Zaandijk.Zaandijk.
Zaandijk.
Zaandijk.
Ziedaar vragen, welker gewicht niemand miskennen zal, maar die wij gelukkig niet geroepen zijn op te lossen, en waarin wij ons dan ook verder niet zullen verdiepen. Het zou inderdaad onbegrijpelijk zijn, dat deze en dergelijke vragen ons juist thans konden bezighouden, ware het niet dat van de verschillende steden, door Peter gedurende zijn verblijf in ons land bezocht, Zaandam de eenige is, die een aandenken aan hem heeft bewaard. Ook daarom zeker wordt steeds in de eerste en voornaamste plaats, bijna uitsluitend, van zijn verblijf te Zaandam gewaagd.
Wij zijn van ons uitstapje naar het beroemde huisje teruggekeerd en staan weder op den Dam bij de sluizen, waar het vooral omtrent het middaguur vrij druk is. Wij werpen even een blik op het raadhuis, een wit gepleisterd karakterloos gebouw, in dien ongelukkigen pseudo-klassieken stijl, die voor veertig, vijftig jaren de alleenheerschende was, maar die vooral in deze omgeving een allerwonderlijksten indruk maakt. En nu, laat ons de stad inwandelen.
De Dam te Edam.De Dam te Edam.
De Dam te Edam.
De Dam te Edam.
Ik zeide reeds, dat Zaandam zich langs beide oevers van de Zaan uitstrekt, en wel aan iedere zijde met eene hoofdstraat, waarvan een aantal zijsteegjes of laantjes uitgaan. Aan de westzijde, waar wij ons thans bevinden, heeft deze straat delengte van ruim een half uur: dat wil zeggen, over die lengte behoort zij nog tot Zaandam, maar zij zelve zet zich voort door de dorpen Koog-aan-de-Zaan en Zaandijk, die met Zaandam een aaneengeschakeld geheel vormen. Ware het niet, dat voorbij Zaandijk de meer dan twee uren lange straat door open plekken en weiland wordt afgebroken, dan zou ook nog Wormerveer tot deze zeldzame trits van dorpen kunnen gerekend worden. Ge ziet toch niet tegen de wandeling op? Het is uitnemend weêr: een frissche wind tempert de warmte en de zon kleurt en bezielt het landschap. Laat mij u vooruit de verzekering geven, dat de tocht u niet verdrieten en niet lang vallen zal.
Wij merkten reeds den eigenaardigen bouwtrant op. De meeste huizen zijn ook nu nog van hout, hetzij geheel, hetzij alleen voor het bovengedeelte, terwijl de benedenverdieping van steen is. Geheel steenen huizen, al is hun aantal in den laatsten tijd toegenomen, vormen toch nog verreweg de minderheid. Deze huizen hebben bijna zonder uitzondering maar eene bovenverdieping en een schuin toeloopend dak; maar wat vooral de aandacht trekt, dat is de veelheid der verwen, waarmede zij prijken. Al het houtwerk is geverfd: groen in verschillende schakeeringen schijnt de meest geliefde kleur, maar daarnevens ziet ge ook geel en blauw en rood. Zie daar dat huis eens. Van onderen is het van donkerrooden baksteen, waarvan de witte voegen helder uitkomen. De lijsten en posten van deuren en ramen zijn wit beschilderd; de naar buiten openslaande luiken zijn helder groen, met witte en roode randen om de paneelen, even als de deur zelve. Groen is ook de houten bovenverdieping, grasgroen; en ook hier ontbreken langs de smalle vensters de roode en witte biezen niet. Ter afwisseling zijn nu de luiken rood geverfd, met groene en witte randen. Het puntige dak springt een weinig vooruit en prijkt op den top met een vergulde windvaan of een of ander sieraad van gesneden hout. Dit kleurrijke huis staat in een tuintje met smalle paden en kleine bloemperken; een paar doornhagen en een paar geschoren wilgen herinneren nog aan den vroegeren aanleg. Jammer, niet waar, dat de bewoner heeft gemeend aan den modernen smaak te moeten offeren, door midden in zijn tuintje een wit pleisterbeeld te plaatsen, een sober gekleed jongske, dat een korf of schelp omhoog tilt: deze karakterlooze pop hoort daar niet. Dat alles blinkt van zindelijkheid behoef ik niet te zeggen; dat de met kiezel bestrooide paadjes in den tuin netjes zijn geharkt; dat de met veelkleurige bloemekens omzette randen der perken onberispelijk in orde zijn; dat het huis zelf er uitziet, als ware het zoo pas uit eene doos te voorschijn gehaald:—dat spreekt immers van zelf. In dit alles is overdrijving, overdrijving die schade doet aan het pittoreske en, het moet gezegd worden, over het algemeen en op den duur den indruk maakt van iets kleingeestigs en kinderachtigs. Maar al glimlacht ge ook over deze zwakheid, ge moogt daarom niet verzuimen een oog te hebben voor het betooverend spel van licht en schaduw, voor den rijkdom van kleuren en tinten, voor het schilderachtig effekt—meestal geheel ongewild en ongezocht—dat u telkens en telkens treft. De straat neemt steeds meer het karakter aan van een laan; zij is nu eens breeder, dan weer smaller, en slingert zich in breede kronkelingen al verder en verder, steeds aan beide zijden door huizen omzoomd. Maar die huizen staan niet, als soldaten in het gelid, op eene rij naast elkander; zelfs van eene rooilijn kan men maar bij uitzondering, beleefdheidshalve, spreken. Blijkbaar heeft ieder zijn huis gebouwd naar eigen smaak en fantazie: nu eens vlak aan den weg, dan een weinig meer achterwaarts, dan weer schuin of overdwars, elders in groepjes van drie of vier naast elkander. En deze afwisseling waarborgt u telkens nieuwe kijkjes en nieuwe verrassingen en bant alle eentonigheid, die, ware een meer moderne bouwtrant gevolgd, niet kon zijn uitgebleven. Voorts is daar, als aan een buitenweg past, groen in overvloed. Schier bij elk huis behoort een grooter of kleiner tuintje; langs den weg zijn boomen geplant, oude, eerwaardige boomen ook, die hun lommer uitbreiden over de stille woningen, en door wier gebladerte het zonlicht zoo geestig speelt op de bont gekleurde geveltjes. Straks krijgt de straat nog meer het karakter van een buitenweg. Ter linkerhand loopt langs den vrij smallen weg eene tamelijk breede sloot, en over die sloot welven zich tal van, natuurlijk wederom beschilderde, houten brugjes, die toegang geven tot de erven en woningen aan de overzijde.—Hier en daar wordt de reeks der eenvoudige zaanlandsche woningen afgewisseld door een molen, waarvan de kap wederom groen is geverfd met roode en witte banden; door eene fabriek, waarvan de donkere muren en de hooge schoorsteen een scherp contrast vormen met deze ouderwetsche omgeving; door een of ander heerenhuis of villa in modernen stijl, die de plaats heeft ingenomen der voorvaderlijke woning. Somwijlen ook krijgt ge nog enkele exemplaren te zien van den echten, ouderwetschen tuinaanleg: geschoren hagen, regelmatig afgepaste perkjes, die geometrische figuren vormen; voorts grotwerk en gekleurde beeldjes, mannen en vrouwen in nationale kleederdracht, schippers, boeren, kooplieden. Dit alles is op kleine schaal en dus ontegenzeggelijk kinderachtig en min of meer smakeloos: deze wijze van tuinaanleg kan eerst werkelijk begrepen en gewaardeerd worden, waar het vorstelijke lusthoven geldt, waarvan een trotsch, monumentaal kasteel het middelpunt vormt; maar hier zijn deze ouderwetsche tuintjes, wier aantal zeer klein is, u toch welkom als herinneringen aan vroeger eeuw.
