Hoofdstuk VIII

Hoofdstuk VIIIGil Blas komt van dag tot dag meer in de gunst bij zijn meester. Van de terugkomst van Scipio te Madrid en van het verhaal, dat hij Santillano van zijn reis doet.De graaf van Olivarès, dien ik voortaan den graaf-hertog zal noemen, omdat de koning hem in dien tijd met dezen titel vereerde, had het gebrek, dat hij bemind wilde worden. Zoodra hij bemerkte, dat iemand zich uit genegenheid aan hem hechtte, schonk hij hem zijn vriendschap. Dit had ik opgemerkt en ik zorgde ervoor het niet te verwaarloozen. Ik bepaalde mij er niet toe, om goed te verrichten, wat hij mij opdroeg, ik voerde zijn bevelen uit met een ijver, die hem opviel. Ik bestudeerde zijn smaak in alle zaken, om mij daarnaar te vormen en ik voorkwam zijn wenschen, zooveel mij dat mogelijk was.Door dit gedrag, dat bijna altijd tot het doel leidt, werd ik ongemerkt de gunsteling van mijn meester, die van zijn kant, daar ik hetzelfde zwak had als hij, mij voor zich won, door mij tal van bewijzen van zijn genegenheid te schenken. Al spoedig begon ik zijn vertrouwen te deelen met Carnero, zijn eersten secretaris.Carnero had zich van hetzelfde middel bediend als ik, om den minister te bevallen en hij was daarin zoo goed geslaagd, dat hij deelgenoot was van de kabinetsgeheimen. Die secretaris en ik werden dus de vertrouwelingen van den eersten minister met dit onderscheid, dat hij met Carnero slechts over staatszaken sprak en dat hij mij slechts onderhield over zijn particuliere aangelegenheden. Hij maakte om zoo te zeggen twee gescheiden departementen,waarover wij beiden tevreden waren. Wij leefden zonder jaloezie, maar ook zonder vriendschap voor elkaar.Toen de graaf-hertog niet meer twijfelde aan mijn gehechtheid aan hem, werd hij zeer openhartig in zijn mededeelingen.“Santillano,” zei hij op zekeren dag tot mij, “je hebt den hertog de Lerme van een macht zien genieten, die minder op dien van een minister dan van een onbeperkt heerscher geleek; ik ben echter nog gelukkiger dan hij het op het hoogtepunt van zijn macht was. Hij had twee geduchte vijanden in den hertog d’Uzède, zijn eigen zoon en in den biechtvader van koning Filips III, terwijl niemand bij den koning is, die genoeg invloed bezit om mij te benadeelen. Zelfs verdenk ik er niemand in die omgeving van dat hij mij slecht gezind is.Het is waar, dat ik, toen ik minister werd, ervoor gezorgd heb bij den koning slechts personen te plaatsen, die door banden des bloeds of vriendschap aan mij verbonden zijn. Van alle groote heeren, die door hunne persoonlijke verdiensten mij een deel van de gunsten des konings zouden kunnen ontnemen, heb ik mij ontdaan, door hen naar gezantschappen te zenden en zoo kan ik nu zeggen, dat er niemand is, die tekort doet aan mijn invloed.”Terwijl mijn meester zulke gesprekken met mij hield, naderde de tijd, dat Scipio van zijn reis terug moest keeren.“Ik heb u geen lang verhaal te doen,” zei hij bij zijn terugkomst. “Het deed den heeren de Leyva een zeer groot genoegen te vernemen, welke ontvangst de koning u bereidde, toen hij u herkende en de wijze, waarop de graaf van Olivarès van uw diensten gebruik maakt.”Hier viel ik Scipio in de rede: “Mijn vriend, je had hun nog veel grooter genoegen kunnen doen, indien je had kunnen zeggen op welken goeden voet ik nu met mijn meester ben. Sinds je vertrek heb ik groote vorderingen in zijn gunst gemaakt.”“Den hemel zij dank, mijn waarde meester. Ik heb een voorgevoel, dat ons een schoone toekomst wacht.”“Maar laten wij nu van onderwerp veranderen, Scipio, vertel nu van Oviédo. Je bent in Asturië geweest. Hoe heb je mijn moeder gevonden?”Zijn gezicht nam een treurige uitdrukking aan en hij zei: “O mijnheer, ik heb u in dat opzicht slechts treurig nieuws te brengen.”“O hemel! Mijn moeder is zeker dood?”“Helaas ja, zes maanden geleden is zij gestorven en ook uw oom Gil Perez is overleden.” De dood van mijn moeder deed mij smartelijk aan, hoewel ik in mijn jeugd nooit die bewijzen van teederheid van haar had ontvangen, waaraan kinderen zoo groote behoefte hebben. Ook mijn goeden oom, die zooveel zorg voor mijn opvoeding had gedragen, betreurde ik.Hoofdstuk IXHoe en aan wien de graaf-hertog zijn eenige dochter ten huwelijk gaf en van de slechte gevolgen van dat huwelijk.Weinig tijd na den terugkeer van Scipio verviel de graaf-hertog in een gepeins, dat hem wel acht dagen bezighield. Eerst dacht ik, dat hij weer een of ander groot staatsstuk voorbereidde, maar spoedig bleek het zijn familie te zijn, die zijn gedachten in beslag nam.“Gil Blas,” zei hij op een namiddag, “je moet gemerkt hebben, dat ik den laatsten tijd zeer afgetrokken ben geweest. Ik ben dan ook vervuld van een zaak, waarvan de rust van mijn leven afhangt en zal je die in vertrouwen meedeelen.“Dona Maria, mijn dochter, is huwbaar en er doen zich veel heeren voor, die om haar hand dingen. De graaf van Niebles, oudste zoon van den hertog van Médina Sidonia, hoofd van het huis de Gusman, en don Louis de Haro, oudste zoon van den markies van Corpio, en van mijn oudste zuster, schijnen twee pretendenten die het meest in aanmerking komen. De laatste vooral heeft zooveel verdiensten boven zijn medeminnaars, dat het geheele hof er niet aan twijfelt of ik zal hem tot schoonzoon kiezen. Zonder redenen op te geven, die mij daartoe nopen, moet ik u echter zeggen, dat ik de voorkeur geef aan don Ramire de Nunez de Gusman, markies van Toral. Aan de kinderen, die uit dat huwelijk zullen worden geboren en die den naam graaf van Olivarès aan den hunnen kunnen toevoegen, zal ik mijn goederen nalaten. Wat zegt ge daarvan Santillano?”“Natuurlijk zult u zelf het best daarin beslissen,” antwoordde ik. “Maar, indien het mij geoorloofd is een opmerking te maken, zou de hertog de Médina Sidonia niet ontevreden zijn over die beslissing?”“Laat hij ontevreden zijn zooveel hij wil, ik zal mij daar weinig om bekommeren,” antwoordde de minister. “Het spijt mij nog meer voor de markiezin van Corpio. Maar hoe het ook zij, ik wil mijn zin volgen en don Ramire zal mijn dochter hebben, dat is beslist.”Nadat de graaf-hertog mij dit besluit had meegedeeld, gaf hij weer een nieuw blijk van zeldzame politiek. Hij bood den koning een verzoekschrift aan, om hem en ook de koningin te verzoeken zijn dochter uit te huwelijken. Hij gaf een beschrijving van de verschillende heeren, die aanzoek hadden gedaan; de keuze liet hij geheel aan het koninklijk echtpaar over, maar hij liet, sprekende van den markies van Toral, niet na te kennen te geven, dat deze hem het meest aangenaam zou zijn. De koning, die een blinde ingenomenheid voor zijn minister had, gaf hem dit antwoord:“Ik geloof, dat don Ramire de Nunez dona Maria waardig is. Kies echter zelf wien ge wilt, bij voorbaat kan ik u verzekeren, dat uw besluit mij naar genoegen zal zijn. De Koning.”De minister was niet weinig verheugd met dit antwoord en het latende voorkomen als een bevel van den vorst, haastte hij zijn dochter uit te huwelijken aan den markies de Toral. Dit huwelijk verbitterde de markiezin van Corpio en hare familieleden. Maar men kon niets daaraan veranderen en de bruiloft werd met allerlei feesten gevierd. Men zei, dat de geheele familie de keuze toejuichte, maar de ontevredenen werden weldra gewroken op een voor den graaf-hertog zeer wreede wijze. Dona Maria beviel na tien maanden van een meisje, dat bij de geboorte stierf en zij zelve volgde haar kind een paar dagen later.Welk een verlies voor een vader, die om zoo te zeggenslechts oogen had gehad voor zijn dochter. Hij was zoo gebroken, dat hij zich eenige dagen opsloot en niemand zien wilde dan mij, daar ik mij richtte naar zijn verdriet. Nieuwe tranen vergoot ik in die dagen bij de gedachte aan Antonia. De overeenkomst van omstandigheden, waaronder de markiezin de Toral was gestorven,opendemijn wond weer, die nog niet was gesloten.Voor den minister was het een troost, dat hij een vertrouweling had, die zoo gevoelig scheen voor zijn verdriet. Op een van die dagen betuigde hij me dat. “O, Excellentie,” antwoordde ik, “ondankbaar en onnatuurlijk hard zou ik moeten zijn, indien ik niet in uw smart deelde.”Hoofdstuk XGil Blas ontmoet bij toeval den dichter Nunez, die hem meedeelt, dat hij een treurspel heeft gemaakt, dat opgevoerd zal worden in den koninklijken schouwburg. Van de mislukking van dit stuk en van het geluk, waardoor het werd gevolgd.De minister begon zich te troosten en daar ik tengevolge daarvan ook beter van humeur werd, ging ik ’s avonds weer uit. Op een rijtoer ontmoette ik den dichter uit Asturië, dien ik nog niet gezien had na zijn vertrek uit het hospitaal. Hij was zeer net gekleed; ik liet hem roepen en bij mij instappen.“Mijnheer Nunez,” zei ik, “het is gelukkig voor mij, dat ik u bij toeval ontmoet, anders zou ik niet het genoegen hebben gehad u....”“Geen verwijten, Santillano,” viel hij mij in de rede, “ik zal je eerlijk bekennen, dat ik je niet heb willen bezoeken en ik zal je zeggen, wat daarvan de reden is. Jij hadt mij een goede betrekking beloofd, mits ik de poëzie wilde afzweren en ik heb nu een even goede gevonden, onder voorwaarde, dat ik verzen zal maken. Ik heb de laatste aangenomen, omdat ze het best past bij mijn karakter. Door tusschenkomst van een mijner vrienden ben ik geplaatst bij don Bertrand Gomes del Ribero, schatmeester van den koning. Don Bertrand, die iemand met gevoel voor het schoone in zijn dienst wilde hebben, heeft mij uitgekozen uit vijf of zes andere schrijvers, die zich bij hem aanmeldden voor het ambt van secretaris.”“Dat doet mij genoegen,” zei ik, “want die don Bertrand is, naar het schijnt, zeer rijk.”“Wat rijk! Men zegt dat hij zijn eigen rijkdommen niet kent! Hoe het zij, ik zal je zeggen, waarin het werk bestaat, dat ik bij hem heb te doen. Daar hij galant is en wil doorgaan voor een geestig man, is hij in correspondentie met verschillende kunstminnende dames en ik leen hem mijn pen voor zijn brieven. Ik schrijf aan de eene in verzen, aan de andere in proza en ik breng er soms de brieven zelf heen, om de veelzijdigheid van mijn talent te doen zien.”“Maar ge deelt me niet mee, wat ik het liefst wilde weten. Is de betaling goed?”“Zeer goed,” antwoordde hij. “De rijke lui zijn niet allen edelmoedig en ik ken er wel, die gierig zijn, maar don Bertrand behandelt mij zeer mild. Behalve tweehonderd pistolen vast salaris, ontvang ik van tijd tot tijd gratificaties en daardoor ben ik in staat als een heer te leven en mijn tijd aangenaam door te brengen met andere schrijvers, die als ik, vijanden zijn van het verdriet.”“Maar,” vroeg ik, “heeft je meester smaak genoeg, om de schoonheid te gevoelen van een werk en om er de gebreken van op te merken?”“O neen,” antwoordde Nunez. “Hij praat er wel over, maar een kenner is hij niet. Wel is hij gewoon om zijn beweringen steeds op hoogen toon vol te houden en hij kan niet verdragen, dat men hem tegenspreekt. Je begrijpt dus wel, dat ik mij daar nooit aan waag, welke aanleiding hij er ook toe geeft, want ongerekend de minder aangename woorden, die hij mij naar het hoofd zou slingeren, zou hij ook in staat zijn, mij buiten de deur te zetten. Dus keur ik goed, wat hij prijst en ik veroordeel al, wat niet in zijn smaak valt. Hij heeft mij nu een treurspel laten schrijven, waarvoor hij mij het idee heeft aan de hand gedaan en als het succes heeft, heb ik aan zijn goeden raad een deel van mijn roem te danken.”Ik vroeg aan onzen dichter den titel van zijn treurspel.“Die luidt: “De graaf van Saldagne.” Het stuk zal over drie dagen in den koninklijken schouwburg worden opgevoerd.”“Ik hoop,” antwoordde ik, “dat het een goed resultaat voor je hebben zal, waaraan ik trouwens niet twijfel.”“Ik hoop het ook,” zei hij. “Maar niets is bedriegelijkerdan zoo iets. De schrijver is altijd onzeker omtrent het lot van een dramatisch werk.”Op den dag van de eerste voorstelling kon ik niet naar den schouwburg gaan, omdat ik werk te doen had voor den minister. Al wat ik doen kon, was Scipio er heen te zenden, om althans denzelfden avond nog te weten hoe het was afgeloopen. Ik zag hem terugkomen met een gezicht,datmij weinig goeds voorspelde.“Wel,” vroeg ik, “hoe is “De graaf van Saldagne” door het publiek ontvangen geworden?”“Zeer slecht. Ik heb nooit een stuk bijgewoond, dat zóó is ontvangen en ik ben verontwaardigd over de onbeschaamdheid van het parterre.”“En ik,” antwoordde ik, “ben woedend op Nunez, dat hij zulke dramatische gedichten maakt. Wat een dwaasheid! Moet hij het verstand niet hebben verloren, om het slijk, dat het publiek naar hem werpt, te verkiezen boven het gelukkige lot, dat ik hem wilde bereiden?”Twee dagen later zag ik den dichter bij mij binnenkomen en zeer tot mijn verwondering in de vroolijkste stemming. “Santillano!” riep hij, “ik kom je vertellen welk geluk ik heb gehad! Mijn fortuin is gemaakt mijn vriend, door dat nieuwe stuk. Je weet, dat men aan “De Graaf van Saldagne” een vreemde ontvangst heeft bereid. Alle toehoorders vonden het leelijk en juist aan die algemeene afkeuring heb ik het geluk van mijn leven te danken.”Ik was zeer verwonderd den dichter Nunez op deze wijze te hooren spreken.“Maar Fabricius, hoe is het mogelijk, dat de val van je treurspel je zulk een geluk heeft kunnen geven?”“Ik heb je al gezegd, dat don Bertrand mij het idee van het stuk had ingegeven, dus vond hij het uitstekend en hij was buiten zichzelf, toen hij moest zien, dat het geheele publiek er anders over dacht dan hij. Hij zei me, dat zoo het stuk al niet voldaan had aan het publiek, het hem althans wel was bevallen en dat mij zulks voldoende moest zijn. Om mij te troosten, heeft hij mij een vast inkomenvan duizend kronen uit zijn goederen geschonken. Hij heeft daarvan dadelijk bij een notaris een acte laten opmaken en het eerste jaar is mij vooruit betaald.”Ik feliciteerde Fabricius met het ongelukkige lot van den Graaf van Saldagne, omdat die zaak voor hem zoo goed was afgeloopen.“Dat is wel een felicitatie waard,” zei hij. “Er kon mij geen grooter geluk zijn overkomen dan het gefluit van het parterre. Indien het publiek mij gunstiger gezind was geweest engeapplaudisseerdhad, waartoe zou dat dan hebben geleid? Tot niets. Ik zou door mijn werk een kleine som hebben verdiend. En nu ik uitgefloten ben, kan ik zeggen dat ik voor de rest van mijn leven binnen ben.”Hoofdstuk XISantillano bezorgt een betrekking aan Scipio, die naar Nieuw Spanje reist.Mijn secretaris keek niet zonder afgunst naar het geluk van den dichter Nunez. Wel veertien dagen lang sprak hij er mij onophoudelijk van. “Ik bewonder de grillen van Fortuna,” zei hij, “die een slecht schrijver met gunsten overlaadt, terwijl ze dikwijls voor goede niets heeft dan armoede. Ik zou wel willen, dat ze mij op een goeden dag eens gunstig was.”“Dat zal wel gebeuren,” antwoordde ik, “en misschien eerder dan je denkt. Je bent hier in haar tempel; want het huis van den eersten minister mag wel den tempel van Fortuna heeten.””’t Is waar mijnheer, maar men moet geduld hebben om er op te wachten.”“Nog eens Scipio, wees gerust, je bent misschien op het punt om iets goeds te krijgen.”Werkelijk deed zich na eenige dagen een gelegenheid voor, om hem nuttig te gebruiken in den dienst van den graaf-hertog en ik liet die niet ongebruikt voorbijgaan.Op een ochtend had ik een gesprek met don Raimond Caporis, intendant van den eersten minister en daarbij kwamen ook diens inkomsten ter sprake.“Onze meester,” zei hij, “heeft zeer groote inkomsten uit al zijn ambten en bedieningen, maar die beteekenen nog niets bij de onmetelijke sommen, die hij trekt uit onze overzeesche bezittingen. Weet ge op welke wijze? Als de schepen van den koning van Sévilla of Lissabon vertrekken, laat hij wijn, olie en granen inschepen, die hemzijn graafschap Olivarès opbrengen. Hij betaalt geen vracht. Die koopwaren laat hij ginds voor viermaal meer geld verkoopen, dan ze in Spanje waard zijn. Dan laat hij daar specerijen, kleurstoffen en andere zaken inkoopen, die men in de nieuwe wereld bijna voor niets heeft en die zeer duur kunnen worden verkocht in Europa. Zoodoende heeft hij reeds eenige millioenen verdiend, zonder den koning schade te doen. Alle personen die hij voor den handel gebruikt, worden ook rijk, omdat ze behalve voor hem, ook voor zich zelf zaken mogen doen.”Scipio, die ons gesprek aanhoorde, kon zich niet weerhouden don Raimond hier in de rede te vallen: “Mijnheer Caporis, wat zou ik graag tot die personen behooren! Ook heb ik er reeds lang naar verlangd om Mexico eens te zien!”“Aan uw verlangen kan worden voldaan,” zei de intendant, “indien de heer de Santillano er niets tegen heeft. Hoe voorzichtig ik ook ben in de keuze van de personen die ik uitzend—want ik ben daarmede belast—ik zal u dadelijk op mijn register zetten, indien uw meester dat wil.”“Ge zult mij een genoegen doen,” zei ik tot Raimond, “door dit bewijs van vriendschap; Scipio is iemand, van wien ik veel houd en hij is zeer verstandig. Hij zal de zaken behandelen op een wijze, dat men niet in het minst over hem zal hebben te klagen. In één woord: ik sta voor hem in, als voor mijzelf.”“Dat is mij voldoende,” zei Caporis. “Hij kan onmiddellijk naar Sévilla gaan, waar schepen liggen, die over een maand onder zeil zullen gaan. Bij het vertrek zal ik hem een brief meegeven voor iemand daar, die hem de noodige instructies zal geven. Hij kan zelf zijn voordeel doen, zonder tekort te doen aan de belangen van den minister, die hem heilig zijn.”Scipio was zeer gelukkig en haastte zich te vertrekken. Ik gaf hem duizend kronen, om daarvoor inAndaloesiëwijn en olie te koopen en daarmee zaken te doen. Hoeverheugd hij ook was een reis te ondernemen, die hem zoo groot voordeel zou opleveren, was hij toch bedroefd toen hij afscheid van mij nam en ook ik zag hem niet zonder leedwezen vertrekken.Hoofdstuk XIIDon Alphonse de Leyva komt te Madrid. Beweegreden van zijn reis. Van het verdriet van Gil Blas en de vreugde, die er op volgde.Korten tijd na het vertrek van Scipio, kwam een page van den minister mij een briefje brengen, dat deze woorden inhield: “Indien de heer de Santillano zich de moeite wil geven, om naar het beeld van den heiligen Gabriël te gaan in deTolédo-straat, dan zal hij er een van zijn beste vrienden vinden.”“Wie kan die vriend zijn, die zijn naam niet noemt?” zei ik tot mijzelf. “Hij heeft mij zeker een verrassing willen bereiden.” Dadelijk ging ik naar de aangewezen plaats en was niet weinig verwonderd, daar don Alphonse de Leyva te vinden.“Wat zie ik, u hier, mijnheer!” riep ik.“Ja, mijn waarde Gil Blas, niemand anders.”“En wat voert u hier naar Madrid?”“Ik zal het u zeggen en de reden zal u niet verheugen. Men heeft mij de betrekking van gouverneur van Valencia ontnomen en de eerste minister heeft mij aan het hof ontboden om rekenschap te geven van mijn gedrag.”Een oogenblik bleef ik geheel verbaasd staan en vroeg daarna: “Waarvan beschuldigt men u? Ge moet iets onvoorzichtigs hebben gedaan.”