Elfde Boek

Elfde BoekHoofdstuk IVan de grootste vreugde, die Gil Blas ooit gekend heeft en van het treurig ongeluk, dat daarop volgde. Van de veranderingen, die aan het hof plaats hadden en waardoor Gil Blas er terugkeerde.Scipio en ik waren te beminde echtgenooten, om niet spoedig vader te zijn. Béatrix bracht een meisje ter wereld en eenige dagen later overlaadde Antonia ons allen met vreugde door mij een zoon te schenken.Ik zond Scipio naar Valencia, om deze gelukkige tijding aan den gouverneur te gaan meedeelen. Deze kwam zelf met zijn vrouw over om de kinderen ten doop te houden. Mijn zoon werd Alphonse genoemd en het dochtertje van ScipioSéraphine.De geboorte van mijn zoon verheugde niet alleen de bewoners van het kasteel, ook de inwoners van het dorp vierden feest. Maar helaas, onze vreugde was niet van langen duur, of liever gezegd, ze ging spoedig over in weenen en klagen, door het ongeluk dat twintig jaren lang mij nog niet hebben kunnen doen vergeten. Mijn zoon stierf en zijn moeder, hoewel de bevalling voorspoedig was geweest, volgde hem spoedig. Een hevige koorts nam na een huwelijk van veertien maanden mijn lieve vrouw weg.Het verdriet, dat ik had, is niet te beschrijven, ik viel in een soort van verdooving, in een staat van gevoelloosheid. Vijf of zes dagen was ik in dien toestand; ik weigerde alle voedsel en zonder Scipio geloof ik, dat ik zou zijn doodgehongerd. Maar deze slimme secretaris bedacht een middel om mij versterkende middelen te geven; hij boodze mij n.l. met zoo’n somber gezicht aan, dat het den schijn had of ze mijn droefheid moesten in stand houden in plaats van mijn leven.Die trouwe dienaar schreef ook aan don Alphonse, om hem mededeeling te doen van het ongeluk, dat mij had getroffen en van den toestand, waarin ik verkeerde. Mijn edelmoedige vriend kwam dadelijk naar Lirias en ik zal onze ontmoeting nooit vergeten. “Beste Santillano,” zei hij, “ik kom niet om je te troosten maar om met je te weenen over Antonia, zooals gij met mij Séraphine zoudt beweenen, indien ze van mij werd weggenomen.”Hoe gebukt ook onder mijn smart, ik gevoelde toch levendig zijn goedheid.Don Alphonse had een lang onderhoud met Scipioover hetgeen ze konden doen om mij te onttrekken aan mijn verdriet. Zij meenden, dat het beter voor mij zou zijn indien ik mij eenigen tijd verwijderde van Lirias, waar alles mij zonder ophouden aan Antonia herinnerde. De gouverneur stelde mij voor met hem naar Valencia te gaan en ook Scipio drong daarop zoo sterk aan, dat ik toegaf.Toen ik te Valencia was, deden ook don César en zijn schoondochter al het mogelijke om mij te troosten, maar het mocht hun niet gelukken mijn droefgeestigheid te verdrijven. Scipio kwam dikwijls van Lirias om te zien hoe het met mij ging.Op een morgen kwam hij mijn kamer binnenloopen en zei: “Mijnheer, er is door de stad een gerucht verspreid, dat van de grootste beteekenis is voor de geheele monarchie; men zegt, dat koning Filipsniet meer leeft en dat zijn zoon den troon heeft bestegen. Men voegt er aan toe, dat de kardinaal, hertog de Lerme, zijn post heeft verloren en dat don Gaspard de Guzman, graaf van Olivarez, eerste minister is geworden.”Door die tijding voelde ik mij een weinig bewogen, ik wist zelf niet waarom. Scipio, die dat zag, vroeg of ik geen belang stelde in die verandering.“Welk belang zou ik er in stellen?” vroeg ik. “Ik heb het hof verlaten en alle veranderingen daar moeten mij onverschillig zijn.”“Voor een man van uw leeftijd, zijt ge wel wat te beu van de wereld,” zei hij. “In uw plaats zou ik een levendig verlangen hebben.”“Welk verlangen?”“Wel ik zou naar Madrid gaan en den jongen koning mijn gezicht toonen om te zien of hij mij nog herkende. Dat genoegen zou ik mij verschaffen.”“Ik begrijp je al, je zou willen, dat ik naar het hof terugkeerde om er opnieuw mijn fortuin te beproeven, of liever om er weer gierig en eerzuchtig te worden.”“Waarom zou uw karakter er opnieuw bedorven worden?Heb meer vertrouwen in uw eigen deugden!”Glimlachend vroeg ik: “Ben je het moe mij zulk een rustig leven te zien leiden? Ik dacht, dat mijn rust je meer waard was.”Onder dit gesprekkwamendon César en zijn zoon binnen. Zij bevestigden de tijding van den dood van den koning en den val van den hertog de Lerme. Ze wisten voorts nog mee te deelen, dat de hertog, die toestemming had gevraagd om naar Rome te gaan, deze niet had kunnen krijgen en dat hem last was gegeven zich terug te trekken op zijn landgoed te Denia.Vervolgens alsof zij in overeenstemming met Scipio handelden, gaven zij mij den raad naar Madrid te gaan om mij aan den jongen koning te vertoonen, die mij kende en wien ik zelfs diensten had bewezen, die vorsten gaarne beloonen.“Wat mij betreft,” zei don Alphonse, “ik twijfel er niet aan of Filips de Vierde zal de schulden betalen, die hij als prins maakte.”“Ik ben van het zelfde gevoelen,” zei don César, “en ik zie in een bezoek van Santillano aan het hof het middel voor hem om tot hooge posten te worden geroepen.”“Waarlijk heeren!” riep ik, “ik geloof niet, dat ge goed nadenkt, over hetgeen ge zegt. Als men u hoort, zou ik mij naar Madrid hebben te begeven, om dadelijk een man van gewicht te zijn. Maar ge dwaalt. Ik ben er integendeel van overtuigd, dat de koning geen acht op mij zou slaan, indien ik mij vertoonde. Daarvan zou ik u, om u te overtuigen, wel de proef willen geven.”De heeren de Leyva hielden mij aan mijn woord en dwongen mij nu de belofte af, dat ik mij dadelijk naar Madrid zou begeven.Zoodra mijn secretaris mij besloten zag dien tocht te ondernemen, verheugde hij zich ten zeerste. Hij verbeeldde zich, dat ik onmiddellijk na mijn verschijnen aan het hof met eerbewijzen en weldaden zou worden overladen.Ik besloot dus naar het hof terug te keeren niet met het plan de fortuin weer te beproeven, maar om don César en zijn zoon tevreden te stellen. Het is waar, dat ik in den grond van mijn hart eenige nieuwsgierigheid gevoelde om te weten of de jonge vorst mij herkende. Overigens vertrok ik naar Madrid zonder hoop en zonder plan eenig voordeel van de nieuwe regeering te trekken. Scipio vergezelde mij; de zorg voor het kasteel hadden wij overgelaten aan Béatrix, die een goede huishoudster was.Hoofdstuk IIGil Blas begeeft zich naar Madrid; hij verschijnt aan het hof; de koning herkent hem en beveelt hem bij zijn eersten minister aan. Gevolg van die aanbeveling.Nog geen acht dagen later reisden wij naar Madrid; don Alphonse had ons twee van zijn beste paarden gegeven, om sneller te kunnen gaan. Wij gingen logeeren bij Vincent Forero, die ons van vroeger kende.Daar deze hotelhouder er op uit was, om alles te weten wat er aan het hof en in de stad voorviel, vroeg ik hem welk nieuws er was. “Heel wat,” antwoordde hij; “sinds den dood van den koning, hebben de vrienden en partijgangers van den hertog de Lerme alles gedaan, om hem in zijn waardigheid te herstellen, maar hunne pogingen zijn vergeefsch geweest; de graaf van Olivarès heeft het van hen gewonnen. Men beweert, dat Spanje bij die wisseling niet heeft verloren en dat de nieuwe minister zooveel talent bezit, dat hij wel de wereld zou kunnen regeeren. Zeker is het, dat het volk zeer hooge gedachten van hem heeft.”Twee dagen na mijn aankomst te Madrid, ging ik naar het hof en ik zorgde op zijn weg te zijn, toen hij naar zijn kabinet ging. Maar hij zag mij niet. Den volgenden dag keerde ik op dezelfde plaats terug, maar ik was niet gelukkiger. Den derden dag wierp hij in het voorbijgaan, een blik op mij, maar hij scheen niet de minste aandacht aan mijn persoon te schenken. Daar trok ik partij van. “Je ziet wel,” zei ik tegen Scipio, die mij vergezelde, “dat de koning mij niet herkent of indien hij het misschien wel deed er zich niet om bekommert, om de kennismakingmet mij te hernieuwen. Ik geloof, dat wij maar goed zullen doen, als we weer naar Valencia gaan.”“Laten wij daar niet zoo’n haast mee maken, mijnheer, u weet beter dan ik, dat men aan het hof slechts slaagt, indien men geduld heeft. Blijf u aan den jongen koning vertoonen, dan moet hij u wel nauwkeuriger opnemen en dan zal hij zich ongetwijfeld uw werk bij de schoone Catalina herinneren.”Opdat Scipio mij niets te verwijten zou hebben, bleef ik het drie weken volhouden, om geregeld aan het hof te verschijnen en op zekeren dag werd de koning door mijn gezicht getroffen en liet hij mij roepen.Ik trad zijn kabinet binnen, wel eenigszins zenuwachtig, mij alleen te bevinden met mijn vorst.“Wie zijt gij?” vroeg hij. “Uw trekken komen mij niet onbekend voor. Waar kan ik u hebben gezien?”“Sire. Ik heb de eer gehad u eens op een nacht met den graaf de Lemos te begeleiden naar....”“Ah! Ik herinner het mij; gij waart de secretaris van den hertog de Lerme en uw naamis, als ik mij niet bedrieg, Santillano. Ik heb niet vergeten, dat ge mij bij die gelegenheid diensten hebt bewezen en dat ge daarvoor slecht zijt beloond geworden. Zijt ge niet in de gevangenis geweest voor dat avontuur?”“Ja Sire,” antwoordde ik, “ik ben zes maanden in Ségovia opgesloten geweest, maar door uwe goedheid werd ik bevrijd.”“Daarmee is onze rekening niet vereffend. ’t Was niet voldoende u in vrijheid te stellen; op andere wijze zal ik goedmaken, wat ge uit liefde voor mij hebt geleden.”Toen de vorst die laatste woorden had uitgesproken, kwam de graaf van Olivarès in het kabinet. Hij was verbaasd daar een onbekende te zien en zijn verwondering nam nog toe, toen de koning zei: “graaf, ik beveel u dezen jongen man aan, wil er voor zorgen, dat hij vooruit komt.” De minister boog en nam mij van het hoofd tot de voeten op, zeer benieuwd, te weten wie ik was. Dekoning gaf mij een wenk om te vertrekken en zei: “Mijn vriend, de minister zal niet nalaten een nuttig gebruik van uw diensten te maken en daarbij aan uw belangen te denken.”Ik verliet het kabinet en trad op Scipio toe, die zeer verlangend was om te vernemen, wat de koning had gezegd.“Naar uw gezicht te oordeelen,” zei hij, “zullen wij inplaats van naar Valencia terug te keeren, wel hier blijven wonen.” Woord voor woord vertelde ik hem daarna het korte onderhoud, dat ik met den koning had gehad.“Beken nu maar,” riep hij, “dat ik u geen slechten dienst heb bewezen, door aan te dringen op uw reis naar Madrid. Reeds zie ik u in een prachtige positie. Ge zult de Calderone worden van den graaf van Olivarès.”“Dat zou ik niet willen. Liever had ik een plaats, waar ik geen gelegenheid had, om onrechtvaardigheden tebegaan, of misbruik te maken van de goedheid van den koning. Na het gebruik, dat ik in het verleden van mijn positie heb gemaakt, kan ik mij niet genoeg wachten voor de gierigheid en de eerzucht.”“De minister,” zei Scipio, “zal u wel een goede betrekking geven, die ge kunt vervullen zonder op te houden een eerlijk man te zijn.”Den volgenden morgen ging ik naar den graaf die gewoon was vóór zonsopgangaudiëntiete verleenen. Ik ging in een hoek van de zaal staan en daar nam ik den graaf goed op, want ik had in het kabinet van den koning weinig aandacht aan zijn persoon kunnen schenken. Hij was een groote man, niet knap van uiterlijk. Alle menschen, die met hem moesten spreken, ontving hij met zekere welwillendheid en vriendelijk nam hij de verzoekschriften in ontvangst, die men hem aanbood. Toen het echter mijn beurt was om hem te naderen, wierp hij mij een koelen blik toe, keerde mij den rug toe zonder zich te verwaardigen mij aan te hooren en ging weer in zijn kabinet. Ik vond hem toen nog leelijker dan hij door de natuur reeds was en verliet de zaal, zeer verbaasd over zulk een ontvangst, en niet wetende, wat ik er van moest denken.“Weet je,” vroeg ik aan Scipio, die mij buiten opwachtte, “welke ontvangst men mij heeft bereid?”“Neen,” antwoordde hij, “maar dat is niet moeilijk te raden. De minister zal u overeenkomstig den wensch van den koning een mooie betrekking hebben aangeboden.” “Daar bedrieg je je in,” antwoordde ik en vertelde hem vervolgens wat er was gebeurd.Hij luisterde aandachtig toe en zei daarop: “De graaf moet u niet hebben herkend of voor een ander hebben aangezien. Ik raad u aan hem nog eens te bezoeken, dan zal hij u wel op een andere wijze ontvangen.”Ik volgde den raad van mijn secretaris en bezocht den minister weer, die mij echter zoo mogelijk nog onbeleefder behandelde dan den eersten keer.Daarover was ik zoo verontwaardigd, dat ik onmiddellijknaar Valencia wilde teruggaan. Scipio verzette zich daartegen, hij kon nog maar niet besluiten zijn hoopvolle verwachtingen op te geven.“Zie je niet,” vroeg ik hem, “dat de minister mij van het hof wil verwijderen? De koning heeft zijn genegenheid voor mij betuigd, maar die is niet voldoende om den tegenzin van zijn gunsteling te overwinnen. Laten wij dus dien geduchten vijand ontloopen.”“In uw geval,” antwoordde hij, “zou ik niet zoo gemakkelijk het terrein vrijlaten. Ik zou opheldering willen hebben over die ontvangst en mij bij den koning gaan beklagen, dat de minister zoo weinig acht heeft geslagen op zijn aanbeveling.”“Dat is een slechte raad, mijn vriend, en het zou mij zeker berouwen, indien ik zulk een onvoorzichtigen stap deed. Zelfs ben ik er niet zeker van of ik niet eenig gevaar loop, door hier langer in de stad te blijven.”Mijn secretaris begon na te denken. Hij zag in, dat wij met een man te doen hadden, die ons misschien naar den toren van Ségovië kon zenden en verzette zich dus niet langer tegen ons vertrek uit Madrid, dat wij besloten den volgenden dag te verlaten.Hoofdstuk IIIWat Gil Blas belette zijn voornemen uit te voeren en het hof te verlaten en van den gewichtigen dienst, dien Joseph Navarro hem bewees.Op den terugweg naar het hotel ontmoette ik Joseph Navarro, chef van dienst bij don Balthazar de Zuniga en mijn ouden vriend. Ik twijfelde een oogenblik, of ik zou doen alsof ik hem niet zag, dan wel of ik hem vergiffenis zou vragen, dat ik hem zoo slecht had behandeld. Ik besloot tot het laatste, groette en hield hem staande met de woorden: “herkent ge me? En wilt ge nog zoo goed zijn, om te spreken met iemand, die met ondankbaarheid uw vriendschap voor hem heeft vergolden?”“Ge bekent dus, dat ge niet goed tegenover mij hebt gehandeld?” vroeg hij.“Ja,” antwoordde ik, “en ge zijt in uw recht, wanneer ge mij overlaadt met verwijten. Ik kan u echter verzekeren, dat het gebeurde mij oprecht spijt.”“Als dat zoo is,” riep Navarro, “dan zullen wij het gebeurde maar vergeten.” En wij drukten elkaar hartelijk de hand.Hij had van mijn gevangenneming gehoord, maar wist niet, wat er verder met mij was gebeurd. Ik vertelde hem dat, deelde hem ook mee, dat ik een onderhoud had gehad met den jongen koning, sprak daarna van de slechte ontvangst bij den minister en van mijn voornemen, om de eenzaamheid weer te gaan opzoeken.“Ga in geen geval weg,” zei hij; “dat de koning u zijn vriendschap heeft betuigd, moet u in ieder geval van groot voordeel zijn. Onder ons gezegd is de minister eenfantastisch en eigenaardig heer; hij zit vol grillen. Soms, zooals in dit geval, gedraagt hij zich onuitstaanbaar en hij zelf alleen heeft den sleutel van zijn vreemdsoortige daden. Overigens, wat voor reden hij ook gehad kan hebben voor de slechte ontvangst, houd voet bij stuk en profiteer van de vriendschap van den koning. Vanavond zal ik er een paar woorden over spreken met don Balthazar de Zuniga, mijn meester, die de oom is van den graaf en nu met hem in de regeering zit.”Navarro vroeg mij vervolgens nog mijn adres en daarna scheidden wij.Den volgenden dag al zag ik hem weer bij mij. “Mijnheer de Santillano,” zei hij, “ge hebt een beschermer, mijn meester wil u helpen. Na alles wat ik hem van u heb gezegd, heeft hij mij beloofd, met zijn neef over u te spreken en ik twijfel er niet aan of dat zal in uw voordeel zijn.”Twee dagen later stelde Navarro mij voor aan don Balthazar, die mij zeer vriendelijk ontving. “Mijnheer de Santillano,” zei hij, “uw vriend Joseph heeft mij zooveel goeds van u verteld, dat het mij een genoegen is, u van dienst te kunnen zijn.”Ik maakte een diepe buiging en antwoordde, dat ik zeer veel verplichting had aan Navarro, die mij de protectie had verschaft van een staatsman, dien men met recht “den fakkel van den ministerraad” noemde.Bij dit vleiend antwoord klopte don Balthazar mij lachend op den schouder en zei: “Ge moet morgen nog maar eens naar den eersten minister gaan, dan zult ge wel beter over hem tevreden zijn.”Zoo verscheen ik dus voor de derde maal bij den minister. Zoodra deze mij onder de menigte zag, wierp hij mij een blik toe, die vergezeld ging van een glimlach. Dat wekte bij mij de verwachting op van een betere ontvangst en deze werd niet bedrogen.Nadat de audientie was afgeloopen, liet de graaf mij in zijn kabinet gaan, waar hij zei: “Mijn vriend Santillano,neem mij niet kwalijk, dat ik, om mij te vermaken u eenige onaangename oogenblikken heb bezorgd. Ik wilde eens een proef met u nemen en zien, wat ge in uw boosheid zoudt doen. Ge hebt u zeker verbeeld niet in mijn smaak te vallen, maar ik kan u het tegendeel verzekeren. Ook al had de koning u niet bij mij aanbevolen, dan zou ik u toch hebben vooruitgeholpen uit eigen beweging. Bovendien heeft mijn oom, don Balthazar de Zuniga, wien ik niets kan weigeren, in uw belang gesproken.”Na wat er vooraf gegaan was, was deze vriendelijke ontvangst mij dubbel aangenaam.“Kom in den namiddag hier terug en vervoeg u bij mijn intendant. Ik zal hem orders omtrent u geven.” Met die woorden verliet de minister mij om naar gewoonte de mis te gaan hooren en daarna den koning te bezoeken.Hoofdstuk IVGil Blas maakt zich bemind bij den graaf van Olivarès.Na den middag was ik terug bij den eersten minister en vroeg naar zijn intendant, die don Raimond Caporis heette. Zoodra ik mijn naam had genoemd, ontving hij mij met alle teekenen van eerbied. Hij verzocht mij hem te volgen en bracht mij naar een vleugel van de tweede verdieping. “Hier heeft de minister voor u een woning ingericht. Ge zult iederen dag op zijn kosten een tafel hebben van zes couverts, door zijn eigen personeel worden bediend en er zal steeds een koets tot uw beschikking zijn. Dat is nog niet alles, de minister heeft mij uitdrukkelijk bevolen dezelfde zorgen voor u te hebben, alsof ge tot zijn familie zoudt behooren.”“Wat voor den duivel!” zei ik in stilte,“zou dat alles beteekenen? Hoe moet ik die onderscheidingen opvatten? Zou de minister zich weer ten koste van mij willen vermaken? Maar komt zoo iets eigenlijk wel te pas voor een minister van den kroon?”Terwijl ik zoo in die onzekerheid tusschen hoop en vrees zweefde, kwam een page mij zeggen, dat de graaf mij wenschte te zien. Onmiddellijk begaf ik mij naar zijn kabinet, waar ik hem alleen vond.“Welnu Santillano, zijt gij tevreden over uw logies en over de bevelen, die ik don Raimond heb gegeven?”“Excellentie,” antwoordde ik, “uw goedheid is zoo overstelpend groot, dat ze mij verlegen maakt.”“Waarom?” vroeg hij. “Kan ik wel te veel eer bewijzen aan een man, die mij door den koning speciaal is aanbevolen? Ik doe niet anders dan mijn plicht, wanneer ik uop zulk een wijze behandel. Verwonder u niet over hetgeen ik voor u doe en reken erop, dat een schitterende positie u niet zal ontgaan, indien ge aan mij even gehecht blijft, als aan den hertog de Lerme. Maar van dien heer gesproken, men zegt, dat hij zeer intiem met u was. Ik ben benieuwd te weten, hoe gij met elkaar hebt kennis gemaakt en welk werk hij liet doen. Verberg mij niets; ik vraag van u een oprecht en getrouw verhaal.”Ikherinnerdemij op dat oogenblik de verlegenheid, waarin ik verkeerde, toen ik mij tegenover den hertog de Lerme in een zelfden toestand bevond en op welke wijze ik mij er toen had uitgered. Diezelfde practijk deed mij ook nu weer dienst. Ikverzachttede ruwe kanten van mijn verhaal en liep licht heen over de zaken, die mij weinig eer aandeden. Ook spaarde ik den hertog de Lerme, hoewel ik mijn toehoorder misschien meer genoegen had gedaan, door het tegendeel. Wat don Rodrigo de Calderone aanging, hem ontzag ik in geen enkel opzicht. Ik deelde alles mee, wat mij bekend was van zijn kunstgrepen in het begeven van betrekkingen, het verleenen van gratificatiën als anderszins.