Nu en dan kunt ge, soms maar door een smal steegje, een blik werpen op de breede rivier, wier dansende golfjes schitteren in het zonnelicht, of laten de huizen en tuinen eene ruimte open, die u een vrijer en wijder blik gunt op de veel bezongen Zaan. Veel vaart is er nu op de rivier niet; maar karakteristiek voor hare boorden zijn de talrijke molens, die overal uit het groen te voorschijn treden, en wier zwaaiende wieken rondwentelen in, ijlende vlucht. Toch is ook het getal dier molensmerkelijk geslonken, deels door den achteruitgang of den geheelen ondergang van sommige weleer bloeiende takken van nijverheid, deels door de toenemende heerschappij van den stoom. En dat men ook hier met de veranderde tijdsomstandigheden rekening heeft weten te houden en zich beijvert om aan de eischen der moderne industrie te voldoen, dat bewijzen de groote fabrieken, die ge hier en daar, met name te Wormerveer, ziet verrijzen.
Toch zijn ook voor de Zaanstreek de gouden dagen van vroeger voorbij. Ik weet niet, in hoeverre de aanteekening in Bädeker vertrouwen verdient, dat er onder de dertienduizend inwoners van Zaandam verscheidene millionnairs gevonden worden; maar wel weet ik, dat ge slechts een gesprek behoeft aan te knoopen met den kastelein! in het koffiehuis waar ge even toeft, of met den eerzamen bewoner van een dezer aardige huisjes, om te hooren verhalen van den rijkdom, die hier vroeger heerschte en namen te hooren noemen van zaanlandsche familiën, waarvan de vader of de grootvader bij zijn sterven millioenen naliet. En die rijkdom openbaarde zich niet zoo zeer in uiterlijke pronk en schittering, in vertooning naar buiten, maar in die degelijke soliede pracht, waarvan wij nader zullen hebben te spreken, als wij zullen pogen het beeld van een ouderwetsch zaanlandsch huis voor u te teekenen.
Hoe was die rijkdom verworven? Door noeste vlijt, rusteloozen arbeid en taaie inspanning. Niet ten onrechte heeft men de Zaanstreek met een bijenkorf vergeleken, waar elke werkelooze hommel met den nek werd aangezien en iedere bij rusteloos bezig was met honig te garen. Zeker was er in ons vaderland geene andere streek te vinden, waar binnen zoo klein bestek de nijverheid zulk een omvang had gekregen. Houtzaagmolens, papiermolens, pel-, verf- en tabaksmolens werden bij tientallen, de eersten welhaast bij honderdtallen, geteld; voorts had men er leerlooierijen, lijnbanen, oliefabrieken, zeildoekmakerijen, om vooral de scheepstimmerwerven met haar ganschen aanhang van ambachten en bedrijven niet te vergeten. Daar is een tijd geweest, dat alleen langs de Binnenzaan vijf-en-twintig scheepstimmerwerven aan vele honderden handen arbeid en welvaart verschaften. Uit kleine beginselen was deze industrie tot zoo grooten bloei gestegen. Aanvankelijk vergenoegde men zich met het timmeren van kleine vaartuigjes, en de naijverige mededinging van het machtig Amsterdam en van andere naburige steden, zooals Enkhuizen en Edam, scheen de kans op verdere uitbreiding van dit bedrijf onmogelijk te maken. Maar de Zaankanter was ondernemend en gaf niet licht iets op. Men begon allengs grooter schepen te bouwen, en men deed het zoo goed, dat de concurrentie weldra niet meer te vreezen was en de Zaanstreek voor een tijd de groote scheepstimmerwerf van Holland mocht worden genoemd.—Even ondernemend en doorzettend toonden zich de Zaanlanders ook in andere opzichten. Nieuwe wegen te openen, uitvindingen te doen, lag minder op hun weg; doch zij verstonden uitnemend de kunst, de door anderen gebaande wegen te betreden en van de uitvindingen van anderen profijt te trekken. Nauwelijks was de houtzaagmolen uitgevonden, of daar stond er een aan de Zaan. Deze eerste houtzaagmolen, het Juffertje genoemd, werd in 1592 door Cornelis Cornelisz. van Uitgeest gebouwd. Amsterdam werd naijverig, en de regeering van de snel in macht en invloed wassende koopstad vaardigde het verbod uit, dat geen ruw hout naar Zaandam mocht worden gebracht en geen gezaagd hout van daar ingevoerd. Het baatte niets. De Zaandammers zetten het hout bij de molens te koop, en aan koopers ontbrak het niet; straks voerden zij zelven het hout naar elders: men vertrok met volle lading en keerde terug met volle beurs.
Niet anders ging het met de walvischvangst: nauwelijks was de weg gebaand of de Zaandammers verschenen in de IJszee; en vele jaren lang was dit bedrijf voor de geheele streek eene bron van grooten rijkdom.
Zoo stond de arbeid nooit stil in deze kleine eigenaardige wereld, die inderdaad, onder meer dan een opzicht, een afgesloten geheel vormde. Die Zaankant—zoo als wij de lange straat, die achtervolgens Zaandam, Koog-aan-de-Zaan en Zaandijk heet, nu maar zullen noemen,—maakt eenigermate den indruk van een reusachtig hofje. En voor zoo ver wij aan dat woord het denkbeeld hechten van huiselijkheid en goede buurschap, van onderling samenleven en afgeslotenheid, is het beeld niet onjuist. Zijn dorp, zijn huis was voor den Zaanlander het hoogste. Wel zag hij tegen geene verre zeereizen, geen tochten naar den vreemde op: maar hij getroostte zich die vrijwillige ballingschap om de te behalen winst, en met het gewonnen geld keerde hij naar zijn geboortegrond terug. Hij versierde zijne woning met schatten, van zilverwerk en porselein; hij hielp zijn dorp verfraaien, weeshuizen en andere liefdadige inrichtingen stichten en begiftigen. In zijn dorp leefde hij als in den kring zijner familie: hij had zitting in een of meer colleges van bestuur; hij behartigde de zaken van de burgerlijke gemeente, van de kerk, van den polder; en naijverig op zijn gezag, duldde hij op zijn terrein geene inmenging van vreemden. Een praktisch man in merg en been, had hij oog noch zin voor kunst en poëzie: wel kleurde en beschilderde hij zijn huizen, zijn meubelen, schier alle voorwerpen van huiselijk gebruik; maar te vergeefs zoudt ge in zijn pronkkamer hebben omgezien naar een der kunstwerken van de meesters der hollandsche school. De kunst kon niet tieren in eene omgeving, waar geld verdienen en rijk worden welhaast het hoogste levensdoel was.
Toch, al mangelde het hem aan smaak en artistieke ontwikkeling, gevoelde de rijk geworden Zaanlander behoefte, zijn huis, zijne dagelijksche omgeving zoo fraai mogelijk in te richten. Nemen wij eens een kijkje in zulk een ouderwetsch zaanlandsch huis, zoo als er voor zestig, zeventig jaren eene menigte gevonden werden, zoo als er ook nu misschien nog enkelen te vinden zijn.—De eigenaar is een welgesteld man, dat bespeurt ge aanstonds aan de grootte en de bouworde van hethuis, waarvan het benedengedeelte van steen is. Wij gaan door een vrij grooten bloemtuin met zijne regelmatig afgepaste perkjes, zijne heggen en in zonderlinge figuren gesneden boomen, en staan voor het huis. Ter wederzijde van de deur zien wij twee ramen met kleine ruitjes; maar wat ons al dadelijk treft, is de eenigszins zonderlinge plaatsing der voordeur, die niet tot den grond reikt, doch slechts langs een trap is te bereiken. Meen niet, dat ge door die voordeur het huis betreden zult; zij wordt slechts bij plechtige gelegenheden geopend en draagt den minder uitlokkenden naam van dooddeur, hetzij dan omdat de lijken der huisgenooten door die deur grafwaarts worden gedragen, hetzij omdat zij in den regel gesloten blijft en niet gebruikt wordt.—Wij gaan om het huis heen on vinden aan de achterzijde, die mede op den tuin en verder op de rivier uitziet, eene openslaande deur gelijkvloers.—Wij treden binnen en richten door de met tegels of blauwe steenen belegde gang onze schreden naar de pronkkamer, een heiligdom dat maar zelden ontsloten wordt, maar tot welks bezichtiging wij worden toegelaten.
