Tiende BoekHoofdstuk IGil Blas vertrekt naar Asturië; hij reist over Valladolid, waar hij dokter Sangrado, zijn ouden meester gaat bezoeken. Hij ontmoet bij toeval den heer Manuel Ordonnez, administrateur van het klooster.In den tijd, dat Scipio en ik Madrid verlieten, benoemde Paulus V den hertog de Lerme tot kardinaal. De paus, die de inquisitie in het koninkrijk Napels wilde instellen, bekleedde den minister met het purper, om daardoor koning Philips voor zijn plannen te winnen. Al wie dit nieuwe lid van het heilige college goed kenden, vonden als ik, dat de kerk een schoone aanwinst had gedaan.Scipio, die mij liever in een schitterende betrekking aan het hof zag terugkeeren dan begraven in de eenzaamheid, raadde mij aan den nieuwen kardinaal te gaan bezoeken. “Misschien,” zei hij, “dat zijn eminentie, wanneer hij u op bevel van den koning uit de gevangenis ontslagen ziet, niet meer doet of hij gebelgd op u is en u weer in zijn dienst terugneemt.”“Scipio,” antwoordde ik hem, “je vergeet klaarblijkelijk, waarde, dat ik de Castiliën zou verlaten. Denk je overigens, dat ik nu al genoeg heb van mijn kasteel te Lirias? Ik heb je al gezegd en herhaal het: wanneer de hertog de Lerme mij zijn gunsten weer zou willen schenken, wanneer hij mij zelfs de plaats aanbood van Calderone, zou ik weigeren. Mijn besluit is genomen, ik ga mijn ouders halen en dan nabij Valencia wonen. Mocht het je berouwen, dat je je lot aan het mijne hebt verbonden, dan behoef je dat maar te zeggen, ik ben bereid om je de helft van mijn geld te geven, waarmee je in Madrid kan blijven om verder je fortuin te maken”.“Hoe mijnheer!” zei Scipio, “denkt u dat het mij berouwt, dat ik besloten heb u te volgen? Hoe, Scipio, die trouwe dienaar, die gaarne de rest van zijn dagen met u zou hebben gesleten in den toren van Ségovië, zou u niet gaarne vergezellen naar een plaats, waar ons zooveel genot wacht! Neen mijnheer, ik denk er niet aan op mijn besluit terug te komen. Ik moet u bekennen dat ik, toen ik dien raad gaf u alleen maar eens heb willen polsen, om te zien of er nog iets van de oude eerzucht in u was overgebleven. Maar ik zie, dat ge niet meer aan grootheid zijt gehecht!”Wij reisden in een wagen, bespannen met twee goede muilezels, gemend door een jongen, dien ik bij mijn gevolg had gevoegd. Na eenige dagen kwamen wij te Valladolid. Bij het gezicht van die stad kon ik mij niet weerhouden te zuchten. Mijn metgezel vroeg, waarom ik dat deed. “Mijn vriend”, zei ik, “dat komt, omdat ik langen tijd hier de geneeskunde heb beoefend. Ik kan er niet rustig aan denken. Mijn geweten doet mij op dit oogenblik geheime verwijten. Wat zeg ik? Het is mij of alle zieken, die ik vermoord heb, uit hun graven rijzen, om mij in stukken te scheuren!”“Wat een idee!” riep Scipio, “Waarlijk, mijnheer Santillano, ge zijt te goed. Waarom maakt ge u er een verwijt van, dat ge uw beroep hebt uitgeoefend? Kijk naar de oudste doktoren, hebben zij de wroeging? Wel neen! Ze gaan steeds hun gang. Loopt een geval ongelukkig af, dan is de natuur de schuld ervan en genezen zij iemand, dan hebben zij de eer!””’t Is waar,” zei ik, “dat dokter Sangrado, wiens methode ik getrouw volgde, er die manieren op nahield. Al stierven er per dag twintig personen onder zijn handen, hij was zoo overtuigd van het heilzame van aderlaten en van zijn drankjes, dat hij zeker was, daarmee alle ziekten te kunnen genezen. Hij geloofde, dat de zieken alleen stierven, omdat hij hen niet genoeg had gelaten, of dat ze te weinig geslikt hadden!”Lachend riep Scipio: “Dat is een interessante persoonlijkheid!”“Als ge hem wilt leeren kennen,” zei ik, “dan is daar morgen gelegenheid toe, wanneer althans Sangrado nog leeft en nog in Valladolid woont. Ik kan dat echter moeilijk gelooven, want hij was al oud, toen ik hem verliet en er zijn sedert dien tijd heel wat jaren verloopen.”Ons eerste werk, toen wij in het hotel aankwamen, was te informeeren naar dokter Sangrado, die nog leefde, maar te oud was om visites te maken en dus zijn practijk aan drie of vier andere doktoren had overgedaan. Wij besloten den volgenden dag in die stad over te blijven, zoowel om hem te bezoeken, als om onze muilezels te laten rusten.Den volgenden morgen om tien uur gingen wij hem bezoeken; wij vonden hem in een fauteuil, met een boek in de hand. Zoodra hij ons zag, stond hij op, kwam naar ons toe met een fermen stap voor een zeventigjarige en vroeg, wat wij wilden.“Dokter,” zei ik, “kijk mij eens oplettend aan! Herkent ge mij niet? Ik heb toch de eer een van uw leerlingen te zijn. Herinnert gij u niet een zekeren Gil Blas, die bij u gewoond heeft?”Hij drukte mij hartelijk de hand en zei: “Zijt gij het Santillano? Ik zou u niet meer herkend hebben. Het doet mij recht veel genoegen u weer te zien.Wat hebt ge sedert onze scheiding gedaan? Zeker de geneeskunde beoefend?”“Wat mij betreft,” antwoordde ik, “had ik daar wel neiging toe, maar redenen van overwegenden aard hebben het mij belet.”“Dat is jammer,” zei Sangrado, “want met de grondbeginselen, die ik bij u had gelegd, zoudt ge een uitstekend geneesheer zijn geworden, indien de hemel u althanshadbehoed voor de gevaarlijke liefde tot de scheikunde. Wat een verandering in de geneeskunde in de laatste jaren! Ge ziet mij er tegelijkertijd verwonderd en bedroefd over. Menontneemt aan onze wetenschap de eer en de waardigheid.Die kunst, die door alle eeuwen heen het leven van den mensch heeft gerespecteerd, is nu ten prooi geworden aan vermetelheid, aan vermoedens, aan onervarenheid. Men ziet tegenwoordig ook in deze stad dokters, wier eenige wetenschap van de geneeskunde bestaat in het bereiden van scheikundige mengsels. Alles is verkeerd in hun methode! Het aderlaten van den voet bijvoorbeeld, vroeger zoo zeldzaam gedaan, is tegenwoordig bijna de eenige wijze. De purgeermiddelen vroeger zacht en weldadig, zijn nu brakerig werkende. Het is een chaos geworden, iedereen doet wat hij wil en overschrijdt de grenzen van de regelmaat en wijsheid, die onze eerste meesters hebben vastgesteld.”Welk een lust ik ook had om te lachen, ik wist mij te weerhouden. Scipio, wien het geval vermaakte, wilde het vuur nog wat aanwakkeren. “Dokter,” zei hij tegen Sangrado, “daar ik een achterneef ben van een dokter van de andere school, zij het mij vergund, met u al die scheikundige remedies ver weg te werpen. Wijlen mijn oudoom was een zoo overtuigd volgeling van Hippocrates, dat hij dikwijls gevochten heeft met de kwakzalvers, die met niet genoeg respect spraken van dien koning der geneeskunde. Het bloed verloochent zich niet en ik zou graag voor beul dienen van al die nieuwerwetsche domooren, over wie gij u met evenveel rechtvaardigheid als welsprekendheid beklaagt. Welk een wanorde veroorzaken deze ellendelingen niet in de beschaafde maatschappij!”“Die wanorde,” zei de dokter, “gaat veel verder dan ge denkt. Het heeft mij niet gebaat een boek uit te geven tegen die struikrooverij op het gebied van de geneeskunst; integendeel, ze neemt van dag tot dag toe. De chirurgen zijn zoo gek dokters te willen zijn en denken, dat ze er geschikt voor zijn als er maar braakmiddelen hoeven gegeven te worden, waarbij ze dan, heel willekeurig voet-aderlatingen voegen. Deze besmetting verspreidt zich zelfs in de kloosters, er zijn onder de monniken sommige broeders,die tegelijk apotheker en chirurgijn zijn en schadelijke drankjes maken, die het leven verkorten van de eerwaarde vaders.”Hier werd ons gesprek gestoord door de komst van een oude dienstbode, die een blad bracht, waarop een broodje, een glas en twee caraffen, de een gevuld met water en de andere met wijn. Hij vulde het glas voor niet meer dan een vierde gedeelte met wijn en de rest met water. “Ho, ho! dokter!” riep ik, “daar betrap ik u op heeterdaad, u drinkt wijn, gij, die u altijd zoo tegen dien drank hebt verklaard en daardoor veroorzaakt hebt, dat ik in tien jaren tijds geen druppel wijn heb gedronken. Sedert wanneer zijt gij zoo veranderd? Ge kunt u niet beroepen op uw leeftijd, omdat ge in een van uw geschriften den ouderdom verklaart als een natuurlijke tering en ge daarom de onwetendheid betreurt van personen, die den wijn de melk der grijsaards noemen. Wat hebt ge te zeggen om u te rechtvaardigen?”“Ge doet mij onrecht aan,” zei de oude heer. “Indien ik enkel wijn dronk, zoudt ge gelijk hebben, maar ik vermeng dien met veel water.” “Mijn waarde meester,” antwoordde ik, “herinnert ge u niet, dat ge het afkeurde in den kanunnik Sedillo, dat hij wijn dronk, hoewel hij er veel water in deed? Beken maar, dat ge uw dwaling hebt ingezien, dat het drinken van wijn niet slecht is, zooals ge in uw boeken hebt gezegd, mits men er maar een matig gebruik van maakt.”De dokter was een weinig verlegen door mijn woorden; hij kon zich er niet goed uit redden, dus bracht ik het gesprek op een ander onderwerp en wij vertrokken spoedig na hem nogmaals goed succes te hebben toegewenscht in zijn strijd tegen de nieuwe geneeskunde.Terwijl Scipio en ik op weg naar het hotel nog eens hartelijk lachten om dien origineelen dokter, ging ons een man voorbij van omstreeks zestig jaren, die de oogen naar den grond hield geslagen. Ik herkende in hem Manuel Ordonnez, den administrateur, van wien ik zoo eervolmelding maakte in het eerste deel van mijn geschiedenis. Ik groette hem, hij keek mij aan en zei, dat hij, hoewel mijn gezicht hem niet onbekend voorkwam, zich toch niet kon herinneren, wie ik was. Ik kwam zijn geheugen te hulp en zei, dat ik vroeger wel eens bij hem kwam toen hij een vriend van mij in dienst had, genaamd Fabricius Nunez. Hij antwoordde: “Ja, nu herinner ik het mij. Ge hebt samen wel eens streken uitgehaald! Maar zeg mij eens, wat er van dien armen Fabricius geworden is.”“Fabricius is in Madrid, waar hij zich met verschillend werk bezig houdt.”“Wat verstaat ge onder verschillend werk?” vroeg hij. “Dat klinkt mij zoo dubbelzinnig.”“Ik wil daarmee zeggen,” antwoordde ik, “dat hij schrijft in poëzie en in proza, hij maakt comedies en romans; in één woord, het is iemand met talent, die zeer goed wordt ontvangen in groote huizen.”“Maar hoe staat het met zijn geldmiddelen?”“Niet al te best,” antwoordde ik. “Ik geloof niet, dat hij rijk is.”“O, dat dacht ik wel!” riep Ordonnez. “Laat hij het hof maar maken aan groote heeren! Dat zal hem even weinig inbrengen als zijn geschrijf. Ik zie hem den een of anderen dag nog eens in ons armenhuis terechtkomen.”“Dat zou wel kunnen,” stemde ik toe, “de poëzie heeft er wel anderen gebracht. Mijn vriend Fabricius zou beter hebben gedaan, indien hij maar bij u was gebleven, dan zou zijn karretje nu over een zandweg gaan.”“Hij zou het tenminste goed hebben,” zei Manuel. “Ik hield van dien jongen en hij had in onze inrichting een goede positie kunnen krijgen, indien het hem niet in het hoofd was gekomen zich aan de schoone kunst te gaan wijden. De domoor! Hij maakte een comediestuk, dat opgevoerd werd door een troep, die bij ons in de stad was. Hij had succes en zijn hoofd werd daardoor op hol gebracht. Hij meende een nieuwe Lopez de Vega te zijn en gaf de voorkeur aan den bedwelmenden rook van het applaudissement van het publiek, boven de werkelijke voordeelen die mijn vriendschap hem kon aanbieden. Hij heeft zijn geluk niet begrepen. De jongen, dien ik in zijn plaats nam, is daar het bewijs van. Hij heeft minder verstand dan Fabricius, maar legde zich uitsluitend op zijn betrekking toe en bekleedt nu bij ons twee posten, waarvan de minste hem ruimschoots in staat stelt te leven als een fatsoenlijk man, die een groot huishouden tot zijn last heeft.”Hoofdstuk IIGil Blas vervolgt zijn reis en komt gelukkig teOviédoaan. In welken toestand hij zijn ouders vindt. Dood van zijn vader; gevolg van dien dood.Van Valladolid reisden wij in vier dagen naarOviédo, zonder onderweg slechte ontmoetingen te hebben gehad, niettegenstaande er gezegd wordt, dat de dieven van verre het geld van de reizigers ruiken. Ze hadden anders gemakkelijk hun slag kunnen slaan; want ik had aan het hof geen dapperheid geleerd en mijn ezeldrijver scheen me niet iemand, die zich zou laten dooden om de beurs van zijn meester te verdedigen. Alleen Scipio had iets van een vechtersbaas.Het was nacht toen wij in de stad aankwamen. Wij gingen in een logement, dicht naast het huis van mijn oom Gil Perez. Voor ik naar mijn ouders ging, wilde ik naar hen informeeren en ik wist niet beter te doen, dan mij daarvoor te wenden tot den waard en zijn vrouw, die wel alles van hunne buren zouden afweten. Na mij goed te hebben aangekeken riep de herbergier uit: “Bij den heiligen Antonius van Padua! Dat is de zoon van onzen goeden Blas de Santillano!”“Ja waarlijk,” bevestigde de vrouw, “hij is het, ik herken hem zeer goed, hij is bijna niet veranderd. ’t Is, of ik hem nog zie zooals hij hier ’s avonds met een flesch kwam, om wijn voor het souper van zijn oom te halen.”“Ge hebt een goed geheugen,” zei ik, “maar wees zoo goed en vertel mij iets van mijn familie. Mijn vader en moeder hebben het zeker niet te best!”“Dat hebben ze zeker niet,” antwoordde de vrouw,“ze konden er moeilijk slechter aan toe zijn. De goede Gil Perez is door een beroerte aan de eene helft van zijn lichaam verlamd en zal waarschijnlijk niet lang meer leven; uw vader, die sedert korten tijd bij hem woont, heeft een longontsteking of liever gezegd hij bevindt zich tusschen leven en dood en uw moeder, wie het ook al niet te best gaat, past hen beiden op. Ongelukkiger kon het dus wel niet!”Ontroerd door alles, wat ik had gehoord, ging ik naar het huis van mijn oom. Nadat mijn moeder mij had omhelsd, zei ze, dat ik nog juist op tijd was gekomen, om mijn vader te zien sterven. Ze bracht mij in een kamer waar op een armoedig bed de ongelukkige man lag te sterven. Hoe nabij de dood ook was, was hij nog niet geheel buiten kennis. Mijn moeder zei: “Hier is Gil Blas, je zoon, die je vergiffenis vraagt voor het verdriet, dat hij je heeft aangedaan en om je zegen smeekt.” Bij die woorden opende mijn vader zijn oogen, hij vestigde die op mij en merkte aan mijn droefheid, dat ik zeer getroffen was door zijn verlies. Hij wilde spreken, maar had er de kracht niet toe. Ik nam een van zijn handen, mijn tranen beletten mij om een woord te spreken. Hij zuchtte, ’t was of hij mijn aankomst had afgewacht om den laatsten adem uit te blazen.Mijn moeder was te veel voorbereid op zijn dood, om nu een hevig verdriet te gevoelen. Ik was er misschien meer van onder den indruk dan zij, hoewel mijn vader mij zijn leven lang geen enkel bewijs van vriendschap had gegeven. Ik was niet alleen bedroefd omdat ik mijn vader had verloren, maar ook omdat ik aan mijn hardheid moest denken. Een monster van ondankbaarheid vond ik mijzelf, of liever een vadermoordenaar.Ook bij het zien van mijn oom, deed ik mijzelf heftige verwijten. Alle verplichtingen, die ik aan hem had, kwamen mij nu voor den geest. “Indien ge,” zei ik tot mijzelf, “hun maar een klein gedeelte van den overvloed hadt gegeven, die gij hebt gehad, dan zouden zij een gelukkigleven hebben geleid en je vader was dan misschien niet dood.”De ongelukkige Gil Perez was kindsch geworden. Of mijn moeder hem al zei, dat ik zijn neef Gil Blas was, hij lachte slechts met een onnoozel gezicht en gaf geen antwoord. Ondertusschen bewaarde Scipio een somber stilzwijgen, zuchtte met mij mee en vermengde uit vriendschap zijn tranen met de mijne.Mijn moeder en ik deden elkaar daarna een getrouw verslag van hetgeen er gebeurd was nadat ik uit Oviédo was gegaan. Met alle respect voor de nagedachtenis van mijn moeder, was ze nog al wijdloopig in haar verhalen en zou mij driekwart van haar verhaal hebben kunnen besparen, indien ze allerlei onnutte kleinigheden had terzijde gelaten.Toen zij aan het eind van hare geschiedenis was gekomen, begon ik de mijne. Slechts in het kort vertelde ik haar van al mijn avonturen, maar bij het bezoek van den zoon van Bertrand Muscada, den kruidenier uit Oviédo, bij mij te Madrid, stond ik langen tijd stil. “Ik moet u bekennen,” zei ik, “dat ik dien slecht heb ontvangen en om zich te wreken zal hij zeker wel niet veel goeds van mij hebben gezegd.”“Hij vond je,” antwoordde zij, “zoo trotsch geworden, omdat je de gunsteling van den eersten minister was, dat je hem niet wilde herkennen en het liet je geheel koud, toen hij van onze armoede vertelde. Maar daar ouders altijd het beste van hunne kinderen gelooven, dachten wij, dat hij overdreef. En je komst te Oviédo toont nu, dat we gelijk hebben gehad.”“U denkt te gunstig over mij,” zei ik. “Wat de jonge Muscada heeft gezegd, is waar. Toen hij bij mij kwam, dacht ik aan niets anders dan aan mijn fortuin, de eerzucht belette mij om mij bezig te houden met het lot van mijn familie. Daar kwam bij, dat hij mij al dadelijk tegen zich innam, door mij te zeggen, dat hij gehoord had, dat ik zoo rijk was als een jood. Daarbij wilde hij mij opbrutalen toon voorschrijven, wat ik te doen had. Maar nadat ik hem weggestuurd had, voelde ik toch wel berouw over mijn gedrag tegenover u. Toen ik later in den toren van Ségovië was opgesloten, werd ik gevaarlijk ziek en die gelukkige ziekte is het geweest, die u uw zoon heeft teruggegeven. De natuur hernam haar rechten en ik werd geheel losgemaakt van het hof. Ik ben teruggekomen van dat rumoerige leven en verlang nu alleen naar de eenzaamheid en ik ben nu hier om u te vragen, of ge met mij mee wilt gaan naar een landgoed bij Valencia, dat mij toebehoort en waar wij kalm zullen leven. U begrijpt wel, dat ik ook vader had willen voorstellen, om ons te vergezellen, indien de hemel het niet anders had gewild.”“Ik ben je zeer dankbaar voor dit aanbod en ik zou zeker niet aarzelen, wanneer ik mijn broer niet alleen moest laten; ook ben ik aan het land hier gehecht. Maar wij kunnen er nog eens over denken, onze eerste zorg moet nu zijn voor de begrafenis van je vader.”Juist kwam Scipio binnen, want het was reeds dag geworden en hij wilde vragen, of hij ons ook van dienst kon zijn. Ik vroeg hem, of hij zich belasten wilde met de zorg voor de begrafenis en hij verklaarde zich daar gaarne toe bereid. “Maar denk er aan,” zei mijn moeder tot mijn vriend, “dat het niet te mooi moet zijn; de heele stad heeft hem altijd als een eenvoudig en arm man gekend.”Scipio antwoordde: “Mevrouw, al was hij nog armer geweest, daarom zou ik geen twee cent besparen. Ik denk hierbij slechts aan mijn meester. Mijn meester is de gunsteling geweest van den hertog de Lerme, dus moet zijn vader op plechtige wijze worden begraven.”Ik keurde het plan van mijn secretaris goed en verzocht hem zelfs, geen geld te sparen. Een rest van ijdelheid, die nog in mij was, ontwaakte bij deze gelegenheid. Ik meende, dat wanneer ik geen kosten spaarde voor de begrafenis van een vader, die mij niets had nagelaten, ikzekere bewondering voor mijn mildheid zou opwekken. En mijn moeder, hoe nederig zij ook was, vond het toch niet kwaad, dat mijn vader met luister werd ter aarde besteld.Scipio was maar al te goed geslaagd. Alle inwoners van Oviédo, van groot tot klein, namen aanstoot aan dit prachtvertoon en men maakte allerlei opmerkingen, die minder eervol voor mij waren. De een zei: “Hij heeft wel geld, om zijn vader te begraven, maar had het niet om hem te eten te geven.” “Het zou beter zijn,” merkte een ander op, “als hij zijn vader bij diens leven wat meer genoegen had gedaan, dan hem nu zoo deftig te begraven.” Scipio, Bertrand en ik werden zelfs op straat nageroepen, toen wij uit de kerk kwamen, ja, men ontzag zich niet ons met steenen en modder te gooien. Mijn moeder moest zich vertoonen en openlijk verklaren, dat zij tevreden over mij was, om de menigte uiteen te doen gaan, die zich voor het huis van mijn oom verzameld had. Al die beleedigingen waren hoofdzakelijk een gevolg van de praatjes, die de jonge kruidenier in de stad over mij had rondgestrooid. Ik kreeg daardoor zoo’n tegenzin in een langer verblijf in Oviédo, dat ik spoedig besloot om te vertrekken. Daar mijn moeder bij mijn oom wilde blijven, die het echter niet lang meer zou maken, vroeg ik haar, bij mij te komen wonen, als hij er niet meer zou zijn.“Ik kan die belofte niet geven,” antwoordde mijn moeder, “want ik zou haar niet houden. De rest van mijn dagen wil ik hier in Asturië doorbrengen in volkomen onafhankelijkheid.”“Maar zult ge in mijn huis dan niet onbeperkt meesteres zijn?” vroeg ik.“Je hebt maar verliefd te worden op een of ander meisje en haar te trouwen, dan is zij de schoondochter en ik ben de schoonmoeder en dat gaat niet samen.”Hoewel ik haar betoogde, dat ik in het geheel niet aan trouwen dacht, en zelfs, als ik het deed, dat ik dan mijn vrouw wel zou dwingen haar te gehoorzamen, kon ik haarniet overreden en dus besloten wij, dat ze in haar huis zou blijven en dat ze jaarlijks een toelage van honderd pistolen van mij zou ontvangen.Wij vertrokken uit Oviédo voor het aanbreken van den dag, uit vrees last te zullen krijgen van het volk. Zoo was de ontvangst, die men mij bereidde in mijn vaderstad. Schoone les voor mannen uit het gewone volk, die buiten hun land rijk zijn geworden en daar terugkeeren, om te toonen, dat ze menschen van gewicht zijn geworden! Hoe meer zij door rijkdommen willen schitteren, des te meer zullen zij worden gehaat.Hoofdstuk IIIGil Blas gaat op weg naar het koninkrijk Valencia en komt eindelijk te Lirias aan. Beschrijving van het kasteel. Hoe hij er werd ontvangen en welke menschen hij er vond.Wij sloegen den weg in naar Léon, vervolgens dien naar Palencia en kwamen na tien dagen te Sévorbe, vanwaar wij ons den volgenden morgen naar mijn landgoed begaven, dat niet meer dan drie mijlen ver was. Naarmate wij het naderden, zag ik met genoegen dat Scipio alle kasteelen, die wij onderweg passeerden, nauwkeurig opnam en, als ze hem bevielen, telkens zei: “Ik zou wel willen, dat ons huis er zóó uitzag.”