“Wat ge mij van Calderone zegt,” zei de minister, “komt overeen met zekere memoires, die men bij mij tegen hem heeft ingediend en die nog zwaardere beschuldigingen bevatten. Men zal weldra zijn vonnis beteekenen en wanneer ge wenscht, dat hij de doodstraf zal ondergaan, dan zal uw wensch, geloof ik, worden bevredigd.”“Ik wensch zijn dood niet,” zei ik, “hoewel het niet aan hem gelegen heeft, dat ik den mijne niet heb gevonden in den toren van Ségovië, waar hij mij zoolang heeft laten gevangen houden.”“Hoe!” riep de minister verwonderd, “heeft don Rodrigo uw gevangenschap veroorzaakt? Dat is iets, wat ik niet wist. Don Balthazar, aan wien Navarro uw geschiedenis heeft verteld, zei me wel, dat wijlen de koning u liet opsluiten, om u ervoor te straffen, dat ge den prins op een verdachte plaats hadt gebracht, maar ik kan mij nietdenken, welke rol Calderone in dit stuk heeft gespeeld.”“Die van een minnaar, die zich wil wreken,” antwoordde ik en ik vertelde hem haarfijn, hoe de zaak zich had toegedragen. Hoe ernstig hij ook anders was, moest hij nu toch herhaaldelijk lachen. Vooral Catalina, nu eens nicht en dan weer kleindochter, vermaakte hem zeer en niet minder het deel, dat de hertog de Lerme in de zaak had gehad.Toen ik mijn verhaal had geëindigd, liet de graaf mij gaan met de toezegging, dat hij mij den volgenden dag werk zou geven. Dadelijk ging ik naar don Balthazar, om hem te bedanken voor de mij bewezen diensten en naar mijn vriend Joseph, wien ik een getrouw verslag wilde doen van al wat er tusschen den eersten minister en mij was besproken.Hoofdstuk VVan het geheime onderhoud, dat Gil Blas had met Navarro en van het eerste werk, dat de graaf van Olivarès hem gaf.Zoodra ik Joseph zag, zei ik hem, dat ik hem verschillende zaken had mee te deelen. Hij bracht mij daarop naar een vertrek, waar wij ongestoord konden spreken. Nadat ik hem alles verteld had vroeg ik, wat hij ervan dacht.“Ik denk,” antwoordde hij, “dat ge op weg zijt fortuin te maken. Alles lacht u toe. Ge bevalt den eersten minister en wat niet onderschat moet worden, ik kan u denzelfden dienst bewijzen, dien mijn oom Melchior de la Ronda u bewees, toen ge in dienst kwaamt bij den aartsbisschop van Granada. Hij bespaarde u de bestudeering van den prelaat en van de voornaamste personen van zijn huis, door u tevoren hunne verschillende karakters te beschrijven; op zijn voorbeeld wil ik u den graaf doen kennen, de gravin en dona Maria de Guzman, hunne eenige dochter.“Laten wij dan beginnen met den minister. Hij is levendig, scherpzinnig en geschikt om groote plannen te vormen. Hij geeft zich uit voor een veelzijdig man, omdat hij eenig besef heeft van verschillende wetenschappen. Hij verbeeldt zich een bekwaam rechtsgeleerde, een groot krijgsman en een fijn staatsman te zijn. Bovendien is hij zeer koppig en vindt hij zijn eigen meening steeds de beste. Ik moet daarbij voegen, dat hij van natuur een groote welsprekendheid heeft gekregen; ook schrijft hij goed. Zooals ik u reeds gezegd heb, is hij zeer grillig. Dit voor zoover zijn hoofd betreft; wat zijn hart aangaat is hij edelmoedig eneen trouw vriend. Men zegt, dat hij wraakzuchtig is, maar welke Spanjaard is dat niet? Ook zegt men, dat hij ondankbaar is, omdat hij den Hertog d’Uzède en Broeder Louis Aliaga heeft doen verbannen, aan wie hij groote verplichtingen had maar ook dit is te vergeven; het verlangen om eerste Minister te worden stelt iemand wel vrij van den plicht der dankbaarheid.Dona Agnès de Zuniga é Velasco, de gravin, is een dame, van wie ik alleen dit gebrek weet, dat ze de gunsten, die zij weet te verwerven, met ponden gouds laat betalen.Wat dona Maria de Guzman aangaat, zij kan doorgaan voor een voortreffelijk meisje en is het ideaal van haar vader. Regel u daarnaar. Maak het hof aan de dames en toon u aan den graaf even trouw, als ge het waart aan den hertog de Lerme, voor hij u naar Ségovia zond.Ook zou ik u nog raden, om nu en dan don Balthazar, mijn meester, te bezoeken. Hoewel ge hem nu niet direct meer noodig hebt, kan het geen kwaad zijn vriendschap te bewaren, want de gelegenheid kan zich voordoen, dat hij u van dienst kan zijn.”“Zou er,” vroeg ik Navarro, “nu oom en neef samen den staat besturen, geen gevaar kunnen bestaan, dat er jaloezie tusschen hen rees?”“Neen, want toen ze na den dood van den koning zoo handig hadden gemanoeuvreerd, dat ze het van al hun vijanden en mededingers wonnen, hebben ze de werkzaamheden zoo geregeld, dat ze daarin onafhankelijk van elkaar zijn. De neef, die eerste minister werd, heeft aan zijn oom de buitenlandsche aangelegenheden opgedragen en zichzelf met die van het binnenland belast.”Na dit onderhoud met Joseph, waarvan ik mij voornam te profiteeren, zocht ik den heer de Zuniga op, om hem te bedanken voor zijn goedheid. Hij antwoordde mij zeer beleefd, dat ik ook in het vervolg op zijn hulp zou kunnen rekenen, wanneer ik die mocht noodig hebben.Denzelfden avond verliet ik mijn hotel, om mijn intrek te nemen bij den eersten minister, waar ik met Scipio inmijn kamer soupeerde. Het was de moeite waard ons daar te zien. Wij werden er bediend door lakeien en alles ging met groote deftigheid toe, tot Scipio, nadat wij alleen waren gebleven, aan zijn vroolijkheid lucht kon geven.Wat mij betreft, hoewel hoogst voldaan over mijn schitterende positie, liet ik mij niet verblinden. ’s Nachts sliep ik rustig, terwijl Scipio den halven nacht lag uit te rekenen hoeveel hij later zijn kleine Séraphine wel als bruidschat zou kunnen geven.Den volgenden morgen was ik nauwelijks aangekleed of ik werd bij den minister geroepen.“Santillano,” zei hij, “ge hebt mij gezegd, dat ge bij den hertog de Lerme dikwijls memoires had te redigeeren. Ik heb iets te schrijven, wat voor mij uw proefstuk zal zijn. Ik zal u zeggen, wat de zaak is. Er moet een stuk worden samengesteld, dat het publiek gunstig stemt voor mijn bewind. Reeds heb ik in het geheim het gerucht laten verspreiden, dat ik de zaken in zeer ontredderden toestand heb gevonden. Nu moet het duidelijk worden gemaakt voor het hof en voor het volk, dat de monarchie tot een treurigen staat is vervallen. Er moet daarvan een treffende schilderij worden opgehangen, waardoor het niet mogelijk wordt mijn voorganger te betreuren. Daarna moet ge de maatregelen roemen, die ik reeds heb genomen om de regeering van den koning roemrijk, zijn staten bloeiend en zijn onderdanen volmaakt gelukkig te maken.”Nadat de minister mij dit gezegd had, gaf hij mij een vel papier, waarop de punten stonden, waarover men zich onder de vorige regeering beklaagd had. Er waren tien artikelen en het minste was al gewichtig genoeg om onze goede Spanjaarden in opschudding te brengen.In een klein kabinetje, dat mij als werkkamer was aangewezen, begon ik dadelijk aan mijn werk. Eerst schilderde ik den treurigen staat, waarin zich het koninkrijk bevond; de schatkist uitgeput, de koninklijke inkomsten aangewend ten bate van partijgangers, de marine vervallen. Vervolgens wees ik op de fouten begaan door de laatste regeeringen op de noodlottige gevolgen, die deze konden hebben. Ik beschreef het gevaar waarin het koninkrijk verkeerde en veroordeelde zoo heftig het vorige ministerie, dat het verlies van den hertog volgens mijn geschrift een groot geluk was geweest voor Spanje.Om de waarheid te zeggen speet het mij niet, dat ik den hertog, hoewel ik geen haat tegen hem gevoelde, dezen dienst kon bewijzen. Zoo is nu eenmaal de mensch!Eindelijk, na een somber tafereel van de rampen, die Spanje bedreigden, stelde ik de gemoederen gerust door het licht te werpen op schoone verwachtingen in de toekomst. Ik liet het voorkomen alsof de graaf van Olivarès een bestuurder was, door den hemel voor het heil der natie geschonken. Gouden bergen beloofde ik.In één woord, ik gaf zoo goed de bedoeling van den minister weer, dat hij verrast was over mijn werk, toen hij dat tot het eind had gelezen.“Santillano, ik had nooit gedacht, dat ge zoo goed zulk een stuk zoudt kunnen samenstellen. Weet ge wel, dat dit een werk is een staatssecretaris waardig! Het verwondert mij niet, dat de hertog de Lerme u gelegenheid gaf, uw pen te gebruiken. Uw stijl is sober en toch elegant; alleen vind ik hem hier en daar een weinig te natuurlijk.” Hij bracht eenige kleine veranderingen in mijn werk aan en zond mij als een bewijs van zijne tevredenheid door don Raimond driehonderd pistolen.Hoofdstuk VIVan het gebruik, dat Gil Blas maakte van de driehonderd pistolen en van de zorgen, waarmee hij Scipio belastte. Succes van het stuk, waarvan in het vorige hoofdstuk wordt gesproken.Deze weldaad van den minister gaf Scipio opnieuw aanleiding, om mij te feliciteeren, dat ik aan het hof was gekomen. “Spijt het u nu nog, dat ge uw eenzaamheid hebt verlaten? Leve de graaf! Dat is een andere patroon dan zijn voorganger. De hertog de Lerme liet u, hoe zeer ge aan hem gehecht waart, drie maanden wachten, zonder u iets te geven en de graaf geeft u nu reeds een gratificatie, waarop ge eerst hadt kunnen hopen na langdurige diensten. Ik wilde wel, dat de heeren de Leyva getuigen waren van uw geluk of er althans van wisten!”“Het is tijd,” zei ik, “hen daarvan in kennis te stellen en daarover wilde ik juist met je spreken. Ik twijfel er niet aan, of zij wachten met ongeduld eenig bericht van mij, maar ik heb er mee gewacht hun dat te zenden, tot ik zekerheid had, of ik al dan niet aan het hof zou blijven. Nu ik weet waaraan ik mij heb te houden, kunt ge naar Valencia gaan zoodra ge wilt.”“Wat zullen de heeren blij zijn, als ik zulke goede berichten breng! De twee paarden van don Alphonse staan klaar. Ik zal op weg gaan met een lakei van den graaf. Behalve dat het aangenaam voor mij zal zijn, om een reisgezel te hebben, maakt een livrei van den eersten minister den noodigen indruk.”Ik kon niet nalaten te lachen om de zotte ijdelheidvan mijn secretaris en nochtans, misschien nog ijdeler dan hij, liet ik toe hetgeen hij wilde.“Ga op reis,” zei ik, “en kom spoedig terug, want ik heb nog iets anders voor je te doen. Ik wil je n.l. naar Asturië zenden, om geld aan mijn moeder te brengen. Eenigen tijd geleden reeds had ze honderd pistolen van mij moeten ontvangen en je moet haar die persoonlijk ter hand stellen.”“Het spijt mij, dat ik u niet aan die zaak heb helpen herinneren, maar wees gerust; over zes weken of eerder ben ik terug en ik zal u dan verslag doen van mijn zendingen. Ik zal de heeren de Leyva hebben gesproken, uw kasteel en Oviédo hebben bezocht, aan welke stad ik niet kan denken, na de onaangename behandeling, die wij er hebben ondervonden, zonder driekwart van de bewoners naar den duivel te wenschen.”Hierna gaf ik Scipio honderd pistolen voor mijn moeder en honderd voor hem zelf, opdat het hem op reis aan niets zou ontbreken.Eenige dagen na zijn vertrek liet de minister ons stuk drukken, dat zoodra het publiek werd, het onderwerp uitmaakte van alle gesprekken te Madrid. Het volk, vriend van alles wat nieuw is, was zeer ingenomen met dit geschrift. De uitputting van de financiën, die in levendige kleuren was geschilderd, zette het op tegen den hertog de Lerme.De prachtige belofte, dat de staat zou gaan bloeien, zonder de lasten der onderdanen te verzwaren, bevestigden de goede meening, die men reeds over den eersten minister had en deden zijn lof overal weerklinken.De minister, verheugd dat zijn doel bereikt was, n.l. het winnen van de volksgunst, wilde die nu werkelijk verdienen door een prijzenswaardige daad, die nuttig was voor den koning. Zij, die zich verrijkt hadden, moesten bloeden, hij verminderde alle salarissen, het zijne niet uitgezonderd; ook met de gratificatiën werd niet meer zoo mild omgesprongen.Er was nu echter weer een nieuwe memorie noodig. Bij de samenstelling daarvan gelastte hij mij, mij te verheffen boven mijn gewonen stijl.“Ik begrijp het,” zei ik, “u moet iets verhevens hebben, ik zal daarvoor zorgen.”Daarop ging ik aan het werk, waarbij ik de hulp inriep van den welsprekenden geest van den aartsbisschop van Granada.Ik begon met te zeggen, dat het geld in de koninklijke schatkist met zorg moest worden bewaard en dat het alleen mocht worden aangewend voor de werkelijke behoeften van de monarchie, omdat het een heilig fonds was, dat moest dienen, om de vijanden van Spanje respect in te boezemen. Voorts betoogde ik, dat er geen geld noodig was om de onderdanen, die zich gunsten hadden waardig gemaakt, te onderscheiden. Immers de koning had tal van ambten en betrekkingen tevergeven.Dit stuk, dat veel langer was dan het eerste, hield mij bijna drie dagen bezig, maar gelukkig voldeed het mijn meester, die mij met lof overlaadde. De plaatsen, waar de stijl het meest gezwollen was, roemde hij het hardst. Niettegenstaande zijn betuigingen van tevredenheid, veranderde hij nog veel in het geschrift, dat bij den koning en het hof in zeer goede aarde viel. In de stad juichte men het eveneens toe; men vleide zich, dat de monarchie haar ouden luister zou hernemen onder zulk een minister.Mijn meester, die zooveel eer inoogstte, wilde ook mij van de vruchten doen plukken en liet mij vijfhonderd kronen betalen. Dat scheen mij een zeer behoorlijke belooning van mijn werk en ze was mij te aangenamer, omdat ze niet op slechte wijze was verkregen, al had ik haar dan ook gemakkelijk genoeg verdiend.Hoofdstuk VIIDoor welk toeval, op welke plaats en in welken toestand Gil Blas zijn vriend Fabricius terugvond en van het onderhoud, dat zij samen hadden.Niets was den minister aangenamer, dan te vernemen, wat men in Madrid van het ministerie dacht. Alle dagen vroeg hij mij, wat men van hem zei. Hij had zelfs spionnen, die voor geld hem verslag gaven van al wat er in de stad gebeurde. Zij brachten hem tot het minste gesprek over, dat zij hadden gehoord en daar hij hen beval oprecht te zijn, leed zijn eigenliefde er dikwijls door, want het volk heeft een tong, die niets eerbiedigt.Daar ik bemerkte, dat de graaf zeer op dergelijke rapporten was gesteld, ging ik er ’s avonds op uit, bezocht openbare plaatsen en mengde mij in het gesprek. Werd er over de regeering gesproken, dan luisterde ik scherp toe en maakte den minister deelgenoot van hetgeen ik had vernomen. Echter zorgde ik er wel voor, dat ik hem niets overbracht, wat niet in zijn voordeel was. Het scheen mij toe, dat hij op deze wijze moest worden behandeld.Op een dag, dat ik terugkwam van een dier plaatsen, ging ik langs een hospitaal. Ik kreeg lust naar binnen te gaan en doorliep twee of drie zalen, die vol lagen met zieken.Onder de ongelukkigen, die ik niet zonder medelijden aanschouwde, was er een, die mijn aandacht trok; ik meende in hem Fabricius te herkennen, mijn ouden kameraad. Om hem meer van nabij te zien, naderde ik zijn bed en ik kon er niet aan twijfelen, het was de dichterNunez. Eenige oogenblikken keek ik naar hem zonder iets te zeggen. Van zijn kant herkende hij mij ook. Eindelijk verbrak ik het stilzwijgen: “Mijn oogen bedriegen mij dus niet; is het werkelijk Fabricius, dien ik hier zie?”“Hij is het zelf,” antwoordde hij koel, “en je moet je daarover niet verwonderen. Sedert ik je verlaten heb, heb ik steeds hetzelfde auteursvak beoefend. Ik heb romans en comedies gemaakt, alle soorten geestelijken arbeid verricht. Ik heb mijn weg afgelegd; ik ben in het hospitaal.”Ik kon mij niet weerhouden te glimlachen om zijn woorden en meer nog om den ernstigen toon, waarop hij ze uitsprak.“Wel,” riep ik, “heeft je muze je naar deze plaats geleid! Dan heeft ze je een slechten dienst bewezen!”“Je ziet het,” antwoordde hij, “dit huis dient dikwijls als schuilplaats voor schoone geesten. Jij hebt goed gedaan, met een anderen weg te nemen dan ik. Maar je bent, naar het schijnt, niet meer aan het hof en de zaken zijn veranderd. Ik herinner me zelfs te hebben gehoord, dat je in de gevangenis waart op bevel van den koning.”“Je hebt de waarheid vernomen. De aangename positie, waarin je mij verlaten hebt toen wij scheidden, werd korten tijd daarna gevolgd door een tegenslag van de fortuin, die mij mijn goederen en mijn vrijheid ontnam. Maar mijn vriend, je ziet mij nu nog in een schitterender staat, dan waarin ge mij toen hebt gezien.”“Dat is niet mogelijk,” zei Nunez, “je houding is nu wijs en bescheiden, je hebt niet het ijdel en traag uiterlijk, dat de voorspoed gewoonlijk geeft.”“De tegenspoed heeft mij gelouterd. In die school heb ik geleerd van de rijkdommen te genieten, zonder dat ze mij bezitten.”“Zeg me dan eens wat je nu doet? Ben je intendant bij een groot heer, die zich ruïneert of bij een vermogende weduwe?”“Ik heb een betere betrekking,” zei ik, “maar laat onsdaar niet over spreken. Later zal ik je nieuwsgierigheid bevredigen. Op het oogenblik kan ik mij er toe bepalen je mee te deelen, dat ik in staat ben je genoegen te doen, of beter nog de rest van je dagen behoorlijk te doen slijten, mits je mij belooft, geen werken des geestes meer samen te stellen, noch in verzen, noch in proza. Voel je, dat je in staat bent, mij zulk een offer te brengen?”“Dat heb ik al aan den hemel gedaan in een doodelijke ziekte, waaraan je me nu ontsnapt ziet. Een Dominicaner heeft mij de poëzie doen afzweren, als een vermaak, dat, zoo het al niet misdadig is, dan toch van de wijsheid afbrengt.”“Mijn waarde Nunez, daar feliciteer ik je hartelijk mee. Maar pas op, dat je niet weer terugvalt.”“O, daar is geen gevaar voor. Ik heb een kloek besluit genomen om de muzen te verlaten: toen je hier binnenkwam, was ik juist bezig aan een vers, om ze voor eeuwig vaarwel te zeggen.”“Mijnheer Fabricius, ik weet niet, of wij wel trots kunnen zijn op je eed. Je schijnt woedend verzot te zijn op die geleerde maagden.”“Neen, neen, ik heb alle banden verbroken, die mij aan haar hechtten. Ik deed meer: ik heb een afkeer gekregen van het publiek en mijn haat is gerechtvaardigd. Het verdient niet, dat er auteurs zijn, die het hun werken willen offeren. Ik zou bedroefd zijn, indien ik iets maakte, dat het publiek beviel. Meen niet, dat het verdriet mij die woorden ingeeft; ik spreek in koelen bloede. Ik veracht zoowel de toejuiching, als den afkeer van het publiek, dat grillig is, heden zus denkt en morgen zoo. Wat zijn de dramatische dichters niet gek van ijdelheid, indien hunne stukken slagen! Welk een leven wordt er gemaakt als die stukken voor het eerst worden opgevoerd! Maar ze handhaven zich zelden na dien eersten indruk en worden ze twintig jaar later opgevoerd, dan worden ze slecht ontvangen. Het tegenwoordige geslacht beschuldigt het vorige van slechten smaak en het tegenwoordige zal opzijn beurt weer worden veroordeeld door het komende. Dat heb ik altijd opgemerkt en daaruit heb ik besloten, dat de schrijvers, die nu worden toegejuicht, moeten verwachten, dat ze in de toekomst zullen worden uitgefloten. Zoo gaat het ook met romans. De roem van een werk is niet anders dan een hersenschim, een illusie, een vuur van stroo, waarvan de rook weldra in de lucht zal verdwijnen.”Hoewel ik meende, dat de dichter uit Asturië alleen zoo sprak uit spijtigheid, liet ik dat niet merken.“Het doet mij zeer veel genoegen,” zei ik, “dat je een tegenzin in dat werk hebt gekregen en dat je radikaal bent genezen van je schrijverswoede, je kan er op rekenen, dat ik je dadelijk een betrekking zal geven, waarin je rijk kan worden zonder een groote verspilling van genie.”“Zooveel te beter, de geest doet me stikken en ik beschouw hem als het noodlottigste geschenk, dat de hemel den mensch had kunnen maken.”“Mijn waarde Fabricius, wanneer je er bij blijft, de poëzie te laten varen, dan zal ik je een eerlijke en winstgevende betrekking bezorgen. Maar in afwachting dat ik je dien dienst kan bewijzen, verzoek ik je dit kleine bewijs van mijn vriendschap te willen aanvaarden.” Bij die laatste woorden gaf ik hem een beurs met ongeveer zestig pistolen.“O edelmoedige vriend!” riep de zoon van den barbier Nunez, “hoe kan ik den hemel genoeg danken, dat hij je dit hospitaal heeft doen betreden, dat ik nu kan verlaten!”Voor ik wegging gaf ik hem mijn adres op en verzocht hem mij te komen bezoeken, zoodra zijn gezondheid dat zou toelaten.Een buitengewone verrassing toonde hij, toen ik hem zei, dat ik bij den graaf van Olivarès woonde.“O, al te gelukkige Gil Blas!” riep hij,“wiens lot het is, ministers te behagen; ik verheug mij in je geluk, omdat je er een zoo goed gebruik van maakt.”