“Ik schrijf mijn ongenade toe,” antwoordde hij, “aan het bezoek, dat ik voor ongeveer drie weken heb gebracht aan den kardinaal-hertog de Lerme, die sinds een maand op zijn kasteel te Denia woont.”“O natuurlijk, daaraan zult ge zeker uw ongenade tewijten hebben. Zoek de reden maar niet elders en veroorloof mij te zeggen, dat ge niet met uw gewone voorzichtigheid zijt te rade gegaan door dat bezoek te brengen.”“De fout is nu eenmaal begaan,” zei hij, “en ik zal de gevolgen daarvan moeten dragen. Ik zal mij met mijn familie op ons kasteel de Leyva terugtrekken en daar mijn verdere levensdagen rustig doorbrengen. Het eenige, wat mij zeer hindert is, dat ik verplicht ben voor een hooghartigen minister te verschijnen, die mij wel niet zeer vriendelijk zal ontvangen. Wat een vernedering voor een Spanjaard! Echter is ’t een noodzakelijkheid; maar voor mij daaraan te onderworpen, heb ik u willen spreken.”“Mijnheer,” zei ik, “laat mij begaan, vertoon u niet aan den eersten minister, voor ik iets anders omtrent die zaak heb vernomen. Het kwaad is misschien nog wel te verhelpen. Hoe het zij, u begrijpt, dat ik alles doen zal wat de vriendschap en dankbaarheid van mij eischen.” Ik bracht hem naar zijn hotel, met de belofte, dat hij zeer spoedig van mij zou hooren.Daar ik mij niet meer in de staatszaken mengde, sinds de twee welsprekende memories, zocht ik Carnero op, om hem te vragen of het waar was, dat men aan don Alphonse de Leyva de betrekking van gouverneur van de stad Valencia had ontnomen. Hij antwoordde mij van ja, maar de beweegredenen wist hij niet.Zonder aarzelen besloot ik daarop mij tot den minister te wenden, om uit zijn eigen mond te hooren, waarom hij zich te beklagen had over don Alphonse.Deze ongelukkige gebeurtenis had mij zoo onaangenaam getroffen, dat ik niet behoefde te veinzen, om met een bedroefd gezicht voor mijn meester te verschijnen. Dadelijk merkte hij het op en vroeg, wat mij hinderde. “Excellentie,” antwoordde ik, “al wilde ik nog zoo gaarne, ik zou u mijn verdriet niet kunnen verbergen. Men heeft mij zooeven meegedeeld, dat don Alphonse de Leyva geengouverneur meer is van Valencia en het zou moeilijk zijn mij een tijding te brengen, die mij meer verdriet zou kunnen veroorzaken.”“Wat zeg je, Gil Blas?” riep de minister. “Welk belang kan jij stellen in Alphonse de Leyva en zijn gouverneursbetrekking?”Daarop vertelde ik hem uitvoerig van de verplichtingen, die ik aan de heeren de Leyva had en hoe ik van den hertog de Lerme voor don Alphonse de betrekking van gouverneur had verkregen.De minister had mij met veel welwillendheid aangehoord en zei: “Troost je, mijn vriend, ik wist niets van wat ik nu heb gehoord en dacht, dat don Alphonse de Leyva een werktuig was van den hertog de Lerme. Zeg het zelf: was dat bezoek niet verdacht? Maar ’t is best mogelijk, dat hij hiermee geen andere bedoelingen heeft gehad en dat het slechts een beleefdheidsvisite was uit dankbaarheid. Het spijt mij nu, dat ik dien man zijn betrekking heb ontnomen, die hij aan jou te danken had. Maar heb ik je werk op deze wijze ongedaan gemaakt, ik kan het herstellen. Zelfs wil ik meer voor hem doen, dan de hertog de Lerme deed. Je vriend was slechts gouverneur van de stad Valencia, ik zal hem onderkoning van Aragon maken. Ik veroorloof je hem dit mee te deelen en je kunt hem verzoeken den eed te komen afleggen.”Toen ik dat hoorde, was ik zoo blij, dat ik mijniet eensbehoorlijk kon uitdrukken, om mijn meester te bedanken. Daar hij echter uit mijn onsamenhangende woorden kon afleiden, dat don Alphonse in Madrid was, vroeg hij mij hem dienzelfden dag nog aan hem voor te stellen.Dadelijk begaf ik mij naar het hotel van mijn vriend, die eerst niet kon gelooven, wat ik hem meedeelde.De minister ontving hem zeer beleefd. “Don Alphonse,” zei hij, “ge hebt u zoo onderscheiden in uw betrekking als gouverneur van Valencia, dat de koning u waardig heeft bevonden, een hoogere plaats te bekleeden en u heeft benoemd tot onderkoning van Aragon. Ook wat uw geboortebetreft, kan de adel van Aragon geen bezwaar maken tegen uw aanstelling.”De minister noemde mijn naam niet en het publiek kwam niet te weten, welk aandeel ik in deze zaak had. Zoo werden onaangename praatjes voorkomen.Don César en Séraphine werden door een expres-bode in kennis gesteld van dit gelukkig feit en kwamen dadelijk over. Men overlaadde mij met dankbetuigingen en na eenige dagen deed don Alphonse zijn luisterrijken intocht in Saragossa. De inwoners van Aragon gaven door hun gejuich te kennen, dat ze zeer waren ingenomen met den vice-koning, dien ik hun had gegeven.Hoofdstuk XIIIGil Blas ontmoet bij den koning don Gaston de Collogos en don André de Tordésillas; waar zij alle drie heengingen. Einde van de geschiedenis van don Gaston en van dona Helena de Galisteo. Welken dienst Santillano aan Tordésillas bewees.Weldra had ik nog een andere gelegenheid, om mijn invloed aan te wenden ten bate van een vriend en ik moet dat vermelden, om mijn lezers te doen zien, dat ik niet meer dezelfde Gil Blas was, die, onder het vorige ministerie, de gunsten van het hof verkocht.In een anti-chambre van het paleis zag ik op een zekeren dag onder de menigte don Gaston de Collogos, den staatsgevangene, dien ik had achtergelaten in den toren van Ségovia. Hij was met den slotbewaarder, don André de Tordésillas. Wij waren zeer verwonderd elkaar daar te ontmoeten en hadden elkaar zooveel te vertellen, dat don Gaston ons voorstelde hem naar huis te vergezellen. Wij volgden hem in zijn rijtuig en zaten weldra in een prachtig gemeubileerde zaal van een mooi huis.“Mijnheer Gil Blas,” zei Tordésillas, “bij uw vertrek uit Ségovia hadt ge een haat tegen het hof en ge zoudt er nooit weer terugkeeren.”“Dat was ook werkelijk mijn plan,” antwoordde ik, “en zoolang de koning leefde ben ik niet veranderd in dat opzicht, maar toen ik wist, dat de prins op den troon was, wilde ik zien of deze mij nog herkende. Dat deed hij en ik had het geluk gunstig te worden ontvangen; hij heeft mij bij den eersten minister aanbevolen, die vriendschap voor mij heeft opgevat en bij wien ik een beter levenheb, dan ik ooit had bij den hertog de Lerme. En gij, don André, zijt ge nog altijd de bewaarder van den toren van Ségovia?”“Neen, de graaf-hertog heeft een ander in mijn plaats gesteld. Hij meende, dat ik een aanhanger was van zijn voorganger.”“En mij,” zei daarop don Gaston, “heeft hij in vrijheid gesteld om een tegenovergestelde reden. Zoodra wist niet de eerste minister, dat ik was opgesloten op bevel van den hertog de Lerme, of hij stelde mij in vrijheid. En thans, mijnheer Gil Blas, zal ik u vertellen, wat er na dien tijd met mij gebeurd is.Het eerste wat ik deed, nadat ik don André hartelijk had dank gezegd voor hetgeen hij tijdens mijn gevangenschap voor mij had gedaan, was mij naar Madrid te begeven. Ik presenteerde mij bij den eersten minister, die mij zei: “Vrees niet, dat het ongeluk, dat u overkomen is, eenige schade heeft toegebracht aan uw naam. Ge zijt geheel gerechtvaardigd. Van uw onschuld ben ik temeer overtuigd, omdat de markies de Vilaréal, van wien men u verdacht de medeplichtige te zijn, onschuldig is gebleken. Hoewel Portugees en zelfs verwant aan den hertog van Braganza, is hij minder op diens hand, dan op die van den koning. Om het onrecht te herstellen, dat u is aangedaan, geeft de koning u een plaats als luitenant bij zijn garde.” Gaarne nam ik die aanstelling aan, maar ik verzocht den minister, voor ik in dienst trad, naar Coria te mogen gaan, om dona Eléonor de Laxarilla, mijn tante, te bezoeken. De minister stond mij een maand verlof toe en ik vertrok, vergezeld van een enkelen lakei.Wij hadden reeds Colménar gepasseerd en bevonden ons op een weg tusschen de bergen, toen wij een ruiter zagen, die zich dapper verdedigde tegen drie man, die hem samen aanvielen. Ik aarzelde geen oogenblik om hem ter hulp te snellen en stelde mij aan zijn zijde. Ik merkte, dat onze vijanden gemaskerd waren en dat wij te doen hadden met eerste vechtersbazen. Niettegenstaande hun krachten hun behendigheid bleven wij overwinnaars; ik doorstak een van de drie, hij viel van zijn paard en de twee anderen vluchtten dadelijk. Het is waar, dat de overwinning welke wij behaalden, weinig minder noodlottig was, want mijn medestrijder en ik waren zwaar gewond. Maar stel u mijn verrassing voor, toen ik in den ruiter niemand anders herkende dan Combados, den echtgenoot van dona Héléna. Hij was niet minder verwonderd dan ik. “Ha! don Gaston!” riep hij, “zijt gij het, die mij zoo edelmoedig hebt geholpen? Toen ge dat deedt, wist ge zeker niet, dat het de man was, die u uw geliefde heeft ontroofd?”“Ik wist het werkelijk niet,” antwoordde ik hem. “Maar indien ik het geweten had, gelooft ge dan, dat ik zou geaarzeld hebben? Oordeelt ge zoo slecht over mij?”“Neen, neen,” antwoordde hij, “ik heb een betere gedachte van u en indien ik sterf aan de wonden, die ik ontvangen heb dan hoop ik, dat de uwe u niet zullen verhinderen, om te profiteeren van mijn dood.”“Combados,” zeide ik, “hoewel ik dona Héléna nog niet heb vergeten, wil ik haar niet bezitten ten koste van uw leven. Het verheugt mij er toe te hebben bijgedragen u te redden, omdat ik daardoor een daad heb verricht, die uw echtgenoot genoegen zal doen.”Terwijl wij spraken, was mijn lakei den ruiter genaderd, die op den grond lag, hij nam hem het masker af en liet ons een gelaat zien, dat Combados dadelijk herkende. ”’t Is Caprara, die slechte neef, die uit spijt, dat hem een rijke erfenis ontgaan is, die hij mij onrechtvaardig betwist, reeds lang het voornemen koesterde mij te vermoorden en dezen dag daarvoor had uitgekozen. Maar de hemel heeft gewild, dat hij zelf het slachtoffer zou worden.”Intusschen stroomde het bloed uit onze wonden en wij verzwakten zoo, dat het ons groote moeite kostte het dorp Villaréjo te bereiken. In het logement daar lieten wij dadelijk een chirurgijn komen. Hij onderzocht onze wonden, die hij zeer gevaarlijk vond. Hij verbond ons en toen hij den volgenden morgen het verband had afgenomen,zei hij, dat die van don Blas doodelijk waren. Over de mijne oordeelde hij gunstiger. En het bleek, dat hij niet verkeerd had gezien.Combados, ziende, dat hij ten doode was opgeschreven, dacht aan niets anders dan zich daarop voor te bereiden. Hij zond een bode naar zijn vrouw, om haar te berichten, wat er was gebeurd en in welken treurigen toestand hij zich bevond.Dona Hélena was weldra te Villaréjo. Combados sprak tot haar in mijn tegenwoordigheid: “Ge komt nog vroeg genoeg, om afscheid van mij te nemen. Ik ga sterven en beschouw mijn dood als een straf van den hemel, omdat ik u door bedrog aan don Gaston heb ontnomen. Daarover beklaag ik mij niet. Zelfs spoor ik u aan hem uw hart te schenken, dat ik hem ontnomen heb.”Dona Helena antwoordde slechts met tranen en waarlijk, dat was het beste antwoord, dat zij kon geven.Het gebeurde, zooals de chirurgijn had voorspeld. Binnen drie dagen stierf Combados en mijn wonden begonnen te beteren. De jonge weduwe liet het lijk naar Coria brengen, waar het met allen luister werd ter aarde besteld.Zoodra ik kon, vertrok ik naar Coria. Mijn tante, donaEléonoren don George besloten, dat wij zoo gauw mogelijk zouden trouwen uit vrees, dat het lot ons misschien door nieuwe tegenspoeden weder zou scheiden. Het huwelijk werd in allen eenvoud voltrokken, met het oog op den dood van Combados.Weinige dagen later kwam ik te Madrid met dona Helena aan. Daar de tijd van mijn verlof was overschreden, vreesde ik, dat de minister mijn luitenants-plaats aan een ander zou hebben gegeven. Maar hij had daarover nog niet beschikt en was zoo goed om mijn verontschuldigingen over mijn wegblijven aan te nemen.Collogosbetuigde mij verder nog, dat hij zeer gelukkig was met zijn positie. Don André daarentegen beklaagde zich, dat hij zijn betrekking had verloren en geen vrienden bezat, die hem een andere konden verschaffen.Glimlachend viel ik hem in de rede, dat ik misschien wel iets voor hem kon doen.Tijdens ons gesprek kwam dona Hélena binnen, wier bekoorlijke verschijning geheel beantwoordde aan het beeld, dat ik mij daarvan had gevormd. Wij wisselden wederzijds eenige complimenten en ik vertrok, nadat ik het adres van Tordésillas gevraagd en hem beloofd had, dat hij binnen acht dagen van mij zou hooren.Een paar dagen later stelde de minister mij in de gelegenheid den slotbewaarder te helpen. “Santillano,” zei hij, “de betrekking van gouverneur van de koninklijke gevangenis te Valladolid is vacant en ik heb wel lust u die te geven, ze brengt meer dan driehonderd pistolen in het jaar op.”“En al zou ze ook tienduizend geven, dan nog zou ik een betrekking weigeren, die mij van u verwijdert,” zei ik.“Maar,” merkte de minister op, ”’t is volstrekt niet noodig Madrid te verlaten, ge kunt van tijd tot tijd de gevangenis te Valladolid eens gaan bezoeken.”“Ik wil die betrekking niet, tenzij u mij toestaat daarvan afstand te doen aan een braven edelman, don André de Tordésillas, die vroeger torenbewaarder is geweest te Ségovia en mij tijdens mijn gevangenschap zeer goed heeft behandeld.”Lachend zei de minister: “Ik geloof, Gil Blas, dat je een gouverneur van een koninklijke gevangenis benoemen wil, zooals je een onderkoninghebtbenoemd. Welnu, mijn vriend, het is goed! Ik sta je de vacante plaats voor Tordésillas toe. Maar zeg mij eens eerlijk, welk voordeel hebt ge daarvan? Want je zal toch wel niet zoo dwaas zijn om je invloed voor niets te gebruiken?”“Moet men zijn schulden niet betalen, Excellentie? Don André heeft mij zooveel genoegen gedaan als hij kon, toen ik zijn gevangene was.”“Je bent wel belangeloos geworden, Santillano. Het schijnt mij toe, dat je het onder mijn voorganger minder was.”“Dat stem ik u toe, Excellentie. De slechte voorbeelden bederven de zeden. Alles werd toen verkocht en ik voegde mij naar dat gebruik en daar nu alles gegeven wordt, heb ik mijn onomkoopbaarheid teruggekregen.”Don André de Tordésillas werd dus gouverneur van de koninklijke gevangenis te Valladolid en vertrok weldra naar die stad, even voldaan over zijn nieuwe betrekking als ik het was, dat ik mij gekweten had van de schuld, die ik aan hem had.Hoofdstuk XIVSantillano gaat naar den dichter Nunez. Welke personen hij er vond en welke gesprekken er werden gehouden.Op een zekeren namiddag kreeg ik lust mijn vriend den dichter uit Asturië eens te gaan bezoeken, nieuwsgierig om te weten hoe zijn woning ingericht was.Ik begaf mij naar het huis van don Bertrand Gomez del Ribero en vroeg daar naar Nunez. Men antwoordde, dat hij daar niet meer woonde, maar wees mij een naburig huis aan, waarin hij zijn intrek had genomen.In een zaal, waarin ik verder geen meubelen zag, vond ik mijn vriend Fabricius nog aan tafel, met vijf of zes confraters, die hij dien dag onthaalde. Zij waren aan het eind van hun maaltijd en dus aan het disputeeren. Toen ik binnenkwam was het opeens stil. Nunez stond met een gewichtig gezicht op om mij te ontvangen en riep: “Mijne heeren, daar is de heer de Santillano, die mij met een van zijn bezoeken komt vereeren; bewijst met mij hulde aan den vertrouweling van den eersten minister!”Bij die woorden stonden alle gasten op om mij te begroeten en door de woorden van den gastheer waren ze zeer beleefd. Hoewel ik niet de minste behoefte aan iets had, moest ik mij aan tafel zetten en een dronk beantwoorden, die ze op mij uitbrachten.Daar het scheen, dat mijn tegenwoordigheid hen verhinderde om vrijuit te spreken zei ik: ”Hetschijnt mij, dat ik uw onderhoud heb gestoord, heeren, wees zoo goed en zet het gesprek voort, of ik ga heen.”“Die heeren,” zei Fabricius daarop, “spraken van de Iphigenia van Euripides. De heer Melchior de Villégas, dieeen geleerde van den eersten rang is, vroeg aan don Jacinte de Romerate, wat hem het meest interesseerde in dit treurspel.”“Ja,” zei don Jacinte, “en ik heb hem geantwoord: het gevaar, waarin Iphigenia zich bevond.”“En ik,” riep de ander, “heb hem geantwoord, dat niet het gevaar het belangrijkste was!”“Wat was het dan?” werd er geroepen.“Het was de wind,” antwoordde Melchior de Villégas.Het geheele gezelschap barstte in lachen uit om dit antwoord, ik vatte dit ook niet als ernst op en dacht, dat Melchior het alleen maar gegeven had om de conversatie aan den gang te houden. Maar ik kende dien geleerde niet, het was een man, die geen scherts verstond. Op bedaarden toon zei hij:“Lacht zooveel ge wilt heeren. Ik houd vol, dat het de wind is, die de belangstelling verdient en niet het gevaar van Iphigenia. Stelt u voor een talrijk leger, dat verzameld is om Troje te gaan belegeren! Verbeeldt u het ongeduld van de officieren en soldaten om hun voornemen uit te voeren, waarna ze terug kunnen keeren naar Griekenland, waar ze hebben achtergelaten, hetgeen hun het meest dierbaar is, hunne huisgoden, hunne vrouwen en kinderen. En een vervloekte wind houdt hen terug; indien hij niet verandert, kunnen zij de stad niet gaan belegeren. Dus is het de wind, die van het grootste belang is in het treurspel. Ik neem de partij van de Grieken; ik wensch slechts het vertrek van hun vloot en zie met een onverschillig oog het gevaar van Iphigenia aan. Haar dood is het middel om van de goden een gunstiger wind te krijgen.”Zoodra Villégas had opgehouden te spreken, werd hij weer uitgelachen. Nunez en anderen begonnen daarop flauwe aardigheden over den wind te zeggen. Maar de geleerde heer, die hen met een kalmen en trotschen blik aankeek, behandelde hen als onwetende en alledaagsche geesten.Ik verwachtte ieder oogenblik, dat de heeren zich nogmeer zouden opwinden en elkaar in het haar vliegen, wat het gewone einde is van hunne discussies, maar ik werd in mijn verwachting bedrogen. Ze bepaalden er zich toe elkaar eenige beleedigingen te zeggen en trokken af, nadat zij genoeg gegeten en gedronken hadden.Toen ik alleen met hem was, vroeg ik Fabricius, waarom hij niet meer bij den schatmeester woonde en of hij verschil van meening met hem had gehad.“Verschil van meening!” riep hij. “De hemel behoede mij ervoor! Ik ben met don Bertrand nooit op een beteren voet geweest. Hij heeft mij echter toegestaan, om op mij zelf te wonen en nu heb ik dit verblijf gehuurd, om er mijn vrienden te ontvangen en met hen in vrijheid te genieten, wat mij dikwijls gebeurt, want je weet, ik ben niet iemand om groote sommen aan mijn erfgenamen achter te willen laten en wat gelukkig voor mij is, ik kan tegenwoordig iederen dag partijen hebben.”“Het doet mij genoegen, mijn waarde Nunez,” zei ik, “en ik kan niet nalaten je nogmaals geluk te wenschen met het succes van je laatste treurspel. De achthonderd dramatische werken van den grooten Lopez hebben hem nog geen vierde gedeelte opgebracht van jouw ‘Graaf van Saldagne’.”

