III.

Toen Willem den gang des kasteels bereikte, kwam de hond hem tegemoet en berook hem van alle kanten. Dit onderzoek moest op het dier eenen gunstigen indruk doen, want het liep kwispelstaartend voor den jongeling, die, verwonderd over de onverwachte vriendschap van Nox, hem de hand streelend op den rug legde.

In de zaal stappende, zag hij zijnen oom bij de tafel zitten, met de hand op een doodshoofd. Het gezicht zijner onbegrijpelijke magerheid en bovenal zijn voorkomen als van een geest of van een geraamte deden hem huiveren, en hij bleef te midden der zaal staan, stilzwijgend groetende en niet wetende wat te doen of hoe zich te gedragen jegens den zonderlingen man, die nu zijne glinsterende oogen op hem hield gericht en hem van 't hoofd tot de voeten nauwkeurig bekeek en onderzocht.

Nox sprong verheugd rondom Willem en liet een zacht geknor hooren.

"Mijn hond bemint u, het is een goed teeken," zeide mijnheer Reimond. "Kom nader, mijn vriend, en geef mij de hand."

De jongeling ging tot zijnen oom, drukte hem de hand en zeide:

"God zij gezegend, dat Hij mij toelaat mijnen edelmoedigen weldoener, den beschermer mijner ouders en mijner kindsheid, eens te zien! O, lieve oom, geloof mij, geen oogenblik van mijn leven is er voorbijgegaan, zonder dat mijn dankbaar hart uwergoedheid indachtig was. Eilaas, de hemel heeft mijne gebeden niet verhoord: gij zijt ziek."

"Laat ons daarover nu niet spreken," viel mijnheer Reimond in. "Zet u daar neder, op dien stoel voor mij. De dankbaarhoid is eene schoone bloem der ziel, maar dit gevoel mag niet overdreven zijn. Wat ik voor uwe ouders en voor u heb gedaan, is de moeite niet waard, dat men er van spreke."

"Neen, zeg dit niet, oom lief," ging de jongeling met ontroering voort. "Wat zou ik, arme weeze, zonder uwe milde hulp in de wereld geweest zijn? Wie hadde er voor mijne opvoeding gezorgd? En geniet ik tot op den dag van heden uwe weldaden niet?"

"Het is zoo, mijn vriend, spreken wij van wat anders. Nadat gij uwe studiën op het athenaeum hadt voleindigd, zijt gij op het kantoor van eenen notaris gaan schrijven, sedert hebt gij uwen patroon verlaten, en zijt bij Mechelen op een dorp gaan wonen? Uw eerste meester was dus niet tevreden over u?"

"Ja wel, heer oom, hij was zeer tevreden, maar ik overwoog, dat ik zonder bescherming bij het staatsbestuur nooit eene plaats van notaris in eene groote stad kon verhopen. Een dorpsnotaris, die een vriend van mijnen meester was, bood mij de plaats van klerk aan, met het uitzicht om eens zijn opvolger te kunnen worden, aangezien hij geene bloedverwanten had, aan wie hij zijne bediening kon nalaten. Ik heb met blijdschap aanvaard, des te meer, daar ik op een eenzaam dorp beter mijne studiën kon voortzetten."

"Alzoo, gij studeert nog?"

"Het is te zeggen, al mijne beschikbare uren geef ik aan het lezen van nuttige boeken. Het is eene noodzakelijkheid mijner natuur geworden, mijnen geest meer en meer te ontwikkelen, en het zal u wonder schijnen, heer oom, maar gij zijt de oorzaak van mijnen weetlust, en om uwentwil alleen poog ik door zelfonderwijs immer meer en meer geleerdheid te verkrijgen."

"Ik begrijp niet," murmelde mijnheer Reimond.

"Het kan u eene vleierij schijnen, heer oom, waarom evenwel zou ik de waarheid verzwijgen? Mijne moeder zaliger sprak mij altijd met zooveel bewondering over uw hoog verstand en uwe diepe geleerdheid, dat die indruk mijner kindsheid mij is bijgebleven en ik, door eene geheime drijfveer bewogen, vermeende, met mijnen geest te oefenen, iets te doen dat u aangenaam kon zijn."

Een glimlach van innige tevredenheid verlichtte het gelaat van mijnheer Reimond, die eerst den jongeling met welgevallen aanzag, en dan zwijgend den blik in de oogen van het doodshoofd vestigde, als wilde hij het over iets raadplegen.

Willem zeide in zich zelven, dat, indien zijn oom werkelijkover zekere dingen vreemde gedachten kon hebben, hij evenwel in het geheel niet ziek in de hersens scheen te zijn. Deze overweging verheugde hem, want hem lag inderdaad een innig gevoel van dankbaarheid in het hart, en hij had ondanks de vijftienjarige scheiding, zijnen weldoener oprecht blijven beminnen.

Mijnheer Reimond, als hadde hij een bevestigend antwoord van het doodshoofd ontvangen, drukte de hand van zijnen neef en zeide:

"Uwe moeder was eene brave vrouw. De ziel, die in uw lichaam woont, heeft goede neigingen, en zij is op weg om eenen grooten stap vooruit te doen naar de eindelijke volmaaktheid. Gij hebt nu geen fortuin, Willem, en deze ontoereikendheid uwer stoffelijke middelen hindert u om wetenschap en geleerdheid aan te winnen. Verheug u, mijn vriend: mijne ziel gaat zich afscheiden van haar zichtbaar omkleedsel. Ik zal u geld en goed genoeg nalaten, om u voor de zorgen des levens te behoeden."

"O, heer oom, waarom dus wanhopen?" zuchtte de jongeling op treurigen toon. "Waarlijk, ik bemerk met diepe smart, dat gij zeer ziek zijt; maar met de noodige geneesmiddelen zoudt gij u gemakkelijk kunnen beteren. Uwe eenzaamheid, uw stil leven heeft waarschijnlijk uwe maag ontsteld. Het hangt van u af, hare krachten weder op te wekken door een beetje oefening in de opene lucht."

"Ik ben niet ziek, vriend," was het antwoord.

"Ach, gij zijt zoo uitermate mager, heer oom!"

"Het is, omdat de dood nadert. Nog vier dagen."

"Maar zeg dit niet, oom lief! Het is een inbeeldsel!"

"Een inbeeldsel! Inderdaad, voor u zijn de geheimenissen der onstoffelijke wereld nog verborgen. Ik zal sterven op de laatste minuut van den 31sten, dezer maand. Het is onfeilbaar en onherroepelijk."

De jongeling schudde het hoofd met moedeloosheid.

"Gij gelooft mij niet?" hervatte mijnheer Reimond. "Het is u onbegrijpelijk, hoe een mensch zoo nauw het uur van zijnen overgang naar een nieuw leven kan weten? Daar is hij, die sedert zes maanden mij elken dag verwittigt, dat het oogenblik voor mij nadert."

En dit zeggende, legde hij den vinger op het doodshoofd.

De tranen stonden Willem in de oogen; doch hij sprak niet. Hij wist inderdaad niet wat te zeggen. Zijnen oom openlijk in zijne dwaze gepeinzen bestrijden, dit dorst hij niet doen; en geloof in deze zinneloosheid veinzen, dit was tegenstrijdig met de oprechtheid zijns harten.

"Gij ziet mij zoo verbaasd aan? Evenals de andere menschenmeent gij, dat ik waanzinnig ben, niet waar?" morde de oom. "Och, Willem, ik beschuldig u daarom niet. Het is iedereen niet gegeven, met de onstoffelijke wereld in gemeenschap te komen en geheimenissen te kennen, die slechts aan zeer gelouterde zielen nu en dan eens worden geopenbaard. Indien ik u zeide dat in dit doodshoofd een geest woont, wiens taal voor mij klaar en verstaanbaar is, indien ik u verzekerde, dat die geest reeds dertigmaal onder verschillende menschelijke gedaanten heeft geleefd, zoudt gij mij gelooven?"

"Ik zou u willen gelooven, heer oom, maar bij gebrek aan kennis der zaak, is mij dit nu onmogelijk," stamelde de jongeling in verlegenheid.

"Wel geantwoord, Willem; gij loochent ten minste het bestaan van geesten niet volstrektelijk."

"Zeker niet; boven de stoffelijke natuur zijn er onstoffelijke wezens, de godsdienst leert ons en het geweten doet ons voor gevoelen, dat niet alles met het aardsche leven eindigt."

Deze woorden, met overtuiging gesprokon, schenen mijnheer Reimond bijzonder te behagen; hij knikte goedkeurend met het hoofd en zeide:

"Gij gelooft dus aan de onsterfelijkheid der ziel, aan een toekomstig leven, aan de straf des kwaads en aan de belooning des goeds: in één woord, aan de rechtvaardigheid Gods?"

"Is het mogelijk, heer oom, aan zulke klaarblijkende waarheden te twijfelen?"

"Ha, Willem, er zijn er, die daaraan durven twijfelen, maar oneindig meer zijn er, die slechts een bekrompen of onduidelijk begrip van deze waarheden hebben. Ik weet niet, mijne ziel heeft voor de uwe een geheimzinnige neiging. Zij denkt, dat de uwe zuiver genoeg voor deze hooge wetenschap zou kunnen zijn. Ware het zoo, ik zou met een gevoel van opperst geluk deze aarde verlaten. Niet alleen omdat aldus de vruchten van mijn arbeidzaam streven voor de menschheid niet zouden verloren gaan, maar nog omdat ik u vóór mijnen dood eene weldaad zou kunnen bewijzen, duizendmaal kostbaarder dan het fortuin, dat gij erven gaat.... Laat hooren, mijn goede neef, wilt gij leeren hoe men in betrekking komt met de wereld der geesten? Wilt gij het ten minste beproeven? Want het is niet zeker, dat uwe ziel reeds genoeg beproefd en gelouterd zij."

"Om u vermaak te doen, zal ik alles beproeven wat gij wenscht, heer oom," antwoordde de jongeling op eenen toon van lijdzame onderwerping.

