Negende BoekHoofdstuk IScipio wil Gil Blas laten trouwen en stelt hem de dochter van een rijken en beroemden goudsmid voor. De stappen, die daartoe worden gedaan.Op een avond dat het gezelschap, dat bij mij gesoupeerd had, was vertrokken, bevond ik mij alleen met Scipio. Ik vroeg hem wat hij dien dag had gedaan. “Een meesterwerk,” antwoordde hij. “Ik wil u rijk laten trouwen met de eenige dochter van een goudsmid, dien ik ken.”“De dochter van een goudsmid!” riep ik op minachtenden toon. “Ben je gek geworden, dat je me zulk een burgerlijk meisje durft voor te stellen? Wanneer men zijn verdiensten heeft en men heeft aan het hof een zekere positie, dan heeft men het recht zijn blikken verder te doen reiken.”“Nu mijnheer, sla maar zoo’n toon niet aan! Denk er aan, dat het de man is, die den adel bepaalt en weet wel, dat het een partij is van minstens honderd duizend ducaten! Is dat niet een mooi stuk goudsmidswerk?”Toen ik van die groote som hoorde, werd ik meer handelbaar en zei tegen mijn secretaris: “Ik geef mij over. De bruidschat doet me beslissen! Wanneer kan ik dat geld opnemen?” “Zachtjes aan, mijnheer! Een beetje geduld. Eerst moet ik de zaak nog aan den vader meedeelen.”Lachend riep ik: “dat huwelijk is dus nog niet ver gevorderd!” Hij antwoordde mij: “Verder dan ge denkt. Als ik maar een uur met den goudsmid heb gesproken, sta ik u voor zijn toestemming in. Maar voor wij verder gaan, moeten wij eerst iets afspreken. Onderstel, dat u die honderdduizend ducaten krijgt, hoeveel geeft u er mij danvan?” “Twintig duizend,” antwoordde ik. “De hemel zij geprezen!” riep hij. “Ik had gedacht, dat uw edelmoedigheid zich tot tien duizend zou bepalen. Ik zal morgen die zaak ter hand nemen en ge kunt er verzekerd van zijn, dat ze zal gelukken.”Werkelijk zei hij twee dagen later: “Ik heb gesproken met mijnheer Gabriel de Salers—zoo heet mijn goudsmid—en ik heb hem zooveel verdienstelijks van u verteld, dat hij een willig oor heeft geleend aan mijn voorstel, om u tot schoonzoon te nemen. Ge zult zijn dochter hebben, met honderd duizend ducaten, mits ge hem duidelijk aantoont, dat gij in de gunst staat bij den minister.”“Als het daarvan afhangt,” zei ik, “zal ik wel spoedig getrouwd zijn. Maar zeg mij eens: heb je het meisje gezien? Hoe is zij?”“Niet zoo mooi als haar bruidschat. Maar daar zult ge u zeker wel niet om bekommeren?”“Wel neen, mijn vriend. Wij heeren van het hof trouwen alleen om getrouwd te zijn. Wij zoeken de schoonheid alleen bij de vrouwen van onze vrienden en wanneer bij toeval de onze ze bezit, den schenken wij daar zoo weinig aandacht aan, dat zij groot gelijk hebben, wanneer zij ons ervoor straffen.”Scipio vervolgde: “Mijnheer Gabriel geeft vanavond een souper. Wij zijn overeengekomen, dat ge niet over het voorgenomen huwelijk zult spreken. Hij noodigt verschillende vrienden uit en gij zult als een gewone gast zijn. Morgenavond geeft gij op dezelfde wijze een souper. Ge ziet, dat het een man is, die u eerst wil bestudeeren, voordat de zaak wordt beklonken. Het zal dus goed zijn, dat ge u een weinig in acht neemt.”“Wel voor den duivel!” riep ik vol zelfvertrouwen, “laat hij mij maar bestudeeren zooveel hij wil; ik kan bij dat onderzoek slechts winnen.”Het gebeurde zooals was afgesproken. Ik ging naar den goudsmid, die mij zoo familiaar ontving, alsof wij elkaar reeds verscheiden malen hadden ontmoet. Hij scheen mijeen goede man en stelde mij dadelijk voor aan senora Egénia, zijn vrouw, en de jonge Gabriella, zijn dochter. Ik maakte eenige complimentjes en sprak in zeer fraaie woorden over allerlei nietigheden.Wat mijn secretaris mij ook van haar had gezegd, scheen Gabriella mij toch niet leelijk, misschien wel omdat ze zoo mooi was gekleed, of mogelijk bekeek ik haar wel door haar bruidschat heen. Een goed huis, dat van mijnheer Gabriel! Er was daarin geloof ik meer zilver dan in de mijnen van Peru. Overal zag men dat metaal, onder duizend verschillende vormen. Elke kamer, en vooral die, waar wij aan tafel gingen, was een schat. Welk een gezicht voor een schoonzoon. De schoonvader had vijf of zes kooplieden gevraagd, allen ernstige en vervelende personen. Zij spraken alleen over den handel en hun conversatie was meer een gesprek over zaken, dan een gezellig onderhoud van vrienden, die met elkaar soupeeren.Den volgenden avond ontving ik den goudsmid. Daar ik niet kon schitteren door mijn zilverwerk, had ik iets anders uitgevonden. Ik noodigde aan het souper diegenen van mijn vrienden, die een goed figuur maakten aan het hof, eerzuchtig waren en geen grenzen stelden aan hunne begeerten. Mijn gasten spraken slechts over grootheid en schitterende en voordeelige posten, die ze najoegen. Dat miste zijn uitwerking niet. Gabriel, de burgerman, zeer onder den indruk van al hunne groote ideeën, gevoelde zich niettegenstaande al zijn rijkdom klein tegenover al die groote heeren. Wat mij betreft, ik deed alsof ik matig was in mijn wenschen en mij tevreden stelde met een middelmatig fortuin van twintigduizend pistolen rente, waarop mijn vrienden uitriepen, dat ik dwaas was en dat ik bemind als ik was bij den eersten minister, met zoo weinig niet tevreden behoefde te zijn. De schoonvader verloor geen enkel van die woorden en ik kon merken, dat hij zeer voldaan was, toen hij heenging.Scipio zocht hem den volgenden morgen op om hem te vragen of hij tevreden was. Hij kreeg ten antwoord: “Uwmeester bevalt mij buitengewoon goed, maar wij zijn oude kennissen, laten we dus eerlijk met elkaar spreken. Wij hebben zooals ge weet, allen ons zwak. Zeg mij die van mijnheer de Santillano. Speelt hij, of houdt hij veel van galante avonturen? Welke slechte neigingen heeft hij? Verberg mij niets.” Scipio zei: “Ge beleedigt mij, mijnheer Gabriel, door mij die vragen te doen. Ik werk meer in uw belang, dan in dat van mijn meester. Indien hij slechte eigenschappen bezat, geschikt om uw dochter ongelukkig te maken, dan zou ik het nooit gewaagd hebben hem als uw schoonzoon voor te stellen. Ik kan bij hem geen andere fout vinden, dan dat hij geen fouten heeft. Hij is te verstandig voor een jongen man.” “Zooveel te beter,” hernam de goudsmid, “dat doet mij genoegen. Nu mijn vriend, ge kunt hem verzekeren, dat hij mijn dochter zal hebben, zelfs al stond hij niet in de gunst bij den minister.”Zoodra mijn secretaris mij dit onderhoud had meegedeeld, ging ik naar de Salero, om hem te bedanken voor de gunstige beschikking, die hij ten opzichte van mij had genomen. Zijn vrouw en dochter had hij reeds van de zaak gesproken en dat zij geen bezwaar hadden gemaakt, merkte ik aan de houding, die zij tegenover mij aannamen. Ik stelde nog dienzelfden dag mijn aanstaanden schoonvader voor aan den hertog de Lerme, die ik den vorigen avond had ingelicht. De minister ontving hem zeer vriendelijk en betuigde zijn vreugde, dat hij tot schoonzoon iemand had gekozen, van wien hij zooveel hield en dien hij zou vooruithelpen. Verder zei hij nog zooveel goeds van mij, dat de goede Gabriel meende, dat hij in heel Spanje voor zijn dochter geen betere partij zou hebben kunnen vinden. Hij was er zoo door geroerd, dat hij tranen in de oogen kreeg. Hartelijk nam hij afscheid van mij toen wij scheidden en zei: “Mijn zoon, ik verlang er zoo naar, u als de echtgenoot van Gabriella te zien, dat ge het binnen acht dagen zijn zult.”Hoofdstuk IIDoor welk toeval Gil Blas zich don Alphonse de Leyva herinnerde en van den dienst, dien hij hem, uit ijdelheid bewees.Laten wij mijn huwelijk een oogenblik rusten. De volgorde in mijn geschiedenis eischt, dat ik vertel van den dienst, dien ik bewees aan don Alphonse, mijn ouden meester. Ik had dien edelman bijna geheel vergeten en ziehier bij welke gelegenheid ik weer aan hem werd herinnerd.In dien tijd kwam de betrekking van gouverneur der stad Valencia vacant. Toen ik dit nieuws vernam, dacht ik aan don Alphonse de Leyva. Die betrekking zou bij uitstek voor hem geschikt zijn en minder misschien uit vriendschap dan uit zucht om te pralen, vroeg ik haar voor hem; als dat gebeurde, zou het een buitengewoon groote eer voor mij zijn. Ik richtte mij dus tot den hertog de Lerme, zei, dat ik intendant was geweest van don Cesar de Leyva en zijn zoon, dat ik alle redenen had om hen te prijzen en dus voor een van hen die betrekking vroeg. De minister antwoordde mij: “Zeer gaarne, Gil Blas. Het doet mij genoegen te zien, dat je dankbaar bent. Overigens sprak je van een familie voor welke ik achting heb. De Leyva’s zijn goede dienaren van den koning, zij verdienen die plaats wel. Beschik daarover naar goedvinden. Ik geef je haar als bruidsgeschenk.”Ten zeerste erover verheugd, dat mijn plan zoo goed was geslaagd, ging ik zonder tijd te verliezen naar Calderone, om de zaak in orde te laten maken. Er waren vele personen bij hem, die in eerbiedige stilte wachtten, tot Rodrigohenaudiëntiewilde verleenen. Toen hij mij zag, brak hij plotseling het gesprek, waarin hij met een van de heeren gewikkeld was, af en kwam naar mij toe met een zoo vriendschappelijke begroeting, dat ik er verbaasd over was. “Wel mijn waarde collega, wat verschaft mij het genoegen u te zien? Waarmee kan ik u van dienst zijn?”Toen ik hem vertelde, welke de zaak was, die mij tot hem voerde, gaf hij mij dadelijk de verzekering, dat den volgenden morgen de noodige stukken zouden gereed zijn. Hij bepaalde zich niet tot die beleefdheid, maar bracht mij zelf naar de deur van de antichambre, wat hij anders nooit deed, dan bij zeer groote heeren.Onder het heengaan dacht ik: “Wat beteekent al die beleefdheid? Zou Calderone het op mijn val toeleggen? Of wil hij mijn vriendschap winnen en probeeren nu zijn gelukster aan het dalen is, dat ik hem in een gunstig licht zal stellen bij onzen patroon?” Ik wist niet, waaraan ik mij te houden had. Den volgenden morgen nam hij weer diezelfde houding tegenover mij aan. Tegen andere menschen met wie hij sprak, was hij dien morgen al zeer onbeleefd, den een snauwde hij af, voor den ander had hij geen woord over; maar ze werden allen gewroken door een voorval, dat ik niet met stilzwijgen mag laten voorbijgaan.Een zeer eenvoudig gekleed man, die er uitzag alsof hij beneden zijn stand gekleed was, naderde Calderone en sprak hem van een zekere memorie, die hij bij den hertog de Lerme had ingediend. Don Rodrigo keek den spreker nauwelijks aan en zei op bruusken toon: “Hoe heet ge?” Hij kreeg tot antwoord: “Men noemde mij in mijn jeugd Francillo, later don Francisco de Zuniga en thans graaf de Pedrosa”. Calderone, die nu merkte, dat hij met iemand van den hoogsten stand te doen had, wilde zich nu verontschuldigen. “Neem mij niet kwalijk, ik kende u niet....” De ander viel hem in de rede: “Ik bedank voor uw verontschuldigingen, evenals voor uw onbeleefdheden. Een secretaris van een minister moet iedereen beleefd ontvangen.Wees, als ge wilt, ijdel genoeg om u te beschouwen als den plaatsvervanger van uw meester, maar vergeet niet, dat ge zijn ondergeschikte zijt.”De trotsche don Rodrigo was niet weinig uit het veld geslagen door die vermaning. Ik voor mij leerde er uit, dat ik in het vervolg goed zou opletten tegen wien ik sprak op mijn audienties en alleen onhebbelijk zou zijn tegen doofstommen.Daar de papieren van don Alphonse gereed waren, zond ik die per expresbode met een brief van den hertog de Lerme, waarin deze hem kennis gaf, dat de koning hem had benoemd tot gouverneur van Valencia. Ik voegde er geen brief van mezelf bij over mijn bemoeiïngen in deze zaak, maar wilde het genoegen hebben dit hem mondeling mee te deelen, als hij naar Madrid moest komen om den eed af te leggen.Hoofdstuk IIIVan de toebereidselen voor het huwelijk van Gil Blas en van de groote gebeurtenissen, die ze overbodigmaakten.Laten wij terugkeeren tot mijn schoone Gabrielle. Ik moest haar dus binnen acht dagen trouwen. Wij bereidden ons beiden op die plechtigheid voor. Salero liet rijke kleeren maken voor de bruid en ik huurde voor haar een kamenier, een lakei en een ouden stalknecht, allen gekozen door Scipio, die nog met meer ongeduld dan ik den dag afwachtte, waarop mij de bruidschat zou worden uitgekeerd.Den avond voor dien grooten dag, soupeerde ik bij den schoonvader met ooms en tantes, neven en nichten. Ik huichelde heel goed den dankbaren schoonzoon, betuigde den goudsmid en zijn vrouw honderdmaal mijn erkentelijkheid, speelde den hartstochtelijk verliefde bij het meisje, maakte mij aangenaam bij alle leden van de familie, wier platte conversatie en burgerlijke manieren mij aanstoot gaven. Er was er niet een, die zich niet verheugde over deze verbintenis.Toen het souper geëindigd was, ging het gezelschap naar een groote zaal, waar een concert was, dat hoewel niet door de eerste krachten van Madrid gegeven, toch niet slecht was. De muziek deed ons zoo aangenaam aan, dat er zelfs gedanst werd.Bij het weggaan zei Salero: “Adieu schoonzoon, ik zal u morgen den bruidschat komen brengen in schoone gouden stukken.” Ik antwoordde: “Mijn waarde schoonvader, ge zult mij welkom zijn.” Na de familie te hebben gegroet,stapte ik in mijn rijtuig, dat voor de deur op mij wachtte en ging naar huis.Nauwelijks was ik tweehonderd pas van het huis van Gabriel verwijderd, of vijftien of twintig man, sommigen tevoet en anderen te paard, allen gewapend met rapieren en karabijnen, omringden mijn rijtuig, hielden het aan en riepen: “In naam des konings!” Zij lieten mij uitstappen en plaatsten mij in een koets, waarin ook de aanvoerder stapte, die daarna zei, dat men de richting moest inslaan naarSégovië. Ik onderstelde, dat ik een gerechtsdienaar naast mij had en wilde hem ondervragen over de redenen van mijn gevangenneming, maar hij antwoordde mij op den toon van die heeren, d.w.z. brutaal, dat hij mij geen rekenschap had te geven. Ik zei hem, dat men zich misschien vergiste. “Neen, neen, ik ben zeker van mijn zaak. Ge zijt mijnheer de Santillano en ik heb opdracht u te brengen, waar ge nu heengevoerd wordt.” Daar ik niets op die woorden te zeggen had, zweeg ik verder. Het overige van den nacht reden wij in stilte door. Wij verwisselden van paarden te Colmenar en kwamen tegen den avond inSégovië, waar men mij in den toren opsloot.Hoofdstuk IVHoe Gil Blas behandeld werd in den toren vanSégoviëen op welke wijze hij de redenen van zijn gevangenneming vernam.Men begon mij in een cachot te stoppen, waar men mij op het stroo liet liggen als een gemeene misdadiger. Ik bracht den nacht door, niet met toe te geven aan mijn droefheid, want ik overzag al mijn leed nog niet, maar met het zoeken naar hetgeen mijn ongeluk kon hebben veroorzaakt. Ik twijfelde er niet aan, of het was het werk van Calderone. Maar al vermoedde ik, dat hij alles had ontdekt, ik begreep niet, hoe hij den hertog de Lerme er toe had kunnen brengen, om mij zoo wreed te behandelen. Nu eens verbeeldde ik mij, dat ik buiten zijn medeweten was gevangen genomen en dan weer dacht ik, dat hij om politieke redenen mij had laten opsluiten, zooals ministers soms doen met hun gunstelingen.Zoo bleef ik in gepeins verzonken tot het daglicht aanbrak en toen eerst kon ik zien, in welk ellendig verblijf ik mij bevond. Ik gaf mij toen aan mijn droefenis over en de tranen liepen mij langs de wangen. Toen ik zoo zat, kwam er een gevangenbewaarder binnen, die mij een stuk brood en een kruik water bracht. Hij scheen innig medelijden met mij te gevoelen, al was hij dan ook een cipier, en zei: “Mijnheer de gevangene, wanhoop niet. Ge moet niet zoo gevoelig zijn voor den tegenspoed in het leven. Ge zijt nog jong; na dezen tijd komt een andere. Eet intusschen het brood van den koning.”Mijn trooster ging weg na die woorden, die ik slechts met een zucht beantwoordde.Ik bracht een ellendigen dag door en werd tegen den avond opgeschrikt door het rinkelen van sleutels. De deur van mijn cachot ging open en een oogenblik later trad een man binnen, die een kandelaar droeg. Hij zei: “Mijnheer Gil Blas, ge ziet een van uw oude vrienden voor u. Ik ben don André de Tordesillas, die met u samenwoonde in Granada, in dienst was van den aartsbisschop en op uw voorspraak een zending kreeg naar Mexico. Inplaats echter van mij in te schepen, bleef ik in Alicante, ik trouwde er en door een reeks van avonturen, die ge later zult vernemen, ben ik gevangenbewaarder geworden inSégovië. Een groot geluk is het voor u in mij een man te ontmoeten, die niets onbeproefd zal laten, om het harde van uw straf te verzachten. Er is mij uitdrukkelijk last gegeven, u met niemand te laten spreken, u op stroo te doen slapen en slechts water en brood tot voedsel te geven. Maar behalve dat ik te menschlievend ben, om geen medelijden met u te gevoelen, hebt ge mij een dienst bewezen en mijn dankbaarheid weegt zwaarder dan de bevelen, die ik heb ontvangen. Sta op en kom mee.”Hoewel de gevangenbewaarder zeker aanspraak mocht maken op mijn dank, kon ik op dat oogenblik geen woorden vinden. Ik volgde hem over een plaats, we beklommen vervolgens een trap en kwamen in een klein kamertje, boven in den toren. Het zag er daar netjes uit, op de tafel stonden twee kandelaars en er was gedekt voor twee personen.Tordesillas zei: “Men zal dadelijk eten brengen. Wij zullen hier soupeeren. Dit vertrekje heb ik voor u bestemd, ge zult het er beter hebben dan in uw cachot. Het uitzicht is mooi, ge zult een goed bed krijgen, goede voeding, boeken, zooveel ge wilt; in één woord het verblijf zal u zoo aangenaam worden gemaakt, als dat voor een gevangene mogelijk is.”Toen bedankte ik mijn bewaarder voor zooveel goeds en ik zei, dat ik nog eens in de gelegenheid hoopte te komen, die te kunnen vergelden. “En waarom zoudt ge die nietvinden?” vroeg hij. “Denkt ge dan, dat ge voor altijd de vrijheid hebt verloren? Indien ge u dat voorstelt, wil ik u wel verzekeren, dat ge u bedriegt. Ik durf u verzekeren, dat ge over eenige maanden weer in vrijheid zult zijn.”“Wat zegt ge, don André? Het schijnt, dat gij er meer van weet”, zei ik.Hij antwoordde mij: “Ik moet u bekennen, dat de gerechtsdienaar, die u heeft hier gebracht, mij het verhaal heeft meegedeeld. Hij heeft mij gezegd, dat ge op een nacht met den graaf de Lemos den prins hebt gebracht bij een verdachte dame. Dat is den koning ter oore gekomen; hij heeft den graaf verbannen en u naar hier gezonden om met alle strengheid te worden behandeld.”Ons gesprek werd gestoord door bedienden, die brood, wijn, hazepeper en een jong kalkoen binnenbrachten. Toen wij alles hadden, zond Tordesillas de bedienden weg, zoodat wij vrijuit konden praten.Mijn gastheer overlaadde mijn bord met vleesch, hij dacht zeker, dat ik uitgehongerd was en had daar ook wel reden toe, om mijn dieet van twee dagen. Maar mijn hart was te vol om met smaak te kunnen eten, hoe goed de tafel ook was. Om mij wat afleiding te geven, spoorde hij mij herhaaldelijk aan om te drinken en vertelde mij allerlei histories, ook die van zijn huwelijk. Ik luisterde, maar was zoo verstrooid, dat ik hem na afloop van het verhaal er niets van had kunnen navertellen. Eindelijk stond hij van tafel op en zei: “Mijnheer de Santillano, ga nu rusten, of liever gezegd, over uw ongeluk denken, zooveel ge wilt. Maar ik herhaal u, het zal niet van langen duur zijn. De koning is goedhartig van natuur en als zijn toorn bedaard is en hij denken zal aan den treurigen toestand, waarin hij zich verbeeldt, dat ge verkeert, dan zal hij u voldoende gestraft achten.” Na deze woorden ging hij weg, de lakeien kwamen afnemen en namen zelfs de kaarsen mee zoodat ik naar bed ging bij het licht van een lampje, dat aan den muur hing.Hoofdstuk VVan de overdenkingen, die hij dien nacht had, voor hij insliep en van het geluid, dat hem wekte.Twee uur minstens bracht ik door met na te denken over hetgeenTordesillasmij had gezegd. Ik was daar dus, omdat ik bijgedragen had tot het plezier van den erfgenaam der kroon! Welk een onvoorzichtigheid ook, om zulk een dienst te hebben bewezen aan zoo’n jongen prins! Want in zijn jeugd alleen bestond geheel mijn misdaad. Indien hij wat ouder geweest was, zou de koning gelachen hebben, in plaats van zoo vertoornd te zijn zooals nu. Maar wie zou den koning het geheim hebben ontdekt?Tot dit laatste punt kwamen mijn gedachten altijd maar weer terug. Vervolgens begon ik er aan te denken. Al die opeenvolgende gedachten, de vermoeienis, het eten, de wijn, het een met het ander deden mij in een diepen slaap vallen, die zeker tot den dag zou hebben geduurd, indien ik niet was wakker gemaakt door een in de gevangenis ongewoon geluid. Ik hoorde een stem, begeleid door een guitaar. Ik luisterde met aandacht en hoorde niets meer, zoodat ik dacht gedroomd te hebben, maar een oogenblik later werd mijn oor opnieuw getroffen door hetzelfde instrument en door de stem, die ik zooeven had gehoord. Ik kon thans de woorden duidelijk verstaan. Ze luidden:Ay de my! un anno feliceParece un soplo ligero;Perô sin dicha un instanteEs un siglo de tormento.Dat scheen opzettelijk voor mij te zijn vervaardigd. Ik gevoelde maar al te zeer de waarheid van die woorden. De tijd van mijn geluk was snel voorbijgegaan en het was mij, of ik nu al bijna een eeuw in de gevangenis zuchtte. Het daglicht stemde mij wat rustiger. Ik opende mijn raam en vond het uitzicht lang zoo prachtig niet als mijn gastheer het mij had afgeschilderd den vorigen avond.Toen ik bezig was mij te kleeden, kwamTordesillasbinnen, gevolgd door een oude dienstbode, die mij handdoeken, hemden en ander linnen bracht. “En hoe hebt ge den nacht doorgebracht? Hebt ge nog wat kunnen slapen?” vroeg hij. “Ik zou misschien nog slapen,” antwoordde ik hem, “als ik niet gewekt was geworden door een stem begeleid door een guitaar.” Hij hernam: “De heer, die uw rust heeft gestoord, is een staatsgevangene, die zijn kamer naast de uwe heeft. Hij heet don Gaston de Cogollos, is ridder van de militaire orde van Calatrava en een zeer beminnelijk man. Ge kunt elkaar bezoeken en samen eten. Dat is voor u beiden een troost”.Ik betuigde mijn vriendelijken gevangenbewaarder mijn dank voor zijn welwillendheid en maakte denzelfden dag reeds kennis met don Gaston, die mij verrastte door zijn aangenaam uiterlijk en schoonheid. Stel u nu eens voor hoe hij er uit moest zien om oogen te verblinden, gewend aan de schitterende jonge edellieden van het Hof. Hij scheen geschapen voor het geluk, een romanheld, bestemd om slapelooze nachten te bezorgen aan prinsessen. Bovendien had de natuur, die meestal haar giften een beetje verdeelt, hem veel geest en gevoel gegeven. Het was een volmaakte edelman.Wij bevielen elkaar en een vriendschapsband is spoedig gesloten tusschen twee personen, die een ongelukkig lot samenbrengt. Gaarne maakten wij gebruik van de vrijheid die ons was gegeven, om in elkaars gezelschap te zijn.Op een avond, dat ik zijn kamer binnenkwam, wilde hij juist op zijn guitaar gaan spelen. Ik ging zitten en luisterde naar het lied, dat hij er bij zong. De woorden handeldenover de wreedheid van een vrouw. “Daarover zult ge u wel nooit te beklagen gehad hebben?” zei ik tegen hem. “Daarin zoudt ge u wel eens kunnen vergissen”, antwoordde hij. “Ik zal u daarvan een verhaal vertellen, dat tegelijkertijd de geschiedenis van mijn ongeluk is.”Hoofdstuk VIGeschiedenis van don Gaston de Cogollos en van dona Helena de Galisteo.Het zal weldra vier jaar geleden zijn, dat ik uit Madrid vertrok om te Coria donaEléonorde Laxarilla te bezoeken, mijn tante, een van de rijkste weduwen van Oud-Castilië en die geen andere erfgenamen heeft dan mij. Nauwelijks was ik er aangekomen, of de liefde kwam mijn rust verstoren. Zij gaf mij een kamer, waarvan de vensters uitzagen op de kamer van een dame, die daar tegenover woonde en die zoo schoon was, dat ze dadelijk een diepen indruk op mij maakte. Door de taal der oogen en zelfs door gebaren, trachtte ik haar dat duidelijk te maken; zij bemerkte dat wel, maar was er niet het meisje naar, om daarop te antwoorden.Ik wilde den naam van deze schoone weten en vernam, dat zij dona Helena heette en de eenige dochter was van don Georges de Galisteo, die een landgoed bezat op eenige mijlen afstand van Coria, dat aanzienlijke inkomsten afwierp. Reeds dikwijls hadden zich partijen voor haar voorgedaan, maar haar vader had die alle afgeslagen, omdat hij van plan was haar uit te huwelijken aan don Augustin de Olighera, haar neef, die in afwachting van dit huwelijk de vrijheid had haar iederen dag te bezoeken. Dat ontmoedigde mij niet; integendeel, ik werd nog meer verliefd en ging voort haar vurige blikken toe te werpen. Smeekend keek ik ook Félicia aan, haar kamenier, als om haar hulp in te roepen; maar ’t was alles te vergeefs. Zij bleven wreed en ontoegankelijk voor mij.Daar zij weigerden om op de taal van mijn oogen teantwoorden, nam ik mijn toevlucht tot andere middelen. Ik liet onderzoeken, welke kennissen Félicia in de stad had en vernam, dat zij dikwijls een oude dame bezocht, Théodora. Verheugd over die ontdekking ging ik daar zelf een bezoek brengen en door geschenken wist ik van haar belofte te krijgen, dat ik den volgenden dag een onderhoud in haar huis zou kunnen hebben met de kamenier.Op den bepaalden tijd vond ik haar daar en ik drukte er mijn groote vreugde over uit, dat ik haar kon spreken. Ze antwoordde me: “Mijnheer, mijn vriendin Théodora kan veel van mij gedaan krijgen. Ze stelt belang in u en als ik iets voor u zou kunnen doen, dan zou mij dat aangenaam wezen, maar met den besten wil geloof ik niet, dat ik u van veel dienst kan zijn. Ge moet u niet met hoop vleien, ge hebt nooit voor een moeilijker onderneming gestaan. Ge bemint een dame, bestemd voor een ander en welk een dame! Eene, die zoo trotsch is, dat wanneer ze al door uw zuchten zou worden bewogen, ze het toch niet zou laten merken.”“Mijn beste Félicia!” riep ik smartelijk. “Waarom schildert ge mij die moeilijkheden zoo onoverkomelijk af? Misleid me liever, dan dat ge mij wanhopig maakt.” Bij die woorden greep ik haar handen en schoof haar een diamant aan den vinger van driehonderd pistolen. Daarna sprak ik zoo tot haar, dat ze tot tranen toe werd bewogen.Ze was te aangedaan en te dankbaar, om mij troosteloos te laten en scheen de zaak eenigszins lichter te gaan inzien. “Mijnheer, misschien behoeft u niet alle hoop te worden ontnomen. Uw medeminnaar wordt wel niet door haar gehaat. Hij komt zijn nicht vrij bezoeken. Hij spreekt met haar, wanneer het hem behaagt en dat is in uw voordeel. De gewoonte om alle dagen samen te zijn, maakt hun onderhoud een weinig kwijnend. En het schijnt mij, dat ze zonder smart van elkaar scheiden en elkaar zonder genoegen weerzien. Men zou zeggen, dat ze reeds getrouwd zijn. In één woord, mijn meesteres heeft geen levendigen hartstocht voor don Augustin. Overigens is er, wat persoonlijkehoedanigheden betreft, tusschen u en hem een verschil, dat niet onopgemerkt kan blijven voor een zoo fijngevoelig meisje als dona Helena. Geef den moed dus niet op. Ik zal doen, wat ik kan.”Wij scheidden, beiden zeer voldaan over dit onderhoud. Ik bleef dus de dochter van don George verliefde blikken toewerpen en bracht haar zelfs een serenade, waarbij ik de verzen zong, die ge zooeven hebt gehoord.Om haar eens te polsen, vroeg de kamenier aan haar meesteres, hoe haar dat lied was bevallen. Dona Helena antwoordde: “Naar die stem heb ik met genoegen geluisterd.” “En de woorden, hebben die u niet zeer getroffen?” “Daar heb ik in het geheel geen acht op geslagen. Ik heb alleen naar den zang geluisterd, het vers is mij onverschillig evenals de man, die mij deze serenade heeft gebracht.” Félicia zei: “Dat is dan een misrekening voor dien armen don Gaston de Cogollos en ’t is dwaas van hem, om dan altijd zoo naar onze ramen te zien.” Op koelen toon antwoordde de meesteres: “Misschien is hij het niet, mogelijk wel een ander, die mij op zulke wijze zijn liefde verklaart.” “Neen” zei de kamenier, ”’t is niemand anders dan don Gaston. Daarvoor heeft hij mij ook van morgen in de straat aangehouden. Hij heeft mij verzocht u te willen zeggen, dat hij u aanbidt en dat hij zich de gelukkigste van alle stervelingen zou achten, indien ge hem wildet vergunnen u zijn hulde te betuigen.”De dochter van Don George keek haar dienstbode zeer streng aan en zei: “Ge zoudt beter gedaan hebben, indien ge mij niet van dit ongepast onderhoud had gesproken. Laat het niet weer gebeuren, dat ge met dergelijke mededeelingen bij mij komt, en als die vermetele jonge man nog eens tot u durft spreken, gelast ik u hem te zeggen, dat hij zich maar tot andere dames moet wenden, die misschien van galante avonturen houden en dat hij nuttiger bezigheid zoeke dan den geheelen dag door het raam te kijken, naar hetgeen ik in mijn kamers doe.”Dat alles werd mij getrouw oververteld door Félicia,toen ik een tweede onderhoud met haar had. Ze beweerde echter, dat ik mij niet moest laten ontmoedigen door de woorden van hare meesteres. Maar ik meende, dat ik die toch moeilijk in mijn voordeel kon uitleggen. Zij lachte om mijn sombere beschouwingen, vroeg papier en inkt aan haar vriendin en zei: “Mijnheer, schrijf dadelijk als wanhopige geliefde een brief aan dona Helena. Schilder haar levendig uw lijden en beklaag u vooral over het verbod, om aan uw vensters te verschijnen. Beloof, dat ge haar zult gehoorzamen, maar dat het u het leven zal kosten. Richt dien brief maar in, zooals gij heeren dat zoo goed kunt en ik belast mij met de rest.”Ik stelde zulk een brief samen en las hemFéliciavoor, die glimlachend opmerkte, dat indien vrouwen al den slag bezaten om mannen het hoofd op hol te jagen, de mannen op hun beurt de kunst verstonden, om vrouwen te verlokken. Zij nam mijn brief, verzekerde mij, dat het niet aan haar zou liggen, wanneer die geen goede uitwerking had enzeime, dat ik ervoor moest zorgen, gedurende eenige dagen mijn ramen gesloten te houden.Toen zij weer thuiskwam, zei ze tegen dona Helena: “Ik heb don Gaston ontmoet. Hij hield mij dadelijk aan en vroeg met bevende stem en als een schuldige, die zijn vonnis afwacht, of ik u over hem had gesproken. Toen heb ik hem uw antwoord op brutalen toon meegedeeld en hem op straat laten staan.” ”’t Is goed,” zeidonaHelena, “dat ge mij op die wijze van dien man hebt bevrijd; maar het was niet noodig op brutalen toon tot hem te spreken. Een meisje moet altijd zacht blijven.” De kamenier antwoordde: “Men ontdoet zich niet van een hartstochtelijk minnaar door zachte woorden te gebruiken. ’t Is zelfs dikwijls niet genoeg, als men op driftigen toon spreekt. Dat is hier gebleken, want toen ik terugkwam van de boodschappen, die ik voor u had gedaan, stond hij mij op te wachten. Zijn gezicht echter was zóó ontdaan, dat ik, hoewel ik anders nooit om mijn woorden verlegen ben, nu niet spreken kon. Hij duwde mij haastig dit briefje in de hand en verdween”.Féliciaoverhandigde daarop hare meesteres mijn brief, dien zij aannam als om zich er mee te vermaken en hem las. Daarop werd ze eenige oogenblikken stil. “WaarlijkFélicia, ’t is dwaas genoeg geweest dien brief aan te nemen. Wat moet don Gaston daarvan denken? En wat moet ikzelf gelooven? Misschien verbeeldt hij zich op dit oogenblik wel, dat ik zijn brief lees en herlees. Aan die schande heb je mij door je handelwijze blootgesteld.” De kamenier antwoordde: “O neen, die gedachte zal hij niet hebben en indien hij haar al had, dan zou hij er toch niet lang genoegen van hebben, want den eersten den besten keer, dat ik hem zie, zal ik hem zeggen, dat ge zijn brief minachtend hebt aangekeken en daarna verscheurd, zonder hem te hebben gelezen”. “Je kunt er gerust op zweren, dat ik hem niet gelezen heb. Ik zou er geen twee woorden van kunnen herhalen.” Ten slotte verbood zij haar kamenier verder tot haar over mij te spreken.Daar ik beloofd had, niet meer aan mijn raam te zullen komen, hield ik mijn jaloezieën gedurende eenige dagen gesloten. Maar intusschen bereidde ik mijn wreede Helena een nieuwe serenade voor. Ik had enige muzikanten geëngageerd en begaf mij ’s avonds laat met hen onder haar balkon. Reeds stemden ze hunne guitaren, toen een ridder met een degen in de hand op ons toesnelde, rechts en links om zich heen sloeg en de muzikanten op de vlucht joeg. Zijn woede wekte de mijne op. Ik naderde hem en er volgde een hevig gevecht. Dona Helena en haar kamenier hadden het geluid van de degens gehoord en keken door haar jalouzieën naar buiten. Toen ze het gevecht zagen, uitten ze angstkreten, waarop don George en zijn bedienden naar buiten snelden, om de vechtenden te scheiden. Maar zij kwamen te laat, en vonden op het terrein van den strijd slechts één ridder, badende in zijn bloed en bijna zonder leven. Die ongelukkige was ik. Men droeg mij binnen in het huis van mijn tante en de bekwaamste chirurgijns werden geroepen.Iedereen beklaagde mij en inzonderheid dona Helena, dienu een blik gaf in haar hart. Met haar kamenier bracht zij het overige gedeelte van den nacht door met weenen en met het verwenschen van haar neef, don Augustijn, in wien zij den dader vermoedde en die dan ook werkelijk onze serenade op zulk een onaangename wijze had gestoord. Hij scheen opgemerkt te hebben, dat ik zijn nicht het hof maakte, geloofde, dat zij daarvan was gediend en had nu op deze wijze getoond, dat hij niet zoo onverschillig was, als men wel vermoedde.Intusschen werd het treurige ongeval gevolgd door eenheugelijke gebeurtenis, die het spoedig deed vergeten. Hoe gevaarlijk ik ook gewond was, ik herstelde en mijn tante had een onderhoud met don George, waarbij ze hem voor mij de hand van zijn dochter vroeg. Hij stemde daarin toe, omdat hij don Augustijn beschouwde als een man, dien hij waarschijnlijk wel nooit meer zou terugzien. De goede grijsaard was echter bang, dat zijn dochter er iets op tegen zou hebben omdat ze haar neef d’Olighera zoo veel had gezien, maar zij bleek geheel bereid haars vaders wensch op te volgen waaruit men kan opmaken dat in Spanje evenals overal elders de nieuw-aangekomenen een streepje voor hebben bij de vrouwen.Zoodra het kon, had ik een gesprek gehad metFéliciaen van haar vernomen hoe hare meesteres getreurd had over het ongeluk, dat mij was overkomen. Ik kon er niet aan twijfelen, of ik was de Paris van mijn Helena geworden en zegende mijn wond, omdat die zulke gelukkige gevolgen had gehad voor mijn liefde.Van don George kreeg ik toestemming om met zijn dochter te spreken in tegenwoordigheid van haar