Hoofdstuk VIIIGil Blas komt van dag tot dag meer in de gunst bij zijn meester. Van de terugkomst van Scipio te Madrid en van het verhaal, dat hij Santillano van zijn reis doet.De graaf van Olivarès, dien ik voortaan den graaf-hertog zal noemen, omdat de koning hem in dien tijd met dezen titel vereerde, had het gebrek, dat hij bemind wilde worden. Zoodra hij bemerkte, dat iemand zich uit genegenheid aan hem hechtte, schonk hij hem zijn vriendschap. Dit had ik opgemerkt en ik zorgde ervoor het niet te verwaarloozen. Ik bepaalde mij er niet toe, om goed te verrichten, wat hij mij opdroeg, ik voerde zijn bevelen uit met een ijver, die hem opviel. Ik bestudeerde zijn smaak in alle zaken, om mij daarnaar te vormen en ik voorkwam zijn wenschen, zooveel mij dat mogelijk was.Door dit gedrag, dat bijna altijd tot het doel leidt, werd ik ongemerkt de gunsteling van mijn meester, die van zijn kant, daar ik hetzelfde zwak had als hij, mij voor zich won, door mij tal van bewijzen van zijn genegenheid te schenken. Al spoedig begon ik zijn vertrouwen te deelen met Carnero, zijn eersten secretaris.Carnero had zich van hetzelfde middel bediend als ik, om den minister te bevallen en hij was daarin zoo goed geslaagd, dat hij deelgenoot was van de kabinetsgeheimen. Die secretaris en ik werden dus de vertrouwelingen van den eersten minister met dit onderscheid, dat hij met Carnero slechts over staatszaken sprak en dat hij mij slechts onderhield over zijn particuliere aangelegenheden. Hij maakte om zoo te zeggen twee gescheiden departementen,waarover wij beiden tevreden waren. Wij leefden zonder jaloezie, maar ook zonder vriendschap voor elkaar.Toen de graaf-hertog niet meer twijfelde aan mijn gehechtheid aan hem, werd hij zeer openhartig in zijn mededeelingen.“Santillano,” zei hij op zekeren dag tot mij, “je hebt den hertog de Lerme van een macht zien genieten, die minder op dien van een minister dan van een onbeperkt heerscher geleek; ik ben echter nog gelukkiger dan hij het op het hoogtepunt van zijn macht was. Hij had twee geduchte vijanden in den hertog d’Uzède, zijn eigen zoon en in den biechtvader van koning Filips III, terwijl niemand bij den koning is, die genoeg invloed bezit om mij te benadeelen. Zelfs verdenk ik er niemand in die omgeving van dat hij mij slecht gezind is.Het is waar, dat ik, toen ik minister werd, ervoor gezorgd heb bij den koning slechts personen te plaatsen, die door banden des bloeds of vriendschap aan mij verbonden zijn. Van alle groote heeren, die door hunne persoonlijke verdiensten mij een deel van de gunsten des konings zouden kunnen ontnemen, heb ik mij ontdaan, door hen naar gezantschappen te zenden en zoo kan ik nu zeggen, dat er niemand is, die tekort doet aan mijn invloed.”Terwijl mijn meester zulke gesprekken met mij hield, naderde de tijd, dat Scipio van zijn reis terug moest keeren.“Ik heb u geen lang verhaal te doen,” zei hij bij zijn terugkomst. “Het deed den heeren de Leyva een zeer groot genoegen te vernemen, welke ontvangst de koning u bereidde, toen hij u herkende en de wijze, waarop de graaf van Olivarès van uw diensten gebruik maakt.”Hier viel ik Scipio in de rede: “Mijn vriend, je had hun nog veel grooter genoegen kunnen doen, indien je had kunnen zeggen op welken goeden voet ik nu met mijn meester ben. Sinds je vertrek heb ik groote vorderingen in zijn gunst gemaakt.”“Den hemel zij dank, mijn waarde meester. Ik heb een voorgevoel, dat ons een schoone toekomst wacht.”“Maar laten wij nu van onderwerp veranderen, Scipio, vertel nu van Oviédo. Je bent in Asturië geweest. Hoe heb je mijn moeder gevonden?”Zijn gezicht nam een treurige uitdrukking aan en hij zei: “O mijnheer, ik heb u in dat opzicht slechts treurig nieuws te brengen.”“O hemel! Mijn moeder is zeker dood?”“Helaas ja, zes maanden geleden is zij gestorven en ook uw oom Gil Perez is overleden.” De dood van mijn moeder deed mij smartelijk aan, hoewel ik in mijn jeugd nooit die bewijzen van teederheid van haar had ontvangen, waaraan kinderen zoo groote behoefte hebben. Ook mijn goeden oom, die zooveel zorg voor mijn opvoeding had gedragen, betreurde ik.Hoofdstuk IXHoe en aan wien de graaf-hertog zijn eenige dochter ten huwelijk gaf en van de slechte gevolgen van dat huwelijk.Weinig tijd na den terugkeer van Scipio verviel de graaf-hertog in een gepeins, dat hem wel acht dagen bezighield. Eerst dacht ik, dat hij weer een of ander groot staatsstuk voorbereidde, maar spoedig bleek het zijn familie te zijn, die zijn gedachten in beslag nam.“Gil Blas,” zei hij op een namiddag, “je moet gemerkt hebben, dat ik den laatsten tijd zeer afgetrokken ben geweest. Ik ben dan ook vervuld van een zaak, waarvan de rust van mijn leven afhangt en zal je die in vertrouwen meedeelen.“Dona Maria, mijn dochter, is huwbaar en er doen zich veel heeren voor, die om haar hand dingen. De graaf van Niebles, oudste zoon van den hertog van Médina Sidonia, hoofd van het huis de Gusman, en don Louis de Haro, oudste zoon van den markies van Corpio, en van mijn oudste zuster, schijnen twee pretendenten die het meest in aanmerking komen. De laatste vooral heeft zooveel verdiensten boven zijn medeminnaars, dat het geheele hof er niet aan twijfelt of ik zal hem tot schoonzoon kiezen. Zonder redenen op te geven, die mij daartoe nopen, moet ik u echter zeggen, dat ik de voorkeur geef aan don Ramire de Nunez de Gusman, markies van Toral. Aan de kinderen, die uit dat huwelijk zullen worden geboren en die den naam graaf van Olivarès aan den hunnen kunnen toevoegen, zal ik mijn goederen nalaten. Wat zegt ge daarvan Santillano?”“Natuurlijk zult u zelf het best daarin beslissen,” antwoordde ik. “Maar, indien het mij geoorloofd is een opmerking te maken, zou de hertog de Médina Sidonia niet ontevreden zijn over die beslissing?”“Laat hij ontevreden zijn zooveel hij wil, ik zal mij daar weinig om bekommeren,” antwoordde de minister. “Het spijt mij nog meer voor de markiezin van Corpio. Maar hoe het ook zij, ik wil mijn zin volgen en don Ramire zal mijn dochter hebben, dat is beslist.”Nadat de graaf-hertog mij dit besluit had meegedeeld, gaf hij weer een nieuw blijk van zeldzame politiek. Hij bood den koning een verzoekschrift aan, om hem en ook de koningin te verzoeken zijn dochter uit te huwelijken. Hij gaf een beschrijving van de verschillende heeren, die aanzoek hadden gedaan; de keuze liet hij geheel aan het koninklijk echtpaar over, maar hij liet, sprekende van den markies van Toral, niet na te kennen te geven, dat deze hem het meest aangenaam zou zijn. De koning, die een blinde ingenomenheid voor zijn minister had, gaf hem dit antwoord:“Ik geloof, dat don Ramire de Nunez dona Maria waardig is. Kies echter zelf wien ge wilt, bij voorbaat kan ik u verzekeren, dat uw besluit mij naar genoegen zal zijn. De Koning.”De minister was niet weinig verheugd met dit antwoord en het latende voorkomen als een bevel van den vorst, haastte hij zijn dochter uit te huwelijken aan den markies de Toral. Dit huwelijk verbitterde de markiezin van Corpio en hare familieleden. Maar men kon niets daaraan veranderen en de bruiloft werd met allerlei feesten gevierd. Men zei, dat de geheele familie de keuze toejuichte, maar de ontevredenen werden weldra gewroken op een voor den graaf-hertog zeer wreede wijze. Dona Maria beviel na tien maanden van een meisje, dat bij de geboorte stierf en zij zelve volgde haar kind een paar dagen later.Welk een verlies voor een vader, die om zoo te zeggenslechts oogen had gehad voor zijn dochter. Hij was zoo gebroken, dat hij zich eenige dagen opsloot en niemand zien wilde dan mij, daar ik mij richtte naar zijn verdriet. Nieuwe tranen vergoot ik in die dagen bij de gedachte aan Antonia. De overeenkomst van omstandigheden, waaronder de markiezin de Toral was gestorven,opendemijn wond weer, die nog niet was gesloten.Voor den minister was het een troost, dat hij een vertrouweling had, die zoo gevoelig scheen voor zijn verdriet. Op een van die dagen betuigde hij me dat. “O, Excellentie,” antwoordde ik, “ondankbaar en onnatuurlijk hard zou ik moeten zijn, indien ik niet in uw smart deelde.”Hoofdstuk XGil Blas ontmoet bij toeval den dichter Nunez, die hem meedeelt, dat hij een treurspel heeft gemaakt, dat opgevoerd zal worden in den koninklijken schouwburg. Van de mislukking van dit stuk en van het geluk, waardoor het werd gevolgd.De minister begon zich te troosten en daar ik tengevolge daarvan ook beter van humeur werd, ging ik ’s avonds weer uit. Op een rijtoer ontmoette ik den dichter uit Asturië, dien ik nog niet gezien had na zijn vertrek uit het hospitaal. Hij was zeer net gekleed; ik liet hem roepen en bij mij instappen.“Mijnheer Nunez,” zei ik, “het is gelukkig voor mij, dat ik u bij toeval ontmoet, anders zou ik niet het genoegen hebben gehad u....”“Geen verwijten, Santillano,” viel hij mij in de rede, “ik zal je eerlijk bekennen, dat ik je niet heb willen bezoeken en ik zal je zeggen, wat daarvan de reden is. Jij hadt mij een goede betrekking beloofd, mits ik de poëzie wilde afzweren en ik heb nu een even goede gevonden, onder voorwaarde, dat ik verzen zal maken. Ik heb de laatste aangenomen, omdat ze het best past bij mijn karakter. Door tusschenkomst van een mijner vrienden ben ik geplaatst bij don Bertrand Gomes del Ribero, schatmeester van den koning. Don Bertrand, die iemand met gevoel voor het schoone in zijn dienst wilde hebben, heeft mij uitgekozen uit vijf of zes andere schrijvers, die zich bij hem aanmeldden voor het ambt van secretaris.”“Dat doet mij genoegen,” zei ik, “want die don Bertrand is, naar het schijnt, zeer rijk.”“Wat rijk! Men zegt dat hij zijn eigen rijkdommen niet kent! Hoe het zij, ik zal je zeggen, waarin het werk bestaat, dat ik bij hem heb te doen. Daar hij galant is en wil doorgaan voor een geestig man, is hij in correspondentie met verschillende kunstminnende dames en ik leen hem mijn pen voor zijn brieven. Ik schrijf aan de eene in verzen, aan de andere in proza en ik breng er soms de brieven zelf heen, om de veelzijdigheid van mijn talent te doen zien.”“Maar ge deelt me niet mee, wat ik het liefst wilde weten. Is de betaling goed?”“Zeer goed,” antwoordde hij. “De rijke lui zijn niet allen edelmoedig en ik ken er wel, die gierig zijn, maar don Bertrand behandelt mij zeer mild. Behalve tweehonderd pistolen vast salaris, ontvang ik van tijd tot tijd gratificaties en daardoor ben ik in staat als een heer te leven en mijn tijd aangenaam door te brengen met andere schrijvers, die als ik, vijanden zijn van het verdriet.”“Maar,” vroeg ik, “heeft je meester smaak genoeg, om de schoonheid te gevoelen van een werk en om er de gebreken van op te merken?”“O neen,” antwoordde Nunez. “Hij praat er wel over, maar een kenner is hij niet. Wel is hij gewoon om zijn beweringen steeds op hoogen toon vol te houden en hij kan niet verdragen, dat men hem tegenspreekt. Je begrijpt dus wel, dat ik mij daar nooit aan waag, welke aanleiding hij er ook toe geeft, want ongerekend de minder aangename woorden, die hij mij naar het hoofd zou slingeren, zou hij ook in staat zijn, mij buiten de deur te zetten. Dus keur ik goed, wat hij prijst en ik veroordeel al, wat niet in zijn smaak valt. Hij heeft mij nu een treurspel laten schrijven, waarvoor hij mij het idee heeft aan de hand gedaan en als het succes heeft, heb ik aan zijn goeden raad een deel van mijn roem te danken.”Ik vroeg aan onzen dichter den titel van zijn treurspel.“Die luidt: “De graaf van Saldagne.” Het stuk zal over drie dagen in den koninklijken schouwburg worden opgevoerd.”“Ik hoop,” antwoordde ik, “dat het een goed resultaat voor je hebben zal, waaraan ik trouwens niet twijfel.”“Ik hoop het ook,” zei hij. “Maar niets is bedriegelijkerdan zoo iets. De schrijver is altijd onzeker omtrent het lot van een dramatisch werk.”Op den dag van de eerste voorstelling kon ik niet naar den schouwburg gaan, omdat ik werk te doen had voor den minister. Al wat ik doen kon, was Scipio er heen te zenden, om althans denzelfden avond nog te weten hoe het was afgeloopen. Ik zag hem terugkomen met een gezicht,datmij weinig goeds voorspelde.“Wel,” vroeg ik, “hoe is “De graaf van Saldagne” door het publiek ontvangen geworden?”“Zeer slecht. Ik heb nooit een stuk bijgewoond, dat zóó is ontvangen en ik ben verontwaardigd over de onbeschaamdheid van het parterre.”“En ik,” antwoordde ik, “ben woedend op Nunez, dat hij zulke dramatische gedichten maakt. Wat een dwaasheid! Moet hij het verstand niet hebben verloren, om het slijk, dat het publiek naar hem werpt, te verkiezen boven het gelukkige lot, dat ik hem wilde bereiden?”Twee dagen later zag ik den dichter bij mij binnenkomen en zeer tot mijn verwondering in de vroolijkste stemming. “Santillano!” riep hij, “ik kom je vertellen welk geluk ik heb gehad! Mijn fortuin is gemaakt mijn vriend, door dat nieuwe stuk. Je weet, dat men aan “De Graaf van Saldagne” een vreemde ontvangst heeft bereid. Alle toehoorders vonden het leelijk en juist aan die algemeene afkeuring heb ik het geluk van mijn leven te danken.”Ik was zeer verwonderd den dichter Nunez op deze wijze te hooren spreken.“Maar Fabricius, hoe is het mogelijk, dat de val van je treurspel je zulk een geluk heeft kunnen geven?”“Ik heb je al gezegd, dat don Bertrand mij het idee van het stuk had ingegeven, dus vond hij het uitstekend en hij was buiten zichzelf, toen hij moest zien, dat het geheele publiek er anders over dacht dan hij. Hij zei me, dat zoo het stuk al niet voldaan had aan het publiek, het hem althans wel was bevallen en dat mij zulks voldoende moest zijn. Om mij te troosten, heeft hij mij een vast inkomenvan duizend kronen uit zijn goederen geschonken. Hij heeft daarvan dadelijk bij een notaris een acte laten opmaken en het eerste jaar is mij vooruit betaald.”Ik feliciteerde Fabricius met het ongelukkige lot van den Graaf van Saldagne, omdat die zaak voor hem zoo goed was afgeloopen.“Dat is wel een felicitatie waard,” zei hij. “Er kon mij geen grooter geluk zijn overkomen dan het gefluit van het parterre. Indien het publiek mij gunstiger gezind was geweest engeapplaudisseerdhad, waartoe zou dat dan hebben geleid? Tot niets. Ik zou door mijn werk een kleine som hebben verdiend. En nu ik uitgefloten ben, kan ik zeggen dat ik voor de rest van mijn leven binnen ben.”Hoofdstuk XISantillano bezorgt een betrekking aan Scipio, die naar Nieuw Spanje reist.Mijn secretaris keek niet zonder afgunst naar het geluk van den dichter Nunez. Wel veertien dagen lang sprak hij er mij onophoudelijk van. “Ik bewonder de grillen van Fortuna,” zei hij, “die een slecht schrijver met gunsten overlaadt, terwijl ze dikwijls voor goede niets heeft dan armoede. Ik zou wel willen, dat ze mij op een goeden dag eens gunstig was.”“Dat zal wel gebeuren,” antwoordde ik, “en misschien eerder dan je denkt. Je bent hier in haar tempel; want het huis van den eersten minister mag wel den tempel van Fortuna heeten.””’t Is waar mijnheer, maar men moet geduld hebben om er op te wachten.”“Nog eens Scipio, wees gerust, je bent misschien op het punt om iets goeds te krijgen.”Werkelijk deed zich na eenige dagen een gelegenheid voor, om hem nuttig te gebruiken in den dienst van den graaf-hertog en ik liet die niet ongebruikt voorbijgaan.Op een ochtend had ik een gesprek met don Raimond Caporis, intendant van den eersten minister en daarbij kwamen ook diens inkomsten ter sprake.“Onze meester,” zei hij, “heeft zeer groote inkomsten uit al zijn ambten en bedieningen, maar die beteekenen nog niets bij de onmetelijke sommen, die hij trekt uit onze overzeesche bezittingen. Weet ge op welke wijze? Als de schepen van den koning van Sévilla of Lissabon vertrekken, laat hij wijn, olie en granen inschepen, die hemzijn graafschap Olivarès opbrengen. Hij betaalt geen vracht. Die koopwaren laat hij ginds voor viermaal meer geld verkoopen, dan ze in Spanje waard zijn. Dan laat hij daar specerijen, kleurstoffen en andere zaken inkoopen, die men in de nieuwe wereld bijna voor niets heeft en die zeer duur kunnen worden verkocht in Europa. Zoodoende heeft hij reeds eenige millioenen verdiend, zonder den koning schade te doen. Alle personen die hij voor den handel gebruikt, worden ook rijk, omdat ze behalve voor hem, ook voor zich zelf zaken mogen doen.”Scipio, die ons gesprek aanhoorde, kon zich niet weerhouden don Raimond hier in de rede te vallen: “Mijnheer Caporis, wat zou ik graag tot die personen behooren! Ook heb ik er reeds lang naar verlangd om Mexico eens te zien!”“Aan uw verlangen kan worden voldaan,” zei de intendant, “indien de heer de Santillano er niets tegen heeft. Hoe voorzichtig ik ook ben in de keuze van de personen die ik uitzend—want ik ben daarmede belast—ik zal u dadelijk op mijn register zetten, indien uw meester dat wil.”“Ge zult mij een genoegen doen,” zei ik tot Raimond, “door dit bewijs van vriendschap; Scipio is iemand, van wien ik veel houd en hij is zeer verstandig. Hij zal de zaken behandelen op een wijze, dat men niet in het minst over hem zal hebben te klagen. In één woord: ik sta voor hem in, als voor mijzelf.”“Dat is mij voldoende,” zei Caporis. “Hij kan onmiddellijk naar Sévilla gaan, waar schepen liggen, die over een maand onder zeil zullen gaan. Bij het vertrek zal ik hem een brief meegeven voor iemand daar, die hem de noodige instructies zal geven. Hij kan zelf zijn voordeel doen, zonder tekort te doen aan de belangen van den minister, die hem heilig zijn.”Scipio was zeer gelukkig en haastte zich te vertrekken. Ik gaf hem duizend kronen, om daarvoor inAndaloesiëwijn en olie te koopen en daarmee zaken te doen. Hoeverheugd hij ook was een reis te ondernemen, die hem zoo groot voordeel zou opleveren, was hij toch bedroefd toen hij afscheid van mij nam en ook ik zag hem niet zonder leedwezen vertrekken.Hoofdstuk XIIDon Alphonse de Leyva komt te Madrid. Beweegreden van zijn reis. Van het verdriet van Gil Blas en de vreugde, die er op volgde.Korten tijd na het vertrek van Scipio, kwam een page van den minister mij een briefje brengen, dat deze woorden inhield: “Indien de heer de Santillano zich de moeite wil geven, om naar het beeld van den heiligen Gabriël te gaan in deTolédo-straat, dan zal hij er een van zijn beste vrienden vinden.”“Wie kan die vriend zijn, die zijn naam niet noemt?” zei ik tot mijzelf. “Hij heeft mij zeker een verrassing willen bereiden.” Dadelijk ging ik naar de aangewezen plaats en was niet weinig verwonderd, daar don Alphonse de Leyva te vinden.“Wat zie ik, u hier, mijnheer!” riep ik.“Ja, mijn waarde Gil Blas, niemand anders.”“En wat voert u hier naar Madrid?”“Ik zal het u zeggen en de reden zal u niet verheugen. Men heeft mij de betrekking van gouverneur van Valencia ontnomen en de eerste minister heeft mij aan het hof ontboden om rekenschap te geven van mijn gedrag.”Een oogenblik bleef ik geheel verbaasd staan en vroeg daarna: “Waarvan beschuldigt men u? Ge moet iets onvoorzichtigs hebben gedaan.”“Ik schrijf mijn ongenade toe,” antwoordde hij, “aan het bezoek, dat ik voor ongeveer drie weken heb gebracht aan den kardinaal-hertog de Lerme, die sinds een maand op zijn kasteel te Denia woont.”“O natuurlijk, daaraan zult ge zeker uw ongenade tewijten hebben. Zoek de reden maar niet elders en veroorloof mij te zeggen, dat ge niet met uw gewone voorzichtigheid zijt te rade gegaan door dat bezoek te brengen.”“De fout is nu eenmaal begaan,” zei hij, “en ik zal de gevolgen daarvan moeten dragen. Ik zal mij met mijn familie op ons kasteel de Leyva terugtrekken en daar mijn verdere levensdagen rustig doorbrengen. Het eenige, wat mij zeer hindert is, dat ik verplicht ben voor een hooghartigen minister te verschijnen, die mij wel niet zeer vriendelijk zal ontvangen. Wat een vernedering voor een Spanjaard! Echter is ’t een noodzakelijkheid; maar voor mij daaraan te onderworpen, heb ik u willen spreken.”“Mijnheer,” zei ik, “laat mij begaan, vertoon u niet aan den eersten minister, voor ik iets anders omtrent die zaak heb vernomen. Het kwaad is misschien nog wel te verhelpen. Hoe het zij, u begrijpt, dat ik alles doen zal wat de vriendschap en dankbaarheid van mij eischen.” Ik bracht hem naar zijn hotel, met de belofte, dat hij zeer spoedig van mij zou hooren.Daar ik mij niet meer in de staatszaken mengde, sinds de twee welsprekende memories, zocht ik Carnero op, om hem te vragen of het waar was, dat men aan don Alphonse de Leyva de betrekking van gouverneur van de stad Valencia had ontnomen. Hij antwoordde mij van ja, maar de beweegredenen wist hij niet.Zonder aarzelen besloot ik daarop mij tot den minister te wenden, om uit zijn eigen mond te hooren, waarom hij zich te beklagen had over don Alphonse.Deze ongelukkige gebeurtenis had mij zoo onaangenaam getroffen, dat ik niet behoefde te veinzen, om met een bedroefd gezicht voor mijn meester te verschijnen. Dadelijk merkte hij het op en vroeg, wat mij hinderde. “Excellentie,” antwoordde ik, “al wilde ik nog zoo gaarne, ik zou u mijn verdriet niet kunnen verbergen. Men heeft mij zooeven meegedeeld, dat don Alphonse de Leyva geengouverneur meer is van Valencia en het zou moeilijk zijn mij een tijding te brengen, die mij meer verdriet zou kunnen veroorzaken.”“Wat zeg je, Gil Blas?” riep de minister. “Welk belang kan jij stellen in Alphonse de Leyva en zijn gouverneursbetrekking?”Daarop vertelde ik hem uitvoerig van de verplichtingen, die ik aan de heeren de Leyva had en hoe ik van den hertog de Lerme voor don Alphonse de betrekking van gouverneur had verkregen.De minister had mij met veel welwillendheid aangehoord en zei: “Troost je, mijn vriend, ik wist niets van wat ik nu heb gehoord en dacht, dat don Alphonse de Leyva een werktuig was van den hertog de Lerme. Zeg het zelf: was dat bezoek niet verdacht? Maar ’t is best mogelijk, dat hij hiermee geen andere bedoelingen heeft gehad en dat het slechts een beleefdheidsvisite was uit dankbaarheid. Het spijt mij nu, dat ik dien man zijn betrekking heb ontnomen, die hij aan jou te danken had. Maar heb ik je werk op deze wijze ongedaan gemaakt, ik kan het herstellen. Zelfs wil ik meer voor hem doen, dan de hertog de Lerme deed. Je vriend was slechts gouverneur van de stad Valencia, ik zal hem onderkoning van Aragon maken. Ik veroorloof je hem dit mee te deelen en je kunt hem verzoeken den eed te komen afleggen.”Toen ik dat hoorde, was ik zoo blij, dat ik mijniet eensbehoorlijk kon uitdrukken, om mijn meester te bedanken. Daar hij echter uit mijn onsamenhangende woorden kon afleiden, dat don Alphonse in Madrid was, vroeg hij mij hem dienzelfden dag nog aan hem voor te stellen.Dadelijk begaf ik mij naar het hotel van mijn vriend, die eerst niet kon gelooven, wat ik hem meedeelde.De minister ontving hem zeer beleefd. “Don Alphonse,” zei hij, “ge hebt u zoo onderscheiden in uw betrekking als gouverneur van Valencia, dat de koning u waardig heeft bevonden, een hoogere plaats te bekleeden en u heeft benoemd tot onderkoning van Aragon. Ook wat uw geboortebetreft, kan de adel van Aragon geen bezwaar maken tegen uw aanstelling.”De minister noemde mijn naam niet en het publiek kwam niet te weten, welk aandeel ik in deze zaak had. Zoo werden onaangename praatjes voorkomen.Don César en Séraphine werden door een expres-bode in kennis gesteld van dit gelukkig feit en kwamen dadelijk over. Men overlaadde mij met dankbetuigingen en na eenige dagen deed don Alphonse zijn luisterrijken intocht in Saragossa. De inwoners van Aragon gaven door hun gejuich te kennen, dat ze zeer waren ingenomen met den vice-koning, dien ik hun had gegeven.Hoofdstuk XIIIGil Blas ontmoet bij den koning don Gaston de Collogos en don André de Tordésillas; waar zij alle drie heengingen. Einde van de geschiedenis van don Gaston en van dona Helena de Galisteo. Welken dienst Santillano aan Tordésillas bewees.Weldra had ik nog een andere gelegenheid, om mijn invloed aan te wenden ten bate van een vriend en ik moet dat vermelden, om mijn lezers te doen zien, dat ik niet meer dezelfde Gil Blas was, die, onder het vorige ministerie, de gunsten van het hof verkocht.In een anti-chambre van het paleis zag ik op een zekeren dag onder de menigte don Gaston de Collogos, den staatsgevangene, dien ik had achtergelaten in den toren van Ségovia. Hij was met den slotbewaarder, don André de Tordésillas. Wij waren zeer verwonderd elkaar daar te ontmoeten en hadden elkaar zooveel te vertellen, dat don Gaston ons voorstelde hem naar huis te vergezellen. Wij volgden hem in zijn rijtuig en zaten weldra in een prachtig gemeubileerde zaal van een mooi huis.“Mijnheer Gil Blas,” zei Tordésillas, “bij uw vertrek uit Ségovia hadt ge een haat tegen het hof en ge zoudt er nooit weer terugkeeren.”“Dat was ook werkelijk mijn plan,” antwoordde ik, “en zoolang de koning leefde ben ik niet veranderd in dat opzicht, maar toen ik wist, dat de prins op den troon was, wilde ik zien of deze mij nog herkende. Dat deed hij en ik had het geluk gunstig te worden ontvangen; hij heeft mij bij den eersten minister aanbevolen, die vriendschap voor mij heeft opgevat en bij wien ik een beter levenheb, dan ik ooit had bij den hertog de Lerme. En gij, don André, zijt ge nog altijd de bewaarder van den toren van Ségovia?”“Neen, de graaf-hertog heeft een ander in mijn plaats gesteld. Hij meende, dat ik een aanhanger was van zijn voorganger.”“En mij,” zei daarop don Gaston, “heeft hij in vrijheid gesteld om een tegenovergestelde reden. Zoodra wist niet de eerste minister, dat ik was opgesloten op bevel van den hertog de Lerme, of hij stelde mij in vrijheid. En thans, mijnheer Gil Blas, zal ik u vertellen, wat er na dien tijd met mij gebeurd is.Het eerste wat ik deed, nadat ik don André hartelijk had dank gezegd voor hetgeen hij tijdens mijn gevangenschap voor mij had gedaan, was mij naar Madrid te begeven. Ik presenteerde mij bij den eersten minister, die mij zei: “Vrees niet, dat het ongeluk, dat u overkomen is, eenige schade heeft toegebracht aan uw naam. Ge zijt geheel gerechtvaardigd. Van uw onschuld ben ik temeer overtuigd, omdat de markies de Vilaréal, van wien men u verdacht de medeplichtige te zijn, onschuldig is gebleken. Hoewel Portugees en zelfs verwant aan den hertog van Braganza, is hij minder op diens hand, dan op die van den koning. Om het onrecht te herstellen, dat u is aangedaan, geeft de koning u een plaats als luitenant bij zijn garde.” Gaarne nam ik die aanstelling aan, maar ik verzocht den minister, voor ik in dienst trad, naar Coria te mogen gaan, om dona Eléonor de Laxarilla, mijn tante, te bezoeken. De minister stond mij een maand verlof toe en ik vertrok, vergezeld van een enkelen lakei.Wij hadden reeds Colménar gepasseerd en bevonden ons op een weg tusschen de bergen, toen wij een ruiter zagen, die zich dapper verdedigde tegen drie man, die hem samen aanvielen. Ik aarzelde geen oogenblik om hem ter hulp te snellen en stelde mij aan zijn zijde. Ik merkte, dat onze vijanden gemaskerd waren en dat wij te doen hadden met eerste vechtersbazen. Niettegenstaande hun krachten hun behendigheid bleven wij overwinnaars; ik doorstak een van de drie, hij viel van zijn paard en de twee anderen vluchtten dadelijk. Het is waar, dat de overwinning welke wij behaalden, weinig minder noodlottig was, want mijn medestrijder en ik waren zwaar gewond. Maar stel u mijn verrassing voor, toen ik in den ruiter niemand anders herkende dan Combados, den echtgenoot van dona Héléna. Hij was niet minder verwonderd dan ik. “Ha! don Gaston!” riep hij, “zijt gij het, die mij zoo edelmoedig hebt geholpen? Toen ge dat deedt, wist ge zeker niet, dat het de man was, die u uw geliefde heeft ontroofd?”“Ik wist het werkelijk niet,” antwoordde ik hem. “Maar indien ik het geweten had, gelooft ge dan, dat ik zou geaarzeld hebben? Oordeelt ge zoo slecht over mij?”“Neen, neen,” antwoordde hij, “ik heb een betere gedachte van u en indien ik sterf aan de wonden, die ik ontvangen heb dan hoop ik, dat de uwe u niet zullen verhinderen, om te profiteeren van mijn dood.”“Combados,” zeide ik, “hoewel ik dona Héléna nog niet heb vergeten, wil ik haar niet bezitten ten koste van uw leven. Het verheugt mij er toe te hebben bijgedragen u te redden, omdat ik daardoor een daad heb verricht, die uw echtgenoot genoegen zal doen.”Terwijl wij spraken, was mijn lakei den ruiter genaderd, die op den grond lag, hij nam hem het masker af en liet ons een gelaat zien, dat Combados dadelijk herkende. ”’t Is Caprara, die slechte neef, die uit spijt, dat hem een rijke erfenis ontgaan is, die hij mij onrechtvaardig betwist, reeds lang het voornemen koesterde mij te vermoorden en dezen dag daarvoor had uitgekozen. Maar de hemel heeft gewild, dat hij zelf het slachtoffer zou worden.”Intusschen stroomde het bloed uit onze wonden en wij verzwakten zoo, dat het ons groote moeite kostte het dorp Villaréjo te bereiken. In het logement daar lieten wij dadelijk een chirurgijn komen. Hij onderzocht onze wonden, die hij zeer gevaarlijk vond. Hij verbond ons en toen hij den volgenden morgen het verband had afgenomen,zei hij, dat die van don Blas doodelijk waren. Over de mijne oordeelde hij gunstiger. En het bleek, dat hij niet verkeerd had gezien.Combados, ziende, dat hij ten doode was opgeschreven, dacht aan niets anders dan zich daarop voor te bereiden. Hij zond een bode naar zijn vrouw, om haar te berichten, wat er was gebeurd en in welken treurigen toestand hij zich bevond.Dona Hélena was weldra te Villaréjo. Combados sprak tot haar in mijn tegenwoordigheid: “Ge komt nog vroeg genoeg, om afscheid van mij te nemen. Ik ga sterven en beschouw mijn dood als een straf van den hemel, omdat ik u door bedrog aan don Gaston heb ontnomen. Daarover beklaag ik mij niet. Zelfs spoor ik u aan hem uw hart te schenken, dat ik hem ontnomen heb.”Dona Helena antwoordde slechts met tranen en waarlijk, dat was het beste antwoord, dat zij kon geven.Het gebeurde, zooals de chirurgijn had voorspeld. Binnen drie dagen stierf Combados en mijn wonden begonnen te beteren. De jonge weduwe liet het lijk naar Coria brengen, waar het met allen luister werd ter aarde besteld.Zoodra ik kon, vertrok ik naar Coria. Mijn tante, donaEléonoren don George besloten, dat wij zoo gauw mogelijk zouden trouwen uit vrees, dat het lot ons misschien door nieuwe tegenspoeden weder zou scheiden. Het huwelijk werd in allen eenvoud voltrokken, met het oog op den dood van Combados.Weinige dagen later kwam ik te Madrid met dona Helena aan. Daar de tijd van mijn verlof was overschreden, vreesde ik, dat de minister mijn luitenants-plaats aan een ander zou hebben gegeven. Maar hij had daarover nog niet beschikt en was zoo goed om mijn verontschuldigingen over mijn wegblijven aan te nemen.Collogosbetuigde mij verder nog, dat hij zeer gelukkig was met zijn positie. Don André daarentegen beklaagde zich, dat hij zijn betrekking had verloren en geen vrienden bezat, die hem een andere konden verschaffen.Glimlachend viel ik hem in de rede, dat ik misschien wel iets voor hem kon doen.Tijdens ons gesprek kwam dona Hélena binnen, wier bekoorlijke verschijning geheel beantwoordde aan het beeld, dat ik mij daarvan had gevormd. Wij wisselden wederzijds eenige complimenten en ik vertrok, nadat ik het adres van Tordésillas gevraagd en hem beloofd had, dat hij binnen acht dagen van mij zou hooren.Een paar dagen later stelde de minister mij in de gelegenheid den slotbewaarder te helpen. “Santillano,” zei hij, “de betrekking van gouverneur van de koninklijke gevangenis te Valladolid is vacant en ik heb wel lust u die te geven, ze brengt meer dan driehonderd pistolen in het jaar op.”“En al zou ze ook tienduizend geven, dan nog zou ik een betrekking weigeren, die mij van u verwijdert,” zei ik.“Maar,” merkte de minister op, ”’t is volstrekt niet noodig Madrid te verlaten, ge kunt van tijd tot tijd de gevangenis te Valladolid eens gaan bezoeken.”“Ik wil die betrekking niet, tenzij u mij toestaat daarvan afstand te doen aan een braven edelman, don André de Tordésillas, die vroeger torenbewaarder is geweest te Ségovia en mij tijdens mijn gevangenschap zeer goed heeft behandeld.”Lachend zei de minister: “Ik geloof, Gil Blas, dat je een gouverneur van een koninklijke gevangenis benoemen wil, zooals je een onderkoninghebtbenoemd. Welnu, mijn vriend, het is goed! Ik sta je de vacante plaats voor Tordésillas toe. Maar zeg mij eens eerlijk, welk voordeel hebt ge daarvan? Want je zal toch wel niet zoo dwaas zijn om je invloed voor niets te gebruiken?”“Moet men zijn schulden niet betalen, Excellentie? Don André heeft mij zooveel genoegen gedaan als hij kon, toen ik zijn gevangene was.”“Je bent wel belangeloos geworden, Santillano. Het schijnt mij toe, dat je het onder mijn voorganger minder was.”“Dat stem ik u toe, Excellentie. De slechte voorbeelden bederven de zeden. Alles werd toen verkocht en ik voegde mij naar dat gebruik en daar nu alles gegeven wordt, heb ik mijn onomkoopbaarheid teruggekregen.”Don André de Tordésillas werd dus gouverneur van de koninklijke gevangenis te Valladolid en vertrok weldra naar die stad, even voldaan over zijn nieuwe betrekking als ik het was, dat ik mij gekweten had van de schuld, die ik aan hem had.Hoofdstuk XIVSantillano gaat naar den dichter Nunez. Welke personen hij er vond en welke gesprekken er werden gehouden.Op een zekeren namiddag kreeg ik lust mijn vriend den dichter uit Asturië eens te gaan bezoeken, nieuwsgierig om te weten hoe zijn woning ingericht was.Ik begaf mij naar het huis van don Bertrand Gomez del Ribero en vroeg daar naar Nunez. Men antwoordde, dat hij daar niet meer woonde, maar wees mij een naburig huis aan, waarin hij zijn intrek had genomen.In een zaal, waarin ik verder geen meubelen zag, vond ik mijn vriend Fabricius nog aan tafel, met vijf of zes confraters, die hij dien dag onthaalde. Zij waren aan het eind van hun maaltijd en dus aan het disputeeren. Toen ik binnenkwam was het opeens stil. Nunez stond met een gewichtig gezicht op om mij te ontvangen en riep: “Mijne heeren, daar is de heer de Santillano, die mij met een van zijn bezoeken komt vereeren; bewijst met mij hulde aan den vertrouweling van den eersten minister!”Bij die woorden stonden alle gasten op om mij te begroeten en door de woorden van den gastheer waren ze zeer beleefd. Hoewel ik niet de minste behoefte aan iets had, moest ik mij aan tafel zetten en een dronk beantwoorden, die ze op mij uitbrachten.Daar het scheen, dat mijn tegenwoordigheid hen verhinderde om vrijuit te spreken zei ik: ”Hetschijnt mij, dat ik uw onderhoud heb gestoord, heeren, wees zoo goed en zet het gesprek voort, of ik ga heen.”“Die heeren,” zei Fabricius daarop, “spraken van de Iphigenia van Euripides. De heer Melchior de Villégas, dieeen geleerde van den eersten rang is, vroeg aan don Jacinte de Romerate, wat hem het meest interesseerde in dit treurspel.”“Ja,” zei don Jacinte, “en ik heb hem geantwoord: het gevaar, waarin Iphigenia zich bevond.”“En ik,” riep de ander, “heb hem geantwoord, dat niet het gevaar het belangrijkste was!”“Wat was het dan?” werd er geroepen.“Het was de wind,” antwoordde Melchior de Villégas.Het geheele gezelschap barstte in lachen uit om dit antwoord, ik vatte dit ook niet als ernst op en dacht, dat Melchior het alleen maar gegeven had om de conversatie aan den gang te houden. Maar ik kende dien geleerde niet, het was een man, die geen scherts verstond. Op bedaarden toon zei hij:“Lacht zooveel ge wilt heeren. Ik houd vol, dat het de wind is, die de belangstelling verdient en niet het gevaar van Iphigenia. Stelt u voor een talrijk leger, dat verzameld is om Troje te gaan belegeren! Verbeeldt u het ongeduld van de officieren en soldaten om hun voornemen uit te voeren, waarna ze terug kunnen keeren naar Griekenland, waar ze hebben achtergelaten, hetgeen hun het meest dierbaar is, hunne huisgoden, hunne vrouwen en kinderen. En een vervloekte wind houdt hen terug; indien hij niet verandert, kunnen zij de stad niet gaan belegeren. Dus is het de wind, die van het grootste belang is in het treurspel. Ik neem de partij van de Grieken; ik wensch slechts het vertrek van hun vloot en zie met een onverschillig oog het gevaar van Iphigenia aan. Haar dood is het middel om van de goden een gunstiger wind te krijgen.”Zoodra Villégas had opgehouden te spreken, werd hij weer uitgelachen. Nunez en anderen begonnen daarop flauwe aardigheden over den wind te zeggen. Maar de geleerde heer, die hen met een kalmen en trotschen blik aankeek, behandelde hen als onwetende en alledaagsche geesten.Ik verwachtte ieder oogenblik, dat de heeren zich nogmeer zouden opwinden en elkaar in het haar vliegen, wat het gewone einde is van hunne discussies, maar ik werd in mijn verwachting bedrogen. Ze bepaalden er zich toe elkaar eenige beleedigingen te zeggen en trokken af, nadat zij genoeg gegeten en gedronken hadden.Toen ik alleen met hem was, vroeg ik Fabricius, waarom hij niet meer bij den schatmeester woonde en of hij verschil van meening met hem had gehad.“Verschil van meening!” riep hij. “De hemel behoede mij ervoor! Ik ben met don Bertrand nooit op een beteren voet geweest. Hij heeft mij echter toegestaan, om op mij zelf te wonen en nu heb ik dit verblijf gehuurd, om er mijn vrienden te ontvangen en met hen in vrijheid te genieten, wat mij dikwijls gebeurt, want je weet, ik ben niet iemand om groote sommen aan mijn erfgenamen achter te willen laten en wat gelukkig voor mij is, ik kan tegenwoordig iederen dag partijen hebben.”“Het doet mij genoegen, mijn waarde Nunez,” zei ik, “en ik kan niet nalaten je nogmaals geluk te wenschen met het succes van je laatste treurspel. De achthonderd dramatische werken van den grooten Lopez hebben hem nog geen vierde gedeelte opgebracht van jouw ‘Graaf van Saldagne’.”