Elfde BoekHoofdstuk IVan de grootste vreugde, die Gil Blas ooit gekend heeft en van het treurig ongeluk, dat daarop volgde. Van de veranderingen, die aan het hof plaats hadden en waardoor Gil Blas er terugkeerde.Scipio en ik waren te beminde echtgenooten, om niet spoedig vader te zijn. Béatrix bracht een meisje ter wereld en eenige dagen later overlaadde Antonia ons allen met vreugde door mij een zoon te schenken.Ik zond Scipio naar Valencia, om deze gelukkige tijding aan den gouverneur te gaan meedeelen. Deze kwam zelf met zijn vrouw over om de kinderen ten doop te houden. Mijn zoon werd Alphonse genoemd en het dochtertje van ScipioSéraphine.De geboorte van mijn zoon verheugde niet alleen de bewoners van het kasteel, ook de inwoners van het dorp vierden feest. Maar helaas, onze vreugde was niet van langen duur, of liever gezegd, ze ging spoedig over in weenen en klagen, door het ongeluk dat twintig jaren lang mij nog niet hebben kunnen doen vergeten. Mijn zoon stierf en zijn moeder, hoewel de bevalling voorspoedig was geweest, volgde hem spoedig. Een hevige koorts nam na een huwelijk van veertien maanden mijn lieve vrouw weg.Het verdriet, dat ik had, is niet te beschrijven, ik viel in een soort van verdooving, in een staat van gevoelloosheid. Vijf of zes dagen was ik in dien toestand; ik weigerde alle voedsel en zonder Scipio geloof ik, dat ik zou zijn doodgehongerd. Maar deze slimme secretaris bedacht een middel om mij versterkende middelen te geven; hij boodze mij n.l. met zoo’n somber gezicht aan, dat het den schijn had of ze mijn droefheid moesten in stand houden in plaats van mijn leven.Die trouwe dienaar schreef ook aan don Alphonse, om hem mededeeling te doen van het ongeluk, dat mij had getroffen en van den toestand, waarin ik verkeerde. Mijn edelmoedige vriend kwam dadelijk naar Lirias en ik zal onze ontmoeting nooit vergeten. “Beste Santillano,” zei hij, “ik kom niet om je te troosten maar om met je te weenen over Antonia, zooals gij met mij Séraphine zoudt beweenen, indien ze van mij werd weggenomen.”Hoe gebukt ook onder mijn smart, ik gevoelde toch levendig zijn goedheid.Don Alphonse had een lang onderhoud met Scipioover hetgeen ze konden doen om mij te onttrekken aan mijn verdriet. Zij meenden, dat het beter voor mij zou zijn indien ik mij eenigen tijd verwijderde van Lirias, waar alles mij zonder ophouden aan Antonia herinnerde. De gouverneur stelde mij voor met hem naar Valencia te gaan en ook Scipio drong daarop zoo sterk aan, dat ik toegaf.Toen ik te Valencia was, deden ook don César en zijn schoondochter al het mogelijke om mij te troosten, maar het mocht hun niet gelukken mijn droefgeestigheid te verdrijven. Scipio kwam dikwijls van Lirias om te zien hoe het met mij ging.Op een morgen kwam hij mijn kamer binnenloopen en zei: “Mijnheer, er is door de stad een gerucht verspreid, dat van de grootste beteekenis is voor de geheele monarchie; men zegt, dat koning Filipsniet meer leeft en dat zijn zoon den troon heeft bestegen. Men voegt er aan toe, dat de kardinaal, hertog de Lerme, zijn post heeft verloren en dat don Gaspard de Guzman, graaf van Olivarez, eerste minister is geworden.”Door die tijding voelde ik mij een weinig bewogen, ik wist zelf niet waarom. Scipio, die dat zag, vroeg of ik geen belang stelde in die verandering.“Welk belang zou ik er in stellen?” vroeg ik. “Ik heb het hof verlaten en alle veranderingen daar moeten mij onverschillig zijn.”“Voor een man van uw leeftijd, zijt ge wel wat te beu van de wereld,” zei hij. “In uw plaats zou ik een levendig verlangen hebben.”“Welk verlangen?”“Wel ik zou naar Madrid gaan en den jongen koning mijn gezicht toonen om te zien of hij mij nog herkende. Dat genoegen zou ik mij verschaffen.”“Ik begrijp je al, je zou willen, dat ik naar het hof terugkeerde om er opnieuw mijn fortuin te beproeven, of liever om er weer gierig en eerzuchtig te worden.”“Waarom zou uw karakter er opnieuw bedorven worden?Heb meer vertrouwen in uw eigen deugden!”Glimlachend vroeg ik: “Ben je het moe mij zulk een rustig leven te zien leiden? Ik dacht, dat mijn rust je meer waard was.”Onder dit gesprekkwamendon César en zijn zoon binnen. Zij bevestigden de tijding van den dood van den koning en den val van den hertog de Lerme. Ze wisten voorts nog mee te deelen, dat de hertog, die toestemming had gevraagd om naar Rome te gaan, deze niet had kunnen krijgen en dat hem last was gegeven zich terug te trekken op zijn landgoed te Denia.Vervolgens alsof zij in overeenstemming met Scipio handelden, gaven zij mij den raad naar Madrid te gaan om mij aan den jongen koning te vertoonen, die mij kende en wien ik zelfs diensten had bewezen, die vorsten gaarne beloonen.“Wat mij betreft,” zei don Alphonse, “ik twijfel er niet aan of Filips de Vierde zal de schulden betalen, die hij als prins maakte.”“Ik ben van het zelfde gevoelen,” zei don César, “en ik zie in een bezoek van Santillano aan het hof het middel voor hem om tot hooge posten te worden geroepen.”“Waarlijk heeren!” riep ik, “ik geloof niet, dat ge goed nadenkt, over hetgeen ge zegt. Als men u hoort, zou ik mij naar Madrid hebben te begeven, om dadelijk een man van gewicht te zijn. Maar ge dwaalt. Ik ben er integendeel van overtuigd, dat de koning geen acht op mij zou slaan, indien ik mij vertoonde. Daarvan zou ik u, om u te overtuigen, wel de proef willen geven.”De heeren de Leyva hielden mij aan mijn woord en dwongen mij nu de belofte af, dat ik mij dadelijk naar Madrid zou begeven.Zoodra mijn secretaris mij besloten zag dien tocht te ondernemen, verheugde hij zich ten zeerste. Hij verbeeldde zich, dat ik onmiddellijk na mijn verschijnen aan het hof met eerbewijzen en weldaden zou worden overladen.Ik besloot dus naar het hof terug te keeren niet met het plan de fortuin weer te beproeven, maar om don César en zijn zoon tevreden te stellen. Het is waar, dat ik in den grond van mijn hart eenige nieuwsgierigheid gevoelde om te weten of de jonge vorst mij herkende. Overigens vertrok ik naar Madrid zonder hoop en zonder plan eenig voordeel van de nieuwe regeering te trekken. Scipio vergezelde mij; de zorg voor het kasteel hadden wij overgelaten aan Béatrix, die een goede huishoudster was.Hoofdstuk IIGil Blas begeeft zich naar Madrid; hij verschijnt aan het hof; de koning herkent hem en beveelt hem bij zijn eersten minister aan. Gevolg van die aanbeveling.Nog geen acht dagen later reisden wij naar Madrid; don Alphonse had ons twee van zijn beste paarden gegeven, om sneller te kunnen gaan. Wij gingen logeeren bij Vincent Forero, die ons van vroeger kende.Daar deze hotelhouder er op uit was, om alles te weten wat er aan het hof en in de stad voorviel, vroeg ik hem welk nieuws er was. “Heel wat,” antwoordde hij; “sinds den dood van den koning, hebben de vrienden en partijgangers van den hertog de Lerme alles gedaan, om hem in zijn waardigheid te herstellen, maar hunne pogingen zijn vergeefsch geweest; de graaf van Olivarès heeft het van hen gewonnen. Men beweert, dat Spanje bij die wisseling niet heeft verloren en dat de nieuwe minister zooveel talent bezit, dat hij wel de wereld zou kunnen regeeren. Zeker is het, dat het volk zeer hooge gedachten van hem heeft.”Twee dagen na mijn aankomst te Madrid, ging ik naar het hof en ik zorgde op zijn weg te zijn, toen hij naar zijn kabinet ging. Maar hij zag mij niet. Den volgenden dag keerde ik op dezelfde plaats terug, maar ik was niet gelukkiger. Den derden dag wierp hij in het voorbijgaan, een blik op mij, maar hij scheen niet de minste aandacht aan mijn persoon te schenken. Daar trok ik partij van. “Je ziet wel,” zei ik tegen Scipio, die mij vergezelde, “dat de koning mij niet herkent of indien hij het misschien wel deed er zich niet om bekommert, om de kennismakingmet mij te hernieuwen. Ik geloof, dat wij maar goed zullen doen, als we weer naar Valencia gaan.”“Laten wij daar niet zoo’n haast mee maken, mijnheer, u weet beter dan ik, dat men aan het hof slechts slaagt, indien men geduld heeft. Blijf u aan den jongen koning vertoonen, dan moet hij u wel nauwkeuriger opnemen en dan zal hij zich ongetwijfeld uw werk bij de schoone Catalina herinneren.”Opdat Scipio mij niets te verwijten zou hebben, bleef ik het drie weken volhouden, om geregeld aan het hof te verschijnen en op zekeren dag werd de koning door mijn gezicht getroffen en liet hij mij roepen.Ik trad zijn kabinet binnen, wel eenigszins zenuwachtig, mij alleen te bevinden met mijn vorst.“Wie zijt gij?” vroeg hij. “Uw trekken komen mij niet onbekend voor. Waar kan ik u hebben gezien?”“Sire. Ik heb de eer gehad u eens op een nacht met den graaf de Lemos te begeleiden naar....”“Ah! Ik herinner het mij; gij waart de secretaris van den hertog de Lerme en uw naamis, als ik mij niet bedrieg, Santillano. Ik heb niet vergeten, dat ge mij bij die gelegenheid diensten hebt bewezen en dat ge daarvoor slecht zijt beloond geworden. Zijt ge niet in de gevangenis geweest voor dat avontuur?”“Ja Sire,” antwoordde ik, “ik ben zes maanden in Ségovia opgesloten geweest, maar door uwe goedheid werd ik bevrijd.”“Daarmee is onze rekening niet vereffend. ’t Was niet voldoende u in vrijheid te stellen; op andere wijze zal ik goedmaken, wat ge uit liefde voor mij hebt geleden.”Toen de vorst die laatste woorden had uitgesproken, kwam de graaf van Olivarès in het kabinet. Hij was verbaasd daar een onbekende te zien en zijn verwondering nam nog toe, toen de koning zei: “graaf, ik beveel u dezen jongen man aan, wil er voor zorgen, dat hij vooruit komt.” De minister boog en nam mij van het hoofd tot de voeten op, zeer benieuwd, te weten wie ik was. Dekoning gaf mij een wenk om te vertrekken en zei: “Mijn vriend, de minister zal niet nalaten een nuttig gebruik van uw diensten te maken en daarbij aan uw belangen te denken.”Ik verliet het kabinet en trad op Scipio toe, die zeer verlangend was om te vernemen, wat de koning had gezegd.“Naar uw gezicht te oordeelen,” zei hij, “zullen wij inplaats van naar Valencia terug te keeren, wel hier blijven wonen.” Woord voor woord vertelde ik hem daarna het korte onderhoud, dat ik met den koning had gehad.“Beken nu maar,” riep hij, “dat ik u geen slechten dienst heb bewezen, door aan te dringen op uw reis naar Madrid. Reeds zie ik u in een prachtige positie. Ge zult de Calderone worden van den graaf van Olivarès.”“Dat zou ik niet willen. Liever had ik een plaats, waar ik geen gelegenheid had, om onrechtvaardigheden tebegaan, of misbruik te maken van de goedheid van den koning. Na het gebruik, dat ik in het verleden van mijn positie heb gemaakt, kan ik mij niet genoeg wachten voor de gierigheid en de eerzucht.”“De minister,” zei Scipio, “zal u wel een goede betrekking geven, die ge kunt vervullen zonder op te houden een eerlijk man te zijn.”Den volgenden morgen ging ik naar den graaf die gewoon was vóór zonsopgangaudiëntiete verleenen. Ik ging in een hoek van de zaal staan en daar nam ik den graaf goed op, want ik had in het kabinet van den koning weinig aandacht aan zijn persoon kunnen schenken. Hij was een groote man, niet knap van uiterlijk. Alle menschen, die met hem moesten spreken, ontving hij met zekere welwillendheid en vriendelijk nam hij de verzoekschriften in ontvangst, die men hem aanbood. Toen het echter mijn beurt was om hem te naderen, wierp hij mij een koelen blik toe, keerde mij den rug toe zonder zich te verwaardigen mij aan te hooren en ging weer in zijn kabinet. Ik vond hem toen nog leelijker dan hij door de natuur reeds was en verliet de zaal, zeer verbaasd over zulk een ontvangst, en niet wetende, wat ik er van moest denken.“Weet je,” vroeg ik aan Scipio, die mij buiten opwachtte, “welke ontvangst men mij heeft bereid?”“Neen,” antwoordde hij, “maar dat is niet moeilijk te raden. De minister zal u overeenkomstig den wensch van den koning een mooie betrekking hebben aangeboden.” “Daar bedrieg je je in,” antwoordde ik en vertelde hem vervolgens wat er was gebeurd.Hij luisterde aandachtig toe en zei daarop: “De graaf moet u niet hebben herkend of voor een ander hebben aangezien. Ik raad u aan hem nog eens te bezoeken, dan zal hij u wel op een andere wijze ontvangen.”Ik volgde den raad van mijn secretaris en bezocht den minister weer, die mij echter zoo mogelijk nog onbeleefder behandelde dan den eersten keer.Daarover was ik zoo verontwaardigd, dat ik onmiddellijknaar Valencia wilde teruggaan. Scipio verzette zich daartegen, hij kon nog maar niet besluiten zijn hoopvolle verwachtingen op te geven.“Zie je niet,” vroeg ik hem, “dat de minister mij van het hof wil verwijderen? De koning heeft zijn genegenheid voor mij betuigd, maar die is niet voldoende om den tegenzin van zijn gunsteling te overwinnen. Laten wij dus dien geduchten vijand ontloopen.”“In uw geval,” antwoordde hij, “zou ik niet zoo gemakkelijk het terrein vrijlaten. Ik zou opheldering willen hebben over die ontvangst en mij bij den koning gaan beklagen, dat de minister zoo weinig acht heeft geslagen op zijn aanbeveling.”“Dat is een slechte raad, mijn vriend, en het zou mij zeker berouwen, indien ik zulk een onvoorzichtigen stap deed. Zelfs ben ik er niet zeker van of ik niet eenig gevaar loop, door hier langer in de stad te blijven.”Mijn secretaris begon na te denken. Hij zag in, dat wij met een man te doen hadden, die ons misschien naar den toren van Ségovië kon zenden en verzette zich dus niet langer tegen ons vertrek uit Madrid, dat wij besloten den volgenden dag te verlaten.Hoofdstuk IIIWat Gil Blas belette zijn voornemen uit te voeren en het hof te verlaten en van den gewichtigen dienst, dien Joseph Navarro hem bewees.Op den terugweg naar het hotel ontmoette ik Joseph Navarro, chef van dienst bij don Balthazar de Zuniga en mijn ouden vriend. Ik twijfelde een oogenblik, of ik zou doen alsof ik hem niet zag, dan wel of ik hem vergiffenis zou vragen, dat ik hem zoo slecht had behandeld. Ik besloot tot het laatste, groette en hield hem staande met de woorden: “herkent ge me? En wilt ge nog zoo goed zijn, om te spreken met iemand, die met ondankbaarheid uw vriendschap voor hem heeft vergolden?”“Ge bekent dus, dat ge niet goed tegenover mij hebt gehandeld?” vroeg hij.“Ja,” antwoordde ik, “en ge zijt in uw recht, wanneer ge mij overlaadt met verwijten. Ik kan u echter verzekeren, dat het gebeurde mij oprecht spijt.”“Als dat zoo is,” riep Navarro, “dan zullen wij het gebeurde maar vergeten.” En wij drukten elkaar hartelijk de hand.Hij had van mijn gevangenneming gehoord, maar wist niet, wat er verder met mij was gebeurd. Ik vertelde hem dat, deelde hem ook mee, dat ik een onderhoud had gehad met den jongen koning, sprak daarna van de slechte ontvangst bij den minister en van mijn voornemen, om de eenzaamheid weer te gaan opzoeken.“Ga in geen geval weg,” zei hij; “dat de koning u zijn vriendschap heeft betuigd, moet u in ieder geval van groot voordeel zijn. Onder ons gezegd is de minister eenfantastisch en eigenaardig heer; hij zit vol grillen. Soms, zooals in dit geval, gedraagt hij zich onuitstaanbaar en hij zelf alleen heeft den sleutel van zijn vreemdsoortige daden. Overigens, wat voor reden hij ook gehad kan hebben voor de slechte ontvangst, houd voet bij stuk en profiteer van de vriendschap van den koning. Vanavond zal ik er een paar woorden over spreken met don Balthazar de Zuniga, mijn meester, die de oom is van den graaf en nu met hem in de regeering zit.”Navarro vroeg mij vervolgens nog mijn adres en daarna scheidden wij.Den volgenden dag al zag ik hem weer bij mij. “Mijnheer de Santillano,” zei hij, “ge hebt een beschermer, mijn meester wil u helpen. Na alles wat ik hem van u heb gezegd, heeft hij mij beloofd, met zijn neef over u te spreken en ik twijfel er niet aan of dat zal in uw voordeel zijn.”Twee dagen later stelde Navarro mij voor aan don Balthazar, die mij zeer vriendelijk ontving. “Mijnheer de Santillano,” zei hij, “uw vriend Joseph heeft mij zooveel goeds van u verteld, dat het mij een genoegen is, u van dienst te kunnen zijn.”Ik maakte een diepe buiging en antwoordde, dat ik zeer veel verplichting had aan Navarro, die mij de protectie had verschaft van een staatsman, dien men met recht “den fakkel van den ministerraad” noemde.Bij dit vleiend antwoord klopte don Balthazar mij lachend op den schouder en zei: “Ge moet morgen nog maar eens naar den eersten minister gaan, dan zult ge wel beter over hem tevreden zijn.”Zoo verscheen ik dus voor de derde maal bij den minister. Zoodra deze mij onder de menigte zag, wierp hij mij een blik toe, die vergezeld ging van een glimlach. Dat wekte bij mij de verwachting op van een betere ontvangst en deze werd niet bedrogen.Nadat de audientie was afgeloopen, liet de graaf mij in zijn kabinet gaan, waar hij zei: “Mijn vriend Santillano,neem mij niet kwalijk, dat ik, om mij te vermaken u eenige onaangename oogenblikken heb bezorgd. Ik wilde eens een proef met u nemen en zien, wat ge in uw boosheid zoudt doen. Ge hebt u zeker verbeeld niet in mijn smaak te vallen, maar ik kan u het tegendeel verzekeren. Ook al had de koning u niet bij mij aanbevolen, dan zou ik u toch hebben vooruitgeholpen uit eigen beweging. Bovendien heeft mijn oom, don Balthazar de Zuniga, wien ik niets kan weigeren, in uw belang gesproken.”Na wat er vooraf gegaan was, was deze vriendelijke ontvangst mij dubbel aangenaam.“Kom in den namiddag hier terug en vervoeg u bij mijn intendant. Ik zal hem orders omtrent u geven.” Met die woorden verliet de minister mij om naar gewoonte de mis te gaan hooren en daarna den koning te bezoeken.Hoofdstuk IVGil Blas maakt zich bemind bij den graaf van Olivarès.Na den middag was ik terug bij den eersten minister en vroeg naar zijn intendant, die don Raimond Caporis heette. Zoodra ik mijn naam had genoemd, ontving hij mij met alle teekenen van eerbied. Hij verzocht mij hem te volgen en bracht mij naar een vleugel van de tweede verdieping. “Hier heeft de minister voor u een woning ingericht. Ge zult iederen dag op zijn kosten een tafel hebben van zes couverts, door zijn eigen personeel worden bediend en er zal steeds een koets tot uw beschikking zijn. Dat is nog niet alles, de minister heeft mij uitdrukkelijk bevolen dezelfde zorgen voor u te hebben, alsof ge tot zijn familie zoudt behooren.”“Wat voor den duivel!” zei ik in stilte,“zou dat alles beteekenen? Hoe moet ik die onderscheidingen opvatten? Zou de minister zich weer ten koste van mij willen vermaken? Maar komt zoo iets eigenlijk wel te pas voor een minister van den kroon?”Terwijl ik zoo in die onzekerheid tusschen hoop en vrees zweefde, kwam een page mij zeggen, dat de graaf mij wenschte te zien. Onmiddellijk begaf ik mij naar zijn kabinet, waar ik hem alleen vond.“Welnu Santillano, zijt gij tevreden over uw logies en over de bevelen, die ik don Raimond heb gegeven?”“Excellentie,” antwoordde ik, “uw goedheid is zoo overstelpend groot, dat ze mij verlegen maakt.”“Waarom?” vroeg hij. “Kan ik wel te veel eer bewijzen aan een man, die mij door den koning speciaal is aanbevolen? Ik doe niet anders dan mijn plicht, wanneer ik uop zulk een wijze behandel. Verwonder u niet over hetgeen ik voor u doe en reken erop, dat een schitterende positie u niet zal ontgaan, indien ge aan mij even gehecht blijft, als aan den hertog de Lerme. Maar van dien heer gesproken, men zegt, dat hij zeer intiem met u was. Ik ben benieuwd te weten, hoe gij met elkaar hebt kennis gemaakt en welk werk hij liet doen. Verberg mij niets; ik vraag van u een oprecht en getrouw verhaal.”Ikherinnerdemij op dat oogenblik de verlegenheid, waarin ik verkeerde, toen ik mij tegenover den hertog de Lerme in een zelfden toestand bevond en op welke wijze ik mij er toen had uitgered. Diezelfde practijk deed mij ook nu weer dienst. Ikverzachttede ruwe kanten van mijn verhaal en liep licht heen over de zaken, die mij weinig eer aandeden. Ook spaarde ik den hertog de Lerme, hoewel ik mijn toehoorder misschien meer genoegen had gedaan, door het tegendeel. Wat don Rodrigo de Calderone aanging, hem ontzag ik in geen enkel opzicht. Ik deelde alles mee, wat mij bekend was van zijn kunstgrepen in het begeven van betrekkingen, het verleenen van gratificatiën als anderszins.“Wat ge mij van Calderone zegt,” zei de minister, “komt overeen met zekere memoires, die men bij mij tegen hem heeft ingediend en die nog zwaardere beschuldigingen bevatten. Men zal weldra zijn vonnis beteekenen en wanneer ge wenscht, dat hij de doodstraf zal ondergaan, dan zal uw wensch, geloof ik, worden bevredigd.”“Ik wensch zijn dood niet,” zei ik, “hoewel het niet aan hem gelegen heeft, dat ik den mijne niet heb gevonden in den toren van Ségovië, waar hij mij zoolang heeft laten gevangen houden.”“Hoe!” riep de minister verwonderd, “heeft don Rodrigo uw gevangenschap veroorzaakt? Dat is iets, wat ik niet wist. Don Balthazar, aan wien Navarro uw geschiedenis heeft verteld, zei me wel, dat wijlen de koning u liet opsluiten, om u ervoor te straffen, dat ge den prins op een verdachte plaats hadt gebracht, maar ik kan mij nietdenken, welke rol Calderone in dit stuk heeft gespeeld.”“Die van een minnaar, die zich wil wreken,” antwoordde ik en ik vertelde hem haarfijn, hoe de zaak zich had toegedragen. Hoe ernstig hij ook anders was, moest hij nu toch herhaaldelijk lachen. Vooral Catalina, nu eens nicht en dan weer kleindochter, vermaakte hem zeer en niet minder het deel, dat de hertog de Lerme in de zaak had gehad.Toen ik mijn verhaal had geëindigd, liet de graaf mij gaan met de toezegging, dat hij mij den volgenden dag werk zou geven. Dadelijk ging ik naar don Balthazar, om hem te bedanken voor de mij bewezen diensten en naar mijn vriend Joseph, wien ik een getrouw verslag wilde doen van al wat er tusschen den eersten minister en mij was besproken.Hoofdstuk VVan het geheime onderhoud, dat Gil Blas had met Navarro en van het eerste werk, dat de graaf van Olivarès hem gaf.Zoodra ik Joseph zag, zei ik hem, dat ik hem verschillende zaken had mee te deelen. Hij bracht mij daarop naar een vertrek, waar wij ongestoord konden spreken. Nadat ik hem alles verteld had vroeg ik, wat hij ervan dacht.“Ik denk,” antwoordde hij, “dat ge op weg zijt fortuin te maken. Alles lacht u toe. Ge bevalt den eersten minister en wat niet onderschat moet worden, ik kan u denzelfden dienst bewijzen, dien mijn oom Melchior de la Ronda u bewees, toen ge in dienst kwaamt bij den aartsbisschop van Granada. Hij bespaarde u de bestudeering van den prelaat en van de voornaamste personen van zijn huis, door u tevoren hunne verschillende karakters te beschrijven; op zijn voorbeeld wil ik u den graaf doen kennen, de gravin en dona Maria de Guzman, hunne eenige dochter.“Laten wij dan beginnen met den minister. Hij is levendig, scherpzinnig en geschikt om groote plannen te vormen. Hij geeft zich uit voor een veelzijdig man, omdat hij eenig besef heeft van verschillende wetenschappen. Hij verbeeldt zich een bekwaam rechtsgeleerde, een groot krijgsman en een fijn staatsman te zijn. Bovendien is hij zeer koppig en vindt hij zijn eigen meening steeds de beste. Ik moet daarbij voegen, dat hij van natuur een groote welsprekendheid heeft gekregen; ook schrijft hij goed. Zooals ik u reeds gezegd heb, is hij zeer grillig. Dit voor zoover zijn hoofd betreft; wat zijn hart aangaat is hij edelmoedig eneen trouw vriend. Men zegt, dat hij wraakzuchtig is, maar welke Spanjaard is dat niet? Ook zegt men, dat hij ondankbaar is, omdat hij den Hertog d’Uzède en Broeder Louis Aliaga heeft doen verbannen, aan wie hij groote verplichtingen had maar ook dit is te vergeven; het verlangen om eerste Minister te worden stelt iemand wel vrij van den plicht der dankbaarheid.Dona Agnès de Zuniga é Velasco, de gravin, is een dame, van wie ik alleen dit gebrek weet, dat ze de gunsten, die zij weet te verwerven, met ponden gouds laat betalen.Wat dona Maria de Guzman aangaat, zij kan doorgaan voor een voortreffelijk meisje en is het ideaal van haar vader. Regel u daarnaar. Maak het hof aan de dames en toon u aan den graaf even trouw, als ge het waart aan den hertog de Lerme, voor hij u naar Ségovia zond.Ook zou ik u nog raden, om nu en dan don Balthazar, mijn meester, te bezoeken. Hoewel ge hem nu niet direct meer noodig hebt, kan het geen kwaad zijn vriendschap te bewaren, want de gelegenheid kan zich voordoen, dat hij u van dienst kan zijn.”“Zou er,” vroeg ik Navarro, “nu oom en neef samen den staat besturen, geen gevaar kunnen bestaan, dat er jaloezie tusschen hen rees?”“Neen, want toen ze na den dood van den koning zoo handig hadden gemanoeuvreerd, dat ze het van al hun vijanden en mededingers wonnen, hebben ze de werkzaamheden zoo geregeld, dat ze daarin onafhankelijk van elkaar zijn. De neef, die eerste minister werd, heeft aan zijn oom de buitenlandsche aangelegenheden opgedragen en zichzelf met die van het binnenland belast.”Na dit onderhoud met Joseph, waarvan ik mij voornam te profiteeren, zocht ik den heer de Zuniga op, om hem te bedanken voor zijn goedheid. Hij antwoordde mij zeer beleefd, dat ik ook in het vervolg op zijn hulp zou kunnen rekenen, wanneer ik die mocht noodig hebben.Denzelfden avond verliet ik mijn hotel, om mijn intrek te nemen bij den eersten minister, waar ik met Scipio inmijn kamer soupeerde. Het was de moeite waard ons daar te zien. Wij werden er bediend door lakeien en alles ging met groote deftigheid toe, tot Scipio, nadat wij alleen waren gebleven, aan zijn vroolijkheid lucht kon geven.Wat mij betreft, hoewel hoogst voldaan over mijn schitterende positie, liet ik mij niet verblinden. ’s Nachts sliep ik rustig, terwijl Scipio den halven nacht lag uit te rekenen hoeveel hij later zijn kleine Séraphine wel als bruidschat zou kunnen geven.Den volgenden morgen was ik nauwelijks aangekleed of ik werd bij den minister geroepen.“Santillano,” zei hij, “ge hebt mij gezegd, dat ge bij den hertog de Lerme dikwijls memoires had te redigeeren. Ik heb iets te schrijven, wat voor mij uw proefstuk zal zijn. Ik zal u zeggen, wat de zaak is. Er moet een stuk worden samengesteld, dat het publiek gunstig stemt voor mijn bewind. Reeds heb ik in het geheim het gerucht laten verspreiden, dat ik de zaken in zeer ontredderden toestand heb gevonden. Nu moet het duidelijk worden gemaakt voor het hof en voor het volk, dat de monarchie tot een treurigen staat is vervallen. Er moet daarvan een treffende schilderij worden opgehangen, waardoor het niet mogelijk wordt mijn voorganger te betreuren. Daarna moet ge de maatregelen roemen, die ik reeds heb genomen om de regeering van den koning roemrijk, zijn staten bloeiend en zijn onderdanen volmaakt gelukkig te maken.”Nadat de minister mij dit gezegd had, gaf hij mij een vel papier, waarop de punten stonden, waarover men zich onder de vorige regeering beklaagd had. Er waren tien artikelen en het minste was al gewichtig genoeg om onze goede Spanjaarden in opschudding te brengen.In een klein kabinetje, dat mij als werkkamer was aangewezen, begon ik dadelijk aan mijn werk. Eerst schilderde ik den treurigen staat, waarin zich het koninkrijk bevond; de schatkist uitgeput, de koninklijke inkomsten aangewend ten bate van partijgangers, de marine vervallen. Vervolgens wees ik op de fouten begaan door de laatste regeeringen op de noodlottige gevolgen, die deze konden hebben. Ik beschreef het gevaar waarin het koninkrijk verkeerde en veroordeelde zoo heftig het vorige ministerie, dat het verlies van den hertog volgens mijn geschrift een groot geluk was geweest voor Spanje.Om de waarheid te zeggen speet het mij niet, dat ik den hertog, hoewel ik geen haat tegen hem gevoelde, dezen dienst kon bewijzen. Zoo is nu eenmaal de mensch!Eindelijk, na een somber tafereel van de rampen, die Spanje bedreigden, stelde ik de gemoederen gerust door het licht te werpen op schoone verwachtingen in de toekomst. Ik liet het voorkomen alsof de graaf van Olivarès een bestuurder was, door den hemel voor het heil der natie geschonken. Gouden bergen beloofde ik.In één woord, ik gaf zoo goed de bedoeling van den minister weer, dat hij verrast was over mijn werk, toen hij dat tot het eind had gelezen.“Santillano, ik had nooit gedacht, dat ge zoo goed zulk een stuk zoudt kunnen samenstellen. Weet ge wel, dat dit een werk is een staatssecretaris waardig! Het verwondert mij niet, dat de hertog de Lerme u gelegenheid gaf, uw pen te gebruiken. Uw stijl is sober en toch elegant; alleen vind ik hem hier en daar een weinig te natuurlijk.” Hij bracht eenige kleine veranderingen in mijn werk aan en zond mij als een bewijs van zijne tevredenheid door don Raimond driehonderd pistolen.Hoofdstuk VIVan het gebruik, dat Gil Blas maakte van de driehonderd pistolen en van de zorgen, waarmee hij Scipio belastte. Succes van het stuk, waarvan in het vorige hoofdstuk wordt gesproken.Deze weldaad van den minister gaf Scipio opnieuw aanleiding, om mij te feliciteeren, dat ik aan het hof was gekomen. “Spijt het u nu nog, dat ge uw eenzaamheid hebt verlaten? Leve de graaf! Dat is een andere patroon dan zijn voorganger. De hertog de Lerme liet u, hoe zeer ge aan hem gehecht waart, drie maanden wachten, zonder u iets te geven en de graaf geeft u nu reeds een gratificatie, waarop ge eerst hadt kunnen hopen na langdurige diensten. Ik wilde wel, dat de heeren de Leyva getuigen waren van uw geluk of er althans van wisten!”“Het is tijd,” zei ik, “hen daarvan in kennis te stellen en daarover wilde ik juist met je spreken. Ik twijfel er niet aan, of zij wachten met ongeduld eenig bericht van mij, maar ik heb er mee gewacht hun dat te zenden, tot ik zekerheid had, of ik al dan niet aan het hof zou blijven. Nu ik weet waaraan ik mij heb te houden, kunt ge naar Valencia gaan zoodra ge wilt.”“Wat zullen de heeren blij zijn, als ik zulke goede berichten breng! De twee paarden van don Alphonse staan klaar. Ik zal op weg gaan met een lakei van den graaf. Behalve dat het aangenaam voor mij zal zijn, om een reisgezel te hebben, maakt een livrei van den eersten minister den noodigen indruk.”Ik kon niet nalaten te lachen om de zotte ijdelheidvan mijn secretaris en nochtans, misschien nog ijdeler dan hij, liet ik toe hetgeen hij wilde.“Ga op reis,” zei ik, “en kom spoedig terug, want ik heb nog iets anders voor je te doen. Ik wil je n.l. naar Asturië zenden, om geld aan mijn moeder te brengen. Eenigen tijd geleden reeds had ze honderd pistolen van mij moeten ontvangen en je moet haar die persoonlijk ter hand stellen.”“Het spijt mij, dat ik u niet aan die zaak heb helpen herinneren, maar wees gerust; over zes weken of eerder ben ik terug en ik zal u dan verslag doen van mijn zendingen. Ik zal de heeren de Leyva hebben gesproken, uw kasteel en Oviédo hebben bezocht, aan welke stad ik niet kan denken, na de onaangename behandeling, die wij er hebben ondervonden, zonder driekwart van de bewoners naar den duivel te wenschen.”Hierna gaf ik Scipio honderd pistolen voor mijn moeder en honderd voor hem zelf, opdat het hem op reis aan niets zou ontbreken.Eenige dagen na zijn vertrek liet de minister ons stuk drukken, dat zoodra het publiek werd, het onderwerp uitmaakte van alle gesprekken te Madrid. Het volk, vriend van alles wat nieuw is, was zeer ingenomen met dit geschrift. De uitputting van de financiën, die in levendige kleuren was geschilderd, zette het op tegen den hertog de Lerme.De prachtige belofte, dat de staat zou gaan bloeien, zonder de lasten der onderdanen te verzwaren, bevestigden de goede meening, die men reeds over den eersten minister had en deden zijn lof overal weerklinken.De minister, verheugd dat zijn doel bereikt was, n.l. het winnen van de volksgunst, wilde die nu werkelijk verdienen door een prijzenswaardige daad, die nuttig was voor den koning. Zij, die zich verrijkt hadden, moesten bloeden, hij verminderde alle salarissen, het zijne niet uitgezonderd; ook met de gratificatiën werd niet meer zoo mild omgesprongen.Er was nu echter weer een nieuwe memorie noodig. Bij de samenstelling daarvan gelastte hij mij, mij te verheffen boven mijn gewonen stijl.“Ik begrijp het,” zei ik, “u moet iets verhevens hebben, ik zal daarvoor zorgen.”Daarop ging ik aan het werk, waarbij ik de hulp inriep van den welsprekenden geest van den aartsbisschop van Granada.Ik begon met te zeggen, dat het geld in de koninklijke schatkist met zorg moest worden bewaard en dat het alleen mocht worden aangewend voor de werkelijke behoeften van de monarchie, omdat het een heilig fonds was, dat moest dienen, om de vijanden van Spanje respect in te boezemen. Voorts betoogde ik, dat er geen geld noodig was om de onderdanen, die zich gunsten hadden waardig gemaakt, te onderscheiden. Immers de koning had tal van ambten en betrekkingen tevergeven.Dit stuk, dat veel langer was dan het eerste, hield mij bijna drie dagen bezig, maar gelukkig voldeed het mijn meester, die mij met lof overlaadde. De plaatsen, waar de stijl het meest gezwollen was, roemde hij het hardst. Niettegenstaande zijn betuigingen van tevredenheid, veranderde hij nog veel in het geschrift, dat bij den koning en het hof in zeer goede aarde viel. In de stad juichte men het eveneens toe; men vleide zich, dat de monarchie haar ouden luister zou hernemen onder zulk een minister.Mijn meester, die zooveel eer inoogstte, wilde ook mij van de vruchten doen plukken en liet mij vijfhonderd kronen betalen. Dat scheen mij een zeer behoorlijke belooning van mijn werk en ze was mij te aangenamer, omdat ze niet op slechte wijze was verkregen, al had ik haar dan ook gemakkelijk genoeg verdiend.Hoofdstuk VIIDoor welk toeval, op welke plaats en in welken toestand Gil Blas zijn vriend Fabricius terugvond en van het onderhoud, dat zij samen hadden.Niets was den minister aangenamer, dan te vernemen, wat men in Madrid van het ministerie dacht. Alle dagen vroeg hij mij, wat men van hem zei. Hij had zelfs spionnen, die voor geld hem verslag gaven van al wat er in de stad gebeurde. Zij brachten hem tot het minste gesprek over, dat zij hadden gehoord en daar hij hen beval oprecht te zijn, leed zijn eigenliefde er dikwijls door, want het volk heeft een tong, die niets eerbiedigt.Daar ik bemerkte, dat de graaf zeer op dergelijke rapporten was gesteld, ging ik er ’s avonds op uit, bezocht openbare plaatsen en mengde mij in het gesprek. Werd er over de regeering gesproken, dan luisterde ik scherp toe en maakte den minister deelgenoot van hetgeen ik had vernomen. Echter zorgde ik er wel voor, dat ik hem niets overbracht, wat niet in zijn voordeel was. Het scheen mij toe, dat hij op deze wijze moest worden behandeld.Op een dag, dat ik terugkwam van een dier plaatsen, ging ik langs een hospitaal. Ik kreeg lust naar binnen te gaan en doorliep twee of drie zalen, die vol lagen met zieken.Onder de ongelukkigen, die ik niet zonder medelijden aanschouwde, was er een, die mijn aandacht trok; ik meende in hem Fabricius te herkennen, mijn ouden kameraad. Om hem meer van nabij te zien, naderde ik zijn bed en ik kon er niet aan twijfelen, het was de dichterNunez. Eenige oogenblikken keek ik naar hem zonder iets te zeggen. Van zijn kant herkende hij mij ook. Eindelijk verbrak ik het stilzwijgen: “Mijn oogen bedriegen mij dus niet; is het werkelijk Fabricius, dien ik hier zie?”“Hij is het zelf,” antwoordde hij koel, “en je moet je daarover niet verwonderen. Sedert ik je verlaten heb, heb ik steeds hetzelfde auteursvak beoefend. Ik heb romans en comedies gemaakt, alle soorten geestelijken arbeid verricht. Ik heb mijn weg afgelegd; ik ben in het hospitaal.”Ik kon mij niet weerhouden te glimlachen om zijn woorden en meer nog om den ernstigen toon, waarop hij ze uitsprak.“Wel,” riep ik, “heeft je muze je naar deze plaats geleid! Dan heeft ze je een slechten dienst bewezen!”“Je ziet het,” antwoordde hij, “dit huis dient dikwijls als schuilplaats voor schoone geesten. Jij hebt goed gedaan, met een anderen weg te nemen dan ik. Maar je bent, naar het schijnt, niet meer aan het hof en de zaken zijn veranderd. Ik herinner me zelfs te hebben gehoord, dat je in de gevangenis waart op bevel van den koning.”“Je hebt de waarheid vernomen. De aangename positie, waarin je mij verlaten hebt toen wij scheidden, werd korten tijd daarna gevolgd door een tegenslag van de fortuin, die mij mijn goederen en mijn vrijheid ontnam. Maar mijn vriend, je ziet mij nu nog in een schitterender staat, dan waarin ge mij toen hebt gezien.”“Dat is niet mogelijk,” zei Nunez, “je houding is nu wijs en bescheiden, je hebt niet het ijdel en traag uiterlijk, dat de voorspoed gewoonlijk geeft.”“De tegenspoed heeft mij gelouterd. In die school heb ik geleerd van de rijkdommen te genieten, zonder dat ze mij bezitten.”“Zeg me dan eens wat je nu doet? Ben je intendant bij een groot heer, die zich ruïneert of bij een vermogende weduwe?”“Ik heb een betere betrekking,” zei ik, “maar laat onsdaar niet over spreken. Later zal ik je nieuwsgierigheid bevredigen. Op het oogenblik kan ik mij er toe bepalen je mee te deelen, dat ik in staat ben je genoegen te doen, of beter nog de rest van je dagen behoorlijk te doen slijten, mits je mij belooft, geen werken des geestes meer samen te stellen, noch in verzen, noch in proza. Voel je, dat je in staat bent, mij zulk een offer te brengen?”“Dat heb ik al aan den hemel gedaan in een doodelijke ziekte, waaraan je me nu ontsnapt ziet. Een Dominicaner heeft mij de poëzie doen afzweren, als een vermaak, dat, zoo het al niet misdadig is, dan toch van de wijsheid afbrengt.”“Mijn waarde Nunez, daar feliciteer ik je hartelijk mee. Maar pas op, dat je niet weer terugvalt.”“O, daar is geen gevaar voor. Ik heb een kloek besluit genomen om de muzen te verlaten: toen je hier binnenkwam, was ik juist bezig aan een vers, om ze voor eeuwig vaarwel te zeggen.”“Mijnheer Fabricius, ik weet niet, of wij wel trots kunnen zijn op je eed. Je schijnt woedend verzot te zijn op die geleerde maagden.”“Neen, neen, ik heb alle banden verbroken, die mij aan haar hechtten. Ik deed meer: ik heb een afkeer gekregen van het publiek en mijn haat is gerechtvaardigd. Het verdient niet, dat er auteurs zijn, die het hun werken willen offeren. Ik zou bedroefd zijn, indien ik iets maakte, dat het publiek beviel. Meen niet, dat het verdriet mij die woorden ingeeft; ik spreek in koelen bloede. Ik veracht zoowel de toejuiching, als den afkeer van het publiek, dat grillig is, heden zus denkt en morgen zoo. Wat zijn de dramatische dichters niet gek van ijdelheid, indien hunne stukken slagen! Welk een leven wordt er gemaakt als die stukken voor het eerst worden opgevoerd! Maar ze handhaven zich zelden na dien eersten indruk en worden ze twintig jaar later opgevoerd, dan worden ze slecht ontvangen. Het tegenwoordige geslacht beschuldigt het vorige van slechten smaak en het tegenwoordige zal opzijn beurt weer worden veroordeeld door het komende. Dat heb ik altijd opgemerkt en daaruit heb ik besloten, dat de schrijvers, die nu worden toegejuicht, moeten verwachten, dat ze in de toekomst zullen worden uitgefloten. Zoo gaat het ook met romans. De roem van een werk is niet anders dan een hersenschim, een illusie, een vuur van stroo, waarvan de rook weldra in de lucht zal verdwijnen.”Hoewel ik meende, dat de dichter uit Asturië alleen zoo sprak uit spijtigheid, liet ik dat niet merken.“Het doet mij zeer veel genoegen,” zei ik, “dat je een tegenzin in dat werk hebt gekregen en dat je radikaal bent genezen van je schrijverswoede, je kan er op rekenen, dat ik je dadelijk een betrekking zal geven, waarin je rijk kan worden zonder een groote verspilling van genie.”“Zooveel te beter, de geest doet me stikken en ik beschouw hem als het noodlottigste geschenk, dat de hemel den mensch had kunnen maken.”“Mijn waarde Fabricius, wanneer je er bij blijft, de poëzie te laten varen, dan zal ik je een eerlijke en winstgevende betrekking bezorgen. Maar in afwachting dat ik je dien dienst kan bewijzen, verzoek ik je dit kleine bewijs van mijn vriendschap te willen aanvaarden.” Bij die laatste woorden gaf ik hem een beurs met ongeveer zestig pistolen.“O edelmoedige vriend!” riep de zoon van den barbier Nunez, “hoe kan ik den hemel genoeg danken, dat hij je dit hospitaal heeft doen betreden, dat ik nu kan verlaten!”Voor ik wegging gaf ik hem mijn adres op en verzocht hem mij te komen bezoeken, zoodra zijn gezondheid dat zou toelaten.Een buitengewone verrassing toonde hij, toen ik hem zei, dat ik bij den graaf van Olivarès woonde.“O, al te gelukkige Gil Blas!” riep hij,“wiens lot het is, ministers te behagen; ik verheug mij in je geluk, omdat je er een zoo goed gebruik van maakt.”