kamenier. Wat was dat onderhoud heerlijk voor mij! Ik drong er bij haar op aan mij te zeggen of ik dit geluk alleen had te danken aan haar gehoorzaamheid aan haar vader. Zij verzekerde mij, dat dit niet het geval was en nu volgde voor mij een zeer gelukkige tijd. Onze bruiloft zou een groot feest zijn, waarop de geheele adel van Coria en omstreken zou schitteren. Voor dien tijd gaf ik een partij op een landgoed, dat mijn tante buiten de stad bezat. Terwijl wij aan tafel zaten, kwam een man in de zaal, die mij voor een zeer gewichtige zaak te spreken vroeg. Ik volgde den onbekende, die het uiterlijk had van een kamerdienaar en mij een brief gaf van den volgenden inhoud:“Indien de eer u dierbaar is, zooals ze het moet zijn aan alle ridders van uw orde, dan zult ge u morgenochtend bevinden op het plein van Manroi. Ge zult er een ridder vinden, die u rekenschap zal geven van de beleediging, die hij u heeft aangedaan en u, indien het kan, buiten staat zal stellen,om dona Helena te huwen. Don Augustin de Olighera”.Heeft de liefde veel macht over de Spanjaarden, de wraak nog meer. Ik las dien brief niet met een rustig hart. Bij het zien van den naamAugustinhad ik bijna de plichten vergeten, welke mij dien dag aan mijn gasten bonden. Het liefst was ik dadelijk mijn vijand gaan opzoeken, maar ik kon het feest niet verstoren en zei daarom tot den man: “Mijn vriend, ge kunt aan den ridder, die u gezonden heeft, zeggen, dat mijn lust om hem weer te zien zoo groot is, dat ik morgen voor zonsopgang op het door hem aangewezen terrein zal zijn.”Daarna ging ik naar mijn gasten terug, nam mijn plaats aan tafel weer in en wist mij zoo goed te beheerschen, dat niemand iets merkte van hetgeen er in mij omging. Als alle anderen nam ik deel aan het feest, dat tegen middernacht geëindigd was. Toen het gezelschap uiteenging bleef ik in het landhuis, onder voorwendsel den volgenden morgen een wandeling te willen doen in de frissche lucht, maar het was alleen om vroeger op de plaats van samenkomst te zijn. In plaats van te gaan slapen, wachtte ik met ongeduld het aanbreken van den dag af. Zoodra die verscheen, besteeg ik mijn beste paard en vertrok geheel alleen. Ik reed in de richting van Manroi en zag een ruiter naderen. Het was mijn medeminnaar, die, toen hij bij mij was, zei: “Het doet mij leed, dat ik voor de tweede maal met u moet samenkomen; maar de schuld daarvan is aan u. Na het avontuur met de serenade, hadt ge er van moeten afzien, om te trachten de gunst van de dochter van Don George te verwerven.” Ik antwoordde: “ge zijt wel trotsch op een voordeel, dat ge misschien minder aan uw behendigheid dan wel aan de duisternis van den nacht hebt te danken.” Ik sprong daarbij op den grond, don Augustin volgde mijn voorbeeld en wij bonden onze paarden aan een boom. Verwoed vielen wij op elkaar aan. Hoewel ik een geoefend schermer was, moet ik zeggen, dat ik met een vijand te doen had, die zijn wapen beter meester was dan ik. Maar gelijk de sterkere dikwijls wordt overwonnendoor den zwakkere, zoo ging het ook hier. Ik wist mijn tegenstander in het hart te treffen en hij viel dood neer.Dadelijk keerde ik naar het landhuis terug, waar ik aan mijn kamerdienaar, op wiens trouw ik rekenen kon, het gebeurde meedeelde, hem gelastte het beste paard te nemen en dadelijk mijn tante op de hoogte te brengen van dit avontuur. Ik zei hem, dat hij haar namens mij om goud en edelgesteenten moest vragen, om mij dat te brengen tePlacencia, waar hij me vinden zou in het eerste hotel bij den ingang van de stad.Mijn bediende, Ramire, kweet zich zoo vlug van die taak, dat hij reeds drie uren na mij in Placencia aankwam. Hij zei me, dat donaEléonormeer verheugd dan bedroefd was over dezen strijd, die mij eens genoegdoening had gegeven na de beleediging door mij ondervonden en ik ontving een groot bedrag aan goud en edelgesteenten, om aangenaam te kunnen reizen, totdat mijn zaak zou zijn geschikt.Ik reisde naar Valencia en scheepte mij te Denia in, om naar Italië te gaan. Helena betreurde mijn afwezigheid en terwijl de familie van Olighera pogingen aanwendde om mij te vinden, verlangde zij naar mijn terugkeer. Reeds was ik zes maanden weg, toen een edelman van de kust van Galicië, don Blas de Combados te Coria kwam, om een erfenis te ontvangen, die hem vruchteloos werd betwist door donMiguelde Caprara, zijn neef.Combados was een knap man, hij was beleefd en geestig en verkeerde weldra met de voorname families in de stad.Hij wist, dat don George een dochter had, wier schoonheid tot nu toe de mannen slechts tot hun ongeluk in liefde had doen ontvlammen. Dit prikkelde zijn nieuwsgierigheid, hij wilde die dame zien. Hij zocht daarom met den vader op een vriendschappelijken voet te komen en slaagde daarin zoo goed, dat de grijsaard hem toestond zijn huis te bezoeken en met zijn dochter te spreken. De Galiciër werd dadelijk verliefd, dat was onvermijdelijk. Don George ontving zijn aanzoek gunstig, maar wilde zijn dochter niet dwingen, hij liet haar meesteres over haar hand. Combados deed, wat hij kon om haar te behagen, maar zij bleef ongevoelig voor zijn hulde en dacht slechts aan mij. Félicia, die ook door den nieuwen minnaar was omgekocht, wendde al haar behendigheid in zijn voordeel aan, don George ondersteunde diens pogingen, maardonaHelena bleef mij trouw.Combados, die zag dat alle pogingen tot nu toe vergeefsch waren geweest, stelde een ander middel voor. Hijbedacht het volgende plan: een koopman te Coria zou een brief omtvangen van een handelsvriend in Italië, waarin na eenige mededeelingen betreffende zaken, te lezen zou zijn: “Sinds korten tijd is aan het hof te Parma een Spaansch edelman aangekomen, don Gaston de Cogollos genaamd. Hij zegt, dat hij de neef en eenige erfgenaam is van een rijke weduwe, die te Coria woont onder den naam vandonaEléonor de Laxarilla. Hij doet aanzoek om de hand van de dochter van een voornaam heer, maar men wil hem die niet geven zonder eerst geïnformeerd te hebben. Bericht mij dus, of ge dien don Gaston kent en waarin het vermogen van zijn tante bestaat. Uw antwoord zal beslissend zijn voor dit huwelijk. Schrijf naar Parma enz. enz.”Dit bedrog scheen den grijsaard een list, wel geoorloofd van een verliefde en Félicia, die nog minder nauwgezet was, juichte het zeer toe. De uitvinding scheen daarom te beter, omdat zij Helena kende als een trotsch meisje, die in staat was oogenblikkelijk een besluit te nemen, indien zij vermoeden had, dat men haar ontrouw was geworden. Don George belastte zich er zelf mee, om haar op de hoogte te brengen en om de zaak nog natuurlijker te maken, zou men haar laten spreken met den koopman, die den nagemaakten brief zou hebben ontvangen.De oude edelman zei dus tegen haar: “Mijn dochter, ik behoef wel niet meer te zeggen, dat onze familieleden mij alle dagen verzoeken om nooit toe te staan, dat de moordenaar van don Augustin mijn schoonzoon wordt. Heden heb ik een nog meer overwegende reden om u te zeggen niet meer aan don Gaston te denken. Hij is een trouwelooze! Ziehier een zeker bewijs daarvan. Lees dezen brief, dien een koopman te Coria uit Italië heeft ontvangen.”De toeleg gelukte. Helena weende eerst een oogenblik, maar haar trotschheid kwam spoedig boven, ze zei, dat ze mij verachtte en bereid was om Combados naar het altaar te volgen. Don George was zeer verheugd en Combados overgelukkig.Zonder te hooren naar de stem der liefde, die voor mijin haar hart sprak, had ze mijn medeminnaar haar hand gereikt. Eenige dagen na het huwelijk begon ze zichzelf wel te verwijten, dat ze overijld had gehandeld en rees het vermoeden bij haar op, dat die brief misschien bedrog was, maar haar echtgenoot liet haar niet veel tijd om daarover te denken. Hij had er den slag van een reeks vermaken uit te vinden, om haar te verstrooien.Zoo leefden zij in een gelukkig huwelijk, toen mijn tante erin slaagde om mijn zaak met de bloedverwanten van don Augustin te schikken. Ze schreef mij dat dadelijk naar Italië en ik keerde onmiddellijk terug. DonaEléonor, die mij het huwelijk van Helena niet per brief had meegedeeld, stelde mij bij mijn aankomst daarvan in kennis. Ze zag welk een diepen indruk die tijding op mij maakte en zei: “Betreur het verlies van een meisje niet, dat u niet trouw is kunnen blijven, ze heeft daardoor getoond, dat ze niet waard is, dat ge aan haar denkt.”Daar mijn tante niet wist, dat men Helena bedrogen had, kon ze mij zeker geen wijzeren raad geven. Ik nam mij dan ook voor dien te volgen, of mij althans onverschillig te houden, indien ik mijn hartstocht niet kon overwinnen. Maar ik kon geen weerstand bieden aan de nieuwsgierigheid om te weten te komen op welke wijze dit huwelijk was tot stand gekomen en bezocht daarom de oude Théodora, van wie ik reeds heb gesproken. Toevallig vond ik bij haar Félicia, die in het geheel niet had verwacht mij weer te zien en dadelijk wilde vertrekken, om eenige opheldering te voorkomen. Maar ik liet haar niet gaan en met moeite gelukte het mij van haar een bekentenis te krijgen van alles wat er was gebeurd. Zij zag, dat ik wanhopig was en om mij te troosten beloofde zij mij weder haar hulp. Ik zal u het verhaal besparen van al wat wij deden om Helena te bewegen mij een onderhoud toe te staan. Toen Combados voor een paar dagen ging jagen op een van zijn landgoederen, ontving ze mij ’s avonds.Ik wilde het gesprek beginnen met verwijten, maar zij sloot mij den mond en zei: ”’t Is onnoodig ons het verledente herinneren. Wij behoeven elkaar niet treurig te stemmen. In dit onderhoud heb ik alleen toegestemd, om u persoonlijk te kunnen zeggen, dat ge voortaan niet meer aan mij moet denken. Misschien zou ik meer tevreden zijn met mijn lot, indien het aan het uwe verbonden was, maar de hemel heeft het anders gewild en ik moet zijn besluiten gehoorzamen.”Ik riep uit: “Hoe mevrouw! Is het niet voldoende, dat ik moet toezien hoe een ander u bezit, moet ik u ook nog uit mijn gedachten verbannen! Denkt ge, dat zoo iets mogelijk is bij een man, die eens uw liefde heeft bezeten? Ge wilt mij mijn liefde ontnemen, het eenige wat waarde voor mij heeft.”“Ik heb u slechts een kort woord te zeggen,” hernam zij op beslisten toon, “de echtgenoote van don Blas de Combados zal nooit de minnares worden van don Gaston. Bedenk dat wel. Laten wij dit onderhoud thans eindigen. Niettegenstaande de zuiverheid van mijne bedoelingen, verwijt ik dat mijzelf en het zou misdadig zijn het voort te zetten.” Bij die woorden, die mij alle hoop ontnamen, viel ik voor haar op de knieën, maar ik smeekte vruchteloos; de plicht ging bij haar vóór alles. Een gevoel van woede maakte zich van mij meester, ik trok mijn degen en wilde mijzelf doorsteken. Maar zij wierp zich op mij en riep: “Houd op! Denkt ge niet aan mijn naam? Door u hier van het leven te berooven, ontneemt ge mij mijn eer en mijn echtgenoot zou voor uw moordenaar doorgaan.”Ik wilde echter niet naar hare woorden luisteren en zou misschien mijn noodlottig voornemen hebben volvoerd, indien don Blas de Combados niet verschenen was. Deze was verwittigd geworden van het onderhoud, dat wij zouden hebben, was daarom niet naar buiten gegaan en had gehoord, wat wij hadden gesproken. Hij hield mijn arm vast en zei: “Don Gaston, denk aan de plaats, waar ge u bevindt. Geef niet toe aan het gevoel van wanhoop, dat u op ’t oogenblik bezielt!” Ik viel Combados in de rede: “Moet gij me van mijn besluit afbrengen? Ge moest mijliever zelf een dolk in het hart stooten. Mijne liefde, hoe ongelukkig die ook zijn moge, is voor u een beleediging. Is het niet voldoende, dat ge mij ’s avonds laat in het vertrek van uw vrouw vindt? Is er nog meer noodig om uw lust naar wraak op te wekken? Doorsteek mij en ontdoe u zoo van een man, die alleen door te sterven, kan ophouden dona Helena te aanbidden!”Don Blas antwoordde mij: “Ge beproeft tevergeefs op mijn eergevoel te werken, om mij te bewegen u te dooden. Ge zijt al genoeg gestraft voor uw vermetelheid en mijn echtgenoot ben ik zoo dankbaar voor hare deugdzame gevoelens, dat ik haar geen verwijt kan maken van dit samenzijn met u. Geloof mij Gogollos, wees niet wanhopig als een zwak man, maar onderwerp u met moed aan een harde noodzakelijkheid!”Door deze en dergelijke woorden wist de voorzichtige man werkelijk mijn woede en wanhoop te doen bedaren. Ik ging weg met het plan mij van Helena te scheiden en van de plaats, waar zij woonde. Dus vertrok ik twee dagen later naar Madrid, waar ik aan het hof verscheen en vele vrienden kreeg. Maar ik had het ongeluk mij inzonderheid te hechten aan den markies de Villaréal, een Portugees van veel invloed, die verdacht werd Portugal te hebben willen bevrijden van de Spaansche heerschappij. Hij werd daarom naar het kasteel van Alicante gevoerd. Daar de hertog de Lerme wist, dat ik in nauwe relatie stond met dien heer, heeft hij mij ook laten oplichten en naar hier brengen. De minister verdenkt mij, dat ik medeplichtig zou zijn aan zulk een plan. Dat is een gevoelige beleediging, die hij een edelman en Spanjaard aandoet”.Hier hield don Gaston op met spreken, waarna ik om hem te troosten zei: “Uweer wordt niet geschaad door de ongenade, waarin ge zijt gevallen en alles zal zich zeker ten goede keeren. Wanneer de hertog de Lerme zal weten, dat ge onschuldig zijt, zal hij u ongetwijfeld in uw eer herstellen en u een aanzienlijke betrekking geven, om u schadeloos te stellen.”Hoofdstuk VIIScipio komt Gil Blas opzoeken in den toren te Ségovië en deelt hem veel nieuws mee.Ons gesprek werd afgebroken door Tordesillas, die zei: “Mijnheer Gil Blas, ik heb zooeven een jongeman gesproken, die zich aan de deur van deze gevangenis aanmeldde. Hij vroeg of gij hier gevangen waart. Toen ik aanvankelijk weigerde om aan zijn nieuwsgierigheid te voldoen, zei hij met tranen in de oogen: ‘Weiger mijn zeer onderdanig verzoek niet en deel mij mee of de heer de Santillano hier is. Ik ben zijn eerste bediende en gij zult een zeer goede daad verrichten, indien ge mij wilt toestaan hem een oogenblik te zien, ge zijt inSégoviëals een zeer edelmoedig man bekend en ik hoop, dat ge mij in de gelegenheid zult stellen met mijn meester te spreken, die meer ongelukkig dan schuldig is.’Om kort te gaan, die jongen heeft van mij verkregen, dat ik hem beloofd heb, vanavond zijn verzoek te zullen inwilligen.”Ik verzekerde Tordesillas, dat hij mij geen grooter genoegen had kunnen doen, want dat mijn bediende mij zeker zeer gewichtig nieuws had te vertellen. Met ongeduld wachtte ik het oogenblik af, waarop ik mijn getrouwen Scipio zou kunnen spreken, want ik twijfelde er niet aan, of hij was het en daarin bedroog ik mij niet.Groot was onze vreugde, toen wij elkaar weerzagen. Mijn eerste vraag aan Scipio was, hoe hij mijn huis had achtergelaten. Hij antwoordde mij: “U hebt geen huis meer en om u de moeite te besparen, mij vraag voor vraag te doen, zal ik u in het kort meedeelen, wat er bij u is gebeurd. Uw huis is geplunderd zoowel door de dienaren van het gerechtals door uw eigen bedienden, die u als een verloren man beschouwden en op rekening van hun loon maar meenamen wat ze konden krijgen. Gelukkig voor u, heb ik uit hun handen twee groote zakken met dubbele pistolen weten te redden, die ik uit uw brandkast haalde en in veiligheid bracht bij Salero, die ze u zal teruggeven, zoodra ge uit de gevangenis komt, waar ge wel niet lang zult blijven, omdat ge zijt gearresteerd zonder medeweten van den hertog de Lerme.”Ik vroeg Scipio hoe hij wist, dat de minister daaraan geen deel had gehad. “O! dat weet ik zeker. Een van mijn vrienden, die het vertrouwen heeft van den hertog d’Uzède, heeft mij alles verteld. Calderone had door een huisknecht vernomen, dat senora Sirena onder een anderen naam ’s nachts den prins ontving en dat de graaf de Lemos en gij hem daarbij hadt geholpen. Hij besloot zich op u beiden en zijn maîtresse te wreken en zocht den hertog d’Uzède op, wien hij deze zaak meedeelde. De hertog, verheugd, dat hij zulk een schoone gelegenheid had, om zijn vijand, den graaf de Lemos, in het verderf te storten, verzuimde niet daarvan gebruik te maken. Hij ging naar den koning, vertelde alles en liet niet na in levendige kleuren de gevaren te schilderen, waaraan men den prins had blootgesteld. De koning was woedend, liet dadelijk Sirena in een klooster opsluiten, verbande den graaf de Lemos en veroordeelde u tot levenslange gevangenisstraf.Op die wijze heeft zich de zaak toegedragen. Ge ziet daaruit, dat uw ongeluk het werk is van den hertog d’Uzède, of beter gezegd van Calderone.”Na die mededeelingen meende ik, dat de zaak wel spoedig zou worden geschikt, omdat de eerste minister ongetwijfeld alles in het werk zou stellen om de ballingschap van zijn neef op te heffen en hem weer aan het hof terug te krijgen, en ik hoopte, dat hij mij bij die gelegenheid niet zou vergeten. Wat is de hoop toch een schoone zaak! Ze troostte mij eensklaps over het verlies van mijn goed. Wel verre van mijn gevangenschap als een ongeluk te beschouwen,dat misschien tot het eind van mijn dagen zou voortduren, scheen ze mij nu een middel, waarvan de fortuin zich wilde bedienen, om mij tot een hooge betrekking te verheffen. Ziehier hoe ik redeneerde: de eerste minister heeft aan zijn zijde staan de meeste personen, die het vertrouwen bezitten van den koning; met de hulp van die machtige vrienden kan hij weerstand bieden aan al zijn vijanden, ofwel de staat kan binnenkort van uitzicht veranderen. De koning is nl. zeer ziekelijk. Zoodra hij er niet meer zal zijn, zal het eerste werk van den prins zijn, om den graaf de Lemos terug te roepen, die mij van hier zal halen, om mij naar den jongen koning te brengen, die mij overladen zal met weldaden, voor alles wat ik ter wille van hem heb geleden.Over Scipio was ik zoo tevreden, dat ik behoefte gevoelde hem daarvan een bewijs te geven en ik bood hem de helft van het geld aan, dat hij bij de plundering had weten te redden. Maar hij weigerde en zei: “Ik verwacht van u een ander bewijs van uw erkentelijkheid. Laten wij niet meer scheiden. Ik gevoel voor u een vriendschap, zooals ik die nooit voor een van mijn vorige meesters heb gekend.” “En ik, mijn zoon, kan je verzekeren, dat het wederkeerig is. Van het eerste oogenblik af aan, dat ik je zag, had ik schik in je. Ik denk, dat we allebei onder Weegschaal of Tweelingen zijn geboren, wat, naar men zegt, de gesternten zijn, die de menschen verbinden.” Gaarne stemde ik dus toe en wij besloten samen den gevangenbewaarder te vragen of Scipio zich met mij mocht laten opsluiten, met het recht nu en dan eens naar Madrid te gaan, om te zien, hoe de zaken stonden. De welwillende man was zoo vriendelijk mij deze gunst niet te weigeren.Hoofdstuk VIIIScipio reist voor het eerst naar Madrid, de beweegredenen daartoe en het gevolg ervan. Gil Blas wordt ziek en wat daaruit voortvloeide.Indien wij soms zeggen, dat wij geen grootere vijanden hebben dan onze dienstboden, dan moeten wij eraan toevoegen, dat we geen betere vrienden hebben aan hen, indien ze ons trouw en genegen zijn. In Scipio kon ik niet anders zien dan mijn tweede ik. Dus, geen onderdanigheid meer, Gil Blas en zijn secretaris hadden één kamer, een bed en één tafel. Hij was van een zeer goed humeur en verstand. “Mijn vriend,” zei ik op zekeren dag tegen hem, “het schijnt me, dat het niet kwaad zou zijn, indien ik eens aan den hertog de Lerme schreef. Wat denk je daarvan?”“Wel,” antwoordde hij, “de groote heeren zijn niet altijd gelijk van humeur en dus weet ik niet zeker, hoe uw brief zou worden opgenomen. Maar ik meen, dat het in ieder geval goed zou zijn, om hem te schrijven. Hoewel de minister veel van u houdt, moet ge niet stilzitten. Hij moet aan u herinnerd worden. Die heeren vergeten dikwijls de personen, van wie ze niet hooren spreken.”“Hoewel ge in het algemeen gesproken gelijk hebt,” antwoordde ik hem, “oordeel ik toch beter over mijn patroon. Zijn goedheid is mij bekend. Ik ben er van overtuigd, dat hij medelijden heeft met mijn toestand en onophoudelijk daaraan denkt. Hij wacht kennelijk met mij uit de gevangenis te helpen, tot de toorn van den koning bedaard is.” “Ik hoop,” zei hij, “dat ge juist over den minister oordeelt. Roep dus zijn hulp in door een treffenden brief. Ik zalhem dien brengen en persoonlijk ter hand stellen.” Ik schreef een zeer welsprekend stuk, dat Tordesillas zelfs boven de preeken van den aartsbisschop stelde.Ik vleide mij, dat de hertog de Lerme door medelijden zou worden bewogen bij het lezen van het verhaal, dat ik hem deed van den treurigen toestand, waarin ik niet verkeerde en in dat vertrouwen liet ik mijn koerier naar Madrid vertrekken. Hij slaagde erin dadelijk na zijn aankomst tot den minister door te dringen en zei, terwijl hij hem den brief gaf: “Excellentie, een van uw trouwste dienaren, die op stroo ligt in een donker cachot van den toren te Ségovië, verzoekt u nederig dezen brief te lezen, dien hij heeft kunnen schrijven door de goedhartigheid van den gevangenbewaarder.” De minister nam den brief aan en las dien door. In plaats van daardoor getroffen te zijn, zei hij met woedende stem, zóó luid dat alle personen in zijn omgeving het konden hooren: “Zeg aan Santillano, dat ik hem wel vermetel vind, om zich tot mij te durven wenden na de onwaardige daad, die hij heeft bedreven en waarvoor hij rechtvaardig wordt gestraft. Het is een ongelukkige, die niet meer op mijn steun moet rekenen en dien ik geheel overlaat aan het oordeel van den koning.”Scipio was geschrikt door die woorden, maar hij zweeg niet. “Excellentie, die arme gevangene zal van verdriet sterven, als ik hem die tijding breng.” De hertog antwoordde mijn pleitbezorger niet, maar keerde hem den rug toe. Zoo behandelde de minister mij, om beter het aandeel te kunnen verbergen, dat hij zelf had in deze verliefde intrige van den prins. En zoo wordt dikwijls de kleine man behandeld, wanneer hij groote heeren dient in hunne geheime en gevaarlijke ondernemingen.Toen mijn secretaris terug was te Ségovië en mij verteld had, hoe hij zich van zijn opdracht had gekweten, zag ik mij opnieuw gedompeld in den verschrikkelijken afgrond, waarin ik den eersten dag van mijn gevangenschap had verkeerd. Ik meende, dat ik zelfs nog ongelukkigerwas, omdat ik de bescherming miste van den hertog de Lerme. Al mijn moed was mij ontzonken, ik had groot verdriet en hoe men mij ook trachtte op te beuren, ik begon te kwijnen en werd ernstig ziek.De gevangenbewaarder was zoo vol deelneming, dat hij niet beter meende te kunnen doen, dan een paar doktoren te roepen. Ik was altijd zoo vooringenomen geweest tegen dokters, dat ik ook nu, wanneer ik nog aan het leven gehecht was geweest, die heeren zeer slecht zou hebben ontvangen, maar ik was het leven zoo moe, dat ik er Tordesillas dankbaar voor was, dat hij mij in hun handen stelde.Een van hen zei: “Mijnheer, voor alles is het noodig, dat u een onbeperkt vertrouwen in ons hebt.”“Dat heb ik ook,” antwoordde ik. “Met uw hulp ben ik er zeker van, dat ik spoedig van al mijn kwalen zal bevrijd zijn.”Hij hernam: “Ja, met Gods hulp zult ge dat zijn. Wij zullen tenminste ons best doen.”Nu dat deden ze ook, het ging zoo goed, dat ik kennelijk op weg was naar de andere wereld. Tordesillas had een ouden monnik laten komen, die mij voorbereid had op den dood en ikzelf geloofde niet anders, of mijn laatste uur had geslagen. Ik gaf Scipio een teeken om bij mijn bed te komen en zei met een nauwelijks hoorbare stem, zoozeer hadden de medicijnen en aderlatingen mij verzwakt: “mijn vriend, ik laat je den eenen zak met pistolen en verzoek je den anderen naar Asturië te brengen naar mijn vader en moeder die, als ze nog leven, dat geld noodig zullen hebben. Vraag of ze mij vergiffenis willen schenken voor mijn ondankbaarheid en onverschilligheid. Leven zij niet meer, besteed dan dat geld om den hemel om rust te laten bidden voor hunne ziel en de mijne.”Dat zeggende, reikte ik hem de hand, die hij met zijn tranen bevochtigde, zoo bedroefd was hij. De tranen van een erfgenaam zijn dus klaarblijkelijk niet altijd verborgen glimlachjes.Ik wachtte niet anders dan het einde, maar het kwam niet. Nadat de dokters mij hadden verlaten en het terrein vrij was, genas ik. De koorts, die volgens hen mij moest wegnemen, week. Het gevolg van die ziekte was een volmaakte kalmte van geest. Ik behoefde niet meer getroost te worden; ik had toen de dood mij nabij was, een groote verachting gekregen voor eer en rijkdommen en het voornemen opgevat, om, al zou de hertog de Lerme mij terugroepen, nooit aan het hof weer te keeren. Ik stelde mij voor, wanneer ik uit de gevangenis kwam een hut te koopen en daarin rustig te leven.Mijn vertrouweling juichte mijn plan toe en wilde, om de uitvoering ervan te verhaasten, nog eens naar Madrid gaan, om mijn bevrijding te bewerken. Hij was vroeger in dienst geweest bij de min van den prins, die op dezen altijd nog een grooten invloed had.Hoofdstuk IXScipio keert naar Madrid terug. Hoe en op welke voorwaarden Gil Blas in vrijheid wordt gesteld. Waar zij heengingen, na den toren van Ségovië te hebben verlaten en welk gesprek zij samen hadden.Scipio vertrok dus naar Madrid. In afwachting van zijn terugkomst las ik veel.Tordesillas verschafte mij zooveel boeken, als ik wilde hebben. Hij leende die, van een ouden commandant, die niet kon lezen, maar een groote bibliotheek had om voor een geleerde door te gaan. Ik hield vooral van goede boeken over moraal omdat ik daarin telkens stukken vond, die mijn afkeer van het Hof en mijn liefde voor de eenzaamheidrechtvaardigden.Na drie weken kwam de onderhandelaar terug, om mij mee te deelen, dat de zaak gunstig stond. Op verzoek van de min had de prins beloofd er met zijn vader over te spreken. Om nog een laatste hand aan het werk te slaan, moest Scipio weer terug naar Madrid.Zijn derde reis duurde niet lang. Na acht dagen keerde hij terug met de tijding, dat de prins, hoewel niet zonder moeite, mijn bevrijding van zijn vader had verkregen. Denzelfden dag kreeg ook Tordesillas bericht. De koning had mij de vrijheid gegeven onder voorwaarde, dat ik mij niet meer aan het hof zou vertoonen en binnen een maand de beide Castiliën zou verlaten.Ik liet twee muilezels huren en wij vertrokken den volgenden dag, na een hartelijk afscheid te hebben genomen van Collogos en Tordesillas duizendmaal te hebben bedankt voor al zijn bewijzen van vriendschap. Wij sloegen den weg in naar Madrid, om eerst onze tweezakken te gaan halen, die ieder vijfhonderd dubbele pistolen bevatten. Mijn metgezel zei onderweg: “Indien wij al niet rijk genoeg zijn om een groot landgoed te koopen, een behoorlijk verblijf kunnen wij althans hebben.” Ik antwoordde hem: “Ik ben tevreden, als ik een hut heb. Ik heb genoeg van het leven in groote steden en stel mij er een groot genoegen van voor op het land te wonen en te visschen en te jagen. Wat voeding betreft, zal het meest eenvoudige voor mij voldoende zijn.” Scipio was er echter niet voor om een leven te leiden als Diogenes, hij wilde een aangenaam tehuis en een goeden wijnkelder, om rustig van de genoegens des levens te kunnen genieten. “Wat men in zijn huis heeft, schaadt niet, zegt Hésiodes en wat men er niet heeft, kan wel schaden. Het is beter de noodzakelijke dingen te bezitten dan te verlangen.”“Wat drommel! Scipio,” riep ik, “ken je de Grieksche dichters?”Hij vertelde mij, dat hij vroeger in Salamanca een meester had gehad, die niets deed dan Hebreeuwsch, Grieksch en Latijn in het Spaansch vertalen en dat hij veel voor dien heer had moeten copieeren.Onderweg spraken wij verder over onze toekomstige woonplaats en waar we die zouden kiezen. We besloten na eenig overleg ons in Aragon te vestigen.Hoofdstuk XWat zij te Madrid aankomende deden. Wien Gil Blas op straat ontmoette en door welke gebeurtenis die ontmoeting werd gevolgd.Toen wij te Madrid waren aangekomen, namen wij onzen intrek in een klein hotel en het eerste wat wij deden was naar Salero te gaan, om ons geld te ontvangen. Hij heette mij hartelijk welkom en betuigde zijn blijdschap, dat ik weer op vrije voeten was. “Ik moet u meedeelen,” zei hij, “dat ik door de ongenade, waarin gij zijt gevallen, een weinig huiverig ben geworden voor aanrakingen met menschen van het hof. Hun fortuin zweeft mij te veel in de lucht. Ik heb mijn dochter Gabriella uitgehuwelijkt aan een rijken koopman.” Ik antwoordde hem, dat hij daar zeer goed aan gedaan had. Behalve, dat het veiliger is, komt er nog bij, dat een burgerlijke schoonvader niet altijd tevreden is over mijnheer den voornamen schoonzoon.Wij ontvingen daarop het geld terug, dat wij meenamen naar ons hotel en in volmaakte orde bevonden.Voor ons vertrek naar Aragon deden wij verschillende inkoopen en zoo ontmoette ik baron von Steinbach, den Duitschen officier, bij wien don Alphonse was opgevoed.Wij herkenden elkaar dadelijk en ik zei: “Het doet mij zeer veel genoegen, dat ik u zoo in de beste gezondheid terugzie en nu tevens gelegenheid heb, om nieuws te vernemen omtrent don César en don Alphonse de Leyva.”“Daar bestaat alle gelegenheid toe,” antwoordde hij, “daar ze beiden in Madrid en bij mij gelogeerd zijn. Voor eenigen tijd zijn ze hier gekomen, om den koning te bedankenvoor een onderscheiding, die don Alphonse heeft ontvangen, als blijk van erkentelijkheid voor de door zijn voorvaderen aan den staat bewezen diensten. Hij is gouverneur van de stad Valencia, zonder te hebben gesolliciteerd, noch iemand te hebben gevraagd zijn invloed daartoe aan te wenden. Dat doet zien, dat onze koning naar waarde weet te beloonen.”Hoewel ik, beter dan Steinbach, wist wat ik daarvan moest denken, deed ik of ik niets wist van wat hij mij vertelde. Ik betuigde hem zooveel ongeduld en verlangen om mijn oude meesters te bezoeken, dat hij mij dadelijk meenam.In een groote zaal speelde Alphonse schaak met de baronesse von Steinbach. Hij sprong dadelijk op en snelde op mij toe met een gelaat dat werkelijk vreugde verried. “Mijn waarde Gil Blas! Wat een genoegen je eindelijk weer te zien! Het is mijn schuld niet, dat we niet samen zijn gebleven. Ik had je verzocht, zooals je weet, om het kasteel de Leyva niet te verlaten. Je hebt geen gevolg gegeven aan mijn verzoek, maar ik maak je daar geen verwijt van; ik weet welke beweegredenen je hadt. Maar sedert dien tijd heb je mij ook niets meer van je laten hooren. Mijn zwager, don Fernand, had mij bericht, dat je in Granada was, maar ik heb je daar tevergeefs gezocht. Maar zeg me nu eens, wat je in Madrid doet. Zeker een goede betrekking. Wees ervan overtuigd, dat ik levendig belang stel in je omstandigheden.”Ik antwoordde hem: “Voor ongeveer vier maanden nog, had ik aan het hof een gewichtige betrekking. Ik had de eer de secretaris en vertrouweling te zijn van den hertog de Lerme.”“Is het mogelijk? De vertrouweling van den eersten minister?” riep don Alphonse met groote verwondering.“Ik had zijn gunst gewonnen en heb die weer verloren op de wijze, die ik u zal meedeelen,” zei ik en ik vertelde mijn geschiedenis en sprak ook van mijn besluit om van het weinige, wat mij van mijn voorspoed was overgebleven,een klein huis te koopen en daarin in afzondering te gaan leven.Nadat de zoon van don Cesar mijn verhaal met veel belangstelling had aangehoord, zei hij: “Mijn waarde Gil Blas, wij zijn altijd goede vrienden geweest en ik ben zeer dankbaar, dat de hemel mij in staat stelt je te helpen. Ge zult niet langer een speelbal zijn van de fortuin. Ik zal je eigenaar maken van een goed, dat je niet kan worden ontnomen. Je wilt buiten leven, welnu, ik geef je het kleine landgoed, dat wij bezitten bij Lirias, op vier mijlen afstands van Valencia. Je kent het. Zonder eenig bezwaar voor ons kunnen we je dit afstaan en ik ben er zeker van dat mijn vader enSéraphinedit besluit zeer zullen toejuichen.”Ik wierp mij op de knieën voor don Alphonse, die mij echter dadelijk oprichtte. Hartelijk dankte ik hem voor zijn edelmoedigheid. In den verderen loop van het gesprek deelde ik hem toen mee, hoe het mij gelukt was die gouverneursplaats voor hem te krijgen. Hij was daar zeer verwonderd over en beweerde nu, dat het niet voldoende was mij het kleine landgoed te geven, maar dat hij mij er ook een jaarlijksch inkomen bij zou schenken.“Neen mijnheer,” zei ik, “te veel bezit is bij mij alleen maar dienstig om mijn hebzucht op te wekken. Dat heb ik maar al te zeer ondervonden. Gaarne neem ik uw landgoed bij Lirias aan en ik zal er gemakkelijk kunnen leven van hetgeen ik nog bovendien bezit. Maar dat is mij voldoende, meer begeer ik niet. Rijkdom behoort niet op een plaats, waar men slechts rust zoekt.”Tijdens ons gesprek kwam don Cesar binnen, die mij eveneens met groote hartelijkheid begroette. Nadat hij van alles op de hoogte was gebracht, brachten vader en zoon mij dadelijk naar een notaris, waar zij een akte van schenking lieten opmaken en die beiden met meer genoegen teekenden, dan zij het een stuk zouden hebben gedaan, dat hun voordeel opleverde. De akte werd mij ter hand gesteld en ik kon van het landgoed bezit gaan nemen wanneerik wilde. Zij gingen daarop naar baron von Steinbach terug en ik begaf mij naar ons hotel, waar ik de verwondering opwekte van Scipio met de mededeeling, dat wij een landgoed hadden gekregen in Valencia en de wijze vertelde, waarop dat in mijn bezit was gekomen.“Hoeveel zou dat kleine domein waard zijn?” vroeg hij.“Vijfhonderd ducaten rente en ik kan je verzekeren, dat het daar een zeer mooie omgeving is. Als intendant van de heeren de Leyva ben ik er meermalen geweest. Het is een zeer klein landhuis aan de oevers van den Guadalquivar, in een gehucht met nog vijf of zes andere huizen”.“Wat mij zeer bevalt”, riep Scipio, “is dat wij daar goed wild zullen hebben, met wijn van Bernicarlo en uitstekenden muscaat! Komaan patroon! laten wij ons haasten om de wereld te verlaten en onze eenzaamheid op te zoeken”.“Ik heb niet minder lust dan jij”, antwoordde ik, “maar ik moet eerst nog naar Asturië. Mijn vader en moeder leven daar niet in zeer gelukkige omstandigheden, ik zal hen gaan halen en naar Lirias brengen, waar ze de rest van hun dagen in rust kunnen slijten. De hemel heeft mij misschien deze plaats gegeven, om er hen te ontvangen en zou mij straffen, indien ik dit verzuimde”. Scipio prees mijn voornemen en met spoed maakten wij de toebereidselen voor ons vertrek.