"Welnu, vriend, luister dan met inspanning der hersenen, en, valt de redeneering u in het eerst wat zwaar, doe geweld om mij te begrijpen. Doordring u van de gedachte, dat, indien ik u bekwaam kon vinden tot het aanvaarden der zedelijke erfenismijner ziel, ik het zou aanzien als eene duizendvoudige belooning voor het weinige goed, dat ik uwen ouders en u kan hebben gedaan. Gij zult gaan hooren wat de geest, die in het doodshoofd woont, mij heeft veropenbaard. Geef aandacht, ik bid u."

Mijnheer Reimond schoof zijnen stoel nader en begon dus op langzamen, plechtigen toon:

"Ziehier wat de geesten leeren. Voordat onze wereld bestond, zag God—het eenig eeuwig, geheel zuiver, volmaakt en almachtig wezen—dat de onmeetbare ruimte van het heelal ijdel was. Hij schiep de engelen—en Hij schiep ze in onnoembaar getal—om die ledigheid te vervullen, der ruimte leven te geven en Hem in zijne majesteit te loven en te dienen. De engelen waren betrekkelijk zuivere geesten; maar geheel volmaakt waren ze niet, anders zou elk hunner zooveel zijn geweest als God zelf, die alleen volmaakt kan zijn. Het gebeurde, dat een dier geesten, Lucifer geheeten, door den hoogmoed verleid, met honderden millioenen zijner gezellen tegen den eenigen God wilde opstaan; maar zijne vermetelheid ontving eene verschrikkelijke en verdiende straf. Hij werd nedergebliksemd en veroordeeld om eeuwiglijk van het aanschijn des Heeren verwijderd te blijven en zonder einde in duisternis te treuren en te lijden. Dan wilde God de opengevallene plaatsen in de scharen zijner trouwgeblevene dienaars aanvullen; maar Hij zou rondom zijnen troon geene andere dan beproefde geesten toelaten. Daarom schiep Hij den mensch. De mensch is een onvolmaakte engel, die door de bekoring en de overwinning, door het lijden en den moed, door de worsteling en de sterkte, in éen woord door arbeiden en door strijden, tot de volstrekte macht en zuiverheid moet geraken, ten minste voor zooveel een geschapen wezen zuiver en machtig kan zijn naast God.... Begrijpt gij dit, mijn vriend?"

"Ho, zeer wel, oom lief," antwoordde de jongeling, die met verbaasdheid luisterde.

"Welnu, God schiep ook de aarde en de gansche wereld, met hare kruiden en dieren, met hare schoonheden en hare gebreken, met hare verlokkingen, haar geluk, hare rampen, hare vreugde, haar verdriet, hare vijandschap, hare liefde, omdat de mensch tusschen al deze tegenstrijdigheden zou te worstelen hebben, en zijne zedelijke natuur door opvolgende overwinningen zou beproefd en gelouterd worden.... Hier is nu de reden van het bestaan der geesten: het lichaam des menschen is slechts aarde, een stoffelijke vorm, die den waren mensch, dat is te zeggen de ziel, den geest omkleedt. Anders kon hij toch zijne bestemming niet vervullen; want een ongevleesde geest heeft geene zintuigen en kan met de stof niet in aanraking komen ofvan de stof eenige aanvechting onderstaan. Diensvolgens, om te kunnen lijden en worstelen, moest de ziel des menschen in eenen aardelijken vorm gewikkeld worden, ten einde bij middel der stof in aanraking met de stof te komen en haar zelfs gedeeltelijk onderworpen te worden. Dit zegt u ook, dat evenwel de eigenlijke mensch in de ziel bestaat en hij zijn lichaam kan verliezen, zonder dat hij ophoudt te wezen.—Vat gij deze redeneering, neef?"

"Zij wordt mij wel iets of wat duister, heer oom," mompelde de jongeling.

"Ik zal pogen duidelijker te zijn, Willem. Op de volgende wijze verklaart de geest de bestemming van den mensen voor de eeuwigheid. Al de menschelijke zielen werden bij duizenden millioenen en op hetzelfde oogenblik geschapen, maar zij kregen niet altezamen een stoffelijk omkleedsel. De eerste, die de proeve op aarde onderstond, was Adam, en opvolgend na hem, tot den dag van heden, een onnoembaar getal anderen. Een mensch leeft meer dan één leven, er zijn er wel, die honderdmaal reeds de beproeving opnieuw hebben begonnen en bij gebrek aan kracht, aan deugd en aan voortgang, nog veel malen zullen te herleven hebben. Vooronderstel, dat vele honderdduizenden menschen op een jaar sterven. Waar meent gij, dat hunne zielen gaan?"

"De godsdienst laat daarover geenen twijfel," bemerkte de jongeling.

"Inderdaad niet," antwoordde mijnheer Reimond. "Op het einde zal het zijn, zooals de godsdienst ons leert, maar in afwachting van het vergaan der wereld?"

"Zulke dingen zijn moeielijk om te begrijpen," mompelde Willem, die niet meer wist wat te antwoorden.

"Inderdaad, maar gij zult ze eindelijk wel doorgronden," hernam de oom op aanmoedigenden toon. "Zijn er tusschen die honderdduizenden zielen eenige, welke de noodige zuiverheid hebben bereikt, deze worden opgenomen in den hemel, en elk hunner krijgt de plaats van eenen der afgevallene engelen. De andere nog onvolmaakte zielen gaan in de ruimte, en moeten daar wachten, totdat het God believe hun eene nieuwe proeve, dit is een nieuw leven op aarde, toe te staan. Al deze zielen, al deze geesten zonder stoffelijk lichaam bevolken de lucht, waarin zij zich, wanneer zij willen, met de snelheid des bliksems bewegen, maar zij blijven nog liefst in de streken, welke zij als mensch hebben bewoond, en in de nabijheid hunner vrienden, hunner ouders of hunner kinderen. Bij voorbeeld, terwijl ik hier met u spreek, omringen ons wel twintig geesten. Onder hen herken ik mijnen vader en den uwen, mijne vrouw en uwe moeder, die ons beluisteren en zich verblijden in dehoop, dat gij de geheimzinnige, de bovennatuurlijke kracht zult aanwinnen om hen te zien en met hen te spreken."

Eene siddering scheen den jongeling aan te grijpen. Het gepeins, dat zijne afgestorvene ouders naast hem stonden en hem zagen, deed eenen gansch vreemden indruk op hem. Het was, alsof het hem benauwd om het harte werd, en een lang opgehouden zucht ontsnapte zijner borst.

"Wees niet vervaard, mijn vriend," zeide zijn oom, "deze onstoffelijke zielen zijn hinderloos, en het is hun niet toegelaten, kwaad te doen aan de zielen, die in vleeschelijken vorm lijden en strijden op aarde. Weet nu verder, dat sommige menschen, die door opvolgende beproevingen en door het innig betrachten van deugd en wetenschap tot eenen verren graad van zuiverheid gevorderd zijn, het vermogen hebben om in gemeenschap te komen met de wachtende zielen, die de ruimte vervullen, anders gezegd, die de eigenschap bezitten, om de onstoffelijke geesten op te roepen en ze te dwingen tot mededeeling van hetgeen zij weten. De geest, die in dit doodshoofd woont, heeft reeds dertigmaal geleefd. Hij nadert tot de vereischte zuiverheid en weet daarom dingen te openbaren, waarvan min gevorderde zielen geene kennis hebben. Dit alles is toch wel bevattelijk voor uw verstand, niet waar?"

"Het is verrassend en wonderlijk," antwoordde Willem, "maar volgens u zouden alle menschen zonder uitzondering engelen worden en ten hemel gaan? Dit strijdt met den godsdienst en met het geweten, die ons leeren, dat er belooning of straf zal zijn na dit leven."

"Deze strijdigheid bestaat slechts in schijn, mijn vriend, het zal waarlijk op het einde geschieden zooals ons wordt geleerd. Nadat honderden millioenen gezuiverde zielen ten hemel gevaren zijn, en zoohaast ook de laatste plaats der gevallen engelen vervuld is, zal God de wereld doen vergaan, en de zielen, welke alsdan ondanks de vele beproevingen nog onzuiver, boos en zondig zijn gebleven, zullen neergebliksemd worden, om in de eeuwige duisternis en in het gezelschap der duivelen te boeten en te lijden."

Nox, die sedert eenigen tijd rondom den stoel van den jongeling snuffelend dwaalde, sprong nu met zijne voorste pooten op zijne knie en woelde met den snuit tegen de borst van zijne frak, als rook hij daar iets bijzonders.

"Nox, hier, stil!" sprak mijnheer Reimond op bevelenden toon.

Het beest verliet den verbaasden Willem en kroop tot voor de voeten zijns meesters.

"Gij hebt vleesch in uwen zak, mijn neef?"

"In het geheel niet," stamelde de jongeling, eenige papieren uittrekkende.

"Ha, ik zie wat het is!" riep mijnheer Reimond met eenen glimlach. "Gij hebt daar den brief, dien ik u toezond. De hond heeft hem reeds eenmaal in den muil gehad, en hij herkent hem aan den reuk."

"Wat wonderlijk beest!" zuchtte Willem. "Ik begrijp, dat de hovenier er van vervaard is. Men zou haast gaan gelooven, dat Nox een menschelijk verstand heeft. Toen hij mij kwam roepen, scheen hij te willen spreken!"

"Het is een arm dier, dat mij verkleefd en dankbaar blijft, omdat ik het eens te hulp kwam, toen het zich in gevaar des levens achtte," zeide mijnheer Reimond. "Wat den ouden Jakob betreft, hij is een goed man en een trouw hart, maar zijn moed en zijn verstand zijn niet groot. In zijne eenvoudigheid droomt hij van niets dan van schrikkelijke dingen, en zoohaast hij iets ziet dat hij niet kan begrijpen, meent hij, dat bovennatuurlijke oorzaken in het spel zijn. Wat wonders is daaraan, dat Nox geleerd heeft den hovenier te gaan roepen, vermits hij nooit eten krijgt dan wanneer ik Jakob doe komen? De eenzaamheid en de eeuwige stilte hebben misschien iets bijgebracht om de natuur van het arme dier te wijzigen. Misschien woont in hem eene ziel, die gereed is om tot eene hoogere en gelukkige proef over te gaan,—maar dit kan ik in alle geval niet verzekeren."