Hoofdstuk IVan de grootste vreugde, die Gil Blas ooit gekend heeft en van het treurig ongeluk, dat daarop volgde. Van de veranderingen, die aan het hof plaats hadden en waardoor Gil Blas er terugkeerde.Scipio en ik waren te beminde echtgenooten, om niet spoedig vader te zijn. Béatrix bracht een meisje ter wereld en eenige dagen later overlaadde Antonia ons allen met vreugde door mij een zoon te schenken.Ik zond Scipio naar Valencia, om deze gelukkige tijding aan den gouverneur te gaan meedeelen. Deze kwam zelf met zijn vrouw over om de kinderen ten doop te houden. Mijn zoon werd Alphonse genoemd en het dochtertje van ScipioSéraphine.De geboorte van mijn zoon verheugde niet alleen de bewoners van het kasteel, ook de inwoners van het dorp vierden feest. Maar helaas, onze vreugde was niet van langen duur, of liever gezegd, ze ging spoedig over in weenen en klagen, door het ongeluk dat twintig jaren lang mij nog niet hebben kunnen doen vergeten. Mijn zoon stierf en zijn moeder, hoewel de bevalling voorspoedig was geweest, volgde hem spoedig. Een hevige koorts nam na een huwelijk van veertien maanden mijn lieve vrouw weg.Het verdriet, dat ik had, is niet te beschrijven, ik viel in een soort van verdooving, in een staat van gevoelloosheid. Vijf of zes dagen was ik in dien toestand; ik weigerde alle voedsel en zonder Scipio geloof ik, dat ik zou zijn doodgehongerd. Maar deze slimme secretaris bedacht een middel om mij versterkende middelen te geven; hij boodze mij n.l. met zoo’n somber gezicht aan, dat het den schijn had of ze mijn droefheid moesten in stand houden in plaats van mijn leven.Die trouwe dienaar schreef ook aan don Alphonse, om hem mededeeling te doen van het ongeluk, dat mij had getroffen en van den toestand, waarin ik verkeerde. Mijn edelmoedige vriend kwam dadelijk naar Lirias en ik zal onze ontmoeting nooit vergeten. “Beste Santillano,” zei hij, “ik kom niet om je te troosten maar om met je te weenen over Antonia, zooals gij met mij Séraphine zoudt beweenen, indien ze van mij werd weggenomen.”Hoe gebukt ook onder mijn smart, ik gevoelde toch levendig zijn goedheid.Don Alphonse had een lang onderhoud met Scipioover hetgeen ze konden doen om mij te onttrekken aan mijn verdriet. Zij meenden, dat het beter voor mij zou zijn indien ik mij eenigen tijd verwijderde van Lirias, waar alles mij zonder ophouden aan Antonia herinnerde. De gouverneur stelde mij voor met hem naar Valencia te gaan en ook Scipio drong daarop zoo sterk aan, dat ik toegaf.Toen ik te Valencia was, deden ook don César en zijn schoondochter al het mogelijke om mij te troosten, maar het mocht hun niet gelukken mijn droefgeestigheid te verdrijven. Scipio kwam dikwijls van Lirias om te zien hoe het met mij ging.Op een morgen kwam hij mijn kamer binnenloopen en zei: “Mijnheer, er is door de stad een gerucht verspreid, dat van de grootste beteekenis is voor de geheele monarchie; men zegt, dat koning Filipsniet meer leeft en dat zijn zoon den troon heeft bestegen. Men voegt er aan toe, dat de kardinaal, hertog de Lerme, zijn post heeft verloren en dat don Gaspard de Guzman, graaf van Olivarez, eerste minister is geworden.”Door die tijding voelde ik mij een weinig bewogen, ik wist zelf niet waarom. Scipio, die dat zag, vroeg of ik geen belang stelde in die verandering.“Welk belang zou ik er in stellen?” vroeg ik. “Ik heb het hof verlaten en alle veranderingen daar moeten mij onverschillig zijn.”“Voor een man van uw leeftijd, zijt ge wel wat te beu van de wereld,” zei hij. “In uw plaats zou ik een levendig verlangen hebben.”“Welk verlangen?”“Wel ik zou naar Madrid gaan en den jongen koning mijn gezicht toonen om te zien of hij mij nog herkende. Dat genoegen zou ik mij verschaffen.”“Ik begrijp je al, je zou willen, dat ik naar het hof terugkeerde om er opnieuw mijn fortuin te beproeven, of liever om er weer gierig en eerzuchtig te worden.”“Waarom zou uw karakter er opnieuw bedorven worden?Heb meer vertrouwen in uw eigen deugden!”Glimlachend vroeg ik: “Ben je het moe mij zulk een rustig leven te zien leiden? Ik dacht, dat mijn rust je meer waard was.”Onder dit gesprekkwamendon César en zijn zoon binnen. Zij bevestigden de tijding van den dood van den koning en den val van den hertog de Lerme. Ze wisten voorts nog mee te deelen, dat de hertog, die toestemming had gevraagd om naar Rome te gaan, deze niet had kunnen krijgen en dat hem last was gegeven zich terug te trekken op zijn landgoed te Denia.Vervolgens alsof zij in overeenstemming met Scipio handelden, gaven zij mij den raad naar Madrid te gaan om mij aan den jongen koning te vertoonen, die mij kende en wien ik zelfs diensten had bewezen, die vorsten gaarne beloonen.“Wat mij betreft,” zei don Alphonse, “ik twijfel er niet aan of Filips de Vierde zal de schulden betalen, die hij als prins maakte.”“Ik ben van het zelfde gevoelen,” zei don César, “en ik zie in een bezoek van Santillano aan het hof het middel voor hem om tot hooge posten te worden geroepen.”“Waarlijk heeren!” riep ik, “ik geloof niet, dat ge goed nadenkt, over hetgeen ge zegt. Als men u hoort, zou ik mij naar Madrid hebben te begeven, om dadelijk een man van gewicht te zijn. Maar ge dwaalt. Ik ben er integendeel van overtuigd, dat de koning geen acht op mij zou slaan, indien ik mij vertoonde. Daarvan zou ik u, om u te overtuigen, wel de proef willen geven.”De heeren de Leyva hielden mij aan mijn woord en dwongen mij nu de belofte af, dat ik mij dadelijk naar Madrid zou begeven.Zoodra mijn secretaris mij besloten zag dien tocht te ondernemen, verheugde hij zich ten zeerste. Hij verbeeldde zich, dat ik onmiddellijk na mijn verschijnen aan het hof met eerbewijzen en weldaden zou worden overladen.Ik besloot dus naar het hof terug te keeren niet met het plan de fortuin weer te beproeven, maar om don César en zijn zoon tevreden te stellen. Het is waar, dat ik in den grond van mijn hart eenige nieuwsgierigheid gevoelde om te weten of de jonge vorst mij herkende. Overigens vertrok ik naar Madrid zonder hoop en zonder plan eenig voordeel van de nieuwe regeering te trekken. Scipio vergezelde mij; de zorg voor het kasteel hadden wij overgelaten aan Béatrix, die een goede huishoudster was.

