V.

"Inderdaad, gij zijt beiden onder eenen invloed, die bovennatuurlijk schijnt," bemerkte mijnheer Reimond, "maar het kan wel een toevallige samenloop van omstandigheden zijn. Eindigt daar uwe geschiedenis?"

"Ho, neen, heer oom, ware het zoo, ik zou het der moeiteniet waard hebben geacht, om uwe welwillende aandacht zoo lang te misbruiken."

"Gij hebt haar diensvolgens nog gezien?"

"Ja, en met haar gesproken; gij zult het gaan hooren. Eergisteren zegt mijn meester, dat hij naar naar het kasteel van Everdaal moest rijden, om er met de gravin De Bernavaux te spreken, en dat ik hem zal vergezellen. Op het kasteel aangekomen, treedt mijn meester in eene zaal met de gravin, en geeft mij vrijheid om in de dreve en in den tuin te wandelen, totdat hij mij doe roepen. Ik dwaal schier een half uur onder het hooge geboomte en nader tot eenen muur, waarachter ik juichende stemmen hoor van jonge meisjes of van kinderen, die zingen en spelen en lachen. Eéne stem is er, die mij wonderzoet en blijmoedig schijnt; hare galmen betooveren en ontroeren mij; maar daar springen van achter den muur drie juffrouwen, en, door mijne tegenwoordigheid verrast, bekijken zij mij ondervragend. Ik, gansch buiten mij zelven, en niet wetende wat ik doe, hef de armen in de hoogte en roep uit: "Rosa mystica!" Zij was het! Beschaamd over mijne vermetelheid, blijf ik haar zwijgend aanschouwen. Zij insgelijks wordt rood.—"O, hemel, mijnheer," murmelt zij, "reeds twaalf jaar, en gij hebt het niet vergeten?"—"En gij, juffrouw?" verstout ik mij te vragen.—"En ik ook niet," antwoordt zij verbaasd. "Het is een onuitlegbaar raadsel!" Op dit oogenblik trad de gravin, door mijnen meester gevolgd, uit het kasteel. "Flora, Flora!" riep mevrouw De Bernavaux, "kom haastig hier, ik heb u noodig!"—Zij heet dus Flora? Op mijne vraag of Flora hunne zuster was, zeiden de jonge juffrouwen mij, dat Flora als gezelschapsjuffer op het kasteel woont. Mijn meester wilde onmiddellijk vertrekken; ik moest gehoorzamen. Onderweg maakte ik allerlei ontwerpen. Nu wist ik waar zij woonde, de maagd, wier herinnering en beeld mijn gansche leven hadden beheerscht. Zij was niet rijk, ten minste niet genoeg om mij alle hoop op een huwelijk met haar te ontzeggen. Ja, ja, het gepeins aan een huwelijk ontstond gansch klaar en volledig in mijnen geest. Zij insgelijks had twaalf jaar mijne herinnering behouden. Het was eene bekentenis, en ik had de overtuiging dat sedert onze kindsheid er een geheimzinnige band tusschen onze zielen had bestaan, en God zelf ons voor elkander had bestemd. Mijn voornemen was, dit alles aan mijnen meester te openbaren en zijne edelmoedige hulp in te roepen; maar toen wij ten zijnen huize afstapten, vond ik uwen brief, die mij naar Wildenborg riep. Ik ben onmiddellijk vertrokken."

Er heerschte eene wijl stilte, gedurende welke mijnheer Reimond het hoofd schudde en tegen een lastig gepeins scheen te worstelen.

"Niet waar, oom lief," zeide Willem, "indien er ooit eene aantrekking tusschen twee zielen bestond, dan is het tusschen Flora en mij geweest? Gij zult deze bovennatuurlijke stem niet willen miskennen, en mij niet dwingen tot een huwelijk met mijne nicht Theresia De Wit, die ik niet ken en niet kan beminnen?"

"Gij laat u door uwe verbeelding misleiden," antwoordde mijnheer Reimond op strengen toon, "en, zooals de meesten doen, begrijpt gij de zaken op de wijze, die met uwe voorbestaande wenschen overeenkomt. Wat is er dan toch zoo wonderlijks in deze geschieden? Gij ziet eens een jong meisje, dat eenigen indruk op u uitoefent. Op twaalf jaar tijds ontmoet gij ze nog drie of vier keeren. Weet gij wat er wonder is? Dat gij ze niet honderdmaal hebt ontmoet."

Een zucht ontsnapte Willem bij deze koele uitlegging zijns ooms. Mijnheer Reimond wist de voorvallen wel zonder begoocheling te beschouwen, wanneer het zijne eigene grillen niet gold. De arme jongen had diensvolgens zijn doel niet bereikt. Zijn oom liet hem den tijd niet om daaraan te twijfelen, dewijl hij nu zeide:

"Gij moet trouwen met Theresia De Wit. De geest van het doodshoofd heeft het bevolen: zijne uitspraak is een onherroepelijk vonnis."

"Maar, mijn lieve oom," kreet Willem met wanhoop, "gij zult mij toch niet zoo onmeedoogend tot een gansch leven van treurnis veroordeelen!"

"Integendeel, gij zijt het zelf die uw geluk wilt verbrijzelen, niet alleen voor dit tegenwoordig leven, maar voor vele toekomstige levens. Verkiest gij naar de hand van die Flora te staan en uwe ziel, duizend jaar verre misschien, in de baan der eeuwigheid achteruit te drijven, gij zijt vrij. Ik van mijnen kant ken mijnen plicht, en ik zal hem volbrengen. Laat hooren, onderwerpt gij u aan de wil der geesten of niet? Ik wacht een antwoord. Gij zwijgt, Willem? Het is dus eene weigering?"

De genster van een plotselijk gepeins lichtte eensklaps in des jongelings oogen.

"Oom, mag ik mijne beslissing uitstellen tot morgen?" vroeg hij.

"Tot morgenavond, indien gij het verlangt."

"Ik dank u; misschien zal dezen nacht de geest, uit medelijden met mij, u eene edelmoedige inspraak geven."

"Hoop het niet, mijn vriend, en martel u zelven niet door eene vruchtelooze worsteling tegen iets, dat onveranderlijk moet blijven."

"Ach, misschien zal ik de noodige kracht tot de onderwerping vinden."

"Het zal mij grootelijks verblijden; want ik bemin u, Willem. Ondanks de betrekkelijke onvolledigheid uwer ziel zijt gij een goede, brave jongen; en ik zou uw geluk willen verzekerd zien, vooraleer ik opvaar tot een nieuw leven."

"Gij blijft dus altijd bij de schrikkelijke gedachte, dat gij gaat sterven?"

"Overmorgen, den 31stenAugustus."

"En indien gij bij geval den 1stenSeptember nog leefdet? Zoudt gij dan niet bekennen, dat de geest u heeft bedrogen? Zoudt gij mij dan nog met mijne nicht willen doen trouwen?"

"Ho, hoe zou ik het betreuren! sterven van schaamte en van smart!" zuchtte mijnheer Reimond met eene soort van afgrijzen. "Wat! mijn gansche leven zou eene krankzinnigheid geweest zijn? Die hooge wetenschap eene ijlhoofdigheid? De geesten schimmen, door mijne zieke hersens geschapen? Zwijg daarvan, Willem; gij doet mij ijskoud worden van schrik. Gelukkig dat gij dwaalt. Mijn dood op het vastgestelde uur zal van het bestaan der geesten en van de waarheid hunner leering getuigenis geven!"

De ontmoedigde jongeling zag eene korte wijl zijnen oom met verslagenheid aan; doch hij stond welhaast recht en, knikkende, als bevestigde hij zich zelven in een genomen besluit, zeide hij:

"Heer oom, toen ik naar Wildenborg kwam, liet ik mijn reispak te Hasselt. Ik heb hier geen linnen, en mij ontbreken vele noodige dingen. Indien gij de goedheid hadt, mij het toe te laten, zou ik gaarne over en weder naar Hasselt rijden, om mijnen koffer te halen."

"Gij zult morgen terug zijn?"

"Ja, heer oom."

"Welnu, reis naar Hasselt. Ik was toch voornemens, dezen ganschen dag alleen te blijven. Mijn tijd wordt kort; ik moet lang met den geest spreken en schikkingen nemen voor mijn vertrek naar de wereld der zielen. Ga, mijn vriend, en bedroef u niet door eene vruchtelooze worsteling tegen de uitspraak des geestes. Theresia De Wit zal uwe bruid zijn, of uwe dwalende ziel het wille of niet!"

De jongeling drukte zwijgend de hand zijns ooms en verliet de zaal onder het murmelen van een treurig vaarwel.

Hij vond de vrouw des hoveniers op den dorpel harer deur en zeide haar:

"Peternelle, ik ga naar Hasselt, en verder nog, indien het moet zijn. Ik wil weten, of er geen hoegenaamd middel bestaat, om mijnen oom te genezen of ten minste zijn leven te verlengen. Denk eens, hij wil, dat ik onmiddellijk trouwe met mijne nicht!"

"Met Theresia De Wit?" kreet Peternelle verschrikt.

"Ja; zeg daar niets van aan uwen man; ik ga naar Hasselt om mijnen koffer te halen. Vaarwel tot morgen."

Eenige oogenblikken daarna stapte Willem door de dreve, om de baan te bereiken, die over de heide naar den steenweg van Hasselt liep.

Bij een schoon en zonnig weder stapten twee vrouwen over de heide. Zij waren voorafgegaan door een boer, die eene kleine reismaal op den schouder droeg.