"Eene ziel in den hond? Eene menschelijke ziel?" mompelde Willem met eenen glimlach van ongeloof.

"Waarom niet?" was het antwoord. "Indien God het zoo wil, om wederspannige of geheel ondeugende zielen te straffen of ze aan eene zware proef te onderwerpen? Er zijn trotsche dwingelanden, die in ezels overgaan, opdat zij onder den stok van den drijver zouden worden verootmoedigd, hoovaardige vrouwen, die padden worden en onder dezen verachten vorm gedurende een gansch leven in het slijk wroetelen, oorlogshelden, welke om roem te behalen stroomen bloeds vergoten, die haas worden, opdat de eeuwige vrees hunnen wreeden overmoed stille, en het lood der jagers ook hun bloed doe vlieten, maar niet in alle dieren wonen menschelijke zielen, en het is den geesten niet veroorloofd daarover eenige bepaalde openbaringen te doen.... Nu, mijn goede Willem, heb ik u gezegd wat ik noodig acht om u een klaar denkbeeld van de geestenwereld te laten opvatten. Is u nog iets duister, zeg het, ik zal u meer uitlegging geven, indien gij het verlangt."

"Neen, oom lief, ik weet genoeg," antwoordde de jongeling met eene stem, die van vermoeidheid en treurnis getuigde.

"Des te beter, mijn neef; dan kunnen wij seffens beginnen met de eindelijke proef, waartoe mijne woorden u hebben voorbereid," zeide mijnheer Reimond opstaande "Ha, Willem, mijn vriend, misschien zult gij, vóórdat een uur verloopen zij, reedsin gemeenschap zijn met de wereld der zielen. Mocht dit gelukken, ik zou God zegenen voor die hooge weldaad, aan u en aan mij bewezen! Kom hier, zet u op dezen stoel voor het doodshoofd, ik zal u leeren, hoe gij den geest, die er in woont, moet pogen te zien en te hooren."

"O, ik bid u, heer oom, ontsla mij van deze proefneming!" smeekte Willem. "Ik weet niet, mijne ziel is waarschijnlijk nog niet zuiver genoeg; het is, als boezemde deze verborgene wetenschap mij schrik en afkeer in. Wees zeker, al duurden uwe pogingen eenen ganschen dag, ik zou den geest niet zien."

"Gij gelooft zulks?" hernam de oom. "Ongetwijfeld bedriegt gij u. Deze afkeer is natuurljjk. In stoffelijke gedaante schrikt de mensch van alle geheimzinnigheid; maar gij moet die vrees overwinnen en, met vasten moed en met volledig vertrouwen, u leenen tot de onschatbare les, welke ik u wil geven. Zoohaast gij den geest ziet, zoohaast gij zijne taal verstaat, zult gij juichend en dankend mij in de armen vliegen. Ha, er is op aarde geen grooter geluk dan deze wetenschap, die ons bestaan verbreedt tot de uiterste palen van het heelal. Nu, zit hier voor het doodshoofd."

"Maar, oom lief, indien gij de goedheid hadt, mij ten minste voor heden te verontschuldigen!"

"Zeker niet, Willem; het is uwe stoffelijke natuur, die worstelt om de bovenhand te behouden. Zij moet bevochten en overwonnen worden: het ware eene lafheid dus toe te geven aan hare zelfzucht. Gij weigert? Zou ik mij misgrepen hebben? Zal ik de smart onderstaan, in u, mijnen neef, eene verachterde en nog zeer zwakke ziel te moeten herkennen?"

De jongeling bemerkte, dat zijn tegenstand het hart zijns ooms met droefheid vervulde. Uit eerbied, uit toegevendheid voor hem, besloot hij zich lijdzaam te leenen tot al wat hij van hem kon eischen. Hij stond op, zette zich voor hot doodshoofd en zeide:

"Gij hebt ongelijk, heer oom, aan mijnen moed of aan mijnen goeden wil te twijfelen. Ik ben zeker, of ten minste ik geloof mij zeker, dat ik den geest niet zal zien; maar vermits gij er anders over denkt, welaan, ik ben bereid. Wat moet ik doen?"

"Het zal gaan, gij kent u zelven niet, Willem!" riep mijnheer Reimond met blijdschap. "Heb vertrouwen; gij zult niet alleenlijk de erfgenaam mijner stoffelijke goederen zijn, maar tevens de erfgenaam van het zedelijk vermogen mijner ziel! Schuif uwen stoel bij de tafel,—zet u op uw gemak,—leg de rechterhand op het doodshoofd,—zie nu in zijne holle oogen, diep zeer diep, en tracht aldus uwen blik beweegloos te houden, op zulke wijze, dat niets meer van de dingen, die in deze kamer zijn, uw gezicht verstrooie of store. Doordring u zelven nu vande gedachte, dat gij eenen geest wilt zien, eenen geest in menschelijke gedaante; want in eenen anderen vorm kunnen zij zich voor onze stoffelijke oogen niet openbaren. Willen en blijven willen, overtuigd zijn en gelooven, niet verzwakken, standvastig en onverwinnelijk willen, is hier de tooverroede, die de wereld der zielen voor uw aangezicht moet ontsluiten. Poog diensvolgens uwen geest in zulke spanning te brengen, dat hij door dit zelf magnetismus om zoo te zeggen uw lichaam verlate en zich vermenge met de onstoffelijke wezens, die de lucht vervullen. Zoo is het wel; verroer u niet meer, blijf zwijgend en, wat er ook geschiede, keer uw gezicht niet van het doodshoofd af, noch uw gepeins noch uwen wil van het doel dezer proeve. Stil nu!"

De jongeling beschouwde deze proefneming om geesten op te wekken als eene beklaaglijke zinneloosheid van zijnen oom. Evenwel, om zijnen zieken weldoener niet te bedroeven, volbracht hij nauwkeurig zijne begeerte en had letterlijk de hem gegevene les gevolgd. Hij zat beweegloos als een steenen beeld en hield de oogen zoo vast in de holle oogen van den schedel gevestigd, dat zijn gezicht er van schemerde en hij er duizelig van werd.

Hij behield echter zijn geduld, want hij hoopte, dat zijn oom zelf welhaast deze nuttelooze poging moede zou worden en hem er van zou ontslaan. Dan hij bedroog zich grootelijks: er verliep wel een half uur zonder dat mijnheer Reimond teeken van leven gaf; integendeel, hij scheen zijnen adem op te houden om zijnen neef niet te storen en zijne aandacht van het nagejaagde doel af te trekken.

Wat Willem betreft, deze verveelde zich onzeglijk; alles scheen voor zijn verduisterd gezicht te draaien, en het zweet stond in parelen op zijn voorhoofd. Hij gevoelde, dat hij het niet langer volhouden kon, en vroeg zich zelven juist, of hij dit pijnlijk spel niet beslissend zou onderbreken,—toen zijn oom met verdoofde stem aan zijn oor suisde:

"Keer den blik niet af, Willem; gij zult gelukken: ik heb op uw gelaat de teekens gevolgd, die van de immer aangroeiende uitzetting uwer ziel getuigen. Nog een half uur geduld, en de groote geheimenis zal zich voor u ontsluieren."

"Nog een half uur, o hemel!" zuchtte Willem verschrikt.

"Zwijg, blijf standvastig, ik bezweer u, vriend, indien gij eenige liefde, eenige dankbaarheid voor mij hebt, laat uwen moed in dit opperst oogenblik niet verzwakken. Niet waar, gij ziet in de diepte van het doodshoofd nevelachtige wolkjes, die bewegen en schijnen te zwoegen om eene bepaalde gedaante aan te nemen?"

"Ik zie wolkjes die vlotten, witte ringen die draaien, vonken die glinsteren, en alle soorten van zonderling duizelige dingen," stamelde Willem.

"Ha, dit is het! Uwe ziel begint ziende te worden. Geduld, geduld, de proeve voortgezet met onwrikbaar vertrouwen. Stil nu, geen woord, geen ander gepeins meer dan het doel alleen!"

Gedurende nog een geheel kwart uurs hield Willem het vol; maar dan gevoelde hij, dat een onweerstaanbare slaaplust hem allengs overviel. Hij geeuwde nu en dan, doch poogde deze teekens der verveling door het geweldig sluiten van den mond te verbergen. Eindelijk kon hij de koortsige trekkingen zijner zenuwen niet meer bedwingen; geeuwde met wijdgeopenden mond, en zijn opgehouden adem welde tegen zijnen wil met een pijnlijk geluid uit zijne borst op.

"O, oom lief, heb medelijden met mij!" zuchtte hij, het hoofd afkeerende. "Ik val in slaap; reeds heb ik geene bewustheid meer van hetgeen ik doe."

"Nog wat moed, nog wat geduld, vriend; wij raken misschien het doel!"

"Neen, neen, nog ééne minuut en ik stort met het hoofd op de tafel, om morgen eerst te ontwaken! Het is mijne schuld niet, heer oom. Ik ben onzeglijk vermoeid van den gansenen dag te hebben gereisd. Gij ziet wel, dat, niettegenstaande zulke afgematheid, de goede wil mij niet heeft ontbroken."