Negende BoekHoofdstuk IScipio wil Gil Blas laten trouwen en stelt hem de dochter van een rijken en beroemden goudsmid voor. De stappen, die daartoe worden gedaan.Op een avond dat het gezelschap, dat bij mij gesoupeerd had, was vertrokken, bevond ik mij alleen met Scipio. Ik vroeg hem wat hij dien dag had gedaan. “Een meesterwerk,” antwoordde hij. “Ik wil u rijk laten trouwen met de eenige dochter van een goudsmid, dien ik ken.”“De dochter van een goudsmid!” riep ik op minachtenden toon. “Ben je gek geworden, dat je me zulk een burgerlijk meisje durft voor te stellen? Wanneer men zijn verdiensten heeft en men heeft aan het hof een zekere positie, dan heeft men het recht zijn blikken verder te doen reiken.”“Nu mijnheer, sla maar zoo’n toon niet aan! Denk er aan, dat het de man is, die den adel bepaalt en weet wel, dat het een partij is van minstens honderd duizend ducaten! Is dat niet een mooi stuk goudsmidswerk?”Toen ik van die groote som hoorde, werd ik meer handelbaar en zei tegen mijn secretaris: “Ik geef mij over. De bruidschat doet me beslissen! Wanneer kan ik dat geld opnemen?” “Zachtjes aan, mijnheer! Een beetje geduld. Eerst moet ik de zaak nog aan den vader meedeelen.”Lachend riep ik: “dat huwelijk is dus nog niet ver gevorderd!” Hij antwoordde mij: “Verder dan ge denkt. Als ik maar een uur met den goudsmid heb gesproken, sta ik u voor zijn toestemming in. Maar voor wij verder gaan, moeten wij eerst iets afspreken. Onderstel, dat u die honderdduizend ducaten krijgt, hoeveel geeft u er mij danvan?” “Twintig duizend,” antwoordde ik. “De hemel zij geprezen!” riep hij. “Ik had gedacht, dat uw edelmoedigheid zich tot tien duizend zou bepalen. Ik zal morgen die zaak ter hand nemen en ge kunt er verzekerd van zijn, dat ze zal gelukken.”Werkelijk zei hij twee dagen later: “Ik heb gesproken met mijnheer Gabriel de Salers—zoo heet mijn goudsmid—en ik heb hem zooveel verdienstelijks van u verteld, dat hij een willig oor heeft geleend aan mijn voorstel, om u tot schoonzoon te nemen. Ge zult zijn dochter hebben, met honderd duizend ducaten, mits ge hem duidelijk aantoont, dat gij in de gunst staat bij den minister.”“Als het daarvan afhangt,” zei ik, “zal ik wel spoedig getrouwd zijn. Maar zeg mij eens: heb je het meisje gezien? Hoe is zij?”“Niet zoo mooi als haar bruidschat. Maar daar zult ge u zeker wel niet om bekommeren?”“Wel neen, mijn vriend. Wij heeren van het hof trouwen alleen om getrouwd te zijn. Wij zoeken de schoonheid alleen bij de vrouwen van onze vrienden en wanneer bij toeval de onze ze bezit, den schenken wij daar zoo weinig aandacht aan, dat zij groot gelijk hebben, wanneer zij ons ervoor straffen.”Scipio vervolgde: “Mijnheer Gabriel geeft vanavond een souper. Wij zijn overeengekomen, dat ge niet over het voorgenomen huwelijk zult spreken. Hij noodigt verschillende vrienden uit en gij zult als een gewone gast zijn. Morgenavond geeft gij op dezelfde wijze een souper. Ge ziet, dat het een man is, die u eerst wil bestudeeren, voordat de zaak wordt beklonken. Het zal dus goed zijn, dat ge u een weinig in acht neemt.”“Wel voor den duivel!” riep ik vol zelfvertrouwen, “laat hij mij maar bestudeeren zooveel hij wil; ik kan bij dat onderzoek slechts winnen.”Het gebeurde zooals was afgesproken. Ik ging naar den goudsmid, die mij zoo familiaar ontving, alsof wij elkaar reeds verscheiden malen hadden ontmoet. Hij scheen mijeen goede man en stelde mij dadelijk voor aan senora Egénia, zijn vrouw, en de jonge Gabriella, zijn dochter. Ik maakte eenige complimentjes en sprak in zeer fraaie woorden over allerlei nietigheden.Wat mijn secretaris mij ook van haar had gezegd, scheen Gabriella mij toch niet leelijk, misschien wel omdat ze zoo mooi was gekleed, of mogelijk bekeek ik haar wel door haar bruidschat heen. Een goed huis, dat van mijnheer Gabriel! Er was daarin geloof ik meer zilver dan in de mijnen van Peru. Overal zag men dat metaal, onder duizend verschillende vormen. Elke kamer, en vooral die, waar wij aan tafel gingen, was een schat. Welk een gezicht voor een schoonzoon. De schoonvader had vijf of zes kooplieden gevraagd, allen ernstige en vervelende personen. Zij spraken alleen over den handel en hun conversatie was meer een gesprek over zaken, dan een gezellig onderhoud van vrienden, die met elkaar soupeeren.Den volgenden avond ontving ik den goudsmid. Daar ik niet kon schitteren door mijn zilverwerk, had ik iets anders uitgevonden. Ik noodigde aan het souper diegenen van mijn vrienden, die een goed figuur maakten aan het hof, eerzuchtig waren en geen grenzen stelden aan hunne begeerten. Mijn gasten spraken slechts over grootheid en schitterende en voordeelige posten, die ze najoegen. Dat miste zijn uitwerking niet. Gabriel, de burgerman, zeer onder den indruk van al hunne groote ideeën, gevoelde zich niettegenstaande al zijn rijkdom klein tegenover al die groote heeren. Wat mij betreft, ik deed alsof ik matig was in mijn wenschen en mij tevreden stelde met een middelmatig fortuin van twintigduizend pistolen rente, waarop mijn vrienden uitriepen, dat ik dwaas was en dat ik bemind als ik was bij den eersten minister, met zoo weinig niet tevreden behoefde te zijn. De schoonvader verloor geen enkel van die woorden en ik kon merken, dat hij zeer voldaan was, toen hij heenging.Scipio zocht hem den volgenden morgen op om hem te vragen of hij tevreden was. Hij kreeg ten antwoord: “Uwmeester bevalt mij buitengewoon goed, maar wij zijn oude kennissen, laten we dus eerlijk met elkaar spreken. Wij hebben zooals ge weet, allen ons zwak. Zeg mij die van mijnheer de Santillano. Speelt hij, of houdt hij veel van galante avonturen? Welke slechte neigingen heeft hij? Verberg mij niets.” Scipio zei: “Ge beleedigt mij, mijnheer Gabriel, door mij die vragen te doen. Ik werk meer in uw belang, dan in dat van mijn meester. Indien hij slechte eigenschappen bezat, geschikt om uw dochter ongelukkig te maken, dan zou ik het nooit gewaagd hebben hem als uw schoonzoon voor te stellen. Ik kan bij hem geen andere fout vinden, dan dat hij geen fouten heeft. Hij is te verstandig voor een jongen man.” “Zooveel te beter,” hernam de goudsmid, “dat doet mij genoegen. Nu mijn vriend, ge kunt hem verzekeren, dat hij mijn dochter zal hebben, zelfs al stond hij niet in de gunst bij den minister.”Zoodra mijn secretaris mij dit onderhoud had meegedeeld, ging ik naar de Salero, om hem te bedanken voor de gunstige beschikking, die hij ten opzichte van mij had genomen. Zijn vrouw en dochter had hij reeds van de zaak gesproken en dat zij geen bezwaar hadden gemaakt, merkte ik aan de houding, die zij tegenover mij aannamen. Ik stelde nog dienzelfden dag mijn aanstaanden schoonvader voor aan den hertog de Lerme, die ik den vorigen avond had ingelicht. De minister ontving hem zeer vriendelijk en betuigde zijn vreugde, dat hij tot schoonzoon iemand had gekozen, van wien hij zooveel hield en dien hij zou vooruithelpen. Verder zei hij nog zooveel goeds van mij, dat de goede Gabriel meende, dat hij in heel Spanje voor zijn dochter geen betere partij zou hebben kunnen vinden. Hij was er zoo door geroerd, dat hij tranen in de oogen kreeg. Hartelijk nam hij afscheid van mij toen wij scheidden en zei: “Mijn zoon, ik verlang er zoo naar, u als de echtgenoot van Gabriella te zien, dat ge het binnen acht dagen zijn zult.”Hoofdstuk IIDoor welk toeval Gil Blas zich don Alphonse de Leyva herinnerde en van den dienst, dien hij hem, uit ijdelheid bewees.Laten wij mijn huwelijk een oogenblik rusten. De volgorde in mijn geschiedenis eischt, dat ik vertel van den dienst, dien ik bewees aan don Alphonse, mijn ouden meester. Ik had dien edelman bijna geheel vergeten en ziehier bij welke gelegenheid ik weer aan hem werd herinnerd.In dien tijd kwam de betrekking van gouverneur der stad Valencia vacant. Toen ik dit nieuws vernam, dacht ik aan don Alphonse de Leyva. Die betrekking zou bij uitstek voor hem geschikt zijn en minder misschien uit vriendschap dan uit zucht om te pralen, vroeg ik haar voor hem; als dat gebeurde, zou het een buitengewoon groote eer voor mij zijn. Ik richtte mij dus tot den hertog de Lerme, zei, dat ik intendant was geweest van don Cesar de Leyva en zijn zoon, dat ik alle redenen had om hen te prijzen en dus voor een van hen die betrekking vroeg. De minister antwoordde mij: “Zeer gaarne, Gil Blas. Het doet mij genoegen te zien, dat je dankbaar bent. Overigens sprak je van een familie voor welke ik achting heb. De Leyva’s zijn goede dienaren van den koning, zij verdienen die plaats wel. Beschik daarover naar goedvinden. Ik geef je haar als bruidsgeschenk.”Ten zeerste erover verheugd, dat mijn plan zoo goed was geslaagd, ging ik zonder tijd te verliezen naar Calderone, om de zaak in orde te laten maken. Er waren vele personen bij hem, die in eerbiedige stilte wachtten, tot Rodrigohenaudiëntiewilde verleenen. Toen hij mij zag, brak hij plotseling het gesprek, waarin hij met een van de heeren gewikkeld was, af en kwam naar mij toe met een zoo vriendschappelijke begroeting, dat ik er verbaasd over was. “Wel mijn waarde collega, wat verschaft mij het genoegen u te zien? Waarmee kan ik u van dienst zijn?”Toen ik hem vertelde, welke de zaak was, die mij tot hem voerde, gaf hij mij dadelijk de verzekering, dat den volgenden morgen de noodige stukken zouden gereed zijn. Hij bepaalde zich niet tot die beleefdheid, maar bracht mij zelf naar de deur van de antichambre, wat hij anders nooit deed, dan bij zeer groote heeren.Onder het heengaan dacht ik: “Wat beteekent al die beleefdheid? Zou Calderone het op mijn val toeleggen? Of wil hij mijn vriendschap winnen en probeeren nu zijn gelukster aan het dalen is, dat ik hem in een gunstig licht zal stellen bij onzen patroon?” Ik wist niet, waaraan ik mij te houden had. Den volgenden morgen nam hij weer diezelfde houding tegenover mij aan. Tegen andere menschen met wie hij sprak, was hij dien morgen al zeer onbeleefd, den een snauwde hij af, voor den ander had hij geen woord over; maar ze werden allen gewroken door een voorval, dat ik niet met stilzwijgen mag laten voorbijgaan.Een zeer eenvoudig gekleed man, die er uitzag alsof hij beneden zijn stand gekleed was, naderde Calderone en sprak hem van een zekere memorie, die hij bij den hertog de Lerme had ingediend. Don Rodrigo keek den spreker nauwelijks aan en zei op bruusken toon: “Hoe heet ge?” Hij kreeg tot antwoord: “Men noemde mij in mijn jeugd Francillo, later don Francisco de Zuniga en thans graaf de Pedrosa”. Calderone, die nu merkte, dat hij met iemand van den hoogsten stand te doen had, wilde zich nu verontschuldigen. “Neem mij niet kwalijk, ik kende u niet....” De ander viel hem in de rede: “Ik bedank voor uw verontschuldigingen, evenals voor uw onbeleefdheden. Een secretaris van een minister moet iedereen beleefd ontvangen.Wees, als ge wilt, ijdel genoeg om u te beschouwen als den plaatsvervanger van uw meester, maar vergeet niet, dat ge zijn ondergeschikte zijt.”De trotsche don Rodrigo was niet weinig uit het veld geslagen door die vermaning. Ik voor mij leerde er uit, dat ik in het vervolg goed zou opletten tegen wien ik sprak op mijn audienties en alleen onhebbelijk zou zijn tegen doofstommen.Daar de papieren van don Alphonse gereed waren, zond ik die per expresbode met een brief van den hertog de Lerme, waarin deze hem kennis gaf, dat de koning hem had benoemd tot gouverneur van Valencia. Ik voegde er geen brief van mezelf bij over mijn bemoeiïngen in deze zaak, maar wilde het genoegen hebben dit hem mondeling mee te deelen, als hij naar Madrid moest komen om den eed af te leggen.Hoofdstuk IIIVan de toebereidselen voor het huwelijk van Gil Blas en van de groote gebeurtenissen, die ze overbodigmaakten.Laten wij terugkeeren tot mijn schoone Gabrielle. Ik moest haar dus binnen acht dagen trouwen. Wij bereidden ons beiden op die plechtigheid voor. Salero liet rijke kleeren maken voor de bruid en ik huurde voor haar een kamenier, een lakei en een ouden stalknecht, allen gekozen door Scipio, die nog met meer ongeduld dan ik den dag afwachtte, waarop mij de bruidschat zou worden uitgekeerd.Den avond voor dien grooten dag, soupeerde ik bij den schoonvader met ooms en tantes, neven en nichten. Ik huichelde heel goed den dankbaren schoonzoon, betuigde den goudsmid en zijn vrouw honderdmaal mijn erkentelijkheid, speelde den hartstochtelijk verliefde bij het meisje, maakte mij aangenaam bij alle leden van de familie, wier platte conversatie en burgerlijke manieren mij aanstoot gaven. Er was er niet een, die zich niet verheugde over deze verbintenis.Toen het souper geëindigd was, ging het gezelschap naar een groote zaal, waar een concert was, dat hoewel niet door de eerste krachten van Madrid gegeven, toch niet slecht was. De muziek deed ons zoo aangenaam aan, dat er zelfs gedanst werd.Bij het weggaan zei Salero: “Adieu schoonzoon, ik zal u morgen den bruidschat komen brengen in schoone gouden stukken.” Ik antwoordde: “Mijn waarde schoonvader, ge zult mij welkom zijn.” Na de familie te hebben gegroet,stapte ik in mijn rijtuig, dat voor de deur op mij wachtte en ging naar huis.Nauwelijks was ik tweehonderd pas van het huis van Gabriel verwijderd, of vijftien of twintig man, sommigen tevoet en anderen te paard, allen gewapend met rapieren en karabijnen, omringden mijn rijtuig, hielden het aan en riepen: “In naam des konings!” Zij lieten mij uitstappen en plaatsten mij in een koets, waarin ook de aanvoerder stapte, die daarna zei, dat men de richting moest inslaan naarSégovië. Ik onderstelde, dat ik een gerechtsdienaar naast mij had en wilde hem ondervragen over de redenen van mijn gevangenneming, maar hij antwoordde mij op den toon van die heeren, d.w.z. brutaal, dat hij mij geen rekenschap had te geven. Ik zei hem, dat men zich misschien vergiste. “Neen, neen, ik ben zeker van mijn zaak. Ge zijt mijnheer de Santillano en ik heb opdracht u te brengen, waar ge nu heengevoerd wordt.” Daar ik niets op die woorden te zeggen had, zweeg ik verder. Het overige van den nacht reden wij in stilte door. Wij verwisselden van paarden te Colmenar en kwamen tegen den avond inSégovië, waar men mij in den toren opsloot.Hoofdstuk IVHoe Gil Blas behandeld werd in den toren vanSégoviëen op welke wijze hij de redenen van zijn gevangenneming vernam.Men begon mij in een cachot te stoppen, waar men mij op het stroo liet liggen als een gemeene misdadiger. Ik bracht den nacht door, niet met toe te geven aan mijn droefheid, want ik overzag al mijn leed nog niet, maar met het zoeken naar hetgeen mijn ongeluk kon hebben veroorzaakt. Ik twijfelde er niet aan, of het was het werk van Calderone. Maar al vermoedde ik, dat hij alles had ontdekt, ik begreep niet, hoe hij den hertog de Lerme er toe had kunnen brengen, om mij zoo wreed te behandelen. Nu eens verbeeldde ik mij, dat ik buiten zijn medeweten was gevangen genomen en dan weer dacht ik, dat hij om politieke redenen mij had laten opsluiten, zooals ministers soms doen met hun gunstelingen.Zoo bleef ik in gepeins verzonken tot het daglicht aanbrak en toen eerst kon ik zien, in welk ellendig verblijf ik mij bevond. Ik gaf mij toen aan mijn droefenis over en de tranen liepen mij langs de wangen. Toen ik zoo zat, kwam er een gevangenbewaarder binnen, die mij een stuk brood en een kruik water bracht. Hij scheen innig medelijden met mij te gevoelen, al was hij dan ook een cipier, en zei: “Mijnheer de gevangene, wanhoop niet. Ge moet niet zoo gevoelig zijn voor den tegenspoed in het leven. Ge zijt nog jong; na dezen tijd komt een andere. Eet intusschen het brood van den koning.”Mijn trooster ging weg na die woorden, die ik slechts met een zucht beantwoordde.Ik bracht een ellendigen dag door en werd tegen den avond opgeschrikt door het rinkelen van sleutels. De deur van mijn cachot ging open en een oogenblik later trad een man binnen, die een kandelaar droeg. Hij zei: “Mijnheer Gil Blas, ge ziet een van uw oude vrienden voor u. Ik ben don André de Tordesillas, die met u samenwoonde in Granada, in dienst was van den aartsbisschop en op uw voorspraak een zending kreeg naar Mexico. Inplaats echter van mij in te schepen, bleef ik in Alicante, ik trouwde er en door een reeks van avonturen, die ge later zult vernemen, ben ik gevangenbewaarder geworden inSégovië. Een groot geluk is het voor u in mij een man te ontmoeten, die niets onbeproefd zal laten, om het harde van uw straf te verzachten. Er is mij uitdrukkelijk last gegeven, u met niemand te laten spreken, u op stroo te doen slapen en slechts water en brood tot voedsel te geven. Maar behalve dat ik te menschlievend ben, om geen medelijden met u te gevoelen, hebt ge mij een dienst bewezen en mijn dankbaarheid weegt zwaarder dan de bevelen, die ik heb ontvangen. Sta op en kom mee.”Hoewel de gevangenbewaarder zeker aanspraak mocht maken op mijn dank, kon ik op dat oogenblik geen woorden vinden. Ik volgde hem over een plaats, we beklommen vervolgens een trap en kwamen in een klein kamertje, boven in den toren. Het zag er daar netjes uit, op de tafel stonden twee kandelaars en er was gedekt voor twee personen.Tordesillas zei: “Men zal dadelijk eten brengen. Wij zullen hier soupeeren. Dit vertrekje heb ik voor u bestemd, ge zult het er beter hebben dan in uw cachot. Het uitzicht is mooi, ge zult een goed bed krijgen, goede voeding, boeken, zooveel ge wilt; in één woord het verblijf zal u zoo aangenaam worden gemaakt, als dat voor een gevangene mogelijk is.”Toen bedankte ik mijn bewaarder voor zooveel goeds en ik zei, dat ik nog eens in de gelegenheid hoopte te komen, die te kunnen vergelden. “En waarom zoudt ge die nietvinden?” vroeg hij. “Denkt ge dan, dat ge voor altijd de vrijheid hebt verloren? Indien ge u dat voorstelt, wil ik u wel verzekeren, dat ge u bedriegt. Ik durf u verzekeren, dat ge over eenige maanden weer in vrijheid zult zijn.”“Wat zegt ge, don André? Het schijnt, dat gij er meer van weet”, zei ik.Hij antwoordde mij: “Ik moet u bekennen, dat de gerechtsdienaar, die u heeft hier gebracht, mij het verhaal heeft meegedeeld. Hij heeft mij gezegd, dat ge op een nacht met den graaf de Lemos den prins hebt gebracht bij een verdachte dame. Dat is den koning ter oore gekomen; hij heeft den graaf verbannen en u naar hier gezonden om met alle strengheid te worden behandeld.”Ons gesprek werd gestoord door bedienden, die brood, wijn, hazepeper en een jong kalkoen binnenbrachten. Toen wij alles hadden, zond Tordesillas de bedienden weg, zoodat wij vrijuit konden praten.Mijn gastheer overlaadde mijn bord met vleesch, hij dacht zeker, dat ik uitgehongerd was en had daar ook wel reden toe, om mijn dieet van twee dagen. Maar mijn hart was te vol om met smaak te kunnen eten, hoe goed de tafel ook was. Om mij wat afleiding te geven, spoorde hij mij herhaaldelijk aan om te drinken en vertelde mij allerlei histories, ook die van zijn huwelijk. Ik luisterde, maar was zoo verstrooid, dat ik hem na afloop van het verhaal er niets van had kunnen navertellen. Eindelijk stond hij van tafel op en zei: “Mijnheer de Santillano, ga nu rusten, of liever gezegd, over uw ongeluk denken, zooveel ge wilt. Maar ik herhaal u, het zal niet van langen duur zijn. De koning is goedhartig van natuur en als zijn toorn bedaard is en hij denken zal aan den treurigen toestand, waarin hij zich verbeeldt, dat ge verkeert, dan zal hij u voldoende gestraft achten.” Na deze woorden ging hij weg, de lakeien kwamen afnemen en namen zelfs de kaarsen mee zoodat ik naar bed ging bij het licht van een lampje, dat aan den muur hing.Hoofdstuk VVan de overdenkingen, die hij dien nacht had, voor hij insliep en van het geluid, dat hem wekte.Twee uur minstens bracht ik door met na te denken over hetgeenTordesillasmij had gezegd. Ik was daar dus, omdat ik bijgedragen had tot het plezier van den erfgenaam der kroon! Welk een onvoorzichtigheid ook, om zulk een dienst te hebben bewezen aan zoo’n jongen prins! Want in zijn jeugd alleen bestond geheel mijn misdaad. Indien hij wat ouder geweest was, zou de koning gelachen hebben, in plaats van zoo vertoornd te zijn zooals nu. Maar wie zou den koning het geheim hebben ontdekt?Tot dit laatste punt kwamen mijn gedachten altijd maar weer terug. Vervolgens begon ik er aan te denken. Al die opeenvolgende gedachten, de vermoeienis, het eten, de wijn, het een met het ander deden mij in een diepen slaap vallen, die zeker tot den dag zou hebben geduurd, indien ik niet was wakker gemaakt door een in de gevangenis ongewoon geluid. Ik hoorde een stem, begeleid door een guitaar. Ik luisterde met aandacht en hoorde niets meer, zoodat ik dacht gedroomd te hebben, maar een oogenblik later werd mijn oor opnieuw getroffen door hetzelfde instrument en door de stem, die ik zooeven had gehoord. Ik kon thans de woorden duidelijk verstaan. Ze luidden:Ay de my! un anno feliceParece un soplo ligero;Perô sin dicha un instanteEs un siglo de tormento.Dat scheen opzettelijk voor mij te zijn vervaardigd. Ik gevoelde maar al te zeer de waarheid van die woorden. De tijd van mijn geluk was snel voorbijgegaan en het was mij, of ik nu al bijna een eeuw in de gevangenis zuchtte. Het daglicht stemde mij wat rustiger. Ik opende mijn raam en vond het uitzicht lang zoo prachtig niet als mijn gastheer het mij had afgeschilderd den vorigen avond.Toen ik bezig was mij te kleeden, kwamTordesillasbinnen, gevolgd door een oude dienstbode, die mij handdoeken, hemden en ander linnen bracht. “En hoe hebt ge den nacht doorgebracht? Hebt ge nog wat kunnen slapen?” vroeg hij. “Ik zou misschien nog slapen,” antwoordde ik hem, “als ik niet gewekt was geworden door een stem begeleid door een guitaar.” Hij hernam: “De heer, die uw rust heeft gestoord, is een staatsgevangene, die zijn kamer naast de uwe heeft. Hij heet don Gaston de Cogollos, is ridder van de militaire orde van Calatrava en een zeer beminnelijk man. Ge kunt elkaar bezoeken en samen eten. Dat is voor u beiden een troost”.Ik betuigde mijn vriendelijken gevangenbewaarder mijn dank voor zijn welwillendheid en maakte denzelfden dag reeds kennis met don Gaston, die mij verrastte door zijn aangenaam uiterlijk en schoonheid. Stel u nu eens voor hoe hij er uit moest zien om oogen te verblinden, gewend aan de schitterende jonge edellieden van het Hof. Hij scheen geschapen voor het geluk, een romanheld, bestemd om slapelooze nachten te bezorgen aan prinsessen. Bovendien had de natuur, die meestal haar giften een beetje verdeelt, hem veel geest en gevoel gegeven. Het was een volmaakte edelman.Wij bevielen elkaar en een vriendschapsband is spoedig gesloten tusschen twee personen, die een ongelukkig lot samenbrengt. Gaarne maakten wij gebruik van de vrijheid die ons was gegeven, om in elkaars gezelschap te zijn.Op een avond, dat ik zijn kamer binnenkwam, wilde hij juist op zijn guitaar gaan spelen. Ik ging zitten en luisterde naar het lied, dat hij er bij zong. De woorden handeldenover de wreedheid van een vrouw. “Daarover zult ge u wel nooit te beklagen gehad hebben?” zei ik tegen hem. “Daarin zoudt ge u wel eens kunnen vergissen”, antwoordde hij. “Ik zal u daarvan een verhaal vertellen, dat tegelijkertijd de geschiedenis van mijn ongeluk is.”Hoofdstuk VIGeschiedenis van don Gaston de Cogollos en van dona Helena de Galisteo.Het zal weldra vier jaar geleden zijn, dat ik uit Madrid vertrok om te Coria donaEléonorde Laxarilla te bezoeken, mijn tante, een van de rijkste weduwen van Oud-Castilië en die geen andere erfgenamen heeft dan mij. Nauwelijks was ik er aangekomen, of de liefde kwam mijn rust verstoren. Zij gaf mij een kamer, waarvan de vensters uitzagen op de kamer van een dame, die daar tegenover woonde en die zoo schoon was, dat ze dadelijk een diepen indruk op mij maakte. Door de taal der oogen en zelfs door gebaren, trachtte ik haar dat duidelijk te maken; zij bemerkte dat wel, maar was er niet het meisje naar, om daarop te antwoorden.Ik wilde den naam van deze schoone weten en vernam, dat zij dona Helena heette en de eenige dochter was van don Georges de Galisteo, die een landgoed bezat op eenige mijlen afstand van Coria, dat aanzienlijke inkomsten afwierp. Reeds dikwijls hadden zich partijen voor haar voorgedaan, maar haar vader had die alle afgeslagen, omdat hij van plan was haar uit te huwelijken aan don Augustin de Olighera, haar neef, die in afwachting van dit huwelijk de vrijheid had haar iederen dag te bezoeken. Dat ontmoedigde mij niet; integendeel, ik werd nog meer verliefd en ging voort haar vurige blikken toe te werpen. Smeekend keek ik ook Félicia aan, haar kamenier, als om haar hulp in te roepen; maar ’t was alles te vergeefs. Zij bleven wreed en ontoegankelijk voor mij.Daar zij weigerden om op de taal van mijn oogen teantwoorden, nam ik mijn toevlucht tot andere middelen. Ik liet onderzoeken, welke kennissen Félicia in de stad had en vernam, dat zij dikwijls een oude dame bezocht, Théodora. Verheugd over die ontdekking ging ik daar zelf een bezoek brengen en door geschenken wist ik van haar belofte te krijgen, dat ik den volgenden dag een onderhoud in haar huis zou kunnen hebben met de kamenier.Op den bepaalden tijd vond ik haar daar en ik drukte er mijn groote vreugde over uit, dat ik haar kon spreken. Ze antwoordde me: “Mijnheer, mijn vriendin Théodora kan veel van mij gedaan krijgen. Ze stelt belang in u en als ik iets voor u zou kunnen doen, dan zou mij dat aangenaam wezen, maar met den besten wil geloof ik niet, dat ik u van veel dienst kan zijn. Ge moet u niet met hoop vleien, ge hebt nooit voor een moeilijker onderneming gestaan. Ge bemint een dame, bestemd voor een ander en welk een dame! Eene, die zoo trotsch is, dat wanneer ze al door uw zuchten zou worden bewogen, ze het toch niet zou laten merken.”“Mijn beste Félicia!” riep ik smartelijk. “Waarom schildert ge mij die moeilijkheden zoo onoverkomelijk af? Misleid me liever, dan dat ge mij wanhopig maakt.” Bij die woorden greep ik haar handen en schoof haar een diamant aan den vinger van driehonderd pistolen. Daarna sprak ik zoo tot haar, dat ze tot tranen toe werd bewogen.Ze was te aangedaan en te dankbaar, om mij troosteloos te laten en scheen de zaak eenigszins lichter te gaan inzien. “Mijnheer, misschien behoeft u niet alle hoop te worden ontnomen. Uw medeminnaar wordt wel niet door haar gehaat. Hij komt zijn nicht vrij bezoeken. Hij spreekt met haar, wanneer het hem behaagt en dat is in uw voordeel. De gewoonte om alle dagen samen te zijn, maakt hun onderhoud een weinig kwijnend. En het schijnt mij, dat ze zonder smart van elkaar scheiden en elkaar zonder genoegen weerzien. Men zou zeggen, dat ze reeds getrouwd zijn. In één woord, mijn meesteres heeft geen levendigen hartstocht voor don Augustin. Overigens is er, wat persoonlijkehoedanigheden betreft, tusschen u en hem een verschil, dat niet onopgemerkt kan blijven voor een zoo fijngevoelig meisje als dona Helena. Geef den moed dus niet op. Ik zal doen, wat ik kan.”Wij scheidden, beiden zeer voldaan over dit onderhoud. Ik bleef dus de dochter van don George verliefde blikken toewerpen en bracht haar zelfs een serenade, waarbij ik de verzen zong, die ge zooeven hebt gehoord.Om haar eens te polsen, vroeg de kamenier aan haar meesteres, hoe haar dat lied was bevallen. Dona Helena antwoordde: “Naar die stem heb ik met genoegen geluisterd.” “En de woorden, hebben die u niet zeer getroffen?” “Daar heb ik in het geheel geen acht op geslagen. Ik heb alleen naar den zang geluisterd, het vers is mij onverschillig evenals de man, die mij deze serenade heeft gebracht.” Félicia zei: “Dat is dan een misrekening voor dien armen don Gaston de Cogollos en ’t is dwaas van hem, om dan altijd zoo naar onze ramen te zien.” Op koelen toon antwoordde de meesteres: “Misschien is hij het niet, mogelijk wel een ander, die mij op zulke wijze zijn liefde verklaart.” “Neen” zei de kamenier, ”’t is niemand anders dan don Gaston. Daarvoor heeft hij mij ook van morgen in de straat aangehouden. Hij heeft mij verzocht u te willen zeggen, dat hij u aanbidt en dat hij zich de gelukkigste van alle stervelingen zou achten, indien ge hem wildet vergunnen u zijn hulde te betuigen.”De dochter van Don George keek haar dienstbode zeer streng aan en zei: “Ge zoudt beter gedaan hebben, indien ge mij niet van dit ongepast onderhoud had gesproken. Laat het niet weer gebeuren, dat ge met dergelijke mededeelingen bij mij komt, en als die vermetele jonge man nog eens tot u durft spreken, gelast ik u hem te zeggen, dat hij zich maar tot andere dames moet wenden, die misschien van galante avonturen houden en dat hij nuttiger bezigheid zoeke dan den geheelen dag door het raam te kijken, naar hetgeen ik in mijn kamers doe.”Dat alles werd mij getrouw oververteld door Félicia,toen ik een tweede onderhoud met haar had. Ze beweerde echter, dat ik mij niet moest laten ontmoedigen door de woorden van hare meesteres. Maar ik meende, dat ik die toch moeilijk in mijn voordeel kon uitleggen. Zij lachte om mijn sombere beschouwingen, vroeg papier en inkt aan haar vriendin en zei: “Mijnheer, schrijf dadelijk als wanhopige geliefde een brief aan dona Helena. Schilder haar levendig uw lijden en beklaag u vooral over het verbod, om aan uw vensters te verschijnen. Beloof, dat ge haar zult gehoorzamen, maar dat het u het leven zal kosten. Richt dien brief maar in, zooals gij heeren dat zoo goed kunt en ik belast mij met de rest.”Ik stelde zulk een brief samen en las hemFéliciavoor, die glimlachend opmerkte, dat indien vrouwen al den slag bezaten om mannen het hoofd op hol te jagen, de mannen op hun beurt de kunst verstonden, om vrouwen te verlokken. Zij nam mijn brief, verzekerde mij, dat het niet aan haar zou liggen, wanneer die geen goede uitwerking had enzeime, dat ik ervoor moest zorgen, gedurende eenige dagen mijn ramen gesloten te houden.Toen zij weer thuiskwam, zei ze tegen dona Helena: “Ik heb don Gaston ontmoet. Hij hield mij dadelijk aan en vroeg met bevende stem en als een schuldige, die zijn vonnis afwacht, of ik u over hem had gesproken. Toen heb ik hem uw antwoord op brutalen toon meegedeeld en hem op straat laten staan.” ”’t Is goed,” zeidonaHelena, “dat ge mij op die wijze van dien man hebt bevrijd; maar het was niet noodig op brutalen toon tot hem te spreken. Een meisje moet altijd zacht blijven.” De kamenier antwoordde: “Men ontdoet zich niet van een hartstochtelijk minnaar door zachte woorden te gebruiken. ’t Is zelfs dikwijls niet genoeg, als men op driftigen toon spreekt. Dat is hier gebleken, want toen ik terugkwam van de boodschappen, die ik voor u had gedaan, stond hij mij op te wachten. Zijn gezicht echter was zóó ontdaan, dat ik, hoewel ik anders nooit om mijn woorden verlegen ben, nu niet spreken kon. Hij duwde mij haastig dit briefje in de hand en verdween”.Féliciaoverhandigde daarop hare meesteres mijn brief, dien zij aannam als om zich er mee te vermaken en hem las. Daarop werd ze eenige oogenblikken stil. “WaarlijkFélicia, ’t is dwaas genoeg geweest dien brief aan te nemen. Wat moet don Gaston daarvan denken? En wat moet ikzelf gelooven? Misschien verbeeldt hij zich op dit oogenblik wel, dat ik zijn brief lees en herlees. Aan die schande heb je mij door je handelwijze blootgesteld.” De kamenier antwoordde: “O neen, die gedachte zal hij niet hebben en indien hij haar al had, dan zou hij er toch niet lang genoegen van hebben, want den eersten den besten keer, dat ik hem zie, zal ik hem zeggen, dat ge zijn brief minachtend hebt aangekeken en daarna verscheurd, zonder hem te hebben gelezen”. “Je kunt er gerust op zweren, dat ik hem niet gelezen heb. Ik zou er geen twee woorden van kunnen herhalen.” Ten slotte verbood zij haar kamenier verder tot haar over mij te spreken.Daar ik beloofd had, niet meer aan mijn raam te zullen komen, hield ik mijn jaloezieën gedurende eenige dagen gesloten. Maar intusschen bereidde ik mijn wreede Helena een nieuwe serenade voor. Ik had enige muzikanten geëngageerd en begaf mij ’s avonds laat met hen onder haar balkon. Reeds stemden ze hunne guitaren, toen een ridder met een degen in de hand op ons toesnelde, rechts en links om zich heen sloeg en de muzikanten op de vlucht joeg. Zijn woede wekte de mijne op. Ik naderde hem en er volgde een hevig gevecht. Dona Helena en haar kamenier hadden het geluid van de degens gehoord en keken door haar jalouzieën naar buiten. Toen ze het gevecht zagen, uitten ze angstkreten, waarop don George en zijn bedienden naar buiten snelden, om de vechtenden te scheiden. Maar zij kwamen te laat, en vonden op het terrein van den strijd slechts één ridder, badende in zijn bloed en bijna zonder leven. Die ongelukkige was ik. Men droeg mij binnen in het huis van mijn tante en de bekwaamste chirurgijns werden geroepen.Iedereen beklaagde mij en inzonderheid dona Helena, dienu een blik gaf in haar hart. Met haar kamenier bracht zij het overige gedeelte van den nacht door met weenen en met het verwenschen van haar neef, don Augustijn, in wien zij den dader vermoedde en die dan ook werkelijk onze serenade op zulk een onaangename wijze had gestoord. Hij scheen opgemerkt te hebben, dat ik zijn nicht het hof maakte, geloofde, dat zij daarvan was gediend en had nu op deze wijze getoond, dat hij niet zoo onverschillig was, als men wel vermoedde.Intusschen werd het treurige ongeval gevolgd door eenheugelijke gebeurtenis, die het spoedig deed vergeten. Hoe gevaarlijk ik ook gewond was, ik herstelde en mijn tante had een onderhoud met don George, waarbij ze hem voor mij de hand van zijn dochter vroeg. Hij stemde daarin toe, omdat hij don Augustijn beschouwde als een man, dien hij waarschijnlijk wel nooit meer zou terugzien. De goede grijsaard was echter bang, dat zijn dochter er iets op tegen zou hebben omdat ze haar neef d’Olighera zoo veel had gezien, maar zij bleek geheel bereid haars vaders wensch op te volgen waaruit men kan opmaken dat in Spanje evenals overal elders de nieuw-aangekomenen een streepje voor hebben bij de vrouwen.Zoodra het kon, had ik een gesprek gehad metFéliciaen van haar vernomen hoe hare meesteres getreurd had over het ongeluk, dat mij was overkomen. Ik kon er niet aan twijfelen, of ik was de Paris van mijn Helena geworden en zegende mijn wond, omdat die zulke gelukkige gevolgen had gehad voor mijn liefde.Van don George kreeg ik toestemming om met zijn dochter te spreken in tegenwoordigheid van haar