den dood zijns vaders als koning optreedt, en evenmin over de vastberadenheid en kloekheid, welke hij in het stuk, dat zijn naam draagt, zoowel tegenover de samenzweerders, die hem belagen, als tegenover de vijanden van zijn land aan den dag legt. Onder de andere personen verdient vooral Hendrik Percy de aandacht; vergelijkt men verder de tooneelen, waarin de samenzwering tegen Hendrik tot stand komt, met tooneelen van het tweede en derde deel van “Koning Hendrik VI”, dan ziet men, welke vorderingen de dichter gemaakt heeft, hoe vast en scherp de toestanden geteekend zijn, hoe ieder geheel naar zijn aard spreekt en handelt, en hoe zorgvuldig alle bijzonderheden zijn uitgewerkt.Welk waarachtig leven Shakespeare zijn scheppingen inblaast, blijkt ten duidelijkste uit den machtigen indruk, dien Sir John Falstaff met de zijnen op den toeschouwer en lezer maakt. Zij brengen de handeling wel is waar niet of weinig vooruit, doch men zou ze niet willen missen, vooral den onsterfelijken Falstaff niet, al nemen de tooneelen, waarin hij optreedt, een overgroote ruimte, wel vijf twaalfden van het stuk, in. De buitengewone bijval, dien het eerste deel van Koning Hendrik IV gevonden heeft, onder andere uit het groot aantal herdrukken van de quarto blijkbaar, is ongetwijfeld voor een goed deel aan den dikken ridder te danken. Van het tweede deel zag, zooals boven gezegd is, slechts een enkele afzonderlijke uitgave het licht; het schijnt nooit zooveel indruk gemaakt te hebben als het eerste. Wel treedt Falstaff er in op, meermalen zelfs en in groote tooneelen, doch de omgang met zijn vorstelijken kameraad is bijna opgehouden, en hiermede blijft een groote prikkel uit, die zijn geest voortdurend opwekt; hij moet zich in lagere kringen bewegen;en hoe kostelijk ook de personen, waar hij mede verkeert, zooals Zielig en Pistool, geteekend zijn, hoewel Falstaff’s geest nog even slagvaardig zij als vroeger, dit alles is geen vergoeding voor het gemis van zijn gesprekken met Prins Hendrik. Toch moesten deze wegblijven, om er op voor te bereiden, dat de prins, die het leven ernstiger gaat opnemen en weldra een voortreffelijk vorst zal blijken, hem terug zal wijzen, wanneer de onverbeterlijke zondaar zich tot hem wendt. En zoo gebeurt het hem, terecht; hij vertrouwt, nu zijn Hendrik koning geworden is, nog meer dan ooit te kunnen toegeven aan zijn eigenbatige lusten, maar moet ondervinden, dat hij verbannen wordt en op geen mijlen afstands het hof mag naderen; ja, hij moet het nog genadig achten, dat hij geen gebrek te lijden zal hebben, daar hem levensonderhoud wordt toegezegd! Moge de dichter zelf, volgens zijn eigen mededeeling, eens van plan geweest zijn, Falstaff nogmaals in “Koning Hendrik V”, te doen optreden, het bleek hem zeker bij het uitwerken van dit stuk, dat het niet gebeuren mocht, en hieraan hebben wij, uit den mond van vrouw Haastig, het fraaie verhaal van Falstaff’s dood te danken.—Kon alzoo de dikke zondaar in het tweede deel van “Koning Hendrik IV” niet zooveel bewonderaars en toejuiching oogsten als in het eerste, evenzeer was het ten nadeele van dit tweede deel, dat zoowel de hernieuwde opstand van Engelsche grooten, als de spanning, die op nieuw tusschen den koning en zijn zoon ontstond, herhalingen waren van handelingen en toestanden, die in het eerste deel voorkwamen. Hoe rijk het tweede deel ook zijn moge aan schoonheden van den eersten rang, te verwonderen is het niet, dat het in mindere mate dan het eerste de gunst van het publiek verwierf.Een andere snaar werd aangeslagen in “Koning Hendrik V”. De hoogvereerde vorst, wiens dood op jeugdigen leeftijd, na een roemvolle regeering, voor Engeland een zware slag was, die gevolgd werd door tal van rampen,—reeds jaren vroeger door Shakespeare in zijn “Koning Hendrik VI” ten tooneele gebracht,—treedt hier op in al zijn grootheid. Kalm en vastberaden weet hij, kort na zijn optreden, een geduchte samenzwering in de geboorte te smoren, en grijpt daarna, uitgetart, naar het zwaard, om den krijg in ’s vijands land over te brengen. In dit stuk, dat eigenlijk geheel aan den roemvollen krijg met Frankrijk gewijd is, dat de ongehoorde zege bij Agincourt in herinnering brengt, en met het huwelijk van den koning en de Fransche prinses, waardoor de heerschappij van Engelands koning over Frankrijk bezegeld wordt, eindigt, komen al de deugden van den geliefden vorst, zijn bezonnenheid, zijn heldenmoed, zijn bescheidenheid en zijn innige vroomheid op het heerlijkst uit. Van dramatische verwikkeling, van een knoop, die gelegd wordt en ontward moet worden, is er eigenlijk in dit stuk geen sprake; misschien heeft Shakespeare om deze reden, ten einde zijn dichtwerk te nadrukkelijker ter verheerlijking van Engelands heldenmoed te doen strekken, elk bedrijf door een met gloed geschreven koor doen voorafgaan. En wel mocht hij dezen krijg zijn toeschouwers voor oogen brengen, en hun gemoed tot liefde voor hun land ontvlammen, want—in de aanteekeningen op dit stuk wordt dit nader aangewezen—in dezen krijg werd de eenheid van het Engelsche volk voor goed gevestigd en was dit volk zich zijner kracht bewust geworden.Hiermede was de reeks der Engelsche historiestukken voltooid; nog slechts eenmaal, veel later, behandelde Shakespeare een gedeelte der Engelsche geschiedenis, in den “Koning Hendrik VIII”, welk stuk, evenmin als “Koning Jan”, tot deze groote reeks behoort. Geen wonder, dat hij, na het afweven dezer belangrijke taak, afwisseling zocht en enkele blijspelen schreef, waaronder er zijn, die tot zijn schoonste scheppingen gerekend moeten worden.Deze laatste woorden zijn ongetwijfeld niet van toepassing op het eerste hier te vermelden stuk: “De vroolijke Vrouwtjes van Windsor” Er bestaat een overlevering, dat koningin Elizabeth den wensch geuit had, Falstaff verliefd te zien, en dat binnen veertien dagen alles hiervoor gereed moest zijn. Dit bericht is eerst van 1702, toen J. Dennis een omwerking van Shakespeare’s stuk ten tooneele bracht; doch onwaarschijnlijk is de mededeeling niet te noemen. Er moet een krachtige drang uitgeoefend zijn om van den dichter te verkrijgen, dat hij de schim van den dooden Falstaff deed rondwaren. Want inderdaad, alleen een schim van hem,—zij het ook een dikke,—treedt in dit stuk op; de oude rot is versuft en loopt op allerlei manieren in de val; zijn geest is vet geworden, zijn guitig oog is dof, een uitgezetten strik merkt hij niet meer op. Met dit al is het opmerkelijk, hoe Shakespeare zich van de waarschijnlijk, ’t zij door de koningin, ’t zij door het publiek, hem opgedrongen taak kwijt; een novelle van Giovanni Fiorentino kon hem op den weg helpen en het gebruik van de waschmand aan de hand doen, maar Anna Page, Fenton, dokter Cajus, Slapperman, zijn alle scheppingen des dichters. Hoeveel geestigs er in dit blijspel ook op te merken zij, het is voor het nagaan der ontwikkeling voor Shakespeare’s geest van geen belang; Falstaff was dood, en geen bevel der koningin in staat hem op te wekken. Toch moet zijn levensbeschrijver op dit stuk letten, daar men er met groote waarschijnlijkheid uit kan afleiden, dat Shakespearemet Sir Thomas Lucy iets uitstaande had, waarover men de Aanteekeningen op dit stuk en boven blz.11nazie.Hooger lof is aan “Veel Leven om Niets”, ongetwijfeld mede uit dezen tijd herkomstig, te geven al zijn er op dit stuk aanmerkingen te maken, zoodat het wat al te veel aan zijn titel beantwoordt en den lezer of toeschouwer niet geheel bevredigt. Evenals in verscheiden andere stukken, zijn hier ernst en boert op verrassende wijze dooreengeweven. Shakespeare nam een oud verhaal, waarvan de kern reeds in Ariosto’s “Razende Roeland” te vinden is, maar dat meer uitgewerkt in Bandello’s novellenverzameling voorkomt, ter hand, en ontleende er de door Claudio lichtvaardig geloofde belastering van Hero door Don Juan aan; doch de door hemzelf in het leven geroepen personen, de elkander met kwinkslagen steeds bevechtende Benedict en Beatrice, spelen een zoo belangrijke rol, dat de vroolijke bijhandeling de ernstige hoofdhandeling, die trouwens een blij einde neemt, overheerscht, en het geheel een recht blijspel is. Hoe kunstvol Shakespeare te werk gaat, moge in dit stuk opgemerkt worden. Mocht het verwondering wekken, dat Claudio, wiens daden in den krijg zoo hoog geroemd worden en den nijd van Don Juan in zoo hooge mate opwekken, zóó lichtgeloovig en zwak is, dat hij zonder nader onderzoek de arme Hero van zich stoot,—de dichter heeft er voor gezorgd hem reeds vroeger als lichtgeloovig, zwak en heftig te doen kennen, daar hij op het bal even gretig aan de inblazingen van Don Juan, die den prins belastert, het oor leent. Evenzeer heeft hij zorg gedragen, dat wij door de verstooting van Hero niet al te diep getroffen worden en uit de blijspelstemming geraken, want wij weten, dat de uitvoerders van het schelmstuk reeds achter slot en grendel zitten, en zijn terstond ook met het geheim bekend, dat de doodgewaande Hero niet wezenlijk dood is. En kostelijk is het, dat het plompe bedrog van Don Juan niet door het verstand der verstandigen, maar door het onverstand der onnoozelen, de zoo meesterlijk geteekende dwaze nachtwachts, ontdekt wordt! In zulk een stuk mocht een bijhandeling, als de schermutselingen en het vrede-sluiten van Beatrice en Benedict, een breede ruimte innemen. Dat deze twee fijne vernuften, die onophoudelijk kibbelen, zoo ras en op zoo eenvoudige wijze tot elkander gebracht worden, behoeft mede niet te verwonderen, want reeds in het begin van het stuk zien wij, hoe Beatrice verlangt, Benedict weder te ontmoeten, zij het dan ook om met hem slaags te geraken; en Benedict geeft, hoe hij ook smale, duidelijk genoeg te kennen, dat zij hem bevalt, hem aantrekt. De door den prins uitgedachte list brengt niet samen wat van elkander afkeerig is, maar verhaast alleen de vereeniging, die toch niet zou uitblijven. En dat deze vereeniging op innige overeenstemming berust, dat beiden, hoe zij ook kibbelen en elkaâr plagen, een edelen aard bezitten, blijkt ten duidelijkste uit beider vaste overtuiging, dat de zachte Hero belasterd is, en uit beider innige deelneming in haar lot, een overeenstemming, die hun liefde bevestigt. Men vergelijke met dit paar Biron en Rosaline uit “Veel Gemin, geen Gewin”, en overwege, of de dichter op een hooger standpunt staat dan vroeger!—Waar alles zoo gelukkig afloopt, letten wij niet verder op den lasteraar; wij weten, dat hij in hechtenis is, doch wij bekommeren ons niet verder om hem; de straffen, die hem wachten, zullen later worden uitgedacht!