“Ik weet niet, mijn vriend,” zei ik, “welk een voorstelling je hebt van onze woning, maar wanneer je denkt, dat het een prachtig huis is, dan kom je bedrogen uit.”Toen wij er aankwamen, viel het hem intusschen zeer mee. Wij gingen een zaal binnen en daar kwamen zeven of acht bedienden ons hun compliment maken. Ze waren door don Cesar en don Alphonse de Leyva aangesteld om mij te bedienen, als kok, portier, tuinknecht en lakeien, met verbod van mij eenig geld aan te memen; die twee heeren droegen alle kosten van mijn huishouden. De kok, genaamd meester Joachim, was het hoofd van de bedienden. Hij voerde het woord en zei o.a., dat hij een grooten voorraad verschillende wijnen had liggen en dat hij na zes jaren kok te zijn geweest bij den aartsbisschop van Valencia, mij naar mijn smaak zou kunnen bedienen. Vervolgens leidde hij ons het geheele huis rond, om te zien of de inrichting mij beviel. Overal had ik gelegenheidom de goedheid van don Cesar en zijn zoon voor mij te bewonderen.Na alles met oplettendheid te hebben bekeken, gingen wij in de zaal terug, waar een tafel met twee couverts klaar stond. Al spoedig bevonden wij, dat er aanleiding bestond om den aartsbisschop van Valencia te beklagen over het verlies van zulk een kok. Bij iederen hap, dien we in onzen mond staken boden mijn nieuwe lakeien groote glazen wijn van een uitstekend merk aan. Scipio was er verrukt over maar, daar hij in hun bijzijn dat niet wilde laten merken, wierp hij mij welsprekende blikken toe, die ik op dezelfde manier beantwoordde.Toen we als uitgehongerden hadden gegeten en naar verhouding gedronken, stonden we op om den tuin te zien.Was Scipio al zeer tevreden geweest over het huis, hij was het nog meer over den tuin, welke hij vergeleek met dien van het Escuriaal. Het is waar, dat don César die nog al dikwijls in Lirias kwam, er genoegen in had gevonden, om de omgeving van het landhuis te verfraaien.Na een goed diner verraste de slaap ons weldra, nadat we waren gaan zitten in de schaduw van een olm.We hadden bijna twee uren geslapen, toen wij wakker werden door geweerschoten, die zoo dicht in onze nabijheid waren, dat wij ervan schrikten. Wij sprongen op om te gaan informeeren wat dit te beteekenen had en vonden bij het huis acht of negen boeren, allen inwoners van het gehucht, die door hun schoten mijn aankomst hadden willen vieren. Zoodra ze mij zagen, riepen zij: “Leve onze nieuwe heer! Welkom te Lirias!” De meesten hunner kenden mij nog uit den tijd, dat ik intendant was geweest. Ik ontving hen vriendelijk maar bleef ernstig, om te voorkomen, dat zij te familiair met mij zouden worden. Ik verzekerde hun mijn protectie en gaf hun zelfs een twintigtal pistolen, wat ze wel niet het minst aangename zullen hebben gevonden.Nadat Scipio en ik nog een wandeling hadden gemaakt in de bosschen, vonden wij een heerlijk souper, waarbij ons de fijnste flesschen werden geschonken.Toen wij voelden, dat we niet meer drinken konden, namen de lakeien toortsen en brachten mij naar de mooiste kamer waar ze zich beijverden om mij te helpen uitkleeden. Maar toen ze mij mijn slaapmuts en kamerjapon hadden gegeven zond ik ze weg om nog wat met Scipio te praten.“Welnu, mijn vriend,” vroeg ik hem voor wij gingen slapen, “wat zeg je van de behandeling, die ik van de heeren de Leyva ondervind?”“Ik geloof niet,” zei hij, “dat die beter zou kunnen zijn. Alleen hoop ik maar, dat ze van langen duur wezen zal.”“Dat hoop ik niet,” antwoordde ik, “het gaat niet aan, dat mijn weldoeners zulke groote uitgaven voor mij doen. Het zou misbruik maken zijn van hunne edelmoedige mildheid, indien ik dat langer toeliet. Overigens kan ik er mij niet aan gewennen zooveel knechts te hebben, die door anderen betaald worden. Ik zou me hier nooit thuis gevoelen! Wat een dwaasheid trouwens, zoo’n groot personeel! Als wij met Bertrand den kok, een jongen en één lakei hebben, dan is dat voldoende.”Hoewel het mijn secretaris ongetwijfeld wel aanstond om op zulk een wijze te blijven voortleven op kosten van den gouverneur van Valencia, bestreed hij mijn kieschheid op dit punt niet en keurde mijn plan goed.Hoofdstuk IVGil Blas vertrekt naar Valencia en gaat de heeren de Leyva bezoeken. Van het onderhoud, dat hij met hen had en van de goede ontvangst bij Séraphine.Toen ik te bed lag, kon ik niet slapen. Ik dacht aan de heeren de Leyva en aan de nieuwe bewijzen, die ik ook dien dag weer van hun vriendschap had ontvangen en ik besloot hen den volgenden dag reeds te gaan bezoeken, om hen te bedanken. Ook dacht ik er met genoegen aan, Séraphine terug te zien. Maar dat genoegen was niet onvermengd, want ik moest denken aan LorencaSéphora, die zich natuurlijk ons avontuur nog wel zou herinneren en bij het zien van mij wel minder op haar gemak zou zijn. Toen mijn geest vermoeid was door al die denkbeelden en herinneringen, sliep ik eindelijk in en werd den volgenden morgen niet vroeg wakker.Ik kleedde mij haastig aan en deelde Scipio mee, dat ik naar Valencia ging, omdat ik behoefte gevoelde mij van den plicht der dankbaarheid spoedig te gaan kwijten door de heeren de Leyva te bezoeken. “Ge behoeft mij niet te vergezellen, mijn vriend, blijf zoolang hier, over acht dagen ben ik terug.” “Het schijnt mij,” zei Scipio, “dat die heeren zeer dankbaar zijn voor de hun bewezen diensten, dat is een karaktereigenschap, die men maar zelden bij voorname heeren vindt en dus mogen wij hen wel in eere houden.”Als naar gewoonte werd ik door don Cesar en zijn zoon zeer hartelijk ontvangen. “Wel mijn waarde Santillano,”zei don Alphonse na onze begroeting, “hebt ge al bezit genomen van uw landgoed?”“Ja mijnheer,” antwoordde ik, “en ik verzoek u zoo goed te willen zijn het weer te willen terugnemen.”“Waarom?” riep hij. “Is er iets wat u niet bevalt?”“Het verblijf zelf is verrukkelijk! Maar wat mij niet bevalt is, dat ik driemaal meer bedienden heb dan noodig zijn en dat u dit noodeloos op hooge kosten jaagt.”“Indien gij,” zei don César, “het geld had aangenomen, dat wij u te Madrid hebben aangeboden, dan zouden wij er ons toe bepaald hebben, het kasteel te geven zooals het was, maar nadat ge dit hebt geweigerd, hebben wij gemeend te moeten doen, zooals nu geschied is.”“Het is teveel,” antwoordde ik. “Uw goedheid moet er zich toe bepalen, mij alleen het landgoed te schenken. Dat is voor mij reeds het toppunt van mijn wenschen. Wil ik u zeggen, wat het geval is? Ik gevoel mij niet op mijn gemak en niet thuis met zulk een groot personeel. Nog eens dus: neem mijn goed terug of laat mij het inrichten zooals ik wil.”Vader en zoon zagen, dat het ernst was en daar zij niets anders wilden, dan mij genoegen doen, kreeg ik hunne toestemming om alles maar in te richten, zooals ik zelf wilde.Ik wilde hen bedanken, maar don Alphonse viel mij in de rede, door te zeggen, dat hij mij bij een dame wilde brengen, die zeer verheugd zou zijn mij te zien. Hij bracht mij daarop in de kamer van Séraphine, die mij bij het binnenkomen met een uitroep van vreugde begroette. “Het doet mij zeer veel genoegen u weer te ontmoeten, niet alleen omdat ik nooit vergeten zal, dat ge indertijd hebt medegeholpen om mij te bevrijden, maar ook omdat ge na dien tijd aan don Alphonse zulk een gewichtigen dienst hebt bewezen.”’s Middags bleef ik in het paleis van den gouverneur dineeren in het gezelschap van verscheidene voorname heeren, die zeer beleefd tegen mij waren, toen don Césarverteld had, dat ik secretaris van den Hertog de Lerme was geweest. Aan tafel sprak men uitsluitend over den nieuwen Cardinaal en toen ik me niet liet verleiden hen ten zijnen koste te vermaken, gaf deze kleine zelfoverwinning mij den naam van zeer discreet te zijn. Toen ik mij daarna gereedmaakte, om een wandeling te maken door de stad, had ik toevallig een gesprek met den kamerdienaar van don César, die mij nog kende uit den tijd, dat ik intendant was. Ik vroeg hem, wat er toch wel van LorencaSéphorawas geworden, die ik niet meer had gezien. Hij vertelde mij, dat ze al eenigen tijd geleden was gestorven, tengevolge van het ongemak, waaraan ze leed en dat ze zeer was betreurd geworden door haar meesteres, meer dan door don Alphonse, die niet sterk getroffen was door haar dood.Terwijl ik daarna door de stad wandelde, zag ik hier en daar aanplakbiljetten, waarop werd aangekondigd, dat dien avond voor de eerstemaalzou worden opgevoerd een nieuw treurspel van don Gabriel Triaquero.Hoofdstuk VGil Blas gaat naar de comedie, waar hij een nieuw treurspel ziet. Succes van het stuk. Genie van het publiek van Valencia.Toen ik aan den schouwburg kwam, bleef ik eenige oogenblikken aan de deur staan om de personen te zien, die er binnentraden. Ik zag heeren met een goed uiterlijk en rijk gekleed en ook armoedige figuren. Ik merkte deftige dames op, die uit hare koetsen stegen en avonturiersters, die slachtoffers gingen maken. Die verscheidenheid van toeschouwers wekte bij mij den lust op om hun aantal te gaan vermeerderen. Toen ik mij gereed maakte om een biljet te nemen, kwamen juist de gouverneur en zijn vrouw binnen. Zij lieten mij roepen en ik moest in hunne loge plaats nemen.De schouwburg was geheel vol. “Wat een talrijke opkomst!” zei ik tegen don Alphonso.“Dat behoeft u niet te verwonderen,” antwoordde hij, “het treurspel, dat men zal geven, is een werk van don Gabriel Triaquero, een dichter, die in de mode is. Zoodra het programma van den schouwburg een nieuw werk van dezen schrijver aankondigt, is de heele stad Valencia er vol van. De heeren en dames spreken over niets anders dan dit stuk. Alle loges zijn besproken en bij de eerste voorstelling dringt men elkaar bij de deur dood om binnen te komen.”“Die levendige belangstelling van het publiek en dat ongeduld, om een nieuw stuk van don Gabriel te hooren,” zei ik, “geven mij een hoog idee van het genie van dezen dichter.”“Niet zoo haastig, mijn vriend,” vermaande don Alphonse mij, “men moet oppassen tegen vooroordeelen. Het publiek is soms verblind.”Ons gesprek werd afgebroken omdat de acteurs op de planken verschenen. Ze werden levendig toegejuicht en aan het eind van iedere akte was er een applaus, een leven alsof men de zaal afbrak. Toen het stuk was afgeloopen, wees men mij den schrijver, die zich in enkele loges eenige oogenblikken ophield om bescheidenlijk zijn hoofd te laten kronen met lauweren. Wij keerden na afloop naar het paleis van den gouverneur terug, waar weldra drie of vier heeren aankwamen. Er verschenen ook twee oude schrijvers, zeer geëerd in hun genre en een edelman uit Madrid, bekend om zijn geest en goeden smaak. Zij waren allen in de comedie geweest en aan het souper kwam het stuk ter sprake.“Mijnheer,” zei een ridder van St. Jacques, “wat zegt gij van dit treurspel?”“Ik geloof niet, dat iemand er anders over denken kan,” zei een ridder uit Alcantera. “Dit stuk is vol tirades, die Apollo schijnt gedicteerd te hebben.” Hij wendde zich daarna tot den heer uit Madrid: “Mijnheer is kenner, ik wed, dat hij van mijn gevoelen is.”“Wed niet, mijnheer,” antwoordde de aangesprokene met een glimlach. “Ik ben niet uit dit land en wij in Madrid beslissen niet zoo snel. Wel verre van een stuk te beoordeelen, dat wij voor den eersten maal hooren, hebben wij een zeker wantrouwen in de schoonheden, zoolang we die niet anders kennen dan door den mond van de tooneelspelers. Wij schorten ons oordeel op, tot wij het gelezen hebben en waarlijk, een stuk op het papier geeft ons niet altijd hetzelfde genot als op de planken. Wij onderzoeken dus zorgvuldig, voor wij een stuk prijzen; de naam van den schrijver, hoe groot die ook zijn moge, kan ons niet verblinden. Toen zelfs Lopes de Vega en Calderon hunne nieuwe stukken gaven, vonden zij in hunne bewonderaars strenge rechters, die henniet hebben verheven op het toppunt van hun roem, dan na hen daartoe waardig te hebben geoordeeld.”“O!” viel de ridder van St. Jacques in de rede, “wij zijn niet zoo beschroomd als de heeren Castilianen. Wij wachten met het beslissen niet tot een stuk is gedrukt. Dadelijk na de eerste voorstelling, kennen wij de waarde ervan. Het is zelfs niet eens noodig, dat wij zeer oplettend toeluisteren. ’t Is voldoende te weten, dat het een stuk van don Gabriel is, om overtuigd te zijn, dat het zonder gebreken is. Toen die schrijver zijn werken begon, kon men zeggen, dat de goede smaak werd geboren. De Lopes en de Calderons waren slechts leerlingen in vergelijking met dezen grooten meester van het tooneel!”De edelman uit Madrid, die Lopes en Calderon beschouwde als de Sophocles en Euripides van de Spanjaarden, werd geprikkeld door deze stoute bewering en zei: “Omdat ge mij noodzaakt heeren, te oordeelen na een eerste voorstelling, moet ik u zeggen, dat ik volstrekt niet ingenomen ben met het nieuwe treurspel van uw don Gabriel. Verre van het te beschouwen als een meesterwerk, vind ik het zeer gebrekkig. ’t Is op effect berekend, driekwart van de verzen is slecht of rijmt niet. De karakters zijn niet juist geteekend en slecht volgehouden en de gedachten dikwijls zeer duister.”De twee schrijvers aan tafel, die door een even zeldzame als prijzenswaardige terughoudendheid niets hadden gezegd uit vrees van jaloezie te worden verdacht, konden niet nalaten met hunne blikken hunne instemming met die woorden te betuigen.Maar de andere heeren begonnen nu Gabriel nog meer te prijzen. Ze plaatsten hem onder de goden. Die blinde aanbidding deed den Castiliaan het geduld verliezen. Hij hief de handen ten hemel en riep in geestdrift uit: “O, goddelijke Lopes de Vega, zeldzaam en verheven genie, die zulk een enorme ruimte gelaten hebt tusschen u en Gabriel, diezouwillen trachten u te bereiken! en gij krachtige Calderon, wiens zachte élegantie, wiens heldendichtenonnavolgbaar zijn, vreest niet, dat uwe altaren zullen worden afgebroken door dezen nieuwen voedsterling der Muzen! Het zal gelukkig zijn, indien het nageslacht, dat vanuwwerken zal genieten gelijk wij het doen, vanhemnog hoort spreken!”Na deze onverwachte ontboezeming, die het geheele gezelschap deed lachen, stond men van tafel op en scheidde. Op last van don Alphonse werd mij een appartement aangewezen en ik sliep in, evenals die Castiliaansche edelman betreurende, dat de onwetenden geen recht lieten wedervaren aan Lopes en aan Calderon.Hoofdstuk VIGil Blas ontmoet, wandelende in de straten van Valencia, een monnik, dien hij meent te herkennen; welke man die monnik was.Daar ik den vorigen dag de geheele stad nog niet had kunnen zien, ging ik den volgenden morgen weer uit om te wandelen. Ik merkte in de straat een Karthuizer monnik, die met neergeslagen oogen liep en zulk een vroom uiterlijk had, dat hij de blikken van alle voorbijgangers trok. Hij ging dicht langs mij heen en ik meende in hem don Raphaël te zien, dien avonturier, die in de twee eerste deelen van mijn werk een zoo groote rol speelt.Ik was zoo verwonderd over die ontmoeting, dat ik, inplaats van den monnik aan te houden, eenige oogenblikken onbewegelijk bleef staan, wat hem gelegenheid gaf zich van mij te verwijderen. “Hemel!” zei ik bij mijzelf. “Heeft men wel ooit twee gezichten gezien, die zoo op elkaar gelijken? Wat moet ik daarvan denken? Moet ik gelooven, dat het donRaphaëlwas? Of was het verbeelding?”Ik was te nieuwsgierig naar de waarheid om het daarbij te laten. Ik liet mij dus aanwijzen, waar het klooster van de Karthuizer-monniken was en ging daar dadelijk heen, in de hoop mijn man weer te zien, wanneer hij er zou terugkeeren en besloot, hem aan te houden om hem te spreken. Ik behoefde niet lang te wachten om op de hoogte te worden gesteld; bij den ingang van het klooster deed een ander gezicht mijn twijfel in zekerheid overgaan; ik herkende in den broeder portier Ambrosius de Lamela, mijn ouden knecht. Men kan zich voorstellen, hoe groot mijn verwondering was.“Is het geen verbeelding? Is het werkelijk een van mijn vrienden, die ik zie?” vroeg ik.Hij herkende mij eerst niet, of liever hij veinsde mij niet te herkennen, wat waarschijnlijker was. Maar bemerkende, dat dit toch nutteloos was, nam hij plotseling het gezicht aan van iemand, die zich plotseling iets herinnert. “Ah! mijnheer Gil Blas,” riep hij, “neem mij niet kwalijk, dat ik u niet dadelijk herkende. Sedert ik in deze heilige plaats leef en de plichten vervul, door onze regels voorgeschreven, verloor ik het geheugen voor hetgeen ik in de wereld heb gezien.”“Het doet mij een groot genoegen,” zei ik, “u na tien jaar in zulk een eerwaardig kleed weer te zien.”“En ik,” antwoordde hij, “ik schaam mij daarin gekleed te verschijnen voor een man, die getuige is geweest van het schuldige leven, dat ik heb geleid. Dit kleed verwijt mij dat zonder ophouden. Helaas! om waardig te zijn het te dragen, had ik altijd in onschuld moeten leven.”“Het doet mij genoegen,” herhaalde ik, “u te zien en ik brand van verlangen om te vernemen op welke wonderbaarlijke wijze gij zoo op den goeden weg zijt gekomen, gij en don Raphaël, want ik ben er van overtuigd, dat hij het is geweest, dien ik in de stad heb ontmoet, gekleed als Karthuizer monnik. Het spijt mij, dat ik hem op straat niet heb aangehouden om met hem te spreken en ik ben hier gekomen om hem op te wachten en mijn fout te herstellen.”“Ge hebt u niet vergist,” zei Lamela, ”’t is don Raphaël zelf, die ge gezien hebt en wat onze geschiedenis betreft, ik zal u die mededeelen. Nadat wij bij Ségorbo van u gescheiden waren, sloegen don Raphaël en ik den weg in naar Valencia, met het doel er eenige beroepsbezigheden te verrichten. Het toeval wilde op zekeren dag, dat wij de Karthuizerkerk binnentraden, op het oogenblik, dat de monniken hunne vrome liederen zongen. Wij aanschouwden hen en gevoelden, dat de kwaden niet anders kunnen doen dan de deugd eeren. Wij bewonderden in die mannenden ijver, waarmee ze tot God baden en de rust, die op hun gelaat was te lezen.“Zoo vervielen wij in een gepeins, dat ons heilzaam werd; wij vergeleken ons zelf met deze vrome broeders en onze ziel werd met angst en onrust vervuld. Gevoelens, die ons tot nog toe onbekend geweest waren, bewogen ons en wij gevoelden misschien voor de eerste maal in ons leven berouw over ons gedrag. Don Raphaël zei tot mij: “Waarde Ambrosius, wij zijn twee verdwaalde schapen, die de Vader uit erbarmen wil opnemen. Hij roept ons. Laten wij niet doof zijn voor die stem. Laten wij den weg verlaten, die wij tot nu toe hebben bewandeld en van nu af ernstig gaan werken voor het heil van onze ziel. De rest van onze dagen moesten wij in dit klooster in boetedoening doorbrengen.”Ik juichte het plan van Raphaël toe en wij besloten Karthuizers te worden. Om dat plan te volvoeren, gingen wij naar den prior, die ons een cel gaf en een jaar lang volgden wij zoo trouw en standvastig de voorschriften, dat wij onder de novices werden opgenomen. Later werden wij monnik en don Raphaël, die begaafd is met een buitengewoon talent voor zaken, werd aangewezen tot hulp van een ouden vader, die toen administrateur was. Hij kweet zich zoo uitnemend van die taak, dat hij, hoewel hij zijn tijd liever uitsluitend aan gebeden zou hebben gewijd, dien ouden vader opvolgde toen deze stierf. Dat ambt oefent don Raphaël nu uit en het is merkwaardig, dat hij bij alle zorg voor het verbeteren van onze inkomsten slechts vervuld schijnt van de eeuwigheid. Laten zijn werkzaamheden hem een oogenblik wat rust dan verdiept hij zich in het gebed.”Hier viel ik Lamela met een uitroep van vreugde in de rede, want ik zag don Raphaël naderen. Wij begroetten elkaar hartelijk en zonder in het minst iets van verwondering te laten blijken, zei hij: “God zegene u, mijnheer de Santillano, wat voert u naar Valencia?”“Werkelijk, mijn beste Raphaël, ik verheug mij in uwvoorspoed. Broeder Ambrosius heeft mij de geschiedenis van uwe bekeering verteld en dat verhaal deed mij veel pleizier. Welk een voorrecht voor u beide, tot deze kleine schare van uitverkorenen te behooren, die een eeuwige gelukzaligheid zullen genieten!”Ik vertelde hun daarna mijn geschiedenis. Toen ik ook meedeelde, dat don Alphonse de Leyva mij met drieduizend ducaten naar Samuel Simon had gezonden, vielLamelamij in de rede door tot Raphaël te zeggen: “Die koopman heeft zich dus niet te beklagen. Hij heeft zijn geld met woeker teruggekregen en in dat opzicht kunnen wij ons geweten dus onbezwaard achten.”“Voor wij in het klooster gingen,” zei don Raphaël, “hebben Ambrosius en ik hem in het geheim door tusschenkomst van een geestelijke vijftienhonderd ducaten doen toekomen. Zooveel te erger voor Samuel Simon, indien hij die som heeft aangenomen, na haar reeds in haar geheel te hebben ontvangen van den heer de Santillano.”“Maar,” vroeg ik, “is het wel zeker, dat het geld van u hem in handen is gekomen?”“Daarvoor kunnen wij u borg staan. Ze zijn hem gebracht door een priester die gewoon is zulke opdrachten te vervullen en die zelfs al over dergelijke hem toevertrouwde sommen twee of drie processen heeft gevoerd en gewonnen.” “Als dat zoo is,” hernam ik, “is er geen twijfel mogelijk, of het geld is hem trouw afgedragen.”Ons gesprek duurde nog eenigen tijd en wij scheidden nadat ze mij nog hadden aangemaand om steeds de vreeze Gods voor oogen te houden en ik hun had verzocht mij in hunne gebeden te willen gedenken.Dadelijk hierna ging ik naar don Alphonse en zei: “Ge kunt nooit raden met wie ik zooeven een lang onderhoud heb gehad. Zooeven heb ik twee Karthuizer monniken gesproken, die hier in het klooster zijn, goede kennissen van u.”“Ik ken hier geen Karthuizers,” zei don Alphonse.“Toch wel,” hield ik vol. “Ge hebt hen vroeger ontmoet, toen zij commissaris en griffier waren van de heilige inquisitie!”“Is het mogelijk? Zijn Raphaël en Lamela monnik geworden?”“Ja, al sinds eenige jaren en ze hebben beiden een ambt. De een is administrateur en de andere portier. De eerste is dus meester van de kas en de tweede van de deur.”Don Alphonse dacht eenige oogenblikken na en zei: ”’t Is best mogelijk, dat mijnheer de commissaris en mijnheer de griffier weer een nieuwe comedie spelen!”“Dat kan zijn,” antwoordde ik hem, “maar wat mij betreft, hoewel men iemand niet in het hart kan zien, oordeel ik toch gunstiger over hen. Naar het schijnt, hebben de schelmen zich werkelijk bekeerd.”“Het gebeurt wel meer, dat zulke vagebonden later in een klooster terechtkomen,” zei don Alphonse,“en dan oprecht boete doen, maar ik kan toch niet nalaten deze twee heeren te wantrouwen, vooral als zij over de kas gaan. Men zet geen dronkaard, die onthouder geworden is, in een wijnkelder. Ik beklaag de Karthuizers.”Het wantrouwen van don Alphonse werd werkelijk na eenige dagen reeds gerechtvaardigd. Als een loopend vuurtje ging het door de stad dat de broeder administrateur en de broeder portier zich met de kas van de Karthuizers hadden verwijderd.Wij wachtten er ons wel voor, om te zeggen dat die heeren kennissen van ons waren.
