Twaalfde BoekHoofdstuk IGil Blas wordt door den minister naar Tolédo gezonden. Van het doel en het succes van zijn reis.Reeds een maand lang zei mijn meester iederen dag tegen mij: “Santillano, de tijd nadert, dat je behendigheid mij van dienst kan zijn,” en die tijd kwam maar niet. Eindelijk echter zei de minister: “Men zegt, dat er bij een troep comedianten teTolédoeen jeugdige actrice is, die opzien wekt door haar talenten: men beweert, dat zij goddelijk danst en zingt en dat ze de toeschouwers in verrukking brengt door haar voordracht; ook verzekert men, dat zij een schoonheid is. Een dergelijke actrice verdient aan het hof te verschijnen. De koning houdt van comediespel, van muziek en dans en het genoegen mag hem niet worden onthouden iemand te zien en te hooren van zulke zeldzame verdiensten. Ik heb dus besloten je naar Tolédo te zenden om voor je zelf te oordeelen, of het werkelijk zulk een bewonderenswaardige actrice is. Ik zal mij houden aan den indruk, dien je krijgt en mij op je smaak verlaten.”Ik antwoordde den minister, dat ik zijn opdracht gaarne zou vervullen en ik stelde hem voor, dat ik zou vertrekken met één lakei, die niet den uniform van den minister zou dragen, om de zaak meer geheimzinnig te behandelen, wat zeer in den geest viel van mijn meester.Ik ging dus op weg naar Tolédo en daar aangekomen, nam ik mijn intrek in een hotel bij het kasteel.Nauwelijks was ik afgestapt of de waard, die mij zeker voor een landedelman hield, vroeg of ik voor het groote kettergericht kwam, dat den volgenden dag zou plaats hebben. Ik antwoordde van ja want ik vond het beter,dat hij dit geloofde dan dat hij mij verdere vragen deed.“Ge zult dan een van de schoonste processies zien, die wij hier ooit hebben gehad,” zei hij, “er zijn, zegt men, meer dan honderd gevangenen, waaronder tien of meer die verbrand zullen worden.”Werkelijk hoorde ik den volgenden morgen voor het opgaan van de zon alle klokken in de stad luiden en men liet het klokkenspel spelen, om het volk te waarschuwen, dat het kettergericht zou beginnen. Benieuwd om dit verschrikkelijk feest, dat ik nog nooit had gezien, bij te wonen, kleedde ik mij haastig aan en begaf mij naar de inquisitie. Er waren in de straten, waar de processie langs moest gaan verhevenheden opgesteld, waarop men voor geld kon plaats nemen. Weldra zag ik de Dominicanen, die voorop liepen, voorafgegaan door de banier van de heilige inquisitie. Deze goede vaders werden onmiddellijk gevolgd door de treurige slachtoffers, die de heilige dienst dien dag wilde straffen. Deze ongelukkigen gingen achter elkaar,met bloote voeten, een waskaars in de hand en ieder een geleider naast zich. Sommigen droegen een soort schoudermantel van geel linnen eneen mutsin den vorm van een suikerbrood. Deze mutsen waren bedekt met vlammen en duivelsche figuren.Toen ik die ongelukkigen bekeek met een medelijden, dat ik niet wilde laten blijken, uit vrees voor een misdadiger te worden gehouden, herkende ik onder hen, wier hoofd zulk een muts droeg, de eerwaarde vaderRaphaëlen broeder Ambrosius. Ze waren zoo dicht bij mij, dat ik mij niet kon vergissen.“Wat zie ik! De hemel, die eindelijk genoeg kreeg van hun wandaden, heeft deze booswichten dus overgeleverd aan het recht der inquisitie!” Ik begon te beven en had een gevoel of ik zou bezwijmen. De verbintenis, die ik had gehad met de twee schelmen, het avontuur te Xelva, kortom alle gelegenheden, dat ik met hen in aanraking was gekomen, kwamen plotseling voor den geest. Ik dankte God, dat Hij mij voor zulk een lot had behoed.Toen de ceremonie voorbij was, keerde ik naar het hotel terug, nog bevende van hetgeen ik had gezien. Maar de verschrikkelijke beelden moesten uit mijn geest verdwijnen; ik moest mij bezighouden met de taak, die mijn meester mij had opgedragen.Toen het uur naderde, waarop de schouwburg moest openen, begaf ik mij daarheen. Ik kreeg een plaats naast een ridder uit Alcantera, met wien ik weldra een gesprek had aangeknoopt.“Mijnheer,” vroeg ik,“is het een vreemdeling geoorloofd u een vraag te doen?”“Mijnheer,” antwoordde hij zeer beleefd, “ik zal daardoor vereerd zijn.”“Men heeft mij,” hernam ik, “de comedianten van Tolédo zeer geprezen. Heeft men ongelijk gehad, door zooveel goeds van hen te zeggen?”“Neen,” antwoordde hij, “hun troep is niet slecht. Er zijn zelfs zeer goede krachten bij hem aan te wijzen. Uzult onder anderen de schoone Lucretia zien, een actrice van veertien jaar, die u zal verwonderen. ’t Is niet noodig, haar aan te wijzen, wanneer zij op de planken zal verschijnen, ge zult haar gemakkelijk onderscheiden.”Het stuk begon. Er kwamen twee actrices op de planken, die niets verzuimd hadden om zich bekoorlijk te maken, maar niettegenstaande alle diamanten, hield ik noch de een, noch de andere voor degene, die ik verwachtte.Eindelijk verscheen de schoone Lucretia en haar opkomst werd door het publiek begroet met een algemeen en lang handgeklap.“Ah! Daar is ze!” zei ik bij mezelf. “Wat een nobel uiterlijk! Wat een gratie! Welke mooie oogen!” Werkelijk was ik ten zeerste over haar voldaan of liever gezegd, hare persoonlijkheid trof mij buitengewoon. Van het eerste oogenblik af, dat zij begon te spreken, vond ik in haar voordracht veel natuurlijkheid, geest en vuur. Gaarne stemde ik in met het publiek, dat haar luid toejuichte.“Ge ziet,” zei de heer naast mij, “dat Lucretia de lieveling is van het publiek. Wat zegt ge van haar?”“Ik ben verwonderd over haar gaven.”“Ge zult het nog meer zijn, wanneer ge haar hebt hooren zingen en zien dansen.”“Welk een geluk zich ter wille van zulk een beminnelijk schepseltje te mogen ruïneeren!” zei ik.“Ze heeft geen bepaalden minnaar,” antwoordde hij, “en men hoort zelfs niet van intriges, ze kon die echter wel hebben, want ze woont bij haar tante Estella en deze is een ervaren tooneelspeelster.”Bij het hooren van den naam Estella viel ik mijn buurman in de rede, om hem te vragen of die dame ook een actrice was. Hij antwoordde mij, dat zij een van de besten was en na de beschrijving, die hij mij van haar gaf, twijfelde ik er niet aan of het was Laura, dezelfde Laura, van wie ik zooveel gesproken heb in mijn boek en die ik te Granada had achtergelaten.Estella was dien avond niet opgetreden, maar ik hoopte toch haar in den schouwburg te vinden en begaf mij daarom na de voorstelling achter het tooneel.Ik vroeg naar Estella en men wees haar aan. Ze was op het oogenblik in gesprek met eenige heeren, die waarschijnlijk in haar meer de tante van Lucretia zagen. Hetzij uit een gril, hetzij om mij te straffen voor mijn overhaast vertrek uit Granada, deed ze alsof ze mij niet kende en ontving mijn beleefdheden op zulk een wijze, dat ik uit het veld was geslagen. Inplaats van haar lachend hare koele ontvangst te verwijten, was ik dwaas genoeg om mij kwaad te maken. Ik verwijderde mij plotseling en nam mij voor den volgenden dag naar Madrid terug te keeren. Om mij op Laura te wreken, wilde ik niet, dat haar nicht de eer zou hebben voor den koning op te treden. Daartoe had ik den minister slechts een minder vleiend portret van Lucretia te geven.Mijn lust om wraak te nemen was echter niet van langen duur. Den volgenden morgen kwam een jonge lakei bij mij met een briefje, waarin ik las:“Vergeet de wijze waarop ge gisteren in den schouwburg werdt ontvangen en laat u door brenger dezes geleiden.”Dadelijk volgde ik den lakei, die mij naar een groot huis bracht, waarin Laura hare kamers had.Ik vond Laura aan haar toilet. Ze stond op, om mij te omhelzen en zei: “Mijnheer Gil Blas, ik weet wel, dat ge geen reden hebt over de ontvangst, die ik u gisteren heb bereid, tevreden te zijn. Een oud vriend, als gij, hadt recht om meer vriendelijkheid te verwachten. Om mij echter te verontschuldigen, moet ik zeggen, dat ik op dat oogenblik in het slechtste humeur van de wereld was. Een van die heeren had mij juist iets gezegd van mijn nicht, wier eer mij meer aan het hart ligt dan die van mijzelve. Gelukkig wist ik uw woning te laten vinden en zoo kon ik mijn fout herstellen.”“Dat is gebeurd, mijn waarde Laura, laten wij er nietverder van spreken, maar elkaar liever onze avonturen vertellen, na dien ongelukkigen dag te Granada, toen de vrees mij overhaast deed vluchten. Ik heb u toen in groote verlegenheid achtergelaten. Hoe hebt ge u er uit kunnen redden? Dat is zeker niet zonder moeite gegaan? En ge hebt zeker wel al uw slimheid noodig gehad, om uw Portugeeschen minnaar tot bedaren te brengen?”“In het geheel niet,” antwoordde Laura. “Weet ge niet, dat in dergelijke gevallen de mannen zoo zwak zijn, dat ze zelfs de vrouwen de moeite besparen om zich te rechtvaardigen! Ik hield tegenover den markies de Marialva vol, dat je mijn broer was. Neem mij niet kwalijk, dat ik je weer zoo familiaar aanspreek, maar ik kan mij moeilijk van die oude gewoonte losmaken. Den Portugees vroeg ik dadelijk of hij niet merkte, dat alles het werk was van Narcissa, die jaloersch op mij was en zich op zulk een wijze wilde wreken. Als een nieuw bewijs van het complot, dat men tegen mij had gesmeed, noemde ik het plotseling verdwijnen van mijn broer. Men had daartoe zeker eenige kunstgrepen gebruikt en het mij zoodoende onmogelijk gemaakt te bewijzen, dat hier alleen jaloezie en wraakzucht in het spel waren. Om kort te gaan, de markies was tevreden en de markies bleef mij beminnen tot hij Granada verliet, om weer naar Portugal te gaan.Nog een paar jaren bleef ik in Granada; toen ging onze troep uiteen; sommigen gingen naarSévilla, anderen naar Cordova en ik ging naarTolédo, waar ik nu sinds tien jaar woon met mijn nicht Lucretia, die je gisteren hebt zien spelen.”Hier kon ik niet nalaten te glimlachen. Laura zag het en vroeg naar de reden.“Kan je dat niet raden,” vroeg ik. “Je hebt broers noch zusters en ’t is dus niet mogelijk, dat je de tante bent van Lucretia. Bovendien, wanneer ik bij mijzelf den tijd bereken, die na onze laatste scheiding is verloopen, dan komt het mij niet onmogelijk voor, dat gij tweeën nader aan elkaar verwant zijt.”De weduwe van don Antonio bloosde een weinig en zei: “Welnu, mijn vriend, ik zal je dan maar eerlijk bekennen, dat Lucretia de dochter is van den markies de Marialva en mij.”“Het publiek,” merkte ik op, “mag u wel dankbaar zijn, dat ge het zulk een cadeau hebt gegeven.”Indien een sluwe lezer, die zich de samenkomsten herinnert, die ik te Granada met Laura had, toen ik secretaris was van den markies de Marialva, mij misschien er van mocht verdenken dien heer de eer te willen betwisten van het vaderschap van Lucretia, dan moet ik hem tot mijn schande doen opmerken, dat zijn vermoeden ongegrond is.Daarna vertelde ik Laura al wat er met mij was gebeurd en ik deelde haar mee, welke mijn opdracht was betreffende haar nicht.Zij toonde zich zeer ingenomen met dit plan en zei: “Als ik hier geen verbintenis had, die ik niet dadelijk kan afbreken, dan zou ik morgen wel reeds naar Madrid willen vertrekken.”“Een bevel van het hof kan die verbintenis verbreken,” zei ik. “En ik geef je de verzekering dat dit binnen acht dagen zal gebeuren. Ik heb er genoegen in den inwoners van Tolédo Lucretia te ontnemen. Een actrice, zooals zij, is geschapen voor het hof. Ze komt ons van rechtswege toe.”Juist had ik die woorden gesproken, toen Lucretia de kamer binnenkwam. Ik meende de godin Hebe te zien, zoo bekoorlijk en gracieus was zij. Laura deelde haar het doel van mijn bezoek mee en het jonge meisje toonde zich zeer ingenomen daarmee.Wij bleven nog eenigen tijd in gesprek en daarbij had ik gelegenheid om op te merken, dat Lucretia een buitengewoon verstandig meisje was.Bij het afscheid nemen van de dames, verzekerde ik haar, dat zij spoedig een bevel van het hof zou ontvangen, om zich naar Madrid te begeven.Hoofdstuk IISantillano doet verslag van zijn zending aan den minister, die hem opdraagt ervoor te zorgen, dat Lucretia te Madrid zal komen. Van de aankomst van deze actrice en haar eerste optreden voor het hof.Bij mijn aankomst te Madrid vond ik den minister vol ongeduld, om den uitslag van mijn reis te vernemen.“Gil Blas,” vroeg hij, “heb je die actrice gezien? Is het de moeite waard, om haar aan het hof te laten verschijnen?”“Excellentie,” antwoordde ik, “de roem van dergelijke personen wordt gewoonlijk overdreven, maar van de jonge Lucretia kan niet genoeg goed worden gezegd. Zij is bewonderenswaardig, zoowel door haar talenten, als door haar schoonheid.”“Is het mogelijk!” riep de minister en ik zag daarbij in zijn oogen een inwendige genoegdoening, die mij deed denken, dat hij mij misschien in zijn eigen belang naar Tolédo had gezonden. “Is het mogelijk, dat ze zoo mooi is, als ge zegt?”“Wanneer u haar ziet, zult ge het mij moeten toestemmen,” antwoordde ik.“Santillano, geef mij nu een uitvoerig verhaal van uw reis. Deel mij alles mee, wat er gebeurd is.”Ik vertelde hem alles, ook dat Lucretia een dochter was van Laura en den markies de Marialva.“Het doet me genoegen,” zei hij, “dat zij een dochter is van een man van stand. Dat doet mij nog meer belang in haar stellen. Wij moeten haar hier hebben. Maar, mijn vriend, één ding moet ik je op het hart drukken:ikmoetbuiten de zaak blijven. Alles moet het werk zijn van Gil Blas de Santillano.”Ik zocht hierna Carnero op en zeide hem namens den minister, dat een bevel verzonden moest worden, om Estella en Lucretia, actrices van den schouwburg te Tolédo, in den koninklijken troep op te nemen. Toen dit stuk geschreven was, zond ik dadelijk denzelfden lakei, die mij op mijn reis had vergezeld, naar Estella.Acht dagen later kwamen moeder en dochter te Madrid aan, waar ze haar intrek namen in een hotel bij den koninklijken schouwburg. Dadelijk na haar aankomst bracht ik een bezoek aan de dames, om mijne diensten aan te bieden.Bij het eerste optreden was de schouwburg geheel vol. Men had een stuk gekozen, dat de nieuwe actrices gewoon waren geweest te Tolédo te spelen. Ik kan niet ontkennen, dat ik de oogenblikken vóór het stuk begon, niet geheel op mijn gemak was. Maar nauwelijks hadden de twee actrices den mond geopend, of al mijn vrees was verdwenen. Lucretia nam aller harten voor zich in. Men bewonderde om strijd haar mooie oogen, haar zachte stem en ieder was getroffen door haar bevalligheid.De minister was dien avond ook in den schouwburg. Daar ik zeer nieuwsgierig was, om zijn indruk te vernemen, wachtte ik hem ’s avonds in zijn kabinet op.“Wel Excellentie,” vroeg ik, “is u tevreden over de kleine Marialva?”“Ik zou wel zeer moeilijk te voldoen zijn,” antwoordde hij glimlachend, “indien ik het algemeen gevoelen van het publiek niet deelde. Ja, mijn vriend, je reis naar Tolédo is gelukkig geweest. En ik twijfel er niet aan, of de koning zal Lucretia ook met genoegen zien spelen.”Hoofdstuk IIILucretia maakt grooten opgang aan het hof en speelt voor den koning, die verliefd op haar wordt. Gevolg van die liefde.Het eerste optreden van de twee nieuwe actrices werd den volgenden dag druk besproken. Ook in tegenwoordigheid van den koning werd de jonge Lucretia zeer geroemd. Deze deed echter of hij aan die gesprekken weinig aandacht schonk.Toen hij echter alleen was met den eersten minister, vroeg hij, wie die jonge actrice was, die men zoo prees.De minister antwoordde: “Het is een jong meisje, dat aan den schouwburg te Tolédo was verbonden. Ze heet Lucretia, wat een goede naam is voor iemand van haar beroep en is een kennis van Gil Blas de Santillano, die mij zooveel goeds van haar had verteld, dat ik het gewenscht achtte om haar in den koninklijken troep op te nemen. Bij haar eerste optreden gisterenavond heeft zij een zeer groot succes gehad.”Bij het hooren van mijn naam, had de koning een glimlach niet kunnen weerhouden. Hij herinnerde zich misschien op dat oogenblik, dat ik het geweest was, die hem in kennis had gebracht met Catalina en had er mogelijk een voorgevoel van, dat ik hem in deze aangelegenheid denzelfden dienst zou kunnen bewijzen. Hoe het zij, hij deelde den minister mee, dat hij den volgenden avond Lucretia wilde zien spelen en dat men haar dit zou berichten.De graaf-hertog vertelde mij, welk gesprek hij had gehad en verzocht mij de twee actrices te gaan waarschuwen.Het eerst zag ik Laura en ik zei haar: “Ik kom u een groot nieuws meedeelen. De minister heeft mij belast u te zeggen, dat de koning morgenavond de voorstelling met zijn tegenwoordigheid zal vereeren. Ik twijfel er niet aan, of gij beiden zult al het mogelijke doen, om u die eer waardig te doen zijn. Wanneer ik u een raad mag geven, dan zou het deze zijn, om een stuk te kiezen, waarin veel zang en dans voorkomen,opdatde koning alle talenten bewonderen kan, die Lucretia bezit.”“Wij zullen uw raad opvolgen,” zei Laura, “het zal niet aan ons liggen, wanneer hij niet voldaan is.” Op dat oogenblik kwam Lucretia binnen, die er thans nog bekoorlijker uitzag, dan in haar tooneelkleeding.“De koning,” zei ik, “zal uw schoone nicht nog meer bewonderen, indien zij optreedt in een stuk, waarin zang en dans voorkomen. Hij zou daardoor zelfs wel eens in de verzoeking kunnen komen haar zijn zakdoek toe te werpen.”“Ik hoop niet,” zei Laura, “dat hij zoo iets zal probeeren, want welk een machtig vorst hij ook mag zijn, hij zou dan wel eens op tegenstand kunnen stuiten. Hoewel zij in de tooneelwereld is opgevoed, is Lucretia deugdzaam en welk genoegen zij ook heeft in de toejuichingen van het publiek, het is voor haar meer eer een braaf meisje, dan een goede actrice te zijn.”“Lieve tante,” zei de kleine Marialva, zich in het gesprek mengende, “waarom u zorgen gemaakt voor den tijd? Ik zal wel nooit voor die beproevingen komen te staan.”“Bekoorlijke Lucretia,” zei ik, “indien de koning u tot zijn minnares wilde maken, zoudt ge hem toch zeker niet tevergeefs laten zuchten?”“Waarom niet?” vroeg zij. “Het zou mij meer streelen, hem weerstand te hebben geboden, dan aan zijn begeerte te hebben voldaan.”Ik was niet weinig verwonderd een leerling van Laura op die wijze te hooren spreken en ik verliet de dames, demoeder prijzende, dat zij haar dochter zulk een goede opvoeding had gegeven.Den volgenden dag begaf de koning, verlangend om Lucretia te zien, zich naar den schouwburg. Men speelde een stuk, waarin de jonge actrice alle gelegenheid had om te schitteren. Van het begin tot het eind had ik mijn oogen gevestigd op den koning; ik trachtte op zijn trekken te lezen, wat hij dacht, maar hij behield hetzelfde ernstige gezicht, dat hij altijd trachtte op te zetten.Den volgenden dag eerst vernam ik, wat zijn indruk was geweest.“Santillano,” zei mijn meester, “ik heb den koning gesproken, die vol lof is over Lucretia en ik twijfel er niet aan of hij is op haar verliefd. Nadat ik hem had gezegd, dat gij haar uit Tolédo hebt laten komen, zei hij, dat hij gaarne met u een onderhoud zou willen hebben. Ga er dus heen. Hij heeft al bevel gegeven om je dadelijk bij hem toe te laten en kom mij den afloop meedeelen.”De koning liep met groote stappen op en neer, toen ik bij hem binnenkwam. Hij deed mij allerlei vragen over Lucretia, wier geheele geschiedenis ik hem moest vertellen. Vervolgens vroeg hij of zij al in eenig galant avontuur was betrokken geweest. Hoewel men met dergelijke verklaringen altijd zeer voorzichtig moet zijn, antwoordde ik hier toch beslist ontkennend, wat den vorst groot genoegen scheen te doen.“In deze zaak,” ging hij voort, “heb ik u tot mijn vertrouweling gekozen. Ik wil, dat de schoone Lucretia door u vernemen zal, welk een overwinning zij heeft gemaakt.” Hij stelde mij daarna een etui ter hand met diamanten ter waarde van ongeveer vijftig duizend kronen en ik moest haar vragen dit geschenk van hem te willen aannemen, in afwachting van andere bewijzen van zijn liefde.Om mij van die taak te kwijten, zocht ik mijn meester op en deed hem een getrouw verslag van mijn onderhoud met den koning. Ik had verwacht, dat de minister meer teleurgesteld dan verheugd zou zijn, want ik meende, dathijzelf verliefd was op Lucretia en dus ongaarne zou zien, dat de koning zijn medeminnaar was; maar ik bedroog mij in dit opzicht. Wel verre van teleurgesteld te zijn, was zijn vreugde zoo groot, dat hem zelfs eenige woorden ontsnapten. “Mooi zoo, Filips! daardoor zal u de lust voor de zaken wel vergaan!” Daaruit leidde ik af, dat de minister den koning wilde afhouden van de staatszaken en hem daarom een dergelijke verstrooiïng wilde schenken.“Santillano,” zei hij, “haast je mijn vriend, om dit bevel uit te voeren. Heel wat heeren aan het hof zouden jaloersch zijn op zulk een gewichtige taak. Denk er aan, dat het in dit geval niet de graaf de Lémos is, die het grootste gedeelte van de eer krijgt. Je zult die nu geheel alleen hebben en wat meer is, ook het voordeel.”Daar ik sedert het verblijf in de gevangenis gewoon was geworden, de zaken meer van een moreel standpunt te beschouwen, hinderde mij dit soort van werk wel, maar ik was toch niet deugdzaam genoeg om het te weigeren. Te liever vervulde ik den wensch van den koning, omdat mijn gehoorzaamheid ook aangenaam was voor den minister, wien ik in de eerste plaats genoegen wilde doen.Ik achtte het gewenscht om eerst een onderhoud te hebben met Laura, waarin ik haar den wensch van den koning kenbaar maakte en haar de edelsteenen liet zien. Op het gezicht daarvan kon ze haar vreugd niet bedwingen en zei: “Gil Blas, ’t is onder oude vrienden maar beter om eerlijk te zijn. Ik kan niet verbergen, dat ik ten zeerste verheugd ben over de overwinning van Lucretia, die van buitengewone waarde is. Maar, onder ons gezegd, ik vrees dat Lucretia de zaak uit een ander oogpunt zal beschouwen. Hoewel ze, om zoo te zeggen, op het tooneel is opgevoed, is ze verstandig en deugdzaam. Ze heeft al weerstand geboden aan de wenschen van twee beminnelijke jonge mannen. Ge zult me zeggen, dat die twee heeren geen koningen waren, dat stem ik toe en werkelijk de eer, een gekroond hoofd tot minnaar te hebben, moet sterker zijn dan de deugd van Lucretia; echter kan ik mij nietweerhouden je te zeggen, dat de zaak onzeker is. Wat mij betreft, ik verklaar je, dat ik mijn dochter niet zal tegenwerken. Kom morgen terug; ik zal je dan een gunstig antwoord geven of dit etui terug.”Ik twijfelde er niet aan of Laura zou Lucretia gemakkelijk overhalen. Niettemin vernam ik den volgenden dag met verwondering, dat Laura evenveel moeite had gehad, om Lucretia op den slechten weg te brengen, als andere moeders soms hebben, om haar dochters daarvan af te houden.Wat mij echter nog meer verwonderde was, dat Lucretia, na eenige malen een geheim onderhoud met den koning te hebben gehad, plotseling de wereld verliet en in een klooster ging, waar ze niet lang daarna ziek werd van verdriet en stierf. Laura kon zich niet troosten over het verlies van haar dochter, dat ze zich zelf verweet. Zij ging eveneens in een klooster, om er de genoegens van hare schoone dagen te beweenen.De koning was eerst getroffen door het plotselinge verdwijnen van Lucretia, maar hij was er de man niet naar om lang te treuren.Wat den minister aanging, hij nam weinig notitie van het gebeurde. Daartoe ontbrak hem de tijd.Hoofdstuk IVVan de nieuwe taak, die de minister aan Santillano gaf.Het ongeluk van Lucretia deed mij veel verdriet; ik beschouwde mijzelf als medeplichtig daaraan en besloot mij in geen geval meer met dergelijke zaken in te laten.Ik sprak daarover met den minister, die verwonderd scheen over mijn gewetensbezwaren. Hij zei: “Santillano, je hebt een goed karakter en ik wil je nu een opdracht geven, die daarmee meer in overeenstemming is. Luister goed toe, ik zal je zeggen wat de zaak is.Voor eenige jaren zag ik plotseling een dame, die zoo schoon en bekoorlijk was, dat ik haar liet volgen. Ik vernam, dat zij geboortig was uit Genua, dona Margarita Spinola heette en te Madrid leefde van de inkomsten van hare schoonheid. Men zeide mij, dat don Francisco de Valéasar, een rijke, oude en getrouwde man enorme sommen voor haar uitgaf. Wel verre van mij afkeer in te boezemen, deed dat bericht bij mij sterke verlangens ontstaan, om hare gunsten met Valéasar te deelen. Om daaraan te voldoen, nam ik mijn toevlucht tot een koppelaarster, die mij spoedig een geheim onderhoud met Margarita bezorgde, dat door verschillende andere werd gevolgd. Mijn medeminnaar en ik werden even goed behandeld voor de geschenken, die wij haar gaven. Misschien had ze nog wel een derden galant, die even gelukkig was als wij.Wat er van zij, het gevolg van alle hulde die Margarita ontving, was dat zij moeder werd. Zij bracht een zoon ter wereld en gaf zoowel Valéasar als mij de eer van het vaderschap. Maar wij wilden het kind geen van beidenerkennen, zoodat ze het zelf moest grootbrengen. Dat heeft zij gedurende achttien jaar gedaan, daarna is ze gestorven en heeft haar zoon achtergelaten zonder goed en, wat erger is, zonder opvoeding.Dit is een vertrouwelijke mededeeling, die ik je had te doen en nu wil ik je zeggen, wat mijn plan is. Ik wil mij het lot van dien ongelukkigen jongen aantrekken en hem erkennen.”Toen ik dit plan had aangehoord, was het mij onmogelijk om te zwijgen. “Excellentie! Hoe kunt u zulk een vreemd besluit nemen?”“Ge zult het niet zoo vreemd vinden, indien ik je de redenen ervan heb meegedeeld. Ik wil niet, dat mijn neven en nichten mijn erfgenamen zullen worden. Misschien zul je zeggen, dat wij nog niet op een leeftijd zijn gekomen, om zelf geen kinderen meer te krijgen. Maar welke geleerden wij ook hebben geraadpleegd, het is alles nutteloos geweest. Van mijn vrouw heb ik geen kinderen meer te verwachten. Het lot heeft nu een kind op mijn weg gesteld, waarvan ik misschien werkelijk vader ben. Dien jongen wil ik aannemen; dat is een zaak, waartoe ik vast besloten ben.”Toen ik merkte, dat de minister zich dit nu eenmaal vast in het hoofd had gesteld, sprak ik hem niet verder tegen. Ik wist, dat hij een man was, eerder in staat om een dwaasheid te doen, dan om terug te komen op een genomen besluit.“Het is nu de zaak, om een opvoeding te geven aan don Henri Philippe de Guzman, want dezen naam zal hij voorloopig in de wereld dragen. Om hem terzijde te staan, Santillano, heb ik jou uitgekozen. Ik vertrouw op je verstand en je gehechtheid aan mijn persoon. Draag zorg voor zijn huis, geef hem alle soorten van meesters; in één woord, maak van hem een volmaakt edelman.”Ik wilde mij daartegen verzetten, door mijn meester te zeggen, dat ik geen jonge heeren kon opvoeden, omdat ik dat nooit tevoren had gedaan; dat daarvoor meer verstanden meer verdiensten noodig waren, dan ik bezat, maar hij sloot mij den mond, door te zeggen, dat het zijn bepaalde wil was, dat ik ook de gouverneur zou zijn van zijn aangenomen zoon, dien hij voor de hoogste betrekkingen had bestemd.Dus bereidde ik mij voor, die taak te gaan vervullen ten genoege van mijn meester, die uit dankbaarheid mijn inkomen met duizend kronen per jaar verhoogde.Hoofdstuk VDe zoon van Margarita Spinola wordt bij authentieke acte erkend en don Henri-Philippe de Guzman genoemd. Santillano richt het huis van dien jongen heer in en geeft hem allerlei meesters.De acte van erkenning werd met goedkeuring van den koning opgemaakt. Don Henri-Philippe de Guzman (dat was de naam, dien men aan het kind met de verschillende vaders gaf) werd daarin tot eenig erfgenaam verklaard van het graafschap Olivarès en van het hertogdom de San-Lucar. Opdat iedereen het weten zou, liet de minister aan alle gezanten en grandes van Spanje deze mededeeling doen, waarover men niet weinig verwonderd was. De lachers in Madrid hadden langen tijd stof en de satirische dichters verzuimden deze gelegenheid niet om hun pen in gal te doopen.Ik vroeg aan den graaf-hertog, waar de jongeman was, dien hij aan mijn zorgen wilde toevertrouwen en hij antwoordde mij, dat hij thans in de stad was bij een tante, aan wier zorgen hij echter zou worden ontnomen, zoodra zijn huis ingericht zou zijn.Ik huurde dus een huis, liet het prachtig meubileeren en stelde pages, portier en andere bedienden aan.Toen dat gebeurd was, ging ik den minister waarschuwen, die dadelijk den twijfelachtigen en nieuwen spruit van den tak Guzman liet halen. Ik zag een grooten jongen, met een vrij aangenaam uiterlijk. De minister zei, toen hij ons voorstelde, dat don Henri mij in alle opzichten als zijn gids moest beschouwen.Wij gingen daarop naar het nieuwe huis, waar ik allebedienden aan hunnen nieuwen meester voorstelde. In den omkeer in zijn toestand scheen hij zich zeer gemakkelijk te kunnen schikken. Met groote gemakkelijkheid nam hij alle betuigingen van eerbied en beleefdheid in ontvangst. Het ontbrak hem niet aan verstand, maar hij was zeer onwetend. Hij kon nauwelijks lezen en schrijven. Ik gaf hem meesters in de beginselen van het Latijn, de aardrijkskunde, de geschiedenis en een schermmeester. Een dansmeester vergat ik niet, maar er waren in dien tijd zooveel van die vermaarde heeren, dat ik niet goed wist, wien te kiezen.Toen ik daar zoo over nadacht, zag ik een rijk gekleed man ons huis binnengaan.Hij vroeg mij te spreken. Ik verbeeldde mij, dat hij minstens een ridder van Alcantera was en vroeg waarmee ik hem van dienst kon zijn.“Mijnheer de Santillano,” antwoordde hij met vele buigingen, “men heeft mij verteld, dat gij belast zijt met het kiezen van meesters voor don Henri. Ik kom mijne diensten aanbieden. Ik heet Martin Ligero1en verheug mij in een goeden naam. Ik heb anders de gewoonte niet, om leerlingen te vragen, dat past slechts aan onbeduidende dansmeesters. In den regel wacht ik, tot men mij komt bezoeken. Maar daar ik bekend ben bij den hertog de Medina Sidonia, bij don Louis de Haro en eenige andere heeren van het huis Guzman, heb ik het als een eer beschouwd u voor te zijn.”“Ik merk uit hetgeen ge zegt, dat gij de man zijt, dien wij noodig hebben,” zei ik. “Hoeveel rekent ge per maand?”“Vier dubbele pistolen,” hernam hij, “dat is de vaste prijs en ik geef twee lessen per week.”“Vier dubbele pistolen!” riep ik. “Dat is veel!”“Hoezoo veel!” antwoordde hij op verwonderden toon. “Ge geeft wel een pistool per maand aan een onderwijzer in de philosophie.”Ik kon niet nalaten om dat antwoord te lachen en vroeg mijnheer Ligéro, of hij werkelijk meende, dat iemand van zijn vak boven een leeraar in de philosophie stond.“Dat geloof ik zeer zeker, mijnheer,” zei hij, “wij zijn in de wereld van heel wat meer nut, dan die heeren! Wat zijn de mannen, vóór ze door onze handen zijn gegaan? Lichamen uit één stuk! Ongelikte beeren! Maar onze lessen geven hun vorm en gratie.”Ik besloot den dansmeester aan te nemen.1Ligero = licht.Hoofdstuk VIScipio komt terug uit Nieuw-Spanje. Gil Blas plaatst hem bij don Henri. Van de studiën van dien jongen heer. Van de eer, die men hem bewees en aan welke dame de graaf-hertog hem uithuwelijkte. Hoe Gil Blas, niettegenstaande zijn verzet, in den adelstand wordt verheven.Terwijl ik nog druk bezig was, om alles voor don Henri te regelen, kwam Scipio terug uit Mexico. Ik vroeg hem of hij voldaan was over zijn reis.“Ik moet het wel zijn,” antwoordde hij, “want met drie duizend ducaten in geld, heb ik wel voor tweemaal grooter bedrag aan koopwaren meegebracht.”“Hartelijk daarmee gefeliciteerd! Dat is het begin van je fortuin. En het hangt nu maar van je zelf af, of je dat wil vermeerderen door nieuwe reizen te maken. Of geef je misschien de voorkeur aan een aangename betrekking in Madrid? Je hebt maar te spreken; ik heb er een te begeven.”“Dat kan ik niet twijfelen!” riep hij. “Veel liever blijf ik hier, dan mij opnieuw aan de gevaren van een zeereis en van een vreemd land bloot te stellen. Maar welke betrekking hebt u voor mij bestemd?”Daarop vertelde ik hem de heele geschiedenis van don Henri en vroeg hem of hij diens kamerdienaar wilde worden. Scipio nam de betrekking gaarne aan en vervulde haar zoo goed, dat hij in minder dan drie dagen reeds de vertrouweling en vriend was van zijn jongen meester.Ik had mij voorgesteld, dat al die onderwijzers wel vergeefsche moeite zouden doen en dat hun leerling zichniet veel om hem en hun wetenschap zou bekommeren, maar daarin vergiste ik mij. Ze waren zeer tevreden over hem. Hij begreep en onthield zeer gemakkelijk, wat men hem leerde. Aangenaam was het mij, dit den minister te kunnen mededeelen.