Wormerveer. (Zuidzijde.)Wormerveer. (Zuidzijde.)
Wormerveer. (Zuidzijde.)
Wormerveer. (Zuidzijde.)
Het is een ruim, maar eenigszins somber vertrek, laag van verdieping en waarvan de wanden met eikenhout zijn bekleed. Neem u bij het voortgaan een weinig in acht, want de fijne gele, zwartgestreepte spaansche matten, die den vloer bedekken, zijn zoo glad gewreven dat ge, zonder de noodige voorzichtigheid, zeer gemakkelijk zoudt kunnen uitglijden en vallen. Niet ten onrechte treedt ge aanstonds naar die kostbare, rijk verlakte tafel in het midden van het vertrek: dat is een prachtstuk, misschien voor honderd of honderdvijftig jaren uit de Oost medegebracht en sedert in de familie gebleven. Maar zoo ge de tafel bewondert, vergeet ook niet een oogenblik uwe aandacht te schenken aan het sierlijk gebeeldhouwde noteboomen theeblad, dat daarop staat, en aan het prachtig servies van echt japansch porselein, zonder twijfel mede een familiestuk, waarop de vrouw des huizes met recht trotsch mag zijn.
Aan de eene zijde der kamer staan, langs den wand, zware stoelen van noteboomhout, met hooge gebeeldhouwde ruggen en met fluweel bekleede zittingen. Op de schilderijen aan den wand, portretten, gezichten op de Zaan, afbeeldingen van schepen en molens, zullen wij maar niet letten: zij hebben hoegenaamd geen kunstwaarde.—Meer waarde heeft die groote, in juchtleder gebonden statenbijbel, met zilveren sloten en hoeken, die daar op den fraai besneden houten lezenaar ligt: die Bijbel, in meer dan één zin een familiestuk, die niet alleen van geslacht op geslacht overgaat, maar waarin tevens alle belangrijke gebeurtenissen in de familie, geboorten, huwelijken, sterfgevallen, worden opgeteekend, en die voor de nakomelingen de herinnering bewaart aan de vaderen, die dit huis hebben gesticht, die er hebben gewerkt en gebeden, genoten en geleden en die, na volbrachte levenstaak, ter ziele zijn gegaan.
De Zaan bij Zaandijk.De Zaan bij Zaandijk.
De Zaan bij Zaandijk.
De Zaan bij Zaandijk.
Daar is in de pronkkamer nog meer dat onze aandacht vraagt. Daar, tegen den wand aan de zijde van de gang, staat de porseleinkast, een monumentaal stuk van noteboomhout, rijk met snijwerk versierd, van glazen deuren voorzien, en boven op de schuine lijst gekroond met een zoogenaamd kaststel: drie porseleinen potten en twee bekers. Gij zult van mij niet verlangen, dat ik u in alle bijzonderheden den rijken inhoud van deze kast beschrijf: genoeg zij het, u te wijzen op den schat van japansch en chineesch porselein-, koppen, kommen, schotels, potten, borden van allerlei groote en vorm en van velerlei bestemming, die in dichte rijen en stapels de planken der kast vullen. Daaronder zijn vele voorwerpen van waarde, familiestukken en geschenken bij huwelijk of doopplechtigheid ontvangen. En dat al wat ge ziet echt is, daarop kunt ge vertrouwen: een deel van dien schat is, in vroeger jaren, op de veilingen der Oostindische Compagnie gekocht en sinds in de familie gebleven; andere voorwerpen zijn misschien door familieleden of vrienden rechtstreeks uit de landen van overzee medegebracht. En behalve het chineesch porselein, bevat deze kast ook een aantal dier snuisterijen en bijouteriën van schildpad en ivoor, waarop onze overgrootmoeders zoo gesteld waren, en voorts eene menigte borden, schotels, kopjes, trekpotten van inlandsch fabrikaat, waarop tafreelen uit het huiselijk leven en bedrijf der Zaankanters, gezichten langs de Zaan en dergelijke onderwerpen zijn afgebeeld. Wat van dit inlandsch aardewerk geene plaats in de porseleinkast kon vinden, werd geborgen in het opkamertje, een klein vertrek naast de pronkkamer, waarin de dusgenoemde dooddeur uitkomt. Het schilderwerk op dit delftsch porselein mist doorgaans alle kunstwaarde, maar is dikwerf zeer karakteristiek; vooral in het laatst der vorige eeuw, toen de porseleinen koppen en schotels en borden versierd werden met portretten, zinnebeelden en allerlei opschriften, betrekking hebbende op de politieke partijen en twisten van den dag, kregen die anders zoo onnoozele en prozaïsche voorwerpen van huiselijk gebruik eene eigenaardige beteekenis. Ik kan mij voorstellen, hoe een prinsgezind gastheer zich verkneukelde van genot, wanneer hij een zijner bezoekers of gasten, een Kees, ergeren kon, door hem borden en schotels en koppen voor te zetten, versierd met de portretten van den Prins of van Willemijn en met hoogdravende lofdichten ter eere dier voorstelijke personen.—Het benedenste gedeelte van de kast is gevuld met glaswerk; daar ziet ge dozijnen wijn- en bierglazen, kelken, fluiten, bekers, bokalen van allerlei vorm en grootte, met en zonderdeksels, snijwerk en inscripties, en daaronder vele voorwerpen van het fijnste kristal.
Doch reeds hebt ge uw schreden gewend naar die andere kast, die door haar uitwendige pracht bijna de porseleinkast in de schaduw stelt. En inderdaad, zij is een prachtstuk, hoog, breed en diep, rijk met snijwerk versierd en met fijne houtsoorten, met ivoor, schildpad en zilver ingelegd. Dit schier vorstelijk meubel—en in waarheid, meer dan eene van zulke kasten is in later tijd naar koninklijke paleizen en prinselijke salons verhuisd,—heeft vier deuren en eene lade van onderen, mitsgaders verschillende laadjes en kastjes van binnen. Aan de eene zijde werd in deze kast het linnengoed, de trots en roem van elke hollandsche huismoeder, bewaard; in den anderen vleugel bergde men de kostbare, zware zijden gewaden, die van geslacht op geslacht overgingen en alleen bij plechtige feestelijke gelegenheden werden aangetogen.—Dat kleinere sierlijke kastje aan de overzijde, met zijn kunstig gedraaide pooten, bevat den schat der familie aan zilverwerk, alles wat voor de spijs- en theetafel noodig kan zijn, en dat alles van degelijk gehalte en van de beste keur. Messen, vorken, lepels, ja alle tafelgereedschappen zijn met figuren gegraveerd en zeer dikwijls met inscripties voorzien, die ons vertellen aan wien en bij welke gelegenheid zulk een voorwerp werd vereerd, van welk feit het de herinnering moet bewaren, of ook wel voor welk bijzonder gebruik het is bestemd. Let eens op die van robbevel vervaardigde, met parelmoer ingelegde en met zilver gemonteerde étuis, waarin de gasten vroeger, als zij ten maaltijd gingen, hun mes en lepel medebrachten; vorken kwamen hier eerst omstreeks het midden der achttiende eeuw in gebruik.—Maar vergeet vooral ook niet een blik te werpen op die reeks tabaksdoozen, deels van zilver, deels van koper, maar allen met meer of minder kunstig snijwerk en de meesten ook met een rijmpje versierd. En gewis zal die gouden pijpedop met kettinkje van hetzelfde metaal uwe aandacht niet ontgaan: te minder omdat uit het opschrift, dat nevens een bijenkorf en een Mercuriusbeeldje de pijpedop siert, blijkt dat deze rariteit een verjaargeschenk was, door de kinderen aan hun vader vereerd.