Eene der vrouwen was eene jonge juffer, wier zachtvervig zomerkleedsel, eenvoudig doch smaakvol, de onbenevelde blijheid van een zuiver maagdelijk gemoed scheen te verkondigen.

Ze had blonde haren, die boven haar voorhoofd in eene kunstmatige verwarring tot eene soort van top waren gekrinkeld; daaronder glinsterden als blauwe parelen hare kleine, doch ongemeen beweegbare oogen. Op hare lippen speelde bestendig een stille, teedere glimlach, als beschouwde zij de oorspronkelijke natuur, die haar omringde, met vreugde des harten en met liefde.

Alhoewel er nog iets onbedwongens, iets kinderlijks in gansch haar opzicht was, getuigde evenwel de snelheid van haren blik en de vastheid harer gebaren, dat het dezer bevallige jonge maagd noch aan gemoedssterkte noch aan helderheid des geestes kon ontbreken.

Gedurende zeer langen tijd scheen zij de tegenwoordigheid van hare gezellin en van haren leidsman te vergeten. Vroolijk en nieuwsgierig sprong zij over de heide, om eene haar onbekende bloem te gaan plukken, of huppelde eenen vlinder achterna, of sprak juichend tot zich zelve, of lachte of zong met luider stemme, als dwong de overvloed van kracht en leven haar tot onophoudende beweging. Wanneer zij dan bemerkte, dat zij verre achteruitgebleven was, nam zij hare vlucht en liep, snel en licht als eene hinde, totdat zij haar gezelschap was genaderd. De andere vrouw was ongetwijfeld eene dienstmeid; zij droeg aan elke hand eene groote kartonnen doos en scheen vermoeid. Alhoewel zij den boer van dichtbij volgde, had zij hem nog niet eens het woord toegestuurd.

Toen de jonge juffer in de verte den donkeren klomp derbosschen uit de naakte heide zag opdagen, kwam zij terzijde van den boer en vroeg:

"He! jongen, zeg mij, ik bid u, wat is dat ginder? Het gelijkt naar eenen zwarten berg."

"Dat? Het is Wildenborg," was het antwoord.

"Ha, daar woont mijnheer Reimond?—In dat duister bosch?"

"In het diepste van het bosch."

"Gij kent mijnheer Reimond, niet waar?"

"Neen, mejuffer."

"Gij ziet hem toch dikwijls, vermits gij van het dorp zijt?"

"Ik heb hem nooit gezien, mejuffer; en ik hoop, dat God mij zal toelaten, hem nooit te ontmoeten."

Deze woorden, op eenen zonderlingen toon gesproken, verwonderden het meisje.

"Wat wilt gij zeggen?" vroeg zij. "Ik begrijp u niet. Zijt gij vervaard van mijnheer Reimond?"

"Iedereen is van hem vervaard."

"Waarom? Is hij boos? Doet hij den lieden kwaad?"

"Integendeel, men zegt, dat hij veel goed doet aan de armen."

"Wat vreemde dingen zijn dit?" riep de maagd lachend uit. "Gij kent hem niet, hij is een goed mensch; en gij hoopt hem nimmer te ontmoeten? Verklaar mij toch dit onverstaanbaar raadsel."

"Beware ons God!" zuchtte de meid. "Ik begrijp het wel: er zijn dieven, struikroovers in dit leelijk bosch, en mijnheer Reimond is misschien het hoofd der bende!"

"Kom, Isabel, gij zijt zinneloos," spotte het meisje. "Mijn oom een struikroover! Waar zijn uwe gedachten?"

"Ja, mejuffer, gij kent uwen oom ook niet," zeide de meid. "Ik heb eens een boek hooren lezen van eenen kapitein der struikroovers, die de rijke lieden uitplunderde om de arme menschen te kunnen helpen. Wat gebeurd is, kan nog gebeuren. Hadde ik geweten dat wij, dus verre van alle dorpen en huizen, door een donker bosch zouden moeten gaan, ik ware zeker te huis gebleven."

"Welnu, mijn jongen," vroeg het meisje, "waarom vreest men mijnheer Reimond? Spreek niet met halve woorden. Gij zult mij verplichten; ik heb redenen om te weten, hoe de zaken op Wildenborg staan. Gij aarzelt? Het is dus wel schrikkelijk?"

"Ja, ja, mejuffer, zoo schrikkelijk, dat ik het niet durf zeggen!" zuchtte de jonge boer met eene uitdrukking van diepe benauwdheid.

"Ach, gij maakt mij angstig met uwe achterhoudendheid," kreet de maagd. "Spreek klaar, ik verzoek het u, ik zal er u dankbaar voor zijn!"

De jonge boer scheen door de zoete bede van hetmeisje overwonnen; zijne stem bedwingende, antwoordde hij:

"Mejuffer, het kasteel van Wildenborg is vol geesten en spoken. Volgens dat de lieden zeggen, gebeuren daar ijselijke dingen, die een Christenmensen niet kan bijwonen, zonder zijne zaligheid te verliezen."

De beide vrouwen zagen hem verbaasd aan.

"Maar wat heeft dit kindervertelsel gemeen met mijnheer Reimond?" morde de juffer.

"Kindervertelsel!" herhaalde de boer. "Vraag het aan de oudste en verstandigste lieden des dorps, en zij zullen getuigen, dat het waarheid is."

"Vermits gij vervaard zijt van mijnheer Reimond, beeldt gij u misschien in, dat hij zelf een spook is?" schertste de maagd.

"Erger, veel erger," murmelde de boer.

"Hij is een toovenaar en gaat met den duivel om."

Een schaterlach onderbrak zijne woorden; zoowel de meid als de juffer spotten luidruchtig met de verrassende uitlegging.

De boer aanschouwde hen met wijd geopende oogen. Het scheen hem eene ongehoorde zaak, dat vrouwen zoo ongeloovig konden zijn, en konden lachen met zulke ernstige dingen. Hij merkte wel aan de medelijdende uitdrukking der juffer, dat zij hem voor eenen onnoozele of voor eenen domkop aanzag. Dit kwetste hem.

"Ja, mejuffer," zeide hij op vinnigen toon, "de lieden uit de stad meenen, dat zij alles beter weten dan de buitenmenschen; maar het spreekwoord zegt: hij lacht het beste, die lacht ten leste. Gij gaat naar het kasteel van Wildenborg: vóórdat het avond is, zult gij misschien deze reis en uwe ongeloovigheid betreuren."

"Is er iemand kwaad geschied op Wildenborg?" vroeg het meisje.

"Niemand nadert het kasteel," was het antwoord.

"En hoe kan men dan weten, wat er gebeurt?"

"Iedereen weet het."

Het meisje zag wel dat er uit den bijgeloovigen jongen geene gegronde reden te bekomen was. Zij haalde grimlachend de schouders op en bleef achter, om in zich zelve over deze wonderlijke inlichtingen na te denken.

Zoo gerust was de meid niet, alhoewel die geschiedenis van duivels en van geesten haar weinig had ontsteld. Hare bekommerdheid had eene andere oorzaak. Zij zweeg, totdat men het bosch genaderd was en zij van dichtbij het ondoordringbaar geboomte zag, in welks donkeren schoot het voetpad als in eenen afgrond scheen weg te duiken. Dan naderde zij meer tot den boer en vroeg met doffe stemme:

"Vriend, zeg mij oprecht, wonen er geene binders of dieven in dit bosch? Heeft men er nog geene menschen vermoord gevonden?"

"Ja wel," antwoordde hij, "ginder, op een honderdtal stappen van hier, staat een steenen kruis. Daar heeft men eene vrouw vermoord, die van de kerke kwam."

Een luide angstkreet ontvloog de meid. Zij verbleekte van schrik en zuchtte bevend:

"O, mijn God! wat zegt gij daar? eene vrouw vermoord? Ik keer terug; voor al het geld der wereld zet ik geenen voet in dit bosch!"

"Welnu, wat hebt gij, Isabel? Waarom blijft gij staan?" vroeg het meisje.

"Mejuffer," antwoordde de meid, "dit bosch is een kuil vol struikroovers en binders. De geschiedenissen van duivels en spoken hebben zij uitgevonden, om de lieden verwijderd te houden en den eenzamen reiziger in vrijheid te kunnen vermoorden. Laatst nog hebben zij, op honderd stappen van hier, eene ongelukkige vrouw gedood.... Neen, neen, zeg wat gij wilt, ik sterve nog liever hier op de heide, onder den blooten hemel, dan in dit donker bosch mij aan de wreedheid der bloedzuchtige dieven te gaan leveren."

"Gij hebt ongelijk, vrouw," zeide de boer, "het steenen kruis staat daar reeds meer dan honderd jaar. Sedert dan heeft men niet meer gehoord, dat iemand in het bosch is aangerand of mishandeld geworden."

De ontstelde meid wilde noch naar raad noch naar geruststellingen luisteren. Het scheen haar zelfs te verbitteren, dat de juffer met hare vervaardheid lachte; en zij had reeds de kartonnen doozen ten gronde gezet, om in het voetpad terug te gaan, toen de jonge boer eensklaps met blijdschap uitriep:

"Ha, daar komt mijnheer pastoor! Hij zal met ons door het bosch gaan, want hij begeeft zich naar het dorp. Nu is er niets meer te vreezen!"

De verschijning van den geestelijke deed hetzelfde uitwerksel op de meid; zij nam de doozen weder op en toonde zich bereid om in gezelschap van den priester de reis voort te zetten.