—In een later tijdperk van zijn leven, toen de tijd van lustige en luimige blijspelen voor hem voorbij was, zou Shakespeare nog eens hetzelfde onderwerp behandelen, nog eens den beminnenden, maar lichtgeloovigen man, de onschuldige en vertrouwende liefde en den lasterenden duivel ten tooneele brengen, maar dan zou hij tot in de diepste verborgenheden van het menschelijk hart doordringen, dan zouden de hartstochten het geheele wezen van den mensch innemen, en Othello, Desdemona en Jago zouden de hoofdpersonen zijn van een onvergelijkelijk treurspel.Dat het volgende stuk “Elk wat wils”,As you like it, van 1599 of slechts enkele maanden vroeger of later dagteekent, is buiten allen twijfel, daar het in 1598 door Meres niet genoemd wordt en op 4 Augustus 1600 in het boekhandelaarsregister werd ingeschreven. De bron, waar Shakespeare uit putte, was de roman van Thomas Lodge, “Rosalinde, Euphues’ gouden nalatenschap”,Rosalynde: Eupheus Golden Legacie(reeds blz.31vermeld), waarvan hij een uitgestrekt gebruik maakte, zoodat hij de meeste personen en den gang der handeling, ja zeer vele bijzonderheden er uit overnam. Jacques, Toetssteen, Dorothea, Willem en Draaitekst echter komen alleen bij Shakespeare voor. In het tweede gedeelte moest hij, om de eischen, die de vertooning stelt, hier en daar van zijn bron afwijken. Bij Lodge wordt Celia door Orlando’s broeder Olivier uit de handen eener rooverbende gered, zoodat haar genegenheid voor haar redder beter dan in het stuk verklaarbaar wordt; bij Lodge komen de grooten van het land, de pairs, tegen den overweldiger in opstand en leveren hem aan den zoom van het woud een gevecht, waarbij hun de verdreven hertog met de zijnen te hulp komt en na de overwinning in zijn heerschappij hersteld wordt; den overweldiger heeft hij niet meer te duchten, want deze is in den strijd gevallen. Shakespeare kon in de eenzaamheid vanhet woud geen rooverbende brengen, geen leger doen optreden, hij moest zich op een andere wijze redden; doch dat de handeling hierdoor in waarschijnlijkheid gewonnen heeft, zal wel niemand beweren. Evenwel, dit is hier van minder beteekenis, want op waarschijnlijkheid, ja op mogelijkheid kan de handeling toch geen aanspraak maken; en als men alles, wat voor de handeling niet noodig is, uit het stuk wilde verwijderen, zou zeker meer dan de helft moeten gekapt worden; doch Shakespeare weet alles met zooveel bekoorlijkheid te bedeelen, met zulk een dichterlijken glans te doen stralen, dat men bij het lezen van het begin tot het einde geboeid wordt en geen enkel gedeelte zou willen missen; hoe ongewoon ook in vorm, hoe ook met alle regelen in strijd, is dit stuk toch een voortreffelijk blijspel, dat eenig in de geschiedenis der letterkunde en tegelijk onnavolgbaar is. Voor de vertooning stelt het natuurlijk aan de spelers zeer hooge eischen: zij moeten zorgen, dat het dichterlijk waas, dat over het geheele stuk is uitgebreid, door de plompe werkelijkheid niet wordt weggevaagd, de verbeelding des toeschouwers voortdurend wordt beziggehouden en aan zijn verstand de tijd niet gelaten om over de mogelijkheid of waarschijnlijkheid der gebeurtenissen en handelingen te gaan nadenken.Nog kostelijker parel ondertusschen onder Shakespeare’s echte blijspelen is ongetwijfeld “Driekoningenavond of Wat gij wilt”, dat van 1600 of 1601 dagteekent. Van den eersten regel af, waarin de hertog de muziek het voedsel der liefde noemt, tot den laatsten, waarin hij aan Viola de hand reikt, worden wij geboeid, en nu eens gestreeld en geroerd, zonder daarom tot weemoed gestemd te worden, dan weder tot gullen aanhoudenden lach geprikkeld. De verwikkelingen zijn vele en houden de aandacht en nieuwsgierigheid voortdurend levendig, de personen zeer verschillend van karakter en allen behoorlijk in verband gebracht; het meer ernstige deel der handeling is van een zoo opgewekte levensbeschouwing doordrongen, de meer boertige gedeelten zijn zoo dol en vroolijk, dat wij steeds in de aangenaamste stemming verkeeren; de ontknooping maakt allen gelukkig, en zij vloeit op de natuurlijkste wijze uit al het voorafgaande voort. Geen enkel blijspel van Shakespeare is zoo zonnig als dit. En letten wij nader op de hooge kunst, waarmede de zeer verschillende bestanddeelen tot een harmonisch geheel vereenigd zijn, op de wijze, waarop de gedachten zijn uitgedrukt, dan erkennen wij, dat de dichter een volkomen meesterschap verworven heeft, zoowel in den bouw van het drama, als in stijl en taal. Aan een Italiaansche novelle van Bandello, die hij in een Engelsche bewerking door Barnaby Rich, welke in 1851 verscheen, gelezen kan hebben, is een gedeelte der handeling ontleend, maar hij heeft dit zoo gewijzigd en door de bijgevoegde, meer comische handeling zoo verrijkt, dat het geheele blijspel zijn eigen schepping kan genoemd worden.Rekenen wij, dat het eerste tijdperk, de morgenstond van Shakespeare’s werkzaamheid, met den Titus Andronicus begonnen, zich uitstrekt tot de voltooiing van “Koning Richard III”, een echt treurspel, dat hem reeds als meester kenschetst, dan moeten wij de stukken, die daarna geschreven werden en hier door ons beschouwd zijn, tot zijn tweede tijdperk rekenen. Op den morgenstond, waarin alleen zeer in de vroegte zijn zon door eenige nevelen verduisterd werd, was een prachtige voormiddag gevolgd, en nu stond zijn zon, aan een onbevlekten hemel, op haar middaghoogte. Aleer wij haar nu in haar verderen loop nagaan, moeten wij de tot dusver genoemde stukken nogmaals overzien.Merkwaardig is het op te merken, hoe Shakespeare, die in oorspronkelijkheid ongeëvenaard is, bij het ontwerpen van het plan zijner stukken geenszins naar oorspronkelijkheid streeft, maar het plan meestal vrij getrouw aan de geschiedenis of aan de eene of andere novelle ontleent. Bij de historiestukken ligt dit wel in den aard der zaak, doch ook in deze houdt hij zich bijzonder getrouw aan de kroniek, welke hij eenmaal tot leiddraad heeft gekozen; hij is natuurlijk gedwongen hier en daar de gebeurtenissen van jaren in een kort bestek, soms in een enkel tooneel, samen te trekken; soms is hij verplicht de volgorde der gebeurtenissen te wijzigen, zooals hij dit op groote schaal in het eerste deel van Koning Hendrik IV gedaan heeft; soms smelt hij twee gebeurtenissen, die voor het vervolg ongeveer dezelfde beteekenis hebben, zooals den slag van Sint Albaans in 1455 en dien van Nottingham in 1460, tot één samen; maar over het algemeen volgt hij de overlevering, voor zoover de ontwikkeling der karakters hem niet tot verandering dwingt. Want de menschen in hun waren aard te doen kennen, hun karakter in een helder licht te stellen, de drijfveeren hunner handelingen aan te toonen en deze laatste uit het karakter te doen voortvloeien, kortom, zijn personen echte menschen te doen zijn, die geheel naar hun aard spreken en handelen, is het doel, dat hij zich voorstelt. Waar hij, om een karakter duidelijk te doen uitkomen, de geschiedenis moet wijzigen, schroomt hij geenszins, hoe getrouw anders aan zijn kroniek, dit te doen. Om dat van Richard van Gloster, den lateren koning Richard III, goed te doen kennen, laat hij hem reeds tijdens den dood zijns vaders, in 1460, te velde staan en een dapper krijgsmanblijken, schoon hij toen inderdaad nog een knaap was van acht jaren; doch Shakespeare bereikt er dan ook dit mede, dat het geheele karakter ons onuitwischbaar voor oogen staat. Met gelijk doel weet hij ook treffende episodes uit te denken; de overpeinzing van Koning Richard II in den kerker, zijn gesprek met den stalknecht en zijn strijd met de binnendringende moordenaars mogen er voorbeelden van zijn. Waar de overlevering meldt, dat Prins Hendrik, later de voortreffelijke koning Hendrik V, in zijn jeugd met losbandig volk van minderen rang omging, was hem dit genoeg om aan Sir John Falstaff en de zijnen het leven te schenken. Hij schroomt dus niet te verdichten, maar draagt hierbij steeds zorg een scherp en zoo veel mogelijk juist beeld zijner personen te teekenen; zelfs komt het meermalen voor, dat zijn scherpzinnigheid onjuist oordeel, met wonderbaar vermogen uit ’s menschen daden de roerselen van het gemoed doorgrondend, aan de figuren der kronieken een leven schonk en gedachten leende, in overeenstemming met de uitkomsten, door de latere zorgvuldige onderzoekingen der wetenschap verkregen. Wat een beroemd geschiedkundige aangaande de historische waarde van Shakespeare’s stukken gezegd heeft, is in de aanteekeningen op Koning Jan medegedeeld.Was Shakespeare bij het schrijven zijner historiestukken uit den aard der zaak verplicht, de stof aan de kronieken te ontleenen, ook bij het treurspel, dat in dit tijdperk van zijn leven geschreven werd, heeft hij zich voor den gang van het stuk aan een verhalend gedicht gehouden; doch ook hier heeft hijzelf karakters geschapen; ja, verscheiden belangwekkende personen van zijn stuk worden in dit gedicht niet of te nauwernood genoemd.Dat Shakespeare ook aan zijn blijspelen over het algemeen, met slechts weinige uitzonderingen, de een of andere novelle ten grondslag legde, heeft op deze werken een eigenaardigen stempel gedrukt, daar hij zich ook hier ten doel stelde de karakters te doen uitkomen; de wijzigingen, die hij meermalen aan het verhaal toebracht, waren steeds hierop berekend, en geenszins altijd bestemd om den loop der geschiedenis natuurlijker te maken. De verwikkelingen zijn bij zijn stukken geenszins hoofdzaak; ja, de wijze, waarop de ontknooping plaats heeft, is vaak onwaarschijnlijk genoeg. Shakespeare hechtte in zijn blijspelen hier blijkbaar minder gewicht aan. Zoo wordt het booze plan, dat in “Veel leven om niets” door Don Juan gesmeed en heimelijk ten uitvoer gelegd is, daardoor ontdekt, dat zijn medehelper het, dom genoeg, aan een ander vertelt, en wel juist op een plaats, waar toevallig eenige nachtwachts zich ophouden, die, hoe onnoozel ook, dadelijk begrijpen, dat er een schelmstuk gepleegd is, en terstond een vreemden prins, gast van hun vorst, durven beschuldigen! Dat in “Veel Gemin, geen Gewin”, de koning en drie zijner edellieden, tegen hun pas bezegelde gelofte in, allen op hetzelfde oogenblik verliefd raken op een der vier dames, die zij ontmoet hebben, en gelukkig geen twee op dezelfde, dat zij allen achtereenvolgens, zonder iets van elkaar te weten, op dezelfde plaats van een bosch komen, en dat drie hunner daar hardop de dichtregelen lezen, die zij aan hun aangebedenen gericht hebben, dit alles zondigt zeker niet door te groote waarschijnlijkheid. Meermalen laat Shakespeare een meisje in mannengewaad optreden,—en daar in zijn tijd de meisjesrollen door jongens of aankomende jongelieden vervuld werden, werd het natuurlijk spel hierdoor bevorderd,—maar dat het verkleede meisje zich niet het minste geweld behoeft aan te doen, en, zooals Portia in den “Koopman van Venetië”, een pleidooi kan houden en op het oefenen van genade aandringen, waarbij zij haar stem vol en indrukwekkend moet laten klinken, en dat zij toch niet door haar man herkend wordt,—dat Rosalinde in “Elk wat wils” zelfs schertsen kan met haar vader en zijn nieuwsgierigheid kan prikkelen, zonder dat hij vermoedt, wie voor hem staat,—dat Viola in “Driekoningenavond” noch door hertog Orsino, die zooveel en zoolang met haar spreekt, noch door de gravin Olivia, wier liefde zij afwijzen moet, als meisje herkend wordt,—is zeker meer, dan waarschijnlijk geacht kan worden. Met zulke berekeningen laat Shakespeare zich echter niet in; hij rekent veeleer op zijn kunst, van den toeschouwer te betooveren, zoodat deze niets anders meer ziet, dan hij verlangt, en het onmoog’lijkste moog’lijk acht. En dat hij inderdaad hierin slaagt, wie zal het loochenen? Schier al de genoemde stukken zijn, tot den laatsten tijd toe, ten tooneele gebracht met een praal, die in zijn tijd onmogelijk gerekend zou zijn, een praal waarbij niet de verbeeldingskracht, door hem steeds bij zijn toeschouwers ondersteld, te hulp werd geroepen, maar waarbij men de werkelijkheid nabij trachtte te komen, een praal, die voor een poëzie van minder echt gehalte verderfelijk zou geweest zijn,—en zij hebben de zware proef zegevierend doorstaan. Dat wij dus vrede hebben met de eischen, die hij aan de verbeelding stelt, en thans vragen, welke karakters door hem in zijn blijspelen onder de oogen zijner toeschouwers worden gebracht, en tevens welke niet; want ook dit laatste kan tot kennis en waardeering van zijn geest en zijn dichtkunst leiden.In het tafereel van zeden en karakters, dat groote blijspeldichters ontrollen, vallen steeds tweeërlei bestanddeelen te onderscheiden. Brengenzij de wereld, waarin zijzelf en hun toeschouwers leven, ten tooneele, dan boeien en treffen zij door de zeden van hun tijd, vaak van debelachelijkezijde, voor te stellen, en door de personen, zooals zij deze met hun scherpen blik hebben gadegeslagen, in al hun eigenaardigheid te doen optreden. Hebben zij hierbij alleen de uiterlijke eigenaardigheden, in kleeding en manieren, nagebootst, dan moge het afbeeldsel de tijdgenooten boeien en vermaken, voor de lateren, die het oorspronkelijke niet voor zich zien, is het aantrekkelijke van de nabootsing grootendeels verdwenen. Maar mogen zeden en gewoonten veranderen, de mensch zelf, met zijn gewaarwordingen, met zijn begeerten en hartstochten, met de drijfveeren zijner handelingen, blijft steeds dezelfde. Hebben zij dit alles bespied en als in een spiegel den toeschouwers voor de oogen getooverd, dan zal het beeld, hoe ook de zeden veranderen, door alle tijden heen, door zijn waarheid treffen en behagen. In dit opzicht was Shakespeare een meester. Zelfs daar, waar hij personen teekent, wiens origineelen niet meer voorkomen, zooals den Spaanschen bluffer Don Armado, den dwazen geestelijke Nathaniel, den