Monnikendam.Monnikendam.
Monnikendam.
Monnikendam.
Hebben wij nu de zilverkast bewonderd, dan mogen wij de pronkkamer nog niet verlaten. Want om nu maar niet te spreken van het kleinere huisraad, staat daar nog achter in de kamer, tegenover de vensters, het monumentale ledikant, met zijn hoogen, prachtig met snijwerk en pluimen versierden hemel en gedraaide pilaren; met zijn geel damasten gordijnen, door roode zijden koorden en kwasten opgehouden; met zijne hoog opgestapelde, met kant omboorde kussens, zijn fijn linnen lakens, gekleurde dekens en zijn sprei van zware zijde. Ook dit ledikant is wederom een prachtstuk, dat echter, als het porselein, het zilver, de kleinoodiën, de kostbare kleedingstukken, ja de geheele kamer, nooit of bijna nooit gebruikt wordt.—Werp nu nog even een blik op de breede, met loofen snijwerk versierde schouw, met haar gedraaide kolommen, haar schilderstuk in het midden en haar breeden marmeren mantel, waarop kostbare porseleinen vazen zijn geplaatst,—en dan willen wij van dit vertrek afscheid nemen, na vriendelijken dank aan den huisheer, die dit heiligdom voor ons wilde ontsluiten. Want inderdaad, dezeschier overvulde kamer, waar alle schatten en kostbaarheden der familie als in een museum zijn samengebracht, is een heiligdom, dat niet dan bij hoogst zeldzame gelegenheden door de leden des gezins betreden wordt, en waarin vreemden niet dan bij hooge gunst worden toegelaten. De zucht om met zijne schatten te pronken, om te schitteren en anderen door eene tentoonstelling van weelde te overtreffen, is den eenvoudigen Zaankanter vreemd. Zijne pronkkamer bevat voor eene zeer aanzienlijke waarde; maar de pronkkamers van zijne bekenden en buren zien er nagenoeg evenzoo uit: het is dus ten eenemale overbodig, die kostbare zaken aan elkander te laten kijken; ieder weet, dat het in een deftig zaanlandsch huis alzoo behoort.
Om den eigenaar van het huis in zijne gewone omgeving te leeren kennen, moeten wij hem dus volgen naar zijne huiskamer, die op den tuin en verder op de rivier uitziet. Ook deze huiskamer is een ruim vertrek, laag van verdieping; de vloer is met matten belegd, en de wanden zijn, boven de eikenhouten lambrizeering, met linnen behangsel bekleed, waarop gezichten aan de Zaan en tafereelen uit het bedrijf der Groenlandvaarders zijn geschilderd. De eikenhouten stoelen en tafels zijn meer soliede dan sierlijk; de laatsten zijn in den regel beschilderd, gelijk trouwens schier zonder uitzondering alle meubelen en alle voorwerpen van huiselijk en dagelijksch gebruik met snij- en schilderwerk, met opschriften, namen, rijmpjes zijn versierd. Op kunstwaarde kan die versiering in verreweg de meeste gevallen weinig of geen aanspraak maken; ook geeft zij ons niet altijd een hoog denkbeeld van den smaak des eigenaars, maar toch verdient zij ten volle onze aandacht, omdat zij ons vergunt een blik te werpen op eene zeer eigenaardige zijde van het leven onzer vaderen. Die behoefte om het huisraad en de voorwerpen, die ons dagelijks omgeven, aldus te doen spreken, tot getuigen, in zekeren zin tot deelgenooten te maken van ons persoonlijk leven, is ons ten eenemale vreemd geworden. Zij onder ons, die reeds de grenzen van den middelbaren leeftijd beginnen te naderen, herinneren zich nog wel de heilwenschen en beden op kopjes, borden en dergelijken, voor geschenken bestemd; maar ook deze flauwe echo van het verleden is weggestorven. Onze meubelen, onze huiselijke gereedschappen mogen sierlijker en vooral schitterender zijn dan vroeger, zij missen ten eenemale elk individueel karakter en staan in hoegenaamd geene betrekking tot ons persoonlijk leven. Hoe zou dit ook kunnen? Verreweg de meeste voorwerpen, die wij gebruiken, worden fabriekmatig vervaardigd en gelijken dus volkomen op elkander; zij kunnen in elke omgeving geplaatst worden en moeten in den regel slechts voor enkele jaren dienst doen. In vroeger eeuw liet de welgestelde burger zijne meubelen en zijn huisraad voor zich maken, naar eigen smaak en fantazie; die meubelen en die gereedschappen behoorden tot zijn persoon, tot zijne omgeving; zij vertegenwoordigden zijn eigen verleden en gingen, als erfstukken der familie, van vader op zoon over. Aan bijna elk van deze voorwerpen hechtte zich voor den volwassen man, voor de zorgzame huismoeder, eene persoonlijke herinnering uit de dagen der kindsheid en jeugd; zij maakten als het ware deel uit van hun eigen leven, en kregen bij elke nieuwe generatie hoogere waarde, als echte relikwieën der familie. Maar toen ook was de huiskamer het ware middelpunt van elks bestaan, waartoe ieder zich haastte terug te keeren, zoodra de dagtaak in werkplaats, winkel of kantoor was afgeloopen, en zoo vaak niet de plichten jegens stad of kerk of polder naar elders riepen. Onze uithuizigheid, ons leven op publieke plaatsen, ons rusteloos jagen naar allerlei soort van genot, dat ons vreemden maakt in eigen woning, was onzen vaderen geheel en al onbekend; en bij al hun vlijt en onvermoeide arbeidzaamheid was hun evenzeer onbekend die koortsige opgewondenheid, die hartstochtelijke drift, die overprikkelende, bedwelmende roes, die ons geslacht heeft bevangen, die wervelende maalstroom waarin wij leven en die ons, ook als de uiterlijke arbeid stil staat, toch innerlijk geene ruste meer gunt. Ons huis is voor steeds meerderen onzer eene tent, een logement geworden, waarin wij niet langer toeven dan strikt noodig is; hoe zouden wij bijzondere waarde hechten aan onze omgeving, of behoefte gevoelen aan een zekeren persoonlijken band tusschen ons en de voorwerpen, die wij heden in den eersten den besten winkel koopen, en morgen, als de gril der mode wisselt, naar een boelhuis zenden en door andere vervangen? Met een geheel ander oog bezag de Zaanlander zijne omgeving, als hij in zijne huiskamer, nevens de schouw, op de van ouds voor den heer des huizes bestemde plaats gezeten, met de voeten op het kurkenblad en met de onmisbare pijp in den mond, zijne blikken door het welbekende vertrek liet dwalen. Hij kent ze allen van kindsbeen af, die kasten en kastjes; hij weet wat ze bevatten; hij kent de rijmpjes op huisraad en tafelgereedschap van buiten en weet u de daarbij passende geschiedenis te verhalen; hij zou, in den donker, zonder aarzelen, den handmangel, de knipplank, de boodschapmand, den fraaien borstel met het geborduurde handvatsel, van den wand kunnen nemen. En wanneer gindsche staande klok, in haar sierlijk gesneden kast van notenhout, het uur slaat, dan herinnert hij het zich nog wel, mijmerende in het stille schemeruur, voor den breeden schoorsteen, eer de koperen luchter wordt aangestoken, die met zijn sober licht de rondom de schouw vergaderde huisgenooten beschijnt, maar het overige van het vertrek in geheimzinnige schaduw laat; dan herinnert hij het zich nog wel, hoe hij als kind, in stille verbazing en verrukking, naar die klok placht op te zien, wanneer, zoo vaak het vroolijk speelwerk zich hooren liet, er leven en beweging kwam in het arkadisch landschap boven de wijzerplaat. Hoe vaak gierde hij het dan uit van pret, als de haan begon te kraaien en te klapwieken met de vleugels, als de kippen gingen pikken