“Santillano!” riep hij verheugd, “ik herken in hem mijn geest en bloed en ben er nu nog vaster van overtuigd, dat hij werkelijk mijn zoon is. Ik voel mij zeer tot hem aangetrokken. ’t Is de natuur, die hier spreekt.”Ik wachtte mij er wel voor, om mijn meester te zeggen, wat ik daarvan dacht en zijn zwak eerbiedigende, liet ik hem het genoegen te gelooven, dat hij de vader was van don Henri. Hoewel alle leden van de familie Guzman een doodelijken haat hadden aan dien nieuwbakken neef zorgden zij er wel voor het uit een politiek oogpunt niet te laten merken. De gezanten en grandes die in Madrid waren, bewezen hem evenveel eer, alsof hij de wettige zoon van den machtigen minister geweest was.De minister was over dat alles zeer verheugd. Hij begon met aan de koning het kruis van Alcantera voor don Henri te vragen. Later werd hij commandeur. Ook besloot hij hem te laten trouwen met een dame uit een van de edelste huizen van Spanje en koos daartoe Juanna de Valesco, dochter van den hertog van Castilië. Hij had macht genoeg, om dat huwelijk door te drijven, niettegenstaande het verzet van den hertog en diens verwanten. Eenige dagen voor dit huwelijk liet de minister mij roepen. Hij stelde mij eenige papieren ter hand en zei: “Hier, Gil Blas, heb ik een geschenk voor je. Ik geloof, dat het je niet onaangenaam zal zijn. Het zijn brieven van adeldom, dien ik voor je heb verkregen.”“Excellentie,” antwoordde ik verbaasd, “weet u wel, dat ik de zoon ben van een eenvoudigen stalmeester en van een duenna? Het schijnt mij een beleediging voor den adelstand, mij daarin te doen opnemen. En van alle gunsten, die de koning mij bewijzen kan, verdien en begeer ik deze het minst.”“Uw geboorte is geen beletsel,” zei mijn meester, “ge hebt staatsbetrekkingen bekleedbijden hertog de Lerme en mij. Overigens hebt ge ook den koning zelf zekere diensten bewezen. In één woord Santillano, je bent die eer niet onwaardig. En er komt bij, dat de positie, die je bij mijn zoon inneemt, het noodzakelijk maakt, dat je van adel bent. Ik wil je wel bekennen, dat dit de voornaamste reden is, waarom ik je die papieren heb doen verleenen.”“Ik geef mij gewonnen,” antwoordde ik, “omdat u het bepaald wilt.” Na die woorden ging ik weg, met de papieren in mijn zak.“Nu ben ik dus een edelman,” zei ik bij mijzelf toen ik op straat was, “en ik ben van adel zonder dat ik dit aan mijn ouders heb te danken. Ik kan mij dus, wanneer ik wil, don Gil Blas noemen en als de een of ander mij er om zou willen uitlachen, kan ik hem die papieren laten zien.”Onder het loopen keek ik de papieren in en ik las, dat de koning mij om den ijver, dien ik meermalen had getoond in den dienst van den staat en van hem zelven had verheven tot den adelstand.Tot mijn eer mag ik zeggen, dat ik mij niet zeer trotsch gevoelde. Mijn nederige afkomst stond mij steeds voor oogen en ik nam mij voor mijn papieren weg te sluiten, zonder mij erop te beroemen.Hoofdstuk VIIGil Blas ontmoet Fabricius nog eens bij toeval. Van het laatste onderhoud, dat zij samen hadden en van den gewichtigen raad, dien Nunez aan Santillano gaf.De dichter uit Asturië verwaarloosde mij maar al te gaarne, zooals men zal hebben opgemerkt. Van mijn kant had ik weinig tijd om hem te bezoeken, zoodat ik hem niet had weergezien na het geweldige dispuut over Iphigenia.Het toeval deed mij hem weer ontmoeten. Hij kwam uit een drukkerij.“Ho ho! mijnheer Nunez! Ge komt uit een drukkerij. Dat schijnt het publiek met een nieuw werk van u te bedreigen.”“Dat kan men inderdaad verwachten,” antwoordde hij. “Ik zal u zeggen, dat ik een brochure heb geschreven, die thans ter perse is en groot opzien zal verwekken in de republiek der letteren!”“Ik twijfel niet aan de verdiensten van je werk, maar ik begrijp niet, dat je er lust in hebt een brochure te schrijven. Dat zijn van die kleinigheden!”“Er zijn toch wel goede onder en de mijne behoort daartoe, hoewel ze in haast is geschreven. Maar ’t was noodzakelijk! De honger, weet je, drijft de wolven het bosch uit.”“Wat! De honger! Kan de schrijver van den “Graaf de Saldagne” zóó spreken? Iemand met een vast inkomen!”“Zacht wat! mijn vriend, ik ben niet meer die gelukkige dichter. De zaken van don Bertrand waren in de war. Hij is verdwenen, al zijn goederen zijn verkocht en mijn toelage is naar den duivel!”“Dat is treurig! Maar is er geen hoop op, dat het weer in orde komt?”“Niet het minst! Gomez del Ribero is nu even arm als zijn geestige trawant het was. Hij is verdwenen, om nooit weer terug te keeren.”“Maar mijn vriend, kan ik je dan niet eene betrekking bezorgen, die je schadeloos stelt?”“Van die zorg moet ik je ontheffen,” antwoordde hij, “wanneer je soms een betrekking bedoelt op een of ander bureau. Ik zou die weigeren al verdiende ik er 3000 pistolen mee. Als dichter wil ik leven en sterven! Overigens zijn wij niet zoo ongelukkig. Wij leven vrij en onafhankelijk en vele rijke huizen staan steeds voor ons open. Zoo heb ik er op ’t oogenblik twee, waar steeds een couvert voor mij klaar staat, het eene bij iemand, wien ik een roman heb opgedragen en het andere bij een rijken koopman, die altijd kunstenaars aan zijn tafel wil hebben en gelukkig niet zeer kieskeurig is.”“Maar denk er aan Fabricius, dat wanneer je mij mocht noodig hebben, mijn beurs steeds voor je geopend is.”“Aan dit aanbod herken ik mijn edelmoedigen vriend Santillano. Uit dankbaarheid wil ik je een raad geven. Profiteer van den tijd, dat je nog de gunsten geniet van den eersten minister, haast je om rijk te worden, want je meester is als een kaars, die in den pijp brandt.”Ik vroeg aan Fabricius uit welke bron hij dat had en hij antwoordde: “Van een ouden edelman uit Calatrava die een ongewoon talent bezit, om zulke zaken te ontdekken. Gisteren hoorde ik hem zeggen, dat de minister veel vijanden heeft, die zich vereenigen om hem in het verderf te storten. Hij rekent te veel op den koning, die echter naar zijn tegenstanders begint te luisteren.”Ik bedankte Nunez voor zijn waarschuwing, maar hechtte er niet veel waarde aan, omdat ik te veel op den invloed van mijn meester vertrouwde. Ik beschouwde hem als een van die oude eiken in een bosch, die de stormen niet kunnen deren.Hoofdstuk VIIIHoe Gil Blas verneemt, dat de raad van Fabricius niet verkeerd was. Van een reis van den koning naar Saragossa.Wat de dichter uit Asturië mij had gezegd, was niet ongegrond. Er was in het paleis een samenzwering tegen den graaf-hertog en men beweerde, dat de koningin aan het hoofd daarvan stond. Intusschen vernam men er den eersten tijd nog niet veel van. Maar de opstand van de Cataloniërs, die door Frankrijk werd ondersteund en het weinige succes, dat men had in den strijd tegen de rebellen, maakte het volk ontevreden. Er werd in tegenwoordigheid van den koning een raad gehouden, die ook werd bijgewoond door den markies de Grana, een invloedrijk gezant. Het maakte een punt van beraadslaging uit of de koning in Castilië zou blijven, dan wel naar Aragon gaan om zich aan de troepen te vertoonen.De graaf-hertog, die er tegen was, dat de koning naar het leger vertrok, sprak het eerst. Hij beweerde, dat het niet in overeenstemming was met de koninklijke waardigheid, dat de vorst het centrum van zijn staten verliet en verdedigde zijn standpunt met zijn welsprekendheid.De overige aanwezigen vielen hem bij, met uitzondering van den markies de Grana, die zijn meening tegenover die van den eersten minister stelde en haar met kracht verdedigde. De koning, door den laatsten spreker overtuigd, besloot zijn raad te volgen en bepaalde den dag van zijn vertrek.Het was voor de eerste maal, dat de koning een besluit nam in anderen geest dan zijn gunsteling had voorgesteld.En deze, die dat als een beleediging beschouwde, was daarover zeer ontstemd.De minister zag mij, toen hij thuis kwam en riep mij bij zich, om te vertellen, wat er was geschied.“Ja, Santillano,” zei hij, “de koning, die zoolang door mijn oogen gezien en door mijn mond gesproken heeft, geeft nu de voorkeur aan den raad van de Grana boven den mijne. En hij overlaadde dien gezant nog wel met lof over zijn trouw aan zijn Huis! Alsof die Duitscher trouwer was dan ik! Het is gemakkelijk te bespeuren, dat er zich een partij tegen mij heeft gevormd en ik heb reden te vermoeden, dat de koningin aan het hoofd daarvan staat.”“Excellentie,” vroeg ik, “hoe kunt ge dat vermoeden? Is de koningin niet gewoon, om u meester van de zaken te zien? En wat den markies de Grana betreft, de koning zal zich aan zijn zijde hebben geschaard, omdat hij misschien lust heeft het leger te zien en een veldtocht mee te maken.”“Neen, dat is het niet!” riep de minister. “Als de koning bij de troepen is, zal hij altijd omringd zijn door de grandes en onder hen zijn er, die ontevreden zijn over mij en hem veel kwaads van mijn bewind zullen vertellen. Maar zij zullen bedrogen uitkomen! Ik zal wel zorgen, dat de koning zich weinig met zijn grandes zal kunnen ophouden.” En dat deed hij op een manier, die verdient beschreven te worden.De dag van het vertrek was gekomen. Na de koningin tijdens zijn afwezigheid met de zorg voor de regeering te hebben belast, vertrok de koning naar Saragossa, maar voor hij er aankwam passeerde hij Aranjuez, waar hij het verblijf zoo heerlijk vond, dat hij er een paar weken bleef. De minister liet hem daarna naar Cuença gaan, waar hij den koning op allerlei vermaken tracteerde! Nadat de genoegens van de jacht hem nog eenigen tijd in Molina hadden bezig gehouden, kwam hij te Saragossa. Zijn leger was niet ver van de plaats verwijderd, maar de graaf-hertog ontnam hem het verlangen om er heen te gaan.door hem wijs te maken, dat hij gevaar liep door de Franschen gevangen genomen te worden. Dit denkbeeldige gevaar deed den koning besluiten zich nergens en aan niemand te vertoonen en de minister maakte gebruik van zijn angst door hem, bij wijze van veiligheidsmaatregel, als een gevangene te bewaken.De grandes, die zich groote uitgaven hadden getroost om den koning te kunnen volgen, hadden weinig satisfactie van hun werk, want ze werden niet eens in particuliere audientie ontvangen.De koning keerde weldra naar Madrid terug, het aan den markies de los Velez, den bevelhebber der troepenoverlatendom de eer van de Spaansche wapenen op te houden.Hoofdstuk IXVan de revolutie in Portugal en de ongenade van den graaf-hertog.Weinige dagen na de terugkomst van den koning werd in Madrid een slechte tijding verspreid. Men vernam, dat de Portugeezen, die den opstand in Catalonië beschouwden als een gunstige gelegenheid, die de fortuin hun bood om het Spaansche juk af te schudden, de wapenen hadden opgenomen en tot hun koning hadden gekozen den hertog van Braganza, dien zij op den troon hoopten te handhaven, omdat Spanje toen gebukt ging onder de vijandschap van Duitschland, Vlaanderen en Catalonië.Zonderling was, dat de eerste minister, terwijl het hof en de geheele stad in onrust waren, met den koning wilde schertsen, ten koste van den hertog van Braganza.Filips deed daaraan niet mee en zette zulk een ernstig gezicht, dat de graaf-hertog daarvan ontstelde en een voorgevoel kreeg van zijn ongenade. Hij beschouwde zijn val als zeker, toen hij vernam, dat de koningin zich openlijk tegen hem had verklaard en hem beschuldigde, door zijn slecht beheer den opstand in Portugal te hebben veroorzaakt. De meeste grandes en voornamelijk zij, die tevergeefs naar Saragossa waren gegaan, sloten zich bij de koningin aan en een dreigend onweer pakte zich samen boven het hoofd van den minister.Toen het mijn meester bekend werd, dat de koning naar zijn vijanden luisterde, schreef hij den koning een brief, waarin hij hem ontheffing van zijn ambt verzocht en verlof om zich van het hof te verwijderen, daar men alle ongelukken die de monarchie overkwamen, aan zijn beleid weet.Hij meende, dat die brief een groote uitwerking zou hebben en dat de koning nog genoeg vriendschap voor hem had overgehouden om niet toe te stemmen in zijn verwijdering. Maar al het antwoord, dat hij kreeg, was, dat de koning verklaarde zijn verzoek in te willigen en hem toestond zich te begeven, waarheen hij wilde.Die woorden, door den koning zelf geschreven, troffen hem als een donderslag. Maar hij deed of hij zijn gewone bedaardheid behield en vroeg mij, wat ik in zijn plaats zou doen.“Ik zou,” antwoordde ik hem, “de zaak gemakkelijk opvatten en op een van mijn landgoederen gaan wonen.”“Je denkt verstandig,” antwoordde hij. “En ik heb ook wel lust om dat te doen, maar ik zou toch nog gaarne éénmaal een onderhoud met den koning hebben. Het zal mij niet moeilijk vallen hem aan te toonen, dat ik menschelijkerwijze gesproken, alles heb gedaan, wat ik kon doen en dat ik de treurige gebeurtenissen, die men mij verwijt, niet heb kunnen voorkomen, evenmin als een bekwame loods het helpen kan als wind en golven het schip meesleepen.”De minister vleide zich nog dat hij, door met den koning te spreken, de zaken kon herstellen en het verloren terrein herwinnen. Maar de audientie werd hem niet verleend en bovendien liet men den sleutel terugvragen, waarvan hij zich bedienen kon om vrij in de koninklijke appartementen te komen.Daar hij nu zag, dat hem geen hoop meer overbleef, besloot hij zich terug te trekken. Hij doorzocht alle papieren, verbrandde er uit voorzichtigheid vele van en gaf bevel, dat men alles voor zijn vertrek in gereedheid zou brengen.Hij vreesde door het volk beleedigd te worden en vertrok daarom ’s morgens zeer vroeg door een achterdeur, in een eenvoudig rijtuig, met zijn biechtvader en mij.Wij gingen naar Loeches, een dorp, waarvan hij heer was en waar zijn vrouw een prachtig nonnenklooster had laten bouwen.Binnen vier uren kwamen wij in het dorp aan en de andere personen van het gevolg bereikten het eenigen tijd later.Hoofdstuk XVan de onaangenaamheden en de zorgen, die eerst de rust van den graaf-hertog verstoorden en van de gelukkige vrede, die daarop volgde. Van de bezigheden van mijn meester in zijn eenzaamheid.Mevrouw d’Olivarès liet haar man naar Loeches vertrekken en bleef nog eenige dagen aan het hof, om te beproeven, of zij door gebeden en tranen niet bewerken kon, dat hij werd teruggeroepen. Maar haar moeite was vergeefsch; de koning lette niet op haar en de koningin, die haar doodelijk haatte, zag haar tranen met genoegen vloeien. De echtgenoote van den minister gaf het niet op, zij ging zelfs zóó ver, dat ze de hofdames van H. M. om bemiddeling smeekte, maar het eenige resultaat was dat zij minachting in plaats van medelijden opwekte.Troosteloos kwam zij bij haren echtgenoot aan, om zich met hem te beklagen over het verlies van een plaats, die onder een regeering als van Filips II misschien de eerste was in het koninkrijk.Zij deelde hem mee, dat de hertog de Médina-Colli en de andere grandes, die hem haatten, niet ophielden den koning te prijzen om den val van den minister en dat het volk in onbeschaamde vreugde zijn ongenade toejuichte.Hij zei tot haar: “Troost u, zooals ik het mijzelf tracht te doen. Het onweer was niet af te wenden. ’t Is waar, ik had gehoopt dat ik mijn positie zou kunnen handhaven tot het eind van mijn leven. Gewone illusie van ministers en gunstelingen, die vergeten, dat hun lot van hun souverein afhangt. Is de hertog de Lerme niet bedrogen uitgekomenevenals ik, hoewel hij meende, dat het purper, waarmee hij bekleed was, zijn macht waarborgde?”Op die wijze trachtte hij zijn vrouw te troosten, maar zelf werd hij iederen dag opnieuw ontstemd door tijdingen, die hij van don Henri kreeg, die in Madrid was gebleven om mijn meester nauwkeurig op de hoogte te houden van al wat daar voorviel.Het was meestal Scipio, die deze brieven bracht, met bijna altijd slechte tijdingen. Het bleek daaruit, dat de grandes niet slechts openlijk hun vreugde betuigden over den val van den minister, ze hadden het ook toegelegd op den ondergang van personen, die door hem in betrekkingen waren geplaatst en wisten te bewerken, dat in de opengevallen plaatsen zijn verklaarde vijanden werden benoemd.Men kon zeggen, dat mijn meester in de eerste drie maanden niets anders ondervond dan verdriet. Gelukkig verstond zijn biechtvader, een even vroom als welsprekend man, de kunst hem te troosten.De gravin hield zich veel op in het klooster, dat door haar was gesticht en waarvan de zusters deden wat zij konden, om haar bitter leed te verzachten.Met den tijd werd mijn meester rustiger, hij wandelde veel met zijn biechtvader en mij en vermaakte zich na het diner altijd eenige uren, door met ons te spelen.Op een dag, dat ik alleen met hem was, zei ik: “Mijnheer, veroorloof mij u te zeggen, dat ge er veel opgewekter begint uit te zien. U schijnt u aan uw nieuw leven te gaan gewennen.”“Ik ben daar al aan gewoon,” zei hij, “al ben ik zoo langen tijd steeds door allerlei zaken in beslag genomen geweest, van dag tot dag krijg ik meer genoegen in het stille en vreedzame leven, dat ik nu leid.”Hoofdstuk XIDe graaf-hertog wordt plotseling somber en droomerig. Van de wonderlijke oorzaak van zijn droefgeestigheid en haar verdrietige gevolgen.Mijn meester had er soms ook genoegen in, om in zijn tuin te werken. Lachend sprak hij dan wel eens van een minister, die verbannen was geworden van het hof en nu tuinman was te Loeches.We waren allen verheugd, dat onze meester zulk een genoegen schepte in een leven, zoo geheel verschillend van hetgeen hij tot nog toe had geleid. Tot ons groot leedwezen bemerkten wij echter na eenigen tijd, dat hij veranderde. Hij werd somber en verviel in een diepe droefgeestigheid. Met ons spelen deed hij niet meer en alles wat wij trachtten te doen om hem te verstrooien, scheen hem onverschillig te laten. Eerst dachten we, dat het verdriet over het verlies van zijn hooge positie weer was teruggekomen. De woorden van zijn biechtvader echter, die hem vroeger zoo goed met dit verlies hadden kunnen troosten, bleven thans zonder uitwerking.Het kon niet anders of deze toestand moest een geheime oorzaak hebben, die hij ons niet wilde meedeelen.“Mijnheer,” vroeg ik, toen ik eens alleen met hem was, met een mengeling van eerbied en genegenheid, “mag Gil Blas zijn meester een vraag doen?”“Zeker. Spreek maar,” antwoordde hij.“Wat is er geworden van de tevreden uitdrukking, die eenigen tijd geleden nog op uw gelaat lag? Doet het verlies van uw verloren positie u opnieuw verdriet?”“Neen, ik denk in het geheel niet meer aan wat ikvroeger ben geweest, alle eerbewijzen heb ik voor altijd vergeten.”“Maar waarom hebt ge dan geen kracht u te verzetten tegen een droefgeestigheid, die ons allen zoo ongerust maakt?Wat is er toch, mijn goede meester? Kunt ge er een geheim van maken voor Santillano, wiens trouw en bescheidenheid ge kent? Door welk ongeluk kan ik uw vertrouwen hebben verbeurd?”“Dat bezit ge nog altijd, maar ik zie er tegen op om te spreken over hetgeen mij in zulk een droevige stemming brengt. Ik kan alleen aan een dienaar en vriend als Santillano een dergelijke vertrouwelijke mededeeling doen. Ik ben ten prooi aan een sombere zwaarmoedigheid, die het eind van mijn leven verhaast. Voortdurend word ik achtervolgd door allerlei nare visioenen, die zich aan mijn oogen voordoen. Al is mijn hoofd sterk genoeg om mij te zeggen, dat dergelijke zaken niets te beteekenen hebben, ze keeren steeds terug.”Met verwondering had ik hem aangehoord; ik begreep nu, dat hij ziek was.“Mijnheer,” vroeg ik, “kan het misschien ook een gevolg zijn van onvoldoende voeding? U eet zoo weinig.”“Dat heb ik ook gedacht en daarom heb ik sinds eenige dagen meer gegeten, maar het is alles nutteloos! Het spookbeeld verdwijnt niet.”Weinig tijd daarna werd de graaf-hertog ziek. Hij gevoelde, dat zijn toestand ernstig was en ontbood een notaris, die zijn testament moest opmaken.Ook kwamen er drie beroemde geneesheeren bij hem, die de reputatie hadden, dat zij soms hun zieken genazen en die naar het voorbeeld van dokter Sangrado begonnen met aderlatingen en dat zes dagen volhielden. Den zevenden dag was hij bevrijd van visioenen.Na den dood van onzen meester heerschte er in het kasteel te Loeches een oprechte droefheid. Alle bedienden beweenden hem. Wel verre van ons te troosten met de zekerheid in het testament te staan, was er niet een, dieniet gaarne afstand zou hebben gedaan van zijn legaat, om onzen heer weer in het leven te kunnen roepen.Wat mij betreft, ik, die zoo aan hem was gehecht, heb, geloof ik, bij den dood van Antonia niet meer tranen vergoten, dan bij den zijne.Hoofdstuk XIIVan wat er op het kasteel de Loeches gebeurde, na den dood van den graaf-hertog en wat Gil Blas deed.Onze meester werd, zooals hij gewenscht had, op eenvoudige wijze begraven. Daarna liet mevrouw het testament lezen, waaruit bleek, dat alle bedienden goed waren bedacht. Mijn legaat was het grootste; ik kreeg tienduizend pistolen, als blijk van de ongewone genegenheid, die hij voor mij had gehad.Mevrouw zond alle bedienden naar Madrid, waar de intendant don Raimond Caporis de legaten uitbetaalde. Ik kon niet meegaan, want ik was ziek. Zeven of acht dagen moest ik te bed blijven en in dien tijd verliet de Dominicaner-priester, die de biechtvader van mijn meester was geweest, mij bijna niet.De goede geestelijke, die vriendschap voor mij gevoelde en belang stelde in mijn heil, vroeg mij toen ik begon te herstellen, wat ik wilde gaan doen.“Ik weet het nog niet vader, er zijn oogenblikken, dat ik mij in een cel zou willen opsluiten voor boetedoening.”“Profiteer van die oogenblikken mijn zoon. Ik zou u aanraden u in ons klooster te Madrid terug te trekken. Word er een weldoener van, door het uwe goederen te schenken en sterf als een heilige Dominicaner. Er zijn veel menschen, die een wereldsch leven zoo eindigen.”In den gemoedstoestand, waarin ik mij op dat oogenblik bevond, was ik wel geneigd den raad van den priester te volgen. Maar Scipio, die een oogenblik later bij mij kwam, bracht mij tot andere gedachten.“Wel foei! mijnheer de Santillano. Dat is een ziekelijkegedachte! Is uw kasteel te Lirias niet een aangenaam verblijf? Vroeger hadt ge daar reeds zulk een genoegen in en bij het klimmen van de jaren moet het grooter zijn geworden.”Scipio hoefde niet veel moeite te doen om mij van plan te doen veranderen en ik besloot naar mijn kasteel terug te gaan.Zoodra ik hersteld was, ging ik naar Madrid, waar ik mijn legaat in ontvangst nam en orde stelde op mijn overige zaken.Met Scipio sprak ik af, dat hij me zou vergezellen naar Lirias. Den avond voor ons vertrek vroeg ik hem, of hij afscheid had genomen van don Henri.“Ja,” antwoordde hij, “wij zijn vanmorgen in der minne gescheiden. Hij heeft mij gezegd, dat het hem speet, dat ik heenging; maar al was hij tevreden over mij, ik was het weinig over hem. Het is niet voldoende, dat de knecht den meester bevalt, de meester moet den knecht ook bevallen, anders passen zij niet bij elkaar. Overigens maakt don Henri zoowel aan het hof als in de stad een treurig figuur. Er was geen eer aan te behalen.”Zoo vertrokken wij dus weer uit Madrid en sloegen den weg in naar Cuença. Scipio en ik zaten met een koetsier in een wagen, getrokken door twee muilezels. Daarachter kwamen drie muilezels, beladen met ons geld en ons goed en bij ieder een drijver. Al die mannen waren gewapend met sabels en pistolen en daarachter volgden twee tot aan de tanden gewapende lakeien. Wij waren dus met zeven man, waarvan er zes dapper waren en behoefden niet bang te zijn voor onze veiligheid.In de dorpen, waar wij doorreden, kwamen de boeren op het geluid van de schelletjes, die onze muilezels droegen, naar buiten, om onze equipage te bewonderen. Het scheen hun zeker wel, of er een grande op weg ging, om ergens het ambt van onderkoning te gaan bekleeden.Hoofdstuk XIIIVan den terugkeer van Gil Blas in zijn kasteel. Van de vreugde, die hij had de kleineSéraphineweer te zien en op welke dame hij verliefd werd.Wij maakten geen groote dagreizen en hadden veertien dagen noodig om te Lirias te komen. Het gezicht van mijn kasteel wekte eerst droevige gedachten bij mij op, omdat het mij herinnerde aan Antonia; maar er waren twee-en-twintig jaren sinds haar dood voorbijgegaan en mijn smart was gesleten.Béatrixen haar dochter kwamen ons hartelijk welkom heeten. Ik vond het jonge meisje zeer bekoorlijk.“Hoe is ’t mogelijk!” riep ik uit, “dat dit de kleine Séraphine is! We moeten er aan gaan denken haar uit te huwelijken.”“Wel beste peetvader!” zei het meisje en zij bloosde een weinig, “u ziet mij nog maar een oogenblik en nu wilt ge u al van mij ontdoen!”“Neen, mijn kind,” antwoordde ik, “wij willen geen man voor u, die u ons ontneemt, maar een die, om zoo te zeggen, met ons kan samenleven.”“Er heeft zich al iemand voorgedaan,” zeiBéatrix. “Een jonge edelman uit deze streek heeft Séraphine in de mis gezien en is verliefd op haar geworden. Hij is bij mij gekomen en heeft zijn liefde geopenbaard, maar ik heb hem natuurlijk gezegd, dat de beslissing afhing van haar vader en van den heer van het kasteel. Nu ge beiden teruggekomen zijt, kan hij zich tot u wenden.”“Wat voor man is het?” vroeg Scipio. “Is hij trotsch op zijn adel en ziet hij laag op ons neer?”“O neen, hij is een zeer zachte en beleefde jongeman, met een goed uiterlijk en nog geen dertig jaar oud.”“Ge geeft ons daar een mooi portret,” zei ik. “En hoe heet hij?”“Don Juan de Jutella,” antwoordde de vrouw van Scipio. “Hij woont op zijn kasteel op een uur afstand van hier met zijn zuster.”“Ik heb vroeger,” zei ik, “van die familie hooren spreken. Ze behoort tot den voornamen adel van Valencia.”“Op zijn karaktereigenschappen let ik meer dan op zijn adel,” zei Scipio.Séraphine beantwoordde haar vader door te zeggen, dat de jonge man in zijn omgeving zeer werd geacht, waarna hij en ik elkaar aankeken en begrepen, dat de galant het meisje niet onverschillig was.Reeds spoedig maakten wij kennis met hem, want hij kwam ons twee dagen later op het kasteel bezoeken. Als buurman kwam hij ons gelukwenschen met onze terugkomst en ons welkom heeten.De jongeman maakte op mij een zeer gunstigen indruk. Hij sprak nog niet van zijn liefde, maar gaf wel den wensch te kennen, dat wij, als goede buren, elkaar dikwijls zouden zien.Toen hij weg was, vroeg Béatrix hoe wij over hem dachten. Zoowel Scipio als ik meende, dat zich voor Séraphine geen betere partij kon voordoen.Den volgenden dag brachten Scipio en ik een tegenbezoek aan don Juan de Jutella. Zijn antiek kasteel lag in een bosch, aan den voet van een berg. Het gebouw was min of meer vervallen, maar goed gemeubileerd.Don Juan ontving ons in een zaal, waar hij ons aan een dame voorstelde, zijn zuster Dorothea, die ongeveer twintig jaar kon zijn. Zij was sierlijk gekleed, alsof ze bezoek had verwacht en ze was bekoorlijk. Ze maakte op mij denzelfden indruk als vroeger Antonia deed, dat is te zeggen, dat ik verlegen was, maar ik wist mijn verlegenheid zoo goed te verbergen, dat ze zelfs Scipio niet opviel.Onze gastheer sprak nog niet van zijn liefde voor Séraphine. Wij onderhielden ons eenigen tijd aangenaam en ik kon daarbij mijn oogen moeilijk van Dorothea afhouden.Toen wij naar huis terugkeerden, sprak ik onophoudelijk van haar.“Wel mijnheer,” zei Scipio, “ge houdt u zoo druk bezig met de zuster van don Juan! Ge zijt toch niet verliefd op haar?”“Ja, mijn vriend,” antwoordde ik en ik werd rood van schaamte. “Sinds den dood van Antonia, heb ik duizend mooie vrouwen gezien, die mij onverschillig lieten. Moet ik nu op mijn leeftijd nog verliefd worden, zonder dat ik mij daartegen kan verdedigen?”“Ge moest u daarover verheugen, inplaats van u te beklagen,” zei Scipio, “ge zijt nog niet op een leeftijd, dat het belachelijk is, om verliefd te zijn en uw uiterlijk is nog goed genoeg, om een meisje te bevallen. Geloof mij, als ge don Juan weerziet, vraag hem dan zijn zuster. Hij zal u haar niet weigeren, vooral niet, omdat ge ook van adel zijt. Na vier of vijf geslachten, zal dat van Santillano misschien een der schitterendste zijn.”Hoofdstuk XIVHet dubbel huwelijk, dat te Lirias plaats had en dat het einde is van de geschiedenis.Scipio moedigde mij door zijn woorden aan, om Dorothea mijn liefde te verklaren. Hoewel ik er zeker tien jaar jonger uitzag dan ik was, maakte ik mij toch ongerust over de wijze, waarop mijn aanzoek zou worden opgenomen.Den volgenden dag, toen ik juist bezig was mij te kleeden, kwam don Juan bij mij om mij, naar hij zei, over een ernstige zaak te spreken.Ik liet hem in mijn kabinet, waar hij mij dadelijk het doel van dit bezoek begon mee te deelen.“Het zal u wellicht niet onbekend zijn,” zei hij, “dat ik Séraphine liefheb. Gij hebt veel invloed op haar vader, help mij en ik zal u het geluk van mijn leven te danken hebben.”“Mijnheer,” antwoordde ik hem, “ge zult er misschien geen bezwaar tegen hebben, dat ik uw voorbeeld volg. Ik beloof u, bij den vader van Séraphine voor u te spreken, doe hetzelfde voor mij bij uw zuster.”Bij deze woorden liet don Juan een aangename verrassing blijken, die ik als een gunstig teeken voor mij beschouwde. “Is het mogelijk!” riep hij, “dat Dorothea uw hart heeft veroverd?”“Ik zou de gelukkigste van alle menschen zijn,” antwoordde ik, “indien mijn aanzoek gunstig door haar en u werd ontvangen.”“Daar kunt ge zeker van zijn,” zei hij, “al zijn wijvan adel, we zullen prijs stellen op een verbintenis met u.”“Het doet mij genoegen,” hernam ik, “dat ge verstandig genoeg zijt, om de hand van uw zuster ook te willen schenken aan een burgerman. Maar wanneer ge ijdel genoeg waart, om haar alleen te willen geven aan een edelman, dan zou ik u ook kunnen tevreden stellen. Ik heb twintig jaar gewerkt in de bureaux van het ministerie en om de diensten, die ik aan den staat heb bewezen, te beloonen, heeft de koning mij brieven van adeldom verleend, die ik u zal toonen.”Daarop bracht ik mijn papieren te voorschijn, die hij met kennelijk genoegen inzag.“Nog beter!” zei hij, “Dorothea is voor u.”“En gij kunt rekenen op Séraphine,” riep ik.Tot de twee huwelijken was dus besloten, indien althans de dames daaraan hare goedkeuring wilden hechten. Want don Juan, zoowel als ik waren beiden veel te fijngevoelig zonder haar toestemming onzen zin te willen doorzetten. Dadelijk deelde ik Scipio enBéatrixhet onderhoud mee. De laatste was zeer met het aanzoek ingenomen en Séraphine bewees door haar zwijgen, dat ze van hetzelfde gevoelen was. Scipio maakte eenige bezwaren, omdat er een groote bruidschat zou noodig zijn voor het huwelijk met een heer, wiens kasteel noodig moest hersteld worden; maar ik stopte hem den mond door te zeggen, dat ik zijn dochter vierduizend pistolen tot bruidschat zou geven.Ik zag don Juan denzelfden avond. “Uw zaak,” zei ik, “staat zoo goed als het maar kan, ik zou wel willen, dat het met de mijne hetzelfde was.”“Dat is zoo,” antwoordde hij. “Mijn zuster stemt gaarne toe. Gij bevalt haar, alleen maakt ze bezwaar, dat zij u niets anders kan schenken dan haar hart en hand.”“Wat zou ik meer vragen?” riep ik verheugd. “Ik ben rijk genoeg om haar zonder bruidschat te trouwen.”Don Juan en ik, verheugd, dat de zaken tot zoover naarwensch waren gegaan, besloten onze huwelijken spoedig te doen plaats hebben en overbodige ceremonies daarbij te vermijden. Ik bracht hem daarop bij Séraphine en haar ouders. Hij beloofde ons den volgenden dag te zullen terugkomen met Dorothea.Uit lust, een goeden indruk te maken op mijn uitverkorene, bleef ik wel drie uur bezig met mijn toilet, zonder nog tevreden over mijzelf te zijn. Voor een jongen man, die zijn geliefde wacht, is dat een aangenaam werk, maar voor iemand, die reeds op jaren begint te komen, is het een moeilijke bezigheid.Ik was echter zoo gelukkig, dat zij mij met veel welwillendheid aanzag, toen wij elkaar weer ontmoetten. Er volgde een lang onderhoud, waarin ik gelegenheid had ook het verstand van mijn aanstaande vrouw te bewonderen.Een notaris uit Valencia stelde de huwelijksche voorwaarden op en de pastoor uit Paterna kwam te Lirias, om de twee huwelijken in te zegenen.Over mijn huwelijk heb ik mij nooit beklaagd. Dorothea was een deugdzame vrouw, die, gevoelig voor mijne goede zorgen, zich weldra aan mij hechtte, alsof ik jong was geweest.Ook don Juan en zijn vrouw waren zeer gelukkig en de twee schoonzusters werden weldra intieme vriendinnen.Van mijn kant vond ik zooveel goede eigenschappen in mijn zwager, dat ik een groote genegenheid voor hem opvatte, die hij met dankbaarheid beantwoordde.De verstandhouding was van dien aard, dat, wanneer wij ’s avonds scheidden om elkaar den volgenden dag weer te zien, het ons leed deed. Daarom besloten wij van de twee families er een te maken, die nu eens op het kasteel te Lirias woonde en dan op dat van Jutella. Het laatste had belangrijke herstellingen ondergaan.Het is nu reeds drie jaar, lezer en vriend, dat ik een zeer gelukkig leven leid met de personen, die mij zoo dierbaar zijn. Om mijn geluk te volmaken, heeft de hemel mij tweekinderen geschonken, wier opvoeding de vreugd is van mijn ouden dag en waarvan ik oprecht geloof de vader te zijn.Einde van Gil Blas