"Inderdaad. Gij waart reeds verre gevorderd nogtans! Maar het zij zoo; men bekomt deze onschatbare wetenschap zoo niet in eens. Wanhoop niet, Willem; wij zullen morgen met meer geluk waarschijnlijk de proeve hernemen. Schei uit nu: het is genoeg voor heden. Daarenboven, het zal haast avond worden, en het uur der eenzaamheid nadert voor mij. Wat u betreft, gij snakt naar rust. Ik heb in het achterste gedeelte van het kasteel eene kamer voor u doen bereiden. Jakob Mispels, de hovenier, zal u dienen; hij heeft last om u alles te bezorgen wat u noodig is, en verlangt gij iets, dat zich niet op Wildenborg bevindt, Jakob zal naar het dorp gaan om het te halen. Gedurende den nacht zal ik den geest van het doodshoofd over u raadplegen; hij zal mij misschien openbaren, hoe gij onmiddellijk tot de gemeenschap der zielen kunt geraken. Heb goeden moed en slaap gerust. Tot morgen, mijn vriend!"

Hij reikte de hand tot zijnen neef. Deze sprak op den toon van diep medelijden en van smart:

"Alzoo, mijn goede oom, gij blijft bij de schrikkelijke gedachte, dat gij binnen weinige dagen zult sterven?"

"Eene gedachte, Willem? Het is eene volstrekte zekerheid."

"Maar indien gij wenschtet te leven?"

"Het zou er niets aan doen. Daarenboven, mijn jongen, ik snak vurig naar den dood."

"Onbegrijpelijk!" zuchtte Willem met moedeloosheid.

"Wat is daar onbegrijpelijks in?" hernam de oom met eenenglimlach. "Elke maal dat een mensch na een tamelijk goed leven sterft, doet hij eenen stap vooruit naar de eindelijke volmaaktheid, die hem met eene plaats bij God de eeuwige zaligheid moet geven. Wanneer men op reis is naar het grootste geluk, verlangt men dan tot langen stilstand gedwongen te zijn? Treur niet over mijnen onfeilbaren dood; gij ziet wel, dat ik noch verschrikt, noch weemoedig ben."

De jongeling erkende, dat er niet tegen dit ingeworteld denkbeeld van zijnen oom te worstelen was. Hij murmelde een goedennacht en meende de zaal te verlaten; maar mijnheer Reimond hield hem terug en zeide:

"Ik heb den ganschen dag over eene moeielijke zaak nagedacht. Willem, gij hebt eene verre nicht, die de andere helft mijner goederen moet erven. Ik wensch, dat Wildenburg met zijne aanklevende bosschen, weiden en landerijen onverdeeld blijve; het is een vaderlijk erfgoed. Mijn inzicht is, Wildenborg in uw deel te plaatsen; maar dewijl ik verlang, dat het als onverkoopbaar en onverdeelbaar beschouwd worde, zou daardoor de waarde van uw deel verminderd zijn. Ik zal het middel zoeken om u eene schadeloosstelling te verzekeren; wij zullen morgen daarover spreken. Ik zal u vroeg doen roepen. Ga nu, en slaap wel."

Willem murmelde eene groetenis en verliet de zaal.

Toen hij zich onder den blauwen hemel bevond, ontsnapte hem een lange zucht, als viele er een gewicht van zijn hart. In stede van naar het hoveniershuisje te gaan, trad hij, door den nood aan eenzame overweging gedreven, in het groene prieel en zette zich op de bank neder. Hij vouwde de armen op de borst, staarde ten gronde en bleef dus zeer lang in diepe gepeinzen verzonken.

Eindelijk hief hij het hoofd op en mompelde met eene uitdrukking van verbaasdheid:

"Wat geschiedt mij? Daar zit ik te droomen aan de mogelijkheid der wonderlijke dingen, die mijn oom mij heeft verteld! Wat is de geest des menschen toch zwak, en hoe machtig is op hem de indruk der bovennatuurlijke geheimenissen! Zoo een gansch uur in de holle oogen van een doodshoofd staren, het betoovert en maakt de hersenen duizelig. Arme oom, hij is zeer ziek, zijne verbeelding is verdwaald. Er is, eilaas, niets aan te doen. Wat ben ik moede! Eten wij metterhaast een beetje, en zoeken wij troost en verkwikking in de rust."

Hij verliet het priëel en richtte zijne stappen naar de woning des hoveniers. Zijn geest was beneveld en zijn hart weemoedig. Hij vond Jakob Mispels en zijne vrouw druk bezig bij den haard met de bereiding van zijn avondmaal; er lag reeds een wit ammelaken over de tafel gespreid.

De hovenier, zoohaast hij den groet des jongelings hoorde, kwam hem te gemoet geloopen, greep zijne hand en vroeg met koortsige nieuwsgierigheid:

"Welnu, welnu? Hoe is het afgeloopen? Heeft uw oom u goed onthaald? Is hij tevreden over u?"

"Ik vermeen het te mogen denken," was het antwoord.

"Heeft hij u van zijnen dood, van zijnen schrikkelijken dood gesproken?"

"Ja, meer dan ik verlangde."

"Hoe? Hij zou u gezegd hebben, dat de duivel....?"

"Laat mij gerust met die gekheden, Jakob," morde Willem ontevreden. "Mijn arme oom verbeeldt zich, dat hij gaat sterven, dit is alles."

"Zoo, gij meent het? Gij twijfelt aan de waarheid van hetgeen ik u heb gezegd?"

"Geloof hem niet, Willem," viel Peternelle haren man in de rede. "Al wat hij vertelt, zijn dwaasheden. Men zou welhaast gaan meenen, dat hij kindsch wordt."

"Ik kindsch?" grommelde Jakob dreigend. "Ik zal u straks over die beleediging spreken!"

"Mijn oom is ziek, ziek in het hoofd," zuchtte de jongeling. "En er blijft weinig hoop op genezing!"

"Ziek in het hoofd? Zot, wilt gij zeggen? De pastoor schijnt zulks ook te denken; maar het is niet waar: mijn meester heeft te veel verstand en te veel geleerdheid, ziedaar de eenige oorzaak van zijn ongelukkig lot."

Ondertusschen had de vrouw de spijzen opgediend.

"Mijnheer Willem," zeide zij, "gelief u daar bij de tafel te zetten. Ik heb gedaan wat in mijne macht was om u een goed avondmaal te bereiden. De reis zal u eetlust gegeven hebben. Moge de keuken der oude Peternelle u bevallen!"

Met betuigingen van dankbaarheid begon Willem de hem voorgediende spijzen te nuttigen.

Jakob was reeds bezig met opnieuw van zijnen meester en van den duivel te spreken.

"Maar, om Gods wil, zwijg toch een beetje en laat mijnheer gerust, terwijl hij eet!" zeide zijne vrouw.

"Wat heeft een mensch van zwijgen?" wedersprak de hovenier. "Als men eet, kan men des te beter luisteren. Gij denkt zeker, dat ik mijnheer Willem, het kind, dat ik op de armen heb gedragen, in eene dwaalgedachte zal laten, als ik de mogelijkheid zie om hem van de waarheid te overtuigen? Gij gelooft, Willem, dat mijn meester geene betrekkingen heeft met den zwarten man? Gij hebt dus geene acht op Nox gegeven, en u is het niet klaarblijkend geworden, dat Nox niets anders is dan een geest, eenMistoffel, die hem bewaakt?"

"Nox is een hond gelijk alle andere honden," bemerkte de jongeling.

"Een hond gelijk alle andere honden? Kendet gij de geschiedenis van dien helschen dienaar, welken gij meent voor een beest te mogen aanzien, gij zoudt wel anders spreken. Maar waarom zou ik u die geschiedenis niet vertellen, terwijl gij toch niets te doen hebt dan te eten? Vrees niet, zij is schrikkelijk, doch kort. Welnu, luister. Het is tien jaar geleden, sedert den 13denJuli; mijn meester leefde wel eenzaam, maar de zaken gingen op Wildenborg niet als nu. Op eenen zekeren nacht werden wij onverwachts gewekt door een vreemd geraas in de lucht. Het was, alsof de aarde beefde, alsof er honderd wagens te gelijk door den hemel reden. Daarop begon het te bliksemen en te donderen, dat wij meenden de wereld te zien vergaan. Het vuur des hemels was zoo hevig, dat wij de handen voor de oogen moesten houden om niet met blindheid te worden geslagen. Vol schrik en angst loop ik met mijne vrouw naar het kasteel, en daar vinden wij mijnheer—die alsdan zich zelven nog niet opsloot—bezig met in een boek vol groote zwarte letteren te lezen. Het tempeest groeit aan, de donderslagen doen het kasteel op zijne grondvesten daveren; daar vallen eensklaps hagelsteenen zoo zwaar als duiveneieren, en de verbrijzelde schalien vliegen kletterend door de lucht.... Wij stonden nevens mijnheer te beven en te bidden, toen eensklaps een klagend noodgeroep, als van een stervend mensch, zich buiten het kasteel liet hooren. Mijnheer Reimond sprong met verrassing recht en zeide mij: "Jakob, er is iemand voor het hek, die om hulp roept. Hij smeekt om eene schuilplaats: ga opendoen en laat hem binnen." Hadde men mij op dit akelig oogenblik eenen hooiwagen vol goud willen geven, ik hadde geenen enkelen voet buiten gezet. Mijn meester zag het wel; want hij ging zelf naar het hek en keerde even ras terug met eenen hond, dit is te zeggen met den duivel, die zijnMistoffelmoest worden. Nauwelijks was het gruwelijke beest binnengelaten, of een donderslag, als van honderd kanonnen, trof het kasteel en scheurde zijnen gevel tot in den grond. Ik schreeuwde om hulp en mijne vrouw viel buiten kennis op den vloer.... Het is sedert dan, dat de arme Peternelle half stom geworden is. Ziedaar, Willem, de geschiedenis van Nox. Is het zóó, dat een gewone hond ergens aankomt? Eilaas, in dien schromelijken nacht heeft mijn arme meester zijne ziel aan den zwarten man verkocht, en nu is zijn tijd om. Gelooft gij nu nog, Willem, dat ik niet weet wat ik zeg? Nox? Nox? Is dit een naam voor den hond van een Christenmensch, zeg?"

"Die naam is Latijn, en hij beteekent eenvoudignacht," mompelde Willem, de schouders ophalende.

"Nacht!Ziet gij wel, dat Nox een geest der duisternis moet zijn?"