Hoofdstuk VIIIGil Blas komt van dag tot dag meer in de gunst bij zijn meester. Van de terugkomst van Scipio te Madrid en van het verhaal, dat hij Santillano van zijn reis doet.De graaf van Olivarès, dien ik voortaan den graaf-hertog zal noemen, omdat de koning hem in dien tijd met dezen titel vereerde, had het gebrek, dat hij bemind wilde worden. Zoodra hij bemerkte, dat iemand zich uit genegenheid aan hem hechtte, schonk hij hem zijn vriendschap. Dit had ik opgemerkt en ik zorgde ervoor het niet te verwaarloozen. Ik bepaalde mij er niet toe, om goed te verrichten, wat hij mij opdroeg, ik voerde zijn bevelen uit met een ijver, die hem opviel. Ik bestudeerde zijn smaak in alle zaken, om mij daarnaar te vormen en ik voorkwam zijn wenschen, zooveel mij dat mogelijk was.Door dit gedrag, dat bijna altijd tot het doel leidt, werd ik ongemerkt de gunsteling van mijn meester, die van zijn kant, daar ik hetzelfde zwak had als hij, mij voor zich won, door mij tal van bewijzen van zijn genegenheid te schenken. Al spoedig begon ik zijn vertrouwen te deelen met Carnero, zijn eersten secretaris.Carnero had zich van hetzelfde middel bediend als ik, om den minister te bevallen en hij was daarin zoo goed geslaagd, dat hij deelgenoot was van de kabinetsgeheimen. Die secretaris en ik werden dus de vertrouwelingen van den eersten minister met dit onderscheid, dat hij met Carnero slechts over staatszaken sprak en dat hij mij slechts onderhield over zijn particuliere aangelegenheden. Hij maakte om zoo te zeggen twee gescheiden departementen,waarover wij beiden tevreden waren. Wij leefden zonder jaloezie, maar ook zonder vriendschap voor elkaar.Toen de graaf-hertog niet meer twijfelde aan mijn gehechtheid aan hem, werd hij zeer openhartig in zijn mededeelingen.“Santillano,” zei hij op zekeren dag tot mij, “je hebt den hertog de Lerme van een macht zien genieten, die minder op dien van een minister dan van een onbeperkt heerscher geleek; ik ben echter nog gelukkiger dan hij het op het hoogtepunt van zijn macht was. Hij had twee geduchte vijanden in den hertog d’Uzède, zijn eigen zoon en in den biechtvader van koning Filips III, terwijl niemand bij den koning is, die genoeg invloed bezit om mij te benadeelen. Zelfs verdenk ik er niemand in die omgeving van dat hij mij slecht gezind is.Het is waar, dat ik, toen ik minister werd, ervoor gezorgd heb bij den koning slechts personen te plaatsen, die door banden des bloeds of vriendschap aan mij verbonden zijn. Van alle groote heeren, die door hunne persoonlijke verdiensten mij een deel van de gunsten des konings zouden kunnen ontnemen, heb ik mij ontdaan, door hen naar gezantschappen te zenden en zoo kan ik nu zeggen, dat er niemand is, die tekort doet aan mijn invloed.”Terwijl mijn meester zulke gesprekken met mij hield, naderde de tijd, dat Scipio van zijn reis terug moest keeren.“Ik heb u geen lang verhaal te doen,” zei hij bij zijn terugkomst. “Het deed den heeren de Leyva een zeer groot genoegen te vernemen, welke ontvangst de koning u bereidde, toen hij u herkende en de wijze, waarop de graaf van Olivarès van uw diensten gebruik maakt.”Hier viel ik Scipio in de rede: “Mijn vriend, je had hun nog veel grooter genoegen kunnen doen, indien je had kunnen zeggen op welken goeden voet ik nu met mijn meester ben. Sinds je vertrek heb ik groote vorderingen in zijn gunst gemaakt.”“Den hemel zij dank, mijn waarde meester. Ik heb een voorgevoel, dat ons een schoone toekomst wacht.”“Maar laten wij nu van onderwerp veranderen, Scipio, vertel nu van Oviédo. Je bent in Asturië geweest. Hoe heb je mijn moeder gevonden?”Zijn gezicht nam een treurige uitdrukking aan en hij zei: “O mijnheer, ik heb u in dat opzicht slechts treurig nieuws te brengen.”“O hemel! Mijn moeder is zeker dood?”“Helaas ja, zes maanden geleden is zij gestorven en ook uw oom Gil Perez is overleden.” De dood van mijn moeder deed mij smartelijk aan, hoewel ik in mijn jeugd nooit die bewijzen van teederheid van haar had ontvangen, waaraan kinderen zoo groote behoefte hebben. Ook mijn goeden oom, die zooveel zorg voor mijn opvoeding had gedragen, betreurde ik.