naar haar voeder, als de koe begon te grazen, als de zwanen haar lange halzen uitrekten, als de molen begonte draaien, de boerendeern te melken, en de hengelaar een vischje ophaalde uit het water. De vreugde duurde maar kort, want had de klok geslagen, dan keerde alles weer tot de gewone rust en onbewegelijkheid terug, doch de verrassing was telkens nieuw; en in ieder geval, de oude klok, die niet alleen het uur, maar ook de maand en den dag van het jaar aanwees, deed haar best om het wel wat eentonige leven in de stille huiskamer op te vroolijken. Daarvoor was hij haar dankbaar: daarom voelde hij zich aan haar gehecht, aan haar en aan alle voorwerpen, die haar sinds jaren in de huiskamer omgaven, en die elk hunne eigene geschiedenis hadden. Uit dien folio Bijbel, met koperen beslag en fraaie platen, die daar, aan de andere zijde van den schoorsteen, nevens eenige andere boeken, tegenover hem ligt, leerde hij als kind, aan moeders knieën, die wonderheerlijke verhalen, waarvan de heugenis nooit werd uitgewischt; in gindsche hooge bedstede met haar groene gordijnen, waarvoor het sierlijk besneden en met eene stichtelijke spreuk versierde bankje met gedraaide pooten staat, blies zijn vader, die nog in zijne jeugd naar Groenland had gevaren, den laatsten adem uit. Nog heugt het hem hoe hij, als knaap, den dierbaren doode daar had zien liggen, gekleed in het fijn linnen doodshemd met zwarte strikken en randen, dat elke jonge man en elke jonge dochter bij het uitzet medekreeg. Nog ziet hij de zware eikenhouten kist, met het zwarte kleed overspreid, waarvan de plooien het aantal levensjaren van den overledene aanwijzen, midden in de pronkkamer staan, omringd door de vrouwelijke leden der familie, terwijl de mannen in het rond langs de wanden zijn neergezeten. Nog ziet hij zich zelven daar staan, aan het hoofdeneinde der kist, met de sidderende hand in de hand zijner schreiende moeder, in rouwgewaad gekleed; nog hoort hij de plechtig eentonige stem van den schoolmeester, die een paar hoofdstukken uit den Bijbel voorleest. Hij ziet weder de steeds gesloten voordeur opengaan, de kist op de baar plaatsen en door de gehuwde buren optillen en naar de kerk dragen. Hij volgde, aan de hand zijner moeder, met alle andere bloedverwanten en vrienden, mannen en vrouwen, en zag de kist nederdalen in den geopenden grafkuil. Toen wierpen de naasten in den bloede er eenige scheppen aarde op—en daarmede was de plechtigheid afgeloopen. Immers, de familie behoort tot de Hervormde kerk, tot de strenge richting; en gebeden of toespraken of andere plechtigheden bij het graf, zouden haar, als “paapsche stouticheden”, een gruwel zijn geweest. Wel werd, na de terugkomst, in het sterfhuis door den predikant eene toespraak gehouden,—zoo zeer gevoelde men het, in spijt van het koude starre dogma, dat bij eene gelegenheid als deze de wijding en de troost der godsdienst niet ontbreken mag,—maar op het graf zelf mocht niets aan de vrome, aandoenlijk schoone en hart verheffende gebruiken en ceremoniën der oude Kerk herinneren. En toen werd er thee gedronken, en daarna koffie met krentenbrood en koek gebruikt, en werden, door den schoolmeester en nog een paar anderen, lijkdichten ter eere van den doode voorgelezen; en daarna werd het stil in huis, stiller dan het ooit geweest was.... En sedert was het leven zijn gewonen gang gegaan; hij was van knaap tot jongeling en man geworden, wiens kinderen en kleinkinderen het voorvaderlijk huis met telkens nieuwe lentevreugde vervulden, en wier kleine handjes hem, al lachende, voortduwden op den weg naar het graf. Wel, hij had zijn werk getrouw volbracht en God had zijn arbeid gezegend; hij had daarbuiten veel zien veranderen en een nieuwen tijd zien aanlichten, die ook voor zijn eigen omgeving, sinds eeuwen schier dezelfde gebleven, menige verandering brengen zou; die—zij het hier ook langzamer dan elders—het oude zou ondermijnen en sloopen en verdwijnen doen, om plaats te maken voor hetgeen nog de duistere toekomst in haar schoot verborgen houdt.
Vroolijk straalt de herfstzon aan den blauwen hemel, waarlangs witte wolkjes drijven, en giet haar licht uit over het landschap, dat reeds in gelende en bruine tinten de nadering van het najaar verkondigt. Wij hebben de bebouwde buurt langs den linkeroever van de Zaan achter ons, en rijden lustig en opgewekt over den straatweg, die ons naar Purmerend zal brengen. Het landschap draagt het bekende karakter; aanvankelijk, tot aan de buurt Het Kalf, waar de fraaie nieuw gebouwde katholieke kerk onze aandacht trekt, hebben wij nog telkens kijkjes op de breede Zaan met haar krans van molens, haar tuinen en bosschages; verder dwalen onze blikken over bijkans onafzienbare weilanden, door vaarten en slooten doorsneden. Een poos lang rijden wij langs de ringvaart van de Wormer, om straks den weg door den polder in te slaan. Wij zijn hier in een echt polderland; en wanneer onze vaderen uit de laatste helft der zestiende eeuw konden opzien uit hunne graven, dan stond het te vreezen dat zij hunne eigene woonstede niet meer zouden herkennen. Vooral dit oostelijk en zuidoostelijk gedeelte van Noord-Holland, het oude West-Friesland en Waterland, was eene aaneenschakeling van meren, poelen, stroomen, wateren, waartusschen de smalle, lage, drassige strooken en brokken land als verloren waren. Geen land was door zijne natuurlijke gesteldheid zoo uitnemend geschikt voor een eindeloozen guerilla-oorlog, zoo als de stugge Westfriezen dien eeuwen lang tegen de Graven van Holland voerden, en zoo als hunne nakomelingen dien, in de laatste helft der zestiende eeuw, gedurende eenige jaren tegen de Spanjaarden hernieuwden. Maar toen deze laatste storm had uitgewoed, toen de jonge republiek der Vereenigde Nederlanden zich van de toekomst zeker voelde, toen de herinnering aan vijandelijke krijgsknechten, aan bloedigen kamp op dijk en in moeras, aan brandende hoeven en vernielde dorpen sinds lang in de noordhollandsche streken was uitgestorven; toen dacht men er aan, ookbinnen eigen grenzen veroveringen te maken en den steeds verder voortvretenden gierigen waterwolf te teugelen. Met de voortvarende energie, welke het krachtig geslacht dier dagen kenmerkte, werd de hand aan het werk geslagen en binnen weinige jaren uitgestrekte plassen en meren in vruchtbaar land herschapen. De Wormer, waardoor wij nu rijden, werd in 1624 bedijkt en drooggemaakt; met de droogmaking van de Beemster was men reeds in 1608 aangevangen, en in vier jaren tijds werd dit groote werk voltooid. De Purmer werd omstreeks dienzelfden tijd, in de jaren 1618–1622, drooggelegd en tot een polder gemaakt. Zoo had, binnen weinige jaren, deze streek eene geheele herschepping ondergaan. De drie uitgestrekte meren, die door allerlei wateringen en plassen met elkander verbonden, het stedeke Purmerend omgaven, hadden plaats gemaakt voor wei- en bouwland, waarop weldra talrijke hofsteden en boerenwoningen verrezen. Met den handel in visch, een van de hoofdbronnen van bestaan voor de goede lieden van Purmerende, was het gedaan; maar in de plaats daarvan kwam nu de handel in graan, in zaden, in kaas en boter, die voor het geleden verlies ruime