De jongeling, die niet den minsten lust had om langer naar de vertelsels van den spreekzieken Jakob te luisteren, stond van de tafel op.

"Ik dank u, mijne vrienden, en u bijzonderlijk, goede Peternelle," zeide hij. "Het avondmaal was wel bereid, en het heeft mij uitmuntend gesmaakt. Het is nu bijna donker daarbuiten, ik gevoel mij vermoeid en slaperig. Wees zoo goed, Jakob, en leid mij naar mijne kamer."

Ondanks de pogingen, welke de hovenier aanwendde, om hem wat te doen blijven en onder het drinken van een glas bier een avondkoutje te houden, wilde Willem volstrekt naar bed gaan. Inderdaad, hij kon de oogen schier niet meer geopend houden van vermoeidheid.

"Welnu, morgen zult gij uitgerust zijn," zeide Jakob. "Uitgesteld is niet verloren—Peternelle, ga in den stal, haal de lantaarn en ontsteek het licht er in. Hoe, Willem, gij meent, dat er geene duivels zijn?"

"Ik heb dit niet beweerd," zeide de jongeling met ongeduld.

"Maar gij gelooft toch niet, dat de duivel zielen koopt of menschen weghaalt. Ik weet eene geschiedenis, die klaar bewijst dat gij u bedriegt, en ik ga ze u vertellen."

"Gij zijt onbarmhartig voor mij, Jakob. Vertel zooveel gij wilt, ik antwoord niet meer."

"Dit is mij gelijk, indien gij mij slechts laat spreken. Ziehier de zaak. In het dorp Neerglabeek waren eens boerenknechts, op eenen heiligendag onder de hoogmis, in eene herberg. Zij zouden gaarne met de kaart gespeeld hebben, maar daartoe moesten zij gevieren zijn, en zij waren slechts gedrieën. Er treedt een vreemdeling binnen, die een glas bier vraagt. Op het eerste voorstel der drie knechts stemt hij toe om de vierde man bij het kaartspel te zijn."

De vrouw verscheen met de lantaarn, Willem wenschte haar goedennacht en stapte ten huize uit, gevolgd door den ouden Jakob, die onderweg zijn vertelsel dus voortzette.

"Zij waren lustig aan het spelen, maar een der knechts stoot met zijne mouw het krijt van de tafel en bukt zich om het op te rapen. Wat ziet hij, o hemel! Hij ziet, dat de vreemde makker paardevoeten heeft!"

Ondanks zijne verveling kon Willem zich niet wederhouden van met de wonderlijke eenvoudigheid van zijnen ouden leidsman te lachen.

"De arme knechts lachten niet," hernam Jakob Mispels. "Zij sprongen kermend recht en wilden vluchten, maar er kwam een schromelijke donderslag, en al de kaartspelers waren verdwenen! Het stonk er in de kamer, als hadde men er honderd busselen solferstekken gebrand.... Zie, daar in dat achterpoortje van hetkasteel moeten wij zijn. Ik heb uwe kamer gereed gemaakt, en ik hoop dat u niets zal ontbreken. Volg mij, ik zal u den weg wijzen."

Hij bracht den jongeling boven eene trap en voor eene kamer. Daar lagen op den grond twee half verbrande stokken, dwars over elkander, in de gedaante der letter X.

"Trap daar niet op en ontschik het niet," zeide de hovenier.

"Wat beteekent dit?" mompelde Willem.

"Dit is een onfeilbaar middel om u voor nachtelijk ongeluk te behoeden," was het antwoord. "Zulke houten zijn een onoverstapbare dwarsboom voor alle tooverheksen, duivels, spoken, kabouters, nikkers en ander helsch gespuis."

Van ongeduld schier buiten zich zelven, greep de jongeling de stokken van den grond en wierp ze tot beneden de trap.

"Gij zoudt mij eindelijk nog de koorts doen krijgen, of mij zoo dom maken als.... als een visch."

"Ho, word daarom niet kwaad, mijn lieve Willem," zuchtte de oude man vreesachtig. "Ik doe het met een goed inzicht; maar wilt gij liever gevaar loopen van iets schrikkelijks te zien, het staat u vrij."

"Dit is de kamer, waar ik den nacht moet doorbrengen, niet waar? Welnu, Jakob, ga naar huis en wees gerust, mij zal niets geschieden. Laat mij slapen zoolang het mij lust en wek mij niet ontijdig. Goeden nacht.... Wilt gij niet heengaan?..."

"Ja, ja, zeker, ik ga," zeide Jakob, de trappen langzaam afdalende. "Die steedsche menschen hebben harde koppen; maar zij weten het niet goed. Als ik nog denk aan hetgeen den zandboer van Hechtel is overkomen! Die meende ooit, dat men geene spooken moet vreezen, maar hij werd, och arme, deerlijk gestraft. Op eenen nacht zag hij eene witte gedaante—als een geraamte, met eenen witten lijkdoek op de schouders—die hem met den vinger wenkte. Halfdood van schrik en bevend...."

Hij was reeds beneden de trap, en zijne stem werd onvatbaar voor Willem, die binnen de kamer was getreden en in aller haast zich ontkleedde.

Een oogenblik daarna lag de vermoeide jongeling reeds onder de lakens, op een bed, dat hem goed en zeer zacht scheen.

Hij sloot de oogen en twijfelde niet, of hij zou onmiddellijk in slaap vallen; maar naarmate zijn hoofd verzwaarde, scheen zijn geheugen of zijne verbeelding eene onwillekeurige werkzaamheid te krijgen. Hij zag allerlei vreemde dingen in de duisternis voor zijne oogen wemelen: spoken, geesten, duivels, zwarte honden, geraamten, doodshoofden. Ofschoon hij wel wist, dat dit slechts eene begoocheling zijner ontstelde zinnenwas, stond niettemin het koude zweet hem op het aangezicht en klopte zijn hart van zenuwachtigen angst.

Eindelijk toch bezweek hij onder de afgematheid en viel in eenen diepen slaap.

Des anderen daags 's morgens was de oude Jakob vroeger dan naar gewoonte opgestaan. Hij was zichtbaar bekommerd, en ging uit het huis en keerde weder, zonder doel of reden, evenals iemand, die vervolgd wordt door eene angstige gedachte. Zijne vrouw bleef wel een uur sprakeloos, en scheen geene acht op zijne ongerustheid te slaan. Toen zij hem eindelijk vroeg, wat hem dus over en weder deed dwalen, vertelde hij haar, dat hij eenen leelijken droom had gehad en nog beefde van het akelig gezicht, dat hem had verschrikt.

"Ach, Peternelle," zeide hij, "ik lag gerust te slapen. Eensklaps werd ik wakker en hoorde iemand om hulp roepen op eenen toon, zoo klagend en zoo scheurend, dat het mij als een mes door het harte sneed. Het is te begrijpen, ik herkende de stem van Willem!.... Ik spring van het bed en open het venster, mijne haren rijzen te berge op mijn hoofd, ik moet mij vasthouden om niet van vervaardheid neder te storten. Schromelijk schouwspel, dat voor mijne oogen voorbijschiet! Daar zie ik den zwarten man, die lachend door de lucht vliegt. Met zijnen klauw houdt hij een mensch bij het haar, terwijl hij met den anderen hem het vleesch van de leden rukt. Het arme slachtoffer schreeuwde om hulp, dat gansch Wildenborg er van weergalmde. Eilaas, het was Willem, die dus door den boozen geest werd weggehaald!"

"Om 's hemels wil, Jakob, waarom mij altijd doen beven met uwe ijselijke vertelsels?" zeide de vrouw verstoord.

"Hebt gij niets gehoord, Peternelle?"

"Wat zou ik gehoord hebben, vermits gij het hebt gedroomd?"

"Maar indien het eens eene verwittiging was?"

"Laat mij gerust," knorde de vrouw. "Gij breekt u des nachts het hoofd, om mij des daags te kunnen verschrikken. Ik moet werken, het huis opschikken, de koe verzorgen en aan het ontbijt van mijnheer Willem denken."

"Geve God, dat hij uw ontbijt nog noodig hebbe," zuchtte Jakob.

"Babbel zooveel gij wilt, ik luister niet meer naar uwe kinderachtigheden," zeide de vrouw, terwijl zij eenen emmer greep en zich naar den stal begaf.

Jakob bleef nadenkend op de achterdeur staren en schudde met ontevredenheid het hoofd.

Na lang wachten keerde hij zich om, ging met tragen stap in den hof, naderde allengs tot het achtergedeelte van het kasteel en bleef daar, met de armen op de borst gekruist, in de hoogte zien naar een gesloten venster.

Eene wijl mompelde hij in zich zelven, schudde het hoofd en maakte stille gebaren, maar, als nam hij een plotselijk besluit, hij verliet deze plaats, greep onderweg eene spade en ging in eene soort van moeshof, waar hij een afgemaaid klaverbed begon om te spitten.

Het was zichtbaar, dat hij onder den arbeid evenzeer vervolgd bleef door aanjagende en kommervolle gepeinzen, want niet zelden onderbrak hij zijn werk, om van verre tot het gesloten venster op te zien, en dan ontsnapte hem telkens een gemor van ongeduld of van angst.

Zijne ongerustheid werd grooter en grooter, en toen hij ongeveer gedurende een uur zijn werk met vele onderbrekingen had voortgezet, plantte hij zijne spade in den grond en zeide:

"Neen, ik kan het niet meer uithouden! Reeds sedert drie uren is de zon aan den hemel—en nog niet opgestaan? Het is niet natuurlijk. Was mijn droom eene waarschuwing? De vrees, de twijfel doet mij vergaan. Hij heeft mij verboden hem te wekken, maar is mijne komst hem bij geval onaangenaam, wat beteekent het in vergelijking van de benauwdheid, die ik doorsta? En daarenboven met eens op de teenen naar boven te gaan, zal ik hem niet wekken, indien hij waarlijk slaapt. Het is gelijk, dit gewicht moet mij van het hart!"