De graaf van Olivarès, dien ik voortaan den graaf-hertog zal noemen, omdat de koning hem in dien tijd met dezen titel vereerde, had het gebrek, dat hij bemind wilde worden. Zoodra hij bemerkte, dat iemand zich uit genegenheid aan hem hechtte, schonk hij hem zijn vriendschap. Dit had ik opgemerkt en ik zorgde ervoor het niet te verwaarloozen. Ik bepaalde mij er niet toe, om goed te verrichten, wat hij mij opdroeg, ik voerde zijn bevelen uit met een ijver, die hem opviel. Ik bestudeerde zijn smaak in alle zaken, om mij daarnaar te vormen en ik voorkwam zijn wenschen, zooveel mij dat mogelijk was.

Door dit gedrag, dat bijna altijd tot het doel leidt, werd ik ongemerkt de gunsteling van mijn meester, die van zijn kant, daar ik hetzelfde zwak had als hij, mij voor zich won, door mij tal van bewijzen van zijn genegenheid te schenken. Al spoedig begon ik zijn vertrouwen te deelen met Carnero, zijn eersten secretaris.

Carnero had zich van hetzelfde middel bediend als ik, om den minister te bevallen en hij was daarin zoo goed geslaagd, dat hij deelgenoot was van de kabinetsgeheimen. Die secretaris en ik werden dus de vertrouwelingen van den eersten minister met dit onderscheid, dat hij met Carnero slechts over staatszaken sprak en dat hij mij slechts onderhield over zijn particuliere aangelegenheden. Hij maakte om zoo te zeggen twee gescheiden departementen,waarover wij beiden tevreden waren. Wij leefden zonder jaloezie, maar ook zonder vriendschap voor elkaar.

Toen de graaf-hertog niet meer twijfelde aan mijn gehechtheid aan hem, werd hij zeer openhartig in zijn mededeelingen.

“Santillano,” zei hij op zekeren dag tot mij, “je hebt den hertog de Lerme van een macht zien genieten, die minder op dien van een minister dan van een onbeperkt heerscher geleek; ik ben echter nog gelukkiger dan hij het op het hoogtepunt van zijn macht was. Hij had twee geduchte vijanden in den hertog d’Uzède, zijn eigen zoon en in den biechtvader van koning Filips III, terwijl niemand bij den koning is, die genoeg invloed bezit om mij te benadeelen. Zelfs verdenk ik er niemand in die omgeving van dat hij mij slecht gezind is.

Het is waar, dat ik, toen ik minister werd, ervoor gezorgd heb bij den koning slechts personen te plaatsen, die door banden des bloeds of vriendschap aan mij verbonden zijn. Van alle groote heeren, die door hunne persoonlijke verdiensten mij een deel van de gunsten des konings zouden kunnen ontnemen, heb ik mij ontdaan, door hen naar gezantschappen te zenden en zoo kan ik nu zeggen, dat er niemand is, die tekort doet aan mijn invloed.”

Terwijl mijn meester zulke gesprekken met mij hield, naderde de tijd, dat Scipio van zijn reis terug moest keeren.

“Ik heb u geen lang verhaal te doen,” zei hij bij zijn terugkomst. “Het deed den heeren de Leyva een zeer groot genoegen te vernemen, welke ontvangst de koning u bereidde, toen hij u herkende en de wijze, waarop de graaf van Olivarès van uw diensten gebruik maakt.”

Hier viel ik Scipio in de rede: “Mijn vriend, je had hun nog veel grooter genoegen kunnen doen, indien je had kunnen zeggen op welken goeden voet ik nu met mijn meester ben. Sinds je vertrek heb ik groote vorderingen in zijn gunst gemaakt.”

“Den hemel zij dank, mijn waarde meester. Ik heb een voorgevoel, dat ons een schoone toekomst wacht.”

“Maar laten wij nu van onderwerp veranderen, Scipio, vertel nu van Oviédo. Je bent in Asturië geweest. Hoe heb je mijn moeder gevonden?”

Zijn gezicht nam een treurige uitdrukking aan en hij zei: “O mijnheer, ik heb u in dat opzicht slechts treurig nieuws te brengen.”

“O hemel! Mijn moeder is zeker dood?”

“Helaas ja, zes maanden geleden is zij gestorven en ook uw oom Gil Perez is overleden.” De dood van mijn moeder deed mij smartelijk aan, hoewel ik in mijn jeugd nooit die bewijzen van teederheid van haar had ontvangen, waaraan kinderen zoo groote behoefte hebben. Ook mijn goeden oom, die zooveel zorg voor mijn opvoeding had gedragen, betreurde ik.

Hoofdstuk IXHoe en aan wien de graaf-hertog zijn eenige dochter ten huwelijk gaf en van de slechte gevolgen van dat huwelijk.Weinig tijd na den terugkeer van Scipio verviel de graaf-hertog in een gepeins, dat hem wel acht dagen bezighield. Eerst dacht ik, dat hij weer een of ander groot staatsstuk voorbereidde, maar spoedig bleek het zijn familie te zijn, die zijn gedachten in beslag nam.“Gil Blas,” zei hij op een namiddag, “je moet gemerkt hebben, dat ik den laatsten tijd zeer afgetrokken ben geweest. Ik ben dan ook vervuld van een zaak, waarvan de rust van mijn leven afhangt en zal je die in vertrouwen meedeelen.“Dona Maria, mijn dochter, is huwbaar en er doen zich veel heeren voor, die om haar hand dingen. De graaf van Niebles, oudste zoon van den hertog van Médina Sidonia, hoofd van het huis de Gusman, en don Louis de Haro, oudste zoon van den markies van Corpio, en van mijn oudste zuster, schijnen twee pretendenten die het meest in aanmerking komen. De laatste vooral heeft zooveel verdiensten boven zijn medeminnaars, dat het geheele hof er niet aan twijfelt of ik zal hem tot schoonzoon kiezen. Zonder redenen op te geven, die mij daartoe nopen, moet ik u echter zeggen, dat ik de voorkeur geef aan don Ramire de Nunez de Gusman, markies van Toral. Aan de kinderen, die uit dat huwelijk zullen worden geboren en die den naam graaf van Olivarès aan den hunnen kunnen toevoegen, zal ik mijn goederen nalaten. Wat zegt ge daarvan Santillano?”“Natuurlijk zult u zelf het best daarin beslissen,” antwoordde ik. “Maar, indien het mij geoorloofd is een opmerking te maken, zou de hertog de Médina Sidonia niet ontevreden zijn over die beslissing?”“Laat hij ontevreden zijn zooveel hij wil, ik zal mij daar weinig om bekommeren,” antwoordde de minister. “Het spijt mij nog meer voor de markiezin van Corpio. Maar hoe het ook zij, ik wil mijn zin volgen en don Ramire zal mijn dochter hebben, dat is beslist.”Nadat de graaf-hertog mij dit besluit had meegedeeld, gaf hij weer een nieuw blijk van zeldzame politiek. Hij bood den koning een verzoekschrift aan, om hem en ook de koningin te verzoeken zijn dochter uit te huwelijken. Hij gaf een beschrijving van de verschillende heeren, die aanzoek hadden gedaan; de keuze liet hij geheel aan het koninklijk echtpaar over, maar hij liet, sprekende van den markies van Toral, niet na te kennen te geven, dat deze hem het meest aangenaam zou zijn. De koning, die een blinde ingenomenheid voor zijn minister had, gaf hem dit antwoord:“Ik geloof, dat don Ramire de Nunez dona Maria waardig is. Kies echter zelf wien ge wilt, bij voorbaat kan ik u verzekeren, dat uw besluit mij naar genoegen zal zijn. De Koning.”De minister was niet weinig verheugd met dit antwoord en het latende voorkomen als een bevel van den vorst, haastte hij zijn dochter uit te huwelijken aan den markies de Toral. Dit huwelijk verbitterde de markiezin van Corpio en hare familieleden. Maar men kon niets daaraan veranderen en de bruiloft werd met allerlei feesten gevierd. Men zei, dat de geheele familie de keuze toejuichte, maar de ontevredenen werden weldra gewroken op een voor den graaf-hertog zeer wreede wijze. Dona Maria beviel na tien maanden van een meisje, dat bij de geboorte stierf en zij zelve volgde haar kind een paar dagen later.Welk een verlies voor een vader, die om zoo te zeggenslechts oogen had gehad voor zijn dochter. Hij was zoo gebroken, dat hij zich eenige dagen opsloot en niemand zien wilde dan mij, daar ik mij richtte naar zijn verdriet. Nieuwe tranen vergoot ik in die dagen bij de gedachte aan Antonia. De overeenkomst van omstandigheden, waaronder de markiezin de Toral was gestorven,opendemijn wond weer, die nog niet was gesloten.Voor den minister was het een troost, dat hij een vertrouweling had, die zoo gevoelig scheen voor zijn verdriet. Op een van die dagen betuigde hij me dat. “O, Excellentie,” antwoordde ik, “ondankbaar en onnatuurlijk hard zou ik moeten zijn, indien ik niet in uw smart deelde.”

Weinig tijd na den terugkeer van Scipio verviel de graaf-hertog in een gepeins, dat hem wel acht dagen bezighield. Eerst dacht ik, dat hij weer een of ander groot staatsstuk voorbereidde, maar spoedig bleek het zijn familie te zijn, die zijn gedachten in beslag nam.

“Gil Blas,” zei hij op een namiddag, “je moet gemerkt hebben, dat ik den laatsten tijd zeer afgetrokken ben geweest. Ik ben dan ook vervuld van een zaak, waarvan de rust van mijn leven afhangt en zal je die in vertrouwen meedeelen.

“Dona Maria, mijn dochter, is huwbaar en er doen zich veel heeren voor, die om haar hand dingen. De graaf van Niebles, oudste zoon van den hertog van Médina Sidonia, hoofd van het huis de Gusman, en don Louis de Haro, oudste zoon van den markies van Corpio, en van mijn oudste zuster, schijnen twee pretendenten die het meest in aanmerking komen. De laatste vooral heeft zooveel verdiensten boven zijn medeminnaars, dat het geheele hof er niet aan twijfelt of ik zal hem tot schoonzoon kiezen. Zonder redenen op te geven, die mij daartoe nopen, moet ik u echter zeggen, dat ik de voorkeur geef aan don Ramire de Nunez de Gusman, markies van Toral. Aan de kinderen, die uit dat huwelijk zullen worden geboren en die den naam graaf van Olivarès aan den hunnen kunnen toevoegen, zal ik mijn goederen nalaten. Wat zegt ge daarvan Santillano?”

“Natuurlijk zult u zelf het best daarin beslissen,” antwoordde ik. “Maar, indien het mij geoorloofd is een opmerking te maken, zou de hertog de Médina Sidonia niet ontevreden zijn over die beslissing?”

“Laat hij ontevreden zijn zooveel hij wil, ik zal mij daar weinig om bekommeren,” antwoordde de minister. “Het spijt mij nog meer voor de markiezin van Corpio. Maar hoe het ook zij, ik wil mijn zin volgen en don Ramire zal mijn dochter hebben, dat is beslist.”

Nadat de graaf-hertog mij dit besluit had meegedeeld, gaf hij weer een nieuw blijk van zeldzame politiek. Hij bood den koning een verzoekschrift aan, om hem en ook de koningin te verzoeken zijn dochter uit te huwelijken. Hij gaf een beschrijving van de verschillende heeren, die aanzoek hadden gedaan; de keuze liet hij geheel aan het koninklijk echtpaar over, maar hij liet, sprekende van den markies van Toral, niet na te kennen te geven, dat deze hem het meest aangenaam zou zijn. De koning, die een blinde ingenomenheid voor zijn minister had, gaf hem dit antwoord:

“Ik geloof, dat don Ramire de Nunez dona Maria waardig is. Kies echter zelf wien ge wilt, bij voorbaat kan ik u verzekeren, dat uw besluit mij naar genoegen zal zijn. De Koning.”

De minister was niet weinig verheugd met dit antwoord en het latende voorkomen als een bevel van den vorst, haastte hij zijn dochter uit te huwelijken aan den markies de Toral. Dit huwelijk verbitterde de markiezin van Corpio en hare familieleden. Maar men kon niets daaraan veranderen en de bruiloft werd met allerlei feesten gevierd. Men zei, dat de geheele familie de keuze toejuichte, maar de ontevredenen werden weldra gewroken op een voor den graaf-hertog zeer wreede wijze. Dona Maria beviel na tien maanden van een meisje, dat bij de geboorte stierf en zij zelve volgde haar kind een paar dagen later.

Welk een verlies voor een vader, die om zoo te zeggenslechts oogen had gehad voor zijn dochter. Hij was zoo gebroken, dat hij zich eenige dagen opsloot en niemand zien wilde dan mij, daar ik mij richtte naar zijn verdriet. Nieuwe tranen vergoot ik in die dagen bij de gedachte aan Antonia. De overeenkomst van omstandigheden, waaronder de markiezin de Toral was gestorven,opendemijn wond weer, die nog niet was gesloten.

Voor den minister was het een troost, dat hij een vertrouweling had, die zoo gevoelig scheen voor zijn verdriet. Op een van die dagen betuigde hij me dat. “O, Excellentie,” antwoordde ik, “ondankbaar en onnatuurlijk hard zou ik moeten zijn, indien ik niet in uw smart deelde.”