kamenier. Wat was dat onderhoud heerlijk voor mij! Ik drong er bij haar op aan mij te zeggen of ik dit geluk alleen had te danken aan haar gehoorzaamheid aan haar vader. Zij verzekerde mij, dat dit niet het geval was en nu volgde voor mij een zeer gelukkige tijd. Onze bruiloft zou een groot feest zijn, waarop de geheele adel van Coria en omstreken zou schitteren. Voor dien tijd gaf ik een partij op een landgoed, dat mijn tante buiten de stad bezat. Terwijl wij aan tafel zaten, kwam een man in de zaal, die mij voor een zeer gewichtige zaak te spreken vroeg. Ik volgde den onbekende, die het uiterlijk had van een kamerdienaar en mij een brief gaf van den volgenden inhoud:“Indien de eer u dierbaar is, zooals ze het moet zijn aan alle ridders van uw orde, dan zult ge u morgenochtend bevinden op het plein van Manroi. Ge zult er een ridder vinden, die u rekenschap zal geven van de beleediging, die hij u heeft aangedaan en u, indien het kan, buiten staat zal stellen,om dona Helena te huwen. Don Augustin de Olighera”.Heeft de liefde veel macht over de Spanjaarden, de wraak nog meer. Ik las dien brief niet met een rustig hart. Bij het zien van den naamAugustinhad ik bijna de plichten vergeten, welke mij dien dag aan mijn gasten bonden. Het liefst was ik dadelijk mijn vijand gaan opzoeken, maar ik kon het feest niet verstoren en zei daarom tot den man: “Mijn vriend, ge kunt aan den ridder, die u gezonden heeft, zeggen, dat mijn lust om hem weer te zien zoo groot is, dat ik morgen voor zonsopgang op het door hem aangewezen terrein zal zijn.”Daarna ging ik naar mijn gasten terug, nam mijn plaats aan tafel weer in en wist mij zoo goed te beheerschen, dat niemand iets merkte van hetgeen er in mij omging. Als alle anderen nam ik deel aan het feest, dat tegen middernacht geëindigd was. Toen het gezelschap uiteenging bleef ik in het landhuis, onder voorwendsel den volgenden morgen een wandeling te willen doen in de frissche lucht, maar het was alleen om vroeger op de plaats van samenkomst te zijn. In plaats van te gaan slapen, wachtte ik met ongeduld het aanbreken van den dag af. Zoodra die verscheen, besteeg ik mijn beste paard en vertrok geheel alleen. Ik reed in de richting van Manroi en zag een ruiter naderen. Het was mijn medeminnaar, die, toen hij bij mij was, zei: “Het doet mij leed, dat ik voor de tweede maal met u moet samenkomen; maar de schuld daarvan is aan u. Na het avontuur met de serenade, hadt ge er van moeten afzien, om te trachten de gunst van de dochter van Don George te verwerven.” Ik antwoordde: “ge zijt wel trotsch op een voordeel, dat ge misschien minder aan uw behendigheid dan wel aan de duisternis van den nacht hebt te danken.” Ik sprong daarbij op den grond, don Augustin volgde mijn voorbeeld en wij bonden onze paarden aan een boom. Verwoed vielen wij op elkaar aan. Hoewel ik een geoefend schermer was, moet ik zeggen, dat ik met een vijand te doen had, die zijn wapen beter meester was dan ik. Maar gelijk de sterkere dikwijls wordt overwonnendoor den zwakkere, zoo ging het ook hier. Ik wist mijn tegenstander in het hart te treffen en hij viel dood neer.Dadelijk keerde ik naar het landhuis terug, waar ik aan mijn kamerdienaar, op wiens trouw ik rekenen kon, het gebeurde meedeelde, hem gelastte het beste paard te nemen en dadelijk mijn tante op de hoogte te brengen van dit avontuur. Ik zei hem, dat hij haar namens mij om goud en edelgesteenten moest vragen, om mij dat te brengen tePlacencia, waar hij me vinden zou in het eerste hotel bij den ingang van de stad.Mijn bediende, Ramire, kweet zich zoo vlug van die taak, dat hij reeds drie uren na mij in Placencia aankwam. Hij zei me, dat donaEléonormeer verheugd dan bedroefd was over dezen strijd, die mij eens genoegdoening had gegeven na de beleediging door mij ondervonden en ik ontving een groot bedrag aan goud en edelgesteenten, om aangenaam te kunnen reizen, totdat mijn zaak zou zijn geschikt.Ik reisde naar Valencia en scheepte mij te Denia in, om naar Italië te gaan. Helena betreurde mijn afwezigheid en terwijl de familie van Olighera pogingen aanwendde om mij te vinden, verlangde zij naar mijn terugkeer. Reeds was ik zes maanden weg, toen een edelman van de kust van Galicië, don Blas de Combados te Coria kwam, om een erfenis te ontvangen, die hem vruchteloos werd betwist door donMiguelde Caprara, zijn neef.Combados was een knap man, hij was beleefd en geestig en verkeerde weldra met de voorname families in de stad.Hij wist, dat don George een dochter had, wier schoonheid tot nu toe de mannen slechts tot hun ongeluk in liefde had doen ontvlammen. Dit prikkelde zijn nieuwsgierigheid, hij wilde die dame zien. Hij zocht daarom met den vader op een vriendschappelijken voet te komen en slaagde daarin zoo goed, dat de grijsaard hem toestond zijn huis te bezoeken en met zijn dochter te spreken. De Galiciër werd dadelijk verliefd, dat was onvermijdelijk. Don George ontving zijn aanzoek gunstig, maar wilde zijn dochter niet dwingen, hij liet haar meesteres over haar hand. Combados deed, wat hij kon om haar te behagen, maar zij bleef ongevoelig voor zijn hulde en dacht slechts aan mij. Félicia, die ook door den nieuwen minnaar was omgekocht, wendde al haar behendigheid in zijn voordeel aan, don George ondersteunde diens pogingen, maardonaHelena bleef mij trouw.Combados, die zag dat alle pogingen tot nu toe vergeefsch waren geweest, stelde een ander middel voor. Hijbedacht het volgende plan: een koopman te Coria zou een brief omtvangen van een handelsvriend in Italië, waarin na eenige mededeelingen betreffende zaken, te lezen zou zijn: “Sinds korten tijd is aan het hof te Parma een Spaansch edelman aangekomen, don Gaston de Cogollos genaamd. Hij zegt, dat hij de neef en eenige erfgenaam is van een rijke weduwe, die te Coria woont onder den naam vandonaEléonor de Laxarilla. Hij doet aanzoek om de hand van de dochter van een voornaam heer, maar men wil hem die niet geven zonder eerst geïnformeerd te hebben. Bericht mij dus, of ge dien don Gaston kent en waarin het vermogen van zijn tante bestaat. Uw antwoord zal beslissend zijn voor dit huwelijk. Schrijf naar Parma enz. enz.”Dit bedrog scheen den grijsaard een list, wel geoorloofd van een verliefde en Félicia, die nog minder nauwgezet was, juichte het zeer toe. De uitvinding scheen daarom te beter, omdat zij Helena kende als een trotsch meisje, die in staat was oogenblikkelijk een besluit te nemen, indien zij vermoeden had, dat men haar ontrouw was geworden. Don George belastte zich er zelf mee, om haar op de hoogte te brengen en om de zaak nog natuurlijker te maken, zou men haar laten spreken met den koopman, die den nagemaakten brief zou hebben ontvangen.De oude edelman zei dus tegen haar: “Mijn dochter, ik behoef wel niet meer te zeggen, dat onze familieleden mij alle dagen verzoeken om nooit toe te staan, dat de moordenaar van don Augustin mijn schoonzoon wordt. Heden heb ik een nog meer overwegende reden om u te zeggen niet meer aan don Gaston te denken. Hij is een trouwelooze! Ziehier een zeker bewijs daarvan. Lees dezen brief, dien een koopman te Coria uit Italië heeft ontvangen.”De toeleg gelukte. Helena weende eerst een oogenblik, maar haar trotschheid kwam spoedig boven, ze zei, dat ze mij verachtte en bereid was om Combados naar het altaar te volgen. Don George was zeer verheugd en Combados overgelukkig.Zonder te hooren naar de stem der liefde, die voor mijin haar hart sprak, had ze mijn medeminnaar haar hand gereikt. Eenige dagen na het huwelijk begon ze zichzelf wel te verwijten, dat ze overijld had gehandeld en rees het vermoeden bij haar op, dat die brief misschien bedrog was, maar haar echtgenoot liet haar niet veel tijd om daarover te denken. Hij had er den slag van een reeks vermaken uit te vinden, om haar te verstrooien.Zoo leefden zij in een gelukkig huwelijk, toen mijn tante erin slaagde om mijn zaak met de bloedverwanten van don Augustin te schikken. Ze schreef mij dat dadelijk naar Italië en ik keerde onmiddellijk terug. DonaEléonor, die mij het huwelijk van Helena niet per brief had meegedeeld, stelde mij bij mijn aankomst daarvan in kennis. Ze zag welk een diepen indruk die tijding op mij maakte en zei: “Betreur het verlies van een meisje niet, dat u niet trouw is kunnen blijven, ze heeft daardoor getoond, dat ze niet waard is, dat ge aan haar denkt.”Daar mijn tante niet wist, dat men Helena bedrogen had, kon ze mij zeker geen wijzeren raad geven. Ik nam mij dan ook voor dien te volgen, of mij althans onverschillig te houden, indien ik mijn hartstocht niet kon overwinnen. Maar ik kon geen weerstand bieden aan de nieuwsgierigheid om te weten te komen op welke wijze dit huwelijk was tot stand gekomen en bezocht daarom de oude Théodora, van wie ik reeds heb gesproken. Toevallig vond ik bij haar Félicia, die in het geheel niet had verwacht mij weer te zien en dadelijk wilde vertrekken, om eenige opheldering te voorkomen. Maar ik liet haar niet gaan en met moeite gelukte het mij van haar een bekentenis te krijgen van alles wat er was gebeurd. Zij zag, dat ik wanhopig was en om mij te troosten beloofde zij mij weder haar hulp. Ik zal u het verhaal besparen van al wat wij deden om Helena te bewegen mij een onderhoud toe te staan. Toen Combados voor een paar dagen ging jagen op een van zijn landgoederen, ontving ze mij ’s avonds.Ik wilde het gesprek beginnen met verwijten, maar zij sloot mij den mond en zei: ”’t Is onnoodig ons het verledente herinneren. Wij behoeven elkaar niet treurig te stemmen. In dit onderhoud heb ik alleen toegestemd, om u persoonlijk te kunnen zeggen, dat ge voortaan niet meer aan mij moet denken. Misschien zou ik meer tevreden zijn met mijn lot, indien het aan het uwe verbonden was, maar de hemel heeft het anders gewild en ik moet zijn besluiten gehoorzamen.”Ik riep uit: “Hoe mevrouw! Is het niet voldoende, dat ik moet toezien hoe een ander u bezit, moet ik u ook nog uit mijn gedachten verbannen! Denkt ge, dat zoo iets mogelijk is bij een man, die eens uw liefde heeft bezeten? Ge wilt mij mijn liefde ontnemen, het eenige wat waarde voor mij heeft.”“Ik heb u slechts een kort woord te zeggen,” hernam zij op beslisten toon, “de echtgenoote van don Blas de Combados zal nooit de minnares worden van don Gaston. Bedenk dat wel. Laten wij dit onderhoud thans eindigen. Niettegenstaande de zuiverheid van mijne bedoelingen, verwijt ik dat mijzelf en het zou misdadig zijn het voort te zetten.” Bij die woorden, die mij alle hoop ontnamen, viel ik voor haar op de knieën, maar ik smeekte vruchteloos; de plicht ging bij haar vóór alles. Een gevoel van woede maakte zich van mij meester, ik trok mijn degen en wilde mijzelf doorsteken. Maar zij wierp zich op mij en riep: “Houd op! Denkt ge niet aan mijn naam? Door u hier van het leven te berooven, ontneemt ge mij mijn eer en mijn echtgenoot zou voor uw moordenaar doorgaan.”Ik wilde echter niet naar hare woorden luisteren en zou misschien mijn noodlottig voornemen hebben volvoerd, indien don Blas de Combados niet verschenen was. Deze was verwittigd geworden van het onderhoud, dat wij zouden hebben, was daarom niet naar buiten gegaan en had gehoord, wat wij hadden gesproken. Hij hield mijn arm vast en zei: “Don Gaston, denk aan de plaats, waar ge u bevindt. Geef niet toe aan het gevoel van wanhoop, dat u op ’t oogenblik bezielt!” Ik viel Combados in de rede: “Moet gij me van mijn besluit afbrengen? Ge moest mijliever zelf een dolk in het hart stooten. Mijne liefde, hoe ongelukkig die ook zijn moge, is voor u een beleediging. Is het niet voldoende, dat ge mij ’s avonds laat in het vertrek van uw vrouw vindt? Is er nog meer noodig om uw lust naar wraak op te wekken? Doorsteek mij en ontdoe u zoo van een man, die alleen door te sterven, kan ophouden dona Helena te aanbidden!”Don Blas antwoordde mij: “Ge beproeft tevergeefs op mijn eergevoel te werken, om mij te bewegen u te dooden. Ge zijt al genoeg gestraft voor uw vermetelheid en mijn echtgenoot ben ik zoo dankbaar voor hare deugdzame gevoelens, dat ik haar geen verwijt kan maken van dit samenzijn met u. Geloof mij Gogollos, wees niet wanhopig als een zwak man, maar onderwerp u met moed aan een harde noodzakelijkheid!”Door deze en dergelijke woorden wist de voorzichtige man werkelijk mijn woede en wanhoop te doen bedaren. Ik ging weg met het plan mij van Helena te scheiden en van de plaats, waar zij woonde. Dus vertrok ik twee dagen later naar Madrid, waar ik aan het hof verscheen en vele vrienden kreeg. Maar ik had het ongeluk mij inzonderheid te hechten aan den markies de Villaréal, een Portugees van veel invloed, die verdacht werd Portugal te hebben willen bevrijden van de Spaansche heerschappij. Hij werd daarom naar het kasteel van Alicante gevoerd. Daar de hertog de Lerme wist, dat ik in nauwe relatie stond met dien heer, heeft hij mij ook laten oplichten en naar hier brengen. De minister verdenkt mij, dat ik medeplichtig zou zijn aan zulk een plan. Dat is een gevoelige beleediging, die hij een edelman en Spanjaard aandoet”.Hier hield don Gaston op met spreken, waarna ik om hem te troosten zei: “Uweer wordt niet geschaad door de ongenade, waarin ge zijt gevallen en alles zal zich zeker ten goede keeren. Wanneer de hertog de Lerme zal weten, dat ge onschuldig zijt, zal hij u ongetwijfeld in uw eer herstellen en u een aanzienlijke betrekking geven, om u schadeloos te stellen.”Hoofdstuk VIIScipio komt Gil Blas opzoeken in den toren te Ségovië en deelt hem veel nieuws mee.Ons gesprek werd afgebroken door Tordesillas, die zei: “Mijnheer Gil Blas, ik heb zooeven een jongeman gesproken, die zich aan de deur van deze gevangenis aanmeldde. Hij vroeg of gij hier gevangen waart. Toen ik aanvankelijk weigerde om aan zijn nieuwsgierigheid te voldoen, zei hij met tranen in de oogen: ‘Weiger mijn zeer onderdanig verzoek niet en deel mij mee of de heer de Santillano hier is. Ik ben zijn eerste bediende en gij zult een zeer goede daad verrichten, indien ge mij wilt toestaan hem een oogenblik te zien, ge zijt inSégoviëals een zeer edelmoedig man bekend en ik hoop, dat ge mij in de gelegenheid zult stellen met mijn meester te spreken, die meer ongelukkig dan schuldig is.’Om kort te gaan, die jongen heeft van mij verkregen, dat ik hem beloofd heb, vanavond zijn verzoek te zullen inwilligen.”Ik verzekerde Tordesillas, dat hij mij geen grooter genoegen had kunnen doen, want dat mijn bediende mij zeker zeer gewichtig nieuws had te vertellen. Met ongeduld wachtte ik het oogenblik af, waarop ik mijn getrouwen Scipio zou kunnen spreken, want ik twijfelde er niet aan, of hij was het en daarin bedroog ik mij niet.Groot was onze vreugde, toen wij elkaar weerzagen. Mijn eerste vraag aan Scipio was, hoe hij mijn huis had achtergelaten. Hij antwoordde mij: “U hebt geen huis meer en om u de moeite te besparen, mij vraag voor vraag te doen, zal ik u in het kort meedeelen, wat er bij u is gebeurd. Uw huis is geplunderd zoowel door de dienaren van het gerechtals door uw eigen bedienden, die u als een verloren man beschouwden en op rekening van hun loon maar meenamen wat ze konden krijgen. Gelukkig voor u, heb ik uit hun handen twee groote zakken met dubbele pistolen weten te redden, die ik uit uw brandkast haalde en in veiligheid bracht bij Salero, die ze u zal teruggeven, zoodra ge uit de gevangenis komt, waar ge wel niet lang zult blijven, omdat ge zijt gearresteerd zonder medeweten van den hertog de Lerme.”Ik vroeg Scipio hoe hij wist, dat de minister daaraan geen deel had gehad. “O! dat weet ik zeker. Een van mijn vrienden, die het vertrouwen heeft van den hertog d’Uzède, heeft mij alles verteld. Calderone had door een huisknecht vernomen, dat senora Sirena onder een anderen naam ’s nachts den prins ontving en dat de graaf de Lemos en gij hem daarbij hadt geholpen. Hij besloot zich op u beiden en zijn maîtresse te wreken en zocht den hertog d’Uzède op, wien hij deze zaak meedeelde. De hertog, verheugd, dat hij zulk een schoone gelegenheid had, om zijn vijand, den graaf de Lemos, in het verderf te storten, verzuimde niet daarvan gebruik te maken. Hij ging naar den koning, vertelde alles en liet niet na in levendige kleuren de gevaren te schilderen, waaraan men den prins had blootgesteld. De koning was woedend, liet dadelijk Sirena in een klooster opsluiten, verbande den graaf de Lemos en veroordeelde u tot levenslange gevangenisstraf.Op die wijze heeft zich de zaak toegedragen. Ge ziet daaruit, dat uw ongeluk het werk is van den hertog d’Uzède, of beter gezegd van Calderone.”Na die mededeelingen meende ik, dat de zaak wel spoedig zou worden geschikt, omdat de eerste minister ongetwijfeld alles in het werk zou stellen om de ballingschap van zijn neef op te heffen en hem weer aan het hof terug te krijgen, en ik hoopte, dat hij mij bij die gelegenheid niet zou vergeten. Wat is de hoop toch een schoone zaak! Ze troostte mij eensklaps over het verlies van mijn goed. Wel verre van mijn gevangenschap als een ongeluk te beschouwen,dat misschien tot het eind van mijn dagen zou voortduren, scheen ze mij nu een middel, waarvan de fortuin zich wilde bedienen, om mij tot een hooge betrekking te verheffen. Ziehier hoe ik redeneerde: de eerste minister heeft aan zijn zijde staan de meeste personen, die het vertrouwen bezitten van den koning; met de hulp van die machtige vrienden kan hij weerstand bieden aan al zijn vijanden, ofwel de staat kan binnenkort van uitzicht veranderen. De koning is nl. zeer ziekelijk. Zoodra hij er niet meer zal zijn, zal het eerste werk van den prins zijn, om den graaf de Lemos terug te roepen, die mij van hier zal halen, om mij naar den jongen koning te brengen, die mij overladen zal met weldaden, voor alles wat ik ter wille van hem heb geleden.Over Scipio was ik zoo tevreden, dat ik behoefte gevoelde hem daarvan een bewijs te geven en ik bood hem de helft van het geld aan, dat hij bij de plundering had weten te redden. Maar hij weigerde en zei: “Ik verwacht van u een ander bewijs van uw erkentelijkheid. Laten wij niet meer scheiden. Ik gevoel voor u een vriendschap, zooals ik die nooit voor een van mijn vorige meesters heb gekend.” “En ik, mijn zoon, kan je verzekeren, dat het wederkeerig is. Van het eerste oogenblik af aan, dat ik je zag, had ik schik in je. Ik denk, dat we allebei onder Weegschaal of Tweelingen zijn geboren, wat, naar men zegt, de gesternten zijn, die de menschen verbinden.” Gaarne stemde ik dus toe en wij besloten samen den gevangenbewaarder te vragen of Scipio zich met mij mocht laten opsluiten, met het recht nu en dan eens naar Madrid te gaan, om te zien, hoe de zaken stonden. De welwillende man was zoo vriendelijk mij deze gunst niet te weigeren.Hoofdstuk VIIIScipio reist voor het eerst naar Madrid, de beweegredenen daartoe en het gevolg ervan. Gil Blas wordt ziek en wat daaruit voortvloeide.Indien wij soms zeggen, dat wij geen grootere vijanden hebben dan onze dienstboden, dan moeten wij eraan toevoegen, dat we geen betere vrienden hebben aan hen, indien ze ons trouw en genegen zijn. In Scipio kon ik niet anders zien dan mijn tweede ik. Dus, geen onderdanigheid meer, Gil Blas en zijn secretaris hadden één kamer, een bed en één tafel. Hij was van een zeer goed humeur en verstand. “Mijn vriend,” zei ik op zekeren dag tegen hem, “het schijnt me, dat het niet kwaad zou zijn, indien ik eens aan den hertog de Lerme schreef. Wat denk je daarvan?”“Wel,” antwoordde hij, “de groote heeren zijn niet altijd gelijk van humeur en dus weet ik niet zeker, hoe uw brief zou worden opgenomen. Maar ik meen, dat het in ieder geval goed zou zijn, om hem te schrijven. Hoewel de minister veel van u houdt, moet ge niet stilzitten. Hij moet aan u herinnerd worden. Die heeren vergeten dikwijls de personen, van wie ze niet hooren spreken.”“Hoewel ge in het algemeen gesproken gelijk hebt,” antwoordde ik hem, “oordeel ik toch beter over mijn patroon. Zijn goedheid is mij bekend. Ik ben er van overtuigd, dat hij medelijden heeft met mijn toestand en onophoudelijk daaraan denkt. Hij wacht kennelijk met mij uit de gevangenis te helpen, tot de toorn van den koning bedaard is.” “Ik hoop,” zei hij, “dat ge juist over den minister oordeelt. Roep dus zijn hulp in door een treffenden brief. Ik zalhem dien brengen en persoonlijk ter hand stellen.” Ik schreef een zeer welsprekend stuk, dat Tordesillas zelfs boven de preeken van den aartsbisschop stelde.Ik vleide mij, dat de hertog de Lerme door medelijden zou worden bewogen bij het lezen van het verhaal, dat ik hem deed van den treurigen toestand, waarin ik niet verkeerde en in dat vertrouwen liet ik mijn koerier naar Madrid vertrekken. Hij slaagde erin dadelijk na zijn aankomst tot den minister door te dringen en zei, terwijl hij hem den brief gaf: “Excellentie, een van uw trouwste dienaren, die op stroo ligt in een donker cachot van den toren te Ségovië, verzoekt u nederig dezen brief te lezen, dien hij heeft kunnen schrijven door de goedhartigheid van den gevangenbewaarder.” De minister nam den brief aan en las dien door. In plaats van daardoor getroffen te zijn, zei hij met woedende stem, zóó luid dat alle personen in zijn omgeving het konden hooren: “Zeg aan Santillano, dat ik hem wel vermetel vind, om zich tot mij te durven wenden na de onwaardige daad, die hij heeft bedreven en waarvoor hij rechtvaardig wordt gestraft. Het is een ongelukkige, die niet meer op mijn steun moet rekenen en dien ik geheel overlaat aan het oordeel van den koning.”Scipio was geschrikt door die woorden, maar hij zweeg niet. “Excellentie, die arme gevangene zal van verdriet sterven, als ik hem die tijding breng.” De hertog antwoordde mijn pleitbezorger niet, maar keerde hem den rug toe. Zoo behandelde de minister mij, om beter het aandeel te kunnen verbergen, dat hij zelf had in deze verliefde intrige van den prins. En zoo wordt dikwijls de kleine man behandeld, wanneer hij groote heeren dient in hunne geheime en gevaarlijke ondernemingen.Toen mijn secretaris terug was te Ségovië en mij verteld had, hoe hij zich van zijn opdracht had gekweten, zag ik mij opnieuw gedompeld in den verschrikkelijken afgrond, waarin ik den eersten dag van mijn gevangenschap had verkeerd. Ik meende, dat ik zelfs nog ongelukkigerwas, omdat ik de bescherming miste van den hertog de Lerme. Al mijn moed was mij ontzonken, ik had groot verdriet en hoe men mij ook trachtte op te beuren, ik begon te kwijnen en werd ernstig ziek.De gevangenbewaarder was zoo vol deelneming, dat hij niet beter meende te kunnen doen, dan een paar doktoren te roepen. Ik was altijd zoo vooringenomen geweest tegen dokters, dat ik ook nu, wanneer ik nog aan het leven gehecht was geweest, die heeren zeer slecht zou hebben ontvangen, maar ik was het leven zoo moe, dat ik er Tordesillas dankbaar voor was, dat hij mij in hun handen stelde.Een van hen zei: “Mijnheer, voor alles is het noodig, dat u een onbeperkt vertrouwen in ons hebt.”“Dat heb ik ook,” antwoordde ik. “Met uw hulp ben ik er zeker van, dat ik spoedig van al mijn kwalen zal bevrijd zijn.”Hij hernam: “Ja, met Gods hulp zult ge dat zijn. Wij zullen tenminste ons best doen.”Nu dat deden ze ook, het ging zoo goed, dat ik kennelijk op weg was naar de andere wereld. Tordesillas had een ouden monnik laten komen, die mij voorbereid had op den dood en ikzelf geloofde niet anders, of mijn laatste uur had geslagen. Ik gaf Scipio een teeken om bij mijn bed te komen en zei met een nauwelijks hoorbare stem, zoozeer hadden de medicijnen en aderlatingen mij verzwakt: “mijn vriend, ik laat je den eenen zak met pistolen en verzoek je den anderen naar Asturië te brengen naar mijn vader en moeder die, als ze nog leven, dat geld noodig zullen hebben. Vraag of ze mij vergiffenis willen schenken voor mijn ondankbaarheid en onverschilligheid. Leven zij niet meer, besteed dan dat geld om den hemel om rust te laten bidden voor hunne ziel en de mijne.”Dat zeggende, reikte ik hem de hand, die hij met zijn tranen bevochtigde, zoo bedroefd was hij. De tranen van een erfgenaam zijn dus klaarblijkelijk niet altijd verborgen glimlachjes.Ik wachtte niet anders dan het einde, maar het kwam niet. Nadat de dokters mij hadden verlaten en het terrein vrij was, genas ik. De koorts, die volgens hen mij moest wegnemen, week. Het gevolg van die ziekte was een volmaakte kalmte van geest. Ik behoefde niet meer getroost te worden; ik had toen de dood mij nabij was, een groote verachting gekregen voor eer en rijkdommen en het voornemen opgevat, om, al zou de hertog de Lerme mij terugroepen, nooit aan het hof weer te keeren. Ik stelde mij voor, wanneer ik uit de gevangenis kwam een hut te koopen en daarin rustig te leven.Mijn vertrouweling juichte mijn plan toe en wilde, om de uitvoering ervan te verhaasten, nog eens naar Madrid gaan, om mijn bevrijding te bewerken. Hij was vroeger in dienst geweest bij de min van den prins, die op dezen altijd nog een grooten invloed had.Hoofdstuk IXScipio keert naar Madrid terug. Hoe en op welke voorwaarden Gil Blas in vrijheid wordt gesteld. Waar zij heengingen, na den toren van Ségovië te hebben verlaten en welk gesprek zij samen hadden.Scipio vertrok dus naar Madrid. In afwachting van zijn terugkomst las ik veel.Tordesillas verschafte mij zooveel boeken, als ik wilde hebben. Hij leende die, van een ouden commandant, die niet kon lezen, maar een groote bibliotheek had om voor een geleerde door te gaan. Ik hield vooral van goede boeken over moraal omdat ik daarin telkens stukken vond, die mijn afkeer van het Hof en mijn liefde voor de eenzaamheidrechtvaardigden.Na drie weken kwam de onderhandelaar terug, om mij mee te deelen, dat de zaak gunstig stond. Op verzoek van de min had de prins beloofd er met zijn vader over te spreken. Om nog een laatste hand aan het werk te slaan, moest Scipio weer terug naar Madrid.Zijn derde reis duurde niet lang. Na acht dagen keerde hij terug met de tijding, dat de prins, hoewel niet zonder moeite, mijn bevrijding van zijn vader had verkregen. Denzelfden dag kreeg ook Tordesillas bericht. De koning had mij de vrijheid gegeven onder voorwaarde, dat ik mij niet meer aan het hof zou vertoonen en binnen een maand de beide Castiliën zou verlaten.Ik liet twee muilezels huren en wij vertrokken den volgenden dag, na een hartelijk afscheid te hebben genomen van Collogos en Tordesillas duizendmaal te hebben bedankt voor al zijn bewijzen van vriendschap. Wij sloegen den weg in naar Madrid, om eerst onze tweezakken te gaan halen, die ieder vijfhonderd dubbele pistolen bevatten. Mijn metgezel zei onderweg: “Indien wij al niet rijk genoeg zijn om een groot landgoed te koopen, een behoorlijk verblijf kunnen wij althans hebben.” Ik antwoordde hem: “Ik ben tevreden, als ik een hut heb. Ik heb genoeg van het leven in groote steden en stel mij er een groot genoegen van voor op het land te wonen en te visschen en te jagen. Wat voeding betreft, zal het meest eenvoudige voor mij voldoende zijn.” Scipio was er echter niet voor om een leven te leiden als Diogenes, hij wilde een aangenaam tehuis en een goeden wijnkelder, om rustig van de genoegens des levens te kunnen genieten. “Wat men in zijn huis heeft, schaadt niet, zegt Hésiodes en wat men er niet heeft, kan wel schaden. Het is beter de noodzakelijke dingen te bezitten dan te verlangen.”“Wat drommel! Scipio,” riep ik, “ken je de Grieksche dichters?”Hij vertelde mij, dat hij vroeger in Salamanca een meester had gehad, die niets deed dan Hebreeuwsch, Grieksch en Latijn in het Spaansch vertalen en dat hij veel voor dien heer had moeten copieeren.Onderweg spraken wij verder over onze toekomstige woonplaats en waar we die zouden kiezen. We besloten na eenig overleg ons in Aragon te vestigen.Hoofdstuk XWat zij te Madrid aankomende deden. Wien Gil Blas op straat ontmoette en door welke gebeurtenis die ontmoeting werd gevolgd.Toen wij te Madrid waren aangekomen, namen wij onzen intrek in een klein hotel en het eerste wat wij deden was naar Salero te gaan, om ons geld te ontvangen. Hij heette mij hartelijk welkom en betuigde zijn blijdschap, dat ik weer op vrije voeten was. “Ik moet u meedeelen,” zei hij, “dat ik door de ongenade, waarin gij zijt gevallen, een weinig huiverig ben geworden voor aanrakingen met menschen van het hof. Hun fortuin zweeft mij te veel in de lucht. Ik heb mijn dochter Gabriella uitgehuwelijkt aan een rijken koopman.” Ik antwoordde hem, dat hij daar zeer goed aan gedaan had. Behalve, dat het veiliger is, komt er nog bij, dat een burgerlijke schoonvader niet altijd tevreden is over mijnheer den voornamen schoonzoon.Wij ontvingen daarop het geld terug, dat wij meenamen naar ons hotel en in volmaakte orde bevonden.Voor ons vertrek naar Aragon deden wij verschillende inkoopen en zoo ontmoette ik baron von Steinbach, den Duitschen officier, bij wien don Alphonse was opgevoed.Wij herkenden elkaar dadelijk en ik zei: “Het doet mij zeer veel genoegen, dat ik u zoo in de beste gezondheid terugzie en nu tevens gelegenheid heb, om nieuws te vernemen omtrent don César en don Alphonse de Leyva.”“Daar bestaat alle gelegenheid toe,” antwoordde hij, “daar ze beiden in Madrid en bij mij gelogeerd zijn. Voor eenigen tijd zijn ze hier gekomen, om den koning te bedankenvoor een onderscheiding, die don Alphonse heeft ontvangen, als blijk van erkentelijkheid voor de door zijn voorvaderen aan den staat bewezen diensten. Hij is gouverneur van de stad Valencia, zonder te hebben gesolliciteerd, noch iemand te hebben gevraagd zijn invloed daartoe aan te wenden. Dat doet zien, dat onze koning naar waarde weet te beloonen.”Hoewel ik, beter dan Steinbach, wist wat ik daarvan moest denken, deed ik of ik niets wist van wat hij mij vertelde. Ik betuigde hem zooveel ongeduld en verlangen om mijn oude meesters te bezoeken, dat hij mij dadelijk meenam.In een groote zaal speelde Alphonse schaak met de baronesse von Steinbach. Hij sprong dadelijk op en snelde op mij toe met een gelaat dat werkelijk vreugde verried. “Mijn waarde Gil Blas! Wat een genoegen je eindelijk weer te zien! Het is mijn schuld niet, dat we niet samen zijn gebleven. Ik had je verzocht, zooals je weet, om het kasteel de Leyva niet te verlaten. Je hebt geen gevolg gegeven aan mijn verzoek, maar ik maak je daar geen verwijt van; ik weet welke beweegredenen je hadt. Maar sedert dien tijd heb je mij ook niets meer van je laten hooren. Mijn zwager, don Fernand, had mij bericht, dat je in Granada was, maar ik heb je daar tevergeefs gezocht. Maar zeg me nu eens, wat je in Madrid doet. Zeker een goede betrekking. Wees ervan overtuigd, dat ik levendig belang stel in je omstandigheden.”Ik antwoordde hem: “Voor ongeveer vier maanden nog, had ik aan het hof een gewichtige betrekking. Ik had de eer de secretaris en vertrouweling te zijn van den hertog de Lerme.”“Is het mogelijk? De vertrouweling van den eersten minister?” riep don Alphonse met groote verwondering.“Ik had zijn gunst gewonnen en heb die weer verloren op de wijze, die ik u zal meedeelen,” zei ik en ik vertelde mijn geschiedenis en sprak ook van mijn besluit om van het weinige, wat mij van mijn voorspoed was overgebleven,een klein huis te koopen en daarin in afzondering te gaan leven.Nadat de zoon van don Cesar mijn verhaal met veel belangstelling had aangehoord, zei hij: “Mijn waarde Gil Blas, wij zijn altijd goede vrienden geweest en ik ben zeer dankbaar, dat de hemel mij in staat stelt je te helpen. Ge zult niet langer een speelbal zijn van de fortuin. Ik zal je eigenaar maken van een goed, dat je niet kan worden ontnomen. Je wilt buiten leven, welnu, ik geef je het kleine landgoed, dat wij bezitten bij Lirias, op vier mijlen afstands van Valencia. Je kent het. Zonder eenig bezwaar voor ons kunnen we je dit afstaan en ik ben er zeker van dat mijn vader enSéraphinedit besluit zeer zullen toejuichen.”Ik wierp mij op de knieën voor don Alphonse, die mij echter dadelijk oprichtte. Hartelijk dankte ik hem voor zijn edelmoedigheid. In den verderen loop van het gesprek deelde ik hem toen mee, hoe het mij gelukt was die gouverneursplaats voor hem te krijgen. Hij was daar zeer verwonderd over en beweerde nu, dat het niet voldoende was mij het kleine landgoed te geven, maar dat hij mij er ook een jaarlijksch inkomen bij zou schenken.“Neen mijnheer,” zei ik, “te veel bezit is bij mij alleen maar dienstig om mijn hebzucht op te wekken. Dat heb ik maar al te zeer ondervonden. Gaarne neem ik uw landgoed bij Lirias aan en ik zal er gemakkelijk kunnen leven van hetgeen ik nog bovendien bezit. Maar dat is mij voldoende, meer begeer ik niet. Rijkdom behoort niet op een plaats, waar men slechts rust zoekt.”Tijdens ons gesprek kwam don Cesar binnen, die mij eveneens met groote hartelijkheid begroette. Nadat hij van alles op de hoogte was gebracht, brachten vader en zoon mij dadelijk naar een notaris, waar zij een akte van schenking lieten opmaken en die beiden met meer genoegen teekenden, dan zij het een stuk zouden hebben gedaan, dat hun voordeel opleverde. De akte werd mij ter hand gesteld en ik kon van het landgoed bezit gaan nemen wanneerik wilde. Zij gingen daarop naar baron von Steinbach terug en ik begaf mij naar ons hotel, waar ik de verwondering opwekte van Scipio met de mededeeling, dat wij een landgoed hadden gekregen in Valencia en de wijze vertelde, waarop dat in mijn bezit was gekomen.“Hoeveel zou dat kleine domein waard zijn?” vroeg hij.“Vijfhonderd ducaten rente en ik kan je verzekeren, dat het daar een zeer mooie omgeving is. Als intendant van de heeren de Leyva ben ik er meermalen geweest. Het is een zeer klein landhuis aan de oevers van den Guadalquivar, in een gehucht met nog vijf of zes andere huizen”.“Wat mij zeer bevalt”, riep Scipio, “is dat wij daar goed wild zullen hebben, met wijn van Bernicarlo en uitstekenden muscaat! Komaan patroon! laten wij ons haasten om de wereld te verlaten en onze eenzaamheid op te zoeken”.“Ik heb niet minder lust dan jij”, antwoordde ik, “maar ik moet eerst nog naar Asturië. Mijn vader en moeder leven daar niet in zeer gelukkige omstandigheden, ik zal hen gaan halen en naar Lirias brengen, waar ze de rest van hun dagen in rust kunnen slijten. De hemel heeft mij misschien deze plaats gegeven, om er hen te ontvangen en zou mij straffen, indien ik dit verzuimde”. Scipio prees mijn voornemen en met spoed maakten wij de toebereidselen voor ons vertrek.