Terwijl hij deze woorden sprak, had hij den moestuin verlaten en naderde nu het achterdeel van het kasteel. Hij opende de deur zeer langzaam, opdat ze, draaiende, niet op hare hengsels zou knarsen, en stapte met looze treden in den gang.

Aan den voet van de trap bleef hij eensklaps staan, hief zijne handen omhoog, deinsde verbleekend terug en morde huiverend:

"Hemel! het riekt hier naar de solfer! Zou er een ijselijk ongeluk geschied zijn? Mijn droom? Vluchten wij!"

Maar waarschijnlijk twijfelde hij zelf aan den waren aard van den reuk, dien hij meende gewaar te worden, want na eene wijl naderde hij de trap en klom voet voor voet naar boven.

Hij bemerkte tot zijnen grooten schrik, dat de deur der kamer gansch openstond. Dit gezicht gaf hem een akelig voorgevoel, en het was met kloppend hart en aarzelend, dat hij binnen de kamer sloop.

Daar ontvloog hem een schreeuw, hij sprong, bleek als een doode, terug tot tegen den muur, en waggelde op zijne beenen van verschriktheid.

Het bed was ledig en het deksel lag half ten gronde, als hadde men den slapende met geweld van zijne rustplaats weggerukt.

Zoohaast de arme hovenier den adem en het bewustzijn terugkreeg, sprong hij huilend ter kamer uit, viel schier van al de trappen, vluchtte door den hof en liep in zijn huis, waar hij zich op eenen stoel liet zakken en kermend uitriep:

"Peternelle, Peternelle, water en azijn: laaf mij, of ik val van mij zelven! Eilaas! eilaas, men wil mij niet gelooven, daar hebt gij het nu! Die ongelukkige, die arme Willem! Hadde hij nooit den voet op dit vermaledijd kasteel gezet! Zulk einde en nog zoo jong!"

"Water en azijn? Wat is er gebeurd? Hebt gij weder iets uitgevonden om mij vervaard te maken?" vroeg de vrouw verbleekend.

"Neen, neen, Peternelle, ditmaal is het ernstig waar," antwoordde Jakob.

"Is mijnheer Reimond overleden? Eilaas, het moest er toch eens van komen. God zij zijne arme ziel genadig!" zuchtte de vrouw, haar voorschoot aan de oogen brengende.

"Veel erger, veel erger, Peternelle! Laat mij adem scheppen, laat mij een beetje bekomen. Houd u sterk, vrouw lief. Het is om daar neder te vallen en nooit meer op te staan."

"Welnu, indien onzen meester niets overkomen is, wat nieuw inbeeldsel ontstelt er dan uwe zinnen?"

"Zwijg, spreek zoo niet, Peternelle. Uwe ongeloovigheid zou u een ongeluk over het hoofd kunnen halen. Peternelle, ik ben gaan zien naar de kamer.... naar de kamer van Willem, en—God beware ons!—het bed is ledig!"

"Het bed is ledig?" morde de vrouw. "Dit is zonderling en verwonderlijk, inderdaad."

"Niet waar? Die arme jongen! Het deksel lag verward, en men kon zien, dat er een schrikkelijk geweld.... O, hemel, mijn droom van dezen nacht was dus waarheid!"

"Lagen de kleederen van Willem in de kamer?" vroeg Peternelle, die geweld deed om tegen de verschriktheid te worstelen.

De hovenier wreef zich het voorhoofd als om zijn geheugen op te klaren.

"Zijne kleederen?" herhaalde hij. "Neen, die heb ik niet bemerkt."

"Gij ziet wel, Jakob, dat gij u alweder door uwe verbeelding laat verleiden en mij nutteloos den dood op het lijf jaagt?"

"Hoe dat?"

"Wel, begrijpt gij niet, sukkelaar, dat, indien mijnheer Willem in zijnen slaap door Gods vijand ware verrast geworden, zijne kleederen toch in de kamer zouden gebleven zijn?"

"Dit is niet zeker, Peternelle. Ik weet eene geschiedenis van eenen smid, die zijne ziel aan den zwarten man had verkocht en toen Lucifer kwam om hem te halen, gaf hij hem den tijd om zich eerst te wasschen en op te kleeden."

"Kindervertelsel! Het was zeer vroeg, toen mijnheer Willem gisteren te bed ging. Hij zal zijne kamer verlaten hebben, om eene morgenwandeling te doen. Misschien is hij buiten het kasteel en in het bosch. In stede van hier te blijven beven, ga, zoek naar mijnheer Willem, gij zult hem vinden en van uwe ijdele benauwdheid verlost worden."

"Gij meent het, Peternelle? O, mocht gij u niet bedriegen! Ik ga, ik loop, ik zal het gansche kasteel en zijne omstreken doorzoeken, en roepen en schreeuwen.... maar, eilaas, ik vrees, dat het er weinig zal aan helpen. Arme jongen, arme jongen!"

En het hoofd met moedeloosheid schuddende, liep hij de deur uit.

De vrouw hernam haar huiswerk en schonk de koffie op, zij legde eenige eieren in een keteltje met ziedend water, en spreidde een ammelaken over de tafel.

Alhoewel zij zich sterkmoedig had getoond in het bestrijden der bijgeloovigheid van haren man, was zij evenwel niet zonder eenige ongerustheid. Zij had een kruis gemaakt en prevelde een stil gebed tusschen het gaan en keeren, om haren arbeid te verrichten.

"God zij geloofd, daar is mijnheer Willem!" riep zij eensklaps uit, den jongeling vroolijk toelachende.

"Goeden dag, Peternelle," zeide Willem. "Hoe verblijdt u mijne komst! Gij ziet er bekommerd en angstig uit?"

"Zit neder, mijnheer. Hebt gij wel geslapen?"

"Zeer wel, uiterst wel; ik was ook zoo vermoeid."

"En gij hebt niets gezien? Niets?"

"Wat zou ik gezien hebben, mijne lieve Peternelle?"

"Ach, mijn man heeft mij vervaard gemaakt, hij is naar uwe kamer gegaan, heeft het bed ledig gevonden en meende, dat u een schrikkelijk ongeluk moest overkomen zijn."

De jongeling haalde medelijdend de schouders op.

"Waar is Jakob?" vroeg hij.

"Hij is naar u gaan zoeken, op het kasteel, in de velden, in het bosch. Hij zal mij nog van benauwdheid doen sterven met zijne dwaasheden. Daar is uw ontbijt, mijnheer, denk niet meer aan onze gekke vrees."

De jongeling begon de koffie te nuttigen en at langzaam hetbrood en de eieren, die hem waren voorgezet. Zijn geest moest insgelijks door droeve overweging beneveld zijn, want hij onderbrak soms zijn ontbijt, zuchtte en schudde het hoofd met mismoed.

"Gij zijt treurig, mijn goede Willem," bemerkte de vrouw. "En gij zegt nogtans, dat gij wel hebt geslapen?"

"Ja Peternelle," was het antwoord, "ik ben treurig. Dezen morgen, toen ik wakker geworden was, kwamen allerlei pijnlijke gedachten mij bestormen. Ik heb mijne kamer verlaten om onder de opene lucht verkwikking te zoeken, achter het kasteel ligt er een groote boom, die, door den wind uitgerukt, over de gracht gevallen is. Langs daar geraakte ik in de bosschen. Die wandeling heeft mij weemoedig gemaakt.... Geloof gij insgelijks, Peternelle, dat mijn oom overmorgen zal sterven?"

"Eilaas, hij zal sterven!" zuchtte zij.

"En meent gij ook, gelijk Jakob, dat de duivel, of ik weet niet welke bovennatuurlijke oorzaak, daarmede bemoeid is?"

De oude vrouw schudde ontkennend het hoofd.

"Ha, gij gelooft het niet? Gij hebt een gezond verstand, gij Peternelle?" riep de jongeling. "Welnu, wat is uwe gedachte over de onbegrijpelijke ziekte mijns ooms?"

"Mijne gedachte is, dat onze arme meester, door het eeuwig studeeren en zoo gansch opgesloten te leven, zijne zinnen eenigszins heeft gekrenkt. Ik heb het altijd gevreesd, maar mijn man maakt mij zoo vervaard met zijne ijselijke droomen en zijne akelige vertelsels, dat ik zelve niet goed meer weet, of ik nog bij mijn volle verstand ben."

"Arme Peternelle, gij moet niet veel vermaak van uw leven gehad hebben op Wildenborg. Is hier nooit een geneesheer gekomen?"

"Mijnheer Reimond wil van geene dokters hooren spreken, en hij heeft gedreigd ons van Wildenborg te doen verhuizen, indien wij ooit eenen dokter op Wildenborg toelieten."

"Alzoo, Peternelle, gij zijt zeker, dat mijn arme oom gaat sterven, en gij hebt geene de minste hoop meer op de behoudenis zijns levens?"

"Eilaas, niet de minste. De pastoor van het dorp zegt het insgelijks, er is niets aan te doen!"

"Ha, de pastoor komt somwijlen op Wildenborg?"

"Hij komt er dikwijls, hij is de eenige mensch, die tot mijnheer Reimond mag naderen. Zij zijn goede vrienden. Zoohaast de arme menschen in het dorp nood hebben, komt de pastoor op Wildenborg, en onze meester schenkt hem telkens eene milde, zeer milde aalmoes. Ook voor de kerk is mijnheer Reimond vrijgevig, hij heeft eene aanzienlijke somme gelds geschonken, om eenen kelk en een groot kruis van louter zilver tedoen maken. Die kostelijke juweelen versieren op de hoogtijden het autaar, en, wees zeker, er is in twintig uren in het rond niets rijkers of schooners te zien."

"Zonderling!" mompelde Willem, "en uw man gelooft, dat zulk godvruchtig en goedhartig mensch betrekkingen heeft met den duivel!"