De pastoor, die nevens den boord van het bosch kwam aangestapt om het voetpad te bereiken, was een reeds bejaarde man met grijze haren. Hij volgde zijnen weg met gebogen hoofde en denkend; en hij bemerkte de lieden, die op hem wachtten, slechts op het oogenblik, dat hun eerbiedige groet zijne ooren trof.

"Goeden dag, mijne kinderen," zeide hij. "Het is zeer heet op de heide; maar vermits gij door het bosch schijnt te willen gaan, zult gij daar lommer en verfrissching vinden."

Intusschen bezag hij met bijzondere aandacht en alsvragend de jonge juffer, die hem dankbaar toelachte.

"Mijnheer pastoor," sprak zij op zoeten toon, "wij zijn een beetje vervaard. Zult gij het kwalijk nemen, dat wij een eind weegs met u gaan?"

"In het geheel niet, mijn kind," antwoordde de pastoor. "Het zal mij zelfs verheugen, met u eenige woorden in het bijzonder te kunnen spreken. Indien ik mij niet bedrieg, ken ik u sedert lang."

"Gij zoudt mij kennen, eerwaarde? Het schijnt mij onmogelijk: ik weet niet, dat ik ooit van mijn leven de eer had u te zien."

"Uw naam is Theresia De Wit?"

"Inderdaad!" murmelde het meisje verwonderd.

Onderwijl was men in het bosch getreden.

De priester vertraagde zijnen stap, om den boer en de meid te laten vooruitgaan; en dewijl de juffer zijn inzicht merkte, bleef zij aan zijne zijde.

"Mijn voorgevoel had mij dus niet bedrogen," zeide hij. "Uwe moeder was de zuster van mijnheer Reimonds echtgenoote, en gij heet Theresia De Wit?"

"Ja, mijnheer pastoor, hoe kunt gij toch dit alles zoo nauwkeurig weten!"

"Het is, mejuffer, omdat ik in deze laatste tijden meer dan eens met uwen oom over u heb gesproken, en wist, dat hij u naar Wildenborg zou roepen. Gij kent uwen oom niet persoonlijk!"

"Ik herinner mij slechts, dat, toen ik een kind van drie of vier jaar was, er dikwijls een hoogstaltige heer ten onzent kwam, die mij streelde en mij speelgoed en lekkers gaf. Die man was mijn oom. Ik heb altijd dankbaar aan hem gedacht; mijn vader zaliger, tot den dag zijns doods, sprak mij onophoudend van hem."

"Uw oom schijnt tegen uwe ouders te zijn verbitterd geweest, bovenal tegen uwen vader; hij meent, dat uw vader hem haatte. Hij moet zelfs zijne vijandschap door daden bewezen hebben."

"Ach, eerwaarde," riep de maagd, "het is een beklaaglijke misgreep van mijnen oom. Mijn vader had meer vriendschap voor hem dan iemand anders. In deze zaak werd mijn vader het slachtoffer zijner verkleefdheid. Hij heeft het mij dikwijls genoeg met tranen in de oogen verteld. Gij moet weten, mijnheer pastoor, in dien tijd hield mijnheer Reimond zich bezig met verborgene wetenschappen, met magnetismus, met draaiende tafels en sprekende geesten. Hij droomde van niets anders dan van onmogelijke dingen, en beeldde zich in, dat de mensch middelen kan ontdekken om, evenals God zelf, de wetten der natuur te veranderen en mirakelen te doen. Dit hebben mijne ouders mij gezegd. Mijn vader, die een verstandig man was,bemerkte welhaast, dat een hoop bedriegers mijnen goeden oom omringden en hem in zijne dwalingen versterkten, om hem op allerlei wijzen het slachtoffer hunner hebzucht te maken. Zijne pogingen om hem daarover de oogen te openen, bleven vruchteloos. Mijnheer Reimond had alsdan eenen knecht of liever eenen vertrouweling, die vroeger hovenier was geweest bij zijne ouders. Mijn vader meende, dat deze knecht de voorname oorzaak was van de verblindheid zijns meesters, en hij deed lang moeite om hem door mijnen oom terug naar Limburg te doen zenden. Dit gelukte hem zoo weinig, dat de knecht bij mijnheer Reimond bleef wonen, en mijne ouders van dan af mijnen oom nooit meer hebben mogen zien."

"Die knecht heette Jakob Mispels, niet waar?"

"Hebt gij hem insgelijks gekend, eerwaarde?" vroeg het meisje met verwondering.

"Ik ken hem nog, mijn kind: hij woont op Wildenborg en hij is de hovenier des kasteels. Een zeer eenvoudig en onwetend man is hij; maar dat hij schuld hebbe aan de vreemde gedachten uws ooms, dit schijnt mij twijfelachtig."

"Het kan zijn, mijnheer pastoor, dat mijn vader zich hebbe misgrepen: maar zijn inzicht ten minste was oprecht. Hij kende mijnheer Reimond sedert zijne kindsheid, en hij was in staat om te oordeelen over de eerste oorzaken der gevaarlijke richting zijns geestes. Mijn oom was in de eenzaamheid dezer streek, om zoo te zeggen, door Jakob Mispels opgevoed geworden. Van den avond tot den morgen had de hovenier met het kind gespeeld, en dus eenen grooten invloed op zijn wordend verstand uitgeoefend. Volgens dat mijn vader zeide, was er op de wereld geen bijgelooviger mensch dan deze Jakob Mispels, en hij had het hoofd van mijnen oom zoo vol gestoken met allerlei vertelsels van spoken en geesten, dat het kind op zijn twaalfde jaar zelfs bij klaren dag geen oogenblik meer alleen dorst blijven. Moest zijn gezelschap niet hoogst schadelijk zijn voor mijnheer Reimond, en had mijn vader, die vreesde, dat het verstand mijns ooms met verzwakking of met verdwaling was bedreigd, geene redenen om de verwijdering van Jakob Mispels te wenschen?"

De pastoor scheen na te denken over de woorden der juffer en knikte bevestigend met het hoofd.

"Het is mogelijk, inderdaad," zeide hij, "dat de tegenwoordige geestestoestand van mijnheer Reimond slechts eene wijziging van de denkbeelden zijner kindsheid zij. Wonder toch, te moeten gelooven, dat de eerste indrukken, welke door het menschelijk gemoed worden ontvangen, tot zooverre onuitwischbaar blijven, en dat in mijnheer Reimond de wetenschap, de studie en zelfs de overgeleerdheid het onderwijs van eenen onwetenden en eenvoudigen hovenier niet hebben kunnen versmachten. O,mejuffer, indien God u ooit de opvoeding van kinderen toevertrouwt, waak bij hunne wieg en bij hunne eerste stappen; want, zooals zij uit de handen hunner moeder of hunner voedster gaan, zoo zullen ze waarschijnlijk blijven."

"Wees gedankt voor uwen welwillenden raad, heer pastoor," antwoordde de maagd. "Ik ken al de waarde eener goede, eener doelmatige opvoeding; want ik ben onderwijzeresse."

"Het is eene edele, eene gewichtige roeping.... die gij, mejuffer, evenwel na dezen dag ongetwijfeld zult verlaten."

"Hoe meent gij het, eerwaarde? Ik hoop integendeel deze roeping zeer lang te blijven vervullen."

"Maar, mijn kind, vermoedt gij dan niet, waarom uw oom u verzocht naar Wildenborg te komen? Hij wil u zijn testament laten kennen: gij gaat een nog al aanzienlijk fortuin erven."

"Ik een fortuin erven!" kreet het meisje met blijdschap. "Zou het waar zijn? Mijn schoone droom zou zich dus verwezenlijken? O, gebeurde mij zulk geluk, hoe zou ik den milden God zegenen tot het einde mijns levens!"

"En die droom is?" murmelde de priester, die eenigszins door de overmatige blijdschap der maagd was verwonderd.

"Die droom?" riep zij, "ik zou eene groote kostschool voor jonge juffrouwen oprichten! Tot nu toe was ik slechts hulponderwijzeresse, en ik moest vele dwalingen aanzien en aan vele verkeerde richtingen gehoorzamen; maar dan zou ik vrij zijn en al het goede kunnen stichten, dat mijn hart mij inboezemt."

Zij scheen eensklaps te verbleeken, en vroeg met eene uitdrukking van angst:

"Maar, maar, o hemel, waar zijn mijne zinnen! Een testament? Gaat mijn arme oom dan sterven!"

De pastoor knikte bevestigend.

"Hij is dus zeer ziek?"

"Op deze vraag is het mij moeielijk te antwoorden," zeide de oude priester. "Uw oom is wat men noemt een ingebeelde zieke. Zijn lichaam is niet krank, en evenwel gaat hij sterven. Indien hij zich in zijne berekening niet heeft bedrogen, zal hij zelfs de zon van overmorgen niet meer zien opgaan."

"Mijn oom, die mij rijk en gelukkig wil maken zonder dat ik mij aan die weldaad verwachtte? Eilaas, hij zou sterven!" zuchtte het meisje. "Ik zou geenen tijd hebben om hem mijne dankbaarheid te bewijzen? Ik zou slechts naar Wildenborg gekomen zijn om bij zijn doodbed te bidden? O, neen, neen; het fortuin ware mij bitter en pijnlijk; God zal hem laten leven?"

En pijnlijk zuchtend, liet zij het hoofd op de borst zakken.