Twaalfde BoekHoofdstuk IGil Blas wordt door den minister naar Tolédo gezonden. Van het doel en het succes van zijn reis.Reeds een maand lang zei mijn meester iederen dag tegen mij: “Santillano, de tijd nadert, dat je behendigheid mij van dienst kan zijn,” en die tijd kwam maar niet. Eindelijk echter zei de minister: “Men zegt, dat er bij een troep comedianten teTolédoeen jeugdige actrice is, die opzien wekt door haar talenten: men beweert, dat zij goddelijk danst en zingt en dat ze de toeschouwers in verrukking brengt door haar voordracht; ook verzekert men, dat zij een schoonheid is. Een dergelijke actrice verdient aan het hof te verschijnen. De koning houdt van comediespel, van muziek en dans en het genoegen mag hem niet worden onthouden iemand te zien en te hooren van zulke zeldzame verdiensten. Ik heb dus besloten je naar Tolédo te zenden om voor je zelf te oordeelen, of het werkelijk zulk een bewonderenswaardige actrice is. Ik zal mij houden aan den indruk, dien je krijgt en mij op je smaak verlaten.”Ik antwoordde den minister, dat ik zijn opdracht gaarne zou vervullen en ik stelde hem voor, dat ik zou vertrekken met één lakei, die niet den uniform van den minister zou dragen, om de zaak meer geheimzinnig te behandelen, wat zeer in den geest viel van mijn meester.Ik ging dus op weg naar Tolédo en daar aangekomen, nam ik mijn intrek in een hotel bij het kasteel.Nauwelijks was ik afgestapt of de waard, die mij zeker voor een landedelman hield, vroeg of ik voor het groote kettergericht kwam, dat den volgenden dag zou plaats hebben. Ik antwoordde van ja want ik vond het beter,dat hij dit geloofde dan dat hij mij verdere vragen deed.“Ge zult dan een van de schoonste processies zien, die wij hier ooit hebben gehad,” zei hij, “er zijn, zegt men, meer dan honderd gevangenen, waaronder tien of meer die verbrand zullen worden.”Werkelijk hoorde ik den volgenden morgen voor het opgaan van de zon alle klokken in de stad luiden en men liet het klokkenspel spelen, om het volk te waarschuwen, dat het kettergericht zou beginnen. Benieuwd om dit verschrikkelijk feest, dat ik nog nooit had gezien, bij te wonen, kleedde ik mij haastig aan en begaf mij naar de inquisitie. Er waren in de straten, waar de processie langs moest gaan verhevenheden opgesteld, waarop men voor geld kon plaats nemen. Weldra zag ik de Dominicanen, die voorop liepen, voorafgegaan door de banier van de heilige inquisitie. Deze goede vaders werden onmiddellijk gevolgd door de treurige slachtoffers, die de heilige dienst dien dag wilde straffen. Deze ongelukkigen gingen achter elkaar,met bloote voeten, een waskaars in de hand en ieder een geleider naast zich. Sommigen droegen een soort schoudermantel van geel linnen eneen mutsin den vorm van een suikerbrood. Deze mutsen waren bedekt met vlammen en duivelsche figuren.Toen ik die ongelukkigen bekeek met een medelijden, dat ik niet wilde laten blijken, uit vrees voor een misdadiger te worden gehouden, herkende ik onder hen, wier hoofd zulk een muts droeg, de eerwaarde vaderRaphaëlen broeder Ambrosius. Ze waren zoo dicht bij mij, dat ik mij niet kon vergissen.“Wat zie ik! De hemel, die eindelijk genoeg kreeg van hun wandaden, heeft deze booswichten dus overgeleverd aan het recht der inquisitie!” Ik begon te beven en had een gevoel of ik zou bezwijmen. De verbintenis, die ik had gehad met de twee schelmen, het avontuur te Xelva, kortom alle gelegenheden, dat ik met hen in aanraking was gekomen, kwamen plotseling voor den geest. Ik dankte God, dat Hij mij voor zulk een lot had behoed.Toen de ceremonie voorbij was, keerde ik naar het hotel terug, nog bevende van hetgeen ik had gezien. Maar de verschrikkelijke beelden moesten uit mijn geest verdwijnen; ik moest mij bezighouden met de taak, die mijn meester mij had opgedragen.Toen het uur naderde, waarop de schouwburg moest openen, begaf ik mij daarheen. Ik kreeg een plaats naast een ridder uit Alcantera, met wien ik weldra een gesprek had aangeknoopt.“Mijnheer,” vroeg ik,“is het een vreemdeling geoorloofd u een vraag te doen?”“Mijnheer,” antwoordde hij zeer beleefd, “ik zal daardoor vereerd zijn.”“Men heeft mij,” hernam ik, “de comedianten van Tolédo zeer geprezen. Heeft men ongelijk gehad, door zooveel goeds van hen te zeggen?”“Neen,” antwoordde hij, “hun troep is niet slecht. Er zijn zelfs zeer goede krachten bij hem aan te wijzen. Uzult onder anderen de schoone Lucretia zien, een actrice van veertien jaar, die u zal verwonderen. ’t Is niet noodig, haar aan te wijzen, wanneer zij op de planken zal verschijnen, ge zult haar gemakkelijk onderscheiden.”Het stuk begon. Er kwamen twee actrices op de planken, die niets verzuimd hadden om zich bekoorlijk te maken, maar niettegenstaande alle diamanten, hield ik noch de een, noch de andere voor degene, die ik verwachtte.Eindelijk verscheen de schoone Lucretia en haar opkomst werd door het publiek begroet met een algemeen en lang handgeklap.“Ah! Daar is ze!” zei ik bij mezelf. “Wat een nobel uiterlijk! Wat een gratie! Welke mooie oogen!” Werkelijk was ik ten zeerste over haar voldaan of liever gezegd, hare persoonlijkheid trof mij buitengewoon. Van het eerste oogenblik af, dat zij begon te spreken, vond ik in haar voordracht veel natuurlijkheid, geest en vuur. Gaarne stemde ik in met het publiek, dat haar luid toejuichte.“Ge ziet,” zei de heer naast mij, “dat Lucretia de lieveling is van het publiek. Wat zegt ge van haar?”“Ik ben verwonderd over haar gaven.”“Ge zult het nog meer zijn, wanneer ge haar hebt hooren zingen en zien dansen.”“Welk een geluk zich ter wille van zulk een beminnelijk schepseltje te mogen ruïneeren!” zei ik.“Ze heeft geen bepaalden minnaar,” antwoordde hij, “en men hoort zelfs niet van intriges, ze kon die echter wel hebben, want ze woont bij haar tante Estella en deze is een ervaren tooneelspeelster.”Bij het hooren van den naam Estella viel ik mijn buurman in de rede, om hem te vragen of die dame ook een actrice was. Hij antwoordde mij, dat zij een van de besten was en na de beschrijving, die hij mij van haar gaf, twijfelde ik er niet aan of het was Laura, dezelfde Laura, van wie ik zooveel gesproken heb in mijn boek en die ik te Granada had achtergelaten.Estella was dien avond niet opgetreden, maar ik hoopte toch haar in den schouwburg te vinden en begaf mij daarom na de voorstelling achter het tooneel.Ik vroeg naar Estella en men wees haar aan. Ze was op het oogenblik in gesprek met eenige heeren, die waarschijnlijk in haar meer de tante van Lucretia zagen. Hetzij uit een gril, hetzij om mij te straffen voor mijn overhaast vertrek uit Granada, deed ze alsof ze mij niet kende en ontving mijn beleefdheden op zulk een wijze, dat ik uit het veld was geslagen. Inplaats van haar lachend hare koele ontvangst te verwijten, was ik dwaas genoeg om mij kwaad te maken. Ik verwijderde mij plotseling en nam mij voor den volgenden dag naar Madrid terug te keeren. Om mij op Laura te wreken, wilde ik niet, dat haar nicht de eer zou hebben voor den koning op te treden. Daartoe had ik den minister slechts een minder vleiend portret van Lucretia te geven.Mijn lust om wraak te nemen was echter niet van langen duur. Den volgenden morgen kwam een jonge lakei bij mij met een briefje, waarin ik las:“Vergeet de wijze waarop ge gisteren in den schouwburg werdt ontvangen en laat u door brenger dezes geleiden.”Dadelijk volgde ik den lakei, die mij naar een groot huis bracht, waarin Laura hare kamers had.Ik vond Laura aan haar toilet. Ze stond op, om mij te omhelzen en zei: “Mijnheer Gil Blas, ik weet wel, dat ge geen reden hebt over de ontvangst, die ik u gisteren heb bereid, tevreden te zijn. Een oud vriend, als gij, hadt recht om meer vriendelijkheid te verwachten. Om mij echter te verontschuldigen, moet ik zeggen, dat ik op dat oogenblik in het slechtste humeur van de wereld was. Een van die heeren had mij juist iets gezegd van mijn nicht, wier eer mij meer aan het hart ligt dan die van mijzelve. Gelukkig wist ik uw woning te laten vinden en zoo kon ik mijn fout herstellen.”“Dat is gebeurd, mijn waarde Laura, laten wij er nietverder van spreken, maar elkaar liever onze avonturen vertellen, na dien ongelukkigen dag te Granada, toen de vrees mij overhaast deed vluchten. Ik heb u toen in groote verlegenheid achtergelaten. Hoe hebt ge u er uit kunnen redden? Dat is zeker niet zonder moeite gegaan? En ge hebt zeker wel al uw slimheid noodig gehad, om uw Portugeeschen minnaar tot bedaren te brengen?”“In het geheel niet,” antwoordde Laura. “Weet ge niet, dat in dergelijke gevallen de mannen zoo zwak zijn, dat ze zelfs de vrouwen de moeite besparen om zich te rechtvaardigen! Ik hield tegenover den markies de Marialva vol, dat je mijn broer was. Neem mij niet kwalijk, dat ik je weer zoo familiaar aanspreek, maar ik kan mij moeilijk van die oude gewoonte losmaken. Den Portugees vroeg ik dadelijk of hij niet merkte, dat alles het werk was van Narcissa, die jaloersch op mij was en zich op zulk een wijze wilde wreken. Als een nieuw bewijs van het complot, dat men tegen mij had gesmeed, noemde ik het plotseling verdwijnen van mijn broer. Men had daartoe zeker eenige kunstgrepen gebruikt en het mij zoodoende onmogelijk gemaakt te bewijzen, dat hier alleen jaloezie en wraakzucht in het spel waren. Om kort te gaan, de markies was tevreden en de markies bleef mij beminnen tot hij Granada verliet, om weer naar Portugal te gaan.Nog een paar jaren bleef ik in Granada; toen ging onze troep uiteen; sommigen gingen naarSévilla, anderen naar Cordova en ik ging naarTolédo, waar ik nu sinds tien jaar woon met mijn nicht Lucretia, die je gisteren hebt zien spelen.”Hier kon ik niet nalaten te glimlachen. Laura zag het en vroeg naar de reden.“Kan je dat niet raden,” vroeg ik. “Je hebt broers noch zusters en ’t is dus niet mogelijk, dat je de tante bent van Lucretia. Bovendien, wanneer ik bij mijzelf den tijd bereken, die na onze laatste scheiding is verloopen, dan komt het mij niet onmogelijk voor, dat gij tweeën nader aan elkaar verwant zijt.”De weduwe van don Antonio bloosde een weinig en zei: “Welnu, mijn vriend, ik zal je dan maar eerlijk bekennen, dat Lucretia de dochter is van den markies de Marialva en mij.”“Het publiek,” merkte ik op, “mag u wel dankbaar zijn, dat ge het zulk een cadeau hebt gegeven.”Indien een sluwe lezer, die zich de samenkomsten herinnert, die ik te Granada met Laura had, toen ik secretaris was van den markies de Marialva, mij misschien er van mocht verdenken dien heer de eer te willen betwisten van het vaderschap van Lucretia, dan moet ik hem tot mijn schande doen opmerken, dat zijn vermoeden ongegrond is.Daarna vertelde ik Laura al wat er met mij was gebeurd en ik deelde haar mee, welke mijn opdracht was betreffende haar nicht.Zij toonde zich zeer ingenomen met dit plan en zei: “Als ik hier geen verbintenis had, die ik niet dadelijk kan afbreken, dan zou ik morgen wel reeds naar Madrid willen vertrekken.”“Een bevel van het hof kan die verbintenis verbreken,” zei ik. “En ik geef je de verzekering dat dit binnen acht dagen zal gebeuren. Ik heb er genoegen in den inwoners van Tolédo Lucretia te ontnemen. Een actrice, zooals zij, is geschapen voor het hof. Ze komt ons van rechtswege toe.”Juist had ik die woorden gesproken, toen Lucretia de kamer binnenkwam. Ik meende de godin Hebe te zien, zoo bekoorlijk en gracieus was zij. Laura deelde haar het doel van mijn bezoek mee en het jonge meisje toonde zich zeer ingenomen daarmee.Wij bleven nog eenigen tijd in gesprek en daarbij had ik gelegenheid om op te merken, dat Lucretia een buitengewoon verstandig meisje was.Bij het afscheid nemen van de dames, verzekerde ik haar, dat zij spoedig een bevel van het hof zou ontvangen, om zich naar Madrid te begeven.Hoofdstuk IISantillano doet verslag van zijn zending aan den minister, die hem opdraagt ervoor te zorgen, dat Lucretia te Madrid zal komen. Van de aankomst van deze actrice en haar eerste optreden voor het hof.Bij mijn aankomst te Madrid vond ik den minister vol ongeduld, om den uitslag van mijn reis te vernemen.“Gil Blas,” vroeg hij, “heb je die actrice gezien? Is het de moeite waard, om haar aan het hof te laten verschijnen?”“Excellentie,” antwoordde ik, “de roem van dergelijke personen wordt gewoonlijk overdreven, maar van de jonge Lucretia kan niet genoeg goed worden gezegd. Zij is bewonderenswaardig, zoowel door haar talenten, als door haar schoonheid.”“Is het mogelijk!” riep de minister en ik zag daarbij in zijn oogen een inwendige genoegdoening, die mij deed denken, dat hij mij misschien in zijn eigen belang naar Tolédo had gezonden. “Is het mogelijk, dat ze zoo mooi is, als ge zegt?”“Wanneer u haar ziet, zult ge het mij moeten toestemmen,” antwoordde ik.“Santillano, geef mij nu een uitvoerig verhaal van uw reis. Deel mij alles mee, wat er gebeurd is.”Ik vertelde hem alles, ook dat Lucretia een dochter was van Laura en den markies de Marialva.“Het doet me genoegen,” zei hij, “dat zij een dochter is van een man van stand. Dat doet mij nog meer belang in haar stellen. Wij moeten haar hier hebben. Maar, mijn vriend, één ding moet ik je op het hart drukken:ikmoetbuiten de zaak blijven. Alles moet het werk zijn van Gil Blas de Santillano.”Ik zocht hierna Carnero op en zeide hem namens den minister, dat een bevel verzonden moest worden, om Estella en Lucretia, actrices van den schouwburg te Tolédo, in den koninklijken troep op te nemen. Toen dit stuk geschreven was, zond ik dadelijk denzelfden lakei, die mij op mijn reis had vergezeld, naar Estella.Acht dagen later kwamen moeder en dochter te Madrid aan, waar ze haar intrek namen in een hotel bij den koninklijken schouwburg. Dadelijk na haar aankomst bracht ik een bezoek aan de dames, om mijne diensten aan te bieden.Bij het eerste optreden was de schouwburg geheel vol. Men had een stuk gekozen, dat de nieuwe actrices gewoon waren geweest te Tolédo te spelen. Ik kan niet ontkennen, dat ik de oogenblikken vóór het stuk begon, niet geheel op mijn gemak was. Maar nauwelijks hadden de twee actrices den mond geopend, of al mijn vrees was verdwenen. Lucretia nam aller harten voor zich in. Men bewonderde om strijd haar mooie oogen, haar zachte stem en ieder was getroffen door haar bevalligheid.De minister was dien avond ook in den schouwburg. Daar ik zeer nieuwsgierig was, om zijn indruk te vernemen, wachtte ik hem ’s avonds in zijn kabinet op.“Wel Excellentie,” vroeg ik, “is u tevreden over de kleine Marialva?”“Ik zou wel zeer moeilijk te voldoen zijn,” antwoordde hij glimlachend, “indien ik het algemeen gevoelen van het publiek niet deelde. Ja, mijn vriend, je reis naar Tolédo is gelukkig geweest. En ik twijfel er niet aan, of de koning zal Lucretia ook met genoegen zien spelen.”Hoofdstuk IIILucretia maakt grooten opgang aan het hof en speelt voor den koning, die verliefd op haar wordt. Gevolg van die liefde.Het eerste optreden van de twee nieuwe actrices werd den volgenden dag druk besproken. Ook in tegenwoordigheid van den koning werd de jonge Lucretia zeer geroemd. Deze deed echter of hij aan die gesprekken weinig aandacht schonk.Toen hij echter alleen was met den eersten minister, vroeg hij, wie die jonge actrice was, die men zoo prees.De minister antwoordde: “Het is een jong meisje, dat aan den schouwburg te Tolédo was verbonden. Ze heet Lucretia, wat een goede naam is voor iemand van haar beroep en is een kennis van Gil Blas de Santillano, die mij zooveel goeds van haar had verteld, dat ik het gewenscht achtte om haar in den koninklijken troep op te nemen. Bij haar eerste optreden gisterenavond heeft zij een zeer groot succes gehad.”Bij het hooren van mijn naam, had de koning een glimlach niet kunnen weerhouden. Hij herinnerde zich misschien op dat oogenblik, dat ik het geweest was, die hem in kennis had gebracht met Catalina en had er mogelijk een voorgevoel van, dat ik hem in deze aangelegenheid denzelfden dienst zou kunnen bewijzen. Hoe het zij, hij deelde den minister mee, dat hij den volgenden avond Lucretia wilde zien spelen en dat men haar dit zou berichten.De graaf-hertog vertelde mij, welk gesprek hij had gehad en verzocht mij de twee actrices te gaan waarschuwen.Het eerst zag ik Laura en ik zei haar: “Ik kom u een groot nieuws meedeelen. De minister heeft mij belast u te zeggen, dat de koning morgenavond de voorstelling met zijn tegenwoordigheid zal vereeren. Ik twijfel er niet aan, of gij beiden zult al het mogelijke doen, om u die eer waardig te doen zijn. Wanneer ik u een raad mag geven, dan zou het deze zijn, om een stuk te kiezen, waarin veel zang en dans voorkomen,opdatde koning alle talenten bewonderen kan, die Lucretia bezit.”“Wij zullen uw raad opvolgen,” zei Laura, “het zal niet aan ons liggen, wanneer hij niet voldaan is.” Op dat oogenblik kwam Lucretia binnen, die er thans nog bekoorlijker uitzag, dan in haar tooneelkleeding.“De koning,” zei ik, “zal uw schoone nicht nog meer bewonderen, indien zij optreedt in een stuk, waarin zang en dans voorkomen. Hij zou daardoor zelfs wel eens in de verzoeking kunnen komen haar zijn zakdoek toe te werpen.”“Ik hoop niet,” zei Laura, “dat hij zoo iets zal probeeren, want welk een machtig vorst hij ook mag zijn, hij zou dan wel eens op tegenstand kunnen stuiten. Hoewel zij in de tooneelwereld is opgevoed, is Lucretia deugdzaam en welk genoegen zij ook heeft in de toejuichingen van het publiek, het is voor haar meer eer een braaf meisje, dan een goede actrice te zijn.”“Lieve tante,” zei de kleine Marialva, zich in het gesprek mengende, “waarom u zorgen gemaakt voor den tijd? Ik zal wel nooit voor die beproevingen komen te staan.”“Bekoorlijke Lucretia,” zei ik, “indien de koning u tot zijn minnares wilde maken, zoudt ge hem toch zeker niet tevergeefs laten zuchten?”“Waarom niet?” vroeg zij. “Het zou mij meer streelen, hem weerstand te hebben geboden, dan aan zijn begeerte te hebben voldaan.”Ik was niet weinig verwonderd een leerling van Laura op die wijze te hooren spreken en ik verliet de dames, demoeder prijzende, dat zij haar dochter zulk een goede opvoeding had gegeven.Den volgenden dag begaf de koning, verlangend om Lucretia te zien, zich naar den schouwburg. Men speelde een stuk, waarin de jonge actrice alle gelegenheid had om te schitteren. Van het begin tot het eind had ik mijn oogen gevestigd op den koning; ik trachtte op zijn trekken te lezen, wat hij dacht, maar hij behield hetzelfde ernstige gezicht, dat hij altijd trachtte op te zetten.Den volgenden dag eerst vernam ik, wat zijn indruk was geweest.“Santillano,” zei mijn meester, “ik heb den koning gesproken, die vol lof is over Lucretia en ik twijfel er niet aan of hij is op haar verliefd. Nadat ik hem had gezegd, dat gij haar uit Tolédo hebt laten komen, zei hij, dat hij gaarne met u een onderhoud zou willen hebben. Ga er dus heen. Hij heeft al bevel gegeven om je dadelijk bij hem toe te laten en kom mij den afloop meedeelen.”De koning liep met groote stappen op en neer, toen ik bij hem binnenkwam. Hij deed mij allerlei vragen over Lucretia, wier geheele geschiedenis ik hem moest vertellen. Vervolgens vroeg hij of zij al in eenig galant avontuur was betrokken geweest. Hoewel men met dergelijke verklaringen altijd zeer voorzichtig moet zijn, antwoordde ik hier toch beslist ontkennend, wat den vorst groot genoegen scheen te doen.“In deze zaak,” ging hij voort, “heb ik u tot mijn vertrouweling gekozen. Ik wil, dat de schoone Lucretia door u vernemen zal, welk een overwinning zij heeft gemaakt.” Hij stelde mij daarna een etui ter hand met diamanten ter waarde van ongeveer vijftig duizend kronen en ik moest haar vragen dit geschenk van hem te willen aannemen, in afwachting van andere bewijzen van zijn liefde.Om mij van die taak te kwijten, zocht ik mijn meester op en deed hem een getrouw verslag van mijn onderhoud met den koning. Ik had verwacht, dat de minister meer teleurgesteld dan verheugd zou zijn, want ik meende, dathijzelf verliefd was op Lucretia en dus ongaarne zou zien, dat de koning zijn medeminnaar was; maar ik bedroog mij in dit opzicht. Wel verre van teleurgesteld te zijn, was zijn vreugde zoo groot, dat hem zelfs eenige woorden ontsnapten. “Mooi zoo, Filips! daardoor zal u de lust voor de zaken wel vergaan!” Daaruit leidde ik af, dat de minister den koning wilde afhouden van de staatszaken en hem daarom een dergelijke verstrooiïng wilde schenken.“Santillano,” zei hij, “haast je mijn vriend, om dit bevel uit te voeren. Heel wat heeren aan het hof zouden jaloersch zijn op zulk een gewichtige taak. Denk er aan, dat het in dit geval niet de graaf de Lémos is, die het grootste gedeelte van de eer krijgt. Je zult die nu geheel alleen hebben en wat meer is, ook het voordeel.”Daar ik sedert het verblijf in de gevangenis gewoon was geworden, de zaken meer van een moreel standpunt te beschouwen, hinderde mij dit soort van werk wel, maar ik was toch niet deugdzaam genoeg om het te weigeren. Te liever vervulde ik den wensch van den koning, omdat mijn gehoorzaamheid ook aangenaam was voor den minister, wien ik in de eerste plaats genoegen wilde doen.Ik achtte het gewenscht om eerst een onderhoud te hebben met Laura, waarin ik haar den wensch van den koning kenbaar maakte en haar de edelsteenen liet zien. Op het gezicht daarvan kon ze haar vreugd niet bedwingen en zei: “Gil Blas, ’t is onder oude vrienden maar beter om eerlijk te zijn. Ik kan niet verbergen, dat ik ten zeerste verheugd ben over de overwinning van Lucretia, die van buitengewone waarde is. Maar, onder ons gezegd, ik vrees dat Lucretia de zaak uit een ander oogpunt zal beschouwen. Hoewel ze, om zoo te zeggen, op het tooneel is opgevoed, is ze verstandig en deugdzaam. Ze heeft al weerstand geboden aan de wenschen van twee beminnelijke jonge mannen. Ge zult me zeggen, dat die twee heeren geen koningen waren, dat stem ik toe en werkelijk de eer, een gekroond hoofd tot minnaar te hebben, moet sterker zijn dan de deugd van Lucretia; echter kan ik mij nietweerhouden je te zeggen, dat de zaak onzeker is. Wat mij betreft, ik verklaar je, dat ik mijn dochter niet zal tegenwerken. Kom morgen terug; ik zal je dan een gunstig antwoord geven of dit etui terug.”Ik twijfelde er niet aan of Laura zou Lucretia gemakkelijk overhalen. Niettemin vernam ik den volgenden dag met verwondering, dat Laura evenveel moeite had gehad, om Lucretia op den slechten weg te brengen, als andere moeders soms hebben, om haar dochters daarvan af te houden.Wat mij echter nog meer verwonderde was, dat Lucretia, na eenige malen een geheim onderhoud met den koning te hebben gehad, plotseling de wereld verliet en in een klooster ging, waar ze niet lang daarna ziek werd van verdriet en stierf. Laura kon zich niet troosten over het verlies van haar dochter, dat ze zich zelf verweet. Zij ging eveneens in een klooster, om er de genoegens van hare schoone dagen te beweenen.De koning was eerst getroffen door het plotselinge verdwijnen van Lucretia, maar hij was er de man niet naar om lang te treuren.Wat den minister aanging, hij nam weinig notitie van het gebeurde. Daartoe ontbrak hem de tijd.Hoofdstuk IVVan de nieuwe taak, die de minister aan Santillano gaf.Het ongeluk van Lucretia deed mij veel verdriet; ik beschouwde mijzelf als medeplichtig daaraan en besloot mij in geen geval meer met dergelijke zaken in te laten.Ik sprak daarover met den minister, die verwonderd scheen over mijn gewetensbezwaren. Hij zei: “Santillano, je hebt een goed karakter en ik wil je nu een opdracht geven, die daarmee meer in overeenstemming is. Luister goed toe, ik zal je zeggen wat de zaak is.Voor eenige jaren zag ik plotseling een dame, die zoo schoon en bekoorlijk was, dat ik haar liet volgen. Ik vernam, dat zij geboortig was uit Genua, dona Margarita Spinola heette en te Madrid leefde van de inkomsten van hare schoonheid. Men zeide mij, dat don Francisco de Valéasar, een rijke, oude en getrouwde man enorme sommen voor haar uitgaf. Wel verre van mij afkeer in te boezemen, deed dat bericht bij mij sterke verlangens ontstaan, om hare gunsten met Valéasar te deelen. Om daaraan te voldoen, nam ik mijn toevlucht tot een koppelaarster, die mij spoedig een geheim onderhoud met Margarita bezorgde, dat door verschillende andere werd gevolgd. Mijn medeminnaar en ik werden even goed behandeld voor de geschenken, die wij haar gaven. Misschien had ze nog wel een derden galant, die even gelukkig was als wij.Wat er van zij, het gevolg van alle hulde die Margarita ontving, was dat zij moeder werd. Zij bracht een zoon ter wereld en gaf zoowel Valéasar als mij de eer van het vaderschap. Maar wij wilden het kind geen van beidenerkennen, zoodat ze het zelf moest grootbrengen. Dat heeft zij gedurende achttien jaar gedaan, daarna is ze gestorven en heeft haar zoon achtergelaten zonder goed en, wat erger is, zonder opvoeding.Dit is een vertrouwelijke mededeeling, die ik je had te doen en nu wil ik je zeggen, wat mijn plan is. Ik wil mij het lot van dien ongelukkigen jongen aantrekken en hem erkennen.”Toen ik dit plan had aangehoord, was het mij onmogelijk om te zwijgen. “Excellentie! Hoe kunt u zulk een vreemd besluit nemen?”“Ge zult het niet zoo vreemd vinden, indien ik je de redenen ervan heb meegedeeld. Ik wil niet, dat mijn neven en nichten mijn erfgenamen zullen worden. Misschien zul je zeggen, dat wij nog niet op een leeftijd zijn gekomen, om zelf geen kinderen meer te krijgen. Maar welke geleerden wij ook hebben geraadpleegd, het is alles nutteloos geweest. Van mijn vrouw heb ik geen kinderen meer te verwachten. Het lot heeft nu een kind op mijn weg gesteld, waarvan ik misschien werkelijk vader ben. Dien jongen wil ik aannemen; dat is een zaak, waartoe ik vast besloten ben.”Toen ik merkte, dat de minister zich dit nu eenmaal vast in het hoofd had gesteld, sprak ik hem niet verder tegen. Ik wist, dat hij een man was, eerder in staat om een dwaasheid te doen, dan om terug te komen op een genomen besluit.“Het is nu de zaak, om een opvoeding te geven aan don Henri Philippe de Guzman, want dezen naam zal hij voorloopig in de wereld dragen. Om hem terzijde te staan, Santillano, heb ik jou uitgekozen. Ik vertrouw op je verstand en je gehechtheid aan mijn persoon. Draag zorg voor zijn huis, geef hem alle soorten van meesters; in één woord, maak van hem een volmaakt edelman.”Ik wilde mij daartegen verzetten, door mijn meester te zeggen, dat ik geen jonge heeren kon opvoeden, omdat ik dat nooit tevoren had gedaan; dat daarvoor meer verstanden meer verdiensten noodig waren, dan ik bezat, maar hij sloot mij den mond, door te zeggen, dat het zijn bepaalde wil was, dat ik ook de gouverneur zou zijn van zijn aangenomen zoon, dien hij voor de hoogste betrekkingen had bestemd.Dus bereidde ik mij voor, die taak te gaan vervullen ten genoege van mijn meester, die uit dankbaarheid mijn inkomen met duizend kronen per jaar verhoogde.Hoofdstuk VDe zoon van Margarita Spinola wordt bij authentieke acte erkend en don Henri-Philippe de Guzman genoemd. Santillano richt het huis van dien jongen heer in en geeft hem allerlei meesters.De acte van erkenning werd met goedkeuring van den koning opgemaakt. Don Henri-Philippe de Guzman (dat was de naam, dien men aan het kind met de verschillende vaders gaf) werd daarin tot eenig erfgenaam verklaard van het graafschap Olivarès en van het hertogdom de San-Lucar. Opdat iedereen het weten zou, liet de minister aan alle gezanten en grandes van Spanje deze mededeeling doen, waarover men niet weinig verwonderd was. De lachers in Madrid hadden langen tijd stof en de satirische dichters verzuimden deze gelegenheid niet om hun pen in gal te doopen.Ik vroeg aan den graaf-hertog, waar de jongeman was, dien hij aan mijn zorgen wilde toevertrouwen en hij antwoordde mij, dat hij thans in de stad was bij een tante, aan wier zorgen hij echter zou worden ontnomen, zoodra zijn huis ingericht zou zijn.Ik huurde dus een huis, liet het prachtig meubileeren en stelde pages, portier en andere bedienden aan.Toen dat gebeurd was, ging ik den minister waarschuwen, die dadelijk den twijfelachtigen en nieuwen spruit van den tak Guzman liet halen. Ik zag een grooten jongen, met een vrij aangenaam uiterlijk. De minister zei, toen hij ons voorstelde, dat don Henri mij in alle opzichten als zijn gids moest beschouwen.Wij gingen daarop naar het nieuwe huis, waar ik allebedienden aan hunnen nieuwen meester voorstelde. In den omkeer in zijn toestand scheen hij zich zeer gemakkelijk te kunnen schikken. Met groote gemakkelijkheid nam hij alle betuigingen van eerbied en beleefdheid in ontvangst. Het ontbrak hem niet aan verstand, maar hij was zeer onwetend. Hij kon nauwelijks lezen en schrijven. Ik gaf hem meesters in de beginselen van het Latijn, de aardrijkskunde, de geschiedenis en een schermmeester. Een dansmeester vergat ik niet, maar er waren in dien tijd zooveel van die vermaarde heeren, dat ik niet goed wist, wien te kiezen.Toen ik daar zoo over nadacht, zag ik een rijk gekleed man ons huis binnengaan.Hij vroeg mij te spreken. Ik verbeeldde mij, dat hij minstens een ridder van Alcantera was en vroeg waarmee ik hem van dienst kon zijn.“Mijnheer de Santillano,” antwoordde hij met vele buigingen, “men heeft mij verteld, dat gij belast zijt met het kiezen van meesters voor don Henri. Ik kom mijne diensten aanbieden. Ik heet Martin Ligero1en verheug mij in een goeden naam. Ik heb anders de gewoonte niet, om leerlingen te vragen, dat past slechts aan onbeduidende dansmeesters. In den regel wacht ik, tot men mij komt bezoeken. Maar daar ik bekend ben bij den hertog de Medina Sidonia, bij don Louis de Haro en eenige andere heeren van het huis Guzman, heb ik het als een eer beschouwd u voor te zijn.”“Ik merk uit hetgeen ge zegt, dat gij de man zijt, dien wij noodig hebben,” zei ik. “Hoeveel rekent ge per maand?”“Vier dubbele pistolen,” hernam hij, “dat is de vaste prijs en ik geef twee lessen per week.”“Vier dubbele pistolen!” riep ik. “Dat is veel!”“Hoezoo veel!” antwoordde hij op verwonderden toon. “Ge geeft wel een pistool per maand aan een onderwijzer in de philosophie.”Ik kon niet nalaten om dat antwoord te lachen en vroeg mijnheer Ligéro, of hij werkelijk meende, dat iemand van zijn vak boven een leeraar in de philosophie stond.