onwetenden schoolmeester Holofernes uit “Veel Gemin, geen Gewin”, weet hij ze zoo vol leven te doen zijn, dat wij de waarheid der schildering, al zij deze naar den aard van het blijspel ook overdreven, terstond gevoelen, en er, als waren wij tijdgenooten, behagen in kunnen scheppen.Dat Shakespeare in al zijn werken steeds de natuur zelf tot gids nam en ’s menschen aard scherp gadesloeg, drukt een eigenaardigen stempel op zijn scheppingen. De Italiaansche tooneelschrijvers waren bij de Latijnsche, Plautus en Terentius, ter schole gegaan, zooals deze bij de Grieken, zonder onophoudelijk uit het volle menschenleven, dat belangwekkend is, waar men het weet te vatten, hun onderwerpen te putten. Vandaar dan ook, dat telkens dezelfde personen in hun werken terugkeeren; men vindt gierige vaders, die door verkwistende zoons bedrogen worden, oude verliefde gekken, die bitter teleurgesteld worden, jongelingen, die verliefd zijn en de tegenwerking der ouders door schalksche middelen weten vruchteloos te maken, pochers, die van hun moed en krijgsbedrijven zwetsen, doch ten laatste in hun nietigheid ontmaskerd worden, slaven, die met den zoon des huizes samenspannen om hun heer en meester te bedriegen, onwetende schoolpedanten, die door schijngeleerdheid anderen zand in de oogen trachten te strooien. Dit werden als het ware vaststaande tooneelfiguren, naar een bepaald model ontworpen, doch niet door studie der natuur met eigen leven begiftigd. Shakespeare kende ze, zooals blijkt, wanneer men zijn “Temming der Snibbe” ter hand neemt; daarin leveren de oude minnaar Gremio en zijn jonge mededinger Lucentio er voorbeelden van; doch men bedenke, dat dit stuk een omwerking is van een ander en de karakterteekening niet belangrijk gewijzigd is; als hij meer zelfstandig te werk gaat, zooals in een zijner oudste werken, de “Klucht der vergissingen”, waaraan toch een Latijnsche klucht van Plautus ten grondslag ligt, weet hij dadelijk den tooneelpoppen leven in te blazen en karakters te schilderen.Aan Shakespeare’s scherp en fijn waarnemingsvermogen en diepe studie is de groote natuurlijkheid en verscheidenheid in zijn karakters te danken. De waard, een recht vermakelijk persoon in de “Vroolijke Vrouwtjes van Windsor”, is naar het leven geteekend; al moge Parolles in “Eind goed, al goed” veel verwantschap hebben met de tooneelfiguur van een bluffenden lafaard, ook van hem moet hetzelfde getuigd worden. En welk een verscheidenheid bij de minnenden! Een Portia, een Julia uit de “Twee Edellieden van Verona”, een andere Julia, een Helena uit “Eind goed, al goed”, een Rosalinde, en een Viola, zij beminnen allen even diep en vurig, maar ieder van haar is een nieuwe schepping, zeer verschillend van de overigen. Welk een rijkdom, in vergelijking van andere, zelfs groote tooneelschrijvers, bij wier beminnende vrouwen maar al te vaak een sterke familietrek op te merken valt! En bij de minnaars heerscht niet minder verscheidenheid.Op nog een ander belangrijk verschil tusschen Shakespeare en vele andere tooneeldichters mag gewezen worden. Bij Shakespeare komt in al de blijspelen geen enkele valsche of meineedige vrouw voor, geen enkele, die haar man tracht te bedriegen; integendeel, waar, zooals in de “Vroolijke Vrouwtjes van Windsor”, een man het hof aan een getrouwde vrouw maakt,—in dit geval aan twee vrouwen tegelijk,—moet hij er danig voor boeten, en de echtgenoot, die ten onrechte jaloersch is geweest, krijgt een nadrukkelijke les, dat hij het niet had moeten zijn. De schennis der huwelijkstrouw is door Shakespeare nooit tot stof gekozen om de toeschouwers te doen lachen.—De vaders worden bij Shakespeare niet als belachelijk, en evenmin als gierig voorgesteld,—Shylock natuurlijk uitgezonderd. Zij worden niet door hun zoons bedrogen: als Valentijn, in “Twee Edellieden van Verona”, de dochter des hertogs, Sylvia, wil schaken, komt zijn toeleg uit en wordt hij met verbanning gestraft; als de hertog later zijn toestemming tot het huwelijk geeft, doet hij dit gewillig, omdat hij overtuigd is van Valentijns waarde en van de onderlinge liefde der jongelieden, niet met tegenzin, omdat hij bezwijkenmoet voor een slim overlegde zamenzwering. Hermia (Midzomernachtdroom) en Anna Page (Vroolijke Vrouwtjes van Windsor) zetten haar wil door tegen den zin van haar vader, doch ook deze schikken zich in het geval.—De dienaars gaan soms op vertrouwelijken voet met hun heer om, maar zij spelen niet de eerste rol; al dienen zij hun jongen meester van goeden raad, zij bestelen niet, te zijnen behoeve en tegen een goede belooning, zijn vader, om straks, zoodra zij de kans schoon zien, ook hun meester de beurs te lichten; Adam in “Elk wat wils” en Pisanio zijn zelfs voorbeelden, dat de edelste gezindheden in de borst van een trouwen dienaar kunnen wonen.—Men vergelijke in deze opzichten Latijnsche, Italiaansche of Fransche blijspelen van Shakespeare’s tijd en later, Molière niet uitgesloten, met de zijne, en oordeele, aan welke, uit het oogpunt van zedelijkheid, de palm toekomt.Maakt Shakespeare zich dus niet vroolijk met wat voor anderen een onuitputtelijke bron van vroolijkheid is, toch zal niemand beweren, dat hij minder hartelijk doet lachen. Integendeel, waar hij vroolijk is, is hij het door en door, en sleept onwillekeurig mede. En hij is het telkens, in al de stukken van dit tijdperk. In zijn “Romeo en Julia” beeldt hij het leven af zooals het is, en telkens komen er lachwekkende tooneelen, tot het naderen der droevige ontknooping ze van zelf verbiedt. Welk een schat van geestige en vermakelijke tooneelen er in de historiestukken voorkomen, behoeft wel niet in herinnering gebracht te worden. En in de blijspelen moge er, evenals in het leven, ernst met de scherts gemengd zijn, de geest der stukken is zoo vroolijk, scherts en boert maken er zoo de schering en den inslag van uit, doen den fijneren lach om geestigheden zoo vaak afwisselen met den schaterlach om koddige invallen, dat men overal den frisschen levenslust des dichters kan opmerken. Het vuur der jeugd doortintelt hem; hij geniet het leven met volle teugen; zijn wereldbeschouwing doet hem overal het goede, alles wat het leven veraangenaamt, opmerken; het landschap, waar zijn blik op rust, wordt door de zon beschenen. Het vaderland en de liefde zijn de machtige drijfveeren tot handelen. Hij kent ook de schaduwzijden der wereld en wijst die aan; hij kent het kwade en de ondeugd; hij kent de verderfelijke gevolgen van overmatige eerzucht en van geldgierigheid; maar het gevoel van het booze in de wereld grijpt zijn innigst wezen niet aan, het vervult zijn gemoed niet; het moge hem hier en daar juiste opmerkingen en redeneeringen ontlokken, hij zet er zich over heen en bekijkt de wereld weer van den goeden kant; hij is optimist. De peinzer Jacques moge mijmeren over het verkeerde in de wereld, en deze voos, bedorven en onrein noemen, hem wordt toegevoegd6, dat zijn beschouwingen voortvloeien uit levensmoeheid, daar hij te veel heeft willen genieten; Amiëns moge een roerend lied aanheffen over de ondankbaarheid7, de verbannen hertog geeft terstond daarna aan den jongen Orlando te kennen, dat hij door weldaden aan den zoon de diensten wil erkennen, door den vader hem bewezen, en de droefgeestige bespiegelingen van Jacques zijn niet bij machte een schaduw te werpen op het zonnig leven in het woud, ver van het gewoel der wereld.Wèl had Shakespeare reden om met opgeruimden blik in de wereld rond te zien. Op ongeveer twee-en-twintigjarigen leeftijd zijn landelijke geboorteplaats ontweken, en vreemd in de woelige wereldstad Londen aangekomen om er een geheel nieuwe loopbaan in te treden, had hij ongetwijfeld in den beginne met groote moeilijkheden, misschien met gebrek en tegenspoed, te kampen gehad, en had met onverdroten inspanning hard moeten werken: maar lang had toch zeker de tegenspoed niet geduurd en de belooning van zijn arbeid was niet uitgebleven, want reeds na vijf of zes jaren behoefde hij niet meer beklaagd te worden, maar had integendeel den nijd van oudere kunstbroeders in hooge mate opgewekt. Een hunner, Robert Greene, die stervend aan zijn wrok lucht gaf, erkende hierdoor tevens, dat de nieuw opgekomen tooneelschrijver, die aan zijn voorgangers de kunst afgezien had, hen verre overvleugelde, en bij het gezelschap, waar hij toe behoorde, een overwegenden invloed bezat. Ongetwijfeld droeg tot dezen wrok bij, dat Shakespeare van den beginne af zich niet bij hen aangesloten, niet in hun loszinnig leven gedeeld, maar door noeste werkzaamheid zich in korten tijd tot groot kunstenaar ontwikkeld had. De hatelijke uitval van Greene heeft ten gevolge gehad, dat wij een eervol getuigenis van Henry Chettle aangaande Shakespeare’s karakter en handelingen bezitten8. Weldra behaalde Shakespeare nu met zijn gedichten “Venus en Adonis” en“Lucretia” grooten roem, en mocht zich in de gunst van den graaf van Southampton verheugen. Wel bleef hem het leed des levens niet gespaard en verloor hij in Augustus 1596 zijn eenigen zoon Hamnet, een der in het begin van 1585 geboren tweelingen, maar in geldelijk opzicht ging het hem zeer goed; de schouwburg leverde hem, hetzij hij mede-eigenaar er vangeworden was of niet, vrij wat op. In 1597 kocht hij een groot huis in Stratford aan,New Placegeheeten9met bijbehoorende gronden; in ’t volgend jaar trachtte hij nabij Stratford landerijen te koopen en werd hem door een vriend, Richard Quiney, een som van dertig pond te leen gevraagd. Later heeft hij nog vrij wat geld in landerijen belegd. Kortom, uit alles blijkt, dat het hem goed ging; hij begon grondeigenaar te worden; de man, die voor weinige jaren zijn geboortestad Stratford was ontvlucht om als tooneelspeler zijn brood te verdienen, was goed op weg om in zijn eigen stad en graafschap als gezeten burger op den naam vangentlemanaanspraak te kunnen maken. Hiermede stond ongetwijfeld in verband, dat zijn vader, John Shakespeare, in 1599 vergunning verwierf een wapen te voeren10, een voorrecht, waarschijnlijk op aandrang, op kosten en door tusschenkomst van zijn zoon verkregen.1Wel werd het stuk eerst in 1597, en wel in een zeer gebrekkigen vorm, als het ware verminkt, uitgegeven, doch het was toen zeker reeds enkele jaren vroeger geschreven en gespeeld. Een omwerking neme men niet aan; men vergelijke hierover de Aanteekeningen, bij het stuk gevoegd. Over het algemeen zal hier, wat in de aanteekeningen op de stukken is medegedeeld, niet herhaald worden; waar het vermeld moet worden, wordt het slechts kort aangestipt.—Dat de herinnering aan “De twee Edellieden van Verona” bij den dichter nog levendig was, toen hij Romeo en Julia schreef, kan blijken, als men vergelijkt, wat in genoemd stuk, III. 1. 170, Valentijn, en in dit stuk, III. 3. 12, Romeo van “ballingschap” zeggen.2Reeds in 1476 had Masuccio dezelfde geschiedenis verhaald van een paar gelieven in Siena; hem volgde in 1524 Luigi da Porto, die de handeling naar Verona verplaatste en het noodlottig einde op eenigszins andere wijze tot stand deed komen; uit deze putte Bandello in 1554, aan wien Brooke de stof voor zijn gedicht ontleende. Men zie verder de Aanteekeningen.3Hoe allervermakelijkst het stuk ten tijde van Shakespeare voor de toeschouwers moet geweest zijn, kan men zich het best voorstellen, als men bedenkt wat reeds blz.14is opgemerkt, dat de tijd der mysteriespelen niet of nauwelijks voorbij was en dat deze door handwerkslieden gespeeld werden. Men vergelijke bovendien de bij het stuk gevoegde aanteekeningen.4Wie de bronnen, waaruit Shakespeare geput heeft, uitvoerig wil leeren kennen, raadplege Simrock,Die Quellen des Shakspeare, zweite Auflage, Bonn, 1870.5Men zie hierover en over de historiestukken in het algemeen de Aanteekeningen op “Koning Jan”.6“Elk wat wils”, II. 7. 64.7Aldaar, II. 7. 174.8Zie boven blz.45.9Zie boven blz.5.10Dit wapen voert in goud een zwarten rechter sehuinbalk, beladen met een gouden toernooilans, de punt van zilver, geplaatst in de richting van den schuinbalk. De wrong is van goud, zwart en zilver, en het helmteeken is een opvliegende arend, die in den rechterpoot de lans uit het schild houdt. De wapenspreuk is:non sans droict.