winst bood. Landbouw en veeteelt brachten in deze streken welvaart en rijkdom, en doen dat nog, zij het misschien in mindere mate dan ettelijke jaren geleden. Toch behoeft ge slechts om u heen te zien, om u te overtuigen, dat hier, over het algemeen genomen, welvaart heerscht. Zie er die boerderijen maar eens op aan, langs den breeden, belommerden weg geschaard; getuigt niet de geheele aanleg, het geheele voorkomen der hofstede van onbekrompenheid, van welgedaanheid? De bonte verwen, nog vaak aan de woningen aangebracht, verwonderen en mishagen u niet, na hetgeen ge reeds aan de Zaan hebt gezien; maar dat men op den zonderlingen inval kon komen, om ook de stammen der boomen om het huis blauwachtig grijs te verwen, dat mag voorwaar eene buitensporigheid heeten, waarvan de reden mij ontsnapt, en waarover ge u met recht verbazen, ja zelfs wel ergeren moogt. Maar dat daargelaten: wat u nevens dat voorkomen van welvaart treft, is de schier overdreven zindelijkheid, die aan en om het huis, en—ge kunt er zeker van zijn—ook daarbinnen en in den stal, heerscht: eene zindelijkheid, die misschien niet van overdrijving is vrij te pleiten, maar die er gewis toe bijdraagt om aan de boerenwoningen dien stempel van welstand en rijkdom te schenken, en die in ieder geval verre te verkiezen is boven de slordige onreinheid, welke in zoo menige andere streek de boerenhoeven welhaast op krotten doet gelijken en u terughoudt van een bezoek. In deze noordhollandsche boerderijen kunt ge gerust binnentreden; ge zult er vriendelijk ontvangen worden, en moge soms de weelde die in de pronkkamer heerscht—eene vrucht van de vette jaren, die nu voorloopig tot staan zijn gekomen,—u door haar kakelbont en heterogeen karakter een glimlach afpersen, zooveel is zeker dat deze menschen in goeden doen zijn. Laat mij er bijvoegen, dat de meesten, gelukkig, in aard en wezen veel minder veranderd zijn, dan hunne vaak hybridische omgeving u zou doen vermoeden. Wij hebben geen tijd om eene boerderij te gaan bezoeken; maar terwijl wij langs de sierlijke huizen met hunne boomgaarden en vaak karakteristieke opschriften, langs de uitgestrekte malsche weilanden, waarin prachtige runderen loopen te grazen of rustig nederliggen in het fluweelige gras, heenrijden en ons aan den aanblik van het vredige, stille landschap verlustigen, brengen wij dien degelijken landbouwers, wier voorvaderen den grond waarop zij wonen zelven geschapen hebben, in gedachten onzen welgemeenden groet, en wenschen wij hun van heeler harte voorspoed en gezegende jaren. In elke gezonde maatschappij zijn zij niet alleen een onmisbaar element, zij vormen den grondslag zelven waarop het maatschappelijk gebouw rust; en waar het hun op den duur slecht gaat, waar hun stand verarmt en kwijnt, daar worden alle maatschappelijke verhoudingen gaandeweg verstoord en wordt de maatschappij zelve krank. Daarom is de in sommige streken voorkomende ontvolking van het platte land, ten bate der steden, een zoo bedenkelijk, zoo onrustbarend verschijnsel, dat op maatschappelijken achteruitgang van zeer ernstigen aard wijst.
Wij naderen Purmerend en hebben reeds de vriendelijke buurt De Nek achter ons. Die vrij breede vaart daar naast ons is het Noordhollandsch-kanaal, waarvan wij reeds vroeger gesproken hebben. Het is nu stil op dat kanaal, want de schepen van en naar Amsterdam volgen dezen weg niet meer; alzoo ziet men er nog slechts binnenvaartuigen en nu en dan een enkel zeeschip, zoo als er daar juist een bij de sluis ligt, dat voor handelaars te Purmerend of in den omtrek hout aanvoert. Na den flinken rit van Zaandam mogen onze paarden wel even rusten; wij willen van het oponthoud gebruik maken en een vluchtig kijkje nemen van de stad.
Een net, vriendelijk, rustig stedeke, dat er welvarend uitziet en een prettigen indruk maakt. Wij hebben niet veel tijd noodig om de kleine stad door te wandelen; jammer, dat het geen marktdag is, dan zou het drukker en levendiger zijn op de stille straten, vooral op de ruime Veemarkt en ook op die andere Markt, waarop het geheel gemoderniseerde stadhuis staat, en waar de kaas- en boterboeren de zoo gezochte produkten hunner nijverheid uitstallen. Maar nu wij de Markt overgaan werpen wij in het voorbijgaan een blik op de in romaanschen stijl herbouwde kerk, die te midden dezer hollandsch-burgerlijke omgeving eene min of meer vreemde vertooning maakt. De oude kerk dagteekende uit de tweede helft der veertiende eeuw, en werd na den brand van 23 Juli 1519 herbouwd; zij heeft in de laatste jaren, althans uitwendig, eene geheele transformatie ondergaan. Verdere merkwaardigheden bezit het eenvoudige stedeke niet; wij hebben geen tijd er lang te vertoeven, en het ligt ook min of meer buiten de grenzen, die wij ons voor ons uitstapje hebben gesteld. Echter niet geheel: immers Purmerendebehoort nog tot het oude Waterland, waarvan het vroeger als een der dorpen werd gerekend. Niet meer dan een dorp was het, toen Willem VI, de Graaf-Hertog, bij giftbrief van 4 November 1410, Purmerende en Purmerland tot eene vrije heerlijkheid, met hoog en laag gerecht, verhief en met die heerlijkheid zijn trouwen dienaar Willem Eggert, eens poorters zoon uit Amsterdam, beleende. Drie jaren later verkreeg hij van den Graaf-Hertog vergunning, om te Purmerende een kasteel of huizinge te bouwen, en daarbenevens een stuk grond van een-en-dertig roeden, dat hij voor den bouw van zijn slot noodig had. De amsterdamsche koopman en poorter had dergelijke gunstbewijzen wel aan den Vorst verdiend. Hij had Willem van Beieren trouw met raad en daad, vooral ook met geld, bijgestaan, toen hij nog als Willem van Oostervant, verdacht van medeplichtigheid aan den moord van Aleide van Poelgeest, voor den toorn zijns vaders uit den lande wijken moest; en, wat niet altijd gebeurt, de landsheer toonde zich dankbaar voor de diensten den erfprins bewezen. Hij benoemde Willem Eggert tot thesaurier van Holland en beleende hem met eene hooge heerlijkheid, waardoor deze poorterszoon plaats nam onder de edelen des lands—evenwel niet onder de ridders, maar onder de knapen. En Willem toonde zich een goed heer voor zijne onderzaten, wien hij verschillende voorrechten schonk en voor wie hij van den Hertog en van den heer van Wassenaer, burggraaf van Leiden, ook tolvrijdom wist te verkrijgen. De heerlijkheid met het slot Purmerstein kwam, in 1473, door koop in handen van graaf Jan van Egmond, stadhouder van Holland, Zeeland en West-Friesland, en bleef in diens doorluchtig geslacht, tot deze goederen in 1607 door Lamoraal van Egmond, den zoon van den zoo welbekenden Lamoraal, die minder nog zijne ridderlijke trouw aan den Koning, dan wel zijne besluiteloosheiden halfslachtigheid—in revolutionaire tijden boven alles gevaarlijk—met den dood op het schavot moest boeten, wegens schulden werden verkocht. De Staten van Holland kochten toen ook de heerlijkheid van Purmerende en voegden die bij de grafelijkheidsdomeinen. Het bouwvallig geworden kasteel werd in 1729 aan de stad afgestaan, die eenige jaren daarna de ruïne deed afbreken.
West-Knollendam aan de Zaan.West-Knollendam aan de Zaan.
West-Knollendam aan de Zaan.
West-Knollendam aan de Zaan.