"Mijn man is een sukkelaar," antwoordde Peternelle. "Hij was zoo van zijne kindsche dagen af, hij droomt van niets dan van spoken en geesten. Vroeger lachte ik daarmede, en zijne dwaze vertelsels ontstelden mij niet, maar nu word ik oud en vreesachtig, mijn goede Willem. Evenwel, indien gij hier bleeft, zou uw gezelschap mij den verloren moed teruggeven, ik ben er zeker van, ik gevoel mij reeds verjongd en geheel veranderd, sedert gij hier zijt."

Na een oogenblik overweging zeide Willem:

"De pastoor meent insgelijks, dat mijn oom overmorgen zal sterven? Het is niet mogelijk. Dat hij ziek is, dit kan men niet miskennen, maar of hij niet maanden lang nog zal leven, wie zou dit kunnen verzekeren?"

"Het is gemakkelijk te begrijpen," antwoordde de oude vrouw. "Hij is niet ziek, maar hij laat zich zelven sterven van honger."

"Zoo! wat zegt gij daar, Peternelle?"

"De waarheid, zeg ik, Willem. Sedert zes maanden, dat mijnheer zich ingebeeld heeft, dat hij het uur zijns doods kent, is hij begonnen met minder en minder voedsel te nemen. Deze laatste vijftien dagen gebruikte hij niet genoeg om eenen vogel in het leven te houden."

"Maar dit is niet voldoende, om hem juist op een voorzegd oogenblik te doen sterven."

"En het hoofd dan, Willem?"

"Ja, Peternelle," zuchtte de jongeling, "het hoofd, de verbeelding. Zou er dan geen hulpmiddel overblijven?"

"Ik denk het niet: de pastoor zegt, dat wij met verduldigheid ons aan de besluiten van God moeten onderwerpen."

Willem zweeg eene wijl en scheen door de treurnis gansch overmeesterd.

Daar stormde de oude Jakob in de kamer, en vloog met tranen van blijdschap den jongeling aan den hals.

"Den hemel zij dank!" juichte hij. "Ditmaal ten minste heb ik mij bedrogen! Ho, het ware toch te schrikkelijk geweest. Willem, Willem, gij zijt nog levend? Ik voel mij schier bezwijken van blijdschap!"

"Wel, wel, mijn goede Jakob, in uwe eenvoudigheid hebt gij gaan denken, dat de duivel...."

Maar de hovenier onderbrak zijne woorden en zeide met haast:

"Neen, neen, spreken wij daar nu niet van. Het is reeds eenkwart uurs geleden, dat Nox mij in den hof is komen zeggen, dat uw oom op u wacht. Ga spoedig naar het kasteel, hij zou verstoord kunnen zijn."

De jongeling, die niet zonder vreugde aan de dwaasheden van den hovenier ontsnapte, ging ter kamer uit en bevond zich eenige oogenblikken daarna in tegenwoordigheid van zijnen oom. Deze, na eenen hartelijken morgengroet, zocht hem aan zich bij de tafel neder te zetten, legde de hand op het doodshoofd en sprak op ernstigen toon:

"Mijn vriend, ik heb schier den ganschen nacht doorgebracht met den geest over u en over uwe toekomst te raadplegen. Uwe ziel is voor alsnu nog niet sterk genoeg om onmiddellijk in gemeenschap met de wereld der geesten te komen. Wij zullen dus niet nutteloos de proefneming van gisteren voortzetten, maar beloof mij, dat gij, na mijnen overgang tot een ander leven, nieuwe en herhaalde pogingen zult inspannen, om den geest, die in het doodshoofd woont, te zien en te hooren. Gij antwoordt niet, Willem? Weigert gij mij deze belofte?"

"O neen, oom lief, ik zal het pogen, zelfs zonder hoop," stamelde de jongeling.

"De hoop en de overtuiging zullen komen, vriend. Ik zal u het doodshoofd tot erfdeel nalaten. Het is een kostelijker voorwerp dan mijn fortuin. Nu wil ik u onderhouden over eene verrassende openbaring, welke de geest mij dezen nacht heeft gedaan. Willem, om gelukkig te zijn op aarde en uwe ziel vooruit te helpen in den weg naar de volmaaktheid, moet gij zonder uitstel trouwen."

"Trouwen?" herhaalde de jongeling met verbaasdheid.

"Deze gedachte verschrikt u, vriend?"

"Ho, neen, heer oom, maar om te trouwen is er eene bruid noodig, en gij zult bekennen, dat de keus geene onverschillige zaak is?"

"Zeker niet, van deze keus hangt integendeel het geluk des levens af. Wist de mensch slechts in deze gewichtige zaak het goede van het kwade te onderscheiden! Maar zijne stoffelijke zintuigen bedriegen hem zeer dikwijls, en dan moet hij, eeuwen lang misschien, de dwaling van een oogenblik betreuren en er voor boeten. De geest, die in het doodshoofd woont, heeft daarvan eene groote ondervinding. Weet gij wat het huwelijk is, Willem, ten minste wanneer het volgens de ware vereischten wordt gesloten? Het huwelijk is de samenvoeging van twee onvolledige zielen, die elkander bijbrengen wat aan elk hunner ontbreekt. Om klaarder te zijn, zij volledigen elkander en helpen elkander vooruit in de baan van den zedelijken voortgang. Lichaamsschoonheid en geldelijk fortuin doen er niets toe, integendeel, zij zijn meest altijd oorzaken van den beklaaglijkstenmisgreep. De voorwaarde, die men te vervullen heeft, is deze: de inborst der vrouw moet de vollediging zijn der inborst van den man. Zoo moet een zwakke man eene sterke vrouw hebben, een gierigaard eene vrijgevige, een treurder eene blijmoedige, een trotschaard eene nederige, en zoo wederkeerig. Indien men door hinderpalen, welke in het maatschappelijk leven bestaan, niet wederhouden was, zou men altijd en onfeilbaar de vrouw kiezen, die men behoort te hebben tot het volledigen van zijn zedelijk wezen, want er bestaat tusschen de zielen, die elkander betamen, eene geheimzinnige aantrekking, evenals de aantrekking, die deelectriciteitons in de stoffelijke wereld doet ontdekken. De vrouw moet voor den man zijn wat in de natuur depole négatifis tot denpole positif. Begrijpt gij, mijn vriend?"

"Zeker, ik begrijp zeer wel, heer oom," antwoordde Willem met verwondering. "Ik zelf heb meer dan anderen misschien zulke onuitlegbare aantrekking ondervonden."

"Ik twijfel er niet aan," zeide mijnheer Reimond, "maar gij hebt u waarschijnlijk misgrepen. De geest heeft mij veropenbaard waar de eenige ziel is, die u gelukkig maken en u vooruit helpen kan naar de eindelijke volmaaktheid. Het is uwe nicht Theresia De Wit."

"Mijne nicht Theresia De Wit?" kreet Willem met eene uitdrukking van afkeer.

"Gij kent haar immers niet?"

"Neen, heer oom, ik heb haar nooit gezien."

"Des te beter."

"Ik zou mij toch eerst moeten kunnen overtuigen, dat zij wel de ziel is, die mijne ziel...." stamelde Willem op angstigen toon.

"De geest kent haar, hij bevestigt, dat zij alleen het geluk uws levens en het geluk uwer reis door de eeuwigheid kan verzekeren."

"Maar, oom lief, een huwelijk? Dit gaat zoo niet!"

"Ja, wel, het moet zoo gaan."

Het hoofd met eene soort van gekwetste fierheid oprichtende, vroeg de jongeling:

"En indien ik weigerde mij dus eene onbekende vrouw te laten opdringen?"

"Ik zou voor uw geluk zorgen, zelfs tegen uwen dank, Willem, en u dwingen den raad en den wil van den geest te volgen en te volbrengen. Het middel is eenvoudig, ik zou mijn testament veranderen en er in schrijven, dat gij en Theresia De Wit slechts mijne erfgenamen kunt worden, nadat uw huwelijk voltrokken zij. Intusschen zou het bureel van weldadigheid mijne goederen beheeren en ze behouden, totdat gij u beiden aan uweware bestemming zoudt hebben onderworpen. Overweeg en wedersta den geest niet nutteloos: zijne uitspraak is onveranderlijk!"

Willem liet het hoofd op de borst vallen en bleef zwijgend. Hij overwoog met snelheid zijnen neteligen toestand en de zonderlinge gril, waarvan men hem het slachtoffer wilde maken. Zijn oom had hem gisteren gezegd, dat hij den geest zou raadplegen over een middel om de goederen, die tot Wildenborg behoorden, onverdeeld te laten. Dat huwelijk was dus het gevonden middel. Het werd hem klaarblijkend, dat de geest niemand anders was dan zijn oom zelf, en dat deze in zijne krankzinnigheid het doodshoofd alles deed zeggen, wat hij verlangde te hooren. Er ontstond in het gemoed des jongelings nog eene hoop: hij zou pogen de beslissing zijns ooms met dezelfde wapens te bestrijden. Hij hoefde tot geene leugens zijne toevlucht te nemen, wat hij in zijn leven had ontmoet, geleek sterk genoeg naar de geheimzinnige aantrekking van twee zielen, meende hij, om dit tegen zijn huwelijk met Theresia De Wit te doen gelden.

"Worstel niet langer, aanvaard uw lot," morde mijnheer Reimond, ontevreden over het lange stilzwijgen van zijnen neef. "Uw erfdeel verliezen of u onderwerpen!"

"Ik zal niet worstelen, ik zal mij onderwerpen," antwoordde Willem, "indien gij mij toelaat, u de redenen mijner aarzeling te verklaren. Blijft gij, heer oom—of de geest—bij uwe beslissing, het zij zoo, ik zal denken, dat Theresia De Wit waarlijk bestemd is om mij gelukkig te maken."

"Ik luister," zeide mijnheer Reimond.

"Maar, oom lief, het is tamelijk lang. Zult gij mij met welwillendheid en geduld aanhooren?"

"Spreek, wij hebben tijds genoeg."