Hebben wij vroeger gezien, tot welk een hoogte van volkomenheid Shakespeare met zijn “Richard III” gestegen was, hij trad in 1593 of 1594 met een ander meesterstuk op, met de tragedie der liefde “Romeo en Julia”1. In zijn “Venus en Adonis” schilderde hij de hartstochtelijke uiting der liefde bij de vrouw; in zijn “Lucretia” drijft de hartstocht den man zelfs tot euveldaad; omstreeks denzelfden tijd schreef hij dit wondervolle stuk. Het onderwerp werd hem geleverd door een uitvoerig gedicht van Arthur Brooke,The Tragicall Historye of Romeus and Juliet, waarbij hij nog enkele trekken voegde uit Painter’s novelle van “Rhomeo and Julietta”, te vinden in de verzameling van verhalen,Palace of Pleasuregetiteld2; doch, mocht het aan zijn voorgangers ook gelukken een boeiend, ja treffend verhaal te leveren, Shakespeare doet de gelieven voor ons leven, hij doet hun de echte taal der vurigste liefde spreken; wij gevoelen en denken met hen mede. Heeft een boos gesternte hun den ondergang bereid, nog in hun dood zegepraalt de liefde, die beider laatste gedachte was. En hoe hun sterven ons ook roere, wij weten, dat zij de zaligheid der liefde hebben genoten; zij hebben den bedwelmenden beker snel geledigd; waarom zouden wij wenschen, dat zij dien vaak en lang elkander toebrachten? Het einde komt ras, maar hun liefde bewerkt nog na hun dood vrede en verzoening, waar de haat lange jaren geheerscht had; verzoend met hun lot, zien wij het scherm vallen.
Wondervol noemde ik Shakespeare’s schepping; inderdaad, wien is het ooit gegeven geweest, een tooneelwerk zoo te doordringen van een zuidelijken gloed? Welk een betoovering oefent Julia uit, dat ook de onschuldige aanleiding van den noodlottigen afloop, de haar alsechtgenoot opgedrongen Paris, in het grafgesticht der Capulets moet vallen! En hoe blijkt hierbij de vroegere droomer Romeo in korten tijd tot ras-besloten man gerijpt te zijn! Hoe heerlijk komt Julia’s karakter uit bij de verschillende gesprekken met haar voedster! Welk een geest en leven wordt aan het eerste gedeelte van het stuk verleend door Mercutio, die, zichzelf steeds gelijk blijvend, op treffende wijze en juist dan van het tooneel verdwijnt, wanneer de noodlottige afloop nader komt en zijn rol afgespeeld is! En hoe zijn ook de andere karakters: de ouders, de vorst, broeder Lorenzo, de dienaars der beide twistende huizen, geteekend! Van dit alles vindt men geen spoor in de verhalen, die aan Shakespeare’s werk ten grondslag liggen. Al drage het stuk ook alle kenmerken van de jeugd des dichters, al moge men de zucht naar woordspelingen en gekunstelde uitdrukkingen er in gispen, al zou Shakespeare later die feilen waarschijnlijk vermeden hebben, men mag betwijfelen, of hij op rijperen leeftijd een zoo voortreffelijke tragedie der liefde geleverd zou hebben.
Uit denzelfden tijd, misschien van iets vroeger, dagteekent de Midzomernachtdroom; hoe het zij, ongetwijfeld liggen beide stukken, wat den tijd betreft, niet verre uit elkander; de beschrijving van koningin Mab door Mercutio, in het vierde tooneel van het eerste bedrijf van “Romeo en Julia” toont aan, hoe toen de elfenwereld den dichter voor den geest zweefde. De vertooning van het sterven van Pyramus en Thisbe, kinderen van overhoop liggende buren, in den Midzomernachtdroom, moet wel aan den dood van Romeo en Julia in het grafgesticht der Capulets doen denken. Doch kon de dichter zoowel het roerend slottooneel van de tragedie der liefde schrijven, als een parodie er van in een ander stuk, dat even eenig is in zijn soort, even voortreffelijk en ongeëvenaard? Het moge vreemd zijn, maar waarom zou hij dit niet gedaan hebben? Is er één tooneelwerk ter wereld, dat zich met den Midzomernachtdroom laat vergelijken? En is het onmogelijkste er niet mogelijk in gemaakt?3Het stuk heeft drie zeer ongelijksoortige bestanddeelen: de bruiloft van Theseus en Hippolyta, benevens de lotgevallen der vier verliefden; de pogingen der handwerkslieden om comedie te spelen; de twist van den koning en de koningin der elfen en hierbij de guitenstreken van Puck; dit alles komt in het stuk niet eenvoudig naast elkander voor, maar het is samengeschakeld, samengeweven, door een innig verband vereenigd! Wie het wonder doorgronden wil, leze en herleze het onvergelijkelijk meesterstuk!
Dezelfde begaafdheid, van zeer ongelijksoortige bestanddeelen dooreen te weven en tot een wonderschoon geheel te verwerken, merken wij ook in den “Koopman van Venetië” op. De zoo verschillende geschiedenissen van Antonio en Shylock, van Portia en Bassanio, van Jessica en Lorenzo zijn met elkander in het nauwste verband gebracht. Gegevens voor het beloop der geschiedenis leverde hem een oud verhaal van Giovanni Fiorentino, waaruit in de aanteekeningen bij het stuk het noodige medegedeeld is4; hij wijzigde dit, daar het niet geheel te gebruiken was, door er de keuze tusschen de drie kastjes in te vlechten, waarvan hij het denkbeeld aan een oude novellenverzameling, die ook Fiorentino’s bron geweest was, deGesta Romanorum, ontleende. Meer dan den gang der geschiedenis leverden hem zijn bronnen niet op; hij vond er Antonio en Shylock, Portia en Bassanio in, maar de prachtige karakterteekening is zijn eigen werk; hij dacht Jessica en Lorenzo, ook Gratiano en de andere vrienden van Antonio uit, evenzoo de twee Gobbo’s, en natuurlijk ook de schaking van Jessica door Lorenzo, die van zooveel belang is om het karakter van Shylock te doen uitkomen en zijn handelingen te verklaren; hij wist Shylock een jood te doen zijn, jegens de christenen in het algemeen vervuld van den haat, dien deze zelf gedurende de middeleeuwen door vervolging en verschopping bij de joden hadden aangekweekt, en bovendien uit geldgierigheid in het bijzonder op den koopman Antonio gebeten, die door welwillendheid jegens anderen hem benadeelde. Uit dezen haat wordt het begrijpelijk, dat het hem een wellust is, een gezegeld stuk in handen te hebben, waardoor hem de kans, hoe gering aanvankelijk ook, aangeboden wordt, van eens over het lot van den gehaten christen te kunnen beschikken. Had in den beginne alleen de gedachte aan mogelijke wraak hem gestreeld, nu ongeluk op ongeluk zijn schuldenaar treft, en zijn dochter, door een christen geschaakt, zijn dierbare dukaten en edelgesteenten met christenen verkwist, is zijn wrok zoo fel, dat hij dien, alle vermaningentot menschelijkheid terugwijzend, en trots zijn geldgierigheid zelfs de voordeeligste aanbiedingen versmadend, met het leven van den christen wil verzadigen. De gloed, waarmede dit alles geschilderd is, de onpartijdigheid des dichters, die niet verheelt, wat de joden, als paria’s der maatschappij, te lijden hadden, moeten ons niet op het dwaalspoor brengen, de teleurstelling van Shylock niet als een tragisch voorval doen beschouwen, en in hemzelf geen martelaar doen zien, die door spitsvondige redeneeringen zijn recht moet derven; wij moeten niet door diepzinnige wijsgeerige redeneeringen gaan opsporen, welke verborgen waarheden de dichter in dit stuk op bedekte wijze heeft willen verkondigen; want de blijkbare moraal van het tooneel in de gerechtszaal is, dat, wie een kuil voor anderen graaft, er ten slotte zelf in valt; een moraal, die in een blijspel volkomen op haar plaats is, zoodat zeer terecht onmiddellijk daarna het stuk op schertsenden toon voortgaat en ten einde wordt gebracht. Wie goed in den geest van het stuk wil doordringen, moge het lezen en herlezen, daarbij zich goed voor den geest stellend, hoe in Shakespeare’s tijd de toestand der joden in de maatschappij was; hij zal bij het opmerken der tallooze schoonheden veel genieten, en tevens waarnemen, dat de dichter in meer dan één opzicht zijn tijd vooruit was; doch hij geve niet te veel toe aan de bespiegelingen van velen, over de wijsgeerige grondbeginselen, welke Shakespeare op geheimzinnige wijze er in predikt. Trouwens in vele gevallen doet men beter, zich aan Shakespeare zelf te houden en zich niet door zijn verklaarders te laten leiden.
“De Koopman van Venetië” is omstreeks 1595, misschien een jaar vroeger of later, geschreven; uit dit zelfde tijdperk dagteekenen hoogstwaarschijnlijk de historiestukken, “Koning Jan” en “Koning Richard de Tweede.” Het eerste staat geheel op zichzelf, maar “Koning Richard II” maakt met de beide deelen van Koning Hendrik IV en met “Koning Hendrik V” een geheel uit; deze vier zijn natuurlijk achter elkander bewerkt, en “Koning Jan” moet er aan zijn voorafgegaan. De meermalen (b. v. blz.47) vermelde lijst van Meres, van 1598, bevat “Koning Jan”, “Richard II” en “Hendrik IV”, waarvan hij alleen het eerste deel, maar misschien tevens het tweede bedoeld kan hebben; men weet, dat “Hendrik V” in 1599 voltooid was (zie blz.47).
“Koning Jan” zal dus omstreeks 1595,—blijve in het midden, vóór of na “De Koopman van Venetië”—geschreven zijn. Terwijl Shakespeare aan al de overige koningsstukken de mededeelingen van Holinshed’s kroniek ten grondslag legt, heeft hij hier een ouder, zeer uitvoerig, uit twee deelen bestaand, historisch drama, dat in 1591 zonder den naam van den schrijver het licht zag, gebezigd. Hij volgt dit door alle bedrijven en tooneelen heen, en waar hij er van afwijkt, is dit niet om van Holinshed gebruik te maken en zich nader aan de geschiedenis te houden, doch alleen om een beter, den toeschouwer meer boeiend geheel te leveren, dus om dramatische redenen. De vergelijking van het oudere stuk en Shakespeare’s bewerking is wel geschikt om het onderscheid tusschen gewoon werk en meesterwerk te doen inzien. Dat de oudere “Koning Jan” mede van Shakespeare afkomstig en later door hem omgewerkt zou zijn, is niet aan te nemen; zijn oudere historiestukken, die op zichzelf een goed beeld zijner ontwikkeling als schrijver van historiestukken geven, dragen een anderen stempel, dien van zijn machtigen geest. Bovendien, Shakespeare werkte een vroegeren arbeid van hemzelf slechts zelden om; wat hij voortbracht, had waarschijnlijk bijna altijd dadelijk den vorm, dien het behield; de uitgevers der folio-editie deelen zelfs mede, dat zij schier nooit een doorhaling in zijn handschriften hebben gevonden. Zijn overvloed van denkbeelden en zijn scheppingsvermogen waren te groot, dan dat het veranderen en beschaven van zijn vroegeren arbeid hem kon aantrekken. Iets anders was het herscheppen van het werk eens anderen, waarvan de kern goed, doch de vorm gebrekkig was. Dat hij dit hier ondernam, behoeft niet te verwonderen; de historiestukken vielen zeer in den smaak5, zoodat het belang van den schouwburg het wenschelijk kan gemaakt hebben, het tweeledige stuk, dat veel goeds bevatte, in meer beknopten vorm te vertoonen. Zoo kan het zijn, dat Shakespeare op aandringen van anderen, van zijn vakgenooten, zich met de omwerking belastte. Doch evenzeer is het mogelijk, dat hijzelf er zich met liefde aan wijdde; moge ook Koning Jan op verre na niet zooveel belangstelling wekken als de door eigen schuld ongelukkige, maar dichterlijke Richard de Tweede, de figuur van den zich tot een held ontwikkelenden bastaard Faulconbridge, de tooneelen, waarin Constance of haar zoon optreden, waren wel waardig, dat Shakespeare ze bewerkte. Dat het stuk de toeschouwers boeide, zouden wij, zelfs al hadden wij het getuigenis niet van Meres, die het als voortreffelijk opnoemt, niet kunnen betwijfelen; want waar de liefde tot het vaderland en de liefde eener moeder zóó ten tooneele worden gevoerd, blijft het handgeklap niet uit, en is de indruk diep en duurzaam.
