Zesde BoekHoofdstuk IWat Gil Blas en zijn metgezellen deden, na den graaf de Polan te hebben verlaten; van het gewichtige plan, dat Ambrosius vormde, en op welke wijze het werd uitgevoerd.Nadat de graaf de Polan ons nogmaals verzekerd had, dat wij steeds op zijn dankbaarheid zouden kunnen rekenen, riep hij den waard, om hem te raadplegen over de middelen veilig in Turijn te komen, waar hij plan had heen te gaan. Wij verlieten het hotel en sloegen den weg in, dien Lamela koos.Na twee uren begon het dag te worden en kwamen we te Campillo aan. We trokken door de bergen, die tusschen dit dorp en Requena liggen. Overdag rustten wij en telden onze geldmiddelen, die zeer versterkt waren door den inhoud van de zakken der roovers, want men had niet minder dan driehonderd pistolen bij hen gevonden. Tegen den avond begaven wij ons weer op weg en den volgenden morgen betraden wij den bodem van het koninkrijk Valencia. In het eerste bosch besloten wij rust te houden. In de schaduw van de boomen en bij een beek met kristalhelder water, vleiden wij ons neer; maar, toen wij wilden gaan ontbijten, bemerkten wij, dat we maar zeer weinig levensmiddelen meer hadden en onze wijnzak was reeds een lichaam zonder ziel geworden. “Mijne heeren,” zei Ambrosius, “de schoonste plaatsen bekoren niet zonder Bacchus en zonder Céres. Ik meen, dat wij vandaag provisie moeten inslaan en zal daarvoor naar Xelva gaan, een lieve stad en niet meer dan twee mijlen ver.” Hij sprong weer te paard enreed snel weg, zoodat we hem spoedig terug verwachtten.Maar de halve dag verliep en wij wachtten tevergeefs. Toen de avond begon te vallen en wij reeds ongerust begonnen te worden, zagen wij hem eindelijk belast en beladen aankomen. Behalve wijn, brood en gebraden wild, had hij een groot pak met kleeren op zijn paard, waarnaar wij met aandacht keken. Hij bemerkte het en zei glimlachend: “Mijne heeren, ge bekijkt die met verwondering en ik kan dat begrijpen, ik zal u laten zien, wat dit pak inhoudt en geef u te raden, waartoe dat alles moet dienen.” Hij vertoonde achtereenvolgens een toga, een jas, een wambuis, een grooten inktkoker, een boek, wit papier, een hangslot en een groot zegel van groen lak.Don Raphaël zei, dat hij er niet aan twijfelde of Ambrosius had goede inkoopen gedaan, maar hij vroeg, waar dat alles toe moest dienen.Ambrosius antwoordde: “Al die zaken hebben mij met elkaar zes pistolen gekost en ik ben er zeker van, dat zij ons minstens vijfhonderd zullen opbrengen. Ik ben er de man niet naar om mijn geld aan nuttelooze zaken te besteden. Ik heb een plan gevormd, een plan, dat ontegenzeggelijk een van de vernuftigste is, dat ooit in een menschelijk brein is opgekomen. Gij zult er over oordeelen, want ik zal het u meedeelen en ik ben er zeker van, dat gij het prachtig zult vinden.”“Nadat ik brood had ingeslagen, ging ik naar een kok, waar ik last gaf, dat men voor mij aan het spit zou steken zes patrijzen, evenveel kuikens en jonge konijnen. Terwijl men het vleesch braadde en ik daarop zat te wachten, kwam er een man binnen, die zeer uit zijn humeur was en zich bij den kok beklaagde. Hij riep: “Samuel Simon is de grootste stommeling van alle winkeliers in Xelva. Hij heeft mij in zijn vollen winkel beleedigd. De vlegel heeft mij crediet geweigerd voor zes el laken. En toch weet hij heel goed, dat ik een soliede handwerksman ben en dat hij door mij geen schade zal lijden. Aan personen, die eenigszins deftig zijn, levert hij graag op crediet,maar met een eerlijk burger durft hij niets wagen! Wat een vervloekte jood! Ik hoop, dat hij eens goed zal worden beetgenomen, daar zullen velen pleizier in hebben.”Terwijl ik dien man zoo hoorde spreken, kwam het plan bij mij op, om hem te wreken en eens een grap uit te halen met Samuel Simon. “Mijn vriend,” zei ik, “welk karakter heeft de man, van wien gij spreekt?” “Een zeer slecht karakter,” kreeg ik ten antwoord, “hij is een woekeraar van het ergste soort, hoewel hij den schijn aanneemt van een eerlijk man te zijn. Het is een jood, die katholiek geworden is, maar in zijn ziel is hij nog een jood en alleen uit eigenbelang is hij van geloof veranderd.”Nadat ik nog het een en ander omtrent Samuel Simon had gehoord, ging ik zijn winkel eens opnemen en verzon toen een schelmenstreek, den bediende van mijnheer Gil Blas waardig. Daarna bezocht ik een uitdrager, waar ik deze zaken kocht; de kleeren zijn noodig voor een inquisiteur, een griffier en een gerechtsdienaar. Dat is alles wat ik gedaan heb en wat mij opgehouden heeft.”Don Raphaël toonde zich verrukt over de comedie, welke men zou gaan spelen. “Het plan is uitstekend!” riep hij, “en over de uitvoering behoeft ge u niet ongerust te maken. Gij hebt behoefte aan twee goede acteurs, die u ter zijde staan en die zijn gevonden. Ge hebt zelf een vroom uiterlijk, uitstekend geschikt voor een inquisiteur, ik zal den griffier voorstellen en mijnheer Gil Blas zal wel zoo goed willen zijn voor gerechtsdienaar te spelen. Zoo zijn de rollen goed verdeeld, morgen zullen wij het stuk spelen en voor het succes sta ik in.”Ik moet eerlijk zeggen, dat ik het plan, dat don Raphaël zoo schoon vond, niet goed begreep, maar onder het souper bracht men mij op de hoogte en het scheen mij een vernuftige streek. Nadat wij het gebraad en den wijn behoorlijk hadden toegesproken, strekten wij ons op het gras uit en sliepen weldra in. Maar onze slaap duurdeniet lang. Nog in den nacht kwam de onverbiddelijke Ambrosius ons roepen. “Opstaan, opstaan!” riep hij; “menschen, die voor de uitvoering van een groote onderneming staan, mogen niet lui zijn.”“De duivel hale je, mijnheer de inquisiteur, wat zijt ge vroeg!” riep don Raphaël. “Dat moet wel, mijnheer de griffier,” zei de andere, “ik heb vannacht gedroomd, dat ik den jood de haren uit zijn baard rukte. Is dat niet een slechte droom voor hem?”We gingen in een opgewekte stemming ontbijten en begonnen ons daarna te verkleeden. Er werd door ons nogal wat tijd daaraan besteed en wij zagen er uit als de personen, die wij wilden voorstellen, daarna liepen wij tot het einde van het bosch en rustten daar weder geruimen tijd, om tegen schemerdonker de poorten van de stad binnen te gaan, waar we nu vlakbij waren.Onze paarden lieten wij in het bosch achter bij don Alphonse, die tot zijn groote tevredenheid geen andere rol in het stuk speelde. We gingen niet dadelijk naar Samuel Simon, maar eerst naar een herberg, dicht bij zijn huis. Mijnheer de inquisiteur liep vooruit, trad binnen en zei op ernstigen toon tot den waard: “Ik wenschte u alleen te spreken, ik heb u eenige vragen te doen over een zaak, betreffende den dienst van de inquisitie en dus zeer gewichtig.” De waard bracht hem in een zaal en toen Lamela zag, dat wij alleen met hem waren, zei hij: “Ik ben commissaris van den heiligen dienst.” Bij die woorden verbleekte de herbergier en zei met bevende stem, dat hij aan de heilige inquisitie geen reden meende te hebben gegeven om zich over hem te beklagen. Ambrosius zei op zachten toon, dat men er ook niet aan dacht, om het hem moeilijk te maken en hij vervolgde: “De inquisitie is gestreng, maar altijd rechtvaardig. Hoezeer ook klaar om te straffen, met God’s hulp verwart zij toch niet schuld en onschuld. In één woord: om gestraft te worden, moet men schuldig zijn. ’t Is niet voor u, dat ik naar Xelva gekomen ben, maar voor zekeren koopman,Samuel Simon. Er is ons een zeer slecht rapport omtrent zijn gedrag toegekomen. Hij is, zegt men, nog altijd jood en heeft het Christendom alleen aanvaard uit berekening. Uit naam van den heiligen dienst vraag ik u mij mee te deelen, wat ge van dien man weet. Wacht u er voor, hem als buurman en misschien als vriend te willen verontschuldigen, want ik verklaar u, indien ik dat merk, zijt ge evengoed verloren als hij. Schrijf griffier.”De griffier, die zijn papier en inktkoker reeds in de hand hield, ging aan een tafel zitten en maakte zich met het ernstigste gezicht van de wereld gereed om de antwoorden op te schrijven van den waard, die levendig betuigde dat hij aan de waarheid niets te kort zou doen.“Antwoord mij alleen op mijn vragen, iets anders verwacht ik van u niet.”“Ziet gij Samuel Simon dikwijls de kerk bezoeken?” “Daar heb ik niet op gelet,” antwoordde de waard, “ik herinner mij niet, hem bij ons in de kerk te hebben gezien.” “Goed. Schrijf, dat men hem nooit in de kerk ziet.” “Dat heb ik niet gezegd, mijnheer,” riep de herbergier, “ik heb alleen gezegd, dat ik hem bij ons niet gezien heb, misschien gaat hij ergens anders of op een anderen tijd dan ik.”“Mijn vriend, ge vergeet, dat ge bij dit verhoor Samuel Simon niet moogt verontschuldigen: de gevolgen daarvan heb ik u meegedeeld. Ge moet mij mededeeling doen van de zaken, welke tegen hem getuigen.”“In dat geval,” antwoordde de waard, “zal mijn getuigenis u van zeer weinig waarde zijn. Ik ken dien koopman bijna niet en kan dus niets goeds en evenmin iets kwaads van hem zeggen; maar als gij weten wilt hoe hij in zijn levenswandel is, dan zal ik Gaspard, zijn knecht, hier roepen. Die jongen komt dikwijls ’s avonds hier met zijn vrienden. Hij is welbespraakt en zal u alles zeggen van zijn meester, wat ge weten wilt. Uw griffier zal de handen vol aan hem hebben.”“Voor uw openhartigheid ben ik u erkentelijk,” zei Ambrosius, “het is ook een bewijs van godsdienstigen ijver, dat gij me een man aanwijst, die op de hoogte is van de gewoonten van Simon. Ik zal dat aan de Inquisitie overbrengen. Haast u om dien Gaspard op te zoeken, maar behandel die zaak zoo geheimzinnig mogelijk en zorg, dat vooral zijn meester niets bemerkt van hetgeen er gebeurt.”De herbergier kweet zich spoedig van zijn opdracht en bracht den knecht.“Mijn zoon, wees welkom,” zei Lamela, “ik ben inquisiteur en aangewezen om een onderzoek te doen naar Samuel Simon, die beschuldigd wordt den Judas te spelen. Gij woont bij hem en zijt getuige van de meeste van zijn daden. Ik geloof niet, dat het noodig is u te zeggen, dat ge verplicht zijt mij alles mee te deelen wat gij weet, indien ik u dat beveel namens de heilige inquisitie.”“Mijnheer,” antwoordde de jongen, “ge zoudt u moeilijk tot iemand kunnen richten, die beter in staat is om u in te lichten dan ik het ben. En ik zal aan uw wensch voldoen, ook zonder dat ge het namens de heilige inquisitie beveelt. Indien men, mijnheer, mijn meester voor het geval stelde, waarin ik nu verkeer, ben ik zeker, dat hij mij niet zou sparen en ik ben ook niet van plan het hem te doen. Ik zal dan maar beginnen met u te zeggen, dat hij een snuiter is, van wien men moeilijk de geheime gevoelens leert kennen, want naar buiten neemt hij allen schijn aan van een halve heilige te zijn, terwijl hij in den grond van zijn hart een groote deugniet is. Iederen avond gaat hij naar een kleine grisette....”“Het is goed, dat ge mij dit zegt,” viel Ambrosius hem in de rede, “en ik bemerk uit hetgeen ge zegt, dat hij een man van slechte zeden is, maar geef mij niet anders dan een juist antwoord op de vragen, die ik u zal doen. Het is voornamelijk op het stuk van den godsdienst, dat ik belast ben mijn onderzoek in te stellen. Zeg mij of er wel eens varkensvleesch bij u wordt gegeten?”“Neen,” was het antwoord, “ik geloof niet, dat wij het tweemaal hebben gegeten in het jaar, dat ik bij hem woon.”“Zeer goed, schrijf op griffier, dat er bij Samuel Simon nooit varkensvleesch wordt gegeten. Daarentegen eet men er zeker soms wel lamsvleesch, nietwaar?”“Ja, dat gebeurt nog al eens,” zei de jongen. “Ik herinner mij, dat wij het met de laatste Paschen nog hebben gehad.”Het tijdstip was gelukkig gekozen. “Schrijf op, griffier, dat Simon zoo zijn Paaschfeest viert. Zeg mij nu eens, mijn jonge vriend, of uw meester wel eens kleine kinderen aanhaalt.” “Dat doet hij dikwijls als hij hen langs onzen winkel ziet gaan,” antwoordde de jonge man.“Schrijf griffier, dat Samuel Simon onder verdenking staat kleine Christenkinderen tot zich te trekken, om die te vermoorden. Oh, oh, mijnheer Simon, gij zult met de inquisitie te doen krijgen! Denk maar niet, dat men u ongestraft uwe afschuwelijke offers zal laten plegen. Deze valsche Katholiek is zeker nog geheel gehecht aan alle Joodsche gewoonten en gebruiken. Is er niet een dag in de week, dat ge hem in het geheel niet ziet werken, Gaspard?”“Neen, dat kan ik niet zeggen,” gaf de jongen ten antwoord. “Wèl heb ik gemerkt, dat er dagen zijn, waarop hij zich in zijn kamer opsluit en daar lang blijft.”“Ha! dat is van gewicht. Hij viert dan den sabbat of ik ben geen inquisiteur. Schrijf op, griffier, dat hij op den sabbat de vasten in acht neemt. Er rest mij nu nog een vraag: spreekt hij niet dikwijls van Jeruzalem?”