Het dorp Purmerende was inmiddels mettertijd een aanzienlijk vlek geworden, dat allengs stadsrechten verkreeg en in de laatste jaren der zestiende eeuw ook het recht om afgevaardigden te zenden naar de vergadering der Staten van Holland. Even als bijna geheel Noord-Holland, schaarde ook Purmerende zich reeds in Juni 1572 aan de zijde van den Prins, en de stedelijke regenten achtten het toen noodig, de tot dusver geheel open liggende stad, door wal en gracht, tegen een mogelijken overval te beschermen. Van deze wallen, die gelukkig nooit dienst behoefden te doen, en van hare vijf poorten is thans niets meer over; het stedeke ligt op nieuw aan alle kanten open.
Doch het is tijd, onzen rit te vervolgen. De paarden hebben frissche krachten opgedaan, en lustig draaft ons rijtuig voort over den fraai belommerden weg midden door de Purmer. Een lange rechte weg, ter wederzijde door weilanden omzoomd, met nu en dan eene van die flinke, welvarende boerenplaatsen, die het steeds een lust is aan te zien, biedt desniettemin weinig afwisseling. Natuurschoon, in den gewonen zin van datwoord, moet ge althans in dit gedeelte van de provincie niet zoeken; en wij moeten billijk zijn en zonder omwegen erkennen, dat dit echt-hollandsche landschap op den duur eentonig wordt. Het is op den weg ook stil: ware het marktdag te Purmerende, er zou meer beweging zijn, want dan zouden wij ongetwijfeld talrijke boerenwagens en karren ontmoeten, die vooral met kaas beladen stadwaarts rijden of van daar terugkeeren. Die wijd en zijd bekende kaasmarkt van Purmerende liep eens, het was in de vorige eeuw, ernstig gevaar te gronde te gaan. Laat mij u die niet onvermakelijke historie eens mogen vertellen: ’t is eene episode uit een soort vanCulturkampfin miniatuur.
Het geschiedde dan in het jaar 1725, dat de regeering van Purmerende goedvond, om welke reden weet ik niet, den pastoor Johan Van der Velde, die sedert 1718 aan het hoofd der roomsch-katholieke gemeente had gestaan, af te zetten en in zijne plaats een zekeren Gerardus Kenens te benoemen, pastoor bij de Roomsch-Katholieken van de bisschoppelijke clerezy, de zoogenaamde Jansenisten. Wat mijne heeren van den gerechte tot deze zonderlinge keus bewogen had, weet ik evenmin, maar wel dat zijne parochianen, waartoe ook de boeren uit de Wormer en de Purmer behoorden, niet van zins waren, met dezen opgedrongen herder genoegen te nemen. Aanvankelijk lieten zij pastoor Kenens voor wat hij was, en begaven zich elders ter kerk om hunne godsdienstplichten te vervullen; maar dit begon hun, en met recht, te verdrieten, en toen nu noch verzoeken noch vertoogen baatten om den onwettigen pastoor, die door de overheid gehandhaafd werd, kwijt te raken, besloot men tot een ander middel de toevlucht te nemen. De katholieke boeren in de Wijde-Wormer, in de Purmer en de Beemster kwamen overeen, dat zij hunne kaas niet meer te Purmerende ter markt zouden brengen: zij zouden met hunne wagens midden door de stad rijden en zich naar Edam of Monnikendam begeven, om daar hunne kaas te verkoopen. Daar ook in deze stroken van Noord-Holland, gelijk zoo vaak ten platten lande, het aantal Katholieken, die aan de oude Moederkerk waren getrouw gebleven, vrij aanzienlijk was, liep de stad Purmerende groot gevaar haar kaasmarkt en kaashandel, en daarmede een hoofdbron van haar bloei en welvaart, te zien verdwijnen of althans zeer verminderen. Dit argument hielp: in het begin van 1728 werd de opgedrongen pastoor weggezonden en straks door een ander, door de bevoegde overheid geordend en erkend geestelijke vervangen. Zoo werd aan billijke grieven te gemoet gekomen, werden de gemoederen bevredigd en—werd de kaasmarkt gered. De verdreven pastoor Kenens nam, bij zijn vertrek, een aantal kostbaarheden en kerksieraden, benevens alle bescheiden betreffende de vroegere geschiedenis der kerk mede.
De weg, dien wij tot dusver volgden, heeft ons op een anderen, mede lijnrechten weg gevoerd, die ons naar Edam brengt. Zoo stil als het te Purmerende was, zoo druk en woelig is het hier: de straten zijn vol met stedelingen en buitenlieden in hun zondagspak: er heerscht eene vroolijke, opgewekte stemming. Geen wonder: het is kermis te Edam, en van de dorpen en hofsteden in den omtrek zijn de boeren en boerinnen stadwaarts getogen, om mede kermis te houden. Nu, dat kermishouden kan bezwaarlijk iemand aanstoot geven: langs de beide zijden van eene belommerde, tamelijk smalle gracht staan kramen, waarin snuisterijen, speelgoed, koek en dergelijke artikelen worden verkocht, en waarlangs de menigte heen en weder drentelt. Ginds wordt door knapen en jongelieden koek gehakt; iets verder is, op een bont geschilderd zeildoek, de geschiedenis afgebeeld van een of anderen misdadiger, wiens snoode gruweldaden, met begeleiding van een draaiorgel, den volke in dichtmaat worden voorgezongen. De rechte pret zal echter eerst later beginnen. Althans op een grasveld, nabij het logement of de herberg waar wij afstappen, staat een soort van circus, dat nu gesloten is, maar zich des avonds in al zijne heerlijkheid zal vertoonen. Ook in het logement zelf is de pret nog niet op gang. Wel is het druk in de kolfbaan, maar in de vrij ruime achterkamer, waar eene estrade voor een orchest is aangebracht, bevindt zich niemand behalve wij. De drie muzikanten, die even na onze komst op de estrade plaats nemen en straks uit alle macht beginnen te blazen en te vedelen, kunnen zich dan ook gerust die moeite en ons die kwelling besparen: niemand neemt van hen eenige notitie en wij haasten ons heen te gaan. Maar van avond zullen zij hunne talenten beter kunnen gebruiken: dan zal er gedanst worden. Inmiddels gaan wij een kijkje nemen van de stad.
Dat het juist kermis is, treffen wij niet. Immers, de weinige ruimte, die op de voornaamste gracht tusschen de huizen en de kramen overblijft, maakt het zeer moeilijk, de voor een deel antieke geveltjes goed op te nemen. Daar zijn er betrekkelijk velen uit de zeventiende eeuw, een enkele klimt ongetwijfeld nog hooger op; ook de beeldwerken en opschriften aan de huizen zijn niet zeldzaam. Over het algemeen ziet Edam er veel ouderwetscher uit dan Purmerend: daar ligt over de geheele stad een zeker waas van oudheid, dat Purmerende, althans in die mate, mist. Maar daarentegen vertoont Purmerend meer den stempel van welvaart; Edam kwijnt en is in verval: niet ten onrechte noemt Havard haar onder devilles mortes. Inderdaad, bij het bezoeken van dergelijke plaatsjes rijst onwillekeurig de vraag op: waarvan leven de menschen hier toch? Handel en nijverheid is er niet, ten minste niet van eenige beteekenis; vroeger verworven rijkdommen, nog door enkele familiën bewaard, moeten de kwijnende welvaart steunen; landbouw en kleinhandel moeten, zoo goed het gaat, in de behoeften der burgerij voorzien. Maar het algemeene peil van gegoedheid zinkt steeds dieper; de bevolking neemt af; welgestelde familiën, door de uitspanningen en genietingen der groote steden aangelokt, ontvlieden de geestdoodende verveling van het kleinsteedsche leven enverhuizen naar elders, een deel van de welvaart medenemende. Zoo slepen zij haar treurig en troosteloos bestaan voort, die uitgestorven steden, van wier wallen de stroom van het leven zich sinds lang heeft terug getrokken, en die toch niet geheel sterven kunnen. Ge wandelt door hare stille straten, waarin haast geen voetstap weerklinkt dan de uwe en waarin alles u aan den vroegeren tijd herinnert; uw blik dwaalt langs de ouderwetsche geveltjes, zoo geestig uitkomende tusschen het groen ter wederzijde van de belommerde gracht; ge volgt den met statig geboomte beplanten weg, die langs de haven naar de Zuiderzee voert, en het is stil op dien weg en de haven is bijna ledig; en als ge eindelijk haar monding bereikt, dan bespeurt ge niets dan de kabbelende golfjes der zilvergrijze zee. En als ge u omwendt en weer uwe schreden naar de stad richt, dan ziet ge daar, boven een krans van geboomte, de tinne en den toren oprijzen van haar Groote-kerk, die ruimte biedt voor zoo velen meer dan er tegenwoordig plaats kunnen nemen, en die in hare verlatenheid getuigt van de vroegere welvaart der vervallen stad. En weemoedig gestemd, gaat ge weder voort door de zwijgende eenzaamheid, en beelden van het verleden rijzen op voor uwen geest.