Ongetwijfeld is “Koning Richard II” korten tijd na “Koning Jan” geschreven; de overeenkomst in bewerking van beide stukken kan dit doen zien. Met zeer groote waarschijnlijkheid kan men 1596 voor het jaar van ontstaan aannemen, want een quarto-uitgave van dit stuk zag in 1597 het licht. Vergelijkt men het met de oudere historiespelen, dan ziet men, hoe verre Shakespeare in de dramatische opvatting en bewerking van historische onderwerpen gevorderd was. Dit stuk omvat de matige tijdsruimte van slechts twee jaren, en met de drie, die er bij behooren, een geringere, dan het eerste deel van “Koning Hendrik VI” alleen. Het begint met de aanklacht van den hertog van Norfolk door Hendrik van Hereford in 1398 en eindigt met Richards dood in 1400, zoodat de loop der gebeurtenissen gemakkelijk te overzien is. De reeks van tyrannieke daden, door Richard begaan, waaromtrent in de aanteekeningen op het stuk het noodige vermeld is, krijgen wij dus niet te zien en vernemen wij slechts van zijn aanklagers. Het ergste, wat wij van hem zien, is zijn gedrag aan het sterfbed van zijn oom Jan van Gent, en het schreeuwend onrecht, dat hij pleegt, door zich diens erfenis toe te eigenen, en deze, tegen alle gegeven beloften in, aan den zoon en rechtmatigen erfgenaam, Hendrik van Hereford, te onthouden,—een daad, waardoor hij zich in het verderf stort. De schuld van Richard II komt dus in het stuk minder uit dan in de geschiedenis, en terecht, want hierdoor kan bij den toeschouwer deernis met zijn lot opgewekt worden, en in dezelfde mate schijnt ook de schuld van Hendrik van Hereford, of Bolingbroke, die tegen hem in opstand is, die rijst naarmate Richard daalt, en die niet vrij te pleiten is van de medeplichtigheid aan zijn dood, grooter, zoodat de moeiten en zorgen, die in de twee volgende stukken den overwinnaar steeds bezighouden en drukken, voldoende gerechtvaardigd en in den “Richard II” behoorlijk voorbereid worden.
Letten wij nu verder op de dichterlijke natuur, die aan Richard wordt toegekend en die zich op de schoonste wijze uit, op de uitmuntende karakterteekening van Jan van Gent, van Bolingbroke, van den ouden York, dan moet erkend worden, dat Shakespeare met de grootste zorg dit stuk geschreven heeft en er zijn kunstvaardigheid schitterend in heeft doen blijken. Dat het stuk desniettemin niet den diepen, tragischen indruk maakt, dien men verwachten zou, is aan den aard en de handelingen van den hoofdpersoon te wijten. Wij kunnen medelijden met hem hebben, omdat hij ongelukkig is, maar zijn zwakheid en wankelmoedigheid, de miskenning zijner plichten en het dwaas vertrouwen op zijn rechten, het misbruik, dat hij van zijn macht maakt, dit alles toont hem als onbekwaam tot heerschen, waar zijn tegenstander uitnemend geschikt toe blijkt, en ontrooft hem de sympathie, die zijn val zou betreuren.
Hoewel de volgende historiestukken reeds ontworpen waren, zal de dichter waarschijnlijk in dezen zelfden tijd, als ter afwisseling, nog een of twee blijspelen geschreven hebben. Misschien behoort de “Temming van de Snibbe” hier gerangschikt te worden, maar het kan ook zijn, dat dit stuk van vroeger dagteekent; men vergelijke, wat hierover in de aanteekeningen, bij het stuk gevoegd, gezegd is. Shakespeare leverde ons een verfijnde, veredelde bewerking van een ouder, grof en plomp stuk, dat in 1594 het licht zag. Dat hij er veel bijval mee behaald heeft, dat de vertooning veel toeschouwers getrokken en deze bijzonder vermaakt heeft, is, al ontbreken ons berichten hieromtrent, met zeer groote waarschijnlijkheid te gissen, daar het stuk reeds spoedig in andere landen met name in Nederland en Duitschland, nagevolgd en vertoond werd en nog heden ten dage, als het gespeeld wordt, met groot genoegen gezien en luide toegejuicht wordt.
Eveneens moet “Eind goed, al goed” tot de stukken behooren, waarmede Shakespeare het schrijven van de historiespelen afwisselde. Het kan in 1594 of 1595 geschreven zijn, doch is waarschijnlijk van vroeger dagteekening en door Shakespeare later omgewerkt, waarbij het karakter van Helena misschien aanmerkelijk gewijzigd is, ernstiger en edeler geworden, maar zeker is het geschreven vóór het eerste deel van “Koning Hendrik IV”, dat in 1598 door Meres genoemd wordt; dat deze waarschijnlijk “Eind goed, al goed” bedoelt, als hij een stukLove’s Labour’s wonvermeldt, is reeds, blz.47, medegedeeld. Men raadplege hierover, alsmede over de bronnen, welke Shakespeare ten dienste stonden, en over den stijl, of liever de verschillende stijlsoorten, die in dit stuk aangetroffen worden, de Aanteekeningen. Dat het vóór “Koning Hendrik IV” geschreven is, mag onbetwijfelbaar genoemd worden: de zwetser Parolles, die er in voorkomt, is genoeg, om dit te staven. Men herkent in hem een eerste, zeer goed gelukte schets, die uitgewerkt is tot den dikken ridder Falstaff en ook tot den vaandrig Pistool. Nadat Shakespeare deze karakters geschapen had, heeft hij er zeker geen schetsachtige herhaling van gegeven, zooals Parolles dan wezen zou.—Hoeveel schoons het stuk ook moge bevatten, en met hoeveel zorg Helena’s karakter ook geteekend zij, geheel en al kan het niet bevredigen: dat Helena zich door den koning aan den beminden Bertram als vrouw laat opdringen en dan door list de voorwaardenweet vervuld te krijgen, van welke hij geschreven heeft, dat zij door haar vervuld moesten zijn, eer hij haar als zijn vrouw wil aannemen en erkennen, verder, dat Bertram, in plaats van straf, een vrouw als Helena krijgt, is meer, dan men met genoegen leest, en zou ongetwijfeld tegenwoordig bij de vertooning slechts bij zeer enkelen bijval vinden. In Shakespeare’s tijd dacht men hieromtrent blijkbaar anders.
Hoogstwaarschijnlijk zette Shakespeare na deze afwisseling zijn reeks van historiestukken voort en schreef de beide deelen van “Koning Hendrik IV”. Van het eerste deel verscheen in 1598 de eerste quarto, die in 1599, 1604, 1608, 1613 en 1622 door andere drukken gevolgd werd, welke wel de bijvoeging “Op nieuw verbeterd door William Shakespeare” op den titel dragen, doch alleen meer drukfouten bevatten. In de folio van 1623 is het naar de quarto van 1613, hier en daar verbeterd, afgedrukt; voor de verkrijging van een zuiverder tekst moet men meermalen tot de vroegere quarto’s teruggaan. Van het tweede deel verscheen slechts een enkele quarto, in 1600, die in menig opzicht gebrekkig is, zoodat zij slechts hier en daar ter verbetering of aanvulling van den tekst der folio, welke naar een veel beter handschrift gedrukt is, strekken kan. Op de beide deelen van “Koning Hendrik IV” volgde ongetwijfeld spoedig “Koning Hendrik V”, die blijkens den proloog voor het vijfde bedrijf, in 1599 ten tooneele werd gebracht, zoodat toen de geheele reeks van acht historiestukken, welke, met de laatste regeeringsjaren en den val van Richard II beginnende, de opkomst en den ondergang der vorstenhuizen van Lancaster en York en de troonsbestijging van den eersten Tudor voor oogen stellen, volledig was. Van “Koning Hendrik V” verscheen in 1600 een quarto-uitgave, maar zeer slecht en onvolledig (zie de aanteekeningen op het stuk), zoodat de tekst blijkbaar op onrechtmatige wijze, door opschrijving onder de voorstelling, verkregen was en eerst de folio de echte lezing deed kennen; toch werd de quarto tweemaal, in 1602 en 1608, herdrukt.
De beide deelen van “Koning Hendrik IV” worden, zooals reeds gezegd is, in “Koning Richard II” uitstekend voorbereid en voor het goed begrijpen van het karakter, de moeilijkheden, handelingen en bepeinzingen des konings, is het volstrekt noodig laatstgenoemd stuk vooraf met aandacht te lezen. Niet minder schoon dan het karakter des konings, is dat van zijn zoon, den prins van Wales, den lateren koning Hendrik V, ontwikkeld. Wars van allen schijn en onwaarheid, had hij het leven aan het hof ontweken en zich aan een loszinnig leven, dat hem aantrok, overgegeven, den omgang zoekende met ruwe klanten, onder welke de onverbeterlijke egoïst, Sir John Falstaff, de eerste is. Wanneer de prins optreedt, in het tweede tooneel van het eerste bedrijf, heeft hij ondertusschen de voosheid en nietswaardigheid van dit loszinnig leven reeds doorgrond, zooals uit zijn eerste alleenspraak blijkt. Moge hij tijdelijk nog met den dikken deugniet en diens gezellen als kameraad omgaan, nog vóór het eerste deel ten einde loopt, in den strijd met Percy en in de woorden, die hij aan den gevallen tegenstander wijdt, komt zijn edele aard ten volle uit. In het tweede deel is hij nog wel niet van Falstaff en diens aanhang geheel vervreemd, maar de omgang is op verre na zoo levendig niet meer als vroeger; en wie op den deemoed en de bescheidenheid let, waarmede hij zich als zoon en als held gedraagt, behoeft niet verbaasd te staan over de waardige wijze, waarop hij onmiddellijk na den dood zijns vaders als koning optreedt, en evenmin over de vastberadenheid en kloekheid, welke hij in het stuk, dat zijn naam draagt, zoowel tegenover de samenzweerders, die hem belagen, als tegenover de vijanden van zijn land aan den dag legt. Onder de andere personen verdient vooral Hendrik Percy de aandacht; vergelijkt men verder de tooneelen, waarin de samenzwering tegen Hendrik tot stand komt, met tooneelen van het tweede en derde deel van “Koning Hendrik VI”, dan ziet men, welke vorderingen de dichter gemaakt heeft, hoe vast en scherp de toestanden geteekend zijn, hoe ieder geheel naar zijn aard spreekt en handelt, en hoe zorgvuldig alle bijzonderheden zijn uitgewerkt.
Welk waarachtig leven Shakespeare zijn scheppingen inblaast, blijkt ten duidelijkste uit den machtigen indruk, dien Sir John Falstaff met de zijnen op den toeschouwer en lezer maakt. Zij brengen de handeling wel is waar niet of weinig vooruit, doch men zou ze niet willen missen, vooral den onsterfelijken Falstaff niet, al nemen de tooneelen, waarin hij optreedt, een overgroote ruimte, wel vijf twaalfden van het stuk, in. De buitengewone bijval, dien het eerste deel van Koning Hendrik IV gevonden heeft, onder andere uit het groot aantal herdrukken van de quarto blijkbaar, is ongetwijfeld voor een goed deel aan den dikken ridder te danken. Van het tweede deel zag, zooals boven gezegd is, slechts een enkele afzonderlijke uitgave het licht; het schijnt nooit zooveel indruk gemaakt te hebben als het eerste. Wel treedt Falstaff er in op, meermalen zelfs en in groote tooneelen, doch de omgang met zijn vorstelijken kameraad is bijna opgehouden, en hiermede blijft een groote prikkel uit, die zijn geest voortdurend opwekt; hij moet zich in lagere kringen bewegen;en hoe kostelijk ook de personen, waar hij mede verkeert, zooals Zielig en Pistool, geteekend zijn, hoewel Falstaff’s geest nog even slagvaardig zij als vroeger, dit alles is geen vergoeding voor het gemis van zijn gesprekken met Prins Hendrik. Toch moesten deze wegblijven, om er op voor te bereiden, dat de prins, die het leven ernstiger gaat opnemen en weldra een voortreffelijk vorst zal blijken, hem terug zal wijzen, wanneer de onverbeterlijke zondaar zich tot hem wendt. En zoo gebeurt het hem, terecht; hij vertrouwt, nu zijn Hendrik koning geworden is, nog meer dan ooit te kunnen toegeven aan zijn eigenbatige lusten, maar moet ondervinden, dat hij verbannen wordt en op geen mijlen afstands het hof mag naderen; ja, hij moet het nog genadig achten, dat hij geen gebrek te lijden zal hebben, daar hem levensonderhoud wordt toegezegd! Moge de dichter zelf, volgens zijn eigen mededeeling, eens van plan geweest zijn, Falstaff nogmaals in “Koning Hendrik V”, te doen optreden, het bleek hem zeker bij het uitwerken van dit stuk, dat het niet gebeuren mocht, en hieraan hebben wij, uit den mond van vrouw Haastig, het fraaie verhaal van Falstaff’s dood te danken.—Kon alzoo de dikke zondaar in het tweede deel van “Koning Hendrik IV” niet zooveel bewonderaars en toejuiching oogsten als in het eerste, evenzeer was het ten nadeele van dit tweede deel, dat zoowel de hernieuwde opstand van Engelsche grooten, als de spanning, die op nieuw tusschen den koning en zijn zoon ontstond, herhalingen waren van handelingen en toestanden, die in het eerste deel voorkwamen. Hoe rijk het tweede deel ook zijn moge aan schoonheden van den eersten rang, te verwonderen is het niet, dat het in mindere mate dan het eerste de gunst van het publiek verwierf.