“Zeer dikwijls,” hernam de jongen. “Hij vertelt ons de geschiedenis van de joden en hoe de tempel te Jeruzalem werd verwoest.”“Laat dat niet aan uwe aandacht ontsnappen, griffier. Schrijf met groote letters, dat Samuel Simon de restauratie van den tempel wenscht en dat hij dag en nacht werkt om de joodsche natie te herstellen. Ik wil er nietsmeer van weten, het is overbodig om verdere vragen te doen. Wat deze geloofwaardige Gaspard heeft verklaard, zou voldoende zijn om een geheele Jodenwijk te verbranden.”De jongen kon hierna vertrekken, nadat hem nog eens op het hart was gedrukt geen woord over dit verhoor te spreken.Wij verlieten de herberg met even ernstige gezichten als waarmee wij er waren binnengetreden en klopten aan de deur van Samuel Simon. Hij deed ons zelf open en was niet weinig verbaasd drie figuren als de onze bij hem te zien. Nog meer was hij het, toen Lamela op bevelenden toon tot hem zei: “Meester Samuel Simon, namens de heilige inquisitie, waarvan ik de eer heb commissaris te zijn, gelast ik u mij dadelijk den sleutel van uw kamer te geven. Ik wil zien of ik daar iets vind, wat de bezwaarschriften rechtvaardigt, welke men bij mij tegen u heeft ingediend.”De koopman, ontzet bij die woorden, deed een paar passen achterwaarts als iemand wien men een stomp op zijn maag heeft gegeven. Wel verre van ons ervan te verdenken, dat wij hem beetnamen, dacht hij te goeder trouw, dat een of andere geheime vijand hem verdacht had gemaakt en misschien voelde hij zich geen goed Katholiek. Hoe het zij, ik heb nooit een man gezien, die meer in de war was.Hij gehoorzaamde zonder tegenstand en met al het respect, dat iemand moet hebben, die de inquisitie vreest, opende hij de deur van zijn kamer.“Ge ontvangt ons althans zonder u tegen onze orders te verzetten,” zei Ambrosius, “maar ga zelf zoolang in een ander vertrek, opdat ik ongestoord kan verrichten, wat mijn ambt mij oplegt.”Samuel verzette zich ook niet tegen dit bevel, hij ging in zijn winkel en wij traden de kamer binnen, waar wij zonder tijd te verliezen, ons onderzoek aanvingen. Wij vonden in een open kast veel zakken met ducaten, stoptendie in onze laarzen en overal anders, waar wij ze konden bergen. We waren zwaar van het geld, zonder dat men het aan ons zien kon, dank zij de behendigheid van Ambrosius en don Raphaël, waaruit ik weer zag, dat toch niets meer waard is, dan dat men zijn vak goed verstaat.Wij verlieten het vertrek en om een reden, die de lezer gemakkelijk raden zal, haalde de inquisiteur een hangslot uit zijn zak, dat hij zelf aan de deur bevestigde, deed er vervolgens het groote zegel op en zei tegen Simon: “meester Samuel Simon, uit naam van de heilige Inquisitie verbied ik u aan dit hangslot te raken en ook aan het zegel, dat het hare is. Ik zal morgen op hetzelfde uur hier komen, om het te lichten en u mijn orders te brengen.”Na die woorden liet hij de straatdeur openen, waardoorwij, de een na den ander, in blijde stemming vertrokken. Zoodra wij een vijftig passen gedaan hadden, begonnen wij zoo snel te loopen, als ons zwaar gewicht het toeliet. Weldra waren wij buiten de stad, bestegen onze paarden en reden naar Ségorbe, god Mercurius dankend voor een zoo gelukkige gebeurtenis.Hoofdstuk IIVan het besluit, dat don Alphonse en Gil Blas namen na dit avontuur.Volgens onze prijzenswaardige gewoonte, gingen wij den geheelen nacht door en bij het aanbreken van den dag waren wij bij een klein dorp, op twee mijlen van Ségorbe. Toen wij aan den voet van een heuvel een aantal wilgenboomen zagen, verlieten wij den grooten weg en gingen in de schaduw slapen.Na een flink ontbijt telden wij het geld, dat we van Samuel Simon hadden meegenomen; dit liep tot een bedrag van drieduizend ducaten en daarbij gevoegd de som, welke wij reeds bezaten, waren wij niet slecht bij kas.Er moest voor nieuwe provisie worden gezorgd en Ambrosius en don Raphaël, na hun costuums uitgetrokken te hebben, zeiden, dat ze daar samen op wilden uitgaan; door het avontuur te Xelva hadden zij er smaak in gekregen en ze wilden zien of er in Ségorbe niet een slag was te slaan.“Ge moet ons maar onder de wilgen afwachten,” zei de zoon van Lucinde, “wij zullen spoedig terug zijn.”Lachend merkte ik op, dat, wanneer de heeren ons samen verlieten, het misschien wel lang zou duren eer wij hen weer zagen.“Die verdenking is een beleediging voor ons,” zei Ambrosius, “maar dat is te verontschuldigen na hetgeen wij te Valladolid hebben gedaan, waar wij onze kameraden in den steek lieten. Maar toch bedriegt ge u. De personen, met wie wij toen samenwerkten, hadden een zeer slecht karakter en de omgang met hen was, op den duur,onverdragelijk. Aan lieden van ons slag moet men de eer geven, dat wanneer ze goed met elkaar kunnen opschieten, ze elkaar ook trouw zijn. Ik verzoek u dus, mijnheer Gil Blas en don Alphonse, om wat meer vertrouwen in ons te hebben.”“Het is gemakkelijk om hun ongerustheid weg te nemen,” zei don Raphaël; “de kas blijft bij hen hier, dan hebben zij een waarborg in handen. Na dit bewijs van onze goede trouw, zult ge er wel geen bezwaar meer tegen hebben, dat wij vertrekken.”Ze gingen heen en lieten mij achter met don Alphonse, die me zei: “Mijnheer Gil Blas, ik moet mijn hart voor u openen. Ik maak mij er een verwijt van, dat ik tot nu toe in gezelschap ben geweest van deze twee schelmen. Ge kunt niet gelooven, hoe mij dat berouwt; gisterenavond, toen ik alleen was bij de paarden, heb ik er onophoudelijk aan gedacht. Voor een eerlijk man gaat het toch niet aan, om te leven met mannen als Raphaël en Lamela en wanneer het ongeluk wil, vallen ze toch een of anderen dag in handen van de justitie. Ik zou me doodschamen, als ik dan met hen als een dief moest worden gestraft. Dus moet ik u bekennen, dat ik niet langer hun medeplichtige wil zijn, maar mij voor altijd van hen zal scheiden. U zult, denk ik, mijn besluit niet afkeuren.”“Neen,” verzekerde ik hem, “ge moet niet denken, dat al hebt ge mij in de comedie van Samuel Simon voor gerechtsdienaar zien spelen, die soort van dingen naar mijn smaak zijn. ’t Is ook mijn plan, om niet langer in dit slechte gezelschap te blijven en als ge het goedvindt, zal ik u vergezellen. Wanneer de heeren terug zijn, zullen wij hen vragen, om onze bezittingen te deelen en morgenochtend of vannacht nog nemen wij afscheid van hen.”De beminde van de schoone Séraphine keurde mijn voorstel goed en stelde mij voor naar Valencia te gaan, ons daar in te schepen naar Italië en in dienst te treden van de republiek Venetië. “Is het niet beter,” vroeg hij, “onder de wapenen te dienen, dan een laf en schuldigleven te leiden, zooals we nu doen? Met het geld, dat wij zullen hebben, kunnen wij een goed figuur maken. ’t Is niet, dat ik geen wroeging gevoel om mij te bedienen van op zulke slechte wijze verkregen geld, maar de noodzakelijkheid verplicht mij er toe en als ik eenig fortuin maak in den oorlog, zweer ik, dat ik Samuel Simon schadeloos zal stellen.”Ik verzekerde don Alphonse, dat ik zijn gevoelens deelde en wij besloten, dat wij den volgenden dag vóór zonsopgang zouden vertrekken. Wij dachten er niet aan van hun afwezigheid te profiteeren en er met de kas vandoor te gaan. Hun vertrouwen in ons belette dat, hoewel het avontuur in het pension dezen diefstal zou hebben verontschuldigd.Ambrosius en don Raphaël kwamen ’s avonds van Ségorbe terug. Hun eerste woorden waren, dat de reis zeer gelukkig was geweest en dat ze een plan hadden gevormd, dat ons nog meer zou opleveren, dan het avontuur van den vorigen avond. Ze wilden ons daarover het een en ander meedeelen, maar don Alphonse verklaarde beleefd, maar beslist, dat hij niet langer wilde leven, zooals zij deden en dat hij van plan was van hen te scheiden. Van mijn kant deelde ik hetzelfde voornemen mee. Tevergeefs deden zij al het mogelijke, om te trachten ons terug te doen komen op ons besluit; wij namen den volgenden morgen afscheid van hen, na een gelijk deel van het geld te hebben ontvangen en trokken naar Valencia.Hoofdstuk IIINa welke onaangename gebeurtenissen don Alphonse zich op het toppunt van geluk bevond en door welk avontuur Gil Blas in gelukkige omstandigheden kwam te verkeeren.In opgewekte stemming reisden wij tot Bunol, waar het ongeluk wilde, dat don Alphonse ziek werd. Hij kreeg zware koortsen, waarvan de aanvallen soms zoo hevig waren, dat ik voor zijn leven vreesde. Gelukkig waren er daar geen dokters en bleef het dus bij den angst. Na drie dagen was hij buiten gevaar en door mijn zorgen herstelde hij spoedig. Voor wat ik voor hem deed, toonde hij zich zeer dankbaar en daar wij ons werkelijk tot elkaar voelden aangetrokken, zwoeren wij elkaar een eeuwige vriendschap.Wij gingen weer op weg, nog altijd besloten, om, wanneer wij te Valencia zouden zijn, te profiteeren van de eerste de beste gelegenheid, om naar Italië over te steken. Maar de hemel, die ons een gelukkig lot bereidde, beschikte het anders. Bij den ingang van een mooi kasteel, dat wij passeerden, zagen wij boeren en boerinnen, die dansten en feestvierden. Wij reden daarheen om dat feest te zien en hier wachtte don Alphonse geheel onverwacht een blijde verrassing. Hij zag baron von Steinbach, en deze, die hem op zijn beurt herkende, kwam met open armen naar hem toe en riep: “Alphonso! Wat een geluk u te ontmoeten! We zoeken u overal en vinden u nu door het toeval hier. Kom, mijn zoon, ge zult thans ook hooren, wie ge zijt en van uw geluk genieten!”Na die woorden bracht hij ons naar het kasteel en deeerste, dien wij ontmoetten, was de eigenaar. Het was een man van ongeveer vijftig jaar en met een zeer goed uiterlijk. “Mijnheer,” zei de baron, terwijl hij hem don Alphonse voorstelde, “ziehier uw zoon.” Bij die woorden wierp don César de Leyva (zoo heette de bewoner van het kasteel) zich in de armen van mijn vriend en zei: “Mijn zoon, het heeft mij zeer veel smart gekost, dat ik zoo langen tijd een vreemde voor u ben geweest, maar het kon niet anders. Uw moeder had ik alleen uit liefde gehuwd, want zij was van veel mindere geboorte dan ik. Mijn vader, die een zeer streng man was en van wien ik afhankelijk was, wilde van dat huwelijk niets weten en dwong mij het geheim te houden. Alleen baron von Steinbach was in het geheim en belastte zich, in overleg met mij, met uwe opvoeding. Thans is mijn vader niet meer en ik kan voor ieder verklaren, dat gij mijn zoon en de eenige erfgenaam zijt. Dat is echter nog niet alles, ik wilu laten trouwen met een dame, wier adel gelijk is aan den mijne.”“Mijnheer,” zei don Alphonse, “kan ik niet uw zoon zijn, zonder tegelijkertijd te vernemen, dat ge mij ongelukkig wilt maken? Wees niet even wreed als uw vader; heeft hij uw liefde niet goedgekeurd, hij heeft u tenminste niet gedwongen met een ander te trouwen!”“Mijn zoon,” antwoordde don César, “ik zal uw wenschen geen geweld aandoen. Het eenige, wat ik u vraag, is de dame te zien, die ik voor u bestemd heb. Hoewel ze een zeer bekoorlijke verschijning is en een voordeelige partij, beloof ik u, dat ik u niet zal dwingen haar te trouwen. Zij is hier in het kasteel en gij zult moeten toegeven, dat ge u niets beminnelijkers denken kunt.” Na die woorden bracht hij ons naar een zaal.Daar waren de graaf de Polan met zijn twee dochters, Séraphine en Julie en don Fernand de Leyva, zijn schoonzoon, die een neef was van don César. Er waren ook nog andere dames en heeren. Don Fernand had, zooals men weet, Julie geschaakt en het was ter gelegenheid van hun huwelijk, dat de boeren uit den omtrek waren samengekomen, om feest te vieren. Zoodra don Alphonse verscheen en zijn vader hem aan het gezelschap had voorgesteld, kwam de graaf de Polan naar hem toe, omhelsde hem en zei: “Wees welkom, mijn bevrijder! De deugd vermag veel op edelmoedige zielen. Hebt ge mijn zoon gedood, ge hebt mij het leven gered. Ik gevoel geen wrok meer tegen u en geef u dezelfde Séraphine, wier eer gij hebt gered.”Men kan begrijpen, dat don Alphonse overgelukkig was. Reeds na eenige dagen werd het huwelijk gevierd, tot groote genoegdoening van allen.Daar ik ook een van de bevrijders was van den graaf de Polan, zei deze heer, die mij dadelijk herkend had, dat hij ook voor mij zou zorgen. Maar ik bedankte hem voor zijn edelmoedigheid en wilde don Alphonse niet verlaten, die mij intendant van zijn huis maakte en met zijnvolkomen vertrouwen vereerde. Zoodra hij getrouwd was, zond hij mij op reis, om den koopman Samuel Simon al het geld terug te geven, dat hem ontstolen was. Ik ging dus schade vergoeden. Zoo begon ik mijn betrekking van intendant, zooals men die gewoonlijk eindigt.