Tiende BoekHoofdstuk IGil Blas vertrekt naar Asturië; hij reist over Valladolid, waar hij dokter Sangrado, zijn ouden meester gaat bezoeken. Hij ontmoet bij toeval den heer Manuel Ordonnez, administrateur van het klooster.In den tijd, dat Scipio en ik Madrid verlieten, benoemde Paulus V den hertog de Lerme tot kardinaal. De paus, die de inquisitie in het koninkrijk Napels wilde instellen, bekleedde den minister met het purper, om daardoor koning Philips voor zijn plannen te winnen. Al wie dit nieuwe lid van het heilige college goed kenden, vonden als ik, dat de kerk een schoone aanwinst had gedaan.Scipio, die mij liever in een schitterende betrekking aan het hof zag terugkeeren dan begraven in de eenzaamheid, raadde mij aan den nieuwen kardinaal te gaan bezoeken. “Misschien,” zei hij, “dat zijn eminentie, wanneer hij u op bevel van den koning uit de gevangenis ontslagen ziet, niet meer doet of hij gebelgd op u is en u weer in zijn dienst terugneemt.”“Scipio,” antwoordde ik hem, “je vergeet klaarblijkelijk, waarde, dat ik de Castiliën zou verlaten. Denk je overigens, dat ik nu al genoeg heb van mijn kasteel te Lirias? Ik heb je al gezegd en herhaal het: wanneer de hertog de Lerme mij zijn gunsten weer zou willen schenken, wanneer hij mij zelfs de plaats aanbood van Calderone, zou ik weigeren. Mijn besluit is genomen, ik ga mijn ouders halen en dan nabij Valencia wonen. Mocht het je berouwen, dat je je lot aan het mijne hebt verbonden, dan behoef je dat maar te zeggen, ik ben bereid om je de helft van mijn geld te geven, waarmee je in Madrid kan blijven om verder je fortuin te maken”.“Hoe mijnheer!” zei Scipio, “denkt u dat het mij berouwt, dat ik besloten heb u te volgen? Hoe, Scipio, die trouwe dienaar, die gaarne de rest van zijn dagen met u zou hebben gesleten in den toren van Ségovië, zou u niet gaarne vergezellen naar een plaats, waar ons zooveel genot wacht! Neen mijnheer, ik denk er niet aan op mijn besluit terug te komen. Ik moet u bekennen dat ik, toen ik dien raad gaf u alleen maar eens heb willen polsen, om te zien of er nog iets van de oude eerzucht in u was overgebleven. Maar ik zie, dat ge niet meer aan grootheid zijt gehecht!”Wij reisden in een wagen, bespannen met twee goede muilezels, gemend door een jongen, dien ik bij mijn gevolg had gevoegd. Na eenige dagen kwamen wij te Valladolid. Bij het gezicht van die stad kon ik mij niet weerhouden te zuchten. Mijn metgezel vroeg, waarom ik dat deed. “Mijn vriend”, zei ik, “dat komt, omdat ik langen tijd hier de geneeskunde heb beoefend. Ik kan er niet rustig aan denken. Mijn geweten doet mij op dit oogenblik geheime verwijten. Wat zeg ik? Het is mij of alle zieken, die ik vermoord heb, uit hun graven rijzen, om mij in stukken te scheuren!”“Wat een idee!” riep Scipio, “Waarlijk, mijnheer Santillano, ge zijt te goed. Waarom maakt ge u er een verwijt van, dat ge uw beroep hebt uitgeoefend? Kijk naar de oudste doktoren, hebben zij de wroeging? Wel neen! Ze gaan steeds hun gang. Loopt een geval ongelukkig af, dan is de natuur de schuld ervan en genezen zij iemand, dan hebben zij de eer!””’t Is waar,” zei ik, “dat dokter Sangrado, wiens methode ik getrouw volgde, er die manieren op nahield. Al stierven er per dag twintig personen onder zijn handen, hij was zoo overtuigd van het heilzame van aderlaten en van zijn drankjes, dat hij zeker was, daarmee alle ziekten te kunnen genezen. Hij geloofde, dat de zieken alleen stierven, omdat hij hen niet genoeg had gelaten, of dat ze te weinig geslikt hadden!”Lachend riep Scipio: “Dat is een interessante persoonlijkheid!”“Als ge hem wilt leeren kennen,” zei ik, “dan is daar morgen gelegenheid toe, wanneer althans Sangrado nog leeft en nog in Valladolid woont. Ik kan dat echter moeilijk gelooven, want hij was al oud, toen ik hem verliet en er zijn sedert dien tijd heel wat jaren verloopen.”Ons eerste werk, toen wij in het hotel aankwamen, was te informeeren naar dokter Sangrado, die nog leefde, maar te oud was om visites te maken en dus zijn practijk aan drie of vier andere doktoren had overgedaan. Wij besloten den volgenden dag in die stad over te blijven, zoowel om hem te bezoeken, als om onze muilezels te laten rusten.Den volgenden morgen om tien uur gingen wij hem bezoeken; wij vonden hem in een fauteuil, met een boek in de hand. Zoodra hij ons zag, stond hij op, kwam naar ons toe met een fermen stap voor een zeventigjarige en vroeg, wat wij wilden.“Dokter,” zei ik, “kijk mij eens oplettend aan! Herkent ge mij niet? Ik heb toch de eer een van uw leerlingen te zijn. Herinnert gij u niet een zekeren Gil Blas, die bij u gewoond heeft?”Hij drukte mij hartelijk de hand en zei: “Zijt gij het Santillano? Ik zou u niet meer herkend hebben. Het doet mij recht veel genoegen u weer te zien.Wat hebt ge sedert onze scheiding gedaan? Zeker de geneeskunde beoefend?”“Wat mij betreft,” antwoordde ik, “had ik daar wel neiging toe, maar redenen van overwegenden aard hebben het mij belet.”“Dat is jammer,” zei Sangrado, “want met de grondbeginselen, die ik bij u had gelegd, zoudt ge een uitstekend geneesheer zijn geworden, indien de hemel u althanshadbehoed voor de gevaarlijke liefde tot de scheikunde. Wat een verandering in de geneeskunde in de laatste jaren! Ge ziet mij er tegelijkertijd verwonderd en bedroefd over. Menontneemt aan onze wetenschap de eer en de waardigheid.Die kunst, die door alle eeuwen heen het leven van den mensch heeft gerespecteerd, is nu ten prooi geworden aan vermetelheid, aan vermoedens, aan onervarenheid. Men ziet tegenwoordig ook in deze stad dokters, wier eenige wetenschap van de geneeskunde bestaat in het bereiden van scheikundige mengsels. Alles is verkeerd in hun methode! Het aderlaten van den voet bijvoorbeeld, vroeger zoo zeldzaam gedaan, is tegenwoordig bijna de eenige wijze. De purgeermiddelen vroeger zacht en weldadig, zijn nu brakerig werkende. Het is een chaos geworden, iedereen doet wat hij wil en overschrijdt de grenzen van de regelmaat en wijsheid, die onze eerste meesters hebben vastgesteld.”Welk een lust ik ook had om te lachen, ik wist mij te weerhouden. Scipio, wien het geval vermaakte, wilde het vuur nog wat aanwakkeren. “Dokter,” zei hij tegen Sangrado, “daar ik een achterneef ben van een dokter van de andere school, zij het mij vergund, met u al die scheikundige remedies ver weg te werpen. Wijlen mijn oudoom was een zoo overtuigd volgeling van Hippocrates, dat hij dikwijls gevochten heeft met de kwakzalvers, die met niet genoeg respect spraken van dien koning der geneeskunde. Het bloed verloochent zich niet en ik zou graag voor beul dienen van al die nieuwerwetsche domooren, over wie gij u met evenveel rechtvaardigheid als welsprekendheid beklaagt. Welk een wanorde veroorzaken deze ellendelingen niet in de beschaafde maatschappij!”“Die wanorde,” zei de dokter, “gaat veel verder dan ge denkt. Het heeft mij niet gebaat een boek uit te geven tegen die struikrooverij op het gebied van de geneeskunst; integendeel, ze neemt van dag tot dag toe. De chirurgen zijn zoo gek dokters te willen zijn en denken, dat ze er geschikt voor zijn als er maar braakmiddelen hoeven gegeven te worden, waarbij ze dan, heel willekeurig voet-aderlatingen voegen. Deze besmetting verspreidt zich zelfs in de kloosters, er zijn onder de monniken sommige broeders,die tegelijk apotheker en chirurgijn zijn en schadelijke drankjes maken, die het leven verkorten van de eerwaarde vaders.”Hier werd ons gesprek gestoord door de komst van een oude dienstbode, die een blad bracht, waarop een broodje, een glas en twee caraffen, de een gevuld met water en de andere met wijn. Hij vulde het glas voor niet meer dan een vierde gedeelte met wijn en de rest met water. “Ho, ho! dokter!” riep ik, “daar betrap ik u op heeterdaad, u drinkt wijn, gij, die u altijd zoo tegen dien drank hebt verklaard en daardoor veroorzaakt hebt, dat ik in tien jaren tijds geen druppel wijn heb gedronken. Sedert wanneer zijt gij zoo veranderd? Ge kunt u niet beroepen op uw leeftijd, omdat ge in een van uw geschriften den ouderdom verklaart als een natuurlijke tering en ge daarom de onwetendheid betreurt van personen, die den wijn de melk der grijsaards noemen. Wat hebt ge te zeggen om u te rechtvaardigen?”“Ge doet mij onrecht aan,” zei de oude heer. “Indien ik enkel wijn dronk, zoudt ge gelijk hebben, maar ik vermeng dien met veel water.” “Mijn waarde meester,” antwoordde ik, “herinnert ge u niet, dat ge het afkeurde in den kanunnik Sedillo, dat hij wijn dronk, hoewel hij er veel water in deed? Beken maar, dat ge uw dwaling hebt ingezien, dat het drinken van wijn niet slecht is, zooals ge in uw boeken hebt gezegd, mits men er maar een matig gebruik van maakt.”De dokter was een weinig verlegen door mijn woorden; hij kon zich er niet goed uit redden, dus bracht ik het gesprek op een ander onderwerp en wij vertrokken spoedig na hem nogmaals goed succes te hebben toegewenscht in zijn strijd tegen de nieuwe geneeskunde.Terwijl Scipio en ik op weg naar het hotel nog eens hartelijk lachten om dien origineelen dokter, ging ons een man voorbij van omstreeks zestig jaren, die de oogen naar den grond hield geslagen. Ik herkende in hem Manuel Ordonnez, den administrateur, van wien ik zoo eervolmelding maakte in het eerste deel van mijn geschiedenis. Ik groette hem, hij keek mij aan en zei, dat hij, hoewel mijn gezicht hem niet onbekend voorkwam, zich toch niet kon herinneren, wie ik was. Ik kwam zijn geheugen te hulp en zei, dat ik vroeger wel eens bij hem kwam toen hij een vriend van mij in dienst had, genaamd Fabricius Nunez. Hij antwoordde: “Ja, nu herinner ik het mij. Ge hebt samen wel eens streken uitgehaald! Maar zeg mij eens, wat er van dien armen Fabricius geworden is.”“Fabricius is in Madrid, waar hij zich met verschillend werk bezig houdt.”“Wat verstaat ge onder verschillend werk?” vroeg hij. “Dat klinkt mij zoo dubbelzinnig.”“Ik wil daarmee zeggen,” antwoordde ik, “dat hij schrijft in poëzie en in proza, hij maakt comedies en romans; in één woord, het is iemand met talent, die zeer goed wordt ontvangen in groote huizen.”“Maar hoe staat het met zijn geldmiddelen?”“Niet al te best,” antwoordde ik. “Ik geloof niet, dat hij rijk is.”“O, dat dacht ik wel!” riep Ordonnez. “Laat hij het hof maar maken aan groote heeren! Dat zal hem even weinig inbrengen als zijn geschrijf. Ik zie hem den een of anderen dag nog eens in ons armenhuis terechtkomen.”“Dat zou wel kunnen,” stemde ik toe, “de poëzie heeft er wel anderen gebracht. Mijn vriend Fabricius zou beter hebben gedaan, indien hij maar bij u was gebleven, dan zou zijn karretje nu over een zandweg gaan.”“Hij zou het tenminste goed hebben,” zei Manuel. “Ik hield van dien jongen en hij had in onze inrichting een goede positie kunnen krijgen, indien het hem niet in het hoofd was gekomen zich aan de schoone kunst te gaan wijden. De domoor! Hij maakte een comediestuk, dat opgevoerd werd door een troep, die bij ons in de stad was. Hij had succes en zijn hoofd werd daardoor op hol gebracht. Hij meende een nieuwe Lopez de Vega te zijn en gaf de voorkeur aan den bedwelmenden rook van het applaudissement van het publiek, boven de werkelijke voordeelen die mijn vriendschap hem kon aanbieden. Hij heeft zijn geluk niet begrepen. De jongen, dien ik in zijn plaats nam, is daar het bewijs van. Hij heeft minder verstand dan Fabricius, maar legde zich uitsluitend op zijn betrekking toe en bekleedt nu bij ons twee posten, waarvan de minste hem ruimschoots in staat stelt te leven als een fatsoenlijk man, die een groot huishouden tot zijn last heeft.”Hoofdstuk IIGil Blas vervolgt zijn reis en komt gelukkig teOviédoaan. In welken toestand hij zijn ouders vindt. Dood van zijn vader; gevolg van dien dood.Van Valladolid reisden wij in vier dagen naarOviédo, zonder onderweg slechte ontmoetingen te hebben gehad, niettegenstaande er gezegd wordt, dat de dieven van verre het geld van de reizigers ruiken. Ze hadden anders gemakkelijk hun slag kunnen slaan; want ik had aan het hof geen dapperheid geleerd en mijn ezeldrijver scheen me niet iemand, die zich zou laten dooden om de beurs van zijn meester te verdedigen. Alleen Scipio had iets van een vechtersbaas.Het was nacht toen wij in de stad aankwamen. Wij gingen in een logement, dicht naast het huis van mijn oom Gil Perez. Voor ik naar mijn ouders ging, wilde ik naar hen informeeren en ik wist niet beter te doen, dan mij daarvoor te wenden tot den waard en zijn vrouw, die wel alles van hunne buren zouden afweten. Na mij goed te hebben aangekeken riep de herbergier uit: “Bij den heiligen Antonius van Padua! Dat is de zoon van onzen goeden Blas de Santillano!”“Ja waarlijk,” bevestigde de vrouw, “hij is het, ik herken hem zeer goed, hij is bijna niet veranderd. ’t Is, of ik hem nog zie zooals hij hier ’s avonds met een flesch kwam, om wijn voor het souper van zijn oom te halen.”“Ge hebt een goed geheugen,” zei ik, “maar wees zoo goed en vertel mij iets van mijn familie. Mijn vader en moeder hebben het zeker niet te best!”“Dat hebben ze zeker niet,” antwoordde de vrouw,“ze konden er moeilijk slechter aan toe zijn. De goede Gil Perez is door een beroerte aan de eene helft van zijn lichaam verlamd en zal waarschijnlijk niet lang meer leven; uw vader, die sedert korten tijd bij hem woont, heeft een longontsteking of liever gezegd hij bevindt zich tusschen leven en dood en uw moeder, wie het ook al niet te best gaat, past hen beiden op. Ongelukkiger kon het dus wel niet!”Ontroerd door alles, wat ik had gehoord, ging ik naar het huis van mijn oom. Nadat mijn moeder mij had omhelsd, zei ze, dat ik nog juist op tijd was gekomen, om mijn vader te zien sterven. Ze bracht mij in een kamer waar op een armoedig bed de ongelukkige man lag te sterven. Hoe nabij de dood ook was, was hij nog niet geheel buiten kennis. Mijn moeder zei: “Hier is Gil Blas, je zoon, die je vergiffenis vraagt voor het verdriet, dat hij je heeft aangedaan en om je zegen smeekt.” Bij die woorden opende mijn vader zijn oogen, hij vestigde die op mij en merkte aan mijn droefheid, dat ik zeer getroffen was door zijn verlies. Hij wilde spreken, maar had er de kracht niet toe. Ik nam een van zijn handen, mijn tranen beletten mij om een woord te spreken. Hij zuchtte, ’t was of hij mijn aankomst had afgewacht om den laatsten adem uit te blazen.Mijn moeder was te veel voorbereid op zijn dood, om nu een hevig verdriet te gevoelen. Ik was er misschien meer van onder den indruk dan zij, hoewel mijn vader mij zijn leven lang geen enkel bewijs van vriendschap had gegeven. Ik was niet alleen bedroefd omdat ik mijn vader had verloren, maar ook omdat ik aan mijn hardheid moest denken. Een monster van ondankbaarheid vond ik mijzelf, of liever een vadermoordenaar.Ook bij het zien van mijn oom, deed ik mijzelf heftige verwijten. Alle verplichtingen, die ik aan hem had, kwamen mij nu voor den geest. “Indien ge,” zei ik tot mijzelf, “hun maar een klein gedeelte van den overvloed hadt gegeven, die gij hebt gehad, dan zouden zij een gelukkigleven hebben geleid en je vader was dan misschien niet dood.”De ongelukkige Gil Perez was kindsch geworden. Of mijn moeder hem al zei, dat ik zijn neef Gil Blas was, hij lachte slechts met een onnoozel gezicht en gaf geen antwoord. Ondertusschen bewaarde Scipio een somber stilzwijgen, zuchtte met mij mee en vermengde uit vriendschap zijn tranen met de mijne.Mijn moeder en ik deden elkaar daarna een getrouw verslag van hetgeen er gebeurd was nadat ik uit Oviédo was gegaan. Met alle respect voor de nagedachtenis van mijn moeder, was ze nog al wijdloopig in haar verhalen en zou mij driekwart van haar verhaal hebben kunnen besparen, indien ze allerlei onnutte kleinigheden had terzijde gelaten.Toen zij aan het eind van hare geschiedenis was gekomen, begon ik de mijne. Slechts in het kort vertelde ik haar van al mijn avonturen, maar bij het bezoek van den zoon van Bertrand Muscada, den kruidenier uit Oviédo, bij mij te Madrid, stond ik langen tijd stil. “Ik moet u bekennen,” zei ik, “dat ik dien slecht heb ontvangen en om zich te wreken zal hij zeker wel niet veel goeds van mij hebben gezegd.”“Hij vond je,” antwoordde zij, “zoo trotsch geworden, omdat je de gunsteling van den eersten minister was, dat je hem niet wilde herkennen en het liet je geheel koud, toen hij van onze armoede vertelde. Maar daar ouders altijd het beste van hunne kinderen gelooven, dachten wij, dat hij overdreef. En je komst te Oviédo toont nu, dat we gelijk hebben gehad.”“U denkt te gunstig over mij,” zei ik. “Wat de jonge Muscada heeft gezegd, is waar. Toen hij bij mij kwam, dacht ik aan niets anders dan aan mijn fortuin, de eerzucht belette mij om mij bezig te houden met het lot van mijn familie. Daar kwam bij, dat hij mij al dadelijk tegen zich innam, door mij te zeggen, dat hij gehoord had, dat ik zoo rijk was als een jood. Daarbij wilde hij mij opbrutalen toon voorschrijven, wat ik te doen had. Maar nadat ik hem weggestuurd had, voelde ik toch wel berouw over mijn gedrag tegenover u. Toen ik later in den toren van Ségovië was opgesloten, werd ik gevaarlijk ziek en die gelukkige ziekte is het geweest, die u uw zoon heeft teruggegeven. De natuur hernam haar rechten en ik werd geheel losgemaakt van het hof. Ik ben teruggekomen van dat rumoerige leven en verlang nu alleen naar de eenzaamheid en ik ben nu hier om u te vragen, of ge met mij mee wilt gaan naar een landgoed bij Valencia, dat mij toebehoort en waar wij kalm zullen leven. U begrijpt wel, dat ik ook vader had willen voorstellen, om ons te vergezellen, indien de hemel het niet anders had gewild.”“Ik ben je zeer dankbaar voor dit aanbod en ik zou zeker niet aarzelen, wanneer ik mijn broer niet alleen moest laten; ook ben ik aan het land hier gehecht. Maar wij kunnen er nog eens over denken, onze eerste zorg moet nu zijn voor de begrafenis van je vader.”Juist kwam Scipio binnen, want het was reeds dag geworden en hij wilde vragen, of hij ons ook van dienst kon zijn. Ik vroeg hem, of hij zich belasten wilde met de zorg voor de begrafenis en hij verklaarde zich daar gaarne toe bereid. “Maar denk er aan,” zei mijn moeder tot mijn vriend, “dat het niet te mooi moet zijn; de heele stad heeft hem altijd als een eenvoudig en arm man gekend.”Scipio antwoordde: “Mevrouw, al was hij nog armer geweest, daarom zou ik geen twee cent besparen. Ik denk hierbij slechts aan mijn meester. Mijn meester is de gunsteling geweest van den hertog de Lerme, dus moet zijn vader op plechtige wijze worden begraven.”Ik keurde het plan van mijn secretaris goed en verzocht hem zelfs, geen geld te sparen. Een rest van ijdelheid, die nog in mij was, ontwaakte bij deze gelegenheid. Ik meende, dat wanneer ik geen kosten spaarde voor de begrafenis van een vader, die mij niets had nagelaten, ikzekere bewondering voor mijn mildheid zou opwekken. En mijn moeder, hoe nederig zij ook was, vond het toch niet kwaad, dat mijn vader met luister werd ter aarde besteld.Scipio was maar al te goed geslaagd. Alle inwoners van Oviédo, van groot tot klein, namen aanstoot aan dit prachtvertoon en men maakte allerlei opmerkingen, die minder eervol voor mij waren. De een zei: “Hij heeft wel geld, om zijn vader te begraven, maar had het niet om hem te eten te geven.” “Het zou beter zijn,” merkte een ander op, “als hij zijn vader bij diens leven wat meer genoegen had gedaan, dan hem nu zoo deftig te begraven.” Scipio, Bertrand en ik werden zelfs op straat nageroepen, toen wij uit de kerk kwamen, ja, men ontzag zich niet ons met steenen en modder te gooien. Mijn moeder moest zich vertoonen en openlijk verklaren, dat zij tevreden over mij was, om de menigte uiteen te doen gaan, die zich voor het huis van mijn oom verzameld had. Al die beleedigingen waren hoofdzakelijk een gevolg van de praatjes, die de jonge kruidenier in de stad over mij had rondgestrooid. Ik kreeg daardoor zoo’n tegenzin in een langer verblijf in Oviédo, dat ik spoedig besloot om te vertrekken. Daar mijn moeder bij mijn oom wilde blijven, die het echter niet lang meer zou maken, vroeg ik haar, bij mij te komen wonen, als hij er niet meer zou zijn.“Ik kan die belofte niet geven,” antwoordde mijn moeder, “want ik zou haar niet houden. De rest van mijn dagen wil ik hier in Asturië doorbrengen in volkomen onafhankelijkheid.”“Maar zult ge in mijn huis dan niet onbeperkt meesteres zijn?” vroeg ik.“Je hebt maar verliefd te worden op een of ander meisje en haar te trouwen, dan is zij de schoondochter en ik ben de schoonmoeder en dat gaat niet samen.”Hoewel ik haar betoogde, dat ik in het geheel niet aan trouwen dacht, en zelfs, als ik het deed, dat ik dan mijn vrouw wel zou dwingen haar te gehoorzamen, kon ik haarniet overreden en dus besloten wij, dat ze in haar huis zou blijven en dat ze jaarlijks een toelage van honderd pistolen van mij zou ontvangen.Wij vertrokken uit Oviédo voor het aanbreken van den dag, uit vrees last te zullen krijgen van het volk. Zoo was de ontvangst, die men mij bereidde in mijn vaderstad. Schoone les voor mannen uit het gewone volk, die buiten hun land rijk zijn geworden en daar terugkeeren, om te toonen, dat ze menschen van gewicht zijn geworden! Hoe meer zij door rijkdommen willen schitteren, des te meer zullen zij worden gehaat.Hoofdstuk IIIGil Blas gaat op weg naar het koninkrijk Valencia en komt eindelijk te Lirias aan. Beschrijving van het kasteel. Hoe hij er werd ontvangen en welke menschen hij er vond.Wij sloegen den weg in naar Léon, vervolgens dien naar Palencia en kwamen na tien dagen te Sévorbe, vanwaar wij ons den volgenden morgen naar mijn landgoed begaven, dat niet meer dan drie mijlen ver was. Naarmate wij het naderden, zag ik met genoegen dat Scipio alle kasteelen, die wij onderweg passeerden, nauwkeurig opnam en, als ze hem bevielen, telkens zei: “Ik zou wel willen, dat ons huis er zóó uitzag.”