“Dat geloof ik zeer zeker, mijnheer,” zei hij, “wij zijn in de wereld van heel wat meer nut, dan die heeren! Wat zijn de mannen, vóór ze door onze handen zijn gegaan? Lichamen uit één stuk! Ongelikte beeren! Maar onze lessen geven hun vorm en gratie.”Ik besloot den dansmeester aan te nemen.1Ligero = licht.Hoofdstuk VIScipio komt terug uit Nieuw-Spanje. Gil Blas plaatst hem bij don Henri. Van de studiën van dien jongen heer. Van de eer, die men hem bewees en aan welke dame de graaf-hertog hem uithuwelijkte. Hoe Gil Blas, niettegenstaande zijn verzet, in den adelstand wordt verheven.Terwijl ik nog druk bezig was, om alles voor don Henri te regelen, kwam Scipio terug uit Mexico. Ik vroeg hem of hij voldaan was over zijn reis.“Ik moet het wel zijn,” antwoordde hij, “want met drie duizend ducaten in geld, heb ik wel voor tweemaal grooter bedrag aan koopwaren meegebracht.”“Hartelijk daarmee gefeliciteerd! Dat is het begin van je fortuin. En het hangt nu maar van je zelf af, of je dat wil vermeerderen door nieuwe reizen te maken. Of geef je misschien de voorkeur aan een aangename betrekking in Madrid? Je hebt maar te spreken; ik heb er een te begeven.”“Dat kan ik niet twijfelen!” riep hij. “Veel liever blijf ik hier, dan mij opnieuw aan de gevaren van een zeereis en van een vreemd land bloot te stellen. Maar welke betrekking hebt u voor mij bestemd?”Daarop vertelde ik hem de heele geschiedenis van don Henri en vroeg hem of hij diens kamerdienaar wilde worden. Scipio nam de betrekking gaarne aan en vervulde haar zoo goed, dat hij in minder dan drie dagen reeds de vertrouweling en vriend was van zijn jongen meester.Ik had mij voorgesteld, dat al die onderwijzers wel vergeefsche moeite zouden doen en dat hun leerling zichniet veel om hem en hun wetenschap zou bekommeren, maar daarin vergiste ik mij. Ze waren zeer tevreden over hem. Hij begreep en onthield zeer gemakkelijk, wat men hem leerde. Aangenaam was het mij, dit den minister te kunnen mededeelen.“Santillano!” riep hij verheugd, “ik herken in hem mijn geest en bloed en ben er nu nog vaster van overtuigd, dat hij werkelijk mijn zoon is. Ik voel mij zeer tot hem aangetrokken. ’t Is de natuur, die hier spreekt.”Ik wachtte mij er wel voor, om mijn meester te zeggen, wat ik daarvan dacht en zijn zwak eerbiedigende, liet ik hem het genoegen te gelooven, dat hij de vader was van don Henri. Hoewel alle leden van de familie Guzman een doodelijken haat hadden aan dien nieuwbakken neef zorgden zij er wel voor het uit een politiek oogpunt niet te laten merken. De gezanten en grandes die in Madrid waren, bewezen hem evenveel eer, alsof hij de wettige zoon van den machtigen minister geweest was.De minister was over dat alles zeer verheugd. Hij begon met aan de koning het kruis van Alcantera voor don Henri te vragen. Later werd hij commandeur. Ook besloot hij hem te laten trouwen met een dame uit een van de edelste huizen van Spanje en koos daartoe Juanna de Valesco, dochter van den hertog van Castilië. Hij had macht genoeg, om dat huwelijk door te drijven, niettegenstaande het verzet van den hertog en diens verwanten. Eenige dagen voor dit huwelijk liet de minister mij roepen. Hij stelde mij eenige papieren ter hand en zei: “Hier, Gil Blas, heb ik een geschenk voor je. Ik geloof, dat het je niet onaangenaam zal zijn. Het zijn brieven van adeldom, dien ik voor je heb verkregen.”“Excellentie,” antwoordde ik verbaasd, “weet u wel, dat ik de zoon ben van een eenvoudigen stalmeester en van een duenna? Het schijnt mij een beleediging voor den adelstand, mij daarin te doen opnemen. En van alle gunsten, die de koning mij bewijzen kan, verdien en begeer ik deze het minst.”“Uw geboorte is geen beletsel,” zei mijn meester, “ge hebt staatsbetrekkingen bekleedbijden hertog de Lerme en mij. Overigens hebt ge ook den koning zelf zekere diensten bewezen. In één woord Santillano, je bent die eer niet onwaardig. En er komt bij, dat de positie, die je bij mijn zoon inneemt, het noodzakelijk maakt, dat je van adel bent. Ik wil je wel bekennen, dat dit de voornaamste reden is, waarom ik je die papieren heb doen verleenen.”“Ik geef mij gewonnen,” antwoordde ik, “omdat u het bepaald wilt.” Na die woorden ging ik weg, met de papieren in mijn zak.“Nu ben ik dus een edelman,” zei ik bij mijzelf toen ik op straat was, “en ik ben van adel zonder dat ik dit aan mijn ouders heb te danken. Ik kan mij dus, wanneer ik wil, don Gil Blas noemen en als de een of ander mij er om zou willen uitlachen, kan ik hem die papieren laten zien.”Onder het loopen keek ik de papieren in en ik las, dat de koning mij om den ijver, dien ik meermalen had getoond in den dienst van den staat en van hem zelven had verheven tot den adelstand.Tot mijn eer mag ik zeggen, dat ik mij niet zeer trotsch gevoelde. Mijn nederige afkomst stond mij steeds voor oogen en ik nam mij voor mijn papieren weg te sluiten, zonder mij erop te beroemen.Hoofdstuk VIIGil Blas ontmoet Fabricius nog eens bij toeval. Van het laatste onderhoud, dat zij samen hadden en van den gewichtigen raad, dien Nunez aan Santillano gaf.De dichter uit Asturië verwaarloosde mij maar al te gaarne, zooals men zal hebben opgemerkt. Van mijn kant had ik weinig tijd om hem te bezoeken, zoodat ik hem niet had weergezien na het geweldige dispuut over Iphigenia.Het toeval deed mij hem weer ontmoeten. Hij kwam uit een drukkerij.“Ho ho! mijnheer Nunez! Ge komt uit een drukkerij. Dat schijnt het publiek met een nieuw werk van u te bedreigen.”“Dat kan men inderdaad verwachten,” antwoordde hij. “Ik zal u zeggen, dat ik een brochure heb geschreven, die thans ter perse is en groot opzien zal verwekken in de republiek der letteren!”“Ik twijfel niet aan de verdiensten van je werk, maar ik begrijp niet, dat je er lust in hebt een brochure te schrijven. Dat zijn van die kleinigheden!”“Er zijn toch wel goede onder en de mijne behoort daartoe, hoewel ze in haast is geschreven. Maar ’t was noodzakelijk! De honger, weet je, drijft de wolven het bosch uit.”“Wat! De honger! Kan de schrijver van den “Graaf de Saldagne” zóó spreken? Iemand met een vast inkomen!”“Zacht wat! mijn vriend, ik ben niet meer die gelukkige dichter. De zaken van don Bertrand waren in de war. Hij is verdwenen, al zijn goederen zijn verkocht en mijn toelage is naar den duivel!”“Dat is treurig! Maar is er geen hoop op, dat het weer in orde komt?”“Niet het minst! Gomez del Ribero is nu even arm als zijn geestige trawant het was. Hij is verdwenen, om nooit weer terug te keeren.”“Maar mijn vriend, kan ik je dan niet eene betrekking bezorgen, die je schadeloos stelt?”“Van die zorg moet ik je ontheffen,” antwoordde hij, “wanneer je soms een betrekking bedoelt op een of ander bureau. Ik zou die weigeren al verdiende ik er 3000 pistolen mee. Als dichter wil ik leven en sterven! Overigens zijn wij niet zoo ongelukkig. Wij leven vrij en onafhankelijk en vele rijke huizen staan steeds voor ons open. Zoo heb ik er op ’t oogenblik twee, waar steeds een couvert voor mij klaar staat, het eene bij iemand, wien ik een roman heb opgedragen en het andere bij een rijken koopman, die altijd kunstenaars aan zijn tafel wil hebben en gelukkig niet zeer kieskeurig is.”“Maar denk er aan Fabricius, dat wanneer je mij mocht noodig hebben, mijn beurs steeds voor je geopend is.”“Aan dit aanbod herken ik mijn edelmoedigen vriend Santillano. Uit dankbaarheid wil ik je een raad geven. Profiteer van den tijd, dat je nog de gunsten geniet van den eersten minister, haast je om rijk te worden, want je meester is als een kaars, die in den pijp brandt.”Ik vroeg aan Fabricius uit welke bron hij dat had en hij antwoordde: “Van een ouden edelman uit Calatrava die een ongewoon talent bezit, om zulke zaken te ontdekken. Gisteren hoorde ik hem zeggen, dat de minister veel vijanden heeft, die zich vereenigen om hem in het verderf te storten. Hij rekent te veel op den koning, die echter naar zijn tegenstanders begint te luisteren.”Ik bedankte Nunez voor zijn waarschuwing, maar hechtte er niet veel waarde aan, omdat ik te veel op den invloed van mijn meester vertrouwde. Ik beschouwde hem als een van die oude eiken in een bosch, die de stormen niet kunnen deren.Hoofdstuk VIIIHoe Gil Blas verneemt, dat de raad van Fabricius niet verkeerd was. Van een reis van den koning naar Saragossa.Wat de dichter uit Asturië mij had gezegd, was niet ongegrond. Er was in het paleis een samenzwering tegen den graaf-hertog en men beweerde, dat de koningin aan het hoofd daarvan stond. Intusschen vernam men er den eersten tijd nog niet veel van. Maar de opstand van de Cataloniërs, die door Frankrijk werd ondersteund en het weinige succes, dat men had in den strijd tegen de rebellen, maakte het volk ontevreden. Er werd in tegenwoordigheid van den koning een raad gehouden, die ook werd bijgewoond door den markies de Grana, een invloedrijk gezant. Het maakte een punt van beraadslaging uit of de koning in Castilië zou blijven, dan wel naar Aragon gaan om zich aan de troepen te vertoonen.De graaf-hertog, die er tegen was, dat de koning naar het leger vertrok, sprak het eerst. Hij beweerde, dat het niet in overeenstemming was met de koninklijke waardigheid, dat de vorst het centrum van zijn staten verliet en verdedigde zijn standpunt met zijn welsprekendheid.De overige aanwezigen vielen hem bij, met uitzondering van den markies de Grana, die zijn meening tegenover die van den eersten minister stelde en haar met kracht verdedigde. De koning, door den laatsten spreker overtuigd, besloot zijn raad te volgen en bepaalde den dag van zijn vertrek.Het was voor de eerste maal, dat de koning een besluit nam in anderen geest dan zijn gunsteling had voorgesteld.En deze, die dat als een beleediging beschouwde, was daarover zeer ontstemd.De minister zag mij, toen hij thuis kwam en riep mij bij zich, om te vertellen, wat er was geschied.“Ja, Santillano,” zei hij, “de koning, die zoolang door mijn oogen gezien en door mijn mond gesproken heeft, geeft nu de voorkeur aan den raad van de Grana boven den mijne. En hij overlaadde dien gezant nog wel met lof over zijn trouw aan zijn Huis! Alsof die Duitscher trouwer was dan ik! Het is gemakkelijk te bespeuren, dat er zich een partij tegen mij heeft gevormd en ik heb reden te vermoeden, dat de koningin aan het hoofd daarvan staat.”“Excellentie,” vroeg ik, “hoe kunt ge dat vermoeden? Is de koningin niet gewoon, om u meester van de zaken te zien? En wat den markies de Grana betreft, de koning zal zich aan zijn zijde hebben geschaard, omdat hij misschien lust heeft het leger te zien en een veldtocht mee te maken.”“Neen, dat is het niet!” riep de minister. “Als de koning bij de troepen is, zal hij altijd omringd zijn door de grandes en onder hen zijn er, die ontevreden zijn over mij en hem veel kwaads van mijn bewind zullen vertellen. Maar zij zullen bedrogen uitkomen! Ik zal wel zorgen, dat de koning zich weinig met zijn grandes zal kunnen ophouden.” En dat deed hij op een manier, die verdient beschreven te worden.De dag van het vertrek was gekomen. Na de koningin tijdens zijn afwezigheid met de zorg voor de regeering te hebben belast, vertrok de koning naar Saragossa, maar voor hij er aankwam passeerde hij Aranjuez, waar hij het verblijf zoo heerlijk vond, dat hij er een paar weken bleef. De minister liet hem daarna naar Cuença gaan, waar hij den koning op allerlei vermaken tracteerde! Nadat de genoegens van de jacht hem nog eenigen tijd in Molina hadden bezig gehouden, kwam hij te Saragossa. Zijn leger was niet ver van de plaats verwijderd, maar de graaf-hertog ontnam hem het verlangen om er heen te gaan.door hem wijs te maken, dat hij gevaar liep door de Franschen gevangen genomen te worden. Dit denkbeeldige gevaar deed den koning besluiten zich nergens en aan niemand te vertoonen en de minister maakte gebruik van zijn angst door hem, bij wijze van veiligheidsmaatregel, als een gevangene te bewaken.De grandes, die zich groote uitgaven hadden getroost om den koning te kunnen volgen, hadden weinig satisfactie van hun werk, want ze werden niet eens in particuliere audientie ontvangen.De koning keerde weldra naar Madrid terug, het aan den markies de los Velez, den bevelhebber der troepenoverlatendom de eer van de Spaansche wapenen op te houden.Hoofdstuk IXVan de revolutie in Portugal en de ongenade van den graaf-hertog.Weinige dagen na de terugkomst van den koning werd in Madrid een slechte tijding verspreid. Men vernam, dat de Portugeezen, die den opstand in Catalonië beschouwden als een gunstige gelegenheid, die de fortuin hun bood om het Spaansche juk af te schudden, de wapenen hadden opgenomen en tot hun koning hadden gekozen den hertog van Braganza, dien zij op den troon hoopten te handhaven, omdat Spanje toen gebukt ging onder de vijandschap van Duitschland, Vlaanderen en Catalonië.Zonderling was, dat de eerste minister, terwijl het hof en de geheele stad in onrust waren, met den koning wilde schertsen, ten koste van den hertog van Braganza.Filips deed daaraan niet mee en zette zulk een ernstig gezicht, dat de graaf-hertog daarvan ontstelde en een voorgevoel kreeg van zijn ongenade. Hij beschouwde zijn val als zeker, toen hij vernam, dat de koningin zich openlijk tegen hem had verklaard en hem beschuldigde, door zijn slecht beheer den opstand in Portugal te hebben veroorzaakt. De meeste grandes en voornamelijk zij, die tevergeefs naar Saragossa waren gegaan, sloten zich bij de koningin aan en een dreigend onweer pakte zich samen boven het hoofd van den minister.Toen het mijn meester bekend werd, dat de koning naar zijn vijanden luisterde, schreef hij den koning een brief, waarin hij hem ontheffing van zijn ambt verzocht en verlof om zich van het hof te verwijderen, daar men alle ongelukken die de monarchie overkwamen, aan zijn beleid weet.Hij meende, dat die brief een groote uitwerking zou hebben en dat de koning nog genoeg vriendschap voor hem had overgehouden om niet toe te stemmen in zijn verwijdering. Maar al het antwoord, dat hij kreeg, was, dat de koning verklaarde zijn verzoek in te willigen en hem toestond zich te begeven, waarheen hij wilde.Die woorden, door den koning zelf geschreven, troffen hem als een donderslag. Maar hij deed of hij zijn gewone bedaardheid behield en vroeg mij, wat ik in zijn plaats zou doen.“Ik zou,” antwoordde ik hem, “de zaak gemakkelijk opvatten en op een van mijn landgoederen gaan wonen.”“Je denkt verstandig,” antwoordde hij. “En ik heb ook wel lust om dat te doen, maar ik zou toch nog gaarne éénmaal een onderhoud met den koning hebben. Het zal mij niet moeilijk vallen hem aan te toonen, dat ik menschelijkerwijze gesproken, alles heb gedaan, wat ik kon doen en dat ik de treurige gebeurtenissen, die men mij verwijt, niet heb kunnen voorkomen, evenmin als een bekwame loods het helpen kan als wind en golven het schip meesleepen.”De minister vleide zich nog dat hij, door met den koning te spreken, de zaken kon herstellen en het verloren terrein herwinnen. Maar de audientie werd hem niet verleend en bovendien liet men den sleutel terugvragen, waarvan hij zich bedienen kon om vrij in de koninklijke appartementen te komen.Daar hij nu zag, dat hem geen hoop meer overbleef, besloot hij zich terug te trekken. Hij doorzocht alle papieren, verbrandde er uit voorzichtigheid vele van en gaf bevel, dat men alles voor zijn vertrek in gereedheid zou brengen.Hij vreesde door het volk beleedigd te worden en vertrok daarom ’s morgens zeer vroeg door een achterdeur, in een eenvoudig rijtuig, met zijn biechtvader en mij.Wij gingen naar Loeches, een dorp, waarvan hij heer was en waar zijn vrouw een prachtig nonnenklooster had laten bouwen.Binnen vier uren kwamen wij in het dorp aan en de andere personen van het gevolg bereikten het eenigen tijd later.Hoofdstuk XVan de onaangenaamheden en de zorgen, die eerst de rust van den graaf-hertog verstoorden en van de gelukkige vrede, die daarop volgde. Van de bezigheden van mijn meester in zijn eenzaamheid.Mevrouw d’Olivarès liet haar man naar Loeches vertrekken en bleef nog eenige dagen aan het hof, om te beproeven, of zij door gebeden en tranen niet bewerken kon, dat hij werd teruggeroepen. Maar haar moeite was vergeefsch; de koning lette niet op haar en de koningin, die haar doodelijk haatte, zag haar tranen met genoegen vloeien. De echtgenoote van den minister gaf het niet op, zij ging zelfs zóó ver, dat ze de hofdames van H. M. om bemiddeling smeekte, maar het eenige resultaat was dat zij minachting in plaats van medelijden opwekte.Troosteloos kwam zij bij haren echtgenoot aan, om zich met hem te beklagen over het verlies van een plaats, die onder een regeering als van Filips II misschien de eerste was in het koninkrijk.Zij deelde hem mee, dat de hertog de Médina-Colli en de andere grandes, die hem haatten, niet ophielden den koning te prijzen om den val van den minister en dat het volk in onbeschaamde vreugde zijn ongenade toejuichte.Hij zei tot haar: “Troost u, zooals ik het mijzelf tracht te doen. Het onweer was niet af te wenden. ’t Is waar, ik had gehoopt dat ik mijn positie zou kunnen handhaven tot het eind van mijn leven. Gewone illusie van ministers en gunstelingen, die vergeten, dat hun lot van hun souverein afhangt. Is de hertog de Lerme niet bedrogen uitgekomenevenals ik, hoewel hij meende, dat het purper, waarmee hij bekleed was, zijn macht waarborgde?”Op die wijze trachtte hij zijn vrouw te troosten, maar zelf werd hij iederen dag opnieuw ontstemd door tijdingen, die hij van don Henri kreeg, die in Madrid was gebleven om mijn meester nauwkeurig op de hoogte te houden van al wat daar voorviel.Het was meestal Scipio, die deze brieven bracht, met bijna altijd slechte tijdingen. Het bleek daaruit, dat de grandes niet slechts openlijk hun vreugde betuigden over den val van den minister, ze hadden het ook toegelegd op den ondergang van personen, die door hem in betrekkingen waren geplaatst en wisten te bewerken, dat in de opengevallen plaatsen zijn verklaarde vijanden werden benoemd.Men kon zeggen, dat mijn meester in de eerste drie maanden niets anders ondervond dan verdriet. Gelukkig verstond zijn biechtvader, een even vroom als welsprekend man, de kunst hem te troosten.De gravin hield zich veel op in het klooster, dat door haar was gesticht en waarvan de zusters deden wat zij konden, om haar bitter leed te verzachten.Met den tijd werd mijn meester rustiger, hij wandelde veel met zijn biechtvader en mij en vermaakte zich na het diner altijd eenige uren, door met ons te spelen.Op een dag, dat ik alleen met hem was, zei ik: “Mijnheer, veroorloof mij u te zeggen, dat ge er veel opgewekter begint uit te zien. U schijnt u aan uw nieuw leven te gaan gewennen.”“Ik ben daar al aan gewoon,” zei hij, “al ben ik zoo langen tijd steeds door allerlei zaken in beslag genomen geweest, van dag tot dag krijg ik meer genoegen in het stille en vreedzame leven, dat ik nu leid.”Hoofdstuk XIDe graaf-hertog wordt plotseling somber en droomerig. Van de wonderlijke oorzaak van zijn droefgeestigheid en haar verdrietige gevolgen.Mijn meester had er soms ook genoegen in, om in zijn tuin te werken. Lachend sprak hij dan wel eens van een minister, die verbannen was geworden van het hof en nu tuinman was te Loeches.We waren allen verheugd, dat onze meester zulk een genoegen schepte in een leven, zoo geheel verschillend van hetgeen hij tot nog toe had geleid. Tot ons groot leedwezen bemerkten wij echter na eenigen tijd, dat hij veranderde. Hij werd somber en verviel in een diepe droefgeestigheid. Met ons spelen deed hij niet meer en alles wat wij trachtten te doen om hem te verstrooien, scheen hem onverschillig te laten. Eerst dachten we, dat het verdriet over het verlies van zijn hooge positie weer was teruggekomen. De woorden van zijn biechtvader echter, die hem vroeger zoo goed met dit verlies hadden kunnen troosten, bleven thans zonder uitwerking.Het kon niet anders of deze toestand moest een geheime oorzaak hebben, die hij ons niet wilde meedeelen.“Mijnheer,” vroeg ik, toen ik eens alleen met hem was, met een mengeling van eerbied en genegenheid, “mag Gil Blas zijn meester een vraag doen?”“Zeker. Spreek maar,” antwoordde hij.“Wat is er geworden van de tevreden uitdrukking, die eenigen tijd geleden nog op uw gelaat lag? Doet het verlies van uw verloren positie u opnieuw verdriet?”“Neen, ik denk in het geheel niet meer aan wat ikvroeger ben geweest, alle eerbewijzen heb ik voor altijd vergeten.”“Maar waarom hebt ge dan geen kracht u te verzetten tegen een droefgeestigheid, die ons allen zoo ongerust maakt?Wat is er toch, mijn goede meester? Kunt ge er een geheim van maken voor Santillano, wiens trouw en bescheidenheid ge kent? Door welk ongeluk kan ik uw vertrouwen hebben verbeurd?”“Dat bezit ge nog altijd, maar ik zie er tegen op om te spreken over hetgeen mij in zulk een droevige stemming brengt. Ik kan alleen aan een dienaar en vriend als Santillano een dergelijke vertrouwelijke mededeeling doen. Ik ben ten prooi aan een sombere zwaarmoedigheid, die het eind van mijn leven verhaast. Voortdurend word ik achtervolgd door allerlei nare visioenen, die zich aan mijn oogen voordoen. Al is mijn hoofd sterk genoeg om mij te zeggen, dat dergelijke zaken niets te beteekenen hebben, ze keeren steeds terug.”Met verwondering had ik hem aangehoord; ik begreep nu, dat hij ziek was.“Mijnheer,” vroeg ik, “kan het misschien ook een gevolg zijn van onvoldoende voeding? U eet zoo weinig.”“Dat heb ik ook gedacht en daarom heb ik sinds eenige dagen meer gegeten, maar het is alles nutteloos! Het spookbeeld verdwijnt niet.”Weinig tijd daarna werd de graaf-hertog ziek. Hij gevoelde, dat zijn toestand ernstig was en ontbood een notaris, die zijn testament moest opmaken.Ook kwamen er drie beroemde geneesheeren bij hem, die de reputatie hadden, dat zij soms hun zieken genazen en die naar het voorbeeld van dokter Sangrado begonnen met aderlatingen en dat zes dagen volhielden. Den zevenden dag was hij bevrijd van visioenen.Na den dood van onzen meester heerschte er in het kasteel te Loeches een oprechte droefheid. Alle bedienden beweenden hem. Wel verre van ons te troosten met de zekerheid in het testament te staan, was er niet een, dieniet gaarne afstand zou hebben gedaan van zijn legaat, om onzen heer weer in het leven te kunnen roepen.Wat mij betreft, ik, die zoo aan hem was gehecht, heb, geloof ik, bij den dood van Antonia niet meer tranen vergoten, dan bij den zijne.Hoofdstuk XIIVan wat er op het kasteel de Loeches gebeurde, na den dood van den graaf-hertog en wat Gil Blas deed.Onze meester werd, zooals hij gewenscht had, op eenvoudige wijze begraven. Daarna liet mevrouw het testament lezen, waaruit bleek, dat alle bedienden goed waren bedacht. Mijn legaat was het grootste; ik kreeg tienduizend pistolen, als blijk van de ongewone genegenheid, die hij voor mij had gehad.Mevrouw zond alle bedienden naar Madrid, waar de intendant don Raimond Caporis de legaten uitbetaalde. Ik kon niet meegaan, want ik was ziek. Zeven of acht dagen moest ik te bed blijven en in dien tijd verliet de Dominicaner-priester, die de biechtvader van mijn meester was geweest, mij bijna niet.De goede geestelijke, die vriendschap voor mij gevoelde en belang stelde in mijn heil, vroeg mij toen ik begon te herstellen, wat ik wilde gaan doen.“Ik weet het nog niet vader, er zijn oogenblikken, dat ik mij in een cel zou willen opsluiten voor boetedoening.”“Profiteer van die oogenblikken mijn zoon. Ik zou u aanraden u in ons klooster te Madrid terug te trekken. Word er een weldoener van, door het uwe goederen te schenken en sterf als een heilige Dominicaner. Er zijn veel menschen, die een wereldsch leven zoo eindigen.”In den gemoedstoestand, waarin ik mij op dat oogenblik bevond, was ik wel geneigd den raad van den priester te volgen. Maar Scipio, die een oogenblik later bij mij kwam, bracht mij tot andere gedachten.“Wel foei! mijnheer de Santillano. Dat is een ziekelijkegedachte! Is uw kasteel te Lirias niet een aangenaam verblijf? Vroeger hadt ge daar reeds zulk een genoegen in en bij het klimmen van de jaren moet het grooter zijn geworden.”Scipio hoefde niet veel moeite te doen om mij van plan te doen veranderen en ik besloot naar mijn kasteel terug te gaan.Zoodra ik hersteld was, ging ik naar Madrid, waar ik mijn legaat in ontvangst nam en orde stelde op mijn overige zaken.Met Scipio sprak ik af, dat hij me zou vergezellen naar Lirias. Den avond voor ons vertrek vroeg ik hem, of hij afscheid had genomen van don Henri.“Ja,” antwoordde hij, “wij zijn vanmorgen in der minne gescheiden. Hij heeft mij gezegd, dat het hem speet, dat ik heenging; maar al was hij tevreden over mij, ik was het weinig over hem. Het is niet voldoende, dat de knecht den meester bevalt, de meester moet den knecht ook bevallen, anders passen zij niet bij elkaar. Overigens maakt don Henri zoowel aan het hof als in de stad een treurig figuur. Er was geen eer aan te behalen.”Zoo vertrokken wij dus weer uit Madrid en sloegen den weg in naar Cuença. Scipio en ik zaten met een koetsier in een wagen, getrokken door twee muilezels. Daarachter kwamen drie muilezels, beladen met ons geld en ons goed en bij ieder een drijver. Al die mannen waren gewapend met sabels en pistolen en daarachter volgden twee tot aan de tanden gewapende lakeien. Wij waren dus met zeven man, waarvan er zes dapper waren en behoefden niet bang te zijn voor onze veiligheid.In de dorpen, waar wij doorreden, kwamen de boeren op het geluid van de schelletjes, die onze muilezels droegen, naar buiten, om onze equipage te bewonderen. Het scheen hun zeker wel, of er een grande op weg ging, om ergens het ambt van onderkoning te gaan bekleeden.Hoofdstuk XIIIVan den terugkeer van Gil Blas in zijn kasteel. Van de vreugde, die hij had de kleineSéraphineweer te zien en op welke dame hij verliefd werd.Wij maakten geen groote dagreizen en hadden veertien dagen noodig om te Lirias te komen. Het gezicht van mijn kasteel wekte eerst droevige gedachten bij mij op, omdat het mij herinnerde aan Antonia; maar er waren twee-en-twintig jaren sinds haar dood voorbijgegaan en mijn smart was gesleten.Béatrixen haar dochter kwamen ons hartelijk welkom heeten. Ik vond het jonge meisje zeer bekoorlijk.“Hoe is ’t mogelijk!” riep ik uit, “dat dit de kleine Séraphine is! We moeten er aan gaan denken haar uit te huwelijken.”“Wel beste peetvader!” zei het meisje en zij bloosde een weinig, “u ziet mij nog maar een oogenblik en nu wilt ge u al van mij ontdoen!”“Neen, mijn kind,” antwoordde ik, “wij willen geen man voor u, die u ons ontneemt, maar een die, om zoo te zeggen, met ons kan samenleven.”“Er heeft zich al iemand voorgedaan,” zeiBéatrix. “Een jonge edelman uit deze streek heeft Séraphine in de mis gezien en is verliefd op haar geworden. Hij is bij mij gekomen en heeft zijn liefde geopenbaard, maar ik heb hem natuurlijk gezegd, dat de beslissing afhing van haar vader en van den heer van het kasteel. Nu ge beiden teruggekomen zijt, kan hij zich tot u wenden.”“Wat voor man is het?” vroeg Scipio. “Is hij trotsch op zijn adel en ziet hij laag op ons neer?”“O neen, hij is een zeer zachte en beleefde jongeman, met een goed uiterlijk en nog geen dertig jaar oud.”“Ge geeft ons daar een mooi portret,” zei ik. “En hoe heet hij?”“Don Juan de Jutella,” antwoordde de vrouw van Scipio. “Hij woont op zijn kasteel op een uur afstand van hier met zijn zuster.”“Ik heb vroeger,” zei ik, “van die familie hooren spreken. Ze behoort tot den voornamen adel van Valencia.”“Op zijn karaktereigenschappen let ik meer dan op zijn adel,” zei Scipio.Séraphine beantwoordde haar vader door te zeggen, dat de jonge man in zijn omgeving zeer werd geacht, waarna hij en ik elkaar aankeken en begrepen, dat de galant het meisje niet onverschillig was.Reeds spoedig maakten wij kennis met hem, want hij kwam ons twee dagen later op het kasteel bezoeken. Als buurman kwam hij ons gelukwenschen met onze terugkomst en ons welkom heeten.De jongeman maakte op mij een zeer gunstigen indruk. Hij sprak nog niet van zijn liefde, maar gaf wel den wensch te kennen, dat wij, als goede buren, elkaar dikwijls zouden zien.Toen hij weg was, vroeg Béatrix hoe wij over hem dachten. Zoowel Scipio als ik meende, dat zich voor Séraphine geen betere partij kon voordoen.Den volgenden dag brachten Scipio en ik een tegenbezoek aan don Juan de Jutella. Zijn antiek kasteel lag in een bosch, aan den voet van een berg. Het gebouw was min of meer vervallen, maar goed gemeubileerd.Don Juan ontving ons in een zaal, waar hij ons aan een dame voorstelde, zijn zuster Dorothea, die ongeveer twintig jaar kon zijn. Zij was sierlijk gekleed, alsof ze bezoek had verwacht en ze was bekoorlijk. Ze maakte op mij denzelfden indruk als vroeger Antonia deed, dat is te zeggen, dat ik verlegen was, maar ik wist mijn verlegenheid zoo goed te verbergen, dat ze zelfs Scipio niet opviel.Onze gastheer sprak nog niet van zijn liefde voor Séraphine. Wij onderhielden ons eenigen tijd aangenaam en ik kon daarbij mijn oogen moeilijk van Dorothea afhouden.Toen wij naar huis terugkeerden, sprak ik onophoudelijk van haar.“Wel mijnheer,” zei Scipio, “ge houdt u zoo druk bezig met de zuster van don Juan! Ge zijt toch niet verliefd op haar?”“Ja, mijn vriend,” antwoordde ik en ik werd rood van schaamte. “Sinds den dood van Antonia, heb ik duizend mooie vrouwen gezien, die mij onverschillig lieten. Moet ik nu op mijn leeftijd nog verliefd worden, zonder dat ik mij daartegen kan verdedigen?”“Ge moest u daarover verheugen, inplaats van u te beklagen,” zei Scipio, “ge zijt nog niet op een leeftijd, dat het belachelijk is, om verliefd te zijn en uw uiterlijk is nog goed genoeg, om een meisje te bevallen. Geloof mij, als ge don Juan weerziet, vraag hem dan zijn zuster. Hij zal u haar niet weigeren, vooral niet, omdat ge ook van adel zijt. Na vier of vijf geslachten, zal dat van Santillano misschien een der schitterendste zijn.”Hoofdstuk XIVHet dubbel huwelijk, dat te Lirias plaats had en dat het einde is van de geschiedenis.Scipio moedigde mij door zijn woorden aan, om Dorothea mijn liefde te verklaren. Hoewel ik er zeker tien jaar jonger uitzag dan ik was, maakte ik mij toch ongerust over de wijze, waarop mijn aanzoek zou worden opgenomen.Den volgenden dag, toen ik juist bezig was mij te kleeden, kwam don Juan bij mij om mij, naar hij zei, over een ernstige zaak te spreken.Ik liet hem in mijn kabinet, waar hij mij dadelijk het doel van dit bezoek begon mee te deelen.“Het zal u wellicht niet onbekend zijn,” zei hij, “dat ik Séraphine liefheb. Gij hebt veel invloed op haar vader, help mij en ik zal u het geluk van mijn leven te danken hebben.”“Mijnheer,” antwoordde ik hem, “ge zult er misschien geen bezwaar tegen hebben, dat ik uw voorbeeld volg. Ik beloof u, bij den vader van Séraphine voor u te spreken, doe hetzelfde voor mij bij uw zuster.”Bij deze woorden liet don Juan een aangename verrassing blijken, die ik als een gunstig teeken voor mij beschouwde. “Is het mogelijk!” riep hij, “dat Dorothea uw hart heeft veroverd?”“Ik zou de gelukkigste van alle menschen zijn,” antwoordde ik, “indien mijn aanzoek gunstig door haar en u werd ontvangen.”“Daar kunt ge zeker van zijn,” zei hij, “al zijn wijvan adel, we zullen prijs stellen op een verbintenis met u.”“Het doet mij genoegen,” hernam ik, “dat ge verstandig genoeg zijt, om de hand van uw zuster ook te willen schenken aan een burgerman. Maar wanneer ge ijdel genoeg waart, om haar alleen te willen geven aan een edelman, dan zou ik u ook kunnen tevreden stellen. Ik heb twintig jaar gewerkt in de bureaux van het ministerie en om de diensten, die ik aan den staat heb bewezen, te beloonen, heeft de koning mij brieven van adeldom verleend, die ik u zal toonen.”Daarop bracht ik mijn papieren te voorschijn, die hij met kennelijk genoegen inzag.“Nog beter!” zei hij, “Dorothea is voor u.”“En gij kunt rekenen op Séraphine,” riep ik.Tot de twee huwelijken was dus besloten, indien althans de dames daaraan hare goedkeuring wilden hechten. Want don Juan, zoowel als ik waren beiden veel te fijngevoelig zonder haar toestemming onzen zin te willen doorzetten. Dadelijk deelde ik Scipio enBéatrixhet onderhoud mee. De laatste was zeer met het aanzoek ingenomen en Séraphine bewees door haar zwijgen, dat ze van hetzelfde gevoelen was. Scipio maakte eenige bezwaren, omdat er een groote bruidschat zou noodig zijn voor het huwelijk met een heer, wiens kasteel noodig moest hersteld worden; maar ik stopte hem den mond door te zeggen, dat ik zijn dochter vierduizend pistolen tot bruidschat zou geven.Ik zag don Juan denzelfden avond. “Uw zaak,” zei ik, “staat zoo goed als het maar kan, ik zou wel willen, dat het met de mijne hetzelfde was.”“Dat is zoo,” antwoordde hij. “Mijn zuster stemt gaarne toe. Gij bevalt haar, alleen maakt ze bezwaar, dat zij u niets anders kan schenken dan haar hart en hand.”“Wat zou ik meer vragen?” riep ik verheugd. “Ik ben rijk genoeg om haar zonder bruidschat te trouwen.”Don Juan en ik, verheugd, dat de zaken tot zoover naarwensch waren gegaan, besloten onze huwelijken spoedig te doen plaats hebben en overbodige ceremonies daarbij te vermijden. Ik bracht hem daarop bij Séraphine en haar ouders. Hij beloofde ons den volgenden dag te zullen terugkomen met Dorothea.Uit lust, een goeden indruk te maken op mijn uitverkorene, bleef ik wel drie uur bezig met mijn toilet, zonder nog tevreden over mijzelf te zijn. Voor een jongen man, die zijn geliefde wacht, is dat een aangenaam werk, maar voor iemand, die reeds op jaren begint te komen, is het een moeilijke bezigheid.Ik was echter zoo gelukkig, dat zij mij met veel welwillendheid aanzag, toen wij elkaar weer ontmoetten. Er volgde een lang onderhoud, waarin ik gelegenheid had ook het verstand van mijn aanstaande vrouw te bewonderen.Een notaris uit Valencia stelde de huwelijksche voorwaarden op en de pastoor uit Paterna kwam te Lirias, om de twee huwelijken in te zegenen.Over mijn huwelijk heb ik mij nooit beklaagd. Dorothea was een deugdzame vrouw, die, gevoelig voor mijne goede zorgen, zich weldra aan mij hechtte, alsof ik jong was geweest.Ook don Juan en zijn vrouw waren zeer gelukkig en de twee schoonzusters werden weldra intieme vriendinnen.Van mijn kant vond ik zooveel goede eigenschappen in mijn zwager, dat ik een groote genegenheid voor hem opvatte, die hij met dankbaarheid beantwoordde.De verstandhouding was van dien aard, dat, wanneer wij ’s avonds scheidden om elkaar den volgenden dag weer te zien, het ons leed deed. Daarom besloten wij van de twee families er een te maken, die nu eens op het kasteel te Lirias woonde en dan op dat van Jutella. Het laatste had belangrijke herstellingen ondergaan.Het is nu reeds drie jaar, lezer en vriend, dat ik een zeer gelukkig leven leid met de personen, die mij zoo dierbaar zijn. Om mijn geluk te volmaken, heeft de hemel mij tweekinderen geschonken, wier opvoeding de vreugd is van mijn ouden dag en waarvan ik oprecht geloof de vader te zijn.Einde van Gil Blas