Hoofdstuk XGil Blas ontmoet bij toeval den dichter Nunez, die hem meedeelt, dat hij een treurspel heeft gemaakt, dat opgevoerd zal worden in den koninklijken schouwburg. Van de mislukking van dit stuk en van het geluk, waardoor het werd gevolgd.De minister begon zich te troosten en daar ik tengevolge daarvan ook beter van humeur werd, ging ik ’s avonds weer uit. Op een rijtoer ontmoette ik den dichter uit Asturië, dien ik nog niet gezien had na zijn vertrek uit het hospitaal. Hij was zeer net gekleed; ik liet hem roepen en bij mij instappen.“Mijnheer Nunez,” zei ik, “het is gelukkig voor mij, dat ik u bij toeval ontmoet, anders zou ik niet het genoegen hebben gehad u....”“Geen verwijten, Santillano,” viel hij mij in de rede, “ik zal je eerlijk bekennen, dat ik je niet heb willen bezoeken en ik zal je zeggen, wat daarvan de reden is. Jij hadt mij een goede betrekking beloofd, mits ik de poëzie wilde afzweren en ik heb nu een even goede gevonden, onder voorwaarde, dat ik verzen zal maken. Ik heb de laatste aangenomen, omdat ze het best past bij mijn karakter. Door tusschenkomst van een mijner vrienden ben ik geplaatst bij don Bertrand Gomes del Ribero, schatmeester van den koning. Don Bertrand, die iemand met gevoel voor het schoone in zijn dienst wilde hebben, heeft mij uitgekozen uit vijf of zes andere schrijvers, die zich bij hem aanmeldden voor het ambt van secretaris.”“Dat doet mij genoegen,” zei ik, “want die don Bertrand is, naar het schijnt, zeer rijk.”“Wat rijk! Men zegt dat hij zijn eigen rijkdommen niet kent! Hoe het zij, ik zal je zeggen, waarin het werk bestaat, dat ik bij hem heb te doen. Daar hij galant is en wil doorgaan voor een geestig man, is hij in correspondentie met verschillende kunstminnende dames en ik leen hem mijn pen voor zijn brieven. Ik schrijf aan de eene in verzen, aan de andere in proza en ik breng er soms de brieven zelf heen, om de veelzijdigheid van mijn talent te doen zien.”“Maar ge deelt me niet mee, wat ik het liefst wilde weten. Is de betaling goed?”“Zeer goed,” antwoordde hij. “De rijke lui zijn niet allen edelmoedig en ik ken er wel, die gierig zijn, maar don Bertrand behandelt mij zeer mild. Behalve tweehonderd pistolen vast salaris, ontvang ik van tijd tot tijd gratificaties en daardoor ben ik in staat als een heer te leven en mijn tijd aangenaam door te brengen met andere schrijvers, die als ik, vijanden zijn van het verdriet.”“Maar,” vroeg ik, “heeft je meester smaak genoeg, om de schoonheid te gevoelen van een werk en om er de gebreken van op te merken?”“O neen,” antwoordde Nunez. “Hij praat er wel over, maar een kenner is hij niet. Wel is hij gewoon om zijn beweringen steeds op hoogen toon vol te houden en hij kan niet verdragen, dat men hem tegenspreekt. Je begrijpt dus wel, dat ik mij daar nooit aan waag, welke aanleiding hij er ook toe geeft, want ongerekend de minder aangename woorden, die hij mij naar het hoofd zou slingeren, zou hij ook in staat zijn, mij buiten de deur te zetten. Dus keur ik goed, wat hij prijst en ik veroordeel al, wat niet in zijn smaak valt. Hij heeft mij nu een treurspel laten schrijven, waarvoor hij mij het idee heeft aan de hand gedaan en als het succes heeft, heb ik aan zijn goeden raad een deel van mijn roem te danken.”Ik vroeg aan onzen dichter den titel van zijn treurspel.“Die luidt: “De graaf van Saldagne.” Het stuk zal over drie dagen in den koninklijken schouwburg worden opgevoerd.”“Ik hoop,” antwoordde ik, “dat het een goed resultaat voor je hebben zal, waaraan ik trouwens niet twijfel.”“Ik hoop het ook,” zei hij. “Maar niets is bedriegelijkerdan zoo iets. De schrijver is altijd onzeker omtrent het lot van een dramatisch werk.”Op den dag van de eerste voorstelling kon ik niet naar den schouwburg gaan, omdat ik werk te doen had voor den minister. Al wat ik doen kon, was Scipio er heen te zenden, om althans denzelfden avond nog te weten hoe het was afgeloopen. Ik zag hem terugkomen met een gezicht,datmij weinig goeds voorspelde.“Wel,” vroeg ik, “hoe is “De graaf van Saldagne” door het publiek ontvangen geworden?”“Zeer slecht. Ik heb nooit een stuk bijgewoond, dat zóó is ontvangen en ik ben verontwaardigd over de onbeschaamdheid van het parterre.”“En ik,” antwoordde ik, “ben woedend op Nunez, dat hij zulke dramatische gedichten maakt. Wat een dwaasheid! Moet hij het verstand niet hebben verloren, om het slijk, dat het publiek naar hem werpt, te verkiezen boven het gelukkige lot, dat ik hem wilde bereiden?”Twee dagen later zag ik den dichter bij mij binnenkomen en zeer tot mijn verwondering in de vroolijkste stemming. “Santillano!” riep hij, “ik kom je vertellen welk geluk ik heb gehad! Mijn fortuin is gemaakt mijn vriend, door dat nieuwe stuk. Je weet, dat men aan “De Graaf van Saldagne” een vreemde ontvangst heeft bereid. Alle toehoorders vonden het leelijk en juist aan die algemeene afkeuring heb ik het geluk van mijn leven te danken.”Ik was zeer verwonderd den dichter Nunez op deze wijze te hooren spreken.“Maar Fabricius, hoe is het mogelijk, dat de val van je treurspel je zulk een geluk heeft kunnen geven?”“Ik heb je al gezegd, dat don Bertrand mij het idee van het stuk had ingegeven, dus vond hij het uitstekend en hij was buiten zichzelf, toen hij moest zien, dat het geheele publiek er anders over dacht dan hij. Hij zei me, dat zoo het stuk al niet voldaan had aan het publiek, het hem althans wel was bevallen en dat mij zulks voldoende moest zijn. Om mij te troosten, heeft hij mij een vast inkomenvan duizend kronen uit zijn goederen geschonken. Hij heeft daarvan dadelijk bij een notaris een acte laten opmaken en het eerste jaar is mij vooruit betaald.”Ik feliciteerde Fabricius met het ongelukkige lot van den Graaf van Saldagne, omdat die zaak voor hem zoo goed was afgeloopen.“Dat is wel een felicitatie waard,” zei hij. “Er kon mij geen grooter geluk zijn overkomen dan het gefluit van het parterre. Indien het publiek mij gunstiger gezind was geweest engeapplaudisseerdhad, waartoe zou dat dan hebben geleid? Tot niets. Ik zou door mijn werk een kleine som hebben verdiend. En nu ik uitgefloten ben, kan ik zeggen dat ik voor de rest van mijn leven binnen ben.”

De minister begon zich te troosten en daar ik tengevolge daarvan ook beter van humeur werd, ging ik ’s avonds weer uit. Op een rijtoer ontmoette ik den dichter uit Asturië, dien ik nog niet gezien had na zijn vertrek uit het hospitaal. Hij was zeer net gekleed; ik liet hem roepen en bij mij instappen.

“Mijnheer Nunez,” zei ik, “het is gelukkig voor mij, dat ik u bij toeval ontmoet, anders zou ik niet het genoegen hebben gehad u....”

“Geen verwijten, Santillano,” viel hij mij in de rede, “ik zal je eerlijk bekennen, dat ik je niet heb willen bezoeken en ik zal je zeggen, wat daarvan de reden is. Jij hadt mij een goede betrekking beloofd, mits ik de poëzie wilde afzweren en ik heb nu een even goede gevonden, onder voorwaarde, dat ik verzen zal maken. Ik heb de laatste aangenomen, omdat ze het best past bij mijn karakter. Door tusschenkomst van een mijner vrienden ben ik geplaatst bij don Bertrand Gomes del Ribero, schatmeester van den koning. Don Bertrand, die iemand met gevoel voor het schoone in zijn dienst wilde hebben, heeft mij uitgekozen uit vijf of zes andere schrijvers, die zich bij hem aanmeldden voor het ambt van secretaris.”

“Dat doet mij genoegen,” zei ik, “want die don Bertrand is, naar het schijnt, zeer rijk.”

“Wat rijk! Men zegt dat hij zijn eigen rijkdommen niet kent! Hoe het zij, ik zal je zeggen, waarin het werk bestaat, dat ik bij hem heb te doen. Daar hij galant is en wil doorgaan voor een geestig man, is hij in correspondentie met verschillende kunstminnende dames en ik leen hem mijn pen voor zijn brieven. Ik schrijf aan de eene in verzen, aan de andere in proza en ik breng er soms de brieven zelf heen, om de veelzijdigheid van mijn talent te doen zien.”

“Maar ge deelt me niet mee, wat ik het liefst wilde weten. Is de betaling goed?”

“Zeer goed,” antwoordde hij. “De rijke lui zijn niet allen edelmoedig en ik ken er wel, die gierig zijn, maar don Bertrand behandelt mij zeer mild. Behalve tweehonderd pistolen vast salaris, ontvang ik van tijd tot tijd gratificaties en daardoor ben ik in staat als een heer te leven en mijn tijd aangenaam door te brengen met andere schrijvers, die als ik, vijanden zijn van het verdriet.”

“Maar,” vroeg ik, “heeft je meester smaak genoeg, om de schoonheid te gevoelen van een werk en om er de gebreken van op te merken?”

“O neen,” antwoordde Nunez. “Hij praat er wel over, maar een kenner is hij niet. Wel is hij gewoon om zijn beweringen steeds op hoogen toon vol te houden en hij kan niet verdragen, dat men hem tegenspreekt. Je begrijpt dus wel, dat ik mij daar nooit aan waag, welke aanleiding hij er ook toe geeft, want ongerekend de minder aangename woorden, die hij mij naar het hoofd zou slingeren, zou hij ook in staat zijn, mij buiten de deur te zetten. Dus keur ik goed, wat hij prijst en ik veroordeel al, wat niet in zijn smaak valt. Hij heeft mij nu een treurspel laten schrijven, waarvoor hij mij het idee heeft aan de hand gedaan en als het succes heeft, heb ik aan zijn goeden raad een deel van mijn roem te danken.”

Ik vroeg aan onzen dichter den titel van zijn treurspel.

“Die luidt: “De graaf van Saldagne.” Het stuk zal over drie dagen in den koninklijken schouwburg worden opgevoerd.”

“Ik hoop,” antwoordde ik, “dat het een goed resultaat voor je hebben zal, waaraan ik trouwens niet twijfel.”

“Ik hoop het ook,” zei hij. “Maar niets is bedriegelijkerdan zoo iets. De schrijver is altijd onzeker omtrent het lot van een dramatisch werk.”

Op den dag van de eerste voorstelling kon ik niet naar den schouwburg gaan, omdat ik werk te doen had voor den minister. Al wat ik doen kon, was Scipio er heen te zenden, om althans denzelfden avond nog te weten hoe het was afgeloopen. Ik zag hem terugkomen met een gezicht,datmij weinig goeds voorspelde.

“Wel,” vroeg ik, “hoe is “De graaf van Saldagne” door het publiek ontvangen geworden?”

“Zeer slecht. Ik heb nooit een stuk bijgewoond, dat zóó is ontvangen en ik ben verontwaardigd over de onbeschaamdheid van het parterre.”

“En ik,” antwoordde ik, “ben woedend op Nunez, dat hij zulke dramatische gedichten maakt. Wat een dwaasheid! Moet hij het verstand niet hebben verloren, om het slijk, dat het publiek naar hem werpt, te verkiezen boven het gelukkige lot, dat ik hem wilde bereiden?”

Twee dagen later zag ik den dichter bij mij binnenkomen en zeer tot mijn verwondering in de vroolijkste stemming. “Santillano!” riep hij, “ik kom je vertellen welk geluk ik heb gehad! Mijn fortuin is gemaakt mijn vriend, door dat nieuwe stuk. Je weet, dat men aan “De Graaf van Saldagne” een vreemde ontvangst heeft bereid. Alle toehoorders vonden het leelijk en juist aan die algemeene afkeuring heb ik het geluk van mijn leven te danken.”

Ik was zeer verwonderd den dichter Nunez op deze wijze te hooren spreken.

“Maar Fabricius, hoe is het mogelijk, dat de val van je treurspel je zulk een geluk heeft kunnen geven?”

“Ik heb je al gezegd, dat don Bertrand mij het idee van het stuk had ingegeven, dus vond hij het uitstekend en hij was buiten zichzelf, toen hij moest zien, dat het geheele publiek er anders over dacht dan hij. Hij zei me, dat zoo het stuk al niet voldaan had aan het publiek, het hem althans wel was bevallen en dat mij zulks voldoende moest zijn. Om mij te troosten, heeft hij mij een vast inkomenvan duizend kronen uit zijn goederen geschonken. Hij heeft daarvan dadelijk bij een notaris een acte laten opmaken en het eerste jaar is mij vooruit betaald.”

Ik feliciteerde Fabricius met het ongelukkige lot van den Graaf van Saldagne, omdat die zaak voor hem zoo goed was afgeloopen.

“Dat is wel een felicitatie waard,” zei hij. “Er kon mij geen grooter geluk zijn overkomen dan het gefluit van het parterre. Indien het publiek mij gunstiger gezind was geweest engeapplaudisseerdhad, waartoe zou dat dan hebben geleid? Tot niets. Ik zou door mijn werk een kleine som hebben verdiend. En nu ik uitgefloten ben, kan ik zeggen dat ik voor de rest van mijn leven binnen ben.”

Hoofdstuk XISantillano bezorgt een betrekking aan Scipio, die naar Nieuw Spanje reist.Mijn secretaris keek niet zonder afgunst naar het geluk van den dichter Nunez. Wel veertien dagen lang sprak hij er mij onophoudelijk van. “Ik bewonder de grillen van Fortuna,” zei hij, “die een slecht schrijver met gunsten overlaadt, terwijl ze dikwijls voor goede niets heeft dan armoede. Ik zou wel willen, dat ze mij op een goeden dag eens gunstig was.”“Dat zal wel gebeuren,” antwoordde ik, “en misschien eerder dan je denkt. Je bent hier in haar tempel; want het huis van den eersten minister mag wel den tempel van Fortuna heeten.””’t Is waar mijnheer, maar men moet geduld hebben om er op te wachten.”“Nog eens Scipio, wees gerust, je bent misschien op het punt om iets goeds te krijgen.”Werkelijk deed zich na eenige dagen een gelegenheid voor, om hem nuttig te gebruiken in den dienst van den graaf-hertog en ik liet die niet ongebruikt voorbijgaan.Op een ochtend had ik een gesprek met don Raimond Caporis, intendant van den eersten minister en daarbij kwamen ook diens inkomsten ter sprake.“Onze meester,” zei hij, “heeft zeer groote inkomsten uit al zijn ambten en bedieningen, maar die beteekenen nog niets bij de onmetelijke sommen, die hij trekt uit onze overzeesche bezittingen. Weet ge op welke wijze? Als de schepen van den koning van Sévilla of Lissabon vertrekken, laat hij wijn, olie en granen inschepen, die hemzijn graafschap Olivarès opbrengen. Hij betaalt geen vracht. Die koopwaren laat hij ginds voor viermaal meer geld verkoopen, dan ze in Spanje waard zijn. Dan laat hij daar specerijen, kleurstoffen en andere zaken inkoopen, die men in de nieuwe wereld bijna voor niets heeft en die zeer duur kunnen worden verkocht in Europa. Zoodoende heeft hij reeds eenige millioenen verdiend, zonder den koning schade te doen. Alle personen die hij voor den handel gebruikt, worden ook rijk, omdat ze behalve voor hem, ook voor zich zelf zaken mogen doen.”Scipio, die ons gesprek aanhoorde, kon zich niet weerhouden don Raimond hier in de rede te vallen: “Mijnheer Caporis, wat zou ik graag tot die personen behooren! Ook heb ik er reeds lang naar verlangd om Mexico eens te zien!”“Aan uw verlangen kan worden voldaan,” zei de intendant, “indien de heer de Santillano er niets tegen heeft. Hoe voorzichtig ik ook ben in de keuze van de personen die ik uitzend—want ik ben daarmede belast—ik zal u dadelijk op mijn register zetten, indien uw meester dat wil.”“Ge zult mij een genoegen doen,” zei ik tot Raimond, “door dit bewijs van vriendschap; Scipio is iemand, van wien ik veel houd en hij is zeer verstandig. Hij zal de zaken behandelen op een wijze, dat men niet in het minst over hem zal hebben te klagen. In één woord: ik sta voor hem in, als voor mijzelf.”“Dat is mij voldoende,” zei Caporis. “Hij kan onmiddellijk naar Sévilla gaan, waar schepen liggen, die over een maand onder zeil zullen gaan. Bij het vertrek zal ik hem een brief meegeven voor iemand daar, die hem de noodige instructies zal geven. Hij kan zelf zijn voordeel doen, zonder tekort te doen aan de belangen van den minister, die hem heilig zijn.”Scipio was zeer gelukkig en haastte zich te vertrekken. Ik gaf hem duizend kronen, om daarvoor inAndaloesiëwijn en olie te koopen en daarmee zaken te doen. Hoeverheugd hij ook was een reis te ondernemen, die hem zoo groot voordeel zou opleveren, was hij toch bedroefd toen hij afscheid van mij nam en ook ik zag hem niet zonder leedwezen vertrekken.

Mijn secretaris keek niet zonder afgunst naar het geluk van den dichter Nunez. Wel veertien dagen lang sprak hij er mij onophoudelijk van. “Ik bewonder de grillen van Fortuna,” zei hij, “die een slecht schrijver met gunsten overlaadt, terwijl ze dikwijls voor goede niets heeft dan armoede. Ik zou wel willen, dat ze mij op een goeden dag eens gunstig was.”

“Dat zal wel gebeuren,” antwoordde ik, “en misschien eerder dan je denkt. Je bent hier in haar tempel; want het huis van den eersten minister mag wel den tempel van Fortuna heeten.”

”’t Is waar mijnheer, maar men moet geduld hebben om er op te wachten.”

“Nog eens Scipio, wees gerust, je bent misschien op het punt om iets goeds te krijgen.”

Werkelijk deed zich na eenige dagen een gelegenheid voor, om hem nuttig te gebruiken in den dienst van den graaf-hertog en ik liet die niet ongebruikt voorbijgaan.

Op een ochtend had ik een gesprek met don Raimond Caporis, intendant van den eersten minister en daarbij kwamen ook diens inkomsten ter sprake.

“Onze meester,” zei hij, “heeft zeer groote inkomsten uit al zijn ambten en bedieningen, maar die beteekenen nog niets bij de onmetelijke sommen, die hij trekt uit onze overzeesche bezittingen. Weet ge op welke wijze? Als de schepen van den koning van Sévilla of Lissabon vertrekken, laat hij wijn, olie en granen inschepen, die hemzijn graafschap Olivarès opbrengen. Hij betaalt geen vracht. Die koopwaren laat hij ginds voor viermaal meer geld verkoopen, dan ze in Spanje waard zijn. Dan laat hij daar specerijen, kleurstoffen en andere zaken inkoopen, die men in de nieuwe wereld bijna voor niets heeft en die zeer duur kunnen worden verkocht in Europa. Zoodoende heeft hij reeds eenige millioenen verdiend, zonder den koning schade te doen. Alle personen die hij voor den handel gebruikt, worden ook rijk, omdat ze behalve voor hem, ook voor zich zelf zaken mogen doen.”

Scipio, die ons gesprek aanhoorde, kon zich niet weerhouden don Raimond hier in de rede te vallen: “Mijnheer Caporis, wat zou ik graag tot die personen behooren! Ook heb ik er reeds lang naar verlangd om Mexico eens te zien!”

“Aan uw verlangen kan worden voldaan,” zei de intendant, “indien de heer de Santillano er niets tegen heeft. Hoe voorzichtig ik ook ben in de keuze van de personen die ik uitzend—want ik ben daarmede belast—ik zal u dadelijk op mijn register zetten, indien uw meester dat wil.”

“Ge zult mij een genoegen doen,” zei ik tot Raimond, “door dit bewijs van vriendschap; Scipio is iemand, van wien ik veel houd en hij is zeer verstandig. Hij zal de zaken behandelen op een wijze, dat men niet in het minst over hem zal hebben te klagen. In één woord: ik sta voor hem in, als voor mijzelf.”

“Dat is mij voldoende,” zei Caporis. “Hij kan onmiddellijk naar Sévilla gaan, waar schepen liggen, die over een maand onder zeil zullen gaan. Bij het vertrek zal ik hem een brief meegeven voor iemand daar, die hem de noodige instructies zal geven. Hij kan zelf zijn voordeel doen, zonder tekort te doen aan de belangen van den minister, die hem heilig zijn.”

Scipio was zeer gelukkig en haastte zich te vertrekken. Ik gaf hem duizend kronen, om daarvoor inAndaloesiëwijn en olie te koopen en daarmee zaken te doen. Hoeverheugd hij ook was een reis te ondernemen, die hem zoo groot voordeel zou opleveren, was hij toch bedroefd toen hij afscheid van mij nam en ook ik zag hem niet zonder leedwezen vertrekken.