“Ik weet niet, mijn vriend,” zei ik, “welk een voorstelling je hebt van onze woning, maar wanneer je denkt, dat het een prachtig huis is, dan kom je bedrogen uit.”Toen wij er aankwamen, viel het hem intusschen zeer mee. Wij gingen een zaal binnen en daar kwamen zeven of acht bedienden ons hun compliment maken. Ze waren door don Cesar en don Alphonse de Leyva aangesteld om mij te bedienen, als kok, portier, tuinknecht en lakeien, met verbod van mij eenig geld aan te memen; die twee heeren droegen alle kosten van mijn huishouden. De kok, genaamd meester Joachim, was het hoofd van de bedienden. Hij voerde het woord en zei o.a., dat hij een grooten voorraad verschillende wijnen had liggen en dat hij na zes jaren kok te zijn geweest bij den aartsbisschop van Valencia, mij naar mijn smaak zou kunnen bedienen. Vervolgens leidde hij ons het geheele huis rond, om te zien of de inrichting mij beviel. Overal had ik gelegenheidom de goedheid van don Cesar en zijn zoon voor mij te bewonderen.Na alles met oplettendheid te hebben bekeken, gingen wij in de zaal terug, waar een tafel met twee couverts klaar stond. Al spoedig bevonden wij, dat er aanleiding bestond om den aartsbisschop van Valencia te beklagen over het verlies van zulk een kok. Bij iederen hap, dien we in onzen mond staken boden mijn nieuwe lakeien groote glazen wijn van een uitstekend merk aan. Scipio was er verrukt over maar, daar hij in hun bijzijn dat niet wilde laten merken, wierp hij mij welsprekende blikken toe, die ik op dezelfde manier beantwoordde.Toen we als uitgehongerden hadden gegeten en naar verhouding gedronken, stonden we op om den tuin te zien.Was Scipio al zeer tevreden geweest over het huis, hij was het nog meer over den tuin, welke hij vergeleek met dien van het Escuriaal. Het is waar, dat don César die nog al dikwijls in Lirias kwam, er genoegen in had gevonden, om de omgeving van het landhuis te verfraaien.Na een goed diner verraste de slaap ons weldra, nadat we waren gaan zitten in de schaduw van een olm.We hadden bijna twee uren geslapen, toen wij wakker werden door geweerschoten, die zoo dicht in onze nabijheid waren, dat wij ervan schrikten. Wij sprongen op om te gaan informeeren wat dit te beteekenen had en vonden bij het huis acht of negen boeren, allen inwoners van het gehucht, die door hun schoten mijn aankomst hadden willen vieren. Zoodra ze mij zagen, riepen zij: “Leve onze nieuwe heer! Welkom te Lirias!” De meesten hunner kenden mij nog uit den tijd, dat ik intendant was geweest. Ik ontving hen vriendelijk maar bleef ernstig, om te voorkomen, dat zij te familiair met mij zouden worden. Ik verzekerde hun mijn protectie en gaf hun zelfs een twintigtal pistolen, wat ze wel niet het minst aangename zullen hebben gevonden.Nadat Scipio en ik nog een wandeling hadden gemaakt in de bosschen, vonden wij een heerlijk souper, waarbij ons de fijnste flesschen werden geschonken.Toen wij voelden, dat we niet meer drinken konden, namen de lakeien toortsen en brachten mij naar de mooiste kamer waar ze zich beijverden om mij te helpen uitkleeden. Maar toen ze mij mijn slaapmuts en kamerjapon hadden gegeven zond ik ze weg om nog wat met Scipio te praten.“Welnu, mijn vriend,” vroeg ik hem voor wij gingen slapen, “wat zeg je van de behandeling, die ik van de heeren de Leyva ondervind?”“Ik geloof niet,” zei hij, “dat die beter zou kunnen zijn. Alleen hoop ik maar, dat ze van langen duur wezen zal.”“Dat hoop ik niet,” antwoordde ik, “het gaat niet aan, dat mijn weldoeners zulke groote uitgaven voor mij doen. Het zou misbruik maken zijn van hunne edelmoedige mildheid, indien ik dat langer toeliet. Overigens kan ik er mij niet aan gewennen zooveel knechts te hebben, die door anderen betaald worden. Ik zou me hier nooit thuis gevoelen! Wat een dwaasheid trouwens, zoo’n groot personeel! Als wij met Bertrand den kok, een jongen en één lakei hebben, dan is dat voldoende.”Hoewel het mijn secretaris ongetwijfeld wel aanstond om op zulk een wijze te blijven voortleven op kosten van den gouverneur van Valencia, bestreed hij mijn kieschheid op dit punt niet en keurde mijn plan goed.Hoofdstuk IVGil Blas vertrekt naar Valencia en gaat de heeren de Leyva bezoeken. Van het onderhoud, dat hij met hen had en van de goede ontvangst bij Séraphine.Toen ik te bed lag, kon ik niet slapen. Ik dacht aan de heeren de Leyva en aan de nieuwe bewijzen, die ik ook dien dag weer van hun vriendschap had ontvangen en ik besloot hen den volgenden dag reeds te gaan bezoeken, om hen te bedanken. Ook dacht ik er met genoegen aan, Séraphine terug te zien. Maar dat genoegen was niet onvermengd, want ik moest denken aan LorencaSéphora, die zich natuurlijk ons avontuur nog wel zou herinneren en bij het zien van mij wel minder op haar gemak zou zijn. Toen mijn geest vermoeid was door al die denkbeelden en herinneringen, sliep ik eindelijk in en werd den volgenden morgen niet vroeg wakker.Ik kleedde mij haastig aan en deelde Scipio mee, dat ik naar Valencia ging, omdat ik behoefte gevoelde mij van den plicht der dankbaarheid spoedig te gaan kwijten door de heeren de Leyva te bezoeken. “Ge behoeft mij niet te vergezellen, mijn vriend, blijf zoolang hier, over acht dagen ben ik terug.” “Het schijnt mij,” zei Scipio, “dat die heeren zeer dankbaar zijn voor de hun bewezen diensten, dat is een karaktereigenschap, die men maar zelden bij voorname heeren vindt en dus mogen wij hen wel in eere houden.”Als naar gewoonte werd ik door don Cesar en zijn zoon zeer hartelijk ontvangen. “Wel mijn waarde Santillano,”zei don Alphonse na onze begroeting, “hebt ge al bezit genomen van uw landgoed?”“Ja mijnheer,” antwoordde ik, “en ik verzoek u zoo goed te willen zijn het weer te willen terugnemen.”“Waarom?” riep hij. “Is er iets wat u niet bevalt?”“Het verblijf zelf is verrukkelijk! Maar wat mij niet bevalt is, dat ik driemaal meer bedienden heb dan noodig zijn en dat u dit noodeloos op hooge kosten jaagt.”“Indien gij,” zei don César, “het geld had aangenomen, dat wij u te Madrid hebben aangeboden, dan zouden wij er ons toe bepaald hebben, het kasteel te geven zooals het was, maar nadat ge dit hebt geweigerd, hebben wij gemeend te moeten doen, zooals nu geschied is.”“Het is teveel,” antwoordde ik. “Uw goedheid moet er zich toe bepalen, mij alleen het landgoed te schenken. Dat is voor mij reeds het toppunt van mijn wenschen. Wil ik u zeggen, wat het geval is? Ik gevoel mij niet op mijn gemak en niet thuis met zulk een groot personeel. Nog eens dus: neem mijn goed terug of laat mij het inrichten zooals ik wil.”Vader en zoon zagen, dat het ernst was en daar zij niets anders wilden, dan mij genoegen doen, kreeg ik hunne toestemming om alles maar in te richten, zooals ik zelf wilde.Ik wilde hen bedanken, maar don Alphonse viel mij in de rede, door te zeggen, dat hij mij bij een dame wilde brengen, die zeer verheugd zou zijn mij te zien. Hij bracht mij daarop in de kamer van Séraphine, die mij bij het binnenkomen met een uitroep van vreugde begroette. “Het doet mij zeer veel genoegen u weer te ontmoeten, niet alleen omdat ik nooit vergeten zal, dat ge indertijd hebt medegeholpen om mij te bevrijden, maar ook omdat ge na dien tijd aan don Alphonse zulk een gewichtigen dienst hebt bewezen.”’s Middags bleef ik in het paleis van den gouverneur dineeren in het gezelschap van verscheidene voorname heeren, die zeer beleefd tegen mij waren, toen don Césarverteld had, dat ik secretaris van den Hertog de Lerme was geweest. Aan tafel sprak men uitsluitend over den nieuwen Cardinaal en toen ik me niet liet verleiden hen ten zijnen koste te vermaken, gaf deze kleine zelfoverwinning mij den naam van zeer discreet te zijn. Toen ik mij daarna gereedmaakte, om een wandeling te maken door de stad, had ik toevallig een gesprek met den kamerdienaar van don César, die mij nog kende uit den tijd, dat ik intendant was. Ik vroeg hem, wat er toch wel van LorencaSéphorawas geworden, die ik niet meer had gezien. Hij vertelde mij, dat ze al eenigen tijd geleden was gestorven, tengevolge van het ongemak, waaraan ze leed en dat ze zeer was betreurd geworden door haar meesteres, meer dan door don Alphonse, die niet sterk getroffen was door haar dood.Terwijl ik daarna door de stad wandelde, zag ik hier en daar aanplakbiljetten, waarop werd aangekondigd, dat dien avond voor de eerstemaalzou worden opgevoerd een nieuw treurspel van don Gabriel Triaquero.Hoofdstuk VGil Blas gaat naar de comedie, waar hij een nieuw treurspel ziet. Succes van het stuk. Genie van het publiek van Valencia.Toen ik aan den schouwburg kwam, bleef ik eenige oogenblikken aan de deur staan om de personen te zien, die er binnentraden. Ik zag heeren met een goed uiterlijk en rijk gekleed en ook armoedige figuren. Ik merkte deftige dames op, die uit hare koetsen stegen en avonturiersters, die slachtoffers gingen maken. Die verscheidenheid van toeschouwers wekte bij mij den lust op om hun aantal te gaan vermeerderen. Toen ik mij gereed maakte om een biljet te nemen, kwamen juist de gouverneur en zijn vrouw binnen. Zij lieten mij roepen en ik moest in hunne loge plaats nemen.De schouwburg was geheel vol. “Wat een talrijke opkomst!” zei ik tegen don Alphonso.“Dat behoeft u niet te verwonderen,” antwoordde hij, “het treurspel, dat men zal geven, is een werk van don Gabriel Triaquero, een dichter, die in de mode is. Zoodra het programma van den schouwburg een nieuw werk van dezen schrijver aankondigt, is de heele stad Valencia er vol van. De heeren en dames spreken over niets anders dan dit stuk. Alle loges zijn besproken en bij de eerste voorstelling dringt men elkaar bij de deur dood om binnen te komen.”“Die levendige belangstelling van het publiek en dat ongeduld, om een nieuw stuk van don Gabriel te hooren,” zei ik, “geven mij een hoog idee van het genie van dezen dichter.”“Niet zoo haastig, mijn vriend,” vermaande don Alphonse mij, “men moet oppassen tegen vooroordeelen. Het publiek is soms verblind.”Ons gesprek werd afgebroken omdat de acteurs op de planken verschenen. Ze werden levendig toegejuicht en aan het eind van iedere akte was er een applaus, een leven alsof men de zaal afbrak. Toen het stuk was afgeloopen, wees men mij den schrijver, die zich in enkele loges eenige oogenblikken ophield om bescheidenlijk zijn hoofd te laten kronen met lauweren. Wij keerden na afloop naar het paleis van den gouverneur terug, waar weldra drie of vier heeren aankwamen. Er verschenen ook twee oude schrijvers, zeer geëerd in hun genre en een edelman uit Madrid, bekend om zijn geest en goeden smaak. Zij waren allen in de comedie geweest en aan het souper kwam het stuk ter sprake.“Mijnheer,” zei een ridder van St. Jacques, “wat zegt gij van dit treurspel?”“Ik geloof niet, dat iemand er anders over denken kan,” zei een ridder uit Alcantera. “Dit stuk is vol tirades, die Apollo schijnt gedicteerd te hebben.” Hij wendde zich daarna tot den heer uit Madrid: “Mijnheer is kenner, ik wed, dat hij van mijn gevoelen is.”“Wed niet, mijnheer,” antwoordde de aangesprokene met een glimlach. “Ik ben niet uit dit land en wij in Madrid beslissen niet zoo snel. Wel verre van een stuk te beoordeelen, dat wij voor den eersten maal hooren, hebben wij een zeker wantrouwen in de schoonheden, zoolang we die niet anders kennen dan door den mond van de tooneelspelers. Wij schorten ons oordeel op, tot wij het gelezen hebben en waarlijk, een stuk op het papier geeft ons niet altijd hetzelfde genot als op de planken. Wij onderzoeken dus zorgvuldig, voor wij een stuk prijzen; de naam van den schrijver, hoe groot die ook zijn moge, kan ons niet verblinden. Toen zelfs Lopes de Vega en Calderon hunne nieuwe stukken gaven, vonden zij in hunne bewonderaars strenge rechters, die henniet hebben verheven op het toppunt van hun roem, dan na hen daartoe waardig te hebben geoordeeld.”“O!” viel de ridder van St. Jacques in de rede, “wij zijn niet zoo beschroomd als de heeren Castilianen. Wij wachten met het beslissen niet tot een stuk is gedrukt. Dadelijk na de eerste voorstelling, kennen wij de waarde ervan. Het is zelfs niet eens noodig, dat wij zeer oplettend toeluisteren. ’t Is voldoende te weten, dat het een stuk van don Gabriel is, om overtuigd te zijn, dat het zonder gebreken is. Toen die schrijver zijn werken begon, kon men zeggen, dat de goede smaak werd geboren. De Lopes en de Calderons waren slechts leerlingen in vergelijking met dezen grooten meester van het tooneel!”De edelman uit Madrid, die Lopes en Calderon beschouwde als de Sophocles en Euripides van de Spanjaarden, werd geprikkeld door deze stoute bewering en zei: “Omdat ge mij noodzaakt heeren, te oordeelen na een eerste voorstelling, moet ik u zeggen, dat ik volstrekt niet ingenomen ben met het nieuwe treurspel van uw don Gabriel. Verre van het te beschouwen als een meesterwerk, vind ik het zeer gebrekkig. ’t Is op effect berekend, driekwart van de verzen is slecht of rijmt niet. De karakters zijn niet juist geteekend en slecht volgehouden en de gedachten dikwijls zeer duister.”De twee schrijvers aan tafel, die door een even zeldzame als prijzenswaardige terughoudendheid niets hadden gezegd uit vrees van jaloezie te worden verdacht, konden niet nalaten met hunne blikken hunne instemming met die woorden te betuigen.Maar de andere heeren begonnen nu Gabriel nog meer te prijzen. Ze plaatsten hem onder de goden. Die blinde aanbidding deed den Castiliaan het geduld verliezen. Hij hief de handen ten hemel en riep in geestdrift uit: “O, goddelijke Lopes de Vega, zeldzaam en verheven genie, die zulk een enorme ruimte gelaten hebt tusschen u en Gabriel, diezouwillen trachten u te bereiken! en gij krachtige Calderon, wiens zachte élegantie, wiens heldendichtenonnavolgbaar zijn, vreest niet, dat uwe altaren zullen worden afgebroken door dezen nieuwen voedsterling der Muzen! Het zal gelukkig zijn, indien het nageslacht, dat vanuwwerken zal genieten gelijk wij het doen, vanhemnog hoort spreken!”Na deze onverwachte ontboezeming, die het geheele gezelschap deed lachen, stond men van tafel op en scheidde. Op last van don Alphonse werd mij een appartement aangewezen en ik sliep in, evenals die Castiliaansche edelman betreurende, dat de onwetenden geen recht lieten wedervaren aan Lopes en aan Calderon.Hoofdstuk VIGil Blas ontmoet, wandelende in de straten van Valencia, een monnik, dien hij meent te herkennen; welke man die monnik was.Daar ik den vorigen dag de geheele stad nog niet had kunnen zien, ging ik den volgenden morgen weer uit om te wandelen. Ik merkte in de straat een Karthuizer monnik, die met neergeslagen oogen liep en zulk een vroom uiterlijk had, dat hij de blikken van alle voorbijgangers trok. Hij ging dicht langs mij heen en ik meende in hem don Raphaël te zien, dien avonturier, die in de twee eerste deelen van mijn werk een zoo groote rol speelt.Ik was zoo verwonderd over die ontmoeting, dat ik, inplaats van den monnik aan te houden, eenige oogenblikken onbewegelijk bleef staan, wat hem gelegenheid gaf zich van mij te verwijderen. “Hemel!” zei ik bij mijzelf. “Heeft men wel ooit twee gezichten gezien, die zoo op elkaar gelijken? Wat moet ik daarvan denken? Moet ik gelooven, dat het donRaphaëlwas? Of was het verbeelding?”Ik was te nieuwsgierig naar de waarheid om het daarbij te laten. Ik liet mij dus aanwijzen, waar het klooster van de Karthuizer-monniken was en ging daar dadelijk heen, in de hoop mijn man weer te zien, wanneer hij er zou terugkeeren en besloot, hem aan te houden om hem te spreken. Ik behoefde niet lang te wachten om op de hoogte te worden gesteld; bij den ingang van het klooster deed een ander gezicht mijn twijfel in zekerheid overgaan; ik herkende in den broeder portier Ambrosius de Lamela, mijn ouden knecht. Men kan zich voorstellen, hoe groot mijn verwondering was.“Is het geen verbeelding? Is het werkelijk een van mijn vrienden, die ik zie?” vroeg ik.Hij herkende mij eerst niet, of liever hij veinsde mij niet te herkennen, wat waarschijnlijker was. Maar bemerkende, dat dit toch nutteloos was, nam hij plotseling het gezicht aan van iemand, die zich plotseling iets herinnert. “Ah! mijnheer Gil Blas,” riep hij, “neem mij niet kwalijk, dat ik u niet dadelijk herkende. Sedert ik in deze heilige plaats leef en de plichten vervul, door onze regels voorgeschreven, verloor ik het geheugen voor hetgeen ik in de wereld heb gezien.”“Het doet mij een groot genoegen,” zei ik, “u na tien jaar in zulk een eerwaardig kleed weer te zien.”“En ik,” antwoordde hij, “ik schaam mij daarin gekleed te verschijnen voor een man, die getuige is geweest van het schuldige leven, dat ik heb geleid. Dit kleed verwijt mij dat zonder ophouden. Helaas! om waardig te zijn het te dragen, had ik altijd in onschuld moeten leven.”“Het doet mij genoegen,” herhaalde ik, “u te zien en ik brand van verlangen om te vernemen op welke wonderbaarlijke wijze gij zoo op den goeden weg zijt gekomen, gij en don Raphaël, want ik ben er van overtuigd, dat hij het is geweest, dien ik in de stad heb ontmoet, gekleed als Karthuizer monnik. Het spijt mij, dat ik hem op straat niet heb aangehouden om met hem te spreken en ik ben hier gekomen om hem op te wachten en mijn fout te herstellen.”“Ge hebt u niet vergist,” zei Lamela, ”’t is don Raphaël zelf, die ge gezien hebt en wat onze geschiedenis betreft, ik zal u die mededeelen. Nadat wij bij Ségorbo van u gescheiden waren, sloegen don Raphaël en ik den weg in naar Valencia, met het doel er eenige beroepsbezigheden te verrichten. Het toeval wilde op zekeren dag, dat wij de Karthuizerkerk binnentraden, op het oogenblik, dat de monniken hunne vrome liederen zongen. Wij aanschouwden hen en gevoelden, dat de kwaden niet anders kunnen doen dan de deugd eeren. Wij bewonderden in die mannenden ijver, waarmee ze tot God baden en de rust, die op hun gelaat was te lezen.“Zoo vervielen wij in een gepeins, dat ons heilzaam werd; wij vergeleken ons zelf met deze vrome broeders en onze ziel werd met angst en onrust vervuld. Gevoelens, die ons tot nog toe onbekend geweest waren, bewogen ons en wij gevoelden misschien voor de eerste maal in ons leven berouw over ons gedrag. Don Raphaël zei tot mij: “Waarde Ambrosius, wij zijn twee verdwaalde schapen, die de Vader uit erbarmen wil opnemen. Hij roept ons. Laten wij niet doof zijn voor die stem. Laten wij den weg verlaten, die wij tot nu toe hebben bewandeld en van nu af ernstig gaan werken voor het heil van onze ziel. De rest van onze dagen moesten wij in dit klooster in boetedoening doorbrengen.”Ik juichte het plan van Raphaël toe en wij besloten Karthuizers te worden. Om dat plan te volvoeren, gingen wij naar den prior, die ons een cel gaf en een jaar lang volgden wij zoo trouw en standvastig de voorschriften, dat wij onder de novices werden opgenomen. Later werden wij monnik en don Raphaël, die begaafd is met een buitengewoon talent voor zaken, werd aangewezen tot hulp van een ouden vader, die toen administrateur was. Hij kweet zich zoo uitnemend van die taak, dat hij, hoewel hij zijn tijd liever uitsluitend aan gebeden zou hebben gewijd, dien ouden vader opvolgde toen deze stierf. Dat ambt oefent don Raphaël nu uit en het is merkwaardig, dat hij bij alle zorg voor het verbeteren van onze inkomsten slechts vervuld schijnt van de eeuwigheid. Laten zijn werkzaamheden hem een oogenblik wat rust dan verdiept hij zich in het gebed.”Hier viel ik Lamela met een uitroep van vreugde in de rede, want ik zag don Raphaël naderen. Wij begroetten elkaar hartelijk en zonder in het minst iets van verwondering te laten blijken, zei hij: “God zegene u, mijnheer de Santillano, wat voert u naar Valencia?”“Werkelijk, mijn beste Raphaël, ik verheug mij in uwvoorspoed. Broeder Ambrosius heeft mij de geschiedenis van uwe bekeering verteld en dat verhaal deed mij veel pleizier. Welk een voorrecht voor u beide, tot deze kleine schare van uitverkorenen te behooren, die een eeuwige gelukzaligheid zullen genieten!”Ik vertelde hun daarna mijn geschiedenis. Toen ik ook meedeelde, dat don Alphonse de Leyva mij met drieduizend ducaten naar Samuel Simon had gezonden, vielLamelamij in de rede door tot Raphaël te zeggen: “Die koopman heeft zich dus niet te beklagen. Hij heeft zijn geld met woeker teruggekregen en in dat opzicht kunnen wij ons geweten dus onbezwaard achten.”“Voor wij in het klooster gingen,” zei don Raphaël, “hebben Ambrosius en ik hem in het geheim door tusschenkomst van een geestelijke vijftienhonderd ducaten doen toekomen. Zooveel te erger voor Samuel Simon, indien hij die som heeft aangenomen, na haar reeds in haar geheel te hebben ontvangen van den heer de Santillano.”“Maar,” vroeg ik, “is het wel zeker, dat het geld van u hem in handen is gekomen?”“Daarvoor kunnen wij u borg staan. Ze zijn hem gebracht door een priester die gewoon is zulke opdrachten te vervullen en die zelfs al over dergelijke hem toevertrouwde sommen twee of drie processen heeft gevoerd en gewonnen.” “Als dat zoo is,” hernam ik, “is er geen twijfel mogelijk, of het geld is hem trouw afgedragen.”Ons gesprek duurde nog eenigen tijd en wij scheidden nadat ze mij nog hadden aangemaand om steeds de vreeze Gods voor oogen te houden en ik hun had verzocht mij in hunne gebeden te willen gedenken.Dadelijk hierna ging ik naar don Alphonse en zei: “Ge kunt nooit raden met wie ik zooeven een lang onderhoud heb gehad. Zooeven heb ik twee Karthuizer monniken gesproken, die hier in het klooster zijn, goede kennissen van u.”“Ik ken hier geen Karthuizers,” zei don Alphonse.“Toch wel,” hield ik vol. “Ge hebt hen vroeger ontmoet, toen zij commissaris en griffier waren van de heilige inquisitie!”“Is het mogelijk? Zijn Raphaël en Lamela monnik geworden?”“Ja, al sinds eenige jaren en ze hebben beiden een ambt. De een is administrateur en de andere portier. De eerste is dus meester van de kas en de tweede van de deur.”Don Alphonse dacht eenige oogenblikken na en zei: ”’t Is best mogelijk, dat mijnheer de commissaris en mijnheer de griffier weer een nieuwe comedie spelen!”“Dat kan zijn,” antwoordde ik hem, “maar wat mij betreft, hoewel men iemand niet in het hart kan zien, oordeel ik toch gunstiger over hen. Naar het schijnt, hebben de schelmen zich werkelijk bekeerd.”“Het gebeurt wel meer, dat zulke vagebonden later in een klooster terechtkomen,” zei don Alphonse,“en dan oprecht boete doen, maar ik kan toch niet nalaten deze twee heeren te wantrouwen, vooral als zij over de kas gaan. Men zet geen dronkaard, die onthouder geworden is, in een wijnkelder. Ik beklaag de Karthuizers.”Het wantrouwen van don Alphonse werd werkelijk na eenige dagen reeds gerechtvaardigd. Als een loopend vuurtje ging het door de stad dat de broeder administrateur en de broeder portier zich met de kas van de Karthuizers hadden verwijderd.Wij wachtten er ons wel voor, om te zeggen dat die heeren kennissen van ons waren.