Hoofdstuk IGil Blas wordt door den minister naar Tolédo gezonden. Van het doel en het succes van zijn reis.Reeds een maand lang zei mijn meester iederen dag tegen mij: “Santillano, de tijd nadert, dat je behendigheid mij van dienst kan zijn,” en die tijd kwam maar niet. Eindelijk echter zei de minister: “Men zegt, dat er bij een troep comedianten teTolédoeen jeugdige actrice is, die opzien wekt door haar talenten: men beweert, dat zij goddelijk danst en zingt en dat ze de toeschouwers in verrukking brengt door haar voordracht; ook verzekert men, dat zij een schoonheid is. Een dergelijke actrice verdient aan het hof te verschijnen. De koning houdt van comediespel, van muziek en dans en het genoegen mag hem niet worden onthouden iemand te zien en te hooren van zulke zeldzame verdiensten. Ik heb dus besloten je naar Tolédo te zenden om voor je zelf te oordeelen, of het werkelijk zulk een bewonderenswaardige actrice is. Ik zal mij houden aan den indruk, dien je krijgt en mij op je smaak verlaten.”Ik antwoordde den minister, dat ik zijn opdracht gaarne zou vervullen en ik stelde hem voor, dat ik zou vertrekken met één lakei, die niet den uniform van den minister zou dragen, om de zaak meer geheimzinnig te behandelen, wat zeer in den geest viel van mijn meester.Ik ging dus op weg naar Tolédo en daar aangekomen, nam ik mijn intrek in een hotel bij het kasteel.Nauwelijks was ik afgestapt of de waard, die mij zeker voor een landedelman hield, vroeg of ik voor het groote kettergericht kwam, dat den volgenden dag zou plaats hebben. Ik antwoordde van ja want ik vond het beter,dat hij dit geloofde dan dat hij mij verdere vragen deed.“Ge zult dan een van de schoonste processies zien, die wij hier ooit hebben gehad,” zei hij, “er zijn, zegt men, meer dan honderd gevangenen, waaronder tien of meer die verbrand zullen worden.”Werkelijk hoorde ik den volgenden morgen voor het opgaan van de zon alle klokken in de stad luiden en men liet het klokkenspel spelen, om het volk te waarschuwen, dat het kettergericht zou beginnen. Benieuwd om dit verschrikkelijk feest, dat ik nog nooit had gezien, bij te wonen, kleedde ik mij haastig aan en begaf mij naar de inquisitie. Er waren in de straten, waar de processie langs moest gaan verhevenheden opgesteld, waarop men voor geld kon plaats nemen. Weldra zag ik de Dominicanen, die voorop liepen, voorafgegaan door de banier van de heilige inquisitie. Deze goede vaders werden onmiddellijk gevolgd door de treurige slachtoffers, die de heilige dienst dien dag wilde straffen. Deze ongelukkigen gingen achter elkaar,met bloote voeten, een waskaars in de hand en ieder een geleider naast zich. Sommigen droegen een soort schoudermantel van geel linnen eneen mutsin den vorm van een suikerbrood. Deze mutsen waren bedekt met vlammen en duivelsche figuren.Toen ik die ongelukkigen bekeek met een medelijden, dat ik niet wilde laten blijken, uit vrees voor een misdadiger te worden gehouden, herkende ik onder hen, wier hoofd zulk een muts droeg, de eerwaarde vaderRaphaëlen broeder Ambrosius. Ze waren zoo dicht bij mij, dat ik mij niet kon vergissen.“Wat zie ik! De hemel, die eindelijk genoeg kreeg van hun wandaden, heeft deze booswichten dus overgeleverd aan het recht der inquisitie!” Ik begon te beven en had een gevoel of ik zou bezwijmen. De verbintenis, die ik had gehad met de twee schelmen, het avontuur te Xelva, kortom alle gelegenheden, dat ik met hen in aanraking was gekomen, kwamen plotseling voor den geest. Ik dankte God, dat Hij mij voor zulk een lot had behoed.Toen de ceremonie voorbij was, keerde ik naar het hotel terug, nog bevende van hetgeen ik had gezien. Maar de verschrikkelijke beelden moesten uit mijn geest verdwijnen; ik moest mij bezighouden met de taak, die mijn meester mij had opgedragen.Toen het uur naderde, waarop de schouwburg moest openen, begaf ik mij daarheen. Ik kreeg een plaats naast een ridder uit Alcantera, met wien ik weldra een gesprek had aangeknoopt.“Mijnheer,” vroeg ik,“is het een vreemdeling geoorloofd u een vraag te doen?”“Mijnheer,” antwoordde hij zeer beleefd, “ik zal daardoor vereerd zijn.”“Men heeft mij,” hernam ik, “de comedianten van Tolédo zeer geprezen. Heeft men ongelijk gehad, door zooveel goeds van hen te zeggen?”“Neen,” antwoordde hij, “hun troep is niet slecht. Er zijn zelfs zeer goede krachten bij hem aan te wijzen. Uzult onder anderen de schoone Lucretia zien, een actrice van veertien jaar, die u zal verwonderen. ’t Is niet noodig, haar aan te wijzen, wanneer zij op de planken zal verschijnen, ge zult haar gemakkelijk onderscheiden.”Het stuk begon. Er kwamen twee actrices op de planken, die niets verzuimd hadden om zich bekoorlijk te maken, maar niettegenstaande alle diamanten, hield ik noch de een, noch de andere voor degene, die ik verwachtte.Eindelijk verscheen de schoone Lucretia en haar opkomst werd door het publiek begroet met een algemeen en lang handgeklap.“Ah! Daar is ze!” zei ik bij mezelf. “Wat een nobel uiterlijk! Wat een gratie! Welke mooie oogen!” Werkelijk was ik ten zeerste over haar voldaan of liever gezegd, hare persoonlijkheid trof mij buitengewoon. Van het eerste oogenblik af, dat zij begon te spreken, vond ik in haar voordracht veel natuurlijkheid, geest en vuur. Gaarne stemde ik in met het publiek, dat haar luid toejuichte.“Ge ziet,” zei de heer naast mij, “dat Lucretia de lieveling is van het publiek. Wat zegt ge van haar?”“Ik ben verwonderd over haar gaven.”“Ge zult het nog meer zijn, wanneer ge haar hebt hooren zingen en zien dansen.”“Welk een geluk zich ter wille van zulk een beminnelijk schepseltje te mogen ruïneeren!” zei ik.“Ze heeft geen bepaalden minnaar,” antwoordde hij, “en men hoort zelfs niet van intriges, ze kon die echter wel hebben, want ze woont bij haar tante Estella en deze is een ervaren tooneelspeelster.”Bij het hooren van den naam Estella viel ik mijn buurman in de rede, om hem te vragen of die dame ook een actrice was. Hij antwoordde mij, dat zij een van de besten was en na de beschrijving, die hij mij van haar gaf, twijfelde ik er niet aan of het was Laura, dezelfde Laura, van wie ik zooveel gesproken heb in mijn boek en die ik te Granada had achtergelaten.Estella was dien avond niet opgetreden, maar ik hoopte toch haar in den schouwburg te vinden en begaf mij daarom na de voorstelling achter het tooneel.Ik vroeg naar Estella en men wees haar aan. Ze was op het oogenblik in gesprek met eenige heeren, die waarschijnlijk in haar meer de tante van Lucretia zagen. Hetzij uit een gril, hetzij om mij te straffen voor mijn overhaast vertrek uit Granada, deed ze alsof ze mij niet kende en ontving mijn beleefdheden op zulk een wijze, dat ik uit het veld was geslagen. Inplaats van haar lachend hare koele ontvangst te verwijten, was ik dwaas genoeg om mij kwaad te maken. Ik verwijderde mij plotseling en nam mij voor den volgenden dag naar Madrid terug te keeren. Om mij op Laura te wreken, wilde ik niet, dat haar nicht de eer zou hebben voor den koning op te treden. Daartoe had ik den minister slechts een minder vleiend portret van Lucretia te geven.Mijn lust om wraak te nemen was echter niet van langen duur. Den volgenden morgen kwam een jonge lakei bij mij met een briefje, waarin ik las:“Vergeet de wijze waarop ge gisteren in den schouwburg werdt ontvangen en laat u door brenger dezes geleiden.”Dadelijk volgde ik den lakei, die mij naar een groot huis bracht, waarin Laura hare kamers had.Ik vond Laura aan haar toilet. Ze stond op, om mij te omhelzen en zei: “Mijnheer Gil Blas, ik weet wel, dat ge geen reden hebt over de ontvangst, die ik u gisteren heb bereid, tevreden te zijn. Een oud vriend, als gij, hadt recht om meer vriendelijkheid te verwachten. Om mij echter te verontschuldigen, moet ik zeggen, dat ik op dat oogenblik in het slechtste humeur van de wereld was. Een van die heeren had mij juist iets gezegd van mijn nicht, wier eer mij meer aan het hart ligt dan die van mijzelve. Gelukkig wist ik uw woning te laten vinden en zoo kon ik mijn fout herstellen.”“Dat is gebeurd, mijn waarde Laura, laten wij er nietverder van spreken, maar elkaar liever onze avonturen vertellen, na dien ongelukkigen dag te Granada, toen de vrees mij overhaast deed vluchten. Ik heb u toen in groote verlegenheid achtergelaten. Hoe hebt ge u er uit kunnen redden? Dat is zeker niet zonder moeite gegaan? En ge hebt zeker wel al uw slimheid noodig gehad, om uw Portugeeschen minnaar tot bedaren te brengen?”“In het geheel niet,” antwoordde Laura. “Weet ge niet, dat in dergelijke gevallen de mannen zoo zwak zijn, dat ze zelfs de vrouwen de moeite besparen om zich te rechtvaardigen! Ik hield tegenover den markies de Marialva vol, dat je mijn broer was. Neem mij niet kwalijk, dat ik je weer zoo familiaar aanspreek, maar ik kan mij moeilijk van die oude gewoonte losmaken. Den Portugees vroeg ik dadelijk of hij niet merkte, dat alles het werk was van Narcissa, die jaloersch op mij was en zich op zulk een wijze wilde wreken. Als een nieuw bewijs van het complot, dat men tegen mij had gesmeed, noemde ik het plotseling verdwijnen van mijn broer. Men had daartoe zeker eenige kunstgrepen gebruikt en het mij zoodoende onmogelijk gemaakt te bewijzen, dat hier alleen jaloezie en wraakzucht in het spel waren. Om kort te gaan, de markies was tevreden en de markies bleef mij beminnen tot hij Granada verliet, om weer naar Portugal te gaan.Nog een paar jaren bleef ik in Granada; toen ging onze troep uiteen; sommigen gingen naarSévilla, anderen naar Cordova en ik ging naarTolédo, waar ik nu sinds tien jaar woon met mijn nicht Lucretia, die je gisteren hebt zien spelen.”Hier kon ik niet nalaten te glimlachen. Laura zag het en vroeg naar de reden.“Kan je dat niet raden,” vroeg ik. “Je hebt broers noch zusters en ’t is dus niet mogelijk, dat je de tante bent van Lucretia. Bovendien, wanneer ik bij mijzelf den tijd bereken, die na onze laatste scheiding is verloopen, dan komt het mij niet onmogelijk voor, dat gij tweeën nader aan elkaar verwant zijt.”De weduwe van don Antonio bloosde een weinig en zei: “Welnu, mijn vriend, ik zal je dan maar eerlijk bekennen, dat Lucretia de dochter is van den markies de Marialva en mij.”“Het publiek,” merkte ik op, “mag u wel dankbaar zijn, dat ge het zulk een cadeau hebt gegeven.”Indien een sluwe lezer, die zich de samenkomsten herinnert, die ik te Granada met Laura had, toen ik secretaris was van den markies de Marialva, mij misschien er van mocht verdenken dien heer de eer te willen betwisten van het vaderschap van Lucretia, dan moet ik hem tot mijn schande doen opmerken, dat zijn vermoeden ongegrond is.Daarna vertelde ik Laura al wat er met mij was gebeurd en ik deelde haar mee, welke mijn opdracht was betreffende haar nicht.Zij toonde zich zeer ingenomen met dit plan en zei: “Als ik hier geen verbintenis had, die ik niet dadelijk kan afbreken, dan zou ik morgen wel reeds naar Madrid willen vertrekken.”“Een bevel van het hof kan die verbintenis verbreken,” zei ik. “En ik geef je de verzekering dat dit binnen acht dagen zal gebeuren. Ik heb er genoegen in den inwoners van Tolédo Lucretia te ontnemen. Een actrice, zooals zij, is geschapen voor het hof. Ze komt ons van rechtswege toe.”Juist had ik die woorden gesproken, toen Lucretia de kamer binnenkwam. Ik meende de godin Hebe te zien, zoo bekoorlijk en gracieus was zij. Laura deelde haar het doel van mijn bezoek mee en het jonge meisje toonde zich zeer ingenomen daarmee.Wij bleven nog eenigen tijd in gesprek en daarbij had ik gelegenheid om op te merken, dat Lucretia een buitengewoon verstandig meisje was.Bij het afscheid nemen van de dames, verzekerde ik haar, dat zij spoedig een bevel van het hof zou ontvangen, om zich naar Madrid te begeven.
Reeds een maand lang zei mijn meester iederen dag tegen mij: “Santillano, de tijd nadert, dat je behendigheid mij van dienst kan zijn,” en die tijd kwam maar niet. Eindelijk echter zei de minister: “Men zegt, dat er bij een troep comedianten teTolédoeen jeugdige actrice is, die opzien wekt door haar talenten: men beweert, dat zij goddelijk danst en zingt en dat ze de toeschouwers in verrukking brengt door haar voordracht; ook verzekert men, dat zij een schoonheid is. Een dergelijke actrice verdient aan het hof te verschijnen. De koning houdt van comediespel, van muziek en dans en het genoegen mag hem niet worden onthouden iemand te zien en te hooren van zulke zeldzame verdiensten. Ik heb dus besloten je naar Tolédo te zenden om voor je zelf te oordeelen, of het werkelijk zulk een bewonderenswaardige actrice is. Ik zal mij houden aan den indruk, dien je krijgt en mij op je smaak verlaten.”
Ik antwoordde den minister, dat ik zijn opdracht gaarne zou vervullen en ik stelde hem voor, dat ik zou vertrekken met één lakei, die niet den uniform van den minister zou dragen, om de zaak meer geheimzinnig te behandelen, wat zeer in den geest viel van mijn meester.
Ik ging dus op weg naar Tolédo en daar aangekomen, nam ik mijn intrek in een hotel bij het kasteel.
Nauwelijks was ik afgestapt of de waard, die mij zeker voor een landedelman hield, vroeg of ik voor het groote kettergericht kwam, dat den volgenden dag zou plaats hebben. Ik antwoordde van ja want ik vond het beter,dat hij dit geloofde dan dat hij mij verdere vragen deed.
“Ge zult dan een van de schoonste processies zien, die wij hier ooit hebben gehad,” zei hij, “er zijn, zegt men, meer dan honderd gevangenen, waaronder tien of meer die verbrand zullen worden.”
Werkelijk hoorde ik den volgenden morgen voor het opgaan van de zon alle klokken in de stad luiden en men liet het klokkenspel spelen, om het volk te waarschuwen, dat het kettergericht zou beginnen. Benieuwd om dit verschrikkelijk feest, dat ik nog nooit had gezien, bij te wonen, kleedde ik mij haastig aan en begaf mij naar de inquisitie. Er waren in de straten, waar de processie langs moest gaan verhevenheden opgesteld, waarop men voor geld kon plaats nemen. Weldra zag ik de Dominicanen, die voorop liepen, voorafgegaan door de banier van de heilige inquisitie. Deze goede vaders werden onmiddellijk gevolgd door de treurige slachtoffers, die de heilige dienst dien dag wilde straffen. Deze ongelukkigen gingen achter elkaar,met bloote voeten, een waskaars in de hand en ieder een geleider naast zich. Sommigen droegen een soort schoudermantel van geel linnen eneen mutsin den vorm van een suikerbrood. Deze mutsen waren bedekt met vlammen en duivelsche figuren.
Toen ik die ongelukkigen bekeek met een medelijden, dat ik niet wilde laten blijken, uit vrees voor een misdadiger te worden gehouden, herkende ik onder hen, wier hoofd zulk een muts droeg, de eerwaarde vaderRaphaëlen broeder Ambrosius. Ze waren zoo dicht bij mij, dat ik mij niet kon vergissen.
“Wat zie ik! De hemel, die eindelijk genoeg kreeg van hun wandaden, heeft deze booswichten dus overgeleverd aan het recht der inquisitie!” Ik begon te beven en had een gevoel of ik zou bezwijmen. De verbintenis, die ik had gehad met de twee schelmen, het avontuur te Xelva, kortom alle gelegenheden, dat ik met hen in aanraking was gekomen, kwamen plotseling voor den geest. Ik dankte God, dat Hij mij voor zulk een lot had behoed.
Toen de ceremonie voorbij was, keerde ik naar het hotel terug, nog bevende van hetgeen ik had gezien. Maar de verschrikkelijke beelden moesten uit mijn geest verdwijnen; ik moest mij bezighouden met de taak, die mijn meester mij had opgedragen.
Toen het uur naderde, waarop de schouwburg moest openen, begaf ik mij daarheen. Ik kreeg een plaats naast een ridder uit Alcantera, met wien ik weldra een gesprek had aangeknoopt.
“Mijnheer,” vroeg ik,“is het een vreemdeling geoorloofd u een vraag te doen?”
“Mijnheer,” antwoordde hij zeer beleefd, “ik zal daardoor vereerd zijn.”
“Men heeft mij,” hernam ik, “de comedianten van Tolédo zeer geprezen. Heeft men ongelijk gehad, door zooveel goeds van hen te zeggen?”
“Neen,” antwoordde hij, “hun troep is niet slecht. Er zijn zelfs zeer goede krachten bij hem aan te wijzen. Uzult onder anderen de schoone Lucretia zien, een actrice van veertien jaar, die u zal verwonderen. ’t Is niet noodig, haar aan te wijzen, wanneer zij op de planken zal verschijnen, ge zult haar gemakkelijk onderscheiden.”
Het stuk begon. Er kwamen twee actrices op de planken, die niets verzuimd hadden om zich bekoorlijk te maken, maar niettegenstaande alle diamanten, hield ik noch de een, noch de andere voor degene, die ik verwachtte.
Eindelijk verscheen de schoone Lucretia en haar opkomst werd door het publiek begroet met een algemeen en lang handgeklap.
“Ah! Daar is ze!” zei ik bij mezelf. “Wat een nobel uiterlijk! Wat een gratie! Welke mooie oogen!” Werkelijk was ik ten zeerste over haar voldaan of liever gezegd, hare persoonlijkheid trof mij buitengewoon. Van het eerste oogenblik af, dat zij begon te spreken, vond ik in haar voordracht veel natuurlijkheid, geest en vuur. Gaarne stemde ik in met het publiek, dat haar luid toejuichte.
“Ge ziet,” zei de heer naast mij, “dat Lucretia de lieveling is van het publiek. Wat zegt ge van haar?”
“Ik ben verwonderd over haar gaven.”
“Ge zult het nog meer zijn, wanneer ge haar hebt hooren zingen en zien dansen.”
“Welk een geluk zich ter wille van zulk een beminnelijk schepseltje te mogen ruïneeren!” zei ik.
“Ze heeft geen bepaalden minnaar,” antwoordde hij, “en men hoort zelfs niet van intriges, ze kon die echter wel hebben, want ze woont bij haar tante Estella en deze is een ervaren tooneelspeelster.”
Bij het hooren van den naam Estella viel ik mijn buurman in de rede, om hem te vragen of die dame ook een actrice was. Hij antwoordde mij, dat zij een van de besten was en na de beschrijving, die hij mij van haar gaf, twijfelde ik er niet aan of het was Laura, dezelfde Laura, van wie ik zooveel gesproken heb in mijn boek en die ik te Granada had achtergelaten.
Estella was dien avond niet opgetreden, maar ik hoopte toch haar in den schouwburg te vinden en begaf mij daarom na de voorstelling achter het tooneel.
Ik vroeg naar Estella en men wees haar aan. Ze was op het oogenblik in gesprek met eenige heeren, die waarschijnlijk in haar meer de tante van Lucretia zagen. Hetzij uit een gril, hetzij om mij te straffen voor mijn overhaast vertrek uit Granada, deed ze alsof ze mij niet kende en ontving mijn beleefdheden op zulk een wijze, dat ik uit het veld was geslagen. Inplaats van haar lachend hare koele ontvangst te verwijten, was ik dwaas genoeg om mij kwaad te maken. Ik verwijderde mij plotseling en nam mij voor den volgenden dag naar Madrid terug te keeren. Om mij op Laura te wreken, wilde ik niet, dat haar nicht de eer zou hebben voor den koning op te treden. Daartoe had ik den minister slechts een minder vleiend portret van Lucretia te geven.
Mijn lust om wraak te nemen was echter niet van langen duur. Den volgenden morgen kwam een jonge lakei bij mij met een briefje, waarin ik las:
“Vergeet de wijze waarop ge gisteren in den schouwburg werdt ontvangen en laat u door brenger dezes geleiden.”
Dadelijk volgde ik den lakei, die mij naar een groot huis bracht, waarin Laura hare kamers had.
Ik vond Laura aan haar toilet. Ze stond op, om mij te omhelzen en zei: “Mijnheer Gil Blas, ik weet wel, dat ge geen reden hebt over de ontvangst, die ik u gisteren heb bereid, tevreden te zijn. Een oud vriend, als gij, hadt recht om meer vriendelijkheid te verwachten. Om mij echter te verontschuldigen, moet ik zeggen, dat ik op dat oogenblik in het slechtste humeur van de wereld was. Een van die heeren had mij juist iets gezegd van mijn nicht, wier eer mij meer aan het hart ligt dan die van mijzelve. Gelukkig wist ik uw woning te laten vinden en zoo kon ik mijn fout herstellen.”
“Dat is gebeurd, mijn waarde Laura, laten wij er nietverder van spreken, maar elkaar liever onze avonturen vertellen, na dien ongelukkigen dag te Granada, toen de vrees mij overhaast deed vluchten. Ik heb u toen in groote verlegenheid achtergelaten. Hoe hebt ge u er uit kunnen redden? Dat is zeker niet zonder moeite gegaan? En ge hebt zeker wel al uw slimheid noodig gehad, om uw Portugeeschen minnaar tot bedaren te brengen?”
“In het geheel niet,” antwoordde Laura. “Weet ge niet, dat in dergelijke gevallen de mannen zoo zwak zijn, dat ze zelfs de vrouwen de moeite besparen om zich te rechtvaardigen! Ik hield tegenover den markies de Marialva vol, dat je mijn broer was. Neem mij niet kwalijk, dat ik je weer zoo familiaar aanspreek, maar ik kan mij moeilijk van die oude gewoonte losmaken. Den Portugees vroeg ik dadelijk of hij niet merkte, dat alles het werk was van Narcissa, die jaloersch op mij was en zich op zulk een wijze wilde wreken. Als een nieuw bewijs van het complot, dat men tegen mij had gesmeed, noemde ik het plotseling verdwijnen van mijn broer. Men had daartoe zeker eenige kunstgrepen gebruikt en het mij zoodoende onmogelijk gemaakt te bewijzen, dat hier alleen jaloezie en wraakzucht in het spel waren. Om kort te gaan, de markies was tevreden en de markies bleef mij beminnen tot hij Granada verliet, om weer naar Portugal te gaan.
Nog een paar jaren bleef ik in Granada; toen ging onze troep uiteen; sommigen gingen naarSévilla, anderen naar Cordova en ik ging naarTolédo, waar ik nu sinds tien jaar woon met mijn nicht Lucretia, die je gisteren hebt zien spelen.”
Hier kon ik niet nalaten te glimlachen. Laura zag het en vroeg naar de reden.
“Kan je dat niet raden,” vroeg ik. “Je hebt broers noch zusters en ’t is dus niet mogelijk, dat je de tante bent van Lucretia. Bovendien, wanneer ik bij mijzelf den tijd bereken, die na onze laatste scheiding is verloopen, dan komt het mij niet onmogelijk voor, dat gij tweeën nader aan elkaar verwant zijt.”
De weduwe van don Antonio bloosde een weinig en zei: “Welnu, mijn vriend, ik zal je dan maar eerlijk bekennen, dat Lucretia de dochter is van den markies de Marialva en mij.”
“Het publiek,” merkte ik op, “mag u wel dankbaar zijn, dat ge het zulk een cadeau hebt gegeven.”
Indien een sluwe lezer, die zich de samenkomsten herinnert, die ik te Granada met Laura had, toen ik secretaris was van den markies de Marialva, mij misschien er van mocht verdenken dien heer de eer te willen betwisten van het vaderschap van Lucretia, dan moet ik hem tot mijn schande doen opmerken, dat zijn vermoeden ongegrond is.
Daarna vertelde ik Laura al wat er met mij was gebeurd en ik deelde haar mee, welke mijn opdracht was betreffende haar nicht.
Zij toonde zich zeer ingenomen met dit plan en zei: “Als ik hier geen verbintenis had, die ik niet dadelijk kan afbreken, dan zou ik morgen wel reeds naar Madrid willen vertrekken.”
“Een bevel van het hof kan die verbintenis verbreken,” zei ik. “En ik geef je de verzekering dat dit binnen acht dagen zal gebeuren. Ik heb er genoegen in den inwoners van Tolédo Lucretia te ontnemen. Een actrice, zooals zij, is geschapen voor het hof. Ze komt ons van rechtswege toe.”
Juist had ik die woorden gesproken, toen Lucretia de kamer binnenkwam. Ik meende de godin Hebe te zien, zoo bekoorlijk en gracieus was zij. Laura deelde haar het doel van mijn bezoek mee en het jonge meisje toonde zich zeer ingenomen daarmee.
Wij bleven nog eenigen tijd in gesprek en daarbij had ik gelegenheid om op te merken, dat Lucretia een buitengewoon verstandig meisje was.
Bij het afscheid nemen van de dames, verzekerde ik haar, dat zij spoedig een bevel van het hof zou ontvangen, om zich naar Madrid te begeven.
Hoofdstuk IISantillano doet verslag van zijn zending aan den minister, die hem opdraagt ervoor te zorgen, dat Lucretia te Madrid zal komen. Van de aankomst van deze actrice en haar eerste optreden voor het hof.Bij mijn aankomst te Madrid vond ik den minister vol ongeduld, om den uitslag van mijn reis te vernemen.“Gil Blas,” vroeg hij, “heb je die actrice gezien? Is het de moeite waard, om haar aan het hof te laten verschijnen?”“Excellentie,” antwoordde ik, “de roem van dergelijke personen wordt gewoonlijk overdreven, maar van de jonge Lucretia kan niet genoeg goed worden gezegd. Zij is bewonderenswaardig, zoowel door haar talenten, als door haar schoonheid.”“Is het mogelijk!” riep de minister en ik zag daarbij in zijn oogen een inwendige genoegdoening, die mij deed denken, dat hij mij misschien in zijn eigen belang naar Tolédo had gezonden. “Is het mogelijk, dat ze zoo mooi is, als ge zegt?”“Wanneer u haar ziet, zult ge het mij moeten toestemmen,” antwoordde ik.“Santillano, geef mij nu een uitvoerig verhaal van uw reis. Deel mij alles mee, wat er gebeurd is.”Ik vertelde hem alles, ook dat Lucretia een dochter was van Laura en den markies de Marialva.“Het doet me genoegen,” zei hij, “dat zij een dochter is van een man van stand. Dat doet mij nog meer belang in haar stellen. Wij moeten haar hier hebben. Maar, mijn vriend, één ding moet ik je op het hart drukken:ikmoetbuiten de zaak blijven. Alles moet het werk zijn van Gil Blas de Santillano.”Ik zocht hierna Carnero op en zeide hem namens den minister, dat een bevel verzonden moest worden, om Estella en Lucretia, actrices van den schouwburg te Tolédo, in den koninklijken troep op te nemen. Toen dit stuk geschreven was, zond ik dadelijk denzelfden lakei, die mij op mijn reis had vergezeld, naar Estella.Acht dagen later kwamen moeder en dochter te Madrid aan, waar ze haar intrek namen in een hotel bij den koninklijken schouwburg. Dadelijk na haar aankomst bracht ik een bezoek aan de dames, om mijne diensten aan te bieden.Bij het eerste optreden was de schouwburg geheel vol. Men had een stuk gekozen, dat de nieuwe actrices gewoon waren geweest te Tolédo te spelen. Ik kan niet ontkennen, dat ik de oogenblikken vóór het stuk begon, niet geheel op mijn gemak was. Maar nauwelijks hadden de twee actrices den mond geopend, of al mijn vrees was verdwenen. Lucretia nam aller harten voor zich in. Men bewonderde om strijd haar mooie oogen, haar zachte stem en ieder was getroffen door haar bevalligheid.De minister was dien avond ook in den schouwburg. Daar ik zeer nieuwsgierig was, om zijn indruk te vernemen, wachtte ik hem ’s avonds in zijn kabinet op.“Wel Excellentie,” vroeg ik, “is u tevreden over de kleine Marialva?”“Ik zou wel zeer moeilijk te voldoen zijn,” antwoordde hij glimlachend, “indien ik het algemeen gevoelen van het publiek niet deelde. Ja, mijn vriend, je reis naar Tolédo is gelukkig geweest. En ik twijfel er niet aan, of de koning zal Lucretia ook met genoegen zien spelen.”
Bij mijn aankomst te Madrid vond ik den minister vol ongeduld, om den uitslag van mijn reis te vernemen.
“Gil Blas,” vroeg hij, “heb je die actrice gezien? Is het de moeite waard, om haar aan het hof te laten verschijnen?”
“Excellentie,” antwoordde ik, “de roem van dergelijke personen wordt gewoonlijk overdreven, maar van de jonge Lucretia kan niet genoeg goed worden gezegd. Zij is bewonderenswaardig, zoowel door haar talenten, als door haar schoonheid.”
“Is het mogelijk!” riep de minister en ik zag daarbij in zijn oogen een inwendige genoegdoening, die mij deed denken, dat hij mij misschien in zijn eigen belang naar Tolédo had gezonden. “Is het mogelijk, dat ze zoo mooi is, als ge zegt?”
“Wanneer u haar ziet, zult ge het mij moeten toestemmen,” antwoordde ik.
“Santillano, geef mij nu een uitvoerig verhaal van uw reis. Deel mij alles mee, wat er gebeurd is.”
Ik vertelde hem alles, ook dat Lucretia een dochter was van Laura en den markies de Marialva.
“Het doet me genoegen,” zei hij, “dat zij een dochter is van een man van stand. Dat doet mij nog meer belang in haar stellen. Wij moeten haar hier hebben. Maar, mijn vriend, één ding moet ik je op het hart drukken:ikmoetbuiten de zaak blijven. Alles moet het werk zijn van Gil Blas de Santillano.”
Ik zocht hierna Carnero op en zeide hem namens den minister, dat een bevel verzonden moest worden, om Estella en Lucretia, actrices van den schouwburg te Tolédo, in den koninklijken troep op te nemen. Toen dit stuk geschreven was, zond ik dadelijk denzelfden lakei, die mij op mijn reis had vergezeld, naar Estella.
Acht dagen later kwamen moeder en dochter te Madrid aan, waar ze haar intrek namen in een hotel bij den koninklijken schouwburg. Dadelijk na haar aankomst bracht ik een bezoek aan de dames, om mijne diensten aan te bieden.
Bij het eerste optreden was de schouwburg geheel vol. Men had een stuk gekozen, dat de nieuwe actrices gewoon waren geweest te Tolédo te spelen. Ik kan niet ontkennen, dat ik de oogenblikken vóór het stuk begon, niet geheel op mijn gemak was. Maar nauwelijks hadden de twee actrices den mond geopend, of al mijn vrees was verdwenen. Lucretia nam aller harten voor zich in. Men bewonderde om strijd haar mooie oogen, haar zachte stem en ieder was getroffen door haar bevalligheid.
De minister was dien avond ook in den schouwburg. Daar ik zeer nieuwsgierig was, om zijn indruk te vernemen, wachtte ik hem ’s avonds in zijn kabinet op.
“Wel Excellentie,” vroeg ik, “is u tevreden over de kleine Marialva?”
“Ik zou wel zeer moeilijk te voldoen zijn,” antwoordde hij glimlachend, “indien ik het algemeen gevoelen van het publiek niet deelde. Ja, mijn vriend, je reis naar Tolédo is gelukkig geweest. En ik twijfel er niet aan, of de koning zal Lucretia ook met genoegen zien spelen.”