Zesde BoekHoofdstuk IWat Gil Blas en zijn metgezellen deden, na den graaf de Polan te hebben verlaten; van het gewichtige plan, dat Ambrosius vormde, en op welke wijze het werd uitgevoerd.Nadat de graaf de Polan ons nogmaals verzekerd had, dat wij steeds op zijn dankbaarheid zouden kunnen rekenen, riep hij den waard, om hem te raadplegen over de middelen veilig in Turijn te komen, waar hij plan had heen te gaan. Wij verlieten het hotel en sloegen den weg in, dien Lamela koos.Na twee uren begon het dag te worden en kwamen we te Campillo aan. We trokken door de bergen, die tusschen dit dorp en Requena liggen. Overdag rustten wij en telden onze geldmiddelen, die zeer versterkt waren door den inhoud van de zakken der roovers, want men had niet minder dan driehonderd pistolen bij hen gevonden. Tegen den avond begaven wij ons weer op weg en den volgenden morgen betraden wij den bodem van het koninkrijk Valencia. In het eerste bosch besloten wij rust te houden. In de schaduw van de boomen en bij een beek met kristalhelder water, vleiden wij ons neer; maar, toen wij wilden gaan ontbijten, bemerkten wij, dat we maar zeer weinig levensmiddelen meer hadden en onze wijnzak was reeds een lichaam zonder ziel geworden. “Mijne heeren,” zei Ambrosius, “de schoonste plaatsen bekoren niet zonder Bacchus en zonder Céres. Ik meen, dat wij vandaag provisie moeten inslaan en zal daarvoor naar Xelva gaan, een lieve stad en niet meer dan twee mijlen ver.” Hij sprong weer te paard enreed snel weg, zoodat we hem spoedig terug verwachtten.Maar de halve dag verliep en wij wachtten tevergeefs. Toen de avond begon te vallen en wij reeds ongerust begonnen te worden, zagen wij hem eindelijk belast en beladen aankomen. Behalve wijn, brood en gebraden wild, had hij een groot pak met kleeren op zijn paard, waarnaar wij met aandacht keken. Hij bemerkte het en zei glimlachend: “Mijne heeren, ge bekijkt die met verwondering en ik kan dat begrijpen, ik zal u laten zien, wat dit pak inhoudt en geef u te raden, waartoe dat alles moet dienen.” Hij vertoonde achtereenvolgens een toga, een jas, een wambuis, een grooten inktkoker, een boek, wit papier, een hangslot en een groot zegel van groen lak.Don Raphaël zei, dat hij er niet aan twijfelde of Ambrosius had goede inkoopen gedaan, maar hij vroeg, waar dat alles toe moest dienen.Ambrosius antwoordde: “Al die zaken hebben mij met elkaar zes pistolen gekost en ik ben er zeker van, dat zij ons minstens vijfhonderd zullen opbrengen. Ik ben er de man niet naar om mijn geld aan nuttelooze zaken te besteden. Ik heb een plan gevormd, een plan, dat ontegenzeggelijk een van de vernuftigste is, dat ooit in een menschelijk brein is opgekomen. Gij zult er over oordeelen, want ik zal het u meedeelen en ik ben er zeker van, dat gij het prachtig zult vinden.”“Nadat ik brood had ingeslagen, ging ik naar een kok, waar ik last gaf, dat men voor mij aan het spit zou steken zes patrijzen, evenveel kuikens en jonge konijnen. Terwijl men het vleesch braadde en ik daarop zat te wachten, kwam er een man binnen, die zeer uit zijn humeur was en zich bij den kok beklaagde. Hij riep: “Samuel Simon is de grootste stommeling van alle winkeliers in Xelva. Hij heeft mij in zijn vollen winkel beleedigd. De vlegel heeft mij crediet geweigerd voor zes el laken. En toch weet hij heel goed, dat ik een soliede handwerksman ben en dat hij door mij geen schade zal lijden. Aan personen, die eenigszins deftig zijn, levert hij graag op crediet,maar met een eerlijk burger durft hij niets wagen! Wat een vervloekte jood! Ik hoop, dat hij eens goed zal worden beetgenomen, daar zullen velen pleizier in hebben.”Terwijl ik dien man zoo hoorde spreken, kwam het plan bij mij op, om hem te wreken en eens een grap uit te halen met Samuel Simon. “Mijn vriend,” zei ik, “welk karakter heeft de man, van wien gij spreekt?” “Een zeer slecht karakter,” kreeg ik ten antwoord, “hij is een woekeraar van het ergste soort, hoewel hij den schijn aanneemt van een eerlijk man te zijn. Het is een jood, die katholiek geworden is, maar in zijn ziel is hij nog een jood en alleen uit eigenbelang is hij van geloof veranderd.”Nadat ik nog het een en ander omtrent Samuel Simon had gehoord, ging ik zijn winkel eens opnemen en verzon toen een schelmenstreek, den bediende van mijnheer Gil Blas waardig. Daarna bezocht ik een uitdrager, waar ik deze zaken kocht; de kleeren zijn noodig voor een inquisiteur, een griffier en een gerechtsdienaar. Dat is alles wat ik gedaan heb en wat mij opgehouden heeft.”Don Raphaël toonde zich verrukt over de comedie, welke men zou gaan spelen. “Het plan is uitstekend!” riep hij, “en over de uitvoering behoeft ge u niet ongerust te maken. Gij hebt behoefte aan twee goede acteurs, die u ter zijde staan en die zijn gevonden. Ge hebt zelf een vroom uiterlijk, uitstekend geschikt voor een inquisiteur, ik zal den griffier voorstellen en mijnheer Gil Blas zal wel zoo goed willen zijn voor gerechtsdienaar te spelen. Zoo zijn de rollen goed verdeeld, morgen zullen wij het stuk spelen en voor het succes sta ik in.”Ik moet eerlijk zeggen, dat ik het plan, dat don Raphaël zoo schoon vond, niet goed begreep, maar onder het souper bracht men mij op de hoogte en het scheen mij een vernuftige streek. Nadat wij het gebraad en den wijn behoorlijk hadden toegesproken, strekten wij ons op het gras uit en sliepen weldra in. Maar onze slaap duurdeniet lang. Nog in den nacht kwam de onverbiddelijke Ambrosius ons roepen. “Opstaan, opstaan!” riep hij; “menschen, die voor de uitvoering van een groote onderneming staan, mogen niet lui zijn.”“De duivel hale je, mijnheer de inquisiteur, wat zijt ge vroeg!” riep don Raphaël. “Dat moet wel, mijnheer de griffier,” zei de andere, “ik heb vannacht gedroomd, dat ik den jood de haren uit zijn baard rukte. Is dat niet een slechte droom voor hem?”We gingen in een opgewekte stemming ontbijten en begonnen ons daarna te verkleeden. Er werd door ons nogal wat tijd daaraan besteed en wij zagen er uit als de personen, die wij wilden voorstellen, daarna liepen wij tot het einde van het bosch en rustten daar weder geruimen tijd, om tegen schemerdonker de poorten van de stad binnen te gaan, waar we nu vlakbij waren.Onze paarden lieten wij in het bosch achter bij don Alphonse, die tot zijn groote tevredenheid geen andere rol in het stuk speelde. We gingen niet dadelijk naar Samuel Simon, maar eerst naar een herberg, dicht bij zijn huis. Mijnheer de inquisiteur liep vooruit, trad binnen en zei op ernstigen toon tot den waard: “Ik wenschte u alleen te spreken, ik heb u eenige vragen te doen over een zaak, betreffende den dienst van de inquisitie en dus zeer gewichtig.” De waard bracht hem in een zaal en toen Lamela zag, dat wij alleen met hem waren, zei hij: “Ik ben commissaris van den heiligen dienst.” Bij die woorden verbleekte de herbergier en zei met bevende stem, dat hij aan de heilige inquisitie geen reden meende te hebben gegeven om zich over hem te beklagen. Ambrosius zei op zachten toon, dat men er ook niet aan dacht, om het hem moeilijk te maken en hij vervolgde: “De inquisitie is gestreng, maar altijd rechtvaardig. Hoezeer ook klaar om te straffen, met God’s hulp verwart zij toch niet schuld en onschuld. In één woord: om gestraft te worden, moet men schuldig zijn. ’t Is niet voor u, dat ik naar Xelva gekomen ben, maar voor zekeren koopman,Samuel Simon. Er is ons een zeer slecht rapport omtrent zijn gedrag toegekomen. Hij is, zegt men, nog altijd jood en heeft het Christendom alleen aanvaard uit berekening. Uit naam van den heiligen dienst vraag ik u mij mee te deelen, wat ge van dien man weet. Wacht u er voor, hem als buurman en misschien als vriend te willen verontschuldigen, want ik verklaar u, indien ik dat merk, zijt ge evengoed verloren als hij. Schrijf griffier.”De griffier, die zijn papier en inktkoker reeds in de hand hield, ging aan een tafel zitten en maakte zich met het ernstigste gezicht van de wereld gereed om de antwoorden op te schrijven van den waard, die levendig betuigde dat hij aan de waarheid niets te kort zou doen.“Antwoord mij alleen op mijn vragen, iets anders verwacht ik van u niet.”“Ziet gij Samuel Simon dikwijls de kerk bezoeken?” “Daar heb ik niet op gelet,” antwoordde de waard, “ik herinner mij niet, hem bij ons in de kerk te hebben gezien.” “Goed. Schrijf, dat men hem nooit in de kerk ziet.” “Dat heb ik niet gezegd, mijnheer,” riep de herbergier, “ik heb alleen gezegd, dat ik hem bij ons niet gezien heb, misschien gaat hij ergens anders of op een anderen tijd dan ik.”“Mijn vriend, ge vergeet, dat ge bij dit verhoor Samuel Simon niet moogt verontschuldigen: de gevolgen daarvan heb ik u meegedeeld. Ge moet mij mededeeling doen van de zaken, welke tegen hem getuigen.”“In dat geval,” antwoordde de waard, “zal mijn getuigenis u van zeer weinig waarde zijn. Ik ken dien koopman bijna niet en kan dus niets goeds en evenmin iets kwaads van hem zeggen; maar als gij weten wilt hoe hij in zijn levenswandel is, dan zal ik Gaspard, zijn knecht, hier roepen. Die jongen komt dikwijls ’s avonds hier met zijn vrienden. Hij is welbespraakt en zal u alles zeggen van zijn meester, wat ge weten wilt. Uw griffier zal de handen vol aan hem hebben.”“Voor uw openhartigheid ben ik u erkentelijk,” zei Ambrosius, “het is ook een bewijs van godsdienstigen ijver, dat gij me een man aanwijst, die op de hoogte is van de gewoonten van Simon. Ik zal dat aan de Inquisitie overbrengen. Haast u om dien Gaspard op te zoeken, maar behandel die zaak zoo geheimzinnig mogelijk en zorg, dat vooral zijn meester niets bemerkt van hetgeen er gebeurt.”De herbergier kweet zich spoedig van zijn opdracht en bracht den knecht.“Mijn zoon, wees welkom,” zei Lamela, “ik ben inquisiteur en aangewezen om een onderzoek te doen naar Samuel Simon, die beschuldigd wordt den Judas te spelen. Gij woont bij hem en zijt getuige van de meeste van zijn daden. Ik geloof niet, dat het noodig is u te zeggen, dat ge verplicht zijt mij alles mee te deelen wat gij weet, indien ik u dat beveel namens de heilige inquisitie.”“Mijnheer,” antwoordde de jongen, “ge zoudt u moeilijk tot iemand kunnen richten, die beter in staat is om u in te lichten dan ik het ben. En ik zal aan uw wensch voldoen, ook zonder dat ge het namens de heilige inquisitie beveelt. Indien men, mijnheer, mijn meester voor het geval stelde, waarin ik nu verkeer, ben ik zeker, dat hij mij niet zou sparen en ik ben ook niet van plan het hem te doen. Ik zal dan maar beginnen met u te zeggen, dat hij een snuiter is, van wien men moeilijk de geheime gevoelens leert kennen, want naar buiten neemt hij allen schijn aan van een halve heilige te zijn, terwijl hij in den grond van zijn hart een groote deugniet is. Iederen avond gaat hij naar een kleine grisette....”“Het is goed, dat ge mij dit zegt,” viel Ambrosius hem in de rede, “en ik bemerk uit hetgeen ge zegt, dat hij een man van slechte zeden is, maar geef mij niet anders dan een juist antwoord op de vragen, die ik u zal doen. Het is voornamelijk op het stuk van den godsdienst, dat ik belast ben mijn onderzoek in te stellen. Zeg mij of er wel eens varkensvleesch bij u wordt gegeten?”“Neen,” was het antwoord, “ik geloof niet, dat wij het tweemaal hebben gegeten in het jaar, dat ik bij hem woon.”“Zeer goed, schrijf op griffier, dat er bij Samuel Simon nooit varkensvleesch wordt gegeten. Daarentegen eet men er zeker soms wel lamsvleesch, nietwaar?”“Ja, dat gebeurt nog al eens,” zei de jongen. “Ik herinner mij, dat wij het met de laatste Paschen nog hebben gehad.”Het tijdstip was gelukkig gekozen. “Schrijf op, griffier, dat Simon zoo zijn Paaschfeest viert. Zeg mij nu eens, mijn jonge vriend, of uw meester wel eens kleine kinderen aanhaalt.” “Dat doet hij dikwijls als hij hen langs onzen winkel ziet gaan,” antwoordde de jonge man.“Schrijf griffier, dat Samuel Simon onder verdenking staat kleine Christenkinderen tot zich te trekken, om die te vermoorden. Oh, oh, mijnheer Simon, gij zult met de inquisitie te doen krijgen! Denk maar niet, dat men u ongestraft uwe afschuwelijke offers zal laten plegen. Deze valsche Katholiek is zeker nog geheel gehecht aan alle Joodsche gewoonten en gebruiken. Is er niet een dag in de week, dat ge hem in het geheel niet ziet werken, Gaspard?”“Neen, dat kan ik niet zeggen,” gaf de jongen ten antwoord. “Wèl heb ik gemerkt, dat er dagen zijn, waarop hij zich in zijn kamer opsluit en daar lang blijft.”“Ha! dat is van gewicht. Hij viert dan den sabbat of ik ben geen inquisiteur. Schrijf op, griffier, dat hij op den sabbat de vasten in acht neemt. Er rest mij nu nog een vraag: spreekt hij niet dikwijls van Jeruzalem?”