"Kom, gij moet u troosten en u sterk houden, mijne dochter," zeide de pastoor. "Sterven is het lot aller menschen; de doodvan mijnheer Reimond, hoe beklaaglijk ook, zal toch een zeer zachte dood zijn."

"Maar, eerwaarde," riep de maagd, "mijn oom gaat sterven zonder ware ziekte, en omdat hij zich verbeeldt, dat zijn einde is gekomen? Heeft de ongelukkige dan geene vrienden gevonden, om die dwaling zijns geestes te bevechten en te overwinnen?"

"Hij heeft ten minste éénen vriend gevonden en aanvaard," antwoordde de priester. "Die vriend heeft sedert vijf jaar alles gedaan wat mogelijk was, om zijnen geest tot het besef der waarheid en der wezenlijkheid terug te brengen. Redenen van godsdienst, redenen van wetenschap, redenen van menschelijken aard, alles bleef machteloos. Integendeel, de worsteling verergerde het kwaad."

"En de dokters, eerwaarde, konden dezen hem niet helpen?"

"Ik geloof het niet, mejuffer, de ziekten der verbeelding laten zich moeielijk genezen. Daarenboven, mijnheer Reimond leeft opgesloten en wil volstrekt niemand dan mij alleen op Wildenborg toelaten. Sedert tien jaren heeft hij nog geen ander bezoek dan het mijne willen aanvaarden."

"Ik begrijp," zuchtte het meisje. "Hoe schrikkelijk toch! Mijn arme oom is krankzinnig! Eilaas, misschien zal hij zelfs mijne dankzeggingen niet verstaan. Was het zóó, dat ik den man moest terugzien, die mij in mijne kinderjaren zoo liefhad en die mijne ouders zoo edelmoedig heeft geholpen, toen oneer en armoede hen kwamen bedreigen?"

"Overdrijf niet, mijne dochter," zeide de priester. "Er zijn menschen, die over alles, behalve over een enkel punt, de helderheid des verstands behouden. Zoo is mijnheer Reimond, hij heeft een goed en edelmoedig hart, hij redeneert met wijsheid over de meeste zaken: maar zoohaast zijne gepeinzen zich op het bovennatuurlijke keeren, dan verdwaalt hij in grenzenlooze beschouwingen en schept zich eene wereld der onmogelijkste hersenschimmen. Vrees echter niet, hij is de goedheid zelve en zal u zeer welwillend en minnelijk zijn."

"En hij gaat sterven?"

"Ja, ik twijfel er niet aan. Wat mij echter troost, is de hoop, de overtuiging dat God hem de dwaling zijns geesten niet zal aanrekenen, dewijl zij klaarblijkend het gevolg eener ziekelijke ontschikking der hersens is."

Het meisje deed eenige stappen zonder spreken. Dan zeide zij overwegende:

"Begrijp ik u wel, eerwaarde, dan zou mijn oom sedert tien jaar, buiten uwe bezoeken, geene andere menschen gezien hebben dan Jakob Mispels?"

"En zijne vrouw."

"Mijn vader had gelijk! Dit was voor hem een verderfelijkgezelschap. Zie, mijnheer pastoor, gij zult het misschien verwaand of overmoedig vinden, maar ik ben zeker, dat het mij niet onmogelijk geweest ware, mijnheer Reimond te genezen, indien hij mij slechts eenige maanden vroeger naar Wildenborg had geroepen."

De priester schudde het hoofd met ongeloof.

"Vergeef het mij, ik bid u, eerwaarde. De eenzaamheid van mijnheer Reimond, het gezelschap van den bijgeloovigen Jakob Mispels, de afgelegenheid des kasteels, dit alles deed mijnen oom in eene troosteloze somberheid leven. Wat was er noodig om dien nacht op te klaren? Licht, licht des harten, opgeruimdheid, vreugde, liefde! Ha, ik hadde hem dit licht gebracht: ik ben jong, ik heb vertrouwen in het leven en vertrouwen in Gods goedheid."

De oogen der maagd fonkelden zoo zonderling, dat de oude priester haar met verwondering aanzag.

"Misschien, misschien!" mompelde hij. "Nu is het evenwel te laat."

"Zijn lichaam is niet ziek?"

"Niet anders dan door de verbeelding."

"En indien men deze verbeelding kon overwinnen?"

"Onmogelijk, mijn kind, uwe hoop is ijdel."

"Ik zat het beproeven nogtans, al kon ik slechts zijn leven eenige dagen verlengen, het ware reeds eene gelukkige belooning. Ik zou ten minste den tijd hebben om mijnen weldoener te bedanken en zijne ziel met de gedachtenis mijns vaders te verzoenen."

Zij gingen de dreve van het kasteel naderen.

"Daarginder moet ik u vaarwel wenschen, mejuffer," zeide de pastoor. "Alhoewel ik geene hoop heb, zal ik echter God bidden, dat Hij uwe liefderijke poging met genade aanzie. Waarschijnlijk zult gij erfgename worden, zoo niet van het kasteel, ten minste van verscheidene goederen, die op ons dorp gelegen zijn. Ik durf de noodlijdenden onzer gemeente uwer milddadigheid aanbevelen, en indien uw hart u inspreekt iets te doen voor ons arm kerkje, ik zal de hand zegenen, die den tempel des Heeren versiert."

"Wees zeker, eerwaarde, noch uwe kerk noch uwe armen zal ik vergeten. Ach, bleve mijn oom leven, ik maakte van hem eenen kwistigen beschermer van alwie nood heeft. De weldadigheid is het helderste licht voor droeve zielen!"

Dewijl men nu de dreve des kasteels was genaderd, nam de pastoor afscheid van haar en zette zijnen weg door het bosch voort.

Het was niet zonder bekommerdheid, dat de meid den pastoor achter de boomen zag verdwijnen. Zij aarzelde een oogenblik,maar toen zij aan 't einde der dreve het ijzeren hek bemerkte, dat haar de tegenwoordigheid van menschen aankondigde, schepte zij weder moed en verhaastte haren stap.

Op een half boogschot van het hek bleef de jonge boer eensklaps staan, zette de reismaal ten gronde en zeide met koddigen ernst:

"Ik ga niet verder. Het is de eerste maal van mijn leven, dat ik het kasteel zoo nabij durf komen. Wist ik niet, dat de pastoor nog in het bosch is, ik hadde geenen voet in de dreve gezet. Betaal mij en laat mij vertrekken."

De juffer lachte luid met die vreemde doenwijze, de meid verstoorde zich en noemde den jongen boer eenen dommen sukkelaar. Er was niets aan te doen, hij eischte zijn loon, verwijderde zich in aller haast en liet de beide vrouwen, met koffer en met doozen te midden van den weg staan.

Op het gerucht dezer korte betwisting was Jakob Mispels met zijne vrouw achter het hek verschenen.

"Beware ons God!" morde hij spijtig, "daar hebt gij Theresia De Wit met eene meid en eene volle lading reisgoed. Gelooft zij misschien, dat Wildenborg eene openbare herberg is? Boe! welke windmaakster! Dit is gekleed als eene barones.... Zonder de hulp van mijnheer Reimond zou haar vader broodsgebrek geleden hebben misschien. Hoor ze lachen, de zottin!"

"Ziet gij niet, Jakob, dat men u door teekens verzoekt, ginder te gaan helpen om den koffer te dragen?" zeide Peternel. "Ga, steek eene hand uit."

"Ik? Voor Theresia De Wit, die ons heeft willen doen wegjagen? Wel ja!"

"Wat schuld heeft deze Theresia daaraan? Zij was nog een onnoozel kind, toen het gebeurde."

"Het is mij gelijk: ik verroer geenen vinger voor die kale steedsche juffer. Meent zij hier de meesteresse te komen spelen? Wij erven zoowel als zij. Wil zij knechts vinden, zij zoeke ze elders."

"Och, gij zijt onverstandig," snauwde Peternel met ongeduld. "Weigert gij uwe hulp, dan zal ik zelve gaan."

Zij stapte buiten het hek. Jakob, misschien beschaamd over zijne barschheid volgde haar en mompelde onderweg aan haar oor:

"Deze Theresia De Wit mag niet lang op Wildenborg blijven. Wie weet, of zij anders door arglistige treken mijnheer Reimond niet tot onrechtvaardigheid zou verleiden. Nu reeds wil hij de helft van zijn fortuin aan den goeden Willem onttrekken, om ze aan die onbekende praatmaakster te geven.... Ho, welke gedachte! Peternel, laat mij eens doen, en wederspreek mij niet: ik zal ze zoo vervaard maken, dat ze vanWildenborg zal wegvluchten, alsof ze den zwarten man in persoon hadde gezien. Gij keurt mijn voornemen af? Geschieden er geene ijselijke dingen genoeg op Wildenborg, en kan ik misdoen met de waarheid te zeggen?"

"Kom, laat die dwaasheden achter, en poog een beetje beleefd te zijn," zeide Peternelle.

"Ha, ha! wat zijn dit hier voor zonderlinge en vreesachtige lieden!" riep het meisje lachend. "De boer, die onzen reiskoffer tot hier heeft gedragen, dorst het hek niet naderen, hij meent, dat Wildenborg krielt van kwade geesten en spoken. Gij toch, vrienden, schijnt menschen te zijn: ik bedank u voor uwe dienstwilligheid."

De hovenier maakte een kruis en slaakte eenen hollen zucht. Zijne vrouw, die zijn inzicht merkte, gaf hem eenen stoot met den elleboog en gromde:

"Jakob, wilt gij u wel stilhouden met uwe grillen? Wees betamelijk en pak den koffer aan."