Hoofdstuk IIILucretia maakt grooten opgang aan het hof en speelt voor den koning, die verliefd op haar wordt. Gevolg van die liefde.Het eerste optreden van de twee nieuwe actrices werd den volgenden dag druk besproken. Ook in tegenwoordigheid van den koning werd de jonge Lucretia zeer geroemd. Deze deed echter of hij aan die gesprekken weinig aandacht schonk.Toen hij echter alleen was met den eersten minister, vroeg hij, wie die jonge actrice was, die men zoo prees.De minister antwoordde: “Het is een jong meisje, dat aan den schouwburg te Tolédo was verbonden. Ze heet Lucretia, wat een goede naam is voor iemand van haar beroep en is een kennis van Gil Blas de Santillano, die mij zooveel goeds van haar had verteld, dat ik het gewenscht achtte om haar in den koninklijken troep op te nemen. Bij haar eerste optreden gisterenavond heeft zij een zeer groot succes gehad.”Bij het hooren van mijn naam, had de koning een glimlach niet kunnen weerhouden. Hij herinnerde zich misschien op dat oogenblik, dat ik het geweest was, die hem in kennis had gebracht met Catalina en had er mogelijk een voorgevoel van, dat ik hem in deze aangelegenheid denzelfden dienst zou kunnen bewijzen. Hoe het zij, hij deelde den minister mee, dat hij den volgenden avond Lucretia wilde zien spelen en dat men haar dit zou berichten.De graaf-hertog vertelde mij, welk gesprek hij had gehad en verzocht mij de twee actrices te gaan waarschuwen.Het eerst zag ik Laura en ik zei haar: “Ik kom u een groot nieuws meedeelen. De minister heeft mij belast u te zeggen, dat de koning morgenavond de voorstelling met zijn tegenwoordigheid zal vereeren. Ik twijfel er niet aan, of gij beiden zult al het mogelijke doen, om u die eer waardig te doen zijn. Wanneer ik u een raad mag geven, dan zou het deze zijn, om een stuk te kiezen, waarin veel zang en dans voorkomen,opdatde koning alle talenten bewonderen kan, die Lucretia bezit.”“Wij zullen uw raad opvolgen,” zei Laura, “het zal niet aan ons liggen, wanneer hij niet voldaan is.” Op dat oogenblik kwam Lucretia binnen, die er thans nog bekoorlijker uitzag, dan in haar tooneelkleeding.“De koning,” zei ik, “zal uw schoone nicht nog meer bewonderen, indien zij optreedt in een stuk, waarin zang en dans voorkomen. Hij zou daardoor zelfs wel eens in de verzoeking kunnen komen haar zijn zakdoek toe te werpen.”“Ik hoop niet,” zei Laura, “dat hij zoo iets zal probeeren, want welk een machtig vorst hij ook mag zijn, hij zou dan wel eens op tegenstand kunnen stuiten. Hoewel zij in de tooneelwereld is opgevoed, is Lucretia deugdzaam en welk genoegen zij ook heeft in de toejuichingen van het publiek, het is voor haar meer eer een braaf meisje, dan een goede actrice te zijn.”“Lieve tante,” zei de kleine Marialva, zich in het gesprek mengende, “waarom u zorgen gemaakt voor den tijd? Ik zal wel nooit voor die beproevingen komen te staan.”“Bekoorlijke Lucretia,” zei ik, “indien de koning u tot zijn minnares wilde maken, zoudt ge hem toch zeker niet tevergeefs laten zuchten?”“Waarom niet?” vroeg zij. “Het zou mij meer streelen, hem weerstand te hebben geboden, dan aan zijn begeerte te hebben voldaan.”Ik was niet weinig verwonderd een leerling van Laura op die wijze te hooren spreken en ik verliet de dames, demoeder prijzende, dat zij haar dochter zulk een goede opvoeding had gegeven.Den volgenden dag begaf de koning, verlangend om Lucretia te zien, zich naar den schouwburg. Men speelde een stuk, waarin de jonge actrice alle gelegenheid had om te schitteren. Van het begin tot het eind had ik mijn oogen gevestigd op den koning; ik trachtte op zijn trekken te lezen, wat hij dacht, maar hij behield hetzelfde ernstige gezicht, dat hij altijd trachtte op te zetten.Den volgenden dag eerst vernam ik, wat zijn indruk was geweest.“Santillano,” zei mijn meester, “ik heb den koning gesproken, die vol lof is over Lucretia en ik twijfel er niet aan of hij is op haar verliefd. Nadat ik hem had gezegd, dat gij haar uit Tolédo hebt laten komen, zei hij, dat hij gaarne met u een onderhoud zou willen hebben. Ga er dus heen. Hij heeft al bevel gegeven om je dadelijk bij hem toe te laten en kom mij den afloop meedeelen.”De koning liep met groote stappen op en neer, toen ik bij hem binnenkwam. Hij deed mij allerlei vragen over Lucretia, wier geheele geschiedenis ik hem moest vertellen. Vervolgens vroeg hij of zij al in eenig galant avontuur was betrokken geweest. Hoewel men met dergelijke verklaringen altijd zeer voorzichtig moet zijn, antwoordde ik hier toch beslist ontkennend, wat den vorst groot genoegen scheen te doen.“In deze zaak,” ging hij voort, “heb ik u tot mijn vertrouweling gekozen. Ik wil, dat de schoone Lucretia door u vernemen zal, welk een overwinning zij heeft gemaakt.” Hij stelde mij daarna een etui ter hand met diamanten ter waarde van ongeveer vijftig duizend kronen en ik moest haar vragen dit geschenk van hem te willen aannemen, in afwachting van andere bewijzen van zijn liefde.Om mij van die taak te kwijten, zocht ik mijn meester op en deed hem een getrouw verslag van mijn onderhoud met den koning. Ik had verwacht, dat de minister meer teleurgesteld dan verheugd zou zijn, want ik meende, dathijzelf verliefd was op Lucretia en dus ongaarne zou zien, dat de koning zijn medeminnaar was; maar ik bedroog mij in dit opzicht. Wel verre van teleurgesteld te zijn, was zijn vreugde zoo groot, dat hem zelfs eenige woorden ontsnapten. “Mooi zoo, Filips! daardoor zal u de lust voor de zaken wel vergaan!” Daaruit leidde ik af, dat de minister den koning wilde afhouden van de staatszaken en hem daarom een dergelijke verstrooiïng wilde schenken.“Santillano,” zei hij, “haast je mijn vriend, om dit bevel uit te voeren. Heel wat heeren aan het hof zouden jaloersch zijn op zulk een gewichtige taak. Denk er aan, dat het in dit geval niet de graaf de Lémos is, die het grootste gedeelte van de eer krijgt. Je zult die nu geheel alleen hebben en wat meer is, ook het voordeel.”Daar ik sedert het verblijf in de gevangenis gewoon was geworden, de zaken meer van een moreel standpunt te beschouwen, hinderde mij dit soort van werk wel, maar ik was toch niet deugdzaam genoeg om het te weigeren. Te liever vervulde ik den wensch van den koning, omdat mijn gehoorzaamheid ook aangenaam was voor den minister, wien ik in de eerste plaats genoegen wilde doen.Ik achtte het gewenscht om eerst een onderhoud te hebben met Laura, waarin ik haar den wensch van den koning kenbaar maakte en haar de edelsteenen liet zien. Op het gezicht daarvan kon ze haar vreugd niet bedwingen en zei: “Gil Blas, ’t is onder oude vrienden maar beter om eerlijk te zijn. Ik kan niet verbergen, dat ik ten zeerste verheugd ben over de overwinning van Lucretia, die van buitengewone waarde is. Maar, onder ons gezegd, ik vrees dat Lucretia de zaak uit een ander oogpunt zal beschouwen. Hoewel ze, om zoo te zeggen, op het tooneel is opgevoed, is ze verstandig en deugdzaam. Ze heeft al weerstand geboden aan de wenschen van twee beminnelijke jonge mannen. Ge zult me zeggen, dat die twee heeren geen koningen waren, dat stem ik toe en werkelijk de eer, een gekroond hoofd tot minnaar te hebben, moet sterker zijn dan de deugd van Lucretia; echter kan ik mij nietweerhouden je te zeggen, dat de zaak onzeker is. Wat mij betreft, ik verklaar je, dat ik mijn dochter niet zal tegenwerken. Kom morgen terug; ik zal je dan een gunstig antwoord geven of dit etui terug.”Ik twijfelde er niet aan of Laura zou Lucretia gemakkelijk overhalen. Niettemin vernam ik den volgenden dag met verwondering, dat Laura evenveel moeite had gehad, om Lucretia op den slechten weg te brengen, als andere moeders soms hebben, om haar dochters daarvan af te houden.Wat mij echter nog meer verwonderde was, dat Lucretia, na eenige malen een geheim onderhoud met den koning te hebben gehad, plotseling de wereld verliet en in een klooster ging, waar ze niet lang daarna ziek werd van verdriet en stierf. Laura kon zich niet troosten over het verlies van haar dochter, dat ze zich zelf verweet. Zij ging eveneens in een klooster, om er de genoegens van hare schoone dagen te beweenen.De koning was eerst getroffen door het plotselinge verdwijnen van Lucretia, maar hij was er de man niet naar om lang te treuren.Wat den minister aanging, hij nam weinig notitie van het gebeurde. Daartoe ontbrak hem de tijd.
Het eerste optreden van de twee nieuwe actrices werd den volgenden dag druk besproken. Ook in tegenwoordigheid van den koning werd de jonge Lucretia zeer geroemd. Deze deed echter of hij aan die gesprekken weinig aandacht schonk.
Toen hij echter alleen was met den eersten minister, vroeg hij, wie die jonge actrice was, die men zoo prees.
De minister antwoordde: “Het is een jong meisje, dat aan den schouwburg te Tolédo was verbonden. Ze heet Lucretia, wat een goede naam is voor iemand van haar beroep en is een kennis van Gil Blas de Santillano, die mij zooveel goeds van haar had verteld, dat ik het gewenscht achtte om haar in den koninklijken troep op te nemen. Bij haar eerste optreden gisterenavond heeft zij een zeer groot succes gehad.”
Bij het hooren van mijn naam, had de koning een glimlach niet kunnen weerhouden. Hij herinnerde zich misschien op dat oogenblik, dat ik het geweest was, die hem in kennis had gebracht met Catalina en had er mogelijk een voorgevoel van, dat ik hem in deze aangelegenheid denzelfden dienst zou kunnen bewijzen. Hoe het zij, hij deelde den minister mee, dat hij den volgenden avond Lucretia wilde zien spelen en dat men haar dit zou berichten.
De graaf-hertog vertelde mij, welk gesprek hij had gehad en verzocht mij de twee actrices te gaan waarschuwen.
Het eerst zag ik Laura en ik zei haar: “Ik kom u een groot nieuws meedeelen. De minister heeft mij belast u te zeggen, dat de koning morgenavond de voorstelling met zijn tegenwoordigheid zal vereeren. Ik twijfel er niet aan, of gij beiden zult al het mogelijke doen, om u die eer waardig te doen zijn. Wanneer ik u een raad mag geven, dan zou het deze zijn, om een stuk te kiezen, waarin veel zang en dans voorkomen,opdatde koning alle talenten bewonderen kan, die Lucretia bezit.”
“Wij zullen uw raad opvolgen,” zei Laura, “het zal niet aan ons liggen, wanneer hij niet voldaan is.” Op dat oogenblik kwam Lucretia binnen, die er thans nog bekoorlijker uitzag, dan in haar tooneelkleeding.
“De koning,” zei ik, “zal uw schoone nicht nog meer bewonderen, indien zij optreedt in een stuk, waarin zang en dans voorkomen. Hij zou daardoor zelfs wel eens in de verzoeking kunnen komen haar zijn zakdoek toe te werpen.”
“Ik hoop niet,” zei Laura, “dat hij zoo iets zal probeeren, want welk een machtig vorst hij ook mag zijn, hij zou dan wel eens op tegenstand kunnen stuiten. Hoewel zij in de tooneelwereld is opgevoed, is Lucretia deugdzaam en welk genoegen zij ook heeft in de toejuichingen van het publiek, het is voor haar meer eer een braaf meisje, dan een goede actrice te zijn.”
“Lieve tante,” zei de kleine Marialva, zich in het gesprek mengende, “waarom u zorgen gemaakt voor den tijd? Ik zal wel nooit voor die beproevingen komen te staan.”
“Bekoorlijke Lucretia,” zei ik, “indien de koning u tot zijn minnares wilde maken, zoudt ge hem toch zeker niet tevergeefs laten zuchten?”
“Waarom niet?” vroeg zij. “Het zou mij meer streelen, hem weerstand te hebben geboden, dan aan zijn begeerte te hebben voldaan.”
Ik was niet weinig verwonderd een leerling van Laura op die wijze te hooren spreken en ik verliet de dames, demoeder prijzende, dat zij haar dochter zulk een goede opvoeding had gegeven.
Den volgenden dag begaf de koning, verlangend om Lucretia te zien, zich naar den schouwburg. Men speelde een stuk, waarin de jonge actrice alle gelegenheid had om te schitteren. Van het begin tot het eind had ik mijn oogen gevestigd op den koning; ik trachtte op zijn trekken te lezen, wat hij dacht, maar hij behield hetzelfde ernstige gezicht, dat hij altijd trachtte op te zetten.
Den volgenden dag eerst vernam ik, wat zijn indruk was geweest.
“Santillano,” zei mijn meester, “ik heb den koning gesproken, die vol lof is over Lucretia en ik twijfel er niet aan of hij is op haar verliefd. Nadat ik hem had gezegd, dat gij haar uit Tolédo hebt laten komen, zei hij, dat hij gaarne met u een onderhoud zou willen hebben. Ga er dus heen. Hij heeft al bevel gegeven om je dadelijk bij hem toe te laten en kom mij den afloop meedeelen.”
De koning liep met groote stappen op en neer, toen ik bij hem binnenkwam. Hij deed mij allerlei vragen over Lucretia, wier geheele geschiedenis ik hem moest vertellen. Vervolgens vroeg hij of zij al in eenig galant avontuur was betrokken geweest. Hoewel men met dergelijke verklaringen altijd zeer voorzichtig moet zijn, antwoordde ik hier toch beslist ontkennend, wat den vorst groot genoegen scheen te doen.
“In deze zaak,” ging hij voort, “heb ik u tot mijn vertrouweling gekozen. Ik wil, dat de schoone Lucretia door u vernemen zal, welk een overwinning zij heeft gemaakt.” Hij stelde mij daarna een etui ter hand met diamanten ter waarde van ongeveer vijftig duizend kronen en ik moest haar vragen dit geschenk van hem te willen aannemen, in afwachting van andere bewijzen van zijn liefde.
Om mij van die taak te kwijten, zocht ik mijn meester op en deed hem een getrouw verslag van mijn onderhoud met den koning. Ik had verwacht, dat de minister meer teleurgesteld dan verheugd zou zijn, want ik meende, dathijzelf verliefd was op Lucretia en dus ongaarne zou zien, dat de koning zijn medeminnaar was; maar ik bedroog mij in dit opzicht. Wel verre van teleurgesteld te zijn, was zijn vreugde zoo groot, dat hem zelfs eenige woorden ontsnapten. “Mooi zoo, Filips! daardoor zal u de lust voor de zaken wel vergaan!” Daaruit leidde ik af, dat de minister den koning wilde afhouden van de staatszaken en hem daarom een dergelijke verstrooiïng wilde schenken.
“Santillano,” zei hij, “haast je mijn vriend, om dit bevel uit te voeren. Heel wat heeren aan het hof zouden jaloersch zijn op zulk een gewichtige taak. Denk er aan, dat het in dit geval niet de graaf de Lémos is, die het grootste gedeelte van de eer krijgt. Je zult die nu geheel alleen hebben en wat meer is, ook het voordeel.”
Daar ik sedert het verblijf in de gevangenis gewoon was geworden, de zaken meer van een moreel standpunt te beschouwen, hinderde mij dit soort van werk wel, maar ik was toch niet deugdzaam genoeg om het te weigeren. Te liever vervulde ik den wensch van den koning, omdat mijn gehoorzaamheid ook aangenaam was voor den minister, wien ik in de eerste plaats genoegen wilde doen.
Ik achtte het gewenscht om eerst een onderhoud te hebben met Laura, waarin ik haar den wensch van den koning kenbaar maakte en haar de edelsteenen liet zien. Op het gezicht daarvan kon ze haar vreugd niet bedwingen en zei: “Gil Blas, ’t is onder oude vrienden maar beter om eerlijk te zijn. Ik kan niet verbergen, dat ik ten zeerste verheugd ben over de overwinning van Lucretia, die van buitengewone waarde is. Maar, onder ons gezegd, ik vrees dat Lucretia de zaak uit een ander oogpunt zal beschouwen. Hoewel ze, om zoo te zeggen, op het tooneel is opgevoed, is ze verstandig en deugdzaam. Ze heeft al weerstand geboden aan de wenschen van twee beminnelijke jonge mannen. Ge zult me zeggen, dat die twee heeren geen koningen waren, dat stem ik toe en werkelijk de eer, een gekroond hoofd tot minnaar te hebben, moet sterker zijn dan de deugd van Lucretia; echter kan ik mij nietweerhouden je te zeggen, dat de zaak onzeker is. Wat mij betreft, ik verklaar je, dat ik mijn dochter niet zal tegenwerken. Kom morgen terug; ik zal je dan een gunstig antwoord geven of dit etui terug.”
Ik twijfelde er niet aan of Laura zou Lucretia gemakkelijk overhalen. Niettemin vernam ik den volgenden dag met verwondering, dat Laura evenveel moeite had gehad, om Lucretia op den slechten weg te brengen, als andere moeders soms hebben, om haar dochters daarvan af te houden.
Wat mij echter nog meer verwonderde was, dat Lucretia, na eenige malen een geheim onderhoud met den koning te hebben gehad, plotseling de wereld verliet en in een klooster ging, waar ze niet lang daarna ziek werd van verdriet en stierf. Laura kon zich niet troosten over het verlies van haar dochter, dat ze zich zelf verweet. Zij ging eveneens in een klooster, om er de genoegens van hare schoone dagen te beweenen.
De koning was eerst getroffen door het plotselinge verdwijnen van Lucretia, maar hij was er de man niet naar om lang te treuren.
Wat den minister aanging, hij nam weinig notitie van het gebeurde. Daartoe ontbrak hem de tijd.
Hoofdstuk IVVan de nieuwe taak, die de minister aan Santillano gaf.Het ongeluk van Lucretia deed mij veel verdriet; ik beschouwde mijzelf als medeplichtig daaraan en besloot mij in geen geval meer met dergelijke zaken in te laten.Ik sprak daarover met den minister, die verwonderd scheen over mijn gewetensbezwaren. Hij zei: “Santillano, je hebt een goed karakter en ik wil je nu een opdracht geven, die daarmee meer in overeenstemming is. Luister goed toe, ik zal je zeggen wat de zaak is.Voor eenige jaren zag ik plotseling een dame, die zoo schoon en bekoorlijk was, dat ik haar liet volgen. Ik vernam, dat zij geboortig was uit Genua, dona Margarita Spinola heette en te Madrid leefde van de inkomsten van hare schoonheid. Men zeide mij, dat don Francisco de Valéasar, een rijke, oude en getrouwde man enorme sommen voor haar uitgaf. Wel verre van mij afkeer in te boezemen, deed dat bericht bij mij sterke verlangens ontstaan, om hare gunsten met Valéasar te deelen. Om daaraan te voldoen, nam ik mijn toevlucht tot een koppelaarster, die mij spoedig een geheim onderhoud met Margarita bezorgde, dat door verschillende andere werd gevolgd. Mijn medeminnaar en ik werden even goed behandeld voor de geschenken, die wij haar gaven. Misschien had ze nog wel een derden galant, die even gelukkig was als wij.Wat er van zij, het gevolg van alle hulde die Margarita ontving, was dat zij moeder werd. Zij bracht een zoon ter wereld en gaf zoowel Valéasar als mij de eer van het vaderschap. Maar wij wilden het kind geen van beidenerkennen, zoodat ze het zelf moest grootbrengen. Dat heeft zij gedurende achttien jaar gedaan, daarna is ze gestorven en heeft haar zoon achtergelaten zonder goed en, wat erger is, zonder opvoeding.Dit is een vertrouwelijke mededeeling, die ik je had te doen en nu wil ik je zeggen, wat mijn plan is. Ik wil mij het lot van dien ongelukkigen jongen aantrekken en hem erkennen.”Toen ik dit plan had aangehoord, was het mij onmogelijk om te zwijgen. “Excellentie! Hoe kunt u zulk een vreemd besluit nemen?”“Ge zult het niet zoo vreemd vinden, indien ik je de redenen ervan heb meegedeeld. Ik wil niet, dat mijn neven en nichten mijn erfgenamen zullen worden. Misschien zul je zeggen, dat wij nog niet op een leeftijd zijn gekomen, om zelf geen kinderen meer te krijgen. Maar welke geleerden wij ook hebben geraadpleegd, het is alles nutteloos geweest. Van mijn vrouw heb ik geen kinderen meer te verwachten. Het lot heeft nu een kind op mijn weg gesteld, waarvan ik misschien werkelijk vader ben. Dien jongen wil ik aannemen; dat is een zaak, waartoe ik vast besloten ben.”Toen ik merkte, dat de minister zich dit nu eenmaal vast in het hoofd had gesteld, sprak ik hem niet verder tegen. Ik wist, dat hij een man was, eerder in staat om een dwaasheid te doen, dan om terug te komen op een genomen besluit.“Het is nu de zaak, om een opvoeding te geven aan don Henri Philippe de Guzman, want dezen naam zal hij voorloopig in de wereld dragen. Om hem terzijde te staan, Santillano, heb ik jou uitgekozen. Ik vertrouw op je verstand en je gehechtheid aan mijn persoon. Draag zorg voor zijn huis, geef hem alle soorten van meesters; in één woord, maak van hem een volmaakt edelman.”Ik wilde mij daartegen verzetten, door mijn meester te zeggen, dat ik geen jonge heeren kon opvoeden, omdat ik dat nooit tevoren had gedaan; dat daarvoor meer verstanden meer verdiensten noodig waren, dan ik bezat, maar hij sloot mij den mond, door te zeggen, dat het zijn bepaalde wil was, dat ik ook de gouverneur zou zijn van zijn aangenomen zoon, dien hij voor de hoogste betrekkingen had bestemd.Dus bereidde ik mij voor, die taak te gaan vervullen ten genoege van mijn meester, die uit dankbaarheid mijn inkomen met duizend kronen per jaar verhoogde.
Het ongeluk van Lucretia deed mij veel verdriet; ik beschouwde mijzelf als medeplichtig daaraan en besloot mij in geen geval meer met dergelijke zaken in te laten.
Ik sprak daarover met den minister, die verwonderd scheen over mijn gewetensbezwaren. Hij zei: “Santillano, je hebt een goed karakter en ik wil je nu een opdracht geven, die daarmee meer in overeenstemming is. Luister goed toe, ik zal je zeggen wat de zaak is.
Voor eenige jaren zag ik plotseling een dame, die zoo schoon en bekoorlijk was, dat ik haar liet volgen. Ik vernam, dat zij geboortig was uit Genua, dona Margarita Spinola heette en te Madrid leefde van de inkomsten van hare schoonheid. Men zeide mij, dat don Francisco de Valéasar, een rijke, oude en getrouwde man enorme sommen voor haar uitgaf. Wel verre van mij afkeer in te boezemen, deed dat bericht bij mij sterke verlangens ontstaan, om hare gunsten met Valéasar te deelen. Om daaraan te voldoen, nam ik mijn toevlucht tot een koppelaarster, die mij spoedig een geheim onderhoud met Margarita bezorgde, dat door verschillende andere werd gevolgd. Mijn medeminnaar en ik werden even goed behandeld voor de geschenken, die wij haar gaven. Misschien had ze nog wel een derden galant, die even gelukkig was als wij.
Wat er van zij, het gevolg van alle hulde die Margarita ontving, was dat zij moeder werd. Zij bracht een zoon ter wereld en gaf zoowel Valéasar als mij de eer van het vaderschap. Maar wij wilden het kind geen van beidenerkennen, zoodat ze het zelf moest grootbrengen. Dat heeft zij gedurende achttien jaar gedaan, daarna is ze gestorven en heeft haar zoon achtergelaten zonder goed en, wat erger is, zonder opvoeding.
Dit is een vertrouwelijke mededeeling, die ik je had te doen en nu wil ik je zeggen, wat mijn plan is. Ik wil mij het lot van dien ongelukkigen jongen aantrekken en hem erkennen.”
Toen ik dit plan had aangehoord, was het mij onmogelijk om te zwijgen. “Excellentie! Hoe kunt u zulk een vreemd besluit nemen?”
“Ge zult het niet zoo vreemd vinden, indien ik je de redenen ervan heb meegedeeld. Ik wil niet, dat mijn neven en nichten mijn erfgenamen zullen worden. Misschien zul je zeggen, dat wij nog niet op een leeftijd zijn gekomen, om zelf geen kinderen meer te krijgen. Maar welke geleerden wij ook hebben geraadpleegd, het is alles nutteloos geweest. Van mijn vrouw heb ik geen kinderen meer te verwachten. Het lot heeft nu een kind op mijn weg gesteld, waarvan ik misschien werkelijk vader ben. Dien jongen wil ik aannemen; dat is een zaak, waartoe ik vast besloten ben.”
Toen ik merkte, dat de minister zich dit nu eenmaal vast in het hoofd had gesteld, sprak ik hem niet verder tegen. Ik wist, dat hij een man was, eerder in staat om een dwaasheid te doen, dan om terug te komen op een genomen besluit.
“Het is nu de zaak, om een opvoeding te geven aan don Henri Philippe de Guzman, want dezen naam zal hij voorloopig in de wereld dragen. Om hem terzijde te staan, Santillano, heb ik jou uitgekozen. Ik vertrouw op je verstand en je gehechtheid aan mijn persoon. Draag zorg voor zijn huis, geef hem alle soorten van meesters; in één woord, maak van hem een volmaakt edelman.”
Ik wilde mij daartegen verzetten, door mijn meester te zeggen, dat ik geen jonge heeren kon opvoeden, omdat ik dat nooit tevoren had gedaan; dat daarvoor meer verstanden meer verdiensten noodig waren, dan ik bezat, maar hij sloot mij den mond, door te zeggen, dat het zijn bepaalde wil was, dat ik ook de gouverneur zou zijn van zijn aangenomen zoon, dien hij voor de hoogste betrekkingen had bestemd.
Dus bereidde ik mij voor, die taak te gaan vervullen ten genoege van mijn meester, die uit dankbaarheid mijn inkomen met duizend kronen per jaar verhoogde.
Hoofdstuk VDe zoon van Margarita Spinola wordt bij authentieke acte erkend en don Henri-Philippe de Guzman genoemd. Santillano richt het huis van dien jongen heer in en geeft hem allerlei meesters.De acte van erkenning werd met goedkeuring van den koning opgemaakt. Don Henri-Philippe de Guzman (dat was de naam, dien men aan het kind met de verschillende vaders gaf) werd daarin tot eenig erfgenaam verklaard van het graafschap Olivarès en van het hertogdom de San-Lucar. Opdat iedereen het weten zou, liet de minister aan alle gezanten en grandes van Spanje deze mededeeling doen, waarover men niet weinig verwonderd was. De lachers in Madrid hadden langen tijd stof en de satirische dichters verzuimden deze gelegenheid niet om hun pen in gal te doopen.Ik vroeg aan den graaf-hertog, waar de jongeman was, dien hij aan mijn zorgen wilde toevertrouwen en hij antwoordde mij, dat hij thans in de stad was bij een tante, aan wier zorgen hij echter zou worden ontnomen, zoodra zijn huis ingericht zou zijn.Ik huurde dus een huis, liet het prachtig meubileeren en stelde pages, portier en andere bedienden aan.Toen dat gebeurd was, ging ik den minister waarschuwen, die dadelijk den twijfelachtigen en nieuwen spruit van den tak Guzman liet halen. Ik zag een grooten jongen, met een vrij aangenaam uiterlijk. De minister zei, toen hij ons voorstelde, dat don Henri mij in alle opzichten als zijn gids moest beschouwen.Wij gingen daarop naar het nieuwe huis, waar ik allebedienden aan hunnen nieuwen meester voorstelde. In den omkeer in zijn toestand scheen hij zich zeer gemakkelijk te kunnen schikken. Met groote gemakkelijkheid nam hij alle betuigingen van eerbied en beleefdheid in ontvangst. Het ontbrak hem niet aan verstand, maar hij was zeer onwetend. Hij kon nauwelijks lezen en schrijven. Ik gaf hem meesters in de beginselen van het Latijn, de aardrijkskunde, de geschiedenis en een schermmeester. Een dansmeester vergat ik niet, maar er waren in dien tijd zooveel van die vermaarde heeren, dat ik niet goed wist, wien te kiezen.Toen ik daar zoo over nadacht, zag ik een rijk gekleed man ons huis binnengaan.Hij vroeg mij te spreken. Ik verbeeldde mij, dat hij minstens een ridder van Alcantera was en vroeg waarmee ik hem van dienst kon zijn.“Mijnheer de Santillano,” antwoordde hij met vele buigingen, “men heeft mij verteld, dat gij belast zijt met het kiezen van meesters voor don Henri. Ik kom mijne diensten aanbieden. Ik heet Martin Ligero1en verheug mij in een goeden naam. Ik heb anders de gewoonte niet, om leerlingen te vragen, dat past slechts aan onbeduidende dansmeesters. In den regel wacht ik, tot men mij komt bezoeken. Maar daar ik bekend ben bij den hertog de Medina Sidonia, bij don Louis de Haro en eenige andere heeren van het huis Guzman, heb ik het als een eer beschouwd u voor te zijn.”“Ik merk uit hetgeen ge zegt, dat gij de man zijt, dien wij noodig hebben,” zei ik. “Hoeveel rekent ge per maand?”“Vier dubbele pistolen,” hernam hij, “dat is de vaste prijs en ik geef twee lessen per week.”“Vier dubbele pistolen!” riep ik. “Dat is veel!”“Hoezoo veel!” antwoordde hij op verwonderden toon. “Ge geeft wel een pistool per maand aan een onderwijzer in de philosophie.”Ik kon niet nalaten om dat antwoord te lachen en vroeg mijnheer Ligéro, of hij werkelijk meende, dat iemand van zijn vak boven een leeraar in de philosophie stond.“Dat geloof ik zeer zeker, mijnheer,” zei hij, “wij zijn in de wereld van heel wat meer nut, dan die heeren! Wat zijn de mannen, vóór ze door onze handen zijn gegaan? Lichamen uit één stuk! Ongelikte beeren! Maar onze lessen geven hun vorm en gratie.”Ik besloot den dansmeester aan te nemen.1Ligero = licht.
De acte van erkenning werd met goedkeuring van den koning opgemaakt. Don Henri-Philippe de Guzman (dat was de naam, dien men aan het kind met de verschillende vaders gaf) werd daarin tot eenig erfgenaam verklaard van het graafschap Olivarès en van het hertogdom de San-Lucar. Opdat iedereen het weten zou, liet de minister aan alle gezanten en grandes van Spanje deze mededeeling doen, waarover men niet weinig verwonderd was. De lachers in Madrid hadden langen tijd stof en de satirische dichters verzuimden deze gelegenheid niet om hun pen in gal te doopen.
Ik vroeg aan den graaf-hertog, waar de jongeman was, dien hij aan mijn zorgen wilde toevertrouwen en hij antwoordde mij, dat hij thans in de stad was bij een tante, aan wier zorgen hij echter zou worden ontnomen, zoodra zijn huis ingericht zou zijn.
Ik huurde dus een huis, liet het prachtig meubileeren en stelde pages, portier en andere bedienden aan.
Toen dat gebeurd was, ging ik den minister waarschuwen, die dadelijk den twijfelachtigen en nieuwen spruit van den tak Guzman liet halen. Ik zag een grooten jongen, met een vrij aangenaam uiterlijk. De minister zei, toen hij ons voorstelde, dat don Henri mij in alle opzichten als zijn gids moest beschouwen.
Wij gingen daarop naar het nieuwe huis, waar ik allebedienden aan hunnen nieuwen meester voorstelde. In den omkeer in zijn toestand scheen hij zich zeer gemakkelijk te kunnen schikken. Met groote gemakkelijkheid nam hij alle betuigingen van eerbied en beleefdheid in ontvangst. Het ontbrak hem niet aan verstand, maar hij was zeer onwetend. Hij kon nauwelijks lezen en schrijven. Ik gaf hem meesters in de beginselen van het Latijn, de aardrijkskunde, de geschiedenis en een schermmeester. Een dansmeester vergat ik niet, maar er waren in dien tijd zooveel van die vermaarde heeren, dat ik niet goed wist, wien te kiezen.
Toen ik daar zoo over nadacht, zag ik een rijk gekleed man ons huis binnengaan.
Hij vroeg mij te spreken. Ik verbeeldde mij, dat hij minstens een ridder van Alcantera was en vroeg waarmee ik hem van dienst kon zijn.
“Mijnheer de Santillano,” antwoordde hij met vele buigingen, “men heeft mij verteld, dat gij belast zijt met het kiezen van meesters voor don Henri. Ik kom mijne diensten aanbieden. Ik heet Martin Ligero1en verheug mij in een goeden naam. Ik heb anders de gewoonte niet, om leerlingen te vragen, dat past slechts aan onbeduidende dansmeesters. In den regel wacht ik, tot men mij komt bezoeken. Maar daar ik bekend ben bij den hertog de Medina Sidonia, bij don Louis de Haro en eenige andere heeren van het huis Guzman, heb ik het als een eer beschouwd u voor te zijn.”
“Ik merk uit hetgeen ge zegt, dat gij de man zijt, dien wij noodig hebben,” zei ik. “Hoeveel rekent ge per maand?”
“Vier dubbele pistolen,” hernam hij, “dat is de vaste prijs en ik geef twee lessen per week.”
“Vier dubbele pistolen!” riep ik. “Dat is veel!”
“Hoezoo veel!” antwoordde hij op verwonderden toon. “Ge geeft wel een pistool per maand aan een onderwijzer in de philosophie.”
Ik kon niet nalaten om dat antwoord te lachen en vroeg mijnheer Ligéro, of hij werkelijk meende, dat iemand van zijn vak boven een leeraar in de philosophie stond.
“Dat geloof ik zeer zeker, mijnheer,” zei hij, “wij zijn in de wereld van heel wat meer nut, dan die heeren! Wat zijn de mannen, vóór ze door onze handen zijn gegaan? Lichamen uit één stuk! Ongelikte beeren! Maar onze lessen geven hun vorm en gratie.”
Ik besloot den dansmeester aan te nemen.
1Ligero = licht.
1Ligero = licht.
Hoofdstuk VIScipio komt terug uit Nieuw-Spanje. Gil Blas plaatst hem bij don Henri. Van de studiën van dien jongen heer. Van de eer, die men hem bewees en aan welke dame de graaf-hertog hem uithuwelijkte. Hoe Gil Blas, niettegenstaande zijn verzet, in den adelstand wordt verheven.Terwijl ik nog druk bezig was, om alles voor don Henri te regelen, kwam Scipio terug uit Mexico. Ik vroeg hem of hij voldaan was over zijn reis.“Ik moet het wel zijn,” antwoordde hij, “want met drie duizend ducaten in geld, heb ik wel voor tweemaal grooter bedrag aan koopwaren meegebracht.”“Hartelijk daarmee gefeliciteerd! Dat is het begin van je fortuin. En het hangt nu maar van je zelf af, of je dat wil vermeerderen door nieuwe reizen te maken. Of geef je misschien de voorkeur aan een aangename betrekking in Madrid? Je hebt maar te spreken; ik heb er een te begeven.”“Dat kan ik niet twijfelen!” riep hij. “Veel liever blijf ik hier, dan mij opnieuw aan de gevaren van een zeereis en van een vreemd land bloot te stellen. Maar welke betrekking hebt u voor mij bestemd?”Daarop vertelde ik hem de heele geschiedenis van don Henri en vroeg hem of hij diens kamerdienaar wilde worden. Scipio nam de betrekking gaarne aan en vervulde haar zoo goed, dat hij in minder dan drie dagen reeds de vertrouweling en vriend was van zijn jongen meester.Ik had mij voorgesteld, dat al die onderwijzers wel vergeefsche moeite zouden doen en dat hun leerling zichniet veel om hem en hun wetenschap zou bekommeren, maar daarin vergiste ik mij. Ze waren zeer tevreden over hem. Hij begreep en onthield zeer gemakkelijk, wat men hem leerde. Aangenaam was het mij, dit den minister te kunnen mededeelen.“Santillano!” riep hij verheugd, “ik herken in hem mijn geest en bloed en ben er nu nog vaster van overtuigd, dat hij werkelijk mijn zoon is. Ik voel mij zeer tot hem aangetrokken. ’t Is de natuur, die hier spreekt.”Ik wachtte mij er wel voor, om mijn meester te zeggen, wat ik daarvan dacht en zijn zwak eerbiedigende, liet ik hem het genoegen te gelooven, dat hij de vader was van don Henri. Hoewel alle leden van de familie Guzman een doodelijken haat hadden aan dien nieuwbakken neef zorgden zij er wel voor het uit een politiek oogpunt niet te laten merken. De gezanten en grandes die in Madrid waren, bewezen hem evenveel eer, alsof hij de wettige zoon van den machtigen minister geweest was.De minister was over dat alles zeer verheugd. Hij begon met aan de koning het kruis van Alcantera voor don Henri te vragen. Later werd hij commandeur. Ook besloot hij hem te laten trouwen met een dame uit een van de edelste huizen van Spanje en koos daartoe Juanna de Valesco, dochter van den hertog van Castilië. Hij had macht genoeg, om dat huwelijk door te drijven, niettegenstaande het verzet van den hertog en diens verwanten. Eenige dagen voor dit huwelijk liet de minister mij roepen. Hij stelde mij eenige papieren ter hand en zei: “Hier, Gil Blas, heb ik een geschenk voor je. Ik geloof, dat het je niet onaangenaam zal zijn. Het zijn brieven van adeldom, dien ik voor je heb verkregen.”“Excellentie,” antwoordde ik verbaasd, “weet u wel, dat ik de zoon ben van een eenvoudigen stalmeester en van een duenna? Het schijnt mij een beleediging voor den adelstand, mij daarin te doen opnemen. En van alle gunsten, die de koning mij bewijzen kan, verdien en begeer ik deze het minst.”“Uw geboorte is geen beletsel,” zei mijn meester, “ge hebt staatsbetrekkingen bekleedbijden hertog de Lerme en mij. Overigens hebt ge ook den koning zelf zekere diensten bewezen. In één woord Santillano, je bent die eer niet onwaardig. En er komt bij, dat de positie, die je bij mijn zoon inneemt, het noodzakelijk maakt, dat je van adel bent. Ik wil je wel bekennen, dat dit de voornaamste reden is, waarom ik je die papieren heb doen verleenen.”“Ik geef mij gewonnen,” antwoordde ik, “omdat u het bepaald wilt.” Na die woorden ging ik weg, met de papieren in mijn zak.“Nu ben ik dus een edelman,” zei ik bij mijzelf toen ik op straat was, “en ik ben van adel zonder dat ik dit aan mijn ouders heb te danken. Ik kan mij dus, wanneer ik wil, don Gil Blas noemen en als de een of ander mij er om zou willen uitlachen, kan ik hem die papieren laten zien.”Onder het loopen keek ik de papieren in en ik las, dat de koning mij om den ijver, dien ik meermalen had getoond in den dienst van den staat en van hem zelven had verheven tot den adelstand.Tot mijn eer mag ik zeggen, dat ik mij niet zeer trotsch gevoelde. Mijn nederige afkomst stond mij steeds voor oogen en ik nam mij voor mijn papieren weg te sluiten, zonder mij erop te beroemen.