“Zeer dikwijls,” hernam de jongen. “Hij vertelt ons de geschiedenis van de joden en hoe de tempel te Jeruzalem werd verwoest.”“Laat dat niet aan uwe aandacht ontsnappen, griffier. Schrijf met groote letters, dat Samuel Simon de restauratie van den tempel wenscht en dat hij dag en nacht werkt om de joodsche natie te herstellen. Ik wil er nietsmeer van weten, het is overbodig om verdere vragen te doen. Wat deze geloofwaardige Gaspard heeft verklaard, zou voldoende zijn om een geheele Jodenwijk te verbranden.”De jongen kon hierna vertrekken, nadat hem nog eens op het hart was gedrukt geen woord over dit verhoor te spreken.Wij verlieten de herberg met even ernstige gezichten als waarmee wij er waren binnengetreden en klopten aan de deur van Samuel Simon. Hij deed ons zelf open en was niet weinig verbaasd drie figuren als de onze bij hem te zien. Nog meer was hij het, toen Lamela op bevelenden toon tot hem zei: “Meester Samuel Simon, namens de heilige inquisitie, waarvan ik de eer heb commissaris te zijn, gelast ik u mij dadelijk den sleutel van uw kamer te geven. Ik wil zien of ik daar iets vind, wat de bezwaarschriften rechtvaardigt, welke men bij mij tegen u heeft ingediend.”De koopman, ontzet bij die woorden, deed een paar passen achterwaarts als iemand wien men een stomp op zijn maag heeft gegeven. Wel verre van ons ervan te verdenken, dat wij hem beetnamen, dacht hij te goeder trouw, dat een of andere geheime vijand hem verdacht had gemaakt en misschien voelde hij zich geen goed Katholiek. Hoe het zij, ik heb nooit een man gezien, die meer in de war was.Hij gehoorzaamde zonder tegenstand en met al het respect, dat iemand moet hebben, die de inquisitie vreest, opende hij de deur van zijn kamer.“Ge ontvangt ons althans zonder u tegen onze orders te verzetten,” zei Ambrosius, “maar ga zelf zoolang in een ander vertrek, opdat ik ongestoord kan verrichten, wat mijn ambt mij oplegt.”Samuel verzette zich ook niet tegen dit bevel, hij ging in zijn winkel en wij traden de kamer binnen, waar wij zonder tijd te verliezen, ons onderzoek aanvingen. Wij vonden in een open kast veel zakken met ducaten, stoptendie in onze laarzen en overal anders, waar wij ze konden bergen. We waren zwaar van het geld, zonder dat men het aan ons zien kon, dank zij de behendigheid van Ambrosius en don Raphaël, waaruit ik weer zag, dat toch niets meer waard is, dan dat men zijn vak goed verstaat.Wij verlieten het vertrek en om een reden, die de lezer gemakkelijk raden zal, haalde de inquisiteur een hangslot uit zijn zak, dat hij zelf aan de deur bevestigde, deed er vervolgens het groote zegel op en zei tegen Simon: “meester Samuel Simon, uit naam van de heilige Inquisitie verbied ik u aan dit hangslot te raken en ook aan het zegel, dat het hare is. Ik zal morgen op hetzelfde uur hier komen, om het te lichten en u mijn orders te brengen.”Na die woorden liet hij de straatdeur openen, waardoorwij, de een na den ander, in blijde stemming vertrokken. Zoodra wij een vijftig passen gedaan hadden, begonnen wij zoo snel te loopen, als ons zwaar gewicht het toeliet. Weldra waren wij buiten de stad, bestegen onze paarden en reden naar Ségorbe, god Mercurius dankend voor een zoo gelukkige gebeurtenis.Hoofdstuk IIVan het besluit, dat don Alphonse en Gil Blas namen na dit avontuur.Volgens onze prijzenswaardige gewoonte, gingen wij den geheelen nacht door en bij het aanbreken van den dag waren wij bij een klein dorp, op twee mijlen van Ségorbe. Toen wij aan den voet van een heuvel een aantal wilgenboomen zagen, verlieten wij den grooten weg en gingen in de schaduw slapen.Na een flink ontbijt telden wij het geld, dat we van Samuel Simon hadden meegenomen; dit liep tot een bedrag van drieduizend ducaten en daarbij gevoegd de som, welke wij reeds bezaten, waren wij niet slecht bij kas.Er moest voor nieuwe provisie worden gezorgd en Ambrosius en don Raphaël, na hun costuums uitgetrokken te hebben, zeiden, dat ze daar samen op wilden uitgaan; door het avontuur te Xelva hadden zij er smaak in gekregen en ze wilden zien of er in Ségorbe niet een slag was te slaan.“Ge moet ons maar onder de wilgen afwachten,” zei de zoon van Lucinde, “wij zullen spoedig terug zijn.”Lachend merkte ik op, dat, wanneer de heeren ons samen verlieten, het misschien wel lang zou duren eer wij hen weer zagen.“Die verdenking is een beleediging voor ons,” zei Ambrosius, “maar dat is te verontschuldigen na hetgeen wij te Valladolid hebben gedaan, waar wij onze kameraden in den steek lieten. Maar toch bedriegt ge u. De personen, met wie wij toen samenwerkten, hadden een zeer slecht karakter en de omgang met hen was, op den duur,onverdragelijk. Aan lieden van ons slag moet men de eer geven, dat wanneer ze goed met elkaar kunnen opschieten, ze elkaar ook trouw zijn. Ik verzoek u dus, mijnheer Gil Blas en don Alphonse, om wat meer vertrouwen in ons te hebben.”“Het is gemakkelijk om hun ongerustheid weg te nemen,” zei don Raphaël; “de kas blijft bij hen hier, dan hebben zij een waarborg in handen. Na dit bewijs van onze goede trouw, zult ge er wel geen bezwaar meer tegen hebben, dat wij vertrekken.”Ze gingen heen en lieten mij achter met don Alphonse, die me zei: “Mijnheer Gil Blas, ik moet mijn hart voor u openen. Ik maak mij er een verwijt van, dat ik tot nu toe in gezelschap ben geweest van deze twee schelmen. Ge kunt niet gelooven, hoe mij dat berouwt; gisterenavond, toen ik alleen was bij de paarden, heb ik er onophoudelijk aan gedacht. Voor een eerlijk man gaat het toch niet aan, om te leven met mannen als Raphaël en Lamela en wanneer het ongeluk wil, vallen ze toch een of anderen dag in handen van de justitie. Ik zou me doodschamen, als ik dan met hen als een dief moest worden gestraft. Dus moet ik u bekennen, dat ik niet langer hun medeplichtige wil zijn, maar mij voor altijd van hen zal scheiden. U zult, denk ik, mijn besluit niet afkeuren.”“Neen,” verzekerde ik hem, “ge moet niet denken, dat al hebt ge mij in de comedie van Samuel Simon voor gerechtsdienaar zien spelen, die soort van dingen naar mijn smaak zijn. ’t Is ook mijn plan, om niet langer in dit slechte gezelschap te blijven en als ge het goedvindt, zal ik u vergezellen. Wanneer de heeren terug zijn, zullen wij hen vragen, om onze bezittingen te deelen en morgenochtend of vannacht nog nemen wij afscheid van hen.”De beminde van de schoone Séraphine keurde mijn voorstel goed en stelde mij voor naar Valencia te gaan, ons daar in te schepen naar Italië en in dienst te treden van de republiek Venetië. “Is het niet beter,” vroeg hij, “onder de wapenen te dienen, dan een laf en schuldigleven te leiden, zooals we nu doen? Met het geld, dat wij zullen hebben, kunnen wij een goed figuur maken. ’t Is niet, dat ik geen wroeging gevoel om mij te bedienen van op zulke slechte wijze verkregen geld, maar de noodzakelijkheid verplicht mij er toe en als ik eenig fortuin maak in den oorlog, zweer ik, dat ik Samuel Simon schadeloos zal stellen.”Ik verzekerde don Alphonse, dat ik zijn gevoelens deelde en wij besloten, dat wij den volgenden dag vóór zonsopgang zouden vertrekken. Wij dachten er niet aan van hun afwezigheid te profiteeren en er met de kas vandoor te gaan. Hun vertrouwen in ons belette dat, hoewel het avontuur in het pension dezen diefstal zou hebben verontschuldigd.Ambrosius en don Raphaël kwamen ’s avonds van Ségorbe terug. Hun eerste woorden waren, dat de reis zeer gelukkig was geweest en dat ze een plan hadden gevormd, dat ons nog meer zou opleveren, dan het avontuur van den vorigen avond. Ze wilden ons daarover het een en ander meedeelen, maar don Alphonse verklaarde beleefd, maar beslist, dat hij niet langer wilde leven, zooals zij deden en dat hij van plan was van hen te scheiden. Van mijn kant deelde ik hetzelfde voornemen mee. Tevergeefs deden zij al het mogelijke, om te trachten ons terug te doen komen op ons besluit; wij namen den volgenden morgen afscheid van hen, na een gelijk deel van het geld te hebben ontvangen en trokken naar Valencia.Hoofdstuk IIINa welke onaangename gebeurtenissen don Alphonse zich op het toppunt van geluk bevond en door welk avontuur Gil Blas in gelukkige omstandigheden kwam te verkeeren.In opgewekte stemming reisden wij tot Bunol, waar het ongeluk wilde, dat don Alphonse ziek werd. Hij kreeg zware koortsen, waarvan de aanvallen soms zoo hevig waren, dat ik voor zijn leven vreesde. Gelukkig waren er daar geen dokters en bleef het dus bij den angst. Na drie dagen was hij buiten gevaar en door mijn zorgen herstelde hij spoedig. Voor wat ik voor hem deed, toonde hij zich zeer dankbaar en daar wij ons werkelijk tot elkaar voelden aangetrokken, zwoeren wij elkaar een eeuwige vriendschap.Wij gingen weer op weg, nog altijd besloten, om, wanneer wij te Valencia zouden zijn, te profiteeren van de eerste de beste gelegenheid, om naar Italië over te steken. Maar de hemel, die ons een gelukkig lot bereidde, beschikte het anders. Bij den ingang van een mooi kasteel, dat wij passeerden, zagen wij boeren en boerinnen, die dansten en feestvierden. Wij reden daarheen om dat feest te zien en hier wachtte don Alphonse geheel onverwacht een blijde verrassing. Hij zag baron von Steinbach, en deze, die hem op zijn beurt herkende, kwam met open armen naar hem toe en riep: “Alphonso! Wat een geluk u te ontmoeten! We zoeken u overal en vinden u nu door het toeval hier. Kom, mijn zoon, ge zult thans ook hooren, wie ge zijt en van uw geluk genieten!”Na die woorden bracht hij ons naar het kasteel en deeerste, dien wij ontmoetten, was de eigenaar. Het was een man van ongeveer vijftig jaar en met een zeer goed uiterlijk. “Mijnheer,” zei de baron, terwijl hij hem don Alphonse voorstelde, “ziehier uw zoon.” Bij die woorden wierp don César de Leyva (zoo heette de bewoner van het kasteel) zich in de armen van mijn vriend en zei: “Mijn zoon, het heeft mij zeer veel smart gekost, dat ik zoo langen tijd een vreemde voor u ben geweest, maar het kon niet anders. Uw moeder had ik alleen uit liefde gehuwd, want zij was van veel mindere geboorte dan ik. Mijn vader, die een zeer streng man was en van wien ik afhankelijk was, wilde van dat huwelijk niets weten en dwong mij het geheim te houden. Alleen baron von Steinbach was in het geheim en belastte zich, in overleg met mij, met uwe opvoeding. Thans is mijn vader niet meer en ik kan voor ieder verklaren, dat gij mijn zoon en de eenige erfgenaam zijt. Dat is echter nog niet alles, ik wilu laten trouwen met een dame, wier adel gelijk is aan den mijne.”“Mijnheer,” zei don Alphonse, “kan ik niet uw zoon zijn, zonder tegelijkertijd te vernemen, dat ge mij ongelukkig wilt maken? Wees niet even wreed als uw vader; heeft hij uw liefde niet goedgekeurd, hij heeft u tenminste niet gedwongen met een ander te trouwen!”“Mijn zoon,” antwoordde don César, “ik zal uw wenschen geen geweld aandoen. Het eenige, wat ik u vraag, is de dame te zien, die ik voor u bestemd heb. Hoewel ze een zeer bekoorlijke verschijning is en een voordeelige partij, beloof ik u, dat ik u niet zal dwingen haar te trouwen. Zij is hier in het kasteel en gij zult moeten toegeven, dat ge u niets beminnelijkers denken kunt.” Na die woorden bracht hij ons naar een zaal.Daar waren de graaf de Polan met zijn twee dochters, Séraphine en Julie en don Fernand de Leyva, zijn schoonzoon, die een neef was van don César. Er waren ook nog andere dames en heeren. Don Fernand had, zooals men weet, Julie geschaakt en het was ter gelegenheid van hun huwelijk, dat de boeren uit den omtrek waren samengekomen, om feest te vieren. Zoodra don Alphonse verscheen en zijn vader hem aan het gezelschap had voorgesteld, kwam de graaf de Polan naar hem toe, omhelsde hem en zei: “Wees welkom, mijn bevrijder! De deugd vermag veel op edelmoedige zielen. Hebt ge mijn zoon gedood, ge hebt mij het leven gered. Ik gevoel geen wrok meer tegen u en geef u dezelfde Séraphine, wier eer gij hebt gered.”Men kan begrijpen, dat don Alphonse overgelukkig was. Reeds na eenige dagen werd het huwelijk gevierd, tot groote genoegdoening van allen.Daar ik ook een van de bevrijders was van den graaf de Polan, zei deze heer, die mij dadelijk herkend had, dat hij ook voor mij zou zorgen. Maar ik bedankte hem voor zijn edelmoedigheid en wilde don Alphonse niet verlaten, die mij intendant van zijn huis maakte en met zijnvolkomen vertrouwen vereerde. Zoodra hij getrouwd was, zond hij mij op reis, om den koopman Samuel Simon al het geld terug te geven, dat hem ontstolen was. Ik ging dus schade vergoeden. Zoo begon ik mijn betrekking van intendant, zooals men die gewoonlijk eindigt.