De beide vrouwen volgden den hovenier tot in zijn huisje. Peternel bood hun eenen stoel aan en vroeg, of ze geenen lust hadden om iets te eten, maar de juffer, die reeds haren naam had doen kennen, betuigde haar ongeduld, om zonder uitstel bij haren oom te worden toegelaten.

"Het kan niet zijn," morde Jakob. "Hij is in samenspraak met de geesten."

En daar hij zag, dat de juffer met zijne woorden spotte, herhaalde hij:

"Uw oom is in samenspraak met geesten, met dwalende zielen, met doofdshoofden en met spoken. De deuren des kasteels zijn langsbinnen gesloten, en indien...."

"Ik bid u, doe mij den kostelijken tijd met zulke kinderachtige vertelsels niet verliezen," onderbrak de maagd. "Mijn oom heeft mij ontboden, hij zal verstoord zijn, omdat gij mij niet onmiddellijk tot hem hebt geleid. Ga, meld hem mijne komst."

"Onmogelijk."

"Uwe vrouw is redelijker dan gij: zij lacht insgelijks met uwe grillen. Zij schijnt verstandig en minzaam, en zal mijnen oom wel gaan verwittigen."

"Hij is inderdaad opgesloten, mejuffer. Niemand kan hem naderen," antwoordde Peternelle. "Wilt gij intusschen iets eten of een kopje drinken, het is u van harte gegund."

"Wees gedankt, wij hebben in de afspanning bij den steenweg gegeten. Al wat ik wensch, is mijnen oom te mogen zien."

"Gij moet wachten, totdat de geesten vertrokken zijn," snauwde Jakob.

"En zal dit nog lang duren?"

De hovenier zag op naar het uurwerk en zeide:

"Het oogenblik nadert. Nog eenige minuten, nog een kwart uurs, ik weet het niet. Nox zal mij komen verwittigen."

"Zoo? mijn oom heeft nog andere dienaars dan gij? Nox is een knecht?"

"Ja, ja, zijn Mistoffel, de booze geest, die hem dient."

"Och, gij zijt zinneloos!" hernam het meisje op spijtigen toon. "Een man van jaren als gij! Hoe! zijt gij niet beschaamd, aan zulke dwaasheden te gelooven? Ik zal mijnen oom over u klagen en hem zeggen, dat gij den spot met mij gedreven hebt."

"Gij zult er den tijd niet toe hebben, mejuffer," mompelde Jakob. "Mijn arme meester heeft nog anderhalven dag te leven. Dan komt de zwarte man...."

Eensklaps vertoonde zich een groote, ruwharige hond in de deur. Het dier opende den muil en scheen te willen bassen, maar het bracht niets uit dan een heesch keelgegorgel.

"Zie, daar is Nox, zijn dienstknecht!" zuchtte de hovenier met eene uitdrukking van schrik.

Het meisje richtte zich op, ging met de hand vooruit naar den hond en zeide op zoeten toon:

"Nox, kom, mijn beestje, kom!"

En tot groote verbazing van den bijgeloovigen Jakob, liet de hond zich streelen, knorde vriendelijk en lekte zelfs de vingeren der maagd. Het dier keerde zich evenwel onmiddellijk om en liep de deur uit.

De hovenier aanschouwde de juffer met eene soort van afschuw en deinsde zelfs een paar stappen terug, toen zij scheen hem te willen naderen. Te oordeelen op zijne wijdgeopende oogen en zijne verschriktheid, moest hij het meisje zelf aanzien voor iemand, die in betrekking stond met de hel.

"Onnoozele droomer," zeide zij lachend, "gij zijt vervaard van een hinderloos beest."

"Hinderloos beest?" spotte Jakob. "Hij heeft nog nooit een Christenmensch vriendschap betoond. En schijnt hij u te kennen en te beminnen, mejuffer, hij moet weten waarom!"

"Ik wed, dat gij hem van uw leven nog niet hebt gestreeld."

"Beware mij God! Ik zal er mij wel voor wachten."

"Ziet gij? Door uwen schrik en uwe gekke grillen maakt gij het beest vervaard. Maar genoeg met deze kinderachtigheden. Vermits mijn oom nu spreekbaar is, leid mij tot hem."

Jakob liep met haast ter deur uit en deed van buiten teeken aan het meisje, dat zij hem zou volgen. Zij had moeite om hem in te halen: het was zichtbaar, dat hij haar vooruit wilde blijven.

Toen zij op het kasteel gekomen waren en het einde van eenen duisteren gang hadden bereikt, bleef de hovenier omtrent eene opene deur staan en wees met den vinger in eene zaal.Hij schikte zich tegen den overstaanden muur en maakte zich zoo klein mogelijk, om niet door de kleederen der juffer te worden geraakt.

"Daarbinnen is uw oom," fluisterde hij.

Bij het uitspreken dezer woorden was hij reeds teruggestapt in den gang.

De maagd bleef eene wijl voor de opene deur staan. Zij scheen hare kleederen en haar hulsel op te schikken, maar zij overwoog eigenlijk met snelheid, hoe zij zich jegens haren oom zou gedragen, ten einde, indien het mogelijk was, de ongelukkige gedachte zijns aanstaanden doods te bestrijden.

Met de blijde woorden: "O, mijn oom, mijn lieve oom!" sprong zij juichend ter kamer in.

Maar zij bleef getroffen en verbluft staan, zoohaast zij den uitgemergelden man zag zitten, die, met de hand op een doodshoofd, zijne glinsterende oogen beweegloos op haar hield gericht. Zij wierp tevens eenen vluchtigen blik op het geraamte, dat het uur aanwees, en op de zonderlinge werktuigen, die, half onder spinnewebben verborgen, op de berderen langs den muur stonden.

Ofschoon deze eerste indruk haar met eene soort van angst had geslagen, worstelde zij om den verloren moed terug te winnen. Zij moest eenigszins daarin gelukt zijn: want er verscheen een glimlach op hare lippen en zij stapte aarzelend vooruit in de zaal, onder het murmelen van eenen eerbiedigen groet.

"Wees niet bevreesd, mijn kind!" zeide mijnheer Reimond. "Kom nader. Gij zijt mijne nichte Theresia De Wit, niet waar? Het verblijdt mij u te zien. Er was een tijd, dat ik mijnen lust had met u op mijne knieën te late rijden. Ik had u alsdan zeer lief, uwe moeder was mij eene beminde zuster en uw vader mijn beste vriend, maar zij hebben mij wreedelijk...."

"O, goede oom, gij herinnert u nog mijne kindsheid?" kreet het meisje, met opene armen tot hem springende. "Het kind heeft u honderdmaal omhelsd uit dankbaarheid, laat nu het meisje eenen dierbaren plicht vervullen: zij omhelst u in naam van haren armen vader!"

En hoe mijnheer Reimond ook worstelde, om haar te verwijderen en deze teedere uitstorting te beletten, de maagd hield hem omarmd en zoende hem herhaalde malen.

Dan trok zij eenen stoel bij, zette zich nevens hem, greep zijne hand en, deze drukkende, riep zij met eenen zoeten lach in de oogen:

"Gij zijt verwonderd, mijn goede oom? Misschien twijfelt gij aan de oprechtheid mijner liefde tot u? Mijne ouders lieten geenen dag voorbijgaan zonder mij van u te spreken...."

"Nichte, zet uwen stoel een beetje achteruit," mompelde mijnheer Reimond met eene soort van ongeduld, doch op vriendelijken toon.

"Ach, oom lief," smeekte zij, "gij hebt de kleine Theresia zoo teederlijk bemind! Het is nu vijftien jaar geleden, dat zij u niet meer heeft gezien. Verstoot mij niet, ik bid u. Gij waart eertijds de weldoener mijner ouders, gij hebt mij geroepen om mij een laatst en hoog bewijs uwer genegenheid te geven. O, laat mij u zegenen, laat mij de dankbaarheid mijns harten voor u uitstorten!"

Mijnheer Reimond aanschouwde droomend dit zoet maagdelijk wezen, dat door de uitdrukking eener diepgevoelde erkentenis scheen verlicht. En of de herinnering aan vroegere jaren hem beheerschte, en of de blauwe, glinsterende oogen van het meisje hem betooverden, hij bleef met eenen onduidelijken glimlach sprakeloos op haar staren, totdat eene siddering hem aangreep, als ontwaakte hij dan eerst uit zijne verstrooidheid. Hij rukte zijne hand los en schoof zijnen stoel achteruit.

Ditmaal hield Theresia zich stil en klaagde slechts door eenen smeekenden blik.

"Uw vader?" mompelde Reimond. "Wat zegt gij van uwen vader? Ja, ik heb gedurende vele jaren achting en genegenheid voor hem gevoeld, maar hij is ondankbaar geworden en heeft mij ten laatste bespot en gehaat. Gij hebt evenwel daaraan geene schuld, mijn kind."

"Oom lief, indien de schijn u niet had bedrogen, hoe onrechtvaardig zoudt gij zijn!" kreet het meisje. "Mijn vader heeft mij gelast, indien ik ooit het geluk had u te zien, u van zijne onverzwakte erkentenis te overtuigen. Laat mij toe, heer oom, deze heilige zending te vervullen."

"Vervul deze moeielijke zending, nichte, beproef het ten minste."

Het meisje greep een stuk doek, dat op de tafel lag, en wierp het over het doodshoofd.

"Wat doet gij daar?" riep mijnheer Reimond, met ontevredenheid opspringend om den schedel weder te ontblooten.