Terwijl ik nog druk bezig was, om alles voor don Henri te regelen, kwam Scipio terug uit Mexico. Ik vroeg hem of hij voldaan was over zijn reis.
“Ik moet het wel zijn,” antwoordde hij, “want met drie duizend ducaten in geld, heb ik wel voor tweemaal grooter bedrag aan koopwaren meegebracht.”
“Hartelijk daarmee gefeliciteerd! Dat is het begin van je fortuin. En het hangt nu maar van je zelf af, of je dat wil vermeerderen door nieuwe reizen te maken. Of geef je misschien de voorkeur aan een aangename betrekking in Madrid? Je hebt maar te spreken; ik heb er een te begeven.”
“Dat kan ik niet twijfelen!” riep hij. “Veel liever blijf ik hier, dan mij opnieuw aan de gevaren van een zeereis en van een vreemd land bloot te stellen. Maar welke betrekking hebt u voor mij bestemd?”
Daarop vertelde ik hem de heele geschiedenis van don Henri en vroeg hem of hij diens kamerdienaar wilde worden. Scipio nam de betrekking gaarne aan en vervulde haar zoo goed, dat hij in minder dan drie dagen reeds de vertrouweling en vriend was van zijn jongen meester.
Ik had mij voorgesteld, dat al die onderwijzers wel vergeefsche moeite zouden doen en dat hun leerling zichniet veel om hem en hun wetenschap zou bekommeren, maar daarin vergiste ik mij. Ze waren zeer tevreden over hem. Hij begreep en onthield zeer gemakkelijk, wat men hem leerde. Aangenaam was het mij, dit den minister te kunnen mededeelen.
“Santillano!” riep hij verheugd, “ik herken in hem mijn geest en bloed en ben er nu nog vaster van overtuigd, dat hij werkelijk mijn zoon is. Ik voel mij zeer tot hem aangetrokken. ’t Is de natuur, die hier spreekt.”
Ik wachtte mij er wel voor, om mijn meester te zeggen, wat ik daarvan dacht en zijn zwak eerbiedigende, liet ik hem het genoegen te gelooven, dat hij de vader was van don Henri. Hoewel alle leden van de familie Guzman een doodelijken haat hadden aan dien nieuwbakken neef zorgden zij er wel voor het uit een politiek oogpunt niet te laten merken. De gezanten en grandes die in Madrid waren, bewezen hem evenveel eer, alsof hij de wettige zoon van den machtigen minister geweest was.
De minister was over dat alles zeer verheugd. Hij begon met aan de koning het kruis van Alcantera voor don Henri te vragen. Later werd hij commandeur. Ook besloot hij hem te laten trouwen met een dame uit een van de edelste huizen van Spanje en koos daartoe Juanna de Valesco, dochter van den hertog van Castilië. Hij had macht genoeg, om dat huwelijk door te drijven, niettegenstaande het verzet van den hertog en diens verwanten. Eenige dagen voor dit huwelijk liet de minister mij roepen. Hij stelde mij eenige papieren ter hand en zei: “Hier, Gil Blas, heb ik een geschenk voor je. Ik geloof, dat het je niet onaangenaam zal zijn. Het zijn brieven van adeldom, dien ik voor je heb verkregen.”
“Excellentie,” antwoordde ik verbaasd, “weet u wel, dat ik de zoon ben van een eenvoudigen stalmeester en van een duenna? Het schijnt mij een beleediging voor den adelstand, mij daarin te doen opnemen. En van alle gunsten, die de koning mij bewijzen kan, verdien en begeer ik deze het minst.”
“Uw geboorte is geen beletsel,” zei mijn meester, “ge hebt staatsbetrekkingen bekleedbijden hertog de Lerme en mij. Overigens hebt ge ook den koning zelf zekere diensten bewezen. In één woord Santillano, je bent die eer niet onwaardig. En er komt bij, dat de positie, die je bij mijn zoon inneemt, het noodzakelijk maakt, dat je van adel bent. Ik wil je wel bekennen, dat dit de voornaamste reden is, waarom ik je die papieren heb doen verleenen.”
“Ik geef mij gewonnen,” antwoordde ik, “omdat u het bepaald wilt.” Na die woorden ging ik weg, met de papieren in mijn zak.
“Nu ben ik dus een edelman,” zei ik bij mijzelf toen ik op straat was, “en ik ben van adel zonder dat ik dit aan mijn ouders heb te danken. Ik kan mij dus, wanneer ik wil, don Gil Blas noemen en als de een of ander mij er om zou willen uitlachen, kan ik hem die papieren laten zien.”
Onder het loopen keek ik de papieren in en ik las, dat de koning mij om den ijver, dien ik meermalen had getoond in den dienst van den staat en van hem zelven had verheven tot den adelstand.
Tot mijn eer mag ik zeggen, dat ik mij niet zeer trotsch gevoelde. Mijn nederige afkomst stond mij steeds voor oogen en ik nam mij voor mijn papieren weg te sluiten, zonder mij erop te beroemen.
Hoofdstuk VIIGil Blas ontmoet Fabricius nog eens bij toeval. Van het laatste onderhoud, dat zij samen hadden en van den gewichtigen raad, dien Nunez aan Santillano gaf.De dichter uit Asturië verwaarloosde mij maar al te gaarne, zooals men zal hebben opgemerkt. Van mijn kant had ik weinig tijd om hem te bezoeken, zoodat ik hem niet had weergezien na het geweldige dispuut over Iphigenia.Het toeval deed mij hem weer ontmoeten. Hij kwam uit een drukkerij.“Ho ho! mijnheer Nunez! Ge komt uit een drukkerij. Dat schijnt het publiek met een nieuw werk van u te bedreigen.”“Dat kan men inderdaad verwachten,” antwoordde hij. “Ik zal u zeggen, dat ik een brochure heb geschreven, die thans ter perse is en groot opzien zal verwekken in de republiek der letteren!”“Ik twijfel niet aan de verdiensten van je werk, maar ik begrijp niet, dat je er lust in hebt een brochure te schrijven. Dat zijn van die kleinigheden!”“Er zijn toch wel goede onder en de mijne behoort daartoe, hoewel ze in haast is geschreven. Maar ’t was noodzakelijk! De honger, weet je, drijft de wolven het bosch uit.”“Wat! De honger! Kan de schrijver van den “Graaf de Saldagne” zóó spreken? Iemand met een vast inkomen!”“Zacht wat! mijn vriend, ik ben niet meer die gelukkige dichter. De zaken van don Bertrand waren in de war. Hij is verdwenen, al zijn goederen zijn verkocht en mijn toelage is naar den duivel!”“Dat is treurig! Maar is er geen hoop op, dat het weer in orde komt?”“Niet het minst! Gomez del Ribero is nu even arm als zijn geestige trawant het was. Hij is verdwenen, om nooit weer terug te keeren.”“Maar mijn vriend, kan ik je dan niet eene betrekking bezorgen, die je schadeloos stelt?”“Van die zorg moet ik je ontheffen,” antwoordde hij, “wanneer je soms een betrekking bedoelt op een of ander bureau. Ik zou die weigeren al verdiende ik er 3000 pistolen mee. Als dichter wil ik leven en sterven! Overigens zijn wij niet zoo ongelukkig. Wij leven vrij en onafhankelijk en vele rijke huizen staan steeds voor ons open. Zoo heb ik er op ’t oogenblik twee, waar steeds een couvert voor mij klaar staat, het eene bij iemand, wien ik een roman heb opgedragen en het andere bij een rijken koopman, die altijd kunstenaars aan zijn tafel wil hebben en gelukkig niet zeer kieskeurig is.”“Maar denk er aan Fabricius, dat wanneer je mij mocht noodig hebben, mijn beurs steeds voor je geopend is.”“Aan dit aanbod herken ik mijn edelmoedigen vriend Santillano. Uit dankbaarheid wil ik je een raad geven. Profiteer van den tijd, dat je nog de gunsten geniet van den eersten minister, haast je om rijk te worden, want je meester is als een kaars, die in den pijp brandt.”Ik vroeg aan Fabricius uit welke bron hij dat had en hij antwoordde: “Van een ouden edelman uit Calatrava die een ongewoon talent bezit, om zulke zaken te ontdekken. Gisteren hoorde ik hem zeggen, dat de minister veel vijanden heeft, die zich vereenigen om hem in het verderf te storten. Hij rekent te veel op den koning, die echter naar zijn tegenstanders begint te luisteren.”Ik bedankte Nunez voor zijn waarschuwing, maar hechtte er niet veel waarde aan, omdat ik te veel op den invloed van mijn meester vertrouwde. Ik beschouwde hem als een van die oude eiken in een bosch, die de stormen niet kunnen deren.
De dichter uit Asturië verwaarloosde mij maar al te gaarne, zooals men zal hebben opgemerkt. Van mijn kant had ik weinig tijd om hem te bezoeken, zoodat ik hem niet had weergezien na het geweldige dispuut over Iphigenia.
Het toeval deed mij hem weer ontmoeten. Hij kwam uit een drukkerij.
“Ho ho! mijnheer Nunez! Ge komt uit een drukkerij. Dat schijnt het publiek met een nieuw werk van u te bedreigen.”
“Dat kan men inderdaad verwachten,” antwoordde hij. “Ik zal u zeggen, dat ik een brochure heb geschreven, die thans ter perse is en groot opzien zal verwekken in de republiek der letteren!”
“Ik twijfel niet aan de verdiensten van je werk, maar ik begrijp niet, dat je er lust in hebt een brochure te schrijven. Dat zijn van die kleinigheden!”
“Er zijn toch wel goede onder en de mijne behoort daartoe, hoewel ze in haast is geschreven. Maar ’t was noodzakelijk! De honger, weet je, drijft de wolven het bosch uit.”
“Wat! De honger! Kan de schrijver van den “Graaf de Saldagne” zóó spreken? Iemand met een vast inkomen!”
“Zacht wat! mijn vriend, ik ben niet meer die gelukkige dichter. De zaken van don Bertrand waren in de war. Hij is verdwenen, al zijn goederen zijn verkocht en mijn toelage is naar den duivel!”
“Dat is treurig! Maar is er geen hoop op, dat het weer in orde komt?”
“Niet het minst! Gomez del Ribero is nu even arm als zijn geestige trawant het was. Hij is verdwenen, om nooit weer terug te keeren.”
“Maar mijn vriend, kan ik je dan niet eene betrekking bezorgen, die je schadeloos stelt?”
“Van die zorg moet ik je ontheffen,” antwoordde hij, “wanneer je soms een betrekking bedoelt op een of ander bureau. Ik zou die weigeren al verdiende ik er 3000 pistolen mee. Als dichter wil ik leven en sterven! Overigens zijn wij niet zoo ongelukkig. Wij leven vrij en onafhankelijk en vele rijke huizen staan steeds voor ons open. Zoo heb ik er op ’t oogenblik twee, waar steeds een couvert voor mij klaar staat, het eene bij iemand, wien ik een roman heb opgedragen en het andere bij een rijken koopman, die altijd kunstenaars aan zijn tafel wil hebben en gelukkig niet zeer kieskeurig is.”
“Maar denk er aan Fabricius, dat wanneer je mij mocht noodig hebben, mijn beurs steeds voor je geopend is.”
“Aan dit aanbod herken ik mijn edelmoedigen vriend Santillano. Uit dankbaarheid wil ik je een raad geven. Profiteer van den tijd, dat je nog de gunsten geniet van den eersten minister, haast je om rijk te worden, want je meester is als een kaars, die in den pijp brandt.”
Ik vroeg aan Fabricius uit welke bron hij dat had en hij antwoordde: “Van een ouden edelman uit Calatrava die een ongewoon talent bezit, om zulke zaken te ontdekken. Gisteren hoorde ik hem zeggen, dat de minister veel vijanden heeft, die zich vereenigen om hem in het verderf te storten. Hij rekent te veel op den koning, die echter naar zijn tegenstanders begint te luisteren.”
Ik bedankte Nunez voor zijn waarschuwing, maar hechtte er niet veel waarde aan, omdat ik te veel op den invloed van mijn meester vertrouwde. Ik beschouwde hem als een van die oude eiken in een bosch, die de stormen niet kunnen deren.
Hoofdstuk VIIIHoe Gil Blas verneemt, dat de raad van Fabricius niet verkeerd was. Van een reis van den koning naar Saragossa.Wat de dichter uit Asturië mij had gezegd, was niet ongegrond. Er was in het paleis een samenzwering tegen den graaf-hertog en men beweerde, dat de koningin aan het hoofd daarvan stond. Intusschen vernam men er den eersten tijd nog niet veel van. Maar de opstand van de Cataloniërs, die door Frankrijk werd ondersteund en het weinige succes, dat men had in den strijd tegen de rebellen, maakte het volk ontevreden. Er werd in tegenwoordigheid van den koning een raad gehouden, die ook werd bijgewoond door den markies de Grana, een invloedrijk gezant. Het maakte een punt van beraadslaging uit of de koning in Castilië zou blijven, dan wel naar Aragon gaan om zich aan de troepen te vertoonen.De graaf-hertog, die er tegen was, dat de koning naar het leger vertrok, sprak het eerst. Hij beweerde, dat het niet in overeenstemming was met de koninklijke waardigheid, dat de vorst het centrum van zijn staten verliet en verdedigde zijn standpunt met zijn welsprekendheid.De overige aanwezigen vielen hem bij, met uitzondering van den markies de Grana, die zijn meening tegenover die van den eersten minister stelde en haar met kracht verdedigde. De koning, door den laatsten spreker overtuigd, besloot zijn raad te volgen en bepaalde den dag van zijn vertrek.Het was voor de eerste maal, dat de koning een besluit nam in anderen geest dan zijn gunsteling had voorgesteld.En deze, die dat als een beleediging beschouwde, was daarover zeer ontstemd.De minister zag mij, toen hij thuis kwam en riep mij bij zich, om te vertellen, wat er was geschied.“Ja, Santillano,” zei hij, “de koning, die zoolang door mijn oogen gezien en door mijn mond gesproken heeft, geeft nu de voorkeur aan den raad van de Grana boven den mijne. En hij overlaadde dien gezant nog wel met lof over zijn trouw aan zijn Huis! Alsof die Duitscher trouwer was dan ik! Het is gemakkelijk te bespeuren, dat er zich een partij tegen mij heeft gevormd en ik heb reden te vermoeden, dat de koningin aan het hoofd daarvan staat.”“Excellentie,” vroeg ik, “hoe kunt ge dat vermoeden? Is de koningin niet gewoon, om u meester van de zaken te zien? En wat den markies de Grana betreft, de koning zal zich aan zijn zijde hebben geschaard, omdat hij misschien lust heeft het leger te zien en een veldtocht mee te maken.”“Neen, dat is het niet!” riep de minister. “Als de koning bij de troepen is, zal hij altijd omringd zijn door de grandes en onder hen zijn er, die ontevreden zijn over mij en hem veel kwaads van mijn bewind zullen vertellen. Maar zij zullen bedrogen uitkomen! Ik zal wel zorgen, dat de koning zich weinig met zijn grandes zal kunnen ophouden.” En dat deed hij op een manier, die verdient beschreven te worden.De dag van het vertrek was gekomen. Na de koningin tijdens zijn afwezigheid met de zorg voor de regeering te hebben belast, vertrok de koning naar Saragossa, maar voor hij er aankwam passeerde hij Aranjuez, waar hij het verblijf zoo heerlijk vond, dat hij er een paar weken bleef. De minister liet hem daarna naar Cuença gaan, waar hij den koning op allerlei vermaken tracteerde! Nadat de genoegens van de jacht hem nog eenigen tijd in Molina hadden bezig gehouden, kwam hij te Saragossa. Zijn leger was niet ver van de plaats verwijderd, maar de graaf-hertog ontnam hem het verlangen om er heen te gaan.door hem wijs te maken, dat hij gevaar liep door de Franschen gevangen genomen te worden. Dit denkbeeldige gevaar deed den koning besluiten zich nergens en aan niemand te vertoonen en de minister maakte gebruik van zijn angst door hem, bij wijze van veiligheidsmaatregel, als een gevangene te bewaken.De grandes, die zich groote uitgaven hadden getroost om den koning te kunnen volgen, hadden weinig satisfactie van hun werk, want ze werden niet eens in particuliere audientie ontvangen.De koning keerde weldra naar Madrid terug, het aan den markies de los Velez, den bevelhebber der troepenoverlatendom de eer van de Spaansche wapenen op te houden.
Wat de dichter uit Asturië mij had gezegd, was niet ongegrond. Er was in het paleis een samenzwering tegen den graaf-hertog en men beweerde, dat de koningin aan het hoofd daarvan stond. Intusschen vernam men er den eersten tijd nog niet veel van. Maar de opstand van de Cataloniërs, die door Frankrijk werd ondersteund en het weinige succes, dat men had in den strijd tegen de rebellen, maakte het volk ontevreden. Er werd in tegenwoordigheid van den koning een raad gehouden, die ook werd bijgewoond door den markies de Grana, een invloedrijk gezant. Het maakte een punt van beraadslaging uit of de koning in Castilië zou blijven, dan wel naar Aragon gaan om zich aan de troepen te vertoonen.
De graaf-hertog, die er tegen was, dat de koning naar het leger vertrok, sprak het eerst. Hij beweerde, dat het niet in overeenstemming was met de koninklijke waardigheid, dat de vorst het centrum van zijn staten verliet en verdedigde zijn standpunt met zijn welsprekendheid.
De overige aanwezigen vielen hem bij, met uitzondering van den markies de Grana, die zijn meening tegenover die van den eersten minister stelde en haar met kracht verdedigde. De koning, door den laatsten spreker overtuigd, besloot zijn raad te volgen en bepaalde den dag van zijn vertrek.
Het was voor de eerste maal, dat de koning een besluit nam in anderen geest dan zijn gunsteling had voorgesteld.En deze, die dat als een beleediging beschouwde, was daarover zeer ontstemd.
De minister zag mij, toen hij thuis kwam en riep mij bij zich, om te vertellen, wat er was geschied.
“Ja, Santillano,” zei hij, “de koning, die zoolang door mijn oogen gezien en door mijn mond gesproken heeft, geeft nu de voorkeur aan den raad van de Grana boven den mijne. En hij overlaadde dien gezant nog wel met lof over zijn trouw aan zijn Huis! Alsof die Duitscher trouwer was dan ik! Het is gemakkelijk te bespeuren, dat er zich een partij tegen mij heeft gevormd en ik heb reden te vermoeden, dat de koningin aan het hoofd daarvan staat.”
“Excellentie,” vroeg ik, “hoe kunt ge dat vermoeden? Is de koningin niet gewoon, om u meester van de zaken te zien? En wat den markies de Grana betreft, de koning zal zich aan zijn zijde hebben geschaard, omdat hij misschien lust heeft het leger te zien en een veldtocht mee te maken.”
“Neen, dat is het niet!” riep de minister. “Als de koning bij de troepen is, zal hij altijd omringd zijn door de grandes en onder hen zijn er, die ontevreden zijn over mij en hem veel kwaads van mijn bewind zullen vertellen. Maar zij zullen bedrogen uitkomen! Ik zal wel zorgen, dat de koning zich weinig met zijn grandes zal kunnen ophouden.” En dat deed hij op een manier, die verdient beschreven te worden.
De dag van het vertrek was gekomen. Na de koningin tijdens zijn afwezigheid met de zorg voor de regeering te hebben belast, vertrok de koning naar Saragossa, maar voor hij er aankwam passeerde hij Aranjuez, waar hij het verblijf zoo heerlijk vond, dat hij er een paar weken bleef. De minister liet hem daarna naar Cuença gaan, waar hij den koning op allerlei vermaken tracteerde! Nadat de genoegens van de jacht hem nog eenigen tijd in Molina hadden bezig gehouden, kwam hij te Saragossa. Zijn leger was niet ver van de plaats verwijderd, maar de graaf-hertog ontnam hem het verlangen om er heen te gaan.door hem wijs te maken, dat hij gevaar liep door de Franschen gevangen genomen te worden. Dit denkbeeldige gevaar deed den koning besluiten zich nergens en aan niemand te vertoonen en de minister maakte gebruik van zijn angst door hem, bij wijze van veiligheidsmaatregel, als een gevangene te bewaken.
De grandes, die zich groote uitgaven hadden getroost om den koning te kunnen volgen, hadden weinig satisfactie van hun werk, want ze werden niet eens in particuliere audientie ontvangen.
De koning keerde weldra naar Madrid terug, het aan den markies de los Velez, den bevelhebber der troepenoverlatendom de eer van de Spaansche wapenen op te houden.
Hoofdstuk IXVan de revolutie in Portugal en de ongenade van den graaf-hertog.Weinige dagen na de terugkomst van den koning werd in Madrid een slechte tijding verspreid. Men vernam, dat de Portugeezen, die den opstand in Catalonië beschouwden als een gunstige gelegenheid, die de fortuin hun bood om het Spaansche juk af te schudden, de wapenen hadden opgenomen en tot hun koning hadden gekozen den hertog van Braganza, dien zij op den troon hoopten te handhaven, omdat Spanje toen gebukt ging onder de vijandschap van Duitschland, Vlaanderen en Catalonië.Zonderling was, dat de eerste minister, terwijl het hof en de geheele stad in onrust waren, met den koning wilde schertsen, ten koste van den hertog van Braganza.Filips deed daaraan niet mee en zette zulk een ernstig gezicht, dat de graaf-hertog daarvan ontstelde en een voorgevoel kreeg van zijn ongenade. Hij beschouwde zijn val als zeker, toen hij vernam, dat de koningin zich openlijk tegen hem had verklaard en hem beschuldigde, door zijn slecht beheer den opstand in Portugal te hebben veroorzaakt. De meeste grandes en voornamelijk zij, die tevergeefs naar Saragossa waren gegaan, sloten zich bij de koningin aan en een dreigend onweer pakte zich samen boven het hoofd van den minister.Toen het mijn meester bekend werd, dat de koning naar zijn vijanden luisterde, schreef hij den koning een brief, waarin hij hem ontheffing van zijn ambt verzocht en verlof om zich van het hof te verwijderen, daar men alle ongelukken die de monarchie overkwamen, aan zijn beleid weet.Hij meende, dat die brief een groote uitwerking zou hebben en dat de koning nog genoeg vriendschap voor hem had overgehouden om niet toe te stemmen in zijn verwijdering. Maar al het antwoord, dat hij kreeg, was, dat de koning verklaarde zijn verzoek in te willigen en hem toestond zich te begeven, waarheen hij wilde.Die woorden, door den koning zelf geschreven, troffen hem als een donderslag. Maar hij deed of hij zijn gewone bedaardheid behield en vroeg mij, wat ik in zijn plaats zou doen.“Ik zou,” antwoordde ik hem, “de zaak gemakkelijk opvatten en op een van mijn landgoederen gaan wonen.”“Je denkt verstandig,” antwoordde hij. “En ik heb ook wel lust om dat te doen, maar ik zou toch nog gaarne éénmaal een onderhoud met den koning hebben. Het zal mij niet moeilijk vallen hem aan te toonen, dat ik menschelijkerwijze gesproken, alles heb gedaan, wat ik kon doen en dat ik de treurige gebeurtenissen, die men mij verwijt, niet heb kunnen voorkomen, evenmin als een bekwame loods het helpen kan als wind en golven het schip meesleepen.”De minister vleide zich nog dat hij, door met den koning te spreken, de zaken kon herstellen en het verloren terrein herwinnen. Maar de audientie werd hem niet verleend en bovendien liet men den sleutel terugvragen, waarvan hij zich bedienen kon om vrij in de koninklijke appartementen te komen.Daar hij nu zag, dat hem geen hoop meer overbleef, besloot hij zich terug te trekken. Hij doorzocht alle papieren, verbrandde er uit voorzichtigheid vele van en gaf bevel, dat men alles voor zijn vertrek in gereedheid zou brengen.Hij vreesde door het volk beleedigd te worden en vertrok daarom ’s morgens zeer vroeg door een achterdeur, in een eenvoudig rijtuig, met zijn biechtvader en mij.Wij gingen naar Loeches, een dorp, waarvan hij heer was en waar zijn vrouw een prachtig nonnenklooster had laten bouwen.Binnen vier uren kwamen wij in het dorp aan en de andere personen van het gevolg bereikten het eenigen tijd later.
Weinige dagen na de terugkomst van den koning werd in Madrid een slechte tijding verspreid. Men vernam, dat de Portugeezen, die den opstand in Catalonië beschouwden als een gunstige gelegenheid, die de fortuin hun bood om het Spaansche juk af te schudden, de wapenen hadden opgenomen en tot hun koning hadden gekozen den hertog van Braganza, dien zij op den troon hoopten te handhaven, omdat Spanje toen gebukt ging onder de vijandschap van Duitschland, Vlaanderen en Catalonië.
Zonderling was, dat de eerste minister, terwijl het hof en de geheele stad in onrust waren, met den koning wilde schertsen, ten koste van den hertog van Braganza.
Filips deed daaraan niet mee en zette zulk een ernstig gezicht, dat de graaf-hertog daarvan ontstelde en een voorgevoel kreeg van zijn ongenade. Hij beschouwde zijn val als zeker, toen hij vernam, dat de koningin zich openlijk tegen hem had verklaard en hem beschuldigde, door zijn slecht beheer den opstand in Portugal te hebben veroorzaakt. De meeste grandes en voornamelijk zij, die tevergeefs naar Saragossa waren gegaan, sloten zich bij de koningin aan en een dreigend onweer pakte zich samen boven het hoofd van den minister.
Toen het mijn meester bekend werd, dat de koning naar zijn vijanden luisterde, schreef hij den koning een brief, waarin hij hem ontheffing van zijn ambt verzocht en verlof om zich van het hof te verwijderen, daar men alle ongelukken die de monarchie overkwamen, aan zijn beleid weet.
Hij meende, dat die brief een groote uitwerking zou hebben en dat de koning nog genoeg vriendschap voor hem had overgehouden om niet toe te stemmen in zijn verwijdering. Maar al het antwoord, dat hij kreeg, was, dat de koning verklaarde zijn verzoek in te willigen en hem toestond zich te begeven, waarheen hij wilde.
Die woorden, door den koning zelf geschreven, troffen hem als een donderslag. Maar hij deed of hij zijn gewone bedaardheid behield en vroeg mij, wat ik in zijn plaats zou doen.
“Ik zou,” antwoordde ik hem, “de zaak gemakkelijk opvatten en op een van mijn landgoederen gaan wonen.”
“Je denkt verstandig,” antwoordde hij. “En ik heb ook wel lust om dat te doen, maar ik zou toch nog gaarne éénmaal een onderhoud met den koning hebben. Het zal mij niet moeilijk vallen hem aan te toonen, dat ik menschelijkerwijze gesproken, alles heb gedaan, wat ik kon doen en dat ik de treurige gebeurtenissen, die men mij verwijt, niet heb kunnen voorkomen, evenmin als een bekwame loods het helpen kan als wind en golven het schip meesleepen.”
De minister vleide zich nog dat hij, door met den koning te spreken, de zaken kon herstellen en het verloren terrein herwinnen. Maar de audientie werd hem niet verleend en bovendien liet men den sleutel terugvragen, waarvan hij zich bedienen kon om vrij in de koninklijke appartementen te komen.
Daar hij nu zag, dat hem geen hoop meer overbleef, besloot hij zich terug te trekken. Hij doorzocht alle papieren, verbrandde er uit voorzichtigheid vele van en gaf bevel, dat men alles voor zijn vertrek in gereedheid zou brengen.
Hij vreesde door het volk beleedigd te worden en vertrok daarom ’s morgens zeer vroeg door een achterdeur, in een eenvoudig rijtuig, met zijn biechtvader en mij.
Wij gingen naar Loeches, een dorp, waarvan hij heer was en waar zijn vrouw een prachtig nonnenklooster had laten bouwen.
Binnen vier uren kwamen wij in het dorp aan en de andere personen van het gevolg bereikten het eenigen tijd later.
Hoofdstuk XVan de onaangenaamheden en de zorgen, die eerst de rust van den graaf-hertog verstoorden en van de gelukkige vrede, die daarop volgde. Van de bezigheden van mijn meester in zijn eenzaamheid.Mevrouw d’Olivarès liet haar man naar Loeches vertrekken en bleef nog eenige dagen aan het hof, om te beproeven, of zij door gebeden en tranen niet bewerken kon, dat hij werd teruggeroepen. Maar haar moeite was vergeefsch; de koning lette niet op haar en de koningin, die haar doodelijk haatte, zag haar tranen met genoegen vloeien. De echtgenoote van den minister gaf het niet op, zij ging zelfs zóó ver, dat ze de hofdames van H. M. om bemiddeling smeekte, maar het eenige resultaat was dat zij minachting in plaats van medelijden opwekte.Troosteloos kwam zij bij haren echtgenoot aan, om zich met hem te beklagen over het verlies van een plaats, die onder een regeering als van Filips II misschien de eerste was in het koninkrijk.Zij deelde hem mee, dat de hertog de Médina-Colli en de andere grandes, die hem haatten, niet ophielden den koning te prijzen om den val van den minister en dat het volk in onbeschaamde vreugde zijn ongenade toejuichte.Hij zei tot haar: “Troost u, zooals ik het mijzelf tracht te doen. Het onweer was niet af te wenden. ’t Is waar, ik had gehoopt dat ik mijn positie zou kunnen handhaven tot het eind van mijn leven. Gewone illusie van ministers en gunstelingen, die vergeten, dat hun lot van hun souverein afhangt. Is de hertog de Lerme niet bedrogen uitgekomenevenals ik, hoewel hij meende, dat het purper, waarmee hij bekleed was, zijn macht waarborgde?”Op die wijze trachtte hij zijn vrouw te troosten, maar zelf werd hij iederen dag opnieuw ontstemd door tijdingen, die hij van don Henri kreeg, die in Madrid was gebleven om mijn meester nauwkeurig op de hoogte te houden van al wat daar voorviel.Het was meestal Scipio, die deze brieven bracht, met bijna altijd slechte tijdingen. Het bleek daaruit, dat de grandes niet slechts openlijk hun vreugde betuigden over den val van den minister, ze hadden het ook toegelegd op den ondergang van personen, die door hem in betrekkingen waren geplaatst en wisten te bewerken, dat in de opengevallen plaatsen zijn verklaarde vijanden werden benoemd.Men kon zeggen, dat mijn meester in de eerste drie maanden niets anders ondervond dan verdriet. Gelukkig verstond zijn biechtvader, een even vroom als welsprekend man, de kunst hem te troosten.De gravin hield zich veel op in het klooster, dat door haar was gesticht en waarvan de zusters deden wat zij konden, om haar bitter leed te verzachten.Met den tijd werd mijn meester rustiger, hij wandelde veel met zijn biechtvader en mij en vermaakte zich na het diner altijd eenige uren, door met ons te spelen.Op een dag, dat ik alleen met hem was, zei ik: “Mijnheer, veroorloof mij u te zeggen, dat ge er veel opgewekter begint uit te zien. U schijnt u aan uw nieuw leven te gaan gewennen.”“Ik ben daar al aan gewoon,” zei hij, “al ben ik zoo langen tijd steeds door allerlei zaken in beslag genomen geweest, van dag tot dag krijg ik meer genoegen in het stille en vreedzame leven, dat ik nu leid.”
Mevrouw d’Olivarès liet haar man naar Loeches vertrekken en bleef nog eenige dagen aan het hof, om te beproeven, of zij door gebeden en tranen niet bewerken kon, dat hij werd teruggeroepen. Maar haar moeite was vergeefsch; de koning lette niet op haar en de koningin, die haar doodelijk haatte, zag haar tranen met genoegen vloeien. De echtgenoote van den minister gaf het niet op, zij ging zelfs zóó ver, dat ze de hofdames van H. M. om bemiddeling smeekte, maar het eenige resultaat was dat zij minachting in plaats van medelijden opwekte.
Troosteloos kwam zij bij haren echtgenoot aan, om zich met hem te beklagen over het verlies van een plaats, die onder een regeering als van Filips II misschien de eerste was in het koninkrijk.
Zij deelde hem mee, dat de hertog de Médina-Colli en de andere grandes, die hem haatten, niet ophielden den koning te prijzen om den val van den minister en dat het volk in onbeschaamde vreugde zijn ongenade toejuichte.
Hij zei tot haar: “Troost u, zooals ik het mijzelf tracht te doen. Het onweer was niet af te wenden. ’t Is waar, ik had gehoopt dat ik mijn positie zou kunnen handhaven tot het eind van mijn leven. Gewone illusie van ministers en gunstelingen, die vergeten, dat hun lot van hun souverein afhangt. Is de hertog de Lerme niet bedrogen uitgekomenevenals ik, hoewel hij meende, dat het purper, waarmee hij bekleed was, zijn macht waarborgde?”
Op die wijze trachtte hij zijn vrouw te troosten, maar zelf werd hij iederen dag opnieuw ontstemd door tijdingen, die hij van don Henri kreeg, die in Madrid was gebleven om mijn meester nauwkeurig op de hoogte te houden van al wat daar voorviel.
Het was meestal Scipio, die deze brieven bracht, met bijna altijd slechte tijdingen. Het bleek daaruit, dat de grandes niet slechts openlijk hun vreugde betuigden over den val van den minister, ze hadden het ook toegelegd op den ondergang van personen, die door hem in betrekkingen waren geplaatst en wisten te bewerken, dat in de opengevallen plaatsen zijn verklaarde vijanden werden benoemd.
Men kon zeggen, dat mijn meester in de eerste drie maanden niets anders ondervond dan verdriet. Gelukkig verstond zijn biechtvader, een even vroom als welsprekend man, de kunst hem te troosten.
De gravin hield zich veel op in het klooster, dat door haar was gesticht en waarvan de zusters deden wat zij konden, om haar bitter leed te verzachten.
Met den tijd werd mijn meester rustiger, hij wandelde veel met zijn biechtvader en mij en vermaakte zich na het diner altijd eenige uren, door met ons te spelen.
Op een dag, dat ik alleen met hem was, zei ik: “Mijnheer, veroorloof mij u te zeggen, dat ge er veel opgewekter begint uit te zien. U schijnt u aan uw nieuw leven te gaan gewennen.”
“Ik ben daar al aan gewoon,” zei hij, “al ben ik zoo langen tijd steeds door allerlei zaken in beslag genomen geweest, van dag tot dag krijg ik meer genoegen in het stille en vreedzame leven, dat ik nu leid.”