Hoofdstuk IWat Gil Blas en zijn metgezellen deden, na den graaf de Polan te hebben verlaten; van het gewichtige plan, dat Ambrosius vormde, en op welke wijze het werd uitgevoerd.Nadat de graaf de Polan ons nogmaals verzekerd had, dat wij steeds op zijn dankbaarheid zouden kunnen rekenen, riep hij den waard, om hem te raadplegen over de middelen veilig in Turijn te komen, waar hij plan had heen te gaan. Wij verlieten het hotel en sloegen den weg in, dien Lamela koos.Na twee uren begon het dag te worden en kwamen we te Campillo aan. We trokken door de bergen, die tusschen dit dorp en Requena liggen. Overdag rustten wij en telden onze geldmiddelen, die zeer versterkt waren door den inhoud van de zakken der roovers, want men had niet minder dan driehonderd pistolen bij hen gevonden. Tegen den avond begaven wij ons weer op weg en den volgenden morgen betraden wij den bodem van het koninkrijk Valencia. In het eerste bosch besloten wij rust te houden. In de schaduw van de boomen en bij een beek met kristalhelder water, vleiden wij ons neer; maar, toen wij wilden gaan ontbijten, bemerkten wij, dat we maar zeer weinig levensmiddelen meer hadden en onze wijnzak was reeds een lichaam zonder ziel geworden. “Mijne heeren,” zei Ambrosius, “de schoonste plaatsen bekoren niet zonder Bacchus en zonder Céres. Ik meen, dat wij vandaag provisie moeten inslaan en zal daarvoor naar Xelva gaan, een lieve stad en niet meer dan twee mijlen ver.” Hij sprong weer te paard enreed snel weg, zoodat we hem spoedig terug verwachtten.Maar de halve dag verliep en wij wachtten tevergeefs. Toen de avond begon te vallen en wij reeds ongerust begonnen te worden, zagen wij hem eindelijk belast en beladen aankomen. Behalve wijn, brood en gebraden wild, had hij een groot pak met kleeren op zijn paard, waarnaar wij met aandacht keken. Hij bemerkte het en zei glimlachend: “Mijne heeren, ge bekijkt die met verwondering en ik kan dat begrijpen, ik zal u laten zien, wat dit pak inhoudt en geef u te raden, waartoe dat alles moet dienen.” Hij vertoonde achtereenvolgens een toga, een jas, een wambuis, een grooten inktkoker, een boek, wit papier, een hangslot en een groot zegel van groen lak.Don Raphaël zei, dat hij er niet aan twijfelde of Ambrosius had goede inkoopen gedaan, maar hij vroeg, waar dat alles toe moest dienen.Ambrosius antwoordde: “Al die zaken hebben mij met elkaar zes pistolen gekost en ik ben er zeker van, dat zij ons minstens vijfhonderd zullen opbrengen. Ik ben er de man niet naar om mijn geld aan nuttelooze zaken te besteden. Ik heb een plan gevormd, een plan, dat ontegenzeggelijk een van de vernuftigste is, dat ooit in een menschelijk brein is opgekomen. Gij zult er over oordeelen, want ik zal het u meedeelen en ik ben er zeker van, dat gij het prachtig zult vinden.”“Nadat ik brood had ingeslagen, ging ik naar een kok, waar ik last gaf, dat men voor mij aan het spit zou steken zes patrijzen, evenveel kuikens en jonge konijnen. Terwijl men het vleesch braadde en ik daarop zat te wachten, kwam er een man binnen, die zeer uit zijn humeur was en zich bij den kok beklaagde. Hij riep: “Samuel Simon is de grootste stommeling van alle winkeliers in Xelva. Hij heeft mij in zijn vollen winkel beleedigd. De vlegel heeft mij crediet geweigerd voor zes el laken. En toch weet hij heel goed, dat ik een soliede handwerksman ben en dat hij door mij geen schade zal lijden. Aan personen, die eenigszins deftig zijn, levert hij graag op crediet,maar met een eerlijk burger durft hij niets wagen! Wat een vervloekte jood! Ik hoop, dat hij eens goed zal worden beetgenomen, daar zullen velen pleizier in hebben.”Terwijl ik dien man zoo hoorde spreken, kwam het plan bij mij op, om hem te wreken en eens een grap uit te halen met Samuel Simon. “Mijn vriend,” zei ik, “welk karakter heeft de man, van wien gij spreekt?” “Een zeer slecht karakter,” kreeg ik ten antwoord, “hij is een woekeraar van het ergste soort, hoewel hij den schijn aanneemt van een eerlijk man te zijn. Het is een jood, die katholiek geworden is, maar in zijn ziel is hij nog een jood en alleen uit eigenbelang is hij van geloof veranderd.”Nadat ik nog het een en ander omtrent Samuel Simon had gehoord, ging ik zijn winkel eens opnemen en verzon toen een schelmenstreek, den bediende van mijnheer Gil Blas waardig. Daarna bezocht ik een uitdrager, waar ik deze zaken kocht; de kleeren zijn noodig voor een inquisiteur, een griffier en een gerechtsdienaar. Dat is alles wat ik gedaan heb en wat mij opgehouden heeft.”Don Raphaël toonde zich verrukt over de comedie, welke men zou gaan spelen. “Het plan is uitstekend!” riep hij, “en over de uitvoering behoeft ge u niet ongerust te maken. Gij hebt behoefte aan twee goede acteurs, die u ter zijde staan en die zijn gevonden. Ge hebt zelf een vroom uiterlijk, uitstekend geschikt voor een inquisiteur, ik zal den griffier voorstellen en mijnheer Gil Blas zal wel zoo goed willen zijn voor gerechtsdienaar te spelen. Zoo zijn de rollen goed verdeeld, morgen zullen wij het stuk spelen en voor het succes sta ik in.”Ik moet eerlijk zeggen, dat ik het plan, dat don Raphaël zoo schoon vond, niet goed begreep, maar onder het souper bracht men mij op de hoogte en het scheen mij een vernuftige streek. Nadat wij het gebraad en den wijn behoorlijk hadden toegesproken, strekten wij ons op het gras uit en sliepen weldra in. Maar onze slaap duurdeniet lang. Nog in den nacht kwam de onverbiddelijke Ambrosius ons roepen. “Opstaan, opstaan!” riep hij; “menschen, die voor de uitvoering van een groote onderneming staan, mogen niet lui zijn.”“De duivel hale je, mijnheer de inquisiteur, wat zijt ge vroeg!” riep don Raphaël. “Dat moet wel, mijnheer de griffier,” zei de andere, “ik heb vannacht gedroomd, dat ik den jood de haren uit zijn baard rukte. Is dat niet een slechte droom voor hem?”We gingen in een opgewekte stemming ontbijten en begonnen ons daarna te verkleeden. Er werd door ons nogal wat tijd daaraan besteed en wij zagen er uit als de personen, die wij wilden voorstellen, daarna liepen wij tot het einde van het bosch en rustten daar weder geruimen tijd, om tegen schemerdonker de poorten van de stad binnen te gaan, waar we nu vlakbij waren.Onze paarden lieten wij in het bosch achter bij don Alphonse, die tot zijn groote tevredenheid geen andere rol in het stuk speelde. We gingen niet dadelijk naar Samuel Simon, maar eerst naar een herberg, dicht bij zijn huis. Mijnheer de inquisiteur liep vooruit, trad binnen en zei op ernstigen toon tot den waard: “Ik wenschte u alleen te spreken, ik heb u eenige vragen te doen over een zaak, betreffende den dienst van de inquisitie en dus zeer gewichtig.” De waard bracht hem in een zaal en toen Lamela zag, dat wij alleen met hem waren, zei hij: “Ik ben commissaris van den heiligen dienst.” Bij die woorden verbleekte de herbergier en zei met bevende stem, dat hij aan de heilige inquisitie geen reden meende te hebben gegeven om zich over hem te beklagen. Ambrosius zei op zachten toon, dat men er ook niet aan dacht, om het hem moeilijk te maken en hij vervolgde: “De inquisitie is gestreng, maar altijd rechtvaardig. Hoezeer ook klaar om te straffen, met God’s hulp verwart zij toch niet schuld en onschuld. In één woord: om gestraft te worden, moet men schuldig zijn. ’t Is niet voor u, dat ik naar Xelva gekomen ben, maar voor zekeren koopman,Samuel Simon. Er is ons een zeer slecht rapport omtrent zijn gedrag toegekomen. Hij is, zegt men, nog altijd jood en heeft het Christendom alleen aanvaard uit berekening. Uit naam van den heiligen dienst vraag ik u mij mee te deelen, wat ge van dien man weet. Wacht u er voor, hem als buurman en misschien als vriend te willen verontschuldigen, want ik verklaar u, indien ik dat merk, zijt ge evengoed verloren als hij. Schrijf griffier.”De griffier, die zijn papier en inktkoker reeds in de hand hield, ging aan een tafel zitten en maakte zich met het ernstigste gezicht van de wereld gereed om de antwoorden op te schrijven van den waard, die levendig betuigde dat hij aan de waarheid niets te kort zou doen.“Antwoord mij alleen op mijn vragen, iets anders verwacht ik van u niet.”“Ziet gij Samuel Simon dikwijls de kerk bezoeken?” “Daar heb ik niet op gelet,” antwoordde de waard, “ik herinner mij niet, hem bij ons in de kerk te hebben gezien.” “Goed. Schrijf, dat men hem nooit in de kerk ziet.” “Dat heb ik niet gezegd, mijnheer,” riep de herbergier, “ik heb alleen gezegd, dat ik hem bij ons niet gezien heb, misschien gaat hij ergens anders of op een anderen tijd dan ik.”“Mijn vriend, ge vergeet, dat ge bij dit verhoor Samuel Simon niet moogt verontschuldigen: de gevolgen daarvan heb ik u meegedeeld. Ge moet mij mededeeling doen van de zaken, welke tegen hem getuigen.”“In dat geval,” antwoordde de waard, “zal mijn getuigenis u van zeer weinig waarde zijn. Ik ken dien koopman bijna niet en kan dus niets goeds en evenmin iets kwaads van hem zeggen; maar als gij weten wilt hoe hij in zijn levenswandel is, dan zal ik Gaspard, zijn knecht, hier roepen. Die jongen komt dikwijls ’s avonds hier met zijn vrienden. Hij is welbespraakt en zal u alles zeggen van zijn meester, wat ge weten wilt. Uw griffier zal de handen vol aan hem hebben.”“Voor uw openhartigheid ben ik u erkentelijk,” zei Ambrosius, “het is ook een bewijs van godsdienstigen ijver, dat gij me een man aanwijst, die op de hoogte is van de gewoonten van Simon. Ik zal dat aan de Inquisitie overbrengen. Haast u om dien Gaspard op te zoeken, maar behandel die zaak zoo geheimzinnig mogelijk en zorg, dat vooral zijn meester niets bemerkt van hetgeen er gebeurt.”De herbergier kweet zich spoedig van zijn opdracht en bracht den knecht.“Mijn zoon, wees welkom,” zei Lamela, “ik ben inquisiteur en aangewezen om een onderzoek te doen naar Samuel Simon, die beschuldigd wordt den Judas te spelen. Gij woont bij hem en zijt getuige van de meeste van zijn daden. Ik geloof niet, dat het noodig is u te zeggen, dat ge verplicht zijt mij alles mee te deelen wat gij weet, indien ik u dat beveel namens de heilige inquisitie.”“Mijnheer,” antwoordde de jongen, “ge zoudt u moeilijk tot iemand kunnen richten, die beter in staat is om u in te lichten dan ik het ben. En ik zal aan uw wensch voldoen, ook zonder dat ge het namens de heilige inquisitie beveelt. Indien men, mijnheer, mijn meester voor het geval stelde, waarin ik nu verkeer, ben ik zeker, dat hij mij niet zou sparen en ik ben ook niet van plan het hem te doen. Ik zal dan maar beginnen met u te zeggen, dat hij een snuiter is, van wien men moeilijk de geheime gevoelens leert kennen, want naar buiten neemt hij allen schijn aan van een halve heilige te zijn, terwijl hij in den grond van zijn hart een groote deugniet is. Iederen avond gaat hij naar een kleine grisette....”“Het is goed, dat ge mij dit zegt,” viel Ambrosius hem in de rede, “en ik bemerk uit hetgeen ge zegt, dat hij een man van slechte zeden is, maar geef mij niet anders dan een juist antwoord op de vragen, die ik u zal doen. Het is voornamelijk op het stuk van den godsdienst, dat ik belast ben mijn onderzoek in te stellen. Zeg mij of er wel eens varkensvleesch bij u wordt gegeten?”“Neen,” was het antwoord, “ik geloof niet, dat wij het tweemaal hebben gegeten in het jaar, dat ik bij hem woon.”“Zeer goed, schrijf op griffier, dat er bij Samuel Simon nooit varkensvleesch wordt gegeten. Daarentegen eet men er zeker soms wel lamsvleesch, nietwaar?”“Ja, dat gebeurt nog al eens,” zei de jongen. “Ik herinner mij, dat wij het met de laatste Paschen nog hebben gehad.”Het tijdstip was gelukkig gekozen. “Schrijf op, griffier, dat Simon zoo zijn Paaschfeest viert. Zeg mij nu eens, mijn jonge vriend, of uw meester wel eens kleine kinderen aanhaalt.” “Dat doet hij dikwijls als hij hen langs onzen winkel ziet gaan,” antwoordde de jonge man.“Schrijf griffier, dat Samuel Simon onder verdenking staat kleine Christenkinderen tot zich te trekken, om die te vermoorden. Oh, oh, mijnheer Simon, gij zult met de inquisitie te doen krijgen! Denk maar niet, dat men u ongestraft uwe afschuwelijke offers zal laten plegen. Deze valsche Katholiek is zeker nog geheel gehecht aan alle Joodsche gewoonten en gebruiken. Is er niet een dag in de week, dat ge hem in het geheel niet ziet werken, Gaspard?”“Neen, dat kan ik niet zeggen,” gaf de jongen ten antwoord. “Wèl heb ik gemerkt, dat er dagen zijn, waarop hij zich in zijn kamer opsluit en daar lang blijft.”“Ha! dat is van gewicht. Hij viert dan den sabbat of ik ben geen inquisiteur. Schrijf op, griffier, dat hij op den sabbat de vasten in acht neemt. Er rest mij nu nog een vraag: spreekt hij niet dikwijls van Jeruzalem?”“Zeer dikwijls,” hernam de jongen. “Hij vertelt ons de geschiedenis van de joden en hoe de tempel te Jeruzalem werd verwoest.”“Laat dat niet aan uwe aandacht ontsnappen, griffier. Schrijf met groote letters, dat Samuel Simon de restauratie van den tempel wenscht en dat hij dag en nacht werkt om de joodsche natie te herstellen. Ik wil er nietsmeer van weten, het is overbodig om verdere vragen te doen. Wat deze geloofwaardige Gaspard heeft verklaard, zou voldoende zijn om een geheele Jodenwijk te verbranden.”De jongen kon hierna vertrekken, nadat hem nog eens op het hart was gedrukt geen woord over dit verhoor te spreken.Wij verlieten de herberg met even ernstige gezichten als waarmee wij er waren binnengetreden en klopten aan de deur van Samuel Simon. Hij deed ons zelf open en was niet weinig verbaasd drie figuren als de onze bij hem te zien. Nog meer was hij het, toen Lamela op bevelenden toon tot hem zei: “Meester Samuel Simon, namens de heilige inquisitie, waarvan ik de eer heb commissaris te zijn, gelast ik u mij dadelijk den sleutel van uw kamer te geven. Ik wil zien of ik daar iets vind, wat de bezwaarschriften rechtvaardigt, welke men bij mij tegen u heeft ingediend.”De koopman, ontzet bij die woorden, deed een paar passen achterwaarts als iemand wien men een stomp op zijn maag heeft gegeven. Wel verre van ons ervan te verdenken, dat wij hem beetnamen, dacht hij te goeder trouw, dat een of andere geheime vijand hem verdacht had gemaakt en misschien voelde hij zich geen goed Katholiek. Hoe het zij, ik heb nooit een man gezien, die meer in de war was.Hij gehoorzaamde zonder tegenstand en met al het respect, dat iemand moet hebben, die de inquisitie vreest, opende hij de deur van zijn kamer.“Ge ontvangt ons althans zonder u tegen onze orders te verzetten,” zei Ambrosius, “maar ga zelf zoolang in een ander vertrek, opdat ik ongestoord kan verrichten, wat mijn ambt mij oplegt.”Samuel verzette zich ook niet tegen dit bevel, hij ging in zijn winkel en wij traden de kamer binnen, waar wij zonder tijd te verliezen, ons onderzoek aanvingen. Wij vonden in een open kast veel zakken met ducaten, stoptendie in onze laarzen en overal anders, waar wij ze konden bergen. We waren zwaar van het geld, zonder dat men het aan ons zien kon, dank zij de behendigheid van Ambrosius en don Raphaël, waaruit ik weer zag, dat toch niets meer waard is, dan dat men zijn vak goed verstaat.Wij verlieten het vertrek en om een reden, die de lezer gemakkelijk raden zal, haalde de inquisiteur een hangslot uit zijn zak, dat hij zelf aan de deur bevestigde, deed er vervolgens het groote zegel op en zei tegen Simon: “meester Samuel Simon, uit naam van de heilige Inquisitie verbied ik u aan dit hangslot te raken en ook aan het zegel, dat het hare is. Ik zal morgen op hetzelfde uur hier komen, om het te lichten en u mijn orders te brengen.”Na die woorden liet hij de straatdeur openen, waardoorwij, de een na den ander, in blijde stemming vertrokken. Zoodra wij een vijftig passen gedaan hadden, begonnen wij zoo snel te loopen, als ons zwaar gewicht het toeliet. Weldra waren wij buiten de stad, bestegen onze paarden en reden naar Ségorbe, god Mercurius dankend voor een zoo gelukkige gebeurtenis.