Scipio en ik waren te beminde echtgenooten, om niet spoedig vader te zijn. Béatrix bracht een meisje ter wereld en eenige dagen later overlaadde Antonia ons allen met vreugde door mij een zoon te schenken.

Ik zond Scipio naar Valencia, om deze gelukkige tijding aan den gouverneur te gaan meedeelen. Deze kwam zelf met zijn vrouw over om de kinderen ten doop te houden. Mijn zoon werd Alphonse genoemd en het dochtertje van ScipioSéraphine.

De geboorte van mijn zoon verheugde niet alleen de bewoners van het kasteel, ook de inwoners van het dorp vierden feest. Maar helaas, onze vreugde was niet van langen duur, of liever gezegd, ze ging spoedig over in weenen en klagen, door het ongeluk dat twintig jaren lang mij nog niet hebben kunnen doen vergeten. Mijn zoon stierf en zijn moeder, hoewel de bevalling voorspoedig was geweest, volgde hem spoedig. Een hevige koorts nam na een huwelijk van veertien maanden mijn lieve vrouw weg.

Het verdriet, dat ik had, is niet te beschrijven, ik viel in een soort van verdooving, in een staat van gevoelloosheid. Vijf of zes dagen was ik in dien toestand; ik weigerde alle voedsel en zonder Scipio geloof ik, dat ik zou zijn doodgehongerd. Maar deze slimme secretaris bedacht een middel om mij versterkende middelen te geven; hij boodze mij n.l. met zoo’n somber gezicht aan, dat het den schijn had of ze mijn droefheid moesten in stand houden in plaats van mijn leven.

Die trouwe dienaar schreef ook aan don Alphonse, om hem mededeeling te doen van het ongeluk, dat mij had getroffen en van den toestand, waarin ik verkeerde. Mijn edelmoedige vriend kwam dadelijk naar Lirias en ik zal onze ontmoeting nooit vergeten. “Beste Santillano,” zei hij, “ik kom niet om je te troosten maar om met je te weenen over Antonia, zooals gij met mij Séraphine zoudt beweenen, indien ze van mij werd weggenomen.”

Hoe gebukt ook onder mijn smart, ik gevoelde toch levendig zijn goedheid.

Don Alphonse had een lang onderhoud met Scipioover hetgeen ze konden doen om mij te onttrekken aan mijn verdriet. Zij meenden, dat het beter voor mij zou zijn indien ik mij eenigen tijd verwijderde van Lirias, waar alles mij zonder ophouden aan Antonia herinnerde. De gouverneur stelde mij voor met hem naar Valencia te gaan en ook Scipio drong daarop zoo sterk aan, dat ik toegaf.

Toen ik te Valencia was, deden ook don César en zijn schoondochter al het mogelijke om mij te troosten, maar het mocht hun niet gelukken mijn droefgeestigheid te verdrijven. Scipio kwam dikwijls van Lirias om te zien hoe het met mij ging.

Op een morgen kwam hij mijn kamer binnenloopen en zei: “Mijnheer, er is door de stad een gerucht verspreid, dat van de grootste beteekenis is voor de geheele monarchie; men zegt, dat koning Filipsniet meer leeft en dat zijn zoon den troon heeft bestegen. Men voegt er aan toe, dat de kardinaal, hertog de Lerme, zijn post heeft verloren en dat don Gaspard de Guzman, graaf van Olivarez, eerste minister is geworden.”

Door die tijding voelde ik mij een weinig bewogen, ik wist zelf niet waarom. Scipio, die dat zag, vroeg of ik geen belang stelde in die verandering.

“Welk belang zou ik er in stellen?” vroeg ik. “Ik heb het hof verlaten en alle veranderingen daar moeten mij onverschillig zijn.”

“Voor een man van uw leeftijd, zijt ge wel wat te beu van de wereld,” zei hij. “In uw plaats zou ik een levendig verlangen hebben.”

“Welk verlangen?”

“Wel ik zou naar Madrid gaan en den jongen koning mijn gezicht toonen om te zien of hij mij nog herkende. Dat genoegen zou ik mij verschaffen.”

“Ik begrijp je al, je zou willen, dat ik naar het hof terugkeerde om er opnieuw mijn fortuin te beproeven, of liever om er weer gierig en eerzuchtig te worden.”

“Waarom zou uw karakter er opnieuw bedorven worden?Heb meer vertrouwen in uw eigen deugden!”

Glimlachend vroeg ik: “Ben je het moe mij zulk een rustig leven te zien leiden? Ik dacht, dat mijn rust je meer waard was.”

Onder dit gesprekkwamendon César en zijn zoon binnen. Zij bevestigden de tijding van den dood van den koning en den val van den hertog de Lerme. Ze wisten voorts nog mee te deelen, dat de hertog, die toestemming had gevraagd om naar Rome te gaan, deze niet had kunnen krijgen en dat hem last was gegeven zich terug te trekken op zijn landgoed te Denia.

Vervolgens alsof zij in overeenstemming met Scipio handelden, gaven zij mij den raad naar Madrid te gaan om mij aan den jongen koning te vertoonen, die mij kende en wien ik zelfs diensten had bewezen, die vorsten gaarne beloonen.

“Wat mij betreft,” zei don Alphonse, “ik twijfel er niet aan of Filips de Vierde zal de schulden betalen, die hij als prins maakte.”

“Ik ben van het zelfde gevoelen,” zei don César, “en ik zie in een bezoek van Santillano aan het hof het middel voor hem om tot hooge posten te worden geroepen.”

“Waarlijk heeren!” riep ik, “ik geloof niet, dat ge goed nadenkt, over hetgeen ge zegt. Als men u hoort, zou ik mij naar Madrid hebben te begeven, om dadelijk een man van gewicht te zijn. Maar ge dwaalt. Ik ben er integendeel van overtuigd, dat de koning geen acht op mij zou slaan, indien ik mij vertoonde. Daarvan zou ik u, om u te overtuigen, wel de proef willen geven.”

De heeren de Leyva hielden mij aan mijn woord en dwongen mij nu de belofte af, dat ik mij dadelijk naar Madrid zou begeven.

Zoodra mijn secretaris mij besloten zag dien tocht te ondernemen, verheugde hij zich ten zeerste. Hij verbeeldde zich, dat ik onmiddellijk na mijn verschijnen aan het hof met eerbewijzen en weldaden zou worden overladen.

Ik besloot dus naar het hof terug te keeren niet met het plan de fortuin weer te beproeven, maar om don César en zijn zoon tevreden te stellen. Het is waar, dat ik in den grond van mijn hart eenige nieuwsgierigheid gevoelde om te weten of de jonge vorst mij herkende. Overigens vertrok ik naar Madrid zonder hoop en zonder plan eenig voordeel van de nieuwe regeering te trekken. Scipio vergezelde mij; de zorg voor het kasteel hadden wij overgelaten aan Béatrix, die een goede huishoudster was.

Hoofdstuk IIGil Blas begeeft zich naar Madrid; hij verschijnt aan het hof; de koning herkent hem en beveelt hem bij zijn eersten minister aan. Gevolg van die aanbeveling.Nog geen acht dagen later reisden wij naar Madrid; don Alphonse had ons twee van zijn beste paarden gegeven, om sneller te kunnen gaan. Wij gingen logeeren bij Vincent Forero, die ons van vroeger kende.Daar deze hotelhouder er op uit was, om alles te weten wat er aan het hof en in de stad voorviel, vroeg ik hem welk nieuws er was. “Heel wat,” antwoordde hij; “sinds den dood van den koning, hebben de vrienden en partijgangers van den hertog de Lerme alles gedaan, om hem in zijn waardigheid te herstellen, maar hunne pogingen zijn vergeefsch geweest; de graaf van Olivarès heeft het van hen gewonnen. Men beweert, dat Spanje bij die wisseling niet heeft verloren en dat de nieuwe minister zooveel talent bezit, dat hij wel de wereld zou kunnen regeeren. Zeker is het, dat het volk zeer hooge gedachten van hem heeft.”Twee dagen na mijn aankomst te Madrid, ging ik naar het hof en ik zorgde op zijn weg te zijn, toen hij naar zijn kabinet ging. Maar hij zag mij niet. Den volgenden dag keerde ik op dezelfde plaats terug, maar ik was niet gelukkiger. Den derden dag wierp hij in het voorbijgaan, een blik op mij, maar hij scheen niet de minste aandacht aan mijn persoon te schenken. Daar trok ik partij van. “Je ziet wel,” zei ik tegen Scipio, die mij vergezelde, “dat de koning mij niet herkent of indien hij het misschien wel deed er zich niet om bekommert, om de kennismakingmet mij te hernieuwen. Ik geloof, dat wij maar goed zullen doen, als we weer naar Valencia gaan.”“Laten wij daar niet zoo’n haast mee maken, mijnheer, u weet beter dan ik, dat men aan het hof slechts slaagt, indien men geduld heeft. Blijf u aan den jongen koning vertoonen, dan moet hij u wel nauwkeuriger opnemen en dan zal hij zich ongetwijfeld uw werk bij de schoone Catalina herinneren.”Opdat Scipio mij niets te verwijten zou hebben, bleef ik het drie weken volhouden, om geregeld aan het hof te verschijnen en op zekeren dag werd de koning door mijn gezicht getroffen en liet hij mij roepen.Ik trad zijn kabinet binnen, wel eenigszins zenuwachtig, mij alleen te bevinden met mijn vorst.“Wie zijt gij?” vroeg hij. “Uw trekken komen mij niet onbekend voor. Waar kan ik u hebben gezien?”“Sire. Ik heb de eer gehad u eens op een nacht met den graaf de Lemos te begeleiden naar....”“Ah! Ik herinner het mij; gij waart de secretaris van den hertog de Lerme en uw naamis, als ik mij niet bedrieg, Santillano. Ik heb niet vergeten, dat ge mij bij die gelegenheid diensten hebt bewezen en dat ge daarvoor slecht zijt beloond geworden. Zijt ge niet in de gevangenis geweest voor dat avontuur?”“Ja Sire,” antwoordde ik, “ik ben zes maanden in Ségovia opgesloten geweest, maar door uwe goedheid werd ik bevrijd.”“Daarmee is onze rekening niet vereffend. ’t Was niet voldoende u in vrijheid te stellen; op andere wijze zal ik goedmaken, wat ge uit liefde voor mij hebt geleden.”Toen de vorst die laatste woorden had uitgesproken, kwam de graaf van Olivarès in het kabinet. Hij was verbaasd daar een onbekende te zien en zijn verwondering nam nog toe, toen de koning zei: “graaf, ik beveel u dezen jongen man aan, wil er voor zorgen, dat hij vooruit komt.” De minister boog en nam mij van het hoofd tot de voeten op, zeer benieuwd, te weten wie ik was. Dekoning gaf mij een wenk om te vertrekken en zei: “Mijn vriend, de minister zal niet nalaten een nuttig gebruik van uw diensten te maken en daarbij aan uw belangen te denken.”Ik verliet het kabinet en trad op Scipio toe, die zeer verlangend was om te vernemen, wat de koning had gezegd.“Naar uw gezicht te oordeelen,” zei hij, “zullen wij inplaats van naar Valencia terug te keeren, wel hier blijven wonen.” Woord voor woord vertelde ik hem daarna het korte onderhoud, dat ik met den koning had gehad.“Beken nu maar,” riep hij, “dat ik u geen slechten dienst heb bewezen, door aan te dringen op uw reis naar Madrid. Reeds zie ik u in een prachtige positie. Ge zult de Calderone worden van den graaf van Olivarès.”“Dat zou ik niet willen. Liever had ik een plaats, waar ik geen gelegenheid had, om onrechtvaardigheden tebegaan, of misbruik te maken van de goedheid van den koning. Na het gebruik, dat ik in het verleden van mijn positie heb gemaakt, kan ik mij niet genoeg wachten voor de gierigheid en de eerzucht.”“De minister,” zei Scipio, “zal u wel een goede betrekking geven, die ge kunt vervullen zonder op te houden een eerlijk man te zijn.”Den volgenden morgen ging ik naar den graaf die gewoon was vóór zonsopgangaudiëntiete verleenen. Ik ging in een hoek van de zaal staan en daar nam ik den graaf goed op, want ik had in het kabinet van den koning weinig aandacht aan zijn persoon kunnen schenken. Hij was een groote man, niet knap van uiterlijk. Alle menschen, die met hem moesten spreken, ontving hij met zekere welwillendheid en vriendelijk nam hij de verzoekschriften in ontvangst, die men hem aanbood. Toen het echter mijn beurt was om hem te naderen, wierp hij mij een koelen blik toe, keerde mij den rug toe zonder zich te verwaardigen mij aan te hooren en ging weer in zijn kabinet. Ik vond hem toen nog leelijker dan hij door de natuur reeds was en verliet de zaal, zeer verbaasd over zulk een ontvangst, en niet wetende, wat ik er van moest denken.“Weet je,” vroeg ik aan Scipio, die mij buiten opwachtte, “welke ontvangst men mij heeft bereid?”“Neen,” antwoordde hij, “maar dat is niet moeilijk te raden. De minister zal u overeenkomstig den wensch van den koning een mooie betrekking hebben aangeboden.” “Daar bedrieg je je in,” antwoordde ik en vertelde hem vervolgens wat er was gebeurd.Hij luisterde aandachtig toe en zei daarop: “De graaf moet u niet hebben herkend of voor een ander hebben aangezien. Ik raad u aan hem nog eens te bezoeken, dan zal hij u wel op een andere wijze ontvangen.”Ik volgde den raad van mijn secretaris en bezocht den minister weer, die mij echter zoo mogelijk nog onbeleefder behandelde dan den eersten keer.Daarover was ik zoo verontwaardigd, dat ik onmiddellijknaar Valencia wilde teruggaan. Scipio verzette zich daartegen, hij kon nog maar niet besluiten zijn hoopvolle verwachtingen op te geven.“Zie je niet,” vroeg ik hem, “dat de minister mij van het hof wil verwijderen? De koning heeft zijn genegenheid voor mij betuigd, maar die is niet voldoende om den tegenzin van zijn gunsteling te overwinnen. Laten wij dus dien geduchten vijand ontloopen.”“In uw geval,” antwoordde hij, “zou ik niet zoo gemakkelijk het terrein vrijlaten. Ik zou opheldering willen hebben over die ontvangst en mij bij den koning gaan beklagen, dat de minister zoo weinig acht heeft geslagen op zijn aanbeveling.”“Dat is een slechte raad, mijn vriend, en het zou mij zeker berouwen, indien ik zulk een onvoorzichtigen stap deed. Zelfs ben ik er niet zeker van of ik niet eenig gevaar loop, door hier langer in de stad te blijven.”Mijn secretaris begon na te denken. Hij zag in, dat wij met een man te doen hadden, die ons misschien naar den toren van Ségovië kon zenden en verzette zich dus niet langer tegen ons vertrek uit Madrid, dat wij besloten den volgenden dag te verlaten.

Nog geen acht dagen later reisden wij naar Madrid; don Alphonse had ons twee van zijn beste paarden gegeven, om sneller te kunnen gaan. Wij gingen logeeren bij Vincent Forero, die ons van vroeger kende.