Hoofdstuk XIDe graaf-hertog wordt plotseling somber en droomerig. Van de wonderlijke oorzaak van zijn droefgeestigheid en haar verdrietige gevolgen.Mijn meester had er soms ook genoegen in, om in zijn tuin te werken. Lachend sprak hij dan wel eens van een minister, die verbannen was geworden van het hof en nu tuinman was te Loeches.We waren allen verheugd, dat onze meester zulk een genoegen schepte in een leven, zoo geheel verschillend van hetgeen hij tot nog toe had geleid. Tot ons groot leedwezen bemerkten wij echter na eenigen tijd, dat hij veranderde. Hij werd somber en verviel in een diepe droefgeestigheid. Met ons spelen deed hij niet meer en alles wat wij trachtten te doen om hem te verstrooien, scheen hem onverschillig te laten. Eerst dachten we, dat het verdriet over het verlies van zijn hooge positie weer was teruggekomen. De woorden van zijn biechtvader echter, die hem vroeger zoo goed met dit verlies hadden kunnen troosten, bleven thans zonder uitwerking.Het kon niet anders of deze toestand moest een geheime oorzaak hebben, die hij ons niet wilde meedeelen.“Mijnheer,” vroeg ik, toen ik eens alleen met hem was, met een mengeling van eerbied en genegenheid, “mag Gil Blas zijn meester een vraag doen?”“Zeker. Spreek maar,” antwoordde hij.“Wat is er geworden van de tevreden uitdrukking, die eenigen tijd geleden nog op uw gelaat lag? Doet het verlies van uw verloren positie u opnieuw verdriet?”“Neen, ik denk in het geheel niet meer aan wat ikvroeger ben geweest, alle eerbewijzen heb ik voor altijd vergeten.”“Maar waarom hebt ge dan geen kracht u te verzetten tegen een droefgeestigheid, die ons allen zoo ongerust maakt?Wat is er toch, mijn goede meester? Kunt ge er een geheim van maken voor Santillano, wiens trouw en bescheidenheid ge kent? Door welk ongeluk kan ik uw vertrouwen hebben verbeurd?”“Dat bezit ge nog altijd, maar ik zie er tegen op om te spreken over hetgeen mij in zulk een droevige stemming brengt. Ik kan alleen aan een dienaar en vriend als Santillano een dergelijke vertrouwelijke mededeeling doen. Ik ben ten prooi aan een sombere zwaarmoedigheid, die het eind van mijn leven verhaast. Voortdurend word ik achtervolgd door allerlei nare visioenen, die zich aan mijn oogen voordoen. Al is mijn hoofd sterk genoeg om mij te zeggen, dat dergelijke zaken niets te beteekenen hebben, ze keeren steeds terug.”Met verwondering had ik hem aangehoord; ik begreep nu, dat hij ziek was.“Mijnheer,” vroeg ik, “kan het misschien ook een gevolg zijn van onvoldoende voeding? U eet zoo weinig.”“Dat heb ik ook gedacht en daarom heb ik sinds eenige dagen meer gegeten, maar het is alles nutteloos! Het spookbeeld verdwijnt niet.”Weinig tijd daarna werd de graaf-hertog ziek. Hij gevoelde, dat zijn toestand ernstig was en ontbood een notaris, die zijn testament moest opmaken.Ook kwamen er drie beroemde geneesheeren bij hem, die de reputatie hadden, dat zij soms hun zieken genazen en die naar het voorbeeld van dokter Sangrado begonnen met aderlatingen en dat zes dagen volhielden. Den zevenden dag was hij bevrijd van visioenen.Na den dood van onzen meester heerschte er in het kasteel te Loeches een oprechte droefheid. Alle bedienden beweenden hem. Wel verre van ons te troosten met de zekerheid in het testament te staan, was er niet een, dieniet gaarne afstand zou hebben gedaan van zijn legaat, om onzen heer weer in het leven te kunnen roepen.Wat mij betreft, ik, die zoo aan hem was gehecht, heb, geloof ik, bij den dood van Antonia niet meer tranen vergoten, dan bij den zijne.
Mijn meester had er soms ook genoegen in, om in zijn tuin te werken. Lachend sprak hij dan wel eens van een minister, die verbannen was geworden van het hof en nu tuinman was te Loeches.
We waren allen verheugd, dat onze meester zulk een genoegen schepte in een leven, zoo geheel verschillend van hetgeen hij tot nog toe had geleid. Tot ons groot leedwezen bemerkten wij echter na eenigen tijd, dat hij veranderde. Hij werd somber en verviel in een diepe droefgeestigheid. Met ons spelen deed hij niet meer en alles wat wij trachtten te doen om hem te verstrooien, scheen hem onverschillig te laten. Eerst dachten we, dat het verdriet over het verlies van zijn hooge positie weer was teruggekomen. De woorden van zijn biechtvader echter, die hem vroeger zoo goed met dit verlies hadden kunnen troosten, bleven thans zonder uitwerking.
Het kon niet anders of deze toestand moest een geheime oorzaak hebben, die hij ons niet wilde meedeelen.
“Mijnheer,” vroeg ik, toen ik eens alleen met hem was, met een mengeling van eerbied en genegenheid, “mag Gil Blas zijn meester een vraag doen?”
“Zeker. Spreek maar,” antwoordde hij.
“Wat is er geworden van de tevreden uitdrukking, die eenigen tijd geleden nog op uw gelaat lag? Doet het verlies van uw verloren positie u opnieuw verdriet?”
“Neen, ik denk in het geheel niet meer aan wat ikvroeger ben geweest, alle eerbewijzen heb ik voor altijd vergeten.”
“Maar waarom hebt ge dan geen kracht u te verzetten tegen een droefgeestigheid, die ons allen zoo ongerust maakt?Wat is er toch, mijn goede meester? Kunt ge er een geheim van maken voor Santillano, wiens trouw en bescheidenheid ge kent? Door welk ongeluk kan ik uw vertrouwen hebben verbeurd?”
“Dat bezit ge nog altijd, maar ik zie er tegen op om te spreken over hetgeen mij in zulk een droevige stemming brengt. Ik kan alleen aan een dienaar en vriend als Santillano een dergelijke vertrouwelijke mededeeling doen. Ik ben ten prooi aan een sombere zwaarmoedigheid, die het eind van mijn leven verhaast. Voortdurend word ik achtervolgd door allerlei nare visioenen, die zich aan mijn oogen voordoen. Al is mijn hoofd sterk genoeg om mij te zeggen, dat dergelijke zaken niets te beteekenen hebben, ze keeren steeds terug.”
Met verwondering had ik hem aangehoord; ik begreep nu, dat hij ziek was.
“Mijnheer,” vroeg ik, “kan het misschien ook een gevolg zijn van onvoldoende voeding? U eet zoo weinig.”
“Dat heb ik ook gedacht en daarom heb ik sinds eenige dagen meer gegeten, maar het is alles nutteloos! Het spookbeeld verdwijnt niet.”
Weinig tijd daarna werd de graaf-hertog ziek. Hij gevoelde, dat zijn toestand ernstig was en ontbood een notaris, die zijn testament moest opmaken.
Ook kwamen er drie beroemde geneesheeren bij hem, die de reputatie hadden, dat zij soms hun zieken genazen en die naar het voorbeeld van dokter Sangrado begonnen met aderlatingen en dat zes dagen volhielden. Den zevenden dag was hij bevrijd van visioenen.
Na den dood van onzen meester heerschte er in het kasteel te Loeches een oprechte droefheid. Alle bedienden beweenden hem. Wel verre van ons te troosten met de zekerheid in het testament te staan, was er niet een, dieniet gaarne afstand zou hebben gedaan van zijn legaat, om onzen heer weer in het leven te kunnen roepen.
Wat mij betreft, ik, die zoo aan hem was gehecht, heb, geloof ik, bij den dood van Antonia niet meer tranen vergoten, dan bij den zijne.
Hoofdstuk XIIVan wat er op het kasteel de Loeches gebeurde, na den dood van den graaf-hertog en wat Gil Blas deed.Onze meester werd, zooals hij gewenscht had, op eenvoudige wijze begraven. Daarna liet mevrouw het testament lezen, waaruit bleek, dat alle bedienden goed waren bedacht. Mijn legaat was het grootste; ik kreeg tienduizend pistolen, als blijk van de ongewone genegenheid, die hij voor mij had gehad.Mevrouw zond alle bedienden naar Madrid, waar de intendant don Raimond Caporis de legaten uitbetaalde. Ik kon niet meegaan, want ik was ziek. Zeven of acht dagen moest ik te bed blijven en in dien tijd verliet de Dominicaner-priester, die de biechtvader van mijn meester was geweest, mij bijna niet.De goede geestelijke, die vriendschap voor mij gevoelde en belang stelde in mijn heil, vroeg mij toen ik begon te herstellen, wat ik wilde gaan doen.“Ik weet het nog niet vader, er zijn oogenblikken, dat ik mij in een cel zou willen opsluiten voor boetedoening.”“Profiteer van die oogenblikken mijn zoon. Ik zou u aanraden u in ons klooster te Madrid terug te trekken. Word er een weldoener van, door het uwe goederen te schenken en sterf als een heilige Dominicaner. Er zijn veel menschen, die een wereldsch leven zoo eindigen.”In den gemoedstoestand, waarin ik mij op dat oogenblik bevond, was ik wel geneigd den raad van den priester te volgen. Maar Scipio, die een oogenblik later bij mij kwam, bracht mij tot andere gedachten.“Wel foei! mijnheer de Santillano. Dat is een ziekelijkegedachte! Is uw kasteel te Lirias niet een aangenaam verblijf? Vroeger hadt ge daar reeds zulk een genoegen in en bij het klimmen van de jaren moet het grooter zijn geworden.”Scipio hoefde niet veel moeite te doen om mij van plan te doen veranderen en ik besloot naar mijn kasteel terug te gaan.Zoodra ik hersteld was, ging ik naar Madrid, waar ik mijn legaat in ontvangst nam en orde stelde op mijn overige zaken.Met Scipio sprak ik af, dat hij me zou vergezellen naar Lirias. Den avond voor ons vertrek vroeg ik hem, of hij afscheid had genomen van don Henri.“Ja,” antwoordde hij, “wij zijn vanmorgen in der minne gescheiden. Hij heeft mij gezegd, dat het hem speet, dat ik heenging; maar al was hij tevreden over mij, ik was het weinig over hem. Het is niet voldoende, dat de knecht den meester bevalt, de meester moet den knecht ook bevallen, anders passen zij niet bij elkaar. Overigens maakt don Henri zoowel aan het hof als in de stad een treurig figuur. Er was geen eer aan te behalen.”Zoo vertrokken wij dus weer uit Madrid en sloegen den weg in naar Cuença. Scipio en ik zaten met een koetsier in een wagen, getrokken door twee muilezels. Daarachter kwamen drie muilezels, beladen met ons geld en ons goed en bij ieder een drijver. Al die mannen waren gewapend met sabels en pistolen en daarachter volgden twee tot aan de tanden gewapende lakeien. Wij waren dus met zeven man, waarvan er zes dapper waren en behoefden niet bang te zijn voor onze veiligheid.In de dorpen, waar wij doorreden, kwamen de boeren op het geluid van de schelletjes, die onze muilezels droegen, naar buiten, om onze equipage te bewonderen. Het scheen hun zeker wel, of er een grande op weg ging, om ergens het ambt van onderkoning te gaan bekleeden.
Onze meester werd, zooals hij gewenscht had, op eenvoudige wijze begraven. Daarna liet mevrouw het testament lezen, waaruit bleek, dat alle bedienden goed waren bedacht. Mijn legaat was het grootste; ik kreeg tienduizend pistolen, als blijk van de ongewone genegenheid, die hij voor mij had gehad.
Mevrouw zond alle bedienden naar Madrid, waar de intendant don Raimond Caporis de legaten uitbetaalde. Ik kon niet meegaan, want ik was ziek. Zeven of acht dagen moest ik te bed blijven en in dien tijd verliet de Dominicaner-priester, die de biechtvader van mijn meester was geweest, mij bijna niet.
De goede geestelijke, die vriendschap voor mij gevoelde en belang stelde in mijn heil, vroeg mij toen ik begon te herstellen, wat ik wilde gaan doen.
“Ik weet het nog niet vader, er zijn oogenblikken, dat ik mij in een cel zou willen opsluiten voor boetedoening.”
“Profiteer van die oogenblikken mijn zoon. Ik zou u aanraden u in ons klooster te Madrid terug te trekken. Word er een weldoener van, door het uwe goederen te schenken en sterf als een heilige Dominicaner. Er zijn veel menschen, die een wereldsch leven zoo eindigen.”
In den gemoedstoestand, waarin ik mij op dat oogenblik bevond, was ik wel geneigd den raad van den priester te volgen. Maar Scipio, die een oogenblik later bij mij kwam, bracht mij tot andere gedachten.
“Wel foei! mijnheer de Santillano. Dat is een ziekelijkegedachte! Is uw kasteel te Lirias niet een aangenaam verblijf? Vroeger hadt ge daar reeds zulk een genoegen in en bij het klimmen van de jaren moet het grooter zijn geworden.”
Scipio hoefde niet veel moeite te doen om mij van plan te doen veranderen en ik besloot naar mijn kasteel terug te gaan.
Zoodra ik hersteld was, ging ik naar Madrid, waar ik mijn legaat in ontvangst nam en orde stelde op mijn overige zaken.
Met Scipio sprak ik af, dat hij me zou vergezellen naar Lirias. Den avond voor ons vertrek vroeg ik hem, of hij afscheid had genomen van don Henri.
“Ja,” antwoordde hij, “wij zijn vanmorgen in der minne gescheiden. Hij heeft mij gezegd, dat het hem speet, dat ik heenging; maar al was hij tevreden over mij, ik was het weinig over hem. Het is niet voldoende, dat de knecht den meester bevalt, de meester moet den knecht ook bevallen, anders passen zij niet bij elkaar. Overigens maakt don Henri zoowel aan het hof als in de stad een treurig figuur. Er was geen eer aan te behalen.”
Zoo vertrokken wij dus weer uit Madrid en sloegen den weg in naar Cuença. Scipio en ik zaten met een koetsier in een wagen, getrokken door twee muilezels. Daarachter kwamen drie muilezels, beladen met ons geld en ons goed en bij ieder een drijver. Al die mannen waren gewapend met sabels en pistolen en daarachter volgden twee tot aan de tanden gewapende lakeien. Wij waren dus met zeven man, waarvan er zes dapper waren en behoefden niet bang te zijn voor onze veiligheid.
In de dorpen, waar wij doorreden, kwamen de boeren op het geluid van de schelletjes, die onze muilezels droegen, naar buiten, om onze equipage te bewonderen. Het scheen hun zeker wel, of er een grande op weg ging, om ergens het ambt van onderkoning te gaan bekleeden.
Hoofdstuk XIIIVan den terugkeer van Gil Blas in zijn kasteel. Van de vreugde, die hij had de kleineSéraphineweer te zien en op welke dame hij verliefd werd.Wij maakten geen groote dagreizen en hadden veertien dagen noodig om te Lirias te komen. Het gezicht van mijn kasteel wekte eerst droevige gedachten bij mij op, omdat het mij herinnerde aan Antonia; maar er waren twee-en-twintig jaren sinds haar dood voorbijgegaan en mijn smart was gesleten.Béatrixen haar dochter kwamen ons hartelijk welkom heeten. Ik vond het jonge meisje zeer bekoorlijk.“Hoe is ’t mogelijk!” riep ik uit, “dat dit de kleine Séraphine is! We moeten er aan gaan denken haar uit te huwelijken.”“Wel beste peetvader!” zei het meisje en zij bloosde een weinig, “u ziet mij nog maar een oogenblik en nu wilt ge u al van mij ontdoen!”“Neen, mijn kind,” antwoordde ik, “wij willen geen man voor u, die u ons ontneemt, maar een die, om zoo te zeggen, met ons kan samenleven.”“Er heeft zich al iemand voorgedaan,” zeiBéatrix. “Een jonge edelman uit deze streek heeft Séraphine in de mis gezien en is verliefd op haar geworden. Hij is bij mij gekomen en heeft zijn liefde geopenbaard, maar ik heb hem natuurlijk gezegd, dat de beslissing afhing van haar vader en van den heer van het kasteel. Nu ge beiden teruggekomen zijt, kan hij zich tot u wenden.”“Wat voor man is het?” vroeg Scipio. “Is hij trotsch op zijn adel en ziet hij laag op ons neer?”“O neen, hij is een zeer zachte en beleefde jongeman, met een goed uiterlijk en nog geen dertig jaar oud.”“Ge geeft ons daar een mooi portret,” zei ik. “En hoe heet hij?”“Don Juan de Jutella,” antwoordde de vrouw van Scipio. “Hij woont op zijn kasteel op een uur afstand van hier met zijn zuster.”“Ik heb vroeger,” zei ik, “van die familie hooren spreken. Ze behoort tot den voornamen adel van Valencia.”“Op zijn karaktereigenschappen let ik meer dan op zijn adel,” zei Scipio.Séraphine beantwoordde haar vader door te zeggen, dat de jonge man in zijn omgeving zeer werd geacht, waarna hij en ik elkaar aankeken en begrepen, dat de galant het meisje niet onverschillig was.Reeds spoedig maakten wij kennis met hem, want hij kwam ons twee dagen later op het kasteel bezoeken. Als buurman kwam hij ons gelukwenschen met onze terugkomst en ons welkom heeten.De jongeman maakte op mij een zeer gunstigen indruk. Hij sprak nog niet van zijn liefde, maar gaf wel den wensch te kennen, dat wij, als goede buren, elkaar dikwijls zouden zien.Toen hij weg was, vroeg Béatrix hoe wij over hem dachten. Zoowel Scipio als ik meende, dat zich voor Séraphine geen betere partij kon voordoen.Den volgenden dag brachten Scipio en ik een tegenbezoek aan don Juan de Jutella. Zijn antiek kasteel lag in een bosch, aan den voet van een berg. Het gebouw was min of meer vervallen, maar goed gemeubileerd.Don Juan ontving ons in een zaal, waar hij ons aan een dame voorstelde, zijn zuster Dorothea, die ongeveer twintig jaar kon zijn. Zij was sierlijk gekleed, alsof ze bezoek had verwacht en ze was bekoorlijk. Ze maakte op mij denzelfden indruk als vroeger Antonia deed, dat is te zeggen, dat ik verlegen was, maar ik wist mijn verlegenheid zoo goed te verbergen, dat ze zelfs Scipio niet opviel.Onze gastheer sprak nog niet van zijn liefde voor Séraphine. Wij onderhielden ons eenigen tijd aangenaam en ik kon daarbij mijn oogen moeilijk van Dorothea afhouden.Toen wij naar huis terugkeerden, sprak ik onophoudelijk van haar.“Wel mijnheer,” zei Scipio, “ge houdt u zoo druk bezig met de zuster van don Juan! Ge zijt toch niet verliefd op haar?”“Ja, mijn vriend,” antwoordde ik en ik werd rood van schaamte. “Sinds den dood van Antonia, heb ik duizend mooie vrouwen gezien, die mij onverschillig lieten. Moet ik nu op mijn leeftijd nog verliefd worden, zonder dat ik mij daartegen kan verdedigen?”“Ge moest u daarover verheugen, inplaats van u te beklagen,” zei Scipio, “ge zijt nog niet op een leeftijd, dat het belachelijk is, om verliefd te zijn en uw uiterlijk is nog goed genoeg, om een meisje te bevallen. Geloof mij, als ge don Juan weerziet, vraag hem dan zijn zuster. Hij zal u haar niet weigeren, vooral niet, omdat ge ook van adel zijt. Na vier of vijf geslachten, zal dat van Santillano misschien een der schitterendste zijn.”
Wij maakten geen groote dagreizen en hadden veertien dagen noodig om te Lirias te komen. Het gezicht van mijn kasteel wekte eerst droevige gedachten bij mij op, omdat het mij herinnerde aan Antonia; maar er waren twee-en-twintig jaren sinds haar dood voorbijgegaan en mijn smart was gesleten.
Béatrixen haar dochter kwamen ons hartelijk welkom heeten. Ik vond het jonge meisje zeer bekoorlijk.
“Hoe is ’t mogelijk!” riep ik uit, “dat dit de kleine Séraphine is! We moeten er aan gaan denken haar uit te huwelijken.”
“Wel beste peetvader!” zei het meisje en zij bloosde een weinig, “u ziet mij nog maar een oogenblik en nu wilt ge u al van mij ontdoen!”
“Neen, mijn kind,” antwoordde ik, “wij willen geen man voor u, die u ons ontneemt, maar een die, om zoo te zeggen, met ons kan samenleven.”
“Er heeft zich al iemand voorgedaan,” zeiBéatrix. “Een jonge edelman uit deze streek heeft Séraphine in de mis gezien en is verliefd op haar geworden. Hij is bij mij gekomen en heeft zijn liefde geopenbaard, maar ik heb hem natuurlijk gezegd, dat de beslissing afhing van haar vader en van den heer van het kasteel. Nu ge beiden teruggekomen zijt, kan hij zich tot u wenden.”
“Wat voor man is het?” vroeg Scipio. “Is hij trotsch op zijn adel en ziet hij laag op ons neer?”
“O neen, hij is een zeer zachte en beleefde jongeman, met een goed uiterlijk en nog geen dertig jaar oud.”
“Ge geeft ons daar een mooi portret,” zei ik. “En hoe heet hij?”
“Don Juan de Jutella,” antwoordde de vrouw van Scipio. “Hij woont op zijn kasteel op een uur afstand van hier met zijn zuster.”
“Ik heb vroeger,” zei ik, “van die familie hooren spreken. Ze behoort tot den voornamen adel van Valencia.”
“Op zijn karaktereigenschappen let ik meer dan op zijn adel,” zei Scipio.
Séraphine beantwoordde haar vader door te zeggen, dat de jonge man in zijn omgeving zeer werd geacht, waarna hij en ik elkaar aankeken en begrepen, dat de galant het meisje niet onverschillig was.
Reeds spoedig maakten wij kennis met hem, want hij kwam ons twee dagen later op het kasteel bezoeken. Als buurman kwam hij ons gelukwenschen met onze terugkomst en ons welkom heeten.
De jongeman maakte op mij een zeer gunstigen indruk. Hij sprak nog niet van zijn liefde, maar gaf wel den wensch te kennen, dat wij, als goede buren, elkaar dikwijls zouden zien.
Toen hij weg was, vroeg Béatrix hoe wij over hem dachten. Zoowel Scipio als ik meende, dat zich voor Séraphine geen betere partij kon voordoen.
Den volgenden dag brachten Scipio en ik een tegenbezoek aan don Juan de Jutella. Zijn antiek kasteel lag in een bosch, aan den voet van een berg. Het gebouw was min of meer vervallen, maar goed gemeubileerd.
Don Juan ontving ons in een zaal, waar hij ons aan een dame voorstelde, zijn zuster Dorothea, die ongeveer twintig jaar kon zijn. Zij was sierlijk gekleed, alsof ze bezoek had verwacht en ze was bekoorlijk. Ze maakte op mij denzelfden indruk als vroeger Antonia deed, dat is te zeggen, dat ik verlegen was, maar ik wist mijn verlegenheid zoo goed te verbergen, dat ze zelfs Scipio niet opviel.
Onze gastheer sprak nog niet van zijn liefde voor Séraphine. Wij onderhielden ons eenigen tijd aangenaam en ik kon daarbij mijn oogen moeilijk van Dorothea afhouden.
Toen wij naar huis terugkeerden, sprak ik onophoudelijk van haar.
“Wel mijnheer,” zei Scipio, “ge houdt u zoo druk bezig met de zuster van don Juan! Ge zijt toch niet verliefd op haar?”
“Ja, mijn vriend,” antwoordde ik en ik werd rood van schaamte. “Sinds den dood van Antonia, heb ik duizend mooie vrouwen gezien, die mij onverschillig lieten. Moet ik nu op mijn leeftijd nog verliefd worden, zonder dat ik mij daartegen kan verdedigen?”
“Ge moest u daarover verheugen, inplaats van u te beklagen,” zei Scipio, “ge zijt nog niet op een leeftijd, dat het belachelijk is, om verliefd te zijn en uw uiterlijk is nog goed genoeg, om een meisje te bevallen. Geloof mij, als ge don Juan weerziet, vraag hem dan zijn zuster. Hij zal u haar niet weigeren, vooral niet, omdat ge ook van adel zijt. Na vier of vijf geslachten, zal dat van Santillano misschien een der schitterendste zijn.”
Hoofdstuk XIVHet dubbel huwelijk, dat te Lirias plaats had en dat het einde is van de geschiedenis.Scipio moedigde mij door zijn woorden aan, om Dorothea mijn liefde te verklaren. Hoewel ik er zeker tien jaar jonger uitzag dan ik was, maakte ik mij toch ongerust over de wijze, waarop mijn aanzoek zou worden opgenomen.Den volgenden dag, toen ik juist bezig was mij te kleeden, kwam don Juan bij mij om mij, naar hij zei, over een ernstige zaak te spreken.Ik liet hem in mijn kabinet, waar hij mij dadelijk het doel van dit bezoek begon mee te deelen.“Het zal u wellicht niet onbekend zijn,” zei hij, “dat ik Séraphine liefheb. Gij hebt veel invloed op haar vader, help mij en ik zal u het geluk van mijn leven te danken hebben.”“Mijnheer,” antwoordde ik hem, “ge zult er misschien geen bezwaar tegen hebben, dat ik uw voorbeeld volg. Ik beloof u, bij den vader van Séraphine voor u te spreken, doe hetzelfde voor mij bij uw zuster.”Bij deze woorden liet don Juan een aangename verrassing blijken, die ik als een gunstig teeken voor mij beschouwde. “Is het mogelijk!” riep hij, “dat Dorothea uw hart heeft veroverd?”“Ik zou de gelukkigste van alle menschen zijn,” antwoordde ik, “indien mijn aanzoek gunstig door haar en u werd ontvangen.”“Daar kunt ge zeker van zijn,” zei hij, “al zijn wijvan adel, we zullen prijs stellen op een verbintenis met u.”“Het doet mij genoegen,” hernam ik, “dat ge verstandig genoeg zijt, om de hand van uw zuster ook te willen schenken aan een burgerman. Maar wanneer ge ijdel genoeg waart, om haar alleen te willen geven aan een edelman, dan zou ik u ook kunnen tevreden stellen. Ik heb twintig jaar gewerkt in de bureaux van het ministerie en om de diensten, die ik aan den staat heb bewezen, te beloonen, heeft de koning mij brieven van adeldom verleend, die ik u zal toonen.”Daarop bracht ik mijn papieren te voorschijn, die hij met kennelijk genoegen inzag.“Nog beter!” zei hij, “Dorothea is voor u.”“En gij kunt rekenen op Séraphine,” riep ik.Tot de twee huwelijken was dus besloten, indien althans de dames daaraan hare goedkeuring wilden hechten. Want don Juan, zoowel als ik waren beiden veel te fijngevoelig zonder haar toestemming onzen zin te willen doorzetten. Dadelijk deelde ik Scipio enBéatrixhet onderhoud mee. De laatste was zeer met het aanzoek ingenomen en Séraphine bewees door haar zwijgen, dat ze van hetzelfde gevoelen was. Scipio maakte eenige bezwaren, omdat er een groote bruidschat zou noodig zijn voor het huwelijk met een heer, wiens kasteel noodig moest hersteld worden; maar ik stopte hem den mond door te zeggen, dat ik zijn dochter vierduizend pistolen tot bruidschat zou geven.Ik zag don Juan denzelfden avond. “Uw zaak,” zei ik, “staat zoo goed als het maar kan, ik zou wel willen, dat het met de mijne hetzelfde was.”“Dat is zoo,” antwoordde hij. “Mijn zuster stemt gaarne toe. Gij bevalt haar, alleen maakt ze bezwaar, dat zij u niets anders kan schenken dan haar hart en hand.”“Wat zou ik meer vragen?” riep ik verheugd. “Ik ben rijk genoeg om haar zonder bruidschat te trouwen.”Don Juan en ik, verheugd, dat de zaken tot zoover naarwensch waren gegaan, besloten onze huwelijken spoedig te doen plaats hebben en overbodige ceremonies daarbij te vermijden. Ik bracht hem daarop bij Séraphine en haar ouders. Hij beloofde ons den volgenden dag te zullen terugkomen met Dorothea.Uit lust, een goeden indruk te maken op mijn uitverkorene, bleef ik wel drie uur bezig met mijn toilet, zonder nog tevreden over mijzelf te zijn. Voor een jongen man, die zijn geliefde wacht, is dat een aangenaam werk, maar voor iemand, die reeds op jaren begint te komen, is het een moeilijke bezigheid.Ik was echter zoo gelukkig, dat zij mij met veel welwillendheid aanzag, toen wij elkaar weer ontmoetten. Er volgde een lang onderhoud, waarin ik gelegenheid had ook het verstand van mijn aanstaande vrouw te bewonderen.Een notaris uit Valencia stelde de huwelijksche voorwaarden op en de pastoor uit Paterna kwam te Lirias, om de twee huwelijken in te zegenen.Over mijn huwelijk heb ik mij nooit beklaagd. Dorothea was een deugdzame vrouw, die, gevoelig voor mijne goede zorgen, zich weldra aan mij hechtte, alsof ik jong was geweest.Ook don Juan en zijn vrouw waren zeer gelukkig en de twee schoonzusters werden weldra intieme vriendinnen.Van mijn kant vond ik zooveel goede eigenschappen in mijn zwager, dat ik een groote genegenheid voor hem opvatte, die hij met dankbaarheid beantwoordde.De verstandhouding was van dien aard, dat, wanneer wij ’s avonds scheidden om elkaar den volgenden dag weer te zien, het ons leed deed. Daarom besloten wij van de twee families er een te maken, die nu eens op het kasteel te Lirias woonde en dan op dat van Jutella. Het laatste had belangrijke herstellingen ondergaan.Het is nu reeds drie jaar, lezer en vriend, dat ik een zeer gelukkig leven leid met de personen, die mij zoo dierbaar zijn. Om mijn geluk te volmaken, heeft de hemel mij tweekinderen geschonken, wier opvoeding de vreugd is van mijn ouden dag en waarvan ik oprecht geloof de vader te zijn.Einde van Gil Blas
Scipio moedigde mij door zijn woorden aan, om Dorothea mijn liefde te verklaren. Hoewel ik er zeker tien jaar jonger uitzag dan ik was, maakte ik mij toch ongerust over de wijze, waarop mijn aanzoek zou worden opgenomen.
Den volgenden dag, toen ik juist bezig was mij te kleeden, kwam don Juan bij mij om mij, naar hij zei, over een ernstige zaak te spreken.
Ik liet hem in mijn kabinet, waar hij mij dadelijk het doel van dit bezoek begon mee te deelen.
“Het zal u wellicht niet onbekend zijn,” zei hij, “dat ik Séraphine liefheb. Gij hebt veel invloed op haar vader, help mij en ik zal u het geluk van mijn leven te danken hebben.”
“Mijnheer,” antwoordde ik hem, “ge zult er misschien geen bezwaar tegen hebben, dat ik uw voorbeeld volg. Ik beloof u, bij den vader van Séraphine voor u te spreken, doe hetzelfde voor mij bij uw zuster.”
Bij deze woorden liet don Juan een aangename verrassing blijken, die ik als een gunstig teeken voor mij beschouwde. “Is het mogelijk!” riep hij, “dat Dorothea uw hart heeft veroverd?”
“Ik zou de gelukkigste van alle menschen zijn,” antwoordde ik, “indien mijn aanzoek gunstig door haar en u werd ontvangen.”
“Daar kunt ge zeker van zijn,” zei hij, “al zijn wijvan adel, we zullen prijs stellen op een verbintenis met u.”
“Het doet mij genoegen,” hernam ik, “dat ge verstandig genoeg zijt, om de hand van uw zuster ook te willen schenken aan een burgerman. Maar wanneer ge ijdel genoeg waart, om haar alleen te willen geven aan een edelman, dan zou ik u ook kunnen tevreden stellen. Ik heb twintig jaar gewerkt in de bureaux van het ministerie en om de diensten, die ik aan den staat heb bewezen, te beloonen, heeft de koning mij brieven van adeldom verleend, die ik u zal toonen.”
Daarop bracht ik mijn papieren te voorschijn, die hij met kennelijk genoegen inzag.
“Nog beter!” zei hij, “Dorothea is voor u.”
“En gij kunt rekenen op Séraphine,” riep ik.
Tot de twee huwelijken was dus besloten, indien althans de dames daaraan hare goedkeuring wilden hechten. Want don Juan, zoowel als ik waren beiden veel te fijngevoelig zonder haar toestemming onzen zin te willen doorzetten. Dadelijk deelde ik Scipio enBéatrixhet onderhoud mee. De laatste was zeer met het aanzoek ingenomen en Séraphine bewees door haar zwijgen, dat ze van hetzelfde gevoelen was. Scipio maakte eenige bezwaren, omdat er een groote bruidschat zou noodig zijn voor het huwelijk met een heer, wiens kasteel noodig moest hersteld worden; maar ik stopte hem den mond door te zeggen, dat ik zijn dochter vierduizend pistolen tot bruidschat zou geven.
Ik zag don Juan denzelfden avond. “Uw zaak,” zei ik, “staat zoo goed als het maar kan, ik zou wel willen, dat het met de mijne hetzelfde was.”
“Dat is zoo,” antwoordde hij. “Mijn zuster stemt gaarne toe. Gij bevalt haar, alleen maakt ze bezwaar, dat zij u niets anders kan schenken dan haar hart en hand.”
“Wat zou ik meer vragen?” riep ik verheugd. “Ik ben rijk genoeg om haar zonder bruidschat te trouwen.”
Don Juan en ik, verheugd, dat de zaken tot zoover naarwensch waren gegaan, besloten onze huwelijken spoedig te doen plaats hebben en overbodige ceremonies daarbij te vermijden. Ik bracht hem daarop bij Séraphine en haar ouders. Hij beloofde ons den volgenden dag te zullen terugkomen met Dorothea.
Uit lust, een goeden indruk te maken op mijn uitverkorene, bleef ik wel drie uur bezig met mijn toilet, zonder nog tevreden over mijzelf te zijn. Voor een jongen man, die zijn geliefde wacht, is dat een aangenaam werk, maar voor iemand, die reeds op jaren begint te komen, is het een moeilijke bezigheid.
Ik was echter zoo gelukkig, dat zij mij met veel welwillendheid aanzag, toen wij elkaar weer ontmoetten. Er volgde een lang onderhoud, waarin ik gelegenheid had ook het verstand van mijn aanstaande vrouw te bewonderen.
Een notaris uit Valencia stelde de huwelijksche voorwaarden op en de pastoor uit Paterna kwam te Lirias, om de twee huwelijken in te zegenen.
Over mijn huwelijk heb ik mij nooit beklaagd. Dorothea was een deugdzame vrouw, die, gevoelig voor mijne goede zorgen, zich weldra aan mij hechtte, alsof ik jong was geweest.
Ook don Juan en zijn vrouw waren zeer gelukkig en de twee schoonzusters werden weldra intieme vriendinnen.
Van mijn kant vond ik zooveel goede eigenschappen in mijn zwager, dat ik een groote genegenheid voor hem opvatte, die hij met dankbaarheid beantwoordde.
De verstandhouding was van dien aard, dat, wanneer wij ’s avonds scheidden om elkaar den volgenden dag weer te zien, het ons leed deed. Daarom besloten wij van de twee families er een te maken, die nu eens op het kasteel te Lirias woonde en dan op dat van Jutella. Het laatste had belangrijke herstellingen ondergaan.
Het is nu reeds drie jaar, lezer en vriend, dat ik een zeer gelukkig leven leid met de personen, die mij zoo dierbaar zijn. Om mijn geluk te volmaken, heeft de hemel mij tweekinderen geschonken, wier opvoeding de vreugd is van mijn ouden dag en waarvan ik oprecht geloof de vader te zijn.
Einde van Gil Blas