Nadat de graaf de Polan ons nogmaals verzekerd had, dat wij steeds op zijn dankbaarheid zouden kunnen rekenen, riep hij den waard, om hem te raadplegen over de middelen veilig in Turijn te komen, waar hij plan had heen te gaan. Wij verlieten het hotel en sloegen den weg in, dien Lamela koos.
Na twee uren begon het dag te worden en kwamen we te Campillo aan. We trokken door de bergen, die tusschen dit dorp en Requena liggen. Overdag rustten wij en telden onze geldmiddelen, die zeer versterkt waren door den inhoud van de zakken der roovers, want men had niet minder dan driehonderd pistolen bij hen gevonden. Tegen den avond begaven wij ons weer op weg en den volgenden morgen betraden wij den bodem van het koninkrijk Valencia. In het eerste bosch besloten wij rust te houden. In de schaduw van de boomen en bij een beek met kristalhelder water, vleiden wij ons neer; maar, toen wij wilden gaan ontbijten, bemerkten wij, dat we maar zeer weinig levensmiddelen meer hadden en onze wijnzak was reeds een lichaam zonder ziel geworden. “Mijne heeren,” zei Ambrosius, “de schoonste plaatsen bekoren niet zonder Bacchus en zonder Céres. Ik meen, dat wij vandaag provisie moeten inslaan en zal daarvoor naar Xelva gaan, een lieve stad en niet meer dan twee mijlen ver.” Hij sprong weer te paard enreed snel weg, zoodat we hem spoedig terug verwachtten.
Maar de halve dag verliep en wij wachtten tevergeefs. Toen de avond begon te vallen en wij reeds ongerust begonnen te worden, zagen wij hem eindelijk belast en beladen aankomen. Behalve wijn, brood en gebraden wild, had hij een groot pak met kleeren op zijn paard, waarnaar wij met aandacht keken. Hij bemerkte het en zei glimlachend: “Mijne heeren, ge bekijkt die met verwondering en ik kan dat begrijpen, ik zal u laten zien, wat dit pak inhoudt en geef u te raden, waartoe dat alles moet dienen.” Hij vertoonde achtereenvolgens een toga, een jas, een wambuis, een grooten inktkoker, een boek, wit papier, een hangslot en een groot zegel van groen lak.
Don Raphaël zei, dat hij er niet aan twijfelde of Ambrosius had goede inkoopen gedaan, maar hij vroeg, waar dat alles toe moest dienen.
Ambrosius antwoordde: “Al die zaken hebben mij met elkaar zes pistolen gekost en ik ben er zeker van, dat zij ons minstens vijfhonderd zullen opbrengen. Ik ben er de man niet naar om mijn geld aan nuttelooze zaken te besteden. Ik heb een plan gevormd, een plan, dat ontegenzeggelijk een van de vernuftigste is, dat ooit in een menschelijk brein is opgekomen. Gij zult er over oordeelen, want ik zal het u meedeelen en ik ben er zeker van, dat gij het prachtig zult vinden.”
“Nadat ik brood had ingeslagen, ging ik naar een kok, waar ik last gaf, dat men voor mij aan het spit zou steken zes patrijzen, evenveel kuikens en jonge konijnen. Terwijl men het vleesch braadde en ik daarop zat te wachten, kwam er een man binnen, die zeer uit zijn humeur was en zich bij den kok beklaagde. Hij riep: “Samuel Simon is de grootste stommeling van alle winkeliers in Xelva. Hij heeft mij in zijn vollen winkel beleedigd. De vlegel heeft mij crediet geweigerd voor zes el laken. En toch weet hij heel goed, dat ik een soliede handwerksman ben en dat hij door mij geen schade zal lijden. Aan personen, die eenigszins deftig zijn, levert hij graag op crediet,maar met een eerlijk burger durft hij niets wagen! Wat een vervloekte jood! Ik hoop, dat hij eens goed zal worden beetgenomen, daar zullen velen pleizier in hebben.”
Terwijl ik dien man zoo hoorde spreken, kwam het plan bij mij op, om hem te wreken en eens een grap uit te halen met Samuel Simon. “Mijn vriend,” zei ik, “welk karakter heeft de man, van wien gij spreekt?” “Een zeer slecht karakter,” kreeg ik ten antwoord, “hij is een woekeraar van het ergste soort, hoewel hij den schijn aanneemt van een eerlijk man te zijn. Het is een jood, die katholiek geworden is, maar in zijn ziel is hij nog een jood en alleen uit eigenbelang is hij van geloof veranderd.”
Nadat ik nog het een en ander omtrent Samuel Simon had gehoord, ging ik zijn winkel eens opnemen en verzon toen een schelmenstreek, den bediende van mijnheer Gil Blas waardig. Daarna bezocht ik een uitdrager, waar ik deze zaken kocht; de kleeren zijn noodig voor een inquisiteur, een griffier en een gerechtsdienaar. Dat is alles wat ik gedaan heb en wat mij opgehouden heeft.”
Don Raphaël toonde zich verrukt over de comedie, welke men zou gaan spelen. “Het plan is uitstekend!” riep hij, “en over de uitvoering behoeft ge u niet ongerust te maken. Gij hebt behoefte aan twee goede acteurs, die u ter zijde staan en die zijn gevonden. Ge hebt zelf een vroom uiterlijk, uitstekend geschikt voor een inquisiteur, ik zal den griffier voorstellen en mijnheer Gil Blas zal wel zoo goed willen zijn voor gerechtsdienaar te spelen. Zoo zijn de rollen goed verdeeld, morgen zullen wij het stuk spelen en voor het succes sta ik in.”
Ik moet eerlijk zeggen, dat ik het plan, dat don Raphaël zoo schoon vond, niet goed begreep, maar onder het souper bracht men mij op de hoogte en het scheen mij een vernuftige streek. Nadat wij het gebraad en den wijn behoorlijk hadden toegesproken, strekten wij ons op het gras uit en sliepen weldra in. Maar onze slaap duurdeniet lang. Nog in den nacht kwam de onverbiddelijke Ambrosius ons roepen. “Opstaan, opstaan!” riep hij; “menschen, die voor de uitvoering van een groote onderneming staan, mogen niet lui zijn.”
“De duivel hale je, mijnheer de inquisiteur, wat zijt ge vroeg!” riep don Raphaël. “Dat moet wel, mijnheer de griffier,” zei de andere, “ik heb vannacht gedroomd, dat ik den jood de haren uit zijn baard rukte. Is dat niet een slechte droom voor hem?”
We gingen in een opgewekte stemming ontbijten en begonnen ons daarna te verkleeden. Er werd door ons nogal wat tijd daaraan besteed en wij zagen er uit als de personen, die wij wilden voorstellen, daarna liepen wij tot het einde van het bosch en rustten daar weder geruimen tijd, om tegen schemerdonker de poorten van de stad binnen te gaan, waar we nu vlakbij waren.
Onze paarden lieten wij in het bosch achter bij don Alphonse, die tot zijn groote tevredenheid geen andere rol in het stuk speelde. We gingen niet dadelijk naar Samuel Simon, maar eerst naar een herberg, dicht bij zijn huis. Mijnheer de inquisiteur liep vooruit, trad binnen en zei op ernstigen toon tot den waard: “Ik wenschte u alleen te spreken, ik heb u eenige vragen te doen over een zaak, betreffende den dienst van de inquisitie en dus zeer gewichtig.” De waard bracht hem in een zaal en toen Lamela zag, dat wij alleen met hem waren, zei hij: “Ik ben commissaris van den heiligen dienst.” Bij die woorden verbleekte de herbergier en zei met bevende stem, dat hij aan de heilige inquisitie geen reden meende te hebben gegeven om zich over hem te beklagen. Ambrosius zei op zachten toon, dat men er ook niet aan dacht, om het hem moeilijk te maken en hij vervolgde: “De inquisitie is gestreng, maar altijd rechtvaardig. Hoezeer ook klaar om te straffen, met God’s hulp verwart zij toch niet schuld en onschuld. In één woord: om gestraft te worden, moet men schuldig zijn. ’t Is niet voor u, dat ik naar Xelva gekomen ben, maar voor zekeren koopman,Samuel Simon. Er is ons een zeer slecht rapport omtrent zijn gedrag toegekomen. Hij is, zegt men, nog altijd jood en heeft het Christendom alleen aanvaard uit berekening. Uit naam van den heiligen dienst vraag ik u mij mee te deelen, wat ge van dien man weet. Wacht u er voor, hem als buurman en misschien als vriend te willen verontschuldigen, want ik verklaar u, indien ik dat merk, zijt ge evengoed verloren als hij. Schrijf griffier.”
De griffier, die zijn papier en inktkoker reeds in de hand hield, ging aan een tafel zitten en maakte zich met het ernstigste gezicht van de wereld gereed om de antwoorden op te schrijven van den waard, die levendig betuigde dat hij aan de waarheid niets te kort zou doen.
“Antwoord mij alleen op mijn vragen, iets anders verwacht ik van u niet.”
“Ziet gij Samuel Simon dikwijls de kerk bezoeken?” “Daar heb ik niet op gelet,” antwoordde de waard, “ik herinner mij niet, hem bij ons in de kerk te hebben gezien.” “Goed. Schrijf, dat men hem nooit in de kerk ziet.” “Dat heb ik niet gezegd, mijnheer,” riep de herbergier, “ik heb alleen gezegd, dat ik hem bij ons niet gezien heb, misschien gaat hij ergens anders of op een anderen tijd dan ik.”
“Mijn vriend, ge vergeet, dat ge bij dit verhoor Samuel Simon niet moogt verontschuldigen: de gevolgen daarvan heb ik u meegedeeld. Ge moet mij mededeeling doen van de zaken, welke tegen hem getuigen.”
“In dat geval,” antwoordde de waard, “zal mijn getuigenis u van zeer weinig waarde zijn. Ik ken dien koopman bijna niet en kan dus niets goeds en evenmin iets kwaads van hem zeggen; maar als gij weten wilt hoe hij in zijn levenswandel is, dan zal ik Gaspard, zijn knecht, hier roepen. Die jongen komt dikwijls ’s avonds hier met zijn vrienden. Hij is welbespraakt en zal u alles zeggen van zijn meester, wat ge weten wilt. Uw griffier zal de handen vol aan hem hebben.”