Hoofdstuk XIIDon Alphonse de Leyva komt te Madrid. Beweegreden van zijn reis. Van het verdriet van Gil Blas en de vreugde, die er op volgde.Korten tijd na het vertrek van Scipio, kwam een page van den minister mij een briefje brengen, dat deze woorden inhield: “Indien de heer de Santillano zich de moeite wil geven, om naar het beeld van den heiligen Gabriël te gaan in deTolédo-straat, dan zal hij er een van zijn beste vrienden vinden.”“Wie kan die vriend zijn, die zijn naam niet noemt?” zei ik tot mijzelf. “Hij heeft mij zeker een verrassing willen bereiden.” Dadelijk ging ik naar de aangewezen plaats en was niet weinig verwonderd, daar don Alphonse de Leyva te vinden.“Wat zie ik, u hier, mijnheer!” riep ik.“Ja, mijn waarde Gil Blas, niemand anders.”“En wat voert u hier naar Madrid?”“Ik zal het u zeggen en de reden zal u niet verheugen. Men heeft mij de betrekking van gouverneur van Valencia ontnomen en de eerste minister heeft mij aan het hof ontboden om rekenschap te geven van mijn gedrag.”Een oogenblik bleef ik geheel verbaasd staan en vroeg daarna: “Waarvan beschuldigt men u? Ge moet iets onvoorzichtigs hebben gedaan.”“Ik schrijf mijn ongenade toe,” antwoordde hij, “aan het bezoek, dat ik voor ongeveer drie weken heb gebracht aan den kardinaal-hertog de Lerme, die sinds een maand op zijn kasteel te Denia woont.”“O natuurlijk, daaraan zult ge zeker uw ongenade tewijten hebben. Zoek de reden maar niet elders en veroorloof mij te zeggen, dat ge niet met uw gewone voorzichtigheid zijt te rade gegaan door dat bezoek te brengen.”“De fout is nu eenmaal begaan,” zei hij, “en ik zal de gevolgen daarvan moeten dragen. Ik zal mij met mijn familie op ons kasteel de Leyva terugtrekken en daar mijn verdere levensdagen rustig doorbrengen. Het eenige, wat mij zeer hindert is, dat ik verplicht ben voor een hooghartigen minister te verschijnen, die mij wel niet zeer vriendelijk zal ontvangen. Wat een vernedering voor een Spanjaard! Echter is ’t een noodzakelijkheid; maar voor mij daaraan te onderworpen, heb ik u willen spreken.”“Mijnheer,” zei ik, “laat mij begaan, vertoon u niet aan den eersten minister, voor ik iets anders omtrent die zaak heb vernomen. Het kwaad is misschien nog wel te verhelpen. Hoe het zij, u begrijpt, dat ik alles doen zal wat de vriendschap en dankbaarheid van mij eischen.” Ik bracht hem naar zijn hotel, met de belofte, dat hij zeer spoedig van mij zou hooren.Daar ik mij niet meer in de staatszaken mengde, sinds de twee welsprekende memories, zocht ik Carnero op, om hem te vragen of het waar was, dat men aan don Alphonse de Leyva de betrekking van gouverneur van de stad Valencia had ontnomen. Hij antwoordde mij van ja, maar de beweegredenen wist hij niet.Zonder aarzelen besloot ik daarop mij tot den minister te wenden, om uit zijn eigen mond te hooren, waarom hij zich te beklagen had over don Alphonse.Deze ongelukkige gebeurtenis had mij zoo onaangenaam getroffen, dat ik niet behoefde te veinzen, om met een bedroefd gezicht voor mijn meester te verschijnen. Dadelijk merkte hij het op en vroeg, wat mij hinderde. “Excellentie,” antwoordde ik, “al wilde ik nog zoo gaarne, ik zou u mijn verdriet niet kunnen verbergen. Men heeft mij zooeven meegedeeld, dat don Alphonse de Leyva geengouverneur meer is van Valencia en het zou moeilijk zijn mij een tijding te brengen, die mij meer verdriet zou kunnen veroorzaken.”“Wat zeg je, Gil Blas?” riep de minister. “Welk belang kan jij stellen in Alphonse de Leyva en zijn gouverneursbetrekking?”Daarop vertelde ik hem uitvoerig van de verplichtingen, die ik aan de heeren de Leyva had en hoe ik van den hertog de Lerme voor don Alphonse de betrekking van gouverneur had verkregen.De minister had mij met veel welwillendheid aangehoord en zei: “Troost je, mijn vriend, ik wist niets van wat ik nu heb gehoord en dacht, dat don Alphonse de Leyva een werktuig was van den hertog de Lerme. Zeg het zelf: was dat bezoek niet verdacht? Maar ’t is best mogelijk, dat hij hiermee geen andere bedoelingen heeft gehad en dat het slechts een beleefdheidsvisite was uit dankbaarheid. Het spijt mij nu, dat ik dien man zijn betrekking heb ontnomen, die hij aan jou te danken had. Maar heb ik je werk op deze wijze ongedaan gemaakt, ik kan het herstellen. Zelfs wil ik meer voor hem doen, dan de hertog de Lerme deed. Je vriend was slechts gouverneur van de stad Valencia, ik zal hem onderkoning van Aragon maken. Ik veroorloof je hem dit mee te deelen en je kunt hem verzoeken den eed te komen afleggen.”Toen ik dat hoorde, was ik zoo blij, dat ik mijniet eensbehoorlijk kon uitdrukken, om mijn meester te bedanken. Daar hij echter uit mijn onsamenhangende woorden kon afleiden, dat don Alphonse in Madrid was, vroeg hij mij hem dienzelfden dag nog aan hem voor te stellen.Dadelijk begaf ik mij naar het hotel van mijn vriend, die eerst niet kon gelooven, wat ik hem meedeelde.De minister ontving hem zeer beleefd. “Don Alphonse,” zei hij, “ge hebt u zoo onderscheiden in uw betrekking als gouverneur van Valencia, dat de koning u waardig heeft bevonden, een hoogere plaats te bekleeden en u heeft benoemd tot onderkoning van Aragon. Ook wat uw geboortebetreft, kan de adel van Aragon geen bezwaar maken tegen uw aanstelling.”De minister noemde mijn naam niet en het publiek kwam niet te weten, welk aandeel ik in deze zaak had. Zoo werden onaangename praatjes voorkomen.Don César en Séraphine werden door een expres-bode in kennis gesteld van dit gelukkig feit en kwamen dadelijk over. Men overlaadde mij met dankbetuigingen en na eenige dagen deed don Alphonse zijn luisterrijken intocht in Saragossa. De inwoners van Aragon gaven door hun gejuich te kennen, dat ze zeer waren ingenomen met den vice-koning, dien ik hun had gegeven.

Korten tijd na het vertrek van Scipio, kwam een page van den minister mij een briefje brengen, dat deze woorden inhield: “Indien de heer de Santillano zich de moeite wil geven, om naar het beeld van den heiligen Gabriël te gaan in deTolédo-straat, dan zal hij er een van zijn beste vrienden vinden.”

“Wie kan die vriend zijn, die zijn naam niet noemt?” zei ik tot mijzelf. “Hij heeft mij zeker een verrassing willen bereiden.” Dadelijk ging ik naar de aangewezen plaats en was niet weinig verwonderd, daar don Alphonse de Leyva te vinden.

“Wat zie ik, u hier, mijnheer!” riep ik.

“Ja, mijn waarde Gil Blas, niemand anders.”

“En wat voert u hier naar Madrid?”

“Ik zal het u zeggen en de reden zal u niet verheugen. Men heeft mij de betrekking van gouverneur van Valencia ontnomen en de eerste minister heeft mij aan het hof ontboden om rekenschap te geven van mijn gedrag.”

Een oogenblik bleef ik geheel verbaasd staan en vroeg daarna: “Waarvan beschuldigt men u? Ge moet iets onvoorzichtigs hebben gedaan.”

“Ik schrijf mijn ongenade toe,” antwoordde hij, “aan het bezoek, dat ik voor ongeveer drie weken heb gebracht aan den kardinaal-hertog de Lerme, die sinds een maand op zijn kasteel te Denia woont.”

“O natuurlijk, daaraan zult ge zeker uw ongenade tewijten hebben. Zoek de reden maar niet elders en veroorloof mij te zeggen, dat ge niet met uw gewone voorzichtigheid zijt te rade gegaan door dat bezoek te brengen.”

“De fout is nu eenmaal begaan,” zei hij, “en ik zal de gevolgen daarvan moeten dragen. Ik zal mij met mijn familie op ons kasteel de Leyva terugtrekken en daar mijn verdere levensdagen rustig doorbrengen. Het eenige, wat mij zeer hindert is, dat ik verplicht ben voor een hooghartigen minister te verschijnen, die mij wel niet zeer vriendelijk zal ontvangen. Wat een vernedering voor een Spanjaard! Echter is ’t een noodzakelijkheid; maar voor mij daaraan te onderworpen, heb ik u willen spreken.”

“Mijnheer,” zei ik, “laat mij begaan, vertoon u niet aan den eersten minister, voor ik iets anders omtrent die zaak heb vernomen. Het kwaad is misschien nog wel te verhelpen. Hoe het zij, u begrijpt, dat ik alles doen zal wat de vriendschap en dankbaarheid van mij eischen.” Ik bracht hem naar zijn hotel, met de belofte, dat hij zeer spoedig van mij zou hooren.

Daar ik mij niet meer in de staatszaken mengde, sinds de twee welsprekende memories, zocht ik Carnero op, om hem te vragen of het waar was, dat men aan don Alphonse de Leyva de betrekking van gouverneur van de stad Valencia had ontnomen. Hij antwoordde mij van ja, maar de beweegredenen wist hij niet.

Zonder aarzelen besloot ik daarop mij tot den minister te wenden, om uit zijn eigen mond te hooren, waarom hij zich te beklagen had over don Alphonse.

Deze ongelukkige gebeurtenis had mij zoo onaangenaam getroffen, dat ik niet behoefde te veinzen, om met een bedroefd gezicht voor mijn meester te verschijnen. Dadelijk merkte hij het op en vroeg, wat mij hinderde. “Excellentie,” antwoordde ik, “al wilde ik nog zoo gaarne, ik zou u mijn verdriet niet kunnen verbergen. Men heeft mij zooeven meegedeeld, dat don Alphonse de Leyva geengouverneur meer is van Valencia en het zou moeilijk zijn mij een tijding te brengen, die mij meer verdriet zou kunnen veroorzaken.”

“Wat zeg je, Gil Blas?” riep de minister. “Welk belang kan jij stellen in Alphonse de Leyva en zijn gouverneursbetrekking?”

Daarop vertelde ik hem uitvoerig van de verplichtingen, die ik aan de heeren de Leyva had en hoe ik van den hertog de Lerme voor don Alphonse de betrekking van gouverneur had verkregen.

De minister had mij met veel welwillendheid aangehoord en zei: “Troost je, mijn vriend, ik wist niets van wat ik nu heb gehoord en dacht, dat don Alphonse de Leyva een werktuig was van den hertog de Lerme. Zeg het zelf: was dat bezoek niet verdacht? Maar ’t is best mogelijk, dat hij hiermee geen andere bedoelingen heeft gehad en dat het slechts een beleefdheidsvisite was uit dankbaarheid. Het spijt mij nu, dat ik dien man zijn betrekking heb ontnomen, die hij aan jou te danken had. Maar heb ik je werk op deze wijze ongedaan gemaakt, ik kan het herstellen. Zelfs wil ik meer voor hem doen, dan de hertog de Lerme deed. Je vriend was slechts gouverneur van de stad Valencia, ik zal hem onderkoning van Aragon maken. Ik veroorloof je hem dit mee te deelen en je kunt hem verzoeken den eed te komen afleggen.”

Toen ik dat hoorde, was ik zoo blij, dat ik mijniet eensbehoorlijk kon uitdrukken, om mijn meester te bedanken. Daar hij echter uit mijn onsamenhangende woorden kon afleiden, dat don Alphonse in Madrid was, vroeg hij mij hem dienzelfden dag nog aan hem voor te stellen.

Dadelijk begaf ik mij naar het hotel van mijn vriend, die eerst niet kon gelooven, wat ik hem meedeelde.

De minister ontving hem zeer beleefd. “Don Alphonse,” zei hij, “ge hebt u zoo onderscheiden in uw betrekking als gouverneur van Valencia, dat de koning u waardig heeft bevonden, een hoogere plaats te bekleeden en u heeft benoemd tot onderkoning van Aragon. Ook wat uw geboortebetreft, kan de adel van Aragon geen bezwaar maken tegen uw aanstelling.”

De minister noemde mijn naam niet en het publiek kwam niet te weten, welk aandeel ik in deze zaak had. Zoo werden onaangename praatjes voorkomen.

Don César en Séraphine werden door een expres-bode in kennis gesteld van dit gelukkig feit en kwamen dadelijk over. Men overlaadde mij met dankbetuigingen en na eenige dagen deed don Alphonse zijn luisterrijken intocht in Saragossa. De inwoners van Aragon gaven door hun gejuich te kennen, dat ze zeer waren ingenomen met den vice-koning, dien ik hun had gegeven.

Hoofdstuk XIIIGil Blas ontmoet bij den koning don Gaston de Collogos en don André de Tordésillas; waar zij alle drie heengingen. Einde van de geschiedenis van don Gaston en van dona Helena de Galisteo. Welken dienst Santillano aan Tordésillas bewees.Weldra had ik nog een andere gelegenheid, om mijn invloed aan te wenden ten bate van een vriend en ik moet dat vermelden, om mijn lezers te doen zien, dat ik niet meer dezelfde Gil Blas was, die, onder het vorige ministerie, de gunsten van het hof verkocht.In een anti-chambre van het paleis zag ik op een zekeren dag onder de menigte don Gaston de Collogos, den staatsgevangene, dien ik had achtergelaten in den toren van Ségovia. Hij was met den slotbewaarder, don André de Tordésillas. Wij waren zeer verwonderd elkaar daar te ontmoeten en hadden elkaar zooveel te vertellen, dat don Gaston ons voorstelde hem naar huis te vergezellen. Wij volgden hem in zijn rijtuig en zaten weldra in een prachtig gemeubileerde zaal van een mooi huis.“Mijnheer Gil Blas,” zei Tordésillas, “bij uw vertrek uit Ségovia hadt ge een haat tegen het hof en ge zoudt er nooit weer terugkeeren.”“Dat was ook werkelijk mijn plan,” antwoordde ik, “en zoolang de koning leefde ben ik niet veranderd in dat opzicht, maar toen ik wist, dat de prins op den troon was, wilde ik zien of deze mij nog herkende. Dat deed hij en ik had het geluk gunstig te worden ontvangen; hij heeft mij bij den eersten minister aanbevolen, die vriendschap voor mij heeft opgevat en bij wien ik een beter levenheb, dan ik ooit had bij den hertog de Lerme. En gij, don André, zijt ge nog altijd de bewaarder van den toren van Ségovia?”“Neen, de graaf-hertog heeft een ander in mijn plaats gesteld. Hij meende, dat ik een aanhanger was van zijn voorganger.”“En mij,” zei daarop don Gaston, “heeft hij in vrijheid gesteld om een tegenovergestelde reden. Zoodra wist niet de eerste minister, dat ik was opgesloten op bevel van den hertog de Lerme, of hij stelde mij in vrijheid. En thans, mijnheer Gil Blas, zal ik u vertellen, wat er na dien tijd met mij gebeurd is.Het eerste wat ik deed, nadat ik don André hartelijk had dank gezegd voor hetgeen hij tijdens mijn gevangenschap voor mij had gedaan, was mij naar Madrid te begeven. Ik presenteerde mij bij den eersten minister, die mij zei: “Vrees niet, dat het ongeluk, dat u overkomen is, eenige schade heeft toegebracht aan uw naam. Ge zijt geheel gerechtvaardigd. Van uw onschuld ben ik temeer overtuigd, omdat de markies de Vilaréal, van wien men u verdacht de medeplichtige te zijn, onschuldig is gebleken. Hoewel Portugees en zelfs verwant aan den hertog van Braganza, is hij minder op diens hand, dan op die van den koning. Om het onrecht te herstellen, dat u is aangedaan, geeft de koning u een plaats als luitenant bij zijn garde.” Gaarne nam ik die aanstelling aan, maar ik verzocht den minister, voor ik in dienst trad, naar Coria te mogen gaan, om dona Eléonor de Laxarilla, mijn tante, te bezoeken. De minister stond mij een maand verlof toe en ik vertrok, vergezeld van een enkelen lakei.Wij hadden reeds Colménar gepasseerd en bevonden ons op een weg tusschen de bergen, toen wij een ruiter zagen, die zich dapper verdedigde tegen drie man, die hem samen aanvielen. Ik aarzelde geen oogenblik om hem ter hulp te snellen en stelde mij aan zijn zijde. Ik merkte, dat onze vijanden gemaskerd waren en dat wij te doen hadden met eerste vechtersbazen. Niettegenstaande hun krachten hun behendigheid bleven wij overwinnaars; ik doorstak een van de drie, hij viel van zijn paard en de twee anderen vluchtten dadelijk. Het is waar, dat de overwinning welke wij behaalden, weinig minder noodlottig was, want mijn medestrijder en ik waren zwaar gewond. Maar stel u mijn verrassing voor, toen ik in den ruiter niemand anders herkende dan Combados, den echtgenoot van dona Héléna. Hij was niet minder verwonderd dan ik. “Ha! don Gaston!” riep hij, “zijt gij het, die mij zoo edelmoedig hebt geholpen? Toen ge dat deedt, wist ge zeker niet, dat het de man was, die u uw geliefde heeft ontroofd?”“Ik wist het werkelijk niet,” antwoordde ik hem. “Maar indien ik het geweten had, gelooft ge dan, dat ik zou geaarzeld hebben? Oordeelt ge zoo slecht over mij?”“Neen, neen,” antwoordde hij, “ik heb een betere gedachte van u en indien ik sterf aan de wonden, die ik ontvangen heb dan hoop ik, dat de uwe u niet zullen verhinderen, om te profiteeren van mijn dood.”“Combados,” zeide ik, “hoewel ik dona Héléna nog niet heb vergeten, wil ik haar niet bezitten ten koste van uw leven. Het verheugt mij er toe te hebben bijgedragen u te redden, omdat ik daardoor een daad heb verricht, die uw echtgenoot genoegen zal doen.”Terwijl wij spraken, was mijn lakei den ruiter genaderd, die op den grond lag, hij nam hem het masker af en liet ons een gelaat zien, dat Combados dadelijk herkende. ”’t Is Caprara, die slechte neef, die uit spijt, dat hem een rijke erfenis ontgaan is, die hij mij onrechtvaardig betwist, reeds lang het voornemen koesterde mij te vermoorden en dezen dag daarvoor had uitgekozen. Maar de hemel heeft gewild, dat hij zelf het slachtoffer zou worden.”Intusschen stroomde het bloed uit onze wonden en wij verzwakten zoo, dat het ons groote moeite kostte het dorp Villaréjo te bereiken. In het logement daar lieten wij dadelijk een chirurgijn komen. Hij onderzocht onze wonden, die hij zeer gevaarlijk vond. Hij verbond ons en toen hij den volgenden morgen het verband had afgenomen,zei hij, dat die van don Blas doodelijk waren. Over de mijne oordeelde hij gunstiger. En het bleek, dat hij niet verkeerd had gezien.Combados, ziende, dat hij ten doode was opgeschreven, dacht aan niets anders dan zich daarop voor te bereiden. Hij zond een bode naar zijn vrouw, om haar te berichten, wat er was gebeurd en in welken treurigen toestand hij zich bevond.Dona Hélena was weldra te Villaréjo. Combados sprak tot haar in mijn tegenwoordigheid: “Ge komt nog vroeg genoeg, om afscheid van mij te nemen. Ik ga sterven en beschouw mijn dood als een straf van den hemel, omdat ik u door bedrog aan don Gaston heb ontnomen. Daarover beklaag ik mij niet. Zelfs spoor ik u aan hem uw hart te schenken, dat ik hem ontnomen heb.”Dona Helena antwoordde slechts met tranen en waarlijk, dat was het beste antwoord, dat zij kon geven.Het gebeurde, zooals de chirurgijn had voorspeld. Binnen drie dagen stierf Combados en mijn wonden begonnen te beteren. De jonge weduwe liet het lijk naar Coria brengen, waar het met allen luister werd ter aarde besteld.Zoodra ik kon, vertrok ik naar Coria. Mijn tante, donaEléonoren don George besloten, dat wij zoo gauw mogelijk zouden trouwen uit vrees, dat het lot ons misschien door nieuwe tegenspoeden weder zou scheiden. Het huwelijk werd in allen eenvoud voltrokken, met het oog op den dood van Combados.Weinige dagen later kwam ik te Madrid met dona Helena aan. Daar de tijd van mijn verlof was overschreden, vreesde ik, dat de minister mijn luitenants-plaats aan een ander zou hebben gegeven. Maar hij had daarover nog niet beschikt en was zoo goed om mijn verontschuldigingen over mijn wegblijven aan te nemen.Collogosbetuigde mij verder nog, dat hij zeer gelukkig was met zijn positie. Don André daarentegen beklaagde zich, dat hij zijn betrekking had verloren en geen vrienden bezat, die hem een andere konden verschaffen.Glimlachend viel ik hem in de rede, dat ik misschien wel iets voor hem kon doen.Tijdens ons gesprek kwam dona Hélena binnen, wier bekoorlijke verschijning geheel beantwoordde aan het beeld, dat ik mij daarvan had gevormd. Wij wisselden wederzijds eenige complimenten en ik vertrok, nadat ik het adres van Tordésillas gevraagd en hem beloofd had, dat hij binnen acht dagen van mij zou hooren.Een paar dagen later stelde de minister mij in de gelegenheid den slotbewaarder te helpen. “Santillano,” zei hij, “de betrekking van gouverneur van de koninklijke gevangenis te Valladolid is vacant en ik heb wel lust u die te geven, ze brengt meer dan driehonderd pistolen in het jaar op.”“En al zou ze ook tienduizend geven, dan nog zou ik een betrekking weigeren, die mij van u verwijdert,” zei ik.“Maar,” merkte de minister op, ”’t is volstrekt niet noodig Madrid te verlaten, ge kunt van tijd tot tijd de gevangenis te Valladolid eens gaan bezoeken.”“Ik wil die betrekking niet, tenzij u mij toestaat daarvan afstand te doen aan een braven edelman, don André de Tordésillas, die vroeger torenbewaarder is geweest te Ségovia en mij tijdens mijn gevangenschap zeer goed heeft behandeld.”Lachend zei de minister: “Ik geloof, Gil Blas, dat je een gouverneur van een koninklijke gevangenis benoemen wil, zooals je een onderkoninghebtbenoemd. Welnu, mijn vriend, het is goed! Ik sta je de vacante plaats voor Tordésillas toe. Maar zeg mij eens eerlijk, welk voordeel hebt ge daarvan? Want je zal toch wel niet zoo dwaas zijn om je invloed voor niets te gebruiken?”“Moet men zijn schulden niet betalen, Excellentie? Don André heeft mij zooveel genoegen gedaan als hij kon, toen ik zijn gevangene was.”“Je bent wel belangeloos geworden, Santillano. Het schijnt mij toe, dat je het onder mijn voorganger minder was.”“Dat stem ik u toe, Excellentie. De slechte voorbeelden bederven de zeden. Alles werd toen verkocht en ik voegde mij naar dat gebruik en daar nu alles gegeven wordt, heb ik mijn onomkoopbaarheid teruggekregen.”Don André de Tordésillas werd dus gouverneur van de koninklijke gevangenis te Valladolid en vertrok weldra naar die stad, even voldaan over zijn nieuwe betrekking als ik het was, dat ik mij gekweten had van de schuld, die ik aan hem had.