Een andere snaar werd aangeslagen in “Koning Hendrik V”. De hoogvereerde vorst, wiens dood op jeugdigen leeftijd, na een roemvolle regeering, voor Engeland een zware slag was, die gevolgd werd door tal van rampen,—reeds jaren vroeger door Shakespeare in zijn “Koning Hendrik VI” ten tooneele gebracht,—treedt hier op in al zijn grootheid. Kalm en vastberaden weet hij, kort na zijn optreden, een geduchte samenzwering in de geboorte te smoren, en grijpt daarna, uitgetart, naar het zwaard, om den krijg in ’s vijands land over te brengen. In dit stuk, dat eigenlijk geheel aan den roemvollen krijg met Frankrijk gewijd is, dat de ongehoorde zege bij Agincourt in herinnering brengt, en met het huwelijk van den koning en de Fransche prinses, waardoor de heerschappij van Engelands koning over Frankrijk bezegeld wordt, eindigt, komen al de deugden van den geliefden vorst, zijn bezonnenheid, zijn heldenmoed, zijn bescheidenheid en zijn innige vroomheid op het heerlijkst uit. Van dramatische verwikkeling, van een knoop, die gelegd wordt en ontward moet worden, is er eigenlijk in dit stuk geen sprake; misschien heeft Shakespeare om deze reden, ten einde zijn dichtwerk te nadrukkelijker ter verheerlijking van Engelands heldenmoed te doen strekken, elk bedrijf door een met gloed geschreven koor doen voorafgaan. En wel mocht hij dezen krijg zijn toeschouwers voor oogen brengen, en hun gemoed tot liefde voor hun land ontvlammen, want—in de aanteekeningen op dit stuk wordt dit nader aangewezen—in dezen krijg werd de eenheid van het Engelsche volk voor goed gevestigd en was dit volk zich zijner kracht bewust geworden.
Hiermede was de reeks der Engelsche historiestukken voltooid; nog slechts eenmaal, veel later, behandelde Shakespeare een gedeelte der Engelsche geschiedenis, in den “Koning Hendrik VIII”, welk stuk, evenmin als “Koning Jan”, tot deze groote reeks behoort. Geen wonder, dat hij, na het afweven dezer belangrijke taak, afwisseling zocht en enkele blijspelen schreef, waaronder er zijn, die tot zijn schoonste scheppingen gerekend moeten worden.
Deze laatste woorden zijn ongetwijfeld niet van toepassing op het eerste hier te vermelden stuk: “De vroolijke Vrouwtjes van Windsor” Er bestaat een overlevering, dat koningin Elizabeth den wensch geuit had, Falstaff verliefd te zien, en dat binnen veertien dagen alles hiervoor gereed moest zijn. Dit bericht is eerst van 1702, toen J. Dennis een omwerking van Shakespeare’s stuk ten tooneele bracht; doch onwaarschijnlijk is de mededeeling niet te noemen. Er moet een krachtige drang uitgeoefend zijn om van den dichter te verkrijgen, dat hij de schim van den dooden Falstaff deed rondwaren. Want inderdaad, alleen een schim van hem,—zij het ook een dikke,—treedt in dit stuk op; de oude rot is versuft en loopt op allerlei manieren in de val; zijn geest is vet geworden, zijn guitig oog is dof, een uitgezetten strik merkt hij niet meer op. Met dit al is het opmerkelijk, hoe Shakespeare zich van de waarschijnlijk, ’t zij door de koningin, ’t zij door het publiek, hem opgedrongen taak kwijt; een novelle van Giovanni Fiorentino kon hem op den weg helpen en het gebruik van de waschmand aan de hand doen, maar Anna Page, Fenton, dokter Cajus, Slapperman, zijn alle scheppingen des dichters. Hoeveel geestigs er in dit blijspel ook op te merken zij, het is voor het nagaan der ontwikkeling voor Shakespeare’s geest van geen belang; Falstaff was dood, en geen bevel der koningin in staat hem op te wekken. Toch moet zijn levensbeschrijver op dit stuk letten, daar men er met groote waarschijnlijkheid uit kan afleiden, dat Shakespearemet Sir Thomas Lucy iets uitstaande had, waarover men de Aanteekeningen op dit stuk en boven blz.11nazie.
Hooger lof is aan “Veel Leven om Niets”, ongetwijfeld mede uit dezen tijd herkomstig, te geven al zijn er op dit stuk aanmerkingen te maken, zoodat het wat al te veel aan zijn titel beantwoordt en den lezer of toeschouwer niet geheel bevredigt. Evenals in verscheiden andere stukken, zijn hier ernst en boert op verrassende wijze dooreengeweven. Shakespeare nam een oud verhaal, waarvan de kern reeds in Ariosto’s “Razende Roeland” te vinden is, maar dat meer uitgewerkt in Bandello’s novellenverzameling voorkomt, ter hand, en ontleende er de door Claudio lichtvaardig geloofde belastering van Hero door Don Juan aan; doch de door hemzelf in het leven geroepen personen, de elkander met kwinkslagen steeds bevechtende Benedict en Beatrice, spelen een zoo belangrijke rol, dat de vroolijke bijhandeling de ernstige hoofdhandeling, die trouwens een blij einde neemt, overheerscht, en het geheel een recht blijspel is. Hoe kunstvol Shakespeare te werk gaat, moge in dit stuk opgemerkt worden. Mocht het verwondering wekken, dat Claudio, wiens daden in den krijg zoo hoog geroemd worden en den nijd van Don Juan in zoo hooge mate opwekken, zóó lichtgeloovig en zwak is, dat hij zonder nader onderzoek de arme Hero van zich stoot,—de dichter heeft er voor gezorgd hem reeds vroeger als lichtgeloovig, zwak en heftig te doen kennen, daar hij op het bal even gretig aan de inblazingen van Don Juan, die den prins belastert, het oor leent. Evenzeer heeft hij zorg gedragen, dat wij door de verstooting van Hero niet al te diep getroffen worden en uit de blijspelstemming geraken, want wij weten, dat de uitvoerders van het schelmstuk reeds achter slot en grendel zitten, en zijn terstond ook met het geheim bekend, dat de doodgewaande Hero niet wezenlijk dood is. En kostelijk is het, dat het plompe bedrog van Don Juan niet door het verstand der verstandigen, maar door het onverstand der onnoozelen, de zoo meesterlijk geteekende dwaze nachtwachts, ontdekt wordt! In zulk een stuk mocht een bijhandeling, als de schermutselingen en het vrede-sluiten van Beatrice en Benedict, een breede ruimte innemen. Dat deze twee fijne vernuften, die onophoudelijk kibbelen, zoo ras en op zoo eenvoudige wijze tot elkander gebracht worden, behoeft mede niet te verwonderen, want reeds in het begin van het stuk zien wij, hoe Beatrice verlangt, Benedict weder te ontmoeten, zij het dan ook om met hem slaags te geraken; en Benedict geeft, hoe hij ook smale, duidelijk genoeg te kennen, dat zij hem bevalt, hem aantrekt. De door den prins uitgedachte list brengt niet samen wat van elkander afkeerig is, maar verhaast alleen de vereeniging, die toch niet zou uitblijven. En dat deze vereeniging op innige overeenstemming berust, dat beiden, hoe zij ook kibbelen en elkaâr plagen, een edelen aard bezitten, blijkt ten duidelijkste uit beider vaste overtuiging, dat de zachte Hero belasterd is, en uit beider innige deelneming in haar lot, een overeenstemming, die hun liefde bevestigt. Men vergelijke met dit paar Biron en Rosaline uit “Veel Gemin, geen Gewin”, en overwege, of de dichter op een hooger standpunt staat dan vroeger!—Waar alles zoo gelukkig afloopt, letten wij niet verder op den lasteraar; wij weten, dat hij in hechtenis is, doch wij bekommeren ons niet verder om hem; de straffen, die hem wachten, zullen later worden uitgedacht!—In een later tijdperk van zijn leven, toen de tijd van lustige en luimige blijspelen voor hem voorbij was, zou Shakespeare nog eens hetzelfde onderwerp behandelen, nog eens den beminnenden, maar lichtgeloovigen man, de onschuldige en vertrouwende liefde en den lasterenden duivel ten tooneele brengen, maar dan zou hij tot in de diepste verborgenheden van het menschelijk hart doordringen, dan zouden de hartstochten het geheele wezen van den mensch innemen, en Othello, Desdemona en Jago zouden de hoofdpersonen zijn van een onvergelijkelijk treurspel.
Dat het volgende stuk “Elk wat wils”,As you like it, van 1599 of slechts enkele maanden vroeger of later dagteekent, is buiten allen twijfel, daar het in 1598 door Meres niet genoemd wordt en op 4 Augustus 1600 in het boekhandelaarsregister werd ingeschreven. De bron, waar Shakespeare uit putte, was de roman van Thomas Lodge, “Rosalinde, Euphues’ gouden nalatenschap”,Rosalynde: Eupheus Golden Legacie(reeds blz.31vermeld), waarvan hij een uitgestrekt gebruik maakte, zoodat hij de meeste personen en den gang der handeling, ja zeer vele bijzonderheden er uit overnam. Jacques, Toetssteen, Dorothea, Willem en Draaitekst echter komen alleen bij Shakespeare voor. In het tweede gedeelte moest hij, om de eischen, die de vertooning stelt, hier en daar van zijn bron afwijken. Bij Lodge wordt Celia door Orlando’s broeder Olivier uit de handen eener rooverbende gered, zoodat haar genegenheid voor haar redder beter dan in het stuk verklaarbaar wordt; bij Lodge komen de grooten van het land, de pairs, tegen den overweldiger in opstand en leveren hem aan den zoom van het woud een gevecht, waarbij hun de verdreven hertog met de zijnen te hulp komt en na de overwinning in zijn heerschappij hersteld wordt; den overweldiger heeft hij niet meer te duchten, want deze is in den strijd gevallen. Shakespeare kon in de eenzaamheid vanhet woud geen rooverbende brengen, geen leger doen optreden, hij moest zich op een andere wijze redden; doch dat de handeling hierdoor in waarschijnlijkheid gewonnen heeft, zal wel niemand beweren. Evenwel, dit is hier van minder beteekenis, want op waarschijnlijkheid, ja op mogelijkheid kan de handeling toch geen aanspraak maken; en als men alles, wat voor de handeling niet noodig is, uit het stuk wilde verwijderen, zou zeker meer dan de helft moeten gekapt worden; doch Shakespeare weet alles met zooveel bekoorlijkheid te bedeelen, met zulk een dichterlijken glans te doen stralen, dat men bij het lezen van het begin tot het einde geboeid wordt en geen enkel gedeelte zou willen missen; hoe ongewoon ook in vorm, hoe ook met alle regelen in strijd, is dit stuk toch een voortreffelijk blijspel, dat eenig in de geschiedenis der letterkunde en tegelijk onnavolgbaar is. Voor de vertooning stelt het natuurlijk aan de spelers zeer hooge eischen: zij moeten zorgen, dat het dichterlijk waas, dat over het geheele stuk is uitgebreid, door de plompe werkelijkheid niet wordt weggevaagd, de verbeelding des toeschouwers voortdurend wordt beziggehouden en aan zijn verstand de tijd niet gelaten om over de mogelijkheid of waarschijnlijkheid der gebeurtenissen en handelingen te gaan nadenken.
Nog kostelijker parel ondertusschen onder Shakespeare’s echte blijspelen is ongetwijfeld “Driekoningenavond of Wat gij wilt”, dat van 1600 of 1601 dagteekent. Van den eersten regel af, waarin de hertog de muziek het voedsel der liefde noemt, tot den laatsten, waarin hij aan Viola de hand reikt, worden wij geboeid, en nu eens gestreeld en geroerd, zonder daarom tot weemoed gestemd te worden, dan weder tot gullen aanhoudenden lach geprikkeld. De verwikkelingen zijn vele en houden de aandacht en nieuwsgierigheid voortdurend levendig, de personen zeer verschillend van karakter en allen behoorlijk in verband gebracht; het meer ernstige deel der handeling is van een zoo opgewekte levensbeschouwing doordrongen, de meer boertige gedeelten zijn zoo dol en vroolijk, dat wij steeds in de aangenaamste stemming verkeeren; de ontknooping maakt allen gelukkig, en zij vloeit op de natuurlijkste wijze uit al het voorafgaande voort. Geen enkel blijspel van Shakespeare is zoo zonnig als dit. En letten wij nader op de hooge kunst, waarmede de zeer verschillende bestanddeelen tot een harmonisch geheel vereenigd zijn, op de wijze, waarop de gedachten zijn uitgedrukt, dan erkennen wij, dat de dichter een volkomen meesterschap verworven heeft, zoowel in den bouw van het drama, als in stijl en taal. Aan een Italiaansche novelle van Bandello, die hij in een Engelsche bewerking door Barnaby Rich, welke in 1851 verscheen, gelezen kan hebben, is een gedeelte der handeling ontleend, maar hij heeft dit zoo gewijzigd en door de bijgevoegde, meer comische handeling zoo verrijkt, dat het geheele blijspel zijn eigen schepping kan genoemd worden.