Daar deze hotelhouder er op uit was, om alles te weten wat er aan het hof en in de stad voorviel, vroeg ik hem welk nieuws er was. “Heel wat,” antwoordde hij; “sinds den dood van den koning, hebben de vrienden en partijgangers van den hertog de Lerme alles gedaan, om hem in zijn waardigheid te herstellen, maar hunne pogingen zijn vergeefsch geweest; de graaf van Olivarès heeft het van hen gewonnen. Men beweert, dat Spanje bij die wisseling niet heeft verloren en dat de nieuwe minister zooveel talent bezit, dat hij wel de wereld zou kunnen regeeren. Zeker is het, dat het volk zeer hooge gedachten van hem heeft.”

Twee dagen na mijn aankomst te Madrid, ging ik naar het hof en ik zorgde op zijn weg te zijn, toen hij naar zijn kabinet ging. Maar hij zag mij niet. Den volgenden dag keerde ik op dezelfde plaats terug, maar ik was niet gelukkiger. Den derden dag wierp hij in het voorbijgaan, een blik op mij, maar hij scheen niet de minste aandacht aan mijn persoon te schenken. Daar trok ik partij van. “Je ziet wel,” zei ik tegen Scipio, die mij vergezelde, “dat de koning mij niet herkent of indien hij het misschien wel deed er zich niet om bekommert, om de kennismakingmet mij te hernieuwen. Ik geloof, dat wij maar goed zullen doen, als we weer naar Valencia gaan.”

“Laten wij daar niet zoo’n haast mee maken, mijnheer, u weet beter dan ik, dat men aan het hof slechts slaagt, indien men geduld heeft. Blijf u aan den jongen koning vertoonen, dan moet hij u wel nauwkeuriger opnemen en dan zal hij zich ongetwijfeld uw werk bij de schoone Catalina herinneren.”

Opdat Scipio mij niets te verwijten zou hebben, bleef ik het drie weken volhouden, om geregeld aan het hof te verschijnen en op zekeren dag werd de koning door mijn gezicht getroffen en liet hij mij roepen.

Ik trad zijn kabinet binnen, wel eenigszins zenuwachtig, mij alleen te bevinden met mijn vorst.

“Wie zijt gij?” vroeg hij. “Uw trekken komen mij niet onbekend voor. Waar kan ik u hebben gezien?”

“Sire. Ik heb de eer gehad u eens op een nacht met den graaf de Lemos te begeleiden naar....”

“Ah! Ik herinner het mij; gij waart de secretaris van den hertog de Lerme en uw naamis, als ik mij niet bedrieg, Santillano. Ik heb niet vergeten, dat ge mij bij die gelegenheid diensten hebt bewezen en dat ge daarvoor slecht zijt beloond geworden. Zijt ge niet in de gevangenis geweest voor dat avontuur?”

“Ja Sire,” antwoordde ik, “ik ben zes maanden in Ségovia opgesloten geweest, maar door uwe goedheid werd ik bevrijd.”

“Daarmee is onze rekening niet vereffend. ’t Was niet voldoende u in vrijheid te stellen; op andere wijze zal ik goedmaken, wat ge uit liefde voor mij hebt geleden.”

Toen de vorst die laatste woorden had uitgesproken, kwam de graaf van Olivarès in het kabinet. Hij was verbaasd daar een onbekende te zien en zijn verwondering nam nog toe, toen de koning zei: “graaf, ik beveel u dezen jongen man aan, wil er voor zorgen, dat hij vooruit komt.” De minister boog en nam mij van het hoofd tot de voeten op, zeer benieuwd, te weten wie ik was. Dekoning gaf mij een wenk om te vertrekken en zei: “Mijn vriend, de minister zal niet nalaten een nuttig gebruik van uw diensten te maken en daarbij aan uw belangen te denken.”

Ik verliet het kabinet en trad op Scipio toe, die zeer verlangend was om te vernemen, wat de koning had gezegd.

“Naar uw gezicht te oordeelen,” zei hij, “zullen wij inplaats van naar Valencia terug te keeren, wel hier blijven wonen.” Woord voor woord vertelde ik hem daarna het korte onderhoud, dat ik met den koning had gehad.

“Beken nu maar,” riep hij, “dat ik u geen slechten dienst heb bewezen, door aan te dringen op uw reis naar Madrid. Reeds zie ik u in een prachtige positie. Ge zult de Calderone worden van den graaf van Olivarès.”

“Dat zou ik niet willen. Liever had ik een plaats, waar ik geen gelegenheid had, om onrechtvaardigheden tebegaan, of misbruik te maken van de goedheid van den koning. Na het gebruik, dat ik in het verleden van mijn positie heb gemaakt, kan ik mij niet genoeg wachten voor de gierigheid en de eerzucht.”

“De minister,” zei Scipio, “zal u wel een goede betrekking geven, die ge kunt vervullen zonder op te houden een eerlijk man te zijn.”

Den volgenden morgen ging ik naar den graaf die gewoon was vóór zonsopgangaudiëntiete verleenen. Ik ging in een hoek van de zaal staan en daar nam ik den graaf goed op, want ik had in het kabinet van den koning weinig aandacht aan zijn persoon kunnen schenken. Hij was een groote man, niet knap van uiterlijk. Alle menschen, die met hem moesten spreken, ontving hij met zekere welwillendheid en vriendelijk nam hij de verzoekschriften in ontvangst, die men hem aanbood. Toen het echter mijn beurt was om hem te naderen, wierp hij mij een koelen blik toe, keerde mij den rug toe zonder zich te verwaardigen mij aan te hooren en ging weer in zijn kabinet. Ik vond hem toen nog leelijker dan hij door de natuur reeds was en verliet de zaal, zeer verbaasd over zulk een ontvangst, en niet wetende, wat ik er van moest denken.

“Weet je,” vroeg ik aan Scipio, die mij buiten opwachtte, “welke ontvangst men mij heeft bereid?”

“Neen,” antwoordde hij, “maar dat is niet moeilijk te raden. De minister zal u overeenkomstig den wensch van den koning een mooie betrekking hebben aangeboden.” “Daar bedrieg je je in,” antwoordde ik en vertelde hem vervolgens wat er was gebeurd.

Hij luisterde aandachtig toe en zei daarop: “De graaf moet u niet hebben herkend of voor een ander hebben aangezien. Ik raad u aan hem nog eens te bezoeken, dan zal hij u wel op een andere wijze ontvangen.”

Ik volgde den raad van mijn secretaris en bezocht den minister weer, die mij echter zoo mogelijk nog onbeleefder behandelde dan den eersten keer.

Daarover was ik zoo verontwaardigd, dat ik onmiddellijknaar Valencia wilde teruggaan. Scipio verzette zich daartegen, hij kon nog maar niet besluiten zijn hoopvolle verwachtingen op te geven.

“Zie je niet,” vroeg ik hem, “dat de minister mij van het hof wil verwijderen? De koning heeft zijn genegenheid voor mij betuigd, maar die is niet voldoende om den tegenzin van zijn gunsteling te overwinnen. Laten wij dus dien geduchten vijand ontloopen.”

“In uw geval,” antwoordde hij, “zou ik niet zoo gemakkelijk het terrein vrijlaten. Ik zou opheldering willen hebben over die ontvangst en mij bij den koning gaan beklagen, dat de minister zoo weinig acht heeft geslagen op zijn aanbeveling.”

“Dat is een slechte raad, mijn vriend, en het zou mij zeker berouwen, indien ik zulk een onvoorzichtigen stap deed. Zelfs ben ik er niet zeker van of ik niet eenig gevaar loop, door hier langer in de stad te blijven.”

Mijn secretaris begon na te denken. Hij zag in, dat wij met een man te doen hadden, die ons misschien naar den toren van Ségovië kon zenden en verzette zich dus niet langer tegen ons vertrek uit Madrid, dat wij besloten den volgenden dag te verlaten.

Hoofdstuk IIIWat Gil Blas belette zijn voornemen uit te voeren en het hof te verlaten en van den gewichtigen dienst, dien Joseph Navarro hem bewees.Op den terugweg naar het hotel ontmoette ik Joseph Navarro, chef van dienst bij don Balthazar de Zuniga en mijn ouden vriend. Ik twijfelde een oogenblik, of ik zou doen alsof ik hem niet zag, dan wel of ik hem vergiffenis zou vragen, dat ik hem zoo slecht had behandeld. Ik besloot tot het laatste, groette en hield hem staande met de woorden: “herkent ge me? En wilt ge nog zoo goed zijn, om te spreken met iemand, die met ondankbaarheid uw vriendschap voor hem heeft vergolden?”“Ge bekent dus, dat ge niet goed tegenover mij hebt gehandeld?” vroeg hij.“Ja,” antwoordde ik, “en ge zijt in uw recht, wanneer ge mij overlaadt met verwijten. Ik kan u echter verzekeren, dat het gebeurde mij oprecht spijt.”“Als dat zoo is,” riep Navarro, “dan zullen wij het gebeurde maar vergeten.” En wij drukten elkaar hartelijk de hand.Hij had van mijn gevangenneming gehoord, maar wist niet, wat er verder met mij was gebeurd. Ik vertelde hem dat, deelde hem ook mee, dat ik een onderhoud had gehad met den jongen koning, sprak daarna van de slechte ontvangst bij den minister en van mijn voornemen, om de eenzaamheid weer te gaan opzoeken.“Ga in geen geval weg,” zei hij; “dat de koning u zijn vriendschap heeft betuigd, moet u in ieder geval van groot voordeel zijn. Onder ons gezegd is de minister eenfantastisch en eigenaardig heer; hij zit vol grillen. Soms, zooals in dit geval, gedraagt hij zich onuitstaanbaar en hij zelf alleen heeft den sleutel van zijn vreemdsoortige daden. Overigens, wat voor reden hij ook gehad kan hebben voor de slechte ontvangst, houd voet bij stuk en profiteer van de vriendschap van den koning. Vanavond zal ik er een paar woorden over spreken met don Balthazar de Zuniga, mijn meester, die de oom is van den graaf en nu met hem in de regeering zit.”Navarro vroeg mij vervolgens nog mijn adres en daarna scheidden wij.Den volgenden dag al zag ik hem weer bij mij. “Mijnheer de Santillano,” zei hij, “ge hebt een beschermer, mijn meester wil u helpen. Na alles wat ik hem van u heb gezegd, heeft hij mij beloofd, met zijn neef over u te spreken en ik twijfel er niet aan of dat zal in uw voordeel zijn.”Twee dagen later stelde Navarro mij voor aan don Balthazar, die mij zeer vriendelijk ontving. “Mijnheer de Santillano,” zei hij, “uw vriend Joseph heeft mij zooveel goeds van u verteld, dat het mij een genoegen is, u van dienst te kunnen zijn.”Ik maakte een diepe buiging en antwoordde, dat ik zeer veel verplichting had aan Navarro, die mij de protectie had verschaft van een staatsman, dien men met recht “den fakkel van den ministerraad” noemde.Bij dit vleiend antwoord klopte don Balthazar mij lachend op den schouder en zei: “Ge moet morgen nog maar eens naar den eersten minister gaan, dan zult ge wel beter over hem tevreden zijn.”Zoo verscheen ik dus voor de derde maal bij den minister. Zoodra deze mij onder de menigte zag, wierp hij mij een blik toe, die vergezeld ging van een glimlach. Dat wekte bij mij de verwachting op van een betere ontvangst en deze werd niet bedrogen.Nadat de audientie was afgeloopen, liet de graaf mij in zijn kabinet gaan, waar hij zei: “Mijn vriend Santillano,neem mij niet kwalijk, dat ik, om mij te vermaken u eenige onaangename oogenblikken heb bezorgd. Ik wilde eens een proef met u nemen en zien, wat ge in uw boosheid zoudt doen. Ge hebt u zeker verbeeld niet in mijn smaak te vallen, maar ik kan u het tegendeel verzekeren. Ook al had de koning u niet bij mij aanbevolen, dan zou ik u toch hebben vooruitgeholpen uit eigen beweging. Bovendien heeft mijn oom, don Balthazar de Zuniga, wien ik niets kan weigeren, in uw belang gesproken.”Na wat er vooraf gegaan was, was deze vriendelijke ontvangst mij dubbel aangenaam.“Kom in den namiddag hier terug en vervoeg u bij mijn intendant. Ik zal hem orders omtrent u geven.” Met die woorden verliet de minister mij om naar gewoonte de mis te gaan hooren en daarna den koning te bezoeken.

Op den terugweg naar het hotel ontmoette ik Joseph Navarro, chef van dienst bij don Balthazar de Zuniga en mijn ouden vriend. Ik twijfelde een oogenblik, of ik zou doen alsof ik hem niet zag, dan wel of ik hem vergiffenis zou vragen, dat ik hem zoo slecht had behandeld. Ik besloot tot het laatste, groette en hield hem staande met de woorden: “herkent ge me? En wilt ge nog zoo goed zijn, om te spreken met iemand, die met ondankbaarheid uw vriendschap voor hem heeft vergolden?”

“Ge bekent dus, dat ge niet goed tegenover mij hebt gehandeld?” vroeg hij.

“Ja,” antwoordde ik, “en ge zijt in uw recht, wanneer ge mij overlaadt met verwijten. Ik kan u echter verzekeren, dat het gebeurde mij oprecht spijt.”

“Als dat zoo is,” riep Navarro, “dan zullen wij het gebeurde maar vergeten.” En wij drukten elkaar hartelijk de hand.

Hij had van mijn gevangenneming gehoord, maar wist niet, wat er verder met mij was gebeurd. Ik vertelde hem dat, deelde hem ook mee, dat ik een onderhoud had gehad met den jongen koning, sprak daarna van de slechte ontvangst bij den minister en van mijn voornemen, om de eenzaamheid weer te gaan opzoeken.

“Ga in geen geval weg,” zei hij; “dat de koning u zijn vriendschap heeft betuigd, moet u in ieder geval van groot voordeel zijn. Onder ons gezegd is de minister eenfantastisch en eigenaardig heer; hij zit vol grillen. Soms, zooals in dit geval, gedraagt hij zich onuitstaanbaar en hij zelf alleen heeft den sleutel van zijn vreemdsoortige daden. Overigens, wat voor reden hij ook gehad kan hebben voor de slechte ontvangst, houd voet bij stuk en profiteer van de vriendschap van den koning. Vanavond zal ik er een paar woorden over spreken met don Balthazar de Zuniga, mijn meester, die de oom is van den graaf en nu met hem in de regeering zit.”

Navarro vroeg mij vervolgens nog mijn adres en daarna scheidden wij.

Den volgenden dag al zag ik hem weer bij mij. “Mijnheer de Santillano,” zei hij, “ge hebt een beschermer, mijn meester wil u helpen. Na alles wat ik hem van u heb gezegd, heeft hij mij beloofd, met zijn neef over u te spreken en ik twijfel er niet aan of dat zal in uw voordeel zijn.”

Twee dagen later stelde Navarro mij voor aan don Balthazar, die mij zeer vriendelijk ontving. “Mijnheer de Santillano,” zei hij, “uw vriend Joseph heeft mij zooveel goeds van u verteld, dat het mij een genoegen is, u van dienst te kunnen zijn.”

Ik maakte een diepe buiging en antwoordde, dat ik zeer veel verplichting had aan Navarro, die mij de protectie had verschaft van een staatsman, dien men met recht “den fakkel van den ministerraad” noemde.

Bij dit vleiend antwoord klopte don Balthazar mij lachend op den schouder en zei: “Ge moet morgen nog maar eens naar den eersten minister gaan, dan zult ge wel beter over hem tevreden zijn.”

Zoo verscheen ik dus voor de derde maal bij den minister. Zoodra deze mij onder de menigte zag, wierp hij mij een blik toe, die vergezeld ging van een glimlach. Dat wekte bij mij de verwachting op van een betere ontvangst en deze werd niet bedrogen.

Nadat de audientie was afgeloopen, liet de graaf mij in zijn kabinet gaan, waar hij zei: “Mijn vriend Santillano,neem mij niet kwalijk, dat ik, om mij te vermaken u eenige onaangename oogenblikken heb bezorgd. Ik wilde eens een proef met u nemen en zien, wat ge in uw boosheid zoudt doen. Ge hebt u zeker verbeeld niet in mijn smaak te vallen, maar ik kan u het tegendeel verzekeren. Ook al had de koning u niet bij mij aanbevolen, dan zou ik u toch hebben vooruitgeholpen uit eigen beweging. Bovendien heeft mijn oom, don Balthazar de Zuniga, wien ik niets kan weigeren, in uw belang gesproken.”

Na wat er vooraf gegaan was, was deze vriendelijke ontvangst mij dubbel aangenaam.

“Kom in den namiddag hier terug en vervoeg u bij mijn intendant. Ik zal hem orders omtrent u geven.” Met die woorden verliet de minister mij om naar gewoonte de mis te gaan hooren en daarna den koning te bezoeken.

Hoofdstuk IVGil Blas maakt zich bemind bij den graaf van Olivarès.Na den middag was ik terug bij den eersten minister en vroeg naar zijn intendant, die don Raimond Caporis heette. Zoodra ik mijn naam had genoemd, ontving hij mij met alle teekenen van eerbied. Hij verzocht mij hem te volgen en bracht mij naar een vleugel van de tweede verdieping. “Hier heeft de minister voor u een woning ingericht. Ge zult iederen dag op zijn kosten een tafel hebben van zes couverts, door zijn eigen personeel worden bediend en er zal steeds een koets tot uw beschikking zijn. Dat is nog niet alles, de minister heeft mij uitdrukkelijk bevolen dezelfde zorgen voor u te hebben, alsof ge tot zijn familie zoudt behooren.”“Wat voor den duivel!” zei ik in stilte,“zou dat alles beteekenen? Hoe moet ik die onderscheidingen opvatten? Zou de minister zich weer ten koste van mij willen vermaken? Maar komt zoo iets eigenlijk wel te pas voor een minister van den kroon?”Terwijl ik zoo in die onzekerheid tusschen hoop en vrees zweefde, kwam een page mij zeggen, dat de graaf mij wenschte te zien. Onmiddellijk begaf ik mij naar zijn kabinet, waar ik hem alleen vond.“Welnu Santillano, zijt gij tevreden over uw logies en over de bevelen, die ik don Raimond heb gegeven?”“Excellentie,” antwoordde ik, “uw goedheid is zoo overstelpend groot, dat ze mij verlegen maakt.”“Waarom?” vroeg hij. “Kan ik wel te veel eer bewijzen aan een man, die mij door den koning speciaal is aanbevolen? Ik doe niet anders dan mijn plicht, wanneer ik uop zulk een wijze behandel. Verwonder u niet over hetgeen ik voor u doe en reken erop, dat een schitterende positie u niet zal ontgaan, indien ge aan mij even gehecht blijft, als aan den hertog de Lerme. Maar van dien heer gesproken, men zegt, dat hij zeer intiem met u was. Ik ben benieuwd te weten, hoe gij met elkaar hebt kennis gemaakt en welk werk hij liet doen. Verberg mij niets; ik vraag van u een oprecht en getrouw verhaal.”Ikherinnerdemij op dat oogenblik de verlegenheid, waarin ik verkeerde, toen ik mij tegenover den hertog de Lerme in een zelfden toestand bevond en op welke wijze ik mij er toen had uitgered. Diezelfde practijk deed mij ook nu weer dienst. Ikverzachttede ruwe kanten van mijn verhaal en liep licht heen over de zaken, die mij weinig eer aandeden. Ook spaarde ik den hertog de Lerme, hoewel ik mijn toehoorder misschien meer genoegen had gedaan, door het tegendeel. Wat don Rodrigo de Calderone aanging, hem ontzag ik in geen enkel opzicht. Ik deelde alles mee, wat mij bekend was van zijn kunstgrepen in het begeven van betrekkingen, het verleenen van gratificatiën als anderszins.“Wat ge mij van Calderone zegt,” zei de minister, “komt overeen met zekere memoires, die men bij mij tegen hem heeft ingediend en die nog zwaardere beschuldigingen bevatten. Men zal weldra zijn vonnis beteekenen en wanneer ge wenscht, dat hij de doodstraf zal ondergaan, dan zal uw wensch, geloof ik, worden bevredigd.”“Ik wensch zijn dood niet,” zei ik, “hoewel het niet aan hem gelegen heeft, dat ik den mijne niet heb gevonden in den toren van Ségovië, waar hij mij zoolang heeft laten gevangen houden.”“Hoe!” riep de minister verwonderd, “heeft don Rodrigo uw gevangenschap veroorzaakt? Dat is iets, wat ik niet wist. Don Balthazar, aan wien Navarro uw geschiedenis heeft verteld, zei me wel, dat wijlen de koning u liet opsluiten, om u ervoor te straffen, dat ge den prins op een verdachte plaats hadt gebracht, maar ik kan mij nietdenken, welke rol Calderone in dit stuk heeft gespeeld.”“Die van een minnaar, die zich wil wreken,” antwoordde ik en ik vertelde hem haarfijn, hoe de zaak zich had toegedragen. Hoe ernstig hij ook anders was, moest hij nu toch herhaaldelijk lachen. Vooral Catalina, nu eens nicht en dan weer kleindochter, vermaakte hem zeer en niet minder het deel, dat de hertog de Lerme in de zaak had gehad.Toen ik mijn verhaal had geëindigd, liet de graaf mij gaan met de toezegging, dat hij mij den volgenden dag werk zou geven. Dadelijk ging ik naar don Balthazar, om hem te bedanken voor de mij bewezen diensten en naar mijn vriend Joseph, wien ik een getrouw verslag wilde doen van al wat er tusschen den eersten minister en mij was besproken.

Na den middag was ik terug bij den eersten minister en vroeg naar zijn intendant, die don Raimond Caporis heette. Zoodra ik mijn naam had genoemd, ontving hij mij met alle teekenen van eerbied. Hij verzocht mij hem te volgen en bracht mij naar een vleugel van de tweede verdieping. “Hier heeft de minister voor u een woning ingericht. Ge zult iederen dag op zijn kosten een tafel hebben van zes couverts, door zijn eigen personeel worden bediend en er zal steeds een koets tot uw beschikking zijn. Dat is nog niet alles, de minister heeft mij uitdrukkelijk bevolen dezelfde zorgen voor u te hebben, alsof ge tot zijn familie zoudt behooren.”

“Wat voor den duivel!” zei ik in stilte,“zou dat alles beteekenen? Hoe moet ik die onderscheidingen opvatten? Zou de minister zich weer ten koste van mij willen vermaken? Maar komt zoo iets eigenlijk wel te pas voor een minister van den kroon?”

Terwijl ik zoo in die onzekerheid tusschen hoop en vrees zweefde, kwam een page mij zeggen, dat de graaf mij wenschte te zien. Onmiddellijk begaf ik mij naar zijn kabinet, waar ik hem alleen vond.