Maar Theresia hield zijne hand terug en smeekte:

"Neen, neen, mijn lieve oom, laat dit leelijk ding bedekt. Het maakt mij benauwd en het versombert mij den geest, ik wilde blijde zijn, omdat God mij toelaat u te zien. Zit neder en hoor mij aan!"

En zonder op de bemerkingen van haren oom acht te geven, omhelsde zij hem en trok hem met zacht geweld terug op zijnen stoel. Een zucht ontsnapte den verbaasden man, en hij scheen haar het raadselwoord te vragen van het meesterschap, dat zij op hem uitoefende. Hij was evenwel niet ontevreden en glimlachte,als meende hij te doen te hebben met een onnoozel kind, welks grillen men behoort te verschoonen.

Zij greep weder zijne hand en sprak:

"Heer oom, gij beschuldigt mijnen vader van ondankbaarheid. Het is integendeel zijne dankbaarheid en oprechte vriendschap die de eenige redenen zijn geweest van uwe verbittering tegen hem. Hij meende, ten onrechte misschien .... maar zijn inzicht was toch zuiver,—hij meende, dat valsche vrienden u op een gevaarlijk dwaalspoor brachten en u wetens en willens bedrogen. Hij achtte zich insgelijks overtuigd, dat de tegenwoordigheid van uwen hovenier, Jakob Mispels, voor u schadelijk kon zijn. Zeer wel begreep hij, dat hij gevaar liep uwe vriendschap te verliezen, indien hij eene worsteling begon tegen menschen en dingen, die gij bemindet, maar uit erkentenis, uit verkleefdheid voor u, heeft hij niet geaarzeld te doen, wat hij een plicht meende te zijn. Gij hebt alle familiebetrekking met mijne ouders afgebroken en hun verboden, nog ooit eene poging aan te wenden om tot u te naderen. Zij hebben gehoorzaamd en uwen onverbiddelijken wil geëerbiedigd, maar wist gij wat zij daardoor hebben geleden! Mijne moeder is vroeg gestorven. Van mijnen vader alleen kan ik u spreken. Duizendmaal heeft hij mij verhaald, wat goede man gij waart en hoe gij, in pijnlijke omstandigheden, hem edelmoedig ter hulpe kwaamt. Soms stortte hij tranen, niet alleen over uwe verstoordheid tegen ons, maar meer nog uit medelijden met u. Hij verbeeldde zich, dat gij niet gelukkig kondt zijn, en hij betreurde uw droevig lot.... En, oom lief, om rechtuit te spreken en met de hand op het hart, mijn arme vader had gelijk! Vergeef mij mijne stoutheid: een gelukkig man ziet er toch geheel anders uit dan gij!"

"Gij gelooft het? Welnu, gij bedriegt u, nicht," zeide mijnheer Reimond met eenen lichten spotlach. "Ik ben gelukkig in den hoogsten graad, dien het der menschelijke ziel vergund is, in haar stoffelijk omkleedsel te bereiken."

"Ik zie nog mijnen arme vader, uitgestrekt op zijn smartelijk sterfbed," ging het meisje voort, "en ik hoor nog deze woorden van zijne bleeke lippen vallen: "Mijn kind, ik laat u alleen op de wereld. Hij, die u een tweede vader kon zijn, heeft, eilaas, eenen onrechtvaardigen haat tegen ons opgevat. Ik zal God daarboven bidden, dat Hij uwen oom de waarheid doe kennen en u eenen beschermer en eenen weldoener op aarde geve. Mocht hij hier bij mijn doodbed staan, hij zou de getuigenis van eenen stervende gelooven. Die voldoening is mij geweigerd. Misschien zult gij hem zien in uw leven, mijn kind. Geef alsdan getuigenis mijner dankbaarheid voor hem, zeg hem, dat ik hem zijnen misgreep heb vergeven, en vraag hem ook vergiffenis voor het verdriet, dat ik onwillens hem kan hebben aangedaan." Ditwaren de laatste woorden van mijnen goeden vader, oom lief, en hij is tot God opgevaren met uwen naam op zijnen mond."

Het meisje weende bij de gedachtenis van den dood haars vaders, mijnheer Reimond, zonder dat hij het wist, had zich insgelijks door de weemoedigheid laten overmeesteren, en ook uit zijne oogen rolden eenige blikkerende tranen. Nu stak hij zelf de armen uit en trok zijne snikkende nicht tegen zijne borst.

"Troost u, mijn kind," zeide hij, "uwe ouders zijn in eene gelukkige wereld. Sterven beteekent niets, het is slechts een overgang tot een beter leven. Ik heb mij ten hunnen opzichte misgrepen waarschijnlijk. Hebben zij verdriet gehad, zij zullen er om geloond worden. Het verblijdt mij in alle geval, dat ik den laatsten wensch uws vaders gedeeltelijk kan vervullen. De erfenis, die ik u zal nalaten, Theresia, zal toereikend zijn, om u tegen alle levensmoeilijkheid te behoeden. Kom, zit recht en bedwing u. Gij ontstelt mij te diep. Sedert vijftien jaar is dit nu de eerste maal, dat mijne oogen zich door ontroering des harten bevochtigen. Ik weet niet, mijne ziel moet u wel innig bemind hebben, vermits uwe stem alleen nog eene onbegrijpelijke macht op mijn gemoed uitoefent. Ween niet meer, lieve nicht, laat ons van andere zaken spreken. Weet gij, dat ik morgen zal sterven?"

Het meisje herinnerde zich haar doel: zij veegde hare tranen af en antwoordde met eenen glimlach van volstrekte ongeloovigheid:

"Men heeft mij van zulk iets gesproken, maar, oom lief, het is scherts, niet waar? Gij sterven? Morgen? En gij zit daar vol leven, zonder ziekte of lichamelijke ongesteldheid? Gij kunt niet zoo, op een gesteld uur, sterven, tenzij gij u zelven wildet dooden, maar daaraan is niet te denken: gij gelooft aan een ander leven en gij vreest God."

"Strijd niet tegen eene onveranderlijke waarheid, nicht. Morgennacht verlaat mijne ziel haar stoffelijk omkleedsel. Ik betreur, dat ik u niet eerder naar Wildenborg heb geroepen, maar nu is het te laat. Wanneer het oogenblik onzer opvaart nadert, kan niets het noodlottig uur vertragen. Gij moet er u aan onderwerpen en er u in troosten, mijn kind. De dood is geen ongeluk, integendeel, het is een stap naar de eindelijke en eeuwige zaligheid."

"Maar, oom lief, wie toch heeft u wijsgemaakt, dat gij morgen zult sterven? Een bedrieger, zeker?"

"Een bedrieger? Ho, ho, nichte, spreek met eerbied! Hij, die mij het uur mijns doods openbaarde, is een geest, eene zuivere, klaarziende ziel, voor wie de toekomst ontsloten ligt als een open boek."

Theresia zag haren oom met verwondering en medelijden aan.Na eene poos stil zwijgens greep zij hem bij de hand en zeide:

"Van geesten of zielen ken ik niet veel, en ik wil er niet meer van kennen dan wat de godsdienst mij heeft geleerd. Maar dit weet ik goed, oom lief, dat dit alles slechts een inbeeldsel is, en dat gij zeker niet wel doet met aldus uwe gezondheid door ziekelijke hersenschimmen te krenken."

"Ik vergeef u, mijn kind," zeide mijnheer Reimond, "het zijn dingen, die uw verstand te boven gaan. Wij zullen er niet meer van spreken. Wanneer gij morgennacht, juist op het vastgestelde uur, mij zult zien sterven, zal het u bewezen zijn, dat de geesten weten, wat voor den mensch in stoffelijke gedaante is verborgen."

"Liet gij mij meesteresse op Wildenborg zijn, hoe zou ik u integendeel bewijzen, dat ik meer macht heb dan al uwe geesten te zamen!" riep het meisje.

"Zoo? en wat zoudt gij doen?" lachte Reimond.

"Wat ik zou doen, heer oom? Ik zou beginnen met dat doodshoofd, dat daaronder ligt, naar het kerkhof en dat leelijk uurwerk naar den zolder te doen dragen. Deze zaal zou behangen worden met rozevervig papier en met sneeuwwitte gordijnen. Hier kwame een bont tapijt, fraaie stoelen, blinkende meubels. De tuin zou vol bloemen staan, en nette wegeltjes zouden door lieve lustboschjes heen slingeren. Gij zoudt knechts en meiden hebben, eene koets en een paard, vogelen, dieren, schilderijen. Ik zou uwe dochter zijn, ik zou u beminnen, u vermaken en u geenen tijd laten om aan die sombere, onmogelijke dingen te denken. Wij zouden wandelen den ganschen dag, God onder zijnen schoonen hemel danken voor de wonderen der natuur en voor het vroolijk leven, dat Hij ons heeft geschonken. En des avonds, bij onzen terugkeer, zou ik muziek spelen op de piano en u de schoonste stukken der beroemde meesters voorzingen, want, oom, ik ben eene goede toon kunstenares.... of ik zou u iets voorlezen uit een vermakelijk boek, of wij zouden kouten over alles wat gij wildet, zelfs over geesten en zielen, indien het u behaagde. En zoo zou het zijn alle dagen, een hemel op aarde, en elken avond zouden wij elkander omhelzen en te zamen den hemel bidden, dat Hij uw dierbaar leven en ons geluk geliefde te verlengen. Zeg, oom lief, ware dit niet beter dan in volle gezondheid te gaan sterven? Kom, verjaag die ijselijke gedachte. Laat mij uw kind zijn, ik zal uwe oude dagen beglanzen met het licht der vreugde, der dankbaarheid en der liefde!"