Ja, ook Edam heeft betere dagen gekend. Haar naam, als die van zoo menige stad en zoo menig dorp in Noord-Holland, doet aan water denken en tevens aan den eeuwenouden, nooit rustenden strijd van de bewoners dezer streken met het weldadig en tegelijk vijandig element. Edam is niet anders dan dam in de Ee of de Ye, zoo als sommigen den naam spellen;—het doet er niet toe, Ee, Ye, Aa, zijn al te gader woorden van eene beteekenis: ’t is de oude naam voor stroomend water in het algemeen, en juist daarom ook de naam voor meer dan een riviertje. Wanneer nu die dam gelegd is, weet ik niet; naar het schijnt kreeg het vlek, dat aanvankelijk wel niet meer dan een visschersdorp zal zijn geweest, omtrent het midden der veertiende eeuw eenige stadsrechten. De jeugdige poorterij nam levendig deel in de burgertwisten en partijschappen, die gedurende bijna de geheele vijftiende eeuw Holland beroerden, en moest daar nu en dan zwaar voor boeten. Maar in die dagen harer romantische, onstuimige jeugd overkwam haar iets zonderlinge, dat wel vermelding verdient.
In het jaar Onzes Heeren 1403 woedde op zekeren dag, als zoo vaak, een hevige storm over Waterland; de opgezweepte golven van de Zuiderzee beukten in wilde woede de dijken, tot ze bezweken en de wateren der zee zich over het verdronken land vermengden met die van de Purmer. Men haastte zich, zoodra het noodweer eenigszins was bedaard, de gebroken dijken te herstellen, en moest nu afwachten tot het ingedrongen water weder door de sluizen was weggevloeid en door de molens opgepompt. Maar ditmaal had de Zuiderzee iets ongewoons aangebracht. Eenige meiskens, die des morgens, als naar gewoonte, naar het land gingen om de koeien te melken, bespeurden in de Purmer een wonderbaarlijk wezen, van de gedaante eener vrouw, naakt, met groen mos begroeid en zeer onrein en onbehagelijk van voorkomen. Dat de meiskens op dit gezicht ontstelden en aan een spooksel dachten, is gemakkelijk te begrijpen; maar dat ze kloeke meiskens waren, niet zenuwachtig en voor geen klein geruchtje vervaard, toonden ze, door met haar schuitjes en bootjes het raadselachtige wezen, dat in het water heen en weder zwom en spartelde, te omsingelen en gevankelijk naar Edam te brengen. Men kan zich denken, hoe verbaasd de eerzame poorters hebben gekeken, toen deze zeldzame buit uit het meer werd aangevoerd; en dat te meer, daar de vrouw niet scheen te kunnen spreken, en slechts een zuchtend en steunend geluid van zich gaf. Dat zwijgen was meer dan iets anders geschikt om aan haar vrouwelijke natuur te doen twijfelen; doch wat was het zonderlinge schepsel dan? Het at en dronk, gelijk andere menschen: maar spreken deed het niet. Niettemin, de vroede mannen van de stad, zeker niet zonder ernstige raadpleging met mijnheer den pastoor, erbarmden zich over de zwerfster, die men algemeen voor afkomstig uit de Middellandsche-zee hield, en voorzagen haar van het noodige. Dat het gerucht van dit wonder zich wijd en zijd verspreidde en tal van bezoekers naar Edam lokte, spreekt wel van zelf. Maar vooral op de regeering van Haarlem schijnt het feit een diepen indruk te hebben gemaakt. Nadat haar afgevaardigden, opzettelijk naar Edam gezonden, verslag van hun wedervaren hadden gedaan, ontwaakte bij de heeren de onbedwingbare begeerte om dit wonderbaarlijke wezen te bezitten. Zou Edam het willen afstaan? Wel, men kon het beproeven. Een dringend en nederig smeekschrift werd opgesteld en niets gespaard om de heeren van Edam te bewegen, hun schat aan die van Haarlem af te staan. En zie, tegen alle verwachting, werd de bede niet geweigerd. De geheimzinnige vrouw werd naar Haarlem gevoerd en ongetwijfeld door de heeren en burgers der goede stede met blijdschap en verrukking ontvangen. En het scheen haar in de Spaarnestad ook goed te bevallen: zij leefde daar nog vele jaren en verkeerde en spon met de andere vrouwen, maar spreken deed zij niet. Het raadsel van haar wezen en afkomst bleef dus onopgelost; maar aangezien de vrouw bij haar leven aan het heilig Kruisbeeld de verschuldigde eere had bewezen, meende men haar, na haar dood, eene christelijke begrafenis niet te mogen ontzeggen.
Dat hadt ge toch zeker niet gedacht, dat Edam de laatste der Sirenen zou hebben geherbergd! Ach, het verwondert ons niet, dat haar, de dochter der azuren, van goud en zonnevuur doortintelde Middellandsche-zee, in haar eenzame ballingschap, onder den grauwen noordschen hemel, in de troebele wateren van Purmer en Spaarne, de lust tot zingen was vergaan; maar dat ze zelfs niet sprak! Doch ook, wat een lot was het hare? Stel u haar voor, de betooverende dochter van Acheloos, naar wier onweerstaanbaar gezang zelfs Odysseus niethad durven luisteren dan na zich aan de mast van zijn vaartuig te hebben laten vastbinden, stel u haar voor, eerzaam gekleed, neergezeten onder de vrome poorteressen van Haarlem, spinnende en devotelijk een kruis slaande! Dit is eene episode uit de treurige geschiedenis derGötter im Exil, waaraan Heine niet heeft gedacht..... En zoo ge mij nu beschuldigt, dat ik u een sprookje op de mouw wil spelden, dan beroep ik mij op Junius, een ernstig, achtbaar en geloofwaardig man, een historieschrijver, die ons het feit mededeelt. Wel is waar, is hij zelf niet heel zeker van de zaak, maar toch.... Zie, haast niet minder merkwaardig dan het verhaal zelf, zijn de opmerkingen die Junius er aan toevoegt: “Alle welcke dingen, zegt hij, gelyckerwys ick die niet vastelyck wil staende houden, alsoo wil ick die oock niet geheel teghenspreecken, soo om de gheloofwaerdigheydt der Chronycken, als oock mede omdat ik mij teghen de ghedachtenisse die noch soo versch is, ende door de vrouwkens van handt tot handt overghelevert, niet stellen en wil. Ick sal nochtans segghen, dat van my (aenghesien het een Fabel schijnt te sijn) niet voor waerachtigh ghehouden werdt, dat sy soude ghesponnen hebben, even oft haer handen met leden, ghelyck als die der menschen, souden onderscheyden syn geweest. Doch ick laet het peryckel van de waerheydt den Autheur.”—