"Welnu, mijn goede oom, gij zult zien, dat ik niet tot heden hoefde te wachten, om door de geheime aantrekking der zielen beheerscht te worden.... Ik was schier nog een kind, en mijne moeder leefde nog. Eens vergezelde ik haar naar een voorgeborcht van Brussel, waar zij eene oude vriendin had. Dewijl ik alsdan de hoofdstad voor de eerste maal zag, wandelden wij tot 's avonds laat door de meest bevolkte straten, ik keek mij blind en dwaas op al de pracht en al den rijkdom, die in de magazijnen en winkels uitgestald lagen. Des anderen daags was mijne moeder onpasselijk van vermoeidheid. Het was de feestdag van Onze-Lieve-Vrouw, ik zou alleen ter kerke gaan en mocht, na de mis tot op den noen, met wandelen in het voorgeborcht mij vermaken. De lucht was wonderzuiver en de zon ongewoon glansrijk. Waarschijnlijk hadden de invloed van het schoone weder, het gevoel van vrijheid, of de schitterende dingen, die ik had gezien, op mijnen geest eenen diepen indruk uitgeoefend.Ik kende mij zelven niet meer, het hart klopte mij in den boezem, ik hijgde met machtige ademhalingen, mij dacht, ik was groot en sterk geworden te midden eener natuur, wier pracht en glans mij verbaasden. Eensklaps hoorde ik muziek en zag de burgers naar de voornaamste straat van het voorgeborcht loopen. Ik volgde hen, en op het oogenblik dat ik den hoek der zijstraat bereikte, naderde daar de processie ter eere van Onze-Lieve-Vrouw. O, wat scheen mij dit alles schoon en wonderbaar! Niet alleen de gouden vanen en de zilveren lantaarnen, welke het zonnelicht deed fonkelen, maar er waren wel tweehonderd kinderen in de processie, gekleed als engeltjes met vlerken, als maagdekens met bloemen gekroond, als pelgrims met kalebas en staf, als heiligen, als priesters, als kardinalen.—Terwijl ik, om zoo te zeggen, mijnen adem wederhield om niets van het verrukkend schouwspel te verliezen, zag ik in de verte al eene schaar hemelsche geesten opdagen, het waren jonge meisjes, iets grooter dan de andere kinderen. Zij waren gansch omhuld in sneeuwige tul of kant, en hun wazen sluier, lichter nog dan de lucht, vlotte op den onvoelbaren wind. Elk hunner droeg eene soort van staf, waarop in het Latijn een woord uit de litanie van Onze-Lieve-Vrouw blikkerde. Waarlijk, mijn getroffen verbeelding deed ze mij aanzien voor zoovele engelenhoofdjes, drijvend op witte, vlokkige wolken, tusschen welke de schoonste starren des hemels heenblikkerden. Toen deze schaar mij naderde, bemerkte ik wel, dat ik mij had bedrogen en al deze engelen slechts meisjes waren, kinderen als de andere, die mij reeds waren voorbijgegaan. De begoocheling mijner zinnen hield slechts stand voor eene enkele. Zij droog eenen gulden staf met de woordenRosa mystica,geheimzinnige Roos. Dit was, dacht mij, geen menschelijk wezen, zoo bovennatuurlijk schoon, zoo vreemd, zoo onbegrijpelijk! Met neergeslagen oogen over den grond glijdend, zonder dat eene enkele beweging een stoffelijk lichaam onder den kanten sluier kwame verraden! Wat mij geschiedde, is mij nu nog onbekend: ik beefde van bewondering, nauwelijks kon ik ademhalen, het was als wilde mijne ziel mij verlaten om den engel te gemoet te vliegen....Rosa mystica, als hadde zij de verborgene stem mijner ziel gehoord, hief het hoofd op, toen zij mij voorbijdreef, en sloeg in mijne oogen eenen stillen, diepen blik, die de kloppingen mijns harten onderbrak en mij terzelfder tijd met eenen onuitlegbaren schrik en met eene eindelooze blijdschap vervulde.... De processie was reeds verre, toen ik uit mijne dwaalzinnigheid ontwaakte. Door eene onbewuste kracht gedreven, en snakkend om het hemelsch verschijnsel nog eens te aanschouwen, liep ik al het volk vooruit en bereikte juist de kerkdeur op het oogenblik, dat de eerste standaard zich nog boog om er onder door te gaan. Ik zag deRosamysticanog eens, en zij ook hief weder haren blik tot mij op. Zij scheen verrast over mijne uiterste verbaasdheid, doch glimlachte zoo zoet, dat het mij scheen, dat ik het hart mij in den jagenden boezem voelde wegsmelten. Hopende voor de derde maal haar te zien, bleef ik bij de kerkdeur staan. Al degenen, die de processie hadden vergezeld, kwamen er opvolgend uit.Rosa mysticaalleen verscheen niet weder, en eindelijk werd de deur des tempels gesloten. Voor mijn ontsteld gemoed was dit een ontegensprekelijk bewijs, dat ik mij niet had bedrogen. De engel, die zulken broederlijken glimlach mij had gegund, was terug naar den hemel!"

"Verwonderlijk inderdaad!" murmelde mijnheer Reimond, "Het was misschien de ziel van een kind, dat vroeger nog op dezelfde wijze in de processie had gegaan, en waaraan God had toegelaten, in zichtbaren vorm eene geliefde plechtigheid bij te wonen. De Rosa mystica ware dus geen engel geweest, maar een der geesten, die in de lucht op een nieuw leven wachten."

"Voor mij zou deze zaak geheimzinnig en onuitlegbaar gebleven zijn, heer oom, hadde ik haar later niet wedergezien onder eene andere dan eene engelengedaante."

"Gij hebt haar wedergezien?" vroeg mijnheer Reimond met aangejaagde nieuwsgierigheid. "Uwe geschiedenis boezemt mij veel belang in. Ga voort, ik bid u."

"Gij zult het wellicht niet gelooven, heer oom, maar dit eenvoudig voorval heeft eenen grooten invloed op mijne inborst en op mijn leven uitgeoefend. Van dan af werd ik eenzaam en droomend, altijd waarde het zoet verschijnsel voor mijne oogen, en glansde in licht en in duisternis de onvergetelijke glimlach mij tegen. Ik werd godvruchtig bovenmate, en zoodanig tot het gebed geneigd, dat mijne moeder, uit vrees voor het verlies mijner gezondheid, deze ziekelijke ontheffing des geestes meende te moeten bestrijden. Welke was mijne beweegreden? Hoopte ik nader tot den engel te komen door mij geheel aan den dienst des Heeren toe te wijden? Ik weet het niet.—Met de jaren verzwakte toch deze herinnering, en de dood mijner goede moeder, waardoor ik alleen in de wereld bleef, bracht veel bij om mij andere gepeinzen te geven. Zoo bereikte ik den ouderdom van achttien jaar, ik dacht nooit meer aan den engel, dan op die zeldzame oogenblikken, wanneer de ziel als het ware terugkeert in het leven, en wij droomend ons verleden zich als een tooverdoek voor onze oogen zien ontrollen. Het is omtrent dien tijd, dat ik klerk werd bij mijnen eersten meester. Op eenen Zondag vergezelde ik hem naar het dorp Hemixem, waar hij familie had. Ik was alleen tot op den oever der Schelde gewandeld, en stond zonder doel naar de stoomboot van Temsche te kijken, die de kaai naderde om eenige reizigers af te zetten en er andere op te nemen. Daarontvliegt mij een doffe schreeuw, ik staar bevend op eene jonge juffer, die van achter het beschot der boot met wijdgeopende oogen mij verwonderd aanziet. Het was deRosa mystica, eenen anderen naam wist mijn geheugen haar niet te geven. Zij was het! Hadden mijne oogen haar niet herkend, de onstuimige sprongen mijns harten hadden mij er van overtuigd. Terwijl ik daar stond als in een steenen beeld veranderd, gaf de dampklok het sein, de stoomboot bewoog hare raderen en het verschijnsel werd mij voor de tweede maal ontvoerd.—Deze ontmoeting leende natuurlijk nieuwe kracht aan de bijna uitgewischte herinnering, en ik moet bekennen, dat na dien dag allengs iets min bovennatuurlijks zich mengde in de onbegrepene neiging, welke ik voor .... voor deRosa mysticagevoelde. Zij kwam mij niet meer voor als een engel, zij was eene juffer, eene jonge maagd, een aardsch wezen als ik. Weder bleef ik twee jaren zonder haar terug te zien, en weder had ik schier de ontmoeting vergeten, toen ik, op den ijzeren weg zijnde, haar herkende op den tocht, die in de statie van Contich ons voorbijreed.... Veel later zag ik zo eens te Mechelen, tusschen het volk, dat zich verdrong om den prachtigen ommegang van Onze-Lieve-Vrouw van Hanswijk te bewonderen. Ik woelde door de menigte naar de plaats, waar ze stond, doch ontwaarde haar niet meer, ik doorliep markten en straten tot den laten avond, doch vruchteloos.... Nu ongeveer twee maanden geleden, van Waalhem naar Mechelen gaande, om eene boodschap van mijnen meester te volbrengen, hoor ik achter mij een verwittigend zweepgeklets en het gedaver van snel rollende wielen, ik loop terzijde van den weg en keer mij om. Daar zie ik deRosa mysticamet eene oude dame en twee jongere juffrouwen in eene opene koets zitten, in eene rijke heerenkoets! Zij, in het voorbijrijden, groet mij stil en ingetogen, doch met minzaamheid, dunkt mij. Ik, door een gevoel van droefheid aangegrepen bij het gepeins, dat zij tot eene rijke familie behoort, neem den hoed werktuiglijk af, wanneer zij reeds voor mijne oogen onzichtbaar is geworden.... Erken, oom lief, dat dit alles buitengewoon is, dat er iets moet zijn, dat ons immer na lange scheiding weder op dezelfde plaats brengt, opdat wij elkander niet zouden vergeten. Daarenboven, dat eene geheimzinnige macht, een verborgen wil, ons belet elkander te naderen of elkander aan te spreken, voordat het vastgestelde uur zij geslagen?"


Back to IndexNext