Zij had de handen opgeheven en smeekte om een gunstig antwoord, maar mijnheer Reimond, die over het vraagpunt zijns aanstaanden doods niet te overwinnen was, zag haar met eenen stillen twijfellach aan, en murmelde:

"Wat gij daar zegt, is schoon, nichte. Ik dank u voor uwe genegenheid. Er is niet aan te doen: morgen te middernacht zal mijn uur slaan.... Laat dit zoo; ik heb u van iets bijzonders te spreken. Gij gaat de helft mijner goederen erven. Nogtans er is eene voorwaarde te vervullen. Kent gij uwen kozijn Willem Reimond?"

"Neen, oom, ik herinner mij niet, hem ooit te hebben gezien."

"Hij is een fraaie jongen; hij heeft tamelijk verstand en een goed hart. Evenals gij, zal hij de helft van mijn fortuin erven. Gij moet met hem trouwen, Theresia."

"Hoe zegt gij, heer oom, ik begrijp niet."

"Gij moet met Willem Reimond trouwen."

"Ho, dit is toch niet ernstig!" kreet het meisje verbaasd. "Ik trouwen met iemand, dien ik nog nooit heb gezien!"

"Gij zult hem zien, heden nog. Ik verlang uwe beslissende toestemming, voordat ik sterve."

"O, God, wat eischt gij van mij! Ik mag die toestemming niet geven. Mijn hart is verbonden sedert lang; met mijnen kozijn zou ik ongelukkig zijn: ik zou hem nimmer kunnen beminnen. Wierd ik zijne vrouw, mijne ziel zou desniettemin met ongeneeslijke treurnis aan eenen anderen man blijven denken. Het ware een schuldig leven en een schrikkelijk lot!"

"Gij bedriegt u, nichte; indien gij niet met Willem Reimond trouwt, zult gij ongelukkig zijn op aarde, en in de andere wereld voor uwe dwaling eeuwen lang te boeten hebben misschien.... Neen, worstel niet nutteloos tegen uw onvermijdelijk lot. De geest, die mij de verborgene waarheden openbaart, heeft het gezegd: gij zult trouwen met Willem Reimond; en zoolang deze verhevene ziel mij niet verklaart, dat God zijn besluit heeft veranderd, is er niets te doen dan zich te onderwerpen: want geene macht op aarde kan beletten, dat zijne voorspellingen worden verwezenlijkt."

"Onmogelijk!" zuchtte het meisje. "De hemel zelf heeft mij eenen anderen bruidegom voorbeschikt. Ik beef, ik ben benauwd; het denkbeeld alleen van ontrouw te worden aan het dichterlijke liefdegevoel, dat zoolang mij het hart vervult, slaat mij met schroom en smart."

"Welnu, dan is alles tusschen ons gedaan, en gij erft niet!" riep de oom verbitterd.

Theresia slaakte eenen pijnlijken zucht, liet het hoofd op de borst zakken en begon overvloedig te weenen.

Er heerschte eene lange stilte. Mijnheer Reimond hield den blik op de droeve maagd gevestigd, eerst met gramschap, dan met verdriet en eindelijk met medelijden.

Zij sprong op, legde hem weenend de armen om den hals en zuchtte:

"O, mijn goede oom, zie af van uw wreed besluit! Waarom toch zulke noodlottige opoffering eischen van een onnoozel meisje? Heb medelijden met mij! Spreek niet meer van huwelijk of van erfenis. Laat ons liever denken aan de middelen om u te genezen, om u de gezondheid des lichaams en de blijdschap des harten terug te geven!"

"Maar de geest, de geest....?" mompelde Reimond.

"Uw geest heeft u bedrogen, of gij hebt hem niet wel begrepen, oom lief; gij zijt edelmoedig; gij kunt mij niet tot levenslange smart veroordeelen. Ik smeek u met gevouwene handen, dwing mij niet tot een huwelijk, dat mij ongelukkig maken moet!"

"De geest heeft mij bedrogen, of ik heb hem slecht begrepen?" herhaalde de oom, het hoofd schuddende. "Dit laatste ten minste is niet volstrekt onmogelijk...."

"Dank, dank!" kreet de maagd met het licht der blijdschap in de oogen.

"Ik geloof echter niet, nicht lief, dat ik mij over den waren zin zijner openbaring kan hebben misgrepen. Het is gelijk, mijn medelijden met uw verdriet drijft mij tot eene vermetele poging. Ik zal den geest nog eens raadplegen en hem dwingen zijnen wil uitdrukkelijk te verklaren. Wat ook ditmaal zijne veropenbaring zij, gij zult u zonder morren er aan onderwerpen of oogenblikkelijk van Wildenborg vertrekken."

Hij ontdekte het doodshoofd, legde zijne rechterhand er op en vestigde zijnen blik in de diepe oogholten, terwijl hij nog zeide:

"Theresia, heb geduld, hoe lang mijne poging ook moete duren: ik doe het uit genegenheid voor u. Misschien zal uwe tegenwoordigheid mij hinderen; ik zal het haast weten. In dat geval zult gij voor eenigen tijd mij alleen laten en naar het huis van den hovenier gaan, totdat ik u doe roepen. Nu geen woord meer!"

De diepste stilte heerschte in de zaal; mijnheer Reimond verroerde de lippen en scheen met het doodshoofd in eene geheime taal te spreken.

Hoe sterkmoedig het meisje ook was, het werd haar ten laatste bang om het hart, zonder dat zij eigenlijk wist waarom. Evenwel, zij dorst haren oom niet storen; in de hoop op een gunstig antwoord, weerhield zij haren adem en bleef roerloos den zonderlingen man aanschouwen, wien welhaast het zweet der inspanning op het voorhoofd glinsterde.

Terwijl Theresia, nevens haren oom zittend, zwijgend en met kloppend hart op het beslissend antwoord van den geest wachtte, kwam Willem van zijne reis naar Hasselt terug.

Hij deed den man, die zijnen koffer voerde, voor het hek stilhouden, betaalde hem zijn loon en riep op den hovenier.

Jakob Mispels kwam buiten, droeg den koffer in huis en zeide dan tot den jongeling met eene uitdrukking van geheimzinnigheid en schrik:

"Willem, zij is op het kasteel."

"Wie? mijne nicht?"

"Zij zegt ten minste, dat zij uwe nicht is en Theresia De Wit heet; maar God beware ons, zij schijnt veeleer de nicht of de zuster van Nox!"

"Zij is dus zeer leelijk?" vroeg de jongeling in gepeinzen.

"Afgrijselijk, Willem! Zij heeft haar, dat te berge staat boven haar voorhoofd: hare oogen fonkelen als gloeiende kolen; haar mond is nijdig en boos. Wanneer zij u beziet, dringt haar blik u tot in het binnenste der ziel en doet u ijskoud worden."

"Welk portret maakt gij daar van mijne nicht!"

"Indien zij uwe nicht is, Willem."

"Gij twijfelt er aan? Wat wilt gij zeggen?"

"Ik weet het zelf niet. Gij zult met mij spotten, evenals Peternelle. Sedert gij op het kasteel gekomen zijt, gebeurt er iets met mijne arme vrouw, dat mij onuitlegbaar schijnt. Zij gelooft aan niets meer!"

"Wat gij zegt, Jakob, schijnt mij nog veel onuitlegbaarder. Theresia De Wit zou mijne nicht niet zijn?"

"Lach met mij zoo gij wilt; maar het zou mij niet verwonderen, Willem, dat in de plaats uwer nicht een tweede duivel op Wildenborg ware gekomen, om tegenwoordig te zijn bij het helsche feest, dat, eilaas, morgen hier zal worden gevierd."

"Begint gij alweder met uwe dwaasheden?" viel de jongeling hem in de rede. "Wees toch redelijk, ik bid u."

"Dwaasheden?" kreet Jakob Mispels. "Heeft de booze geest niet dikwijls genoeg de gedaante eener vrouw aangenomen, om de menschen in zijne strikken te vangen? Is het niet waar misschien, dat eertijds een graaf van Vlaanderen, zonder het te weten, gedurende vijf jaar met den duivel of met eene duivelin is getrouwd geweest? Ach, mijn arme Willem, ik doe geweld om niet te weenen. Gij ook moet trouwen met het onbekende schepsel, dat beweert uwe nicht te zijn! Indien mijn schrikkelijk vermoeden eens gegrond ware! Gij, echtgenoot van eenenhelschen geest? Het denkbeeld alleen doet mij sidderen van hoofd tot voeten."

"Heeft mijn oom u van dit huwelijk gesproken?"

"Ja, tot mijn groot verdriet. Hij wil noch gebeden noch smeekingen aanhooren. Het doodshoofd zegt, dat gij met Theresia De Wit moet trouwen, en de zwarte man...."

Zijne vrouw Peternelle, die op dit oogenblik uit den stal kwam, hoorde zijn laatste woord en riep verstoord uit:

"Zwijg, zinnelooze die gij zijt. Ik had u verboden, mijnheer Willem met uwe dwaze grillen te vervelen, en daar zijt gij weder volop aan den gang.... Geloof hem niet, Willem. Hij zal u alle soorten van gekheden wijsmaken en u zeggen, dat uwe nicht leelijk is, maar hij bedriegt u. Theresia De Wit is een schoon, lieftallig en vroolijk meisje; en, mocht men de menschen aan bovennatuurlijke wezens vergelijken, dan zou men veeleer moeten zeggen, dat zij een engel is."