Hoofdstuk IGil Blas vertrekt naar Asturië; hij reist over Valladolid, waar hij dokter Sangrado, zijn ouden meester gaat bezoeken. Hij ontmoet bij toeval den heer Manuel Ordonnez, administrateur van het klooster.In den tijd, dat Scipio en ik Madrid verlieten, benoemde Paulus V den hertog de Lerme tot kardinaal. De paus, die de inquisitie in het koninkrijk Napels wilde instellen, bekleedde den minister met het purper, om daardoor koning Philips voor zijn plannen te winnen. Al wie dit nieuwe lid van het heilige college goed kenden, vonden als ik, dat de kerk een schoone aanwinst had gedaan.Scipio, die mij liever in een schitterende betrekking aan het hof zag terugkeeren dan begraven in de eenzaamheid, raadde mij aan den nieuwen kardinaal te gaan bezoeken. “Misschien,” zei hij, “dat zijn eminentie, wanneer hij u op bevel van den koning uit de gevangenis ontslagen ziet, niet meer doet of hij gebelgd op u is en u weer in zijn dienst terugneemt.”“Scipio,” antwoordde ik hem, “je vergeet klaarblijkelijk, waarde, dat ik de Castiliën zou verlaten. Denk je overigens, dat ik nu al genoeg heb van mijn kasteel te Lirias? Ik heb je al gezegd en herhaal het: wanneer de hertog de Lerme mij zijn gunsten weer zou willen schenken, wanneer hij mij zelfs de plaats aanbood van Calderone, zou ik weigeren. Mijn besluit is genomen, ik ga mijn ouders halen en dan nabij Valencia wonen. Mocht het je berouwen, dat je je lot aan het mijne hebt verbonden, dan behoef je dat maar te zeggen, ik ben bereid om je de helft van mijn geld te geven, waarmee je in Madrid kan blijven om verder je fortuin te maken”.“Hoe mijnheer!” zei Scipio, “denkt u dat het mij berouwt, dat ik besloten heb u te volgen? Hoe, Scipio, die trouwe dienaar, die gaarne de rest van zijn dagen met u zou hebben gesleten in den toren van Ségovië, zou u niet gaarne vergezellen naar een plaats, waar ons zooveel genot wacht! Neen mijnheer, ik denk er niet aan op mijn besluit terug te komen. Ik moet u bekennen dat ik, toen ik dien raad gaf u alleen maar eens heb willen polsen, om te zien of er nog iets van de oude eerzucht in u was overgebleven. Maar ik zie, dat ge niet meer aan grootheid zijt gehecht!”Wij reisden in een wagen, bespannen met twee goede muilezels, gemend door een jongen, dien ik bij mijn gevolg had gevoegd. Na eenige dagen kwamen wij te Valladolid. Bij het gezicht van die stad kon ik mij niet weerhouden te zuchten. Mijn metgezel vroeg, waarom ik dat deed. “Mijn vriend”, zei ik, “dat komt, omdat ik langen tijd hier de geneeskunde heb beoefend. Ik kan er niet rustig aan denken. Mijn geweten doet mij op dit oogenblik geheime verwijten. Wat zeg ik? Het is mij of alle zieken, die ik vermoord heb, uit hun graven rijzen, om mij in stukken te scheuren!”“Wat een idee!” riep Scipio, “Waarlijk, mijnheer Santillano, ge zijt te goed. Waarom maakt ge u er een verwijt van, dat ge uw beroep hebt uitgeoefend? Kijk naar de oudste doktoren, hebben zij de wroeging? Wel neen! Ze gaan steeds hun gang. Loopt een geval ongelukkig af, dan is de natuur de schuld ervan en genezen zij iemand, dan hebben zij de eer!””’t Is waar,” zei ik, “dat dokter Sangrado, wiens methode ik getrouw volgde, er die manieren op nahield. Al stierven er per dag twintig personen onder zijn handen, hij was zoo overtuigd van het heilzame van aderlaten en van zijn drankjes, dat hij zeker was, daarmee alle ziekten te kunnen genezen. Hij geloofde, dat de zieken alleen stierven, omdat hij hen niet genoeg had gelaten, of dat ze te weinig geslikt hadden!”Lachend riep Scipio: “Dat is een interessante persoonlijkheid!”“Als ge hem wilt leeren kennen,” zei ik, “dan is daar morgen gelegenheid toe, wanneer althans Sangrado nog leeft en nog in Valladolid woont. Ik kan dat echter moeilijk gelooven, want hij was al oud, toen ik hem verliet en er zijn sedert dien tijd heel wat jaren verloopen.”Ons eerste werk, toen wij in het hotel aankwamen, was te informeeren naar dokter Sangrado, die nog leefde, maar te oud was om visites te maken en dus zijn practijk aan drie of vier andere doktoren had overgedaan. Wij besloten den volgenden dag in die stad over te blijven, zoowel om hem te bezoeken, als om onze muilezels te laten rusten.Den volgenden morgen om tien uur gingen wij hem bezoeken; wij vonden hem in een fauteuil, met een boek in de hand. Zoodra hij ons zag, stond hij op, kwam naar ons toe met een fermen stap voor een zeventigjarige en vroeg, wat wij wilden.“Dokter,” zei ik, “kijk mij eens oplettend aan! Herkent ge mij niet? Ik heb toch de eer een van uw leerlingen te zijn. Herinnert gij u niet een zekeren Gil Blas, die bij u gewoond heeft?”Hij drukte mij hartelijk de hand en zei: “Zijt gij het Santillano? Ik zou u niet meer herkend hebben. Het doet mij recht veel genoegen u weer te zien.Wat hebt ge sedert onze scheiding gedaan? Zeker de geneeskunde beoefend?”“Wat mij betreft,” antwoordde ik, “had ik daar wel neiging toe, maar redenen van overwegenden aard hebben het mij belet.”“Dat is jammer,” zei Sangrado, “want met de grondbeginselen, die ik bij u had gelegd, zoudt ge een uitstekend geneesheer zijn geworden, indien de hemel u althanshadbehoed voor de gevaarlijke liefde tot de scheikunde. Wat een verandering in de geneeskunde in de laatste jaren! Ge ziet mij er tegelijkertijd verwonderd en bedroefd over. Menontneemt aan onze wetenschap de eer en de waardigheid.Die kunst, die door alle eeuwen heen het leven van den mensch heeft gerespecteerd, is nu ten prooi geworden aan vermetelheid, aan vermoedens, aan onervarenheid. Men ziet tegenwoordig ook in deze stad dokters, wier eenige wetenschap van de geneeskunde bestaat in het bereiden van scheikundige mengsels. Alles is verkeerd in hun methode! Het aderlaten van den voet bijvoorbeeld, vroeger zoo zeldzaam gedaan, is tegenwoordig bijna de eenige wijze. De purgeermiddelen vroeger zacht en weldadig, zijn nu brakerig werkende. Het is een chaos geworden, iedereen doet wat hij wil en overschrijdt de grenzen van de regelmaat en wijsheid, die onze eerste meesters hebben vastgesteld.”Welk een lust ik ook had om te lachen, ik wist mij te weerhouden. Scipio, wien het geval vermaakte, wilde het vuur nog wat aanwakkeren. “Dokter,” zei hij tegen Sangrado, “daar ik een achterneef ben van een dokter van de andere school, zij het mij vergund, met u al die scheikundige remedies ver weg te werpen. Wijlen mijn oudoom was een zoo overtuigd volgeling van Hippocrates, dat hij dikwijls gevochten heeft met de kwakzalvers, die met niet genoeg respect spraken van dien koning der geneeskunde. Het bloed verloochent zich niet en ik zou graag voor beul dienen van al die nieuwerwetsche domooren, over wie gij u met evenveel rechtvaardigheid als welsprekendheid beklaagt. Welk een wanorde veroorzaken deze ellendelingen niet in de beschaafde maatschappij!”“Die wanorde,” zei de dokter, “gaat veel verder dan ge denkt. Het heeft mij niet gebaat een boek uit te geven tegen die struikrooverij op het gebied van de geneeskunst; integendeel, ze neemt van dag tot dag toe. De chirurgen zijn zoo gek dokters te willen zijn en denken, dat ze er geschikt voor zijn als er maar braakmiddelen hoeven gegeven te worden, waarbij ze dan, heel willekeurig voet-aderlatingen voegen. Deze besmetting verspreidt zich zelfs in de kloosters, er zijn onder de monniken sommige broeders,die tegelijk apotheker en chirurgijn zijn en schadelijke drankjes maken, die het leven verkorten van de eerwaarde vaders.”Hier werd ons gesprek gestoord door de komst van een oude dienstbode, die een blad bracht, waarop een broodje, een glas en twee caraffen, de een gevuld met water en de andere met wijn. Hij vulde het glas voor niet meer dan een vierde gedeelte met wijn en de rest met water. “Ho, ho! dokter!” riep ik, “daar betrap ik u op heeterdaad, u drinkt wijn, gij, die u altijd zoo tegen dien drank hebt verklaard en daardoor veroorzaakt hebt, dat ik in tien jaren tijds geen druppel wijn heb gedronken. Sedert wanneer zijt gij zoo veranderd? Ge kunt u niet beroepen op uw leeftijd, omdat ge in een van uw geschriften den ouderdom verklaart als een natuurlijke tering en ge daarom de onwetendheid betreurt van personen, die den wijn de melk der grijsaards noemen. Wat hebt ge te zeggen om u te rechtvaardigen?”“Ge doet mij onrecht aan,” zei de oude heer. “Indien ik enkel wijn dronk, zoudt ge gelijk hebben, maar ik vermeng dien met veel water.” “Mijn waarde meester,” antwoordde ik, “herinnert ge u niet, dat ge het afkeurde in den kanunnik Sedillo, dat hij wijn dronk, hoewel hij er veel water in deed? Beken maar, dat ge uw dwaling hebt ingezien, dat het drinken van wijn niet slecht is, zooals ge in uw boeken hebt gezegd, mits men er maar een matig gebruik van maakt.”De dokter was een weinig verlegen door mijn woorden; hij kon zich er niet goed uit redden, dus bracht ik het gesprek op een ander onderwerp en wij vertrokken spoedig na hem nogmaals goed succes te hebben toegewenscht in zijn strijd tegen de nieuwe geneeskunde.Terwijl Scipio en ik op weg naar het hotel nog eens hartelijk lachten om dien origineelen dokter, ging ons een man voorbij van omstreeks zestig jaren, die de oogen naar den grond hield geslagen. Ik herkende in hem Manuel Ordonnez, den administrateur, van wien ik zoo eervolmelding maakte in het eerste deel van mijn geschiedenis. Ik groette hem, hij keek mij aan en zei, dat hij, hoewel mijn gezicht hem niet onbekend voorkwam, zich toch niet kon herinneren, wie ik was. Ik kwam zijn geheugen te hulp en zei, dat ik vroeger wel eens bij hem kwam toen hij een vriend van mij in dienst had, genaamd Fabricius Nunez. Hij antwoordde: “Ja, nu herinner ik het mij. Ge hebt samen wel eens streken uitgehaald! Maar zeg mij eens, wat er van dien armen Fabricius geworden is.”“Fabricius is in Madrid, waar hij zich met verschillend werk bezig houdt.”“Wat verstaat ge onder verschillend werk?” vroeg hij. “Dat klinkt mij zoo dubbelzinnig.”“Ik wil daarmee zeggen,” antwoordde ik, “dat hij schrijft in poëzie en in proza, hij maakt comedies en romans; in één woord, het is iemand met talent, die zeer goed wordt ontvangen in groote huizen.”“Maar hoe staat het met zijn geldmiddelen?”“Niet al te best,” antwoordde ik. “Ik geloof niet, dat hij rijk is.”“O, dat dacht ik wel!” riep Ordonnez. “Laat hij het hof maar maken aan groote heeren! Dat zal hem even weinig inbrengen als zijn geschrijf. Ik zie hem den een of anderen dag nog eens in ons armenhuis terechtkomen.”“Dat zou wel kunnen,” stemde ik toe, “de poëzie heeft er wel anderen gebracht. Mijn vriend Fabricius zou beter hebben gedaan, indien hij maar bij u was gebleven, dan zou zijn karretje nu over een zandweg gaan.”“Hij zou het tenminste goed hebben,” zei Manuel. “Ik hield van dien jongen en hij had in onze inrichting een goede positie kunnen krijgen, indien het hem niet in het hoofd was gekomen zich aan de schoone kunst te gaan wijden. De domoor! Hij maakte een comediestuk, dat opgevoerd werd door een troep, die bij ons in de stad was. Hij had succes en zijn hoofd werd daardoor op hol gebracht. Hij meende een nieuwe Lopez de Vega te zijn en gaf de voorkeur aan den bedwelmenden rook van het applaudissement van het publiek, boven de werkelijke voordeelen die mijn vriendschap hem kon aanbieden. Hij heeft zijn geluk niet begrepen. De jongen, dien ik in zijn plaats nam, is daar het bewijs van. Hij heeft minder verstand dan Fabricius, maar legde zich uitsluitend op zijn betrekking toe en bekleedt nu bij ons twee posten, waarvan de minste hem ruimschoots in staat stelt te leven als een fatsoenlijk man, die een groot huishouden tot zijn last heeft.”
In den tijd, dat Scipio en ik Madrid verlieten, benoemde Paulus V den hertog de Lerme tot kardinaal. De paus, die de inquisitie in het koninkrijk Napels wilde instellen, bekleedde den minister met het purper, om daardoor koning Philips voor zijn plannen te winnen. Al wie dit nieuwe lid van het heilige college goed kenden, vonden als ik, dat de kerk een schoone aanwinst had gedaan.
Scipio, die mij liever in een schitterende betrekking aan het hof zag terugkeeren dan begraven in de eenzaamheid, raadde mij aan den nieuwen kardinaal te gaan bezoeken. “Misschien,” zei hij, “dat zijn eminentie, wanneer hij u op bevel van den koning uit de gevangenis ontslagen ziet, niet meer doet of hij gebelgd op u is en u weer in zijn dienst terugneemt.”
“Scipio,” antwoordde ik hem, “je vergeet klaarblijkelijk, waarde, dat ik de Castiliën zou verlaten. Denk je overigens, dat ik nu al genoeg heb van mijn kasteel te Lirias? Ik heb je al gezegd en herhaal het: wanneer de hertog de Lerme mij zijn gunsten weer zou willen schenken, wanneer hij mij zelfs de plaats aanbood van Calderone, zou ik weigeren. Mijn besluit is genomen, ik ga mijn ouders halen en dan nabij Valencia wonen. Mocht het je berouwen, dat je je lot aan het mijne hebt verbonden, dan behoef je dat maar te zeggen, ik ben bereid om je de helft van mijn geld te geven, waarmee je in Madrid kan blijven om verder je fortuin te maken”.
“Hoe mijnheer!” zei Scipio, “denkt u dat het mij berouwt, dat ik besloten heb u te volgen? Hoe, Scipio, die trouwe dienaar, die gaarne de rest van zijn dagen met u zou hebben gesleten in den toren van Ségovië, zou u niet gaarne vergezellen naar een plaats, waar ons zooveel genot wacht! Neen mijnheer, ik denk er niet aan op mijn besluit terug te komen. Ik moet u bekennen dat ik, toen ik dien raad gaf u alleen maar eens heb willen polsen, om te zien of er nog iets van de oude eerzucht in u was overgebleven. Maar ik zie, dat ge niet meer aan grootheid zijt gehecht!”
Wij reisden in een wagen, bespannen met twee goede muilezels, gemend door een jongen, dien ik bij mijn gevolg had gevoegd. Na eenige dagen kwamen wij te Valladolid. Bij het gezicht van die stad kon ik mij niet weerhouden te zuchten. Mijn metgezel vroeg, waarom ik dat deed. “Mijn vriend”, zei ik, “dat komt, omdat ik langen tijd hier de geneeskunde heb beoefend. Ik kan er niet rustig aan denken. Mijn geweten doet mij op dit oogenblik geheime verwijten. Wat zeg ik? Het is mij of alle zieken, die ik vermoord heb, uit hun graven rijzen, om mij in stukken te scheuren!”
“Wat een idee!” riep Scipio, “Waarlijk, mijnheer Santillano, ge zijt te goed. Waarom maakt ge u er een verwijt van, dat ge uw beroep hebt uitgeoefend? Kijk naar de oudste doktoren, hebben zij de wroeging? Wel neen! Ze gaan steeds hun gang. Loopt een geval ongelukkig af, dan is de natuur de schuld ervan en genezen zij iemand, dan hebben zij de eer!”
”’t Is waar,” zei ik, “dat dokter Sangrado, wiens methode ik getrouw volgde, er die manieren op nahield. Al stierven er per dag twintig personen onder zijn handen, hij was zoo overtuigd van het heilzame van aderlaten en van zijn drankjes, dat hij zeker was, daarmee alle ziekten te kunnen genezen. Hij geloofde, dat de zieken alleen stierven, omdat hij hen niet genoeg had gelaten, of dat ze te weinig geslikt hadden!”
Lachend riep Scipio: “Dat is een interessante persoonlijkheid!”
“Als ge hem wilt leeren kennen,” zei ik, “dan is daar morgen gelegenheid toe, wanneer althans Sangrado nog leeft en nog in Valladolid woont. Ik kan dat echter moeilijk gelooven, want hij was al oud, toen ik hem verliet en er zijn sedert dien tijd heel wat jaren verloopen.”
Ons eerste werk, toen wij in het hotel aankwamen, was te informeeren naar dokter Sangrado, die nog leefde, maar te oud was om visites te maken en dus zijn practijk aan drie of vier andere doktoren had overgedaan. Wij besloten den volgenden dag in die stad over te blijven, zoowel om hem te bezoeken, als om onze muilezels te laten rusten.
Den volgenden morgen om tien uur gingen wij hem bezoeken; wij vonden hem in een fauteuil, met een boek in de hand. Zoodra hij ons zag, stond hij op, kwam naar ons toe met een fermen stap voor een zeventigjarige en vroeg, wat wij wilden.
“Dokter,” zei ik, “kijk mij eens oplettend aan! Herkent ge mij niet? Ik heb toch de eer een van uw leerlingen te zijn. Herinnert gij u niet een zekeren Gil Blas, die bij u gewoond heeft?”
Hij drukte mij hartelijk de hand en zei: “Zijt gij het Santillano? Ik zou u niet meer herkend hebben. Het doet mij recht veel genoegen u weer te zien.Wat hebt ge sedert onze scheiding gedaan? Zeker de geneeskunde beoefend?”
“Wat mij betreft,” antwoordde ik, “had ik daar wel neiging toe, maar redenen van overwegenden aard hebben het mij belet.”
“Dat is jammer,” zei Sangrado, “want met de grondbeginselen, die ik bij u had gelegd, zoudt ge een uitstekend geneesheer zijn geworden, indien de hemel u althanshadbehoed voor de gevaarlijke liefde tot de scheikunde. Wat een verandering in de geneeskunde in de laatste jaren! Ge ziet mij er tegelijkertijd verwonderd en bedroefd over. Menontneemt aan onze wetenschap de eer en de waardigheid.Die kunst, die door alle eeuwen heen het leven van den mensch heeft gerespecteerd, is nu ten prooi geworden aan vermetelheid, aan vermoedens, aan onervarenheid. Men ziet tegenwoordig ook in deze stad dokters, wier eenige wetenschap van de geneeskunde bestaat in het bereiden van scheikundige mengsels. Alles is verkeerd in hun methode! Het aderlaten van den voet bijvoorbeeld, vroeger zoo zeldzaam gedaan, is tegenwoordig bijna de eenige wijze. De purgeermiddelen vroeger zacht en weldadig, zijn nu brakerig werkende. Het is een chaos geworden, iedereen doet wat hij wil en overschrijdt de grenzen van de regelmaat en wijsheid, die onze eerste meesters hebben vastgesteld.”
Welk een lust ik ook had om te lachen, ik wist mij te weerhouden. Scipio, wien het geval vermaakte, wilde het vuur nog wat aanwakkeren. “Dokter,” zei hij tegen Sangrado, “daar ik een achterneef ben van een dokter van de andere school, zij het mij vergund, met u al die scheikundige remedies ver weg te werpen. Wijlen mijn oudoom was een zoo overtuigd volgeling van Hippocrates, dat hij dikwijls gevochten heeft met de kwakzalvers, die met niet genoeg respect spraken van dien koning der geneeskunde. Het bloed verloochent zich niet en ik zou graag voor beul dienen van al die nieuwerwetsche domooren, over wie gij u met evenveel rechtvaardigheid als welsprekendheid beklaagt. Welk een wanorde veroorzaken deze ellendelingen niet in de beschaafde maatschappij!”
“Die wanorde,” zei de dokter, “gaat veel verder dan ge denkt. Het heeft mij niet gebaat een boek uit te geven tegen die struikrooverij op het gebied van de geneeskunst; integendeel, ze neemt van dag tot dag toe. De chirurgen zijn zoo gek dokters te willen zijn en denken, dat ze er geschikt voor zijn als er maar braakmiddelen hoeven gegeven te worden, waarbij ze dan, heel willekeurig voet-aderlatingen voegen. Deze besmetting verspreidt zich zelfs in de kloosters, er zijn onder de monniken sommige broeders,die tegelijk apotheker en chirurgijn zijn en schadelijke drankjes maken, die het leven verkorten van de eerwaarde vaders.”
Hier werd ons gesprek gestoord door de komst van een oude dienstbode, die een blad bracht, waarop een broodje, een glas en twee caraffen, de een gevuld met water en de andere met wijn. Hij vulde het glas voor niet meer dan een vierde gedeelte met wijn en de rest met water. “Ho, ho! dokter!” riep ik, “daar betrap ik u op heeterdaad, u drinkt wijn, gij, die u altijd zoo tegen dien drank hebt verklaard en daardoor veroorzaakt hebt, dat ik in tien jaren tijds geen druppel wijn heb gedronken. Sedert wanneer zijt gij zoo veranderd? Ge kunt u niet beroepen op uw leeftijd, omdat ge in een van uw geschriften den ouderdom verklaart als een natuurlijke tering en ge daarom de onwetendheid betreurt van personen, die den wijn de melk der grijsaards noemen. Wat hebt ge te zeggen om u te rechtvaardigen?”
“Ge doet mij onrecht aan,” zei de oude heer. “Indien ik enkel wijn dronk, zoudt ge gelijk hebben, maar ik vermeng dien met veel water.” “Mijn waarde meester,” antwoordde ik, “herinnert ge u niet, dat ge het afkeurde in den kanunnik Sedillo, dat hij wijn dronk, hoewel hij er veel water in deed? Beken maar, dat ge uw dwaling hebt ingezien, dat het drinken van wijn niet slecht is, zooals ge in uw boeken hebt gezegd, mits men er maar een matig gebruik van maakt.”
De dokter was een weinig verlegen door mijn woorden; hij kon zich er niet goed uit redden, dus bracht ik het gesprek op een ander onderwerp en wij vertrokken spoedig na hem nogmaals goed succes te hebben toegewenscht in zijn strijd tegen de nieuwe geneeskunde.
Terwijl Scipio en ik op weg naar het hotel nog eens hartelijk lachten om dien origineelen dokter, ging ons een man voorbij van omstreeks zestig jaren, die de oogen naar den grond hield geslagen. Ik herkende in hem Manuel Ordonnez, den administrateur, van wien ik zoo eervolmelding maakte in het eerste deel van mijn geschiedenis. Ik groette hem, hij keek mij aan en zei, dat hij, hoewel mijn gezicht hem niet onbekend voorkwam, zich toch niet kon herinneren, wie ik was. Ik kwam zijn geheugen te hulp en zei, dat ik vroeger wel eens bij hem kwam toen hij een vriend van mij in dienst had, genaamd Fabricius Nunez. Hij antwoordde: “Ja, nu herinner ik het mij. Ge hebt samen wel eens streken uitgehaald! Maar zeg mij eens, wat er van dien armen Fabricius geworden is.”
“Fabricius is in Madrid, waar hij zich met verschillend werk bezig houdt.”
“Wat verstaat ge onder verschillend werk?” vroeg hij. “Dat klinkt mij zoo dubbelzinnig.”
“Ik wil daarmee zeggen,” antwoordde ik, “dat hij schrijft in poëzie en in proza, hij maakt comedies en romans; in één woord, het is iemand met talent, die zeer goed wordt ontvangen in groote huizen.”
“Maar hoe staat het met zijn geldmiddelen?”
“Niet al te best,” antwoordde ik. “Ik geloof niet, dat hij rijk is.”