Weldra had ik nog een andere gelegenheid, om mijn invloed aan te wenden ten bate van een vriend en ik moet dat vermelden, om mijn lezers te doen zien, dat ik niet meer dezelfde Gil Blas was, die, onder het vorige ministerie, de gunsten van het hof verkocht.

In een anti-chambre van het paleis zag ik op een zekeren dag onder de menigte don Gaston de Collogos, den staatsgevangene, dien ik had achtergelaten in den toren van Ségovia. Hij was met den slotbewaarder, don André de Tordésillas. Wij waren zeer verwonderd elkaar daar te ontmoeten en hadden elkaar zooveel te vertellen, dat don Gaston ons voorstelde hem naar huis te vergezellen. Wij volgden hem in zijn rijtuig en zaten weldra in een prachtig gemeubileerde zaal van een mooi huis.

“Mijnheer Gil Blas,” zei Tordésillas, “bij uw vertrek uit Ségovia hadt ge een haat tegen het hof en ge zoudt er nooit weer terugkeeren.”

“Dat was ook werkelijk mijn plan,” antwoordde ik, “en zoolang de koning leefde ben ik niet veranderd in dat opzicht, maar toen ik wist, dat de prins op den troon was, wilde ik zien of deze mij nog herkende. Dat deed hij en ik had het geluk gunstig te worden ontvangen; hij heeft mij bij den eersten minister aanbevolen, die vriendschap voor mij heeft opgevat en bij wien ik een beter levenheb, dan ik ooit had bij den hertog de Lerme. En gij, don André, zijt ge nog altijd de bewaarder van den toren van Ségovia?”

“Neen, de graaf-hertog heeft een ander in mijn plaats gesteld. Hij meende, dat ik een aanhanger was van zijn voorganger.”

“En mij,” zei daarop don Gaston, “heeft hij in vrijheid gesteld om een tegenovergestelde reden. Zoodra wist niet de eerste minister, dat ik was opgesloten op bevel van den hertog de Lerme, of hij stelde mij in vrijheid. En thans, mijnheer Gil Blas, zal ik u vertellen, wat er na dien tijd met mij gebeurd is.

Het eerste wat ik deed, nadat ik don André hartelijk had dank gezegd voor hetgeen hij tijdens mijn gevangenschap voor mij had gedaan, was mij naar Madrid te begeven. Ik presenteerde mij bij den eersten minister, die mij zei: “Vrees niet, dat het ongeluk, dat u overkomen is, eenige schade heeft toegebracht aan uw naam. Ge zijt geheel gerechtvaardigd. Van uw onschuld ben ik temeer overtuigd, omdat de markies de Vilaréal, van wien men u verdacht de medeplichtige te zijn, onschuldig is gebleken. Hoewel Portugees en zelfs verwant aan den hertog van Braganza, is hij minder op diens hand, dan op die van den koning. Om het onrecht te herstellen, dat u is aangedaan, geeft de koning u een plaats als luitenant bij zijn garde.” Gaarne nam ik die aanstelling aan, maar ik verzocht den minister, voor ik in dienst trad, naar Coria te mogen gaan, om dona Eléonor de Laxarilla, mijn tante, te bezoeken. De minister stond mij een maand verlof toe en ik vertrok, vergezeld van een enkelen lakei.

Wij hadden reeds Colménar gepasseerd en bevonden ons op een weg tusschen de bergen, toen wij een ruiter zagen, die zich dapper verdedigde tegen drie man, die hem samen aanvielen. Ik aarzelde geen oogenblik om hem ter hulp te snellen en stelde mij aan zijn zijde. Ik merkte, dat onze vijanden gemaskerd waren en dat wij te doen hadden met eerste vechtersbazen. Niettegenstaande hun krachten hun behendigheid bleven wij overwinnaars; ik doorstak een van de drie, hij viel van zijn paard en de twee anderen vluchtten dadelijk. Het is waar, dat de overwinning welke wij behaalden, weinig minder noodlottig was, want mijn medestrijder en ik waren zwaar gewond. Maar stel u mijn verrassing voor, toen ik in den ruiter niemand anders herkende dan Combados, den echtgenoot van dona Héléna. Hij was niet minder verwonderd dan ik. “Ha! don Gaston!” riep hij, “zijt gij het, die mij zoo edelmoedig hebt geholpen? Toen ge dat deedt, wist ge zeker niet, dat het de man was, die u uw geliefde heeft ontroofd?”

“Ik wist het werkelijk niet,” antwoordde ik hem. “Maar indien ik het geweten had, gelooft ge dan, dat ik zou geaarzeld hebben? Oordeelt ge zoo slecht over mij?”

“Neen, neen,” antwoordde hij, “ik heb een betere gedachte van u en indien ik sterf aan de wonden, die ik ontvangen heb dan hoop ik, dat de uwe u niet zullen verhinderen, om te profiteeren van mijn dood.”

“Combados,” zeide ik, “hoewel ik dona Héléna nog niet heb vergeten, wil ik haar niet bezitten ten koste van uw leven. Het verheugt mij er toe te hebben bijgedragen u te redden, omdat ik daardoor een daad heb verricht, die uw echtgenoot genoegen zal doen.”

Terwijl wij spraken, was mijn lakei den ruiter genaderd, die op den grond lag, hij nam hem het masker af en liet ons een gelaat zien, dat Combados dadelijk herkende. ”’t Is Caprara, die slechte neef, die uit spijt, dat hem een rijke erfenis ontgaan is, die hij mij onrechtvaardig betwist, reeds lang het voornemen koesterde mij te vermoorden en dezen dag daarvoor had uitgekozen. Maar de hemel heeft gewild, dat hij zelf het slachtoffer zou worden.”

Intusschen stroomde het bloed uit onze wonden en wij verzwakten zoo, dat het ons groote moeite kostte het dorp Villaréjo te bereiken. In het logement daar lieten wij dadelijk een chirurgijn komen. Hij onderzocht onze wonden, die hij zeer gevaarlijk vond. Hij verbond ons en toen hij den volgenden morgen het verband had afgenomen,zei hij, dat die van don Blas doodelijk waren. Over de mijne oordeelde hij gunstiger. En het bleek, dat hij niet verkeerd had gezien.

Combados, ziende, dat hij ten doode was opgeschreven, dacht aan niets anders dan zich daarop voor te bereiden. Hij zond een bode naar zijn vrouw, om haar te berichten, wat er was gebeurd en in welken treurigen toestand hij zich bevond.

Dona Hélena was weldra te Villaréjo. Combados sprak tot haar in mijn tegenwoordigheid: “Ge komt nog vroeg genoeg, om afscheid van mij te nemen. Ik ga sterven en beschouw mijn dood als een straf van den hemel, omdat ik u door bedrog aan don Gaston heb ontnomen. Daarover beklaag ik mij niet. Zelfs spoor ik u aan hem uw hart te schenken, dat ik hem ontnomen heb.”

Dona Helena antwoordde slechts met tranen en waarlijk, dat was het beste antwoord, dat zij kon geven.

Het gebeurde, zooals de chirurgijn had voorspeld. Binnen drie dagen stierf Combados en mijn wonden begonnen te beteren. De jonge weduwe liet het lijk naar Coria brengen, waar het met allen luister werd ter aarde besteld.

Zoodra ik kon, vertrok ik naar Coria. Mijn tante, donaEléonoren don George besloten, dat wij zoo gauw mogelijk zouden trouwen uit vrees, dat het lot ons misschien door nieuwe tegenspoeden weder zou scheiden. Het huwelijk werd in allen eenvoud voltrokken, met het oog op den dood van Combados.

Weinige dagen later kwam ik te Madrid met dona Helena aan. Daar de tijd van mijn verlof was overschreden, vreesde ik, dat de minister mijn luitenants-plaats aan een ander zou hebben gegeven. Maar hij had daarover nog niet beschikt en was zoo goed om mijn verontschuldigingen over mijn wegblijven aan te nemen.

Collogosbetuigde mij verder nog, dat hij zeer gelukkig was met zijn positie. Don André daarentegen beklaagde zich, dat hij zijn betrekking had verloren en geen vrienden bezat, die hem een andere konden verschaffen.

Glimlachend viel ik hem in de rede, dat ik misschien wel iets voor hem kon doen.

Tijdens ons gesprek kwam dona Hélena binnen, wier bekoorlijke verschijning geheel beantwoordde aan het beeld, dat ik mij daarvan had gevormd. Wij wisselden wederzijds eenige complimenten en ik vertrok, nadat ik het adres van Tordésillas gevraagd en hem beloofd had, dat hij binnen acht dagen van mij zou hooren.

Een paar dagen later stelde de minister mij in de gelegenheid den slotbewaarder te helpen. “Santillano,” zei hij, “de betrekking van gouverneur van de koninklijke gevangenis te Valladolid is vacant en ik heb wel lust u die te geven, ze brengt meer dan driehonderd pistolen in het jaar op.”

“En al zou ze ook tienduizend geven, dan nog zou ik een betrekking weigeren, die mij van u verwijdert,” zei ik.

“Maar,” merkte de minister op, ”’t is volstrekt niet noodig Madrid te verlaten, ge kunt van tijd tot tijd de gevangenis te Valladolid eens gaan bezoeken.”

“Ik wil die betrekking niet, tenzij u mij toestaat daarvan afstand te doen aan een braven edelman, don André de Tordésillas, die vroeger torenbewaarder is geweest te Ségovia en mij tijdens mijn gevangenschap zeer goed heeft behandeld.”

Lachend zei de minister: “Ik geloof, Gil Blas, dat je een gouverneur van een koninklijke gevangenis benoemen wil, zooals je een onderkoninghebtbenoemd. Welnu, mijn vriend, het is goed! Ik sta je de vacante plaats voor Tordésillas toe. Maar zeg mij eens eerlijk, welk voordeel hebt ge daarvan? Want je zal toch wel niet zoo dwaas zijn om je invloed voor niets te gebruiken?”

“Moet men zijn schulden niet betalen, Excellentie? Don André heeft mij zooveel genoegen gedaan als hij kon, toen ik zijn gevangene was.”

“Je bent wel belangeloos geworden, Santillano. Het schijnt mij toe, dat je het onder mijn voorganger minder was.”

“Dat stem ik u toe, Excellentie. De slechte voorbeelden bederven de zeden. Alles werd toen verkocht en ik voegde mij naar dat gebruik en daar nu alles gegeven wordt, heb ik mijn onomkoopbaarheid teruggekregen.”

Don André de Tordésillas werd dus gouverneur van de koninklijke gevangenis te Valladolid en vertrok weldra naar die stad, even voldaan over zijn nieuwe betrekking als ik het was, dat ik mij gekweten had van de schuld, die ik aan hem had.

Hoofdstuk XIVSantillano gaat naar den dichter Nunez. Welke personen hij er vond en welke gesprekken er werden gehouden.Op een zekeren namiddag kreeg ik lust mijn vriend den dichter uit Asturië eens te gaan bezoeken, nieuwsgierig om te weten hoe zijn woning ingericht was.Ik begaf mij naar het huis van don Bertrand Gomez del Ribero en vroeg daar naar Nunez. Men antwoordde, dat hij daar niet meer woonde, maar wees mij een naburig huis aan, waarin hij zijn intrek had genomen.In een zaal, waarin ik verder geen meubelen zag, vond ik mijn vriend Fabricius nog aan tafel, met vijf of zes confraters, die hij dien dag onthaalde. Zij waren aan het eind van hun maaltijd en dus aan het disputeeren. Toen ik binnenkwam was het opeens stil. Nunez stond met een gewichtig gezicht op om mij te ontvangen en riep: “Mijne heeren, daar is de heer de Santillano, die mij met een van zijn bezoeken komt vereeren; bewijst met mij hulde aan den vertrouweling van den eersten minister!”Bij die woorden stonden alle gasten op om mij te begroeten en door de woorden van den gastheer waren ze zeer beleefd. Hoewel ik niet de minste behoefte aan iets had, moest ik mij aan tafel zetten en een dronk beantwoorden, die ze op mij uitbrachten.Daar het scheen, dat mijn tegenwoordigheid hen verhinderde om vrijuit te spreken zei ik: ”Hetschijnt mij, dat ik uw onderhoud heb gestoord, heeren, wees zoo goed en zet het gesprek voort, of ik ga heen.”“Die heeren,” zei Fabricius daarop, “spraken van de Iphigenia van Euripides. De heer Melchior de Villégas, dieeen geleerde van den eersten rang is, vroeg aan don Jacinte de Romerate, wat hem het meest interesseerde in dit treurspel.”“Ja,” zei don Jacinte, “en ik heb hem geantwoord: het gevaar, waarin Iphigenia zich bevond.”“En ik,” riep de ander, “heb hem geantwoord, dat niet het gevaar het belangrijkste was!”“Wat was het dan?” werd er geroepen.“Het was de wind,” antwoordde Melchior de Villégas.Het geheele gezelschap barstte in lachen uit om dit antwoord, ik vatte dit ook niet als ernst op en dacht, dat Melchior het alleen maar gegeven had om de conversatie aan den gang te houden. Maar ik kende dien geleerde niet, het was een man, die geen scherts verstond. Op bedaarden toon zei hij:“Lacht zooveel ge wilt heeren. Ik houd vol, dat het de wind is, die de belangstelling verdient en niet het gevaar van Iphigenia. Stelt u voor een talrijk leger, dat verzameld is om Troje te gaan belegeren! Verbeeldt u het ongeduld van de officieren en soldaten om hun voornemen uit te voeren, waarna ze terug kunnen keeren naar Griekenland, waar ze hebben achtergelaten, hetgeen hun het meest dierbaar is, hunne huisgoden, hunne vrouwen en kinderen. En een vervloekte wind houdt hen terug; indien hij niet verandert, kunnen zij de stad niet gaan belegeren. Dus is het de wind, die van het grootste belang is in het treurspel. Ik neem de partij van de Grieken; ik wensch slechts het vertrek van hun vloot en zie met een onverschillig oog het gevaar van Iphigenia aan. Haar dood is het middel om van de goden een gunstiger wind te krijgen.”Zoodra Villégas had opgehouden te spreken, werd hij weer uitgelachen. Nunez en anderen begonnen daarop flauwe aardigheden over den wind te zeggen. Maar de geleerde heer, die hen met een kalmen en trotschen blik aankeek, behandelde hen als onwetende en alledaagsche geesten.Ik verwachtte ieder oogenblik, dat de heeren zich nogmeer zouden opwinden en elkaar in het haar vliegen, wat het gewone einde is van hunne discussies, maar ik werd in mijn verwachting bedrogen. Ze bepaalden er zich toe elkaar eenige beleedigingen te zeggen en trokken af, nadat zij genoeg gegeten en gedronken hadden.Toen ik alleen met hem was, vroeg ik Fabricius, waarom hij niet meer bij den schatmeester woonde en of hij verschil van meening met hem had gehad.“Verschil van meening!” riep hij. “De hemel behoede mij ervoor! Ik ben met don Bertrand nooit op een beteren voet geweest. Hij heeft mij echter toegestaan, om op mij zelf te wonen en nu heb ik dit verblijf gehuurd, om er mijn vrienden te ontvangen en met hen in vrijheid te genieten, wat mij dikwijls gebeurt, want je weet, ik ben niet iemand om groote sommen aan mijn erfgenamen achter te willen laten en wat gelukkig voor mij is, ik kan tegenwoordig iederen dag partijen hebben.”“Het doet mij genoegen, mijn waarde Nunez,” zei ik, “en ik kan niet nalaten je nogmaals geluk te wenschen met het succes van je laatste treurspel. De achthonderd dramatische werken van den grooten Lopez hebben hem nog geen vierde gedeelte opgebracht van jouw ‘Graaf van Saldagne’.”

Op een zekeren namiddag kreeg ik lust mijn vriend den dichter uit Asturië eens te gaan bezoeken, nieuwsgierig om te weten hoe zijn woning ingericht was.

Ik begaf mij naar het huis van don Bertrand Gomez del Ribero en vroeg daar naar Nunez. Men antwoordde, dat hij daar niet meer woonde, maar wees mij een naburig huis aan, waarin hij zijn intrek had genomen.

In een zaal, waarin ik verder geen meubelen zag, vond ik mijn vriend Fabricius nog aan tafel, met vijf of zes confraters, die hij dien dag onthaalde. Zij waren aan het eind van hun maaltijd en dus aan het disputeeren. Toen ik binnenkwam was het opeens stil. Nunez stond met een gewichtig gezicht op om mij te ontvangen en riep: “Mijne heeren, daar is de heer de Santillano, die mij met een van zijn bezoeken komt vereeren; bewijst met mij hulde aan den vertrouweling van den eersten minister!”

Bij die woorden stonden alle gasten op om mij te begroeten en door de woorden van den gastheer waren ze zeer beleefd. Hoewel ik niet de minste behoefte aan iets had, moest ik mij aan tafel zetten en een dronk beantwoorden, die ze op mij uitbrachten.

Daar het scheen, dat mijn tegenwoordigheid hen verhinderde om vrijuit te spreken zei ik: ”Hetschijnt mij, dat ik uw onderhoud heb gestoord, heeren, wees zoo goed en zet het gesprek voort, of ik ga heen.”

“Die heeren,” zei Fabricius daarop, “spraken van de Iphigenia van Euripides. De heer Melchior de Villégas, dieeen geleerde van den eersten rang is, vroeg aan don Jacinte de Romerate, wat hem het meest interesseerde in dit treurspel.”

“Ja,” zei don Jacinte, “en ik heb hem geantwoord: het gevaar, waarin Iphigenia zich bevond.”

“En ik,” riep de ander, “heb hem geantwoord, dat niet het gevaar het belangrijkste was!”

“Wat was het dan?” werd er geroepen.

“Het was de wind,” antwoordde Melchior de Villégas.

Het geheele gezelschap barstte in lachen uit om dit antwoord, ik vatte dit ook niet als ernst op en dacht, dat Melchior het alleen maar gegeven had om de conversatie aan den gang te houden. Maar ik kende dien geleerde niet, het was een man, die geen scherts verstond. Op bedaarden toon zei hij:

“Lacht zooveel ge wilt heeren. Ik houd vol, dat het de wind is, die de belangstelling verdient en niet het gevaar van Iphigenia. Stelt u voor een talrijk leger, dat verzameld is om Troje te gaan belegeren! Verbeeldt u het ongeduld van de officieren en soldaten om hun voornemen uit te voeren, waarna ze terug kunnen keeren naar Griekenland, waar ze hebben achtergelaten, hetgeen hun het meest dierbaar is, hunne huisgoden, hunne vrouwen en kinderen. En een vervloekte wind houdt hen terug; indien hij niet verandert, kunnen zij de stad niet gaan belegeren. Dus is het de wind, die van het grootste belang is in het treurspel. Ik neem de partij van de Grieken; ik wensch slechts het vertrek van hun vloot en zie met een onverschillig oog het gevaar van Iphigenia aan. Haar dood is het middel om van de goden een gunstiger wind te krijgen.”

Zoodra Villégas had opgehouden te spreken, werd hij weer uitgelachen. Nunez en anderen begonnen daarop flauwe aardigheden over den wind te zeggen. Maar de geleerde heer, die hen met een kalmen en trotschen blik aankeek, behandelde hen als onwetende en alledaagsche geesten.

Ik verwachtte ieder oogenblik, dat de heeren zich nogmeer zouden opwinden en elkaar in het haar vliegen, wat het gewone einde is van hunne discussies, maar ik werd in mijn verwachting bedrogen. Ze bepaalden er zich toe elkaar eenige beleedigingen te zeggen en trokken af, nadat zij genoeg gegeten en gedronken hadden.

Toen ik alleen met hem was, vroeg ik Fabricius, waarom hij niet meer bij den schatmeester woonde en of hij verschil van meening met hem had gehad.

“Verschil van meening!” riep hij. “De hemel behoede mij ervoor! Ik ben met don Bertrand nooit op een beteren voet geweest. Hij heeft mij echter toegestaan, om op mij zelf te wonen en nu heb ik dit verblijf gehuurd, om er mijn vrienden te ontvangen en met hen in vrijheid te genieten, wat mij dikwijls gebeurt, want je weet, ik ben niet iemand om groote sommen aan mijn erfgenamen achter te willen laten en wat gelukkig voor mij is, ik kan tegenwoordig iederen dag partijen hebben.”

“Het doet mij genoegen, mijn waarde Nunez,” zei ik, “en ik kan niet nalaten je nogmaals geluk te wenschen met het succes van je laatste treurspel. De achthonderd dramatische werken van den grooten Lopez hebben hem nog geen vierde gedeelte opgebracht van jouw ‘Graaf van Saldagne’.”


Back to IndexNext