“Voor uw openhartigheid ben ik u erkentelijk,” zei Ambrosius, “het is ook een bewijs van godsdienstigen ijver, dat gij me een man aanwijst, die op de hoogte is van de gewoonten van Simon. Ik zal dat aan de Inquisitie overbrengen. Haast u om dien Gaspard op te zoeken, maar behandel die zaak zoo geheimzinnig mogelijk en zorg, dat vooral zijn meester niets bemerkt van hetgeen er gebeurt.”
De herbergier kweet zich spoedig van zijn opdracht en bracht den knecht.
“Mijn zoon, wees welkom,” zei Lamela, “ik ben inquisiteur en aangewezen om een onderzoek te doen naar Samuel Simon, die beschuldigd wordt den Judas te spelen. Gij woont bij hem en zijt getuige van de meeste van zijn daden. Ik geloof niet, dat het noodig is u te zeggen, dat ge verplicht zijt mij alles mee te deelen wat gij weet, indien ik u dat beveel namens de heilige inquisitie.”
“Mijnheer,” antwoordde de jongen, “ge zoudt u moeilijk tot iemand kunnen richten, die beter in staat is om u in te lichten dan ik het ben. En ik zal aan uw wensch voldoen, ook zonder dat ge het namens de heilige inquisitie beveelt. Indien men, mijnheer, mijn meester voor het geval stelde, waarin ik nu verkeer, ben ik zeker, dat hij mij niet zou sparen en ik ben ook niet van plan het hem te doen. Ik zal dan maar beginnen met u te zeggen, dat hij een snuiter is, van wien men moeilijk de geheime gevoelens leert kennen, want naar buiten neemt hij allen schijn aan van een halve heilige te zijn, terwijl hij in den grond van zijn hart een groote deugniet is. Iederen avond gaat hij naar een kleine grisette....”
“Het is goed, dat ge mij dit zegt,” viel Ambrosius hem in de rede, “en ik bemerk uit hetgeen ge zegt, dat hij een man van slechte zeden is, maar geef mij niet anders dan een juist antwoord op de vragen, die ik u zal doen. Het is voornamelijk op het stuk van den godsdienst, dat ik belast ben mijn onderzoek in te stellen. Zeg mij of er wel eens varkensvleesch bij u wordt gegeten?”
“Neen,” was het antwoord, “ik geloof niet, dat wij het tweemaal hebben gegeten in het jaar, dat ik bij hem woon.”
“Zeer goed, schrijf op griffier, dat er bij Samuel Simon nooit varkensvleesch wordt gegeten. Daarentegen eet men er zeker soms wel lamsvleesch, nietwaar?”
“Ja, dat gebeurt nog al eens,” zei de jongen. “Ik herinner mij, dat wij het met de laatste Paschen nog hebben gehad.”
Het tijdstip was gelukkig gekozen. “Schrijf op, griffier, dat Simon zoo zijn Paaschfeest viert. Zeg mij nu eens, mijn jonge vriend, of uw meester wel eens kleine kinderen aanhaalt.” “Dat doet hij dikwijls als hij hen langs onzen winkel ziet gaan,” antwoordde de jonge man.
“Schrijf griffier, dat Samuel Simon onder verdenking staat kleine Christenkinderen tot zich te trekken, om die te vermoorden. Oh, oh, mijnheer Simon, gij zult met de inquisitie te doen krijgen! Denk maar niet, dat men u ongestraft uwe afschuwelijke offers zal laten plegen. Deze valsche Katholiek is zeker nog geheel gehecht aan alle Joodsche gewoonten en gebruiken. Is er niet een dag in de week, dat ge hem in het geheel niet ziet werken, Gaspard?”
“Neen, dat kan ik niet zeggen,” gaf de jongen ten antwoord. “Wèl heb ik gemerkt, dat er dagen zijn, waarop hij zich in zijn kamer opsluit en daar lang blijft.”
“Ha! dat is van gewicht. Hij viert dan den sabbat of ik ben geen inquisiteur. Schrijf op, griffier, dat hij op den sabbat de vasten in acht neemt. Er rest mij nu nog een vraag: spreekt hij niet dikwijls van Jeruzalem?”
“Zeer dikwijls,” hernam de jongen. “Hij vertelt ons de geschiedenis van de joden en hoe de tempel te Jeruzalem werd verwoest.”
“Laat dat niet aan uwe aandacht ontsnappen, griffier. Schrijf met groote letters, dat Samuel Simon de restauratie van den tempel wenscht en dat hij dag en nacht werkt om de joodsche natie te herstellen. Ik wil er nietsmeer van weten, het is overbodig om verdere vragen te doen. Wat deze geloofwaardige Gaspard heeft verklaard, zou voldoende zijn om een geheele Jodenwijk te verbranden.”
De jongen kon hierna vertrekken, nadat hem nog eens op het hart was gedrukt geen woord over dit verhoor te spreken.
Wij verlieten de herberg met even ernstige gezichten als waarmee wij er waren binnengetreden en klopten aan de deur van Samuel Simon. Hij deed ons zelf open en was niet weinig verbaasd drie figuren als de onze bij hem te zien. Nog meer was hij het, toen Lamela op bevelenden toon tot hem zei: “Meester Samuel Simon, namens de heilige inquisitie, waarvan ik de eer heb commissaris te zijn, gelast ik u mij dadelijk den sleutel van uw kamer te geven. Ik wil zien of ik daar iets vind, wat de bezwaarschriften rechtvaardigt, welke men bij mij tegen u heeft ingediend.”
De koopman, ontzet bij die woorden, deed een paar passen achterwaarts als iemand wien men een stomp op zijn maag heeft gegeven. Wel verre van ons ervan te verdenken, dat wij hem beetnamen, dacht hij te goeder trouw, dat een of andere geheime vijand hem verdacht had gemaakt en misschien voelde hij zich geen goed Katholiek. Hoe het zij, ik heb nooit een man gezien, die meer in de war was.
Hij gehoorzaamde zonder tegenstand en met al het respect, dat iemand moet hebben, die de inquisitie vreest, opende hij de deur van zijn kamer.
“Ge ontvangt ons althans zonder u tegen onze orders te verzetten,” zei Ambrosius, “maar ga zelf zoolang in een ander vertrek, opdat ik ongestoord kan verrichten, wat mijn ambt mij oplegt.”
Samuel verzette zich ook niet tegen dit bevel, hij ging in zijn winkel en wij traden de kamer binnen, waar wij zonder tijd te verliezen, ons onderzoek aanvingen. Wij vonden in een open kast veel zakken met ducaten, stoptendie in onze laarzen en overal anders, waar wij ze konden bergen. We waren zwaar van het geld, zonder dat men het aan ons zien kon, dank zij de behendigheid van Ambrosius en don Raphaël, waaruit ik weer zag, dat toch niets meer waard is, dan dat men zijn vak goed verstaat.
Wij verlieten het vertrek en om een reden, die de lezer gemakkelijk raden zal, haalde de inquisiteur een hangslot uit zijn zak, dat hij zelf aan de deur bevestigde, deed er vervolgens het groote zegel op en zei tegen Simon: “meester Samuel Simon, uit naam van de heilige Inquisitie verbied ik u aan dit hangslot te raken en ook aan het zegel, dat het hare is. Ik zal morgen op hetzelfde uur hier komen, om het te lichten en u mijn orders te brengen.”
Na die woorden liet hij de straatdeur openen, waardoorwij, de een na den ander, in blijde stemming vertrokken. Zoodra wij een vijftig passen gedaan hadden, begonnen wij zoo snel te loopen, als ons zwaar gewicht het toeliet. Weldra waren wij buiten de stad, bestegen onze paarden en reden naar Ségorbe, god Mercurius dankend voor een zoo gelukkige gebeurtenis.
Hoofdstuk IIVan het besluit, dat don Alphonse en Gil Blas namen na dit avontuur.Volgens onze prijzenswaardige gewoonte, gingen wij den geheelen nacht door en bij het aanbreken van den dag waren wij bij een klein dorp, op twee mijlen van Ségorbe. Toen wij aan den voet van een heuvel een aantal wilgenboomen zagen, verlieten wij den grooten weg en gingen in de schaduw slapen.Na een flink ontbijt telden wij het geld, dat we van Samuel Simon hadden meegenomen; dit liep tot een bedrag van drieduizend ducaten en daarbij gevoegd de som, welke wij reeds bezaten, waren wij niet slecht bij kas.Er moest voor nieuwe provisie worden gezorgd en Ambrosius en don Raphaël, na hun costuums uitgetrokken te hebben, zeiden, dat ze daar samen op wilden uitgaan; door het avontuur te Xelva hadden zij er smaak in gekregen en ze wilden zien of er in Ségorbe niet een slag was te slaan.“Ge moet ons maar onder de wilgen afwachten,” zei de zoon van Lucinde, “wij zullen spoedig terug zijn.”Lachend merkte ik op, dat, wanneer de heeren ons samen verlieten, het misschien wel lang zou duren eer wij hen weer zagen.“Die verdenking is een beleediging voor ons,” zei Ambrosius, “maar dat is te verontschuldigen na hetgeen wij te Valladolid hebben gedaan, waar wij onze kameraden in den steek lieten. Maar toch bedriegt ge u. De personen, met wie wij toen samenwerkten, hadden een zeer slecht karakter en de omgang met hen was, op den duur,onverdragelijk. Aan lieden van ons slag moet men de eer geven, dat wanneer ze goed met elkaar kunnen opschieten, ze elkaar ook trouw zijn. Ik verzoek u dus, mijnheer Gil Blas en don Alphonse, om wat meer vertrouwen in ons te hebben.”“Het is gemakkelijk om hun ongerustheid weg te nemen,” zei don Raphaël; “de kas blijft bij hen hier, dan hebben zij een waarborg in handen. Na dit bewijs van onze goede trouw, zult ge er wel geen bezwaar meer tegen hebben, dat wij vertrekken.”Ze gingen heen en lieten mij achter met don Alphonse, die me zei: “Mijnheer Gil Blas, ik moet mijn hart voor u openen. Ik maak mij er een verwijt van, dat ik tot nu toe in gezelschap ben geweest van deze twee schelmen. Ge kunt niet gelooven, hoe mij dat berouwt; gisterenavond, toen ik alleen was bij de paarden, heb ik er onophoudelijk aan gedacht. Voor een eerlijk man gaat het toch niet aan, om te leven met mannen als Raphaël en Lamela en wanneer het ongeluk wil, vallen ze toch een of anderen dag in handen van de justitie. Ik zou me doodschamen, als ik dan met hen als een dief moest worden gestraft. Dus moet ik u bekennen, dat ik niet langer hun medeplichtige wil zijn, maar mij voor altijd van hen zal scheiden. U zult, denk ik, mijn besluit niet afkeuren.”“Neen,” verzekerde ik hem, “ge moet niet denken, dat al hebt ge mij in de comedie van Samuel Simon voor gerechtsdienaar zien spelen, die soort van dingen naar mijn smaak zijn. ’t Is ook mijn plan, om niet langer in dit slechte gezelschap te blijven en als ge het goedvindt, zal ik u vergezellen. Wanneer de heeren terug zijn, zullen wij hen vragen, om onze bezittingen te deelen en morgenochtend of vannacht nog nemen wij afscheid van hen.”De beminde van de schoone Séraphine keurde mijn voorstel goed en stelde mij voor naar Valencia te gaan, ons daar in te schepen naar Italië en in dienst te treden van de republiek Venetië. “Is het niet beter,” vroeg hij, “onder de wapenen te dienen, dan een laf en schuldigleven te leiden, zooals we nu doen? Met het geld, dat wij zullen hebben, kunnen wij een goed figuur maken. ’t Is niet, dat ik geen wroeging gevoel om mij te bedienen van op zulke slechte wijze verkregen geld, maar de noodzakelijkheid verplicht mij er toe en als ik eenig fortuin maak in den oorlog, zweer ik, dat ik Samuel Simon schadeloos zal stellen.”Ik verzekerde don Alphonse, dat ik zijn gevoelens deelde en wij besloten, dat wij den volgenden dag vóór zonsopgang zouden vertrekken. Wij dachten er niet aan van hun afwezigheid te profiteeren en er met de kas vandoor te gaan. Hun vertrouwen in ons belette dat, hoewel het avontuur in het pension dezen diefstal zou hebben verontschuldigd.Ambrosius en don Raphaël kwamen ’s avonds van Ségorbe terug. Hun eerste woorden waren, dat de reis zeer gelukkig was geweest en dat ze een plan hadden gevormd, dat ons nog meer zou opleveren, dan het avontuur van den vorigen avond. Ze wilden ons daarover het een en ander meedeelen, maar don Alphonse verklaarde beleefd, maar beslist, dat hij niet langer wilde leven, zooals zij deden en dat hij van plan was van hen te scheiden. Van mijn kant deelde ik hetzelfde voornemen mee. Tevergeefs deden zij al het mogelijke, om te trachten ons terug te doen komen op ons besluit; wij namen den volgenden morgen afscheid van hen, na een gelijk deel van het geld te hebben ontvangen en trokken naar Valencia.
Volgens onze prijzenswaardige gewoonte, gingen wij den geheelen nacht door en bij het aanbreken van den dag waren wij bij een klein dorp, op twee mijlen van Ségorbe. Toen wij aan den voet van een heuvel een aantal wilgenboomen zagen, verlieten wij den grooten weg en gingen in de schaduw slapen.
Na een flink ontbijt telden wij het geld, dat we van Samuel Simon hadden meegenomen; dit liep tot een bedrag van drieduizend ducaten en daarbij gevoegd de som, welke wij reeds bezaten, waren wij niet slecht bij kas.
Er moest voor nieuwe provisie worden gezorgd en Ambrosius en don Raphaël, na hun costuums uitgetrokken te hebben, zeiden, dat ze daar samen op wilden uitgaan; door het avontuur te Xelva hadden zij er smaak in gekregen en ze wilden zien of er in Ségorbe niet een slag was te slaan.
“Ge moet ons maar onder de wilgen afwachten,” zei de zoon van Lucinde, “wij zullen spoedig terug zijn.”
Lachend merkte ik op, dat, wanneer de heeren ons samen verlieten, het misschien wel lang zou duren eer wij hen weer zagen.