“O, dat dacht ik wel!” riep Ordonnez. “Laat hij het hof maar maken aan groote heeren! Dat zal hem even weinig inbrengen als zijn geschrijf. Ik zie hem den een of anderen dag nog eens in ons armenhuis terechtkomen.”
“Dat zou wel kunnen,” stemde ik toe, “de poëzie heeft er wel anderen gebracht. Mijn vriend Fabricius zou beter hebben gedaan, indien hij maar bij u was gebleven, dan zou zijn karretje nu over een zandweg gaan.”
“Hij zou het tenminste goed hebben,” zei Manuel. “Ik hield van dien jongen en hij had in onze inrichting een goede positie kunnen krijgen, indien het hem niet in het hoofd was gekomen zich aan de schoone kunst te gaan wijden. De domoor! Hij maakte een comediestuk, dat opgevoerd werd door een troep, die bij ons in de stad was. Hij had succes en zijn hoofd werd daardoor op hol gebracht. Hij meende een nieuwe Lopez de Vega te zijn en gaf de voorkeur aan den bedwelmenden rook van het applaudissement van het publiek, boven de werkelijke voordeelen die mijn vriendschap hem kon aanbieden. Hij heeft zijn geluk niet begrepen. De jongen, dien ik in zijn plaats nam, is daar het bewijs van. Hij heeft minder verstand dan Fabricius, maar legde zich uitsluitend op zijn betrekking toe en bekleedt nu bij ons twee posten, waarvan de minste hem ruimschoots in staat stelt te leven als een fatsoenlijk man, die een groot huishouden tot zijn last heeft.”
Hoofdstuk IIGil Blas vervolgt zijn reis en komt gelukkig teOviédoaan. In welken toestand hij zijn ouders vindt. Dood van zijn vader; gevolg van dien dood.Van Valladolid reisden wij in vier dagen naarOviédo, zonder onderweg slechte ontmoetingen te hebben gehad, niettegenstaande er gezegd wordt, dat de dieven van verre het geld van de reizigers ruiken. Ze hadden anders gemakkelijk hun slag kunnen slaan; want ik had aan het hof geen dapperheid geleerd en mijn ezeldrijver scheen me niet iemand, die zich zou laten dooden om de beurs van zijn meester te verdedigen. Alleen Scipio had iets van een vechtersbaas.Het was nacht toen wij in de stad aankwamen. Wij gingen in een logement, dicht naast het huis van mijn oom Gil Perez. Voor ik naar mijn ouders ging, wilde ik naar hen informeeren en ik wist niet beter te doen, dan mij daarvoor te wenden tot den waard en zijn vrouw, die wel alles van hunne buren zouden afweten. Na mij goed te hebben aangekeken riep de herbergier uit: “Bij den heiligen Antonius van Padua! Dat is de zoon van onzen goeden Blas de Santillano!”“Ja waarlijk,” bevestigde de vrouw, “hij is het, ik herken hem zeer goed, hij is bijna niet veranderd. ’t Is, of ik hem nog zie zooals hij hier ’s avonds met een flesch kwam, om wijn voor het souper van zijn oom te halen.”“Ge hebt een goed geheugen,” zei ik, “maar wees zoo goed en vertel mij iets van mijn familie. Mijn vader en moeder hebben het zeker niet te best!”“Dat hebben ze zeker niet,” antwoordde de vrouw,“ze konden er moeilijk slechter aan toe zijn. De goede Gil Perez is door een beroerte aan de eene helft van zijn lichaam verlamd en zal waarschijnlijk niet lang meer leven; uw vader, die sedert korten tijd bij hem woont, heeft een longontsteking of liever gezegd hij bevindt zich tusschen leven en dood en uw moeder, wie het ook al niet te best gaat, past hen beiden op. Ongelukkiger kon het dus wel niet!”Ontroerd door alles, wat ik had gehoord, ging ik naar het huis van mijn oom. Nadat mijn moeder mij had omhelsd, zei ze, dat ik nog juist op tijd was gekomen, om mijn vader te zien sterven. Ze bracht mij in een kamer waar op een armoedig bed de ongelukkige man lag te sterven. Hoe nabij de dood ook was, was hij nog niet geheel buiten kennis. Mijn moeder zei: “Hier is Gil Blas, je zoon, die je vergiffenis vraagt voor het verdriet, dat hij je heeft aangedaan en om je zegen smeekt.” Bij die woorden opende mijn vader zijn oogen, hij vestigde die op mij en merkte aan mijn droefheid, dat ik zeer getroffen was door zijn verlies. Hij wilde spreken, maar had er de kracht niet toe. Ik nam een van zijn handen, mijn tranen beletten mij om een woord te spreken. Hij zuchtte, ’t was of hij mijn aankomst had afgewacht om den laatsten adem uit te blazen.Mijn moeder was te veel voorbereid op zijn dood, om nu een hevig verdriet te gevoelen. Ik was er misschien meer van onder den indruk dan zij, hoewel mijn vader mij zijn leven lang geen enkel bewijs van vriendschap had gegeven. Ik was niet alleen bedroefd omdat ik mijn vader had verloren, maar ook omdat ik aan mijn hardheid moest denken. Een monster van ondankbaarheid vond ik mijzelf, of liever een vadermoordenaar.Ook bij het zien van mijn oom, deed ik mijzelf heftige verwijten. Alle verplichtingen, die ik aan hem had, kwamen mij nu voor den geest. “Indien ge,” zei ik tot mijzelf, “hun maar een klein gedeelte van den overvloed hadt gegeven, die gij hebt gehad, dan zouden zij een gelukkigleven hebben geleid en je vader was dan misschien niet dood.”De ongelukkige Gil Perez was kindsch geworden. Of mijn moeder hem al zei, dat ik zijn neef Gil Blas was, hij lachte slechts met een onnoozel gezicht en gaf geen antwoord. Ondertusschen bewaarde Scipio een somber stilzwijgen, zuchtte met mij mee en vermengde uit vriendschap zijn tranen met de mijne.Mijn moeder en ik deden elkaar daarna een getrouw verslag van hetgeen er gebeurd was nadat ik uit Oviédo was gegaan. Met alle respect voor de nagedachtenis van mijn moeder, was ze nog al wijdloopig in haar verhalen en zou mij driekwart van haar verhaal hebben kunnen besparen, indien ze allerlei onnutte kleinigheden had terzijde gelaten.Toen zij aan het eind van hare geschiedenis was gekomen, begon ik de mijne. Slechts in het kort vertelde ik haar van al mijn avonturen, maar bij het bezoek van den zoon van Bertrand Muscada, den kruidenier uit Oviédo, bij mij te Madrid, stond ik langen tijd stil. “Ik moet u bekennen,” zei ik, “dat ik dien slecht heb ontvangen en om zich te wreken zal hij zeker wel niet veel goeds van mij hebben gezegd.”“Hij vond je,” antwoordde zij, “zoo trotsch geworden, omdat je de gunsteling van den eersten minister was, dat je hem niet wilde herkennen en het liet je geheel koud, toen hij van onze armoede vertelde. Maar daar ouders altijd het beste van hunne kinderen gelooven, dachten wij, dat hij overdreef. En je komst te Oviédo toont nu, dat we gelijk hebben gehad.”“U denkt te gunstig over mij,” zei ik. “Wat de jonge Muscada heeft gezegd, is waar. Toen hij bij mij kwam, dacht ik aan niets anders dan aan mijn fortuin, de eerzucht belette mij om mij bezig te houden met het lot van mijn familie. Daar kwam bij, dat hij mij al dadelijk tegen zich innam, door mij te zeggen, dat hij gehoord had, dat ik zoo rijk was als een jood. Daarbij wilde hij mij opbrutalen toon voorschrijven, wat ik te doen had. Maar nadat ik hem weggestuurd had, voelde ik toch wel berouw over mijn gedrag tegenover u. Toen ik later in den toren van Ségovië was opgesloten, werd ik gevaarlijk ziek en die gelukkige ziekte is het geweest, die u uw zoon heeft teruggegeven. De natuur hernam haar rechten en ik werd geheel losgemaakt van het hof. Ik ben teruggekomen van dat rumoerige leven en verlang nu alleen naar de eenzaamheid en ik ben nu hier om u te vragen, of ge met mij mee wilt gaan naar een landgoed bij Valencia, dat mij toebehoort en waar wij kalm zullen leven. U begrijpt wel, dat ik ook vader had willen voorstellen, om ons te vergezellen, indien de hemel het niet anders had gewild.”“Ik ben je zeer dankbaar voor dit aanbod en ik zou zeker niet aarzelen, wanneer ik mijn broer niet alleen moest laten; ook ben ik aan het land hier gehecht. Maar wij kunnen er nog eens over denken, onze eerste zorg moet nu zijn voor de begrafenis van je vader.”Juist kwam Scipio binnen, want het was reeds dag geworden en hij wilde vragen, of hij ons ook van dienst kon zijn. Ik vroeg hem, of hij zich belasten wilde met de zorg voor de begrafenis en hij verklaarde zich daar gaarne toe bereid. “Maar denk er aan,” zei mijn moeder tot mijn vriend, “dat het niet te mooi moet zijn; de heele stad heeft hem altijd als een eenvoudig en arm man gekend.”Scipio antwoordde: “Mevrouw, al was hij nog armer geweest, daarom zou ik geen twee cent besparen. Ik denk hierbij slechts aan mijn meester. Mijn meester is de gunsteling geweest van den hertog de Lerme, dus moet zijn vader op plechtige wijze worden begraven.”Ik keurde het plan van mijn secretaris goed en verzocht hem zelfs, geen geld te sparen. Een rest van ijdelheid, die nog in mij was, ontwaakte bij deze gelegenheid. Ik meende, dat wanneer ik geen kosten spaarde voor de begrafenis van een vader, die mij niets had nagelaten, ikzekere bewondering voor mijn mildheid zou opwekken. En mijn moeder, hoe nederig zij ook was, vond het toch niet kwaad, dat mijn vader met luister werd ter aarde besteld.Scipio was maar al te goed geslaagd. Alle inwoners van Oviédo, van groot tot klein, namen aanstoot aan dit prachtvertoon en men maakte allerlei opmerkingen, die minder eervol voor mij waren. De een zei: “Hij heeft wel geld, om zijn vader te begraven, maar had het niet om hem te eten te geven.” “Het zou beter zijn,” merkte een ander op, “als hij zijn vader bij diens leven wat meer genoegen had gedaan, dan hem nu zoo deftig te begraven.” Scipio, Bertrand en ik werden zelfs op straat nageroepen, toen wij uit de kerk kwamen, ja, men ontzag zich niet ons met steenen en modder te gooien. Mijn moeder moest zich vertoonen en openlijk verklaren, dat zij tevreden over mij was, om de menigte uiteen te doen gaan, die zich voor het huis van mijn oom verzameld had. Al die beleedigingen waren hoofdzakelijk een gevolg van de praatjes, die de jonge kruidenier in de stad over mij had rondgestrooid. Ik kreeg daardoor zoo’n tegenzin in een langer verblijf in Oviédo, dat ik spoedig besloot om te vertrekken. Daar mijn moeder bij mijn oom wilde blijven, die het echter niet lang meer zou maken, vroeg ik haar, bij mij te komen wonen, als hij er niet meer zou zijn.“Ik kan die belofte niet geven,” antwoordde mijn moeder, “want ik zou haar niet houden. De rest van mijn dagen wil ik hier in Asturië doorbrengen in volkomen onafhankelijkheid.”“Maar zult ge in mijn huis dan niet onbeperkt meesteres zijn?” vroeg ik.“Je hebt maar verliefd te worden op een of ander meisje en haar te trouwen, dan is zij de schoondochter en ik ben de schoonmoeder en dat gaat niet samen.”Hoewel ik haar betoogde, dat ik in het geheel niet aan trouwen dacht, en zelfs, als ik het deed, dat ik dan mijn vrouw wel zou dwingen haar te gehoorzamen, kon ik haarniet overreden en dus besloten wij, dat ze in haar huis zou blijven en dat ze jaarlijks een toelage van honderd pistolen van mij zou ontvangen.Wij vertrokken uit Oviédo voor het aanbreken van den dag, uit vrees last te zullen krijgen van het volk. Zoo was de ontvangst, die men mij bereidde in mijn vaderstad. Schoone les voor mannen uit het gewone volk, die buiten hun land rijk zijn geworden en daar terugkeeren, om te toonen, dat ze menschen van gewicht zijn geworden! Hoe meer zij door rijkdommen willen schitteren, des te meer zullen zij worden gehaat.
Van Valladolid reisden wij in vier dagen naarOviédo, zonder onderweg slechte ontmoetingen te hebben gehad, niettegenstaande er gezegd wordt, dat de dieven van verre het geld van de reizigers ruiken. Ze hadden anders gemakkelijk hun slag kunnen slaan; want ik had aan het hof geen dapperheid geleerd en mijn ezeldrijver scheen me niet iemand, die zich zou laten dooden om de beurs van zijn meester te verdedigen. Alleen Scipio had iets van een vechtersbaas.
Het was nacht toen wij in de stad aankwamen. Wij gingen in een logement, dicht naast het huis van mijn oom Gil Perez. Voor ik naar mijn ouders ging, wilde ik naar hen informeeren en ik wist niet beter te doen, dan mij daarvoor te wenden tot den waard en zijn vrouw, die wel alles van hunne buren zouden afweten. Na mij goed te hebben aangekeken riep de herbergier uit: “Bij den heiligen Antonius van Padua! Dat is de zoon van onzen goeden Blas de Santillano!”
“Ja waarlijk,” bevestigde de vrouw, “hij is het, ik herken hem zeer goed, hij is bijna niet veranderd. ’t Is, of ik hem nog zie zooals hij hier ’s avonds met een flesch kwam, om wijn voor het souper van zijn oom te halen.”
“Ge hebt een goed geheugen,” zei ik, “maar wees zoo goed en vertel mij iets van mijn familie. Mijn vader en moeder hebben het zeker niet te best!”
“Dat hebben ze zeker niet,” antwoordde de vrouw,“ze konden er moeilijk slechter aan toe zijn. De goede Gil Perez is door een beroerte aan de eene helft van zijn lichaam verlamd en zal waarschijnlijk niet lang meer leven; uw vader, die sedert korten tijd bij hem woont, heeft een longontsteking of liever gezegd hij bevindt zich tusschen leven en dood en uw moeder, wie het ook al niet te best gaat, past hen beiden op. Ongelukkiger kon het dus wel niet!”
Ontroerd door alles, wat ik had gehoord, ging ik naar het huis van mijn oom. Nadat mijn moeder mij had omhelsd, zei ze, dat ik nog juist op tijd was gekomen, om mijn vader te zien sterven. Ze bracht mij in een kamer waar op een armoedig bed de ongelukkige man lag te sterven. Hoe nabij de dood ook was, was hij nog niet geheel buiten kennis. Mijn moeder zei: “Hier is Gil Blas, je zoon, die je vergiffenis vraagt voor het verdriet, dat hij je heeft aangedaan en om je zegen smeekt.” Bij die woorden opende mijn vader zijn oogen, hij vestigde die op mij en merkte aan mijn droefheid, dat ik zeer getroffen was door zijn verlies. Hij wilde spreken, maar had er de kracht niet toe. Ik nam een van zijn handen, mijn tranen beletten mij om een woord te spreken. Hij zuchtte, ’t was of hij mijn aankomst had afgewacht om den laatsten adem uit te blazen.
Mijn moeder was te veel voorbereid op zijn dood, om nu een hevig verdriet te gevoelen. Ik was er misschien meer van onder den indruk dan zij, hoewel mijn vader mij zijn leven lang geen enkel bewijs van vriendschap had gegeven. Ik was niet alleen bedroefd omdat ik mijn vader had verloren, maar ook omdat ik aan mijn hardheid moest denken. Een monster van ondankbaarheid vond ik mijzelf, of liever een vadermoordenaar.
Ook bij het zien van mijn oom, deed ik mijzelf heftige verwijten. Alle verplichtingen, die ik aan hem had, kwamen mij nu voor den geest. “Indien ge,” zei ik tot mijzelf, “hun maar een klein gedeelte van den overvloed hadt gegeven, die gij hebt gehad, dan zouden zij een gelukkigleven hebben geleid en je vader was dan misschien niet dood.”
De ongelukkige Gil Perez was kindsch geworden. Of mijn moeder hem al zei, dat ik zijn neef Gil Blas was, hij lachte slechts met een onnoozel gezicht en gaf geen antwoord. Ondertusschen bewaarde Scipio een somber stilzwijgen, zuchtte met mij mee en vermengde uit vriendschap zijn tranen met de mijne.
Mijn moeder en ik deden elkaar daarna een getrouw verslag van hetgeen er gebeurd was nadat ik uit Oviédo was gegaan. Met alle respect voor de nagedachtenis van mijn moeder, was ze nog al wijdloopig in haar verhalen en zou mij driekwart van haar verhaal hebben kunnen besparen, indien ze allerlei onnutte kleinigheden had terzijde gelaten.
Toen zij aan het eind van hare geschiedenis was gekomen, begon ik de mijne. Slechts in het kort vertelde ik haar van al mijn avonturen, maar bij het bezoek van den zoon van Bertrand Muscada, den kruidenier uit Oviédo, bij mij te Madrid, stond ik langen tijd stil. “Ik moet u bekennen,” zei ik, “dat ik dien slecht heb ontvangen en om zich te wreken zal hij zeker wel niet veel goeds van mij hebben gezegd.”
“Hij vond je,” antwoordde zij, “zoo trotsch geworden, omdat je de gunsteling van den eersten minister was, dat je hem niet wilde herkennen en het liet je geheel koud, toen hij van onze armoede vertelde. Maar daar ouders altijd het beste van hunne kinderen gelooven, dachten wij, dat hij overdreef. En je komst te Oviédo toont nu, dat we gelijk hebben gehad.”
“U denkt te gunstig over mij,” zei ik. “Wat de jonge Muscada heeft gezegd, is waar. Toen hij bij mij kwam, dacht ik aan niets anders dan aan mijn fortuin, de eerzucht belette mij om mij bezig te houden met het lot van mijn familie. Daar kwam bij, dat hij mij al dadelijk tegen zich innam, door mij te zeggen, dat hij gehoord had, dat ik zoo rijk was als een jood. Daarbij wilde hij mij opbrutalen toon voorschrijven, wat ik te doen had. Maar nadat ik hem weggestuurd had, voelde ik toch wel berouw over mijn gedrag tegenover u. Toen ik later in den toren van Ségovië was opgesloten, werd ik gevaarlijk ziek en die gelukkige ziekte is het geweest, die u uw zoon heeft teruggegeven. De natuur hernam haar rechten en ik werd geheel losgemaakt van het hof. Ik ben teruggekomen van dat rumoerige leven en verlang nu alleen naar de eenzaamheid en ik ben nu hier om u te vragen, of ge met mij mee wilt gaan naar een landgoed bij Valencia, dat mij toebehoort en waar wij kalm zullen leven. U begrijpt wel, dat ik ook vader had willen voorstellen, om ons te vergezellen, indien de hemel het niet anders had gewild.”
“Ik ben je zeer dankbaar voor dit aanbod en ik zou zeker niet aarzelen, wanneer ik mijn broer niet alleen moest laten; ook ben ik aan het land hier gehecht. Maar wij kunnen er nog eens over denken, onze eerste zorg moet nu zijn voor de begrafenis van je vader.”
Juist kwam Scipio binnen, want het was reeds dag geworden en hij wilde vragen, of hij ons ook van dienst kon zijn. Ik vroeg hem, of hij zich belasten wilde met de zorg voor de begrafenis en hij verklaarde zich daar gaarne toe bereid. “Maar denk er aan,” zei mijn moeder tot mijn vriend, “dat het niet te mooi moet zijn; de heele stad heeft hem altijd als een eenvoudig en arm man gekend.”
Scipio antwoordde: “Mevrouw, al was hij nog armer geweest, daarom zou ik geen twee cent besparen. Ik denk hierbij slechts aan mijn meester. Mijn meester is de gunsteling geweest van den hertog de Lerme, dus moet zijn vader op plechtige wijze worden begraven.”
Ik keurde het plan van mijn secretaris goed en verzocht hem zelfs, geen geld te sparen. Een rest van ijdelheid, die nog in mij was, ontwaakte bij deze gelegenheid. Ik meende, dat wanneer ik geen kosten spaarde voor de begrafenis van een vader, die mij niets had nagelaten, ikzekere bewondering voor mijn mildheid zou opwekken. En mijn moeder, hoe nederig zij ook was, vond het toch niet kwaad, dat mijn vader met luister werd ter aarde besteld.
Scipio was maar al te goed geslaagd. Alle inwoners van Oviédo, van groot tot klein, namen aanstoot aan dit prachtvertoon en men maakte allerlei opmerkingen, die minder eervol voor mij waren. De een zei: “Hij heeft wel geld, om zijn vader te begraven, maar had het niet om hem te eten te geven.” “Het zou beter zijn,” merkte een ander op, “als hij zijn vader bij diens leven wat meer genoegen had gedaan, dan hem nu zoo deftig te begraven.” Scipio, Bertrand en ik werden zelfs op straat nageroepen, toen wij uit de kerk kwamen, ja, men ontzag zich niet ons met steenen en modder te gooien. Mijn moeder moest zich vertoonen en openlijk verklaren, dat zij tevreden over mij was, om de menigte uiteen te doen gaan, die zich voor het huis van mijn oom verzameld had. Al die beleedigingen waren hoofdzakelijk een gevolg van de praatjes, die de jonge kruidenier in de stad over mij had rondgestrooid. Ik kreeg daardoor zoo’n tegenzin in een langer verblijf in Oviédo, dat ik spoedig besloot om te vertrekken. Daar mijn moeder bij mijn oom wilde blijven, die het echter niet lang meer zou maken, vroeg ik haar, bij mij te komen wonen, als hij er niet meer zou zijn.
“Ik kan die belofte niet geven,” antwoordde mijn moeder, “want ik zou haar niet houden. De rest van mijn dagen wil ik hier in Asturië doorbrengen in volkomen onafhankelijkheid.”
“Maar zult ge in mijn huis dan niet onbeperkt meesteres zijn?” vroeg ik.
“Je hebt maar verliefd te worden op een of ander meisje en haar te trouwen, dan is zij de schoondochter en ik ben de schoonmoeder en dat gaat niet samen.”
Hoewel ik haar betoogde, dat ik in het geheel niet aan trouwen dacht, en zelfs, als ik het deed, dat ik dan mijn vrouw wel zou dwingen haar te gehoorzamen, kon ik haarniet overreden en dus besloten wij, dat ze in haar huis zou blijven en dat ze jaarlijks een toelage van honderd pistolen van mij zou ontvangen.
Wij vertrokken uit Oviédo voor het aanbreken van den dag, uit vrees last te zullen krijgen van het volk. Zoo was de ontvangst, die men mij bereidde in mijn vaderstad. Schoone les voor mannen uit het gewone volk, die buiten hun land rijk zijn geworden en daar terugkeeren, om te toonen, dat ze menschen van gewicht zijn geworden! Hoe meer zij door rijkdommen willen schitteren, des te meer zullen zij worden gehaat.