Hoofdstuk IScipio wil Gil Blas laten trouwen en stelt hem de dochter van een rijken en beroemden goudsmid voor. De stappen, die daartoe worden gedaan.Op een avond dat het gezelschap, dat bij mij gesoupeerd had, was vertrokken, bevond ik mij alleen met Scipio. Ik vroeg hem wat hij dien dag had gedaan. “Een meesterwerk,” antwoordde hij. “Ik wil u rijk laten trouwen met de eenige dochter van een goudsmid, dien ik ken.”“De dochter van een goudsmid!” riep ik op minachtenden toon. “Ben je gek geworden, dat je me zulk een burgerlijk meisje durft voor te stellen? Wanneer men zijn verdiensten heeft en men heeft aan het hof een zekere positie, dan heeft men het recht zijn blikken verder te doen reiken.”“Nu mijnheer, sla maar zoo’n toon niet aan! Denk er aan, dat het de man is, die den adel bepaalt en weet wel, dat het een partij is van minstens honderd duizend ducaten! Is dat niet een mooi stuk goudsmidswerk?”Toen ik van die groote som hoorde, werd ik meer handelbaar en zei tegen mijn secretaris: “Ik geef mij over. De bruidschat doet me beslissen! Wanneer kan ik dat geld opnemen?” “Zachtjes aan, mijnheer! Een beetje geduld. Eerst moet ik de zaak nog aan den vader meedeelen.”Lachend riep ik: “dat huwelijk is dus nog niet ver gevorderd!” Hij antwoordde mij: “Verder dan ge denkt. Als ik maar een uur met den goudsmid heb gesproken, sta ik u voor zijn toestemming in. Maar voor wij verder gaan, moeten wij eerst iets afspreken. Onderstel, dat u die honderdduizend ducaten krijgt, hoeveel geeft u er mij danvan?” “Twintig duizend,” antwoordde ik. “De hemel zij geprezen!” riep hij. “Ik had gedacht, dat uw edelmoedigheid zich tot tien duizend zou bepalen. Ik zal morgen die zaak ter hand nemen en ge kunt er verzekerd van zijn, dat ze zal gelukken.”Werkelijk zei hij twee dagen later: “Ik heb gesproken met mijnheer Gabriel de Salers—zoo heet mijn goudsmid—en ik heb hem zooveel verdienstelijks van u verteld, dat hij een willig oor heeft geleend aan mijn voorstel, om u tot schoonzoon te nemen. Ge zult zijn dochter hebben, met honderd duizend ducaten, mits ge hem duidelijk aantoont, dat gij in de gunst staat bij den minister.”“Als het daarvan afhangt,” zei ik, “zal ik wel spoedig getrouwd zijn. Maar zeg mij eens: heb je het meisje gezien? Hoe is zij?”“Niet zoo mooi als haar bruidschat. Maar daar zult ge u zeker wel niet om bekommeren?”“Wel neen, mijn vriend. Wij heeren van het hof trouwen alleen om getrouwd te zijn. Wij zoeken de schoonheid alleen bij de vrouwen van onze vrienden en wanneer bij toeval de onze ze bezit, den schenken wij daar zoo weinig aandacht aan, dat zij groot gelijk hebben, wanneer zij ons ervoor straffen.”Scipio vervolgde: “Mijnheer Gabriel geeft vanavond een souper. Wij zijn overeengekomen, dat ge niet over het voorgenomen huwelijk zult spreken. Hij noodigt verschillende vrienden uit en gij zult als een gewone gast zijn. Morgenavond geeft gij op dezelfde wijze een souper. Ge ziet, dat het een man is, die u eerst wil bestudeeren, voordat de zaak wordt beklonken. Het zal dus goed zijn, dat ge u een weinig in acht neemt.”“Wel voor den duivel!” riep ik vol zelfvertrouwen, “laat hij mij maar bestudeeren zooveel hij wil; ik kan bij dat onderzoek slechts winnen.”Het gebeurde zooals was afgesproken. Ik ging naar den goudsmid, die mij zoo familiaar ontving, alsof wij elkaar reeds verscheiden malen hadden ontmoet. Hij scheen mijeen goede man en stelde mij dadelijk voor aan senora Egénia, zijn vrouw, en de jonge Gabriella, zijn dochter. Ik maakte eenige complimentjes en sprak in zeer fraaie woorden over allerlei nietigheden.Wat mijn secretaris mij ook van haar had gezegd, scheen Gabriella mij toch niet leelijk, misschien wel omdat ze zoo mooi was gekleed, of mogelijk bekeek ik haar wel door haar bruidschat heen. Een goed huis, dat van mijnheer Gabriel! Er was daarin geloof ik meer zilver dan in de mijnen van Peru. Overal zag men dat metaal, onder duizend verschillende vormen. Elke kamer, en vooral die, waar wij aan tafel gingen, was een schat. Welk een gezicht voor een schoonzoon. De schoonvader had vijf of zes kooplieden gevraagd, allen ernstige en vervelende personen. Zij spraken alleen over den handel en hun conversatie was meer een gesprek over zaken, dan een gezellig onderhoud van vrienden, die met elkaar soupeeren.Den volgenden avond ontving ik den goudsmid. Daar ik niet kon schitteren door mijn zilverwerk, had ik iets anders uitgevonden. Ik noodigde aan het souper diegenen van mijn vrienden, die een goed figuur maakten aan het hof, eerzuchtig waren en geen grenzen stelden aan hunne begeerten. Mijn gasten spraken slechts over grootheid en schitterende en voordeelige posten, die ze najoegen. Dat miste zijn uitwerking niet. Gabriel, de burgerman, zeer onder den indruk van al hunne groote ideeën, gevoelde zich niettegenstaande al zijn rijkdom klein tegenover al die groote heeren. Wat mij betreft, ik deed alsof ik matig was in mijn wenschen en mij tevreden stelde met een middelmatig fortuin van twintigduizend pistolen rente, waarop mijn vrienden uitriepen, dat ik dwaas was en dat ik bemind als ik was bij den eersten minister, met zoo weinig niet tevreden behoefde te zijn. De schoonvader verloor geen enkel van die woorden en ik kon merken, dat hij zeer voldaan was, toen hij heenging.Scipio zocht hem den volgenden morgen op om hem te vragen of hij tevreden was. Hij kreeg ten antwoord: “Uwmeester bevalt mij buitengewoon goed, maar wij zijn oude kennissen, laten we dus eerlijk met elkaar spreken. Wij hebben zooals ge weet, allen ons zwak. Zeg mij die van mijnheer de Santillano. Speelt hij, of houdt hij veel van galante avonturen? Welke slechte neigingen heeft hij? Verberg mij niets.” Scipio zei: “Ge beleedigt mij, mijnheer Gabriel, door mij die vragen te doen. Ik werk meer in uw belang, dan in dat van mijn meester. Indien hij slechte eigenschappen bezat, geschikt om uw dochter ongelukkig te maken, dan zou ik het nooit gewaagd hebben hem als uw schoonzoon voor te stellen. Ik kan bij hem geen andere fout vinden, dan dat hij geen fouten heeft. Hij is te verstandig voor een jongen man.” “Zooveel te beter,” hernam de goudsmid, “dat doet mij genoegen. Nu mijn vriend, ge kunt hem verzekeren, dat hij mijn dochter zal hebben, zelfs al stond hij niet in de gunst bij den minister.”Zoodra mijn secretaris mij dit onderhoud had meegedeeld, ging ik naar de Salero, om hem te bedanken voor de gunstige beschikking, die hij ten opzichte van mij had genomen. Zijn vrouw en dochter had hij reeds van de zaak gesproken en dat zij geen bezwaar hadden gemaakt, merkte ik aan de houding, die zij tegenover mij aannamen. Ik stelde nog dienzelfden dag mijn aanstaanden schoonvader voor aan den hertog de Lerme, die ik den vorigen avond had ingelicht. De minister ontving hem zeer vriendelijk en betuigde zijn vreugde, dat hij tot schoonzoon iemand had gekozen, van wien hij zooveel hield en dien hij zou vooruithelpen. Verder zei hij nog zooveel goeds van mij, dat de goede Gabriel meende, dat hij in heel Spanje voor zijn dochter geen betere partij zou hebben kunnen vinden. Hij was er zoo door geroerd, dat hij tranen in de oogen kreeg. Hartelijk nam hij afscheid van mij toen wij scheidden en zei: “Mijn zoon, ik verlang er zoo naar, u als de echtgenoot van Gabriella te zien, dat ge het binnen acht dagen zijn zult.”
Op een avond dat het gezelschap, dat bij mij gesoupeerd had, was vertrokken, bevond ik mij alleen met Scipio. Ik vroeg hem wat hij dien dag had gedaan. “Een meesterwerk,” antwoordde hij. “Ik wil u rijk laten trouwen met de eenige dochter van een goudsmid, dien ik ken.”
“De dochter van een goudsmid!” riep ik op minachtenden toon. “Ben je gek geworden, dat je me zulk een burgerlijk meisje durft voor te stellen? Wanneer men zijn verdiensten heeft en men heeft aan het hof een zekere positie, dan heeft men het recht zijn blikken verder te doen reiken.”
“Nu mijnheer, sla maar zoo’n toon niet aan! Denk er aan, dat het de man is, die den adel bepaalt en weet wel, dat het een partij is van minstens honderd duizend ducaten! Is dat niet een mooi stuk goudsmidswerk?”
Toen ik van die groote som hoorde, werd ik meer handelbaar en zei tegen mijn secretaris: “Ik geef mij over. De bruidschat doet me beslissen! Wanneer kan ik dat geld opnemen?” “Zachtjes aan, mijnheer! Een beetje geduld. Eerst moet ik de zaak nog aan den vader meedeelen.”
Lachend riep ik: “dat huwelijk is dus nog niet ver gevorderd!” Hij antwoordde mij: “Verder dan ge denkt. Als ik maar een uur met den goudsmid heb gesproken, sta ik u voor zijn toestemming in. Maar voor wij verder gaan, moeten wij eerst iets afspreken. Onderstel, dat u die honderdduizend ducaten krijgt, hoeveel geeft u er mij danvan?” “Twintig duizend,” antwoordde ik. “De hemel zij geprezen!” riep hij. “Ik had gedacht, dat uw edelmoedigheid zich tot tien duizend zou bepalen. Ik zal morgen die zaak ter hand nemen en ge kunt er verzekerd van zijn, dat ze zal gelukken.”
Werkelijk zei hij twee dagen later: “Ik heb gesproken met mijnheer Gabriel de Salers—zoo heet mijn goudsmid—en ik heb hem zooveel verdienstelijks van u verteld, dat hij een willig oor heeft geleend aan mijn voorstel, om u tot schoonzoon te nemen. Ge zult zijn dochter hebben, met honderd duizend ducaten, mits ge hem duidelijk aantoont, dat gij in de gunst staat bij den minister.”
“Als het daarvan afhangt,” zei ik, “zal ik wel spoedig getrouwd zijn. Maar zeg mij eens: heb je het meisje gezien? Hoe is zij?”
“Niet zoo mooi als haar bruidschat. Maar daar zult ge u zeker wel niet om bekommeren?”
“Wel neen, mijn vriend. Wij heeren van het hof trouwen alleen om getrouwd te zijn. Wij zoeken de schoonheid alleen bij de vrouwen van onze vrienden en wanneer bij toeval de onze ze bezit, den schenken wij daar zoo weinig aandacht aan, dat zij groot gelijk hebben, wanneer zij ons ervoor straffen.”
Scipio vervolgde: “Mijnheer Gabriel geeft vanavond een souper. Wij zijn overeengekomen, dat ge niet over het voorgenomen huwelijk zult spreken. Hij noodigt verschillende vrienden uit en gij zult als een gewone gast zijn. Morgenavond geeft gij op dezelfde wijze een souper. Ge ziet, dat het een man is, die u eerst wil bestudeeren, voordat de zaak wordt beklonken. Het zal dus goed zijn, dat ge u een weinig in acht neemt.”
“Wel voor den duivel!” riep ik vol zelfvertrouwen, “laat hij mij maar bestudeeren zooveel hij wil; ik kan bij dat onderzoek slechts winnen.”
Het gebeurde zooals was afgesproken. Ik ging naar den goudsmid, die mij zoo familiaar ontving, alsof wij elkaar reeds verscheiden malen hadden ontmoet. Hij scheen mijeen goede man en stelde mij dadelijk voor aan senora Egénia, zijn vrouw, en de jonge Gabriella, zijn dochter. Ik maakte eenige complimentjes en sprak in zeer fraaie woorden over allerlei nietigheden.
Wat mijn secretaris mij ook van haar had gezegd, scheen Gabriella mij toch niet leelijk, misschien wel omdat ze zoo mooi was gekleed, of mogelijk bekeek ik haar wel door haar bruidschat heen. Een goed huis, dat van mijnheer Gabriel! Er was daarin geloof ik meer zilver dan in de mijnen van Peru. Overal zag men dat metaal, onder duizend verschillende vormen. Elke kamer, en vooral die, waar wij aan tafel gingen, was een schat. Welk een gezicht voor een schoonzoon. De schoonvader had vijf of zes kooplieden gevraagd, allen ernstige en vervelende personen. Zij spraken alleen over den handel en hun conversatie was meer een gesprek over zaken, dan een gezellig onderhoud van vrienden, die met elkaar soupeeren.
Den volgenden avond ontving ik den goudsmid. Daar ik niet kon schitteren door mijn zilverwerk, had ik iets anders uitgevonden. Ik noodigde aan het souper diegenen van mijn vrienden, die een goed figuur maakten aan het hof, eerzuchtig waren en geen grenzen stelden aan hunne begeerten. Mijn gasten spraken slechts over grootheid en schitterende en voordeelige posten, die ze najoegen. Dat miste zijn uitwerking niet. Gabriel, de burgerman, zeer onder den indruk van al hunne groote ideeën, gevoelde zich niettegenstaande al zijn rijkdom klein tegenover al die groote heeren. Wat mij betreft, ik deed alsof ik matig was in mijn wenschen en mij tevreden stelde met een middelmatig fortuin van twintigduizend pistolen rente, waarop mijn vrienden uitriepen, dat ik dwaas was en dat ik bemind als ik was bij den eersten minister, met zoo weinig niet tevreden behoefde te zijn. De schoonvader verloor geen enkel van die woorden en ik kon merken, dat hij zeer voldaan was, toen hij heenging.
Scipio zocht hem den volgenden morgen op om hem te vragen of hij tevreden was. Hij kreeg ten antwoord: “Uwmeester bevalt mij buitengewoon goed, maar wij zijn oude kennissen, laten we dus eerlijk met elkaar spreken. Wij hebben zooals ge weet, allen ons zwak. Zeg mij die van mijnheer de Santillano. Speelt hij, of houdt hij veel van galante avonturen? Welke slechte neigingen heeft hij? Verberg mij niets.” Scipio zei: “Ge beleedigt mij, mijnheer Gabriel, door mij die vragen te doen. Ik werk meer in uw belang, dan in dat van mijn meester. Indien hij slechte eigenschappen bezat, geschikt om uw dochter ongelukkig te maken, dan zou ik het nooit gewaagd hebben hem als uw schoonzoon voor te stellen. Ik kan bij hem geen andere fout vinden, dan dat hij geen fouten heeft. Hij is te verstandig voor een jongen man.” “Zooveel te beter,” hernam de goudsmid, “dat doet mij genoegen. Nu mijn vriend, ge kunt hem verzekeren, dat hij mijn dochter zal hebben, zelfs al stond hij niet in de gunst bij den minister.”
Zoodra mijn secretaris mij dit onderhoud had meegedeeld, ging ik naar de Salero, om hem te bedanken voor de gunstige beschikking, die hij ten opzichte van mij had genomen. Zijn vrouw en dochter had hij reeds van de zaak gesproken en dat zij geen bezwaar hadden gemaakt, merkte ik aan de houding, die zij tegenover mij aannamen. Ik stelde nog dienzelfden dag mijn aanstaanden schoonvader voor aan den hertog de Lerme, die ik den vorigen avond had ingelicht. De minister ontving hem zeer vriendelijk en betuigde zijn vreugde, dat hij tot schoonzoon iemand had gekozen, van wien hij zooveel hield en dien hij zou vooruithelpen. Verder zei hij nog zooveel goeds van mij, dat de goede Gabriel meende, dat hij in heel Spanje voor zijn dochter geen betere partij zou hebben kunnen vinden. Hij was er zoo door geroerd, dat hij tranen in de oogen kreeg. Hartelijk nam hij afscheid van mij toen wij scheidden en zei: “Mijn zoon, ik verlang er zoo naar, u als de echtgenoot van Gabriella te zien, dat ge het binnen acht dagen zijn zult.”
Hoofdstuk IIDoor welk toeval Gil Blas zich don Alphonse de Leyva herinnerde en van den dienst, dien hij hem, uit ijdelheid bewees.Laten wij mijn huwelijk een oogenblik rusten. De volgorde in mijn geschiedenis eischt, dat ik vertel van den dienst, dien ik bewees aan don Alphonse, mijn ouden meester. Ik had dien edelman bijna geheel vergeten en ziehier bij welke gelegenheid ik weer aan hem werd herinnerd.In dien tijd kwam de betrekking van gouverneur der stad Valencia vacant. Toen ik dit nieuws vernam, dacht ik aan don Alphonse de Leyva. Die betrekking zou bij uitstek voor hem geschikt zijn en minder misschien uit vriendschap dan uit zucht om te pralen, vroeg ik haar voor hem; als dat gebeurde, zou het een buitengewoon groote eer voor mij zijn. Ik richtte mij dus tot den hertog de Lerme, zei, dat ik intendant was geweest van don Cesar de Leyva en zijn zoon, dat ik alle redenen had om hen te prijzen en dus voor een van hen die betrekking vroeg. De minister antwoordde mij: “Zeer gaarne, Gil Blas. Het doet mij genoegen te zien, dat je dankbaar bent. Overigens sprak je van een familie voor welke ik achting heb. De Leyva’s zijn goede dienaren van den koning, zij verdienen die plaats wel. Beschik daarover naar goedvinden. Ik geef je haar als bruidsgeschenk.”Ten zeerste erover verheugd, dat mijn plan zoo goed was geslaagd, ging ik zonder tijd te verliezen naar Calderone, om de zaak in orde te laten maken. Er waren vele personen bij hem, die in eerbiedige stilte wachtten, tot Rodrigohenaudiëntiewilde verleenen. Toen hij mij zag, brak hij plotseling het gesprek, waarin hij met een van de heeren gewikkeld was, af en kwam naar mij toe met een zoo vriendschappelijke begroeting, dat ik er verbaasd over was. “Wel mijn waarde collega, wat verschaft mij het genoegen u te zien? Waarmee kan ik u van dienst zijn?”Toen ik hem vertelde, welke de zaak was, die mij tot hem voerde, gaf hij mij dadelijk de verzekering, dat den volgenden morgen de noodige stukken zouden gereed zijn. Hij bepaalde zich niet tot die beleefdheid, maar bracht mij zelf naar de deur van de antichambre, wat hij anders nooit deed, dan bij zeer groote heeren.Onder het heengaan dacht ik: “Wat beteekent al die beleefdheid? Zou Calderone het op mijn val toeleggen? Of wil hij mijn vriendschap winnen en probeeren nu zijn gelukster aan het dalen is, dat ik hem in een gunstig licht zal stellen bij onzen patroon?” Ik wist niet, waaraan ik mij te houden had. Den volgenden morgen nam hij weer diezelfde houding tegenover mij aan. Tegen andere menschen met wie hij sprak, was hij dien morgen al zeer onbeleefd, den een snauwde hij af, voor den ander had hij geen woord over; maar ze werden allen gewroken door een voorval, dat ik niet met stilzwijgen mag laten voorbijgaan.Een zeer eenvoudig gekleed man, die er uitzag alsof hij beneden zijn stand gekleed was, naderde Calderone en sprak hem van een zekere memorie, die hij bij den hertog de Lerme had ingediend. Don Rodrigo keek den spreker nauwelijks aan en zei op bruusken toon: “Hoe heet ge?” Hij kreeg tot antwoord: “Men noemde mij in mijn jeugd Francillo, later don Francisco de Zuniga en thans graaf de Pedrosa”. Calderone, die nu merkte, dat hij met iemand van den hoogsten stand te doen had, wilde zich nu verontschuldigen. “Neem mij niet kwalijk, ik kende u niet....” De ander viel hem in de rede: “Ik bedank voor uw verontschuldigingen, evenals voor uw onbeleefdheden. Een secretaris van een minister moet iedereen beleefd ontvangen.Wees, als ge wilt, ijdel genoeg om u te beschouwen als den plaatsvervanger van uw meester, maar vergeet niet, dat ge zijn ondergeschikte zijt.”De trotsche don Rodrigo was niet weinig uit het veld geslagen door die vermaning. Ik voor mij leerde er uit, dat ik in het vervolg goed zou opletten tegen wien ik sprak op mijn audienties en alleen onhebbelijk zou zijn tegen doofstommen.Daar de papieren van don Alphonse gereed waren, zond ik die per expresbode met een brief van den hertog de Lerme, waarin deze hem kennis gaf, dat de koning hem had benoemd tot gouverneur van Valencia. Ik voegde er geen brief van mezelf bij over mijn bemoeiïngen in deze zaak, maar wilde het genoegen hebben dit hem mondeling mee te deelen, als hij naar Madrid moest komen om den eed af te leggen.
Laten wij mijn huwelijk een oogenblik rusten. De volgorde in mijn geschiedenis eischt, dat ik vertel van den dienst, dien ik bewees aan don Alphonse, mijn ouden meester. Ik had dien edelman bijna geheel vergeten en ziehier bij welke gelegenheid ik weer aan hem werd herinnerd.
In dien tijd kwam de betrekking van gouverneur der stad Valencia vacant. Toen ik dit nieuws vernam, dacht ik aan don Alphonse de Leyva. Die betrekking zou bij uitstek voor hem geschikt zijn en minder misschien uit vriendschap dan uit zucht om te pralen, vroeg ik haar voor hem; als dat gebeurde, zou het een buitengewoon groote eer voor mij zijn. Ik richtte mij dus tot den hertog de Lerme, zei, dat ik intendant was geweest van don Cesar de Leyva en zijn zoon, dat ik alle redenen had om hen te prijzen en dus voor een van hen die betrekking vroeg. De minister antwoordde mij: “Zeer gaarne, Gil Blas. Het doet mij genoegen te zien, dat je dankbaar bent. Overigens sprak je van een familie voor welke ik achting heb. De Leyva’s zijn goede dienaren van den koning, zij verdienen die plaats wel. Beschik daarover naar goedvinden. Ik geef je haar als bruidsgeschenk.”
Ten zeerste erover verheugd, dat mijn plan zoo goed was geslaagd, ging ik zonder tijd te verliezen naar Calderone, om de zaak in orde te laten maken. Er waren vele personen bij hem, die in eerbiedige stilte wachtten, tot Rodrigohenaudiëntiewilde verleenen. Toen hij mij zag, brak hij plotseling het gesprek, waarin hij met een van de heeren gewikkeld was, af en kwam naar mij toe met een zoo vriendschappelijke begroeting, dat ik er verbaasd over was. “Wel mijn waarde collega, wat verschaft mij het genoegen u te zien? Waarmee kan ik u van dienst zijn?”
Toen ik hem vertelde, welke de zaak was, die mij tot hem voerde, gaf hij mij dadelijk de verzekering, dat den volgenden morgen de noodige stukken zouden gereed zijn. Hij bepaalde zich niet tot die beleefdheid, maar bracht mij zelf naar de deur van de antichambre, wat hij anders nooit deed, dan bij zeer groote heeren.
Onder het heengaan dacht ik: “Wat beteekent al die beleefdheid? Zou Calderone het op mijn val toeleggen? Of wil hij mijn vriendschap winnen en probeeren nu zijn gelukster aan het dalen is, dat ik hem in een gunstig licht zal stellen bij onzen patroon?” Ik wist niet, waaraan ik mij te houden had. Den volgenden morgen nam hij weer diezelfde houding tegenover mij aan. Tegen andere menschen met wie hij sprak, was hij dien morgen al zeer onbeleefd, den een snauwde hij af, voor den ander had hij geen woord over; maar ze werden allen gewroken door een voorval, dat ik niet met stilzwijgen mag laten voorbijgaan.
Een zeer eenvoudig gekleed man, die er uitzag alsof hij beneden zijn stand gekleed was, naderde Calderone en sprak hem van een zekere memorie, die hij bij den hertog de Lerme had ingediend. Don Rodrigo keek den spreker nauwelijks aan en zei op bruusken toon: “Hoe heet ge?” Hij kreeg tot antwoord: “Men noemde mij in mijn jeugd Francillo, later don Francisco de Zuniga en thans graaf de Pedrosa”. Calderone, die nu merkte, dat hij met iemand van den hoogsten stand te doen had, wilde zich nu verontschuldigen. “Neem mij niet kwalijk, ik kende u niet....” De ander viel hem in de rede: “Ik bedank voor uw verontschuldigingen, evenals voor uw onbeleefdheden. Een secretaris van een minister moet iedereen beleefd ontvangen.Wees, als ge wilt, ijdel genoeg om u te beschouwen als den plaatsvervanger van uw meester, maar vergeet niet, dat ge zijn ondergeschikte zijt.”
De trotsche don Rodrigo was niet weinig uit het veld geslagen door die vermaning. Ik voor mij leerde er uit, dat ik in het vervolg goed zou opletten tegen wien ik sprak op mijn audienties en alleen onhebbelijk zou zijn tegen doofstommen.
Daar de papieren van don Alphonse gereed waren, zond ik die per expresbode met een brief van den hertog de Lerme, waarin deze hem kennis gaf, dat de koning hem had benoemd tot gouverneur van Valencia. Ik voegde er geen brief van mezelf bij over mijn bemoeiïngen in deze zaak, maar wilde het genoegen hebben dit hem mondeling mee te deelen, als hij naar Madrid moest komen om den eed af te leggen.
Hoofdstuk IIIVan de toebereidselen voor het huwelijk van Gil Blas en van de groote gebeurtenissen, die ze overbodigmaakten.Laten wij terugkeeren tot mijn schoone Gabrielle. Ik moest haar dus binnen acht dagen trouwen. Wij bereidden ons beiden op die plechtigheid voor. Salero liet rijke kleeren maken voor de bruid en ik huurde voor haar een kamenier, een lakei en een ouden stalknecht, allen gekozen door Scipio, die nog met meer ongeduld dan ik den dag afwachtte, waarop mij de bruidschat zou worden uitgekeerd.Den avond voor dien grooten dag, soupeerde ik bij den schoonvader met ooms en tantes, neven en nichten. Ik huichelde heel goed den dankbaren schoonzoon, betuigde den goudsmid en zijn vrouw honderdmaal mijn erkentelijkheid, speelde den hartstochtelijk verliefde bij het meisje, maakte mij aangenaam bij alle leden van de familie, wier platte conversatie en burgerlijke manieren mij aanstoot gaven. Er was er niet een, die zich niet verheugde over deze verbintenis.Toen het souper geëindigd was, ging het gezelschap naar een groote zaal, waar een concert was, dat hoewel niet door de eerste krachten van Madrid gegeven, toch niet slecht was. De muziek deed ons zoo aangenaam aan, dat er zelfs gedanst werd.Bij het weggaan zei Salero: “Adieu schoonzoon, ik zal u morgen den bruidschat komen brengen in schoone gouden stukken.” Ik antwoordde: “Mijn waarde schoonvader, ge zult mij welkom zijn.” Na de familie te hebben gegroet,stapte ik in mijn rijtuig, dat voor de deur op mij wachtte en ging naar huis.Nauwelijks was ik tweehonderd pas van het huis van Gabriel verwijderd, of vijftien of twintig man, sommigen tevoet en anderen te paard, allen gewapend met rapieren en karabijnen, omringden mijn rijtuig, hielden het aan en riepen: “In naam des konings!” Zij lieten mij uitstappen en plaatsten mij in een koets, waarin ook de aanvoerder stapte, die daarna zei, dat men de richting moest inslaan naarSégovië. Ik onderstelde, dat ik een gerechtsdienaar naast mij had en wilde hem ondervragen over de redenen van mijn gevangenneming, maar hij antwoordde mij op den toon van die heeren, d.w.z. brutaal, dat hij mij geen rekenschap had te geven. Ik zei hem, dat men zich misschien vergiste. “Neen, neen, ik ben zeker van mijn zaak. Ge zijt mijnheer de Santillano en ik heb opdracht u te brengen, waar ge nu heengevoerd wordt.” Daar ik niets op die woorden te zeggen had, zweeg ik verder. Het overige van den nacht reden wij in stilte door. Wij verwisselden van paarden te Colmenar en kwamen tegen den avond inSégovië, waar men mij in den toren opsloot.
Laten wij terugkeeren tot mijn schoone Gabrielle. Ik moest haar dus binnen acht dagen trouwen. Wij bereidden ons beiden op die plechtigheid voor. Salero liet rijke kleeren maken voor de bruid en ik huurde voor haar een kamenier, een lakei en een ouden stalknecht, allen gekozen door Scipio, die nog met meer ongeduld dan ik den dag afwachtte, waarop mij de bruidschat zou worden uitgekeerd.
Den avond voor dien grooten dag, soupeerde ik bij den schoonvader met ooms en tantes, neven en nichten. Ik huichelde heel goed den dankbaren schoonzoon, betuigde den goudsmid en zijn vrouw honderdmaal mijn erkentelijkheid, speelde den hartstochtelijk verliefde bij het meisje, maakte mij aangenaam bij alle leden van de familie, wier platte conversatie en burgerlijke manieren mij aanstoot gaven. Er was er niet een, die zich niet verheugde over deze verbintenis.
Toen het souper geëindigd was, ging het gezelschap naar een groote zaal, waar een concert was, dat hoewel niet door de eerste krachten van Madrid gegeven, toch niet slecht was. De muziek deed ons zoo aangenaam aan, dat er zelfs gedanst werd.
Bij het weggaan zei Salero: “Adieu schoonzoon, ik zal u morgen den bruidschat komen brengen in schoone gouden stukken.” Ik antwoordde: “Mijn waarde schoonvader, ge zult mij welkom zijn.” Na de familie te hebben gegroet,stapte ik in mijn rijtuig, dat voor de deur op mij wachtte en ging naar huis.
Nauwelijks was ik tweehonderd pas van het huis van Gabriel verwijderd, of vijftien of twintig man, sommigen tevoet en anderen te paard, allen gewapend met rapieren en karabijnen, omringden mijn rijtuig, hielden het aan en riepen: “In naam des konings!” Zij lieten mij uitstappen en plaatsten mij in een koets, waarin ook de aanvoerder stapte, die daarna zei, dat men de richting moest inslaan naarSégovië. Ik onderstelde, dat ik een gerechtsdienaar naast mij had en wilde hem ondervragen over de redenen van mijn gevangenneming, maar hij antwoordde mij op den toon van die heeren, d.w.z. brutaal, dat hij mij geen rekenschap had te geven. Ik zei hem, dat men zich misschien vergiste. “Neen, neen, ik ben zeker van mijn zaak. Ge zijt mijnheer de Santillano en ik heb opdracht u te brengen, waar ge nu heengevoerd wordt.” Daar ik niets op die woorden te zeggen had, zweeg ik verder. Het overige van den nacht reden wij in stilte door. Wij verwisselden van paarden te Colmenar en kwamen tegen den avond inSégovië, waar men mij in den toren opsloot.
Hoofdstuk IVHoe Gil Blas behandeld werd in den toren vanSégoviëen op welke wijze hij de redenen van zijn gevangenneming vernam.Men begon mij in een cachot te stoppen, waar men mij op het stroo liet liggen als een gemeene misdadiger. Ik bracht den nacht door, niet met toe te geven aan mijn droefheid, want ik overzag al mijn leed nog niet, maar met het zoeken naar hetgeen mijn ongeluk kon hebben veroorzaakt. Ik twijfelde er niet aan, of het was het werk van Calderone. Maar al vermoedde ik, dat hij alles had ontdekt, ik begreep niet, hoe hij den hertog de Lerme er toe had kunnen brengen, om mij zoo wreed te behandelen. Nu eens verbeeldde ik mij, dat ik buiten zijn medeweten was gevangen genomen en dan weer dacht ik, dat hij om politieke redenen mij had laten opsluiten, zooals ministers soms doen met hun gunstelingen.Zoo bleef ik in gepeins verzonken tot het daglicht aanbrak en toen eerst kon ik zien, in welk ellendig verblijf ik mij bevond. Ik gaf mij toen aan mijn droefenis over en de tranen liepen mij langs de wangen. Toen ik zoo zat, kwam er een gevangenbewaarder binnen, die mij een stuk brood en een kruik water bracht. Hij scheen innig medelijden met mij te gevoelen, al was hij dan ook een cipier, en zei: “Mijnheer de gevangene, wanhoop niet. Ge moet niet zoo gevoelig zijn voor den tegenspoed in het leven. Ge zijt nog jong; na dezen tijd komt een andere. Eet intusschen het brood van den koning.”Mijn trooster ging weg na die woorden, die ik slechts met een zucht beantwoordde.Ik bracht een ellendigen dag door en werd tegen den avond opgeschrikt door het rinkelen van sleutels. De deur van mijn cachot ging open en een oogenblik later trad een man binnen, die een kandelaar droeg. Hij zei: “Mijnheer Gil Blas, ge ziet een van uw oude vrienden voor u. Ik ben don André de Tordesillas, die met u samenwoonde in Granada, in dienst was van den aartsbisschop en op uw voorspraak een zending kreeg naar Mexico. Inplaats echter van mij in te schepen, bleef ik in Alicante, ik trouwde er en door een reeks van avonturen, die ge later zult vernemen, ben ik gevangenbewaarder geworden inSégovië. Een groot geluk is het voor u in mij een man te ontmoeten, die niets onbeproefd zal laten, om het harde van uw straf te verzachten. Er is mij uitdrukkelijk last gegeven, u met niemand te laten spreken, u op stroo te doen slapen en slechts water en brood tot voedsel te geven. Maar behalve dat ik te menschlievend ben, om geen medelijden met u te gevoelen, hebt ge mij een dienst bewezen en mijn dankbaarheid weegt zwaarder dan de bevelen, die ik heb ontvangen. Sta op en kom mee.”Hoewel de gevangenbewaarder zeker aanspraak mocht maken op mijn dank, kon ik op dat oogenblik geen woorden vinden. Ik volgde hem over een plaats, we beklommen vervolgens een trap en kwamen in een klein kamertje, boven in den toren. Het zag er daar netjes uit, op de tafel stonden twee kandelaars en er was gedekt voor twee personen.Tordesillas zei: “Men zal dadelijk eten brengen. Wij zullen hier soupeeren. Dit vertrekje heb ik voor u bestemd, ge zult het er beter hebben dan in uw cachot. Het uitzicht is mooi, ge zult een goed bed krijgen, goede voeding, boeken, zooveel ge wilt; in één woord het verblijf zal u zoo aangenaam worden gemaakt, als dat voor een gevangene mogelijk is.”Toen bedankte ik mijn bewaarder voor zooveel goeds en ik zei, dat ik nog eens in de gelegenheid hoopte te komen, die te kunnen vergelden. “En waarom zoudt ge die nietvinden?” vroeg hij. “Denkt ge dan, dat ge voor altijd de vrijheid hebt verloren? Indien ge u dat voorstelt, wil ik u wel verzekeren, dat ge u bedriegt. Ik durf u verzekeren, dat ge over eenige maanden weer in vrijheid zult zijn.”“Wat zegt ge, don André? Het schijnt, dat gij er meer van weet”, zei ik.Hij antwoordde mij: “Ik moet u bekennen, dat de gerechtsdienaar, die u heeft hier gebracht, mij het verhaal heeft meegedeeld. Hij heeft mij gezegd, dat ge op een nacht met den graaf de Lemos den prins hebt gebracht bij een verdachte dame. Dat is den koning ter oore gekomen; hij heeft den graaf verbannen en u naar hier gezonden om met alle strengheid te worden behandeld.”Ons gesprek werd gestoord door bedienden, die brood, wijn, hazepeper en een jong kalkoen binnenbrachten. Toen wij alles hadden, zond Tordesillas de bedienden weg, zoodat wij vrijuit konden praten.Mijn gastheer overlaadde mijn bord met vleesch, hij dacht zeker, dat ik uitgehongerd was en had daar ook wel reden toe, om mijn dieet van twee dagen. Maar mijn hart was te vol om met smaak te kunnen eten, hoe goed de tafel ook was. Om mij wat afleiding te geven, spoorde hij mij herhaaldelijk aan om te drinken en vertelde mij allerlei histories, ook die van zijn huwelijk. Ik luisterde, maar was zoo verstrooid, dat ik hem na afloop van het verhaal er niets van had kunnen navertellen. Eindelijk stond hij van tafel op en zei: “Mijnheer de Santillano, ga nu rusten, of liever gezegd, over uw ongeluk denken, zooveel ge wilt. Maar ik herhaal u, het zal niet van langen duur zijn. De koning is goedhartig van natuur en als zijn toorn bedaard is en hij denken zal aan den treurigen toestand, waarin hij zich verbeeldt, dat ge verkeert, dan zal hij u voldoende gestraft achten.” Na deze woorden ging hij weg, de lakeien kwamen afnemen en namen zelfs de kaarsen mee zoodat ik naar bed ging bij het licht van een lampje, dat aan den muur hing.