Rekenen wij, dat het eerste tijdperk, de morgenstond van Shakespeare’s werkzaamheid, met den Titus Andronicus begonnen, zich uitstrekt tot de voltooiing van “Koning Richard III”, een echt treurspel, dat hem reeds als meester kenschetst, dan moeten wij de stukken, die daarna geschreven werden en hier door ons beschouwd zijn, tot zijn tweede tijdperk rekenen. Op den morgenstond, waarin alleen zeer in de vroegte zijn zon door eenige nevelen verduisterd werd, was een prachtige voormiddag gevolgd, en nu stond zijn zon, aan een onbevlekten hemel, op haar middaghoogte. Aleer wij haar nu in haar verderen loop nagaan, moeten wij de tot dusver genoemde stukken nogmaals overzien.
Merkwaardig is het op te merken, hoe Shakespeare, die in oorspronkelijkheid ongeëvenaard is, bij het ontwerpen van het plan zijner stukken geenszins naar oorspronkelijkheid streeft, maar het plan meestal vrij getrouw aan de geschiedenis of aan de eene of andere novelle ontleent. Bij de historiestukken ligt dit wel in den aard der zaak, doch ook in deze houdt hij zich bijzonder getrouw aan de kroniek, welke hij eenmaal tot leiddraad heeft gekozen; hij is natuurlijk gedwongen hier en daar de gebeurtenissen van jaren in een kort bestek, soms in een enkel tooneel, samen te trekken; soms is hij verplicht de volgorde der gebeurtenissen te wijzigen, zooals hij dit op groote schaal in het eerste deel van Koning Hendrik IV gedaan heeft; soms smelt hij twee gebeurtenissen, die voor het vervolg ongeveer dezelfde beteekenis hebben, zooals den slag van Sint Albaans in 1455 en dien van Nottingham in 1460, tot één samen; maar over het algemeen volgt hij de overlevering, voor zoover de ontwikkeling der karakters hem niet tot verandering dwingt. Want de menschen in hun waren aard te doen kennen, hun karakter in een helder licht te stellen, de drijfveeren hunner handelingen aan te toonen en deze laatste uit het karakter te doen voortvloeien, kortom, zijn personen echte menschen te doen zijn, die geheel naar hun aard spreken en handelen, is het doel, dat hij zich voorstelt. Waar hij, om een karakter duidelijk te doen uitkomen, de geschiedenis moet wijzigen, schroomt hij geenszins, hoe getrouw anders aan zijn kroniek, dit te doen. Om dat van Richard van Gloster, den lateren koning Richard III, goed te doen kennen, laat hij hem reeds tijdens den dood zijns vaders, in 1460, te velde staan en een dapper krijgsmanblijken, schoon hij toen inderdaad nog een knaap was van acht jaren; doch Shakespeare bereikt er dan ook dit mede, dat het geheele karakter ons onuitwischbaar voor oogen staat. Met gelijk doel weet hij ook treffende episodes uit te denken; de overpeinzing van Koning Richard II in den kerker, zijn gesprek met den stalknecht en zijn strijd met de binnendringende moordenaars mogen er voorbeelden van zijn. Waar de overlevering meldt, dat Prins Hendrik, later de voortreffelijke koning Hendrik V, in zijn jeugd met losbandig volk van minderen rang omging, was hem dit genoeg om aan Sir John Falstaff en de zijnen het leven te schenken. Hij schroomt dus niet te verdichten, maar draagt hierbij steeds zorg een scherp en zoo veel mogelijk juist beeld zijner personen te teekenen; zelfs komt het meermalen voor, dat zijn scherpzinnigheid onjuist oordeel, met wonderbaar vermogen uit ’s menschen daden de roerselen van het gemoed doorgrondend, aan de figuren der kronieken een leven schonk en gedachten leende, in overeenstemming met de uitkomsten, door de latere zorgvuldige onderzoekingen der wetenschap verkregen. Wat een beroemd geschiedkundige aangaande de historische waarde van Shakespeare’s stukken gezegd heeft, is in de aanteekeningen op Koning Jan medegedeeld.
Was Shakespeare bij het schrijven zijner historiestukken uit den aard der zaak verplicht, de stof aan de kronieken te ontleenen, ook bij het treurspel, dat in dit tijdperk van zijn leven geschreven werd, heeft hij zich voor den gang van het stuk aan een verhalend gedicht gehouden; doch ook hier heeft hijzelf karakters geschapen; ja, verscheiden belangwekkende personen van zijn stuk worden in dit gedicht niet of te nauwernood genoemd.
Dat Shakespeare ook aan zijn blijspelen over het algemeen, met slechts weinige uitzonderingen, de een of andere novelle ten grondslag legde, heeft op deze werken een eigenaardigen stempel gedrukt, daar hij zich ook hier ten doel stelde de karakters te doen uitkomen; de wijzigingen, die hij meermalen aan het verhaal toebracht, waren steeds hierop berekend, en geenszins altijd bestemd om den loop der geschiedenis natuurlijker te maken. De verwikkelingen zijn bij zijn stukken geenszins hoofdzaak; ja, de wijze, waarop de ontknooping plaats heeft, is vaak onwaarschijnlijk genoeg. Shakespeare hechtte in zijn blijspelen hier blijkbaar minder gewicht aan. Zoo wordt het booze plan, dat in “Veel leven om niets” door Don Juan gesmeed en heimelijk ten uitvoer gelegd is, daardoor ontdekt, dat zijn medehelper het, dom genoeg, aan een ander vertelt, en wel juist op een plaats, waar toevallig eenige nachtwachts zich ophouden, die, hoe onnoozel ook, dadelijk begrijpen, dat er een schelmstuk gepleegd is, en terstond een vreemden prins, gast van hun vorst, durven beschuldigen! Dat in “Veel Gemin, geen Gewin”, de koning en drie zijner edellieden, tegen hun pas bezegelde gelofte in, allen op hetzelfde oogenblik verliefd raken op een der vier dames, die zij ontmoet hebben, en gelukkig geen twee op dezelfde, dat zij allen achtereenvolgens, zonder iets van elkaar te weten, op dezelfde plaats van een bosch komen, en dat drie hunner daar hardop de dichtregelen lezen, die zij aan hun aangebedenen gericht hebben, dit alles zondigt zeker niet door te groote waarschijnlijkheid. Meermalen laat Shakespeare een meisje in mannengewaad optreden,—en daar in zijn tijd de meisjesrollen door jongens of aankomende jongelieden vervuld werden, werd het natuurlijk spel hierdoor bevorderd,—maar dat het verkleede meisje zich niet het minste geweld behoeft aan te doen, en, zooals Portia in den “Koopman van Venetië”, een pleidooi kan houden en op het oefenen van genade aandringen, waarbij zij haar stem vol en indrukwekkend moet laten klinken, en dat zij toch niet door haar man herkend wordt,—dat Rosalinde in “Elk wat wils” zelfs schertsen kan met haar vader en zijn nieuwsgierigheid kan prikkelen, zonder dat hij vermoedt, wie voor hem staat,—dat Viola in “Driekoningenavond” noch door hertog Orsino, die zooveel en zoolang met haar spreekt, noch door de gravin Olivia, wier liefde zij afwijzen moet, als meisje herkend wordt,—is zeker meer, dan waarschijnlijk geacht kan worden. Met zulke berekeningen laat Shakespeare zich echter niet in; hij rekent veeleer op zijn kunst, van den toeschouwer te betooveren, zoodat deze niets anders meer ziet, dan hij verlangt, en het onmoog’lijkste moog’lijk acht. En dat hij inderdaad hierin slaagt, wie zal het loochenen? Schier al de genoemde stukken zijn, tot den laatsten tijd toe, ten tooneele gebracht met een praal, die in zijn tijd onmogelijk gerekend zou zijn, een praal waarbij niet de verbeeldingskracht, door hem steeds bij zijn toeschouwers ondersteld, te hulp werd geroepen, maar waarbij men de werkelijkheid nabij trachtte te komen, een praal, die voor een poëzie van minder echt gehalte verderfelijk zou geweest zijn,—en zij hebben de zware proef zegevierend doorstaan. Dat wij dus vrede hebben met de eischen, die hij aan de verbeelding stelt, en thans vragen, welke karakters door hem in zijn blijspelen onder de oogen zijner toeschouwers worden gebracht, en tevens welke niet; want ook dit laatste kan tot kennis en waardeering van zijn geest en zijn dichtkunst leiden.
In het tafereel van zeden en karakters, dat groote blijspeldichters ontrollen, vallen steeds tweeërlei bestanddeelen te onderscheiden. Brengenzij de wereld, waarin zijzelf en hun toeschouwers leven, ten tooneele, dan boeien en treffen zij door de zeden van hun tijd, vaak van debelachelijkezijde, voor te stellen, en door de personen, zooals zij deze met hun scherpen blik hebben gadegeslagen, in al hun eigenaardigheid te doen optreden. Hebben zij hierbij alleen de uiterlijke eigenaardigheden, in kleeding en manieren, nagebootst, dan moge het afbeeldsel de tijdgenooten boeien en vermaken, voor de lateren, die het oorspronkelijke niet voor zich zien, is het aantrekkelijke van de nabootsing grootendeels verdwenen. Maar mogen zeden en gewoonten veranderen, de mensch zelf, met zijn gewaarwordingen, met zijn begeerten en hartstochten, met de drijfveeren zijner handelingen, blijft steeds dezelfde. Hebben zij dit alles bespied en als in een spiegel den toeschouwers voor de oogen getooverd, dan zal het beeld, hoe ook de zeden veranderen, door alle tijden heen, door zijn waarheid treffen en behagen. In dit opzicht was Shakespeare een meester. Zelfs daar, waar hij personen teekent, wiens origineelen niet meer voorkomen, zooals den Spaanschen bluffer Don Armado, den dwazen geestelijke Nathaniel, den onwetenden schoolmeester Holofernes uit “Veel Gemin, geen Gewin”, weet hij ze zoo vol leven te doen zijn, dat wij de waarheid der schildering, al zij deze naar den aard van het blijspel ook overdreven, terstond gevoelen, en er, als waren wij tijdgenooten, behagen in kunnen scheppen.
Dat Shakespeare in al zijn werken steeds de natuur zelf tot gids nam en ’s menschen aard scherp gadesloeg, drukt een eigenaardigen stempel op zijn scheppingen. De Italiaansche tooneelschrijvers waren bij de Latijnsche, Plautus en Terentius, ter schole gegaan, zooals deze bij de Grieken, zonder onophoudelijk uit het volle menschenleven, dat belangwekkend is, waar men het weet te vatten, hun onderwerpen te putten. Vandaar dan ook, dat telkens dezelfde personen in hun werken terugkeeren; men vindt gierige vaders, die door verkwistende zoons bedrogen worden, oude verliefde gekken, die bitter teleurgesteld worden, jongelingen, die verliefd zijn en de tegenwerking der ouders door schalksche middelen weten vruchteloos te maken, pochers, die van hun moed en krijgsbedrijven zwetsen, doch ten laatste in hun nietigheid ontmaskerd worden, slaven, die met den zoon des huizes samenspannen om hun heer en meester te bedriegen, onwetende schoolpedanten, die door schijngeleerdheid anderen zand in de oogen trachten te strooien. Dit werden als het ware vaststaande tooneelfiguren, naar een bepaald model ontworpen, doch niet door studie der natuur met eigen leven begiftigd. Shakespeare kende ze, zooals blijkt, wanneer men zijn “Temming der Snibbe” ter hand neemt; daarin leveren de oude minnaar Gremio en zijn jonge mededinger Lucentio er voorbeelden van; doch men bedenke, dat dit stuk een omwerking is van een ander en de karakterteekening niet belangrijk gewijzigd is; als hij meer zelfstandig te werk gaat, zooals in een zijner oudste werken, de “Klucht der vergissingen”, waaraan toch een Latijnsche klucht van Plautus ten grondslag ligt, weet hij dadelijk den tooneelpoppen leven in te blazen en karakters te schilderen.