“Welnu Santillano, zijt gij tevreden over uw logies en over de bevelen, die ik don Raimond heb gegeven?”

“Excellentie,” antwoordde ik, “uw goedheid is zoo overstelpend groot, dat ze mij verlegen maakt.”

“Waarom?” vroeg hij. “Kan ik wel te veel eer bewijzen aan een man, die mij door den koning speciaal is aanbevolen? Ik doe niet anders dan mijn plicht, wanneer ik uop zulk een wijze behandel. Verwonder u niet over hetgeen ik voor u doe en reken erop, dat een schitterende positie u niet zal ontgaan, indien ge aan mij even gehecht blijft, als aan den hertog de Lerme. Maar van dien heer gesproken, men zegt, dat hij zeer intiem met u was. Ik ben benieuwd te weten, hoe gij met elkaar hebt kennis gemaakt en welk werk hij liet doen. Verberg mij niets; ik vraag van u een oprecht en getrouw verhaal.”

Ikherinnerdemij op dat oogenblik de verlegenheid, waarin ik verkeerde, toen ik mij tegenover den hertog de Lerme in een zelfden toestand bevond en op welke wijze ik mij er toen had uitgered. Diezelfde practijk deed mij ook nu weer dienst. Ikverzachttede ruwe kanten van mijn verhaal en liep licht heen over de zaken, die mij weinig eer aandeden. Ook spaarde ik den hertog de Lerme, hoewel ik mijn toehoorder misschien meer genoegen had gedaan, door het tegendeel. Wat don Rodrigo de Calderone aanging, hem ontzag ik in geen enkel opzicht. Ik deelde alles mee, wat mij bekend was van zijn kunstgrepen in het begeven van betrekkingen, het verleenen van gratificatiën als anderszins.

“Wat ge mij van Calderone zegt,” zei de minister, “komt overeen met zekere memoires, die men bij mij tegen hem heeft ingediend en die nog zwaardere beschuldigingen bevatten. Men zal weldra zijn vonnis beteekenen en wanneer ge wenscht, dat hij de doodstraf zal ondergaan, dan zal uw wensch, geloof ik, worden bevredigd.”

“Ik wensch zijn dood niet,” zei ik, “hoewel het niet aan hem gelegen heeft, dat ik den mijne niet heb gevonden in den toren van Ségovië, waar hij mij zoolang heeft laten gevangen houden.”

“Hoe!” riep de minister verwonderd, “heeft don Rodrigo uw gevangenschap veroorzaakt? Dat is iets, wat ik niet wist. Don Balthazar, aan wien Navarro uw geschiedenis heeft verteld, zei me wel, dat wijlen de koning u liet opsluiten, om u ervoor te straffen, dat ge den prins op een verdachte plaats hadt gebracht, maar ik kan mij nietdenken, welke rol Calderone in dit stuk heeft gespeeld.”

“Die van een minnaar, die zich wil wreken,” antwoordde ik en ik vertelde hem haarfijn, hoe de zaak zich had toegedragen. Hoe ernstig hij ook anders was, moest hij nu toch herhaaldelijk lachen. Vooral Catalina, nu eens nicht en dan weer kleindochter, vermaakte hem zeer en niet minder het deel, dat de hertog de Lerme in de zaak had gehad.

Toen ik mijn verhaal had geëindigd, liet de graaf mij gaan met de toezegging, dat hij mij den volgenden dag werk zou geven. Dadelijk ging ik naar don Balthazar, om hem te bedanken voor de mij bewezen diensten en naar mijn vriend Joseph, wien ik een getrouw verslag wilde doen van al wat er tusschen den eersten minister en mij was besproken.

Hoofdstuk VVan het geheime onderhoud, dat Gil Blas had met Navarro en van het eerste werk, dat de graaf van Olivarès hem gaf.Zoodra ik Joseph zag, zei ik hem, dat ik hem verschillende zaken had mee te deelen. Hij bracht mij daarop naar een vertrek, waar wij ongestoord konden spreken. Nadat ik hem alles verteld had vroeg ik, wat hij ervan dacht.“Ik denk,” antwoordde hij, “dat ge op weg zijt fortuin te maken. Alles lacht u toe. Ge bevalt den eersten minister en wat niet onderschat moet worden, ik kan u denzelfden dienst bewijzen, dien mijn oom Melchior de la Ronda u bewees, toen ge in dienst kwaamt bij den aartsbisschop van Granada. Hij bespaarde u de bestudeering van den prelaat en van de voornaamste personen van zijn huis, door u tevoren hunne verschillende karakters te beschrijven; op zijn voorbeeld wil ik u den graaf doen kennen, de gravin en dona Maria de Guzman, hunne eenige dochter.“Laten wij dan beginnen met den minister. Hij is levendig, scherpzinnig en geschikt om groote plannen te vormen. Hij geeft zich uit voor een veelzijdig man, omdat hij eenig besef heeft van verschillende wetenschappen. Hij verbeeldt zich een bekwaam rechtsgeleerde, een groot krijgsman en een fijn staatsman te zijn. Bovendien is hij zeer koppig en vindt hij zijn eigen meening steeds de beste. Ik moet daarbij voegen, dat hij van natuur een groote welsprekendheid heeft gekregen; ook schrijft hij goed. Zooals ik u reeds gezegd heb, is hij zeer grillig. Dit voor zoover zijn hoofd betreft; wat zijn hart aangaat is hij edelmoedig eneen trouw vriend. Men zegt, dat hij wraakzuchtig is, maar welke Spanjaard is dat niet? Ook zegt men, dat hij ondankbaar is, omdat hij den Hertog d’Uzède en Broeder Louis Aliaga heeft doen verbannen, aan wie hij groote verplichtingen had maar ook dit is te vergeven; het verlangen om eerste Minister te worden stelt iemand wel vrij van den plicht der dankbaarheid.Dona Agnès de Zuniga é Velasco, de gravin, is een dame, van wie ik alleen dit gebrek weet, dat ze de gunsten, die zij weet te verwerven, met ponden gouds laat betalen.Wat dona Maria de Guzman aangaat, zij kan doorgaan voor een voortreffelijk meisje en is het ideaal van haar vader. Regel u daarnaar. Maak het hof aan de dames en toon u aan den graaf even trouw, als ge het waart aan den hertog de Lerme, voor hij u naar Ségovia zond.Ook zou ik u nog raden, om nu en dan don Balthazar, mijn meester, te bezoeken. Hoewel ge hem nu niet direct meer noodig hebt, kan het geen kwaad zijn vriendschap te bewaren, want de gelegenheid kan zich voordoen, dat hij u van dienst kan zijn.”“Zou er,” vroeg ik Navarro, “nu oom en neef samen den staat besturen, geen gevaar kunnen bestaan, dat er jaloezie tusschen hen rees?”“Neen, want toen ze na den dood van den koning zoo handig hadden gemanoeuvreerd, dat ze het van al hun vijanden en mededingers wonnen, hebben ze de werkzaamheden zoo geregeld, dat ze daarin onafhankelijk van elkaar zijn. De neef, die eerste minister werd, heeft aan zijn oom de buitenlandsche aangelegenheden opgedragen en zichzelf met die van het binnenland belast.”Na dit onderhoud met Joseph, waarvan ik mij voornam te profiteeren, zocht ik den heer de Zuniga op, om hem te bedanken voor zijn goedheid. Hij antwoordde mij zeer beleefd, dat ik ook in het vervolg op zijn hulp zou kunnen rekenen, wanneer ik die mocht noodig hebben.Denzelfden avond verliet ik mijn hotel, om mijn intrek te nemen bij den eersten minister, waar ik met Scipio inmijn kamer soupeerde. Het was de moeite waard ons daar te zien. Wij werden er bediend door lakeien en alles ging met groote deftigheid toe, tot Scipio, nadat wij alleen waren gebleven, aan zijn vroolijkheid lucht kon geven.Wat mij betreft, hoewel hoogst voldaan over mijn schitterende positie, liet ik mij niet verblinden. ’s Nachts sliep ik rustig, terwijl Scipio den halven nacht lag uit te rekenen hoeveel hij later zijn kleine Séraphine wel als bruidschat zou kunnen geven.Den volgenden morgen was ik nauwelijks aangekleed of ik werd bij den minister geroepen.“Santillano,” zei hij, “ge hebt mij gezegd, dat ge bij den hertog de Lerme dikwijls memoires had te redigeeren. Ik heb iets te schrijven, wat voor mij uw proefstuk zal zijn. Ik zal u zeggen, wat de zaak is. Er moet een stuk worden samengesteld, dat het publiek gunstig stemt voor mijn bewind. Reeds heb ik in het geheim het gerucht laten verspreiden, dat ik de zaken in zeer ontredderden toestand heb gevonden. Nu moet het duidelijk worden gemaakt voor het hof en voor het volk, dat de monarchie tot een treurigen staat is vervallen. Er moet daarvan een treffende schilderij worden opgehangen, waardoor het niet mogelijk wordt mijn voorganger te betreuren. Daarna moet ge de maatregelen roemen, die ik reeds heb genomen om de regeering van den koning roemrijk, zijn staten bloeiend en zijn onderdanen volmaakt gelukkig te maken.”Nadat de minister mij dit gezegd had, gaf hij mij een vel papier, waarop de punten stonden, waarover men zich onder de vorige regeering beklaagd had. Er waren tien artikelen en het minste was al gewichtig genoeg om onze goede Spanjaarden in opschudding te brengen.In een klein kabinetje, dat mij als werkkamer was aangewezen, begon ik dadelijk aan mijn werk. Eerst schilderde ik den treurigen staat, waarin zich het koninkrijk bevond; de schatkist uitgeput, de koninklijke inkomsten aangewend ten bate van partijgangers, de marine vervallen. Vervolgens wees ik op de fouten begaan door de laatste regeeringen op de noodlottige gevolgen, die deze konden hebben. Ik beschreef het gevaar waarin het koninkrijk verkeerde en veroordeelde zoo heftig het vorige ministerie, dat het verlies van den hertog volgens mijn geschrift een groot geluk was geweest voor Spanje.Om de waarheid te zeggen speet het mij niet, dat ik den hertog, hoewel ik geen haat tegen hem gevoelde, dezen dienst kon bewijzen. Zoo is nu eenmaal de mensch!Eindelijk, na een somber tafereel van de rampen, die Spanje bedreigden, stelde ik de gemoederen gerust door het licht te werpen op schoone verwachtingen in de toekomst. Ik liet het voorkomen alsof de graaf van Olivarès een bestuurder was, door den hemel voor het heil der natie geschonken. Gouden bergen beloofde ik.In één woord, ik gaf zoo goed de bedoeling van den minister weer, dat hij verrast was over mijn werk, toen hij dat tot het eind had gelezen.“Santillano, ik had nooit gedacht, dat ge zoo goed zulk een stuk zoudt kunnen samenstellen. Weet ge wel, dat dit een werk is een staatssecretaris waardig! Het verwondert mij niet, dat de hertog de Lerme u gelegenheid gaf, uw pen te gebruiken. Uw stijl is sober en toch elegant; alleen vind ik hem hier en daar een weinig te natuurlijk.” Hij bracht eenige kleine veranderingen in mijn werk aan en zond mij als een bewijs van zijne tevredenheid door don Raimond driehonderd pistolen.

Zoodra ik Joseph zag, zei ik hem, dat ik hem verschillende zaken had mee te deelen. Hij bracht mij daarop naar een vertrek, waar wij ongestoord konden spreken. Nadat ik hem alles verteld had vroeg ik, wat hij ervan dacht.

“Ik denk,” antwoordde hij, “dat ge op weg zijt fortuin te maken. Alles lacht u toe. Ge bevalt den eersten minister en wat niet onderschat moet worden, ik kan u denzelfden dienst bewijzen, dien mijn oom Melchior de la Ronda u bewees, toen ge in dienst kwaamt bij den aartsbisschop van Granada. Hij bespaarde u de bestudeering van den prelaat en van de voornaamste personen van zijn huis, door u tevoren hunne verschillende karakters te beschrijven; op zijn voorbeeld wil ik u den graaf doen kennen, de gravin en dona Maria de Guzman, hunne eenige dochter.

“Laten wij dan beginnen met den minister. Hij is levendig, scherpzinnig en geschikt om groote plannen te vormen. Hij geeft zich uit voor een veelzijdig man, omdat hij eenig besef heeft van verschillende wetenschappen. Hij verbeeldt zich een bekwaam rechtsgeleerde, een groot krijgsman en een fijn staatsman te zijn. Bovendien is hij zeer koppig en vindt hij zijn eigen meening steeds de beste. Ik moet daarbij voegen, dat hij van natuur een groote welsprekendheid heeft gekregen; ook schrijft hij goed. Zooals ik u reeds gezegd heb, is hij zeer grillig. Dit voor zoover zijn hoofd betreft; wat zijn hart aangaat is hij edelmoedig eneen trouw vriend. Men zegt, dat hij wraakzuchtig is, maar welke Spanjaard is dat niet? Ook zegt men, dat hij ondankbaar is, omdat hij den Hertog d’Uzède en Broeder Louis Aliaga heeft doen verbannen, aan wie hij groote verplichtingen had maar ook dit is te vergeven; het verlangen om eerste Minister te worden stelt iemand wel vrij van den plicht der dankbaarheid.

Dona Agnès de Zuniga é Velasco, de gravin, is een dame, van wie ik alleen dit gebrek weet, dat ze de gunsten, die zij weet te verwerven, met ponden gouds laat betalen.

Wat dona Maria de Guzman aangaat, zij kan doorgaan voor een voortreffelijk meisje en is het ideaal van haar vader. Regel u daarnaar. Maak het hof aan de dames en toon u aan den graaf even trouw, als ge het waart aan den hertog de Lerme, voor hij u naar Ségovia zond.

Ook zou ik u nog raden, om nu en dan don Balthazar, mijn meester, te bezoeken. Hoewel ge hem nu niet direct meer noodig hebt, kan het geen kwaad zijn vriendschap te bewaren, want de gelegenheid kan zich voordoen, dat hij u van dienst kan zijn.”

“Zou er,” vroeg ik Navarro, “nu oom en neef samen den staat besturen, geen gevaar kunnen bestaan, dat er jaloezie tusschen hen rees?”

“Neen, want toen ze na den dood van den koning zoo handig hadden gemanoeuvreerd, dat ze het van al hun vijanden en mededingers wonnen, hebben ze de werkzaamheden zoo geregeld, dat ze daarin onafhankelijk van elkaar zijn. De neef, die eerste minister werd, heeft aan zijn oom de buitenlandsche aangelegenheden opgedragen en zichzelf met die van het binnenland belast.”

Na dit onderhoud met Joseph, waarvan ik mij voornam te profiteeren, zocht ik den heer de Zuniga op, om hem te bedanken voor zijn goedheid. Hij antwoordde mij zeer beleefd, dat ik ook in het vervolg op zijn hulp zou kunnen rekenen, wanneer ik die mocht noodig hebben.

Denzelfden avond verliet ik mijn hotel, om mijn intrek te nemen bij den eersten minister, waar ik met Scipio inmijn kamer soupeerde. Het was de moeite waard ons daar te zien. Wij werden er bediend door lakeien en alles ging met groote deftigheid toe, tot Scipio, nadat wij alleen waren gebleven, aan zijn vroolijkheid lucht kon geven.

Wat mij betreft, hoewel hoogst voldaan over mijn schitterende positie, liet ik mij niet verblinden. ’s Nachts sliep ik rustig, terwijl Scipio den halven nacht lag uit te rekenen hoeveel hij later zijn kleine Séraphine wel als bruidschat zou kunnen geven.

Den volgenden morgen was ik nauwelijks aangekleed of ik werd bij den minister geroepen.

“Santillano,” zei hij, “ge hebt mij gezegd, dat ge bij den hertog de Lerme dikwijls memoires had te redigeeren. Ik heb iets te schrijven, wat voor mij uw proefstuk zal zijn. Ik zal u zeggen, wat de zaak is. Er moet een stuk worden samengesteld, dat het publiek gunstig stemt voor mijn bewind. Reeds heb ik in het geheim het gerucht laten verspreiden, dat ik de zaken in zeer ontredderden toestand heb gevonden. Nu moet het duidelijk worden gemaakt voor het hof en voor het volk, dat de monarchie tot een treurigen staat is vervallen. Er moet daarvan een treffende schilderij worden opgehangen, waardoor het niet mogelijk wordt mijn voorganger te betreuren. Daarna moet ge de maatregelen roemen, die ik reeds heb genomen om de regeering van den koning roemrijk, zijn staten bloeiend en zijn onderdanen volmaakt gelukkig te maken.”

Nadat de minister mij dit gezegd had, gaf hij mij een vel papier, waarop de punten stonden, waarover men zich onder de vorige regeering beklaagd had. Er waren tien artikelen en het minste was al gewichtig genoeg om onze goede Spanjaarden in opschudding te brengen.

In een klein kabinetje, dat mij als werkkamer was aangewezen, begon ik dadelijk aan mijn werk. Eerst schilderde ik den treurigen staat, waarin zich het koninkrijk bevond; de schatkist uitgeput, de koninklijke inkomsten aangewend ten bate van partijgangers, de marine vervallen. Vervolgens wees ik op de fouten begaan door de laatste regeeringen op de noodlottige gevolgen, die deze konden hebben. Ik beschreef het gevaar waarin het koninkrijk verkeerde en veroordeelde zoo heftig het vorige ministerie, dat het verlies van den hertog volgens mijn geschrift een groot geluk was geweest voor Spanje.

Om de waarheid te zeggen speet het mij niet, dat ik den hertog, hoewel ik geen haat tegen hem gevoelde, dezen dienst kon bewijzen. Zoo is nu eenmaal de mensch!

Eindelijk, na een somber tafereel van de rampen, die Spanje bedreigden, stelde ik de gemoederen gerust door het licht te werpen op schoone verwachtingen in de toekomst. Ik liet het voorkomen alsof de graaf van Olivarès een bestuurder was, door den hemel voor het heil der natie geschonken. Gouden bergen beloofde ik.

In één woord, ik gaf zoo goed de bedoeling van den minister weer, dat hij verrast was over mijn werk, toen hij dat tot het eind had gelezen.

“Santillano, ik had nooit gedacht, dat ge zoo goed zulk een stuk zoudt kunnen samenstellen. Weet ge wel, dat dit een werk is een staatssecretaris waardig! Het verwondert mij niet, dat de hertog de Lerme u gelegenheid gaf, uw pen te gebruiken. Uw stijl is sober en toch elegant; alleen vind ik hem hier en daar een weinig te natuurlijk.” Hij bracht eenige kleine veranderingen in mijn werk aan en zond mij als een bewijs van zijne tevredenheid door don Raimond driehonderd pistolen.

Hoofdstuk VIVan het gebruik, dat Gil Blas maakte van de driehonderd pistolen en van de zorgen, waarmee hij Scipio belastte. Succes van het stuk, waarvan in het vorige hoofdstuk wordt gesproken.Deze weldaad van den minister gaf Scipio opnieuw aanleiding, om mij te feliciteeren, dat ik aan het hof was gekomen. “Spijt het u nu nog, dat ge uw eenzaamheid hebt verlaten? Leve de graaf! Dat is een andere patroon dan zijn voorganger. De hertog de Lerme liet u, hoe zeer ge aan hem gehecht waart, drie maanden wachten, zonder u iets te geven en de graaf geeft u nu reeds een gratificatie, waarop ge eerst hadt kunnen hopen na langdurige diensten. Ik wilde wel, dat de heeren de Leyva getuigen waren van uw geluk of er althans van wisten!”“Het is tijd,” zei ik, “hen daarvan in kennis te stellen en daarover wilde ik juist met je spreken. Ik twijfel er niet aan, of zij wachten met ongeduld eenig bericht van mij, maar ik heb er mee gewacht hun dat te zenden, tot ik zekerheid had, of ik al dan niet aan het hof zou blijven. Nu ik weet waaraan ik mij heb te houden, kunt ge naar Valencia gaan zoodra ge wilt.”“Wat zullen de heeren blij zijn, als ik zulke goede berichten breng! De twee paarden van don Alphonse staan klaar. Ik zal op weg gaan met een lakei van den graaf. Behalve dat het aangenaam voor mij zal zijn, om een reisgezel te hebben, maakt een livrei van den eersten minister den noodigen indruk.”Ik kon niet nalaten te lachen om de zotte ijdelheidvan mijn secretaris en nochtans, misschien nog ijdeler dan hij, liet ik toe hetgeen hij wilde.“Ga op reis,” zei ik, “en kom spoedig terug, want ik heb nog iets anders voor je te doen. Ik wil je n.l. naar Asturië zenden, om geld aan mijn moeder te brengen. Eenigen tijd geleden reeds had ze honderd pistolen van mij moeten ontvangen en je moet haar die persoonlijk ter hand stellen.”“Het spijt mij, dat ik u niet aan die zaak heb helpen herinneren, maar wees gerust; over zes weken of eerder ben ik terug en ik zal u dan verslag doen van mijn zendingen. Ik zal de heeren de Leyva hebben gesproken, uw kasteel en Oviédo hebben bezocht, aan welke stad ik niet kan denken, na de onaangename behandeling, die wij er hebben ondervonden, zonder driekwart van de bewoners naar den duivel te wenschen.”Hierna gaf ik Scipio honderd pistolen voor mijn moeder en honderd voor hem zelf, opdat het hem op reis aan niets zou ontbreken.Eenige dagen na zijn vertrek liet de minister ons stuk drukken, dat zoodra het publiek werd, het onderwerp uitmaakte van alle gesprekken te Madrid. Het volk, vriend van alles wat nieuw is, was zeer ingenomen met dit geschrift. De uitputting van de financiën, die in levendige kleuren was geschilderd, zette het op tegen den hertog de Lerme.De prachtige belofte, dat de staat zou gaan bloeien, zonder de lasten der onderdanen te verzwaren, bevestigden de goede meening, die men reeds over den eersten minister had en deden zijn lof overal weerklinken.De minister, verheugd dat zijn doel bereikt was, n.l. het winnen van de volksgunst, wilde die nu werkelijk verdienen door een prijzenswaardige daad, die nuttig was voor den koning. Zij, die zich verrijkt hadden, moesten bloeden, hij verminderde alle salarissen, het zijne niet uitgezonderd; ook met de gratificatiën werd niet meer zoo mild omgesprongen.Er was nu echter weer een nieuwe memorie noodig. Bij de samenstelling daarvan gelastte hij mij, mij te verheffen boven mijn gewonen stijl.“Ik begrijp het,” zei ik, “u moet iets verhevens hebben, ik zal daarvoor zorgen.”Daarop ging ik aan het werk, waarbij ik de hulp inriep van den welsprekenden geest van den aartsbisschop van Granada.Ik begon met te zeggen, dat het geld in de koninklijke schatkist met zorg moest worden bewaard en dat het alleen mocht worden aangewend voor de werkelijke behoeften van de monarchie, omdat het een heilig fonds was, dat moest dienen, om de vijanden van Spanje respect in te boezemen. Voorts betoogde ik, dat er geen geld noodig was om de onderdanen, die zich gunsten hadden waardig gemaakt, te onderscheiden. Immers de koning had tal van ambten en betrekkingen tevergeven.Dit stuk, dat veel langer was dan het eerste, hield mij bijna drie dagen bezig, maar gelukkig voldeed het mijn meester, die mij met lof overlaadde. De plaatsen, waar de stijl het meest gezwollen was, roemde hij het hardst. Niettegenstaande zijn betuigingen van tevredenheid, veranderde hij nog veel in het geschrift, dat bij den koning en het hof in zeer goede aarde viel. In de stad juichte men het eveneens toe; men vleide zich, dat de monarchie haar ouden luister zou hernemen onder zulk een minister.Mijn meester, die zooveel eer inoogstte, wilde ook mij van de vruchten doen plukken en liet mij vijfhonderd kronen betalen. Dat scheen mij een zeer behoorlijke belooning van mijn werk en ze was mij te aangenamer, omdat ze niet op slechte wijze was verkregen, al had ik haar dan ook gemakkelijk genoeg verdiend.