Men begon mij in een cachot te stoppen, waar men mij op het stroo liet liggen als een gemeene misdadiger. Ik bracht den nacht door, niet met toe te geven aan mijn droefheid, want ik overzag al mijn leed nog niet, maar met het zoeken naar hetgeen mijn ongeluk kon hebben veroorzaakt. Ik twijfelde er niet aan, of het was het werk van Calderone. Maar al vermoedde ik, dat hij alles had ontdekt, ik begreep niet, hoe hij den hertog de Lerme er toe had kunnen brengen, om mij zoo wreed te behandelen. Nu eens verbeeldde ik mij, dat ik buiten zijn medeweten was gevangen genomen en dan weer dacht ik, dat hij om politieke redenen mij had laten opsluiten, zooals ministers soms doen met hun gunstelingen.
Zoo bleef ik in gepeins verzonken tot het daglicht aanbrak en toen eerst kon ik zien, in welk ellendig verblijf ik mij bevond. Ik gaf mij toen aan mijn droefenis over en de tranen liepen mij langs de wangen. Toen ik zoo zat, kwam er een gevangenbewaarder binnen, die mij een stuk brood en een kruik water bracht. Hij scheen innig medelijden met mij te gevoelen, al was hij dan ook een cipier, en zei: “Mijnheer de gevangene, wanhoop niet. Ge moet niet zoo gevoelig zijn voor den tegenspoed in het leven. Ge zijt nog jong; na dezen tijd komt een andere. Eet intusschen het brood van den koning.”
Mijn trooster ging weg na die woorden, die ik slechts met een zucht beantwoordde.
Ik bracht een ellendigen dag door en werd tegen den avond opgeschrikt door het rinkelen van sleutels. De deur van mijn cachot ging open en een oogenblik later trad een man binnen, die een kandelaar droeg. Hij zei: “Mijnheer Gil Blas, ge ziet een van uw oude vrienden voor u. Ik ben don André de Tordesillas, die met u samenwoonde in Granada, in dienst was van den aartsbisschop en op uw voorspraak een zending kreeg naar Mexico. Inplaats echter van mij in te schepen, bleef ik in Alicante, ik trouwde er en door een reeks van avonturen, die ge later zult vernemen, ben ik gevangenbewaarder geworden inSégovië. Een groot geluk is het voor u in mij een man te ontmoeten, die niets onbeproefd zal laten, om het harde van uw straf te verzachten. Er is mij uitdrukkelijk last gegeven, u met niemand te laten spreken, u op stroo te doen slapen en slechts water en brood tot voedsel te geven. Maar behalve dat ik te menschlievend ben, om geen medelijden met u te gevoelen, hebt ge mij een dienst bewezen en mijn dankbaarheid weegt zwaarder dan de bevelen, die ik heb ontvangen. Sta op en kom mee.”
Hoewel de gevangenbewaarder zeker aanspraak mocht maken op mijn dank, kon ik op dat oogenblik geen woorden vinden. Ik volgde hem over een plaats, we beklommen vervolgens een trap en kwamen in een klein kamertje, boven in den toren. Het zag er daar netjes uit, op de tafel stonden twee kandelaars en er was gedekt voor twee personen.
Tordesillas zei: “Men zal dadelijk eten brengen. Wij zullen hier soupeeren. Dit vertrekje heb ik voor u bestemd, ge zult het er beter hebben dan in uw cachot. Het uitzicht is mooi, ge zult een goed bed krijgen, goede voeding, boeken, zooveel ge wilt; in één woord het verblijf zal u zoo aangenaam worden gemaakt, als dat voor een gevangene mogelijk is.”
Toen bedankte ik mijn bewaarder voor zooveel goeds en ik zei, dat ik nog eens in de gelegenheid hoopte te komen, die te kunnen vergelden. “En waarom zoudt ge die nietvinden?” vroeg hij. “Denkt ge dan, dat ge voor altijd de vrijheid hebt verloren? Indien ge u dat voorstelt, wil ik u wel verzekeren, dat ge u bedriegt. Ik durf u verzekeren, dat ge over eenige maanden weer in vrijheid zult zijn.”
“Wat zegt ge, don André? Het schijnt, dat gij er meer van weet”, zei ik.
Hij antwoordde mij: “Ik moet u bekennen, dat de gerechtsdienaar, die u heeft hier gebracht, mij het verhaal heeft meegedeeld. Hij heeft mij gezegd, dat ge op een nacht met den graaf de Lemos den prins hebt gebracht bij een verdachte dame. Dat is den koning ter oore gekomen; hij heeft den graaf verbannen en u naar hier gezonden om met alle strengheid te worden behandeld.”
Ons gesprek werd gestoord door bedienden, die brood, wijn, hazepeper en een jong kalkoen binnenbrachten. Toen wij alles hadden, zond Tordesillas de bedienden weg, zoodat wij vrijuit konden praten.
Mijn gastheer overlaadde mijn bord met vleesch, hij dacht zeker, dat ik uitgehongerd was en had daar ook wel reden toe, om mijn dieet van twee dagen. Maar mijn hart was te vol om met smaak te kunnen eten, hoe goed de tafel ook was. Om mij wat afleiding te geven, spoorde hij mij herhaaldelijk aan om te drinken en vertelde mij allerlei histories, ook die van zijn huwelijk. Ik luisterde, maar was zoo verstrooid, dat ik hem na afloop van het verhaal er niets van had kunnen navertellen. Eindelijk stond hij van tafel op en zei: “Mijnheer de Santillano, ga nu rusten, of liever gezegd, over uw ongeluk denken, zooveel ge wilt. Maar ik herhaal u, het zal niet van langen duur zijn. De koning is goedhartig van natuur en als zijn toorn bedaard is en hij denken zal aan den treurigen toestand, waarin hij zich verbeeldt, dat ge verkeert, dan zal hij u voldoende gestraft achten.” Na deze woorden ging hij weg, de lakeien kwamen afnemen en namen zelfs de kaarsen mee zoodat ik naar bed ging bij het licht van een lampje, dat aan den muur hing.
Hoofdstuk VVan de overdenkingen, die hij dien nacht had, voor hij insliep en van het geluid, dat hem wekte.Twee uur minstens bracht ik door met na te denken over hetgeenTordesillasmij had gezegd. Ik was daar dus, omdat ik bijgedragen had tot het plezier van den erfgenaam der kroon! Welk een onvoorzichtigheid ook, om zulk een dienst te hebben bewezen aan zoo’n jongen prins! Want in zijn jeugd alleen bestond geheel mijn misdaad. Indien hij wat ouder geweest was, zou de koning gelachen hebben, in plaats van zoo vertoornd te zijn zooals nu. Maar wie zou den koning het geheim hebben ontdekt?Tot dit laatste punt kwamen mijn gedachten altijd maar weer terug. Vervolgens begon ik er aan te denken. Al die opeenvolgende gedachten, de vermoeienis, het eten, de wijn, het een met het ander deden mij in een diepen slaap vallen, die zeker tot den dag zou hebben geduurd, indien ik niet was wakker gemaakt door een in de gevangenis ongewoon geluid. Ik hoorde een stem, begeleid door een guitaar. Ik luisterde met aandacht en hoorde niets meer, zoodat ik dacht gedroomd te hebben, maar een oogenblik later werd mijn oor opnieuw getroffen door hetzelfde instrument en door de stem, die ik zooeven had gehoord. Ik kon thans de woorden duidelijk verstaan. Ze luidden:Ay de my! un anno feliceParece un soplo ligero;Perô sin dicha un instanteEs un siglo de tormento.Dat scheen opzettelijk voor mij te zijn vervaardigd. Ik gevoelde maar al te zeer de waarheid van die woorden. De tijd van mijn geluk was snel voorbijgegaan en het was mij, of ik nu al bijna een eeuw in de gevangenis zuchtte. Het daglicht stemde mij wat rustiger. Ik opende mijn raam en vond het uitzicht lang zoo prachtig niet als mijn gastheer het mij had afgeschilderd den vorigen avond.Toen ik bezig was mij te kleeden, kwamTordesillasbinnen, gevolgd door een oude dienstbode, die mij handdoeken, hemden en ander linnen bracht. “En hoe hebt ge den nacht doorgebracht? Hebt ge nog wat kunnen slapen?” vroeg hij. “Ik zou misschien nog slapen,” antwoordde ik hem, “als ik niet gewekt was geworden door een stem begeleid door een guitaar.” Hij hernam: “De heer, die uw rust heeft gestoord, is een staatsgevangene, die zijn kamer naast de uwe heeft. Hij heet don Gaston de Cogollos, is ridder van de militaire orde van Calatrava en een zeer beminnelijk man. Ge kunt elkaar bezoeken en samen eten. Dat is voor u beiden een troost”.Ik betuigde mijn vriendelijken gevangenbewaarder mijn dank voor zijn welwillendheid en maakte denzelfden dag reeds kennis met don Gaston, die mij verrastte door zijn aangenaam uiterlijk en schoonheid. Stel u nu eens voor hoe hij er uit moest zien om oogen te verblinden, gewend aan de schitterende jonge edellieden van het Hof. Hij scheen geschapen voor het geluk, een romanheld, bestemd om slapelooze nachten te bezorgen aan prinsessen. Bovendien had de natuur, die meestal haar giften een beetje verdeelt, hem veel geest en gevoel gegeven. Het was een volmaakte edelman.Wij bevielen elkaar en een vriendschapsband is spoedig gesloten tusschen twee personen, die een ongelukkig lot samenbrengt. Gaarne maakten wij gebruik van de vrijheid die ons was gegeven, om in elkaars gezelschap te zijn.Op een avond, dat ik zijn kamer binnenkwam, wilde hij juist op zijn guitaar gaan spelen. Ik ging zitten en luisterde naar het lied, dat hij er bij zong. De woorden handeldenover de wreedheid van een vrouw. “Daarover zult ge u wel nooit te beklagen gehad hebben?” zei ik tegen hem. “Daarin zoudt ge u wel eens kunnen vergissen”, antwoordde hij. “Ik zal u daarvan een verhaal vertellen, dat tegelijkertijd de geschiedenis van mijn ongeluk is.”
Twee uur minstens bracht ik door met na te denken over hetgeenTordesillasmij had gezegd. Ik was daar dus, omdat ik bijgedragen had tot het plezier van den erfgenaam der kroon! Welk een onvoorzichtigheid ook, om zulk een dienst te hebben bewezen aan zoo’n jongen prins! Want in zijn jeugd alleen bestond geheel mijn misdaad. Indien hij wat ouder geweest was, zou de koning gelachen hebben, in plaats van zoo vertoornd te zijn zooals nu. Maar wie zou den koning het geheim hebben ontdekt?
Tot dit laatste punt kwamen mijn gedachten altijd maar weer terug. Vervolgens begon ik er aan te denken. Al die opeenvolgende gedachten, de vermoeienis, het eten, de wijn, het een met het ander deden mij in een diepen slaap vallen, die zeker tot den dag zou hebben geduurd, indien ik niet was wakker gemaakt door een in de gevangenis ongewoon geluid. Ik hoorde een stem, begeleid door een guitaar. Ik luisterde met aandacht en hoorde niets meer, zoodat ik dacht gedroomd te hebben, maar een oogenblik later werd mijn oor opnieuw getroffen door hetzelfde instrument en door de stem, die ik zooeven had gehoord. Ik kon thans de woorden duidelijk verstaan. Ze luidden:
Ay de my! un anno feliceParece un soplo ligero;Perô sin dicha un instanteEs un siglo de tormento.
Ay de my! un anno felice
Parece un soplo ligero;
Perô sin dicha un instante
Es un siglo de tormento.
Dat scheen opzettelijk voor mij te zijn vervaardigd. Ik gevoelde maar al te zeer de waarheid van die woorden. De tijd van mijn geluk was snel voorbijgegaan en het was mij, of ik nu al bijna een eeuw in de gevangenis zuchtte. Het daglicht stemde mij wat rustiger. Ik opende mijn raam en vond het uitzicht lang zoo prachtig niet als mijn gastheer het mij had afgeschilderd den vorigen avond.
Toen ik bezig was mij te kleeden, kwamTordesillasbinnen, gevolgd door een oude dienstbode, die mij handdoeken, hemden en ander linnen bracht. “En hoe hebt ge den nacht doorgebracht? Hebt ge nog wat kunnen slapen?” vroeg hij. “Ik zou misschien nog slapen,” antwoordde ik hem, “als ik niet gewekt was geworden door een stem begeleid door een guitaar.” Hij hernam: “De heer, die uw rust heeft gestoord, is een staatsgevangene, die zijn kamer naast de uwe heeft. Hij heet don Gaston de Cogollos, is ridder van de militaire orde van Calatrava en een zeer beminnelijk man. Ge kunt elkaar bezoeken en samen eten. Dat is voor u beiden een troost”.
Ik betuigde mijn vriendelijken gevangenbewaarder mijn dank voor zijn welwillendheid en maakte denzelfden dag reeds kennis met don Gaston, die mij verrastte door zijn aangenaam uiterlijk en schoonheid. Stel u nu eens voor hoe hij er uit moest zien om oogen te verblinden, gewend aan de schitterende jonge edellieden van het Hof. Hij scheen geschapen voor het geluk, een romanheld, bestemd om slapelooze nachten te bezorgen aan prinsessen. Bovendien had de natuur, die meestal haar giften een beetje verdeelt, hem veel geest en gevoel gegeven. Het was een volmaakte edelman.
Wij bevielen elkaar en een vriendschapsband is spoedig gesloten tusschen twee personen, die een ongelukkig lot samenbrengt. Gaarne maakten wij gebruik van de vrijheid die ons was gegeven, om in elkaars gezelschap te zijn.
Op een avond, dat ik zijn kamer binnenkwam, wilde hij juist op zijn guitaar gaan spelen. Ik ging zitten en luisterde naar het lied, dat hij er bij zong. De woorden handeldenover de wreedheid van een vrouw. “Daarover zult ge u wel nooit te beklagen gehad hebben?” zei ik tegen hem. “Daarin zoudt ge u wel eens kunnen vergissen”, antwoordde hij. “Ik zal u daarvan een verhaal vertellen, dat tegelijkertijd de geschiedenis van mijn ongeluk is.”
Hoofdstuk VIGeschiedenis van don Gaston de Cogollos en van dona Helena de Galisteo.Het zal weldra vier jaar geleden zijn, dat ik uit Madrid vertrok om te Coria donaEléonorde Laxarilla te bezoeken, mijn tante, een van de rijkste weduwen van Oud-Castilië en die geen andere erfgenamen heeft dan mij. Nauwelijks was ik er aangekomen, of de liefde kwam mijn rust verstoren. Zij gaf mij een kamer, waarvan de vensters uitzagen op de kamer van een dame, die daar tegenover woonde en die zoo schoon was, dat ze dadelijk een diepen indruk op mij maakte. Door de taal der oogen en zelfs door gebaren, trachtte ik haar dat duidelijk te maken; zij bemerkte dat wel, maar was er niet het meisje naar, om daarop te antwoorden.Ik wilde den naam van deze schoone weten en vernam, dat zij dona Helena heette en de eenige dochter was van don Georges de Galisteo, die een landgoed bezat op eenige mijlen afstand van Coria, dat aanzienlijke inkomsten afwierp. Reeds dikwijls hadden zich partijen voor haar voorgedaan, maar haar vader had die alle afgeslagen, omdat hij van plan was haar uit te huwelijken aan don Augustin de Olighera, haar neef, die in afwachting van dit huwelijk de vrijheid had haar iederen dag te bezoeken. Dat ontmoedigde mij niet; integendeel, ik werd nog meer verliefd en ging voort haar vurige blikken toe te werpen. Smeekend keek ik ook Félicia aan, haar kamenier, als om haar hulp in te roepen; maar ’t was alles te vergeefs. Zij bleven wreed en ontoegankelijk voor mij.Daar zij weigerden om op de taal van mijn oogen teantwoorden, nam ik mijn toevlucht tot andere middelen. Ik liet onderzoeken, welke kennissen Félicia in de stad had en vernam, dat zij dikwijls een oude dame bezocht, Théodora. Verheugd over die ontdekking ging ik daar zelf een bezoek brengen en door geschenken wist ik van haar belofte te krijgen, dat ik den volgenden dag een onderhoud in haar huis zou kunnen hebben met de kamenier.Op den bepaalden tijd vond ik haar daar en ik drukte er mijn groote vreugde over uit, dat ik haar kon spreken. Ze antwoordde me: “Mijnheer, mijn vriendin Théodora kan veel van mij gedaan krijgen. Ze stelt belang in u en als ik iets voor u zou kunnen doen, dan zou mij dat aangenaam wezen, maar met den besten wil geloof ik niet, dat ik u van veel dienst kan zijn. Ge moet u niet met hoop vleien, ge hebt nooit voor een moeilijker onderneming gestaan. Ge bemint een dame, bestemd voor een ander en welk een dame! Eene, die zoo trotsch is, dat wanneer ze al door uw zuchten zou worden bewogen, ze het toch niet zou laten merken.”“Mijn beste Félicia!” riep ik smartelijk. “Waarom schildert ge mij die moeilijkheden zoo onoverkomelijk af? Misleid me liever, dan dat ge mij wanhopig maakt.” Bij die woorden greep ik haar handen en schoof haar een diamant aan den vinger van driehonderd pistolen. Daarna sprak ik zoo tot haar, dat ze tot tranen toe werd bewogen.Ze was te aangedaan en te dankbaar, om mij troosteloos te laten en scheen de zaak eenigszins lichter te gaan inzien. “Mijnheer, misschien behoeft u niet alle hoop te worden ontnomen. Uw medeminnaar wordt wel niet door haar gehaat. Hij komt zijn nicht vrij bezoeken. Hij spreekt met haar, wanneer het hem behaagt en dat is in uw voordeel. De gewoonte om alle dagen samen te zijn, maakt hun onderhoud een weinig kwijnend. En het schijnt mij, dat ze zonder smart van elkaar scheiden en elkaar zonder genoegen weerzien. Men zou zeggen, dat ze reeds getrouwd zijn. In één woord, mijn meesteres heeft geen levendigen hartstocht voor don Augustin. Overigens is er, wat persoonlijkehoedanigheden betreft, tusschen u en hem een verschil, dat niet onopgemerkt kan blijven voor een zoo fijngevoelig meisje als dona Helena. Geef den moed dus niet op. Ik zal doen, wat ik kan.”Wij scheidden, beiden zeer voldaan over dit onderhoud. Ik bleef dus de dochter van don George verliefde blikken toewerpen en bracht haar zelfs een serenade, waarbij ik de verzen zong, die ge zooeven hebt gehoord.Om haar eens te polsen, vroeg de kamenier aan haar meesteres, hoe haar dat lied was bevallen. Dona Helena antwoordde: “Naar die stem heb ik met genoegen geluisterd.” “En de woorden, hebben die u niet zeer getroffen?” “Daar heb ik in het geheel geen acht op geslagen. Ik heb alleen naar den zang geluisterd, het vers is mij onverschillig evenals de man, die mij deze serenade heeft gebracht.” Félicia zei: “Dat is dan een misrekening voor dien armen don Gaston de Cogollos en ’t is dwaas van hem, om dan altijd zoo naar onze ramen te zien.” Op koelen toon antwoordde de meesteres: “Misschien is hij het niet, mogelijk wel een ander, die mij op zulke wijze zijn liefde verklaart.” “Neen” zei de kamenier, ”’t is niemand anders dan don Gaston. Daarvoor heeft hij mij ook van morgen in de straat aangehouden. Hij heeft mij verzocht u te willen zeggen, dat hij u aanbidt en dat hij zich de gelukkigste van alle stervelingen zou achten, indien ge hem wildet vergunnen u zijn hulde te betuigen.”De dochter van Don George keek haar dienstbode zeer streng aan en zei: “Ge zoudt beter gedaan hebben, indien ge mij niet van dit ongepast onderhoud had gesproken. Laat het niet weer gebeuren, dat ge met dergelijke mededeelingen bij mij komt, en als die vermetele jonge man nog eens tot u durft spreken, gelast ik u hem te zeggen, dat hij zich maar tot andere dames moet wenden, die misschien van galante avonturen houden en dat hij nuttiger bezigheid zoeke dan den geheelen dag door het raam te kijken, naar hetgeen ik in mijn kamers doe.”Dat alles werd mij getrouw oververteld door Félicia,toen ik een tweede onderhoud met haar had. Ze beweerde echter, dat ik mij niet moest laten ontmoedigen door de woorden van hare meesteres. Maar ik meende, dat ik die toch moeilijk in mijn voordeel kon uitleggen. Zij lachte om mijn sombere beschouwingen, vroeg papier en inkt aan haar vriendin en zei: “Mijnheer, schrijf dadelijk als wanhopige geliefde een brief aan dona Helena. Schilder haar levendig uw lijden en beklaag u vooral over het verbod, om aan uw vensters te verschijnen. Beloof, dat ge haar zult gehoorzamen, maar dat het u het leven zal kosten. Richt dien brief maar in, zooals gij heeren dat zoo goed kunt en ik belast mij met de rest.”Ik stelde zulk een brief samen en las hemFéliciavoor, die glimlachend opmerkte, dat indien vrouwen al den slag bezaten om mannen het hoofd op hol te jagen, de mannen op hun beurt de kunst verstonden, om vrouwen te verlokken. Zij nam mijn brief, verzekerde mij, dat het niet aan haar zou liggen, wanneer die geen goede uitwerking had enzeime, dat ik ervoor moest zorgen, gedurende eenige dagen mijn ramen gesloten te houden.Toen zij weer thuiskwam, zei ze tegen dona Helena: “Ik heb don Gaston ontmoet. Hij hield mij dadelijk aan en vroeg met bevende stem en als een schuldige, die zijn vonnis afwacht, of ik u over hem had gesproken. Toen heb ik hem uw antwoord op brutalen toon meegedeeld en hem op straat laten staan.” ”’t Is goed,” zeidonaHelena, “dat ge mij op die wijze van dien man hebt bevrijd; maar het was niet noodig op brutalen toon tot hem te spreken. Een meisje moet altijd zacht blijven.” De kamenier antwoordde: “Men ontdoet zich niet van een hartstochtelijk minnaar door zachte woorden te gebruiken. ’t Is zelfs dikwijls niet genoeg, als men op driftigen toon spreekt. Dat is hier gebleken, want toen ik terugkwam van de boodschappen, die ik voor u had gedaan, stond hij mij op te wachten. Zijn gezicht echter was zóó ontdaan, dat ik, hoewel ik anders nooit om mijn woorden verlegen ben, nu niet spreken kon. Hij duwde mij haastig dit briefje in de hand en verdween”.Féliciaoverhandigde daarop hare meesteres mijn brief, dien zij aannam als om zich er mee te vermaken en hem las. Daarop werd ze eenige oogenblikken stil. “WaarlijkFélicia, ’t is dwaas genoeg geweest dien brief aan te nemen. Wat moet don Gaston daarvan denken? En wat moet ikzelf gelooven? Misschien verbeeldt hij zich op dit oogenblik wel, dat ik zijn brief lees en herlees. Aan die schande heb je mij door je handelwijze blootgesteld.” De kamenier antwoordde: “O neen, die gedachte zal hij niet hebben en indien hij haar al had, dan zou hij er toch niet lang genoegen van hebben, want den eersten den besten keer, dat ik hem zie, zal ik hem zeggen, dat ge zijn brief minachtend hebt aangekeken en daarna verscheurd, zonder hem te hebben gelezen”. “Je kunt er gerust op zweren, dat ik hem niet gelezen heb. Ik zou er geen twee woorden van kunnen herhalen.” Ten slotte verbood zij haar kamenier verder tot haar over mij te spreken.Daar ik beloofd had, niet meer aan mijn raam te zullen komen, hield ik mijn jaloezieën gedurende eenige dagen gesloten. Maar intusschen bereidde ik mijn wreede Helena een nieuwe serenade voor. Ik had enige muzikanten geëngageerd en begaf mij ’s avonds laat met hen onder haar balkon. Reeds stemden ze hunne guitaren, toen een ridder met een degen in de hand op ons toesnelde, rechts en links om zich heen sloeg en de muzikanten op de vlucht joeg. Zijn woede wekte de mijne op. Ik naderde hem en er volgde een hevig gevecht. Dona Helena en haar kamenier hadden het geluid van de degens gehoord en keken door haar jalouzieën naar buiten. Toen ze het gevecht zagen, uitten ze angstkreten, waarop don George en zijn bedienden naar buiten snelden, om de vechtenden te scheiden. Maar zij kwamen te laat, en vonden op het terrein van den strijd slechts één ridder, badende in zijn bloed en bijna zonder leven. Die ongelukkige was ik. Men droeg mij binnen in het huis van mijn tante en de bekwaamste chirurgijns werden geroepen.Iedereen beklaagde mij en inzonderheid dona Helena, dienu een blik gaf in haar hart. Met haar kamenier bracht zij het overige gedeelte van den nacht door met weenen en met het verwenschen van haar neef, don Augustijn, in wien zij den dader vermoedde en die dan ook werkelijk onze serenade op zulk een onaangename wijze had gestoord. Hij scheen opgemerkt te hebben, dat ik zijn nicht het hof maakte, geloofde, dat zij daarvan was gediend en had nu op deze wijze getoond, dat hij niet zoo onverschillig was, als men wel vermoedde.Intusschen werd het treurige ongeval gevolgd door eenheugelijke gebeurtenis, die het spoedig deed vergeten. Hoe gevaarlijk ik ook gewond was, ik herstelde en mijn tante had een onderhoud met don George, waarbij ze hem voor mij de hand van zijn dochter vroeg. Hij stemde daarin toe, omdat hij don Augustijn beschouwde als een man, dien hij waarschijnlijk wel nooit meer zou terugzien. De goede grijsaard was echter bang, dat zijn dochter er iets op tegen zou hebben omdat ze haar neef d’Olighera zoo veel had gezien, maar zij bleek geheel bereid haars vaders wensch op te volgen waaruit men kan opmaken dat in Spanje evenals overal elders de nieuw-aangekomenen een streepje voor hebben bij de vrouwen.Zoodra het kon, had ik een gesprek gehad metFéliciaen van haar vernomen hoe hare meesteres getreurd had over het ongeluk, dat mij was overkomen. Ik kon er niet aan twijfelen, of ik was de Paris van mijn Helena geworden en zegende mijn wond, omdat die zulke gelukkige gevolgen had gehad voor mijn liefde.Van don George kreeg ik toestemming om met zijn dochter te spreken in tegenwoordigheid van haar kamenier. Wat was dat onderhoud heerlijk voor mij! Ik drong er bij haar op aan mij te zeggen of ik dit geluk alleen had te danken aan haar gehoorzaamheid aan haar vader. Zij verzekerde mij, dat dit niet het geval was en nu volgde voor mij een zeer gelukkige tijd. Onze bruiloft zou een groot feest zijn, waarop de geheele adel van Coria en omstreken zou schitteren. Voor dien tijd gaf ik een partij op een landgoed, dat mijn tante buiten de stad bezat. Terwijl wij aan tafel zaten, kwam een man in de zaal, die mij voor een zeer gewichtige zaak te spreken vroeg. Ik volgde den onbekende, die het uiterlijk had van een kamerdienaar en mij een brief gaf van den volgenden inhoud:“Indien de eer u dierbaar is, zooals ze het moet zijn aan alle ridders van uw orde, dan zult ge u morgenochtend bevinden op het plein van Manroi. Ge zult er een ridder vinden, die u rekenschap zal geven van de beleediging, die hij u heeft aangedaan en u, indien het kan, buiten staat zal stellen,om dona Helena te huwen. Don Augustin de Olighera”.Heeft de liefde veel macht over de Spanjaarden, de wraak nog meer. Ik las dien brief niet met een rustig hart. Bij het zien van den naamAugustinhad ik bijna de plichten vergeten, welke mij dien dag aan mijn gasten bonden. Het liefst was ik dadelijk mijn vijand gaan opzoeken, maar ik kon het feest niet verstoren en zei daarom tot den man: “Mijn vriend, ge kunt aan den ridder, die u gezonden heeft, zeggen, dat mijn lust om hem weer te zien zoo groot is, dat ik morgen voor zonsopgang op het door hem aangewezen terrein zal zijn.”Daarna ging ik naar mijn gasten terug, nam mijn plaats aan tafel weer in en wist mij zoo goed te beheerschen, dat niemand iets merkte van hetgeen er in mij omging. Als alle anderen nam ik deel aan het feest, dat tegen middernacht geëindigd was. Toen het gezelschap uiteenging bleef ik in het landhuis, onder voorwendsel den volgenden morgen een wandeling te willen doen in de frissche lucht, maar het was alleen om vroeger op de plaats van samenkomst te zijn. In plaats van te gaan slapen, wachtte ik met ongeduld het aanbreken van den dag af. Zoodra die verscheen, besteeg ik mijn beste paard en vertrok geheel alleen. Ik reed in de richting van Manroi en zag een ruiter naderen. Het was mijn medeminnaar, die, toen hij bij mij was, zei: “Het doet mij leed, dat ik voor de tweede maal met u moet samenkomen; maar de schuld daarvan is aan u. Na het avontuur met de serenade, hadt ge er van moeten afzien, om te trachten de gunst van de dochter van Don George te verwerven.” Ik antwoordde: “ge zijt wel trotsch op een voordeel, dat ge misschien minder aan uw behendigheid dan wel aan de duisternis van den nacht hebt te danken.” Ik sprong daarbij op den grond, don Augustin volgde mijn voorbeeld en wij bonden onze paarden aan een boom. Verwoed vielen wij op elkaar aan. Hoewel ik een geoefend schermer was, moet ik zeggen, dat ik met een vijand te doen had, die zijn wapen beter meester was dan ik. Maar gelijk de sterkere dikwijls wordt overwonnendoor den zwakkere, zoo ging het ook hier. Ik wist mijn tegenstander in het hart te treffen en hij viel dood neer.Dadelijk keerde ik naar het landhuis terug, waar ik aan mijn kamerdienaar, op wiens trouw ik rekenen kon, het gebeurde meedeelde, hem gelastte het beste paard te nemen en dadelijk mijn tante op de hoogte te brengen van dit avontuur. Ik zei hem, dat hij haar namens mij om goud en edelgesteenten moest vragen, om mij dat te brengen tePlacencia, waar hij me vinden zou in het eerste hotel bij den ingang van de stad.Mijn bediende, Ramire, kweet zich zoo vlug van die taak, dat hij reeds drie uren na mij in Placencia aankwam. Hij zei me, dat donaEléonormeer verheugd dan bedroefd was over dezen strijd, die mij eens genoegdoening had gegeven na de beleediging door mij ondervonden en ik ontving een groot bedrag aan goud en edelgesteenten, om aangenaam te kunnen reizen, totdat mijn zaak zou zijn geschikt.Ik reisde naar Valencia en scheepte mij te Denia in, om naar Italië te gaan. Helena betreurde mijn afwezigheid en terwijl de familie van Olighera pogingen aanwendde om mij te vinden, verlangde zij naar mijn terugkeer. Reeds was ik zes maanden weg, toen een edelman van de kust van Galicië, don Blas de Combados te Coria kwam, om een erfenis te ontvangen, die hem vruchteloos werd betwist door donMiguelde Caprara, zijn neef.Combados was een knap man, hij was beleefd en geestig en verkeerde weldra met de voorname families in de stad.Hij wist, dat don George een dochter had, wier schoonheid tot nu toe de mannen slechts tot hun ongeluk in liefde had doen ontvlammen. Dit prikkelde zijn nieuwsgierigheid, hij wilde die dame zien. Hij zocht daarom met den vader op een vriendschappelijken voet te komen en slaagde daarin zoo goed, dat de grijsaard hem toestond zijn huis te bezoeken en met zijn dochter te spreken. De Galiciër werd dadelijk verliefd, dat was onvermijdelijk. Don George ontving zijn aanzoek gunstig, maar wilde zijn dochter niet dwingen, hij liet haar meesteres over haar hand. Combados deed, wat hij kon om haar te behagen, maar zij bleef ongevoelig voor zijn hulde en dacht slechts aan mij. Félicia, die ook door den nieuwen minnaar was omgekocht, wendde al haar behendigheid in zijn voordeel aan, don George ondersteunde diens pogingen, maardonaHelena bleef mij trouw.Combados, die zag dat alle pogingen tot nu toe vergeefsch waren geweest, stelde een ander middel voor. Hijbedacht het volgende plan: een koopman te Coria zou een brief omtvangen van een handelsvriend in Italië, waarin na eenige mededeelingen betreffende zaken, te lezen zou zijn: “Sinds korten tijd is aan het hof te Parma een Spaansch edelman aangekomen, don Gaston de Cogollos genaamd. Hij zegt, dat hij de neef en eenige erfgenaam is van een rijke weduwe, die te Coria woont onder den naam vandonaEléonor de Laxarilla. Hij doet aanzoek om de hand van de dochter van een voornaam heer, maar men wil hem die niet geven zonder eerst geïnformeerd te hebben. Bericht mij dus, of ge dien don Gaston kent en waarin het vermogen van zijn tante bestaat. Uw antwoord zal beslissend zijn voor dit huwelijk. Schrijf naar Parma enz. enz.”Dit bedrog scheen den grijsaard een list, wel geoorloofd van een verliefde en Félicia, die nog minder nauwgezet was, juichte het zeer toe. De uitvinding scheen daarom te beter, omdat zij Helena kende als een trotsch meisje, die in staat was oogenblikkelijk een besluit te nemen, indien zij vermoeden had, dat men haar ontrouw was geworden. Don George belastte zich er zelf mee, om haar op de hoogte te brengen en om de zaak nog natuurlijker te maken, zou men haar laten spreken met den koopman, die den nagemaakten brief zou hebben ontvangen.De oude edelman zei dus tegen haar: “Mijn dochter, ik behoef wel niet meer te zeggen, dat onze familieleden mij alle dagen verzoeken om nooit toe te staan, dat de moordenaar van don Augustin mijn schoonzoon wordt. Heden heb ik een nog meer overwegende reden om u te zeggen niet meer aan don Gaston te denken. Hij is een trouwelooze! Ziehier een zeker bewijs daarvan. Lees dezen brief, dien een koopman te Coria uit Italië heeft ontvangen.”De toeleg gelukte. Helena weende eerst een oogenblik, maar haar trotschheid kwam spoedig boven, ze zei, dat ze mij verachtte en bereid was om Combados naar het altaar te volgen. Don George was zeer verheugd en Combados overgelukkig.Zonder te hooren naar de stem der liefde, die voor mijin haar hart sprak, had ze mijn medeminnaar haar hand gereikt. Eenige dagen na het huwelijk begon ze zichzelf wel te verwijten, dat ze overijld had gehandeld en rees het vermoeden bij haar op, dat die brief misschien bedrog was, maar haar echtgenoot liet haar niet veel tijd om daarover te denken. Hij had er den slag van een reeks vermaken uit te vinden, om haar te verstrooien.Zoo leefden zij in een gelukkig huwelijk, toen mijn tante erin slaagde om mijn zaak met de bloedverwanten van don Augustin te schikken. Ze schreef mij dat dadelijk naar Italië en ik keerde onmiddellijk terug. DonaEléonor, die mij het huwelijk van Helena niet per brief had meegedeeld, stelde mij bij mijn aankomst daarvan in kennis. Ze zag welk een diepen indruk die tijding op mij maakte en zei: “Betreur het verlies van een meisje niet, dat u niet trouw is kunnen blijven, ze heeft daardoor getoond, dat ze niet waard is, dat ge aan haar denkt.”Daar mijn tante niet wist, dat men Helena bedrogen had, kon ze mij zeker geen wijzeren raad geven. Ik nam mij dan ook voor dien te volgen, of mij althans onverschillig te houden, indien ik mijn hartstocht niet kon overwinnen. Maar ik kon geen weerstand bieden aan de nieuwsgierigheid om te weten te komen op welke wijze dit huwelijk was tot stand gekomen en bezocht daarom de oude Théodora, van wie ik reeds heb gesproken. Toevallig vond ik bij haar Félicia, die in het geheel niet had verwacht mij weer te zien en dadelijk wilde vertrekken, om eenige opheldering te voorkomen. Maar ik liet haar niet gaan en met moeite gelukte het mij van haar een bekentenis te krijgen van alles wat er was gebeurd. Zij zag, dat ik wanhopig was en om mij te troosten beloofde zij mij weder haar hulp. Ik zal u het verhaal besparen van al wat wij deden om Helena te bewegen mij een onderhoud toe te staan. Toen Combados voor een paar dagen ging jagen op een van zijn landgoederen, ontving ze mij ’s avonds.Ik wilde het gesprek beginnen met verwijten, maar zij sloot mij den mond en zei: ”’t Is onnoodig ons het verledente herinneren. Wij behoeven elkaar niet treurig te stemmen. In dit onderhoud heb ik alleen toegestemd, om u persoonlijk te kunnen zeggen, dat ge voortaan niet meer aan mij moet denken. Misschien zou ik meer tevreden zijn met mijn lot, indien het aan het uwe verbonden was, maar de hemel heeft het anders gewild en ik moet zijn besluiten gehoorzamen.”Ik riep uit: “Hoe mevrouw! Is het niet voldoende, dat ik moet toezien hoe een ander u bezit, moet ik u ook nog uit mijn gedachten verbannen! Denkt ge, dat zoo iets mogelijk is bij een man, die eens uw liefde heeft bezeten? Ge wilt mij mijn liefde ontnemen, het eenige wat waarde voor mij heeft.”“Ik heb u slechts een kort woord te zeggen,” hernam zij op beslisten toon, “de echtgenoote van don Blas de Combados zal nooit de minnares worden van don Gaston. Bedenk dat wel. Laten wij dit onderhoud thans eindigen. Niettegenstaande de zuiverheid van mijne bedoelingen, verwijt ik dat mijzelf en het zou misdadig zijn het voort te zetten.” Bij die woorden, die mij alle hoop ontnamen, viel ik voor haar op de knieën, maar ik smeekte vruchteloos; de plicht ging bij haar vóór alles. Een gevoel van woede maakte zich van mij meester, ik trok mijn degen en wilde mijzelf doorsteken. Maar zij wierp zich op mij en riep: “Houd op! Denkt ge niet aan mijn naam? Door u hier van het leven te berooven, ontneemt ge mij mijn eer en mijn echtgenoot zou voor uw moordenaar doorgaan.”Ik wilde echter niet naar hare woorden luisteren en zou misschien mijn noodlottig voornemen hebben volvoerd, indien don Blas de Combados niet verschenen was. Deze was verwittigd geworden van het onderhoud, dat wij zouden hebben, was daarom niet naar buiten gegaan en had gehoord, wat wij hadden gesproken. Hij hield mijn arm vast en zei: “Don Gaston, denk aan de plaats, waar ge u bevindt. Geef niet toe aan het gevoel van wanhoop, dat u op ’t oogenblik bezielt!” Ik viel Combados in de rede: “Moet gij me van mijn besluit afbrengen? Ge moest mijliever zelf een dolk in het hart stooten. Mijne liefde, hoe ongelukkig die ook zijn moge, is voor u een beleediging. Is het niet voldoende, dat ge mij ’s avonds laat in het vertrek van uw vrouw vindt? Is er nog meer noodig om uw lust naar wraak op te wekken? Doorsteek mij en ontdoe u zoo van een man, die alleen door te sterven, kan ophouden dona Helena te aanbidden!”Don Blas antwoordde mij: “Ge beproeft tevergeefs op mijn eergevoel te werken, om mij te bewegen u te dooden. Ge zijt al genoeg gestraft voor uw vermetelheid en mijn echtgenoot ben ik zoo dankbaar voor hare deugdzame gevoelens, dat ik haar geen verwijt kan maken van dit samenzijn met u. Geloof mij Gogollos, wees niet wanhopig als een zwak man, maar onderwerp u met moed aan een harde noodzakelijkheid!”Door deze en dergelijke woorden wist de voorzichtige man werkelijk mijn woede en wanhoop te doen bedaren. Ik ging weg met het plan mij van Helena te scheiden en van de plaats, waar zij woonde. Dus vertrok ik twee dagen later naar Madrid, waar ik aan het hof verscheen en vele vrienden kreeg. Maar ik had het ongeluk mij inzonderheid te hechten aan den markies de Villaréal, een Portugees van veel invloed, die verdacht werd Portugal te hebben willen bevrijden van de Spaansche heerschappij. Hij werd daarom naar het kasteel van Alicante gevoerd. Daar de hertog de Lerme wist, dat ik in nauwe relatie stond met dien heer, heeft hij mij ook laten oplichten en naar hier brengen. De minister verdenkt mij, dat ik medeplichtig zou zijn aan zulk een plan. Dat is een gevoelige beleediging, die hij een edelman en Spanjaard aandoet”.Hier hield don Gaston op met spreken, waarna ik om hem te troosten zei: “Uweer wordt niet geschaad door de ongenade, waarin ge zijt gevallen en alles zal zich zeker ten goede keeren. Wanneer de hertog de Lerme zal weten, dat ge onschuldig zijt, zal hij u ongetwijfeld in uw eer herstellen en u een aanzienlijke betrekking geven, om u schadeloos te stellen.”