Aan Shakespeare’s scherp en fijn waarnemingsvermogen en diepe studie is de groote natuurlijkheid en verscheidenheid in zijn karakters te danken. De waard, een recht vermakelijk persoon in de “Vroolijke Vrouwtjes van Windsor”, is naar het leven geteekend; al moge Parolles in “Eind goed, al goed” veel verwantschap hebben met de tooneelfiguur van een bluffenden lafaard, ook van hem moet hetzelfde getuigd worden. En welk een verscheidenheid bij de minnenden! Een Portia, een Julia uit de “Twee Edellieden van Verona”, een andere Julia, een Helena uit “Eind goed, al goed”, een Rosalinde, en een Viola, zij beminnen allen even diep en vurig, maar ieder van haar is een nieuwe schepping, zeer verschillend van de overigen. Welk een rijkdom, in vergelijking van andere, zelfs groote tooneelschrijvers, bij wier beminnende vrouwen maar al te vaak een sterke familietrek op te merken valt! En bij de minnaars heerscht niet minder verscheidenheid.
Op nog een ander belangrijk verschil tusschen Shakespeare en vele andere tooneeldichters mag gewezen worden. Bij Shakespeare komt in al de blijspelen geen enkele valsche of meineedige vrouw voor, geen enkele, die haar man tracht te bedriegen; integendeel, waar, zooals in de “Vroolijke Vrouwtjes van Windsor”, een man het hof aan een getrouwde vrouw maakt,—in dit geval aan twee vrouwen tegelijk,—moet hij er danig voor boeten, en de echtgenoot, die ten onrechte jaloersch is geweest, krijgt een nadrukkelijke les, dat hij het niet had moeten zijn. De schennis der huwelijkstrouw is door Shakespeare nooit tot stof gekozen om de toeschouwers te doen lachen.—De vaders worden bij Shakespeare niet als belachelijk, en evenmin als gierig voorgesteld,—Shylock natuurlijk uitgezonderd. Zij worden niet door hun zoons bedrogen: als Valentijn, in “Twee Edellieden van Verona”, de dochter des hertogs, Sylvia, wil schaken, komt zijn toeleg uit en wordt hij met verbanning gestraft; als de hertog later zijn toestemming tot het huwelijk geeft, doet hij dit gewillig, omdat hij overtuigd is van Valentijns waarde en van de onderlinge liefde der jongelieden, niet met tegenzin, omdat hij bezwijkenmoet voor een slim overlegde zamenzwering. Hermia (Midzomernachtdroom) en Anna Page (Vroolijke Vrouwtjes van Windsor) zetten haar wil door tegen den zin van haar vader, doch ook deze schikken zich in het geval.—De dienaars gaan soms op vertrouwelijken voet met hun heer om, maar zij spelen niet de eerste rol; al dienen zij hun jongen meester van goeden raad, zij bestelen niet, te zijnen behoeve en tegen een goede belooning, zijn vader, om straks, zoodra zij de kans schoon zien, ook hun meester de beurs te lichten; Adam in “Elk wat wils” en Pisanio zijn zelfs voorbeelden, dat de edelste gezindheden in de borst van een trouwen dienaar kunnen wonen.—Men vergelijke in deze opzichten Latijnsche, Italiaansche of Fransche blijspelen van Shakespeare’s tijd en later, Molière niet uitgesloten, met de zijne, en oordeele, aan welke, uit het oogpunt van zedelijkheid, de palm toekomt.
Maakt Shakespeare zich dus niet vroolijk met wat voor anderen een onuitputtelijke bron van vroolijkheid is, toch zal niemand beweren, dat hij minder hartelijk doet lachen. Integendeel, waar hij vroolijk is, is hij het door en door, en sleept onwillekeurig mede. En hij is het telkens, in al de stukken van dit tijdperk. In zijn “Romeo en Julia” beeldt hij het leven af zooals het is, en telkens komen er lachwekkende tooneelen, tot het naderen der droevige ontknooping ze van zelf verbiedt. Welk een schat van geestige en vermakelijke tooneelen er in de historiestukken voorkomen, behoeft wel niet in herinnering gebracht te worden. En in de blijspelen moge er, evenals in het leven, ernst met de scherts gemengd zijn, de geest der stukken is zoo vroolijk, scherts en boert maken er zoo de schering en den inslag van uit, doen den fijneren lach om geestigheden zoo vaak afwisselen met den schaterlach om koddige invallen, dat men overal den frisschen levenslust des dichters kan opmerken. Het vuur der jeugd doortintelt hem; hij geniet het leven met volle teugen; zijn wereldbeschouwing doet hem overal het goede, alles wat het leven veraangenaamt, opmerken; het landschap, waar zijn blik op rust, wordt door de zon beschenen. Het vaderland en de liefde zijn de machtige drijfveeren tot handelen. Hij kent ook de schaduwzijden der wereld en wijst die aan; hij kent het kwade en de ondeugd; hij kent de verderfelijke gevolgen van overmatige eerzucht en van geldgierigheid; maar het gevoel van het booze in de wereld grijpt zijn innigst wezen niet aan, het vervult zijn gemoed niet; het moge hem hier en daar juiste opmerkingen en redeneeringen ontlokken, hij zet er zich over heen en bekijkt de wereld weer van den goeden kant; hij is optimist. De peinzer Jacques moge mijmeren over het verkeerde in de wereld, en deze voos, bedorven en onrein noemen, hem wordt toegevoegd6, dat zijn beschouwingen voortvloeien uit levensmoeheid, daar hij te veel heeft willen genieten; Amiëns moge een roerend lied aanheffen over de ondankbaarheid7, de verbannen hertog geeft terstond daarna aan den jongen Orlando te kennen, dat hij door weldaden aan den zoon de diensten wil erkennen, door den vader hem bewezen, en de droefgeestige bespiegelingen van Jacques zijn niet bij machte een schaduw te werpen op het zonnig leven in het woud, ver van het gewoel der wereld.
Wèl had Shakespeare reden om met opgeruimden blik in de wereld rond te zien. Op ongeveer twee-en-twintigjarigen leeftijd zijn landelijke geboorteplaats ontweken, en vreemd in de woelige wereldstad Londen aangekomen om er een geheel nieuwe loopbaan in te treden, had hij ongetwijfeld in den beginne met groote moeilijkheden, misschien met gebrek en tegenspoed, te kampen gehad, en had met onverdroten inspanning hard moeten werken: maar lang had toch zeker de tegenspoed niet geduurd en de belooning van zijn arbeid was niet uitgebleven, want reeds na vijf of zes jaren behoefde hij niet meer beklaagd te worden, maar had integendeel den nijd van oudere kunstbroeders in hooge mate opgewekt. Een hunner, Robert Greene, die stervend aan zijn wrok lucht gaf, erkende hierdoor tevens, dat de nieuw opgekomen tooneelschrijver, die aan zijn voorgangers de kunst afgezien had, hen verre overvleugelde, en bij het gezelschap, waar hij toe behoorde, een overwegenden invloed bezat. Ongetwijfeld droeg tot dezen wrok bij, dat Shakespeare van den beginne af zich niet bij hen aangesloten, niet in hun loszinnig leven gedeeld, maar door noeste werkzaamheid zich in korten tijd tot groot kunstenaar ontwikkeld had. De hatelijke uitval van Greene heeft ten gevolge gehad, dat wij een eervol getuigenis van Henry Chettle aangaande Shakespeare’s karakter en handelingen bezitten8. Weldra behaalde Shakespeare nu met zijn gedichten “Venus en Adonis” en“Lucretia” grooten roem, en mocht zich in de gunst van den graaf van Southampton verheugen. Wel bleef hem het leed des levens niet gespaard en verloor hij in Augustus 1596 zijn eenigen zoon Hamnet, een der in het begin van 1585 geboren tweelingen, maar in geldelijk opzicht ging het hem zeer goed; de schouwburg leverde hem, hetzij hij mede-eigenaar er vangeworden was of niet, vrij wat op. In 1597 kocht hij een groot huis in Stratford aan,New Placegeheeten9met bijbehoorende gronden; in ’t volgend jaar trachtte hij nabij Stratford landerijen te koopen en werd hem door een vriend, Richard Quiney, een som van dertig pond te leen gevraagd. Later heeft hij nog vrij wat geld in landerijen belegd. Kortom, uit alles blijkt, dat het hem goed ging; hij begon grondeigenaar te worden; de man, die voor weinige jaren zijn geboortestad Stratford was ontvlucht om als tooneelspeler zijn brood te verdienen, was goed op weg om in zijn eigen stad en graafschap als gezeten burger op den naam vangentlemanaanspraak te kunnen maken. Hiermede stond ongetwijfeld in verband, dat zijn vader, John Shakespeare, in 1599 vergunning verwierf een wapen te voeren10, een voorrecht, waarschijnlijk op aandrang, op kosten en door tusschenkomst van zijn zoon verkregen.
1Wel werd het stuk eerst in 1597, en wel in een zeer gebrekkigen vorm, als het ware verminkt, uitgegeven, doch het was toen zeker reeds enkele jaren vroeger geschreven en gespeeld. Een omwerking neme men niet aan; men vergelijke hierover de Aanteekeningen, bij het stuk gevoegd. Over het algemeen zal hier, wat in de aanteekeningen op de stukken is medegedeeld, niet herhaald worden; waar het vermeld moet worden, wordt het slechts kort aangestipt.—Dat de herinnering aan “De twee Edellieden van Verona” bij den dichter nog levendig was, toen hij Romeo en Julia schreef, kan blijken, als men vergelijkt, wat in genoemd stuk, III. 1. 170, Valentijn, en in dit stuk, III. 3. 12, Romeo van “ballingschap” zeggen.2Reeds in 1476 had Masuccio dezelfde geschiedenis verhaald van een paar gelieven in Siena; hem volgde in 1524 Luigi da Porto, die de handeling naar Verona verplaatste en het noodlottig einde op eenigszins andere wijze tot stand deed komen; uit deze putte Bandello in 1554, aan wien Brooke de stof voor zijn gedicht ontleende. Men zie verder de Aanteekeningen.3Hoe allervermakelijkst het stuk ten tijde van Shakespeare voor de toeschouwers moet geweest zijn, kan men zich het best voorstellen, als men bedenkt wat reeds blz.14is opgemerkt, dat de tijd der mysteriespelen niet of nauwelijks voorbij was en dat deze door handwerkslieden gespeeld werden. Men vergelijke bovendien de bij het stuk gevoegde aanteekeningen.4Wie de bronnen, waaruit Shakespeare geput heeft, uitvoerig wil leeren kennen, raadplege Simrock,Die Quellen des Shakspeare, zweite Auflage, Bonn, 1870.5Men zie hierover en over de historiestukken in het algemeen de Aanteekeningen op “Koning Jan”.6“Elk wat wils”, II. 7. 64.7Aldaar, II. 7. 174.8Zie boven blz.45.9Zie boven blz.5.10Dit wapen voert in goud een zwarten rechter sehuinbalk, beladen met een gouden toernooilans, de punt van zilver, geplaatst in de richting van den schuinbalk. De wrong is van goud, zwart en zilver, en het helmteeken is een opvliegende arend, die in den rechterpoot de lans uit het schild houdt. De wapenspreuk is:non sans droict.
1Wel werd het stuk eerst in 1597, en wel in een zeer gebrekkigen vorm, als het ware verminkt, uitgegeven, doch het was toen zeker reeds enkele jaren vroeger geschreven en gespeeld. Een omwerking neme men niet aan; men vergelijke hierover de Aanteekeningen, bij het stuk gevoegd. Over het algemeen zal hier, wat in de aanteekeningen op de stukken is medegedeeld, niet herhaald worden; waar het vermeld moet worden, wordt het slechts kort aangestipt.—Dat de herinnering aan “De twee Edellieden van Verona” bij den dichter nog levendig was, toen hij Romeo en Julia schreef, kan blijken, als men vergelijkt, wat in genoemd stuk, III. 1. 170, Valentijn, en in dit stuk, III. 3. 12, Romeo van “ballingschap” zeggen.
2Reeds in 1476 had Masuccio dezelfde geschiedenis verhaald van een paar gelieven in Siena; hem volgde in 1524 Luigi da Porto, die de handeling naar Verona verplaatste en het noodlottig einde op eenigszins andere wijze tot stand deed komen; uit deze putte Bandello in 1554, aan wien Brooke de stof voor zijn gedicht ontleende. Men zie verder de Aanteekeningen.
3Hoe allervermakelijkst het stuk ten tijde van Shakespeare voor de toeschouwers moet geweest zijn, kan men zich het best voorstellen, als men bedenkt wat reeds blz.14is opgemerkt, dat de tijd der mysteriespelen niet of nauwelijks voorbij was en dat deze door handwerkslieden gespeeld werden. Men vergelijke bovendien de bij het stuk gevoegde aanteekeningen.
4Wie de bronnen, waaruit Shakespeare geput heeft, uitvoerig wil leeren kennen, raadplege Simrock,Die Quellen des Shakspeare, zweite Auflage, Bonn, 1870.
5Men zie hierover en over de historiestukken in het algemeen de Aanteekeningen op “Koning Jan”.
6“Elk wat wils”, II. 7. 64.
7Aldaar, II. 7. 174.
8Zie boven blz.45.
9Zie boven blz.5.
10Dit wapen voert in goud een zwarten rechter sehuinbalk, beladen met een gouden toernooilans, de punt van zilver, geplaatst in de richting van den schuinbalk. De wrong is van goud, zwart en zilver, en het helmteeken is een opvliegende arend, die in den rechterpoot de lans uit het schild houdt. De wapenspreuk is:non sans droict.