Hoofdstuk IIIGil Blas gaat op weg naar het koninkrijk Valencia en komt eindelijk te Lirias aan. Beschrijving van het kasteel. Hoe hij er werd ontvangen en welke menschen hij er vond.Wij sloegen den weg in naar Léon, vervolgens dien naar Palencia en kwamen na tien dagen te Sévorbe, vanwaar wij ons den volgenden morgen naar mijn landgoed begaven, dat niet meer dan drie mijlen ver was. Naarmate wij het naderden, zag ik met genoegen dat Scipio alle kasteelen, die wij onderweg passeerden, nauwkeurig opnam en, als ze hem bevielen, telkens zei: “Ik zou wel willen, dat ons huis er zóó uitzag.”“Ik weet niet, mijn vriend,” zei ik, “welk een voorstelling je hebt van onze woning, maar wanneer je denkt, dat het een prachtig huis is, dan kom je bedrogen uit.”Toen wij er aankwamen, viel het hem intusschen zeer mee. Wij gingen een zaal binnen en daar kwamen zeven of acht bedienden ons hun compliment maken. Ze waren door don Cesar en don Alphonse de Leyva aangesteld om mij te bedienen, als kok, portier, tuinknecht en lakeien, met verbod van mij eenig geld aan te memen; die twee heeren droegen alle kosten van mijn huishouden. De kok, genaamd meester Joachim, was het hoofd van de bedienden. Hij voerde het woord en zei o.a., dat hij een grooten voorraad verschillende wijnen had liggen en dat hij na zes jaren kok te zijn geweest bij den aartsbisschop van Valencia, mij naar mijn smaak zou kunnen bedienen. Vervolgens leidde hij ons het geheele huis rond, om te zien of de inrichting mij beviel. Overal had ik gelegenheidom de goedheid van don Cesar en zijn zoon voor mij te bewonderen.Na alles met oplettendheid te hebben bekeken, gingen wij in de zaal terug, waar een tafel met twee couverts klaar stond. Al spoedig bevonden wij, dat er aanleiding bestond om den aartsbisschop van Valencia te beklagen over het verlies van zulk een kok. Bij iederen hap, dien we in onzen mond staken boden mijn nieuwe lakeien groote glazen wijn van een uitstekend merk aan. Scipio was er verrukt over maar, daar hij in hun bijzijn dat niet wilde laten merken, wierp hij mij welsprekende blikken toe, die ik op dezelfde manier beantwoordde.Toen we als uitgehongerden hadden gegeten en naar verhouding gedronken, stonden we op om den tuin te zien.Was Scipio al zeer tevreden geweest over het huis, hij was het nog meer over den tuin, welke hij vergeleek met dien van het Escuriaal. Het is waar, dat don César die nog al dikwijls in Lirias kwam, er genoegen in had gevonden, om de omgeving van het landhuis te verfraaien.Na een goed diner verraste de slaap ons weldra, nadat we waren gaan zitten in de schaduw van een olm.We hadden bijna twee uren geslapen, toen wij wakker werden door geweerschoten, die zoo dicht in onze nabijheid waren, dat wij ervan schrikten. Wij sprongen op om te gaan informeeren wat dit te beteekenen had en vonden bij het huis acht of negen boeren, allen inwoners van het gehucht, die door hun schoten mijn aankomst hadden willen vieren. Zoodra ze mij zagen, riepen zij: “Leve onze nieuwe heer! Welkom te Lirias!” De meesten hunner kenden mij nog uit den tijd, dat ik intendant was geweest. Ik ontving hen vriendelijk maar bleef ernstig, om te voorkomen, dat zij te familiair met mij zouden worden. Ik verzekerde hun mijn protectie en gaf hun zelfs een twintigtal pistolen, wat ze wel niet het minst aangename zullen hebben gevonden.Nadat Scipio en ik nog een wandeling hadden gemaakt in de bosschen, vonden wij een heerlijk souper, waarbij ons de fijnste flesschen werden geschonken.Toen wij voelden, dat we niet meer drinken konden, namen de lakeien toortsen en brachten mij naar de mooiste kamer waar ze zich beijverden om mij te helpen uitkleeden. Maar toen ze mij mijn slaapmuts en kamerjapon hadden gegeven zond ik ze weg om nog wat met Scipio te praten.“Welnu, mijn vriend,” vroeg ik hem voor wij gingen slapen, “wat zeg je van de behandeling, die ik van de heeren de Leyva ondervind?”“Ik geloof niet,” zei hij, “dat die beter zou kunnen zijn. Alleen hoop ik maar, dat ze van langen duur wezen zal.”“Dat hoop ik niet,” antwoordde ik, “het gaat niet aan, dat mijn weldoeners zulke groote uitgaven voor mij doen. Het zou misbruik maken zijn van hunne edelmoedige mildheid, indien ik dat langer toeliet. Overigens kan ik er mij niet aan gewennen zooveel knechts te hebben, die door anderen betaald worden. Ik zou me hier nooit thuis gevoelen! Wat een dwaasheid trouwens, zoo’n groot personeel! Als wij met Bertrand den kok, een jongen en één lakei hebben, dan is dat voldoende.”Hoewel het mijn secretaris ongetwijfeld wel aanstond om op zulk een wijze te blijven voortleven op kosten van den gouverneur van Valencia, bestreed hij mijn kieschheid op dit punt niet en keurde mijn plan goed.
Wij sloegen den weg in naar Léon, vervolgens dien naar Palencia en kwamen na tien dagen te Sévorbe, vanwaar wij ons den volgenden morgen naar mijn landgoed begaven, dat niet meer dan drie mijlen ver was. Naarmate wij het naderden, zag ik met genoegen dat Scipio alle kasteelen, die wij onderweg passeerden, nauwkeurig opnam en, als ze hem bevielen, telkens zei: “Ik zou wel willen, dat ons huis er zóó uitzag.”
“Ik weet niet, mijn vriend,” zei ik, “welk een voorstelling je hebt van onze woning, maar wanneer je denkt, dat het een prachtig huis is, dan kom je bedrogen uit.”
Toen wij er aankwamen, viel het hem intusschen zeer mee. Wij gingen een zaal binnen en daar kwamen zeven of acht bedienden ons hun compliment maken. Ze waren door don Cesar en don Alphonse de Leyva aangesteld om mij te bedienen, als kok, portier, tuinknecht en lakeien, met verbod van mij eenig geld aan te memen; die twee heeren droegen alle kosten van mijn huishouden. De kok, genaamd meester Joachim, was het hoofd van de bedienden. Hij voerde het woord en zei o.a., dat hij een grooten voorraad verschillende wijnen had liggen en dat hij na zes jaren kok te zijn geweest bij den aartsbisschop van Valencia, mij naar mijn smaak zou kunnen bedienen. Vervolgens leidde hij ons het geheele huis rond, om te zien of de inrichting mij beviel. Overal had ik gelegenheidom de goedheid van don Cesar en zijn zoon voor mij te bewonderen.
Na alles met oplettendheid te hebben bekeken, gingen wij in de zaal terug, waar een tafel met twee couverts klaar stond. Al spoedig bevonden wij, dat er aanleiding bestond om den aartsbisschop van Valencia te beklagen over het verlies van zulk een kok. Bij iederen hap, dien we in onzen mond staken boden mijn nieuwe lakeien groote glazen wijn van een uitstekend merk aan. Scipio was er verrukt over maar, daar hij in hun bijzijn dat niet wilde laten merken, wierp hij mij welsprekende blikken toe, die ik op dezelfde manier beantwoordde.
Toen we als uitgehongerden hadden gegeten en naar verhouding gedronken, stonden we op om den tuin te zien.
Was Scipio al zeer tevreden geweest over het huis, hij was het nog meer over den tuin, welke hij vergeleek met dien van het Escuriaal. Het is waar, dat don César die nog al dikwijls in Lirias kwam, er genoegen in had gevonden, om de omgeving van het landhuis te verfraaien.
Na een goed diner verraste de slaap ons weldra, nadat we waren gaan zitten in de schaduw van een olm.
We hadden bijna twee uren geslapen, toen wij wakker werden door geweerschoten, die zoo dicht in onze nabijheid waren, dat wij ervan schrikten. Wij sprongen op om te gaan informeeren wat dit te beteekenen had en vonden bij het huis acht of negen boeren, allen inwoners van het gehucht, die door hun schoten mijn aankomst hadden willen vieren. Zoodra ze mij zagen, riepen zij: “Leve onze nieuwe heer! Welkom te Lirias!” De meesten hunner kenden mij nog uit den tijd, dat ik intendant was geweest. Ik ontving hen vriendelijk maar bleef ernstig, om te voorkomen, dat zij te familiair met mij zouden worden. Ik verzekerde hun mijn protectie en gaf hun zelfs een twintigtal pistolen, wat ze wel niet het minst aangename zullen hebben gevonden.
Nadat Scipio en ik nog een wandeling hadden gemaakt in de bosschen, vonden wij een heerlijk souper, waarbij ons de fijnste flesschen werden geschonken.
Toen wij voelden, dat we niet meer drinken konden, namen de lakeien toortsen en brachten mij naar de mooiste kamer waar ze zich beijverden om mij te helpen uitkleeden. Maar toen ze mij mijn slaapmuts en kamerjapon hadden gegeven zond ik ze weg om nog wat met Scipio te praten.
“Welnu, mijn vriend,” vroeg ik hem voor wij gingen slapen, “wat zeg je van de behandeling, die ik van de heeren de Leyva ondervind?”
“Ik geloof niet,” zei hij, “dat die beter zou kunnen zijn. Alleen hoop ik maar, dat ze van langen duur wezen zal.”
“Dat hoop ik niet,” antwoordde ik, “het gaat niet aan, dat mijn weldoeners zulke groote uitgaven voor mij doen. Het zou misbruik maken zijn van hunne edelmoedige mildheid, indien ik dat langer toeliet. Overigens kan ik er mij niet aan gewennen zooveel knechts te hebben, die door anderen betaald worden. Ik zou me hier nooit thuis gevoelen! Wat een dwaasheid trouwens, zoo’n groot personeel! Als wij met Bertrand den kok, een jongen en één lakei hebben, dan is dat voldoende.”
Hoewel het mijn secretaris ongetwijfeld wel aanstond om op zulk een wijze te blijven voortleven op kosten van den gouverneur van Valencia, bestreed hij mijn kieschheid op dit punt niet en keurde mijn plan goed.
Hoofdstuk IVGil Blas vertrekt naar Valencia en gaat de heeren de Leyva bezoeken. Van het onderhoud, dat hij met hen had en van de goede ontvangst bij Séraphine.Toen ik te bed lag, kon ik niet slapen. Ik dacht aan de heeren de Leyva en aan de nieuwe bewijzen, die ik ook dien dag weer van hun vriendschap had ontvangen en ik besloot hen den volgenden dag reeds te gaan bezoeken, om hen te bedanken. Ook dacht ik er met genoegen aan, Séraphine terug te zien. Maar dat genoegen was niet onvermengd, want ik moest denken aan LorencaSéphora, die zich natuurlijk ons avontuur nog wel zou herinneren en bij het zien van mij wel minder op haar gemak zou zijn. Toen mijn geest vermoeid was door al die denkbeelden en herinneringen, sliep ik eindelijk in en werd den volgenden morgen niet vroeg wakker.Ik kleedde mij haastig aan en deelde Scipio mee, dat ik naar Valencia ging, omdat ik behoefte gevoelde mij van den plicht der dankbaarheid spoedig te gaan kwijten door de heeren de Leyva te bezoeken. “Ge behoeft mij niet te vergezellen, mijn vriend, blijf zoolang hier, over acht dagen ben ik terug.” “Het schijnt mij,” zei Scipio, “dat die heeren zeer dankbaar zijn voor de hun bewezen diensten, dat is een karaktereigenschap, die men maar zelden bij voorname heeren vindt en dus mogen wij hen wel in eere houden.”Als naar gewoonte werd ik door don Cesar en zijn zoon zeer hartelijk ontvangen. “Wel mijn waarde Santillano,”zei don Alphonse na onze begroeting, “hebt ge al bezit genomen van uw landgoed?”“Ja mijnheer,” antwoordde ik, “en ik verzoek u zoo goed te willen zijn het weer te willen terugnemen.”“Waarom?” riep hij. “Is er iets wat u niet bevalt?”“Het verblijf zelf is verrukkelijk! Maar wat mij niet bevalt is, dat ik driemaal meer bedienden heb dan noodig zijn en dat u dit noodeloos op hooge kosten jaagt.”“Indien gij,” zei don César, “het geld had aangenomen, dat wij u te Madrid hebben aangeboden, dan zouden wij er ons toe bepaald hebben, het kasteel te geven zooals het was, maar nadat ge dit hebt geweigerd, hebben wij gemeend te moeten doen, zooals nu geschied is.”“Het is teveel,” antwoordde ik. “Uw goedheid moet er zich toe bepalen, mij alleen het landgoed te schenken. Dat is voor mij reeds het toppunt van mijn wenschen. Wil ik u zeggen, wat het geval is? Ik gevoel mij niet op mijn gemak en niet thuis met zulk een groot personeel. Nog eens dus: neem mijn goed terug of laat mij het inrichten zooals ik wil.”Vader en zoon zagen, dat het ernst was en daar zij niets anders wilden, dan mij genoegen doen, kreeg ik hunne toestemming om alles maar in te richten, zooals ik zelf wilde.Ik wilde hen bedanken, maar don Alphonse viel mij in de rede, door te zeggen, dat hij mij bij een dame wilde brengen, die zeer verheugd zou zijn mij te zien. Hij bracht mij daarop in de kamer van Séraphine, die mij bij het binnenkomen met een uitroep van vreugde begroette. “Het doet mij zeer veel genoegen u weer te ontmoeten, niet alleen omdat ik nooit vergeten zal, dat ge indertijd hebt medegeholpen om mij te bevrijden, maar ook omdat ge na dien tijd aan don Alphonse zulk een gewichtigen dienst hebt bewezen.”’s Middags bleef ik in het paleis van den gouverneur dineeren in het gezelschap van verscheidene voorname heeren, die zeer beleefd tegen mij waren, toen don Césarverteld had, dat ik secretaris van den Hertog de Lerme was geweest. Aan tafel sprak men uitsluitend over den nieuwen Cardinaal en toen ik me niet liet verleiden hen ten zijnen koste te vermaken, gaf deze kleine zelfoverwinning mij den naam van zeer discreet te zijn. Toen ik mij daarna gereedmaakte, om een wandeling te maken door de stad, had ik toevallig een gesprek met den kamerdienaar van don César, die mij nog kende uit den tijd, dat ik intendant was. Ik vroeg hem, wat er toch wel van LorencaSéphorawas geworden, die ik niet meer had gezien. Hij vertelde mij, dat ze al eenigen tijd geleden was gestorven, tengevolge van het ongemak, waaraan ze leed en dat ze zeer was betreurd geworden door haar meesteres, meer dan door don Alphonse, die niet sterk getroffen was door haar dood.Terwijl ik daarna door de stad wandelde, zag ik hier en daar aanplakbiljetten, waarop werd aangekondigd, dat dien avond voor de eerstemaalzou worden opgevoerd een nieuw treurspel van don Gabriel Triaquero.
Toen ik te bed lag, kon ik niet slapen. Ik dacht aan de heeren de Leyva en aan de nieuwe bewijzen, die ik ook dien dag weer van hun vriendschap had ontvangen en ik besloot hen den volgenden dag reeds te gaan bezoeken, om hen te bedanken. Ook dacht ik er met genoegen aan, Séraphine terug te zien. Maar dat genoegen was niet onvermengd, want ik moest denken aan LorencaSéphora, die zich natuurlijk ons avontuur nog wel zou herinneren en bij het zien van mij wel minder op haar gemak zou zijn. Toen mijn geest vermoeid was door al die denkbeelden en herinneringen, sliep ik eindelijk in en werd den volgenden morgen niet vroeg wakker.
Ik kleedde mij haastig aan en deelde Scipio mee, dat ik naar Valencia ging, omdat ik behoefte gevoelde mij van den plicht der dankbaarheid spoedig te gaan kwijten door de heeren de Leyva te bezoeken. “Ge behoeft mij niet te vergezellen, mijn vriend, blijf zoolang hier, over acht dagen ben ik terug.” “Het schijnt mij,” zei Scipio, “dat die heeren zeer dankbaar zijn voor de hun bewezen diensten, dat is een karaktereigenschap, die men maar zelden bij voorname heeren vindt en dus mogen wij hen wel in eere houden.”
Als naar gewoonte werd ik door don Cesar en zijn zoon zeer hartelijk ontvangen. “Wel mijn waarde Santillano,”zei don Alphonse na onze begroeting, “hebt ge al bezit genomen van uw landgoed?”
“Ja mijnheer,” antwoordde ik, “en ik verzoek u zoo goed te willen zijn het weer te willen terugnemen.”
“Waarom?” riep hij. “Is er iets wat u niet bevalt?”
“Het verblijf zelf is verrukkelijk! Maar wat mij niet bevalt is, dat ik driemaal meer bedienden heb dan noodig zijn en dat u dit noodeloos op hooge kosten jaagt.”
“Indien gij,” zei don César, “het geld had aangenomen, dat wij u te Madrid hebben aangeboden, dan zouden wij er ons toe bepaald hebben, het kasteel te geven zooals het was, maar nadat ge dit hebt geweigerd, hebben wij gemeend te moeten doen, zooals nu geschied is.”
“Het is teveel,” antwoordde ik. “Uw goedheid moet er zich toe bepalen, mij alleen het landgoed te schenken. Dat is voor mij reeds het toppunt van mijn wenschen. Wil ik u zeggen, wat het geval is? Ik gevoel mij niet op mijn gemak en niet thuis met zulk een groot personeel. Nog eens dus: neem mijn goed terug of laat mij het inrichten zooals ik wil.”
Vader en zoon zagen, dat het ernst was en daar zij niets anders wilden, dan mij genoegen doen, kreeg ik hunne toestemming om alles maar in te richten, zooals ik zelf wilde.
Ik wilde hen bedanken, maar don Alphonse viel mij in de rede, door te zeggen, dat hij mij bij een dame wilde brengen, die zeer verheugd zou zijn mij te zien. Hij bracht mij daarop in de kamer van Séraphine, die mij bij het binnenkomen met een uitroep van vreugde begroette. “Het doet mij zeer veel genoegen u weer te ontmoeten, niet alleen omdat ik nooit vergeten zal, dat ge indertijd hebt medegeholpen om mij te bevrijden, maar ook omdat ge na dien tijd aan don Alphonse zulk een gewichtigen dienst hebt bewezen.”
’s Middags bleef ik in het paleis van den gouverneur dineeren in het gezelschap van verscheidene voorname heeren, die zeer beleefd tegen mij waren, toen don Césarverteld had, dat ik secretaris van den Hertog de Lerme was geweest. Aan tafel sprak men uitsluitend over den nieuwen Cardinaal en toen ik me niet liet verleiden hen ten zijnen koste te vermaken, gaf deze kleine zelfoverwinning mij den naam van zeer discreet te zijn. Toen ik mij daarna gereedmaakte, om een wandeling te maken door de stad, had ik toevallig een gesprek met den kamerdienaar van don César, die mij nog kende uit den tijd, dat ik intendant was. Ik vroeg hem, wat er toch wel van LorencaSéphorawas geworden, die ik niet meer had gezien. Hij vertelde mij, dat ze al eenigen tijd geleden was gestorven, tengevolge van het ongemak, waaraan ze leed en dat ze zeer was betreurd geworden door haar meesteres, meer dan door don Alphonse, die niet sterk getroffen was door haar dood.
Terwijl ik daarna door de stad wandelde, zag ik hier en daar aanplakbiljetten, waarop werd aangekondigd, dat dien avond voor de eerstemaalzou worden opgevoerd een nieuw treurspel van don Gabriel Triaquero.
Hoofdstuk VGil Blas gaat naar de comedie, waar hij een nieuw treurspel ziet. Succes van het stuk. Genie van het publiek van Valencia.Toen ik aan den schouwburg kwam, bleef ik eenige oogenblikken aan de deur staan om de personen te zien, die er binnentraden. Ik zag heeren met een goed uiterlijk en rijk gekleed en ook armoedige figuren. Ik merkte deftige dames op, die uit hare koetsen stegen en avonturiersters, die slachtoffers gingen maken. Die verscheidenheid van toeschouwers wekte bij mij den lust op om hun aantal te gaan vermeerderen. Toen ik mij gereed maakte om een biljet te nemen, kwamen juist de gouverneur en zijn vrouw binnen. Zij lieten mij roepen en ik moest in hunne loge plaats nemen.De schouwburg was geheel vol. “Wat een talrijke opkomst!” zei ik tegen don Alphonso.“Dat behoeft u niet te verwonderen,” antwoordde hij, “het treurspel, dat men zal geven, is een werk van don Gabriel Triaquero, een dichter, die in de mode is. Zoodra het programma van den schouwburg een nieuw werk van dezen schrijver aankondigt, is de heele stad Valencia er vol van. De heeren en dames spreken over niets anders dan dit stuk. Alle loges zijn besproken en bij de eerste voorstelling dringt men elkaar bij de deur dood om binnen te komen.”“Die levendige belangstelling van het publiek en dat ongeduld, om een nieuw stuk van don Gabriel te hooren,” zei ik, “geven mij een hoog idee van het genie van dezen dichter.”“Niet zoo haastig, mijn vriend,” vermaande don Alphonse mij, “men moet oppassen tegen vooroordeelen. Het publiek is soms verblind.”Ons gesprek werd afgebroken omdat de acteurs op de planken verschenen. Ze werden levendig toegejuicht en aan het eind van iedere akte was er een applaus, een leven alsof men de zaal afbrak. Toen het stuk was afgeloopen, wees men mij den schrijver, die zich in enkele loges eenige oogenblikken ophield om bescheidenlijk zijn hoofd te laten kronen met lauweren. Wij keerden na afloop naar het paleis van den gouverneur terug, waar weldra drie of vier heeren aankwamen. Er verschenen ook twee oude schrijvers, zeer geëerd in hun genre en een edelman uit Madrid, bekend om zijn geest en goeden smaak. Zij waren allen in de comedie geweest en aan het souper kwam het stuk ter sprake.“Mijnheer,” zei een ridder van St. Jacques, “wat zegt gij van dit treurspel?”“Ik geloof niet, dat iemand er anders over denken kan,” zei een ridder uit Alcantera. “Dit stuk is vol tirades, die Apollo schijnt gedicteerd te hebben.” Hij wendde zich daarna tot den heer uit Madrid: “Mijnheer is kenner, ik wed, dat hij van mijn gevoelen is.”“Wed niet, mijnheer,” antwoordde de aangesprokene met een glimlach. “Ik ben niet uit dit land en wij in Madrid beslissen niet zoo snel. Wel verre van een stuk te beoordeelen, dat wij voor den eersten maal hooren, hebben wij een zeker wantrouwen in de schoonheden, zoolang we die niet anders kennen dan door den mond van de tooneelspelers. Wij schorten ons oordeel op, tot wij het gelezen hebben en waarlijk, een stuk op het papier geeft ons niet altijd hetzelfde genot als op de planken. Wij onderzoeken dus zorgvuldig, voor wij een stuk prijzen; de naam van den schrijver, hoe groot die ook zijn moge, kan ons niet verblinden. Toen zelfs Lopes de Vega en Calderon hunne nieuwe stukken gaven, vonden zij in hunne bewonderaars strenge rechters, die henniet hebben verheven op het toppunt van hun roem, dan na hen daartoe waardig te hebben geoordeeld.”“O!” viel de ridder van St. Jacques in de rede, “wij zijn niet zoo beschroomd als de heeren Castilianen. Wij wachten met het beslissen niet tot een stuk is gedrukt. Dadelijk na de eerste voorstelling, kennen wij de waarde ervan. Het is zelfs niet eens noodig, dat wij zeer oplettend toeluisteren. ’t Is voldoende te weten, dat het een stuk van don Gabriel is, om overtuigd te zijn, dat het zonder gebreken is. Toen die schrijver zijn werken begon, kon men zeggen, dat de goede smaak werd geboren. De Lopes en de Calderons waren slechts leerlingen in vergelijking met dezen grooten meester van het tooneel!”De edelman uit Madrid, die Lopes en Calderon beschouwde als de Sophocles en Euripides van de Spanjaarden, werd geprikkeld door deze stoute bewering en zei: “Omdat ge mij noodzaakt heeren, te oordeelen na een eerste voorstelling, moet ik u zeggen, dat ik volstrekt niet ingenomen ben met het nieuwe treurspel van uw don Gabriel. Verre van het te beschouwen als een meesterwerk, vind ik het zeer gebrekkig. ’t Is op effect berekend, driekwart van de verzen is slecht of rijmt niet. De karakters zijn niet juist geteekend en slecht volgehouden en de gedachten dikwijls zeer duister.”De twee schrijvers aan tafel, die door een even zeldzame als prijzenswaardige terughoudendheid niets hadden gezegd uit vrees van jaloezie te worden verdacht, konden niet nalaten met hunne blikken hunne instemming met die woorden te betuigen.Maar de andere heeren begonnen nu Gabriel nog meer te prijzen. Ze plaatsten hem onder de goden. Die blinde aanbidding deed den Castiliaan het geduld verliezen. Hij hief de handen ten hemel en riep in geestdrift uit: “O, goddelijke Lopes de Vega, zeldzaam en verheven genie, die zulk een enorme ruimte gelaten hebt tusschen u en Gabriel, diezouwillen trachten u te bereiken! en gij krachtige Calderon, wiens zachte élegantie, wiens heldendichtenonnavolgbaar zijn, vreest niet, dat uwe altaren zullen worden afgebroken door dezen nieuwen voedsterling der Muzen! Het zal gelukkig zijn, indien het nageslacht, dat vanuwwerken zal genieten gelijk wij het doen, vanhemnog hoort spreken!”Na deze onverwachte ontboezeming, die het geheele gezelschap deed lachen, stond men van tafel op en scheidde. Op last van don Alphonse werd mij een appartement aangewezen en ik sliep in, evenals die Castiliaansche edelman betreurende, dat de onwetenden geen recht lieten wedervaren aan Lopes en aan Calderon.
Toen ik aan den schouwburg kwam, bleef ik eenige oogenblikken aan de deur staan om de personen te zien, die er binnentraden. Ik zag heeren met een goed uiterlijk en rijk gekleed en ook armoedige figuren. Ik merkte deftige dames op, die uit hare koetsen stegen en avonturiersters, die slachtoffers gingen maken. Die verscheidenheid van toeschouwers wekte bij mij den lust op om hun aantal te gaan vermeerderen. Toen ik mij gereed maakte om een biljet te nemen, kwamen juist de gouverneur en zijn vrouw binnen. Zij lieten mij roepen en ik moest in hunne loge plaats nemen.