Het zal weldra vier jaar geleden zijn, dat ik uit Madrid vertrok om te Coria donaEléonorde Laxarilla te bezoeken, mijn tante, een van de rijkste weduwen van Oud-Castilië en die geen andere erfgenamen heeft dan mij. Nauwelijks was ik er aangekomen, of de liefde kwam mijn rust verstoren. Zij gaf mij een kamer, waarvan de vensters uitzagen op de kamer van een dame, die daar tegenover woonde en die zoo schoon was, dat ze dadelijk een diepen indruk op mij maakte. Door de taal der oogen en zelfs door gebaren, trachtte ik haar dat duidelijk te maken; zij bemerkte dat wel, maar was er niet het meisje naar, om daarop te antwoorden.
Ik wilde den naam van deze schoone weten en vernam, dat zij dona Helena heette en de eenige dochter was van don Georges de Galisteo, die een landgoed bezat op eenige mijlen afstand van Coria, dat aanzienlijke inkomsten afwierp. Reeds dikwijls hadden zich partijen voor haar voorgedaan, maar haar vader had die alle afgeslagen, omdat hij van plan was haar uit te huwelijken aan don Augustin de Olighera, haar neef, die in afwachting van dit huwelijk de vrijheid had haar iederen dag te bezoeken. Dat ontmoedigde mij niet; integendeel, ik werd nog meer verliefd en ging voort haar vurige blikken toe te werpen. Smeekend keek ik ook Félicia aan, haar kamenier, als om haar hulp in te roepen; maar ’t was alles te vergeefs. Zij bleven wreed en ontoegankelijk voor mij.
Daar zij weigerden om op de taal van mijn oogen teantwoorden, nam ik mijn toevlucht tot andere middelen. Ik liet onderzoeken, welke kennissen Félicia in de stad had en vernam, dat zij dikwijls een oude dame bezocht, Théodora. Verheugd over die ontdekking ging ik daar zelf een bezoek brengen en door geschenken wist ik van haar belofte te krijgen, dat ik den volgenden dag een onderhoud in haar huis zou kunnen hebben met de kamenier.
Op den bepaalden tijd vond ik haar daar en ik drukte er mijn groote vreugde over uit, dat ik haar kon spreken. Ze antwoordde me: “Mijnheer, mijn vriendin Théodora kan veel van mij gedaan krijgen. Ze stelt belang in u en als ik iets voor u zou kunnen doen, dan zou mij dat aangenaam wezen, maar met den besten wil geloof ik niet, dat ik u van veel dienst kan zijn. Ge moet u niet met hoop vleien, ge hebt nooit voor een moeilijker onderneming gestaan. Ge bemint een dame, bestemd voor een ander en welk een dame! Eene, die zoo trotsch is, dat wanneer ze al door uw zuchten zou worden bewogen, ze het toch niet zou laten merken.”
“Mijn beste Félicia!” riep ik smartelijk. “Waarom schildert ge mij die moeilijkheden zoo onoverkomelijk af? Misleid me liever, dan dat ge mij wanhopig maakt.” Bij die woorden greep ik haar handen en schoof haar een diamant aan den vinger van driehonderd pistolen. Daarna sprak ik zoo tot haar, dat ze tot tranen toe werd bewogen.
Ze was te aangedaan en te dankbaar, om mij troosteloos te laten en scheen de zaak eenigszins lichter te gaan inzien. “Mijnheer, misschien behoeft u niet alle hoop te worden ontnomen. Uw medeminnaar wordt wel niet door haar gehaat. Hij komt zijn nicht vrij bezoeken. Hij spreekt met haar, wanneer het hem behaagt en dat is in uw voordeel. De gewoonte om alle dagen samen te zijn, maakt hun onderhoud een weinig kwijnend. En het schijnt mij, dat ze zonder smart van elkaar scheiden en elkaar zonder genoegen weerzien. Men zou zeggen, dat ze reeds getrouwd zijn. In één woord, mijn meesteres heeft geen levendigen hartstocht voor don Augustin. Overigens is er, wat persoonlijkehoedanigheden betreft, tusschen u en hem een verschil, dat niet onopgemerkt kan blijven voor een zoo fijngevoelig meisje als dona Helena. Geef den moed dus niet op. Ik zal doen, wat ik kan.”
Wij scheidden, beiden zeer voldaan over dit onderhoud. Ik bleef dus de dochter van don George verliefde blikken toewerpen en bracht haar zelfs een serenade, waarbij ik de verzen zong, die ge zooeven hebt gehoord.
Om haar eens te polsen, vroeg de kamenier aan haar meesteres, hoe haar dat lied was bevallen. Dona Helena antwoordde: “Naar die stem heb ik met genoegen geluisterd.” “En de woorden, hebben die u niet zeer getroffen?” “Daar heb ik in het geheel geen acht op geslagen. Ik heb alleen naar den zang geluisterd, het vers is mij onverschillig evenals de man, die mij deze serenade heeft gebracht.” Félicia zei: “Dat is dan een misrekening voor dien armen don Gaston de Cogollos en ’t is dwaas van hem, om dan altijd zoo naar onze ramen te zien.” Op koelen toon antwoordde de meesteres: “Misschien is hij het niet, mogelijk wel een ander, die mij op zulke wijze zijn liefde verklaart.” “Neen” zei de kamenier, ”’t is niemand anders dan don Gaston. Daarvoor heeft hij mij ook van morgen in de straat aangehouden. Hij heeft mij verzocht u te willen zeggen, dat hij u aanbidt en dat hij zich de gelukkigste van alle stervelingen zou achten, indien ge hem wildet vergunnen u zijn hulde te betuigen.”
De dochter van Don George keek haar dienstbode zeer streng aan en zei: “Ge zoudt beter gedaan hebben, indien ge mij niet van dit ongepast onderhoud had gesproken. Laat het niet weer gebeuren, dat ge met dergelijke mededeelingen bij mij komt, en als die vermetele jonge man nog eens tot u durft spreken, gelast ik u hem te zeggen, dat hij zich maar tot andere dames moet wenden, die misschien van galante avonturen houden en dat hij nuttiger bezigheid zoeke dan den geheelen dag door het raam te kijken, naar hetgeen ik in mijn kamers doe.”
Dat alles werd mij getrouw oververteld door Félicia,toen ik een tweede onderhoud met haar had. Ze beweerde echter, dat ik mij niet moest laten ontmoedigen door de woorden van hare meesteres. Maar ik meende, dat ik die toch moeilijk in mijn voordeel kon uitleggen. Zij lachte om mijn sombere beschouwingen, vroeg papier en inkt aan haar vriendin en zei: “Mijnheer, schrijf dadelijk als wanhopige geliefde een brief aan dona Helena. Schilder haar levendig uw lijden en beklaag u vooral over het verbod, om aan uw vensters te verschijnen. Beloof, dat ge haar zult gehoorzamen, maar dat het u het leven zal kosten. Richt dien brief maar in, zooals gij heeren dat zoo goed kunt en ik belast mij met de rest.”
Ik stelde zulk een brief samen en las hemFéliciavoor, die glimlachend opmerkte, dat indien vrouwen al den slag bezaten om mannen het hoofd op hol te jagen, de mannen op hun beurt de kunst verstonden, om vrouwen te verlokken. Zij nam mijn brief, verzekerde mij, dat het niet aan haar zou liggen, wanneer die geen goede uitwerking had enzeime, dat ik ervoor moest zorgen, gedurende eenige dagen mijn ramen gesloten te houden.
Toen zij weer thuiskwam, zei ze tegen dona Helena: “Ik heb don Gaston ontmoet. Hij hield mij dadelijk aan en vroeg met bevende stem en als een schuldige, die zijn vonnis afwacht, of ik u over hem had gesproken. Toen heb ik hem uw antwoord op brutalen toon meegedeeld en hem op straat laten staan.” ”’t Is goed,” zeidonaHelena, “dat ge mij op die wijze van dien man hebt bevrijd; maar het was niet noodig op brutalen toon tot hem te spreken. Een meisje moet altijd zacht blijven.” De kamenier antwoordde: “Men ontdoet zich niet van een hartstochtelijk minnaar door zachte woorden te gebruiken. ’t Is zelfs dikwijls niet genoeg, als men op driftigen toon spreekt. Dat is hier gebleken, want toen ik terugkwam van de boodschappen, die ik voor u had gedaan, stond hij mij op te wachten. Zijn gezicht echter was zóó ontdaan, dat ik, hoewel ik anders nooit om mijn woorden verlegen ben, nu niet spreken kon. Hij duwde mij haastig dit briefje in de hand en verdween”.
Féliciaoverhandigde daarop hare meesteres mijn brief, dien zij aannam als om zich er mee te vermaken en hem las. Daarop werd ze eenige oogenblikken stil. “WaarlijkFélicia, ’t is dwaas genoeg geweest dien brief aan te nemen. Wat moet don Gaston daarvan denken? En wat moet ikzelf gelooven? Misschien verbeeldt hij zich op dit oogenblik wel, dat ik zijn brief lees en herlees. Aan die schande heb je mij door je handelwijze blootgesteld.” De kamenier antwoordde: “O neen, die gedachte zal hij niet hebben en indien hij haar al had, dan zou hij er toch niet lang genoegen van hebben, want den eersten den besten keer, dat ik hem zie, zal ik hem zeggen, dat ge zijn brief minachtend hebt aangekeken en daarna verscheurd, zonder hem te hebben gelezen”. “Je kunt er gerust op zweren, dat ik hem niet gelezen heb. Ik zou er geen twee woorden van kunnen herhalen.” Ten slotte verbood zij haar kamenier verder tot haar over mij te spreken.
Daar ik beloofd had, niet meer aan mijn raam te zullen komen, hield ik mijn jaloezieën gedurende eenige dagen gesloten. Maar intusschen bereidde ik mijn wreede Helena een nieuwe serenade voor. Ik had enige muzikanten geëngageerd en begaf mij ’s avonds laat met hen onder haar balkon. Reeds stemden ze hunne guitaren, toen een ridder met een degen in de hand op ons toesnelde, rechts en links om zich heen sloeg en de muzikanten op de vlucht joeg. Zijn woede wekte de mijne op. Ik naderde hem en er volgde een hevig gevecht. Dona Helena en haar kamenier hadden het geluid van de degens gehoord en keken door haar jalouzieën naar buiten. Toen ze het gevecht zagen, uitten ze angstkreten, waarop don George en zijn bedienden naar buiten snelden, om de vechtenden te scheiden. Maar zij kwamen te laat, en vonden op het terrein van den strijd slechts één ridder, badende in zijn bloed en bijna zonder leven. Die ongelukkige was ik. Men droeg mij binnen in het huis van mijn tante en de bekwaamste chirurgijns werden geroepen.
Iedereen beklaagde mij en inzonderheid dona Helena, dienu een blik gaf in haar hart. Met haar kamenier bracht zij het overige gedeelte van den nacht door met weenen en met het verwenschen van haar neef, don Augustijn, in wien zij den dader vermoedde en die dan ook werkelijk onze serenade op zulk een onaangename wijze had gestoord. Hij scheen opgemerkt te hebben, dat ik zijn nicht het hof maakte, geloofde, dat zij daarvan was gediend en had nu op deze wijze getoond, dat hij niet zoo onverschillig was, als men wel vermoedde.
Intusschen werd het treurige ongeval gevolgd door eenheugelijke gebeurtenis, die het spoedig deed vergeten. Hoe gevaarlijk ik ook gewond was, ik herstelde en mijn tante had een onderhoud met don George, waarbij ze hem voor mij de hand van zijn dochter vroeg. Hij stemde daarin toe, omdat hij don Augustijn beschouwde als een man, dien hij waarschijnlijk wel nooit meer zou terugzien. De goede grijsaard was echter bang, dat zijn dochter er iets op tegen zou hebben omdat ze haar neef d’Olighera zoo veel had gezien, maar zij bleek geheel bereid haars vaders wensch op te volgen waaruit men kan opmaken dat in Spanje evenals overal elders de nieuw-aangekomenen een streepje voor hebben bij de vrouwen.
Zoodra het kon, had ik een gesprek gehad metFéliciaen van haar vernomen hoe hare meesteres getreurd had over het ongeluk, dat mij was overkomen. Ik kon er niet aan twijfelen, of ik was de Paris van mijn Helena geworden en zegende mijn wond, omdat die zulke gelukkige gevolgen had gehad voor mijn liefde.
Van don George kreeg ik toestemming om met zijn dochter te spreken in tegenwoordigheid van haar kamenier. Wat was dat onderhoud heerlijk voor mij! Ik drong er bij haar op aan mij te zeggen of ik dit geluk alleen had te danken aan haar gehoorzaamheid aan haar vader. Zij verzekerde mij, dat dit niet het geval was en nu volgde voor mij een zeer gelukkige tijd. Onze bruiloft zou een groot feest zijn, waarop de geheele adel van Coria en omstreken zou schitteren. Voor dien tijd gaf ik een partij op een landgoed, dat mijn tante buiten de stad bezat. Terwijl wij aan tafel zaten, kwam een man in de zaal, die mij voor een zeer gewichtige zaak te spreken vroeg. Ik volgde den onbekende, die het uiterlijk had van een kamerdienaar en mij een brief gaf van den volgenden inhoud:
“Indien de eer u dierbaar is, zooals ze het moet zijn aan alle ridders van uw orde, dan zult ge u morgenochtend bevinden op het plein van Manroi. Ge zult er een ridder vinden, die u rekenschap zal geven van de beleediging, die hij u heeft aangedaan en u, indien het kan, buiten staat zal stellen,om dona Helena te huwen. Don Augustin de Olighera”.
Heeft de liefde veel macht over de Spanjaarden, de wraak nog meer. Ik las dien brief niet met een rustig hart. Bij het zien van den naamAugustinhad ik bijna de plichten vergeten, welke mij dien dag aan mijn gasten bonden. Het liefst was ik dadelijk mijn vijand gaan opzoeken, maar ik kon het feest niet verstoren en zei daarom tot den man: “Mijn vriend, ge kunt aan den ridder, die u gezonden heeft, zeggen, dat mijn lust om hem weer te zien zoo groot is, dat ik morgen voor zonsopgang op het door hem aangewezen terrein zal zijn.”
Daarna ging ik naar mijn gasten terug, nam mijn plaats aan tafel weer in en wist mij zoo goed te beheerschen, dat niemand iets merkte van hetgeen er in mij omging. Als alle anderen nam ik deel aan het feest, dat tegen middernacht geëindigd was. Toen het gezelschap uiteenging bleef ik in het landhuis, onder voorwendsel den volgenden morgen een wandeling te willen doen in de frissche lucht, maar het was alleen om vroeger op de plaats van samenkomst te zijn. In plaats van te gaan slapen, wachtte ik met ongeduld het aanbreken van den dag af. Zoodra die verscheen, besteeg ik mijn beste paard en vertrok geheel alleen. Ik reed in de richting van Manroi en zag een ruiter naderen. Het was mijn medeminnaar, die, toen hij bij mij was, zei: “Het doet mij leed, dat ik voor de tweede maal met u moet samenkomen; maar de schuld daarvan is aan u. Na het avontuur met de serenade, hadt ge er van moeten afzien, om te trachten de gunst van de dochter van Don George te verwerven.” Ik antwoordde: “ge zijt wel trotsch op een voordeel, dat ge misschien minder aan uw behendigheid dan wel aan de duisternis van den nacht hebt te danken.” Ik sprong daarbij op den grond, don Augustin volgde mijn voorbeeld en wij bonden onze paarden aan een boom. Verwoed vielen wij op elkaar aan. Hoewel ik een geoefend schermer was, moet ik zeggen, dat ik met een vijand te doen had, die zijn wapen beter meester was dan ik. Maar gelijk de sterkere dikwijls wordt overwonnendoor den zwakkere, zoo ging het ook hier. Ik wist mijn tegenstander in het hart te treffen en hij viel dood neer.
Dadelijk keerde ik naar het landhuis terug, waar ik aan mijn kamerdienaar, op wiens trouw ik rekenen kon, het gebeurde meedeelde, hem gelastte het beste paard te nemen en dadelijk mijn tante op de hoogte te brengen van dit avontuur. Ik zei hem, dat hij haar namens mij om goud en edelgesteenten moest vragen, om mij dat te brengen tePlacencia, waar hij me vinden zou in het eerste hotel bij den ingang van de stad.
Mijn bediende, Ramire, kweet zich zoo vlug van die taak, dat hij reeds drie uren na mij in Placencia aankwam. Hij zei me, dat donaEléonormeer verheugd dan bedroefd was over dezen strijd, die mij eens genoegdoening had gegeven na de beleediging door mij ondervonden en ik ontving een groot bedrag aan goud en edelgesteenten, om aangenaam te kunnen reizen, totdat mijn zaak zou zijn geschikt.
Ik reisde naar Valencia en scheepte mij te Denia in, om naar Italië te gaan. Helena betreurde mijn afwezigheid en terwijl de familie van Olighera pogingen aanwendde om mij te vinden, verlangde zij naar mijn terugkeer. Reeds was ik zes maanden weg, toen een edelman van de kust van Galicië, don Blas de Combados te Coria kwam, om een erfenis te ontvangen, die hem vruchteloos werd betwist door donMiguelde Caprara, zijn neef.
Combados was een knap man, hij was beleefd en geestig en verkeerde weldra met de voorname families in de stad.
Hij wist, dat don George een dochter had, wier schoonheid tot nu toe de mannen slechts tot hun ongeluk in liefde had doen ontvlammen. Dit prikkelde zijn nieuwsgierigheid, hij wilde die dame zien. Hij zocht daarom met den vader op een vriendschappelijken voet te komen en slaagde daarin zoo goed, dat de grijsaard hem toestond zijn huis te bezoeken en met zijn dochter te spreken. De Galiciër werd dadelijk verliefd, dat was onvermijdelijk. Don George ontving zijn aanzoek gunstig, maar wilde zijn dochter niet dwingen, hij liet haar meesteres over haar hand. Combados deed, wat hij kon om haar te behagen, maar zij bleef ongevoelig voor zijn hulde en dacht slechts aan mij. Félicia, die ook door den nieuwen minnaar was omgekocht, wendde al haar behendigheid in zijn voordeel aan, don George ondersteunde diens pogingen, maardonaHelena bleef mij trouw.
Combados, die zag dat alle pogingen tot nu toe vergeefsch waren geweest, stelde een ander middel voor. Hijbedacht het volgende plan: een koopman te Coria zou een brief omtvangen van een handelsvriend in Italië, waarin na eenige mededeelingen betreffende zaken, te lezen zou zijn: “Sinds korten tijd is aan het hof te Parma een Spaansch edelman aangekomen, don Gaston de Cogollos genaamd. Hij zegt, dat hij de neef en eenige erfgenaam is van een rijke weduwe, die te Coria woont onder den naam vandonaEléonor de Laxarilla. Hij doet aanzoek om de hand van de dochter van een voornaam heer, maar men wil hem die niet geven zonder eerst geïnformeerd te hebben. Bericht mij dus, of ge dien don Gaston kent en waarin het vermogen van zijn tante bestaat. Uw antwoord zal beslissend zijn voor dit huwelijk. Schrijf naar Parma enz. enz.”
Dit bedrog scheen den grijsaard een list, wel geoorloofd van een verliefde en Félicia, die nog minder nauwgezet was, juichte het zeer toe. De uitvinding scheen daarom te beter, omdat zij Helena kende als een trotsch meisje, die in staat was oogenblikkelijk een besluit te nemen, indien zij vermoeden had, dat men haar ontrouw was geworden. Don George belastte zich er zelf mee, om haar op de hoogte te brengen en om de zaak nog natuurlijker te maken, zou men haar laten spreken met den koopman, die den nagemaakten brief zou hebben ontvangen.
De oude edelman zei dus tegen haar: “Mijn dochter, ik behoef wel niet meer te zeggen, dat onze familieleden mij alle dagen verzoeken om nooit toe te staan, dat de moordenaar van don Augustin mijn schoonzoon wordt. Heden heb ik een nog meer overwegende reden om u te zeggen niet meer aan don Gaston te denken. Hij is een trouwelooze! Ziehier een zeker bewijs daarvan. Lees dezen brief, dien een koopman te Coria uit Italië heeft ontvangen.”
De toeleg gelukte. Helena weende eerst een oogenblik, maar haar trotschheid kwam spoedig boven, ze zei, dat ze mij verachtte en bereid was om Combados naar het altaar te volgen. Don George was zeer verheugd en Combados overgelukkig.
Zonder te hooren naar de stem der liefde, die voor mijin haar hart sprak, had ze mijn medeminnaar haar hand gereikt. Eenige dagen na het huwelijk begon ze zichzelf wel te verwijten, dat ze overijld had gehandeld en rees het vermoeden bij haar op, dat die brief misschien bedrog was, maar haar echtgenoot liet haar niet veel tijd om daarover te denken. Hij had er den slag van een reeks vermaken uit te vinden, om haar te verstrooien.
Zoo leefden zij in een gelukkig huwelijk, toen mijn tante erin slaagde om mijn zaak met de bloedverwanten van don Augustin te schikken. Ze schreef mij dat dadelijk naar Italië en ik keerde onmiddellijk terug. DonaEléonor, die mij het huwelijk van Helena niet per brief had meegedeeld, stelde mij bij mijn aankomst daarvan in kennis. Ze zag welk een diepen indruk die tijding op mij maakte en zei: “Betreur het verlies van een meisje niet, dat u niet trouw is kunnen blijven, ze heeft daardoor getoond, dat ze niet waard is, dat ge aan haar denkt.”
Daar mijn tante niet wist, dat men Helena bedrogen had, kon ze mij zeker geen wijzeren raad geven. Ik nam mij dan ook voor dien te volgen, of mij althans onverschillig te houden, indien ik mijn hartstocht niet kon overwinnen. Maar ik kon geen weerstand bieden aan de nieuwsgierigheid om te weten te komen op welke wijze dit huwelijk was tot stand gekomen en bezocht daarom de oude Théodora, van wie ik reeds heb gesproken. Toevallig vond ik bij haar Félicia, die in het geheel niet had verwacht mij weer te zien en dadelijk wilde vertrekken, om eenige opheldering te voorkomen. Maar ik liet haar niet gaan en met moeite gelukte het mij van haar een bekentenis te krijgen van alles wat er was gebeurd. Zij zag, dat ik wanhopig was en om mij te troosten beloofde zij mij weder haar hulp. Ik zal u het verhaal besparen van al wat wij deden om Helena te bewegen mij een onderhoud toe te staan. Toen Combados voor een paar dagen ging jagen op een van zijn landgoederen, ontving ze mij ’s avonds.
Ik wilde het gesprek beginnen met verwijten, maar zij sloot mij den mond en zei: ”’t Is onnoodig ons het verledente herinneren. Wij behoeven elkaar niet treurig te stemmen. In dit onderhoud heb ik alleen toegestemd, om u persoonlijk te kunnen zeggen, dat ge voortaan niet meer aan mij moet denken. Misschien zou ik meer tevreden zijn met mijn lot, indien het aan het uwe verbonden was, maar de hemel heeft het anders gewild en ik moet zijn besluiten gehoorzamen.”
Ik riep uit: “Hoe mevrouw! Is het niet voldoende, dat ik moet toezien hoe een ander u bezit, moet ik u ook nog uit mijn gedachten verbannen! Denkt ge, dat zoo iets mogelijk is bij een man, die eens uw liefde heeft bezeten? Ge wilt mij mijn liefde ontnemen, het eenige wat waarde voor mij heeft.”
“Ik heb u slechts een kort woord te zeggen,” hernam zij op beslisten toon, “de echtgenoote van don Blas de Combados zal nooit de minnares worden van don Gaston. Bedenk dat wel. Laten wij dit onderhoud thans eindigen. Niettegenstaande de zuiverheid van mijne bedoelingen, verwijt ik dat mijzelf en het zou misdadig zijn het voort te zetten.” Bij die woorden, die mij alle hoop ontnamen, viel ik voor haar op de knieën, maar ik smeekte vruchteloos; de plicht ging bij haar vóór alles. Een gevoel van woede maakte zich van mij meester, ik trok mijn degen en wilde mijzelf doorsteken. Maar zij wierp zich op mij en riep: “Houd op! Denkt ge niet aan mijn naam? Door u hier van het leven te berooven, ontneemt ge mij mijn eer en mijn echtgenoot zou voor uw moordenaar doorgaan.”
Ik wilde echter niet naar hare woorden luisteren en zou misschien mijn noodlottig voornemen hebben volvoerd, indien don Blas de Combados niet verschenen was. Deze was verwittigd geworden van het onderhoud, dat wij zouden hebben, was daarom niet naar buiten gegaan en had gehoord, wat wij hadden gesproken. Hij hield mijn arm vast en zei: “Don Gaston, denk aan de plaats, waar ge u bevindt. Geef niet toe aan het gevoel van wanhoop, dat u op ’t oogenblik bezielt!” Ik viel Combados in de rede: “Moet gij me van mijn besluit afbrengen? Ge moest mijliever zelf een dolk in het hart stooten. Mijne liefde, hoe ongelukkig die ook zijn moge, is voor u een beleediging. Is het niet voldoende, dat ge mij ’s avonds laat in het vertrek van uw vrouw vindt? Is er nog meer noodig om uw lust naar wraak op te wekken? Doorsteek mij en ontdoe u zoo van een man, die alleen door te sterven, kan ophouden dona Helena te aanbidden!”
Don Blas antwoordde mij: “Ge beproeft tevergeefs op mijn eergevoel te werken, om mij te bewegen u te dooden. Ge zijt al genoeg gestraft voor uw vermetelheid en mijn echtgenoot ben ik zoo dankbaar voor hare deugdzame gevoelens, dat ik haar geen verwijt kan maken van dit samenzijn met u. Geloof mij Gogollos, wees niet wanhopig als een zwak man, maar onderwerp u met moed aan een harde noodzakelijkheid!”
Door deze en dergelijke woorden wist de voorzichtige man werkelijk mijn woede en wanhoop te doen bedaren. Ik ging weg met het plan mij van Helena te scheiden en van de plaats, waar zij woonde. Dus vertrok ik twee dagen later naar Madrid, waar ik aan het hof verscheen en vele vrienden kreeg. Maar ik had het ongeluk mij inzonderheid te hechten aan den markies de Villaréal, een Portugees van veel invloed, die verdacht werd Portugal te hebben willen bevrijden van de Spaansche heerschappij. Hij werd daarom naar het kasteel van Alicante gevoerd. Daar de hertog de Lerme wist, dat ik in nauwe relatie stond met dien heer, heeft hij mij ook laten oplichten en naar hier brengen. De minister verdenkt mij, dat ik medeplichtig zou zijn aan zulk een plan. Dat is een gevoelige beleediging, die hij een edelman en Spanjaard aandoet”.
Hier hield don Gaston op met spreken, waarna ik om hem te troosten zei: “Uweer wordt niet geschaad door de ongenade, waarin ge zijt gevallen en alles zal zich zeker ten goede keeren. Wanneer de hertog de Lerme zal weten, dat ge onschuldig zijt, zal hij u ongetwijfeld in uw eer herstellen en u een aanzienlijke betrekking geven, om u schadeloos te stellen.”
Hoofdstuk VIIScipio komt Gil Blas opzoeken in den toren te Ségovië en deelt hem veel nieuws mee.Ons gesprek werd afgebroken door Tordesillas, die zei: “Mijnheer Gil Blas, ik heb zooeven een jongeman gesproken, die zich aan de deur van deze gevangenis aanmeldde. Hij vroeg of gij hier gevangen waart. Toen ik aanvankelijk weigerde om aan zijn nieuwsgierigheid te voldoen, zei hij met tranen in de oogen: ‘Weiger mijn zeer onderdanig verzoek niet en deel mij mee of de heer de Santillano hier is. Ik ben zijn eerste bediende en gij zult een zeer goede daad verrichten, indien ge mij wilt toestaan hem een oogenblik te zien, ge zijt inSégoviëals een zeer edelmoedig man bekend en ik hoop, dat ge mij in de gelegenheid zult stellen met mijn meester te spreken, die meer ongelukkig dan schuldig is.’Om kort te gaan, die jongen heeft van mij verkregen, dat ik hem beloofd heb, vanavond zijn verzoek te zullen inwilligen.”Ik verzekerde Tordesillas, dat hij mij geen grooter genoegen had kunnen doen, want dat mijn bediende mij zeker zeer gewichtig nieuws had te vertellen. Met ongeduld wachtte ik het oogenblik af, waarop ik mijn getrouwen Scipio zou kunnen spreken, want ik twijfelde er niet aan, of hij was het en daarin bedroog ik mij niet.Groot was onze vreugde, toen wij elkaar weerzagen. Mijn eerste vraag aan Scipio was, hoe hij mijn huis had achtergelaten. Hij antwoordde mij: “U hebt geen huis meer en om u de moeite te besparen, mij vraag voor vraag te doen, zal ik u in het kort meedeelen, wat er bij u is gebeurd. Uw huis is geplunderd zoowel door de dienaren van het gerechtals door uw eigen bedienden, die u als een verloren man beschouwden en op rekening van hun loon maar meenamen wat ze konden krijgen. Gelukkig voor u, heb ik uit hun handen twee groote zakken met dubbele pistolen weten te redden, die ik uit uw brandkast haalde en in veiligheid bracht bij Salero, die ze u zal teruggeven, zoodra ge uit de gevangenis komt, waar ge wel niet lang zult blijven, omdat ge zijt gearresteerd zonder medeweten van den hertog de Lerme.”Ik vroeg Scipio hoe hij wist, dat de minister daaraan geen deel had gehad. “O! dat weet ik zeker. Een van mijn vrienden, die het vertrouwen heeft van den hertog d’Uzède, heeft mij alles verteld. Calderone had door een huisknecht vernomen, dat senora Sirena onder een anderen naam ’s nachts den prins ontving en dat de graaf de Lemos en gij hem daarbij hadt geholpen. Hij besloot zich op u beiden en zijn maîtresse te wreken en zocht den hertog d’Uzède op, wien hij deze zaak meedeelde. De hertog, verheugd, dat hij zulk een schoone gelegenheid had, om zijn vijand, den graaf de Lemos, in het verderf te storten, verzuimde niet daarvan gebruik te maken. Hij ging naar den koning, vertelde alles en liet niet na in levendige kleuren de gevaren te schilderen, waaraan men den prins had blootgesteld. De koning was woedend, liet dadelijk Sirena in een klooster opsluiten, verbande den graaf de Lemos en veroordeelde u tot levenslange gevangenisstraf.Op die wijze heeft zich de zaak toegedragen. Ge ziet daaruit, dat uw ongeluk het werk is van den hertog d’Uzède, of beter gezegd van Calderone.”Na die mededeelingen meende ik, dat de zaak wel spoedig zou worden geschikt, omdat de eerste minister ongetwijfeld alles in het werk zou stellen om de ballingschap van zijn neef op te heffen en hem weer aan het hof terug te krijgen, en ik hoopte, dat hij mij bij die gelegenheid niet zou vergeten. Wat is de hoop toch een schoone zaak! Ze troostte mij eensklaps over het verlies van mijn goed. Wel verre van mijn gevangenschap als een ongeluk te beschouwen,dat misschien tot het eind van mijn dagen zou voortduren, scheen ze mij nu een middel, waarvan de fortuin zich wilde bedienen, om mij tot een hooge betrekking te verheffen. Ziehier hoe ik redeneerde: de eerste minister heeft aan zijn zijde staan de meeste personen, die het vertrouwen bezitten van den koning; met de hulp van die machtige vrienden kan hij weerstand bieden aan al zijn vijanden, ofwel de staat kan binnenkort van uitzicht veranderen. De koning is nl. zeer ziekelijk. Zoodra hij er niet meer zal zijn, zal het eerste werk van den prins zijn, om den graaf de Lemos terug te roepen, die mij van hier zal halen, om mij naar den jongen koning te brengen, die mij overladen zal met weldaden, voor alles wat ik ter wille van hem heb geleden.Over Scipio was ik zoo tevreden, dat ik behoefte gevoelde hem daarvan een bewijs te geven en ik bood hem de helft van het geld aan, dat hij bij de plundering had weten te redden. Maar hij weigerde en zei: “Ik verwacht van u een ander bewijs van uw erkentelijkheid. Laten wij niet meer scheiden. Ik gevoel voor u een vriendschap, zooals ik die nooit voor een van mijn vorige meesters heb gekend.” “En ik, mijn zoon, kan je verzekeren, dat het wederkeerig is. Van het eerste oogenblik af aan, dat ik je zag, had ik schik in je. Ik denk, dat we allebei onder Weegschaal of Tweelingen zijn geboren, wat, naar men zegt, de gesternten zijn, die de menschen verbinden.” Gaarne stemde ik dus toe en wij besloten samen den gevangenbewaarder te vragen of Scipio zich met mij mocht laten opsluiten, met het recht nu en dan eens naar Madrid te gaan, om te zien, hoe de zaken stonden. De welwillende man was zoo vriendelijk mij deze gunst niet te weigeren.
Ons gesprek werd afgebroken door Tordesillas, die zei: “Mijnheer Gil Blas, ik heb zooeven een jongeman gesproken, die zich aan de deur van deze gevangenis aanmeldde. Hij vroeg of gij hier gevangen waart. Toen ik aanvankelijk weigerde om aan zijn nieuwsgierigheid te voldoen, zei hij met tranen in de oogen: ‘Weiger mijn zeer onderdanig verzoek niet en deel mij mee of de heer de Santillano hier is. Ik ben zijn eerste bediende en gij zult een zeer goede daad verrichten, indien ge mij wilt toestaan hem een oogenblik te zien, ge zijt inSégoviëals een zeer edelmoedig man bekend en ik hoop, dat ge mij in de gelegenheid zult stellen met mijn meester te spreken, die meer ongelukkig dan schuldig is.’Om kort te gaan, die jongen heeft van mij verkregen, dat ik hem beloofd heb, vanavond zijn verzoek te zullen inwilligen.”
Ik verzekerde Tordesillas, dat hij mij geen grooter genoegen had kunnen doen, want dat mijn bediende mij zeker zeer gewichtig nieuws had te vertellen. Met ongeduld wachtte ik het oogenblik af, waarop ik mijn getrouwen Scipio zou kunnen spreken, want ik twijfelde er niet aan, of hij was het en daarin bedroog ik mij niet.
Groot was onze vreugde, toen wij elkaar weerzagen. Mijn eerste vraag aan Scipio was, hoe hij mijn huis had achtergelaten. Hij antwoordde mij: “U hebt geen huis meer en om u de moeite te besparen, mij vraag voor vraag te doen, zal ik u in het kort meedeelen, wat er bij u is gebeurd. Uw huis is geplunderd zoowel door de dienaren van het gerechtals door uw eigen bedienden, die u als een verloren man beschouwden en op rekening van hun loon maar meenamen wat ze konden krijgen. Gelukkig voor u, heb ik uit hun handen twee groote zakken met dubbele pistolen weten te redden, die ik uit uw brandkast haalde en in veiligheid bracht bij Salero, die ze u zal teruggeven, zoodra ge uit de gevangenis komt, waar ge wel niet lang zult blijven, omdat ge zijt gearresteerd zonder medeweten van den hertog de Lerme.”