Deze weldaad van den minister gaf Scipio opnieuw aanleiding, om mij te feliciteeren, dat ik aan het hof was gekomen. “Spijt het u nu nog, dat ge uw eenzaamheid hebt verlaten? Leve de graaf! Dat is een andere patroon dan zijn voorganger. De hertog de Lerme liet u, hoe zeer ge aan hem gehecht waart, drie maanden wachten, zonder u iets te geven en de graaf geeft u nu reeds een gratificatie, waarop ge eerst hadt kunnen hopen na langdurige diensten. Ik wilde wel, dat de heeren de Leyva getuigen waren van uw geluk of er althans van wisten!”

“Het is tijd,” zei ik, “hen daarvan in kennis te stellen en daarover wilde ik juist met je spreken. Ik twijfel er niet aan, of zij wachten met ongeduld eenig bericht van mij, maar ik heb er mee gewacht hun dat te zenden, tot ik zekerheid had, of ik al dan niet aan het hof zou blijven. Nu ik weet waaraan ik mij heb te houden, kunt ge naar Valencia gaan zoodra ge wilt.”

“Wat zullen de heeren blij zijn, als ik zulke goede berichten breng! De twee paarden van don Alphonse staan klaar. Ik zal op weg gaan met een lakei van den graaf. Behalve dat het aangenaam voor mij zal zijn, om een reisgezel te hebben, maakt een livrei van den eersten minister den noodigen indruk.”

Ik kon niet nalaten te lachen om de zotte ijdelheidvan mijn secretaris en nochtans, misschien nog ijdeler dan hij, liet ik toe hetgeen hij wilde.

“Ga op reis,” zei ik, “en kom spoedig terug, want ik heb nog iets anders voor je te doen. Ik wil je n.l. naar Asturië zenden, om geld aan mijn moeder te brengen. Eenigen tijd geleden reeds had ze honderd pistolen van mij moeten ontvangen en je moet haar die persoonlijk ter hand stellen.”

“Het spijt mij, dat ik u niet aan die zaak heb helpen herinneren, maar wees gerust; over zes weken of eerder ben ik terug en ik zal u dan verslag doen van mijn zendingen. Ik zal de heeren de Leyva hebben gesproken, uw kasteel en Oviédo hebben bezocht, aan welke stad ik niet kan denken, na de onaangename behandeling, die wij er hebben ondervonden, zonder driekwart van de bewoners naar den duivel te wenschen.”

Hierna gaf ik Scipio honderd pistolen voor mijn moeder en honderd voor hem zelf, opdat het hem op reis aan niets zou ontbreken.

Eenige dagen na zijn vertrek liet de minister ons stuk drukken, dat zoodra het publiek werd, het onderwerp uitmaakte van alle gesprekken te Madrid. Het volk, vriend van alles wat nieuw is, was zeer ingenomen met dit geschrift. De uitputting van de financiën, die in levendige kleuren was geschilderd, zette het op tegen den hertog de Lerme.

De prachtige belofte, dat de staat zou gaan bloeien, zonder de lasten der onderdanen te verzwaren, bevestigden de goede meening, die men reeds over den eersten minister had en deden zijn lof overal weerklinken.

De minister, verheugd dat zijn doel bereikt was, n.l. het winnen van de volksgunst, wilde die nu werkelijk verdienen door een prijzenswaardige daad, die nuttig was voor den koning. Zij, die zich verrijkt hadden, moesten bloeden, hij verminderde alle salarissen, het zijne niet uitgezonderd; ook met de gratificatiën werd niet meer zoo mild omgesprongen.

Er was nu echter weer een nieuwe memorie noodig. Bij de samenstelling daarvan gelastte hij mij, mij te verheffen boven mijn gewonen stijl.

“Ik begrijp het,” zei ik, “u moet iets verhevens hebben, ik zal daarvoor zorgen.”

Daarop ging ik aan het werk, waarbij ik de hulp inriep van den welsprekenden geest van den aartsbisschop van Granada.

Ik begon met te zeggen, dat het geld in de koninklijke schatkist met zorg moest worden bewaard en dat het alleen mocht worden aangewend voor de werkelijke behoeften van de monarchie, omdat het een heilig fonds was, dat moest dienen, om de vijanden van Spanje respect in te boezemen. Voorts betoogde ik, dat er geen geld noodig was om de onderdanen, die zich gunsten hadden waardig gemaakt, te onderscheiden. Immers de koning had tal van ambten en betrekkingen tevergeven.

Dit stuk, dat veel langer was dan het eerste, hield mij bijna drie dagen bezig, maar gelukkig voldeed het mijn meester, die mij met lof overlaadde. De plaatsen, waar de stijl het meest gezwollen was, roemde hij het hardst. Niettegenstaande zijn betuigingen van tevredenheid, veranderde hij nog veel in het geschrift, dat bij den koning en het hof in zeer goede aarde viel. In de stad juichte men het eveneens toe; men vleide zich, dat de monarchie haar ouden luister zou hernemen onder zulk een minister.

Mijn meester, die zooveel eer inoogstte, wilde ook mij van de vruchten doen plukken en liet mij vijfhonderd kronen betalen. Dat scheen mij een zeer behoorlijke belooning van mijn werk en ze was mij te aangenamer, omdat ze niet op slechte wijze was verkregen, al had ik haar dan ook gemakkelijk genoeg verdiend.

Hoofdstuk VIIDoor welk toeval, op welke plaats en in welken toestand Gil Blas zijn vriend Fabricius terugvond en van het onderhoud, dat zij samen hadden.Niets was den minister aangenamer, dan te vernemen, wat men in Madrid van het ministerie dacht. Alle dagen vroeg hij mij, wat men van hem zei. Hij had zelfs spionnen, die voor geld hem verslag gaven van al wat er in de stad gebeurde. Zij brachten hem tot het minste gesprek over, dat zij hadden gehoord en daar hij hen beval oprecht te zijn, leed zijn eigenliefde er dikwijls door, want het volk heeft een tong, die niets eerbiedigt.Daar ik bemerkte, dat de graaf zeer op dergelijke rapporten was gesteld, ging ik er ’s avonds op uit, bezocht openbare plaatsen en mengde mij in het gesprek. Werd er over de regeering gesproken, dan luisterde ik scherp toe en maakte den minister deelgenoot van hetgeen ik had vernomen. Echter zorgde ik er wel voor, dat ik hem niets overbracht, wat niet in zijn voordeel was. Het scheen mij toe, dat hij op deze wijze moest worden behandeld.Op een dag, dat ik terugkwam van een dier plaatsen, ging ik langs een hospitaal. Ik kreeg lust naar binnen te gaan en doorliep twee of drie zalen, die vol lagen met zieken.Onder de ongelukkigen, die ik niet zonder medelijden aanschouwde, was er een, die mijn aandacht trok; ik meende in hem Fabricius te herkennen, mijn ouden kameraad. Om hem meer van nabij te zien, naderde ik zijn bed en ik kon er niet aan twijfelen, het was de dichterNunez. Eenige oogenblikken keek ik naar hem zonder iets te zeggen. Van zijn kant herkende hij mij ook. Eindelijk verbrak ik het stilzwijgen: “Mijn oogen bedriegen mij dus niet; is het werkelijk Fabricius, dien ik hier zie?”“Hij is het zelf,” antwoordde hij koel, “en je moet je daarover niet verwonderen. Sedert ik je verlaten heb, heb ik steeds hetzelfde auteursvak beoefend. Ik heb romans en comedies gemaakt, alle soorten geestelijken arbeid verricht. Ik heb mijn weg afgelegd; ik ben in het hospitaal.”Ik kon mij niet weerhouden te glimlachen om zijn woorden en meer nog om den ernstigen toon, waarop hij ze uitsprak.“Wel,” riep ik, “heeft je muze je naar deze plaats geleid! Dan heeft ze je een slechten dienst bewezen!”“Je ziet het,” antwoordde hij, “dit huis dient dikwijls als schuilplaats voor schoone geesten. Jij hebt goed gedaan, met een anderen weg te nemen dan ik. Maar je bent, naar het schijnt, niet meer aan het hof en de zaken zijn veranderd. Ik herinner me zelfs te hebben gehoord, dat je in de gevangenis waart op bevel van den koning.”“Je hebt de waarheid vernomen. De aangename positie, waarin je mij verlaten hebt toen wij scheidden, werd korten tijd daarna gevolgd door een tegenslag van de fortuin, die mij mijn goederen en mijn vrijheid ontnam. Maar mijn vriend, je ziet mij nu nog in een schitterender staat, dan waarin ge mij toen hebt gezien.”“Dat is niet mogelijk,” zei Nunez, “je houding is nu wijs en bescheiden, je hebt niet het ijdel en traag uiterlijk, dat de voorspoed gewoonlijk geeft.”“De tegenspoed heeft mij gelouterd. In die school heb ik geleerd van de rijkdommen te genieten, zonder dat ze mij bezitten.”“Zeg me dan eens wat je nu doet? Ben je intendant bij een groot heer, die zich ruïneert of bij een vermogende weduwe?”“Ik heb een betere betrekking,” zei ik, “maar laat onsdaar niet over spreken. Later zal ik je nieuwsgierigheid bevredigen. Op het oogenblik kan ik mij er toe bepalen je mee te deelen, dat ik in staat ben je genoegen te doen, of beter nog de rest van je dagen behoorlijk te doen slijten, mits je mij belooft, geen werken des geestes meer samen te stellen, noch in verzen, noch in proza. Voel je, dat je in staat bent, mij zulk een offer te brengen?”“Dat heb ik al aan den hemel gedaan in een doodelijke ziekte, waaraan je me nu ontsnapt ziet. Een Dominicaner heeft mij de poëzie doen afzweren, als een vermaak, dat, zoo het al niet misdadig is, dan toch van de wijsheid afbrengt.”“Mijn waarde Nunez, daar feliciteer ik je hartelijk mee. Maar pas op, dat je niet weer terugvalt.”“O, daar is geen gevaar voor. Ik heb een kloek besluit genomen om de muzen te verlaten: toen je hier binnenkwam, was ik juist bezig aan een vers, om ze voor eeuwig vaarwel te zeggen.”“Mijnheer Fabricius, ik weet niet, of wij wel trots kunnen zijn op je eed. Je schijnt woedend verzot te zijn op die geleerde maagden.”“Neen, neen, ik heb alle banden verbroken, die mij aan haar hechtten. Ik deed meer: ik heb een afkeer gekregen van het publiek en mijn haat is gerechtvaardigd. Het verdient niet, dat er auteurs zijn, die het hun werken willen offeren. Ik zou bedroefd zijn, indien ik iets maakte, dat het publiek beviel. Meen niet, dat het verdriet mij die woorden ingeeft; ik spreek in koelen bloede. Ik veracht zoowel de toejuiching, als den afkeer van het publiek, dat grillig is, heden zus denkt en morgen zoo. Wat zijn de dramatische dichters niet gek van ijdelheid, indien hunne stukken slagen! Welk een leven wordt er gemaakt als die stukken voor het eerst worden opgevoerd! Maar ze handhaven zich zelden na dien eersten indruk en worden ze twintig jaar later opgevoerd, dan worden ze slecht ontvangen. Het tegenwoordige geslacht beschuldigt het vorige van slechten smaak en het tegenwoordige zal opzijn beurt weer worden veroordeeld door het komende. Dat heb ik altijd opgemerkt en daaruit heb ik besloten, dat de schrijvers, die nu worden toegejuicht, moeten verwachten, dat ze in de toekomst zullen worden uitgefloten. Zoo gaat het ook met romans. De roem van een werk is niet anders dan een hersenschim, een illusie, een vuur van stroo, waarvan de rook weldra in de lucht zal verdwijnen.”Hoewel ik meende, dat de dichter uit Asturië alleen zoo sprak uit spijtigheid, liet ik dat niet merken.“Het doet mij zeer veel genoegen,” zei ik, “dat je een tegenzin in dat werk hebt gekregen en dat je radikaal bent genezen van je schrijverswoede, je kan er op rekenen, dat ik je dadelijk een betrekking zal geven, waarin je rijk kan worden zonder een groote verspilling van genie.”“Zooveel te beter, de geest doet me stikken en ik beschouw hem als het noodlottigste geschenk, dat de hemel den mensch had kunnen maken.”“Mijn waarde Fabricius, wanneer je er bij blijft, de poëzie te laten varen, dan zal ik je een eerlijke en winstgevende betrekking bezorgen. Maar in afwachting dat ik je dien dienst kan bewijzen, verzoek ik je dit kleine bewijs van mijn vriendschap te willen aanvaarden.” Bij die laatste woorden gaf ik hem een beurs met ongeveer zestig pistolen.“O edelmoedige vriend!” riep de zoon van den barbier Nunez, “hoe kan ik den hemel genoeg danken, dat hij je dit hospitaal heeft doen betreden, dat ik nu kan verlaten!”Voor ik wegging gaf ik hem mijn adres op en verzocht hem mij te komen bezoeken, zoodra zijn gezondheid dat zou toelaten.Een buitengewone verrassing toonde hij, toen ik hem zei, dat ik bij den graaf van Olivarès woonde.“O, al te gelukkige Gil Blas!” riep hij,“wiens lot het is, ministers te behagen; ik verheug mij in je geluk, omdat je er een zoo goed gebruik van maakt.”

Niets was den minister aangenamer, dan te vernemen, wat men in Madrid van het ministerie dacht. Alle dagen vroeg hij mij, wat men van hem zei. Hij had zelfs spionnen, die voor geld hem verslag gaven van al wat er in de stad gebeurde. Zij brachten hem tot het minste gesprek over, dat zij hadden gehoord en daar hij hen beval oprecht te zijn, leed zijn eigenliefde er dikwijls door, want het volk heeft een tong, die niets eerbiedigt.

Daar ik bemerkte, dat de graaf zeer op dergelijke rapporten was gesteld, ging ik er ’s avonds op uit, bezocht openbare plaatsen en mengde mij in het gesprek. Werd er over de regeering gesproken, dan luisterde ik scherp toe en maakte den minister deelgenoot van hetgeen ik had vernomen. Echter zorgde ik er wel voor, dat ik hem niets overbracht, wat niet in zijn voordeel was. Het scheen mij toe, dat hij op deze wijze moest worden behandeld.

Op een dag, dat ik terugkwam van een dier plaatsen, ging ik langs een hospitaal. Ik kreeg lust naar binnen te gaan en doorliep twee of drie zalen, die vol lagen met zieken.

Onder de ongelukkigen, die ik niet zonder medelijden aanschouwde, was er een, die mijn aandacht trok; ik meende in hem Fabricius te herkennen, mijn ouden kameraad. Om hem meer van nabij te zien, naderde ik zijn bed en ik kon er niet aan twijfelen, het was de dichterNunez. Eenige oogenblikken keek ik naar hem zonder iets te zeggen. Van zijn kant herkende hij mij ook. Eindelijk verbrak ik het stilzwijgen: “Mijn oogen bedriegen mij dus niet; is het werkelijk Fabricius, dien ik hier zie?”

“Hij is het zelf,” antwoordde hij koel, “en je moet je daarover niet verwonderen. Sedert ik je verlaten heb, heb ik steeds hetzelfde auteursvak beoefend. Ik heb romans en comedies gemaakt, alle soorten geestelijken arbeid verricht. Ik heb mijn weg afgelegd; ik ben in het hospitaal.”

Ik kon mij niet weerhouden te glimlachen om zijn woorden en meer nog om den ernstigen toon, waarop hij ze uitsprak.

“Wel,” riep ik, “heeft je muze je naar deze plaats geleid! Dan heeft ze je een slechten dienst bewezen!”

“Je ziet het,” antwoordde hij, “dit huis dient dikwijls als schuilplaats voor schoone geesten. Jij hebt goed gedaan, met een anderen weg te nemen dan ik. Maar je bent, naar het schijnt, niet meer aan het hof en de zaken zijn veranderd. Ik herinner me zelfs te hebben gehoord, dat je in de gevangenis waart op bevel van den koning.”

“Je hebt de waarheid vernomen. De aangename positie, waarin je mij verlaten hebt toen wij scheidden, werd korten tijd daarna gevolgd door een tegenslag van de fortuin, die mij mijn goederen en mijn vrijheid ontnam. Maar mijn vriend, je ziet mij nu nog in een schitterender staat, dan waarin ge mij toen hebt gezien.”

“Dat is niet mogelijk,” zei Nunez, “je houding is nu wijs en bescheiden, je hebt niet het ijdel en traag uiterlijk, dat de voorspoed gewoonlijk geeft.”

“De tegenspoed heeft mij gelouterd. In die school heb ik geleerd van de rijkdommen te genieten, zonder dat ze mij bezitten.”

“Zeg me dan eens wat je nu doet? Ben je intendant bij een groot heer, die zich ruïneert of bij een vermogende weduwe?”

“Ik heb een betere betrekking,” zei ik, “maar laat onsdaar niet over spreken. Later zal ik je nieuwsgierigheid bevredigen. Op het oogenblik kan ik mij er toe bepalen je mee te deelen, dat ik in staat ben je genoegen te doen, of beter nog de rest van je dagen behoorlijk te doen slijten, mits je mij belooft, geen werken des geestes meer samen te stellen, noch in verzen, noch in proza. Voel je, dat je in staat bent, mij zulk een offer te brengen?”

“Dat heb ik al aan den hemel gedaan in een doodelijke ziekte, waaraan je me nu ontsnapt ziet. Een Dominicaner heeft mij de poëzie doen afzweren, als een vermaak, dat, zoo het al niet misdadig is, dan toch van de wijsheid afbrengt.”

“Mijn waarde Nunez, daar feliciteer ik je hartelijk mee. Maar pas op, dat je niet weer terugvalt.”

“O, daar is geen gevaar voor. Ik heb een kloek besluit genomen om de muzen te verlaten: toen je hier binnenkwam, was ik juist bezig aan een vers, om ze voor eeuwig vaarwel te zeggen.”

“Mijnheer Fabricius, ik weet niet, of wij wel trots kunnen zijn op je eed. Je schijnt woedend verzot te zijn op die geleerde maagden.”

“Neen, neen, ik heb alle banden verbroken, die mij aan haar hechtten. Ik deed meer: ik heb een afkeer gekregen van het publiek en mijn haat is gerechtvaardigd. Het verdient niet, dat er auteurs zijn, die het hun werken willen offeren. Ik zou bedroefd zijn, indien ik iets maakte, dat het publiek beviel. Meen niet, dat het verdriet mij die woorden ingeeft; ik spreek in koelen bloede. Ik veracht zoowel de toejuiching, als den afkeer van het publiek, dat grillig is, heden zus denkt en morgen zoo. Wat zijn de dramatische dichters niet gek van ijdelheid, indien hunne stukken slagen! Welk een leven wordt er gemaakt als die stukken voor het eerst worden opgevoerd! Maar ze handhaven zich zelden na dien eersten indruk en worden ze twintig jaar later opgevoerd, dan worden ze slecht ontvangen. Het tegenwoordige geslacht beschuldigt het vorige van slechten smaak en het tegenwoordige zal opzijn beurt weer worden veroordeeld door het komende. Dat heb ik altijd opgemerkt en daaruit heb ik besloten, dat de schrijvers, die nu worden toegejuicht, moeten verwachten, dat ze in de toekomst zullen worden uitgefloten. Zoo gaat het ook met romans. De roem van een werk is niet anders dan een hersenschim, een illusie, een vuur van stroo, waarvan de rook weldra in de lucht zal verdwijnen.”

Hoewel ik meende, dat de dichter uit Asturië alleen zoo sprak uit spijtigheid, liet ik dat niet merken.

“Het doet mij zeer veel genoegen,” zei ik, “dat je een tegenzin in dat werk hebt gekregen en dat je radikaal bent genezen van je schrijverswoede, je kan er op rekenen, dat ik je dadelijk een betrekking zal geven, waarin je rijk kan worden zonder een groote verspilling van genie.”

“Zooveel te beter, de geest doet me stikken en ik beschouw hem als het noodlottigste geschenk, dat de hemel den mensch had kunnen maken.”

“Mijn waarde Fabricius, wanneer je er bij blijft, de poëzie te laten varen, dan zal ik je een eerlijke en winstgevende betrekking bezorgen. Maar in afwachting dat ik je dien dienst kan bewijzen, verzoek ik je dit kleine bewijs van mijn vriendschap te willen aanvaarden.” Bij die laatste woorden gaf ik hem een beurs met ongeveer zestig pistolen.

“O edelmoedige vriend!” riep de zoon van den barbier Nunez, “hoe kan ik den hemel genoeg danken, dat hij je dit hospitaal heeft doen betreden, dat ik nu kan verlaten!”

Voor ik wegging gaf ik hem mijn adres op en verzocht hem mij te komen bezoeken, zoodra zijn gezondheid dat zou toelaten.

Een buitengewone verrassing toonde hij, toen ik hem zei, dat ik bij den graaf van Olivarès woonde.

“O, al te gelukkige Gil Blas!” riep hij,“wiens lot het is, ministers te behagen; ik verheug mij in je geluk, omdat je er een zoo goed gebruik van maakt.”


Back to IndexNext