De schouwburg was geheel vol. “Wat een talrijke opkomst!” zei ik tegen don Alphonso.
“Dat behoeft u niet te verwonderen,” antwoordde hij, “het treurspel, dat men zal geven, is een werk van don Gabriel Triaquero, een dichter, die in de mode is. Zoodra het programma van den schouwburg een nieuw werk van dezen schrijver aankondigt, is de heele stad Valencia er vol van. De heeren en dames spreken over niets anders dan dit stuk. Alle loges zijn besproken en bij de eerste voorstelling dringt men elkaar bij de deur dood om binnen te komen.”
“Die levendige belangstelling van het publiek en dat ongeduld, om een nieuw stuk van don Gabriel te hooren,” zei ik, “geven mij een hoog idee van het genie van dezen dichter.”
“Niet zoo haastig, mijn vriend,” vermaande don Alphonse mij, “men moet oppassen tegen vooroordeelen. Het publiek is soms verblind.”
Ons gesprek werd afgebroken omdat de acteurs op de planken verschenen. Ze werden levendig toegejuicht en aan het eind van iedere akte was er een applaus, een leven alsof men de zaal afbrak. Toen het stuk was afgeloopen, wees men mij den schrijver, die zich in enkele loges eenige oogenblikken ophield om bescheidenlijk zijn hoofd te laten kronen met lauweren. Wij keerden na afloop naar het paleis van den gouverneur terug, waar weldra drie of vier heeren aankwamen. Er verschenen ook twee oude schrijvers, zeer geëerd in hun genre en een edelman uit Madrid, bekend om zijn geest en goeden smaak. Zij waren allen in de comedie geweest en aan het souper kwam het stuk ter sprake.
“Mijnheer,” zei een ridder van St. Jacques, “wat zegt gij van dit treurspel?”
“Ik geloof niet, dat iemand er anders over denken kan,” zei een ridder uit Alcantera. “Dit stuk is vol tirades, die Apollo schijnt gedicteerd te hebben.” Hij wendde zich daarna tot den heer uit Madrid: “Mijnheer is kenner, ik wed, dat hij van mijn gevoelen is.”
“Wed niet, mijnheer,” antwoordde de aangesprokene met een glimlach. “Ik ben niet uit dit land en wij in Madrid beslissen niet zoo snel. Wel verre van een stuk te beoordeelen, dat wij voor den eersten maal hooren, hebben wij een zeker wantrouwen in de schoonheden, zoolang we die niet anders kennen dan door den mond van de tooneelspelers. Wij schorten ons oordeel op, tot wij het gelezen hebben en waarlijk, een stuk op het papier geeft ons niet altijd hetzelfde genot als op de planken. Wij onderzoeken dus zorgvuldig, voor wij een stuk prijzen; de naam van den schrijver, hoe groot die ook zijn moge, kan ons niet verblinden. Toen zelfs Lopes de Vega en Calderon hunne nieuwe stukken gaven, vonden zij in hunne bewonderaars strenge rechters, die henniet hebben verheven op het toppunt van hun roem, dan na hen daartoe waardig te hebben geoordeeld.”
“O!” viel de ridder van St. Jacques in de rede, “wij zijn niet zoo beschroomd als de heeren Castilianen. Wij wachten met het beslissen niet tot een stuk is gedrukt. Dadelijk na de eerste voorstelling, kennen wij de waarde ervan. Het is zelfs niet eens noodig, dat wij zeer oplettend toeluisteren. ’t Is voldoende te weten, dat het een stuk van don Gabriel is, om overtuigd te zijn, dat het zonder gebreken is. Toen die schrijver zijn werken begon, kon men zeggen, dat de goede smaak werd geboren. De Lopes en de Calderons waren slechts leerlingen in vergelijking met dezen grooten meester van het tooneel!”
De edelman uit Madrid, die Lopes en Calderon beschouwde als de Sophocles en Euripides van de Spanjaarden, werd geprikkeld door deze stoute bewering en zei: “Omdat ge mij noodzaakt heeren, te oordeelen na een eerste voorstelling, moet ik u zeggen, dat ik volstrekt niet ingenomen ben met het nieuwe treurspel van uw don Gabriel. Verre van het te beschouwen als een meesterwerk, vind ik het zeer gebrekkig. ’t Is op effect berekend, driekwart van de verzen is slecht of rijmt niet. De karakters zijn niet juist geteekend en slecht volgehouden en de gedachten dikwijls zeer duister.”
De twee schrijvers aan tafel, die door een even zeldzame als prijzenswaardige terughoudendheid niets hadden gezegd uit vrees van jaloezie te worden verdacht, konden niet nalaten met hunne blikken hunne instemming met die woorden te betuigen.
Maar de andere heeren begonnen nu Gabriel nog meer te prijzen. Ze plaatsten hem onder de goden. Die blinde aanbidding deed den Castiliaan het geduld verliezen. Hij hief de handen ten hemel en riep in geestdrift uit: “O, goddelijke Lopes de Vega, zeldzaam en verheven genie, die zulk een enorme ruimte gelaten hebt tusschen u en Gabriel, diezouwillen trachten u te bereiken! en gij krachtige Calderon, wiens zachte élegantie, wiens heldendichtenonnavolgbaar zijn, vreest niet, dat uwe altaren zullen worden afgebroken door dezen nieuwen voedsterling der Muzen! Het zal gelukkig zijn, indien het nageslacht, dat vanuwwerken zal genieten gelijk wij het doen, vanhemnog hoort spreken!”
Na deze onverwachte ontboezeming, die het geheele gezelschap deed lachen, stond men van tafel op en scheidde. Op last van don Alphonse werd mij een appartement aangewezen en ik sliep in, evenals die Castiliaansche edelman betreurende, dat de onwetenden geen recht lieten wedervaren aan Lopes en aan Calderon.
Hoofdstuk VIGil Blas ontmoet, wandelende in de straten van Valencia, een monnik, dien hij meent te herkennen; welke man die monnik was.Daar ik den vorigen dag de geheele stad nog niet had kunnen zien, ging ik den volgenden morgen weer uit om te wandelen. Ik merkte in de straat een Karthuizer monnik, die met neergeslagen oogen liep en zulk een vroom uiterlijk had, dat hij de blikken van alle voorbijgangers trok. Hij ging dicht langs mij heen en ik meende in hem don Raphaël te zien, dien avonturier, die in de twee eerste deelen van mijn werk een zoo groote rol speelt.Ik was zoo verwonderd over die ontmoeting, dat ik, inplaats van den monnik aan te houden, eenige oogenblikken onbewegelijk bleef staan, wat hem gelegenheid gaf zich van mij te verwijderen. “Hemel!” zei ik bij mijzelf. “Heeft men wel ooit twee gezichten gezien, die zoo op elkaar gelijken? Wat moet ik daarvan denken? Moet ik gelooven, dat het donRaphaëlwas? Of was het verbeelding?”Ik was te nieuwsgierig naar de waarheid om het daarbij te laten. Ik liet mij dus aanwijzen, waar het klooster van de Karthuizer-monniken was en ging daar dadelijk heen, in de hoop mijn man weer te zien, wanneer hij er zou terugkeeren en besloot, hem aan te houden om hem te spreken. Ik behoefde niet lang te wachten om op de hoogte te worden gesteld; bij den ingang van het klooster deed een ander gezicht mijn twijfel in zekerheid overgaan; ik herkende in den broeder portier Ambrosius de Lamela, mijn ouden knecht. Men kan zich voorstellen, hoe groot mijn verwondering was.“Is het geen verbeelding? Is het werkelijk een van mijn vrienden, die ik zie?” vroeg ik.Hij herkende mij eerst niet, of liever hij veinsde mij niet te herkennen, wat waarschijnlijker was. Maar bemerkende, dat dit toch nutteloos was, nam hij plotseling het gezicht aan van iemand, die zich plotseling iets herinnert. “Ah! mijnheer Gil Blas,” riep hij, “neem mij niet kwalijk, dat ik u niet dadelijk herkende. Sedert ik in deze heilige plaats leef en de plichten vervul, door onze regels voorgeschreven, verloor ik het geheugen voor hetgeen ik in de wereld heb gezien.”“Het doet mij een groot genoegen,” zei ik, “u na tien jaar in zulk een eerwaardig kleed weer te zien.”“En ik,” antwoordde hij, “ik schaam mij daarin gekleed te verschijnen voor een man, die getuige is geweest van het schuldige leven, dat ik heb geleid. Dit kleed verwijt mij dat zonder ophouden. Helaas! om waardig te zijn het te dragen, had ik altijd in onschuld moeten leven.”“Het doet mij genoegen,” herhaalde ik, “u te zien en ik brand van verlangen om te vernemen op welke wonderbaarlijke wijze gij zoo op den goeden weg zijt gekomen, gij en don Raphaël, want ik ben er van overtuigd, dat hij het is geweest, dien ik in de stad heb ontmoet, gekleed als Karthuizer monnik. Het spijt mij, dat ik hem op straat niet heb aangehouden om met hem te spreken en ik ben hier gekomen om hem op te wachten en mijn fout te herstellen.”“Ge hebt u niet vergist,” zei Lamela, ”’t is don Raphaël zelf, die ge gezien hebt en wat onze geschiedenis betreft, ik zal u die mededeelen. Nadat wij bij Ségorbo van u gescheiden waren, sloegen don Raphaël en ik den weg in naar Valencia, met het doel er eenige beroepsbezigheden te verrichten. Het toeval wilde op zekeren dag, dat wij de Karthuizerkerk binnentraden, op het oogenblik, dat de monniken hunne vrome liederen zongen. Wij aanschouwden hen en gevoelden, dat de kwaden niet anders kunnen doen dan de deugd eeren. Wij bewonderden in die mannenden ijver, waarmee ze tot God baden en de rust, die op hun gelaat was te lezen.“Zoo vervielen wij in een gepeins, dat ons heilzaam werd; wij vergeleken ons zelf met deze vrome broeders en onze ziel werd met angst en onrust vervuld. Gevoelens, die ons tot nog toe onbekend geweest waren, bewogen ons en wij gevoelden misschien voor de eerste maal in ons leven berouw over ons gedrag. Don Raphaël zei tot mij: “Waarde Ambrosius, wij zijn twee verdwaalde schapen, die de Vader uit erbarmen wil opnemen. Hij roept ons. Laten wij niet doof zijn voor die stem. Laten wij den weg verlaten, die wij tot nu toe hebben bewandeld en van nu af ernstig gaan werken voor het heil van onze ziel. De rest van onze dagen moesten wij in dit klooster in boetedoening doorbrengen.”Ik juichte het plan van Raphaël toe en wij besloten Karthuizers te worden. Om dat plan te volvoeren, gingen wij naar den prior, die ons een cel gaf en een jaar lang volgden wij zoo trouw en standvastig de voorschriften, dat wij onder de novices werden opgenomen. Later werden wij monnik en don Raphaël, die begaafd is met een buitengewoon talent voor zaken, werd aangewezen tot hulp van een ouden vader, die toen administrateur was. Hij kweet zich zoo uitnemend van die taak, dat hij, hoewel hij zijn tijd liever uitsluitend aan gebeden zou hebben gewijd, dien ouden vader opvolgde toen deze stierf. Dat ambt oefent don Raphaël nu uit en het is merkwaardig, dat hij bij alle zorg voor het verbeteren van onze inkomsten slechts vervuld schijnt van de eeuwigheid. Laten zijn werkzaamheden hem een oogenblik wat rust dan verdiept hij zich in het gebed.”Hier viel ik Lamela met een uitroep van vreugde in de rede, want ik zag don Raphaël naderen. Wij begroetten elkaar hartelijk en zonder in het minst iets van verwondering te laten blijken, zei hij: “God zegene u, mijnheer de Santillano, wat voert u naar Valencia?”“Werkelijk, mijn beste Raphaël, ik verheug mij in uwvoorspoed. Broeder Ambrosius heeft mij de geschiedenis van uwe bekeering verteld en dat verhaal deed mij veel pleizier. Welk een voorrecht voor u beide, tot deze kleine schare van uitverkorenen te behooren, die een eeuwige gelukzaligheid zullen genieten!”Ik vertelde hun daarna mijn geschiedenis. Toen ik ook meedeelde, dat don Alphonse de Leyva mij met drieduizend ducaten naar Samuel Simon had gezonden, vielLamelamij in de rede door tot Raphaël te zeggen: “Die koopman heeft zich dus niet te beklagen. Hij heeft zijn geld met woeker teruggekregen en in dat opzicht kunnen wij ons geweten dus onbezwaard achten.”“Voor wij in het klooster gingen,” zei don Raphaël, “hebben Ambrosius en ik hem in het geheim door tusschenkomst van een geestelijke vijftienhonderd ducaten doen toekomen. Zooveel te erger voor Samuel Simon, indien hij die som heeft aangenomen, na haar reeds in haar geheel te hebben ontvangen van den heer de Santillano.”“Maar,” vroeg ik, “is het wel zeker, dat het geld van u hem in handen is gekomen?”“Daarvoor kunnen wij u borg staan. Ze zijn hem gebracht door een priester die gewoon is zulke opdrachten te vervullen en die zelfs al over dergelijke hem toevertrouwde sommen twee of drie processen heeft gevoerd en gewonnen.” “Als dat zoo is,” hernam ik, “is er geen twijfel mogelijk, of het geld is hem trouw afgedragen.”Ons gesprek duurde nog eenigen tijd en wij scheidden nadat ze mij nog hadden aangemaand om steeds de vreeze Gods voor oogen te houden en ik hun had verzocht mij in hunne gebeden te willen gedenken.Dadelijk hierna ging ik naar don Alphonse en zei: “Ge kunt nooit raden met wie ik zooeven een lang onderhoud heb gehad. Zooeven heb ik twee Karthuizer monniken gesproken, die hier in het klooster zijn, goede kennissen van u.”“Ik ken hier geen Karthuizers,” zei don Alphonse.“Toch wel,” hield ik vol. “Ge hebt hen vroeger ontmoet, toen zij commissaris en griffier waren van de heilige inquisitie!”“Is het mogelijk? Zijn Raphaël en Lamela monnik geworden?”“Ja, al sinds eenige jaren en ze hebben beiden een ambt. De een is administrateur en de andere portier. De eerste is dus meester van de kas en de tweede van de deur.”Don Alphonse dacht eenige oogenblikken na en zei: ”’t Is best mogelijk, dat mijnheer de commissaris en mijnheer de griffier weer een nieuwe comedie spelen!”“Dat kan zijn,” antwoordde ik hem, “maar wat mij betreft, hoewel men iemand niet in het hart kan zien, oordeel ik toch gunstiger over hen. Naar het schijnt, hebben de schelmen zich werkelijk bekeerd.”“Het gebeurt wel meer, dat zulke vagebonden later in een klooster terechtkomen,” zei don Alphonse,“en dan oprecht boete doen, maar ik kan toch niet nalaten deze twee heeren te wantrouwen, vooral als zij over de kas gaan. Men zet geen dronkaard, die onthouder geworden is, in een wijnkelder. Ik beklaag de Karthuizers.”Het wantrouwen van don Alphonse werd werkelijk na eenige dagen reeds gerechtvaardigd. Als een loopend vuurtje ging het door de stad dat de broeder administrateur en de broeder portier zich met de kas van de Karthuizers hadden verwijderd.Wij wachtten er ons wel voor, om te zeggen dat die heeren kennissen van ons waren.
Daar ik den vorigen dag de geheele stad nog niet had kunnen zien, ging ik den volgenden morgen weer uit om te wandelen. Ik merkte in de straat een Karthuizer monnik, die met neergeslagen oogen liep en zulk een vroom uiterlijk had, dat hij de blikken van alle voorbijgangers trok. Hij ging dicht langs mij heen en ik meende in hem don Raphaël te zien, dien avonturier, die in de twee eerste deelen van mijn werk een zoo groote rol speelt.
Ik was zoo verwonderd over die ontmoeting, dat ik, inplaats van den monnik aan te houden, eenige oogenblikken onbewegelijk bleef staan, wat hem gelegenheid gaf zich van mij te verwijderen. “Hemel!” zei ik bij mijzelf. “Heeft men wel ooit twee gezichten gezien, die zoo op elkaar gelijken? Wat moet ik daarvan denken? Moet ik gelooven, dat het donRaphaëlwas? Of was het verbeelding?”
Ik was te nieuwsgierig naar de waarheid om het daarbij te laten. Ik liet mij dus aanwijzen, waar het klooster van de Karthuizer-monniken was en ging daar dadelijk heen, in de hoop mijn man weer te zien, wanneer hij er zou terugkeeren en besloot, hem aan te houden om hem te spreken. Ik behoefde niet lang te wachten om op de hoogte te worden gesteld; bij den ingang van het klooster deed een ander gezicht mijn twijfel in zekerheid overgaan; ik herkende in den broeder portier Ambrosius de Lamela, mijn ouden knecht. Men kan zich voorstellen, hoe groot mijn verwondering was.
“Is het geen verbeelding? Is het werkelijk een van mijn vrienden, die ik zie?” vroeg ik.
Hij herkende mij eerst niet, of liever hij veinsde mij niet te herkennen, wat waarschijnlijker was. Maar bemerkende, dat dit toch nutteloos was, nam hij plotseling het gezicht aan van iemand, die zich plotseling iets herinnert. “Ah! mijnheer Gil Blas,” riep hij, “neem mij niet kwalijk, dat ik u niet dadelijk herkende. Sedert ik in deze heilige plaats leef en de plichten vervul, door onze regels voorgeschreven, verloor ik het geheugen voor hetgeen ik in de wereld heb gezien.”
“Het doet mij een groot genoegen,” zei ik, “u na tien jaar in zulk een eerwaardig kleed weer te zien.”
“En ik,” antwoordde hij, “ik schaam mij daarin gekleed te verschijnen voor een man, die getuige is geweest van het schuldige leven, dat ik heb geleid. Dit kleed verwijt mij dat zonder ophouden. Helaas! om waardig te zijn het te dragen, had ik altijd in onschuld moeten leven.”
“Het doet mij genoegen,” herhaalde ik, “u te zien en ik brand van verlangen om te vernemen op welke wonderbaarlijke wijze gij zoo op den goeden weg zijt gekomen, gij en don Raphaël, want ik ben er van overtuigd, dat hij het is geweest, dien ik in de stad heb ontmoet, gekleed als Karthuizer monnik. Het spijt mij, dat ik hem op straat niet heb aangehouden om met hem te spreken en ik ben hier gekomen om hem op te wachten en mijn fout te herstellen.”
“Ge hebt u niet vergist,” zei Lamela, ”’t is don Raphaël zelf, die ge gezien hebt en wat onze geschiedenis betreft, ik zal u die mededeelen. Nadat wij bij Ségorbo van u gescheiden waren, sloegen don Raphaël en ik den weg in naar Valencia, met het doel er eenige beroepsbezigheden te verrichten. Het toeval wilde op zekeren dag, dat wij de Karthuizerkerk binnentraden, op het oogenblik, dat de monniken hunne vrome liederen zongen. Wij aanschouwden hen en gevoelden, dat de kwaden niet anders kunnen doen dan de deugd eeren. Wij bewonderden in die mannenden ijver, waarmee ze tot God baden en de rust, die op hun gelaat was te lezen.
“Zoo vervielen wij in een gepeins, dat ons heilzaam werd; wij vergeleken ons zelf met deze vrome broeders en onze ziel werd met angst en onrust vervuld. Gevoelens, die ons tot nog toe onbekend geweest waren, bewogen ons en wij gevoelden misschien voor de eerste maal in ons leven berouw over ons gedrag. Don Raphaël zei tot mij: “Waarde Ambrosius, wij zijn twee verdwaalde schapen, die de Vader uit erbarmen wil opnemen. Hij roept ons. Laten wij niet doof zijn voor die stem. Laten wij den weg verlaten, die wij tot nu toe hebben bewandeld en van nu af ernstig gaan werken voor het heil van onze ziel. De rest van onze dagen moesten wij in dit klooster in boetedoening doorbrengen.”
Ik juichte het plan van Raphaël toe en wij besloten Karthuizers te worden. Om dat plan te volvoeren, gingen wij naar den prior, die ons een cel gaf en een jaar lang volgden wij zoo trouw en standvastig de voorschriften, dat wij onder de novices werden opgenomen. Later werden wij monnik en don Raphaël, die begaafd is met een buitengewoon talent voor zaken, werd aangewezen tot hulp van een ouden vader, die toen administrateur was. Hij kweet zich zoo uitnemend van die taak, dat hij, hoewel hij zijn tijd liever uitsluitend aan gebeden zou hebben gewijd, dien ouden vader opvolgde toen deze stierf. Dat ambt oefent don Raphaël nu uit en het is merkwaardig, dat hij bij alle zorg voor het verbeteren van onze inkomsten slechts vervuld schijnt van de eeuwigheid. Laten zijn werkzaamheden hem een oogenblik wat rust dan verdiept hij zich in het gebed.”
Hier viel ik Lamela met een uitroep van vreugde in de rede, want ik zag don Raphaël naderen. Wij begroetten elkaar hartelijk en zonder in het minst iets van verwondering te laten blijken, zei hij: “God zegene u, mijnheer de Santillano, wat voert u naar Valencia?”
“Werkelijk, mijn beste Raphaël, ik verheug mij in uwvoorspoed. Broeder Ambrosius heeft mij de geschiedenis van uwe bekeering verteld en dat verhaal deed mij veel pleizier. Welk een voorrecht voor u beide, tot deze kleine schare van uitverkorenen te behooren, die een eeuwige gelukzaligheid zullen genieten!”
Ik vertelde hun daarna mijn geschiedenis. Toen ik ook meedeelde, dat don Alphonse de Leyva mij met drieduizend ducaten naar Samuel Simon had gezonden, vielLamelamij in de rede door tot Raphaël te zeggen: “Die koopman heeft zich dus niet te beklagen. Hij heeft zijn geld met woeker teruggekregen en in dat opzicht kunnen wij ons geweten dus onbezwaard achten.”
“Voor wij in het klooster gingen,” zei don Raphaël, “hebben Ambrosius en ik hem in het geheim door tusschenkomst van een geestelijke vijftienhonderd ducaten doen toekomen. Zooveel te erger voor Samuel Simon, indien hij die som heeft aangenomen, na haar reeds in haar geheel te hebben ontvangen van den heer de Santillano.”
“Maar,” vroeg ik, “is het wel zeker, dat het geld van u hem in handen is gekomen?”
“Daarvoor kunnen wij u borg staan. Ze zijn hem gebracht door een priester die gewoon is zulke opdrachten te vervullen en die zelfs al over dergelijke hem toevertrouwde sommen twee of drie processen heeft gevoerd en gewonnen.” “Als dat zoo is,” hernam ik, “is er geen twijfel mogelijk, of het geld is hem trouw afgedragen.”
Ons gesprek duurde nog eenigen tijd en wij scheidden nadat ze mij nog hadden aangemaand om steeds de vreeze Gods voor oogen te houden en ik hun had verzocht mij in hunne gebeden te willen gedenken.
Dadelijk hierna ging ik naar don Alphonse en zei: “Ge kunt nooit raden met wie ik zooeven een lang onderhoud heb gehad. Zooeven heb ik twee Karthuizer monniken gesproken, die hier in het klooster zijn, goede kennissen van u.”
“Ik ken hier geen Karthuizers,” zei don Alphonse.
“Toch wel,” hield ik vol. “Ge hebt hen vroeger ontmoet, toen zij commissaris en griffier waren van de heilige inquisitie!”
“Is het mogelijk? Zijn Raphaël en Lamela monnik geworden?”
“Ja, al sinds eenige jaren en ze hebben beiden een ambt. De een is administrateur en de andere portier. De eerste is dus meester van de kas en de tweede van de deur.”
Don Alphonse dacht eenige oogenblikken na en zei: ”’t Is best mogelijk, dat mijnheer de commissaris en mijnheer de griffier weer een nieuwe comedie spelen!”
“Dat kan zijn,” antwoordde ik hem, “maar wat mij betreft, hoewel men iemand niet in het hart kan zien, oordeel ik toch gunstiger over hen. Naar het schijnt, hebben de schelmen zich werkelijk bekeerd.”
“Het gebeurt wel meer, dat zulke vagebonden later in een klooster terechtkomen,” zei don Alphonse,“en dan oprecht boete doen, maar ik kan toch niet nalaten deze twee heeren te wantrouwen, vooral als zij over de kas gaan. Men zet geen dronkaard, die onthouder geworden is, in een wijnkelder. Ik beklaag de Karthuizers.”
Het wantrouwen van don Alphonse werd werkelijk na eenige dagen reeds gerechtvaardigd. Als een loopend vuurtje ging het door de stad dat de broeder administrateur en de broeder portier zich met de kas van de Karthuizers hadden verwijderd.
Wij wachtten er ons wel voor, om te zeggen dat die heeren kennissen van ons waren.