“Die verdenking is een beleediging voor ons,” zei Ambrosius, “maar dat is te verontschuldigen na hetgeen wij te Valladolid hebben gedaan, waar wij onze kameraden in den steek lieten. Maar toch bedriegt ge u. De personen, met wie wij toen samenwerkten, hadden een zeer slecht karakter en de omgang met hen was, op den duur,onverdragelijk. Aan lieden van ons slag moet men de eer geven, dat wanneer ze goed met elkaar kunnen opschieten, ze elkaar ook trouw zijn. Ik verzoek u dus, mijnheer Gil Blas en don Alphonse, om wat meer vertrouwen in ons te hebben.”
“Het is gemakkelijk om hun ongerustheid weg te nemen,” zei don Raphaël; “de kas blijft bij hen hier, dan hebben zij een waarborg in handen. Na dit bewijs van onze goede trouw, zult ge er wel geen bezwaar meer tegen hebben, dat wij vertrekken.”
Ze gingen heen en lieten mij achter met don Alphonse, die me zei: “Mijnheer Gil Blas, ik moet mijn hart voor u openen. Ik maak mij er een verwijt van, dat ik tot nu toe in gezelschap ben geweest van deze twee schelmen. Ge kunt niet gelooven, hoe mij dat berouwt; gisterenavond, toen ik alleen was bij de paarden, heb ik er onophoudelijk aan gedacht. Voor een eerlijk man gaat het toch niet aan, om te leven met mannen als Raphaël en Lamela en wanneer het ongeluk wil, vallen ze toch een of anderen dag in handen van de justitie. Ik zou me doodschamen, als ik dan met hen als een dief moest worden gestraft. Dus moet ik u bekennen, dat ik niet langer hun medeplichtige wil zijn, maar mij voor altijd van hen zal scheiden. U zult, denk ik, mijn besluit niet afkeuren.”
“Neen,” verzekerde ik hem, “ge moet niet denken, dat al hebt ge mij in de comedie van Samuel Simon voor gerechtsdienaar zien spelen, die soort van dingen naar mijn smaak zijn. ’t Is ook mijn plan, om niet langer in dit slechte gezelschap te blijven en als ge het goedvindt, zal ik u vergezellen. Wanneer de heeren terug zijn, zullen wij hen vragen, om onze bezittingen te deelen en morgenochtend of vannacht nog nemen wij afscheid van hen.”
De beminde van de schoone Séraphine keurde mijn voorstel goed en stelde mij voor naar Valencia te gaan, ons daar in te schepen naar Italië en in dienst te treden van de republiek Venetië. “Is het niet beter,” vroeg hij, “onder de wapenen te dienen, dan een laf en schuldigleven te leiden, zooals we nu doen? Met het geld, dat wij zullen hebben, kunnen wij een goed figuur maken. ’t Is niet, dat ik geen wroeging gevoel om mij te bedienen van op zulke slechte wijze verkregen geld, maar de noodzakelijkheid verplicht mij er toe en als ik eenig fortuin maak in den oorlog, zweer ik, dat ik Samuel Simon schadeloos zal stellen.”
Ik verzekerde don Alphonse, dat ik zijn gevoelens deelde en wij besloten, dat wij den volgenden dag vóór zonsopgang zouden vertrekken. Wij dachten er niet aan van hun afwezigheid te profiteeren en er met de kas vandoor te gaan. Hun vertrouwen in ons belette dat, hoewel het avontuur in het pension dezen diefstal zou hebben verontschuldigd.
Ambrosius en don Raphaël kwamen ’s avonds van Ségorbe terug. Hun eerste woorden waren, dat de reis zeer gelukkig was geweest en dat ze een plan hadden gevormd, dat ons nog meer zou opleveren, dan het avontuur van den vorigen avond. Ze wilden ons daarover het een en ander meedeelen, maar don Alphonse verklaarde beleefd, maar beslist, dat hij niet langer wilde leven, zooals zij deden en dat hij van plan was van hen te scheiden. Van mijn kant deelde ik hetzelfde voornemen mee. Tevergeefs deden zij al het mogelijke, om te trachten ons terug te doen komen op ons besluit; wij namen den volgenden morgen afscheid van hen, na een gelijk deel van het geld te hebben ontvangen en trokken naar Valencia.
Hoofdstuk IIINa welke onaangename gebeurtenissen don Alphonse zich op het toppunt van geluk bevond en door welk avontuur Gil Blas in gelukkige omstandigheden kwam te verkeeren.In opgewekte stemming reisden wij tot Bunol, waar het ongeluk wilde, dat don Alphonse ziek werd. Hij kreeg zware koortsen, waarvan de aanvallen soms zoo hevig waren, dat ik voor zijn leven vreesde. Gelukkig waren er daar geen dokters en bleef het dus bij den angst. Na drie dagen was hij buiten gevaar en door mijn zorgen herstelde hij spoedig. Voor wat ik voor hem deed, toonde hij zich zeer dankbaar en daar wij ons werkelijk tot elkaar voelden aangetrokken, zwoeren wij elkaar een eeuwige vriendschap.Wij gingen weer op weg, nog altijd besloten, om, wanneer wij te Valencia zouden zijn, te profiteeren van de eerste de beste gelegenheid, om naar Italië over te steken. Maar de hemel, die ons een gelukkig lot bereidde, beschikte het anders. Bij den ingang van een mooi kasteel, dat wij passeerden, zagen wij boeren en boerinnen, die dansten en feestvierden. Wij reden daarheen om dat feest te zien en hier wachtte don Alphonse geheel onverwacht een blijde verrassing. Hij zag baron von Steinbach, en deze, die hem op zijn beurt herkende, kwam met open armen naar hem toe en riep: “Alphonso! Wat een geluk u te ontmoeten! We zoeken u overal en vinden u nu door het toeval hier. Kom, mijn zoon, ge zult thans ook hooren, wie ge zijt en van uw geluk genieten!”Na die woorden bracht hij ons naar het kasteel en deeerste, dien wij ontmoetten, was de eigenaar. Het was een man van ongeveer vijftig jaar en met een zeer goed uiterlijk. “Mijnheer,” zei de baron, terwijl hij hem don Alphonse voorstelde, “ziehier uw zoon.” Bij die woorden wierp don César de Leyva (zoo heette de bewoner van het kasteel) zich in de armen van mijn vriend en zei: “Mijn zoon, het heeft mij zeer veel smart gekost, dat ik zoo langen tijd een vreemde voor u ben geweest, maar het kon niet anders. Uw moeder had ik alleen uit liefde gehuwd, want zij was van veel mindere geboorte dan ik. Mijn vader, die een zeer streng man was en van wien ik afhankelijk was, wilde van dat huwelijk niets weten en dwong mij het geheim te houden. Alleen baron von Steinbach was in het geheim en belastte zich, in overleg met mij, met uwe opvoeding. Thans is mijn vader niet meer en ik kan voor ieder verklaren, dat gij mijn zoon en de eenige erfgenaam zijt. Dat is echter nog niet alles, ik wilu laten trouwen met een dame, wier adel gelijk is aan den mijne.”“Mijnheer,” zei don Alphonse, “kan ik niet uw zoon zijn, zonder tegelijkertijd te vernemen, dat ge mij ongelukkig wilt maken? Wees niet even wreed als uw vader; heeft hij uw liefde niet goedgekeurd, hij heeft u tenminste niet gedwongen met een ander te trouwen!”“Mijn zoon,” antwoordde don César, “ik zal uw wenschen geen geweld aandoen. Het eenige, wat ik u vraag, is de dame te zien, die ik voor u bestemd heb. Hoewel ze een zeer bekoorlijke verschijning is en een voordeelige partij, beloof ik u, dat ik u niet zal dwingen haar te trouwen. Zij is hier in het kasteel en gij zult moeten toegeven, dat ge u niets beminnelijkers denken kunt.” Na die woorden bracht hij ons naar een zaal.Daar waren de graaf de Polan met zijn twee dochters, Séraphine en Julie en don Fernand de Leyva, zijn schoonzoon, die een neef was van don César. Er waren ook nog andere dames en heeren. Don Fernand had, zooals men weet, Julie geschaakt en het was ter gelegenheid van hun huwelijk, dat de boeren uit den omtrek waren samengekomen, om feest te vieren. Zoodra don Alphonse verscheen en zijn vader hem aan het gezelschap had voorgesteld, kwam de graaf de Polan naar hem toe, omhelsde hem en zei: “Wees welkom, mijn bevrijder! De deugd vermag veel op edelmoedige zielen. Hebt ge mijn zoon gedood, ge hebt mij het leven gered. Ik gevoel geen wrok meer tegen u en geef u dezelfde Séraphine, wier eer gij hebt gered.”Men kan begrijpen, dat don Alphonse overgelukkig was. Reeds na eenige dagen werd het huwelijk gevierd, tot groote genoegdoening van allen.Daar ik ook een van de bevrijders was van den graaf de Polan, zei deze heer, die mij dadelijk herkend had, dat hij ook voor mij zou zorgen. Maar ik bedankte hem voor zijn edelmoedigheid en wilde don Alphonse niet verlaten, die mij intendant van zijn huis maakte en met zijnvolkomen vertrouwen vereerde. Zoodra hij getrouwd was, zond hij mij op reis, om den koopman Samuel Simon al het geld terug te geven, dat hem ontstolen was. Ik ging dus schade vergoeden. Zoo begon ik mijn betrekking van intendant, zooals men die gewoonlijk eindigt.
In opgewekte stemming reisden wij tot Bunol, waar het ongeluk wilde, dat don Alphonse ziek werd. Hij kreeg zware koortsen, waarvan de aanvallen soms zoo hevig waren, dat ik voor zijn leven vreesde. Gelukkig waren er daar geen dokters en bleef het dus bij den angst. Na drie dagen was hij buiten gevaar en door mijn zorgen herstelde hij spoedig. Voor wat ik voor hem deed, toonde hij zich zeer dankbaar en daar wij ons werkelijk tot elkaar voelden aangetrokken, zwoeren wij elkaar een eeuwige vriendschap.
Wij gingen weer op weg, nog altijd besloten, om, wanneer wij te Valencia zouden zijn, te profiteeren van de eerste de beste gelegenheid, om naar Italië over te steken. Maar de hemel, die ons een gelukkig lot bereidde, beschikte het anders. Bij den ingang van een mooi kasteel, dat wij passeerden, zagen wij boeren en boerinnen, die dansten en feestvierden. Wij reden daarheen om dat feest te zien en hier wachtte don Alphonse geheel onverwacht een blijde verrassing. Hij zag baron von Steinbach, en deze, die hem op zijn beurt herkende, kwam met open armen naar hem toe en riep: “Alphonso! Wat een geluk u te ontmoeten! We zoeken u overal en vinden u nu door het toeval hier. Kom, mijn zoon, ge zult thans ook hooren, wie ge zijt en van uw geluk genieten!”
Na die woorden bracht hij ons naar het kasteel en deeerste, dien wij ontmoetten, was de eigenaar. Het was een man van ongeveer vijftig jaar en met een zeer goed uiterlijk. “Mijnheer,” zei de baron, terwijl hij hem don Alphonse voorstelde, “ziehier uw zoon.” Bij die woorden wierp don César de Leyva (zoo heette de bewoner van het kasteel) zich in de armen van mijn vriend en zei: “Mijn zoon, het heeft mij zeer veel smart gekost, dat ik zoo langen tijd een vreemde voor u ben geweest, maar het kon niet anders. Uw moeder had ik alleen uit liefde gehuwd, want zij was van veel mindere geboorte dan ik. Mijn vader, die een zeer streng man was en van wien ik afhankelijk was, wilde van dat huwelijk niets weten en dwong mij het geheim te houden. Alleen baron von Steinbach was in het geheim en belastte zich, in overleg met mij, met uwe opvoeding. Thans is mijn vader niet meer en ik kan voor ieder verklaren, dat gij mijn zoon en de eenige erfgenaam zijt. Dat is echter nog niet alles, ik wilu laten trouwen met een dame, wier adel gelijk is aan den mijne.”
“Mijnheer,” zei don Alphonse, “kan ik niet uw zoon zijn, zonder tegelijkertijd te vernemen, dat ge mij ongelukkig wilt maken? Wees niet even wreed als uw vader; heeft hij uw liefde niet goedgekeurd, hij heeft u tenminste niet gedwongen met een ander te trouwen!”
“Mijn zoon,” antwoordde don César, “ik zal uw wenschen geen geweld aandoen. Het eenige, wat ik u vraag, is de dame te zien, die ik voor u bestemd heb. Hoewel ze een zeer bekoorlijke verschijning is en een voordeelige partij, beloof ik u, dat ik u niet zal dwingen haar te trouwen. Zij is hier in het kasteel en gij zult moeten toegeven, dat ge u niets beminnelijkers denken kunt.” Na die woorden bracht hij ons naar een zaal.
Daar waren de graaf de Polan met zijn twee dochters, Séraphine en Julie en don Fernand de Leyva, zijn schoonzoon, die een neef was van don César. Er waren ook nog andere dames en heeren. Don Fernand had, zooals men weet, Julie geschaakt en het was ter gelegenheid van hun huwelijk, dat de boeren uit den omtrek waren samengekomen, om feest te vieren. Zoodra don Alphonse verscheen en zijn vader hem aan het gezelschap had voorgesteld, kwam de graaf de Polan naar hem toe, omhelsde hem en zei: “Wees welkom, mijn bevrijder! De deugd vermag veel op edelmoedige zielen. Hebt ge mijn zoon gedood, ge hebt mij het leven gered. Ik gevoel geen wrok meer tegen u en geef u dezelfde Séraphine, wier eer gij hebt gered.”
Men kan begrijpen, dat don Alphonse overgelukkig was. Reeds na eenige dagen werd het huwelijk gevierd, tot groote genoegdoening van allen.
Daar ik ook een van de bevrijders was van den graaf de Polan, zei deze heer, die mij dadelijk herkend had, dat hij ook voor mij zou zorgen. Maar ik bedankte hem voor zijn edelmoedigheid en wilde don Alphonse niet verlaten, die mij intendant van zijn huis maakte en met zijnvolkomen vertrouwen vereerde. Zoodra hij getrouwd was, zond hij mij op reis, om den koopman Samuel Simon al het geld terug te geven, dat hem ontstolen was. Ik ging dus schade vergoeden. Zoo begon ik mijn betrekking van intendant, zooals men die gewoonlijk eindigt.