Ik vroeg Scipio hoe hij wist, dat de minister daaraan geen deel had gehad. “O! dat weet ik zeker. Een van mijn vrienden, die het vertrouwen heeft van den hertog d’Uzède, heeft mij alles verteld. Calderone had door een huisknecht vernomen, dat senora Sirena onder een anderen naam ’s nachts den prins ontving en dat de graaf de Lemos en gij hem daarbij hadt geholpen. Hij besloot zich op u beiden en zijn maîtresse te wreken en zocht den hertog d’Uzède op, wien hij deze zaak meedeelde. De hertog, verheugd, dat hij zulk een schoone gelegenheid had, om zijn vijand, den graaf de Lemos, in het verderf te storten, verzuimde niet daarvan gebruik te maken. Hij ging naar den koning, vertelde alles en liet niet na in levendige kleuren de gevaren te schilderen, waaraan men den prins had blootgesteld. De koning was woedend, liet dadelijk Sirena in een klooster opsluiten, verbande den graaf de Lemos en veroordeelde u tot levenslange gevangenisstraf.
Op die wijze heeft zich de zaak toegedragen. Ge ziet daaruit, dat uw ongeluk het werk is van den hertog d’Uzède, of beter gezegd van Calderone.”
Na die mededeelingen meende ik, dat de zaak wel spoedig zou worden geschikt, omdat de eerste minister ongetwijfeld alles in het werk zou stellen om de ballingschap van zijn neef op te heffen en hem weer aan het hof terug te krijgen, en ik hoopte, dat hij mij bij die gelegenheid niet zou vergeten. Wat is de hoop toch een schoone zaak! Ze troostte mij eensklaps over het verlies van mijn goed. Wel verre van mijn gevangenschap als een ongeluk te beschouwen,dat misschien tot het eind van mijn dagen zou voortduren, scheen ze mij nu een middel, waarvan de fortuin zich wilde bedienen, om mij tot een hooge betrekking te verheffen. Ziehier hoe ik redeneerde: de eerste minister heeft aan zijn zijde staan de meeste personen, die het vertrouwen bezitten van den koning; met de hulp van die machtige vrienden kan hij weerstand bieden aan al zijn vijanden, ofwel de staat kan binnenkort van uitzicht veranderen. De koning is nl. zeer ziekelijk. Zoodra hij er niet meer zal zijn, zal het eerste werk van den prins zijn, om den graaf de Lemos terug te roepen, die mij van hier zal halen, om mij naar den jongen koning te brengen, die mij overladen zal met weldaden, voor alles wat ik ter wille van hem heb geleden.
Over Scipio was ik zoo tevreden, dat ik behoefte gevoelde hem daarvan een bewijs te geven en ik bood hem de helft van het geld aan, dat hij bij de plundering had weten te redden. Maar hij weigerde en zei: “Ik verwacht van u een ander bewijs van uw erkentelijkheid. Laten wij niet meer scheiden. Ik gevoel voor u een vriendschap, zooals ik die nooit voor een van mijn vorige meesters heb gekend.” “En ik, mijn zoon, kan je verzekeren, dat het wederkeerig is. Van het eerste oogenblik af aan, dat ik je zag, had ik schik in je. Ik denk, dat we allebei onder Weegschaal of Tweelingen zijn geboren, wat, naar men zegt, de gesternten zijn, die de menschen verbinden.” Gaarne stemde ik dus toe en wij besloten samen den gevangenbewaarder te vragen of Scipio zich met mij mocht laten opsluiten, met het recht nu en dan eens naar Madrid te gaan, om te zien, hoe de zaken stonden. De welwillende man was zoo vriendelijk mij deze gunst niet te weigeren.
Hoofdstuk VIIIScipio reist voor het eerst naar Madrid, de beweegredenen daartoe en het gevolg ervan. Gil Blas wordt ziek en wat daaruit voortvloeide.Indien wij soms zeggen, dat wij geen grootere vijanden hebben dan onze dienstboden, dan moeten wij eraan toevoegen, dat we geen betere vrienden hebben aan hen, indien ze ons trouw en genegen zijn. In Scipio kon ik niet anders zien dan mijn tweede ik. Dus, geen onderdanigheid meer, Gil Blas en zijn secretaris hadden één kamer, een bed en één tafel. Hij was van een zeer goed humeur en verstand. “Mijn vriend,” zei ik op zekeren dag tegen hem, “het schijnt me, dat het niet kwaad zou zijn, indien ik eens aan den hertog de Lerme schreef. Wat denk je daarvan?”“Wel,” antwoordde hij, “de groote heeren zijn niet altijd gelijk van humeur en dus weet ik niet zeker, hoe uw brief zou worden opgenomen. Maar ik meen, dat het in ieder geval goed zou zijn, om hem te schrijven. Hoewel de minister veel van u houdt, moet ge niet stilzitten. Hij moet aan u herinnerd worden. Die heeren vergeten dikwijls de personen, van wie ze niet hooren spreken.”“Hoewel ge in het algemeen gesproken gelijk hebt,” antwoordde ik hem, “oordeel ik toch beter over mijn patroon. Zijn goedheid is mij bekend. Ik ben er van overtuigd, dat hij medelijden heeft met mijn toestand en onophoudelijk daaraan denkt. Hij wacht kennelijk met mij uit de gevangenis te helpen, tot de toorn van den koning bedaard is.” “Ik hoop,” zei hij, “dat ge juist over den minister oordeelt. Roep dus zijn hulp in door een treffenden brief. Ik zalhem dien brengen en persoonlijk ter hand stellen.” Ik schreef een zeer welsprekend stuk, dat Tordesillas zelfs boven de preeken van den aartsbisschop stelde.Ik vleide mij, dat de hertog de Lerme door medelijden zou worden bewogen bij het lezen van het verhaal, dat ik hem deed van den treurigen toestand, waarin ik niet verkeerde en in dat vertrouwen liet ik mijn koerier naar Madrid vertrekken. Hij slaagde erin dadelijk na zijn aankomst tot den minister door te dringen en zei, terwijl hij hem den brief gaf: “Excellentie, een van uw trouwste dienaren, die op stroo ligt in een donker cachot van den toren te Ségovië, verzoekt u nederig dezen brief te lezen, dien hij heeft kunnen schrijven door de goedhartigheid van den gevangenbewaarder.” De minister nam den brief aan en las dien door. In plaats van daardoor getroffen te zijn, zei hij met woedende stem, zóó luid dat alle personen in zijn omgeving het konden hooren: “Zeg aan Santillano, dat ik hem wel vermetel vind, om zich tot mij te durven wenden na de onwaardige daad, die hij heeft bedreven en waarvoor hij rechtvaardig wordt gestraft. Het is een ongelukkige, die niet meer op mijn steun moet rekenen en dien ik geheel overlaat aan het oordeel van den koning.”Scipio was geschrikt door die woorden, maar hij zweeg niet. “Excellentie, die arme gevangene zal van verdriet sterven, als ik hem die tijding breng.” De hertog antwoordde mijn pleitbezorger niet, maar keerde hem den rug toe. Zoo behandelde de minister mij, om beter het aandeel te kunnen verbergen, dat hij zelf had in deze verliefde intrige van den prins. En zoo wordt dikwijls de kleine man behandeld, wanneer hij groote heeren dient in hunne geheime en gevaarlijke ondernemingen.Toen mijn secretaris terug was te Ségovië en mij verteld had, hoe hij zich van zijn opdracht had gekweten, zag ik mij opnieuw gedompeld in den verschrikkelijken afgrond, waarin ik den eersten dag van mijn gevangenschap had verkeerd. Ik meende, dat ik zelfs nog ongelukkigerwas, omdat ik de bescherming miste van den hertog de Lerme. Al mijn moed was mij ontzonken, ik had groot verdriet en hoe men mij ook trachtte op te beuren, ik begon te kwijnen en werd ernstig ziek.De gevangenbewaarder was zoo vol deelneming, dat hij niet beter meende te kunnen doen, dan een paar doktoren te roepen. Ik was altijd zoo vooringenomen geweest tegen dokters, dat ik ook nu, wanneer ik nog aan het leven gehecht was geweest, die heeren zeer slecht zou hebben ontvangen, maar ik was het leven zoo moe, dat ik er Tordesillas dankbaar voor was, dat hij mij in hun handen stelde.Een van hen zei: “Mijnheer, voor alles is het noodig, dat u een onbeperkt vertrouwen in ons hebt.”“Dat heb ik ook,” antwoordde ik. “Met uw hulp ben ik er zeker van, dat ik spoedig van al mijn kwalen zal bevrijd zijn.”Hij hernam: “Ja, met Gods hulp zult ge dat zijn. Wij zullen tenminste ons best doen.”Nu dat deden ze ook, het ging zoo goed, dat ik kennelijk op weg was naar de andere wereld. Tordesillas had een ouden monnik laten komen, die mij voorbereid had op den dood en ikzelf geloofde niet anders, of mijn laatste uur had geslagen. Ik gaf Scipio een teeken om bij mijn bed te komen en zei met een nauwelijks hoorbare stem, zoozeer hadden de medicijnen en aderlatingen mij verzwakt: “mijn vriend, ik laat je den eenen zak met pistolen en verzoek je den anderen naar Asturië te brengen naar mijn vader en moeder die, als ze nog leven, dat geld noodig zullen hebben. Vraag of ze mij vergiffenis willen schenken voor mijn ondankbaarheid en onverschilligheid. Leven zij niet meer, besteed dan dat geld om den hemel om rust te laten bidden voor hunne ziel en de mijne.”Dat zeggende, reikte ik hem de hand, die hij met zijn tranen bevochtigde, zoo bedroefd was hij. De tranen van een erfgenaam zijn dus klaarblijkelijk niet altijd verborgen glimlachjes.Ik wachtte niet anders dan het einde, maar het kwam niet. Nadat de dokters mij hadden verlaten en het terrein vrij was, genas ik. De koorts, die volgens hen mij moest wegnemen, week. Het gevolg van die ziekte was een volmaakte kalmte van geest. Ik behoefde niet meer getroost te worden; ik had toen de dood mij nabij was, een groote verachting gekregen voor eer en rijkdommen en het voornemen opgevat, om, al zou de hertog de Lerme mij terugroepen, nooit aan het hof weer te keeren. Ik stelde mij voor, wanneer ik uit de gevangenis kwam een hut te koopen en daarin rustig te leven.Mijn vertrouweling juichte mijn plan toe en wilde, om de uitvoering ervan te verhaasten, nog eens naar Madrid gaan, om mijn bevrijding te bewerken. Hij was vroeger in dienst geweest bij de min van den prins, die op dezen altijd nog een grooten invloed had.
Indien wij soms zeggen, dat wij geen grootere vijanden hebben dan onze dienstboden, dan moeten wij eraan toevoegen, dat we geen betere vrienden hebben aan hen, indien ze ons trouw en genegen zijn. In Scipio kon ik niet anders zien dan mijn tweede ik. Dus, geen onderdanigheid meer, Gil Blas en zijn secretaris hadden één kamer, een bed en één tafel. Hij was van een zeer goed humeur en verstand. “Mijn vriend,” zei ik op zekeren dag tegen hem, “het schijnt me, dat het niet kwaad zou zijn, indien ik eens aan den hertog de Lerme schreef. Wat denk je daarvan?”
“Wel,” antwoordde hij, “de groote heeren zijn niet altijd gelijk van humeur en dus weet ik niet zeker, hoe uw brief zou worden opgenomen. Maar ik meen, dat het in ieder geval goed zou zijn, om hem te schrijven. Hoewel de minister veel van u houdt, moet ge niet stilzitten. Hij moet aan u herinnerd worden. Die heeren vergeten dikwijls de personen, van wie ze niet hooren spreken.”
“Hoewel ge in het algemeen gesproken gelijk hebt,” antwoordde ik hem, “oordeel ik toch beter over mijn patroon. Zijn goedheid is mij bekend. Ik ben er van overtuigd, dat hij medelijden heeft met mijn toestand en onophoudelijk daaraan denkt. Hij wacht kennelijk met mij uit de gevangenis te helpen, tot de toorn van den koning bedaard is.” “Ik hoop,” zei hij, “dat ge juist over den minister oordeelt. Roep dus zijn hulp in door een treffenden brief. Ik zalhem dien brengen en persoonlijk ter hand stellen.” Ik schreef een zeer welsprekend stuk, dat Tordesillas zelfs boven de preeken van den aartsbisschop stelde.
Ik vleide mij, dat de hertog de Lerme door medelijden zou worden bewogen bij het lezen van het verhaal, dat ik hem deed van den treurigen toestand, waarin ik niet verkeerde en in dat vertrouwen liet ik mijn koerier naar Madrid vertrekken. Hij slaagde erin dadelijk na zijn aankomst tot den minister door te dringen en zei, terwijl hij hem den brief gaf: “Excellentie, een van uw trouwste dienaren, die op stroo ligt in een donker cachot van den toren te Ségovië, verzoekt u nederig dezen brief te lezen, dien hij heeft kunnen schrijven door de goedhartigheid van den gevangenbewaarder.” De minister nam den brief aan en las dien door. In plaats van daardoor getroffen te zijn, zei hij met woedende stem, zóó luid dat alle personen in zijn omgeving het konden hooren: “Zeg aan Santillano, dat ik hem wel vermetel vind, om zich tot mij te durven wenden na de onwaardige daad, die hij heeft bedreven en waarvoor hij rechtvaardig wordt gestraft. Het is een ongelukkige, die niet meer op mijn steun moet rekenen en dien ik geheel overlaat aan het oordeel van den koning.”
Scipio was geschrikt door die woorden, maar hij zweeg niet. “Excellentie, die arme gevangene zal van verdriet sterven, als ik hem die tijding breng.” De hertog antwoordde mijn pleitbezorger niet, maar keerde hem den rug toe. Zoo behandelde de minister mij, om beter het aandeel te kunnen verbergen, dat hij zelf had in deze verliefde intrige van den prins. En zoo wordt dikwijls de kleine man behandeld, wanneer hij groote heeren dient in hunne geheime en gevaarlijke ondernemingen.
Toen mijn secretaris terug was te Ségovië en mij verteld had, hoe hij zich van zijn opdracht had gekweten, zag ik mij opnieuw gedompeld in den verschrikkelijken afgrond, waarin ik den eersten dag van mijn gevangenschap had verkeerd. Ik meende, dat ik zelfs nog ongelukkigerwas, omdat ik de bescherming miste van den hertog de Lerme. Al mijn moed was mij ontzonken, ik had groot verdriet en hoe men mij ook trachtte op te beuren, ik begon te kwijnen en werd ernstig ziek.
De gevangenbewaarder was zoo vol deelneming, dat hij niet beter meende te kunnen doen, dan een paar doktoren te roepen. Ik was altijd zoo vooringenomen geweest tegen dokters, dat ik ook nu, wanneer ik nog aan het leven gehecht was geweest, die heeren zeer slecht zou hebben ontvangen, maar ik was het leven zoo moe, dat ik er Tordesillas dankbaar voor was, dat hij mij in hun handen stelde.
Een van hen zei: “Mijnheer, voor alles is het noodig, dat u een onbeperkt vertrouwen in ons hebt.”
“Dat heb ik ook,” antwoordde ik. “Met uw hulp ben ik er zeker van, dat ik spoedig van al mijn kwalen zal bevrijd zijn.”
Hij hernam: “Ja, met Gods hulp zult ge dat zijn. Wij zullen tenminste ons best doen.”
Nu dat deden ze ook, het ging zoo goed, dat ik kennelijk op weg was naar de andere wereld. Tordesillas had een ouden monnik laten komen, die mij voorbereid had op den dood en ikzelf geloofde niet anders, of mijn laatste uur had geslagen. Ik gaf Scipio een teeken om bij mijn bed te komen en zei met een nauwelijks hoorbare stem, zoozeer hadden de medicijnen en aderlatingen mij verzwakt: “mijn vriend, ik laat je den eenen zak met pistolen en verzoek je den anderen naar Asturië te brengen naar mijn vader en moeder die, als ze nog leven, dat geld noodig zullen hebben. Vraag of ze mij vergiffenis willen schenken voor mijn ondankbaarheid en onverschilligheid. Leven zij niet meer, besteed dan dat geld om den hemel om rust te laten bidden voor hunne ziel en de mijne.”Dat zeggende, reikte ik hem de hand, die hij met zijn tranen bevochtigde, zoo bedroefd was hij. De tranen van een erfgenaam zijn dus klaarblijkelijk niet altijd verborgen glimlachjes.
Ik wachtte niet anders dan het einde, maar het kwam niet. Nadat de dokters mij hadden verlaten en het terrein vrij was, genas ik. De koorts, die volgens hen mij moest wegnemen, week. Het gevolg van die ziekte was een volmaakte kalmte van geest. Ik behoefde niet meer getroost te worden; ik had toen de dood mij nabij was, een groote verachting gekregen voor eer en rijkdommen en het voornemen opgevat, om, al zou de hertog de Lerme mij terugroepen, nooit aan het hof weer te keeren. Ik stelde mij voor, wanneer ik uit de gevangenis kwam een hut te koopen en daarin rustig te leven.
Mijn vertrouweling juichte mijn plan toe en wilde, om de uitvoering ervan te verhaasten, nog eens naar Madrid gaan, om mijn bevrijding te bewerken. Hij was vroeger in dienst geweest bij de min van den prins, die op dezen altijd nog een grooten invloed had.
Hoofdstuk IXScipio keert naar Madrid terug. Hoe en op welke voorwaarden Gil Blas in vrijheid wordt gesteld. Waar zij heengingen, na den toren van Ségovië te hebben verlaten en welk gesprek zij samen hadden.Scipio vertrok dus naar Madrid. In afwachting van zijn terugkomst las ik veel.Tordesillas verschafte mij zooveel boeken, als ik wilde hebben. Hij leende die, van een ouden commandant, die niet kon lezen, maar een groote bibliotheek had om voor een geleerde door te gaan. Ik hield vooral van goede boeken over moraal omdat ik daarin telkens stukken vond, die mijn afkeer van het Hof en mijn liefde voor de eenzaamheidrechtvaardigden.Na drie weken kwam de onderhandelaar terug, om mij mee te deelen, dat de zaak gunstig stond. Op verzoek van de min had de prins beloofd er met zijn vader over te spreken. Om nog een laatste hand aan het werk te slaan, moest Scipio weer terug naar Madrid.Zijn derde reis duurde niet lang. Na acht dagen keerde hij terug met de tijding, dat de prins, hoewel niet zonder moeite, mijn bevrijding van zijn vader had verkregen. Denzelfden dag kreeg ook Tordesillas bericht. De koning had mij de vrijheid gegeven onder voorwaarde, dat ik mij niet meer aan het hof zou vertoonen en binnen een maand de beide Castiliën zou verlaten.Ik liet twee muilezels huren en wij vertrokken den volgenden dag, na een hartelijk afscheid te hebben genomen van Collogos en Tordesillas duizendmaal te hebben bedankt voor al zijn bewijzen van vriendschap. Wij sloegen den weg in naar Madrid, om eerst onze tweezakken te gaan halen, die ieder vijfhonderd dubbele pistolen bevatten. Mijn metgezel zei onderweg: “Indien wij al niet rijk genoeg zijn om een groot landgoed te koopen, een behoorlijk verblijf kunnen wij althans hebben.” Ik antwoordde hem: “Ik ben tevreden, als ik een hut heb. Ik heb genoeg van het leven in groote steden en stel mij er een groot genoegen van voor op het land te wonen en te visschen en te jagen. Wat voeding betreft, zal het meest eenvoudige voor mij voldoende zijn.” Scipio was er echter niet voor om een leven te leiden als Diogenes, hij wilde een aangenaam tehuis en een goeden wijnkelder, om rustig van de genoegens des levens te kunnen genieten. “Wat men in zijn huis heeft, schaadt niet, zegt Hésiodes en wat men er niet heeft, kan wel schaden. Het is beter de noodzakelijke dingen te bezitten dan te verlangen.”“Wat drommel! Scipio,” riep ik, “ken je de Grieksche dichters?”Hij vertelde mij, dat hij vroeger in Salamanca een meester had gehad, die niets deed dan Hebreeuwsch, Grieksch en Latijn in het Spaansch vertalen en dat hij veel voor dien heer had moeten copieeren.Onderweg spraken wij verder over onze toekomstige woonplaats en waar we die zouden kiezen. We besloten na eenig overleg ons in Aragon te vestigen.
Scipio vertrok dus naar Madrid. In afwachting van zijn terugkomst las ik veel.
Tordesillas verschafte mij zooveel boeken, als ik wilde hebben. Hij leende die, van een ouden commandant, die niet kon lezen, maar een groote bibliotheek had om voor een geleerde door te gaan. Ik hield vooral van goede boeken over moraal omdat ik daarin telkens stukken vond, die mijn afkeer van het Hof en mijn liefde voor de eenzaamheidrechtvaardigden.
Na drie weken kwam de onderhandelaar terug, om mij mee te deelen, dat de zaak gunstig stond. Op verzoek van de min had de prins beloofd er met zijn vader over te spreken. Om nog een laatste hand aan het werk te slaan, moest Scipio weer terug naar Madrid.
Zijn derde reis duurde niet lang. Na acht dagen keerde hij terug met de tijding, dat de prins, hoewel niet zonder moeite, mijn bevrijding van zijn vader had verkregen. Denzelfden dag kreeg ook Tordesillas bericht. De koning had mij de vrijheid gegeven onder voorwaarde, dat ik mij niet meer aan het hof zou vertoonen en binnen een maand de beide Castiliën zou verlaten.
Ik liet twee muilezels huren en wij vertrokken den volgenden dag, na een hartelijk afscheid te hebben genomen van Collogos en Tordesillas duizendmaal te hebben bedankt voor al zijn bewijzen van vriendschap. Wij sloegen den weg in naar Madrid, om eerst onze tweezakken te gaan halen, die ieder vijfhonderd dubbele pistolen bevatten. Mijn metgezel zei onderweg: “Indien wij al niet rijk genoeg zijn om een groot landgoed te koopen, een behoorlijk verblijf kunnen wij althans hebben.” Ik antwoordde hem: “Ik ben tevreden, als ik een hut heb. Ik heb genoeg van het leven in groote steden en stel mij er een groot genoegen van voor op het land te wonen en te visschen en te jagen. Wat voeding betreft, zal het meest eenvoudige voor mij voldoende zijn.” Scipio was er echter niet voor om een leven te leiden als Diogenes, hij wilde een aangenaam tehuis en een goeden wijnkelder, om rustig van de genoegens des levens te kunnen genieten. “Wat men in zijn huis heeft, schaadt niet, zegt Hésiodes en wat men er niet heeft, kan wel schaden. Het is beter de noodzakelijke dingen te bezitten dan te verlangen.”
“Wat drommel! Scipio,” riep ik, “ken je de Grieksche dichters?”
Hij vertelde mij, dat hij vroeger in Salamanca een meester had gehad, die niets deed dan Hebreeuwsch, Grieksch en Latijn in het Spaansch vertalen en dat hij veel voor dien heer had moeten copieeren.
Onderweg spraken wij verder over onze toekomstige woonplaats en waar we die zouden kiezen. We besloten na eenig overleg ons in Aragon te vestigen.
Hoofdstuk XWat zij te Madrid aankomende deden. Wien Gil Blas op straat ontmoette en door welke gebeurtenis die ontmoeting werd gevolgd.Toen wij te Madrid waren aangekomen, namen wij onzen intrek in een klein hotel en het eerste wat wij deden was naar Salero te gaan, om ons geld te ontvangen. Hij heette mij hartelijk welkom en betuigde zijn blijdschap, dat ik weer op vrije voeten was. “Ik moet u meedeelen,” zei hij, “dat ik door de ongenade, waarin gij zijt gevallen, een weinig huiverig ben geworden voor aanrakingen met menschen van het hof. Hun fortuin zweeft mij te veel in de lucht. Ik heb mijn dochter Gabriella uitgehuwelijkt aan een rijken koopman.” Ik antwoordde hem, dat hij daar zeer goed aan gedaan had. Behalve, dat het veiliger is, komt er nog bij, dat een burgerlijke schoonvader niet altijd tevreden is over mijnheer den voornamen schoonzoon.Wij ontvingen daarop het geld terug, dat wij meenamen naar ons hotel en in volmaakte orde bevonden.Voor ons vertrek naar Aragon deden wij verschillende inkoopen en zoo ontmoette ik baron von Steinbach, den Duitschen officier, bij wien don Alphonse was opgevoed.Wij herkenden elkaar dadelijk en ik zei: “Het doet mij zeer veel genoegen, dat ik u zoo in de beste gezondheid terugzie en nu tevens gelegenheid heb, om nieuws te vernemen omtrent don César en don Alphonse de Leyva.”“Daar bestaat alle gelegenheid toe,” antwoordde hij, “daar ze beiden in Madrid en bij mij gelogeerd zijn. Voor eenigen tijd zijn ze hier gekomen, om den koning te bedankenvoor een onderscheiding, die don Alphonse heeft ontvangen, als blijk van erkentelijkheid voor de door zijn voorvaderen aan den staat bewezen diensten. Hij is gouverneur van de stad Valencia, zonder te hebben gesolliciteerd, noch iemand te hebben gevraagd zijn invloed daartoe aan te wenden. Dat doet zien, dat onze koning naar waarde weet te beloonen.”Hoewel ik, beter dan Steinbach, wist wat ik daarvan moest denken, deed ik of ik niets wist van wat hij mij vertelde. Ik betuigde hem zooveel ongeduld en verlangen om mijn oude meesters te bezoeken, dat hij mij dadelijk meenam.In een groote zaal speelde Alphonse schaak met de baronesse von Steinbach. Hij sprong dadelijk op en snelde op mij toe met een gelaat dat werkelijk vreugde verried. “Mijn waarde Gil Blas! Wat een genoegen je eindelijk weer te zien! Het is mijn schuld niet, dat we niet samen zijn gebleven. Ik had je verzocht, zooals je weet, om het kasteel de Leyva niet te verlaten. Je hebt geen gevolg gegeven aan mijn verzoek, maar ik maak je daar geen verwijt van; ik weet welke beweegredenen je hadt. Maar sedert dien tijd heb je mij ook niets meer van je laten hooren. Mijn zwager, don Fernand, had mij bericht, dat je in Granada was, maar ik heb je daar tevergeefs gezocht. Maar zeg me nu eens, wat je in Madrid doet. Zeker een goede betrekking. Wees ervan overtuigd, dat ik levendig belang stel in je omstandigheden.”Ik antwoordde hem: “Voor ongeveer vier maanden nog, had ik aan het hof een gewichtige betrekking. Ik had de eer de secretaris en vertrouweling te zijn van den hertog de Lerme.”“Is het mogelijk? De vertrouweling van den eersten minister?” riep don Alphonse met groote verwondering.“Ik had zijn gunst gewonnen en heb die weer verloren op de wijze, die ik u zal meedeelen,” zei ik en ik vertelde mijn geschiedenis en sprak ook van mijn besluit om van het weinige, wat mij van mijn voorspoed was overgebleven,een klein huis te koopen en daarin in afzondering te gaan leven.Nadat de zoon van don Cesar mijn verhaal met veel belangstelling had aangehoord, zei hij: “Mijn waarde Gil Blas, wij zijn altijd goede vrienden geweest en ik ben zeer dankbaar, dat de hemel mij in staat stelt je te helpen. Ge zult niet langer een speelbal zijn van de fortuin. Ik zal je eigenaar maken van een goed, dat je niet kan worden ontnomen. Je wilt buiten leven, welnu, ik geef je het kleine landgoed, dat wij bezitten bij Lirias, op vier mijlen afstands van Valencia. Je kent het. Zonder eenig bezwaar voor ons kunnen we je dit afstaan en ik ben er zeker van dat mijn vader enSéraphinedit besluit zeer zullen toejuichen.”Ik wierp mij op de knieën voor don Alphonse, die mij echter dadelijk oprichtte. Hartelijk dankte ik hem voor zijn edelmoedigheid. In den verderen loop van het gesprek deelde ik hem toen mee, hoe het mij gelukt was die gouverneursplaats voor hem te krijgen. Hij was daar zeer verwonderd over en beweerde nu, dat het niet voldoende was mij het kleine landgoed te geven, maar dat hij mij er ook een jaarlijksch inkomen bij zou schenken.“Neen mijnheer,” zei ik, “te veel bezit is bij mij alleen maar dienstig om mijn hebzucht op te wekken. Dat heb ik maar al te zeer ondervonden. Gaarne neem ik uw landgoed bij Lirias aan en ik zal er gemakkelijk kunnen leven van hetgeen ik nog bovendien bezit. Maar dat is mij voldoende, meer begeer ik niet. Rijkdom behoort niet op een plaats, waar men slechts rust zoekt.”Tijdens ons gesprek kwam don Cesar binnen, die mij eveneens met groote hartelijkheid begroette. Nadat hij van alles op de hoogte was gebracht, brachten vader en zoon mij dadelijk naar een notaris, waar zij een akte van schenking lieten opmaken en die beiden met meer genoegen teekenden, dan zij het een stuk zouden hebben gedaan, dat hun voordeel opleverde. De akte werd mij ter hand gesteld en ik kon van het landgoed bezit gaan nemen wanneerik wilde. Zij gingen daarop naar baron von Steinbach terug en ik begaf mij naar ons hotel, waar ik de verwondering opwekte van Scipio met de mededeeling, dat wij een landgoed hadden gekregen in Valencia en de wijze vertelde, waarop dat in mijn bezit was gekomen.“Hoeveel zou dat kleine domein waard zijn?” vroeg hij.“Vijfhonderd ducaten rente en ik kan je verzekeren, dat het daar een zeer mooie omgeving is. Als intendant van de heeren de Leyva ben ik er meermalen geweest. Het is een zeer klein landhuis aan de oevers van den Guadalquivar, in een gehucht met nog vijf of zes andere huizen”.“Wat mij zeer bevalt”, riep Scipio, “is dat wij daar goed wild zullen hebben, met wijn van Bernicarlo en uitstekenden muscaat! Komaan patroon! laten wij ons haasten om de wereld te verlaten en onze eenzaamheid op te zoeken”.“Ik heb niet minder lust dan jij”, antwoordde ik, “maar ik moet eerst nog naar Asturië. Mijn vader en moeder leven daar niet in zeer gelukkige omstandigheden, ik zal hen gaan halen en naar Lirias brengen, waar ze de rest van hun dagen in rust kunnen slijten. De hemel heeft mij misschien deze plaats gegeven, om er hen te ontvangen en zou mij straffen, indien ik dit verzuimde”. Scipio prees mijn voornemen en met spoed maakten wij de toebereidselen voor ons vertrek.
Toen wij te Madrid waren aangekomen, namen wij onzen intrek in een klein hotel en het eerste wat wij deden was naar Salero te gaan, om ons geld te ontvangen. Hij heette mij hartelijk welkom en betuigde zijn blijdschap, dat ik weer op vrije voeten was. “Ik moet u meedeelen,” zei hij, “dat ik door de ongenade, waarin gij zijt gevallen, een weinig huiverig ben geworden voor aanrakingen met menschen van het hof. Hun fortuin zweeft mij te veel in de lucht. Ik heb mijn dochter Gabriella uitgehuwelijkt aan een rijken koopman.” Ik antwoordde hem, dat hij daar zeer goed aan gedaan had. Behalve, dat het veiliger is, komt er nog bij, dat een burgerlijke schoonvader niet altijd tevreden is over mijnheer den voornamen schoonzoon.
Wij ontvingen daarop het geld terug, dat wij meenamen naar ons hotel en in volmaakte orde bevonden.
Voor ons vertrek naar Aragon deden wij verschillende inkoopen en zoo ontmoette ik baron von Steinbach, den Duitschen officier, bij wien don Alphonse was opgevoed.
Wij herkenden elkaar dadelijk en ik zei: “Het doet mij zeer veel genoegen, dat ik u zoo in de beste gezondheid terugzie en nu tevens gelegenheid heb, om nieuws te vernemen omtrent don César en don Alphonse de Leyva.”
“Daar bestaat alle gelegenheid toe,” antwoordde hij, “daar ze beiden in Madrid en bij mij gelogeerd zijn. Voor eenigen tijd zijn ze hier gekomen, om den koning te bedankenvoor een onderscheiding, die don Alphonse heeft ontvangen, als blijk van erkentelijkheid voor de door zijn voorvaderen aan den staat bewezen diensten. Hij is gouverneur van de stad Valencia, zonder te hebben gesolliciteerd, noch iemand te hebben gevraagd zijn invloed daartoe aan te wenden. Dat doet zien, dat onze koning naar waarde weet te beloonen.”
Hoewel ik, beter dan Steinbach, wist wat ik daarvan moest denken, deed ik of ik niets wist van wat hij mij vertelde. Ik betuigde hem zooveel ongeduld en verlangen om mijn oude meesters te bezoeken, dat hij mij dadelijk meenam.
In een groote zaal speelde Alphonse schaak met de baronesse von Steinbach. Hij sprong dadelijk op en snelde op mij toe met een gelaat dat werkelijk vreugde verried. “Mijn waarde Gil Blas! Wat een genoegen je eindelijk weer te zien! Het is mijn schuld niet, dat we niet samen zijn gebleven. Ik had je verzocht, zooals je weet, om het kasteel de Leyva niet te verlaten. Je hebt geen gevolg gegeven aan mijn verzoek, maar ik maak je daar geen verwijt van; ik weet welke beweegredenen je hadt. Maar sedert dien tijd heb je mij ook niets meer van je laten hooren. Mijn zwager, don Fernand, had mij bericht, dat je in Granada was, maar ik heb je daar tevergeefs gezocht. Maar zeg me nu eens, wat je in Madrid doet. Zeker een goede betrekking. Wees ervan overtuigd, dat ik levendig belang stel in je omstandigheden.”
Ik antwoordde hem: “Voor ongeveer vier maanden nog, had ik aan het hof een gewichtige betrekking. Ik had de eer de secretaris en vertrouweling te zijn van den hertog de Lerme.”
“Is het mogelijk? De vertrouweling van den eersten minister?” riep don Alphonse met groote verwondering.
“Ik had zijn gunst gewonnen en heb die weer verloren op de wijze, die ik u zal meedeelen,” zei ik en ik vertelde mijn geschiedenis en sprak ook van mijn besluit om van het weinige, wat mij van mijn voorspoed was overgebleven,een klein huis te koopen en daarin in afzondering te gaan leven.
Nadat de zoon van don Cesar mijn verhaal met veel belangstelling had aangehoord, zei hij: “Mijn waarde Gil Blas, wij zijn altijd goede vrienden geweest en ik ben zeer dankbaar, dat de hemel mij in staat stelt je te helpen. Ge zult niet langer een speelbal zijn van de fortuin. Ik zal je eigenaar maken van een goed, dat je niet kan worden ontnomen. Je wilt buiten leven, welnu, ik geef je het kleine landgoed, dat wij bezitten bij Lirias, op vier mijlen afstands van Valencia. Je kent het. Zonder eenig bezwaar voor ons kunnen we je dit afstaan en ik ben er zeker van dat mijn vader enSéraphinedit besluit zeer zullen toejuichen.”
Ik wierp mij op de knieën voor don Alphonse, die mij echter dadelijk oprichtte. Hartelijk dankte ik hem voor zijn edelmoedigheid. In den verderen loop van het gesprek deelde ik hem toen mee, hoe het mij gelukt was die gouverneursplaats voor hem te krijgen. Hij was daar zeer verwonderd over en beweerde nu, dat het niet voldoende was mij het kleine landgoed te geven, maar dat hij mij er ook een jaarlijksch inkomen bij zou schenken.
“Neen mijnheer,” zei ik, “te veel bezit is bij mij alleen maar dienstig om mijn hebzucht op te wekken. Dat heb ik maar al te zeer ondervonden. Gaarne neem ik uw landgoed bij Lirias aan en ik zal er gemakkelijk kunnen leven van hetgeen ik nog bovendien bezit. Maar dat is mij voldoende, meer begeer ik niet. Rijkdom behoort niet op een plaats, waar men slechts rust zoekt.”
Tijdens ons gesprek kwam don Cesar binnen, die mij eveneens met groote hartelijkheid begroette. Nadat hij van alles op de hoogte was gebracht, brachten vader en zoon mij dadelijk naar een notaris, waar zij een akte van schenking lieten opmaken en die beiden met meer genoegen teekenden, dan zij het een stuk zouden hebben gedaan, dat hun voordeel opleverde. De akte werd mij ter hand gesteld en ik kon van het landgoed bezit gaan nemen wanneerik wilde. Zij gingen daarop naar baron von Steinbach terug en ik begaf mij naar ons hotel, waar ik de verwondering opwekte van Scipio met de mededeeling, dat wij een landgoed hadden gekregen in Valencia en de wijze vertelde, waarop dat in mijn bezit was gekomen.
“Hoeveel zou dat kleine domein waard zijn?” vroeg hij.
“Vijfhonderd ducaten rente en ik kan je verzekeren, dat het daar een zeer mooie omgeving is. Als intendant van de heeren de Leyva ben ik er meermalen geweest. Het is een zeer klein landhuis aan de oevers van den Guadalquivar, in een gehucht met nog vijf of zes andere huizen”.
“Wat mij zeer bevalt”, riep Scipio, “is dat wij daar goed wild zullen hebben, met wijn van Bernicarlo en uitstekenden muscaat! Komaan patroon! laten wij ons haasten om de wereld te verlaten en onze eenzaamheid op te zoeken”.
“Ik heb niet minder lust dan jij”, antwoordde ik, “maar ik moet eerst nog naar Asturië. Mijn vader en moeder leven daar niet in zeer gelukkige omstandigheden, ik zal hen gaan halen en naar Lirias brengen, waar ze de rest van hun dagen in rust kunnen slijten. De hemel heeft mij misschien deze plaats gegeven, om er hen te ontvangen en zou mij straffen, indien ik dit verzuimde”. Scipio prees mijn voornemen en met spoed maakten wij de toebereidselen voor ons vertrek.