"Een engel! Waar zijn toch uwe zinnen, vrouw," riep Jakob met verontwaardiging. "Heeft een engel zulk rechtstaand haar en zulke fonkelende, venijnige oogen? En hebt gij niet gezien, hoe minnelijk Nox haar de handen lekte, als ware hij verblijd eenen ouden vriend of eene oude vriendin terug te vinden?"

"Kinderachtigheden altemaal," hernam Peternelle. "Vermits mijnheer Willem met Theresia De Wit moet trouwen, wensch ik hem geluk, dat het lot hem eene fraaie en bekoorlijke bruid heeft bestemd."

"Ik bedank u, goede Peternelle," zeide de jongeling met eenen glimlach. "Uw wensch is evenwel ijdel; want ik zal niet trouwen."

"Bravo, dan zal de duivel bedrogen zijn!" juichte Jakob.

"Maar, Willem," bemerkte Peternelle, "indien gij weigert te trouwen, zal uw oom u onterven. Gij hebt groot ongelijk: uwe nicht is eene bevallige juffer, en honderden in uwe plaats zouden juichend zulke schoone bruid aanvaarden."

"Schoon?" gromde Jakob. "Zij is terugstootend en leelijk, zeg ik u!"

"Zij is minzaam en bekoorlijk."

"Zij heeft oogen gelijk Nox!"

"Zij heeft levendige blauwe oogen."

"Nu, vrienden, eindigt dien nutteloozen twist," viel Willem in. "Het is mij onverschillig, of mijne nicht leelijk zij of niet. Daarenboven, ik zal haast weten, wie van u beiden zich misgrijpt."

De oude Jakob, die de deur genaderd was, wierp eenen blik naar buiten; hij sprong terug in de kamer, greep den arm des jongelings, trok hem naar de deur en zeide:

"Daar is zij! Zij staat in den hof; ik geloof zelfs, dat zij naar hier komt! Zie, of ze niet vreemd en leelijk is."

Maar nauwelijks had Willem de maagd beschouwd, die droomend en met gebogen hoofde te midden van den hof stond, of hij deinsde achteruit en slaakte eenen versmachten schreeuw. Hij was bleek als een linnen en hij staarde met wijd geopende oogen rond de kamer als iemand, die duizelig is van verbaasdheid of van schrik.

"Niet waar, niet waar, het is de zwarte man? Gij hebt hem herkend?" zuchtte Jakob. "Ach, ik heb den dood op het lijf. Zie mij beven als een blad! God sta ons bij!"

"Onbegrijpelijk!" morde Willem. "Neen, het is geene begoocheling; mijne zinnen zijn niet ontschikt. Zouden er waarlijk vreeselijke dingen op Wildenborg gebeuren? Die vrouw, een schijn, eene valsche gedaante?"

Op dit oogenblik trad Theresia De Wit in de kamer.

Zoohaast zij den jongeling had gezien, bleef zij verrast staan, als door eenen geheimen slag getroffen; zij insgelijks verbleekte, maar even ras kleurde eene hooge rozetint haar wangen en voorhoofd. Met eenen blijden glimlach op de lippen zeide zij:

"Gij hier, mijnheer? Ha, misschien is het God zelf, die u zendt!"

"Rosa mystica!" kreet Willem met de handen opgeheven. "Mijne nicht? Onmogelijk, onmogelijk! Mijn hoofd is ontsteld, alles draait voor mijn gezicht. O, verlos mij uit dien schrikkelijken twijfel! Wie zijt gij?"

"Ik ben Theresia De Wit en, dank zij den hemel, waarschijnlijk uwe nicht."

"Maar, neen!" riep Willem met ziekelijke aan gejaagdheid. "Zijt gij de Rosa mystica, die ik van kindsbeen af heb bewonderd en bemind, dan is uw naam Flora. Mijne nichte Theresia De Wit kunt gij niet zijn."

"De verklaring van dit raadsel is gemakkelijk," antwoordde het meisje. "Toen ik, als onderwijzeresse der juffers de Bernavaux, op het kasteel van Everdaal kwam, vond men den naam Theresia te gemeen en men heette mij Flora."

"Ho, zou het toch mogelijk zijn!" galmde Willem met groote blijdschap. "En het kind, dat ik te Brussel in de processie voor een engel aanzag? De Rosa mystica?"

"Dat kind was ik, Theresia De Wit, uwe nicht."

Met eenen kreet van geluk liep Willem tot de maagd en greep bevend hare handen in de zijne.

"Gij zijt de bruid, die God zelf mij heeft voorbestemd," zeide hij. "Onze oom, zijn geest, wil, dat gij mijne vrouw wordet. Gij weerstaat den wil van het noodlot niet?"

"Ik heb geweigerd," was het antwoord.

"Geweigerd! Zoudt gij de hoop van mijn gansche leven verbrijzelen? O, heb medelijden met mij!"

"Ik kende u niet en schrikte terug van een huwelijk met iemand, dien ik nog nooit had gezien. Maar gij, mijnheer, gij, kozijn, gij hebt dus de hand eener onbekende aanvaard?"

"Neen, neen. Nu echter ga ik mijnen oom zegenen, mijnen oom en de bovennatuurlijke macht, die ons heeft beheerscht sedert onze kindsheid. Kwam nu slechts de goede Nox om ons te roepen! Wat zal onze oom blijde zijn, als hij zal weten, dat wij ons met geluk aan de beslissing van den geest onderwerpen!"

"O, Hemel!" riep het meisje eensklaps, "onze oom is bezig met het doodshoofd te raadplegen! Uit medelijden met mijn verdriet wil hij zijnen ingebeelden geest eene nieuwe beslissing afdwingen. Gebeurt het zoo, dan zal een even wreed vonnis tusschen ons geveld worden. Kom, kom, op Nox niet gewacht; loopen wij tot onzen oom; rukken wij hem van het doodshoofd weg, voordat eene nieuwe dwaling in zijn krank verstand zich hebbe geworteld!"

En beiden ijlden ter kamer uit.

Jakob Mispels stond te beven en veegde zich eenen traan uit de oogen, in de overtuiging dat de arme Willem onder de bekoringen des duivels was bezweken. Peternelle integendeel lachte en juichte.

Toen de jongelieden ongeroepen in de zaal des kasteels traden, riep mijnheer Reimond op vasten toon hun toe:

"Nutteloos, onmogelijk! Gij moet te zamen trouwen: de geest wil het!"

Willem sprong tot zijnen oom, omhelsde hem vurig en zeide:

"O, lieve oom, mijne dankbaarheid voor u is grenzenloos. Wij onderwerpen ons met vreugde aan den wil van den goeden geest. Ik trouw, hoe eerder hoe liever! De bruid, die gij mij hebt voorbestemd, is de Rosa mystica, het beeld, dat mijn gansche leven heeft beheerscht...."

"Hoe, wat zegt gij?" onderbrak Reimond verbaasd. "Zij? uwe nicht, de Rosa mystica, wier verrassende geschiedenis gij mij hebt verteld?"

"Ja, zij is de ziel, aan welke mijne ziel door eene geheimzinnige keten was verbonden. Dank, dank; ik zegen u; gij overlaadt mij met geluk: al mijne wenschen zijn vervuld als door eenen tooverslag!"

Mijnheer Reimond wreef zich de handen; zijne oogen glinsterden van zegevierende blijdschap.

"Ha ha!" juichte hij, "zoo bewijzen de geesten hunne wetenschap en hunne macht! Welnu, mijn zoon, twijfelt gij nog? De geheimzinnige invloed, die u heeft vergezeld gedurende geheel uw leven, om op een bepaald oogenblik u hier te zamen te brengen en u een voorspeld huwelijk als een opperst geluk te doen afsmeeken? Kunt gij dit alles wel verklaren, zonder de tusschenkomstvan wezens, die bekend zijn met den wil van God?"

"Wonderbaar, onbegrijpelijk!" morde Willem. "Die goede, milde geest was misschien mijn engelbewaarder...."

"Neen, mijn vriend, het is eene dier wachtende zielen, die de ruimte vervullen en daar niet zelden, als boden des Heeren, tot de vervulling Zijner besluiten medewerken. Gij ziet wel, dat de openbaringen van den geest onwederroepelijk zich moeten vervullen; en alle tegenstand ijdel en nutteloos is."

"Ja, heer oom, ten mijnen opzichte is de verwezenlijking zijner openbaringen bereikt door geheimzinnige wegen, wier onfeilbaarheid mij doet verstommen."

"En gevolgelijk is mijne opvaart naar de andere wereld even onherroepelijk vastgesteld.... Maar gij, nichte, gij zwijgt en schijnt niet verheugd? Stemt dit huwelijk dan niet overeen met den wensch uws harten?"

Het meisje had bij zijne laatste woorden van verdriet of van schrik gesidderd. Zij antwoordde op treurigen toon:

"Ik aanvaard, niet van de geesten maar als eene gift van God, den bruidegom, dien Zijne goedheid mij sedert lang heeft voorbeschikt. Mijne vreugde is echter vergald door eene smartelijke vrees. Wat hier door eenen wonderlijken samenloop van omstandigheden geschiedt, zal u misschien bevestigen in de overtuiging, dat gij morgen moet sterven. Ik had besloten de wreede gedachte des doods in u te bevechten, en ik juichte reeds over de waarschijnlijke zegepraal."


Back to IndexNext